De dood in glazuur – schrijvers treinen door Europa

De dood in glazuur

Tijdens de Literatuurexpress 2000 deelden Europese schrijvers het geloof dat Kunst en Cultuur even essentieel zijn voor de Europese eenwording als Politiek en Economie.

gepubliceerd in: De Groene Amsterdammer van 12-8-2000

Literature Express


Het idee was nobel en genereus, maar volgens sommigen ook een tikje dwaas en megalomaan; de Literatuurexpress Europa 2000: laat een honderdtal schrijvers uit 43 Europese landen per luxe trein het continent over reizen, lezingen geven en debatten bijwonen, en kijk wat het oplevert aan interculturele verbroedering. Het idee kwam uit de koker van de in de ddr geboren literatuurwetenschapper Thomas Wohlfahrt, die als jongen droomde van een Europa waarin alle volkeren elkaar onbelemmerd de hand konden reiken. De afgelopen vijf jaar offerde hij volledig op aan zijn droom. Hij stelde een organiserend team samen, regelde subsidies en zette de Literatuurexpress op de rails volgens het traject van de luxe Noord-Zuid Express (van Sint-Petersburg tot Lissabon) die de Brusselse bankier Georges Nagelmackers in de vorige eeuw decennialang vergeefs tot stand probeerde te brengen.
De schrijvers op de trein beleefden «de idee Europa» gedurende zes weken als een even boeiende als kakofonische symfonie, getiteld
Eurobabylon. Ik herinner me nog hoe de Duitse organisatrice Jessica Falzoi bij aanvang meldde dat van alle verhalen en gedichten van de deelnemers vertalingen in elf talen waren gemaakt. «Elfhonderd vertalingen in totaal!» riep ze triomfantelijk. Over de kwaliteit van de vertalingen kon ze weinig zeggen. De Belgische schrijver Kamiel van Hole sprak wat sceptisch dat een literaire tekst vertalen wat hem betreft hetzelfde was als «een vrouw strelen met handschoenen aan». Falzoi reageerde daarop gepikeerd: «Het niet vertalen van een tekst is als een vrouw in de kou laten staan.»

Dat het Verenigde Europa van de Volkeren en Culturen niet voor morgen is, blijkt meteen al bij aanvang van de reis, als ik me in Lissabon naar een Slavisch instituut begeef waar een gesprek plaatsvindt over Europa en Oorlog. Aan het debat nemen Stevan Tontic deel (een Bosnische Serviër die sinds de belegering van Sarajevo in exil leeft in Berlijn), de Wit-Russische dichteres Wolga Ipatava, een Angolese schrijfster en Nenad Velickovic (eveneens uit Sarajevo). Ipatava draagt uit het hoofd een gedicht voor over het weeshuis waar ze haar jeugd heeft doorgebracht, nadat haar ouders in de Tweede Wereldoorlog waren omgekomen. Een op de drie Wit-Russen stierf gedurende de oorlog, vertelt Ipatava. Tontic leest een gedicht voor over de stad die hij in 1993 ontvluchtte.
«De grens midden door het hart» heet het. Zijn geboortestad heet in zijn gedicht «het oord van de onvermijdelijke ondergang».
Een schrijver uit Barcelona staat op uit het publiek en houdt een spontane toespraak waarin hij stelt dat deze trip belangrijk is om elkaar beter te leren kennen, zodat gruwelijke rampen en oorlogen in de toekomst kunnen worden voorkomen. Wegens het uitblijven van enige Engelse, Franse of Duitse vertaling lukt het me niet om verder nog iets van het debat mee te pikken. Ik vertrek lichtjes verontwaardigd en teleurgesteld. De ervaring leert me dat er gedurende deze reis toch echt behoefte is aan een lingua franca, omdat anders de communicatie stokt en de culturele verbroedering waarover zulke plechtige toespraken gehouden worden, niet meer dan een holle frase blijft. De middeleeuwers die zich van het Latijn bedienden waren allicht zo gek nog niet. In de dagelijkse omgang en bij het schrijven kon je je altijd nog verlaten op je moedertaal — ook Erasmus sprak zijn laatste woorden in het Nederlands.
«Dat is makkelijk gezegd voor een Hollander», zegt de Franse dichter Jacques Jouet tijdens een debat in Madrid dat over deze zaken handelt. «Het zijn de kleine talen die er alles bij te winnen hebben dat het Engels of het Duits zal zegevieren. Ik ben tegen het monisme, en voor het Europa van de diversiteit.»
Eenheid in diversiteit. Het is een van de slogans die de EU in haar vaandel heeft geschreven. Tot zover komen politiek en cultuur voor menig auteur op de trein dus nog overeen.

http://www.cobra.be/permalink/1.678082

De Literatuurexpress – tv-report uitgezonden op het Belgische journaal

23.06.2000 –  Schrijver Kamiel Vanhove is een van de 100 Europese schrijvers die met de trein door Europa reizen, op zoek naar wat hen verbindt. Hij stelt ons zijn collega’s voor, waaronder Serge Van Duijnhoven uit Nederland, Dubravka Ugresic, uit het voormalige Joegoslavië en Nicola Lecca, uit Italië. Een ietwat aangeschoten Estse collega  , Karl-Martin Sinijärv,  zorgt voor de muzikale intermezzo’s.

13 juni 2008 17:04 tags:  literatuur literatuurtrein dubravka ugresic kamiel vanhole serge van duijnhoven nicola lecca euro 2000 voetbal karl-martin sinijärv

Aan het einde van de eerste week stapt de karavaan in een druilerig Madrid op de nachttrein naar San Sebastian, vanwaar we overstappen op de tgv naar Bordeaux. De nachttrein bevat slaapcompartimenten voor twee personen, en de organisatie van de Literatuurexpress nodigt de schrijvers onomwonden uit «een partner voor de nacht te zoeken». Voor veel schrijvers blijkt deze nachtelijke rit niet zozeer een erotisch buitenkansje, als wel een reis door de hel. Geschommel, herrie, gebonk, gesnurk, stank en veel te krappe bedden. De plas moet worden gedaan in een po. Uitgeput en vervuild arriveren de auteurs in de stad van de drie M’s: Montesquieu, Montaigne en Mauriac.
«Het Europa waarin wij leven, kan en mag niet slechts een Europa van de zaken zijn», oreert de loco-burgemeester van Bordeaux, met typisch Frans gevoel voor grootspraak. «Het is aan u schrijvers om aan de economische Europese Unie ook een Culturele Unie toe te voegen. U, schrijvers, bent de ideale tussenpersonen hiervoor, intermediairs tussen droom en werkelijkheid. Laat ik de woorden van Montaigne citeren, die schreef: je peins le passage. U, beste gasten, bent de voorbijgangers, zonder welke de Europese trein nimmer op zijn bestemming aan kan komen. Net als Goethe draagt u het Europa in uzelf.»
Initiatiefnemer Wohlfahrt voegt daar wat onbeholpen aan toe, in zijn sappige Germano-Engels:
«No nation can make Europe in itself. Europe needs all nations.» Terwijl ik naar die ferme Duitse gestalte kijk zoemen de beelden van talrijke oorlogsfims door mijn hoofd. Een ondeugende gedachte (in de zin van niet-deugend) want Wohlfahrt staat hier niet boven de Fransen uit te torenen als SS-officier. Hij staat hier als een Europese Duitser anno 2000, die zijn gastvrouw ondanks zijn zware accent consequent in het Engels het hof maakt.
Historische animositeit wordt opgerakeld tijdens het gastronomische buffet, waar de Italiaanse auteur Niccola Lecca zich tegoed doet aan de blauwgrijze Atlantische garnalen. «Yakkie», zegt de blonde Duitse rechterhand van Wohlfahrt, «eten jullie Italianen die garnalen zo, met kop en ogen?» Waarop Lecca haar toebijt: «Ik weet dat jullie Duitsers liever eerst de kop eraf hakken. Of prefereer je de garnalen liever teder vergast?»
De Estse dichter Karl Martin Sinijärv, een kalende dikkerd met een rosse baard, haakt in met een politiek-incorrecte grap: «Als Hitler nog geleefd had, zou hij geen boeken hebben verbrand. Hij zou ze hebben gerecycled. Dat is wat hij op het eind van de oorlog al deed met de joden.»

Voor de meeste auteurs is de treinreis tot nu toe soepeltjes verlopen, maar Kaliningrad levert een echte cultuurschok op. De Bulgaarse schrijfster Virginiya Zaharieva kan er maar niet over uit — die ultiem lelijke, armoedige sovjetstad die gebouwd is op de ruïnes van het ooit zo prachtig schone Oost-Pruisische Koningsbergen, de stad waar Emmanuel Kant is begraven, alsmede honderdduizend andere zielen wier lichamen in de napalmexperimenten van de geallieerden en het crossfire van het Rode Leger zijn verzengd.
De schrijvers worden uitgenodigd om, direct na aankomst, bloemen te leggen bij de monumenten ter ere van Poesjkin, Schiller, Kant en «de duizend en een patriotten van de Grote Patriottische Oorlog». Overal worden de auteurs begeleid door orkestjes die grafmuziek blazen. Ik heb geen stad gezien waar je zoveel aan de dood en het verleden wordt herinnerd. Een kapotgeschoten brug uit de Tweede Wereldoorlog ligt nog altijd in het water.
De gulzigheid waarmee de bewoners van Kaliningrad zich aan de literaire reizigers vastklampen, is even angstaanjagend als hartverwarmend. Een ervaring die ik slechts een keer eerder heb meegemaakt: in Gorazde, waar ik in 1995 een Unprofor-konvooi vergezelde dat voedsel afleverde in de enclave die de voorbije maanden van de buitenwereld was afgesloten.
Guennadij Polischshuk, een Russische acteur, brengt in Svetlogorsk (het vroegere Rauschen, aan de Baltische Zee) lachend een toast uit:
«For you and me the best, and all the others go to hell.» En de hel, daar weet men van, daar in Kaliningrad. Polischshuk houdt een toespraakje over de Russische ziel, die volgens hem «gul, grootmoedig, ondoorgrondelijk» is, en vooral «heel zwaar om te dragen». «We hebben geen cent», zegt hij, «maar we zijn het rijkste volk ter aarde.»

In Minsk, Wit-Rusland, worden de schrijvers van de trein onthaald op eenzelfde folkloristisch heldenwelkom als in de Russische enclave aan de Baltische Zee. Net als in de goeie ouwe tijd van het Fellow Travelling, toen westerse toeristen in de Sovjet-Unie nog als koningen van vreemde stammen werden ontvangen. Onder militair escorte wordt het gezelschap, via regenachtige en verlaten straten, naar het gemeentehuis gereden, waar de autoriteiten woorden te kort komen om hun gasten te prijzen. «Dank u voor het scheppen van harmonie in deze verdeelde wereld», spreekt de minister van Cultuur. De burgemeester van Minsk begint zijn praatje nogal cynisch met de opmerking dat elke grote stad haar markeringspunten heeft. Parijs heeft de Eiffeltoren, Rome het Colosseum, Londen de Tower Bridge. «Minsk heeft niets meer», besluit de minister. «Al onze markeringspunten zijn verwoest tijdens de Grote Patriottische Oorlog. Toch heet ik u van harte welkom, in deze dappere, historische hoofdstad van het Blauwogige Wit-Rusland.»
Na afloop van de ontvangst maakt de bus met schrijvers een tour door de stad. Alle monumenten worden getoond, meestal voor partizanen, communisten of dichters. Pokdalige standbeelden zijn het, van vier keer de menselijke proportie. De rondleidster somt het aantal keren op dat Minsk in zijn 930-jarige bestaan met de grond gelijk werd gemaakt. «In 1505 door de Krimtartaren. In 1654 tijdens de Pools-Russische oorlog. In 1708 tijdens de Zweeds-Russische oorlog. In 1812 door Napoleon en in 1941 door de Duitsers.»
Er volgt een korte stilte als we langs het okergele kgb-hoofdkwartier rijden. De dame van de rondleiding kijkt de andere kant op. Walter Aliferavis, een Wit-Russische schrijver die naar eigen zeggen «korte sciencefictionverhalen met antitotalitaire propaganda» schrijft, omschrijft het bolwerk als het «gebouw met de duizend kamers». Het gebouw kent geen straatnummer, geen bordjes, geen opschriften. «Het is gebouwd om angst aan te jagen. De architecten van Stalin waren vaklieden. Hun meesterschap leverde ze vaak niet veel meer op dan de dood, want de architecten waren doorgaans de eersten die achter de metersdikke muren werden geslachtofferd.»
Aliferavis vraagt of het waar is dat de schrijvers op de trein een petitie hebben opgesteld over de oorlog in Tsjetsjenië, in de vorm van een open brief aan de Russische president Vladimir Poetin. Als dat zo is, wil hij die graag naar Vilnius in Litouwen smokkelen en publiceren in de onafhankelijke krant Slobodnie Novosti.
De open brief aan Poetin leidde tot fikse ruzie tussen de Russische en de Oekraïense schrijvers op de trein. De Russen, die niet over de brief werden geconsulteerd, voelden zich gepasseerd en begonnen op eigen houtje een tegenoffensief door boeken rond te delen waarin gruwelijke snuff-foto’s te zien waren van Russische mannen die door Tsjetsjenen werden onthoofd met slagersmessen.
Over de verdwijningen van Wit-Russische collega’s in het kgb-gebouw van Minsk maken de meeste schrijvers van de Literatuurexpress, ook de Oekraïeners, zich niet echt sappel.
De beklemmende atmosfeer in Minsk blijkt weinig bevorderlijk voor de dichterlijke creativiteit. De ene helft van het schrijverskorps blijkt na een dag aan ernstige buikkrampen te lijden, de andere aan verschijnselen van paranoia of acute writer’s block. De meesten krijgen geen pen meer op papier en schreeuwen in de lobby tegen de organisatie dat ze «weg weg weg!» willen. Bashkim Shehu uit Albanië vertelt dat Minsk hem doet denken aan het Tirana van de stalinist Hoxha in de jaren zeventig. Karl Martin Sinijärv vertelt in nachtclub Nightflight van zijn kafkaeske droom waarin hij de badruimte op zijn hotelkamer bezocht en de openingen op het toilet een voor een zag verdwijnen. Eerst versmolt de toiletbril met de toiletpot, toen verdween de toiletpot in de vloer, en vervolgens was er geen enkele deur meer in de ruimte. Alleen de donkere, gladde tegels resteerden die de binnenkant van elk publiek gebouw in Minsk tot een naargeestige ruimte maken. De volgende dag heeft Sinijärv met dikke viltstift «Minsk gives you the creeps» op een wit T-shirt geschreven.
Een van de mausoleumachtige ruimten, waarin Sinijärv zijn toilet zag veranderen, is het Schrijvershuis in Minsk, ulica Frunze nr. 5. De scribenten van de Literatuurexpress zijn er de avond voor hun vertrek uitgenodigd om een tirade bij te wonen van de minister van Cultuur tegen de oprukkende massacultuur, door hem de «aids van de hedendaagse cultuur» genoemd. «Het probleem is dat je haar niet bij de grens tegen kunt houden», aldus de minister van een staat die zijn eigen grenzen naar maximale kunnen dicht heeft getimmerd en de eigen bevolking gevangen houdt.
In de hal vindt een boekenbeursje plaats van een schamel aantal boeken dat de afgelopen decennia uit het buitenland is vertaald, en op de binnenplaats is er een kleine schermutseling als theatergroep NihilNihilNihil intervenieert met
At the End of Dark Times; Theatre of Psychical Inbalance. Twee jongens houden de glazen deur dicht die naar de binnenplaats voert, om te voorkomen dat de plaats ontruimd wordt door de bewakers. Twee hebben zich laten vastsnoeren op een stoel en dragen kkk-achtige puntmutsen. Hun lichaam is omwikkeld met elektriciteitsdraad en in hun mond zit een grote witte prop. De muziek bij het tafereel is van muzikanten die zich Het Huis Waar Niemand Leeft noemen.
De autoriteiten, de militie en de Wit-Russische uitgevers doen of ze de theatermakers op de binnenplaats niet zien. Een portier gaat voor het raam staan, zodat er niet gefilmd kan worden. Vanaf het restaurant op de eerste verdieping probeer ik het merkwaardige tafereel alsnog te volgen. Het meisje dat heupwiegend bedient, vraagt waar ik vandaan kom. En of ik wat wil drinken en eten. Na een uur vraagt ze, in gebrekkig Duits, of ik met haar wil trouwen. «Meinherr, ja ich will hier weg, verstehen Sie? Belarus nicht gut.»
Voor ik mijn koffer pak, lees ik nogmaals die eerste zin uit de folder
Welcome to Minsk; Advertising Gide & Sity Map: «We are certain that those who came here will remember the capital of the Republic of Belarus for a long time.» Per militair escorte worden we teruggevoerd naar het station. Bij de grens met Polen barst er gejoel los in de trein. Het voelt alsof we zojuist aan de Cocytus zijn ontstegen.

Na zevenduizend lange kilometers en achttien steden komt de Literatuurexpress tot stilstand in Berlijn, de stad die tot voor kort het symbool was van de tweespalt in Europa. Op de slotdag, als het circus van de lezingen, debatten, recepties en slemppartijen definitief wordt opgedoekt, worden er hete tranen geplengd door de fysiek en geestelijk uitgeputte schrijvers. In de lobby van Hotel Unter den Linden vliegt men elkaar een laatste maal om de hals of, zoals de Oekraïeners en de Russen, in de haren. Sommige schrijvers zitten verdwaasd en ontregeld maar een beetje naar de regen te staren. De reispsychologe die met de Literatuurexpress meereisde, had er al voor gewaarschuwd. Na enige weken kan er bij sommige schrijvers een vorm van regressie optreden: wat te doen na deze Grand Tour?
De 106 auteurs van de trein keren emotioneel leeg maar voldaan huiswaarts, naar hun vrouw, kinderen en vrienden die een tijdlang ten bate van de literatuur in de kou zijn gezet. De vertalingen van hun werk mogen ze meenemen. Misschien komen ze nog van pas voor het vervolgproject dat uit de Literatuurexpress zal voortvloeien: de oprichting van een Internationaal Literair Netwerk. Het voorstel hiertoe werd op de Bebelplatz aangeboden aan enkele Europarlementariërs, samen met een petitie waarin de schrijvers van de trein expliciet stelden dat de auteurs «het geloof delen dat Kunst en Cultuur even essentieel zijn voor de Europese eenwording als Politiek en Economie», dat het Europese Parlement en de Europese Commissie de dialoog tussen schrijvers uit Oost- en West-Europa zouden moeten stimuleren, dat de bescherming van de kleinere talen gezien moet worden als een plicht en gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, dat de wetgeving over auteursrechten zou moeten worden geharmoniseerd en (ten slotte) dat «in deze instabiele overgangsperiode waarin de toekomst van de literatuur op het spel staat, er een nieuwe geo-poëtica zou moeten worden gecreëerd, een die parallel loopt aan de nieuwe geo-politiek, zodat we een Europa kunnen scheppen dat aan ons allen toebehoort».
Over alle punten was tijdens discussies op en om de trein gesoebat. Zelfs na afloop van de slotceremonie is er sprake van tumult omdat sommige schrijvers niet zijn gekend in de uiteindelijke tekst die «namens alle schrijvers» wordt voorgelezen.
«Dat de culturele eenheid van Europa niet voor morgen is, is misschien maar goed ook», concludeert de Duitse schrijfster Felicitas Hoppe, die zich van de slotverklaring distantieert. «Eenheid is stilstand en verstarring – de dood in glazuur. Het uitzicht vanaf de toren van Babel is uiteindelijk toch veel mooier dan het uitzicht vanaf de begane grond.»

Europaexpress Ein literarisches Reisebuch Eichborn Verlag, Frankfurt am Main 2001 ISBN-10 3821807083

Klappentext

Sechs Wochen reisten 103 Schriftsteller aus 43 Ländern mit der Eisenbahn quer durch Europa, vom äußersten Westen in den Osten und in die Mitte zurück. Das Resultat ist ein literarisches Puzzle Europas, hundert eigene Blickwinkel auf den Kontinent: Erzählungen, Impressionen, Fragestellungen und Beobachtungen.

http://www.cobra.be/permalink/1.678082

Rezensionsnotiz zu Die Zeit, 04.10.2001

Tobias Gohlis kann diesem Reisetagebuch von 103 Autoren, die mit dem Zug quer durch Europa gereist sind, nicht viel abgewinnen. Zu deutlich sei in den einzelnen Texten die “Last der Gruppe” zu spüren, zu wenig werde von den Autoren auf ihrer Reise wirklich gesehen. Das wenige, das gesehen wird, ist Gohlis sprachlich nicht genau genug erfasst, besonders der Sinn für das “Fremde” scheint ihm unterentwickelt. Und so erscheinen ihm die Beiträge nur all zu oft als “Wiederkäuen und angestrengtes Vermeiden” von Reiseliteraturklischees. Dennoch, so Gohlis nachdrücklich, sind diese Reiseeindrücke lesenswert, denn sie vermittelt seiner Ansicht nach den “Bewusstseinszustand” von Europäern.

Kurzbeschreibung
Sechs Wochen waren sie unterwegs. Auf den Routen der Eisenbahnverbindungen, die seit über hundert Jahren mit glanzvollen Luxuszügen oder modernen Garnituren betrieben werden, fuhren sie vom äußersten Westen in den Osten und in die Mitte zurück. Idee und Reiseroute hatte die literaturWERKstatt berlin in monatelanger Arbeit ausgeklügelt. Das Ergebnis: eine Vielfalt von Kulturen, ein Sprachgewirr, ein Stimmengemisch sondergleichen, ein “Versuchslabor gesamteuropäischer Verständigung”, so die Presse, angesetzt von denen, die mit der Sprache am besten umgehen können. Wo immer die Schriftstellerinnen und Schriftsteller hielten, schwärmten sie in die Städte aus, zu Lesungen, Debatten und Festen. Mit einem großen Abschlußwochenende kulminierte die Fahrt in Berlin. Aber damit war das größte europäische Literaturereignis der letzten Jahre noch nicht vorbei. Denn nun ging es an den Schreibtisch zurück. Das Resultat erscheint – nach gigantischen Leistungen zahlreicher Übersetzerinnen – in mehreren europäischen Ländern als Buch. Das deutschsprachige pünktlich zum “Europäischen Jahr der Sprachen” und rechtzeitig zur Frankfurter Buchmesse. Hundert ganz eigene Blickwinkel auf unseren Kontinent, hundert Erzählungen, Impressionen, Fragestellungen und Beobachtungen bilden ein einzigartiges literarisches Puzzle Europas, das es noch nie gegeben hat. Beteiligte Länder unter anderem: Albanien, Armenien, Aserbaidschan, Bosnien-Herzegowina, Bulgarien, Dänemark, Finnland, Georgien, Griechenland, Großbritannien, Irland, Island, Italien, Jugoslawien, Kroatien, Liechtenstein, Luxemburg, Malta, Mazedonien, Moldawien, Niederlande, Österreich, Rumänien, Schweden, Schweiz, Slowakei, Slowenien, Tschechische Republik, Türkei, Ukraine, Ungarn, Zypern

http://www.togohlis.de/03europaexpress.htm#A

Tobias Gohlis über Europaexpress. Ein literarisches Reisebuch.

(fuer Die Zeit)

____

Thomas Wohlfahrt, Christiane Lange: Europaexpress.
Ein literarisches Reisebuch.
Eichborn-Berlin, Frankfurt/Main 2001,
800 S.

Einhundertdreimal Ich

Sechs Wochen reisten Schriftsteller aus allen Ländern durch Europa, von Lissabon über Moskau nach Berlin. Ihre gesammelten Reiseberichte wiegen mehr als das Kursbuch der Deutschen Bahn


Sähe Europa anders aus, weniger zerrissen, weniger bürokratisch zusammengezwungen und verwaltungstechnisch verwirrt, kulturell und nicht nur durch den Euro geeint, wenn der Belgier Georges Nagelmackers seine Pläne hätte realisieren können? Sieben Hauptstädte sollte sein in den siebziger Jahren des 19. Jahrhunderts geplanter „Nord-Süd-Express“ verbinden. In luxuriösen Schlafwagen mit Radkonstruktionen, die an die unterschiedlichen Spurweiten Europas angepasst werden konnten, sollten Frau Gräfin, Herr Bürger und Genosse Anarchist die fast 5000 Kilometer von St. Petersburg bis Lissabon zurücklegen, ohne von einer einzigen Zollstation aufgehalten zu werden. Nagelmackers Transportutopie eines im Schlafe vereinten Europa scheiterte an nationalistischen Egoismen. Übrig blieb ein Reiseveranstalter: Die Compagnie Internationale des Wagons-Lits.

Nagelmackers Erben
Und ein Streckenplan. Nagelmackers Erbe traten 103 Schriftsteller aus 43 Ländern an, die im Sommer 2000 von Lissabon zu einer sechswöchigen Pauschalreise durch 19 europäische Städte aufbrachen. Auf einer lassoförmigen Route streiften sie u.a. Frankreich, Belgien, die Expo, etliche baltische Städte, Kaliningrad, Minsk, Moskau, Brest, Warschau, Endstation war Berlin. Ihr Literaturexpress sollte nach der binären Zwecksetzung transportation and translation durch Bewegung Verständigung in Europa nähren. Noch am Start der Karawane waren höhnische wie gigantische Vergleiche schnell zur Hand. Einige Beobachter wähnten im Literaturexpress ein Narrenschiff nach dem Vorbild Sebastian Brants unterwegs, Thomas Wohlfahrt von der veranstaltenden Literaturwerkstatt Berlin hoffte, eine große Soziale Plastik nach Beuys werde wahr.
Das täglich geführte Internettagebuch der Reise verzeichnet wenig große Worte. Von guten Betten, Kopfschmerzen und portugiesischem Wein berichtet der Belgier Nicolas Ancion, auch dass Lissabon im Juni nach Vanille und Fisch riecht. Ob José Saramago beim nobelväterlichen Abschiedsgruß an die startenden Argonauten auch an seinen Roman Das steinerne Floß erinnerte, in dem sich die iberische Halbinsel schwimmend vom Rest Europas absondert, ist nicht überliefert.

Leider kein Narrenschiff
Blättert man nun im literarischen Reisebuch
Europaexpress, wünscht man sich, die Expedition wäre mehr Narrenschiff und weniger soziale Plastik geworden. Mit Entgegennahme des Handgeldes hatte sich jeder der Autoren nicht nur darauf verpflichtet, so und so viele Hände von Kulturträgern, Ministern und Europäern zu schütteln, bei Trainstops eigene Texte und Gedanken zum Vortrag zu bringen et cetera, sondern auch einige Seiten Resümee zu liefern. Auf dem nun zunächst auf Deutsch (andere Sprachen folgen) vorliegenden, aus kleinen und großen Idiomen übersetzten Werk, das an Format, Umfang und Gewicht lässig das Kursbuch der ihre Strecken eindampfenden Deutschen Bahn AG übertrumpft, liegt erkennbar die Last der Gruppe. Wer in Gemeinschaft unterwegs ist, erlebt hauptsächlich Gemeinschaft. Das hat manch schöne Kollegenbeobachtung, die eine oder andere Liebelei und viel Rotation um die eigene Achse erbracht: Der Literaturexpress als rollende Selbstreferenzialität. Da war ein Handtaschendiebstahl schon ein Einbruch.
Viele Beiträge, ein halbes Jahr nach dem Ereignis entstanden, schreiben sich mühsam vom Reiserausch los, sind noch dem Rhythmus des stop and go verhaftet: „Der Zug hält. Alle steigen aus.“ Neunzehn Mal, alle drei Tage. Erstaunlich, wie wenig das unbekannte Fremde erfasst werden kann. Den Schriftstellern fehlen die Worte. Stattdessen: Gestammel und Phrasen. „Sowjetische Städte waren geschlossene Städte, was der Idee der Stadt von vornherein widerspricht.“ „Russland war das erste wirklich andersartige Land auf unserer Reise durch Europa.“ Viele Autoren aus den armen Ländern Osteuropas schreiben tapfer gegen akuten Bewusstseinsverlust an. Valentina Soloveva aus Kaliningrad: „Also, folgendes Ereignis steht bevor: Zum ersten Mal in meinem Leben überschreite ich die Staatsgrenze..“ Der Ukrainer Yuri Andrukhovych ertappt Dichter als Touristen: „Die westlichen Kollegen .. fotografierten massenhaft Bettler, Babuschkas mit Kopftüchern, schmutzige Kinder, herrenlose Katzen und Hunde sowie Milizionäre… Auch die Ostler bekamen, was sie wollten: Sie verließen ihre Hotels überhaupt nicht und ertränkten den chronischen Weltschmerz mit Wodkadämpfen.“ Annie Saumont, Goncourtpreisträgerin von 1981, notiert: „Wörter, um es zu sagen. Daran hat es uns gefehlt. An den Wörtern einer gemeinsamen Sprache. Angesichts der bestürzendsten, bewegendsten, absonderlichsten Straßenszenen schwiegen wir. Nein, wir schwiegen nicht, wir sprachen Englisch.“

Zehn Schwarze östlich von Hannover
Was Europa sei. Ob es verändert wurde durch die Staatsbesuche der Dichter, war die Hauptfrage aller Berichterstatter auf den Empfängen. Und ob man es glaubt oder nicht, das Buch beantwortet sie. In das Wiederkäuen und angestrengte Vermeiden der Baedeker-Klischees mischt sich hin und wieder ein kleines Staunen. Die Drucktürknöpfe im Lissaboner Hotel, eine junge einbeinige Schönheit im Minirock, die weißen Nächte von Petersburg, etwas Gelb am Morgen, Seifenstücke. In den sieben Ländern östlich von Hannover sah die farbige Autorin Bernardine Evaristo nur zehn schwarze Menschen. Mehrere Autoren behelfen sich mit Listen: sie notierten die Nummern ihrer Hotelzimmer, ihre Ausstattungsmerkmale, den Service. Auch die tagebuchartig reportierenden Gedichte haben Verzeichnischarakter. Reihen von Notizen, Katarakte von Signalen. Entdeckungen: in Europa gibt es vier Schriften, unzählige alkoholische Getränke. Ein Reisebuch, das nichts erklärt, fast nichts weiß, gerade dort, wo die Anstrengung unternommen wird, das Tunnelerlebnis auf Begriffe zu bringen. Viele Aufsätze, wenig Vertrauen in Beschreibung. Europa durch die Brille seiner Autoren: viel Stehsatz, kaum Beobachtung, alte Krux des 18.Jahrhunderts. Man sieht nur, was man weiß. Selten mehr.
Und natürlich wissen sie das alles selbst. Programmatisch rechtfertigt die Schweizerin Christina Viragh das Reisen in eigener Sache als Betreten von leeren, bedeutungslosen Räumen, die erst im literarischen Verarbeitungsprozess Sinn erhalten. Da wird ihr in Kaliningrad nicht die allgegenwärtige Miliz, sondern eine Telefonzelle zur Stimmungsträgerin. Aufgetaucht – verschwunden. Europaexpress ist Skizzenbuch, Exposésammlung, Reisetagebuch. So viele kluge Zitate, so viele Versuche, hin und wieder ein seltener Ausflug in Surrealität. Kaum ein Text ist fertig – die Koffer sind noch nicht ausgepackt.
„Ich entwickle mich nicht, ich reise.“ Ein Satz Fernando Pessoas, der Jean Métellus (Paris) nicht aus dem Sinn geht. Soll man
Europaexpress lesen? Na klar doch. Wie will man sonst etwas über den Bewusstseinszustand von 103 Europäern erfahren? Leo Tuor aus der Schweiz: „Als der Literaturzug in Berlin ankam, ging die Literatur unter… Höchste Zeit, in meine Berge zurückzukehren…“ Vitalie Ciobanu (Moldawien): „Unvergesslich der Besuch im Smolny, der große Saal, wo man den Sieg der bolschewistischen Revolution verkündet hatte, und der Wodka, den man uns in einem der Nebenräume anbot.“
Was aber bleibet, stiften die Sponsoren. Noch.

Unredigiertes Manuskript, Veröffentlichung in DIE ZEIT Nr. 41/ 2001 Literaturbeilage

© Tobias Gohlis

20.01.2002

NEUE REISEBÜCHER

Für die Tasche. Vergangenen Sommer rollte ein Zug durch Europa. Ein Schriftstellerzug. 103 Autoren aus 43 Ländern fuhren sechs Wochen lang mit dem sogenannten Literaturexpress von Lissabon über Paris und Hannover nach Kaliningrad, Riga und St. Petersburg und wieder zurück nach Berlin. Nun könnte man eigentlich denken, Schriftsteller seien eher so einsamkeitssuchende Menschen und für eine organisierte Massenautorenzugfahrt durch einen ganzen Kontinent nicht so gut zu gebrauchen. Aber wer vergangenen Sommer die Ankunft der glücklichen Reiseschriftsteller auf dem Berliner Bahnhof Friedrichstraße miterlebte, der war bereit, an das gelungene Experiment des fahrenden Kulturaustauschexpresses zu glauben. Und jetzt, gut ein Jahr nach der Rückkehr, gibt es die Reise- und Kulturaustausch-Erfahrungen der Schriftsteller als Buch. In Gedichtform, als kleines Dramolett, Erzählung, Beobachtung, Novelle, leichte Glücksbeschreibung, schwere Massenschreibleiderfahrung, Liebesgeschichte, Gedenkgeschichte, Nachtgeschichte. Und alle Texte zusammen ergeben ein schönes Reisebuch. Unterwegs geschrieben. Unterwegs zu lesen. In Europa, im Zug und anderswo.

vw.

Thomas Wohlfahrt und Christiane Lange (Hrsg.): “Europaexpress. Ein literarisches Reisebuch”. Eichborn Verlag Berlin 2001. 25,90 Euro.

Alle Rechte vorbehalten. © F.A.Z. GmbH, Frankfurt am Main

Perlentaucher-Notiz zur ZEIT-Rezension

04.10.2001

Tobias Gohlis kann diesem Reisetagebuch von 103 Autoren, die mit dem Zug quer durch Europa gereist sind, nicht viel abgewinnen. Zu deutlich sei in den einzelnen Texten die “Last der Gruppe” zu spüren, zu wenig werde von den Autoren auf ihrer Reise wirklich gesehen. Das wenige, das gesehen wird, ist Gohlis sprachlich nicht genau genug erfasst, besonders der Sinn für das “Fremde” scheint ihm unterentwickelt. Und so erscheinen ihm die Beiträge nur all zu oft als “Wiederkäuen und angestrengtes Vermeiden” von Reiseliteraturklischees. Dennoch, so Gohlis nachdrücklich, sind diese Reiseeindrücke lesenswert, denn sie vermittelt seiner Ansicht nach den “Bewusstseinszustand” von Europäern.

© Perlentaucher Medien GmbH

Wohlfahrt, Thomas; Lange, Christiane

Europaexpress – Ein

literarisches Reisebuch

Hrsg. v. Thomas Wohlfahrt u. Christiane Lange
2001. 752 S. 23 cm
Verlag/Jahr: EICHBORN 2001
ISBN: 3-8218-0708-3 (3821807083)


Sechs Wochen waren sie unterwegs. Auf den Routen der Eisenbahnverbindungen, die seit über hundert Jahren mit glanzvollen Luxuszügen oder modernen Garnituren betrieben werden, fuhren sie vom äußersten Westen in den Osten und in die Mitte zurück.
Idee und Reiseroute hatte die literaturWERKstatt berlin in monatelanger Arbeit ausgeklügelt. Das Ergebnis: eine Vielfalt von Kulturen, ein Sprachgewirr, ein Stimmengemisch sondergleichen, ein “Versuchslabor gesamteuropäischer Verständigung”, so die Presse, angesetzt von denen, die mit der Sprache am besten umgehen können. Wo immer die Schriftstellerinnen und Schriftsteller hielten, schwärmten sie in die Städte aus, zu Lesungen, Debatten und Festen. Mit einem großen Abschlußwochenende kulminierte die Fahrtin Berlin.
Aber damit war das größte europäische Literaturereignis der letzten Jahre noch nicht vorbei. Denn nun ging es an den Schreibtisch zurück. Das Resultat erscheint – nach gigantischen Leistungen zahlreicher Übersetzerinnen – i n mehreren europäischen Ländern als Buch. Das deutschsprachige pünktlich zum “Europäischen Jahr der Sprachen” und rechtzeitig zur Frankfurter Buchmesse.
Hundert ganz eigene Blickwinkel auf unseren Kontinent, hundert Erzählungen, Impressionen, Fragestellungen und Beobachtungen bilden ein einzigartiges literarisches Puzzle Europas, das es noch nie gegeben hat.
Beteiligte Länder unter anderem:
Albanien, Armenien, Aserbaidschan, Bosnien-Herzegowina, Bulgarien, Dänemark, Finnland, Georgien, Griechenland, Großbritannien,Irland, Island, Italien, Jugoslawien, Kroatien, Liechtenstein, Luxemburg, Malta, Mazedonien, Moldawien, Niederlande, Österreich, Rumänien, Schweden, Schweiz, Slowakei, Slowenien, Tschechische Republik, Türkei, Ukraine, Ungarn, Zypern

241.824 Titel bei © frauenbuch.de Stand: 30.03.2010

In Dialogue
Jacques Jouet and Anita Konkka


In summer of the year 2000 Anita Konkka and Jacques Jouet took part in a unique pan-European project called the Literature Express Europe 2000. The journey started on June 4 in Lisbon with 107 authors from 45 countries on board. The train traversed the continent in a great arc, crossing the Iberian peninsula, France, Belgium, Germany, and Poland, up to the Baltic States and Russia, turning down again via Belorussia and Poland to Berlin, where it arrived on July 14. After the journey, the authors contributed a written piece to the book Europaexpress: Ein literarisches Reisebuch (2001). Below is an edited selection from their correspondence. For the complete exchange, we direct you to issue seven of the online magazine Drunken Boat with whose kind permission these letters are reprinted. (Some of the awkward phrasings by Anita Konkka have been purposefully preserved in this ‘translation.’)

Paris, 17 September 2000
Dear Anita,

For the trip, I brought along a story. It tells of men inventing brick and mortar (and architecture thereafter) and building a tower, in order to have a look at what goes on là-haut (upstairs). Divinity, disapproving of such pretension, condemns them, imposing upon them two punishments (peines): geographic dispersion and the plurality of languages. Rather monstrous of divinity, wouldn’t you say? But it failed to think of everything: men reacted by inventing travel (train travel) and translation. Plus, they discovered they could learn several languages.

Since it is absolutely desired that something be brought back from one’s travels, I seem to have returned with this tale, which I have nourished, recounting it over and over at differing stages. Soap disappears quicker; toothpaste vanishes faster from its tube.


—Jacques

Helsinki, 18 September 2000
Dear Jacques,

I remember that in those ancient days people journeyed east. They wanted to make a name for themselves, built the tower. Familiar, isn’t it? Godhead got a terrible fright when he saw the unfinished tower. He exclaimed: “Behold, the people are one, united in a single language, and now they are building this tower. Henceforth nothing that they imagine will surpass them. Go to, let us down, and there confound their language, that they may not understand each other’s speech.” Divide and conquer, thought Godhead. But his was a vain attempt.

Indeed, as you said, men are inventive. One day a man invented the train of Babel. (In Hebrew “Babel” resembles the word balal, which means “to mix”). There were 100 writers on board, and we spoke 98 different languages, as it had been written . . . We were all journeying from the edge of Europe eastward. The tour lasted sex weeks; oh sorry, I mean six. Sex is Swedish.

All languages went into disorder. I lost my tongue. And in my mind the confusion persists. On the tenth day of the journey I limped along a street in Paris. Across the street there was a shop, and in the window a sign: Une autre idée du pain naturel. My left foot was in pain (blisters on my toes). Heck, I thought, this, if anything, is natural pain—but what kinds of ideas do Parisians have about pain? Might they be somewhat more spiritual or emotional than my pain?


—Anita

Paris, 19 September 2000
Dear Anita,

Bread (Le pain) and pain (la peine) . . . As soon as a store brings out “another idea of something,” the only difference between the non-other idea and the other idea is that the other idea is sold at a higher price. The advantage of pain is that it is not for sale (or is it?). Varvas? Toes covered in blisters . . . but the voyage was not a walking tour! How did you manage to get blisters on your varvas (one of the Finnish words with which I am the most familiar)?

Last night, I dreamt I was in an elevator with a horse.


—Jacques

Helsinki, 20 September 2000
Dear Jacques,

How did I get the blisters? you ask. That’s another story. I must confess, I bought new shoes, put them on, and went to diner and to dance in the disco called the Cabaret Sauvage. That was the simple cause of my pains. My very old grandmother would have said: “It serves you right. The wage of sin is suffering.” So I limped through the streets the next day and fooled around in the passageways of the metro. I would have needed Ariadne’s thread to find the right exit. I had completely lost my bearings. Otherwise I felt at home in Paris, a blackbird sang bluely in the yard of the hotel—it sounded as if Hungarian—and I slept well without sleeping pills (for the first time during the journey). I had no bad dreams until in Dortmund. Some animal, maybe it was a bear or a bull, tried to rape me. It was very hairy. I think it must be the bear, because my name is not Europe. Nothing like that has happened to me for years. I wonder, why that only happened in Dortmund, in such an ordinary German city, where everybody was sitting by the TV watching football, the World Cup matches.


—Anita

Paris, 20 September 2000
Dear Anita,

You speak to me of Paris, but I cannot answer you by speaking of Helsinki. . . .

Speaking only one language, French, does not in theory suit me. And yet, I have never succeeded in convincingly speaking any second language. It’s a kind of infirmity. To know but one language is to know none, including one’s own. I—who so willingly calls myself a polygraphist, a polytheist, a polysemist, and a polygamist—I realize that I might well have started by becoming a polyglot. Occasionally, I pretend.

It’s rather extraordinary that there isn’t a single European language; consequently, there isn’t a European literature. Babel is paradise and I will never forgive Mallarmé for having called the world’s languages “imperfect in that they are plural.” Or, rather, long live imperfection and impurities.


—Jacques

Helsinki, 21 September 2000
Hey, hey Jacques, you are on your home ground, but don’t forget that I am only a tourist both in French and English. I do stupid mistakes. I know neither rules and manners nor the connotations. I’m wordblind. I stumble over words, I mishear, miswrite, misconceive, and misread (when you write “upstairs” I read “up stars”) . . . There is always the language barrier, you knocking on one side, and me on the other side of a wall.

The dialogue is going to be difficult, because I must get along with English, which . . . “consists entirely of foreign words pronounced wrongly,” as Kurt Tucholsky said. I am not able to talk in the abstract in English. I can only communicate through stories, dreams and poems . . . I have a particular story in mind, about an interpreter and four men, but it is not the European story, because it was told by Rumi. But let’s leave it untold, because it is not part of European literature. Instead, you could say more about “un train qui siffle dans la nuit / C’est un sujet de poésie”? Or recount something about Europe. Whose Europe?

There is not only one European literature, you said. C’est cela! But what is European literature? Your books, my books, and the books of many others. During our tour of Europe, I would drop into bookshops. I saw heaps of the bookhamburgers. Throughout the continent from the west to the east they sold the same titles and names—John Grisham, Stephen King, Colin Dexter, etc.—like in the shopping center of Munkkivuori (the suburb of Helsinki where I live). Side by the side, in a tight row, on a bookcase in the back part of the shop, is where I would find European literature, i.e. French, German, English, Spanish, and Italian books in translations. There were no copies of Estonian, Ukrainian, Slovenian, or Belorussian, to say nothing of Finnish literature. But does it matter at all? I prefer world literature. I’m not a wholehearted European.


—Anita

Paris, 25 September 2000
You are right. It is unfair that we are not using Finnish in this dialogue. Were you to write to me in Finnish, necessity would have me go the Finnish Cultural Institute (a ten-minute walk from my home) to beg for a translation. It’s doable. Where there is a desire to speak, there is never a “language barrier.”

