In deze aflevering van Barend & Van Dorp is de kleine videoreportage te zien die ik in maart en april 1999 maakte in Macedonie ten tijde van de Kosovo-oorlog. Vanaf de 15e minuut tot en met ong. de 23ste minuut.
Gasten: Jan Gaasterland, directievoorzitter Amsterdam ArenA; Anne-Marie Munnik, beursspecialiste; Jan Golsteijn, voorzitter vakbond voor beroepsmilitairen (VBM); Jan Mulder, tafelclown; zanger Frank Boeijen met band; Serge van Duijnhoven, dichter en journalist.
Bekeken: 688 keer
Lengte: 35min
Uitzenddatum: 20-04-1999
Omroep: RTL4
Serge van Duijnhoven (1970) en dj Fred dB (Fred de Backer, 1967) treden sinds 1997 op, in binnen- en buitenland, onder de naam Dichters Dansen Niet. De avontuurlijke koers van dit eigenzinnige gezelschap is al zeventien jaar een opvallende constante aan het firmament van de literaire voordrachtskunst. Na enkele jaren van toeren, componeren en experimenteren, is er een nieuw album uit de studio gerold: Vuurproef. Het spectaculaire slotdeel van een trilogie die in 2003 begon met het album Bloedtest, in 2007 gevolgd door Klipdrift. Beide uitgaven kregen veel aandacht in de pers, de VPRO tipte het laatste album als favoriet in de Luisterpaal van 3voor12. Dichter Menno Wigman schreef over DDN: ‘het beste wat muzikanten en dichters in Nederland hebben bereikt.’
Vuurproef begint waar Klipdrift ophield in 2007. Als slotdeel van een trilogie waartoe eerder al met het album Bloedtest het startsein was gegeven. In dit finale werk zet frontman en dichter Serge van Duijnhoven zijn zoektocht voort naar bezinning in een overmatig geaccelereerde en grotendeels ontzielde wereld. Op de bodem van de chaos en tussen de scherven der ontrafeling, rijpt stilaan inzicht. Een geestverruimend residu. “Genade is nakend, en nu nog het naakt!” Licht breekt door. Een schittering tussen bijeengeveegde glasscherven. Alsof er een granaat geëxplodeerd is in een balzaal.
In Vuurproef wordt het leven pakkend beschreven als een verraderlijk parcours waarin je gemakkelijk kan verdwalen. Maar ook als een Aufforderung zum Tanz. “Lazer op, Lazarus!” Een oproep om te ontwaken uit de morose wereld van de waan en de onverzadigbare roesdrift van het brein.
De pers over Dichters Dansen Niet:
‘Obiit in orbit is een stemmige, bij vlagen overrompelende cd die tot het beste behoort wat muzikanten en dichters samen tot op heden in Nederland hebben bereikt. (…) Een van de meest gewaagde poëzieprojecten van de afgelopen jaren.’ – Menno Wigman in Trajectum
‘Als poëzie een tijdsbeeld moet schetsen, is Serge van Duijnhoven een Van Gogh die schildert met woorden. Het publiek moet geconfronteerd worden met de macabere werkelijkheid. Luister en huiver, zo wil hij het.’ – Jeroen Junte in Dance Update
‘Gedichten lezen is best een saai tijdverdrijf, maar door de fenomenale soundscapes van dj Fred dB krijgen de woorden een nieuwe dimensie. Inventief, intrigerend en erg muzikaal. Aanrader – ook voor de ongeletterde luisteraar.’ – Menno Visser in 3voor12 (VPRO radio)
‘Wie de vaak nogal bescheiden Nederlandse schrijvers van dit moment een beetje volgt, kan niet anders dan gelukkig zijn met iemand als Van Duijnhoven. Hij engageert zich met de wereld van jongeren van vandaag en hij durft tenminste te beweren dat er in zijn werk iets nieuws gebeurt. In zijn albums met cd […] klinkt een zonder meer interessante, want naar serieuze poëtische verwerking van het alleractueelste strevende, stem.’ - Thomas Vaessens in Het Financieele Dagblad (HFD)
‘Gedichten lezen is best een saai tijdverdrijf, maar door de fenomenale soundscapes van dj Fred dB krijgen de woorden een nieuwe dimensie. Inventief, intrigerend en erg muzikaal. Aanrader – ook voor de ongeletterde luisteraar.’ – Menno Visser in VPRO’s 3voor12 (‘Luisterpaal’)
‘Auf der Bühne ist “Klipdrift“ eine eindrucksvolle Performance: sie verbindet moderne Poesie mit experimentellen Rhythmen und Klängen – Lyrik für alle Sinne.’ – Poetry On The Road, Bremen
el
*
*
AGENDA 2013
*
Walhalla’s Literaire Talkshow BOEK NU!
DICHTERS DANSEN NIET
Live in Rotterdam
gedichtendag 31 januari 2013
aanvang 21u
Het is Gedichtendag, met dit jaar als thema ‘muziek’ . Dus kan het ook niet anders of de literaire talkshow van Rotterdam besteedt aandacht aan poëzie en muziek.
Aangezien op deze donderdag tevens de nieuwe stadsdichter van Rotterdam bekend gemaakt wordt, zal gastheer Daniel Dee de kersverse dichter die het ambt gaat bekleden interviewen, wie dat ook moge zijn. En verder: Myrte Leffring en Marijn van de Ven als Dichter aan de vleugel, Macronizm, Jan Glas met zijn jazz trio en Serge van Duijnhoven met zijn Dichters Dansen Niet-collectief.
video: Bastiaan Lips Transformer Company Mixed Media Productions
In de afgelopen periode maakte DDN nieuwe studio- en concertopnamen met een bont gezelschap van gerenommeerde artiesten, zoals de bassisten Ali Haurand (voormalig bassist van Jacques Brel) en Eric Surmenian, keelklankzangeres Sainkho Namtschylak uit Tuva, pianist Edwin Berg, saxofonist Olaf Zwetsloot en het Nairi-strijkkwartet uit Jerevan. Samen werkten zij aan een nieuw album. Vuurproef is het werk gaan heten. Een gecombineerde uitgave van boek, cd en DVD: vol vurige verzen, magische muziek, betoverende woordjazz, verbluffende klankpoëzie en ontregelende composities. Opnieuw een pareltje van dicht-, performance- en vormgeverskunst.
Vuurproef begint waar Klipdrift ophield: met een ontregelende bewerking van Ali Haurand’s in de jazz-wereld inmiddels klassiek geworden hartekreet “No More Chains!” Een credo dat DDN steeds op expliciete wijze heeft beleden. In het begin met vlijmende teksten die gerapt werden over de beats van gabber en house. Maar gaandeweg subtieler, poetischer, avontuurlijker. De groep zocht toenadering tot de wereld van de cinema, het theater, de moderne dans. In de schemering van deze coulissen ontwikkelde zich een stemgeluid dat Menno Wigman kwalificeerde als “het beste wat muzikanten en dichters in Nederland hebben bereikt”.
Op Vuurproef treffen we lyrische exercities, complexe composities en jazzy improvisaties met piano, bas en strijkers naast ingetogen klank- en stemcollages, Mongoolse keelgezangen en shamanistische drumsequenties. Het album laat zich beleven als een film, waarin de lezer en de luisteraar op zintuiglijke wijze mee wordt gevoerd naar een betoverende katharsis. De poëzie in Vuurproef bestaat uit filosofische gedichten, gevoellige balladen, erotische mijmeringen, een heidense psalm over lust en genade, een request van de wanhoop en (tot slot) een bede om de stilte en de rust, zoals men die gewaar kan worden tussen de uitgepuurde pianoklanken van Bach’s Praeludium in B mineur.
Een gedeelte van het album is gebaseerd op ervaringen van de band gedurende een verblijf in Armenië, waar DDN een openingsconcert mocht geven ter gelegenheid van Yerevan World Book Capital 2012. Een ander deel is voortgevloeid uit de Gitanes & Jazz voorstellingen waarin DDN in 2011 en 2012 een hommage bracht aan leven en werk van de ongrijpbare Franse cultzanger, erotomaan en dronkenlap Serge Gainsbourg. Maar bovenal beschrijft frontman en dichter Serge van Duijnhoven in Vuurproef een zoektocht naar bezinning in een rusteloze, overmatig geaccelereerde en grotendeels ontzielde wereld.
In de nieuwe uitgave wordt het publiek in staat gesteld om de auteur te vergezellen op een louterend traject. Een parcours dat omhoogvoert uit de nevelen van het innerlijk ravijn. Langzaam maar gestaag weet de auteur vat te krijgen op de krachten die hem belagen. De driften en demonen, de materiële en matrimoniale tegenslagen. De dorsten en verlangens die hem uitputten en verdorren. Maar op de bodem van de chaos en ontrafeling, ontstaat de wijnmoer van het inzicht. Een geestverruimend residu. Licht breekt door. “Genade is nakend, (en nu nog het naakt!)” Een schittering tussen bijeengeveegde glasscherven. “Lazer op, Lazarus! Sta op!” Met zijn blote voeten, schuifelt de niet-dansende-dichter over de beduimelde dansvloer die het fundament vormt van zijn ziel. Alsof er een granaat geexplodeerd is in een balzaal. “Zie, de dichter! Hoor /hem zingen van het gloren / op het ritme van de wijzer!”
In Vuurproef wordt het leven pakkend beschreven als een parcours vol voetangels en klemmen, waarin je gemakkelijk ten val kan komen. Maar ook als een Aufforderung zum Tanz. Een uitnodiging om de confrontatie aan te gaan met het zelf, en een kans om te ontwaken uit de morose wereld van de virtuele waan en de onverzadigbare roesdrift van het brein.
tekst en stem: Serge R. van Duijnhoven, mixages/producer: Fred de Backer
piano: Edwin Berg, bas: Eric Surmenian, Ali Haurand, saxofoon: Olaf Zwetsloot, shaman voices: Sainkho Namtchylak
vormgeving: ATTAK Powergestaltung, video: Bastiaan Lips Transformer Company Mixed Media Productions
Edwin Berg & Serge van Duijnhoven, live in Petrol Antwerpen 12 maart 2011
*
MUZIKALE AVONTUREN
Sinds ze in 2002 samen een tournee maakten langs diverse Duitse steden in Nordrein Westfalen, heeft de samenwerking tussen Serge van Duijnhoven en bassist en jazzlegende Ali Haurand voor een nieuwe mijlpaal gezorgd in demuzikale diepgang van de podium-optredens van DDN. Ook recente samenwerkingsprojecten met de bekende jazzvirtuoos Edwin Berg, keelklankkunstenares Sainkho Namtchylak uit Tuva, het Kamertrio Zéphyr uit Montélimar, singer/songwriter Rick Treffers, de Japanse filmregisseur/dichter Sono Sion (bekend van de film The Suicide Club en het dadaistisch-situationistische poëzieproject Tokio Gagaga), hebben het gezelschap van “niet dansende dichters” geholpen om ook minder geëffende paden te ontdekken binnen de domeinen van literatuur en muziek.
‘Bevreemdend en indringend, dat is de term die ik voor deze dichtbundel zou willen gebruiken. Deze dichter heeft een talent waarmee hij de alledaagsheid van het hedendaagse leven timbre en passie kan geven. Elk gedicht is een mooi verhaal dat de lezer telkens anders wil interpreteren. Deze bundel werd mij cadeau gedaan. Het is een prachtig geschenk want het betekent voor mij het begin van een zoektocht naar andere dichtbundels van hem.’
- André Oyen in De Gelderlander
‘Het weerbarstige stemgeluid van Van Duijnhoven, die zich bij zijn performances – net als bij deze uitgave met cd – bij voorkeur laat begeleiden door zijn gezelschap ‘Dichters dansen niet’, is onmiskenbaar een teken van vitaliteit. Dichten is stem geven aan het onzegbare, klank geven aan het onhoorbare, ritme geven aan het ondefinieerbare, maat geven aan het ondansbare. […] In al zijn fragmentatie schrijft Van Duijnhoven een extraverte poëzie waarin onuitgesproken rebellie de middelpunt vliedende kracht is. Wie beweert dat deze poëzie een hype wil zijn of worden door er filmpjes bij te projecteren en er een techno beat bij te laten klinken, heeft het verkeerd voor. Deze gedichten gaan dieper. Er is sprake van een bindend organisch geheel. Het is geen cabaret van de te korte bocht,waarin zoveel performers blijven steken. Deze dichter is op zoek naar hedendaagse invullingen voor eeuwenoude rituelen. Deze poëzie is een ‘rite de passage’, een teder en wreed schouwtoneel, ‘theâtre de la cruauté’. Een loutering die ons niet echt reinigt, veeleer bezoedelt (wat ons dan weer aan Lucebert doet denken).’
- Alain Delmotte in het tijdschrift Dighter
Obiit in orbit
Over Obiit in orbit; aan het andere einde van de nacht (De Bezige Bij/Djax Records 1998):
‘Mooi zijn de teksten. Heftig. Een bijzonder document. Dat is het.’
