“Wij willen de jonge dichters!”

Ophefmakend essay, verschenen als onderdeel van een poezie-special

in weekblad De Groene Amsterdammer – 24.05.1996

Tevens grondslag voor de vorming van De Sprooksprekers – i.s.m. Def P van de Osdorp Posse.

http://www.groene.nl/1996/21/rve_dich.html

Het zal niet lang meer duren voor de poëzie definitief onzichtbaar zal zijn geworden. De oudere dichters sterven uit, de jongere dichters hangen hun lier in de wilgen, en de allerjongste dichters worden niet opgemerkt. Behalve in deze Groene. Een rondgang langs en een debat met Jonge Dichters. Maar eerst: twee jonge kathederbestormers uiten hun misnoegen HET IS ZATERDAGAVOND, 23 maart 1996. De zaal is tot de nok gevuld. Alles verloopt ordelijk en volgens plan. Sprekers volgen elkaar op met metronomische regelmaat. Na afloop van elke redevoering slaat de applausmachine aan. Ondertussen, niet ver daarvandaan, in de gangen van hetzelfde gebouw, smoezen twee jongens met elkaar in het halfdonker. ‘Oké, maar niet te lang.’

DOOR Serge van Duijnhoven; Olaf Zwetsloot
sprookkop
Ze nemen beiden een ferme slok whisky, en begeven zich in de richting van de zaal waar op dat moment spreker A. v.d. B. zijn voordracht beëindigt en applaus in ontvangst neemt. Dan zien de jongens hun kans schoon en springen op het podium. Als een pijl schiet de eerste naar de microfoon. ‘Dames en heren, waar zijn vanavond de jonge dichters?’ roept hij. De zaal schrikt op, vermoeide ogen springen open, men bladert verward door de programmaboekjes. ‘Wij zijn tegen de gerontocratie’, vult de ander aan, ‘zowel in Peking als in Vredenburg!’
De eerste begint een gedicht voor te lezen dat ‘Psychopathia sexualis’ heet. ‘Hij legt zijn stethos op haar schouderbladen/ en stelt zich voor hoe hij haar/ billen opent met zijn nagels/ haar rug vilt en de wervels streelt.’ Er wordt steeds driftiger in programmaboekjes gebladerd. Toch blijft het verder nog stil. De presentator roept in de coulissen: ‘Wat is dit? Wie zijn dit?’ Hij overweegt het geluid uit te schakelen. Een collega van hem komt op dat moment al naar voren, vergezeld van een veiligheidsbeambte. De jonge dichters zien hem komen, maar de tweede besluit alsnog zijn futuristische gedicht ‘Nocturne 2000’ ten gehore te brengen.
Bij de katheder ontstaat een schermutseling. De veiligheidsbeambte en de presentator beginnen samen aan het voorlezende jonge heerschap te trekken. De eerste dichter werpt zich voor zijn kameraad in de strijd. ‘Kom op, laat hem zijn gedicht voorlezen!’ Het publiek joelt. Er wordt gefloten. Een meisje schreeuwt: ‘Wij willen de jonge dichters!’ De presentator sist de dissidenten verbeten toe: ‘Als ’t maar kort is!’
Als de tweede dichter spreekt over ‘een rhinoceros die aanhoudend wrikt tussen de kieren van een meisjesziel’, klinkt er gejuich en boegeroep. De dichter zet door. ‘Een glimlach valt in schilfers uiteen/ boven het stugge zwarte schaamhaar/ waarin een guerrillaorganisatie actief is.’ Het boegeloei zwelt aan en wint het van het gejuich. De dichter ziet zich genoodzaakt zijn stem te verheffen. Tenslotte is het rumoer zo sterk geworden dat de spreker zijn laatste regels inslikt en met een laatste uithaal naar het publiek (‘AJAX!’) zijn interruptie besluit. De veiligheidsbeambte sommeert de twee dichters met hem mee te komen. De twee kijken nog een keer om naar het publiek, en gaan dan af. De presentator kondigt aan: ‘Zo, en dan nu weer een echte dichter.’ De orde is hersteld.
ER WORDT GEZEGD dat het goed gaat met de poëzie in Nederland. Beter zelfs dan ooit tevoren. Kijk maar. Poëziemanifestaties worden druk bezocht. Komrij’s bloemlezingen verkopen druk na druk. Dode dichters worden plechtig herdacht en levenden worden geëerd of winnen prestigieuze prijzen. Kijk maar. Poëzie heeft, sinds de boekenweek van twee jaar geleden, haar glans volledig herwonnen. Maar gaat het werkelijk zo goed?