I regret the too-brief appearance of Rumi. Who said we were only allowed European stories?

I did not say that there isn’t a single European literature. It’s much more serious than that: there is no such a thing as European literature at all, since a literature is necessarily written in a language, at least to begin with. I speak in a language, not in a nation. Here, I am going make an untranslatable pun: ça soufi comme ça (that’s Enoch already), enough ideologies of universal literary imperialism! What’s that? Our little narrative or poetic shits should automatically concern 6 billion human beings? What a bore! I want to showcase the language I intimately know. So, of course, I prioritize readers who are also intimate with that language. It’s got nothing to do with France and everything to do with French. This being said, I do entirely trust translation and apprenticeship (see the fable of Babel).

I have another story. It is the tale of how, little by little, the Sphinx was devouring the young generation of Thebes. No one knew how to answer her question about the animal with four legs in the morning, two at noon, and three in the evening. One day, a young imbecile responds that this animal is man, and the Sphinx kills himself. And the young imbecile thinks he has saved Thebes. But he has only made matters worse by dragging Thebes down into the absence of questions. The only possible reply to the Sphinx of Thebes is a plurality of replies, ad infinitum: the animal in question is potentially the entire nomenclature of Linnaeus (including the species discovered since)—for example, the horse who runs in the morning, rears in his elevator at noon, and has a shoe replacement in the evening. Accordingly, the question is permanent, the Sphinx lives on and endlessly questions, the young generation lives on and endlessly answers.


—Jacques

Helsinki, 25 September 2000
. . . Let’s return to Rumi. His story goes something like this: There were four men and they had but one coin. They went to the market. The Persian said: “I will buy some
angur.” The Arab said: “No, because I want inab.” The Turk said: “I do not want inab, I want uzüm.” The Greek said: “I want stafil.” The four men started to fight because they did not know what was behind the names. They had information but no knowledge. If there had been one wise man present, he would have known that each in his own language wanted the same thing: grapes. Such a man could have reconciled them saying: “I can fulfill all of your needs. If you trust me, your one coin will become as four; and four men at odds will become as one.”


—Anita

Paris, 29 September 2000
. . . When I attempt to retell the story of the Sphin of Thebes, I refuse the notion that it is a story about me; it is the tale of language. I refuse the notion that it is a story about Oedipus; it is the tale of the Sphinx. It suffices that young women and young men answer the Sphinx in the tale, and not horses or koalas. Here too, it is still a question of the mono-, of the whole, of the one. Monotheism should offer some progress over polytheism, a single original language. In translating the Bible, the Septuagint should independently, miraculously finish with the exact same text; the Persian, the Turk, the Greek, and the Arab should all four be looking for the same grape, and Europe should be one . . .

Besides, I must admit it to you, the horse in the elevator neighs a little at the notion of a European union. On the other hand, he fiercely favors its expansion. Our voyage included all of Europe’s languages, not merely those of the rich. That, in itself, was great!

Funny, in French legalese, the word for expansion (élargissement) denotes “the release or freeing of a prisoner.” Europe of the rich is imprisoned; we must urgently ensure her broadening (release). And, once she is some forty strong, we’ll broaden her even further. . . .


—Jacques

Helsinki, 4 October 2000
I agree with you on the idea of the European Union. It’s dull like a marriage of convenience. . . .

I think the whole journey was like a long dream, sometimes a bit boring like those countless cocktail-parties, in which we were involved, sometimes a bit nightmarish, particularly when I lost my way. And it got lost very often, even in St. Petersburg! I was all the time so dumfused (dumb + confused) about the babble of tongues. Somehow I felt that I had no time to learn anything about Europe. After all, did it really exist? . . .


—Anita

Paris, 5 October 2000
Dearest Anita,

I am a louse. I persist to write to you in my comfortable French. Please respond to me in Finnish, or else I will start writing to you in English, or worse, in Europano: ich vais escribir ti in anglik or . . .

For me, our voyage was a pleasure. Why? First, because if you put me by a window on a train, my mouth opens and eight, twelve, twenty-four, two hundred hours later, I am in the same place, my mouth still agape. I am terribly docile. (Here, by the way, is another saying I’ve invented: “If your nose stinks, everything stinks.”) Luckily, during our trip, we had to arrive . . . take our luggage, check-in before checking out, check-out after having checked-in, successively discovering nineteen hotel rooms, if I’m not mistaken. . . . How extraordinary, to stay in nineteen hotel rooms in six weeks. A first for me. I want to become perfectly mobile.

But seriously, I recall the elevator in Lisbon; I recall the cheeses of Malaga; I recall the Swiss pavilion at the expo in Hanover; I recall a long conversation about Kosovo with Fatos Kongoli in Kaliningrad . . . I recall dried fish displayed like gladioli at the market in Riga . . . I even recall having eaten, in Minsk, sieniä (one of the Finnish words with which I am most familiar)—was it prudent? Etc., etc., etc. . . .

It’s bizarre, every time I hear the word Europe, I think of my African friends and my ardor wanes. . . .


—Jacques

Helsinki, 8 October 2000
My dear Jacques,

Don’t ever think of writing in English or Europanto or whatever. Humour is the first thing to disappear in a foreign tongue. I very much like your puns, although je n’y vois souvent que du bleu. Maybe we ought to write this duologue in Latin or Spanish. Tres cosas hacen a los hombres sages: letras, años y viajes (a Spanish proverb). Though I’m no wiser after this six-week tour of our brave new Europe. Otherwise Europe seems to be very fragile. There were many new glass buildings everywhere, especially in Berlin. . . .

I remember throngs of mosquitoes keeping me awake in an Oktyabarskaya hotel. And I remember a sad-looking mare clattering along Nevsky Prospekt at midnight. I remember two metallic horses flung out four hooves above Fontanka—originally there were four horses, but two of them had run away from their pedestals just a couple of days before the literature train arrived. I remember the white nights, actually they were lurid yellowish nights, when all horses, metallic and real—as well as the whole city—seemed to hover in the air, and I was so unhappy, my heels bleeding from long-walking and around-searching for the house where my grandmother lived before she was expelled from the town. I simply couldn’t remember where the house was. . . .


—Anita

Paris, 25 October 2000
Dear Anita,

Proposal: Literature is a collective activity. What do you think?


—Jacques

Helsinki, 25 October 2000
We are just about to finish our joint venture, and you ask if the literature is a collective activity. Dear Jacques, what else could it be? You have acted as a catalyst for me, and I have given impulses to you, isn’t that true? Maybe the final outcome is not what we expected or imagined, but in any case it is some kind of literature, at least I think so. One thing is for sure, literature is always collective—as collective as language and dreams are—because no one is writing or dreaming in a vacuum. When I am writing, I am in a dialogue with the living and the dead writers, from classic Chinese and Russian writers to modern French or Finnish writers.

Before we put the end to our dialogue, I’d like to return to your story about the Sphinx. Some days ago I read purely coincidentally a poem about the Russian Sphinx written by Alexander Blok. That Sphinx was quite different from the Western Sphinx, who always asks rationalistic riddles. According to Blok the Russian Sphinx is emotional and ambivalent . . . She is mute, “grieving and exulting, bleeding black and bloody tears. And she stares at you, adoring and insulting with love that turns to hate, and hate—to love.” Maybe there will always be a large gap between Western and Eastern Europeans, because of two completely different Sphinxes—and I sense that I’m always hovering on the boundary of those two worlds. Sometimes I understand the riddles of the Western Sphinx, sometimes not, but as you said, it is stupid and dangerous to try to solve riddles. Am I right?

_____________________

Translated from the French by Jean-Jacques Poucel.

Published in: Context N°17

With Michal Ajvaz, Jonathan Bolton, Céline Bourhis, Hrvoje Bozicevic, Anne Burke, Ralph Cusack, Andy Garcia, Douglas Glover, Jirí Grusa, Jacques Jouet, Anita Konkka, Ana Lucic, John O’Brien, M. A. Orthofer, Patrik Ouredník, Julián Ríos, Juhana Rossi, John Taylor, Mark Thwaite

De geur van schimmel, pis en kamferballen

door Mariët Meester – in de Volkskrant van 06 juli ’00, 00:00, bijgewerkt 20 januari ’09, 12:21

Met honderd schrijvers uit 43 landen zes weken door Europa met de literatuurtrein: de Estse president is jaloers!

SCÈNE 1, in een rijdende trein vol schrijvers, mij verteld door een Albanees.

Twee Albanezen doen de deur van een coupé open en vragen: is er hier nog plaats voor ons?

Ja, is het antwoord, maar wij zijn Serviërs.

Dat weten we, het maakt ons niet uit.

De Albanezen gaan zitten. De Serviërs staan op, pakken hun tassen en verlaten de coupé.

Scène 2, in een rijdende trein vol schrijvers, mij verteld door een Serviër.

Een Albanees vraagt een Serviër waar hij vandaan komt. Uit Sarajevo, is het antwoord.

Uit Sarajevo? reageert de Albanees. Weet je zeker dat je niet uit Pale komt? En wat schrijf je zoal?

Ik schrijf proza en poëzie, zegt de Serviër.

Aha, net als Karadzic.

Ik weet niet welke scène het eerst heeft plaatsgevonden, ik ben er zelf niet bij geweest. Van onderlinge spanningen merk ik helemaal niets. De dagen die we al rijdend doorbrengen zijn voor mij de beste van de hele reis. Doordat Europa verschillende spoorbreedtes telt, hebben we tot nu toe in vijf soorten treinen gezeten, de een nog comfortabeler dan de ander.

Sommige mensen gebruiken de tochten vooral om te slapen. Anderen maken urenlang aantekeningen in een notitieboekje, of ze hebben een hippe iMac op hun schoot. Lezen valt niet mee; om je heen klinkt gekakel in vele talen, gebroken Engels overheerst. Eten doen we onderweg in een restauratiewagen. Het is een bijzondere ervaring om te vechten met schuivende borden en glazen, en intussen het lege Litouwse, Letse of Estse landschap voorbij te zien glijden. En het Russische, want we zijn intussen in St. Petersburg aangeland.

De eerste uren vanaf de grens had ik het gevoel dat ik middenin een documentaire zat, de beelden waren zo vertrouwd. Ik zag heel veel groen, ik zag naald- en loofbomen en bermen vol bloeiende wilde planten. Ook zag ik wrakke houten huisjes, soms in een kleur geverfd, soms van grauwe planken. Hier en daar stond een koe aan een touw of liep een jongetje drie geiten voort te jagen. De vrouwen die ik zag waren ingepakt in vele lagen kleren. Het leven is hier hard, dat was me meteen duidelijk.

Op het Warszawa-station van St. Petersburg stond geen muziekkorps klaar. Zonder plichtplegingen werden we met bussen naar ons hotel gebracht. Klagen is kinderachtig, ik weet het, maar het hotel waarin je verblijft, kleurt je visie op een stad, en dit was een verschrikking.

Terwijl wij ons als schimmen door de lange donkere gangen voortbewogen, weerklonk uit ieders mond de naam van iemand die wij allemaal hoogachten; Kafka, Kafka, Kafka. . . We zagen verdachte mannen in leren jasjes, we roken de geur van schimmel, pis en kamferballen, en natuurlijk begon de telefoon in mijn kamer meteen te rinkelen, waarna een mysterieus personage in het Russisch tegen me begon aan te praten.

In de kamer van Einar Gunnarsson, een IJslandse schrijver, kwam de lamp naar beneden en bleef hangen op tien centimeter boven zijn hoofd. Paolo Teixeira uit Portugal had een man en twee hoeren als buren. En ja, er waren kakkerlakken, en ja, er werd meteen al een schrijver in zijn kamer beroofd.

Ik verlang terug naar de Baltische staten, naar de hoofdsteden Vilnius, Riga en Tallinn. Vooral Tallinn, in Estland, was fantastisch, hoewel je na een paar dagen rondkijken natuurlijk niet echt kunt oordelen. Maar er zijn in Tallinn in ieder geval geweldige cafés en restaurants, het centrum is een plaatje, er zijn parken en je kunt er naar de zee. De burgemeester, die ons ontving in zijn stadhuis, was een jonge vent die thuis ongetwijfeld in spijkerbroek rondloopt. De president van Estland, Lennart Meri, leek me helemaal een cool figuur.

Met een hand in de zak, in de andere een glas rode wijn, sprak hij ons toe in de tuin van zijn paleis. Hij was jaloers op ons, zei hij. Hij was namelijk zelf ook schrijver. Terwijl wij lekker aan het rondreizen waren en straks weer aan nieuwe boeken konden gaan werken, zat hij nog een jaar en vier maanden vast in het keurslijf van president. Van een paar Estlandse vrouwen hoorde ik dat zij (en de meeste andere Esten) juist tegen het vertrek van de president opzagen. Hij was al in functie sinds het einde van de Russische overheersing, alom werd hij gewaardeerd.

Op de receptie in de tuin van het presidentieel paleis waren ook ambassadeurs uit verschillende landen aanwezig. Nederland heeft geen ambassade in Tallinn, dus onze man of vrouw was er niet. Ik vraag me af of hij/zij er anders wel geweest zou zijn. Niet dat ik er nou behoefte aan heb, maar het begint wel op te vallen dat Serge van Duijnhoven en ik de hele reis lang nog geen Nederlandse diplomaat hebben gezien. Voor de andere deelnemers aan de literatuurtrein is dat heel anders; zij worden soms al op het station verwelkomd door hun ambassadeur of cultureel attaché.

Rondom hun boeken zijn door hun respectievelijke ambassades speciale bijeenkomsten georganiseerd. Kennelijk wordt de Nederlandse literatuur in diplomatieke kringen niet serieus genomen. Of zijn we er zelf schuldig aan, heeft het ermee te maken dat Nederlandse schrijvers vaak vooral bezig zijn met het ontwikkelen van een cultus rond zichzelf?

Over cultus gesproken, een van de meest opvallende figuren uit de trein is de Est Karl Martin Sinijärv. Kaalgeschoren kop, bril met gele glazen, vooruitstekende kin met rode sik, spekkige nek, zwart leren pak. Hij hoort tot de grootste drinkers van onze trein, net als zijn landgenoten, maar ik ben er intussen achter dat de mensen die het meest drinken ook het sympathiekst zijn. In een restaurant in Tallinn droeg een gerecht zijn naam, Karl Martin had zelf het recept geleverd.

Ik ben benieuwd wat hij schrijft, ik ken zijn gedichten nog niet. Erg vergaand kunnen ze niet zijn, anders was hij niet door het Estse literaire establishment uitgekozen voor deze reis. Tot tweemaal toe is een lezing van een van onze schrijvers in Tallinn gecensureerd. Einar, de IJslander, had een tekst ingeleverd waarin een masturbatiescène in de opera van Reykjavik voorkwam. Toen een acteur zijn tekst voorlas in het Ests, viel het Einar op dat hij het woord opera niet hoorde, evenmin als het woord Carmen. Toen hij later navraag deed, bleek dat de passage inderdaad was overgeslagen, met als argument dat de acteur er nog te jong voor was. Een Finse prozaïste overkwam iets vergelijkbaars.

Scène 3, niet in een rijdende trein maar in het Smolny-klooster in St. Petersburg, van waaruit Lenin in oktober 1917 de Russische revolutie heeft geleid (ik ga het straks thuis allemaal nog eens nalezen bij Paustovski). Twee Albanese schrijvers, de oudste heeft zich net grijnzend laten fotograferen achter het bureau van Lenin, staan wodka te drinken op een receptie die is georganiseerd door de autoriteiten van de stad. Twee Servische schrijvers staan tegenover ze. Allevier praten ze geanimeerd met elkaar, ze lachen en ze drinken.

Advertenties

De Muzen van Struga

* * *

Het door drugsoorlogen geteisterde Colombia had deze zomer zijn Coppa del America . Sarajevo kende tijdens de belegering zijn jaarlijkse filmfestival. En in onrustig Macedonie vond, onder wel heel grimmig gesternte, het veertigjarig jubileum plaats van de ‘Struga Poetry Evenings’. Eregast en nobelprijswinnaar Seamus Heaney, die dit jaar de ‘Gulden Lauwerkrans’ in ontvangst mocht nemen: ‘Eerlijk gezegd voel ik me met al die soldaten en wegversperringen hier wel op mijn gemak. Het doet me denken aan mijn jaren in Belfast…’

monasteries-Ohrid.Kaneo

In plechtige processie trekt de stoet internationale dichters achter twaalf in het wit gestoken Macedonische bloemenmaagden aan, die asters strooien over de balustrade. Onder ons kolkt het water van de Zwarte Drim. Nobelprijswinnaar Seamus Heaney rijdt langzaam voorbij in een gepantserde Mercedes, begeleid door patrouillewagens van de zwaarbewapende Macedonische policija. Bij het bereiken van de overzijde worden vuurpijlen afgeschoten, tegelijk barst een ongenadig onweer los. Burgers zwaaien met hun parapluies. Geroffel klinkt vanuit de bergen. Of is het een militaire helicopter? Mannen in kogelvrije vesten kijken star voor zich uit, de loop van hun Zastava 7.62 pistoolmitrailleurs gericht naar de dikke spetters regen die kaatsen op de grond.

‘Eerlijk gezegd voel ik me met al die soldaten en wegversperringen hier wel op mijn gemak,’ vertelde Seamus Heaney (door zijn knappe tolk consequent ‘Mister Himus Sjini’ genoemd) wat lakoniek in de pianobar van het immense, lege hotel. ‘Een gevoel van homecoming. Het straatbeeld herinnert me aan mijn jonge jaren in Belfast.’ Drinkend van een bescheiden Skopsko Pivo, verzekerde de dichter dat hij er geen moment over gedacht had om af te zeggen voor het festival. Natuurlijk hebben mijn naasten me afgeraden om juist nu naar Macedonië te gaan, maar mensen die om je geven zijn altijd bezorgd. Wij Ieren zijn misschien al een beetje meer vertrouwd met de situatie dan anderen. Maar we weten ook dat het geweld in het buitenland vaak erg wordt overdreven.’ Een dichteres uit Israel knikt driftig. ‘Ik voel me pas onveilig als ik geen soldaten zie op straat,’ zegt ze stoer.

Afzeggingen zijn er nauwelijks. Naast eregast Seamus Heaney, die dit jaar de ‘Gulden Lauwerkrans’ in ontvangst mag komen nemen, is nog een dertigtal bekende en minder bekende dichters uit alle windstreken naar het trogdiepe Meer van Ohrid afgezakt. Gearriveerd zijn Thomas Shapcott uit Australië, de Amerikaan Claude Freeman, Anne Marie Dinesen uit Denemarken, Jean Laugier uit Frankrijk, Jorhe Justo Padron uit Spanje, Skënder Rusi uit Albanië, Mohammed Bennis uit Marokko, Sergej Glavyuk uit Rusland. De volharding waarmee de internationale gasten temidden van wapengekletter, bomaanslagen en nerveus ‘oogstende’ Navo-soldaten, hun verzen willen laten klinken op de brug over de Zwarte Drim, wordt door de organisatoren van het festival ervaren als bemoedigend. Het Macedonische publiek kan het weinig schelen, want dat heeft heel andere zaken aan het hoofd dan de verskunst.

’s Avonds trekken gure windvlagen geribbelde sporen over het donkere water van het Meer van Ohrid. De late zomerzon verdwijnt achter de bergtoppen als een steen die over de rand van een put wordt geduwd. Achter de ramen van de verlaten eetzalen in het hotel gaapt een koele duisternis die uit de diepte van het meer omhoog lijkt te stijgen. De leren schoenzolen van de obers maken langgerekte piepgeluiden op het glanzende travertin. Hotel Bicer heeft 500 bedden en zou moeiteloos een tienvoud van alle genodigde dichters kunnen herbergen.

De brug over de Zwarte Drina

Dichter en songwriter Jabir Derala (35), die ik in het centrum van Skopje ontmoette voor ik de bus nam naar het festival, is deze zomer niet van plan om naar Struga te reizen. Er staan dikke wallen onder zijn ogen, zijn adem ruikt naar drank. ‘Er is werk aan de winkel. Flyers rondbrengen, posters ophangen, lobbyen bij politici, gevangenissen bezoeken, het organiseren van popconcerten voor de vrede: daar is behoefte aan. Aan verheven woorden en fijnbesnaarde avonden met collega-dichters heb ik even geen boodschap.’ Jabir heeft de daad bij het woord gevoegd, en een mensenrechtenorganisatie opgericht (Civil) die moet toezien op de rechten van politieke gevangenen en het ontplooien van multi-etnische initiatieven.

Dat het poëziefestival uitgerekend Struga als bakermat heeft uitgekozen en niet het toeristische en historische Ohrid, waar nog maar kort geleden de vredesonderhandelingen hebben plaatsgevonden, is te danken aan de negentiende eeuwse dichter Konstantin Miladinov. In zijn gedicht `T’ga zajug’ (`Zuidzucht’) bezong de Mecedonische Byron, die net als zijn Engelse tijdgenoot gedwongen was om in exil te leven (de Turkse sultan had een prijs op zijn hoofd gezet), hoe hij terugverlangde naar het vissersdorp van zijn jeugd. `Had ik maar vleugels als een arend/om naar mijn Struga terug te vliegen’, dichtte Miladinov terwijl hij in Rusland wegkwijnde aan de tuberculosis. ‘Nog steeds zie ik en voel ik/hoe zij brandt, die vurige parel die in mij geplant/als kroonjuweel zal rusten/op Macedonië, mijn vaderland.’ Het vers is verplichte leerkost op scholen in Macedonië. Miladinovs hymne aan Struga verleende een stem aan een nationaal gevoel dat eeuwenlang door het Osmaanse gezag was onderdrukt. (Allen Ginsberg, ontvangt ‘Golden Wreath’ in 1986)

Tijdens de openingsceremonie van het festival klimt een jongen in een wijde kosjula (wit hemd) achter de microfoon en begint op statige wijze, begeleid door trieste Macedonische volksmuziek, Miladinovs gedicht ‘T’ga za jug’ voor te dragen. Hier en daar rolt een traan. Een partijfunctionaris van de nationalistische regeringspartij VMRO, Bratislav Tashkovski, nodigt de dichters uit om naar voren te komen. `In whose name should I greet you, dear poets, if not in the name of the destiny of the Macedonian land and the Macedonian people!’ De toon is gezet. Met veel stemverheffing en ‘ hoera voor Macedonië!’-geroep verklaart de politicus het internationale poëziefestival voor geopend.

monasteries-Ohrid

De voordrachten lijken bijzaak. Er wordt nauwelijks geluisterd. Voortdurend piepen en sjierpen mobiele telefoons en ruisen de walkie talkies van de aanwezige soldaten. Het dondert in de bergen. Vanuit de verte klinkt een Macedonische smartlap. De microfoon galmt en zingt rond, of de versterking waait weg in het niets. Het publiek wiegt ongeduldig heen en weer, en raakt pas geboeid als Seamus Heaney achter de microfoon gaat staan en genoeglijk vertelt van zijn ‘utterly memorable days and nights at Struga in 1978’, toen hij voor het eerst in aanraking kwam met ‘de wonderbaarlijke vitaliteit van het Macedonische leven en de Macedonische cultuur.’ De laureaat oogst fors applaus, maar de boel komt pas echt los als de Spaanse dichter Jorhe Justo Padron de Macedonische toehoorders paait met een smartelijke elegie, door hemzelf in de landstaal voorgelezen, voor het ‘heroische, in doodsnood verkerende en in de steek gelaten Macedonië’. Het publiek joelt en klapt minutenlang; en daar lijkt het Padron ook vooral om te doen. Hij maakt wel vijf stijve buigingen. Tv-camera’s zoemen beschuldigend in op wie nog niet de handen op elkaar heeft.

Anna, een journaliste van het genuanceerde dagblad Dnevnik , zegt na afloop dat ik de zin van de nationalistische peptalk moet kunnen begrijpen. `We hebben het nodig, nu. Voor jou mogen die woorden gezwollen lijken, maar voor ons is het een kwestie van voortbestaan. Zonder patriottisme zal ons land verkruimelen, en dat is heus geen retoriek!’ Ik vraag me af hoeveel Albanezen de openingsceremonie hebben bijgewoond. Als er al geweest zijn, moeten ze hun tong stuk hebben gebeten van ergernis om alle Macedonische op-de-borst-klopperij. ‘Of er Albanezen waren?’ reageert Ana geprikkeld. ‘Iedereen is welkom, nema problema . Als er geen Albanezen zijn, dan is dat omdat het festival ze blijkbaar geen zier interesseert. De Albanese cultuur is volkomen op zichzelf gericht, uit een panische afkeer voor alles wat slavisch of anders is dan het eigene.’

In het ‘park van de poëzie’ mag de Ierse laureaat met de handen als kolenschoppen, een laurierboom planten, zoals alle winnaars van de ‘ Gulden Lauwerkrans’ voor hem. Het priëel staat vol met laurierbomen die veelal door inmiddels overleden dichters zijn geplant. Voor een rillerige dunne staak is een marmeren schrijn neergezet. ‘Behalve een dichter ben ik ook een plattelandskind, dus die boom plant ik met plezier,’ verklaart Heaney met een spade in zijn hand. De dichter leest, staand naast een hoopje aarde, het gedicht ‘Digging’ voor, een geserreerd portret van zijn boerende vader en turfstekende grootvader. ‘Between my finger and my thumb/The squat pen rests; snug as a gun ‘, zo begint het gedicht. ‘Under my window, a clean rasping sound/When the spade sinks into gravely ground:/My father, digging. I look down./(…)

Heaney steekt de spade in het zand. De handeling geschiedt gedecideerd, eerder stram dan soepel, maar heeft toch iets sacraals. Alsof je de dichter hier in de Macedonische aarde de grondlagen van zijn stoffelijke verleden bloot zich leggen. En alsof je, vanuit het zand, drie mannen elkaar de hand ziet reiken, drie boerenzonen hier ziet graven, opeenvolgende generaties die in verticale lijn een hele eeuw omvatten. ‘ By God, the old man could handle a spade./ Just like his old man.’

De spade die begon in de handen van de turfsteker, ging over als schop in de handen van de landarbeider, en werd uiteindelijk een ‘squat pen, snug as a gun’ tussen duim en wijsvinger van de schrijver. Met in zijn knuisten nu een echte spade, bevindt Heaney zich voor even bovenaan de ladder van de tijd – zijn handen overlappen die van zijn grootvader de turfsteker.

My grandfather cut more turf in a day/Than any other man on Toner’s bog./Once I carried him milk in a bottle/Corked sloppily with paper./He straightened up/To drink it, then fell to right away/Nicking and slicing neatly, heaving sods// Over his shoulder, going down and down/For the good turf. Digging.’

Plotseling krijgt de opmerking over het ‘homecoming gevoel’ dat de dichter gisteren beschreef in de pianobar, een heel andere lading. De rijzige Ier met het knoestige postuur, blijkt niks teveel te hebben gezegd. Seamus Heaney is hier, aan het andere einde van Europa, volkomen in zijn element. Hij geeft de spade door met een plechtig gebaar aan zijn Macedonische collega’ s. En de overige dichters verdwijnen moeiteloos in de hoekige schaduw van een ferme Ier met drie paar handen. .

(…) The cold smell of potato mould, the squelch and slap/Of soggy peat, the curt cuts of an edge/Through living roots awaken in my head./ But I’ve no spade to follow men like them.//Between my finger and my thumb/The squat pen rests./ I ‘ll dig with it.

Het handjevol journalisten dat de moeite heeft genomen om via de 300 kilometer lange omweg naar Struga te rijden (de normale weg via Tetovo is afgesneden door de rebellen) is alleen geinteresseerd in politieke issues. Dagenlang blijven ze hengelen naar een verlossend inzicht van de geletterden op het festival, een bemoedigend woord, een steun in de rug voor de nationale Macedonische zaak. Maar niemand van de dichters laat zich verleiden tot het betweterige engagement waarmee Franse filosofen als Bernard-Henry Levy en Alain ‘ Finkielkroat’ in eerdere Balkanconflicten het publieke debat domineerden. ‘Veel interessanter dan het geven van een obligate opinie of analyse,’ ; spreekt Seamus Heaney overtuigd, ‘is het juist om te bepalen in hoeverre dichters verschillen van geschiedkundigen of toekomstvoorspellers.’

Toch probeert Heaney zijn Macedonische collega’s nog een beetje moed in te spreken. ‘Aan de huidige situatie kleven voor- en nadelen, moet u maar denken. Het slechte nieuws is dat Macedonië nu bekend raakt als een land waar burgeroorlog dreigt. Het goede nieuws is dat het conflict de Macedonische poezie een zekere glans zal verlenen, glamour . Het succes van de Ierse literatuur in de wereld, is deels te danken aan het geweld in Noord-Ierland. Persoonlijk sluit ik me aan bij Vaclav Havel, die zei: “ik geloof in hoop. Hoop verschilt van optimisme; hoop is ergens aan werken dat de moeite loont.” Ik denk dat u hier in Macedonië werkt aan een oplossing; daarom ziet het er naar mijn indruk toch lichtjes hoopvol uit. Meer kan ik er niet over zeggen…’

In het centrum van Struga, dat voor zestig procent uit Albanezen bestaat, heerst een gespannen rust. Avdi (24), een Albanese kappershulp, legt me uit dat zijn volk altijd heeft moeten leven met de minachting en afkeer van de slavische Macedoniërs. ‘Wij waren dat gewend en hebben ons lot altijd ondergaan. Nu, voor het eerst, is ónze haat aan de oppervlakte gekomen. Open en bloot. De Macedoniërs zijn dat niet gewend, en verkeren in paniek. Het meerendeel van mijn volk wil nog steeds met de Macedoniërs samenleven. Maar uit slavische mond komt alleen nog oorlogstaal. Erg onverstandig, want Albanezen uit alle windstreken zullen ons in geval van oorlog te hulp schieten. Zes miljoen Albanezen zullen over één miljoen slaven heen walsen. De Macedoniërs hebben geen schijn van kans.’

monastery.podmocani_crkva

Visser Dimitar Ginovski (24), een stevige jongen met een donker ringbaardje, toegeknepen ogen en een zachte stem, neemt me mee het meer op in zijn houten schuit. Na een kwartier varen werpt hij zijn netten uit. De tijd heeft hier stilgestaan. De ouderdom van het bergmeer op de grens van Macedonie en Albanie blijkt uit de aanwezigheid van een vissoort (‘pastrumka’) die elders op aarde alleen nog als fossiele afdruk wordt teruggevonden. De vangst ervan is verboden voor toeristen, en zelfs voor beroepsvissers uit de dorpen gelden strikte quota. De zon komt op boven de donkere ruine van tsar Samoil. Mistflarden drijven langs de oever. De boot dobbert rustig op de kabbelende golven. ‘Macedonie is hoe dan ook een prachtig land,’ zeg ik. ‘ Wás een prachtig land,’ corrigeert Dimitar me. ‘We hebben liggen slapen, en worden wakker in een huis dat voor de helft is leeggeroofd. En wat een dief jat, geeft hij niet meer terug. De Albanezen zullen gek zijn. Met een paar strategische verrassingsaanvallen hebben ze in zes maanden bereikt, waar ze anders zestig jaar op hadden moeten wachten.’ Dimitar trekt aan zijn netten, en hijst de eerste forel en kleine ‘fossili’ -visjes aan boord. De pastrumka hebben uitpuilende ogen en lange blauwe vinnen. Ze smaken het lekkerst als ze gefrituurd zijn. De graat schijn je er met je tanden in een keer te moeten uittrekken. Vervolgens spuug je die op een bord en eet je de vis helemaal op.

Aristoteles heeft ooit geschreven dat de dichtkunst ‘verheven is boven wat de tijd zoal zal leren’. Een goede dichter is, met andere woorden, allerminst een notulist van de geschiedenis, en evenmin een ‘ziener’ of ‘verkondiger’. De muze die hij dient is Caliope, die met de schone stem. Of Erato, die met de lier. Zo niet op de Balkan, en zeker niet in Struga, waar het gros van de dichters elk jaar weer lijkt weggelopen onder de stijve hoepelrok van Polyhymnia. Op het gebied van orerende dichters die hun pastorale obsessie combineren met politieke ambities, heeft de regio een traditie hoog te houden. Nergens anders in Europa gaan de twee zo klef en desastreus hand in hand. Misschien heeft het ermee te maken dat de fase van het nationbuilding op de Balkan nog in volle bloei is. Misschien ook dat dichters zeker in de rurale gebieden nog echt op handen worden gedragen, terwijl politici bij het volk gehaat zijn en gezien worden als nepotisten en zakkenvullers. Radovan Karadzic, Nicolaj Koljevic, Vuk Draskovic, Vladimir Boskovski (de Macedonische minister van Binnenlandse Zaken), Ljupco Georgievski (de premier van Macedonië, net als Boskovski lid van de nationalistische partij VMRO)… ; allemaal beschouwden ze zich voor korte of langere tijd als uitverkoren door de muze van het ‘bloed en bodem’ – de schutsdame van de eigen ethnos die spreekt in lofzangen en hymnen. En allemaal stonden ze ooit op die vermaarde brug in Struga, tussen de bloemenmaagden die asters uitstrooien over het ijskoude water van de rivier; de plek waarover Seamus Heaney zei dat ‘ de poëzie in onze tijd nergens meer tot leven komt dan daar, aan de monding van de Zwarte Drim.’
Wat Radovan Karadzic heeft uitgespookt, is genoegzaam bekend. De vlammen die opstegen van Sarajevo stonden al beschreven in zijn versbundel voor kinderen getiteld Zwarte Sprookjes . En wie wil weten wat premier Ljupco Georgievski nog allemaal in petto heeft voor zijn land, leze zijn in broeierige seks en doem gedoopte debuut Apocalypse, of het megalomane vervolg daarop, De Stad , waarin de dichter beschrijft hoe hij het landerige plaatsje Delcevo verlaat om ‘het volk’ te redden van de chaos in de woelige hoofdstad Skopje. ‘Mijn bundels hebben één terugkerend thema,’ verklaarde Georgievski in 1994 aan Frank Westerman , destijds Balkan-correspondent voor de Volkskrant , ‘de wereld is slecht en lelijk. Er zit niets anders op dan haar te verwoesten en van de grond af aan weer op te bouwen.’

© Serge van Duijnhoven 2010

zie ook de website van het festival
http://www.svp.org.mk/en/history.html

The Struga Poetry Evenings started in 1962 with a series of readings by a number of Macedonian poets in honor of the two brothers, Konstantin and Dimitar Miladinov, great intellectuals, teachers, and writers, born in Struga in the beginning of 19th century. Konstantin Miladinov has been considered the founder of modern Macedonian poetry and each year the festival officially opens with his memorable poem “Longing for the South” (“T’ga za jug”) written during his student days in Moscow.
As from 1963, when many poets from all Yugoslav republics also joined the festival, the “Miladinov Brothers” award was established for the best poetry book published in the Republic of Macedonia between two Struga poetry festivals. By 1966, the SPE turned into an international poetry event and, consequently, an international poetry award called “The Golden Wreath” was established, given to a world renowned living poet for his poetic oeuvre or life achievement in the field of poetry.
In 2003 the SPE and UNESCO established a close cooperation and jointly promoted a new award called “The Bridges of Struga” for the best first poetry book by young authors from all over the world.
Despite the tremendous difficulties and harsh realities that the festival has had to live with — the fall of Yugoslavia, the war in Bosnia, the Kosovo crisis, the political and ethnic clashes in Macedonia, the terrorist crisis after September 11th attacks, and the numerous political and economic embargos imposed on the region — the SPE has successfully flourished becoming one of the most important poetry festivals in the modern world. And that is a tribute to world poetry and its poets.
The Festival has offices in Struga and in Skopje (a director of office, an executive and a technical secretary) and is organized by a Festival Board, which consists of knowledgeable professionals in the field of poetry (poets, critics, translators, and professors in comparative literature and culture). The most attractive poetry events during the festival are “The Meridians” reading at the opening evening of the festival, and “The Bridges of Struga” reading at the closing of the festival. These are spectacular events that attract the citizens of Struga to come out in huge numbers and greet the poets from all over the world with their famous hospitality.
The festival also features two multimedia events (poetry, music and video) called “Nights without Punctuation”, will also be held, thus opening the festival for new, rather experimental forms of poetic presentations.
Every year, a day before its official opening, the festival also organizes a symposium on different and attractive topics. It attracts the attention of many literary experts from all over the world.
During all these years of its existence the festival has hosted about 4.000 poets, translators, essayists and literary critics from 95 countries of the world.
Every year the festival publishes a series of books in order to promote poetry by foreign authors to the Macedonian readership, as well as thematic anthologies of contemporary Macedonian poetry in English translation to readers abroad. These editions include the famous series “Pleiades”, featuring famous poets from all over the world and Macedonia. The thematic anthologies of Macedonian contemporary poetry include poets from all minorities in Macedonia published in their mother tongue, and in Macedonian and English translation. One of the most prestigiuos anthologies published every year is dedicated to a different national or regional poetry.
The Struga Poetry Evenings have also established an International Poetry Library. It contains books of all festival participants. Moreover, its International Poetic Archive contains significant materials (books, manuscripts, photographs, films etc.) available to any literary researcher or poetry lover. Therefore, all participants are asked in advance to donate copies to the Library before their arrival in Struga.


The Miladinov Brothers Award

The Miladinov Brothers Award is given for best book of poetry published between two editions of the International Struga Poetry Evenings Festival. The Miladinov brothers, Dimitar and Konstantin are renowned humanists and writers and educationists from the 19 century, born in the city of Struga. The older one, Dimitar Miladinov, was a teacher and collector of popular songs and stories, and the younger one, Konstantin, is more famous as a poet. During his studies in Moscow he wrote the most famous romantic poem in the Macedonian language, “Longing for the South”. This poem has become a symbol of the Festival, which traditionally opens with its verses read in several languages. The Miladinov brother ended their lives tragically in the Ottoman prisons, sentenced unjustly for their cultural and educational mission among their people.

The Miladinov Brothers Award was established in 1963, and the best book is selected after a publicly announced competition by the SPE Award Committee. The award is the most significant poetry prize in the Republic of Macedonia, recognized as a national poetry award.
Winners of the national poetry award the “Miladinov Brothers”
1963 Mateja Matevski
1964 Ante Popovski
1965 Radovan Pavlovski
1966 Bogomil Guzel
1967 Vlada Urosevik
1968 Petre M.Andreevski
1969 Mile Nedelkoski
1970 Petar T.Boskovski
1971 Petre M.Andreevski
1972 Bogomil Gjuzel
1973 Vlada Urosevik
1974 Blaze Koneski
1975 Gane Todorovski
1976 Aco Sopov
1977 Atanas Vangelov
1978 Milovan Stefanovski
1979 Slavko Janevski
1980 Eftim Kletnikov
1981 Mateja Matevski
1982 Mihail Rendzov
1983 Adem Gajtani
1984 Todor Chalovski
1985 Liljana Dirjan
1986 Vlada Urosevik
1987 Petko Dabeski
1988 Slavko Janevski
1989 Katica Kulafkova
1990 Rade Siljan
1991 Risto Vasilevski
1992 Jordan Danilovski
1993 Branko Cvetkosk
1994 Petre Bakevski
1995 Ante Popovski
1996 Svetlana Hristova-Jocik
1997 Gligor Stojkovski
1998 Gordana Mihajlova Bosnakovska
1999 Jovan Koteski
2000 Slave Gorgjo Dimoski
2001 Sande Stojchevski
2002 Radovan Pavlovski
2003 Eftim Kletnikov
2004 Petko Dabeski
2005 Petar T. Boskovski
2006 Bratislav Tashkovski
2007 Nikola Madzjirov
2008 Risto Lazarov
2009 Vesna Acevska


Bridges of Struga Award

As a result of the initiative rising from the communique signed in 2003 between the Ministry of Culture of the Republic of Macedonia and UNESCO, among other issues, a new award, “Bridges of Struga” was established. This award is given to a young poet from all over the world for a best first book of poetry, after a public competition issued by the Festival and the member states National Commission for UNESCO. A special selection, called “Bridges” is published, including the poetry of the award winner, and all the other competitors for the award. This selection includes poems in the mother tongue of the poets, and translations into Macedonian and into one of the major languages of the world.
Winners of the “Bridges of Struga” award for best first poetry book in the world
2004 Angelo V. Suarez (The Philippines)
2005 Andrea Cote (Colombia)
2006 Marianna Geide (Russian Federation)
2007 Manua Rime (Belgium)
2008 Antonija Novakovic (Croatia)
2009 Ousmane Sarr-Sarrouss (Senegal)
2010 Siim Kera (Estonia)

Golden wreath Award

In 1966, the Struga Poetry Evenings have grown into an international poetry manifestation. The same year the international poetry award the “Golden wreath” award was established. This prestigious award is given to a world famous live poet for his poetry and his deed. It’s an award made entirely by hand. It has the shape of a wreath with filligrans and it is made from gold.

Recepients of the Golden wreath Award

1966
Robert Rozdestvenski (Russia)
1967
Bulat
Okudzava (Russia)
1968
Laslo
Nadz
(Hungary)
1969
Mak Dizdar (Bosnia and Herzegovina)
1970
Miodrag
Pavlovic
(Yugoslavia)
1971
Wystan
Hugh Auden
(USA)
1972
Pablo
Neruda
(Chile)
1973
Eugenio
Montale
(Italy)
1974
Fazil Hisni
Daglarga
(Turkey)
1975
Leopold
Sedar Sengor
(Senegal)
1976
Eugene
Guillevic
(France)
1977
Arthur
Lundkvist
(Sweden)
1978
Rafael
Alberti
(Spain)
1979
Miroslav
Krleza
(Croatia)
1980
Hans Magnus Enzensberger (Germany)
1981
Blaze
Koneski (Macedonia)
1982
Nikita
Stanescu (Romania)
1983
Sachidanand H. Vatsjajn-Agjej (India)
1984
Andrej Voznesenski (Russia)
1985
Janis
Ritsos
(Greece)
1986
Allen
Ginsberg
(USA)
1987
Tadeus Ruzhevic (Poland)
1988
Desanka Maksimovic (Yugoslavia)
1989
Thomas Shapkott (Australia)
1990
Justo Horhe Padron
(Spain)
1991
Joseph
Brodsky
(USA)
1992
Ferenzs
Juhas (Hungary)
1993
Genadi Ajgi (Chuvash Republic, Russia)
1994
Ted
Hughes
(Great Britain)
1995
Jehuda
Amichai
(Israel)
1996
Makoto
Ooka
(Japan)
1997
Adonis
(Syria)
1998
Lu Juan
(China)
1998
Yves
Bonnfoy (France)
2000
Edoardo Sangvinetti (Italy)
2001
Seamus
Heaney
(Ireland)
2002
Slavko
Mihalic
(Croatia)
2003
Thomas Transtroemer
(Sweden)
2004
Vasço
Grassa Moura
(Portugal)
2005
William
S. Merwin
(USA)
2006
Nancy
Morejon
(Cuba)
2007
Mahmoud Darwish (Palestine)

Naast het praalgraf van Picornie (over Joris Abeling)

Joris Abeling (m)

Volledige naam: Joris Alexander Roverius Abeling
Joris werd op 13 september in het jaar 1971 in Amsterdam geboren.
Hij is op 16 februari in het jaar 1998 in Hongarije, tijdens een tragisch auto-ongeluk, overleden. Hij ligt begraven op begraafplaats De Nieuwe Ooster, pal naast Ajax-uebervandaal Carlos Picornie – over wie Joris bij leven nog een tv-documentaire probeerde te maken voor de VPRO.