- Jos Jagers, in De Nieuwe Revu, januari 1999
BIO’s:
FRED dB – percussie, compositie, productie
Fred de Backer (1967), (Dj) Fred dB, – voorheen vooral bekend onder zijn alias DJ Fat – heeft menige muzikale waters bevaren en heeft onder andere een carrière als drummer achter de rug bij de alternatieve Brusselse rockgroep Villa Basta en het dansgezelschap Everything Is Slow. Hij is producer en geluidsman van zijn eigen muziekstudio Fats Freds Akoestische Tuin, en draaide jarenlang als vaste dj in de Gentse house- en technoclub vooraanstaande dance club Decadance. Fred is gekend om zijn veelzijdige, subtiele muzikale benadering die hem gewild maakt zowel binnen het circuit van de danstempels als bij het (dans)theater dance circuit als voor de meest uiteenlopende artistieke projecten. In Brussel draaide deze allround soundlaborantin div. bars en clubs en gelegenheden zoals Pablo Discobar, l’Accrobat en Cinema Nova. In 2003 introduceerde hij onder de naam Permafrozzt als eerste de uit Rusland en de Oekraiene overgewaaide muziekstroming Lowbattery in de Benelux en Zuid-Afrika. Ook stelde hij de cd Shestipaly (= Russisch voor ‘zesde teen’) samen, een collectie van Lowbattery nummers die hij in zijn studio verzamelde, selecteerde en inblikte. Samen met dichter Serge van Duijnhoven en VJ Gabriel Kousbroek maakt hij deel uit van de vaste kern van vormt hij het gezelschap Dichters Dansen Niet. Voor Djax Records en uitgeverij De Bezige Bij produceerde hij de cd’s Obiit In Orbit en Bloedtest. percussie soundlab live- & studiomixages
SERGE VAN DUIJNHOVEN – lyriek, teksten, voordracht
De afgelopen jaren bouwde de in het Noord-Brabantse Oss geboren schrijver, dichter en historicus (1970) een reputatie op als een eigenzinnig dichter en performer.Serge debuteerde in 1993 als dichter met de bundel Het paleis van de slaap, en richtte met een groep Nederlandse en Vlaamse beeldend kunstenaars en theatermakers het tijdschrift MillenniuM op alsmede de Kunstgroep Lage Landen. Verbleef in Sarajevo voor De Morgen en de Volkskrant. Recente publicaties: De zomer die nog komen moest (Nieuw Amsterdam), Klipdrift (Nieuw Amsterdam),{Balkan}Wij noemen het rozen (Podium), Fotografen in tijden van oorlog (Ludion), Bloedtest (De Bezige Bij) en Ossensia Brabantse gezangen (Jan Cunen). Serge van Duijnhoven is freelance medewerker van Vrij Nederland, http://www.cobra.be en het International Feature Agency. Sinds 2008 brengt hij als “Onze Man In Cannes” verslag uit van de hedendaagse filmwereld voor uiteenlopende nieuwe en periodieke media in Nederland, Vlaanderen, Amerika en Azie.
DDN speelde tussen 1997 en 2013 oa. op de volgende festivals en podia:
Crossing Border, Lowlands, De Gentse Feesten, de Nachten, Poetry On The Rocks, Poetry International, De Nacht van de Poëzie, de poëziezomer van Watou, Beeldspraak, Pontes Festival of European Artists (Krk Kroatië), Faladura Festival of Spoken Word (Porto Portugal), Woordfees (Kaapstad Zuid Afrika), Lyrikfest (Berlijn), Paradiso (Amsterdam), Literaturhaus Wien (Oostenrijk), de Petrol (Antwerpen), Cinema Nova (Brussel), 013 (Tilburg), Tivoli (Utrecht), Wintertuin (Nijmegen), Vooruit (Gent), Live in the Living (Ardooie), Porgy & Bess (Terneuzen), Liefde tussen de Lijnen (Oostende), Raamvertelling (Den Haag), Yerevan World Book Capital (Armenië), de Markten (Brussel).
MODULES EN VOORSTELLINGEN – 2013
DDN (SvD & Fred dB)
Concert van twintig minuten tot drie kwartier
DDN + pianist Edwin Berg
Concert van dertig minuten tot een uur
DDN Gitanes & Jazz
Theaterconcert van ruim een uur, hommage aan Serge Gainsbourg. Met video, foodperformance, piano.
DDN Internationaal
Concert in Engels, Duits of Frans van drie kwartier tot een uur
Fred de Backer, Edwin Berg, Serge van Duijnhoven, Eric Surmenian, Sainkho Namtschylak live in Yerevan 26.04.12
PRIJZEN / UITKOOPSOM in overleg te bepalen
NB: er bestaat steeds de mogelijkheid, voor organisatoren, om aanzienlijke subsidies te verkrijgen bij literaire en artistieke fondsen in NL en Vlaanderen. Deze subsidies dienen wel telkens ruim vantevoren aangevraagd te worden. DDN helpt u graag bij het tijdig indienen van de juiste formulieren!!!
Serge van Duijnhoven, écrivain et surtout poète (sur papier comme dans la vie!), Fred de Backer alias Fred dB ainsi que le pianiste connu Edwin Berg, sont les trois mousquétaires qui forment DDN, en français ‘Les poètes ne dansent pas’.
Dichters Dansen Niet ce n’est pas un groupe de musique à proprement parler, mais plutôt une expérience où se rencontrent poésie, musique et image. Leurs projets peuvent varier selon les occasions et les rencontres, en Europe ou alors plus loin (et ils sont d’ailleurs présents sur la plate-forme spoken word internationale), mais ont toujours pour point commun d’explorer une certaine forme de mise-en-scène du texte écrit en alliance avec une recherche literaire et sonore/ musicale. “KLIPDRIFT” (Suicidal Tendency, l’audace mortelle) est leur tout dernier album sorti comme livre + cd et surtout : spectacle. Spectacle? Happening? Nous opterons plutôt pour le ‘happening’, car avec Dichters Dansen Niet il y a souvent une gaieté pleine d’imprévus, surtout du côté des invités-surprise! Que les non-flamands ou non-néerlandophones n’aient pas peur de s’aventurer dans les concerts de cette bande Belge-Neérlandaise-Allemande. Elle sera trans-fontalière et trans-linguistique. Et elle sera surprenante!
Pour le spectacle de ‘KLIPDRIFT’, la groupe Dichters Dansen Niet va plus loin et surtout plus profond que jamais dans son expériment déregulaire et sonore. La formation de base, s’est renforcée avec des musiciens d’une experience et reputation formidables comme le pianiste Edwin Berg, le tromboniste Wolter Wierbos, la chanteuse chamane-nomadique Sainkho Namtchylak (venant de Tuva), le saxophoniste Olaf Zwetsloot. Après une periode d’enregistrements, mixages, remixages et d’autres procedures et raffinages sonores qui seront appliquees dans leur studio aux Grand-Bigards,heureusement on peut anticiper a l’arrivée du nouvel album : En Feu ! (Vuurproef). Album de concepte, en forme du livre plus cd/dvd. Qui commence, là ou finissait leur dernier album Klipdrift en 2007. Avec le lamentatio bouleversant venant du fond de l’ame libertaire, ainsi que des ténebres de notre histoire collective : «No More Chains ».
Cette collaboration toute fraîche de 2012, marquera aussi le retour dans le groupe du contrebassiste Ali Haurand (Frontier Traffic, fondateur du European Jazz Ensemble, accompagnateur de Jacques Brel sur son dernier tour de chant en 1966). Sur leurs albums Obiit in Orbit, Bloedtest et Klipdrift, tous produit méticuleusement dans Fred’s studio de mixage au Grands-Bigards (« Le Jardin Acoustique »), vous pouvez, en effet, découvrir les traces d’une coopération originale entre ces Poètes musicales qui – soit disants – ne dansent pas, et le grand génie de la littérature flamande : Hugo Claus (« Intacte, comme un rocher… »)
geschreven voor DE GOD VAN NEDERLAND, embargo tot november 2012.
Laat er geen misverstand over bestaan: al ben ik er niet geboren, ik voel me allereerst een Brusselaar. Een Zinneke, zoals de bastaardzonen en dochters van gemengde origine zich in de hoofdstad van Europa, Belgie en Vlaanderen mogen noemen. En ook al betreft het dan een term voor import-Brusselaars, het woord Zinneke is allerminst pejoratief van aard. Het is evenmin een Geuzennaam. Brussel is mij dierbaar. En al is ze geen probleemloos of gemakkelijk te peilen type, om met Geert van Instendael te spreken (Arm Brussel): ook haar fragmenten en haar wonden ben ik geneigd te beminnen. Ten aanzien van Antwerpen ontbreekt mij een dergelijke genegenheid ten enen male. De stad aan de Schelde – of zoals Vlamingen veelbetekenend zeggen ’t Stad – laat mij Siberisch koud. Dat is overigens altijd wederzijds gebleken.
Serge van Duijnhoven (1970) en dj Fred dB (Fred de Backer, 1967) treden sinds 1997 op, in binnen- en buitenland, onder de naam Dichters Dansen Niet. De avontuurlijke koers van dit eigenzinnige gezelschap is al zeventien jaar een opvallende constante aan het firmament van de literaire voordrachtskunst. Na enkele jaren van toeren, componeren en experimenteren, is er een nieuw album uit de studio gerold: Vuurproef. Het spectaculaire slotdeel van een trilogie die in 2003 begon met het album Bloedtest, in 2007 gevolgd door Klipdrift. Beide uitgaven kregen veel aandacht in de pers, de VPRO tipte het laatste album als favoriet in de Luisterpaal van 5voor12. Over DDN’s debuut Obiit in orbit schreef dichter Menno Wigman al in 1999: ‘Een stemmige, bij vlagen overrompelende cd die tot het beste behoort wat muzikanten en dichters in Nederland hebben bereikt.’
“’Het beste wat muzikanten en dichters in Nederland hebben bereikt.’ ” – Menno Wigman in Trajectum
“‘Als poëzie een tijdsbeeld moet schetsen, is Serge van Duijnhoven een Van Gogh die schildert met woorden. Het publiek moet geconfronteerd worden met de macabere werkelijkheid. Luister en huiver, zo wil hij het.’ ” – Jeroen Junte in Dance Update
“DDN is erin geslaagd om de lyriek, de mystiek en ook de tragiek van Serge Gainsbourg in sterke gedichten en nummers te vangen in hun show Gitanes & Jazz…” – John Schoorl in de Poeziekrant 5/11
“Fred dB geeft met zijn intelligente en subtiele frequency-soundscapes de gedichten van Van Duijnhoven een wonderschone gelaagdheid. DDN bewijst eens te meer dat de symbiose van poëzie en muziek meer dan werkt. ” – Jasper Henderson – Nieuw Amsterdam Publishers
“Auf der Bühne ist “Klipdrift“ eine eindrucksvolle Performance: sie verbindet moderne Poesie mit experimentellen Rhythmen und Klängen – Lyrik für alle Sinne.” – Poetry On The Road, Bremen
*
*
In de afgelopen periode maakte DDN nieuwe studio- en concertopnamen met een bont gezelschap van gerenommeerde artiesten, zoals de bassisten Ali Haurand (voormalig bassist van Jacques Brel) en Eric Surmenian, keelklankzangeres Sainkho Namtschylak uit Tuva, pianist Edwin Berg, saxofonist Olaf Zwetsloot en het Nairi-strijkkwartet uit Jerevan. Samen werkten zij aan een nieuw album. Vuurproef is het werk gaan heten. Een gecombineerde uitgave van boek, cd en DVD: vol vurige verzen, magische muziek, betoverende woordjazz, verbluffende klankpoëzie en ontregelende composities. Opnieuw een pareltje van dicht-, performance- en vormgeverskunst.
Vuurproef begint waar Klipdrift ophield: met een ontregelende bewerking van Ali Haurand’s in de jazz-wereld inmiddels klassiek geworden hartekreet “No More Chains!” Een credo dat DDN steeds op expliciete wijze heeft beleden. In het begin met vlijmende teksten die gerapt werden over de beats van gabber en house. Maar gaandeweg subtieler, poetischer, avontuurlijker. De groep zocht toenadering tot de wereld van de cinema, het theater, de moderne dans. In de schemering van deze coulissen ontwikkelde zich een stemgeluid dat Menno Wigman kwalificeerde als “het beste wat muzikanten en dichters in Nederland hebben bereikt”.
Op Vuurproef treffen we lyrische exercities, complexe composities en jazzy improvisaties met piano, bas en strijkers naast ingetogen klank- en stemcollages, Mongoolse keelgezangen en shamanistische drumsequenties. Het album laat zich beleven als een film, waarin de lezer en de luisteraar op zintuiglijke wijze mee wordt gevoerd naar een betoverende katharsis. De poëzie in Vuurproef bestaat uit filosofische gedichten, gevoellige balladen, erotische mijmeringen, een heidense psalm over lust en genade, een request van de wanhoop en (tot slot) een bede om de stilte en de rust, zoals men die gewaar kan worden tussen de uitgepuurde pianoklanken van Bach’s Praeludium in B mineur.
Een gedeelte van het album is gebaseerd op ervaringen van de band gedurende een verblijf in Armenië, waar DDN een openingsconcert mocht geven ter gelegenheid van Yerevan World Book Capital 2012. Een ander deel is voortgevloeid uit de Gitanes & Jazz voorstellingen waarin DDN in 2011 en 2012 een hommage bracht aan leven en werk van de ongrijpbare Franse cultzanger, erotomaan en dronkenlap Serge Gainsbourg. Maar bovenal beschrijft frontman en dichter Serge van Duijnhoven in Vuurproef een zoektocht naar bezinning in een rusteloze, overmatig geaccelereerde en grotendeels ontzielde wereld.
In de nieuwe uitgave wordt het publiek in staat gesteld om de auteur te vergezellen op een louterend traject. Een parcours dat omhoogvoert uit de nevelen van het innerlijk ravijn. Langzaam maar gestaag weet de auteur vat te krijgen op de krachten die hem belagen. De driften en demonen, de materiële en matrimoniale tegenslagen. De dorsten en verlangens die hem uitputten en verdorren. Maar op de bodem van de chaos en ontrafeling, ontstaat de wijnmoer van het inzicht. Een geestverruimend residu. Licht breekt door. “Genade is nakend, (en nu nog het naakt!)” Een schittering tussen bijeengeveegde glasscherven. “Lazer op, Lazarus! Sta op!” Met zijn blote voeten, schuifelt de niet-dansende-dichter over de beduimelde dansvloer die het fundament vormt van zijn ziel. Alsof er een granaat geexplodeerd is in een balzaal. “Zie, de dichter! Hoor /hem zingen van het gloren / op het ritme van de wijzer!”
In Vuurproef wordt het leven pakkend beschreven als een parcours vol voetangels en klemmen, waarin je gemakkelijk ten val kan komen. Maar ook als een Aufforderung zum Tanz. Een uitnodiging om de confrontatie aan te gaan met het zelf, en een kans om te ontwaken uit de morose wereld van de virtuele waan en de onverzadigbare roesdrift van het brein.
‘Wie de vaak nogal bescheiden Nederlandse schrijvers van dit moment een beetje volgt, kan niet anders dan gelukkig zijn met iemand als Van Duijnhoven. Hij engageert zich met de wereld van jongeren van vandaag en hij durft tenminste te beweren dat er in zijn werk iets nieuws gebeurt. In zijn albums met cd […] klinkt een zonder meer interessante, want naar serieuze poëtische verwerking van het alleractueelste strevende, stem.’