Over de positie die de poëzie in het boekenvak feitelijk inneemt behoeft niemand zich illusies te maken – die is en blijft volstrekt marginaal. Jaarlijks worden er in Nederland iets meer dan vijfennegentigduizend bundels van individuele dichters verkocht – op een totaal aantal boeken van ongeveer achtentwintig miljoen. In de boekenbusiness bedraagt poëzie dus niet meer dan zo’n halve procent van de totale omzet. De waarheid is cru maar onontkoombaar: de overgrote meerderheid van dit land zal nooit in haar leven een poeziëbundel aanschaffen, en heeft dat evenmin ooit gedaan. De kring van poëzieconsumenten (of moet men zeggen: liefhebbers) is klein en bestaat geheel en al uit dichters, professionele lezers, een klein clubje van bibliofielen en bibliothecaire klerken. Die laatste categorie vormde tot voor kort de grootste en zekerste bron van afname voor de twee- à driehonderd titels die er jaarlijks (gemiddelde 1985-1995) bij het Centraal Boekhuis in Culemborg binnenkomen. Maar ook die tijd is voorbij. Sinds bibliotheken met de invoering van de Welzijnswet van 1987 niet meer als ‘basisvoorziening’ erkend zijn en ze voor hun financiën volledig afhankelijk zijn van de goodwill van gemeente en provincie, wordt er drastisch op de inkoop van nieuwe bundels bezuinigd.
Dit leidde vorig jaar nog tot boze brieven van diverse uitgevers, die zich kwaad maakten over het feit dat er van het nieuwe werk van een voortreffelijk dichter uit hun fonds door de centrale bibliotheekinkoop slechts twee exemplaren waren besteld. Meer dan twee exemplaren waren niet nodig want met de algemeen ingevoerde automatisering zijn de gewenste bundels via de centrale computer in alle uithoeken des lands toch binnen enkele dagen opvraagbaar.
De inkopers van de bibliotheken zagen ook anderszins geen reden zich bezwaard te voelen door de geuite verontwaardiging van de uitgevers. ‘Ze willen kennelijk vooral het slecht lopende werk aan ons slijten’, was de laconieke reactie van een bibliothecaris in het zuiden des lands. Waarom zou men bundels aanschaffen als het publiek die toch niet leende? Gemiddeld passeert slechts één poëziebundel de uitleenbalie voor iedere tweehonderd boeken die worden uitgekozen. In de overgrote meerderheid van de gevallen betreft dat ene boek geen dichter waar de uitgevers een lans voor braken maar publieksbehagers als Toon Hermans, Gerrit Komrij (de bloemlezingen van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw) en de twee Van Veens: Herman de zanger en Jan van het populaire radioprogramma Candlelight.
Dat de poëziebloemlezingen van Komrij zo goed verkopen (van alle edities samen zijn er inmiddels zo’n honderdvijftigduizend exemplaren verkocht) betekent nog niet automatisch dat het goed gaat met de belangstelling voor poëzie in Nederland. Want tegelijkertijd gaat het steeds slechter met de verkoop van afzonderlijke bundels. Dichtbundels belanden steeds sneller in de ramsj, of worden soms zelfs na twee jaar ‘dood’ in de schappen te hebben gestaan bij het oud papier gemieterd. Aanzienlijke restvoorraden worden jaarlijks verpatst op uit- en vrijmarkten of in stilte vernietigd om nog verdere inflatie te voorkomen. Uitgevers laten hun oplagen zakken van 1500 exemplaren tien jaar geleden naar 600 heden ten dage, terwijl de gemiddelde prijs is gestegen van twintig naar dertig gulden. Ook het aantal bundels dat jaarlijks uitkomt is de afgelopen jaren sterk gedaald, van 356 in 1988 naar 238 in 1993 (waarvan negenenveertig herdrukken).
Met de algemeen verwachte verschraling van het aanbod in de boekhandels – als uitgevers volgens de wil van de heer Dreesman inderdaad moeten gaan betalen voor plek in de winkels – is de Nederlandse poëzie het eerste genre dat daarbij het loodje zal leggen. De Nederlandse situatie zou dan wel eens kunnen worden als die in Duitsland en Frankrijk, waar het publiceren van poëzie al jarenlang verdrongen is naar een secundair circuit, naar kleine uitgeverijen die vaak moeite hebben met de distributie en die geen geld hebben voor publiciteit. De gevolgen voor Frankrijk en Duitsland zijn aantoonbaar catastrofaal gebleken; de kwaliteit en het bereik van de in boekvorm gepubliceerde poëzie steken schril af tegen die van het proza, iets wat zo’n dertig jaar geleden beslist nog niet het geval was.