Abeling,Joris19960118-29

  1. Royalty ’98
    (Redactie)
    Uitgeverij De Bezige Bij, ISBN 90-234-3755-1, 1998, geen informatie over leverbaarheid.
  2. Teloorgang en wederopstanding van de Nederlandse monarchie (1848-1898)
    (Auteur)
    Prometheus, ISBN 90-5333-372-X, 1996, geen informatie over leverbaarheid.
  3. Aan iedere spijker een regel
    (Redactie)
    Prometheus, ISBN 90-5333-388-6, 1995, geen informatie over leverbaarheid.
  4. Interviews uit Nederland
    (Inleiding, Samenstelling, Secundaire auteur)
    Prometheus, ISBN 90-5333-254-5, 1994, geen informatie over leverbaarheid.
  5. Willem III
    (Auteur)
    Mets/Passatempo, ISBN 90-5330-133-X, 1994, geen informatie over leverbaarheid.

Op 16 februari 1998 kwam Joris Abeling tijdens een verkeersongeluk in Hongarije om het leven. Joris was medeoprichter van MillenniuM, auteur van enkele historische werken over de Nederlandse monarchie, en al meer dan een decennium mijn beste vriend. Het einde kwam na een verblijf in de Bosnische heuvels, waar we samen op skivakantie waren gegaan in het roversnest van Radovan Karadzic. Joris stierf naast me in mijn Honda, zijn knie tegen de mijne, met op schoot een klassiek boek over voetbalvandalen, Among the thugs van Bill Buford. Hij las er uit voor toen het lot zijn smerige valstrik bereidde, in de buurt van dat onmogelijke kleine, vervloekte plaatsje Nemeskeresztur, waar een dronken onverlaat op een slechte maandag de fout maakte linksaf te slaan, een landweggetje op, zonder daarbij diens richtingaanwijzer te gebruiken.
Tijdens onze heenreis vroeg Joris aan de receptioniste van Hotel Dunav of de vrouw bang was dat er wellicht weer eens oorlog in het gebied kon uitbreken. Waarop de vrouw onbewogen riposteerde: `natuurlijk, zoiets kan altijd weer gebeuren.’ Joris vertelde daarop een grap uit de tv-serie Blackadder met Rowin Atkinson. Blackadder staat in de bewuste scene voor een doodspeloton, en de commandant vraagt aan Blackadder of hij nog een laatste wens heeft. Waarop Blackadder zegt: `Could you perhaps make me a little pause between ready and fire. Something like twentyfive years.’
Ik heb hier vaak aan terug moeten denken na het ongeluk. Joris heeft op een akelige manier zijn pauze gekregen tussen ready and fire. Hij werd zesentwintig.

Als ik op een vrijdagmiddag de Oosterbegraafplaats bezoek in Amsterdam, zie ik dat op Joris’ graf een zin staat uitvergroot uit een van zijn brieven die hij naar huis schreef toen hij in Engeland studeerde.
`Zal zo mijn leven zijn…
dat ik, bang veel tijd verloren te hebben,
op een dag zie hoe vroeg het is?’
De woorden staan er in een nog brandschoon handschrift. Ik huiver als ik bedenk hoe Joris de regels als zeventienjarige moet hebben opgeschreven, zonder te kunnen vermoeden dat ze nu, tien jaar later, al op zijn graf zouden staan. Het gekopiëerde, uitvergrote fragment is met een kleurenfoto op een plankje geplakt dat rechtop in de aarde is gedrukt. Een echte grafsteen is nog in de maak. Joris’ rustplaats is vooralsnog een toonbeeld van ingetogenheid tussen de vele protserige monumenten waarmee nabestaanden hun dierbare doden voor de vergetelheid willen behoeden. De meeste graven schreeuwen om aandacht. Vergeleken daarbij is de plek waar Joris ligt een scheepje met wat aarde, bloemen en een rieten waakvlam-mandje, dat rustig wegdrijft in de tijd.
Twee stappen verder prijkt het praalgraf van de koning der vandalen, Carlo Picornie, de Ajax-supporter die met honkbalknuppels en metalen staven bij Beverwijk het hiernamaals in geslagen werd. Zijn forse lichaam was achtergebleven in een weiland nadat de stoottroepen van Feyenoord en Ajax er slag hadden geleverd. De Hotemetoten hadden collectief de aftocht geblazen toen de politie in zicht was maar het lijk van de gesneuvelde gladiator was te zwaar om tijdig te kunnen worden weggesleept.
De lokatie van Joris’ graf had ik mogen bepalen samen met zijn vriendin Yoline. Die had me destijds na de repatriëring in een rolstoel tussen de hagen door gemanoeuvreerd, en uiteindelijk waren we hier tot stilstand gekomen. De medewerker van de begraafplaats vroeg of we het niet erg vonden dat Picornies graf op steenworp afstand lag, `in verband met mogelijke Ajax-pelgrimmages’.
Yoline had me aangekeken. Allebei dachten we aan het boek van Bill Buford dat de brandweerlieden in Hongarije van Joris’ schoot hadden geplukt. Het King Size marmeren matras verderop was ons slechts half opgevallen. Noch Yoline noch ik had de moeite genomen om de naam te lezen die in krulletters gegraveerd stond in het opengeslagen boek dat als grafsteen op het familiegraf was gezet. De goeddeels lege pagina’s leken te smeken om nieuwe namen die konden worden toegevoegd. De familie Picornie had een behoorlijke wissel op de toekomst genomen; de weduwe die achterbleef was amper dertig. Wat er ook zou gebeuren in haar verdere leven, niemand zou vergeten dat hier een stenen bruidsbed voor haar lag gespreid. Ze hoefde er enkel nog in te gaan liggen.
Voor het VPRO-programma Lopende Zaken had Joris een uitzending willen maken over het verborgen leven van hotelbaas, huisvader en supervandaal Picornie, maar zijn plannen waren afgeketst op de onwil van deze en gene om voor de camera te verschijnen.
Yoline en ik konden het niet erg vinden dat Joris en Picornie buren werden. Es muss sein. De diepere bedoeling van dit `grapje van het toeval’ bleef onduidelijk, maar op zoek gaan naar een andere plek leek ons flauwekul. Boven onze hoofden klonk de gnuivende lach van Joris, blijkbaar kon hij het gezelschap van Picornie wel waarderen.

Het graf van Joris op de Nieuwe Ooster, naast Picornie. Het rugzakje is van brons.

Het graf van Joris op de Nieuwe Ooster, naast Picornie. Het rugzakje is van brons.

’s Avonds, na het bezoek aan de begraafplaats, heb ik even heel sterk het gevoel, als ik naar de laatste foto kijk die ik van Joris vriend heb genomen in het computerloze Internet-café van Sarajevo, dat er na de dood helemaal niks meer is. Dat het allemaal weg en over is, het lichaam en de geest die erin huisde enkel nog wat chemische restjes die allengs oplossen in de omgeving. En dat het hele gezever van `je een houding vinden’ ten opzichte van de dood en `het plek geven’ aan overleden dierbaren, enkel en alleen een probleem is van de overlevenden; de rust van de doden is dan pikzwart maar volledig.

Misschien te mooi om waar te zijn. Meestal zijn mijn gedachten en vermoedens over de dood niet zo nihilistisch. Als ik de Michielshelling in Gent over ga, steek ik halverwege bij de bronzen beeltenis van de Drakendoder altijd even mijn rechter vuist op als saluut aan my brother out there.
En verder?
Het antwoord staat hier in Gent op de muur van een steeg geschreven: WIJ DOEN VERDER!
Wat anders?
Joris heeft zich niet voor niets aan zijn ribben laten rijgen.

fragmenten hierboven afkomstig uit: [Balkan] Wij noemen het rozen, (uitg. Podium 1999)

————————————————————————

Alleen de helden springen precies op tijd
(de rest sukkelt er maar een beetje achteraan…)

afgelopen maandag
een boottochtje met hele personeel van Broer, op een ouderwets en statig
jacht met verschillende deks, kajuiten & in het ruim een heuse salon met chesterfield bank,
een luxe keuken vanwaaruit roberto zijn zintuiglijke verrassingsaanvallen bereidde, bovendeks live muziek onder tenten of kazuivels leken het wel, van die puntvormige zeilen
lekkere lousy tunes door dj’s en jazzmuzikanten als edwin berg die nauwelijks
uitgeslapen waren van hun zondagnachtoptreden op
north sea jazz. en vreemd genoeg (dat verwacht je niet
van al die (ex)sportlieden en gedisciplineerde
burgermannen en stalen nonnen en zilverreigers
aan boord), een hele ferme dosis
geestelijke versnaperingen en alcohol die het schip
tegen de avond ets van Le Bateau Ivre gaven, dat
zachtjes in de donkerroze hemel ter sterre voer en in
een andere wereld aanmeerde. ik won
nog een zwemwedstrijdje, roberto mozarella die even
goed kan zwemmen als een vis zingen, kun je nagaan hoe
dronken en apestoned die sportjokers waren!
maar ja ik sprong dan ook een tel te vroeg in het
water van de vaporetto die de plas op was gevaren. ‘je
duikt te vroeg!’ zeiden de lapzwansen aan
dek, waarop ik natuurlijk antwoordde dat ze dat
verkeerd zagen omdat zij gewoon te laat doken. tja,
alleen rockjunken als brood of morrison of mijn beste
vriend daarboven springen precies op tijd; de rest
sukkelt er altijd maar een beetje achteraan.
de eeuwigheid is even gulzig als geduldig, even
onverzadigbaar als verzadigd, daar kunnen onrustige vliegen
zoals ik nog een voorbeeld aan nemen nietwaar?
chogyam trumpa – de oosterse vriend van allen
ginsberg die de beatpoet leerde mediteren op
voorwaarde dat ginsberg zijn vriend zou leren dichten
(uiteindelijk bakten ze van beide weinig, maar het is
de poging die telt)- sprak oog in oog met stervenden
altijd de troostende woorden: ‘you may live, you may
die – both are good’.maar ja, trumpa was dan ook
tibetaan en boedist in Amerikaans exil. vandaar dat hij zich zonder
teveelkommer dood kon drinken. net als de dierbare
veelkleurige pessoa, die dat ook heel best vond, zoals
een vorige vriendin van mij me keer op keer duidelijk
maakte (waarom vroeg ik me af, wil ze dat ik zijn
voorbeeld volg? of vond ze dat ik teveel aan het
leven hechtte? mijn vriend was amper enkele maanden dood,
dus ik was overgevoelig en paranoia, alles wat naar de
dood verwees zag ik als en directe of indirecte
aanval, de verwoester die onverstoorbaar voortging met
het leggen van zijn valstrikken. mja, als je lang
genoeg in bad gelegen hebt wordt het water vuil
en hijs je je vanzelf maar weer in je vertrouwde kloffie. Zoals ik nu…

Medewerker Joris Abeling verongelukt

Door een onzer redacteuren

artikel | Woensdag 18-02-1998 | Sectie: Binnenland | Pagina: 2

ROTTERDAM, 18 FEBR. Bij een verkeersongeluk in Hongarije is eergisteren Joris Abeling omgekomen. Hij was redacteur van het cultureel tijdschrift ‘MillenniuM’ en vaste medewerker van NRC Handelsblad. Hij is 26 jaar geworden.

Na het gymnasium in Oss volgde Joris Abeling een jaar colleges in Cambridge en Oxford. Daarna studeerde hij geschiedenis in Amsterdam. Na zijn doctoraalexamen in 1994 liep Abeling stage bij de verslaggeverij van deze krant. Afgelopen zomer keerde hij, na een jaar gewerkt te hebben bij de VPRO-televisie, terug als medewerker. Voor de bijlage Boeken verzorgde hij sinds augustus 1997 de nieuwsrubriek ‘Ingenaaid , Gebonden’.

Tijdens zijn studie was hij redacteur van het Amsterdamse historische tijdschrift ‘Skript’. In 1993 richtte hij, samen met Serge van Duijnhoven, het culturele tijdschrift ‘MillenniuM’ op. Voor uitgeverij Prometheus stelde hij een bundel samen met interviews die in Nederland baanbrekend zijn geweest. Begin 1996 publiceerde hij het boek ‘Teloorgang en wederopstanding van de Nederlandse monarchie, 1848-1898’, het onderwerp waarop hij eerder was afgestudeerd. Bij uitgeverij Jan Mets was eerder zijn beknopte biografie van koning Willem III verschenen.

Persoon: Joris Abeling

Archief \ 1998 \ Februari \ 20 \ boeken \ 2

In memoriam Joris Abeling

Redactie Boeken NRC-Handelsblad

artikel | Vrijdag 20-02-1998 | Sectie: boeken | Pagina: 2

Afgelopen maandag is Joris Abeling, de redacteur van de wekelijkse rubriek ‘Ingenaaid , Gebonden’, bij een auto-ongeluk in Hongarije om het leven gekomen. Hij was, na een korte vakantie in voormalig Joegoslavië, op weg naar huis. Deze week zou hij weer aan het werk gaan. Joris Abeling is 26 jaar geworden.

De historicus Joris Abeling was een veelbelovend en energiek talent. Zijn journalistieke werk was nog maar net begonnen, maar zijn aanwezigheid leek al vanzelfsprekend. Hij wachtte niet af tot een opdracht langskwam, hij nam zelf het initiatief. Voor oudere redacteuren toonde hij respect, maar hij schrok niet voor hen terug. Dat leidde tot onverwachte, interessante en soms plagerige discussies. De rolverdeling lag daarbij vast: hij poneerde iets met aplomb, een ander weersprak dat brutaal, het idioom werd allengs eigenwijzer, waarna geconcludeerd werd dat er een stuk in zat, mits de feiten geverifieerd werden.

Joris Abeling was daarmee een representant van een nieuwe generatie in de journalistiek. De krant was voor hem meer dan het café, maar ook meer dan een dienstbetrekking. Wereldbeeld en mensbeeld schuurden langs elkaar.

Dat bleek ook buiten het journalistieke milieu. Joris Abeling was een drijvende kracht achter MillenniuM, een ambitieus tijdschrift dat de gevestigde literaire bladen wil uitdagen. Hij had drie boeken op zijn naam staan, waarvan er twee het Huis van Oranje tot onderwerp hadden. Vlak voor zijn vertrek naar Joegoslavië had hij het plan opgevat voor een derde publicatie over de monarchie in Nederland. Deze fascinatie voor koningin Beatrix en haar voorouders was geen toeval. Joris Abeling had radicale opvattingen over het establishment, maar hij was niet bang het op te zoeken.

De krant en de bijlage Boeken hebben daaraan veel te kort plezier mogen beleven.

Persoon: Joris Abeling

Joris abeling (1971-1998)

Naast Joris voelde je je vaak oud. Vergeleken bij hem was je overal te laat aan begonnen, had je overal te lang over gedaan. Hij had al zo’n groot palmares, terwijl hij nog niet eens zevenentwintig was. Vorige week kwam hij om, minstens een halve eeuw te vroeg. Auto-ongeluk in Hongarije.

DOOR Rob van Erkelens

Op zijn zeventiende vertrok Joris naar Engeland, waar hij een half jaar in Oxford studeerde. Vervolgens nieuwe geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In 1994 studeerde hij af op de Nederlandse monarchie in de tweede helft van de negentiende eeuw. Zijn scriptie bewerkte hij later tot een boek, Teloorgang en Wederopstanding van de Nederlandse Monarchie.
Daar kon je Joris goed mee plagen, met dat saaie meesterwerk van hem. Terwijl wij zwoegden op die grote debuutroman, die definitieve po‰ziebundel, schreef Joris onverstoorbaar tientallen artikelen voor kranten en tijdschriften, over van alles. Hij hoefde geen schrijver te worden.
Ik leerde Joris Abeling kennen in de tijd dat hij met Serge van Duijnhoven, zijn boezemste boezemvriend, MillenniuM had opgericht, ‘detonatief tijdboek van de Kunstgroep Lage Landen’, en ik het literaire tijdschrift Zoetermeer. In een artikel van Jaap Goedegebuure in HP/De Tijd lazen we dat wij de messen moesten slijpen en de literaire strijd aangaan. Want wij waren zo verschillend, dat kon alleen maar oorlog worden.
Het werd geen oorlog. Er was geen strijd. We bleken veel waardering te hebben voor elkaar. Dat de toon verschilde, dat deed er niet toe.
Het ging altijd over deze, onze tijd. MillenniuM schreef in een van haar eerste nummers: ‘(“Nieuwe chaos” is een omschrijving die wel eens wordt gebruikt voor het tijdperk na de val van de Muur. De wereld wordt er alleen maar onoverzichtelijker op nu vaste scheidslijnen als ideologie en afkomst, levensovertuiging en leeftijd vervagen. Als nomaden reizen wij door de tijd. MillenniuM beschouwt de nieuwe chaos als een verademing.’
Hier beschreef Joris Abeling zichzelf en zijn houding tegenover de wereld. Die nieuwe chaos, waarin hij zich buitengewoon thuis voelde. Dat blijkt uit de diversiteit van zijn bezigheden. Tijdens zijn studie schreef hij voor De Groene en maakte hij interviews voor de lokale radio. Hij was redacteur van het historische tijdschrift Skript. Hij liep stage bij NRC Handelsblad, waarvoor hij zou blijven schrijven. En sinds augustus 1995 was Joris als researcher in dienst van VPRO’s Dummer en Lopende zaken. Hij hield nog tijd over om de bundel Interviews uit Nederland samen te stellen en een minibiografie van koning Willem III te schrijven.
Veelzijdigheid als levenshouding. Bij Joris was het op een of andere manier vanzelfsprekend dat hij een doortimmerd politiek NRC-stuk schreef na een nacht dansen op een ondergronds festival dat hij zelf organiseerde. Het fameuze New Rage-feest van MillenniuM was dat, in de sm-kelders van de Posthoornkerk. Detonerend. Veelzijdig. Mompelende dichters uit Macedoni‰, hysterische kunstenaars uit Groningen, verlegen performers uit Londen, en, naarmate de nacht vorderde, steeds meer wijdgepupilde, blootgebuikte dansmeisjes met de beat in hun benen.
En Joris was alles. En hij paste overal bij. Bij de dichters, bij de dansers. Ik denk dat hij dat kon omdat hij het zelf allemaal was. Joris was dichter en danser. En denker. Tegelijk.
Een open gezicht. Een innemend, mooi jongensgezicht. Overal op zijn plaats. Omdat hij overal paste. Joris was ervoor toegerust om, als volbloed postmodern mens, verscheidene levens tegelijk te leven. Dus leeft hij, na zijn tragisch ongeluk in Hongarije, voort. Dat kan niet anders.

© Rob van Erkelens / De Groene Amsterdammer

T O M   R O O D U I J N

De column De Draad verschijnt vijf keer per week.
Reacties naar rooduijn@nrc.nl


20 februari 1998

Joris
‘Joris terug’ staat er in mijn agenda op woensdag 18 februari. Vorige week zaterdag was hij vertrokken, hij belde me die middag nog op.

We werkten samen aan een boek, ‘De Republiek der Nederlanden’, waarin artikelen staan over de wenselijkheid van een republikeins staatsmodel en de nadelen van de monarchie. Een idee van Joris, opgekomen nadat hij plannen voor een boek over het veranderende Nederlandse landschap had laten varen. Hij gaf mij een rijtje namen en telefoonnummers door van historici die hij vóór zijn vertrek niet meer te pakken had gekregen. Ik zou dat werk overnemen, meteen na zijn terugkomst zouden we weer contact opnemen.

Op de dag voor zijn vertrek naar Nederland overleed Joris Abeling bij een verkeersongeluk in Hongarije. Joris was een energiek, vindingrijk en veelzijdig journalist en een aimabel, vrolijk mens. Hij was iemand van wie nog veel kon worden verwacht; in de paar jaar dat 26-jarige Joris Abeling journalist was, schreef hij spraakmakende stukken in de Agenda-bijlage en het Zaterdags Bijvoegsel van NRC Handelsblad, hij publiceerde een paar historische boeken, hij was redactiecoördinator van het literaire tijdschrift MillenniuM en hij maakte een reeks reportages voor de VPRO-televisie. De laatste maanden hield hij zich intensief bezig met een wekelijkse rubriek over het boekenvak. Joris was prettig gezelschap, je kon onbedaarlijk met hem lachen. Hij was een perfect imitator; uit de manier waarop Joris Mai Spijkers nadeed, kwam een genadeloze maar ook liefdevolle karikatuur van deze uitgever tevoorschijn. Joris was consciëntieus, hield in zijn Literaire Agenda een enorme databank met namen, telefoonnummers en adressen bij.

Een paar weken geleden zag ik dat hij nog de agenda van het vorig jaar hanteerde, en zei daar wat van. ,,Die gebruik ik nog altijd, omdat het zo’n heidens karwij is om alles over te schrijven.”

Gisteravond zat een dertigtal vrienden, familieleden en collega’s in verslagenheid bijeen in het uitgevershuis waaraan Joris zich het afgelopen jaar had verbonden: De Bezige Bij. De bel ging en tot ieders verrassing kwam Serge van Duijnhoven, Joris’ boezemvriend en reisgezel in Hongarije, de trap op. Hij werd ondersteund door zijn broer; Van Duijnhoven liep bij het ongeluk een gebroken knieschijf en een lichte hersenschudding op. De ziekenwagen die hem op het vliegveld opwachtte had hij naar zijn vrienden gestuurd, alvorens zich in het Onze Lieve Vrouwengasthuis te laten onderzoeken.

Het verhaal van Van Duijnhoven, verteld op bewonderenswaardig rustige wijze, was een opsomming van feiten, maar ging over de broosheid van het menselijk bestaan. Een onverwachte manoeuvre van een voorligger (die dronken bleek te zijn), twee auto’s botsten frontaal op elkaar en een veelbelovend leven was ten einde. Van Duijnhoven haalde een dagblad te voorschijn dat ter plaatse was verschenen: de foto’s toonden twee verschrompelde wrakken; het was een mirakel, besefte iedereen toen de krant rondging, dat Serge hier nog zat. ,,Het had ook omgekeerd kunnen zijn”, zei hij. In zijn blik verborg zich een verstarring door de confrontatie met de dood, in zijn beheerste relaas een peilloos verdriet.

De zuster en vriendin van Joris kwamen binnen, ook net uit Hongarije teruggekeerd. Er moesten praktische zaken worden geregeld, zoals dat gaat bij sterfgevallen. Wie wilde er helpen bij het beschrijven van de enveloppen? Dat het veel werk was illustreerde Joris’ zuster met de lange adressenlijst die ze opsloeg, uit de Literaire Agenda van 1997.

En de helden sterven onverschrokken (over Nick Drake)

Un homme debout ne se couche que pour mourir
Leo Ferre

Held, volgens Van Dale vs. 2000: (geen afbreking) /helt/ de (m.); -en vrouw: heldin 1250 ‘held, gewapende’ ~Hd. Held, Welsh caled (hard)
1 Ÿ dapper krijgsman, strijder die door moed uitblinkt
‘ zij streden als helden
1 Ÿ de helden zijn vermoeid
het enthousiasme (van de pioniers, hoofdpersonen e.d.) neemt af
2 Ÿ (in ’t algemeen) iem. die niet bang is, die het gevaar niet vreest
wat is een held? Iemand die straffeloos onvoorzichtig is geweest (Hermans)
4 Ÿ held van de arbeid
Russische kwalificatie voor een zeer productieve arbeider
5 Ÿ de persoon die het middelpunt van de handeling is in een roman, een toneelstuk enz.


N I C K


(1948 – 1974)

Nick Drake

Liefde zonder gevaar is geen liefde
Een jeugd zonder fouten is geen jeugd
Een leven zonder lef is geen leven
Een adolescentie of studententijd omvat meestal alle kenmerken van deze drie: jeugd, liefde, leven. Hoeveel je eruit haalt, hangt van vele faktoren af. Maar vooral van de manier waarop je zelf de ogen open houdt. Wakker bent en wakker blijft. In tijden van emotionele, professionele of existentiele crises, kan lef je net dat zetje geven, om niet terug te deinzen voor wat je voor je ziet of wat je belemmert. Lef kan je doen belanden waar je wil, maar je kunt ook – als Berend Bot de Hollandse ontdekkingsreiziger, verdwalen of verzinken in de mist, om nooit meer terug te keren. Het kan een held van je maken, een geslaagd, gerespecteerd mens, maar ook een verdoolde of verslaafde of zelfs een dode. Lef is geen garantie voor succes, en ook niet voor heldendom. Wat is een held? W.F. Hermans, de schrijver die na WO in NL tot ‘de grote drie’ werd gerekend (naast Reve en Mulisch) en die een van de mooiste romans over de Tweede Wereldoorlog heeft geschreven (De donkere kamer van Damocles), omschreef een held als iemand die ‘straffeloos onvoorzichtig kon zijn’. Anders gezegd: iemand die werd beloond voor zijn onvoorzichtigheid, daar waar anderen voor dezelfde houding waren bestraft.
Aan wie de Muze van het Lot haar ‘rozen van Pieria’ uitdeelt, heeft minder met rechtvaardigheid, dan willekeur te maken. En evenmin met menselijkheid of mededogen. Het is zoals Clint Eastwood zegt in de Western Unforgiven, als hij de sherrif neerknalt die smekend om genade vraagt: ‘why did i deserve this?’: Deservance has got nothing to do with it, little Billy. De Muze van het Lot kan even wreed als medogenloos zijn in haar hoffelijkheid om rozen rond te strooien. In Sarajevo waren de rozen die ze strooide van dodelijke aard. De burgers in de stad noemden zo de bloemvormige putjes en uitstulpingen in het asfalt die granaatinslagen nalieten. Een meisje dat me rondleidde door de Belegerde Stad, in 1995, wees me erop terwijl we onder volle maan over een basketbalveldje liepen waar geen basket meer stond. ‘We call them roses,’ zei ze met die typische Bosnische zwarte humor, ‘but they don’t smell like it.’
De Muze van het Lot; de inwoners van Sarajevo hebben haar al te goed leren kennen. In het oude Griekenland was haar naam Moira. De meeste rozen die zij uitdeelde, waren rozen op een hoopje aarde. Het eindpunt van alle moed, zijn de velden van eer. Herodotus begon daarom aan zijn Historiae te schrijven, evenals vele geschiedschrijvers na hem. De rozen van Moira zijn rood, en alleen bedoeld voor de echte helden, de onverschrokkenen, niet de toevallige geluksvogels of opportunisten. Rechtvaardig kun je haar niet noemen, Moira, daarvoor is ze te grillig en onberekenbaar en eigengereid. Maar streng is ze wel.
.
In het zicht van de dood die ons allemaal wacht, zo zou je kunnen zeggen, en de gelovigen in de erfzonde laten geen kans onbenut om dit te benadrukken, is alles ijdel, nietig, van voorbijgaande aard. Onze hoop, onze verlangens, onze illusies zijn als lucht. Ons geluk, onze rijkdom, onze status, onze carriere, onze diploma’s, zelfs ons vlees: dat alles is als gras. Een keer met de zeis erover, en het is weg. Gekortwiekt. Foetsie vanitas.
Een heel ander schrijver dan W.F. Hermans, uit een ander land ook, en een ander nest (even geniaal maar veel menselijker), namelijk Graham Greene, moet hieraan hebben gedacht toen hij in een van zijn cahiers optekende: ‘succes is uitgestelde mislukking.’ Een rake notitie, die eerder protestants dan Rooms aandoet. Toch was Graham Greene een uitgesproken katholiek. De erfzonde zei hem niets. Het leven, schuld en boete des te meer.
Succes is uitgestelde mislukking.
De opmerking is scherp en onbarmhartig, maar ook weer niet zo heel origineel. Een beetje van dezelfde aard als: ‘het leven is een kleine onderbreking op de dood’, of: ‘vrede is het alleen in de pauze’. Hij valt als spreuk gemakkelijk op een plankje te schilderen, als een ‘reminder’, een ‘memento mori’.
Maar ook hier geldt: een doorgesleten waarheid is daarom niet minder waar. Misschien is de doorgesletenheid wel een mate van betrouwbaarheid – une preuve a coutume zoals men in de Franse rechtspraak zegt. Greene’s wijze woord eerbiedigend, zou je zijn stelling wellicht nog wat uit kunnen breiden. Zoals succes uitgestelde mislukking is, is lef uitgestelde, of verdrongen lafheid.
Lef is uitgestelde lafheid.
Ik zal uitleggen wat ik hiermee bedoel:
Oog in oog met het gevaar, met de man of vrouw waar je smoorverliefd op bent zonder dat diegene het weet, oog in oog met de vijand of geweldpleger op straat, of face to face met wat zo modieus in marketingkringen heet: de uitdaging, huiveren wij allen. Staan wij te trillen op onze benen. Deinzen we terug. Kruipen in ons schulp. Stamelen. Wijfelen. Wie de diepe kloof ziet waar je overheen moet springen terwijl je op de hielen wordt gezeten, of de peilloze ogen van degene waarop je verliefd bent, of wie staart in het donkere oog, de loop van een geweer, zal in eerste instantie als aan de grond genageld blijven staan. Gevaar: er gaat een schakel om in onze lizzard-brain, red alert. Even slikken, kijken, denken voor we verder gaan. Dan kunnen we ofwel onze rede volgen die begint te calculeren, ofwel de impuls die we misschien krijgen als we alert en fit genoeg zijn. Misschien verdringen we onze angst even, zetten we zoals dat zo mooi heet, ons verstand op nul. Om later spijt te hebben; of niet. Veel mensen die gevaar trotseren, lef tonen, of onverschrokken de dood in de ogen zien, getuigen dat ze handelden ‘uit impuls’ en dat de angst iets is wat meestal pas later op komt zetten. Na afloop. Op het moment zelve hebben ze geen kans om zich eraan over te geven. Ze handelen op het scherp van de snede, in een ingeving, een flits die sneller gaat dan het denken toestaat – dat moet ook, ze dienen het verstand, het denken voor te zijn. Als ze niet verlamd willen blijven staan of liggen, ten prooi aan het gevaar of de belager, zullen ze moeten handelen, springen, beslissen – in weerwil van de huivering die een weldenkend mens onder normale omstandigheden weerhoudt van al te drieste daden (of dat nu is: het redden van een mens met gevaar voor eigen leven bv. door het binnengaan van een brandend huis waar nog iemand in verblijft, of het aanspreken van onze platonische liefde, het tegen alle uitdrukkelijke adviezen in kiezen voor een eigen eindscriptieonderwerp, het plegen van verzet of het helpen onderduiken van vervolgde joden, of het met een schop illegaal binnensluipen van de zopas door Serven veroverde enclave Srebrenica, op zoek naar sporen van de massaslachting – zoals een jonge journalist van de Christian Science Monitor deed op een moment toen de meeste mensen de slachting nog afdeden als een fabel van hysterische Bosnische vrouwen.) In alle gevallen van lef, moed, heldendaden geldt dat het verdovende middel dat de hypofyse als neurotransmitter door onze synapsen stuurt, onze angsten en onzekerheden even onvoelbaar en het gevaar onzichtbaar moet maken. En dat de pep van dopamine, serotonine, en adrinaline ons de kracht en drang geven om ons in beweging te zetten. Te doen wat we niet laten kunnen, of waarvan iets heel diep in ons vindt dat we het koste wat kost moeten doen. Dat kan goed aflopen, of slecht aflopen. Een garantie bestaat er niet. Niemand van ons wordt als held geboren, and death does make cowards of us all. Als de narcose is uitgewerkt, komen de rillingen, tranen, bibberaties, angsten, twijfels, depressies alsnog opzetten, en hun wraak is allesbehalve zoet.

Succes is uitgestelde mislukking. Lef verdrongen lafheid.
Als dat waar is, en ik denk eigenlijk van wel – het is moeilijk te betwisten, dan ligt het geheim van beide vooral in de timing. De grote slag binnenhalen voor je concurrenten, de loterij winnen, als eerste de Mount Everest beklimmen, maar ook het in het water springen als een kind verdrinkt, of in het verzet gaan als de oorlog uitbreekt: het heeft allemaal met timing te maken. Hoe verschillend de helden die we kennen ook zijn, een ding hebben ze gemeen: een feilloos gevoel voor timing. Ze moeten wel, want anders waren hun heldendaden falikant mislukt. Succes, geluk, lef of moed zijn spelingen van het lot. Heldendom is een gunst die de grillige, wispelturige Moira – de fatale Schikgodin – ons verleent, of niet natuurlijk. Al naar gelang het getijde, eb en vloed, de stand der planeten, haar humeur. Iets doen, of niet doen. Iets plegen, of iets laten. Gaan, of blijven. Onbesuisd zijn, of voorzichtig. Op het moment zelve, in de mist waarin contouren vervagen, is het een hels dilemma. Na afloop is het een kwestie van ‘lef’ of ‘laf’ – een lettertje verschil, van ‘verzet’ of ‘verraad’, van ‘goed’ of ‘fout’. Zo simpel is het in werkelijkheid meestal niet natuurlijk. De werkelijkheid is full colour, niet zwart wit, gecompliceerd en niet eenduidig. De mensen uit het verzet, de overlevenden uit de kampen, of andere oorlogshelden die nog leven, zullen de eersten zijn om dit te beamen. Zij schreeuwen niet van de daken wat voor heldendaad ze hebben begaan of hoe onverschrokken ze hun hel hebben doorstaan en dat het zo makkelijk was om te doen wat ze durfden, want ze weten te goed hoezeer het lot van anderen, die er niet meer zijn, aan hetzelfde draadje heeft gehangen als dat van henzelf. W.L. Brugsma, student in het verzet, overlevende van Dachau, journalist en jarenlang hoofdredacteur van de Haagse Post, kampte zijn naoorlogse leven lang met complexe schuld- en haatgevoelens, jegens zichzelf, jegens de moffen en jegens zijn overleden kampgenoten. De enige reden dat hij twee jaar Dachau had overleefd, was omdat hij door de Duitse bewakers in de keuken te werk werd gesteld en voedsel bijeen schaarde en schraapte dat eigenlijk voor andere kampgevangenen bedoeld was. ‘Mensen zijn als ratten of wolven, zij leven in groepen maar zullen elkaar verscheuren, indien nodig, om te overleven,’ zij Brugsma eens in een gesprek dat ik met hem had. Wie dat vindt, en heeft meegemaakt, zal niet protserig met een medaille of een lintje te koop lopen voor betoonde moed of standvastigheid.

Maar neem ook de grote film- en rockidolen, ikonen als Jimi Hendrix, Jim Morrison of sinds kort ook Herman Brood – neerlands liefste en stoutste troeteljunk. Het moment van hun vroegtijdige of zelfverkozen dood is de veer waarop ze heel precies hebben gesprongen, zoals bij een springplank in een gymzaal. Wie op het juiste moment springt, op de juiste tel of milliseconde afzet, haalt de bok. En balanceert dus zalig en gewichtloos boven ons, tot genoegen van ons aardse toeschouwers. De helden hebben timing. En de rest, hieronder, sukkelt er maar een beetje achteraan.

Over een van die sukkelaars, Kris, heb ik een verhaal geschreven dat te lezen valt als een relativistische, maar ook gemeende boodschap aan de jeugd van Enschede, aan jullie dus; de aankomende studenten van de Universiteit van Twente… Het verhaal heet: De zadziki party.

Succes is uigestelde mislukking, is de spreuk van Greene die ik daarstraks al aanhaalde.
Succes is uitgestelde mislukking.
Hoe raar het ook klinkt, het omgekeerde is soms ook waar.
Zelfs iemand die bij leven doorgaat voor een totale nitwit, druiloor, loser eerste klas, jandoedel, schijtlijster, jinx, schlemazzel of mislukkeling, kan op gegeven moment toch nog uit de geestgronden van de dood tevoorschijn springen als een held. Een starrrrrrrrrrrr of heros in de oud-Griekse betekenis, een wezen van een klasse en statuur tussen mens en godheid in; onsterfelijk door zijn roem die reikt tot verre voorbij de dood. Een kwestie van geduld.

De held van vroeger kreeg een standbeeld. De held van nu krijgt een documentaire. En fanclubs (een beetje held heeft er meer dan een) en vooral: fansites op het web, waar de liefde voor de ster in kwestie publiekelijk online kan worden beleden of bekend (hoewel dat laatste woord discutabel is; ‘bekennen is voor schuldigen’ zegt Emond Dantes oftewel de graaf van Monte Christo tegen zijn geliefde Mercedes).

Over een van die zonderlingen die van mislukkeling tot held galvaniseerde, gaat mijn volgende stuk. Misschien moet ik niet zeggen, die van mislukkeling tot held galvaniseerde, maar ‘agregeerde’ – want het proces van heldwording geschiedde bij deze persoon net als in de chemie: als een vrijmaking van energie, de roem die kwam na het uiteenvallen van het lichaam in elementen, het opgaan in gasvorm van een Engelsman die eertijds vlees was en bloed, hoe bleek en bloedeloos hij zichzelf (en anderen met hem) bij leven ook vond.

Zijn naam is Nicholas ‘Nick’ Drake, het zingende Engelse rijkeluiskindje met de lieflijke, fragiele stem, de sombere en zachtromantische liederen, tere gemoedsgesteldheid, overbeschermende ouders, en vooral: de aenemische of bloedeloze uitstraling. Trieste, tot de draad versleten snuiter van de zwarte groeven, black eyed dog (in eigen woorden) die zo zacht zong dat bijna niemand het hoorde. En die, sinds zijn dood nogal ongemakkelijk met zijn faam achter zich aan sleept, als een piraat die hinkt met een houten poot. Nick Drake had al rond zijn vijfentwintigste levensjaar het gevoel dat zijn adem was bedorven. Hij zweeg. Hij stierf. En toch (zo blijkt nu althans): hij won. Van kluns tot cultheld; dat is pas een carriere, een bok waarover je als sterveling moet springen. Doe het hem maar eens na.

Vlak voor zijn vroegtijdige dood in 1974 (hij werd 26) oordeelde Nick Drake, die zijn platen aan de straatstenen niet kwijt kon en die bij de vier concerten die hij ooit gaf het stemmen van de instrumenten langer liet duren dan zijn songs, dat hij ‘op alle gebieden had gefaald.’ Zelfs zijn dood voltrok zich per vergissing. Opgeruimd staat netjes, zou je zeggen. Maar nee. Nu, een kwart eeuw na zijn overlijden, klinkt zijn stem plots in Nike-reclamespots. Reist een zeer hagiografische documentaire over zijn moeizame bestaan mee met ieder hip cultuurfestival. Bekvechten trotse, babbelzieke psychiaters op het Internet over de precieze aard van zijn kwalen. En is er een pelgrimscommissie actief, aangevoerd door Nick Drake’s oudere zuster, die geen gelegenheid voorbij laat gaan om hun miskende lieveling elke keer weer een beetje meer uit het slijk van de vergetelheid omhoog te trekken.
Het zal dit pelgrimscomite waarschijnlijk niet bevallen dat ik hun uitverkoren koe niet uit de sloot wil helpen trekken, maar aan de zaligverklaring van Nick Drake draag ik liever geen steentje bij. Ik zie niets in die jongen, en wat ik wel zie dat bevalt me niet. De documentaire van Joris Berkvens die op tal van prestigieuze plekken en in Nederland, Belgie en Engeland ook op tv was te zien, gaf me de indruk van een bang- en ziekelijk, verwend en overbeschermd kostschoolindje met een Oedipuscomplex van Thebaanse proportie. Een Old Man in a Young Skin, een onschuldige en ongevaarlijke teddybeer met een piratennaam, die toen hij 25 was tegen zijn moeder zei dat hij ‘geen liedjes meer had om te zingen’ en om middernacht de trap afdaalde om een bord brintapap met cornflakes te eten, waarbij hij per ongeluk teveel kalmerings- en slaaptabletten inslikte. Een hapje voor papa, een hapje voor mama, een hapje voor de eeuwigheid. In genoemde documentaire vertelt Nick’s zus, een actrice die tegenwoordig in Nederland woonachtig is, hoe haar broer teveel pillen uit het buisje van de psychiater schudde, aldus een wel heel letterlijke invulling gevend aan de uitdrukking dat men ‘per abuis’ een daad kan verrichten of een draad door kan knippen.
Maar hoe per ongeluk is per abuis in het geval van een dodelijke overdosis? De man die de pillen had voorgeschreven was ook degene die ten overstaan van zijn patient de conclusie had getrokken die de oorzaak van Nick’s falen als muzikaal fenomeen, en zijn depressieve gemoedsgesteldheid, in een enkel zinnetje samenvatte:
de wereld is een hele harde plek,
voor een zanger zonder grote bek.

Moeder klopte op de deur van de jongenskamer waar Nick zijn laatste nacht doorbracht. Ze klopte en klopte, het was al twaalf uur. Tijd om op te staan, Nickie lief, darling…
Dat vond zoonlief dus niet. Geen tijd om op te staan. Integendeel, het was tijd om nooit meer op te staan.
De revival van Nick Drake heeft dan ook iets deerniswekkends, vind ik.
Die jongen wilde rust, na een kort maar moeizaam leven dat hem loodzwaar viel, omdat hij het gevoel had, zoals vele depressievelingen, dat het leven voor hem steeds meer op dat van een gevangene begon te lijken die te werk was gesteld in een groeve. In plaats van met blote handen steenbrokken te moeten rondsjouwen, vreesde Nick dat het zijn lot was om mislukking- en vergissingen te stapelen. Wie het leven als een verblijf ziet in een kamp voor Prisoners of War, rekent niet meer op de humane softheid van zijn Rechter of Belagers. Hij weet dat de strafmaat in oorlogstijd van kapitale aard is. No exceptions to the rule. Volgens somberaars als Nick heeft een mens wat de voltrekking van zijn vonnis een keuze tussen grofweg standrechtelijke executie, meestal via nekschot met een doek voor de ogen (eigenlijk alleen voorbehouden aan on- of doodgeborenen). Of levenslang (‘uitstel van executie’ om met Graham Greene te spreken); de straf van iedere boreling die zijn tijd tussen de muren van dit bestaan uit moet zitten. Waarbij strafkamp aarde dat in de kosmos rondzweeft eenzelfde plaats inneemt als de Goelag Archipel in de voormalige Sovjetunie of Goli Otok (‘steeneiland’) in Tito’s Joegoslavie. Ontsnappen is onmogelijk. Boven de poort van deze groeve der verdoemden staat de spreuk die Dante situeerde in het onderaardse: laat varen iedere hoop gij die hier binnentreedt. Lasce ogne speranza, che que entrata.
Uw executie, O mens, mag dan uitgesteld zijn voor onbepaalde tijd, nimmer wordt ze afgeblazen. Om van de onbepaalde duur van het uitstel bepaalde duur te maken, volstaat het om het lot een handje te helpen. Bij het prikkeldraad wordt men gewaarschuwd: Tresspassers will be shot, survivors will be shot again. Zwartgalligen als Nick zien dit eerder als aanmoediging. Het piepkleine heft dat een mens de Gode zij dank nog zelf in de hand mag en kan hebben. Tenzij men met die God tezeer op goede voet staat of wil staan natuurlijk. Dan zal de goedertieren Schepper zijn bekommernis laten blijken door uit voorzorg het lemmet weg te nemen uit ’s mensen heft. Of door – al naar gelang de religie – de handen af te hakken bij het polsbot zodat men niet de hand slaat aan zichzelf. In dat geval rest weinig anders meer dan werkloos toezien hoe de dagen in het strafkamp nog langzamer verstrijken, hoe de tijd zonder afleiding nog langer en pijnlijker wordt uitgesmeerd. Wachten op het verlossende moment van bevrijding en genade kan vervloekt lang duren als het over wordt gelaten aan het Opperwezen. Die kijkt niet op een jaartje of een eeuwtje meer of minder. Zelfs een millennium duurt in het bewustzijn der Almachtige – zo leze men in diverse Openbaringen – minder lang dan de luttele seconden die het een sterveling als Nick Drake kost om een keer goed te gapen. Te knipperen met de ogen. Een slok te nemen uit een glaasje water. En het licht uit te doen in de slaapkamer.

Een ziener was hij niet
En woorden vond hij zelden
Alsof ze waren zoekgeraakt
Voor hij ze had gevonden

Om pijn te dragen spaar je
Je gevoelens op
Streel je je binnenste als een gezicht
Zoals je de huid streelt van een geliefde

Of een dode.
En verder moet je er
Het zwijgen toe doen.