- Thomas Vaessens in Het Financieele Dagblad (HFD)
Edwin Berg & Serge van Duijnhoven, live in Petrol Antwerpen 12 maart 2011
MUZIKALE AVONTUREN
Sinds ze in 2002 samen een tournee maakten langs diverse Duitse steden in Nordrein Westfalen, heeft de samenwerking tussen Serge van Duijnhoven en bassist en jazzlegende Ali Haurand voor een nieuwe mijlpaal gezorgd in demuzikale diepgang van de podium-optredens van DDN. Ook recente samenwerkingsprojecten met de bekende jazzvirtuoos Edwin Berg, keelklankkunstenares Sainkho Namtchylak uit Tuva, het Kamertrio Zéphyr uit Montélimar, singer/songwriter Rick Treffers, de Japanse filmregisseur/dichter Sono Sion (bekend van de film The Suicide Club en het dadaistisch-situationistische poëzieproject Tokio Gagaga), hebben het gezelschap van “niet dansende dichters” geholpen om ook minder geëffende paden te ontdekken binnen de domeinen van literatuur en muziek.
Fred de Backer (1967), (Dj) Fred dB, – voorheen vooral bekend onder zijn alias DJ Fat – heeft menige muzikale waters bevaren en heeft onder andere een carrière als drummer achter de rug bij de alternatieve Brusselse rockgroep Villa Basta en het dansgezelschap Everything Is Slow. Hij is producer en geluidsman van zijn eigen muziekstudio Fats Freds Akoestische Tuin, en draaide jarenlang als vaste dj in de Gentse house- en technoclub vooraanstaande dance club Decadance. Fred is gekend om zijn veelzijdige, subtiele muzikale benadering die hem gewild maakt zowel binnen het circuit van de danstempels als bij het (dans)theater dance circuit als voor de meest uiteenlopende artistieke projecten. In Brussel draaide deze allround soundlaborantin div. bars en clubs en gelegenheden zoals Pablo Discobar, l’Accrobat en Cinema Nova. In 2003 introduceerde hij onder de naam Permafrozzt als eerste de uit Rusland en de Oekraiene overgewaaide muziekstroming Lowbattery in de Benelux en Zuid-Afrika. Ook stelde hij de cd Shestipaly (= Russisch voor ‘zesde teen’) samen, een collectie van Lowbattery nummers die hij in zijn studio verzamelde, selecteerde en inblikte. Samen met dichter Serge van Duijnhoven en VJ Gabriel Kousbroek maakt hij deel uit van de vaste kern van vormt hij het gezelschap Dichters Dansen Niet. Voor Djax Records en uitgeverij De Bezige Bij produceerde hij de cd’s Obiit In Orbit en Bloedtest. percussie soundlab live- & studiomixages
SERGE VAN DUIJNHOVEN – lyriek, teksten, voordracht
De afgelopen jaren bouwde de in het Noord-Brabantse Oss geboren schrijver, dichter en historicus (1970) een reputatie op als een eigenzinnig dichter en performer.Serge debuteerde in 1993 als dichter met de bundel Het paleis van de slaap, en richtte met een groep Nederlandse en Vlaamse beeldend kunstenaars en theatermakers het tijdschrift MillenniuM op alsmede de Kunstgroep Lage Landen. Verbleef in Sarajevo voor De Morgen en de Volkskrant. Recente publicaties: De zomer die nog komen moest (Nieuw Amsterdam), Klipdrift (Nieuw Amsterdam),{Balkan}Wij noemen het rozen (Podium), Fotografen in tijden van oorlog (Ludion), Bloedtest (De Bezige Bij) en Ossensia Brabantse gezangen (Jan Cunen). Serge van Duijnhoven is freelance medewerker van Vrij Nederland, http://www.cobra.be en het International Feature Agency. Sinds 2008 brengt hij als “Onze Man In Cannes” verslag uit van de hedendaagse filmwereld voor uiteenlopende nieuwe en periodieke media in Nederland, Vlaanderen, Amerika en Azie.
fotograaf Igor Freeke
Van Dichters Dansen Niet zijn de volgende albums verkrijgbaar:
Klipdrift (boek + cd, Nieuw Amsterdam)
Bloedtest (boek + cd, De Bezige Bij)
Obiit in orbit (boek + cd, De Bezige Bij/Djax Records)
DDN speelde tussen 1997 en 2012 oa. op de volgende festivals en podia:
Crossing Border, Lowlands, De Gentse Feesten, de Nachten, Poetry On The Rocks, Poetry International, De Nacht van de Poëzie, de poëziezomer van Watou, Beeldspraak, Pontes Festival of European Artists (Krk Kroatië), Faladura Festival of Spoken Word (Porto Portugal), Woordfees (Kaapstad Zuid Afrika), Lyrikfest (Berlijn), Paradiso (Amsterdam), Literaturhaus Wien (Oostenrijk), de Petrol (Antwerpen), Cinema Nova (Brussel), 013 (Tilburg), Tivoli (Utrecht), Wintertuin (Nijmegen), Vooruit (Gent), Live in the Living (Ardooie), Porgy & Bess (Terneuzen), Liefde tussen de Lijnen (Oostende), Raamvertelling (Den Haag), Yerevan World Book Capital (Armenië).
MODULES EN VOORSTELLINGEN – 2013
DDN (SvD & Fred dB)
Concert van twintig minuten tot drie kwartier
DDN + pianist Edwin Berg
Concert van dertig minuten tot een uur
DDN Gitanes & Jazz
Theaterconcert van ruim een uur, hommage aan Serge Gainsbourg. Met video, foodperformance, piano.
DDN Internationaal
Concert in Engels, Duits of Frans van drie kwartier tot een uur
PRIJZEN / UITKOOPSOM in overleg te bepalen
NB: er bestaat steeds de mogelijkheid, voor organisatoren, om aanzienlijke subsidies te verkrijgen bij literaire en artistieke fondsen in NL en Vlaanderen. Deze subsidies dienen wel telkens ruim vantevoren aangevraagd te worden. DDN helpt u graag bij het tijdig indienen van de juiste formulieren!!!
Concertregistratie Gitanes & Jazz Deel I, Brugge Concertgebouw 05.05.12:
Concertregistratie Gitanes & Jazz Deel II, Brugge Concertgebouw 05.05.12:
Concertregistratie Yerevan World Book Capital – From Chaos To Hope, final songs 24.04.12:
Concertregistratie Yerevan World Book Capital – From Chaos To Hope, Cosmic Control 24.04.12:
Concertregistratie Yerevan World Book Capital – From Chaos To Hope, with Nairi Ensemble 24.04.12:
LES POETES NE DANSENT PAS
Serge van Duijnhoven, écrivain et surtout poète (sur papier comme dans la vie!), Fred de Backer alias Fred dB ainsi que le pianiste connu Edwin Berg, sont les trois mousquétaires qui forment DDN, en français ‘Les poètes ne dansent pas’.
Dichters Dansen Niet ce n’est pas un groupe de musique à proprement parler, mais plutôt une expérience où se rencontrent poésie, musique et image. Leurs projets peuvent varier selon les occasions et les rencontres, en Europe ou alors plus loin (et ils sont d’ailleurs présents sur la plate-forme spoken word internationale), mais ont toujours pour point commun d’explorer une certaine forme de mise-en-scène du texte écrit en alliance avec une recherche literaire et sonore/ musicale. “KLIPDRIFT” (Suicidal Tendency, l’audace mortelle) est leur tout dernier album sorti comme livre + cd et surtout : spectacle. Spectacle? Happening? Nous opterons plutôt pour le ‘happening’, car avec Dichters Dansen Niet il y a souvent une gaieté pleine d’imprévus, surtout du côté des invités-surprise! Que les non-flamands ou non-néerlandophones n’aient pas peur de s’aventurer dans les concerts de cette bande Belge-Neérlandaise-Allemande. Elle sera trans-fontalière et trans-linguistique. Et elle sera surprenante!
Pour le spectacle de ‘KLIPDRIFT’, la groupe Dichters Dansen Niet va plus loin et surtout plus profond que jamais dans son expériment déregulaire et sonore. La formation de base, s’est renforcée avec des musiciens d’une experience et reputation formidables comme le pianiste Edwin Berg, le tromboniste Wolter Wierbos, la chanteuse chamane-nomadique Sainkho Namtchylak (venant de Tuva), le saxophoniste Olaf Zwetsloot. Après une periode d’enregistrements, mixages, remixages et d’autres procedures et raffinages sonores qui seront appliquees dans leur studio aux Grand-Bigards,heureusement on peut anticiper a l’arrivée du nouvel album : En Feu ! (Vuurproef). Album de concepte, en forme du livre plus cd/dvd. Qui commence, là ou finissait leur dernier album Klipdrift en 2007. Avec le lamentatio bouleversant venant du fond de l’ame libertaire, ainsi que des ténebres de notre histoire collective : «No More Chains ».
Cette collaboration toute fraîche de 2012, marquera aussi le retour dans le groupe du contrebassiste Ali Haurand (Frontier Traffic, fondateur du European Jazz Ensemble, accompagnateur de Jacques Brel sur son dernier tour de chant en 1966). Sur leurs albums Obiit in Orbit, Bloedtest et Klipdrift, tous produit méticuleusement dans Fred’s studio de mixage au Grands-Bigards (« Le Jardin Acoustique »), vous pouvez, en effet, découvrir les traces d’une coopération originale entre ces Poètes musicales qui – soit disants – ne dansent pas, et le grand génie de la littérature flamande : Hugo Claus (« Intacte, comme un rocher… »).
Edwin Berg, pianiste de Bee-Jazz
DICHTER TANZEN NICHT
Portrait der niederländisch-belgischen Dichtergruppe
Jazz, Chanson, Lautpoesie, Ton-Collage, Klangexperiment, Poesiemusik. Dichters Dansen Niet ist ein Lyrisch/Musikalisches Gesellschaft, bei dem es richtig abgeht. “Ein Großteil der Stücke ist duester, shamanistisch und hypnotisch, oft auch sehr energetisch und manchmahl sogar richtig tanzbar. Da merkt man sofort, dass Fred de Backer ein bekannter DJ ist und Van Duijnhoven ein Klang-Zauberer. Ein schönes Spiel ist es die beide auf die Buehne zusammen zu sehen, die kennen einander durch und durch und formen ein sehr hechtes, fast kompromissloses Paar.“ Auf der Bühne ist DDN eine eindrucksvolle Performance: sie verbindet moderne Poesie mit experimentellen Rhythmen und Klängen – Lyrik für alle Sinne.
Fred dB mischt fuer Dichter Tanzen Nicht eine ganz eigene Klangwelt aus Chanson, Klassik, Jazz, Folk, Film, Theater, Dance und Tailand-Pop. Wie hört sich dies dann an? Als eine Mischung zwischen Leo Ferré und Leonard Cohen, zwischen Verlaine und Vissotski, Pink Floyd und Underworld. Die lyrischen Klänge des 38-jährigen Niederländers Serge van Duijnhoven haben eine Sogwirkung – wir werden buchstäblich hineingesogen in diese Lyrische Klangwelt die ist aufgebaut aus Lieder, Lautpoesie, Jazz, Cheesy Frequencies, Balkanbeats, sampled voices, sonar pictures, soundfragments; eine Welt die ist aufgebaut aus Kopf und Herz, Lyrik und Musik, Rythmus und Seele, Intellekt und Instinct.
Die DDN-Konzerte sind immer ein grosses Erlebnis. Serge ist ein ziemlich expressiver Typ, der rannt die Buehne herum, er fluestert, schreit und singt, alles ganz voll geladen von Energie, das ist richtig Klasse. Poesie und Musik so wie mann es leider sehr sehr seltsam erleben kann…“ Serge van Duijnhoven stellt seine Stimme gern gegen den hohen Kammerton der Literatur und arbeitet am liebsten mit nicht sehr Akademische Kuenstler und Musikern zusammen. Vier Romanen und drei historische Buchwerke hat er auch geschrieben. ”Dichters dansen niet“ heißt sein erster Roman aus 1995. Aber von wegen nicht tanzende Dichter: Inzwischen ist “Dichters Dansen Niet“ eine Art Lyrik-Pop-Band, mit dem belgischen DJ Fred de Backer und viele internationale Musiker (Uli Sobotta aus Bremen, Ali Haurand aus Viersen, Sainkho Namtchylak auf Tuva) die in ihrem Musik-Studio in Bruessel oder live auf die Buehne, die Klanglagen fuer die Worte und die Musik versorgen.
The International Press about KLIPDRIFT, the latest album of Dichters Dansen Niet:
Michael Bird, editor in chief of the Rumanian Economist Weekly Magazine, wrote about the album KLIPDRIFT of DICHTERS DANSEN NIET:
“I am listening to the last record of Poets Don’t Dance. There is the sound of bottles. A child is repeating a nursery rhyme. The city is busy. There is a bass guitar. Some military-style chants. Someone is suffering. From a throat disorder. I am concerned. It may be a terrible dream. The guitars are back. And a beat. It’s pop with Tom Waits. Wie gehts? Pop Waits.
I am in Istanbul. Are they calling to rouse the army or is the market about to begin? I hear someone trying to cough up a butterfly. There’s jazz. A choir. A black choir. There is gospel in Istanbul. Maybe we have passed into the clouds. But it is night again and we cannot be sure where we are. Except there is nothing under or over us but darkness. The beat brings us back to earth. Because we cannot dance without gravity.
Now the violins and a woman – she is Scottish and she speaks in a mysterious brogue.
Then it all goes Bowie. Low Bowie. Cold war jazz Bowie. Your voice is digging into the ground. It talks with a mouthful of dirt. The trumpets come back. We are in and out of audibility. A sick Ian Curtis locked in a toilet is making up a song as he goes along. It has been a bad night. His song is not pretty. Is this a man-woman or a woman-man with the crushed voice and the synthesised piano? Serge wants to speak about love. But he can only scream while rolling his Rs. Breaks.
It becomes hard and confused for a few minutes. I don’t know what’s going on. I can’t explain what’s going on.