DE VRAAG IS NATUURLIJK in hoeverre de Nederlandse poëzie, ondanks het feit dat zij voorlopig nog onder de hoede valt van de gerenommeerde uitgevershuizen, feitelijk al naar zo’n tweede plan is gedegradeerd. De kwaliteitsbladen hebben doorgaans nog wel een kolommetje waar nieuwe bundels zo nu en dan besproken worden, maar maatschappelijk en artistiek neemt poëzie in de samenleving een even marginale plaats in als je op grond van haar geringe verkoopcijfers mag verwachten. Gerrit Kouwenaar verzuchtte twee jaar geleden in een interview met Elseviers Weekblad (over ‘de economie van de poëzie’) dat poëzie in de jaren vijftig, zestig nog belangrijk was voor veel jongeren. ‘Nu telt ze niet meer mee’, aldus Kouwenaar, ‘ook niet in de pers.’ Prozaboeken willen in Nederland nogal eens maatschappelijke discussies uitlokken (zie Kellendonks Mystiek lichaam). Poëziebundels daarentegen lijken enkel nog te worden losgelaten in een steriel luchtledige, ver buiten de dampkring die het vrijblijvende scheidt van het relevante.
Er lijken maar weinig mensen als Gerrit Kouwenaar te zijn die zich hieraan storen. Vorig jaar juni schreef de poëzierecensent Guus Middag in NRC Handelsblad nog: ‘De afwezigheid van polemiek lijkt mij historisch heel goed te verklaren en in een behoefte te voorzien, een postmodernistische behoefte aan vrijheid dan wel een posttraditionele behoefte aan terreinverkenning.’ Historisch verklaarbaar of niet, na het rumoer van de Maximalen en de Nieuwe Wilden eind jaren tachtig is het poëziewereldje in Nederland verworden tot een kikkervijver aan het einde van de zomer. Wie dichterbij komt, hoort wel kikkers kwaken, maar ruikt vooral de stank van drabbig, stilstaand water.
Het grootste probleem van de Nederlandse poëzie is niet haar almaar miserabeler positie op de literaire markt. Hieraan is men immers al tijden gewend. Dichters ontlenen aan de marginaliteit van hun werk doorgaans hun trots; het sterkt hen in de overtuiging dat zij een kunstvorm bedrijven die voorbehouden is aan ‘enkle fijne luyden’. Nee, het grootste probleem voor de poëzie blijven de dichters zelf: hun ontbrekende wil om werkelijk tegen de misère te vechten en hun zelfgenoegzame neiging om zich steeds verder terug te trekken in een kleine, elitaire kring. Terwijl andere kunstvormen, en zeker ook het literair proza, de afgelopen jaren in tal van opzichten een ontwikkeling hebben doorgemaakt van profanisering (de scheiding tussen intellectuele kunst en volkskunst die aanmerkelijk is verkleind of opgeheven), is de poëzie in Nederland steeds hoger gekropen in haar sjieke ivoren toren.
Aldus heeft de poëzie het voor zichzelf uiterst moeilijk gemaakt om nog aansluiting te vinden bij een jonger publiek dat poëzie toch al zag als een Gestalttherapie voor stoffige intellectuelen. Niet voor niets was er vorig jaar op het grootste en door jongeren drukbezochte literaire festival van Nederland, het Crossing Border Festival in Den Haag, niet één representant te vinden uit het gevestigde Hollandse dichterscircuit. De dichters waren er niet rouwig om. Zij hebben hun eigen festivals; De Nacht van de Poëzie en Poetry International, waar in betonnen Stalin-taarten als Vredenburg en De Doelen de bedwelmende pestdampen van het gewijde je tegemoet slaan.
In Utrecht waande men zich afgelopen maart tijdens de Nacht van de Poëzie op een partijcongres van de Russische of Chinese communistische partij. De gemiddelde leeftijd van het Poëtisch Presidium in Utrecht bedroeg, zo heeft een journalist berekend, zestig jaar. Jeugdige dichters, gaf ook presentator Piet Piryns na afloop in Het Parool toe, vielen automatisch buiten de boot. Dat is kwalijk, want in plaats van enige verantwoordelijkheid voor de vitaliteit van de cultuur te nemen, heeft de directie van de Nacht zich ontpopt als een wachter van stagnatie, die vanaf haar balkon het défilé der poëten afneemt: machtsvertoon in sovjetstijl, waarbij Gerrit Komrij, Anna Enquist, Hanny Michaelis, Michel Van der Plas, Georgine Sanders en Leo Vroman als kernkoppen over het Rode Plein rollen.