Lord Byron, gestorven aan de gevolgen van tyfus in de moerassen van het Griekse Missolinghi, had als laatste uitdrukkelijke wens dat zijn beenderen nooit ente nimmer terug naar het vervloekte bigotte Engeland vervoerd mochten worden om daar te worden begraven. Engeland had de uitbundige Lord uitgekotst, verbannen wegens aantijgingen van sodomie en zedenloosheid door zijn vrouw Annabelle Milbanke. Byron leefde zijn hele leven als banneling, die nimmer nog van plan was terug te keren. En wat geschiedde? Byrons lijk was na zijn dood op de negentiende april 1824 (de dichter was toen 36) nog niet onder de Griekse zoden gelegd door zijn personeel, of een heirschare van Engelse zendelingen arriveerde die de laatste, beslissende wil van hun patroon bruskeerde door lijkschennis te plegen, en de dichter voor eeuwig van zijn rust te beroven door het lichaam van Byron te dissecteren, balsemen, en zelfs te repatrieren naar de bron die hij zogenaamd vergiftigd had: Hucknall Torkard bij Newstead,. ‘T’is time this heart should be unmoved/Since other’s it has ceased to move’, dichtte Byron in het laatste, vermoeide vers dat hij vlak voor zijn overlijden schreef (On this day I complete my 36th year). De heirschare zette het hart van hun ‘romantic traveller’ op sterk water. Men analyseerde het lichaam van kruin tot eikel, knipte lokjes haar af, balsemde de resten en zond ‘the mummie that returns’ naar het land dat hem met zoveel overtuiging zestien jaar daarvoor had weggetrapt als een schurftige hond. De wikkels, glazen potjes, lokken, testikels en beenderen van de recalcitrante, pantheistische banneling die spookverhalen had geschreven over vampirisme en bloedorgieen, en sublieme canto’s over de ongelovige galante vrijbuiter Don Juan, kwamen precies terecht waar Byron het nadrukkelijk nimmer had gewild. Onder de marmeren tegelvloer van een nette Anglicaanse kerk, als schrijn. Zo springen wij om met onze helden. Merkwaardig nietwaar, dat men om het onbenulligste stoffelijke detail van de vereerde hysterisch of pieus begint te janken, terwijl men met diens expliciete testament zijn kont afveegt. Ieder vingerkootje, hoektandje, velletje, pukkeltje, wimperhaartje, opgefrommeld kattebelletje of afgesneden oorlelletje is ‘van onschatbare waarde’, maar de eigen wil van de (on)zalige is om op te spugen. Misschien moet men ook hier wel zeggen, als de Nazarener uit het evengelie: ‘vergeef hen, Heer, ze weten niet wat ze doen’. Idolatrie en religie liggen niet zover van elkaar vandaan, in beide gevallen gaat het om praktijken van mensen die geboren worden met een ernstig verstandelijk tekort (mentaal gehandicapten) of die lijden aan een pathologische kwaal (een ziekelijke behoefte aan verering, illusionisme, megalomane schizofrenie, gebrek aan eigenwaarde gecombineerd met gebrek aan respect voor de ander). Voor de wet, en ook voor Jezus, zijn de seniele mensen niet toerekeningsvatbaar. Vandaar: vergeef hen, Heer, zij weten niet
Welke waarde heeft de wilsbeschikking van een medemens, voor een mongool die net niet in staat is om de wereld uit een ander perspectief te zien dan dat van zijn kindse ego?

Nick Drake stierf tien jaar jonger dan Byron, hij werd zesentwintig. Gedurende zijn leven nam hij drie albums op, die telkens in bulkvoorraad werden opgekocht door zijn moeder om de familie voor teveel schande en de muziekfirma voor te grote verliezen te behoeden. In het enige bewaard gegeven interview dat hij ooit gaf, vertelde Nick dat hij de mensen die zijn muziek niet kochten, eigenlijk wel kon begrijpen. Zelf kon hij zijn muziek ook niet aanhoren, en een keer begon hij zelfs te huilen toen iemand hem een van zijn platenhoezen in handen drukte. De artistieke omgeving van Nick wist zich, in een tijd van ten top gedreven sterrenmanie in de muziekwereld, geen raad met de overgevoelige, schuchtere liedjeszanger met de stem van een speldenkussen – zonder spelden. De muziekindustrie zag in Nick de verpersoonlijking van de ultieme loser, het schrikbeeld van de artiest die gedoemd is om te falen en waarin investeren hetzelfde rendement opleverde als het stuksmijten van een spaarvarken in een toilet.
Zijn bandleden bezagen de psychologische Werdegang van hun zanger aanvankelijk nog met deernis, daarna steeds meer met schouderophalen. Nick Drake was de enige popartiest die het stemmen van zijn instrumenten langer liet duren dan zijn songs en soms zelfs dan zijn concerten, omdat hij panisch was voor het rumoerige publiek dat hem toch niet mocht (zo meende hij). Bovendien vond hij het uit principe ‘onbeleefd’ om anderen te overtstemmen of de mond te snoeren. Al na een viertal optredens ter promotie van zijn eerste album, onderbrak Nick zijn geplande lange mars langs jeugdhonken en bierholen, en besloot nooit meer een podium op te strompelen voor publiek.
Rock- of pophelden van formaat (neem Doe Maar) minachten of haten hun publiek, uit noodzaak of lijfsbehoud. Nick Drake vreesde een publiek dat hij niet had. Ook zijn studio-opnames leverden hem vooral kommer op en kwel op, vanwege zijn besluiteloosheid. Het eerte album flopte, het tweede en derde bleven helemaal onopgemerkt. Zo radeloos en ontdaan raakte hij ervan, dat hij uiteindelijk zijn gitaar aan de treurwilg voor het ouderlijk huis hing, en besloot om computeringenieur te worden. We schrijven 1973, en een gemiddelde computer besloeg toen nog de oppervlakte van een of twee klaslokalen. Toen dat niet haalbaar bleek meldde hij zich aan op de officiersopleiding van het Engelse leger. De zachte, goedaardige Nick, het doetje met de face van een teddybeer, de stem van een cherubijn en de lange herfstige lokken van het aan zijn Indian Summer bezigzijnde ‘peace & love’, als kolonel of kapitein in het geharde leger van het Verenigd Koninkrijk – als kortgeschoren officier in Belfast op Falls Road? Dat laatste vond zelfs zijn zuster een goede grap. Nick heeft zich hoe dan ook aangemeld bij the English Royal Army, maar ook daar bliefden ze ‘m niet en werd hij ongebruikt retour gestuurd. Hoevaak kan een mens struikelen voor hij van lieverlee maar blijft liggen op de grond?
Nick gaf in zijn laatste levensjaar herhaaldelijk te kennen dat hij moe was van de dingen en de wereld. Hij vond zichzelf teveel, een act zonder presence om het zo te zeggen, en de enkeling die de zacht stamelende zanger ooit met gebogen hoofd op een podium heeft zien staan, kon dat alleen maar beamen. Zelfs voor zijn verdraagzame, vermogende ouders, was hij een zielige vertoning. En een pain in the ass. Nick ging er keer op keer vandoor met hun auto, om een paar uur later op te bellen dat hij met een lege tank ergens in het landschap was gestrand. Tanken bij de pomp durfde hij niet wegens smet- en mensenvrees, en al had hij het gedurfd, hij had geen rooie penny om de kosten van de benzine te betalen. Dus moesten papa of mama de verloren zoon weer eens gaan ophalen ergens langs de weg op het glooiende platteland.
Kon hij meer zijn dan een lastpak en een dromer die te onhandig was om in zijn eigen onderhoud te voorzien? ‘Mother, I failed in everything I did,’ beklaagde hij zich op een ochtend bij het ontbijt. Het stuklopen van zijn jeugdige ambitie, voelde alsof de bodem ook onder zijn toekomst was weggeslagen. Die paar keer dat hij op een podium overdreven lang zijn gitaar stemde, werd een metafoor voor zijn houding ten aanzien van het leven. Hij ontweek de mensen, kwam zelfs zijn vrienden niet meer onder ogen, dook weg uit de maatschappij als een schichtig dier dat voor zijn eigen schaduw op de vlucht sloeg.
Nick begon zichzelf te zien alsof hij iets of iemand anders was, een personage, een stripfiguur, een inktpatroon, een vlek die hij uit kon wissen. Hij begon te oefenen in lichtheid, te fantaseren dat hij op zou lossen, de lijnen van zijn contouren zouden vervagen, dat de beelden op zijn netvlies nevel werd van de sterren, het zwart van de ruimte, dat hij zijn lichaam uit kon zetten zoals je een tv uitzet. Maar zodra hij dit soort dingen dacht speelde zijn gevoel op van gemis, een besef dat aan zijn kop ging hangen en trekken als een krijsend aapje. Zelf verstomde hij, terwijl hij juist had willen brullen, blaffen, schreeuwen van de daken, over alle hoofden. Het lied van de Hoogste Toren. Hij zonk weg onder zijn lange, dunne benen, terwijl hij de hemel door had willen rennen, met het vuur onder zijn zolen. Hij had willen eindigen als Rimbaud. Een komeet die in zijn staart verschroeit. Maar hij doofde zonder te branden.

Nick Drakes moeder vond hem dus, die ochtend in november van het jaar 1974, om twaalf uur. Zijn moeder. Wie anders. Daar lag haar dode engel in zijn jongensbed. Ontkleed, het oog omhoog, gestrekt op bed, uitgeteld en uitgezongen, een angel in de keel. Haar zoon die van lieveling een naam werd op een plaat van krakerig vinyl, de aanhef op een spuuglelijk familiegraf.
En verder groeide het leven, als gras rondom de marmeren gedenksteen, als de hulstbladeren die zijn vader snoeide uit het struikgewas, de distels op het pad.

Tot de merkwaardige herrijzenis gestalte kreeg.
Ineens, twintig jaar na zijn overlijden, verscheen zijn beeltenis op posters. Klonk zijn stem plots in reclamespots. Doken er groepjes op die zijn nagedachtenis eerden, zijn muziek zwijmelend bespraken en becommentarieerden. Maakte een Nederlandse documentairemaker een hagiografisch portret van de zanger als een eigentijdse poete maudit, een miskend Engels genie. Zijn platen begonnen, in cd-vorm dit keer, te verkopen. Voor het eerst luisterden mensen in aanzienlijke getalen naar de zanger die bij gebrek aan succes (en nog veel meer, getuige de titel van Berkvens’ documentaire: ‘A skin too few’) besloten had om er voorgoed het zwijgen toe te doen. Links en rechts vang ik flarden op in de media, kom ik zijn stem of schaduw tegen in de ether, op posters, postkaarten, bij culturele festivals, op het filmscherm of de buis. De zanger die te bang was om zijn publiek te overstemmen, vindt eindelijk waar het hem zo pijnlijk aan ontbrak. (aandacht). Gebalsemd, opgehemeld en onttrokken aan de verderfelijke werking van lijflijke aanwezigheid, klinkt zijn zachtsatijnen stem als nooit tevoren. Zijn gezicht spreekt tot de verbeelding, het heeft iets dromerig romantisch. Het al te tobberige lijkt er af, daar waar een studievriend te Cambridge zich in 1970 nog afvroeg ‘of Nick wel tot de gemeenschap der levenden behoort. Zijn geest lijkt altijd ergens anders.’
Voor het huidige publiek is Nick Drake een beetje mysterieus, veraf en toch dichtbij, modieus en gedateerd als de retro-mode van de jaren zeventig die momenteel zo in zwang is. De zanger lijkt nog een hele toekomst te hebben, al was het maar omdat zijn platen (haast) nooit zijn gedraaid, laat staan grijsgedraaid. Nicks zus en documentairemaker Joris Berkvens c.s. hebben hard genoeg aan het dode haar van hun geliefde getrokken om hem uit het slijk van de vergetelheid te tillen. Nu werken ze samen verder aan zijn alomtegenwoordigheid die een vereiste is om mee te draaien in de digitale carrousel van het moderne heldendom.
Of de zanger blij moet zijn met zijn hype, is een onmogelijke vraag. In ieder geval wordt hij nu opgemerkt door publiek dat in de jaren zeventig dwars door hem heen keek alsof hij van lucht was, of van glas. Maar de rust en stilte waar hij in de laatste periode van zijn leven zo naar snakte, die is hij kwijt. Ooit las ik een uitspraak van de secretaris van Andy Warhol, Gerard Malanga, die zei over zijn mateloos populaire werkgever: ‘hij stierf aan zijn eigen zwakheden, of misschien was het omdat zijn karma hem inhaalde.’
In zijn korte leven is Nick Drake van vele dingen verstoken gebleven, charisma, publiek, een dikke huid, doorzettingsvermogen, voorspoed. Ik heb een lijstje gemaakt dat eindeloos lang is, maar karma stond daar nog niet op. Een magisch woord, karma; misschien dat het de hele lading dekt. Wat Nick ook probeerde, alles ging het schip in. Er knaagde een leegte aan hem die hem van binnen opvrat als een gezwel van lucht; als er zoiets als een ‘karma’ bestaat dan is het dat.
Misschien geschiedde bij Nick Drake met een kwarteeuw vertraging, wat bij Andy Warhol voortijdig gebeurde. Toen Nick Drake moedeloos de trap op sloop, na zijn bord brinta met cornflakes te hebben genuttigd, die novembernacht in 1974, was zijn karma nog altijd nergens te bekennen. Het sliep zoals een computer in slaaptoestand kan verkeren, in hibernation. Pas toen Nicks broze lichaam ‘per abuis’ uit bed rolde en zijn zwarte hondenogen tegen de harde bodem van de eeuwigheid kapot sloegen, ontsnapte met zijn laatste adem ook iets wat in reactie met de buitenlucht zwol tot vele malen het oorspronkelijke volume. Iets wat expandeerde als een geest uit een fles, een luchtbel die steeds groter werd.
Nu, zevenentwintig jaar na zijn dood, heeft zelfs Nike (de Griekse godin van de Overwinning!) de frele Engelse zanger uitverkoren als haar corporate minstrel. De dode mislukkeling Nick Drake heeft iets bereikt waar menig springlevende gangsta rapper een moord voor zou doen. De heilloze missie van de Nick Drake pelgrims heeft blijkbaar zijn vruchten afgeworpen, de mislukking die met uitstel uitmondt in succes (Greene), rondom het pre-rafaelitische hoofd begint zich al iets van een aureooltje af te tekenen. Of moeten we zeggen, als Malanga: het karma heeft Nick Drake dan eindelijk ingehaald.

spreek zon
slaap zee
speel Nick
zing

(tekst uitgesproken in De Singel te Antwerpen, tijdens het festival De Nachten 2001)

Nick Drake Discography

The Nick Drake Cassette

    • (homemade songs recorded at Far Leys. Currently in the possession of Mr. and Mrs. Rodney Drake.)
      Side one: Princess of the Sand, A Season, To the Garden, Joey, Rain, Blossom (all original songs)
      Side two: Get Together, Smoking, Don’t Think Twice It’s Alright, Green Eyes, Sweet Sugar Blues, Down the Highway, Blues Run the Game, Winter is Gone, Here Come the Blues, All My Trials, Tomorrow is a Long Time, Cocaine, Courting Blues, Summertime, Black Mountain, and a curious bit at the end of the tape wherein Nick muses out loud on such subjects as: interesting people; the wee hours; driving under the influence; lies, truth and pain; the light of dawn; etc. (all covers except for the last spoken part which is entirely original)

Five Leaves Left [Antilles (U.S.), Island (U.K.)]
Bryter Layter [Antilles (U.S.), Island (U.K.)]
Pink Moon [Island (U.S.), Island (U.K.)]
Fruit Tree – The Complete Recorded Works

    • [Island, U.K.], 3 LPs, includes four previously unreleased songs — “Voice from the Mountain,” “Rider On the Wheel,” “Black-Eyed Dog,” “Hanging on a Star”

Nick Drake [Island, U.S. compilation]
Heaven in a Wild Flower [Island]
Fruit Tree [Hannibal]

    • (4-LP set, includes Five Leaves Left, Bryter Layter, Pink Moon, and Time of No Reply)

Time of No Reply [Hannibal]
Fruit Tree [Hannibal/Rykodisc]

    • (4-CD set, includes Five Leaves Left, Bryter Layter, Pink Moon, and Time of No Reply)

The Hannibal Sampler [Hannibal/Rykodisc] (promo only)

Various artists compilations

Nice Enough to Eat [Island] (includes “Time Has Told Me”)
The Greater Antilles Sampler [Antilles, U.S.] (includes “Northern Sky”)
Bumpers [Island, U.K.] (includes “Hazey Jane”)
El Pea [Island] (2-LP, includes “One of These Things First”)
Island Life [Island] (promo only; includes “Time Has Told Me”)
Voices [Hannibal] (includes “Black-Eyed Dog”)


(einde)

——————————————

MillenniuM – Tijdboek van de Kunstgroep Lage Landen (1993 – 2000)

‘Please don’t let me die in this century’

Een onderzoek naar de opkomst en ondergang van het literaire tijdschrift MillenniuM

door Miriam Rook en Suzan Schönbeck

 

De start

Serge van Duijnhoven werd in 1992 benaderd door Mai Spijkers van Prometheus, die via redacteur René Zwaap van De Groene Amsterdammer gehoord had over deze jonge literator. De contouren van het literaire tijdschrift MilleniuM begonnen zich destijds al bij de bijbehorende Kunstgroep af te tekenen, maar Spijkers wilde eerst een nulnummer geproduceerd zien, voor er besloten werd het tijdschrift op te nemen in het fonds. In juni 1993 verscheen het nulnummer en het eerste nummer bij Prometheus volgde nog datzelfde najaar.

Het literaire tijdschrift MillenniuM ontstond als onderdeel van de Stichting Kunstgroep Lage Landen en werd (net als de groep) in 1993 opgericht door o.a. Serge van Duijnhoven en Joris Abeling. Deze kunstgroep bestond uit een groep vrienden met verschillende achtergronden; dichters, schrijvers, essayisten, theater- en filmmakers, musici en beeldend kunstenaars. Het idee was dat zowel het tijdschrift als de groep in 2000 zouden worden opgeheven. Zelf noemden de oprichters MillenniuM een ‘tijdboek’, met de strijdkreet ‘please don’t let me die in this century’. De kunstgroep wilde ‘een soort van fin de millénnium-beweging zijn’, aldus Dietsche Warande en Belfort in 1993.[1] MillenniuM berichtte hierover in het nulnummer: ‘Liever kop en staart aan onze beweging dan een opportunistisch voortkabbelen op de tijd.’[2]

Het tijdschrift werd door de Kunstgroep geprofileerd als een manier om tegen bestaande regels aan te schoppen, te experimenteren (qua inhoud, maar ook qua vorm) en te prikkelen. Naar eigen zeggen om ‘op een kruispunt te staan van reflectie en creatie, van politiek en cultuur, van denken en schrijven’. Tevens wilde de Kunstgroep in de jaren negentig de balans opmaken van enkele vraagstukken die ze kenmerkend achtten voor die tijd, zoals de multiculturele samenleving, de overblijfselen van religie en mystiek, en ‘het gefragmentariseerde karakter van onze moderne maatschappij’.[3]

Het tijdschrift is nooit exclusief een literair tijdschrift geweest. Ook al kwamen nieuwe schrijvers aan bod en voerden proza en poëzie de boventoon, de focus lag ook op andere kunst- en cultuurvormen en politieke of sociaal-maatschappelijke onderwerpen. Naast de tekstuele bijdragen bevatten alle nummers ook veel kunstaanvullingen, zoals foto’s, tekeningen of andere soorten illustraties. MillenniuM verscheen in een oplage van 1000 exemplaren en de verkoop geschiedde in eerste instantie via de uitgeverijen Prometheus en later De Bezige Bij, maar ook via de betere boekhandels en platenzaken. Het tijdschrift had ongeveer vierhonderd vaste abonnees en alle delen zijn in de loop van de tijd uitverkocht.[4]

Subzero

Eind 1995 kwam er tijdelijk een einde aan het tijdschrift MillenniuM. Prometheus zag wegens teleurstellende verkoopcijfers geen heil meer in het bestaan van het tijdschrift. De verantwoordelijkheid voor de stop wordt door de Mai Spijkers bij de redactie van de Kunstgroep gelegd: ‘Ik vind het jammer dat ze niet voldoende “Ausdauer“ gehad hebben om het MillenniuM vol te maken’. Over geld spreekt hij niet.[5] Van Duijnhoven geeft op andere manier duiding aan de stop:

De werkelijke reden is zeer diffuus en deels eigenlijk geheim. Het heeft te maken met een (mislukte) couppoging in de zomer van 1995 van Rogi Wieg – die de vriend was geworden van ons redactielid Maria Barnas. Het heeft te maken met het feit dat we te veel plek innamen op de burelen van uitgeverij Prometheus, waar we tot ongenoegen van Mai ook op onvoorziene tijden vergaderden en redactiewerk verrichtten om deadlines te halen. Het heeft te maken met – inderdaad – nieuwe werkverplichtingen van redactieleden die steeds moeilijker met het redactiewerk te combineren waren.[6]

Er komt nog een laatste exemplaar uit van MillenniuM, nummer 7. In het colofon schrijft de redactie: ‘Voorlopig is dit nummer het laatste dat regulier verschijnt. […] Hoewel de mars naar de nullen nog niet is voltooid, heeft MillenniuM alvast besloten subzero te gaan.’[7] Subzero is tevens de titel van het openingsstuk van redacteur Sjoera Nas, die een vinnig relaas over computers en vernieuwde televisie en de zap-cultuur houdt (en dat terwijl in nummer 5 de zap-cultuur nog extra werd belicht):

Het is die narcotische terreur van het visuele waartegen MillenniuM vanaf het nulnummer wapens heeft uitgereikt, met essays, theaterteksten, met partituren van nieuwe muziek, met verhalen, gedichten en bespiegelingen over de verraderlijke tijdgeest.[8]

Ze besluit haar stuk met de woorden: ‘U hoort nog van ons’.

Doorstart

Een eerste poging tot een doorstart volgde in 1996 door te fuseren met het grafisch ontwerpers tijdschrift A1. Samen vormden de bladen A/1 + MillenniuM ‘Should I Stay, Should I Go?’, onderdeel van een project over reizende caravans. Een jaar na het A1-avontuur vond de Kunstgroep steun bij De Bezige Bij, omdat directeur Albert Voster, die volgens Hanneke Wijgh van Trouw een zwak had voor literaire tijdschriften,  interesse toonde in MillenniuM.[9]

Van Duijnhoven was met het nummer ‘Should I Stay Or Should I Go’ naar De Bezige Bij gestapt en de door De Designpolitie ontworpen uitgave (de mooiste, volgens Van Duijnhoven) viel in de smaak. Volgens redactrice Suzanne Holtzer zou een nieuw literair tijdschrift tot nieuwe debutanten voor De Bezige Bij kunnen leiden.[10] Holtzer vond de stijl van MillenniuM (hoewel niet altijd even literair) spannend en vol potentie. Van directeur Voster ontving de redactie zelfs de sleutel van de uitgeverij, als een symbolisch begin van de relatie. Van Duijnhoven is nog altijd vol lof over de uitgeverij: ‘De samenwerking is tot het einde subliem gebleven.’[11]

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

MillenniuM begon haar looptijd bij De Bezige Bij met een dubbelnummer over de thema’s ‘gezelligheid’ en ‘hardcore’. Wederom zocht het bladde grenzen op van deze extremen. De vormgeving was psychotisch, al doet de kop ‘Het gezelligste blad van Nederland en België’ de lezer waarschijnlijk grinniken. De toon van het thema ‘gezelligheid’ was melig, waarna het thema ‘hardcore’ erg ruw overkwam. Recensent Onno Blom van Trouw wist dan ook niet precies wat hij er van moest denken:

Het is een mix van nodeloos geweld, loos engagement inhoudsloze ruige taal. Serge van Duijnhoven roept daarop hard: “Hardcore leeft, en wij leven dankzij hardcore! Het kan ons niet hard, niet écht genoeg zijn.[12]

Reset: alles weer op nul

Kort na het verschijnen van dit nummer brak er een moeilijke tijd aan voor de Kunstgroep. Redactielid Joris Abeling, vanaf het allereerste begin onderdeel van de groep en het tijdschrift, en tevens de beste vriend van Serge van Duijnhoven, kwam 16 februari 1998 tijdens een vakantie in Hongarije op 26-jarige leeftijd om het leven bij een verkeersongeluk. Van Duijnhoven raakte daarbij zwaargewond. Hij beschrijft het ongeluk in zijn boek Wij noemen het rozen:

Joris stierf naast me in mijn Honda, zijn knie tegen de mijne, met op schoot een klassiek boek over voetbalvandalen, Among the thugs van Bill Buford. Hij las er uit voor toen het lot zijn smerige valstrik bereidde, in de buurt van dat onmogelijke kleine, vervloekte plaatsje Nemeskeresztur, waar een dronken onverlaat op een slechte maandag de fout maakte linksaf te slaan, een landweggetje op, zonder daarbij diens richtingaanwijzer te gebruiken.[13]

Het ongeluk had veel impact op Van Duijnhoven en de redactie. Een groot deel van de lol en energie, die nodig was bij het maken van het tijdschrift, verdween. Er verschenen nog drie nummers, waarbij het literaire deel steeds minder enthousiast ontvangen werd, terwijl men over de vormgeving van De Designpolitie wel steeds enthousiast bleef. Nummer 15, RESET – Alles weer op nul, werd het nummer wat alles besloot. Op Oudejaarsdag 1999 trok de Kunstgroep de stekker uit zowel de groep als het tijdschrift:

De nullen van 2000 zullen, zoals destijds beloofd, daadwerkelijk door de redactie tot strop aaneen worden geknoopt. MillenniuM zal de boeken sluiten met een heuse MillenniuMbug. Het zal zichzelf deleten op de seconde dat het jaar 2000 aanbreekt, te middernacht in het S.M.A.K. van Jan Hoet, te Gent. En daarna? Basta cosi. RESET; alles weer op nul.[14]

Volgens Van Duijnhoven was de reset ook op persoonlijk vlak nodig: ‘We waren op. Missie was volbracht. […] We hebben gegeven wat we konden. Alles weer op nul, gold ook voor ons persoonlijk.’[15]

Het beëindigen van de groep ging gepaard met de tentoonstelling Doel zonder Oorzaak en Reset, een dichtersavond en videonacht in de Melkweg op vrijdag 10 december 1999. Nummer 15 van MillenniuM gold tevens als tentoonstellingscatalogus. Volgens Peter Swanborn van De Volkskrant een nogal roemloos einde van een wild tijdschrift:

Het tijdschrift MillenniuM is niet meer. Met een tentoonstelling van maatschappijkritische kunst, een slecht georganiseerde literaire avond en een nogal saaie, laatste editie van het tijdschrift nam vrijdagavond een van de meest opvallende kunstenaarsinitiatieven van het afgelopen decennium op niet bepaald waardige wijze afscheid. [….] Gevolg was wel dat het aantal schrijvers en dichters dat voor een laatste keer het MillenniuM-podium betrad, ruimschoots het aantal bezoekers evenaarde. Geen mens wilde blijkbaar weten dat een wild en opzienbarend tijdschrift braaf en gemiddeld kan eindigen.[16]

Rob van Erkelens van De Groene Amsterdammer was iets complimenteuzer in zijn oordeel:

MillenniuM had een serieuze toon. Het was geëngageerd. Wie herinnert zich niet een artikel over Wim Kok en de WAO? Of een diepgaand onderzoek naar de slaapgewoonten van jongeren? Wat raar leek, bleek niet zo raar als je de losse draden volgde die MillenniuM in veelvoud leek te laten slingeren. Elk draadje in het web leidde naar de twee oprichters en redacteuren: Abeling en Van Duijnhoven. Het kwam allemaal uit hun hoofd. Ze sloten vriendschappen met kunstenaars in binnen- en buitenland en gingen onverstoorbaar verder met blaadjes maken.[17]

De Kunstgroep heeft woord gehouden. Hierdoor schuift MilleniuM helaas aan in het steeds langer wordende rijtje ‘gestorven’ literaire tijdschriften.


[1] Dietsche Warande en Belfort. Jaargang 138. Uitgeverij Peeters: Leuven, 1993. Pp. 666-667.

[2] MillenniuM, nr. 0, p. 8.

[3] Ibid., p. 9.

[4] E-mailconversatie met Serge van Duijnhoven, 03-07-2012

[5] Kunstredactie, ‘Jonge kunstenaars gaan nu subzero’, Trouw, 16 november 1995.

[6] E-mailconversatie met Serge van Duijnhoven, 03-07-2012

[7] MillenniuM, nr. 7. Prometheus: Amsterdam, 1995. P. 90 (bladzijdenummers lopen af).

[8] Ibid., p. 85.

[9] Hanneke Wijgh, ‘Miljoenenverlies bij De Bezige Bij gaat schuil achter rookgordijn’, Trouw, 22 mei 1996.

[10] Onno Blom, ‘De herrijzenis van twee jonge literaire tijdschriften’, Trouw, 11 juli 1997.

[11] E-mailconversatie met Serge van Duijnhoven, 03-07-2012

[12] Onno Blom, ‘De herrijzenis van twee jonge literaire tijdschriften’, Trouw, 11 juli 1997.

[13] Serge van Duijnhoven. Wij noemen het rozen. Podium: Amsterdam, 1999.

[14] MillenniuM, nr. 15, jaargang 6. De Bezige Bij: Amsterdam, 1999. P. 89.

[15] E-mailconversatie met Serge van Duijnhoven, 03-07-2012

[16] Peter Swanborn, ‘Wild tijdschrift sterft zachte dood’, De Volkskrant, 13 december 1999.

[17] Rob van Erkelens, ‘IM MillenniuM (1993-1999/2000)’, De Groene Amsterdammer, 5 januari 2000.

Krantenarchief TROUW

26 juni 1993

JOLAN DOUWES

Jonge Kunstgroep diepzinnig en speels naar het jaar 2000 ‘Wat zullen we meenemen naar de volgende eeuw?’

Jonge Kunstgroep diepzinnig en speels naar het jaar 2000 ‘Wat zullen we meenemen naar de volgende eeuw?’

Kunstgroep Lage Landen, Postbus 10293, 1001 EG Amsterdam. Lidmaatschap: honderd gulden.

Trots laat initiatiefnemer Serge van Duijnhoven (22) de rij hotelkamers zien waar zijn groep zich binnenkort gaan installeren. De ruimtes verkeren nu nog in deplorabele staat. Het bloemetjesbehang is gescheurd, de wastafels liggen op de grond en de kamernummers hangen scheef. Maar de kunstenaars zijn blij dat zij er in mogen tot het pand over een paar jaar tegen de vlakte gaat.

In de bar van het hotel maakt Van Duijnhoven afspraken met een paar beeldende kunstenaars over hun tournee door Nederland en Belgie. Na hun eerste presentatie in de Amsterdamse societeit De Kring (gisteravond) trekken zij van Groningen naar Gent om bekendheid te geven aan hun bestaan.

De Kunstgroep Lage Landen is opgericht naar het voorbeeld van de Franse ‘cenacles’ uit de vorige eeuw. Deze jonge kunstenaarsgroepen probeerden na de revolutie en het strakke regime van Napoleon een nieuwe koers uit te stippelen.

Zoiets wil het Nederlands/Belgische gezelschap ook, ‘op creatieve wijze, speels en tegelijkertijd diepzinnig’ (citaat uit de folder).

De 53 vrienden hebben een dichterscollectief, theatergroep, filmgroep, muziekensemble en beeldende kunstgroep gevormd die regelmatig samen projecten gaan opzetten. Zo staan er al een expositie met foto’s, tekeningen en poezie op stapel en een Vlaams-Nederlandse film- en theatervoorstelling over keizer Haile Selassi.

Ook in het tijdschrift MillenniuM, dat gisteren voor het eerst werd gepresenteerd, worden de genres vermengd. Bij een artikel over muziek kunnen pagina’s vol notenbalken staan en toneelteksten bij een stuk over theater. Met die ‘verfrissende veelzijdigheid’ wil het tijdschrift reageren op het hokjesdenken in de kunstwereld.

Serge van Duijnhoven erkent dat MillenniuM een beladen titel is. De term staat niet alleen voor een tijdperk van duizend jaar, maar ook voor het duizendjarig Godsrijk, zoals is aangekondigd in de Openbaringen van Johannes.

“Wees maar niet bang dat wij een fin de siecle-gevoel gaan aanpraten. Wij geloven niet in een eindtijd die op handen zou zijn. En van heilsverwachtingen moeten we al helemaal niets hebben. Maar we vinden het wel belangrijk om ons te herorienteren op de afgelopen periode. We willen onderzoeken wat genoeg waarde heeft om mee te nemen naar de volgende eeuw.”

Van Duijnhoven weet zeker dat twintigers en dertigers daar andere ideeen over hebben dan de oudere generatie. Het einde van zijn puberteit viel bijvoorbeeld samen met het einde van de Koude Oorlog. De dictaturen stortten in en de ideologieen werden farces. Maar hij had daar toch nooit in geloofd, dus hoefde hij ook niet teleurgesteld te raken.

“De oudere generatie reduceerde mensen vaak tot politieke wezens: wie dacht goed en wie dacht fout tijdens de Koude Oorlog. Die mensen zijn na de val van de Berlijnse Muur in de war geraakt. Ze weet niet meer hoe ze alle gebeurtenissen in de wereld moet verklaren. Wij houden het liever overzichtelijk door vooral naar onze directe leefomgeving te kijken. In zekere zin zijn wij ook idealistisch. Alleen wijkt ons engagement af van het politieke engagement in de jaren zestig en zeventig en gaat het dwars in tegen het cynisme van de jaren tachtig.”

De Kunstgroep Lage Landen bestaat volgens de initiatiefnemer uit optimistische twintigers en dertigers die zin hebben in de toekomst. Met het individualisme dat zo kenmerkend was voor de jaren tachtig hebben ze niet veel op. Zij zoeken juist elkaars gezelschap.

Elk jaar willen zij met een thema werken dat zij vinden passen bij deze tijd.

Bovenaan de lijst mogelijkheden staat afval, gevolgd door bloed. Van Duijnhoven legt uit dat daarvoor is gekozen, omdat het associaties oproept met AIDS. En dat wijst weer op een gebrek aan weerstand, wat typerend kan zijn voor het einde van deze eeuw. De beeldende kunstenaarsgroep heeft al een bizar plan om een schilderij te maken van bloed dat met het HIVvirus is besmet.

De club heeft nu al een recalcitrant lid: 22-jarige Martijn Snoodijk. Creatief wil hij graag zijn, maar diepzinnigheid is aan hem niet besteed. Met een vies gezicht luistert hij naar de intellectuele oprichter van het gezelschap. “Ik maak alleen maar stomme verhaaltjes over beren, dinosaurussen en apen”, zegt hij desgevraagd.

Met een zwaai gooit de kunstenaar een geel-zwart boekje op tafel. Op het titelblad staat een beer met een grijns van kaak tot kaak. Hij leunt op de klassiekers van de wereldliteratuur ‘Oorlog en vrede’, ‘Schuld en boete’ en ‘Odyssee’. Uitleg volgt op pagina 1: birza de beer waardeert het zeer wanneer je niet merkt dat zijn brein niet meer werkt In een donker zijkamertje van hotel Winston laat groepslid Peter van Es (31) een schilderij zien dat hij heeft gemaakt van waterglas. Het heeft nu nog felle kleuren, maar over zeven jaar zal er niets meer van over zijn. Van Es zal er niet om treuren. “Volgens anderen maak ik apocalyptische verdwijnkunst. Met die benaming ben ik niet zo gelukkig, want ik ben geen goochelaar. Maar mijn werk is wel een weerspiegeling van deze snelle tijd: het verandert, lost op, vervaagt en verdwijnt. Daarom past het ook zo goed bij onze groep die maar zeven jaar zal bestaan.”

Rond het magische jaar 2000 gaat de Nederlandse cenacle weer uiteen. Serge van Duijnhoven is daar stellig over. “We moeten voorkomen dat we voortkabbelen op het succes dat we dan misschien hebben. Als de kracht eruit is, vallen we in herhaling. Nu heeft onze groep kop en staart. We weten dat we over zeven jaar klaar moeten zijn voor de 21ste eeuw.”

Fin de siecles gaan voorbij en jonge generaties worden ouder. Alleen al om die reden krijgt de Kunstgroep Lage Landen niet het eeuwige leven. Van Duijnhoven: “Misschien is onze opheffing wel onze meest radicale daad. ”

© Trouw 2009, op dit artikel rust copyright.

MilleniuM

1ste jaargang, nr. 0, zomer 1993

http://www.dbnl.org/tekst/_die004199301_01/_die004199301_01_0097.htm

recensie in: Dietsche Warande en Belfort. Jaargang 138 (1993), p666/7

Ook jong maar met veel minder (misschien wel te weinig) idiotie, is het tijdschrift MilleniuM van de ‘Kunstgroep Lage Landen’. De ‘Kunstgroep’ is een Vlaams/Nederlands conglomeraat van kunstenaars en schrijvers. Het wil een soort van fin de millénium-beweging zijn, die probeert ‘op een kruispunt te staan van reflectie en creatie, van politiek en cultuur, van denken en schrijven’. De leden beogen een vermenging van genres – vandaar hun ‘multidisciplinair’ karakter.

De groep zal zich ontbinden in het midden van het jaar 2000. Zo jong en al ten dode opgeschreven; toch is de strijdkreet: ‘Please don’t let me die in this century’. Ironisch genoeg is deze slogan afkomstig van ‘de toiletdeur van Hotelbar Winston, Warmoesstraat, Amsterdam’. Maar toch is het een positieve benadering van het fin de siècle, niet decadent, zoals sommigen misschien verwachten. Er is een duidelijke geëngageerdheid aanwezig, heel expliciet bijvoorbeeld in een artikel over ‘Zure melk van heilige koeien’, dat zich afzet tegen het overdreven gebruik van de auto. Een gelijkaardige bewogenheid zit er in het essay over ‘Postmodern escapisme’ van Louis Hoeks. Hoeks beoogt geen terugkeer naar de eeuwige waarheden van christendom of marxisme, maar wil anderzijds wel weg van het al te individualistische postmodernisme. ‘Terwijl de postmodernen zo de nadruk leggen op het lokale, op de kleine verhalen en op een afwijzing van elke totaaltheorie, is er ondertussen een mondiaal groot verhaal dat zich gewoon verder voltrekt.’ Dit mondiale verhaal is

[p. 667]

de economische en ecologische realiteit, waar we iets moeten aan doen. Een ander vreemd verschijnsel (of wordt kunst weer helemaal sociaal bewogen?) is dat zowel fotografen (Peter van Es) als dichters (Serge van Duynhoven) hun werk toelichten. Dat is altijd even slikken, maar het resultaat valt nog mee. Als het aan MilleniuM ligt, is het postmoderne speelkwartier voorbij. Benieuwd wat de volgende aflevering brengt.

TIJDBOEK  MILLENNIUM

Intellectuele inhaalrace

Door Margot Engelen

artikel | Dinsdag 28-06-1994 | Sectie: Kunst | Pagina: 8 | Margot Engelen

MillenniuM 3, zomer 1994. Prometheus, 160 blz. 12,50

‘Nieuwe chaos’ is een omschrijving die wel eens wordt gebruikt voor het tijdperk na de val van de Muur. De wereld wordt er alleen maar onoverzichtelijker op nu vaste scheidslijnen als ideologie en afkomst, levensovertuiging en leeftijd vervagen. MillenniuM verwelkomt deze nieuwe smeltkroes-gedachte: Het feit dat een aantal oude zekerheden is gaan schuiven, beschouwen wij als een uitdaging om op zoek te gaan naar een nieuwe levenshouding, geënt op deze tijd. Het kwartaalboek MilleniuM van de Kunstgroep Lage Landen geeft zichzelf nog zes jaar de tijd om zo’n nieuwe levenshouding te vinden. In het jaar 2000 zullen groep en tijdschrift beide opgeheven worden.

Het blad wil ‘detonatief’ zijn, wat vermoedelijk zoiets betekent als heftig non-conformistisch; een combinatie van ontploffen en uit de toon vallen. Versnippering wordt synoniem gemaakt met veelzijdigheid; het minpunt van deze tijd omgezet in een pluspunt.

Met het stuk ‘Kunstenaar als duizendpoot’ bedoelt Joris Abeling echter geen artistieke veelzijdigheid, maar het keiharde gegeven dat sinds kort de bijstandsregeling voor kunstenaars aanzienlijk ongunstiger is geworden: als ze met hun kunst niet voldoende geld blijken te kunnen verdienen moeten ze elders solliciteren of zich laten omscholen. Het riante BKR-gevoel van de 35- tot 50-jarigen heeft bij de jongere generatie beeldend kunstenaars plaats gemaakt voor een pragmatischer, marktgerichter instelling. Abeling interviewde een paar jongeren over de nieuwe kunstmentaliteit. Eén of twee dagen in de week ernaast werken als kelner of als docent aan de Kunstacademie, gaat altijd ten koste van je concentratie en van de kwaliteit van je werk, zegt Harmen de Hoop, 33. Kunstenaarschap is een levenshouding, het ambtenaarschap niet, voegt Abeling daaraan toe. Creativiteit en commercie: het is voor velen nog altijd een verdachte combinatie. Balletdanseres Melanie van Ophem (23) vindt een strengere houding van de overheid en ondernemersgerichtheid voor een kunstenaar wel nuttig – Je mag niet aan de maatschappij blijven hangen. Abeling waarschuwt de ambtenaren dat al te gretig commercieel denken tot een verschraling van het artistieke klimaat zal leiden.

MilleniuM opent met een vreemd erotisch verhaal van de Franse schrijfster Lisa Bresner. Bij wijze van ‘intellectuele inhaalrace’ zijn veel schrijfsters van onder de dertig tegenwoordig bezig met proza over seksuele perversies, meent Bresner, wier roman De vrouwenboetseerder verscheen bij De Geus. Tijdens het schrijven ben ik een a-seksueel, een boven-seksueel wezen. Tijdens het schrijven ben ik alles, man en vrouw, jongen en meisje.

Serge van Duijnhoven, het bekendste lid van de Kunstgroep Lage Landen, publiceert in dit nummer alvast een fors fragment uit zijn debuutroman De fatale limiet. Het gaat over een groepje vrienden dat uiteenvalt. Ik vroeg me af of er een overeenkomst bestond in de wijze waarop groepjes zich vormen en ontbinden, en de wijze waarop moleculen steeds wisselende verbindingen met elkaar aangaan. Zoals atomen trillen en bewegen, zelfs in vast verband, zo bewegen de mensen, hoe dicht ze zich ook op elkaar bevinden. Het stuk ‘Zodiak’ krijgt, ondanks zijn lengte (30 blz), geen handen en voeten. We zullen moeten wachten wat de hele roman te bieden heeft.

Arjen Mulder legt in ‘Virtueel schrijven’ uit hoe het electronische, digitale boek eruit ziet. Schrijven wordt interactief lezen, communicerende computers vormen een tekstgemeenschap. Elders in MilleniuM staat een oproep aan kunstenaars van velerlei aard om een digitale MilleniuM-stad te helpen opbouwen, onder het motto ‘No more masterplans, no more locating in a fixed place, but a new heterotopia’.

Plannen te over, bij MillenniuM.

KOUDE-OORLOG RIDDER J.L. HELDRING VAN PAARD GESTOTEN?