Now it’s time for samba. I’m funking. I’m funking crazy. But you end the funk. You end the fun. With sad words and the violins. Those damned violins. They kill every party. But it comes back. You let the funk return. But it’s angry. It’s bad funk. It wants to hurt me. It dissipates. More strings. A quartet I think. You are speaking a memorial. Are you burying the funk? There is a smile in your voice. You are becoming more animated. As though Brel has gate-crashed the funeral. Let the strings speak now. The cello is brooding again. The violins let the Cello brood and then make fun of him. Drums beat. Into the Dutch jungle we go. Meat everywhere. Eyes in the trees. Snakes in the canal. A monkey in the windmill. But Serge is not afraid of the jungle. Even though the insects are under his skin, under every inch of skin, even though they are breaking out and will turn his skin inside out, so his hair will grow inside and his entire body will be covered with blood. The more he bleeds from every inch of his skin. The more the hair grows inside until every organ in his body is thick with beard. The jungle laughs at Serge.
It’s German. An elergy. A catchy elergy. It’s the hit on the album. It’s a lullaby now with trumpets. A cradlesong for demon children. Now we are moving into the torch song. But you allowed the child to sing. He likes to sing with Uncle Serge’s words. He is singing about a beautiful place he wants to live in. A place where every house has a football field and all the dogs speak baby language. Echochamber. This is where children talk to themselves. Serge talks of his own childhood with fondness. It was not something full of woe or happiness. But this makes his longing for the time before all the more depressing. Now I cannot remember anything but being in darkness. So how can I be sure that what is around me is darkness?
Double bass and concertina. French bistro music. You’re talking to the staff behind the bar, regaling them about a story from a far far place. They don’t believe you. You talk about Shakespeare and Eliot and Thomas Mann. All the wonderful mistakes they made. Don’t get in a fight, Serge, it’s not worth it. But there will be no arguments anymore. Let the bass play and play and play. And the trombone. You drink a pastis on the house. Then the barman whispers to you – he tells you never to come back. When his back is turned, you spit on his counter and swear at him in Dutch.”
“Natte dode hond”, zo heet het geval in schrijverstermen. Le chien encadavré. De werkelijkheid die de fictie inhaalt, waarna je als literator geen poot meer naar je verhaal kan uitsteken. Omdat hetgeen je geschreven hebt plotsklaps bij de realiteit verschrompelt en verbleekt. En gaat stinken. Precies, als natte dode hond. Omdat de Tijd er zijn even putrifiërende als toxische werking op heeft losgelaten.
Iedere schrijver maakt zoiets wel eens mee in zijn leven. Sommigen vaker dan anderen. Dichters, bijvoorbeeld, werd een goede eeuw geleden de roeping toegeschreven om “ziener” te zijn. “Le poète doit être un voyant”, verordonneerde genie Arthur Rimbaud in een van zijn zienersbrieven uit 1871 aan zijn toenmalige leraar Frans in Charleville-Mézières. Charles Baudelaire zwijmelde in zijn programmatische gedicht Correspondances over de synchroniciteit van gebeurtenissen die elkaar als in een estafette het stokje leken door te geven of soms zelfs overlapten.
Toen ik afgelopen vrijdagmiddag vanuit Nederland naar Brussel reed, en de autoradio aan had staan, realiseerde ik me vrijwel meteen met een typisch geval van “natte dode hond” opgezadeld te zitten. Wat was het geval? In 1994 schreef ik voor de door Rob van Erkelens samengestelde verhalendbundel “De daad”, waarin een jongere generatie scribenten hun kunnen mocht etaleren, een gelijknamig verhaal over een jongen die in de contreien van Lech zijn prinselijke kompaan van het Huis van Oranje moedwillig een lawine in leidt. De kompaan in kwestie was gebaseerd op Florian Moosbruggen, een skifanaat die ik net als de prins uit het verhaal had leren kennen tijdens een diepsneeuwkamp in Uttendorf waar ik in 1986 als vijftienjarige aan deel had genomen. Toen de nieuwslezer van Business Nieuws Radio zijn uitzending “Zakendoen Met” onderbrak voor een op dat moment nog ongeconfirmeerd bericht dat een van de prinsen van Oranje in Lech onder een lawine was geraakt, moest ik even langs de berm van de weg mijn Transporter tot stilstand brengen om het nieuws tot me door te laten dringen. Toen ik in die berm even later vernam dat Florian Moosbruggen tijdens het ongeluk daadwerkelijk de skipartner was geweest van prins Friso, om wie het hier blijkbaar ging, schalde er een harde vloek over de parkeerplaats bij Minderhout.
In een klap kreeg mijn verhaal van aleer, dat bedoeld was als een onschuldig literair spielereitje van een inmiddels Republikeins geworden dichter-in-spe, een giftige lading van jewelste. Jereinste voodoo, puur toeval, correspondance, zesde zintuig, hoe je het ook wenste te noemen: mijn verhaal uit 1994 was door de Schneebrettlawine waarin prins Friso zich klem skiede in een klap verworden tot een even pathetisch als typisch geval van “natte dode hond”.
Terug in Brussel, haalde ik het verhaal tevoorschijn, pakte het bij de stinkende lurven, en dumpte het onwelriekende kadaver in de sociale afvalstortkoker op het internet die ook wel bekend staat als Facebook. Aldaar werd het lijk van een verhaal onmiddellijk verder gedissecteerd in de nietsontziende internationale nieuwslawine die de sneeuwlawine op de Litzen-Zuger Tobel in Vorarlberg volledig in zich opslorpte, zoals een minuscule vlieg kon worden opgeslorpt door de uitgerolde tong van een leguaan. Het verhaal ging – stinkend of niet – alsnog een tweede leven leiden. Het werd overgenomen door literaire websites, een enkele krant weidde er een kort stukje aan. En NRC-Handelsblad verslaggever Gert van Langendonck schreef vanuit Cairo meesmuilend dat het voorspellende sjamanisme van Van Duijnhoven wellicht iets was voor de voorpagina van zijn krant. “Onze verlaggever was erbij – in de lawine. Zeventien jaar voor die zich voordeed”. Natuurlijk verwees Van Langendonck hier op villeine wijze naar hoofdredacteur Peter Vandermeersch en verslaggever Jannetje Koelewijn, die Neerlands enige kwaliteitskrant qualitate qua hadden verlaagd tot het nivo van de riooljournalistiek. Door met roddels uit de gangen van het hospitaal in Innsbruck – geheel in de stijl van De Telegraaf – het nieuws te openen. En daarbij in een klap ook iedere journalistieke en medische deontologie aan de eigen elitaire laars te lappen.
Bert Wagendorp, chroniqueur van alles wat ten voeten uit als Hollands kan worden omschreven, probeerde in zijn vaste column in de Volkskrant afgelopen weekend een verklaring te zoeken voor de overweldigende media-aandacht die het lawineongeluk van prins Friso boven de rivieren ten deel valt. “Roem die de dood ontmoet – of althans in het gezicht kijkt – brengt ons onmiddellijk in de hoogste staat van paraatheid. En als de dood zich dan ook nog eens in een ongebruikelijk jasje hult en een onkwetsbare als slachtoffer heeft gekozen, heb je de aandacht van de wereld.” Van een private tragedie van een pechvogel uit het Huis van Oranje, kreeg het ongelubek allengs – en juist door de medialawine die op de echte lawine volgde – mythische en Griekse proporties. Er was het hele weekend lang geen enkel ander nieuwsitem dat tot de burelen en kanalen wist door te dringen. De natie vergaapte zich aan de beelden van een in shock verkerende koninklijke familie op wintersport, die in de trant van de Kennedy’s opnieuw door het noodlot werd getroffen. Premier Rutte verklaarde dat het ganse Nederland volk ten diepste meeleefde met Hare Majesteit koningin Beatrix en haar familie. Waar de grens ligt tussen medeleven, sensatiezucht en leedvermaak is voorlopig even onder een dik pak sneeuw aan het zicht onttrokken.
Intussen blijf ik zitten met mijn natte dode hond van een verhaal uit 1994. Integenstelling tot alle mediaexposure betreffende Johan Friso, wens ik mijn harige kadaverdiertje hierbij dan toch alsnog in eer en stilte te begraven.
Serge van Duijnhoven
In 1995 publiceerde ik een literair verhaal, “De daad” in de gelijknamige door Rob van Erkelens samengestelde bundel verhalen van jonge Nederlandse schrijvers, over een van de koninklijke prinsen die moedwillig in een lawine geleid wordt door de ik-verteller van het verhaal, tevens een ervaren skieer. Het lijkt erop, dat de werkelijkheid de fictie dezer dagen op de lange latten heeft ingehaald. Bizar.
Foto : ANP
Screendump van Vorarlberger Nachrichten. Reddingswerkers verlenen medische zorg aan prins Johan Friso.
“Justitie zoekt dader lawine in Lech door Rob Savelberg … LECH – De Oostenrijkse justitie zoekt de dader van de lawine in Lech, die prins Johan Friso onder een dikke sneeuwmassa bedolven heeft. De zoon van koningin Beatrix ligt sinds vrijdag in het academisch ziekenhuis van Innsbruck. Zijn toestand is kritiek. Staatsomroep ORF meldde zaterdagmiddag dat de officier van justitie in Feldkirch op vrijdag al een gerechtelijk onderzoek heeft ingesteld naar de toedracht van het ongeluk. Gezocht wordt de degene die de lawine heeft veroorzaakt. Prins Friso begaf zich voor het ongeluk samen met een 42-jarige vriend uit Lech buiten de piste, terwijl groot lawinegevaar heerste. Justitie benadrukte dat het onderzoek om routine zou gaan, zoals na elk ongeval, zei de politie in Vorarlberg. Er zou nog geen beschuldigde zijn. Deskundige Andreas Peci van de Landeswarnzentrale (lawinecentrale) zal de zaak onderzoeken. Hij was vrijdag ter plekke. Mogelijk volgt er een rechtzaak, waarbij volgens Erich Melmer, voorzitter van de vereniging van Oostenrijkse skileraren, de beste van de twee skibeoefenaren aansprakelijk wordt gesteld.”
DE DAAD; verhaal van een lawineterrorist
Vanuit mijn kamer heb ik zicht op het chalet waar WA verblijft. Als ik schuin naar boven kijk zie ik tien ramen met houten luiken die iedere ochtend worden opengeklapt. De ramen zijn als ogen. Soms knipperen ze. Soms, als ik me lang concentreer, is het of ze terug staren, met achterdochtige blikken. Blikken van verwijt.
Dat verwijt is onnodig. Ik ken WA lang genoeg. Ik koester geen enkele persoonlijke wrok tegen hem. Ik vind hem sympathiek, eenvoudig, geen gluiperd of arrogante hansworst (zoals Charles). Misschien is het zo dat ik hem bewonder. Was het niet de terrorist Carlos die zei bewondering te hebben voor de personen op wie hij het gemunt had? Hij kan het zeggen. Carlos is de eerste die weet hoe weinig het persoon van degene op wie je je pijlen richt er toe doet. Niets, minder dan niets. Doden op grond van persoonlijke gevoelens is primitief, doden op grond van de verwezenlijking van een rationeel te verdedigen idee ruimt de weg voor vooruitgang en, ja, een hogere beschaving.
Ik ontmoette WA tien jaar geleden voor het eerst, in een plaatsje hier vlakbij, in Uttendorf. Mausi en B. (de prinsjes) hadden mij geïnviteerd voor een vakantie die zij met vrienden in de diepe sneeuw wilden doorbrengen. WA verbleef twee dagen met ons in de Rudolfshütte, een grote herberg-achtige hut op 2300 meter hoogte. Het was in de tijd dat WA nogal wat ontzag had voor Mausi en B., zelfs enigszins jaloers op hen was. Mausi en B. waren razend populair. Zij speelden muziek, rookten, dronken, hadden tal van vrienden en werden veel vrijer gelaten dan hun oudste neef. WA had veel minder vrienden, was weinig zeker van zichzelf en erg zenuwachtig, en werd voortdurend in de smiezen gehouden door de pers en door zijn rechercheurs die zich in opdracht van zijn hoogverheven moeder gedroegen als een soort van geheime dienst.
WA deed tijdens onze tochten door de diepe sneeuw zijn best vooraan te blijven, maar raakte regelmatig achterop. Om redenen die meer met toeval dan met karakter te maken hebben, besloot ik me over de kroonprins te ontfermen. Ik, die vaker in het gebied was geweest, kende een route die het pad dat de anderen volgden aanzienlijk afsneed. Door voor te wenden dat het snelle pad van eenzelfde moeilijkheidsgraad was, wist ik WA te behoeden voor angst of spijt. Hij volgde me op de weg die ik al skiënd voor hem baande, en zo slaagden wij erin eerder te arriveren dan de groep, waarop WA triomfantelijk tegen zijn neefjes kon zeggen dat hij een andere weg genomen had “omdat het hem allemaal wat te langzaam ging”. Zo achterdochtig als Mausi en B. mij aankeken, zo vol verbazing staarden ze naar de blonde jongen die het altijd tegen hen had afgelegd.
Het moet deze blik geweest zijn die voor WA van gouden betekenis was, want in tegenstelling tot de twee prinsjes (die zich vernederd voelden, en door mij verraden) heeft WA mij nadien, in de jaren dat het hem lukte om naar Lech af te reizen, verschillende malen uitgenodigd om tochten met hem te maken in het gebied van de Vorarlberg. Voor de eerste twee uitnodigingen heb ik bedankt. Het leek me geen goed idee om tot de vaste patronage te gaan behoren van de koninklijke familie.
Ik heb altijd duidelijk laten merken dat ik lak had aan de monarchie; in mijn ogen een verwerpelijke en archaïsche staatsvorm. WA en de prinsjes hebben ook altijd geweten van mijn bezwaren. Mijn gedachten heb ik nooit verzwegen, hoe onscherp geformuleerd ze in het begin ook waren. Curieus genoeg was het juist die kritische houding die zowel de prinsjes als WA in mij wisten te waarderen. Te veel worden zij blijkbaar omringd door mensen die zich aan hen vergapen, die hun hielen likken of zich aan hen vastklampen in de hoop daar beter van te worden. Voor jonge mensen van aanzien is er vaak niets heerlijkers dan zich te bewegen in ruimtes waar dat aanzien voor even niet bestaat. Men moet herinnerd kunnen worden aan de fictie van zijn positie, om op andere momenten te kunnen geloven in de bijzondere betekenis ervan.
