VERZEN IN DE BRANDING

Korte video-opname van de performance op het strand van Kijkduin

camera:  Gabriel Kousbroek




voordracht gehouden op het strand van Kijkduin, zondag 9 augustus 2009
in opdracht van de “Strandbibliotheek”
– OB Den Haag en omstreken

tekst: Serge van Duijnhoven
concept: Arlet van Laar

“tu es la vague
moi l’île nue
l’amour physique
est sans issue”
– Serge Gainsbourg, Je t’aime moi non plus

“Het schip is vast niet sterker dan de wal.
Wat keert wie, wie redt wat
het vege huig, springt uit zijn vel.
Het tij keert de storm, de wal keert
het veer. Wat keert nog wel
wie keert niet weer?”

“Wat het oog ziet, de ziel eist.
Het volume van mijn hart.
De trots van mijn dromen.
Het gensters van mijn gister.
De vensters op mijn morgen.”

jij moet spreken

jij moet spreken liefste
onze lichamen loom, de hemel leeg
dat we voortdoen, dat het niet
om niets en evenmin te vaak
of enkel uit gewoonte

jij moet spreken liefste
en me tonen wat aan jij en jou alleen
bekend en zeggen moet je alles
wat door jou voor immer en voor ieder
is verzwegen en verloren dan voor mij

zodat ik kan beloven, liefste:
ik zal het je geven

“Zweer af de prietpraat.

Laat varen de wind. Hoor de wijs van het leven.
Laat zijn wat wil wezen. Verwelkom wat gaat.

Wees langzaam. Door vogels gezongen.

Bereik wat je bent. Het priemende licht.”

“Wee wie ooit zinderend van ziel versmolt.
Wee wie ooit zoals de wereldzee verdroogde.

Niets is wat het lijkt
en niets blijft gelijk.

De liefde niet die weerom
op de klippen.

Noch het water dat ons
nader tot de lippen.

De rivier niet die voorbijtrekt
noch het vleesnat in ons lijf.”

“En altijd is er weer de klok die terugtikt
tot het moment dat is vastgeprikt

op het pikzwarte bord van de tijd.

Een dartpijl in een nauwgezet
en kundig spel van vogelpik.”

“Wanneer, meneer? Is het Einde al
nakend? De einder nabij?
Onze naasten die helaas
niet meer. Hun stoel, hun plek
in bed is leeg. Zij zijn ons voor.
Hadden we ze tegen moeten houden?
Maar hoe? De fluisterende gevangenen
zonder hoofd. De ridders in
de spookburcht van ons brein.
We hebben ze laten gaan.”

“Wil niet van de liefde weten.
Mijn splendide moiselle
met de kokette lellen
van je moeder. Sinds jou
is mijn blik behekst.
Ik wil de sabath dansen met jou
tot ik al jouw tonen ken.
Ik wil je inwendig meten met
mijn lineaal. De knot in je haren.
De klit die niet ontplooid raakt.
De kiezel op de driesprong
waarover ik struikel. Loom
en mollig, melig na het vrijen.
De droom die ik beklom
blijft getijdenboek.
Stil als de dood van een
dode die niemand kent.
Amor, die snotaap in marmer
komt en valt in brokken.
Ik geloof het – zo lijken
geloven die nog bloeden.”

DIT WAS TOEN MORGEN

spreken in tongen. teken in poses.
proefwerk prélude. profaan in probatum.
doorsta de beproeving. ontwar de verhalen.
verwaand en onzeker. versteld van de waarheid.
vol van verwachting. in geuren en kleuren
en zoetige smaken. vrucht op sterk water.
roos in het laken. bloesem in bloei.
troost en calvarie. keet op koopavond.
alles voorlopig. planning in fasen.
kiespijn en groeipijn. liefde bij vlagen.
dit was toen morgen. vandaag is geweest.

de roes van het bijna. de beet van het beest.

VINGERAFDRUKKEN DER NATUUR

Voor een moordenaar is ieder lijk visitekaart.
Zoals ook onze lichamen de kaartjes zijn
van een schepper die ons één voor één
op tafel legt

als bij een spel patience.
Hij wint alleen maar
van zichzelf. En meent dat dit
genoeg bewijs moet zijn.

Geen twijfel speelt hem parten.
Geen schaamte en geen spijt
dat er door hem zoveel
verloren is gegaan. Hij weet:

als hij opnieuw de stapel schudt
is alles weer van voor af aan.