Ten burele van NRC Handelsblad is het nog steeds onrustig. Sinds het jonge koene Amsterdamse publicistenduo Serge van Duijnhoven/ Joris Abeling, gangmakers van het tijdschrift Millennium en de Kunstgroep Lage Landen, eerder deze maand met een hardhandig ingezonden stuk een dringende oproep deden aan de grijze nestor van de courant, J. L. Heldring, om met zijn column te stoppen, is het geweeklaag over de nieuwe op handen zijnde barbarij niet van de lucht.
Van Duijnhoven en Abeling schreven hun stuk uit woede over een recente zegetocht van Heldring bij de Amsterdamse studentenvereniging Asva, waar hij als de grote overwinnaar van de Koude Oorlog werd gefeteerd. Het moet maar eens uit zijn met de Heldring-cultus, zo meent het tweetal. Sinds Serajevo heeft de methode-Heldring, die neerkomt op een eindeloze bijltjesdag voor communistische fellow travellers, haar zin verloren. De schrijver in kwestie moet van zijn ‘knokige ros op het verlaten strijdtoneel van de Koude Oorlog’ worden getakeld: ‘De vertoning heeft lang genoeg geduurd.’
Er was een tijd dat dit soort polemische grootvadermoorden aan de orde van de dag waren. In de jaren zestig bijvoorbeeld. Maar in de op harmonie en orde gestelde jaren negentig heeft een dergelijke aanslag weer een ouderwets opzwepend effect.
Ter eliminatie van het gigantische generatieconflict dat hij met het stuk van de Nieuwe Hunnen Abeling en Van Duijnhoven zag opdoemen, wijdde Heldrings collega-columnist H. J. A. Hofland er reeds twee uiterst zorgelijk getoonzette beschouwingen aan. Van alle kanten regent het woedende reacties op de vreselijke schanddaad van het Millennium-duo. Het is altijd wat bitter-vermakelijk te zien hoe gewezen rebellen op oudere leeftijd beginnen te kermen zodra de bel voor hun einde gaat luiden. De gigantische pijnkreet die weerklinkt na deze ene speldeprik heeft in ieder geval duidelijk gemaakt dat er nog steeds muziek zit in het generatieconflict. Wie volgt? (rene zwaap)

© Rene Zwaap Heldring, J.l.; Holman, Theodor / De Groene Amsterdammer 01-06-1994

Heeft de jeugd nog de toekomst?

Door J.L. Heldring

artikel | Vrijdag 13-05-1994 | Sectie: Overig | Pagina: 7

“Jongens waren we – maar aardige jongens.” Gaat deze bekende openingszin van Nescio’s Titaantjes op voor Joris Abeling en Serge van Duijnhoven? Jongens zijn ze vrijwel zeker, maar aardige jongens? In hun artikel in de krant van 10 mei hebben ze mij een consilium abeundi gegeven (die uitdrukking hoef ik toch zeker niet te vertalen voor jongens die zich aankondigen als redacteur van het tijdboek MillenniuM – wat dat ook moge zijn?).

Waarom deze raad om te vertrekken; in mijn geval: op te houden met schrijven? Omdat ik een oordeel over de generatie van de jaren zestig had gegeven dat niet veel blijkt af te wijken van wat de historicus Hans Righart er in het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift (april 1994) over gaf: “Een generatie zonder echte kopzorgen, materieel verwend, in vrijheid opgegroeid en geschoold, levend in een betrekkelijk stabiele internationale orde. Men kon zich de weelde veroorloven de totstandkoming van het aards paradijs op de agenda te zetten.”

Maar ik heb nieuws voor Joris en Serge. Goed en slecht nieuws. Eerst het goede: ik heb er de langste tijd als stukjesschrijver op zitten. Nu het slechte: ze hebben, wat mij betreft althans, het ogenblik van mijn heengaan met hun artikel uitgesteld. Ze kunnen toch niet van mij verwachten dat ik de indruk achterlaat dat hun artikel de aanleiding van mijn vertrek is?

Ondertussen is het niet erg duidelijk of ze mij het recht ontzeggen te schrijven omdat ze het met mij oneens zijn dan wel omdat ze vinden dat ik te oud ben. Is het eerste het geval, dan pleit dat niet erg voor hun democratische gezindheid. Van het aan Voltaire toegeschreven woord: “Ik ben het niet eens met wat u zegt, maar zal tot mijn dood uw recht het te zeggen verdedigen” hebben ze waarschijnlijk nooit gehoord.

Vinden ze echter dat op ouderen het consigne ‘bek houden’ past, dan zullen ze het ook wel verkeerd vinden dat de 75-jarige Nelson Mandela president van Zuid-Afrika is geworden. In elk geval negeren ze een demografische ontwikkeling: een verschuiving van jong naar oud, die zich ook gemanifesteerd heeft in de verkiezingsuitslag van 3 mei: zeven zetels winst voor de ouderenpartijen en een zetel verlies voor GroenLinks, dat zich als jongerenpartij afficheert. Willen Joris en Serge die ontwikkeling keren, dan moeten ze gauw kindertjes op de wereld zetten.

Dat verlies van GroenLinks is overigens – en daarmee stap ik af van Joris en Serge – de enige echte verrassing van de verkiezingen. Het verlies van CDA en PvdA was verwacht, maar op grond van de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen van 2 maart had de winst van GroenLinks, twee maanden later, op z’n minst vier zetels moeten zijn. Hoe dit verlies te verklaren? Heeft de jeugd de toekomst niet meer?

Natuurlijk zoekt GroenLinks de verklaring niet in de eerste plaats in eigen boezem. “Voor 80 procent heeft het niet aan ons gelegen”, zegt Maarten van Poelgeest, die campagneleider was in de Volkskrant van 10 mei. Het lag aan de andere, grotere partijen, waartussen GroenLinks vermalen werd. Ja, dat haal je de koekoek: de groteren zijn sterker. Had GroenLinks dat niet eerder kunnen bedenken?

Volgens mij heeft deze keer niet de boodschap, maar de boodschapper schuld, GroenLinks is onze milieupartij, en milieu is een ernstige zaak, een kwestie van leven of dood. En wat doet GroenLinks? Het voert een ludieke campagne: lijsttrekkers op rolschaatsen, lijsttrekkers die met elkaar boksen en, als klap op de vuurpijl, een house party waar horen en zien je vergaat en drugs vrij verhandeld worden. Dan neemt toch niemand de boodschapper meer au sérieux?

In elk geval moeten er velen zijn geweest die best sympathie voor de boodschap van GroenLinks hadden, maar bij het zien van deze capriolen gedacht hebben: daar hoor ik niet bij; of erger: die sluiten mij uit. GroenLinks heeft kennelijk niet begrepen dat je een conservatiever geworden samenleving niet op je hand krijgt door een reprise van de jaren zestig.

Nogmaals: het gaat niet om de boodschap, die nog niet zo gek was, maar om de manier waarop zij gebracht werd. We weten wel: je mag niet op uiterlijkheden afgaan, maar wanneer verkiezingscampagnes zich grotendeels voor de televisie afspelen, ja juist op de televisie gericht zijn, dan gaat dit gebod niet meer op. Dan gaat het juist voornamelijk om de uiterlijkheden.

Dan gaat het erom of de lijsttrekker een betrouwbare indruk maakt (of hij het ook is, is dan van minder belang); of de partij de indruk maakt een serieuze partij te zijn; of het optreden van de partij in niet al te grote tegenspraak is met de boodschap die zij wil brengen. Dat is het hele eiereten van propaganda, dat een partij, tenzij zij een sekte wil blijven of zich aan politieke incest overgeven, niet straffeloos kan veronachtzamen.

Maar het wordt nog altijd genegeerd. Al in de jaren zestig en zeventig dacht ik, wanneer ik al die demonstraties van langharigen tegen Vietnam of iets anders zag: hoeveel meer mensen, die in beginsel sympathie koesteren voor hun acties, zouden ze niet mee kunnen krijgen als ze zich een beetje netjes zouden kleden en kappen? Dan zouden die mensen (die de meerderheid uitmaken) zich gemakkelijker in hen kunnen herkennen.

Hetzelfde denk ik wanneer ik een zogenaamd antifascistische demonstratie overheerst zie – althans op de televisie, die vaak de werkelijkheid niet weergeeft – door punks met hanekammen. En wanneer stakers of arbeiders wier bedrijven met sluiting bedreigd worden, met gekke petjes op demonstreren, onderwijl lachend in de televisiecamera’s kijkend, zou dan de reactie van velen niet zijn: Nu, het water staat hun kennelijk nog niet tot aan de lippen?

Ik weet wel: zulke reacties zijn onrechtvaardig, zij doen geen recht aan de zaak waarom het gaat (of dat nu de oorlog in Vietnam, de kruisraketten, het fascisme dan wel dreigend ontslag is). Allemaal waar, maar die reacties worden uitgelokt, niet door de acties, maar door het beeld dat die acties geven.

Het is een oude waarheid. Al in de jaren zestig heeft de Canadese socioloog Marshall McLuhan gezegd: “The medium is the message.” Vreemd dat GroenLinks zo weinig bij de tijd was. En die tijd is – om prof. Righarts woorden, die op de jaren zestig slaan, om te draaien – er een van kopzorgen, materiële onzekerheid en internationale instabiliteit. Dan zijn de mensen – de geschiedenis heeft dat aangetoond – weinig geneigd tot riskante experimenten.

Archief NRC-H- 1994 \ Juli \ 29 \ Overig \ 7

Een nieuw idealisme

door J.L. Heldring

artikel | Vrijdag 29-07-1994 | Sectie: Overig | Pagina: 7

“Oh, that mine enemy would write a book.” Dit citaat, waarvan de bron mij onbekend is, gebruikt Marnix Gijsen als motto voor zijn boek Joachim van Babylon. Ik leg dit citaat zo uit: je kunt iemand alleen pakken op wat hij geschreven heeft; over algemeenheden is geen andere discussie mogelijk dan welles-nietes.

Het is daarom dat, toen Joris Abeling en Serge van Duijnhoven in de krant van 10 mei een lange filippica tegen mij afstaken, ik die vrijwel onbeantwoord heb gelaten. In een latere brief aan mij spraken zij hun spijt uit dat ik “een directe reactie op onze argumenten uit de weg” was gegaan, maar dat was het ‘m juist: hun artikel had geen argumenten bevat, alleen beweringen.

Hun voornaamste bewering was dat ik nog altijd de behoefte voelde de wereld te ordenen naar de maatstaven ‘goed’ of ‘fout’ en die vooral toe te passen op de generatie van de jaren ’60. Eerlijk gezegd, ben ik mij daarvan niet bewust. Ik dacht dat ik eerder intellectuele dan morele maatstaven hanteerde, maar over mijzelf kan ik niet oordelen, dus houd ik hier liever mijn mond.

In plaats van gehakketak over het verleden, benadrukken Abeling en Van Duijnhoven “de noodzaak vóóruit te kijken”. Die “is op dit moment vele malen groter dan het (achter)halen van het eigen gelijk”. Nu, dat is een stelling die, in haar algemeenheid, wel te onderschrijven valt. Ik kan mij voorstellen dat vooral de tegenwoordige studentengeneratie het debat van twintig à dertig jaar geleden – bijvoorbeeld over de Koude Oorlog – volstrekt irrelevant vindt.

Maar wat nu? “Teneinde een voorbeeld te geven van de optiek die wijzelf voorstaan” stuurden zij mij, met hun brief, een exemplaar van het door hen geredigeerde driemaandelijks tijdschrift MillenniuM (nummer 2, lente 1994). Het is pas in deze komkommertijd dat ik ertoe gekomen ben het te lezen. Laat ik mij bepalen tot de artikelen die Abeling en Van Duijnhoven zelf erin geschreven hebben.

Abeling constateert dat in zijn omgeving (de studentenwereld dus) de apathie toeneemt. Hij spreekt van een “enorme gelatenheid”. Deze gaat gepaard met “een typisch Nederlandse vorm van cynisme”, bepaald door “een ‘kat-uit-de- boom-kijken’-mentaliteit en door nivelleringsdrift”: alles wat boven het maaiveld uitsteekt wordt rigoureus weggemaaid (een opmerking die vroeger vooral in conservatieve kring gemaakt werd, maar daarom nog niet onjuist is).

Deze houding wordt vaak verward met tolerantie, maar die is doorgaans “een schild dat maakt dat we ons niets hoeven aan te trekken van wat onze medeburgers vinden, dat maakt dat we ons niet werkelijk betrokken of aangesproken hoeven te voelen”. Dit zijn allemaal opmerkingen die ik, voor zover ik er niet over kan oordelen – zo weet ik weinig van de tegenwoordige studentengeneratie -, interessant vind en anders wel kan beamen.

Kortom, “de grote idealen zijn in diskrediet gebracht”. Maar, zegt Abeling, “er zijn andere mogelijkheden. Juist doordat allerlei aardlagen aan het schuiven zijn geslagen in de huidige maatschappij, komt er ruimte vrij voor nieuwe ideeën en idealen”. De twee idealen die hij noemt, komen hierna enigszins als een anticlimax: een “waarachtig multiculturele samenleving” en een “vurig milieu-engagement” – hoezeer die misschien ook nodig zijn.

Maar “willen dit soort thema’s uitgroeien tot brandpunten van nieuw engagement”, dan moet er iets gebeuren. “Er is grote behoefte aan mensen who make waves.” Weer zo’n anticlimax. De redding verwachten van charismatische figuren is altijd een zwaktebod. Van harte eens ben ik het daarentegen met wat hij daarop schrijft:

“Een eerste stap in die richting zou de ontwikkeling van een debatcultuur zijn, een vorm van ideeënuitwisseling die in Nederland (helaas) beperkt blijft tot de studentencorpora. Wat dat betreft is de Angelsaksische wereld een voorbeeld. In de Verenigde Staten wordt het kinderen al vroeg geleerd hun standpunten en ervaringen voor een groter gehoor uiteen te zetten.

“Op high school kun je vakken als speech en debatteren in je pakket kiezen, waarin je leert een coherente argumentatie op te zetten en je uit te spreken voor of tegen een bepaalde kwestie. In Groot-Brittannië bestaan aan de grotere universiteiten debatverenigingen waar politici en journalisten op het scherp van de snede met studenten discussiëren over actuele kwesties. Dat is een manier om mensen een betoog te laten houden dat zowel verstandelijk als emotioneel onderbouwd is.”

Helemaal mee eens. Abeling had ook Frankrijk kunnen noemen, hoewel daar de methodiek meer intellectualistisch is en ook wel haar bezwaren heeft. Het volslagen gebrek aan methodiek in Nederland heeft als resultaat het gebrabbel dat we dagelijks op de televisie kunnen horen. Alleen al daardoor moeten onze politici het afleggen tegen hun buitenlandse collega’s.

Het artikel van Van Duijnhoven ademt eenzelfde geest. Ook hier ontbreekt de conservatieve noot niet: “De verzorgingsstaat berooft mensen van de verantwoordelijkheid voor eigen lot.” En een onrevolutionaire wijsheid spreekt uit deze woorden: “God in mijn verbeelding terughalen als die ene Heilige Geest kan ik niet meer (…), maar ik zie geen reden om mijn verleden, mijn katholieke opvoeding te verloochenen.” Hij zingt zelfs met plezier in een koor dat liturgische werken ten uitvoer brengt.

Ook hij heeft “drie kleine idealistische credo’s”: het is “zeer urgent opnieuw te formuleren wat mensen samenbindt”; dus “nieuwe collectieve doelstellingen, nieuwe gemeenschapsvormen” zijn nodig. Hier kan de kunst “bruggen slaan tussen bevolkingsgroepen die nu nog op verschillende planeten wonen”. Het tweede credo is dat van “een nieuw werkethos”, nodig omdat “langdurige werkloosheid een structureel gegeven is in de postindustriële, geautomatiseerde maatschappij”. Het is moeilijk het met die credo’s oneens te zijn, maar ze zijn nog te weinig uitgewerkt om stof voor discussie te leveren.

Dat is misschien anders met het derde, meer filosofische credo: in alle landen waar de monotheïstische godsdiensten hebben geheerst, “is men in de cultuur altijd uit blijven gaan van het ‘één’. (…) Door de acceleratie van de beelden waarmee we ons voeden, de hoeveelheid informatie die we krijgen te verwerken en de vergrote mobiliteit zijn we gedwongen (…) veelzijdiger te zijn”. In plaats van de “cultuur van het enkelvoudige” is “een cultuur van het veelzijdige” gekomen.

We helpen hem dit hopen, maar een gevolg van de hoeveelheid informatie die we krijgen en van de vergrote mobiliteit zou ook wel eens kunnen zijn dat de mensen juist gaan verlangen naar eenvoudige oplossingen, naar de “terribles simplificateurs” die Jacob Burckhardt voorzag en met wie we trouwens sindsdien kennis hebben gemaakt. Maar goed, dit is tenminste een stelling waarover te discussiëren valt.

Na dit gezegd te hebben, hoop ik dat het niet als een poging tot ridiculisering opgevat zal worden wanneer ik beweer dat de kop die boven het desbetreffende hoofdstukje staat: “Ex Unis Pluribus” onzin is. De schrijver heeft kennelijk het devies van de Verenigde Staten: E Pluribus Unum (uit velen één) willen omdraaien, maar het omgekeerde luidt: Ex Uno Plures (uit één velen, wat overeenkomt met zijn derde credo). Dit onnodige schoonheidsfoutje doet – ten onrechte – afbreuk aan de ernst van zijn betoog.

Snotneuzen

H.T. HABING, Oss

artikel | Donderdag 09-06-1994 | Sectie: Overig | Pagina: 8

“In NRC Handelsblad zijn Heldrings critici niet al te vaak aan het woord gekomen”, aldus André Spoor (oud-hoofdredacteur) in NRC Handelsblad van 19 mei. Directe aanleiding voor deze ontboezeming was een artikel van Joris Abeling en Serge van Duijnhoven in NRC Handelsblad van 10 mei, waarin zij zich zeer kritisch opstelden ten aanzien van J.L. Heldring, schrijver van de rubriek ‘Dezer Dagen’. Zeer kort samengevat richtte de kritiek zich op de wijze waarop Heldring zich bij voortduring afzet tegen de consequenties van het engagement van de jaren zestig.

Abeling en Van Duijnhoven maken deel uit van de stichting ‘Kunstgroep Lage Landen’. Deze stichting geeft het tijdschrift ‘MillenniuM’ uit. Persoonlijk heb ik zeer grote bewondering wat deze groep jonge mensen presteert. Ze hebben kans gezien een internationale groep jongeren bijeen te brengen, die op eigen wijze willen inspelen op de uitdagingen van hun generatie en hun tijd. Om dat organisatorisch en financieel overeind te houden moet een grote inspanning worden geleverd. Een ieder weet dat het uitgeven van een tijdschrift, zeker als je de continuïteit in acht wilt nemen, een zware belasting is. Jonge mensen, die dit aandurven en hopelijk ook tot een verantwoord einde kunnen brengen, geven je weer hoop voor de toekomst. Het zijn geen ‘ongeboren snotneuzen’ (André Spoor), neemt u dat maar aan.

Om te voorkomen dat de heren mij inmiddels ook ingedeeld hebben bij deze ‘snotneuzen’ kan ik u mededelen, dat ik al bijna 40 jaar een trouwe lezer van de NRC, later NRC Handelsblad, ben. Heb zelfs de Nationale Rotterdamse Courant kort gelezen (geen behoefte aan een discussie goed-fout hierover). Ik moet wel erkennen, dat de rubriek ‘Dezer Dagen’ vroeger door mij met grote aandacht werd gelezen, zelfs met veel waardering. Vele knipsels heb ik er nog van. Maar ik ben met de heren Abeling en Van Duijnhoven van mening dat thans te veel stokpaardjes worden bereden en dat wat meer nuancering gewenst zou zijn.

Heldring blijft ook dezer dagen vraagtekens zetten

Een individualist, anders dan anderen

Door HANS NIJENHUIS

Mr. Jérôme Louis Heldring is onlangs tachtig jaar geworden. Al bijna de helft van zijn leven schrijft hij op de opiniepagina van deze krant de rubriek Dezer Dagen. Profiel van een rijkeluiszoon en een dilettant die van computers niets moet hebben.

Elke morgen tegen zevenen fietst er in Den Haag een heer een parkeergarage aan de Parkstraat binnen. Hij oogt een beetje stram, maar dat is eigenlijk zijn hele leven al zo. Op de parlementaire redactie van NRC Handelsblad, waar hij op dit vroege tijdstip alleen de werkster treft, geldt hij als bijzonder. Een heer van stand en journalist van naam die afgezonderd in een kamertje werkt, vaak op de achterkant van gebruikt papier. Die bij het kopiëren altijd beide zijden van het velletje wil gebruiken (wat de kopieermachine niet altijd begrijpt). En die zich kennelijk niet gehinderd voelt door de plastic regenbeschermers die hij soms ook binnen nog om zijn broekspijpen draagt.

(…)

De vraag rijst of een tachtigjarige heer die al bijna de helft van zijn leven een column schrijft, ooit stopt. Trouwe lezers betrappen hem wel eens op herhalingen. ,,Je kunt niet zoveel jaar twee keer in de week origineel zijn”, schreef hij daarover zelf. Na de val van de Berlijnse Muur vreesde hij geen onderwerpen meer te kunnen vinden. Dat blijkt mee te vallen. Want hoewel Heldring het woord missie verre van zich zal werpen, kan een bedoeling zijn rubriek niet worden ontzegd. ,,De Nederlanders betrekken bij de wereld om hen heen”, zo heeft hij dat onlangs samengevat. En dat is volgens hem nog altijd nodig.

Tijdens zijn verblijf in Amerika, meer dan veertig jaar geleden inmiddels, is hem voor het eerst opgevallen hoe in Nederland naar de internationale politiek wordt gekeken. ,,De Nederlander leest de krant en denkt: tut tut, wat een rare volkjes. Zonder zich af te vragen of de gebeurtenissen in de wereld misschien gevolgen voor hemzelf hebben”, zei hij onlangs. Hij zal nooit vergeten hoe op een dag in 1954, toen hij net naar de NRC was teruggekeerd, het dagelijks buitenlandcommentaar De Toestand was gewijd aan Griekenland. De rubriek vermeldde niet dat de toenmalige premier van dat land, generaal Alexander Papagos, een week later in Den Haag op bezoek zou komen. Toen Heldring de auteur op dit verzuim wees, riep deze met een vies gezicht uit: ,,Maar dat is binnenlandse politiek!”

Zolang de circuits die zich met binnenlands en buitenlands beleid bezighouden naar zijn smaak nog steeds te veel gescheiden zijn, heeft de commentator stof tot schrijven. Vorige week nog steunde Heldring een pleidooi van Europarlementariër Brinkhorst voor een nationaal debat over Europa. Dat is beter dan onderwerpen als de euro aan specialisten overlaten, vindt hij. ,,Sinds jaar en dag probeer ik in deze rubriek zo’n debat van de grond te krijgen, maar er wordt op z’n best met belangstelling kennis van genomen.”

En zelfs die belangstelling heeft niet iedereen. ,,De oude man blijft twee keer per week zijn knokige ros beklimmen om over het verlaten slagveld van de Koude Oorlog te paraderen, links en rechts priemend met zijn beschuldigende vingertje”, schreven Joris Abeling en Serge van Duijnhoven, jongens van begin twintig, drie jaar geleden op de opiniepagina. ,,Het wordt tijd dat de toehoorders hun applaus staken en de pater familias voorzichtig helpen afstappen. De vertoning heeft lang genoeg geduurd.” Een jaar eerder hadden studenten van de Universiteit van Amsterdam zich verzet tegen een eredoctoraat voor de ‘conservatieve’ en ‘moralistische’ Heldring.

Van dit soort protest, dat overigens weinig navolging heeft gekregen, trekt Heldring zich weinig aan. Wel vraagt de commentator zich af of hij op een gegeven moment niet te oud zal zijn geworden om te beoordelen of hij al te oud wordt. Afgelopen vrijdag nog citeerde hij adjunct-hoofdredacteur Jan Tromp van de Volkskrant die hem impliciet een ,,oude lul” had genoemd. Al bij zijn 70ste en ook bij zijn 75ste verjaardag heeft Heldring de hoofdredactie gevraagd of hij misschien moet stoppen. Elke nieuw aantredende hoofdredacteur – hij is bezig aan zijn vierde – meldt hij per brief dat hij niet beledigd zal zijn wanneer zijn column door een beleidswijziging zal sneuvelen. ,,Je weet van jezelf niet wanneer je seniel wordt, ik hoop dat de hoofdredactie mij dan redt door in te grijpen”, zei hij onlangs. De hoofdredactie vindt dat vooralsnog niet nodig.

(NRC Handelsblad, 22 december 1997)

Grote en kleine bladen

DOOR Rene Zwaap

Goed nieuws van het kleine-bladenfront! Maar liefst twee periodieken die tot voor kort op de dodenlijst stonden, maken een miraculeuze wederopstanding door. Het gaat om het literaire tijdschrift Millennium en het multimediale, vooral op muziek gerichte THD. Millennium, in wier redactionele gelederen we het jonge aanstormende duo Serge van Duijnhoven en Joris Abeling treffen, is een blad dat zich geheel richt op het aftellen naar het jaar 2000. Uitgever Mai Spijkers van Prometheus wilde echter niet zo lang wachten en gaf de redactie haar congé. Van Duijnhoven en Abeling gingen op zoek naar een nieuwe mecenas en vonden die in de persoon van Bezige Bij-directeur Albert Voster. Uitgerekend op de dag dat de vermaarde schrijverscoöperatie van de Van Miereveldstraat bekend maakte dat de wankelende autonomie was verruild voor het veilige dak van de Weekbladpers, verleden week vrijdag, overhandigde Voster de sleutel van zijn werkkamer aan Van Duijnhoven. De Millennium-redactie vergadert voortaan om de twee weken in Vosters werkvertrek over het naderende einde der tijden. Een en ander werd gevierd met een uitbundige trash metal-party in het Bezige Bij-hoofdkwartier, pal onder het minzaam glimlachende gelaat van bijenkoning Harry Mulisch dat Voster in portretvorm boven zijn bureau heeft hangen.
Het muziektijdschrift THD, ook op Internet en cd-rom, deed al even goede zaken. Uitgeverij Donemus kwam na een handtekeningenactie terug op het besluit om het blad na twee nummers te liquideren en is nu op zoek naar nieuwe fondsen. De eerdere belofte dat THD in ieder geval vier nummers mag maken lijkt nu toch gestand te worden gedaan. THD-hoofdredactrice Jacqueline Oskamp: ‘Volgens mij is het voor het eerst dat een actie van lezers en sympathisanten om een blad te behouden daadwerkelijk slaagt.’ THD kampte al bij het eerste nummer met tegenslag. Een bij wijze van grap over de drugshysterie bij het blad gevoegde nep-XTC-pil (in werkelijkheid een onschuldige tandplakdetector) stuitte op onoverkomelijke bezwaren bij de distributeur. Daardoor liep het mis met de verzending.

© Rene Zwaap / De Groene Amsterdammer 1997

Nieuwe idealen de anti-nixgeneratie

Precies een jaar geleden zette De Groene de term Generatie Nix op de cover. Sindsdien spookte de term door allerlei debatten over jongeren, literatuur en engagement. Er is zelfs een heuse ‘Anti-Nixgeneratie’ opgestaan. Eerst rond het diep-serieuze tijdschrift Millennium. Nu rond de frivolere Maandkrant Div. Wat wil het jongmens van nu?

DOOR Truska Bast

NA EEN WEEK rondtoeren door het land pikt Div-redacteur Han Hendrix potentiele lezers er zo uit: ze zijn in de twintig, een beetje alternatief, niet te modieus: ‘progressief nieuwsgierig’. Jonge kunstenaars bijvoorbeeld, of studenten van de academies voor beeldende kunsten en journalistiek. Alhoewel, in een buitengewoon trendy cafe in Nijmegen, met alleen ‘heel nette mensen’, scoren ze ook aardig. Het bezoek aan de Erasmus Universiteit is minder geslaagd. In de steriele kantine zitten, zo op het oog, alleen economiestudenten. Die tonen weinig interesse.
Op de Rotterdamse Lijnbaan daarentegen oogsten ze succes. Dat blijkt ook de route naar het Filmfestival te zijn, the place to be voor kunstminnend Nederland, en voor aankomende Div-lezers. Een meisje van een-tweeentwintig, hennarood haar, gebleekt spijkerjack en versleten stoere schoenen, vindt de nieuwe maandkrant een aardig initiatief. Ze studeert maatschappijgeschiedenis, en een rijksdaalder heeft ze er wel voor over. Twee meisjes van een jaar of zeventien, die chips etend over straat slenteren, ieder een eigen gezinspak, worden overgeslagen. ‘Bij hen kun je je de moeite besparen’, weet Hendrix.
Het spreekt tot de verbeelding: op tournee met een rode besteleend. Te veel nadruk willen ze daar ook weer niet op leggen. Anders krijgen ze een te groot ‘Veronica komt naar je toe’gehalte. Vooral in cafes loopt de verkoop goed. Het is afwachten hoeveel exemplaren er in de boekwinkels zullen worden verkocht. Een stuk of veertig winkels hebben de krant in consignatie. ‘Ze zetten ons op het schap tussen De Groene en HP/De Tijd’, meldt Peter Schuite, een van de redacteuren, triomfantelijk.
Zoveel aandacht van de media hadden ze niet verwacht: positieve recensies in Het Parool, Trouw en de Volkskrant. Een filmploeg van het VPRO-programma TV Nomaden is mee geweest voor een reportage, en ook tijdens het vraaggesprek met De Groene worden er opnamen gemaakt. Direct aansluitend gaan twee redacteuren naar de studio voor een live-uitzending van Villa 65 van de VPRO-radio. Ze zijn voor dat programma ingeschakeld als experts in ‘jongeren-marketing’. ‘Wat we daar precies moeten, weet ik niet’, zegt hoofdredacteur Michel Verschoor.
X, Nix, patatcultuur, verloren of onzichtbare generatie? Jongeren zijn de gekunstelde etiketten en de zelfingenomen houding van veertigers en vijftigers zat. Div brengt de creativiteit, initiatieven en betrokkenheid van “onze generatie” in kaart’, luidde de aankondiging van Maandkrant Div, opgericht door een groep ex-studenten van de School voor Journalistiek in Zwolle.
Ze zijn inmiddels bestempeld als exponenten van de ‘Anti-Nixgeneratie’, de stroming van het nieuwe engagement. De term Generatie Nix, die inmiddels aardig is ingeburgerd, ontstond een jaar geleden ter aanduiding van een groep onverschillige, cynische eind-twintigers. In de literatuur wordt de Generatie Nix vertegenwoordigd door schrijvers als Ronald Giphart en Rob van Erkelens.
Hun boeken ‘staan stijf van de verveling’, oordelen de Div’ers. Zijn zij gewoon handig op de Nix-discussie ingesprongen of kan iedereen die roept dat hij vertegenwoordiger is van een Nieuwe Generatie, meteen rekenen op succes?
‘Van dat generatiestempel willen we nou juist af’, verzucht Schuite. ‘Ik voel me helemaal geen lid van een generatie. “Div” staat voor “diversiteit”, maar wat twintigers zoals wij gemeen hebben zijn betrokkenheid en idealisme.’ En Verschoor vult aan: ‘De orginaliteit van ons blad schuilt in het feit dat we persoonlijkheid en betrokkenheid in een blad stonnen zonder politiek te zijn. De activistenbladen schrijven ook wel goeie dingen, maar er zitten naweeen in van bepaalde dogma’s. Het gelijk willen hebben druipt van de pagina’s af, waardoor je een heel beperkt imago krijgt. Wij villen een breed publiek aanspreken.’
En dat publiek bestaat, volgens het essayistische voorwoord, niet uit ‘archetypische alternatieven, linkse radicalen, christen-missionarissen of zweverige hippe vogels’, maar uit ‘twintigers die niet vluchten voor de toekomst, meer willen zien dan alleen de schijn van beautiful people in visueel wonderland ‘
In het zestien pagina’s tellende nummer brengen ze een reportage over eco-hippies van de Anti Road Movement in Engeland, een stuk over een ‘trendwatcher’ die de subcultuur van jongeren in kaart brengt voor een reclamebureau, een tirade tegen de wansmaak in de kunst, het werk van een Witrussische fotograaf, en een stuk over de Tachtigers.
Ze vinden,zichzelf opstandig. Verschoor: ‘Jongeren voelen zich vaak overbodig. Er is totaal geen ruimte meer voor idealisme. Dat zie je ook in de media, daar wordt alles weggerelativeerd, als archaisch afgedaan. Bullshit. Daarom maken wij een krant waarin idealisme wel kan.’
DE BARRICADEN OP, dat is toch iets wat je doet vanuit een folkloristische impuls, om met Joost Zwagerman te spreken? Div-eindredacteur Hans Buitelaar: ‘Absoluut niet, wij hebben juist respect voor mensen die protesteren.’ Niet voor niets brengen ze in het eerste nummer een eresaluut aan de studenten die ‘de weg naar Den Haag blijven inslaan om de verf van de Hofdeur te krabben ‘.
Zelf protesteerden ze ook op het Malieveld, al moeten ze bekennen dat daar wel een stukje sensatiezucht aan te pas kwam. Het idee was dat de jaren zestig echt rebels waren. ‘Daar wilde je wel een beetje aan tippen.’ De idealen zijn kleinschaliger en realistischer geworden, vinden ze. Dicht bij huis opkomen voor je eigen zaak heel concreet en pragmatisch. Dat geldt ook voor hun engagement: ze zijn betrokken bij kleine veranderingen, trends, bewegingen. Buitelaar: ‘Er is een kleinschalige, informele ruilhandelachtige economie in opkomst. Dat is een teken aan de wand: een nieuwe tijd van het kleine initiatief, mensen die met hart en ziel met een klein zaakje bezig zijn. Dat is iets waar jonge mensen op in moeten springen. Zodat we eindelijk van dat onpersoonlijkemacro-stropdassengevoel afkomen.’
Verschoor: ‘Idealen zijn verinnerlijkt. Mensen kopen mileuvriendelijke produkten, gaan speciaal naar de natuurwinkel, gaan niet met het vliegtuig op vakantie. Ze hoeven niet zo nodig een auto voor de deur, nemen genoegen met een halve baan of een uitkering, en zijn dan uiteindelijk een stuk gelukkiger.’
Redacteur Joop de Haan reageert ceptisch: ‘Ik zie dat niet. Er is geen hond die wil leven van duizend gulden als het ook van tweeduizend kan. Mensen willen niet minder werken ten koste van hun inkomen. Het probleem is dat er niet genoeg werk gecreeerd wordt. Er zijn mensen genoeg die boordevol nieuwe ideeen zitten, maar voor die mensen is nauwelijks ruimte. Je kan wachten tot je een ons weegt, maar er verandert toch weinig op het gebied van werkgelegenheid. Het is interessant om te schrijven over jonge mensen die niet bij- de pakken neer zitten en niet met de grote stroom meedrijven.’
Met de Nederlandse kunst is het volgens Schuite beroerd gesteld. Omgekeerde vuilniszakken, als dat engagement is. Nederlandse kunstenaars houden zich volgens hem niet bezig met de ellende in de wereld. Wat gehyped wordt, moet maf en anders zijn. Om aandacht te krijgen moet je vooral het einde-eeuwgevoel uitstraon: ‘Live Life to the Max’, pluk de dag.
‘Onzin’, vindt Buitelaar. ‘Hoewel camp nog wat nasuddert, zijn er genoeg jonge kunstenaars die daar tegen ingaan, die zich het wereldleed wel aantrekken en daar uiting aan geven. Het is natuurlijk onzeker of dat een trend gaat worden, maar Div mikt daar wel op en gaat dat soort veranderingen in kaart brengen en in beweging zetten. Niet de moralist uithangen, maar het nieuwe elan aanmoedigen.’
Hendrix is van mening dat ze geen waardeoordeel moeten vellen: “Leven op de vulkaan” is een tijdsverschijnsel en een vorm van verzet. Daar komen ook interessante dingen uit voort. Div moet een eye-opener zijn. Alles kan.’
In hun blad citeren de Div’ers de uitspraak van George Steiner: ‘Er is geen raam meer met uitzEcht op morgen.’ Dat klinkt pessimistisch. Maar het Grote Onbehagen groeit, constateren ze. De druk om te veranderen zal steeds groter worden, want de maatschappij draait helemaal dol. De levensstandaard kan niet meer omhoog. Sterker nog, hij moet naar beneden. Verschoor klinkt overtuigd: ‘Onze generatie is de eerste die deoffers daarvoor ook echt vil brengen.’ Buitelaar: ‘Dat raam is er volgens mij nog wel. Punt is gewoon dat het stoffige gordijn eens opengeschoven moet worden.’
DE GLANZENDE tekstverwerkers, printers en blauwfluwelen vloerbedekking in het pand aan de Herengracht waar het tijdschrift Millennium een onderkomen heeft gevonden, vormt een aardig contrast met de rommelige huiselijkheid van Div in het oude schoolgebouw achter het Muiderpoortstation. Op de redactie van Millennium, een onderdeel van Kunstgroep Lage Landen, wordt hard gewerkt aan het vijfde nummer dat evenals de vorige nummers ook in de Digitale Stad verkrijgbaar zal zijn. Het tijdschrift van ongeveer honderdvijftig pagina’s lijkt meer op een boekje. Voor de vormgeving is dit keer beeldend kunstenaar Harmen de Hoop aangetrokken. Binnenkort wordt de nieuwe aflevering gepresenteerd tijdens een house-party in de Amsterdamse Arena. Er zullen dan ook video’s die door beeldend kunstenaars zijn gemaakt, op een groot scherm worden vertoond.
Het eerste nummer van het ‘hemelbestormende tijdboek’ Millennium verscheen in maart 1993. De leden van het kunstenaarscollectief willen, zoals uit de verantwoording van het nulnummer blijkt, ‘op een kruispunt staan van reflectie en creatie, van politiek en cultuur, van denken en schrijven’. Ze stellen zich ten doel ‘kunst en dagelijks leven op een zinvolle en inspirerende manier met elkaar in verband te brengen’ en ‘te bekijken wat de moeite waard is om mee te nemen naar de eenentwintigste eeuw’. Dan is het afgelopen: halverwege het jaar 2000 zal de groep zichzelf opheffen.
Net als bij Div, ging bij de oprichting van Millennium een filmploeg van TV Nomaden mee voor een reportage. Programmamaker Rob Smits herinnert zich een opname die de situatie treffend in beeld bracht: ‘In de Makro, die gigantische winkel, werden inkopen gedaan voor het eerste presentatiefeest. Daar stonden ze eindeloos te treuzelen of ze nou een hele of een halve brie zouden nemen en of een fles perzikenchampagne wel genoeg zou zijn.’
SERGE VAN DUIJNHOVEN, zo’n beetje de initiator van het geheel heeft het razend druk, en valt daarom direct maar zelf met de deur in huis: binnenkort verschijnt z’n nieuwe roman Dichters dansen niet. Niet alleen vlot geschreven – ‘in elf dagen’, meldt hij trots – maar naar eigen zeggen ook vlot leesbaar. Het gaat over een boheme-dichter die onderduikt in het Amsterdamse nachtleven om een verloren liefde te vergeten. ‘De snelheid en de pulserende beat van house-muziek keren terug in de vorm van het boek’, ratelt hij met een scheef oog op de printer waar een indrukwekkende hoeveelheid poëzie voor het komende nummer uitrolt. Ik krijg een kopie van het gedicht ‘De generatieziekte’; dat kan dan mooi bij het interview worden geplaatst, meent hij. Hij heeft het gedicht geschreven ‘met een knipoog naar de Generatie Nix’.
Eerlijk gezegd heeft hij geen zin om het over de Generatie Nix te hebben: ‘Die schrijvers pleiten voor een literatuur met “meer kloten”. Dat is op zich een goed uitgangspunt. Maar het thema van de verveling, dat in hun boeken zo’n grote rol speelt, is niet origineel. Het is altijd al een lievelingsthema geweest van schrijvers die van een wat lijzige fin de siecle-literatuur houden. Rob van Erkelens is wat dat betreft een beetje blijven steken in de jaren tachtig. Hij doet wel alsof hij nog jong is, maar hij is al in de dertig.’
Met de overgave aan de pulserende house-beat van zijn te verschijnen roman lŸkt Van Duijnhoven terug te komen op eerdere opvattingen. ‘Hel verleden is nu nog de enige betekenishorizon, het enige “grotere patroon” op de rand waarvan onze levens zich voortbewegen’, schreef hij in het derde nummer van Millennium. ‘De schoonheid, het waardevolle uit het verleden levend houden en doorgeven, dat is een van de essentiële verantwoordelijkheden van de kunst op dit moment.’ Jaap Goedgebuure vroeg zich in HP/De Tijd af of dit de woorden waren van een erudiet cultuurcriticus of een politicus op zoek naar een missie. Is het niet een beetje hoogdravend wat ze voor ogen hebben? Van Duijnhoven: ‘Wij lieten een nieuw geluid horen. Dat waren de critici niet gewend. Je ziet het aan de onderwerpen waarmee wij gekomen zijn. In het eerste nummer hadden we het over de monarchie (we zijn het enige anti-monarchistisch tijdschrift in Nederland), waarmee we ons de kritiek op de hals haalden van een stelletje oude zeuren in de Volkskrant. Nu kun je geen blad meer openslaan of het gaat over de monarchie. Het nummer daarop ging over engagement: nu loopt iedereen te mekkeren over engagement, worden er thema-avonden over georganiseerd. Ik wil niet zeggen dat wij dat hebben aangezwengeld, maar het hing in de lucht. Wij waren gewoon eerder dan de rest.’
Miliennium-redacteur Joris Abfing – schreef in het themanummer over cynisme en engagement: ‘Er liggen grofweg twee “uitwegen” uit de impasse van nergens meer in geloven: of wel de terugweg naar iets dat al geweest is, ofwel de overgave aan het grote Consumeren.’ Heeft Millennium werkelijk voor dat eerste gekozen?
Abeling neemt rustig de tijd om het uit te leggen: ‘We proberen een middenweg te vinden tussen de grote idealen uit de jaren zestig en het pragmatisme van vandaag de dag. Historisch bewustzijn is belangrijk maar het moet niet ontaarden in een pathetisch deja vu: de onwil van mensen om op een gegeven moment nog ergens in te geloven. De “milieumoeheid”, zo’n vreselijke kreet, is daar een voorbeeld van. Dat betekent niet dat je er dan helemaal geen aandacht meer aan moet besteden.
Het is een soort zoektocht: we proberen te signaleren wat belangrijk is, en zijn betrokken bij wat er om ons heen gebeurt. Daarmee beweren we niet dat we ook de antwoorden hebben op de problemen, maar we stellen ze wel aan de kaak.’
Er wordt wel beweerd dat het idealisme van twintigers van nu realistischer en kleinschaliger is dan bijvoorbeeld dat in de jaren zestig.
Abeling ‘Realistischer wel, maar niet per se kleinschaliger. Iemand die zich inzet voor de leefbaarheid van de Bijlmer, dat kun je kleinschalig noemen. Je kunt je ook richten op de overbevolking in de wereld, of oplossingen proberen te verzinnen voor het autogebruik in Nederland of de almaar toenemende mobiliteit. Nederland groeit helemaal dicht met wegen, auto’s en files. Neem bijvoorbeeld die Air Miles: je krijgt tegenwoordig zegeltjes in de supermarkt. Daarmee willen ze de mobiliteit nog eens extra stimuleren. Dat is echt belachelijk.’
Engagement en kunst, gaat dat samen, bijvoorbeeld in de literatuur?
Abeling ‘Ja, maar dan op een indirecte, afstandelijke manier, het moet er niet te dik bovenop liggen. In een roman als De buitenvrouw van Joost Zwagerman worden op een lichtvoetige manier toch zaken aan de orde gesteld. In de journalistiek zou wat meer betrokkenheid niet misstaan. Trends gaan in een golfbeweging: na het ideologische gekraai en het verweer daartegen in de vorm van allesoverstemmende ironie neemt de behoefte aan geëngageerdheid nu weer toe. Journalisten hoeven niet het antwoord op alle grote vragen te geven, maar moeten ze ten minste serieus stellen.’
MILLENNIUM HEFT zichzelf op ir het jaar 2000. Tenminste, als het blad tegen die tijd nog bestaat. Dat hangt af van de financiële omstandigheden de redactie mag weliswaar gebruik maken van de faciliteiten van uitgeverij Prometheus, geld krijgen ze niet. Aan de bevlogenheid zal het in ieder geval niet liggen.
Hoe zien op hun beurt de Divers de toekomst tegemoet? Verschoor ‘Een tweede nummer komt er in elk geval. Maar we moeten de zakelijke kant nu gaan organiseren. Zelf met de besteleend op pad is leuk, maal veel te duur en tijdrovend. We gaan een uitgeverij zoeken en er moeten advertenties komen.’
De eeuwwende zien ze slechts als een psychologisch beladen moment. Grote mentaliteitsveranderingen zullen zich niet voltrekken. Buitelaar. ‘Het jaar 2000 halen we sowieso wel. Al was het alleen maar omdat de hele Champs Elysees nu al is volgeboekt.’