Toch ben ik enkele jaren geleden, toen ik inmiddels (net als WA trouwens) geschiedenis studeerde, op de invitatie ingegaan. Niet dat ik van principes was veranderd. Integendeel. Tijdens de laatste jaren van mijn middelbare schoolperiode en op de universiteit was mijn overtuiging aangescherpt tot een sluitende vorm van radicalisme. Ik debateerde openlijk over de wenselijkheid en de toekomst van de monarchie en publiceerde in het kader van mijn studie een, wat ik noemde, “röntgenopname” van de principes van die staatsvorm, in de vorm van een historische allegorie. De term röntgenopname is toepasselijk. Het betrof namelijk een kleine biografie over Haile Selassie, de Ethiopische in 1974 omvergeworpen vorst wiens armetierige botjes pas drie jaar geleden onder het toilet van een kamer in zijn voormalige paleis werden teruggevonden.
Het idee een week met WA in de bergen door te brengen, werd door mijn radicalisme niet abjecter. Het won juist aan aantrekkelijkheid. Het zou me nog van pas kunnen komen. Ik besloot de proef op de som te nemen en in mijn agenda reserveerde ik de data die WA mij had doorgegeven.
WA stond er op dat ik net als de anderen zou verblijven in het chalet van de familie Moosbrugger, dat de koninklijke familie ieder jaar huurt voor de lieve som van drieduizend gulden per dag. Pas later hoorde ik dat de BVD grote bezwaren had geuit tegen mijn aanwezigheid, waarbij het zelfs tot een vertrouwenscrisis met WA is gekomen. Dat ik extra gescreend werd en een tijdje in de gaten ben gehouden was een routine waar WA moeilijk iets tegenin kon brengen. Maar toen de rechercheurs mij een brief schreven waarin stond dat de week in Lech helaas niet door kon gaan (de brief was al gepost voor WA ervan op de hoogte was gebracht), schijnt WA zowat uit elkaar geklapt te zijn van woede. Ik weet niet waar de kroonprins allemaal mee heeft gedreigd of wat hij over mij heeft gezegd, maar direct werd ik opgebeld met de mededeling dat er een vergissing in het spel was, en nog de volgende dag kreeg ik een brief van de BVD met een bevestiging van mijn verblijf in Oostenrijk. De enige concessie die WA had moeten doen, was dat ik niet in het chalet zou verblijven, maar een eigen appartement kreeg toegewezen. Het appartement waar ik ook nu weer verblijf.
Voor de Veiligheidsdienst zijn de weken in de sneeuw een ramp. Op de tast, glibberend en glijdend moet zij instaan voor de veiligheid van de Oranjes, daar waar een gewone familie al nauwelijks beschermd kan worden tegen letsel of schade. Het is allemaal overigens niet zonder leedvermaak. Hoe groter de ontberingen van de lijfwachten, hoe groter het plezier dat WA en zijn familie aan de vakantie beleeft.
Tijdens mijn verblijf in Lech, drie jaar geleden, hield ik me gedeisd. De Veiligheidsdienst liet me duidelijk haar achterdocht merken, maar dat was vooral omdat de recherche niet, en ik wel met WA op en buiten de pistes overeind kon blijven. Er was voor de dienst geen mogelijkheid om WA en mij bij te houden of te volgen tijdens onze tochten. WA moest noodgedwongen skieën met een walkie-talkie vastgehaakt om zijn middel, en telkens doorgeven waar we van plan waren in het gebaande gebied uit te komen. Een rechercheur stond ons dan, vernikkeld van de kou of zuur van de inspanning om op tijd te komen, beneden op te wachten.
Een grappig voorval herinner ik me nog goed. Het speelde zich af in een van de discotheken van het bergdorp. Het voorval zal na morgen, in de ogen van de rechercheurs, zeker een nieuwe betekenis krijgen.
Gewend als hij is aan de voorkeursbehandeling die hij in Nederland altijd krijgt, had WA zichzelf en zijn lijfwachten aan de deur laten legitimeren. De deur werd daarop wagenwijd opengezet en WA en gevolg konden zich zonder toegangsticket ongedwongen mengen tussen de deinende massa. Mede om te ontkomen aan het regime van zijn lijfwachten sloop WA al snel weg naar een uithoek van de bar, waar hij aan de praat raakte met een stel Engelse dames. WA had mij verzocht om op de dansvloer te blijven zodat de lijfwachten de indruk zouden hebben dat de prins zo weer terug zou komen.
Intussen had het nieuws dat de kroonprins van Nederland op de dansvloer stond zich als een lopend vuurtje door de discotheek verspreid. Lech stikt niet bepaald van de Nederlanders. Het plaatsje is naar Hollandse maatstaven te mondain en te duur. Een vreemde gouden rots temidden van alle goedkope gebieden in de buurt. Voor al diegenen die niet zo goed bekend waren met het Hollandse koningshuis moet het in de drukte daarom niet eenvoudig zijn geweest te achterhalen welke jongen nou precies de aankomend vorst van dat kleine noordelijke landje was.
Uitkomst brachten de lijfwachten, tinnen soldaten die met hun plichtsbesef-snorren en stijve pakken in iedere nachtgelegenheid uit de toon zouden vallen. Er vormde zich een cirkel van belangstellenden rondom de bodyguards, die als waakzame kievitten de tent afspeurden terwijl ik tussen hen in stond geklemd. Jongens bleven van afstand en op hun hoede naar mij loeren, terwijl verschillende meisjes in mijn buurt kwamen, om een sigaret vroegen of een klein gesprek met mij aanknoopten. Daarbij vermeden ze zorgvuldig iedere verwijzing naar mijn afkomst, om mij niet de indruk te geven dat het hen daarom te doen was. Ik onderging het allemaal gelaten en gaf geen krimp.
De twee rechercheurs werden knap zenuwachtig, en vroegen of ik wist waar WA uithing. “Hij wilde zichzelf wat opknappen”, loog ik. “Tegen mij zei hij dat hij zo terug zou zijn en dat ik maar vast wat rondjes moest draaien op de dansvloer. `Jij hebt vanavond eerste keus’, zei hij.” De twee namen maar half genoegen met mijn antwoord. Na nog enkele minuten te hebben gewacht ging een van hen naar beneden, waar de toiletten zich bevonden.
De meeste meisjes die zich in mijn buurt waagden gingen al snel giechelend weer terug naar hun eigen vrienden, onzeker geworden door mijn afwachtende houding en niet wetend of een langer gesprek zonder enig benul van de hofetiquette wel aan te raden was. Eén meisje, met lang blond poezehaar, zilverkleurige lipstick, een zwart près-du-corps jurkje (helemaal de smaak van WA), was wat brutaler. Echt pienter was ze niet, dat merkte ik vlug genoeg, aan de manier waarop ze praatte, de grote ogen waarmee ze me aanstaarde. Daar stond tegenover dat ze ook minder gehaaid was. Ze was gewoon nieuwsgierig, en schaamde zich niet om dat te laten merken.
“Mag ik je misschien wat vragen?”, vroeg ze. Zo te horen kwam ze uit het noorden van Duitsland. “Ben jij het, de kroonprins van de Nederlanden?”
De lijfwacht naast mij, zag ik, was niets gelukkig met de hele situatie. Hij vermoedde natuurlijk, en niet ten onrechte, weer een of ander vooropgezet plan waarmee WA hem en zijn kompaan te grazen nam. Ik keek het meisje aan en zei doodkalm, maar luid genoeg zodat de lijfwacht het kon horen: “Nee, ik ben niet de kroonprins. Ik ben slechts zijn moordenaar.”
Ik hoorde de rechercheur grommen. Het meisje lachte wat schaapachtig. Ik bood haar een Martini aan (het glas rinkelend van de ijsklontjes) en liep naar de zithoek achter de bar aan het andere einde van de disco. Daar stelde ik haar voor aan WA. “Dit is de echte, het slachtoffer”, zei ik tegen haar. WA was diep in gesprek met de Engelse vrouwen, en had nauwelijks oog voor het meisje. “Je wordt gezocht, WA”, zei ik. WA keek op. Hij knikte. Zijn blik was begrijpend en droef tegelijk. Het was een hartveroverende, verscheurende blik, zelfs voor een verstokt anti-monarchist als ik. Ik zocht iets wat uitkomst kon bieden. Ik begreep wat WA wilde, rustig en zonder belemmeringen en verwijten van familie, lijfwachten en pers. Ik viste de sleutel van mijn appartement tevoorschijn. Ik drukte hem die in zijn handen. WA was verrast. “En jij dan?”, riep hij uit. “Ik red me wel”, zei ik. “Ik red me wel.”
Wellicht wekt het verbazing dat ik, die WA toch van zo nabij heb leren kennen, volhard in mijn overtuiging, mijn principes. Maar wat is een samenleving zonder principes waarvoor men bereid is te vechten? Of we het durven erkennen of niet, onze hele geschiedenis is uiteindelijk gebaseerd op de ijskoude wetten van offervaardigheid en strijd. Daarbij is er een onderscheid te maken tussen de acteurs (diegenen die de uitvoering van nieuwe principes mogelijk maken), het publiek (dat passief toekijkt), en de slachtoffers (zij die een pas op de plaats moeten maken om aan nieuwe wetten doorgang te verlenen). Zelf heb ik me van kindsbeen af geassocieerd met de eerste categorie: die der acteurs.
Vanwege het voortdurend fingeren van de ernst is het gebrek aan humor van acteurs meestal ontstellend. Het is iets waar ik me voor hoed. Ik zie de grap van het koningschap weldeglijk in, en laat met groot plezier om de zoveel tijd voetzoekertjes los op onze Koninklijke Familie. Daarbij is het hoogst amusant om te zien dat iedereen, zowel pers en recherche als publiek, stelselmatig de mogelijkheid van sabotage uit de weg gaat, hoezeer de bewijzen ook voorhanden zijn.
In Nederland gelooft men nog altijd graag dat de bliksem kan worden geweerd door de ogen te sluiten. Iedereen is hier zo gewend geraakt aan de eigen slapte, dat men onder geen beding nog wil geloven dat er `organisaties’ of `personen’ zijn die serieus en uit oprechte overtuiging uit zijn op een einde van het koningshuis. Of het nu het incident betreft bij de Plesmanweg in Leiden, de mislukte landing met de Cessna Citation in 1990, of de ontvreemde sleutels van Huis ten Bosch afgelopen zomer, bij het bijeenleggen van de puzzel kijkt het hele land op het laatst steeds de andere kant op. Ik maak me daar niet kwaad over. Ik geniet er werkelijk van om inspecteurs, voorlichters en journalisten zich in allerlei bochten te zien wringen om het gebeurde zo te verdraaien dat het onschadelijk wordt voor onze gemoedsrust.
Ik zou er ook een miljoen voor geven om de reacties te zien na morgen. Hoe hard de schok in Nederland ook moet aankomen, ik verkneukel me nu al bij de gedachte aan het bedroefd gelispel van de Harmen Roelands, de consolerende toon van allen die menen er iets over te moeten zeggen (“het was Gods wil”). Geloven in de slechte bedoeling van deze of gene zal men niet. Mij zal hoe dan ook geen blaam treffen.
Als WA op humoristische wijze om het leven kon worden gebracht, had ik die methode gevolgd. Maar ik betwijfel of de dood ooit humoristisch kan zijn. Een opgelegde, plotselinge dood kan ironisch zijn, want de persoon in kwestie staat er onmachtig tegenover en heeft zijn dood in principe niet gewild. De dood toont echter nooit een grimas om werkelijk vrolijk van te worden. Vladimir Nabokov noemde de dood ooit de pointe van de grap die het leven is. Dat was de verbitterde Russische schrijver ten voeten uit. Zijn zwartgerande humor was even aanstekelijk als dwaas: een vergeefse poging om revanche te halen op een heer die uiteindelijk nooit met zich laat spotten.
Ik heb nog allerlei mogelijkheden de revue laten passeren. Sommige daarvan waren te gezocht, andere zouden in Engeland misschien succes hebben gehad, maar in Nederland als te smakeloos zijn gezien. Talloze voorstellingen heb ik me gemaakt: WA die ineenzakt op de trap van het huis in Delft waar zijn illustere voorganger, de vader van de Republiek, door Balthasar Gerards werd vermoord (de eeuwige wederkeer). WA naakt met blote dames en heren in een bubbelbad, in extase stikkend in een damp van chloor en monoxide. WA drinkend tot zijn leven uit zijn lever lekt gedurende een broeierig gelag in een van zijn favoriete café’s (een einde waar hij zelf veel plezier aan zou beleven, en ik ook, maar dat gedisqualificeerd wordt omdat het beslist teveel eer is de dood te sterven van zijn grote naamgenoot uit Macedonië). Nee, het moet maar gebeuren zoals gepland, hier in de bergen. Het witte hoofdje van WA dat, in donderend geraas, verdwijnt in een opstuivende witte massa.
Op uitdrukkelijk verzoek van WA ben ik hier na drie jaar weer present. De prins had al rekening met mij gehouden door een reservering open te houden van het appartement schuin onder het chalet. De lijfwachten zullen er niet gelukkig mee zijn geweest, maar hebben ditmaal niet meer openlijk bezwaar durven maken. WA heeft er fijntjes op gewezen dat ik gedurende mijn vorige verblijf voor geen enkel probleem heb gezorgd.
De prins wordt ouder, zijn autoriteit neemt toe. Het is niet alleen meer zijn moeder die de zaken beslist. Bovendien wordt de recherche er met de jaren niet bepaald alerter op. Het is alweer zo lang geleden sinds er werkelijk iets onrustbarends gebeurde.
WA wil een tocht met mij maken via de achterkant van de Vorarlberg. Geen gemakkelijke opgave. Alleen de klim erheen neemt normaal gesproken meer dan een dag in beslag. Maar de prins is van plan om erheen te vliegen per gehuurde helicopter. WA heeft twee jaar geleden in Eersel zijn helicopterbrevet gehaald, en het tot nog toe alleen kunnen gebruiken bij het jubileum van zijn grootvader, op Soesterberg. Een co-piloot zal het toestel van de Vorarlberg weer terug vliegen, naar het wintervliegveld in het dal.
Ik heb lang geduld gehad, maar nu moet het er dan toch van komen. Ik ben uitgerust en vroeg opgestaan. Buiten is het nog donker. De luiken van het chalet van WA zijn gesloten. Alles in het dorp is nog rustig. Alleen de sneeuwschuivers die de weg naar het dorp schoonhouden en tegen de berm een brokkelige wal van sneeuw opwerpen, hoor ik af en toe. Op de pistes zie ik de lichtjes van boelies die bezig zijn om alle oneffenheden weg te werken. Drie dagen lang heeft het gesneeuwd.