DER DUFT DER FRAUEN IN NYLON

“O zalige geur van vrouwen in nylon
O verrukkelijk leer met een slag om de arm
O dampende dij, malse heup, vaar langszij
O weegbree en wei en het ziltgroen van zomers

Ach vloed spoel het ruig met je buik in het schuim
Ach eb voel het zand met je rug en ontluik
Ach nimf en beschimp in je niks hier het puik
Ach schim ik die lik het verraderlijk zout van jouw lippen

Wee mij die verzaakt moedwillig zijn plicht en verziekt
Wee mij die zijn plecht wendt halsstarrig naar jouw klippen
Wee mij die meer wilt schenken dan er zit in de kruik”

IN HET PRAKTISCH LIEFDESLAB

verbaasd door het verkleinwoord
(‘denk je wel aan ’t condoompje?’)
bekeek ik haar, mlle. mosquito
een muggenbeet op haar vanille vel
voor ik me met haar overgaf
aan de wisselingen van gedaante
de zinderingen van gemoed
de sidderingen van het bloed
en later luisterend naar het
sissen van twee lijven in koel
en schuimloos water; damp
werd dauw, hitte ijs en
vlees stolde tot steen

beroerd, verroerd, verward
knipten we het schrikdraad
rond ons hart en beleefden
de dagen daarna als een praktikum
om te zien wat overbleef; het minimum
of wat dies meer zij
daarvan
waarvan

DE VOORSPOED IS EEN JUNK

het is de toon die de muziek
sneert zij en daarbij
of ik haar even in wil smeren
zij drukt puistjes uit op mijn rug
zij gilt als ik in haar vingertop bijt
zij doet voor hoe ik wel mijn tanden
in haar zetten mag, zij die mijn rug en
bovenarmen openrijt en gromt als ze klaarkomt
zij die het liefste op mij rijdt, bovenop mij
zij zegt `dan heb ik overzicht’
zij veldheer die neerkijkt op het slagveld
zij leest een boek dat heet `de voorspoed
is een junk’ – (nee, zegt zij, je kijkt
scheel als een rund. De voorspoed
is een juk. Iets waar je je aan vertilt
zij kan het weten)

VERBETEN DE CREDO’S

Verbeten de credo’s, verwaterde passies.
Verworpen de dogma’s, verzwegen de schuld.
Vermoord is de onschuld, beschaamd het vertrouwen.

Verspild is het water, profaan de confessie.
Verzaakt de communie, ons eigenste bloed.
Verhaspeld de kavels, verschrompeld het land.

Verdorven het aanschijn, ons eigenste volk.
Verkorven de welvaart, voorzie in de droogte.
Drink van mijn woorden, graaf naar de bron.

Het ooft aan de bomen, het zout van de aarde.
Het paard voor de wagen, de schamele oogst.
Schraal is de troost, bitter het aanzicht.

Niets is zo zielig, en niets is bestand.
Vergeefs is de franje, en ijdel het leven.
Vermom je verlangens, kies wie je gade.

Weer af het onheil, spot met de waan.
De mens is een dier, het monster de mensen.
De hemel is eindig, de aarde is rond.

Bid de verwoester, smeek tot de Almacht.
Kus me mijn min, vergeef me de onmin.
Verzegel je lippen, verbrand al mijn brieven.

Vergeet wie ik liefhad, vertel wie ik was.
Dans op het altaar, kniel voor het toeval.
Niets is te dol, en niets is voorhanden.

Genade is nakend, en nu nog het naakt.

“We wilden zoveel leven, dat we leven te kort kwamen”
– Hans Andreus, Sonetten van de kleine waanzin

Men vreet zijn hart op van spijt
Bijt zijn tanden stuk van nijd
Men heeft iets op de lever
En men voelt het aan zijn water
Of iets zwaar ligt op de maag
Men kookt gaar in zijn sop
Knoopt touw van zijn haar, vreet van zijn geweten
Bakt krullen van zijn bakkebaarden
Masseert zijn ziel; spuugt zijn gal
Pepert zijn bezwaren, komt zelden
Tot bedaren. Men rukt zijn hart uit
Bloedt uit zijn darmen, spant zijn
Zielesnaren, rukt zijn hoofd kaal
Krijgt in een nacht grijze haren
Men raakt van slag of maakt zich sappel
Men luistert en men zaagt
Men bijt op zijn tong , zit op zijn blaren
Kust iemands kloten, keert zijn kont
Die men al dan niet gewild
Tegen de kribbe stoot. Men schijt bagger
Laat winden van lood. Is bang
Als de dood. Lam als fris leven
Loops als de teven. Loom als de tijd
Men is rozig als zijde, slaapt als een roos
Men verbijt en verteert, en weet niet wat
Er loos. Men speelt op de man.
Is blut en geblust. Zit in zak en in as.
Draagt zijn gebroken ziel
In een mitella onder zijn arm
Heden, verleden: men heeft er een hard hoofd
In. En dat hoofd er weer niet bij.
Men houdt zich doof. Speelt voor domoor.
Drukt zijn snor. En houdt het vaag.
Men steekt zijn kop diep in het zand.
Of terug in de schede.
De vaders zaaien de vruchten
Die de jeugd plukt en vreet. Men pookt
In het vuur. Zaait onrust en keet.
Trapt op de tenen. Verhit het gemoed.
De vlaggen in top. Laat niet zakken de moed
De kin recht. Het hoofd opgeheven.
Van boven zo koel. Beneden zo heet.
In onze opgejutte schedels klotst
De leegte van het leven. De mens
Is alles: heetgebakerd, impulsief, hardleers
En meer of minder is hij soms ook een koning
Meestal een dwaas. Maar het best speelt hij
Gespeend als hij nu eenmaal is
Van alle rede, toch het varken
Dat van voren niet weet hoe het
Van achter ook alweer heet:
Reet.

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s