© Truska Bast / De Groene Amsterdammer  – 08-02-1995

Much ado about Nix

ROB VAN ERKELENS

artikel | Vrijdag 08-07-1994 | Sectie: Overig | Pagina: 2

“De door ons als parodie bedachte term ‘Generatie Nix’ is inmiddels zozeer ingeburgerd dat hij steeds weer wordt misbruikt,” schreven Rob van Erkelens Ronald Giphart en Joris Moens op 24 juni in het CS. Hun betoog over een levenshouding die “wordt gekenmerkt door schaamteloosheid, twijfel, arrogantie, verveling en oprecht veinzen” werd vorige week fel bekritiseerd. Rob van Erkelens gaat in op de reacties. Joris Abeling en Serge van Duijnhoven schrijven over engagement in de jaren negentig.

Met ons artikel ‘Engagement was vooral gezellig’ (CS Literair 24 juni) hebben we blijkbaar het een en ander losgemaakt in literair Nederland, eigenlijk meer dan we hadden verwacht. Wat we niet voor ogen hadden, was een manifest te schrijven. Dat deze krant desalniettemin in haar aankondiging meende te moeten spreken van een ‘literaire beginselverklaring van de Generatie Nix’ bewijst dat er kennelijk behoefte is aan enige onrust in de Nederlandse literatuur.

We pretenderen niet iets nieuws te doen. Toch meent geachte briefschrijver Peter Andriesse ons in het CS van 1 juli te moeten kapittelen: ‘De geschiedenis herhaalt zich tot vervelens toe’. Dat ligt niet zozeer aan ons als wel aan de geschiedenis zelf. Omdat Andriesse zo’n twintig jaar geleden al postmodern was, kan hij nu weer even over onze ruggen wat aandacht vangen. Ook Marco Kunst stelt in zijn beknopte college dat wij in niets verschillen van de vorige generatie, omdat we volgens hem lekker ‘meedeinen’ op ‘modegolven’. Maar er valt helemaal niets te deinen wanneer je als ‘nieuwkomer’ je nek uitsteekt en – heus niet alleen voor jezelf – ruimte opeist voor boeken die anders nauwelijks het bastion van de verzuurde, vergrijsde en verstarde literatuurkritiek zouden kunnen binnendringen. Dirk Visser laat in zijn zure brief in hetzelfde nummer weten dat hij alleen het werk van Ronald Giphart kent. Kennelijk heeft hij het te druk met no nonsense-carrière maken. Als hij Giphart net zo goed heeft gelezen als ons artikel vrees ik dat hij veel heeft gemist. Niet eens zó subtiel schreven wij ironisch dat we ‘ongetwijfeld’ alleen geïnteresseerd waren in dope, seks en patat, omdat dat verkeerde beeld nogal eens in de media opdoemde. Maar met een aan Ulrich van Gobbel herinnerende fijnbesnaardheid maakt de geachte briefschrijver ons nu tot voortdurend snackende, snuivende en ****ende jongelingen.

Het dieptepunt in de reacties is de brief van journalist Frank Verkuijl, onder de poëtische kop ‘Nix was iets’. Een andere reden dan frustratie kan ik niet bedenken voor zijn kwaadaardige toon, of het moet miskenning zijn. Hij verwijt Ronald Giphart en mij lafheid, omdat we het in ons hoofd hebben gehaald niet braaf te blijven rondlopen met het etiket dat hij ons op het voorhoofd had geplakt: Moedeloos Schrijver.

Verkuijl heeft in een vrij vroeg stadium, eerder dan andere journalisten, ingezien dat er iets ‘aan de hand’ was in de Nederlandse literatuur. Dat inzicht vond ik – en vind ik nog steeds – bewonderenswaardig. Gedreven door interesse (of zelfs liefde) voor hun boeken portretteerde hij zes auteurs.

In zijn reactie op ons artikel maakt hij er nu voor het gemak vijf van. Dat Joost Zwagerman plotseling is verdwenen, terwijl hij toch uitgebreid aan het woord kwam, is waarschijnlijk een kwestie van selectief vergeten. Ook om Arnon Grunberg er aan zijn haren bij te slepen, die een generatie op zichzelf is en misschien terecht niet in een of ander rijtje wil staan, is vreemd.

Hij verzwijgt dat hij indertijd meer schrijvers heeft geïnterviewd (Niemöller, Vernooy), dan in het artikel ‘Verveling’ in De Groene aan het woord kwamen. Zij zeiden echter niet de dingen die de interviewer had willen horen. Sommige auteurs waren verbaasd dat ze alleen mochten zeggen wat de journalist van pas kwamen.

Het is logisch dat de zeer individualistische auteurs van ‘Nix’ het groepsetiket dat Verkuijl ze had opgeplakt niet prettig vonden. Ze waren bestempeld als ‘verloren generatie’ en zagen het lijk al drijven. Ik heb daarom in interviews geprobeerd enige nuance aan te brengen in het gedoe rondom ‘Generatie Nix’. Om ‘moedeloos’ genoemd te worden stond me niet aan. Ik ben namelijk niet moedeloos, ik lig nooit te lang op bed, ik sterf van de energie en de dadendrang. Verkuijl meent nu dat ik opeens een ‘andere boodschap’ ben gaan uitdragen. Hij bedoelt dat ik eerst nog gewoon verveeld en moedeloos was – want dat had hij toch geschreven? – maar nu opeens een dynamisch tijdschrift ga maken.

Raar hè? Ik zou toch volslagen krankjorum zijn om Verkuijls onzinnige stigma te blijven dragen.

De reden dat ik veel met hem heb gesproken in de tijd dat zijn artikel in wording was, lag eerder in zijn behoefte aan extra informatie dan in mijn bemoeienis met de inhoud van het geheel. Mij daarom achteraf in een kwaad daglicht proberen te stellen vind ik kwalijk, net als de aantijging als zou ik me door ‘marketing-strategieen’ laten leiden.

Met merkwaardige argumenten en op een gefrustreerde toon lijkt Verkuijl nu het alleenrecht te willen opeisen op de ‘Generatie Nix’. Omdat de auteurs die hij interviewde zich niet klakkeloos neerlegden bij zijn opvatting dat hun boeken stijf staan van de verveling, inertie en innerlijke leegte, zijn ze nu plotseling ‘laf’.

Door zulke mensen heb ik dus al helemaal geen zin meer om dat tijdschrift te gaan maken.

Onderschrift: Foto Bas Czerwinski

1995 – [Briefwisseling]. Serge van Duijnhoven, W. F. Hermans
In: MillenniuM: gevarieerd driemaandelijks tijdschrift van de Kunstgroep Lage Landen, ISSN 0929-5283. (1995), afl. 5 (voorjaar), pag. 2-3..

Aan iedere spijker een regel : bloemlezing poëzie van jonge Nederlandse en Vlaamse dichters MillenniuM 6 – juni 1995 – 1e druk. Paperback. 168 pp.zw.w.foto’s. Met een voorwoord van Serge van Duijnhoven.

Auteur(s): Joris Abeling (redacteur) [e.a.]
Taal: Nederlands
Uitgever:Prometheus Amsterdam
Bestaat uit:168 p.
Thema:Poëziebundels
ISBN:90-5333-388-6

Aan iedere spijker een regel :

“Ondertussen werd ik, geïnteresseerd, omdat ik diens gedichten nauwelijks ken, getroffen door die van Pieter Boskma, in de bloemlezing poëzie van jonge Nederlandse en Vlaamse dichters, Aan iedere spijker een regel, een Millenium Poetry Department-uitgave (Prometheus) uit 1995, ingeleid door Serge van Duijnhoven.
In verband met de vele informatie, die ik het afgelopen seizoen – in feite al enkele jaren – deel met Derrick Bergman, en anderen die zich met mijn leven&werk bezig houden, hield ik mij even op bij Boskma’s gedicht Nostalgische priëlen, waarvan de eerste strofe luidt:
‘ga niet ruggelings in nostalgische priëlen.
alles verjongt zich, behalve de ziel,
groter de kloof met wie je al was –
ga niet ruggelings in nostalgische priëlen.(…)’
een aanmaning die nog twee keer herhaald wordt. Een mooie bundel overigens, 165 pagina’s + advertenties.”

–          Simon Vinkenoog op zijn weblog Kersvers, dinsdag 6 november 2007

Armada begint waar Millenium ophoudt

NIET BEKEND, MICHEL MAAS
Gepubliceerd op 28 november 1995 00:00, bijgewerkt op 15 januari 2009 23:30

‘Tatjana ging de stoep op en bewoog haar klokje heen en weer. Roman liep langs haar heen. De deur was open. Hij ging het voorhuis binnen. In het huis was het donker. Vervolgens deed hij een andere deur open en ging het huis binnen. In het huis was het donker. Roman bleef even staan om aan het donker te wennen. Links stond een tafel. Rechts stond de kachel. Naast de kachel stond een bed. Op het bed lagen Nikolaj Gorochov en zijn vrouw Matrjona Gorochova. Op de kachel lagen Stepan Gorochov, Maria Gorochova, Ivan Gorochov en Pjotr Gorochov. Roman liep naar het bed en sloef Nikolaj Gorochov met de bijl op zijn hoofd. Nikolaj Gorochov begon te kreunen. Roman sloeg Maria Gorochova met de bijl op haar hoofd. Ze bewoog zich niet meer. Roman sloeg Nikolaj Gorochov. Hij hield op met kreunen. Roman ging naar de kachel. Aan de rand lag Pjotr Gorochov. Roman pakte hem bij zijn arm en trok. Pjotr Gorochov viel van de kachel. Roman sloeg hem met de bijl op het hoofd. Pjotr Gorochov bewoog zich niet meer. Roman trok Ivan Gorochov aan zijn arm. Ivan Gorochov viel van de kachel en begon te huilen. Roman sloeg hem met de bijl op zijn hoofd. Ivan Gorochov hield op met huilen. Roman trok Stepan Gorochov aan zijn arm. Stepan Gorochov viel van de kachel en begon te huilen. Roman sloeg hem met de bijl op zijn hoofd. Stepan Gorochov zweeg. Roman pakte Maria Gorochova bij haar arm. Maria Gorochova viel van de kachel. Roman sloeg haar met de bijl op haar hoofd. Maria Gorochova bewoog zich niet meer. Roman liep het huis uit. Hij liep door het voorhuis en stapte de stoep op. Op de stoep stond Tatjana. Zij klingelde met haar klokje.’

Als Vladimir Sorokin op dit punt in zijn roman Roman is gekomen is er nog betrekkelijk weinig aan de hand. Roman moordt zijn dorpje uit. Er vallen heel veel doden, maar het moet nog smerig worden. En dat wordt het. Een zooi van ingewanden, afgehakte hoofden, de inhoud van ingewanden, en dat allemaal opgestapeld in de kerk. Een kleine lokale apocalyps, die eindigt met de dood van de moordenaar zelf.

‘Roman sterft.’

Niet alleen Roman en zijn dorpelingen, helemaal niemand overleeft het eerste nummer van het nieuwe literaire tijdschrift Armada, dat door Uitgeverij Wereldbibliotheek wordt uitgegeven. Iedereen gaat dood, de een nog mooier dan de ander – want thema is: de apocalyps in de wereldliteratuur.

‘Er zal een geweldige explosie komen, die niemand zal horen, en de aarde, tot zijn nevelvorm teruggekeerd, zal door de ruimte zweven, vrij van parasieten en ziekten.’ (Italo Svevo).

‘Zelfs de mensen wier leven tot voorbeeld moest strekken, de mensen van boven de honderd, gingen ook dood; het was verschrikkelijk; zelfs de Portugezen gingen dood.’ (Edgar Neville).

De dood overvalt ze in hun auto’s, waarin hun hoofden op de claxon drukken: ‘Na bij leven zoveel gezongen te hebben laat de mensheid bij haar sterven als laatste kreet een wagneriaanse kakofonie van tweehonderdmiljoen claxons horen. Maar deze jammerklacht duurt niet lang. Na een paar dagen zijn de accu’s leeg, is de brandstof van de motoren die waren blijven lopen op, evenals de brandstof van de kachels waarop het laatste maal stond te koken. Alles is stil. De zon schijnt feller, de lucht wordt zuiver. De mieren komen tevoorschijn.’ (Jorge Ibargüengoitia).

De apocalyps ligt in het Hiroshima van Zwarte regen van Ibuse Masuji, het Berlijn van Doctor Billig (personage van George Grosz en Richard Hülsenbeck), in de teksten van Ibn Sajjaad, in Moby Dick, in het Amerika van Jean Baudrillard, of Heart of Darkness van Joseph Conrad. Het einde der tijden loert op veel plaatsen en in veel onverwachte gedaanten. De geluidloze explosie van Svevo bijvoorbeeld, zou uiteindelijk niets anders zijn dan de verovering van de aarde door de literatuur. Want Svevo schreef: ‘Wat ben ik nu? Niet degeen die heeft geleefd maar degeen die ik heb beschreven. Warempel! Het enig belangrijke deel van mijn leven is de bezinning. Als dat iedereen even duidelijk zal zijn als het mij is, zal iedereen gaan schrijven.’

Het zou doodstil worden.

‘Het geeft veel meer voldoening dood te gaan op een moment dat met geen pen is te beschrijven en waarop er niemand is om de pen op te vatten, een moment dat echt het einde is, dan te sterven op een dag als elke andere, een dag waarop de zon opgaat, de vogels zingen, de mensen naar hun werk gaan en niet aan de dood denken, met uitzondering van de enkeling die een krant openslaat op de pagina’s met overlijdensadvertenties.’ (Jorge Ibargüengoitia).

Een heroïsche dood, op een onvergetelijke, zelfgekozen dag stond de redactie van het tijdschrift MillenniuM voor ogen, toen ze het eerste nummer presenteerde. Maar het is een wat roemloos einde geworden. Zeven nummers hebben de leden van de Kunstgroep de Lage Landen het volgehouden. Zeven nummers waarin geprobeerd werd ‘een reflectie te bieden op het laatste decennium van de twintigste eeuw’. De grote plannen werden niet waargemaakt. De reflectie kwam niet echt van de grond, en de kwaliteit en de diepgang bleven achter bij de pretenties.

Het voorlaatste nummer was, in weerwil van alle disciplines-doorbrekende uitgangsprincipes van de kunstgroep een poëzie-bloemlezing. In het allerlaatste nummer van MillenniuM neemt de redactie droevig en een beetje boos afscheid. ‘Voor speelsheid, oprechte moeilijkheid, onafheid en experimenten is geen plaats in het tijdschriftenrek’. MillenniuM gaat ondergronds, ‘underground, en wel subzero’.

‘U hoort nog van ons.’

Noemer van de verhalen is New Rage (‘de soms manische drang tot actie onder jongeren in de jaren negentig’), wat leidt tot artikelen over de kraakbeweging, tot proza van Justine Lévy (dochter van Bernard-Henri) en Prix Goncourt-winnaar Yann Queffélec, en tot foto’s van een vingerende Madonna, een bijna-dode René Klijn, De Bom, Bosnië-Hercegowina, Arnie en Peter, Jezus, Stier Herman, Calvin Klein, Jomanda en Kurt Cobain.

Michel Maas

Armada nr 1, december 1995. ƒ 17,50.

MillenniuM 7, New Rage. Winter 1995. ƒ 12,50.

Should I stay or should I go.MM

Should I stay or should I go ?

o.a. Tilburg, Utrecht, Amsterdam, Haarlem, Diepenheim, Zuidlaren, 1996/1997.

Rondreizend project Should I stay/should I go ? over de inhoudelijke aspecten van de explosief toenemende fysieke en communicatieve mobiliteit in de wereld.

Tentoonstelling, publicatie
Should I stay or Should I go ?, 1996, met o.a. Henk Hofland Paul Scheffer, Serge van Duijnhoven, Eric Wie e.v.a. Redactie i.s.m.Millennium, uitgegeven bij het reizende caravanproject van dezelfde naam.
Prijs: € 8,-(voorradig: nog 100)

Een documentatie van een stuk Tijdsgeest (midden negentiger jaren van de vorige eeuw) gekoppeld aan het universele thema van de twijfel tussen blijven en gaan. De spanning tussen Kain en Abel, de boer en de nomade. Het boek gaat in op de gevolgen van de in de 90er jaren drastich toenemende fysieke en communicatieve mobiliteit en de betekenis daarvan voor de vrijheid van de mens. Wat is Vrijheid eigenlijk en moeten we dat willen ?
bijdragen van Serge van Duijnhoven, Paul Scheffer, Henk Hofland, Christian Loidl, Joris Abeling

shouldistays.logo

Should I stay or Should I go ?, 1996, met o.a. Henk Hofland Paul Scheffer, Serge van Duijnhoven, Eric Wie e.v.a. Redactie i.s.m.Millennium, uitgegeven bij het reizende caravanproject van dezelfde naam.
Prijs: € 8,-(voorradig: nog 100)

………vormgeving en beeldessays van: de Designpolitie

Should I stay.logo2

De sleurbak

door Margot Engelen

artikel | Vrijdag 23-08-1996 | Sectie: Cultureel Supplement | Pagina: 9 | Margot Engelen

A/1 + MillenniuM nr.1. 60 blz. 25,- De Designpolitie, 030-2522377.

Lettre International, Sommer ’96. 96 blz.DM17. Rosenthaler Strasse 13, D-10119 Berlin. Sinds kort is Lettre International ook op Internet te vinden: http://www.lettre.de. En E-mail: Lettre@lettre.de.

MillenniuM bestaat nog. Serge van Duijnhoven trok het blad aan de eigen haren uit het moeras omhoog en fuseerde met het blad A1, een tijdschrift over grafisch ontwerpen. In november 1995 verscheen het zevende en laatste nummer van MillenniuM. Het magische jaar 2000 werd niet gehaald door financiële problemen en redactionele moeheid.

Joris Abeling, Ludo Blok en Van Duijnhoven lieten zich opnieuw bezielen door de mannen van A1 en nu ligt daar het eerste nummer van A/1 + MillenniuM. ‘Should i Stay, Should i Go?’ heet het en het loopt mee met een kunstproject van reizende caravans. Hoewel het tijdschrift heel nadrukkelijk niet alleen maar literair wil zijn, heeft het toch een stimuleringssubsidie toegewezen gekregen van het Produktiefonds, zelfs ondanks de belabberde jaargang 1995. In het eerste gemeenschappelijke nummer is niets van toekomstplannen of beginselverklaringen te vinden, heel anders dan bij het oude MillenniuM.

Wim Verhoeven onderweg met de caravans van Should I Stay Or Should I Go

Wim Verhoeven onderweg met de caravans van Should I Stay Or Should I Go

‘De caravan fungeert als een hybride metafoor, hij symboliseert zowel het huis (het blijven) als het reizen (het gaan)’, schrijft Wim Verhoeven in zijn inleiding over de tot kunst gepromoveerde ‘sleurbak’ die juist in Nederland zo populair is. Niemand minder dan Rilke, met een motto uit de Elegieën van Duino opent het nummer: ‘Denn bleiben ist nirgends’. Literairder kan en wordt het haast niet in A/1 + MillenniuM. Abeling en Duijnhoven bijvoorbeeld interviewden een woonwagenbewoonster en maakten daar een interessant stuk over het thema van maar geen literatuur.

De caravan van Ulay

De caravan van Ulay

Enigszins verstopt tussen beeldend geweld – (vakantie)foto’s, tekeningen, caravanreclames – vindt de op lezen ingestelde lezer teksten die de moeite waard zijn. Er is poëzie van Olaf Zwetsloot die in de liefde een thuis vindt – ‘Nu pas drong in volle hevigheid tot hem door / dat elk huis dat hij bewoond had in feite / een wachtkamer was geweest, een tussenstation’ -, er is een gedicht van Poe genomen (‘ride, boldly ride’ / the shade replied, / ‘If you seek for Eldorado!”) en korte gedichten van Christian Loidl, ‘dichter, schrijver, performer, charlatan’: ‘WHERE DOGS LEAD / the discussion, i leave / the field / to / another’. Verder bevat het eerste nummer een romanfragment van de Libanese journaliste en schrijfster Hoda Barakat, H.J.A. Hofland en anderen over de wandelende jood, stukken van Paul Scheffer over mobiliteit van auto, immigrant, toerist en informatie; aforistische notities van architecten Addy de Boer en Ruud Kallenbach over wonen en mobiliteit (‘wonen is de verveling tussen thuiskomen en vertrekken’). Vermoedelijk zullen er voor elke aflevering mensen en teksten gezocht worden die bij een thema passen, maar dat garandeert bepaald niet gauw een ‘eigen gezicht’.

De caravan van Jo van den Dobbelsteen

De caravan van Jo van den Dobbelsteen

Sterk is ook het ‘levende monument’ van de Duitse kunstenaar Jochen Gerz, die in een klein plaatsje in de Dordogne een herdenkingsteken voor de gevallenen maakte. Het bestaat uit 134 op emailleplaatjes afgedrukte antwoorden op een ongepubliceerde vraag. De bedoeling is dat het monument groeit, dat ook nu nog jonge mensen op een dag een antwoord toevoegen. Lettre International drukt er 34 in Duitse vertaling af. Er staan soms prachtige antwoorden tussen, die nieuwsgierig maken naar de achtergronden van de anonieme dorpsbewoners. ‘Ik wens de vrede meer dan al het andere. Ik wil geen held zijn.’ Of: ‘Men beschermt, wat men geloofd te bezitten, vandaar de drama’s, de oorlogen.’ Slechts op één emaille plaatje wordt verwezen naar de burgeroorlog in Joegoslavië.

De caravan van Joseph Sema

De caravan van Joseph Sema

De leuningen van de tijd

Bunker Hill, nulnummer. Eigen beheer, 62 blz., 315,- Millennium, tijdboek. Bezige Bij, 132 blz., 320,- NIEUW IS niet oud. Nieuw is het tegenovergestelde van oud. Literatuur van jonge mensen dient nieuw te zijn, te breken met oude waarden en conventies. Jonge schrijvers dienen anders te schrijven. Ze dienen hun literaire voorgangers aan te vallen. Anders zijn ze niet interessant.

DOOR Sander Pleij

Zo hebben we althans geleerd te denken: wat zich als nieuw aandient, zich presenteert als ‘jong’, wordt geacht de aanval te openen op het oude, het voorafgaande. De avant-garde bestaat bij de gratie van de traditie, de mainstream waartegen het goed schoppen is.
Met het eerste Manifest van het Futurisme van Filippo Tomassino Marinetti ging in 1909 de Historische Avantgarde definitief van start. Voortaan zou de ‘dynamiek van de nieuwe tijd’ een plaats krijgen in de kunst. Op doek, papier, op het dorpsplein, maar in godsnaam niet in musea of andere bolwerken van de maatschappelijke institutie kunst. Artikel tien luidde: ‘Wij willen de musea vernietigen, de bibliotheken, academies van elk soort…’
Nieuwe ontwikkelingen in de literatuur (over ‘stromingen’ durven we het nauwelijks nog te hebben) worden vaak in gang gezet of begeleid door tijdschriften en andersoortige clubs van schrijvers. Een literair tijdschrift is een podium voor schrijvers van een bepaald slag, al naar gelang de signatuur van het blad.
Halverwege de jaren tachtig zette De Held bijvoorbeeld de opkomst van Maximaal in gang en wist tegelijkertijd een nieuwe generatie schrijvers in het zadel te helpen. Wat later de XXIe Eeuw ging heten, publiceerde werk van aanstormende jongelingen als Martin Bril, Dirk van Weelden, Joost Zwagerman, Rogi Wieg, René Huigen, Robert Vernooy en vele anderen.
De Held – en Maximaal – nam duidelijk stelling, met een polemiek tegen de ulevellenpoëzie, de hermetische dichtkunst van Zuiderent en Faverey. Ook in het proza moest de weg worden vrijgemaakt voor een literatuur waarin de dynamiek van de eigen, moderne tijd een vooraanstaande plaats had, een literatuur vol beweging en onrust, geheel tegengesteld aan de saaie bedaagdheid van de jaren zeventig.
Sinds De Held en de XXIe Eeuw zijn er de afgelopen tien jaar nog wel nieuwe tijdschriften opgericht, maar in vergelijking met het luidruchtige, aangenaam brutale grote broertje was het op het polemische front nogal magertjes gesteld. Zo gaf zelfs Zoetermeer, toch een blad dat de dynamiek van de eigen tijd nadrukkelijk wilde volgen, expliciet te kennen niet te willen polemiseren. De redactieleden schreven liever zelf.
Dat geeft allemaal niets. Maar is er misschien iets voorgoed veranderd?
DEZE MAAND kwam er weer een literair tijdschrift bij. Het heet Bunker Hill, naar de roman Dreams from Bunker Hill van John Fante, waarin het verhaal wordt verteld van een jonge schrijver die vanuit zijn hotel op de berg Bunker Hill de literaire tijdschriften met verhalen bestookt. Geen blad dat ze plaatsen wil. Zo líjkt het tenminste, want op een dag, wanneer iedereen de moed allang zou hebben opgegeven, komt zijn droom toch uit en wordt zijn werk gepubliceerd in een echt literair tijdschrift.
Het zijn onbekende namen die Bunker Hill maken. De redactie, bestaande uit Machiel Bosman, Lolies van Grunsven, Menno Hartman, Daphne de Heer en Jasper Henderson plaatste bovendien geen eigen verhalen. Iets bekender zijn de leden van de redactieraad: Hans Goedkoop, Oek de Jong, Lisa Kuitert en Annie van den Oever. Ook het gepubliceerde werk komt deels van schrijvers die zich al bewezen hebben. In het nulnummer verzorgen Jaap Scholten, Wanda Reisel, Adriaan Jaeggi, Armand Kerkmeester en John Fante het proza. Erik Lindner, Eric Coenen, Jan Baeke, Ruben van Gogh en Victor Schiferli tekenen voor de poëzie.
Bunker Hill wil niet per se nieuw zijn, zo licht de redactie in een kort redactioneel toe. Er hoeven geen musea te worden neergehaald. Sterker nog, hier wordt juist geconstrueerd: ‘Men bouwt een museum niet omdat de andere zo slecht zijn, maar omdat ze vol zijn. Of omdat er geen ruimte is voor een kunst die wel een plaats verdient. (…) Bunker Hill is een tijdschrift met gevoel voor traditie. Voorop staat het werk van auteurs dat zich, zoals na lezing duidelijk zal zijn, niet staande houdt aan de leuningen van de tijd. Het schreeuwt, klaagt en jankt niet en het wil ook niet voor alles hip zijn. Het betreft hier proza en poëzie die zo veelzeggend zijn gebleken dat ze vormelijk geen gezochte vernieuwing nodig hebben, en waaraan verrassend kijken meer ten grondslag ligt dan verrassend willen schrijven.’
Dat is ook niet zo gek. Want voor je het weet ben je een generatie. Een nieuwe generatie. Dit is immers de tijd waarin schoolkinderen van acht met rugzakken op lopen waarop voorgedrukt Generation X staat, de tijd van Pepsi, the choice of a new generation. Dit is de tijd van de grote wedloop om alles wat nieuw, jong en pril is zo snel mogelijk te gelde te maken.
MAAR WAAR IS ondertussen de literaire vadermoord gebleven? Nieuwe tijdschriften komen toch in opstand? Vuurwerk! Straatrumoer! Nieuwelingen gaan op zijn minst toch even flink tekeer tegen A.F.Th. van der Heijden en de andere bewoners van Café De Zwart? Dat, weet de jonge schrijver al te goed, wordt van hem verlangd.
Ik ben dertien jaar oud en heb net onderuitgezakt plaatsgenomen op de doorgelegen bank voor de tv in mijn kamer. Niets in mij is van plan mijn verworven territorium te verlaten. ‘Hé lamstraal!’ spreekt mijn vader, ‘ga eens wat doen! Jij consumeert alleen maar. Je produceert helemaal niets.’ Ik antwoord met een welgemeend: ‘Kan mij het schelen?’ gevolgd door – ik voel dat er zoiets van me wordt verwacht -: ‘Ga jij maar lekker burgerlijk werken en belasting betalen.’ Dát had ik beter niet kunnen zeggen, want vanaf dat moment deed de ouderlijke vriendenkring niet meer alleen de huiskamer maar ook mijn schuilplaats aan.
Ik ontvang hangend op mijn bank. Steevast zijgen de ouderlijke vrienden met lieve en begrijpende blikken naast mij neer om mij vertrouwelijk toe te spreken. ‘De wereld ís ook best klote.’ ‘Zet jij je maar lekker af, dat deden wij ook.’ En: ‘Waarom schrijf je niet op wat je allemaal niet zint?’ Ik moet ook boeken lezen. Over ene Holden Caulfield bijvoorbeeld. Die gozer zette zich ook af.
Je afzetten omdat het van je verlangd wordt. Breken omwille van de breuk. Het is allemaal zo… zo conformistisch. Dat vindt ook de redactie van Bunker Hill. Jasper Henderson: ‘Er is niets conventionelers dan de avant-garde van nu. Ze is eigenlijk zelf een verkapt l’art pour l’art geworden. In deze tijden brengt het veel meer risico met zich mee wanneer je terugvalt op de traditie. Wij zijn veel vooruitstrevender en eigenlijk juist veel avant-gardistischer dan andere jonge literaire tijdschriften.’
Een beetje laf, zo zou je het ook kunnen interpreteren, dat behoedzame credo. Henderson toont zich verbaasd: ‘Het lijkt wel alsof we móeten vernietigen. We schijnen ook essays en polemieken te moeten opnemen. Maar dat willen we helemaal niet. We willen mooie literatuur bieden.’
Het in september te verschijnen eerste nummer zal wèl een manifest kennen. Daaruit moet duidelijk worden dat de redactie zichzelf niet als elitair ziet, maar – ‘misschien heel idealistisch, hoor’ – ‘mooie verhalen’ wil brengen die vrij toegankelijk zijn.
Wat nu verstaat de redactie onder mooi? Henderson: ‘Dat is literatuur die niet alleen op vorm maar ook op inhoud is gericht. Wij vinden het niet interessant om de werkelijkheid rauw-realistisch te beschrijven zoals de Nix-schrijvers dat deden. Een verhaal over deze tijd is alleen interessant wanneer de werkelijkheid wordt geabstraheerd, wanneer ze eigenlijk boven de eigen tijd uit wordt getild. Voorts blijft literatuur natuurlijk ook voor een groot gedeelte een gevoelskwestie. Het doet je iets of niet. Wij pretenderen te weten wat goede literatuur is.’
SLAAT MEN Bunker Hill open, dan valt als eerste op dat het blad geen fratsen uithaalt met de vormgeving. Duidelijk leesbaar (en dat is helemaal niet zo vanzelfsprekend voor een jong literair tijdschrift) zijn twee ‘mooie verhalen’ van Jaap Scholten (1963) en Wanda Reisel (1955) afgedrukt. In ‘Een klein oponthoud’ kijkt Reisel terug op haar jeugd: ‘Wij waren er van overtuigd dat onze manier van leven de enige juiste was en dat ons observeren een intensiteit en kennis met zich meebracht die ons ver boven wie dan ook verhieven. Wij waren niet minder dan Jonge Goden, en eigenlijk waren we dat ook, hoewel we gewoon Nare Klootzakjes waren. (…) Wij hebben ons altijd weten aan te passen, ons altijd weten te redden. Wij hebben ook vrienden verloren en begraven. Wij zijn ouder nu, wij genieten van Franse kazen en Chileense wijnen. Wij hebben de tijd nooit beschuldigd. Wij bezoeken buitenlandse steden. Wij reizen met treinen. Dit hier is alleen maar een oponthoud, een klein oponthoud in ons leven.’
Jaap Scholten beschrijft, de Arturo Bandini-cyclus van Fante indachtig, hoe hij erin slaagde zijn eerste boek uitgegeven te krijgen: ‘In het bescheiden, regelmatige handschrift stond: Goed. Doorgaan. Dan hebben we voor het eind van het jaar een boek. Thomas Rap. Zingend draaide ik de deur in het slot.’
HET LEZEN VAN Bunker Hill is een aangename bezigheid, als was het een boek van Harry Mulisch op een warm vakantiestrand. Loom, met de hersens op halve kracht. Hoe anders is Millennium! Het blad van de kunstgroep De Lage Landen is onder de hoede van De Bezige Bij aan een tweede jeugd begonnen en verscheen twee dagen na Bunker Hill met een nieuw nummer, nog steeds niet als literair tijdschrift maar als tijdboek. Voornaamste kenmerk van de verschijningsvorm: onleesbaarheid. Bijna het gehele nummer is in kapitalen gezet. De zogenaamd hippe vormgeving behelst naast plaatjes hermetische lappen tekst. Alinea’s worden met een schuin streepje aangegeven.
Wie deze hindernis echter neemt, wordt aangenaam verrast. Dan gebeurt er namelijk iets, iets dat veel substantiëler voelt dan het lezen van zomaar een ‘mooi verhaal’. Want Millennium maakt wat los. Het laat zien constant op zoek te zijn naar het wezen van de eigen tijd. Het doet pogingen vorm te geven aan de eigen obsessies. Zó voelde dat dus, de drang om te lezen over de eigen tijd.
Millennium experimenteert wat af (zo zijn er de flirt met de rap, het thema van het engagement, de poging te ontsnappen aan cynisme, dat altijd een zeker nihilisme in zich draagt) maar overal wordt de wens, de verwoede poging de eigen tijd te analyseren, voelbaar. Bijvoorbeeld aan de hand van het thema van dit nummer, hardcore, dat, zo constateert Joris Abeling, is verworden tot niet meer dan een hol predikaat ter aanduiding van de ‘gezellige’ wijze waarop de bijna-eenentwintigste-eeuwer zijn vrije tijd doorbrengt.
Millennium leeft, schreeuwt het de lezer in de oren. Doe je ogen open en onderzoek! Gelukkig is Millennium daarnaast geen literair tijdschrift. Was het dat wel, dan had de redactie misschien niet zoals nu een paginagrote demonstratiekalender afgedrukt.
MOOI IS DE literaire bijdrage van Serge van Duijnhoven, de geëngageerde schrijver die toen hij zich enige tijd geleden op zijn engagement beriep, bijkans met pek en veren de stad uit werd gedragen. Van Duijnhoven zou volgens de kritiek leiden aan een ‘te nadrukkelijk politiek engagement’. Eigenlijk zou hij koketteren met zijn engagement. Een beetje naar Sarajevo gaan, zèg. Wat dacht die ijdele hals wel? De rampentoerist.
Van Duijnhoven trekt zich niets aan van de kritiek en publiceert in de nieuwe Millennium met ‘Boulevard Oktoberrevolutie’ rustig weer een verhaal over voormalig Joegoslavië. Há! Hij heeft het engagement tot thema gemaakt. Verrast kijkt hij toe hoe zich onder westerse ogen een oorlog ontwikkelt, hoe daarop wordt gereageerd. Hoe hij daar zélf op reageert. Daarbij spaart hij zichzelf zeker niet, bijvoorbeeld als hij stelt: ‘Oorlogen zijn verworden tot red light districts waar onguur volk, soldaten en journalisten hun ronde maken langs de plaatselijke bevolking (poserend, soms zeer onbeschaamd, in naakte misère).’
Millennium zet aan tot meedenken, tegensputteren, betrokken zijn. Als een drammend en dreinend kind – ‘Maar waarom dan? Waarom?’ – onderzoekt het de alledaagse werkelijkheid. Nergens nemen de millennaristen genoegen met het gemakkelijkste van alles: een vooringenomen, cynische blik.
Bunker Hill en Millennium. Voor je het weet hebben de critici weer een leuk contrast gevonden (doet het later ook altijd erg goed in geschiedenisboekjes voor eerstejaars Nederlands). Bunker Hill is dan elitair, Millennium geëngageerd. Terwijl ze met al hun verschillen juist blijken samen te komen in een poging om opnieuw te observeren, om zelf te willen kijken naar de eigen tijd en cultuur, zonder (verplicht) in dialoog te gaan met literaire vaders en moeders, opa’s en oma’s.
Drie jaar geleden signaleerde Xandra Schutte hoe bij de schrijvers van de generatie Nix (waar zij Joost Zwagerman, Rob van Erkelens, Ronald Giphart, Hermine Landvreugd, Joris Moens, Don Duyns en Erik Caspers toe rekende) het overbewustzijn en de pose tot handelsmerk zijn gemaakt: ‘Ze zijn superindividualistisch, en toch positioneren ze zich, al dan niet ironisch, als lid van een generatie. Een van de pomo-schilders in Zwagermans Gimmick! stelt cynisch dat hij, als hij werkt, altijd zijn achterhoofd ziet, hij objectiveert altijd. Voor de bovengenoemde schrijvers geldt dat ook: zij zien hun achterhoofd, zij objectiveren. Zij hebben allen de neiging om met een overdosis aan zelfbewustzijn hun personages en zichzelf stevig in de tijd te verankeren.’
Daar hebben Bunker Hill en Millennium genoeg van. De wereld, zo lijken zij te hebben besloten, is groter dan het eigen achterhoofd, en haar ontdekken en begrijpen vereist meer dan het staren naar de eigen navel. Zoals in de schilderkunst een reactie kwam op het postmodernisme met de oprichting van After Nature (opnieuw leren kijken en schilderen met klassieke materialen), zo kiest Bunker Hill ervoor weer te leren observeren: verrassend kijken en schrijven met traditionele technieken. Ook Millennium weigert nog langer te objectiveren en de eigen persoon en motieven voortdurend ter discussie te stellen; dat leidt uiteindelijk tot niets anders dan inertie en nihilisme.
Met Bunker Hill en het vernieuwde Millennium lijkt er, laat in de jaren negentig, langzamerhand een jonge literatuur te ontstaan waarvan de schrijvers niet meer van zins zijn zich in de oeroude mal te laten gieten van de jongere die zijn voorouders attaqueert. Ze hebben het veel te druk met het schrijven van hun verhalen. Alsof het credo luidt, naar Nike: geen geouwehoer, just do it!

© Sander Pleij / De Groene Amsterdammer juli 1997

Krantenarchief

11 juli 1997

ONNO BLOM

De herrijzenis van twee jonge literaire tijdschriften

De herrijzenis van twee jonge literaire tijdschriften

AMSTERDAM – Bijna twee jaar nadat het literaire tijdschrift MillenniuM met een ‘techno-poëtisch’ feest een luidruchtige dood was gestorven, verscheen vorige week een nieuw dubbelnummer. Het blad van de ‘kunstenaarsgroep de Lage Landen’ heeft onderdak gevonden bij uitgeverij De Bezige Bij.

“Een tijdje geleden waren we op zoek naar een uitgever”, vertelt MillenniuM-redacteur Joris Abeling. “Het hoefde niet per se de Bezige Bij te zijn, maar wij voelden ons direct thuis. Albert Voster, directeur van de Bij, was enthousiast en steunde ons. Dat misten we bij Prometheus.”

MillenniuM kreeg vorig jaar, nadat de redactie het blad had opgeheven, toch nog een stimuleringssubsidie. De tijdschriftencommissie van het Literair Produktie- en Vertalingenfonds had weliswaar aarzelingen over de inhoud van het blad – “de kwaliteit is niet altijd goed te noemen, en de samenstelling van de nummers onevenwichtig” – maar kende toch een subsidie toe omdat MillenniuM een ‘laboratoriumfunctie’ zou hebben.

Dat was nu juist wat Suzanne Holtzer, redactrice van de Bezige Bij, aantrok in het blad: “Literaire tijdschriften zijn altijd maar pogingen. Het is duidelijk wat MillenniuM voor ons kan betekenen. Een tijdschrift is voor jonge schrijvers een honingpot.” De Bezige Bij is er in de afgelopen jaren maar matigjes in geslaagd nieuw literair talent aan zich te binden. De trotse uitgeverij van de Vijftigers is al te lang afhankelijk van oudere bestseller-auteurs als Mulisch en Claus en probeert op allerlei manieren jonge bijen naar de honingpot te lokken.

Het is opvallend voor een uitgeverij als de Bezige Bij dat de literaire kwaliteit van het blad kennelijk niet de belangrijkste maatstaf is gebleken. “De MillenniuM-redacteuren hebben een houding ten opzichte van literatuur die spannend is omdat ze zich niet confirmeren”, zegt Holtzer. “Of dat altijd kwaliteit oplevert, dat weet ik niet. Ik denk in potentie.” Betekent dat ook dat bijvoorbeeld het nieuwe werk van Serge van Duynhoven – dat net als de vorige nummers van MillenniuM bij Prometheus verscheen – bij de Bezige Bij zal gaan verschijnen? Holtzer: “Dat is een toekomstperspectief dat zeer wel denkbaar is.”

Dat de toekomst, ware die afhankelijk van de schrijvers van dit tijdschrift, niet altijd even zonnig zal zijn, blijkt uit het huidige dubbelnummer. ‘Gezelligheid’ en ‘hardcore’ zijn de twee thema’s van het dubbelzijdig en in twee verschillende stramienen opgemaakte ‘MillenniuM’. Het gezellige gedeelte toont steeds dezelfde foto’s van onbekenden, die elkaar in de armen vallen. Bijbehorende tekstballonnetjes luiden bij voorbeeld: “De maat was vol althans de mijne wel” en “uche, uche”. Dit niveau van meligheid wordt maar nauwelijks tenietgedaan door semi-nostalgisch gebabbel over de Brabantse geboortegrond van een aantal van de redacteuren of een bijdrage van Ronald Giphart die voor de zoveelste keer bekent dat hij aftrekken ‘namelijk nogal behoorlijk lekker’ vindt.

Het hardcore-gedeelte van MillenniuM gaat er, gevat in een haast onleesbare opmaak, steviger tegenaan. Het is een mix van nodeloos geweld, loos engagement inhoudsloze ruige taal. Serge van Duijnhoven roept daarop hard: “Hardcore leeft, en wij leven dankzij hardcore! Het kan ons niet hard, niet écht genoeg zijn. De steden kreunen, de aarde scheurt, het bloed gorgelt in de kelen van de in kelders verborgen kinderen. Uit de diepte komt het, en daar zullen we het verder zoeken.”

Het nieuwe MillenniuM, dat zijn lezers het moderne levensgevoel hardhandig inwrijft, heeft bij toeval nu al een natuurlijke tegenpool gekregen. Een groep onbekende jonge redacteuren – Machiel Bosman, Lolies van Grunsven, Menno Hartman, Daphne de Heer en Jasper Henderson – bracht vorige week het nulnummer uit van Bunker Hill, tijdschrift met literatuur. “Bunker Hill is een tijdschrift met gevoel voor traditie,” schrijft de redatie. “Voorop staat het werk van auteurs, dat zich, zoals na lezing duidelijk zal zijn, niet staande houdt aan de leuningen van de tijd. Het schreeuwt, klaagt en jankt niet en wil ook niet voor alles hip zijn.”

Niet alleen de klassieke vormgeving, maar ook de gedichten en verhalen in Bunker Hill – de titel is ontleend aan John Fante – blinken nu juist niet uit door vernieuwingsdrift. Exemplarisch mogen Victor Schiferli’s verzen heten, waarin valt te lezen: “Niemand zag hoe de woning achterbleef / na de vergrendeling. Hoe zon scheen / op planten en tapijt, stof danste / in bundels, post viel op de deurmat. / Zoals woorden, eenmaal geordend, / in het gedicht kunnen verdwijnen.”