Volgens de weerberichten zal het nu mooi weer worden, warm zelfs. De wind is gedraaid naar het zuidwesten. Dat betekent dat het met de kracht van de zon in maart tot op grote hoogte zal dooien. De sneeuw zal zwaar zijn, de reddingswerkzaamheden zullen erdoor worden vertraagd. Zelf heb ik eenmaal een ernstige lawine overleefd, in Frankrijk. Het hangt er helemaal van af hoe snel je bent, en of je niet ten val komt. Die keer in Frankrijk voelde ik me als de eerste marathonloper, Filippides, een man die sneller liep dan iemand ooit gegaan was. Een man met de dood op zijn hielen. Dit keer, achter WA, zullen de rollen zijn omgekeerd. Dit keer ben ik het die hem op de hielen zit, die mens met zijn hoofd glimmend van inspanning, WA, ons toekomstige staatshoofd, onze vorst.
Publikationen: Weisse Rede (1990), Wir mussen leise sein wie Pfirsiche (1990), Falsche Prophezeiungen (1994), Mortu Tombu Miyi (CD 1994), Wiener Mysterien (1995), Farnblute (1996), Zauberspruche (CD 1998), Pupille (1998), ICHT (1999). Kleinstkompetenzen (2001). Ubersetzungen: Radio Sermonettes von Hakim Bey (1996), ‘Skandal. Essays zur islamischen Haresie’ von Peter Lamborn Wilson (1997).
Christian Loidl
Biographie
Geboren 1957 in Linz/Oberösterreich.
Verstorben am 16.12.2001 in Wien.
“geboren. affenmütter reichen ihm ihre babies, damit
er sie wiegt und ihnen lieder beibringt. er hält sich
selbst für einen der nettesten und gemütlichsten
menschen, kann sich aber irren. er ist mehr gespenst
als legende. er ist der sternenbär der tiefsee. seine
großmutter bemerkte häufig, man müsse in seinem fall
das maul einmal extra erschlagen.” – Christian Loidl
Loidl-Kalligraphie von Nazar Honchar
SCHWŌR AB DEM GEWĀSCH
*
Taub dem hellen Licht in Deinem Kopf. Leg den Rest zur Seite.
Hör, was dann noch flüstert, stöbert, atmet in der Stille.
Was bleibt an Taubengurren, Fröschequaken
Sprudeln des Lebens. Schwör ab dem Gewäsch.
Lass den Wind fahren. Hör auf die Weise des Lebens.
Lass sein, was muss. Heiße den Abschied willkommen.
Sei langsam, schlau, Klang. Von Vögeln gesungen.
Gelange zum inneren Ich. Erinnere Dich was jeder vergisst.
Weiss was du werde, sei wer Du bist: singendes
durchdringendes. Ein Loidlisches (L)Icht.
Text: Serge van Duijnhoven
aus dem holländischen übersetzt von Jaan Karl Klasmann
pic taken on 16th of December 2010 by Swantje Lichtenstein in Vienna
‘Mortu tombu miyi’ (the title of the following poem) = a vernacular saying in Haiti, meaning: all things burried and gone. It was the title of a specific cycle of poems from Falsche Prophezeiungen, a magnificent book written by the Austrian poet Christian Loidl, who died in December 2001 at the age of 44 after tragically falling out of a window in his Viennese appartment – a death similar to the one of Bohumil Hrabal, the Czech writer he highly respected. Hrabal seemingly fell down while trying to spot a blackbird that was singing underneath his hospital window. Chris – just before tumbling towards his death – also must have been enchanted by the luring song of some dark bird that waited to get out of its cage and ‘melt with the air’.
In some way, it feels as if Chris fulfilled the crystal-clear imperative uttered by the enlightened voice that enchantedly rises up at the end of his last book of poetry: Kleinstkompetenzen; Erinnerungen aus einer geheimen Kindheit : ‘Luft musst mann sein… Luft musst mann sein (…)’ – in English: ‘Air is what we should be… Air is what we should be’. The day before the accident, Chris had sent me a message that he had changed his email address into ‘airpoet@.gmx.at’ The symbolic meaning of this I only understood weeks later, when I visited Vienna to take part in the memorial-night organised by his close friends and allies. After having climbed up the sandstone stairs of the building in the Vereinsgasse (II Bezirk) where Christian lived, my eyes fell on a little blue metal plate that was attached to the frontdoor of the deserted apartment that I knew quite well, saying: ‘airpoet’. It was a souvenir Chris had taken home from one of his travels in Lithuania, where this magical word simply means ‘airport’. Suddenly, it all clicked and became clear, and I realised that my friend indeed must have melted with the air he aspired so wisely and enchanted so dearly.
Unique footage – shot by Arlette van Laar in the year of Christian’s death 2001. Irrwahn. Christian Loidl performing at the LiteraturWERKstatt Berlin, March 2001.
*
mortu tombu miyi
*
the laserbeam in front of the nightclub
touches the sky in search of God
all air blows away
the moon stands high
as a tiny fingerprint
in the stained window
of heaven
we see more
talk less
thunder in the far land
of our memory
water drops mudd
rain is still more clear
than blood
to live is to retreat
a ritual of goodyes
a wounding in slomotion
the ailment of addiction
our dreams fade away
like fog during the day
our beloved ones depart
what we cherish perishes
what we leave behind is the pain
to go beyond is to be healed
to bear the chain you said
one has to sing – because
air is the important thing
the air is always young
the air wears no grey hair
the air never ends up
in a wheelchair
Luft müsst mann sein
Luft müsst mann sein
Nicht mehr so mühd
Nicht mehr so mühd
Wach müsst mann sein
aus: Bloedtest (De Bezige Bij, album + cd 2003)
Harry Smith, Early Abstractions
After our first meeting, I invited Christian as a participating guest of poetry for our MILLENNIUM GOES SUBZERO party in the Dionyx-Studios underground cellars of the Posthoornkerk in the Haarlemmerstraat of Amsterdam, 22 nov 1995. MillenniuM was the cultural magazine of cross-over art that I had founded with a bunch of rebellious youngsters in 1993. The magazine closed ist books as planned at the eve oft he new Millennium – dec 31st 1999. Christian wrote an hilarious and sharply observed account of his experience at our festival in nov 95, that was co-organized by quite a reknown houseparty organization called HEALERS INC… The story of Christian has become a remarkably often downloaded and well read story of warning fort he hub of well aware and beware travellers from the alternative scene planning to go to Amsterdam – once so belovedly labelled (also by Christian) as the city oft he MAD MASTER. Christian adored anagrams, as anybody who knew him well will certainly recall. The lighthearted, humourous and personal account radiates the undeniable feeling of deception and amazement that this peculiar experience left in Chris‘ his mind. The times are continuously changing of course, for better or worse. For the former HQ of the Mad Masters with a clear interest in peeping through the doors of perception that are believed to lead up to the palace of wisdom, a drastic turnarouund was taking place in these years. Amsterdam changed from a harbour of cultural open mindedness and drug related tolerance, to another gentrified mausoleum of business, pettiness, commerce, designer-neighbourhoods and classy taste. No more provo, no more squats, no more laboratories of alternative experiment and bohemian lifestyles. The age of advertisements, branding, fashion, trends and trendspotters, affluence and overall moral corruption of society in all possible ways, was already gaining an unstoppable momentum in the Amsterdam of 1995. I still find Chris his account as can be read hereunder, of a very sharp and sensible kind. It tells in a very accurate way the order of events of that very night at the festivities under the surface oft he city, but it also stands out as a powerful story of a myth unraveled. A story of a demasquee. The persona of Amsterdam as the chosen city for the Mad Master, was ripped off the face of the capital by the brute and empty-headed gatekeeper that stood at the gate of the ecclesiastical cellar where fresh air was declared to be an illegal commodity. Quite a legendary character, this four square meter giant without any remorse or empathy, that would not misfit in one of those grim stories of Greek mythology:
Courtyard where the Air Poet landed harshly in 2001. Seen from the window he broke with his aluminium suitcase, gasping for air.
Erster Eindruck vor dem Bahnhof: reine Luft; die Beatmung durch den Regenhimmel und den unsichtbaren Hafen. Gehsteige und Glasscheiben sind sauberer und die Cof feeshops zahlreicher, als erwartet: HIGH LIGHT, THE GREENHOUSE EFFECT, PICK UP THE PIECES. GAY CINEMA, TOPLESS BAR, TAXFREE DIAMONDS, Auslagen, vollgerammelt mit fleischf arbenen Attrappen, GRAND HOTEL KRASNAPOLSKY CONGRES-CENTRUM, LET OP ZAKKENROLLERS.
Im Polizeigebäude, durch die Fassade ganz aus Glas, ist die Gestik von US-Filmcops zu verfolgen, schulterbreit, hellblaue Hemden. Hanfdampf an allen Grachten. Trotz Reisegepäck, bei Regen und zeitweisem Hagel, schwebe ich. Am Himmel hängen Wolken, aber keine faschistoide Faust. Kein Plakat redet vom Ausländer-Raus. Niemand trägt Doc Martens oder Nazi-Haarschnitt. vor ein paar Wochen, höre ich, hat die Polizei für ein besseres Sozialnetz und höhere Pensionen demonstriert und bei dieser Gelegenheit den Süchtigen und Obdachlosen warmes Essen serviert. Das Festival, zu dem ich eingeladen bin, hat den Titel THE NEW RAGE. Wo sich hier eine neue Wut verstecken soll, ist mir ein Rätsel. Rage made in Austria, das wäre schneller illustriert. Soll ich den Amsterdamern erzählen, wie die Skins im Fünfer in der Laudongasse lautstark beschließen, mir nichts zu tun, weil ich Inländer bin? oder, weniger gemütlich, wie meinem Freund in Linz, neben mir im Kaffeehaus von hinten, ohne die kleinste Eröffnung, ein BruceLee-Tritt ins Gesicht fliegt, daß das Jochbein splittert und in einem Auge sich die Netzhaut ablöst? Wir haben den Schläger nie vorher gesehen. Die Polizei erwischt ihn zwar, nimmt aber nur seine Daten auf und läßt ihn gehen. Uns sagen sie, es sei ihnen wurscht, wer wem den Schädel einhaut. Erst nach zwei Stunden ist ein Inspektor bereit, eine Rettung zu rufen. “Sans Ina sicha, daßs a Rettung brauchn? Se san eh ned schwea falezd.” Nach einem Jahr wird der Schläger zu zwei Wochen Haft verurteilt: nicht wegen Körperverletzung ( ein paar Zentimeter höher, der Tritt wäre tödlich gewesen) , sondern wegen fünf Gramm Haschisch in der Westentasche.
Serge van Duijnhoven, dem ich die Einladung verdanke, ist Techno-Dichter, fünfundzwanzig, mit einem Grinser wie der junge Herkules. Vor solchen Leuten würde mir peinlich zumut mit dem Österreichbild aus der Geisterbahn, das in Holland ohnehin Klischee ist. Lieber möchte ich beweisen, daß es auch bei uns freie Köpfe gibt und Rage nicht Ressentiment heißen muß, sondern, was mich betrifft, poetischer Furor. Veranstaltungsort sind die sogenannten Katakomben unter einer ehemaligen Kirche in der Haarlemmerstraat.
Das Festival, erklärt mir Serge, ist der Versuch, dem TechnoPublikum, in eine House-Party wie in ein Dragee verpackt, Performance-Kunst zuzuführen. Es wird meine erste HouseParty. Wörter wie House, Rave, Jungle, Chillout haben mir bisher nur vage Vorstellungen von Prozessen und Zonen vermittelt, für die ich mir eher seit langem zu dumm als seit kurzem zu gescheit vorkomme.
Das Publikum liegt, hockt, geht umher, schlürft, pafft, knutscht, quatscht, probt erste Zwischenrufe, und ich bin der erste Dichter auf der Bühne. Ich denke an Österreich als entrückten Erdteil: wo sich der halbe Saal umdreht, wenn jemand einmal mit einem Seidel hereinschleicht. Hier bin ich vorläuf ig nicht mehr als ein Stück Ambient-Geräusch, finde mich nach meinem Auftritt aber dann doch mehr gemocht als übersehen oder abgelehnt.
Wirklich zahlreich und manisch munter wird das Publikum erst, als die Performances vorbei sind und unter Hypno-Hänmern das Tanzen anfängt. Selber schon in Bewegung, die Brustmitte massiert von einem obstinaten Baßton, nehme ich mit Kameraaugen, schwingenden, das Bildergleiten auf, das die Körper verteilen, das Roboter-Stampfen und den Lächelverkehr, stürze mit dem Blick erstmals an Schlundpupillen vorbei (Extacy?) , einem Jungmännergesicht, hart und weiß wie ein Ziegel. Setze mich vor die Toilette, weil nur dort Ruhe und Platz ist, Notizen zu machen.
Vom Tanzen ausgetrocknet, erfinde ich ein Forschungsprojekt: Ist es möglich, jetzt, während die Party auf eine erste Klimax zuwogt, ein Glas Orangensaft von einem Labyrinth-Ende bis zum andern zu tragen? Die Antwort kommt, das Durchmäandern leichter ist als erwartet, doch als Überraschung:
Nein. Und zwar, weil mehrere Leute meinen Orangensaft wollen. Im Augenblick, als ich mein Glas einem vor einer Sekunde noch unbekannten Weltraumkrieger überlasse, treffen vor mir Sonja und Susanna zusammen, die zwei Mazedonierinnen, jede mit einem Bier für mich. Beiden ist unabhängig voneinander eingefallen, daß ich Durst haben könnte. Daß wir miteinander getanzt haben, ist vielleicht eine Stunde her. “Willst du mit mir”, Sonja brüllt es mir ins Ohr, “wo hingehen, wo es so weich und kuschelig ist wie in der Heiligen Jungfrau?”
Ihr Leder-Hüftschwung läßt von der Zigarettenspitze Glut abregnen. Susanna schließt sich an.