Traditioneel en stoffig is het gebodene inderdaad, maar ‘het stof danst’, om Schiferli nogmaals aan te halen. In tegenstelling tot de knallende opmaak en taal van MillenniuM staat op de fraai gedrukte pagina’s van Bunker Hill een aantal proeven van ouderwets goed geschreven bijdragen. Initiatiefnemer Jasper Henderson weet dan ook trots te melden dat Bunker Hill vanaf september door Thomas Rap zal worden uitgegeven. Henderson haast zich te zeggen dat aan de huidige opzet niets zal veranderen: “Een grote uitgeverij wilden we dus absoluut niet. We willen klein en onafhankelijk blijven.” Zo is sinds vorige week, midden in MillenniuMs tijd van gorgelend bloed, ook de literaire traditie uit de as herrezen.

© Trouw 2009

Millennium zoekt waarheid in knipselkrant

RECENSIE, PETER SWANSBORN
Gepubliceerd op 10 februari 1998 in de Volkskrant

De waarheid mag voor velen een zeldzaam goed zijn, het tijdschrift MilleniuM weet er in haar nieuwste nummer 44 pagina’s mee te vullen. ‘Een overzicht van een jaar MillenniuM-waarheden in de (inter-)nationale media’, aldus de knalrode wikkel die vijf in elkaar gevouwen katernen omvat. MillenniuM maakt de balans op van 1997 en doet dit in de vorm van een knipselkrant.

Elke pagina van MillenniuM lijkt te zijn overgenomen uit een variëteit van dag-, week- en maandbladen, van De Telegraaf tot de Flash Art, van het Spaanse dagblad El Pais tot de Utrechtse uitgave van het advertentieblad Via Via.

De illusie wordt zodoende gewekt dat de redactie van MillenniuM uit al deze bladen artikelen heeft verzameld die zij, om welke reden dan ook, als een ‘waarheid’ zag of in elk geval van genoeg belang achtte om over te nemen en met de lezer te delen.

Al lezende blijkt al snel dat het hier een ‘practical joke’ betreft en dat geen van de reportages, verhalen en gedichten ooit in de betreffende bladen heeft gestaan. Het De Groene Amsterdammer artikel waarmee MillenniuM opent, een artikel ter nagedachtenis van prins Bernhard gedateerd op 29 oktober 1997, is daarvan hetoverduidelijke bewijs.

Het feit dat de kaarten zo duidelijk zijn doorgestoken doet niets aan de pret af. Integendeel, was dit niet het geval, dan zou de puzzel-achtige vormgeving de boventoon voeren en zou het mogelijk belang van de inhoud bij voorbaat het onderspit delven.

Even verwarrend als geestig is wel dat een aantal bijdragen is geschreven door medewerkers van de nagebootste bladen. Zo is bijvoorbeeld het artikel over prins Bernhard niet alleen vormgegeven als een De Groene-artikel, maar is de auteur, René Zwaap, in werkelijkheid ook redacteur van De Groene.

Zwaap doet in licht ronkende bewoordingen een welgemeende poging tot afrekening. Zijn artikel zet vragen bij de politieke onkwetsbaarheid van prins Bernhard, de ‘Teutoonse 007′, en onderzoekt tegelijk diens belangstelling voor Germaanse mystiek.

Bekende zaken als de Greet Hofmans-affaire en de Lockheed-steekpenningen komen ter sprake, maar ook minder bekende gebeurtenissen als de Hitler-groet door gasten op het huwelijksfeest in 1937 en het vermeende misbruik van gelden van het Wereld Natuur Fonds ten gunste van het voormalige Zuid-Afrikaanse apartheidsregime. In zekere zin is het jammer dat dit serieuze en nietsontziende betoog van Zwaap in een tijdschrift verschijnt dat het als grap verpakt.

Op een viertal Vrij Nederland-pagina’s houdt Serge van Duijnhoven een omstandig pleidooi voor Willem Oltmans, de 72-jarige journalist die reeds jaren verkondigt door de Nederlandse Staat benadeeld te zijn. Oltmans schijnt momenteel naadloos te passen in het vrijblijvende, modieuze verzet dat een aantal jonge schrijvers en tijdschriftmakers als enige mogelijkheid lijkt te zien. Onlangs werd ook in het nieuwe tijdschrift Vrijstaat Austerlitz Oltmans als een held naar voren geschoven en werd hem een prijs voor ‘onbuigzaamheid’ toegekend.

Oltmans zal het ongetwijfeld allemaal prachtig vinden, maar Van Duijnhoven maakt zichzelf op z’n zachtst gezegd belachelijk. Kritiekloos laat hij zich hier voor het karretje van Oltmans spannen door diens gevecht met de Nederlandse regering voor te stellen als ‘de Hollandse Dreyfusaffaire’ en door stellig te beweren dat ‘weinigen in Nederland de waarheid zo serieus (lijken te) nemen als Oltmans’.

De nagemaakte De Morgen-pagina’s vormen het meest humoristische deel van MillenniuM. In een opgewonden, uit-de-bocht-vliegende stijl schrijft de Vlaamse dichter en performer Didi de Paris over het stigma dat Hillary Clinton in haar rechterhandpalm kreeg toen zij Moeder Theresa begroette, over ‘het lijk van de week’ en over een Belgisch televisiestation dat gebruik maakt van het ‘Handbuch der Kommunikationsguerilla’.

Ook de advertenties voor onder andere ingenieurs op het gebied van ‘massabeheersingssystemen’ en de pagina’s in Privé-stijl (inclusief het voor de Privé gebruikelijke foutieve zetwerk) maken MillenniuM tot een tijdschrift waarvan de amusementswaarde de literaire en ook de journalistieke waarde overstijgt.

Peter Swanborn

Millennium. Nummer 12, winter 1997/98. De Bezige Bij, ƒ 20,-.

Medewerker Joris Abeling verongelukt

Door een onzer redacteuren

artikel | Woensdag 18-02-1998 | Sectie: Binnenland | Pagina: 2

ROTTERDAM, 18 FEBR. Bij een verkeersongeluk in Hongarije is eergisteren Joris Abeling omgekomen. Hij was redacteur van het cultureel tijdschrift ‘MillenniuM’ en vaste medewerker van NRC Handelsblad. Hij is 26 jaar geworden.

Na het gymnasium in Oss volgde Joris Abeling een jaar colleges in Cambridge en Oxford. Daarna studeerde hij geschiedenis in Amsterdam. Na zijn doctoraalexamen in 1994 liep Abeling stage bij de verslaggeverij van deze krant. Afgelopen zomer keerde hij, na een jaar gewerkt te hebben bij de VPRO-televisie, terug als medewerker. Voor de bijlage Boeken verzorgde hij sinds augustus 1997 de nieuwsrubriek ‘Ingenaaid , Gebonden’.

Tijdens zijn studie was hij redacteur van het Amsterdamse historische tijdschrift ‘Skript’. In 1993 richtte hij, samen met Serge van Duijnhoven, het culturele tijdschrift ‘MillenniuM’ op. Voor uitgeverij Prometheus stelde hij een bundel samen met interviews die in Nederland baanbrekend zijn geweest. Begin 1996 publiceerde hij het boek ‘Teloorgang en wederopstanding van de Nederlandse monarchie, 1848-1898’, het onderwerp waarop hij eerder was afgestudeerd. Bij uitgeverij Jan Mets was eerder zijn beknopte biografie van koning Willem III verschenen.

Persoon: Joris Abeling

Joris Abeling 13.09.71  -  16.02.98

Joris Abeling 13.09.71 – 16.02.98

Archief \ 1998 \ Februari \ 20 \ boeken \ 2

In memoriam Joris Abeling

Redactie Boeken NRC-Handelsblad

artikel | Vrijdag 20-02-1998 | Sectie: boeken | Pagina: 2

Afgelopen maandag is Joris Abeling, de redacteur van de wekelijkse rubriek ‘Ingenaaid , Gebonden’, bij een auto-ongeluk in Hongarije om het leven gekomen. Hij was, na een korte vakantie in voormalig Joegoslavië, op weg naar huis. Deze week zou hij weer aan het werk gaan. Joris Abeling is 26 jaar geworden.

De historicus Joris Abeling was een veelbelovend en energiek talent. Zijn journalistieke werk was nog maar net begonnen, maar zijn aanwezigheid leek al vanzelfsprekend. Hij wachtte niet af tot een opdracht langskwam, hij nam zelf het initiatief. Voor oudere redacteuren toonde hij respect, maar hij schrok niet voor hen terug. Dat leidde tot onverwachte, interessante en soms plagerige discussies. De rolverdeling lag daarbij vast: hij poneerde iets met aplomb, een ander weersprak dat brutaal, het idioom werd allengs eigenwijzer, waarna geconcludeerd werd dat er een stuk in zat, mits de feiten geverifieerd werden.

Joris Abeling was daarmee een representant van een nieuwe generatie in de journalistiek. De krant was voor hem meer dan het café, maar ook meer dan een dienstbetrekking. Wereldbeeld en mensbeeld schuurden langs elkaar.

Dat bleek ook buiten het journalistieke milieu. Joris Abeling was een drijvende kracht achter MillenniuM, een ambitieus tijdschrift dat de gevestigde literaire bladen wil uitdagen. Hij had drie boeken op zijn naam staan, waarvan er twee het Huis van Oranje tot onderwerp hadden. Vlak voor zijn vertrek naar Joegoslavië had hij het plan opgevat voor een derde publicatie over de monarchie in Nederland. Deze fascinatie voor koningin Beatrix en haar voorouders was geen toeval. Joris Abeling had radicale opvattingen over het establishment, maar hij was niet bang het op te zoeken.

De krant en de bijlage Boeken hebben daaraan veel te kort plezier mogen beleven.

Persoon: Joris Abeling

Joris abeling (1971-1998)

Naast Joris voelde je je vaak oud. Vergeleken bij hem was je overal te laat aan begonnen, had je overal te lang over gedaan. Hij had al zo’n groot palmares, terwijl hij nog niet eens zevenentwintig was. Vorige week kwam hij om, minstens een halve eeuw te vroeg. Auto-ongeluk in Hongarije.

DOOR Rob van Erkelens

Op zijn zeventiende vertrok Joris naar Engeland, waar hij een half jaar in Oxford studeerde. Vervolgens nieuwe geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In 1994 studeerde hij af op de Nederlandse monarchie in de tweede helft van de negentiende eeuw. Zijn scriptie bewerkte hij later tot een boek, Teloorgang en Wederopstanding van de Nederlandse Monarchie.
Daar kon je Joris goed mee plagen, met dat saaie meesterwerk van hem. Terwijl wij zwoegden op die grote debuutroman, die definitieve po‰ziebundel, schreef Joris onverstoorbaar tientallen artikelen voor kranten en tijdschriften, over van alles. Hij hoefde geen schrijver te worden.
Ik leerde Joris Abeling kennen in de tijd dat hij met Serge van Duijnhoven, zijn boezemste boezemvriend, MillenniuM had opgericht, ‘detonatief tijdboek van de Kunstgroep Lage Landen’, en ik het literaire tijdschrift Zoetermeer. In een artikel van Jaap Goedegebuure in HP/De Tijd lazen we dat wij de messen moesten slijpen en de literaire strijd aangaan. Want wij waren zo verschillend, dat kon alleen maar oorlog worden.
Het werd geen oorlog. Er was geen strijd. We bleken veel waardering te hebben voor elkaar. Dat de toon verschilde, dat deed er niet toe.
Het ging altijd over deze, onze tijd. MillenniuM schreef in een van haar eerste nummers: ‘(“Nieuwe chaos” is een omschrijving die wel eens wordt gebruikt voor het tijdperk na de val van de Muur. De wereld wordt er alleen maar onoverzichtelijker op nu vaste scheidslijnen als ideologie en afkomst, levensovertuiging en leeftijd vervagen. Als nomaden reizen wij door de tijd. MillenniuM beschouwt de nieuwe chaos als een verademing.’
Hier beschreef Joris Abeling zichzelf en zijn houding tegenover de wereld. Die nieuwe chaos, waarin hij zich buitengewoon thuis voelde. Dat blijkt uit de diversiteit van zijn bezigheden. Tijdens zijn studie schreef hij voor De Groene en maakte hij interviews voor de lokale radio. Hij was redacteur van het historische tijdschrift Skript. Hij liep stage bij NRC Handelsblad, waarvoor hij zou blijven schrijven. En sinds augustus 1995 was Joris als researcher in dienst van VPRO’s Dummer en Lopende zaken. Hij hield nog tijd over om de bundel Interviews uit Nederland samen te stellen en een minibiografie van koning Willem III te schrijven.
Veelzijdigheid als levenshouding. Bij Joris was het op een of andere manier vanzelfsprekend dat hij een doortimmerd politiek NRC-stuk schreef na een nacht dansen op een ondergronds festival dat hij zelf organiseerde. Het fameuze New Rage-feest van MillenniuM was dat, in de sm-kelders van de Posthoornkerk. Detonerend. Veelzijdig. Mompelende dichters uit Macedoni‰, hysterische kunstenaars uit Groningen, verlegen performers uit Londen, en, naarmate de nacht vorderde, steeds meer wijdgepupilde, blootgebuikte dansmeisjes met de beat in hun benen.
En Joris was alles. En hij paste overal bij. Bij de dichters, bij de dansers. Ik denk dat hij dat kon omdat hij het zelf allemaal was. Joris was dichter en danser. En denker. Tegelijk.
Een open gezicht. Een innemend, mooi jongensgezicht. Overal op zijn plaats. Omdat hij overal paste. Joris was ervoor toegerust om, als volbloed postmodern mens, verscheidene levens tegelijk te leven. Dus leeft hij, na zijn tragisch ongeluk in Hongarije, voort. Dat kan niet anders.

© Rob van Erkelens / De Groene Amsterdammer

T O M   R O O D U I J N

De column De Draad verschijnt vijf keer per week.
Reacties naar rooduijn@nrc.nl


20 februari 1998

Joris
‘Joris terug’ staat er in mijn agenda op woensdag 18 februari. Vorige week zaterdag was hij vertrokken, hij belde me die middag nog op.

We werkten samen aan een boek, ‘De Republiek der Nederlanden’, waarin artikelen staan over de wenselijkheid van een republikeins staatsmodel en de nadelen van de monarchie. Een idee van Joris, opgekomen nadat hij plannen voor een boek over het veranderende Nederlandse landschap had laten varen. Hij gaf mij een rijtje namen en telefoonnummers door van historici die hij vóór zijn vertrek niet meer te pakken had gekregen. Ik zou dat werk overnemen, meteen na zijn terugkomst zouden we weer contact opnemen.

Op de dag voor zijn vertrek naar Nederland overleed Joris Abeling bij een verkeersongeluk in Hongarije. Joris was een energiek, vindingrijk en veelzijdig journalist en een aimabel, vrolijk mens. Hij was iemand van wie nog veel kon worden verwacht; in de paar jaar dat 26-jarige Joris Abeling journalist was, schreef hij spraakmakende stukken in de Agenda-bijlage en het Zaterdags Bijvoegsel van NRC Handelsblad, hij publiceerde een paar historische boeken, hij was redactiecoördinator van het literaire tijdschrift MillenniuM en hij maakte een reeks reportages voor de VPRO-televisie. De laatste maanden hield hij zich intensief bezig met een wekelijkse rubriek over het boekenvak. Joris was prettig gezelschap, je kon onbedaarlijk met hem lachen. Hij was een perfect imitator; uit de manier waarop Joris Mai Spijkers nadeed, kwam een genadeloze maar ook liefdevolle karikatuur van deze uitgever tevoorschijn. Joris was consciëntieus, hield in zijn Literaire Agenda een enorme databank met namen, telefoonnummers en adressen bij.

Een paar weken geleden zag ik dat hij nog de agenda van het vorig jaar hanteerde, en zei daar wat van. ,,Die gebruik ik nog altijd, omdat het zo’n heidens karwij is om alles over te schrijven.”

Gisteravond zat een dertigtal vrienden, familieleden en collega’s in verslagenheid bijeen in het uitgevershuis waaraan Joris zich het afgelopen jaar had verbonden: De Bezige Bij. De bel ging en tot ieders verrassing kwam Serge van Duijnhoven, Joris’ boezemvriend en reisgezel in Hongarije, de trap op. Hij werd ondersteund door zijn broer; Van Duijnhoven liep bij het ongeluk een gebroken knieschijf en een lichte hersenschudding op. De ziekenwagen die hem op het vliegveld opwachtte had hij naar zijn vrienden gestuurd, alvorens zich in het Onze Lieve Vrouwengasthuis te laten onderzoeken.

Het verhaal van Van Duijnhoven, verteld op bewonderenswaardig rustige wijze, was een opsomming van feiten, maar ging over de broosheid van het menselijk bestaan. Een onverwachte manoeuvre van een voorligger (die dronken bleek te zijn), twee auto’s botsten frontaal op elkaar en een veelbelovend leven was ten einde. Van Duijnhoven haalde een dagblad te voorschijn dat ter plaatse was verschenen: de foto’s toonden twee verschrompelde wrakken; het was een mirakel, besefte iedereen toen de krant rondging, dat Serge hier nog zat. ,,Het had ook omgekeerd kunnen zijn”, zei hij. In zijn blik verborg zich een verstarring door de confrontatie met de dood, in zijn beheerste relaas een peilloos verdriet.

De zuster en vriendin van Joris kwamen binnen, ook net uit Hongarije teruggekeerd. Er moesten praktische zaken worden geregeld, zoals dat gaat bij sterfgevallen. Wie wilde er helpen bij het beschrijven van de enveloppen? Dat het veel werk was illustreerde Joris’ zuster met de lange adressenlijst die ze opsloeg, uit de Literaire Agenda van 1997.

Tijdschriftenmakers in discussie tijdens Nacht van het Boek in Tilburg

“Om aan het gebabbel van alledag te ontkomen?”

[Ramon de Louw – Katholieke Universiteit van Brabant, mei 1998]

bron: http://stuwww.kub.nl/kik/k7-9798/kik-inh.htm

Als thema van de Nacht van het Boek gold “de Nacht van de lezer”. Dit thema was onderhuids aanwezig tijdens de forumdiscussies die in de Grote Zaal van de schouwburg gehouden werden. Bij de discussie over tijdschriften bleek de lezer echter geen rol te spelen.
“Jullie lijken toch niet echt met de lezer bezig”, merkt presentatrice Désirée Schijns op. Serge van Duijnhoven, redacteur van het tijdschrift Millennium kijkt haar niet begrijpend aan. Schijns bedoelt dat het themanummer van Millennium (over ‘fake’) misschien iets te veel voor een incrowd is geschreven. Ze gebruikt het woord ‘cult’. Volgens van Duijnhoven, zichtbaar geërgerd, heeft ze het dan goed mis. Het blad richt zich juist op de lezer. “We zetten de lezer expres op het verkeerde been”.

In de verdere discussie wordt de lezer buiten de deur gehouden. Literaire tijdschriften blijken vooral een speeltuin te zijn voor de makers. Er blijkt overigens weinig nodig te zijn om het bestaan van een tijdschrift te rechtvaardigen. Jasper Henderson, redacteur van Bunker Hill gaat hierin het verst: “We voegen niets nieuws toe, maar we hebben wel een goede vormgeving”. In de tijd van Lionel Deflo, hoofdredacteur van Kreatief, ging het toch anders. Bij de oprichting van het tijdschrift in 1966 speelde maatschappijkritiek van de jonge garde een zeer voorname rol. Ook bij Van Duijnhoven kwam het blad voort uit iets wat hij met “jeugdig dwaas elan” betitelt. Dat elan leidde tot een tijdschrift waar verschillende disciplines als theater, beeldende kunst, journalistiek en literatuur samenkomen in een telkens veranderende vormgeving. Het blijkt dat het enthousiasme van de bladenmakers de grootste reden is voor het bestaan van een literair tijdschrift.

Maar waaruit bestaat dit enthousiasme dan? Désireé Schijns informeert of het misschien te maken heeft met vernieuwingsdrang. Van Duijnhoven: “Nee, het is meer het experiment. Als je toch beseft wat allemaal al gedaan is, dan blokkeert dat”. Deflo voegt toe dat het bij Millennium toch om actualiteit draait. In zekere zin maakt het blad zelf actualiteit. Als de presentatrice opmerkt dat je met een tijdschrift toch nooit de actualiteit kan vangen, vraagt Henderson zich hardop af waarom de overige heren geen krant maken. “Het gaat toch om de tekst”. Hij hekelt verder de interdisciplinariteit die een blad als Millennium kenmerkt: “Er is een literaire taal ontwikkeld om een eigen domein te hebben, om aan het gebabbel van alledag te ontkomen”.

De redacteuren blijken het over de functie van de bladen beter eens te kunnen worden. Een literair blad is een kweekvijver voor jong talent. Deflo voegt daaraan toe: “Ook de begeleidingsfunctie is belangrijk. Daarnaast kunnen we overzichten geven. Bijvoorbeeld van jonge poëzie. Hiervoor zijn kranten te vluchtig”. Hij verklaart verder dat themanummers het beste dat doel dienen.

En of ze voor jong talent nog zijn gaan kijken bij de’ Prijs van de Nacht van het Boek’, misschien? Alledrie schudden ze van nee. Van Duijnhoven: “Ik ben er niet de hele dag mee bezig”. De organisatie van de Nacht blijkbaar ook niet, want even later verschijnt er een man met een motorzaag ten tonele. De tijd is om.. Een snelle slotconclusie dus: “De kracht van het literaire tijdschrift is dat er zoveel zijn”. Vooruit dan maar.

Zie ook: http://www.designpolitie.nl/e.html

MillenniuM #12: Fake (520 kb)

http://www.designpolitie.nl/e_folder/e_6.html

Puur leven in Tsjernobyl

NIET BEKEND, PETER SWANBORN
Gepubliceerd op 16 februari 1999 in de Volkskrant

Het schoppen tegen overheid en burgermansmoraal is een bekend literair gegeven, maar daarom nog niet minder noodzakelijk. De maatschappelijke orde is er om bekritiseerd te worden en wie zou deze taak beter kunnen verrichten dan de schrijver?

Het tijdschrift dat zich vanaf zijn begin heeft gespecialiseerd in een dergelijke vorm van romantisch anarchisme heet MillenniuM en ook het nu verschenen themanummer over ‘orde’ richt zich in een vijftal korte artikelen op maatschappelijke misstanden. Tevens bevat MillenniuM een moeizaam soort proza dat zich net als de poëzie van zijn meest geëngageerde kant wil laten zien.

MillenniuM opent met een geestig verslag van Sebas Faber over het dagelijks leven in het Noord-Amerikaanse eco-stadje Davis. In deze utopie voor milieubewuste wereldverbeteraars wordt niets aan het toeval (of het individu) overgelaten. Voor de kleinste vorm van incorrect gedrag is een boete bedacht en zelfs fietsers dienen zich te houden aan een maximaal toegestane snelheid. ‘Wat begon als een tolerante tegencultuur is in een paar decennia verstard tot een nauwverholen fascisme.’

Een meer chaotische orde komt ter sprake in de brieven die Hans Kateman schreef aan de verschillende gemeentelijke diensten van Sint Petersburg. Kateman raakte verzeild in hospitaal nummer 54 nadat hij op Russisch-absurdistische wijze zijn hand verwondde tussen de deuren van een overvolle stadsbus. Zijn ‘puntjes van kritiek’ aan het adres van directeuren en toiletjuffrouwen wijzen op het tragikomische karakter van zijn ervaringen al verkeren de details soms op de rand van flauwiteit.

Pijnlijker is een verslag over de ‘vrijstaat Tsjernobyl’. Eindredacteur Gert den Toom trof er teruggekeerde boeren aan samen met uitgestrekte wietplantages en een proto-fascistische ‘straatideoloog’: ‘In onze vrijstaat keren wij terug naar een moderne vorm van de zelfverzorging, naar een autarkisch leven. (. . .) Het boerenleven is ten slotte het puurste leven: dichtbij, ja met de natuur. Je eigen groente verbouwen, gewoon je eigen kaas en melk maken. Voor jezelf kunnen zorgen. Overleven is tenslotte het echtste leven.’

Deze journalistieke stukken die de lengte tussen een column en een artikel houden, zijn de moeite van het lezen waard. Helaas kan dit niet gezegd worden van het literaire aandeel dat deze keer in omvang vooral leunt op een bar slecht geschreven (of vertaald) science-fiction verhaal van David Turashvili.

Wat MillenniuM nog wel bijzonder maakt is de de bijdrage van vormgeversbureau De Designpolitie. Iedere keer krijgt het blad een ander voorkomen mee: een krant, een glossy of zoals deze keer een schijnbaar willekeurige verzameling van 17 ‘objecten’.

Het eerste object vormt het ‘gewone’ deel van het tijdschrift met de verhalen en de artikelen. Na een lange reeks van voornamelijk vormgeversgrappen (een blauw affiche met als tekst ‘meer blauw op straat’) komt de lezer terecht bij object nummer 17, een flyer van de firma ‘Interfolt Nederland BV’, een ‘dynamische, internationale dienstverleningsorganisatie’.

Deze firma Interfolt is gespecialiseerd in ‘massabeheersingssystemen’ en produceert allerhande apparatuur waarmee politiek instabiele situaties van Tibet tot Nigeria gecontroleerd kunnen worden. MillenniuM noemt deze firma als ‘sponsor’, een flauw grapje dat zijn waarheid vindt in de kleine cijfertjes: het faxnummer van Interfolt is gelijk aan het faxnummer van ‘sponsor’ De Bezige Bij.

Door een dergelijk verzinsel wordt ook het serieus te nemen deel van MillenniuM teruggebracht tot de proporties van een spannend, maar niet maar niet echt verontrustend jongensboek.

Peter Swanborn

MillenniuM, uitgeverij De Bezige Bij, nummer 14, * 20,-.

Laatbloeier komt met dichtbundel

Deventer Post

  • 24 jun 2008
  • LAMMERT VOOS: DERTIEN JAAR NA MILLENNIUM

DEVENTER – Lammert Voos is nog net niet geschrokken van alle plotselinge media-aandacht naar aanleiding van zijn boek ‘Klaai’, maar het verbaast hem wel. “Het afgelopen jaar werden de literaire luiken opeens vanzelf in me open gezet, en na het zaaien is het nu blijkbaar tijd voor oogsten.”

Hij is de afgelopen jaren gestimuleerd door een paar grootheden uit het Nederlandse dichtwereldje, zoals de Zutphense stadsdichter Hanz Mirck.Voos: ,,Vijf jaar geleden leerde ik Chrétien Breukers kennen van de dichtbundelreeks De Windroos en later Uitgeverij De Contrabas. In die jaren trad hij op als een soort mentor. Breukers prikkelde me om anders te kijken en anders te schrijven”, vertelt de 46-jarige Groningse Deventenaar.
,,Daarnaast zijn door het overlijden van mijn vader vorig jaar ikzelf en m’n schrijfstijl ingrijpend veranderd”, verklaart Voos. ,,Ik kijk nu anders tegen mezelf en andere mensen aan. Ben minder veroordelend, zie alles betrekkelijker en relativeer meer. Ik heb overal punten achter gezet en nieuwe deuren geopend.”
Begin jaren tachtig schreef Voos als muzikant (de ‘Friese Captain Beefheart’) zijn eerste verzen. ,,Ik begon met m’n maten een punkband, en daardoor ontstond m’n eerste poëzie. Vroeger wilde ik altijd laten zien dat ik ergens goed in was, maar dat is nu helemaal weg. Zoiets geeft vrijheid en juist nu komt erkenning veel makkelijker op je pad.” Zijn eerste serieuze poëzie publiceerde hij vijftien jaar geleden in het tijdschrift Millennium, waarbij uitgeverij Prometheus kunstenaars uit de scene rondom dichter Serge van Duijnhoven een podium bood voor hun creatieve uitspattingen.
Gevraagd naar de stijl waarin Voos zich begeeft, noemt hij: ,,Ik ben een Groninger. Dat duidt op poëzie met onderkoelde humor en beide benen op de grond. Ik voel me verwant met de Noord-Groningse dichter C.O. Jellema, die ook in Noord-Groningen is geboren.”

Schrijven is voor Voos een vorm van dingen ordenen. ,,Het is net zo natuurlijk voor me als poepen en plassen, het moet er gewoonweg uit. Ik ben geen technisch schrijver, ik moet het niet gaan verzinnen. Daarbij ben ik erg eigenwijs, doe volstrekt m’n eigen ding en kan ook niks anders.”
Hij voelt zich niet verwant met Deventer dichters, maar is positief over de Deventer ‘poëziescene’ en is een drijvende kracht achter het festival Kelderkunst. ,,Het zijn vriendelijke mensen en er heerst geen haat en nijd. Ik heb waardering voor Bernd Bevers. Legendarisch vond ik de poëzieavonden bij Tai Hori van de helaas vorig jaar overleden Orlando Roosblad.”Onlangs was Lammert Voos bij Jaap Boots’ radioprogramma ‘Cantina’ nog ‘Dichter van de Maand’ en deze week is hij een uur lang te gast in het VPRO-radioprogramma ‘De Avonden’. Na jaren van opereren in de marge gaat het opeens erg snel met de Deventer dichter. Lammerts talent wordt al enige tijd opgemerkt door bekendheden uit de dichterswereld. De bij de landelijk bekende poëzie-uitgever De Contrabas uitgegeven debuutbundel ‘Klaai’ is vanaf vandaag verkrijgbaar in de boekhandel. Voos is inmiddels benaderd voor meerdere Deventer optredens, waaronder op het Deventer Podium op de Deventer Boekenmarkt.

Datum : 11/12/1999 <> 23/12/1999
MILLENNIUM – RESET
Titel : DOEL ZONDER OORZAAK
Lokatie : W139 in amsterdam, noord holland, nederland

doel_zonder_oorzaak.MM15poster02

HARMEN DE HOOP, JUUL HONDIUS, ANNELIES VANEYCKEN, MATTHIJSDE BRUIJNE, DYLAN GRAHAM, ORGACOM, ARNO COENEN, DAVIDE BERTOCCHI, DR. BROADCAST, HANS VAN HOUWELINGEN, HANS OP DE BEECK, NELL DONKERS, AGENTSCHAP-COMPUTER, JAN DE COCK, SVEN ‘T JOLLE, ATOUSA BANDEH GHIASABADI, ERIK WEEDA, ax710, HANS VERHAEGEN, MO BECHA, DAVID NEIRINGS, BAS PEEPERKORN

Met deze tentoonstelling wordt een poging gedaan kunstenaars te presenteren als vormgevers van onze samenleving. Vlaamse en Nederlandse beeldhouwers, installatiemakers, fotografen, videomakers en geluidskunstenaars tonen, vanuit die positie, diverse werken die op dit principe steunen.

De kunstenaars voor de tentoonstelling Doel zonder oorzaak zijn geselecteerd door kunstenaar/organisator Eric Wie. Het betreft kunstenaars die bereid zijn hun visie ook buiten het reguliere kunstcircuit te willen testen en daarmee weigeren in de veilige marge plaats te nemen, die doorgaans voor hen gereserveerd wordt.

De tentoonstellingen zullen kort en intensief zijn: twee weken in beide zalen van W139 en de centrale hal van het World Trade Center. In het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst te Gent vinden op 13 en 14 december lezingen plaats, in samenwerking met VONk!.

Doel zonder oorzaak maakt tevens deel uit van Reset, een dichtersavond en videonacht in de Melkweg. Hiermee heft kunstgroep Lage Landen het tijdschrift MillenniuM op. De allerlaatste uitgave van MillenniuM, vormgegeven door de Designpolitie en uitgegeven door de Bezige Bij, is zowel catalogus voor Doel zonder oorzaak als literair tijdschrift. MillenniuM #15 is verkrijgbaar in W139, Artbook (Amsterdam) en Gent.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Eric Wie of Jean Bernard Koeman, directeur W139.

Slotfeest  MM en Doel zonder oorzaak - in Paradiso - 31 dec. 1999 / 1 jan. 2000

Slotfeest MM en Doel zonder oorzaak – in Paradiso – 31 dec. 1999 / 1 jan. 2000

titel:

snipper2

materiaal:

snippers (formaat 7 x 10 cm) met opdruk:

MM15.Doel zonder oorzaak.Paradiso.snipper02

I WANT A NEUROSPECTIVE

I DON’T WANT NO NEUROSPECTIVE

“Doel zonder Oorzaak” W139, Amsterdam 1999

“Doel zonder oorzaak” Paradiso, Amsterdam 2000

‘Doel zonder Oorzaak’ is een beeldende kunsttentoonstelling in Amsterdam en Gent. 23 kunstenaars werkend in Nederland en Vlaanderen tonen op diverse lokaties hun werk. ‘Doel zonder oorzaak’ vond plaats van 10 tot 24 december in W139 Amsterdam. Van 10 tot 30 december in het World Trade Center Amsterdam. Op 10 december van 21:00 tot 00:00 uur op Saltoradio Amsterdam. Op 13 en 14 december in het museum SMAK te Gent. Op 31-12-99 / 01-01-00 is ‘Doel zonder oorzaak’ in Paradiso Amsterdam. 10 kunsternaars en diverse dichters verzorgen een presentatie gedurende de nacht naar het nieuwe MillenniuM.

Bij de tentoonstelling is een issue van MillenniuM verschenen als catalogus. Voor bestellingen bel 0031 (0)20 6701447 of W139 Amsterdam 0031 (0)20 6229434 of uitgeverij De Bezige Bij Amsterdam.

‘Doel zonder oorzaak’: met deze tentoonstelling wordt een poging gedaan kunstenaars te presenteren als vormgevers van onze samenleving. Het betreft kunstenaars die bereid zijn hun visie ook buiten het reguliere kunstcircuit te willen testen en daarmee weigeren in de veilige marge plaats te nemen, die doorgaans voor hen gereserveerd wordt.

De Designpolitie waarschuwt op het einde van de MM-rit...

Wild tijdschrift sterft zachte dood

Van onze medewerker Peter Swanborn
Gepubliceerd op 13 december 1999 00:00, bijgewerkt op 20 januari 2009 10:50

Het tijdschrift MillenniuM is niet meer. Met een tentoonstelling van maatschappijkritische kunst, een slecht georganiseerde literaire avond en een nogal saaie, laatste editie van het tijdschrift nam vrijdagavond een van de meest opvallende kunstenaarsinitiatieven van het afgelopen decennium op niet bepaald waardige wijze afscheid.

In het nulnummer dat in de zomer van 1993 verscheen, meldde de redactie al dat het blad zichzelf zou opheffen voor het jaar 2000: ‘Juist omdat wij een tijdsbeeld willen geven, gezien door de ogen van een generatie, palen we ons werkgebied af.’ Wat er in de zeven jaar van zijn bestaan ook van het blad is gezegd, het ‘hemelbestormende tijdboek van de Kunstgroep Lage Landen’ heeft zich nu aan zijn woord gehouden.

Vanaf het eerste begin wilde de redactie van MillenniuM de verschillende kunstdisciplines met elkaar in contact brengen. Zo ook in het 99 pagina’s tellende slotnummer dat naast de nodige poëzie en verhalen een uitgebreid kleurenkatern bevat. Dit katern doet dienst als catalogus bij een Nederlands/Vlaamse expositie die onder de noemer Doel zonder oorzaak twee weken lang in Amsterdam te bezichtigen.

Wat in een tijdschrift samengaat, wil in de openbare ruimte nogal eens botsen. Daarom ging de tentoonstelling in de Amsterdamse expositieruimte W139 op hetzelfde moment van start als de literaire avond in De Melkweg. Volgens curator Eric Wie omdat beide activiteiten ‘toch een heel ander soort publiek’ trekken. Een eerlijker toegeven van eigen falen is bijna niet denkbaar.

Gevolg was wel dat het aantal schrijvers en dichters dat voor een laatste keer het MillenniuM-podium betrad, ruimschoots het aantal bezoekers evenaarde. Geen mens wilde blijkbaar weten dat een wild en opzienbarend tijdschrift braaf en gemiddeld kan eindigen. Dichters achter een microfoon, een presentator die overdreven z’n best loopt te doen en een toevallig publiek dat een zo groot mogelijke afstand houdt tot het podium.

Even bedaagd is ook het voorwoord in het laatste nummer van MillenniuM dat als motto meekreeg ‘Reset: alles weer op nul’. Serge van Duijnhoven, een van de weinige overgebleven redacteuren van het eerste uur, schreef de geschiedenis van zijn eigen tijdschrift: een ‘krakkemikkig platform voor het lanceren van experimenten’. Voor hem blijkt MillenniuM niet veel meer geweest te zijn dan een initiatief van een ‘jeugdig groepje’ dat last had van een ‘broeierig mengsel van overmoed en dadendrang’.

De leden van dit ‘groepje’ voelden zich begin jaren negentig aangesproken door een noodkreet die zij op de deur van een Amsterdams herentoilet aantroffen: ‘We willen niet sterven in deze eeuw.’ Wat ze wel wilden was een tijdschrift maken. Er werd een ‘detonatief tijdboek’ gemaakt over ‘de nieuwe chaos’, een ‘zaptijdboek’, een ‘hardcore catalogus’ en een themanummer over de ‘nieuwe woede in de kunst’ oftewel ‘New Rage’.

Het vormgevingsduo De Designpolitie zorgde ervoor dat iedere aflevering sterk afweek van de vorige. Een glossy, een envelop met losse vellen of een opgevouwen krant met ‘MillenniuM-waarheden’ die er zo waarheidsgetrouw uitzag dat veel lezers hun geloof in de journalistiek voorgoed verloren.

Voor dit laatste nummer werd aan een aantal schrijvers en kunstenaars de nogal voor de hand liggende vraag gesteld om een voorspelling voor de komende eeuw te doen. Het resultaat is een keurig mengsel van nihilisme en futurisme waar de vroegere ‘overmoed en dadendrang’ nagenoeg aan ontbreken. Hagar Peeters bracht dit in De Melkweg scherp onder woorden met haar gedicht ‘Ook wij Titaantjes’: ‘we lieten wat we hadden in de steek/ en zochten naar wat ons verlaten had.’

IM Millennium (1993-1999/2000)
Afscheid van een tijdschrift

DOOR Rob van Erkelens

Jeroen Brouwers zei eens over zijn monumentale roman De zondvloed dat die als een grafsteen op hem zou mogen liggen. Dat boek bevatte niet alleen zijn hele oeuvre, het sloot het ook af. Het was het da capo van een reeks boeken waarin Brouwers zijn diepste roerselen openbaar had gemaakt. Maar wat er ook van dat oeuvre te zeggen viel, het was echt, authentiek en oprecht. Het zou als grafsteen geen slechte indruk maken.

Als Serge van Duijnhoven ooit een grafsteen moet hebben, geven we hem de verzamelde en ingebonden jaargangen van Millennium, zijn literaire tijdschrift, of eigenlijk, zoals hij het zelf noemde, ‘tijdboek’. In Millennium heeft Van Duijnhoven niet alleen een deel van zijn werk gepubliceerd en een fiks stuk van zijn leven gestoken, daarbij kan de goede lezer niet anders concluderen dan dat er brokken van zijn ziel in zitten. Zijn bloed, zijn zweet en zijn tranen. Alleen al de tranen om Joris, zijn te vroeg gestorven vriend.

Joris Abeling en Serge van Duijnhoven richtten in 1993 Millennium op, omdat ze een blaadje wilden maken. Het was een tijd dat er nog een paar mensen zo brutaal waren om een literair tijdschrift op te richten en daarin en daarmee hun eigen hemeltjes te bestormen. Zo ook de millennisten. De ontstaansgeschiedenis van het blad is beschreven in Van Duijnhovens roman Dichters dansen niet.

Het was een tijd waarin de lethargie van de late jaren negentig nog niet helemaal had toegeslagen. Er bleken nog een paar intellectuele idealisten – of idealistische intellectuelen – te bestaan die hun generatie (een woord dat we toen nog durfden te gebruiken) een stem wilden geven, die een podium wilden oprichten voor (jonge) schrijvers die zij de moeite waard achtten.

In zijn voorwoord ‘De race naar het verdwijnen’ in het allerlaatste nummer van zijn tijdschrift schrijft Serge van Duijnhoven: ‘We wilden een club we wilden een clan we wilden de bal in het net we wilden een manifest we wilden een warm nest we wilden een pluim op de kruin een tempel op het puin we wilden een appel en een ei we wilden een sfinx zijn uit de as we wilden de vonk zijn bij het gas we wilden de wieders zijn de telers van het kruid we wilden de kaviaar zijn onder de kuit we wilden de neus zijn van de zalm we wilden het gif zijn in de walm we wilden het spook zijn op de kastelen de enkelingen tussen de velen de zieners tussen de schelen we wilden de sprooksprekers zijn met de schorre kelen.’

Millennium had een serieuze toon. Het was geëngageerd. Wie herinnert zich niet een artikel over Wim Kok en de WAO? Of een diepgaand onderzoek naar de slaapgewoonten van jongeren? Wat raar leek, bleek niet zo raar als je de losse draden volgde die Millennium in veelvoud leek te laten slingeren. Elk draadje in het web leidde naar de twee oprichters en redacteuren: Abeling en Van Duijnhoven. Het kwam allemaal uit hun hoofd. Ze sloten vriendschappen met kunstenaars in binnen- en buitenland en gingen onverstoorbaar verder met blaadjes maken. Zelfs toen het op zakelijk gebied wanhopig leek, hield Millennium de rug recht. Men ging ‘subzero’ en speelde een tijdje ondergronds voort.

Vlak voor het einde van deze eeuw verscheen Millennium 15, RESET. In het nulnummer had de redactie aangekondigd dat haar activiteiten uiterlijk in het jaar 2000 zouden worden ontbonden: ‘Juist omdat wij een tijdsbeeld willen geven, gezien door de ogen van een nieuwe generatie, palen we ons werkgebied af. Fins de siècle gaan voorbij en nieuwe generaties blijven niet nieuw.’

Millennium heeft woord gehouden. Dat siert ze. Het is wel jammer voor de literatuur. Het tijdboek voor de jaren negentig heeft geen grote invloed gehad op de vaderlandse letterkunde, maar het was wel de exponent van een langzaam verdwijnende en uitstervende levenshouding: de dingen doen zoals je zelf wilt doen, op de manier waarop jij ze doet, niet gehinderd (of geholpen) door wie of wat dan ook. Wellicht representeerde Millennium het laatste restje oprechte punk-mentaliteit in een gestroomlijnde commercie-cultuur. Dat zullen we missen.

© Rob van Erkelens / De Groene Amsterdammer

Hello Millennium... ontwerp van telefoonkaarten door De Designpolitie

Hello Millennium… ontwerp van telefoonkaarten door De Designpolitie

De beteugeling van de wreedheid

De beteugeling van de

wreedheid

essay over een wreed exces op het Franse boerenland in 1870,

aan de hand van Bloedbad in de Dordogne van Alain Corbin, Peasants into Frenchmen

van Eugen Weber en Culture populaire et culture des élites van Muchembled.

Inclusief  interview met Alain Corbin.


Alain Corbin

Alain Corbin

De Franse historicus Alain Corbin is van mening dat de geschiedschrijving geen wetenschap is, maar een kunst. “De geschiedwetenschap voldoet niet aan de eisen van een harde wetenschap”, zei hij onlangs tijdens een gesprek met Nederlandse geschiedenisstudenten in Parijs. “Het is een curiositeit, met haar eigen protocol en haar eigen reglementen, die enkel aan één nieuwsgierigheid beantwoordt: hoe leefden de mensen in het verleden?” Een opmerkelijk ontraditioneel standpunt voor iemand die zijn onderzoeksprestaties beloond zag met een hoogleraarschap aan Frankrijks meest traditionele bolwerk voor de wetenschap: de universiteit van de de Sorbonne. Naast Emmanuel le Roy Ladurie en Jacques le Goff is Alain Corbin op dit moment de meest bekende mentaliteitshistoricus in Frankrijk. Zijn specialisme is nu eens niet, zoals voor de meeste bollebozen in het vak, de middeleeuwen, maar de Franse negentiende eeuw. In Nederland kreeg Corbin bekendheid met zijn boek Pestdamp en bloesemgeur (Le Miasme et la Jonquille) uit 1982. Hierin onderzocht hij hoe de gevoeligheid voor geuren in de tweede helft van achttiende en in de negentiende eeuw steeds groter werd, en hoe chemici en medici een `ontgeuringsoffensief’ inzetten: de maatschappij moest gezuiverd worden van dampen en stank die men plotseling als schadelijk ging ervaren voor de gezondheid. Dit werk inspireerde de Zwitserse auteur Patrick Süskind tot het schrijven van de bestseller Das Parfum . In de zomer van 1988 werd Corbin hier in allerlei weekbladen aangehaald als “de strandprofessor”, omdat hij toen zijn boek publiceerde over het geleidelijke ontstaan in de negentiende eeuw van een liefde voor de zee en het strand: Het verlangen naar de kust (Le Territoire du Vide).
Enige tijd geleden was hij te gast in Amsterdam om er de vertaling van zijn jongste boek in ontvangst te nemen: Bloedbad in de Dordogne . Oorspronkelijk verscheen het in 1990 bij Aubier onder de titel Le Village des Cannibales . Het boek is opgezet als een microhistorie, waarin Corbin op zoek gaat naar de achtergronden van een wrede lynchpartij die zich in de snikhete zomer van 1870, aan het begin van de Frans-Pruisische oorlog, in het gehucht Hautefaye hebben afgespeeld. Een onschuldige edelman uit de omgeving werd urenlang door een uitzinnige menigte veeboeren gemarteld op het marktplein, om uiteindelijk, wellicht levend, te worden geroosterd op een strovuur onder een vracht hout. Niet alleen de titel, maar ook de inhoud van het boek duidt op een thriller-achtig verhaal. Corbin houdt de spanning er goed in, omdat hij bladzijde voor bladzijde de ingrediënten van de wrede moord aan het betoog toevoegt, waarbij hij de lezer pas aan het slot trakteer t op de de uiteindelijke “ontrafeling van het enigma”. Je zou Bloedbad in de Dordogne dus inderdaad een thriller kunnen noemen, een historische thriller. Corbin zal zich niet sappel maken om de categorisering van zijn werk. Uit zijn uitspraak hierboven mogen we afleiden dat hij zichzelf net zo lief als kunstenaar of schrijver ziet.
Corbin besteedt veel aandacht aan de omstandigheden waaronder de slachtpartij plaatsvindt. De boeren zijn getroffen door droogte die het veevoer onbetaalbaar maakt. De zon verhit geest en gemoed, en geruchten over het oprukkende Pruissische leger zaaien grote onrust. De honderden boeren die op 16 augustus op de veemarkt zijn samengestroomd lessen hun dorst met liters wijn. Geklonken wordt er op hun held: keizer Napoleon III, en op de oorlog tegen de Pruisen. Er is geen gendarmerie, geen burgerwacht om een oogje in het zeil te houden. “In dit vacuüm zuigt het marktplein zich vol met explosieve lucht”, schrijft Corbin plastisch. Het gerucht gaat dat een edelman ” Leve de Republiek!” heeft geroepen. In tegenstelling tot de keizer is de adel niet geliefd bij de ontredderde boeren, omdat die er om bekend staat de kant van de vijand te kiezen als die dreigt te winnen. De boeren hebben er ervaring mee. Een verloren oorlog betekent plunderende vreemde soldaten en aan flarden geschoten zoons, terwijl de “hoge heren” er wel bij varen. “Grijp de verrader! Vil de Pruis!” wordt er gegild. In de logica van de boeren is iedereen die Leve de Republiek! roept een verrader, en dus een Pruis. De edelman beseft dat hij in dit geval beter tijdig het hazepad kan kiezen. Hij ontsnapt, en de boeren grijpen daarom maar zijn neef, Alain de Monéys, uit het naburige Bretanges, een paardeliefhebber die zich graag op veemarkten onder het volk laat zien. Met een pook en een vleeshaak wordt zijn huid opengereten, drie uur lang wordt hij door driehonderd mannen en enkele vrouwen, die er keurig voor in de rij gaan staan, volgens middeleeuwse rituelen gefolterd, bewusteloos geslagen en weer bij bewustzijn gebracht. Uiteindelijk belandt hij op een berg stro, waar de vlam in wordt gezet. Het vet dat uit het lichaam spat wordt op boterhammen gesmeerd.
“Het buitensporige van de lynchpartij, merkt Corbin droogjes op, is vooral de opzettelijke blindheid van de moordenaars.” De boeren weigeren te luisteren naar de enkelen die roepen dat Alain de Monéys geen Pruis is maar een bekende uit de omgeving. Sterker nog, ook diegenen die donders goed weten wie het slachtoffer is, nemen deel aan het afrossen van Alain. De boeren hebben het zozeer nodig om zich te vergrijpen aan de vijand dat ze voor geen rede vatbaar zijn. Alle spanningen worden geprojekteerd op het onschuldige slachtoffer, en ontladen zich in een macaber vreugdevuur. Op dit punt aanbeland verwijst Corbin naar de zondebok-theorie van de Franse historicus-antropoloog René Girard, die vooral is uitgewerkt in Des choses cachées depuis la fondation du monde (1978). Alain de Monéys is volgens de definitie van Girard een puur voorbeeld van de zondebok: de hele gemeenschap concentreert zich op é én slachtoffer, en de agressie die zich tegen die ene persoon richt heeft de functie dat het de hele gemeenschap moet verzoenen. Zo’n slachtoffer-rite vindt volgens Girard meestal plaats in tijden van algemene wanorde in de gemeenschap. Corbin voegt daar aan toe dat de slachting ook als een festijn beschouwd kan worden, waarbij de eigen angsten worden uitgedreven. De boeren zijn ervan overtuigd, hoe irreel het ook is, dat ze de aanstichter van hun ellende hebben gevonden. Bovendien denken de boeren met hun daad de keizer en Frankrijk een dienst te hebben bewezen.
Frankrijk is echter een andere mening toegedaan. Na de brute moordpartij worden de boeren uit de Dordogne geconfronteerd met de afschuw van zowat heel de maatschappij. Spookbeelden doemen bij de burgerij weer op van boerenopstanden en kannibalen: het monsterlijke gepeupel. Een onderzoek wordt ingesteld, en “het gerechtelijk hout” (een eufemisme voor de guillotine) wordt naar het afgelegen dorpje gesleept. Op last van getuigenissen worden vier boeren ter dood veroordeeld, en een flink aantal anderen belanden in het gevang. Het is ondoenlijk om alle driehonderd boeren te straffen, maar het inmiddels Republikeinse regime onder Thiers wil een duidelijk voorbeeld stellen: dit soort archaïsche wreedheden worden in het moderne Frankrijk niet gedoogd. De executie vindt in februari 1871 plaats in aanwezigheid van een detachement van tweehonderd man infanterie. Met groot gevoel voor detail en ironie beschrijft Corbin hoe een van de veroordeelden, Léonard Piarrouty, oftewel “de verschrikkelijke voddeboer van Nontronnais”, voor de executie nog vlug een kop soep slurpt en een glas cognac drinkt, waarvan hij de kwaliteit bekritiseert. Ook scheldt hij ruw het hulpje van de beul uit, die volgens hem onnodig een scheur maakte in zijn mooie pak.
Het fascinerende aan Bloedbad in de Dordogne is dat het de vraag oproept in hoeverre een moderne maatschappij bepaalde dionysische driften die blijkbaar in de mens aanwezig zijn, kan controleren. Die vraag heeft Corbin zelf ook voortdurend in zijn achterhoofd gehouden bij het schrijven van dit boek. Zijn mening is dat de mens er maar ten dele in kan slagen de wrede kant in zichzelf te boven te komen. Dit zou ook de ambiguï teit kunnen verklaren van de houding die mensen aannemen ten opzichte van horror , van wreedheid. Aan de ene kant vinden ze het afschuwelijk, aan de andere kant worden ze er door aangetrokken. In de spiegel van datgene wat je verafschuwt, zegt Corbin, herken je tegelijkertijd iets van jezelf. In de Dordogne heeft het drama van Hautefaye een trauma achtergelaten. De moordpartij en de executie van de veroordeelden zijn deel gaan uitmaken van de geheimen van de plaatselijke bevolking. In Hautefaye doet men er liever het zwijgen toe. Corbin heeft dat zelf kunnen ervaren. In september 1990 reisde hij, vergezeld van een journalist, met het boek in zijn zak naar de Dordogne. Toen Corbin de burgemeester van Hautefaye (45 inwoners) vert elde dat hij een studie had gemaakt over de wreedheden die zich 120 jaar eerder op de veemarkt hadden afgespeeld, smeekte deze de professor: “ Oh, surtout, ne parlez pas de cette affaire. C’est trop tôt! ” De burgemeester, volgens Corbin een kolos van een vent, sprak met afgrijzen over de journalisten die naar zijn gemeente waren gekomen en Hautefaye “een dorp van bloeddorstige kannibalen” hadden genoemd. Corbin durfde daarna zijn boek niet meer aan de burgemeester te presenteren. Hij keerde stilletjes terug naar de Sorbonne, met Le Village des Cannibales nog steeds in zijn jaszak.
Voor dit essay is vooral het slot van het boek interessant, vanaf de paragraaf over “de ontrafeling van het raadsel” tot en met de conclusie. Hierin probeert Corbin de gebeurtenissen in Hautefaye in een breder historisch verband te plaatsen.
Corbin zoekt de betekenis van de moordpartij nadrukkelijk niet in de economische conjunctuur. Ook wil hij het niet zien als een “jacquerie” ;. “Dat is een oude mythe die negentiende-eeuwse notabelen gebruiken en waar ze tegelijkertijd zo bang voor zijn, dat ze alle specifieke aspecten ervan vergeten,”1 schrijft Corbin stellig. De stoet die de jonge edelman van Bretanges foltert heeft volgens de Franse historicus evenmin iets weg van een tragisch carnaval. Zij maakt volgens hem geen deel uit van de komische volkscultuur waar Mikhaïl Bakhtine over geschreven heeft.2 Als argument hiervoor voert Corbin aan dat er (op een enkele opmerking na) geen sprake van spot is in deze zaak. De wereld wordt niet op z’n kop gezet en men gaat niet op zijn handen lopen, zoals eerder die eeuw bij het in elkaar rammen van ongeliefde dorpsbewoners wel gebeurde. Niets wijst op een omverwerping van de sociale orde of op de enorme circulatie van personen en diensten, waar het carnaval door wordt bepaald. Op de veemarkt in Hautefaye verkleedt niemand zich, speelt niemand voor meneer. Ook spreekt men elkaar niet alleen maar voor de lol aan en zijn er geen voorstellingen. Corbin geeft enkel zuinigjes toe dat het slachtoffer niet meer dan een pop lijkt te zijn, waarvan de verbranding het eind van het feest betekent en op een bepaalde manier een afscheidsritueel is. Daar houden zijns inziens de overeenkomsten met de gebruiken van het carnaval op.
Voor de ontrafeling van het raadsel is de historische context noodzakelijk: op 16 augustus 1870 proberen de boeren van de veemarkt de angst (voor oorlog en plundering) die hen naar de keel grijpt uit te bannen. Zij proberen door de rituele slachting de op handen zijnde catastrofe te voorkomen. De bedoeling van de in een staat van diepe ontreddering verkerende boeren is om met behulp van de eenvoud van een aanwijsbare vijand een zekere zeggenschap over hun lot terug te winnen. De man die ervan beschuldigd wordt “Leve de Republiek” te hebben geroepen wordt de personifiëring van de vijand omdat republikeins voor de boeren gelijk staat met anti-keizerlijk dus anti-Frans, en dus Pruissisch. Op de veemarkt heeft de gemeenschap de absolute overtuiging dat zij de enig ware oorzaak voor haar ongeluk heeft gevonden.
Voor Corbin schuilt de kern van het belang van het drama in de Périgord in het gevoel van vreemdheid dat het wekt. De president van de rechtbank van Périgueux zei het op zijn manier: “deze vreselijke misdaad betekent een verloochening van de negentiende eeuw.”3 Hier vindt Corbin aansluiting bij een historische mentaliteits-ontwikkeling die hij in Le Miasme al bespeurde: de geleidelijke uitbanning van de wreedheid in de achttiende en negentiende eeuw. De abattoirs begon men indertijd bijvoorbeeld in de steden aan het zicht te onttrekken. Niet alleen vanwege de stank, maar ook omdat men te gevoelig werd voor het zien van bloed bij slachtingen in de straat.
Het drama in Hautefaye is voor Corbin’s theorie zeker exemplarisch, omdat het de uitzondering is die de regel bevestigt. Uit het geval Hautefaye blijkt hoe streng de negentiende eeuwse maatschappij haar dionysische impulsen in principe is gaan beheersen. Vandaar dat de president van de rechtbank die de vier ” ;kannibalen” uit het dorp ter dood veroordeelde zei dat de misdaad een verloochening van de negentiende eeuw betekende. “Het drama van Hautefaye fascineert omdat het duidelijk maakt dat er een afstand, een kloof, bestaat tussen enerzijds de heersende gevoeligheid en anderzijds het gedrag van de boeren, ongevoelig als deze zijn voor de veranderingen in dat wat toelaatbaar wordt geacht,” betoogt Corbin. Juist vanwege deze afstand, schrijft hij, is dit drama een historisch onderwerp van de eerste orde en juist omdat het zo laat plaatsvindt is het zo belangrijk. Als het drama zich had afgespeeld tussen 1300 en 1795 zou het van weinig betekenis zijn geweest, “of het moest zijn vanwege de voor die tijd geringe wreedheid”, merkt Corbin met evenveel snedigheid als overdrijving op. Hier volgt een interessant maar zeer algemeen historisch exposé over wat Corbin filosofisch “de overdracht van de driften naar de verbeelding” noemt. Vanaf de Renaissance, zo is zijn redenering, zouden geletterde geesten een afschuw voor geweld hebben ontwikkeld. Tegelijkertijd besefte men dat de afstand die de christen vroeger scheidde van de wilde kanibaal, toch kleiner was dan men dacht. Vanaf dat moment trad er die “verinnerlijking” en ” vervreemding” van het geweld plaats en kwam er een overdracht van dionysische driften naar de verbeelding op gang. In de periode van de Verlichting kwam er een “nieuwe gevoeligheid” op die oude slacht- en folterrituelen in diskrediet bracht. Beelden van wreedheid werden steeds meer een last voor de herinnering. Het lichaam werd steeds minder het object van martelingen en steeds meer van onderzoek, aldus Corbin. Omdat het gewone volk echter doorging met zijn wrede gebruiken kwamen ontwikkelde personen tot het bittere besef van het buitensporige in de mens, en dus in henzelf. De Revolutie bevond zich wat dat betreft op een kruispunt van de geschiedenis van de gevoeligheid. Volgens Corbin was de Revolutie eigenlijk “een gigantische slacht- en folterpartij” die plaats vond op een moment dat dit soort folteringen voor de geciviliseerde maatschappij ondraaglijk werden. Bekend zijn de woorden die Manuel in september 1792 uitsprak in de Abbaye: “Staand op een berg lijken, predikte ik het respect voor de wet.”
In de negentiende eeuw nam de burgerij collectief de afschuw van het bloed over. De wreedheid werd naar de verbeelding verbannen, wat duidelijk, volgens Corbin, blijkt uit de reacties op de wreedheid. Uit deze theorie klinken duidelijk de echo’s van Corbin’s leermeester Foucault door. De reacties, die vooral zijn ingegeven door angst, getuigen van overdrijving. De bewoners van Hautefaye worden in de verbeelding van de burgers tot “kannibalen”, “monsters”, gevaarlijke boeren opstandelingen. Het geval Hautefaye is volgens Corbin exemplarisch omdat het aan de uitbanningsmethoden van de negentiende eeuw is ontsnapt. De reactie op de lynchpartij getuigt van een ongekende afschuw. Hautefaye legde dionysische driften bloot, waarvan men in 1870 dacht dat ze voor altijd waren verdwenen. Ironisch is wat dit betreft het detail dat tijdens de executie van de aangewezen moordenaars van De Moné ys een boerenvrouw in zwijm valt bij het zoeven van het dodend guillotine-mes. De aanzicht van het bloed is haar teveel. De afkeer van geweld is (en dat zo kort na de gebeurtenissen op de markt) ook haar, als vrouw van de negentiende eeuw, naar de verbeelding gestegen. De vrouw is als het ware door flauw te vallen bij de gedachte aan bloed opgenomen in de elitecultuur.
Dit past tevens in de theorie van de Amerikaanse historicus Eugen Weber, die in 1976 zijn studie Peasants into Frenchmen publiceerde. Peasants into Frenchmen behandelde de mentaliteitsveranderingen op het Franse platteland aan het eind van de negentiende eeuw. Expliciet werd in dat boek aandacht besteed aan het verval van de “volkscultuur” onder invloed van civilisatie- en staatsvormingsprocessen. Het beeld dat Weber schetst is dat van een korte en heftige “modernisering” van het Franse platteland in het laatste kwart van de negentiende eeuw (en tot 1914), die een totale breuk zou betekenen met de nog “middeleeuwse” materiële en culturele omstandigheden waaronder de boeren leefden. Rond de tijd van de voor de burgerij ” archaïsche” gruwelen in Hautefaye raakten volgens Weber allerlei tradities en gebruiken in onbruik. Vanaf die tijd begonnen zij vervangen te worden door een nieuwe levensstijl, ontleend aan een moderne massacultuur van stedelijke origine. Veel historici die zich met de teloorgang van de volkscultuur bezig houden schrijven hun studies in een toon van, haast, melancholie. Zoveel puurs en volks dat verloren is gegaan! Een barbaars drama als dat van Hautefaye laat echter zien dat zo’n toon niet helemaal gerechtvaardigd is. Natuurlijk, er is een schat aan volksverhalen, liederen, dansen, spreekwoorden, feesten en volksvermaken verdwenen (of, nog erger, als gemummificeerde folklore in het museum bijgezet). Maar ontegenzeggelijk is de modernisering ook een proces van humane verfijning geweest, die met haar nadruk op de rechten van en het respect voor het individu onmenselijke wreedheden en achterlijke geborneerdheid tot enkele (uitzonderlijke) excessen heeft weten te beperken.

Feit blijft dat de boeren door het civilisatieproces in de elitecultuur zijn geïntegreerd. De kloof tussen de levensstijl van de stedelingen en de boeren was sinds de Renaissance steeds groter geworden, maar zou tenslotte langzaam weer worden gedicht. De verstedelijking van het collectieve bewustzijn van de Franse boerenbevolking kan volgens Weber het best worden begrepen wanneer het wordt opgevat als het resultaat van een ” kolonisatieproces”. De 19e eeuwse burgerij zou de plattelandsbevolking als een “barbaarse” massa hebben beschouwd; een massa, waarvan zij de taal niet sprak, die zij verachtte, en vergeleek met andere gekoloniseerde, “barbaarse” (kannibalistische?) volkeren in Noord Afrika en Latijns-Amerika. Een decennium voordat Jules Ferry het Franse leger de rimboe van Afrika in stuurt (met de missionarissen erachteraan) heeft de afrekening met de wreedheden in Hautefaye opvallend veel weg van een koloniale missie: de executie speelde zich af in aanwezigheid van een detachement van tweehonderd man infanterie. (De infanterie had dagen moeten reizen om in het dorpje van de kannibalen te geraken.) Als men bij dit aantal de twee escortes politie optelt die waren bijeengekomen, kan men begrijpen dat de boeren van Nontronnais een dergelijk machtsvertoon hebben kunnen interpreteren als een manifestatie van politieke onderdrukking, van “kolonisering”. Zeker als het waar is dat, zoals Corbin schrijft, ze sinds de vorige republiek het leger niet meer in het dorp hadden zien overnachten.
Opvallend is Corbin’s en Weber’s verschil in interpretatie waar het de politieke (Revolutionaire) betrokkenheid van de boeren betreft. De Franse plattelandsbevolking zou volgens Weber nauwelijks een aandeel in de Revolutie hebben gehad, evenmin als in 1848 en 1851. Er was volgens hem wel sprake van periodieke ontladingen, geweld, een “stoom-af-blazen” zoals tijdens het carnaval.4 Dit gaat lijnrecht in tegen Corbins interpretatie van een diep ingrijpend proces van politisering op het Franse platteland. Het drama van Hautefaye was volgens Corbin zeker ook “de anachronistische opleving van de revolutionaire verschrikkingen”. De boeren hadden verder overduidelijk partij gekozen voor hun keizer en tegen de oppositionele republikeinen, zelfs tegen de zogenaamd “collaborerende” aristocratie en de verraderlijke geestelijkheid. De politieke actie-ontvlambaarheid van de boeren is niet ” modern” volgens de begrippen van Weber, in die zin dat ze rationeel en ideologisch is. Ze is traditioneel.
Hoe gepolitiseerd het drama in Hautefaye was bleek behalve uit de opgefokte reactie op het gerucht dat er “leve de keizer” geroepen zou zijn, vooral ook uit de nasleep van de affaire. De republikeinen die in september aan de macht kwamen, hadden weet van de haat die de boeren van de Périgord voor hen voelen. Tegelijkertijd was er sprake van een enorme minachting van de republikeinen voor de bewoners van het platteland die voor de kandidaten van de keizer waren blijven kiezen. Corbin citeert een republikeinse onderprefect uit de Dordogne, Albert Theulier, die vier maanden na de slachting in Hautefaye schreef: “Wat de boeren aangaat, hun geest is afschuwelijk (..) en de regering moet resoluut steun zoeken bij de gewapende steden die, godzijdank, niet van plan zijn hun intellectuele en morele bestaan opnieuw uit te leveren aan deze abominabele plattelanders. Zolang ze nog niet onderwezen zijn (wat ook niet zo snel zal gebeuren), is hun slechts een ding te verwijten: de brute kracht. Zij hebben slechts voor één man respect, de politieagent, en ik hoop dat men niet de zeldzame fout begaat gratie te verlenen aan deze miserabele moordenaars van Hautefaye.” 5
De republikeinen waren er op gebrand politiek voordeel te slaan uit de foltering van De Monéys. De afschuw en verschrikking werden gemodelleerd ten dienste van het politieke spel. Het Empire werd verantwoordelijk gesteld voor de gruwelijke gebeurtenissen. De misdaad was geboren “uit de door het bewind overgedragen bruutheid.” 6 De boer blijft een bruut – het gedrag van de menigte in Hautefaye is daar het bewijs voor – met als gevolg dat hij niet op de republikeinen stemt.
En dan de datum van de executie van de beschuldigde boeren: 6 februari 1871. Dat is twee dagen voor de regionale verkiezingen. De prefect van de Dordogne telegrafeerde naar de mnister van justitie: “Het is noodzakelijk de executie van Hautefaye uit te stellen. Deze zal op dit moment het karakter van een politieke executie hebben.” 7

Interessant is het om Bloedbad in de Dordogne en Peasants into Frenchmen ook te vergelijken met Robert Muchembled’s Culture Populaire et culture des elites dans la France moderne . Ook hierin staat de ondergang van de traditionele volkscultuur centraal, maar er wordt van een totaal andere periodisering dan die in Peasants into Frenchmen uitgegaan. Muchembled’s stelling is dat de volkscultuur al in de 17e eeuw haar interne cohesie verloren heeft, als gevolg van een crisis van het magisch-religieuze wereldbeeld dat aan de “rites de passages” (de cyclus van volksfeesten) ten grondslag zou hebben gelegen. Ver voordat de traditionele agrarische wereld zelf in crisis verkeerde, zou dus al van een culturele autonomie van de plattelandssamenleving geen sprake meer zijn geweest.
Het beeld dat in deze studie wordt geschetst, is dat van een grondige civilisatie van het platteland onder leiding van de absolute staat en de kerk van de Contra-Reformatie. De zich centraliserende katholieke kerk zuiverde zich, volgens Muchembled, van binnenuit van allerlei vormen van bijgeloof en wreedheden. Vele voorheen getolereerde rituelen en praktijken werden nu als “ketters” of “heidens” beschouwd. Feesten en ” charivari’s”8 werden vanwege hun oncontroleerbaarheid aan banden gelegd. In zekere zin nam de religieuze repressie van de 17e eeuw de vorm aan van een zedelijkheidsoffensief, zoals Norbert Elias dat heeft beschreven in zijn Uber den Prozess der Zivilization.
Door de introductie van de biecht, de aanleg van katholiciteitsregisters en de systematisering van het catechesatie-onderwijs kreeg de kerk steeds meer controle over de boeren. Het “onderlijf” dat vroeger centraal stond in de volkscultuur werd taboe verklaard en het carnaveleske werd binnen de perken gehouden. De belangrijkste factor die schuil ging achter het beschavingsproces zoals dat door Muchembled wordt beschreven, was repressie. De achtergronden van deze vroegmoderne civilisatiemissie worden door Muchembled gesitueerd in verschillende factoren, zoals het urbanisatieproces, de groeiende invloed van een stedelijke bourgeoisie, de kerkhervormingen, de centralisering van de staatsmacht, en het ontstaan van een nieuwe agrarische elite.
In Muchembled’s visie is het die nieuwe agrarische elite die vanaf de 17e eeuw als een soort intermediair tussen de stedelijke elite en de traditionele volkscultuur heeft gefungeerd, die ervoor heeft gezorgd dat de volkscultuur uit het publieke leven werd gebannen. Dit is belangrijk om in gedachten te houden in het geval van Hautefaye. Alain de Monéys kwam ook uit het geslacht van elitaire boeren. Wellicht dat de volkse, atavistische woede die de boeren op De Monéys koelden hier mee te maken had. De ongelukkige De Moné ;ys zou een zondebok kunnen zijn geweest voor een machteloosheid en frustratie die verder ging dan de onbestemde angst voor een naderende oorlog. De Monéys zou de personificatie kunnen zijn geweest van “de hoge heer” die de boeren hun tradities had afgenomen.
De volkscultuur is volgens Muchembled al in de 18e eeuw folklore geworden. Hij erkent dat er sprake was van een opleving van allerlei oude culturele praktijken in het revolutionaire era van 1789 tot 1848, maar dit zou moeten worden opgevat als een aspect van het ontstaan van allerlei ” micro-culturen” in deze periode. De door de Romantici gelanceerde gedachte dat het hier een continuïteit van de volkscultuur vanaf de Middeleeuwen tot in de 19e eeuw betrof, berust naar hij meent op wishfulthinking. De plotselinge opleving van carnaval en volksfestijnen in de 19e eeuw beschouwt Muchembled niet zozeer als een “relict” van het verleden (zoals Corbin nadrukkelijk wel doet), maar als een typisch produkt van de eigen tijd; het ging om een herleving van een lokale identiteit in een periode van (tijdelijk) verval van de gecentraliseerde politieke (en religieuze) instituties. Juist daarom werd bijvoorbeeld de politisering van de meivieringen rond 1848, waarop Robert Bezucha heeft gewezen, door de autoriteiten zo fel bestreden; zij zagen de revolutionaire betekenis ervan in. 9 Corbin erkent ten volste de revolutionaire dimensie van de foltering van de hereboer De Monéys. Tegelijkertijd weigert hij de rituele verbranding een herleving van een wreed gebruik uit de volkscultuur te noemen. Misschien heeft Corbin gelijk in zoverre dat het ons niet verder helpt om de gebeurtenissen in augustus 1870 te begrijpen, wanneer we de verbranding kenmerken als een rite uit een primitieve volkscultuur. Corbin hecht vooral belang a an de reactie op het exces, en uit die reactie kan hij, als professor van de geschiedenis-der-zintuigen, veel meer uit afleiden. In Corbin’s boek komen we dan ook meer te weten over de menthaliteit van de (republikeinse) burgers rond 1870, dan over de menthaliteit van de boeren.
Opvallend is wel dat de roostering van De Monéys plaats heeft in een tijd (1870) waarin er zeker sprake was van een crisis van het centraal gezag. Toen de Republikeinen het van het verslapte Keizerrijk over hadden genomen, hernam het beschavingsoffensief in de Dordogne weer zijn gang. Wat de overheid in augustus had nagelaten (namelijk het formeren van een nationale garde), maakte zij met de executie alsnog goed. Symbolisch is wat dit betreft de resolute komst van de guillotine naar het verre platteland: de guillotine weerspiegelt de geest van beheersing en controle, de geest van de moderniteit. Het schrikwekkende mes uit de achttiende eeuw was in Hautefaye het eerste teken van de twintigste eeuw: het was de eerste stap op weg naar een definitieve infrastructurele ontsluiting van het platteland.

20 – 24 april 1993
Serge van Duijnhoven

interview met de Japanse cultregisseur Sono Sion

Jisatsu Circle –


SuicideClub


interview met de

Japanse cultregisseur

Sono Sion


door Serge van Duijnhoven


Op het Filmfestival van Rotterdam ging een controversiele Japanse film in wereldpremiere die kort daarvoor in Belgie alvast zijn schaduw vooruit wierp: Suicide Club. Twee Brusselse tienermeisjes wierpen zich gezamenlijk van de tiende verdieping nadat ze een electrisch draad om elkaars middel hadden gebonden en op de vloer de boodschap: ‘daddy we love you’ hadden geschreven. Twee dagen later volgde een tiener in Gent hun voorbeeld door zich van de toren van het Gravensteen te storten. Door heel Belgie ging een golf van schrik: was er wel of niet sprake van een nieuwe, fatale tienerhype?

Nippon Express.omslag

Suicide Club, in de oorspronkelijke titel Jisatsu Circle, is een even verontrustende als uitbundige film van de excentrieke dichter en filmmaker Sono Sion. Een mengeling tussen Seven, Clockwork Orange en een Splatter Movie. Regisseur Sion (1960) geniet in Japan een reputatie als een dadaist en, wat de fransen zo mooi noemen, agent provocateur. In 1994 bezette hij kruispunten in Tokio met 2000 geronselde jongeren en vrienden die poezie voordroegen en spandoeken omhooghielden waarop stond: Tokio GaGaGa. Een protest tegen de ordentelijkheid van de Japanse samenleving. Op grote schermen werden beelden vertoond van het witte strand bij Enoshima en een ruw ingrijpende politiemacht. Het ritueel herhaalde zich om de twee weken.

Ook op het Filmfestival van Rotterdam is Sion – herkenbaar aan zijn onafscheidelijke mafiahoedje – als duvel uit een doosje aanwezig. Zijn statements maakt hij schreeuwend door de lobby in de Doelen, vrouwen valt hij om de hals, of hij drukt zijn gezicht tegen hun borsten, en aan iedereen die hij tegenkomt vraagt hij hoevaak hij of zij in zijn leven de liefde bedreven heeft en op welke wijze. In vijf uur tijd vraagt hij vier dames ten huwelijk, waaronder ook mijn eigen vrouw. ‘Oooh baby’, hijgt hij in mijn GSM, ‘come tonight to see my movie. Me waiting for you. Let’s marry, let’s dance, let’s fuck!’

Bij de premiere in Luxor, op zondag 27 januari, kan Sono Sion nauwelijks nog op zijn benen staan. De regisseur heeft twintig flesjes Gulpener Korenwolf naar binnen geklokt, en een portie magische paddenstoelen achter de kiezen.’ Welcome in de Suicide Club’, spreekt hij tot het publiek, de microfoon bungelt losjes in zijn hand. ‘Denk niet teveel aan de toekomst, en stelt u zich bij het zien van mijn film de sensualiteit voor van zelfmoord. Just sit back and relax…’ De preserntator neemt de microfoon over van de regisseur, maar Sono graait hem die meteen weer uit handen. ‘Als u vragen hebt, kunt u ze na afloop aan mij stellen. Ik ben straks in de lobby… tenminste, dat denk ik.’ Het publiek vindt het prachtig. Het joelt en klapt en brult van het lachen als de regisseur via een zijdeurtje wordt afgevoerd naar de bar van het theater.

Zodra de film begint gaat het lachen over in een collectieve huivering als in beeld gebracht wordt hoe 54 Japanse kostschoolmeisjes zich voor de metro werpen in het Shinjuku station. Het bloed spat tot in de achterste hoeken van de zaal, wat opnieuw zorgt voor lachsalvo’s. Nerveuzer dit keer. Wat wil de regisseur precies? Op de stoelen wordt wat ongemakkelijk heen en weer geschoven. De emoties springen heen en weer. Sono Sion speelt met contrasten en extremen. De onschuld van een kind van zeven combineert hij met de retoriek van een terrorist en de lyriek van een dichter. De hyperbolische wreedheid van de film wordt verzacht door prachtige, melancholische muziek. De bloederigheid van de horror wordt gepaard aan de sensualiteit en onderhuidse erotiek waarmee de jongeren, vooral de kostschoolmeisjes, in beeld zijn gebracht. Ook met de stijl jongleert Sion. De leider van een punk-glamour achtige jeugdbende laat hij een lied zingen in de traditie van de rockmusical. ‘The dead shine all night long’, zingt Genesis de sadist in travestie en glitterpak, nadat hij een paar schoothondjes op een bowlingbaan heeft doodgetrapt met zijn hoge hakken. Genesis is een beetje als Alex uit Clockwork Orange. Ongetemd wreed, en hypersensueel. Zijn lange wimpers zijn om als verliefd op te worden. Hij moordt en martelt om in de geschiedenisboekjes terecht te komen als ‘de Charley Manson van het informatietijdperk’, en zingt dat hij ‘wil sterven als Jeanne d’Arc in een film van Luc Besson’. Maar de echte perfiditeit schuilt in de tieners en vooral de kinderen in de film. Die blijken een soort quasi-occulte terroristische organisatie op poten gezet te hebben die de jongeren in Japan oproept via Internet en de songteksten van een populair meidengroepje om de banden met hun omgeving te verbreken en de relatie met zichzelf ‘te herstellen’. Aan de golf van zelfmoorden, die alsmaar aanzwelt als een tsunami, lijkt geen einde te komen.

In de middag voor vertoning van de film, als Sono Sion zich nog niet in zijn Dionysische roes heeft teruggetrokken, interview ik de regisseur in de lounge van De Doelen. Dr. Luc Van Haute, coordinator Japanse Studies uit Gent, zorgt voor de vertaling. Tussen neus en lippen door vertelt Sion dat de film geschoten is in een recordtempo van twee weken, en gemonteerd in vier weken. Het resultaat oogt allerminst als haastwerk. Stijl en opbouw van de film zijn afgewogen en geraffineerd, en voor de opnames zijn de grootste middelen ingezet. Het is een teken van beschaving, bedenk ik bij aanvang van het gesprek, dat een land bereid is om zoveel geld te steken in een controversieel projekt van een excentrieke kunstenaar. Zou Marcel Duchamp indertijd een paar miljoen bij elkaar hebben weten te krijgen van de Zwitserse en Franse Haute Finance voor een horrorfilm? Ook voor zijn binnenkort te verschijnen magnum opus Bad Film over straatbendes en de mafia in Japan (waarvoor 2000 uren aan film werden opgenomen over enkele jaren tijd), is de distrubutie geregeld.

S: Is er een relatie tussen de Japanse traditie van harakiri en de kamikazepiloten en het grote aantal zelfmoorden in uw land? Is zelfmoord geaccepteerd als een soort sacrale rite binnen de Japanse cultuur?

Sono Sion

Sono: ‘Mijn film heeft niets te maken met die specifieke traditie. De zelfmoorden in mijn film zouden ook in het westen plaats kunnen vinden. Denk aan Curt Cobain, en de navolging die zijn suicide had op de jeugd in Amerika en elders. Wel is het een feit dat er de laatste tijd buitengewoon veel gevallen van suicide plaatsvinden in Japan, vooral onder jongeren. Vreemd, als je bedenkt hoe welvarend en vredig het land op zich is. In mijn film wilde ik onderzoeken waarom die gekte om zich heen kan grijpen. De trend weerspiegelt misschien de sociale omstandigheden: de lange periode van overvloed en welvaart in Japan hebben de maatschappij versuikerd. Zelfs de dood zien de jongeren niet als iets zwaars, maar als een vorm van entertainment. Daarnaast verliezen Japanners steeds meer hun identiteit, hun sociale verbondenheid en hun hechte gezinsstructuur. Liefde en vriendschap worden zo breekbaar als glas, de mensen verliezen hun levensvreugde en geluk. Volgens mij maakt het ze niet veel meer uit of ze leven of sterven. Toen ik de film maakte, wilde ik geen eensluidende conclusie of antwoord geven op de vraag waarom mensen zelfmoord plegen. Ik laat het open. De redenen verschillen van persoon tot persoon. De een pleegt zelfmoord om een verloren geliefde, de ander omdat hij gezakt is op school. Daarnaast zijn er velen die zelfmoord plegen zonder zelf precies te weten waarom. Ik heb uitgebreid onderzoek gedaan naar dit onderwerp voor ik met de film begon. En ik ontdekte dat er uiteindelijk maar heel weinig mensen waren die een heel duidelijke reden hadden. De meesten schijnen in een opwelling tot hun beslissing te zijn gekomen. Ze hadden bijvoorbeeld nog boodschappentassen bij zich toen hun lichaam gevonden werd. Dat duidt erop dat ze hun huis verlieten zonder het plan om zelfmoord te plegen. Ik heb zelf op dit moment ook spullen bij me en ben van plan om straks naar mijn hotel te gaan. Maar misschien dat ik op weg naar mijn hotel ook wel besluit dat de tijd gekomen is.’

S: ‘Ik kan me voorstellen dat uw film in Japan onrust zaait, juist omdat massahysterie en copycat-gedrag onder jongeren in uw land in het recente verleden al regelmatig tot fatale excessen hebben geleid. Denk aan de tamagotchi rage, die jonge kinderen tot wanhoop en zelfmoord heeft gedreven. Hoe waren de reacties tot zover?’

Sono: ‘Het onderwerp van tienersuicide wordt als gevaarlijk en delicaat beschouwd. De Japanse distributeurs hebben lang geaarzeld voor ze de film in roulatie durfden te brengen, maar twee dagen geleden is het dan toch gebeurd. Ik hoorde vanochtend dat er daadwerkelijk al een geval zou zijn van een jongere die zich in navolging van mijn film te pletter gooide. Toch denk niet dat er een psychose zal ontstaan zoals met de tamagotchi’s.’

S: ‘Al voor uw film hier in premiere ging, wierp de film in Belgie zijn schaduw vooruit, toen er twee tienermeisjes van de tiende verdieping naar beneden sprongen. De meisjes hadden zich met electriciteitsdraad aan elkaar vastgemaakt, en kalkten op de vloer: Daddy we love you…In de kranten werd alvast met angst en beven naar uw film verwezen, terwijl hij nog lang niet in de theaters te zien is.’

Sono: ‘Dat is interessant. Want ook in mijn film verbinden de tieners zich met elkaar door elkaars hand vast te houden alvorens te springen. Bovendien is mijn uitgangspunt dat de zelfmoorden een soort perfide terreur vormen van de jeugd jegens de ouderen. De vaderfiguur in mijn film wordt er door de kinderen van beschuldigd een mislukkeling te zijn, een egoist die slechts oog heeft voor zijn eigenbelang, tuig…’

S: Een vraag die uw film onherroepelijk oproept, gegeven de crimsonzwarte humor en groteske bloederigheid van sommige zelfmoordscenes, is of je uw film ook kunt zien als een soort anti-horrorfilm?

Suicide Club

Sono (maait zijn armen enthousiast de lucht in): ‘Ik ben gek op horror! I lo-o-ove big horror! Hoe bloederiger, hoe beter. In plaats van als een anti-horrorfilm, kun je mijn film juist zien als een hommage aan de B-horrorfilm. Ik houd niet zo van de gestroomlijnde griezelfilms van de jaren negentig. Maar alle junkhorror die voordien is gemaakt, verslind ik. Butcher shop horror, splatter movie, daar geniet ik het meeste van. Geef mij maar de troep, zoals Alligator, Zombie, dat soort films. In mijn film probeer ik juist met die trashy genres te experimenteren. Natuurlijk besteed ik in mijn film ook aandacht aan de psychologie van mijn karakters. Een reden waarom ik zoveel splatter in mijn film verwerkt heb, is vanwege het loodzware thema van zelfmoord. De splatter geeft het publiek de gelegenheid om af en toe toch nog flink te lachen.’

regie: Sono Sion
productie: Omega Project Inc., For Peace Co., Ltd.
sales: Daiei Co., Ltd.
scenario: Sono Sion
cast: Ishibashi Ryo, Nagase Masatoshi, Sato Tamao, Housyou Mai
camera: Satou Kazuto
editor: Oonaga Akihiro
muziek: Hasegawa Tomoki
lengte: 99′

S: In de film zit er ook een motief dat ietwat occult is. Na iedere geval van massa-zelfmoord, wordt er een sporttas afgeleverd met daarin een grote rol van plakjes getatoeerde mensenhuid die aan elkaar zijn genaaid. Aan het eind van de film zien we een cirkel van heel jonge kinderen rondom zo’n rol mediteren. Wilde u hiermee de film een mystiek tintje geven?

Sono: ‘Sorry, maar ik heb nog een bier nodig. Ik ben een biermaniak! Banzai!!!’ De regisseur rent weg naar de bar, keert terug met een paar flesjes Gulpener Korenwolf, drinkt een flesje leeg, denkt even na en zegt dan: ‘Ik wilde suicide niet portretteren als een middel tot ontsnappen, maar als een boodschap. Een daad van terreur jegens de directe omgeving. Het is ook een boodschap die we het publiek mee willen geven voor het tweede deel waar we binnenkort aan beginnen. De kinderen die de Jisatsu Circle rondmaken, en zo tot in de dood verbonden zijn met elkaar.’

S: Het mediteren rond die bloederige rol mensenvlees doet mij denken aan de perfide praktizering van een ontaard soort boedisme: hoe kom je als mens weer volledig tot jezelf.

Sono: ‘Desert, dat meidengroepje dat in de film voortdurend op tv te zien is, roept leeftijdgenoten op in quasi-onschuldige teksten om radicaal voor jezelf te kiezen. Leef zoals je wilt, sterf zoals je wilt. Do as thy whilt shall be the whole of the law. Er zit ook iets van Aleister Crowley in, de grote magier en Satanist. Het meditatieve aspect heb ik gepikt van Amerikaanse Westerns, waarin je het vaak ziet gebeuren dat de hoofdpersonages volledig tot zichzelf komen als ze naar de bloedrode zonsondergang kijken in de woestijn. … Die zuiverende leegte van de woestijn, heb ik gepersonifieerd in dat populaire tienergroepje, dat niet voor niets Desert heet. Wij die in de steden leven, hebben geen tijd om tot onszelf te komen. Om ons te zuiveren tot de essentie en tot rust te komen. We spelen rollen in ons leven, als vader, moeder, kind, minnaar, echtgenoot. We vervuilen onszelf met valsheid. Nooit zijn we echt wie we zijn.’

S: ‘Waarom zijn de pubers en kinderen in uw film zo ontzettend vroeg wijs?’

Sono: ‘Kinderen zijn veel gevoeliger voor de invloeden die op ze af komen in een moderne maatschappij die ontploft van de supersnelle impulsen. Volwassenen reageren trager, laten de impulsen half over zich heen komen. De kinderen in mijn film zijn engelen der wrake, super verstandig en volkomen onbarmharig. Ik houd niet van de echte Bin Laden. Maar ik ben verzot op de Bin Ladens van het witte scherm. Ik ben geinteresseerd in terreur en horror, in het kwaad. Ik wil terrorisen door mijn films.’

Jisatsu Circle – Suicide Club, Japan 2002. Colour, 35mm, 99 min., Omega Project Inc.

Overige films: Utushimi (Japan, 1999). The room (Japan, 1993).