Die Chill-Out-Zone ist ein Betonbunker, vollgestopft mit Leuten, heiß und gebeizt mit Körperdunst und Rauch. Auf der Beton-Plattform in der Mitte lungern vom Bedürfnis nach Benebelt-Hinsinken und dabei noch irgendwen Zu-FassenKriegen Zusammengeschweißte: eine im Augenblick für mich wenig magnetische Szene. Ein am Boden abgestelltes Weinglas wird von einer schwarzen Schuhspitze zerstoßen. Ein schwerer Kerl, beim Sich-Hinplumpsen-Lassen neben mir, läßt sein Bier auf mein Hosenbein schwappen und wird spöttisch, als er merkt, daß ich seine Sprache nicht verstehe. Aus seiner Zigarette steigt mir die Rauchsäule industriell ins Gesicht. Inzwischen kann ich mir vorstellen, daß es mir woanders besser gefallen könnte. Sehr deutlich wächst mein Bedürfnis nach Luft.
Im Gang draußen hocken, angeordnet nach Codes sexueller Anziehung und bevorzugten Stimulantien, kleine Stammesgruppen, so mit sich selbst bekannt, daß ich nur vorbeigehen kann. Am Katakomben-Ausgang hängt ein Schild mit der Aufschrift 4-DIMENSIONAL HEALING. Darunter steht, breitschultrig, ganz in Schwarz, Bürstenfrisur und Vollbart, ein Wächter. Er verstellt mir in den Weg. “Wo willst du hin?” “Nur schnell einmal hinaus, luftschnappen gehen”. Ich mache eine Geste stiegenaufwärts. “Das geht nicht. Geh zurück auf die Party. ” “Es muß sein. Ich brauch Luft.” “Es geht nicht. Geh zurück, geh feiern.” “Stell dir vor”, sage ich, “du als Security läßt einen nicht hinaus und er kriegt einen Kollaps. Wär doch kein Wunder bei der Luft hier. Dann bist du schuld.” “Du hast recht”, sagt er, “ich würd selber lieber auch hinauf gehen. Aber bitte, bleib da. Mein Vorgesetzter macht mir sonst die ärgsten Schwierigkeiten.” “Sag das noch einmal: du kriegst Schwierigkeiten von deinem Vorgesetzten, wenn ich atme?” “So ist es. ” “Dann hat dein Boss Scheiße im Kopf statt dem Hirn. ” “Stimmt. ” Er lächelt. “Aber er ist mein Vorgesetzter. Er ist ein Idiot und außerdem brutal. Wenn ich dich hinauflasse, macht er mich fertig.”
Mein Luftbedarf , ich kann es nicht mehr ändern, ist im Moment dringender. “Wenn er dir Schwierigkeiten macht, sag einfach, ich bin schuld. Sag, ich hab dich physisch überwältigt.” Ich starte treppaufwärts, komme einen Schritt weit und f inde mich zurückgehalten, am Ärmel gepackt, während von oben langsam der Vorgesetzte herunterkommt. Ich fühle mich wie in der Hölle, wo die Verdammten die Kochtopfwand hinaufzuklettern versuchen und – “Hinein in den Kessel mit Siedegeschrei! ” – von ihren Wächtern mit den Stangen wieder hineingestoßen werden. Der Vorgesetzte ist noch ein Stück größer und stärker als sein Kollege herunten, sein Blick aus schwarzem Eis. Seine Begrüßung lautet: “Willst du Ärger?” “Nein”, sage ich, “Frische Luft. ” “Das ist nicht möglich. Geh hinunter.”
“Es ist sicher möglich. Ich muß hinauf.” “Es ist unmöglich. Geh hinunter.” Bin ich hier in Amsterdam (Anagrammiert: Mad Master) oder in Ostberlin, vor dem Mauerabbruch?
“Kann mir bitte”, sage ich, “jemand ein Visum ausstellen, für ein paar Minuten Frischluft?”
“Wenn du wirklich meinst”, sagt der von oben, “daß du da draußen was brauchst, was du hier nicht bekommst, dann muß dir eins klarsein: Einmal draußen ist für immer draußen. Und jetzt hau ab.” “Geht in Ordnung. Ich geh mich nur von ein paar Leuten verabschieden.”
Von den Organisatoren ist keiner zu finden. Olaf Zwetsloot, ein Dichter vom Typus Gigolo aus der Schnitzler-Zeit, Anzug und Krawatte, grüne Sonnenbrille auf den zurückfrisierten Locken, lacht zu meinem Bericht. “Haben wir gleich. ” Jetzt stehen wir zu zweit eingekeilt zwischen den Wächtern. Nach einem längeren Hin und Her, ich höre nicht mehr so genau zu, kommen wir auf die Stiege. Je höher ich steige, je näher ich, durch die unbeleuchtete Kirche im Galopp dem Ausgang komme, umso besser wird die Luft. “Luft, Luft! ” Der Wächter, mit einem Gesicht, als sei ich mit dem Flarmenwerfer unterwegs, rennt mir nach.
Wie wenn einem Mitte Juli zu Mittag in Süditalien die ersten Schlucke Eistee durch den Schlund rinnen, so trinke ich die Luft. Aus dem schwarzen Himmel fällt ein mit Hagel vermischter Regen.
Hinter mir klickt etwas: der Wächter läßt die Sicherheitstür zuschnappen. Für den Moment ist mir warm und das Nasse angenehm. Nach ein paar Minuten, jemand kommt heraus, schlüpfe ich wieder hinein. Nach keinen zehn Sekunden steht er wieder da: “Ich hab dich doch grade hinausgeworfen. Was willst du schon wieder?”
“Ich hab meinen Mantel da und einen Hut, einen Pullover, ein Sakko, ein Notizheft und ein Glas Weißwein.” “Du bist draußen. Hau ab. ” “Du bist doch hier die Security. Du sorgst dafür, daß ich mich sicher fühle. Aber mir kommt vor, du willst, daß die Leute Angst vor die haben.”
Er sagt nichts. Er stößt nur ein Grunzknurren aus, wie ein Monster in einem Zeichentrickfilm, dem zum ersten Mal ein völlig fremder Gedanke in den Schädel eingedrungen ist. Ich weiß nicht mehr wie, aber ich komme an ihm vorbei. Der Kollege unten sieht erstaunt und irgendwie erfreut aus, daß ich schon wieder da und unversehrt bin. Olaf und Susanna gehen mit hinauf. Ich lasse mir bei allem Zeit, trinke an der Garderobe gemächlich unter Plaudern meinen Wein aus, während der Wächter immer einen halben Meter neben mir steht, Drohung in den Augen. In Mantel und Hut, gebe ich ihm zum Abschied die Hand: “Guten Morgen. Es war mir ein vergnügen, Sie kennenzulernen.” Er geht gemessen bis zur Glastür mit, hält sie uns auf. “Das Vergnügen ist meinerseits, Sir. Ich wünsche Ihnen noch einen angenehmen Abend.”
Olaf Zwetsloot with saxophone
Olaf, in die Pedale tretend, unterm Regengeprassel, dreht sich halb zu mir herum: “Du bist doch aus Wien! ” “Ja”, schreie ich, vorgebeugt, vom Gepäckträger vor. “Mein Vater”, schreit er, “hat dort gewohnt. Ein paar Jahrzehnte. Bis zur Arisierung. In der Vereinsgasse! ” “Vereinsgasse drei, da wohn ich! “Gibt’s nicht!”
I don’t understand the first thing about radio waves
But I think they travel better
When it snows and when it’s cold
Anyway, I can reach out now
And pick up programs of the Dead
And far away – interesting stations
For us here beneath – surrounded
By TVshows and Weihnachtsmaerkte
When I came out here I was trying
To get away from everything
Especially literature
Pump and circumstance
And what comes after
There is in the soul a desire
For not thinking
For being still, Coupled with this
A desire to be strict, yes
And rigorous. But the soul is
As you said Chris, also
A smooth son of bitch
Not always trustworthy like
A best friend should be
And I tend to forget that
I tend to forget
I listened when it said
Better to sing that which is gone
And will not return than that which is still
With us and will be with us tomorrow
Or not. And if not, that’s all right too
It didn’t much matter, the voice
Witin me said, if a man sang at all
One may live one may die
Both are good…
That’s the voice I listened to
Can you imagine somebody
Thinking like this? That it’s really
All one and the same?
What nonsense!
But I’d think these stupid thoughts
At night, as I sit on my desk
And listen to William Burrough’s
Dead City Radio
And did you get, what you wanted
from this life, even so
It ended all too soon?
I bet you did. Didn’t you?
Not all of us can call themselves beloved
Like the ones who suddenly departed
From this earth as by mistake
Life: is it a pointless joke
Or lethal plot?
The things that matter
Will always be substracted by
The things that matter not
And isn’t our fate inevitable
Now that we call the little
We remember of it
“the past’’?
Our whole life’s in switchbacks
Still ahead of us
Apart from all those things
That slipped away
Once you wrote to me, you watched a Rose
Breathe in the Prater Park
And this was not meant as a metaphore
It was after you offered a bright green Granny Smith apple
To a young woman sitting on top of her boyfriend
‘Thank you’, the lady said in plain disgust
‘We have eaten already’. You threw the apple
Over their heads into the splash
And walked on. Wondering why
The roses looked boring
And not what you would want to see
It is so easy, you wrote, to pick a rose
In a public park. You ripped off
A handful – heads of roses
And they still looked
Like yesterday’s leftovers
You ripped them up.
That’s when you saw the rose breathe.
Next time I would come
You would play me the record of Ustad Salamath Khan:
Breath of the Rose. But you never did.
You never did.
I open the door
=
The door opens me
The voice is silent
=
The voice is loud
The voice within
=
The voice without
Shall we look and meet – oh yes!
The line – YOUR line – of song:
Excess, restraint
Clarity and cunningness
The palace of wisdom
From the palm of Blake’s hand
The poignant texture of your voice
The complex radiance of light
The mysterious nature of a Schluckauf
The ravish depth of open eyes
Dear magic friend
Dear gentle wizzard
Lysergic pathfinder
Lyrical lieutenant
The gentle friend you were
The bright star is still shining
Inside = outside
= somewhere
Let us remain just who we were
And worship our kinship
Our togetherness
Let us be brave, let us be bright
Let us be neither out
of heart nor out of sight
But join again where thin air
Meets the thick of night
Let us go on – dear explorer
Let us quietly continue
To erase and rewrite the letters
On the chalkboard of our lifes
Give me some of your good company
Throughout this earthly cold adventure
Shine on, bright friendly star
Guide on, dear gentle knight
Let us all hereunder be
Just a somewhat more
Like thee:
Gentle, tender and polite
The very last words you wrote to me:
“May synchronicity always bless thee”
Young Buddha met Georg Trakl
In a Viennese courtyard
The inquisitive spirit
Of a shaman
And the temper of a
Wondrous child
Vereinsgasse 3
Ein Gast im mitten der Vergaser
Death, mosquito like,
Hovered and supped at the periphery
Time, like the light in our brown eyes
Is running out as we climb
Up the mountain
Out of sight
Christian Loidl – pic taken by Marcus Gindelhuber (copyright protected)
“Marcus Gindelhuber” is a professional photographer who took the above picture took the photo at an already famous mushroom session in a tree at Kautzen (Waldviertel).
[ zum Gedenken an Christian Loidl 16 Dezember 2009 ]
Listen to the voice of Christian Loidl, towards the end of this Videoclip. “Luft musst man sein…”
*
Werfen die Schalen auf den Boden, sacken den Taumel in die Nuss
an der Pforte steht die Spinne mit dem erhoben Finger und erfragt
mit einer Unterschriftenliste die Namen der Anderen, hält eine Schüssel,
sammelt in Gier und Heuchelei ein, was fehlt. Nachsichtig ist er klein,
die Zeichen zu deuten nicht Mann, nicht Frau, befallen mit Blutschuld und
Wunden klaffen auf ihren Mündern, offen an öden Orten hausen sie und
fragen die Hexe aus Endor und kennen sie nicht, wissen um Seirim und seine
Schwestern, sagen die Sprüche nicht, auf den Knien rutschen sie auf die heiligen
Berge, an den letzten Gletschern saugen sie die Kälte ab,stürzen sich in
neue Fluten, Orkane und Seewehen, glauben nicht an Bocksgestalten
sie fürchten den eigenen Feind, ängstigen sich vorm Geist,
der im Mund seine Hausstatt hält und Kiesel türmt auf die Fragen der Welt,
setzen auf den Handel mit Purpurstoffen unter den Sklaven und herrschen
über die Herren, wenn die Sonne sich schwärzt und der Mond errötet,
wenn Gog und Magog an der Türe läuten und die Nackten mit dem gekrümmten
Rücken und den Häuptern, in Schlamm fallen sie, stecken bleiben sie,
vor den Augen ihrer Kinder lesen sie es, verdattert.
von Swantje Lichtenstein
Ah-Pook Maya God of Destruction
Remembering a discussion I had
some time ago with sister Swantje Lichtenstein in Duesseldorf
Am listening again – by shere accident I thought – to one of my old magnetic tapes from the nineties. Sticking my ear and mind into that magnificent piece of literary audio-junk called Dead City Radio by/with William S. Burroughs. One of my favorite albums ever. My dear friend and poet Christian Loidl – today is his Todestag, so I now realize this fact is not so accidental after all – introduced me to this wizzard for the first time in 1995 in his flat in Vienna, Vereinsgasse. Where he – today seven years ago – flew out of the window after having taken an overdose of a rare Siberian mushroom.
“Dead City Radio” is a true gem of cut up poetry put to music in a most sensitive and workable way.
Question: “What are we here for?”
Answer: “We’re all here to go…”
The old magician gives readings from a variety of sources including “Naked Lunch”, “Interzone”, and “The Western Lands”. He invokes his vision in the name of Pan, god of panic; Ah Pook, the destroyer; and even Jesu the Christ. “Invoke” is the proper word, for this is a work of magic – be it black or white. Burroughs is weaving a vision. He wants us to peek through the chinks and see the monsters that lie behind the machinery of control – behind the great shining lies and the bounds of the Prometheus called Homo Sapiens. His objective is no less than a basic disruption of reality itself.
Please try to see the video belonging to the Ah Pook The Destroyer prayer – about (cosmic?) control – you will love it I am sure: http://digitalphilosophy.wordpress.com/2007/03/08/burroughs%E2%80%99-death-needs-time/
“Question: Who really gave their order?”
“Answer: Control. The ugly American. The instrument of control.”
“Question: If control’s control is absolute, why does Control need to control?”
“Answer: control needs time.”
“Question: is control controlled by our need to control?”
“Answer: Yes.”
“Why does control need humans, as you call them?”
“Wait… wait! Time, or landing. Death needs Time, like a junky needs junk.”
“And what does Death need Time for?”
“The answer is so simple. Death needs Time for what it kills to grow in. For Ah Pook’s sake.”
“Death needs Time for what it kills to grow in. For Ah Pook’s sweet sake? You stupid vulgar greedy ugly American death-sucker!”
Zjivili to brother Chris out there in the realm of Ah Pook’s universe of Time.
Serge
HOMEWARD BOUND
*
All strangers were born as children of their families
All strangers have played in houses they called home
On est tous des étrangers. Travellers coming round
wandering through a space that everybody
has to confisquate. But where there’s a will
there’s a way. Stubborness is what drives us all
and drives us crazy. To live fully from the land
the soil in which the seeds are spread with our hand.
The hair on our heads is as the cane on our roofs.
Our cracked skin is as the eroded walls of our shags.
Transparency is the scare of our bones. Our voice cries
at best for help. What we are seeking is rest.
Asilum in eternity. What we are is where we have been
falling: cerebral hunters and hunted prey.
We are game in the woods. A hungry flock in nature’s
hungry mouth. We are obedient and futile. Tiny particles
floating around. Our names have been assigned
and even the gift of life was not our choice.
Every single good we own and are is borrowed
shareware, bonds and loans. Property of Time
alone; that vicious, greedy stockbroker and billionaire
who having been born without a soul, supports no other’s
company. Who has no friends or relatives, and rules
the earth as if he were the master of the universe.
We owe him all – as he insists. His will is merciless.
Who prays for help, will be harrassed. Who disobeys
will disappear. He holds us hostage. Nobody is free
to stay. We have to leave and sneak out like thieves.
When evening comes we pack our bags. We cross the border
in the thick of night. Our exitpapers are called: death.
Subject: “zuerst verzaubere dich selbst” – zum 10. Todestag von Christian Loidl, 16.12.2011, 19.00h, Tachles (und zwei neue CDs von CL)
Liebe Freunde von Christian Loidl!
Heute gibt es gleich mehrere wichtige Ankündigungen:
- Zunächst möchte ich an die Veranstaltung imLinzer Stifterhaus morgen (Mo) abend um 19.30h erinnern, bei der die “Gesammelten Gedichte” von Christian Loidl vorgestellt werden, Es liest Harald Bodingbauer, Musik: Martina Cizek und Edith Lettner; Büchertisch wird es auch geben!
- Vor allem aber ist es jetzt wirklich Zeit, dass ich Euch die hochoffizielle Einladung zu der Veranstaltung am 16.12.2011 (also am nächsten Freitag) schicke, das ist genau der 10. Todestag von Christian Loidl. Wir beginnen um 19:00h im Tachles (Otto Lechner wird gleich am Anfang vorbeischauen, weil er dann noch eine andere Veranstaltung hat); um 22.00h gehen wir in Form eines Fackelzugs zur Christian-Wohnung (Vereinsgasse 3/12) und gedenken seiner zu seiner Todesstunde im Hof. Danach geht es in der Wohung weiter, das ist die allerletzte Gelegenheit, diese Wohnung noch im Originalzustand zu sehen, weil ich ja Ende Februar raus muss. Es wird ein Abend unter Freunden; die ganz offizielle Veranstaltung für ein breites Publikum ist dann am 30. Jänner im Literaturhaus. Jaan Klasmann und ich werden aus den “Gesammelten Gedichten” lesen (speziell die autobiographischen Texte von Christian), außerdem sind noch dabei: Serge Van Duijnhoven, Hillary Keel, Bernhard Widder, Christian Katt, Susanne Toth, Wolfgang Musil – und Ihr!
- Am 2. Dezember hat es ja schon im “salon” in der Praterstraße eine Buchpräsentation der “Gesammelten Gedichte” gegeben, und auch eine Präsentation der Ergebnisse der “schule für dichtung”-Klasse “farnblütenlese” (die läuft noch bis 16.12., bitte weiterhin mitmachen!). Hier nun der Link zu den Fotos von dieser Veranstaltung:
- Auch von der “edition farnblüte” gibt es Neuigkeiten: Von 12. bis 14. Dezember (jeweils ab 19h. Leseprogramm ab 20h) nimmt sie teil an der Kleinverlagsmesse im Amerlinghaus “XXXXXXXSMALL”, in der Galerie im Amerlinghaus, Stiftgasse 8, 1070 Wien. Dort könnt Ihr Bücher und CDs von Christian Loidl als Weihnachtsgeschenke für Eure Freunde und für Euch selbst erwerben…
- Es gibt übrigens seit ganz kurzem zwei neue CDs von Christian Loidl bei der “edition farnblüte”: “wir müssen leise sein wie pfirsiche – zaubersprüche und wilder wort-jazz” und “bei uns dahoam - zaubersprüche und lieder”, (Neuauflagen von einer MC und einer CD, die beide seit vielen Jahren vergriffen waren) – beide sind bei allen Veranstaltungen am Büchertisch vorhanden und erhältlich.
Ich hoffe, Ihr habt Zeit und Muße, zu der einen oder anderen Veranstaltung zu kommen!
Weihnachtliche Grüße
Eva Lavric
Univ.-Prof. Mag. Dr. Eva Lavric
Leiterin des Instituts für Romanistik
Leiterin des Frankreich-Schwerpunkts
Universität Innsbruck
Innrain 52, A-6020 Innsbruck
Tel.: +43 512 507 4203 http://www.uibk.ac.at/romanistik/personal/lavric
Literaire avond over het leven in Brussel, gezien door de eigenzinnige ogen van twee Estse auteurs
Met medewerking van Geert van Istendael (B) en Serge van Duijnhoven (NL)
Vrije toegang
Mare Sabolotny (21) en Vahur Afanasjev (32) besloten vorig jaar om, na een verblijf van jaren in de hoofdstad van Europa, terug te keren naar hun thuisland in het Balticum. Het luxeleven dat ze hier leidden, gaven ze op voor een hard maar eerlijk leven in Tallinn. Vahur Afanasjev stelde zijn Brusselse jaren te boek in “Mii Brussel” – een soort hybride reisgids annex roman die zich afspeelt in het donkere hart van de Marollen. Het boek is in Estland nu al een bestseller.
Mare zal een fragment voorlezen uit haar onlangs verschenen roman „Peaaegu inimene“ („Bijna mens“). Vahur op zijn beurt, wil een geimproviseerde soundtrack ten gehore te brengen van gedichten over Brussel, als klankbeeld bij een korte film over een desastreus verlopen liefdesavontuur tijdens een van zijn laatste dienstjaren bij het European Economic and Social Committee in Brussels.
Brusselaar, dichter en essayist Geert van Istendael, zal aan deze avond zijn medewerking verlenen d.m.v. een voordracht waarin hij met liefde en gloed de “wonden en fragmenten” van zijn getourmenteerde geboortestad bezingt.
De Nederlandse schrijver Serge van Duijnhoven, die sinds 1999 in Brussel woonachtig is, zal de avond modereren. Estse versnaperingen en hartversterkingen zullen ruimhartig voorhanden zijn.
Toegang gratis.
*
“OUR BRUSSELS”
The Belgian Life Experience of Estonian Writers
Mare Sabolotny and Vahur Afanasjev
literary testimonies by two gifted “Vodka Drinking Cowboys”
.
Friday Nov 25th, 20h – Passaporta, 46 Rue Dansaert B1000 Brussels
Literary evening about life in Brussels, witnessed from an Estonian perspective
With the friendly participation of writers Geert van Istendael (B) and Serge van Duijnhoven (NL)
Free admittance
Mare Sabolotny (21) and Vahur Afanasjev (32) are two gifted, unclassical writers from Estonia, who lived for quite some time in Brussels. Last year, however, they decided to move back to Tallinn, deliberately giving up the high quality life they lived in the capital of Europe. In his last book, My Brussels – a bestseller in Estonia – Vahur writes witfully and bluntly about his life experiences and endeavours during his years as a EU-administrator in Belgium. A literary chronicle about a love that came to an end, but also was refound in a completely different way.
Mare will read a fragment from her new and second novel Peaaegu inimene (Almost a human), while Vahur promised to sing some of his revealing poetry by means of soundscape to a defiant and lyrical short film he made while working as assistant for the European Economic and Social Committee in Brussels.
One of the great chroniqueurs of Brussels, Flemish writer Geert van Istendael (Poor Brussels, The Belgian Labyrinth), will read some apt fragments about his ever-bleeding, split and splendid homecity “with its raffled ends and open wounds”. A song of love and wonders, joy and lamentation.
Dutch-born writer Serge van Duijnhoven – living in Brussels since 1999 – will moderate the evening. Estonian drinks and fruits will be provided.
The entrance is free.
*
“Bruxelles, on ne t’aime plus”
témoinages littéraires des jeunes Estoniens
Mare Sabolotny and Vahur Afanasjev
“Vodka Drinking Cowboys”
.
Vendredi le 25 novembre, 20h – Passaporta, 46 Rue Dansaert B1000 Bruxelles
Soirée littéraire sur la ville de Bruxelles, vue par les yeux d’un jeune couple d’auteurs estoniens
Avec la participation amicale de Geert van Istendael (B) et Serge van Duijnhoven (NL)
Entrée libre
Mare Sabolotny (21) et Vahur Afanasjev (32) décidaient, après avoir passé des années dans la capitale de l’Europe, à retourner dans leur patrie dans la Baltique. La vie luxueuse qu’ils mènaient ici, est remplacé par une vie dûr mais honnête à Tallinn. Vahur Afanasjev a décrit ses années de malin à Bruxelles dans son nouveau livre “Mii Bruxelles” – une sorte d’hybride roman-cum-guide-de-voyage, qui se situe dans le cœur sombre des Marolles. Le livre est déjà un best-seller en Estonie.
Mare récitera un extrait de son deuxième roman «Peaaegu inim” (“Presque humain”). Vahur prévoit de chanter ses poemes de « Vodka drinking cowboy » dont il a déjà établit une certaine reputation internationale. Ses chansons improvisées sur Bruxelles et Tallinn, serviront comme une sorte de bande sonore pour le court métrage réalisé par lui-même, sur ses aventures de désastre, pendant sa dernière année de service au sein du Comité économique et social européen à Bruxelles.
Le grand chroniqueur-essayiste du royaume de la Belgique et la ville de Bruxelles, Geert van Istendael (auteur du Labyrinthe belge et Arm Brussel), va coopérer ce soir par reciter quelques de ses textes en hommage de sa ville natale, «pauvre, splendide, saignante et tourmentée ».
L’écrivain néerlandais Serge van Duijnhoven, qui réside à Bruxelles depuis 1999, animera la soirée. Des rafraîchissements d’Estonie seront généreusement disponibles.
La Rue des Chandeliers numero 23 (the ochre house), typical for les Marolles near Sablon. No cars in front of the door! Parking around the corner in the Rue des Samaritaines.
Marvellously situated at footlength of Sablon, lies this completely renovated and fully equipped 19th century city dwelling (built 1848) with four floors. Refuge of 200 square meters, for those who appreciate calmth and character in the picturesque heart of Brussels. Twelve minutes walk from EU-parlement. Private library on the groundfloor (seperate) serves as working place for writer and designer. The upper three pleasantly furnished floors are for rent, and include parquet, fireplace, fully equipped kitchen, piano, stereo, sunny balcony, suite-like bedroom plus bathroom, wifi, tv, stereo, two toilets, guestroom with two extra beds and louvre closets. Rustique interior decorations of Emery and Company mark all rooms and hallways. Easy and free parking around the corner.Trees and plants surround the patio-like balcony on the backside of the house. Ideal for those who appreciate living la bonne vie in the heart of the city, in a rustique environment with all desired modern day comfort.
Living room, piano, kitchen, view on balcony with greenery
Rent: 1750 € per month (incl. internet + digital tv)
Rental period: three months or more.
Deposit: three months.
Monthly charges (gaz, water, electricity): 250 €
Fireplace in living room, parquet
CONTACT:
Serge van Duijnhoven
mob: 00 32 (0)477 767 300
sergevanduijnhoven@skynet.be
Sunny balcony with greenery of patrio-like backyard
Origine de la rue
La pittoresque rue des Chandeliers semble monter à l’assaut de quelque Butte Montmartre. Mais au bout de cent mètres, un escalier la hisse en un dernier effort au niveau de la rue des Minimes.
Il s’agit d’une des plus anciennes ruelles des abords de la rue Haute. Elle est déjà mentionnée en 1349 dans un document des Archives de Ste Gudule, sous le nom flamand de Candelaersstraat. Certains livres censaux la nomment aussi Kandelaarsberg (ou berch). On a pu croire qu’elle était habitée jadis par des fabricants de chandelles et que c’est par erreur qu’on lui a donné le nom de “Chandeliers” au lieu de “Faiseurs de chandelles”. Mais nous n’avons trouvé aucun document justifiant cette hypothèse.
Dichter aan huis is een poëziefestival waarbij de persoonlijke ontmoeting tussen publiek en dichters centraal staat. Niet het theater maar vijftig woonkamers fungeren als festivalpodia. Op 24 en 25 september dragen 50 gerenommeerde dichters voor in 50 Haagse woonkamers
DICHTER AAN HUIS
za 24 en zo 25 september 2011
fotograaf: Rens van Mierlo
Serge van Duijnhoven zal op zaterdag 24 september tussen 13u en 17u vijf keer voorlezen bij:
Maarten de Kroon en Edmee Tuyl
Elandstraat 40 (vlakbij Plein 1813)
2513 GT Den Haag
met speciale gast-begeleiding van accordeonist Bosz de Kler
Bosz en Serge - twee vrije jongens van woord, daad en... muziek!
Serge van Duijnhoven (1970), schrijver, dichter, filmcriticus en historicus. Oprichter van tijdboek MillenniuM, Cinema Redux en frontman van de band Dichters Dansen Niet. Debuteerde in 1993 met de bundel Het paleis van de slaap. Recente publicaties: Klipdrift (poëzie) en De zomer die nog komen moest (proza). In 2011 verscheen Bitterzoet, een lyrische hommage aan Serge Gainsbourg. Met muzikanten, schrijvers, conferenciers en zangers toert hij door Nederland en Vlaanderen met de voorstelling Gitanes & Jazz.