HET IS ZORGWEKKEND en ridicuul dat een gebeurtenis als de Nacht van de Poëzie, met het budget en de bekendheid die het heeft, niet ook maar de geringste millimeter heeft willen inruimen voor jonge dichters. Alles wijst erop dat de directie van de Nacht gewoonweg te belazerd is om eens op te veren uit het pluche en zich te oriënteren, eens te kijken wat er rondloopt aan talent. Haar impliciete boodschap is dat mensen onder de dertig er niet toe doen en derhalve gescheiden dienen te blijven van de ouderen, die in hun pantheon met elkaar de verrukkingen van de ‘ware’ poëzie beleven. Daarvoor bestaat in het Nederlands een mooi woord: segregatie. Kameraad Anneke van Dijk, programmeur en organisator van de Nacht, in het Utrechts Nieuwsblad van 25 maart: ‘Niet genoeg jonge dichters? Kom nou. En niet genoeg homoseksuelen en niet genoeg gekleurde vrouwen zeker.’ Het is een verongelijkt en retorisch antwoord, zonder enige argumentatieve waarde. Maar van een Opperste Sovjet kan men nu eenmaal geen argumenten verwachten. Wat het belang is van een goede jeugdopleiding heeft men in het voetbal, maar ook in de klassieke muziekwereld, inmiddels begrepen. In de letteren is er nog altijd sprake van een doctrine van achterlijkheid en goedgelovigheid dat ‘alles vanzelf wel goed komt’.
Zijn er überhaupt nog jonge dichters in het Nederlandse taalgebied? zou men zich na de Nacht terecht kunnen afvragen. Die vraag is crucialer dan ze misschien op het eerste gezicht lijkt. Ze zijn er wel, maar het zijn er bitter weinig, en steeds minder. De Nederlandse poëzie is in hoog tempo aan het verknekelen. Jonge schrijvers wagen zich nauwelijks meer aan het dichten, of stoppen er voortijdig mee. Jong bloed dient zich (bijna) niet aan. Uitgevers eisen romans van hun jeugdige auteurs, geen versregels. Poëzie is daarmee definitief een ouwe-lullenbezigheid geworden.
Hoeveel kapitale talenten zijn er de afgelopen jaren niet geweest die na twee, drie of nog meer bundels de lier aan de wilgen hingen? Boudewijn Büch, Joost Zwagerman, Tom Lanoye, Rogi Wieg, en binnenkort ook Peter Verhelst. Hun redenen? Teleurstelling over de respons (Wieg), frustratie over het kleine, elitaire wereldje waartoe de poëzie beperkt bleef (Büch en Verhelst), en de koele berekening van het geld en het gebrek daaraan in de poëzie (Zwagerman en Lanoye). De gemiddelde leeftijd op evenementen als de Nacht van de Poëzie zal de komende jaren alleen maar toenemen, zo valt te vrezen. De doorstroming binnen de Nederlandse poëzie, toch cruciaal voor haar diversiteit, haar continuïteit en haar toekomst, is in het geding.
Toch is het niet alleen maar kommer en kwel in de Nederlandse poëzie. Het ligt er maar aan hoe en waar men wenst te kijken. Los van het ‘eliteraire’ circuit is er de laatste jaren een hele stroming op gang gekomen van jongens die de poëzie opnieuw naar de straat hebben gebracht, die in rauw en authentiek Nederlands, met behoud van regionaal accent of dialect, in snel tempo zelfgeschreven versvormen over hiphop-beats heen rappen. Def P en de Osdorp Posse, de Ouderkerk Kaffers, Westclan, Klaas Vaak, Extince, Zuid Oost, Vuurwerk, zij zijn ‘de goeien in het vloeien’, zij zijn de minstrelen van vandaag. Hun teksten hebben geen eeuwigheidswaarde, maar dichtkunst is het zeker. De cd’s van de Osdorp Posse en de Ouderkerk Kaffers verkopen beter dan alle Nederlandse dichtbundels samen. Toch heeft de Nacht van de Poëzie geen van deze rappers uitgenodigd. Met haar rituele ceremonie in Vredenburg bevestigde de directie van het poëziefestival nogmaals hoezeer de high brow- en low brow-circuits in Nederland gescheiden blijven. Een gemiste kans om de Nederlandse poëzie uit de verdrukking te halen en een groter publiek te bereiken!
Zolang men onder ‘hoog’ waardevol verstaat, en onder ‘laag’ waardeloos, zal men die kans blijven missen. Het wordt tijd de elitaire barrières te slechten en rapgroepen bij poëziefestivals te betrekken. Rappers horen er beslist thuis; ze zijn meesters in het ter plekke verzinnen van zinderende rijmvormen, waarmee ze elkaar in spitsvondigheid proberen te overtreffen, een soort sparring, waarin ze veel virtuozer zijn dan schrijvende dichters. Bovendien zijn zowel hun onderwerpkeuze als vocabulaire een verfrissend infuus voor de Nederlandse taal. Rappers dichten niet over stilte, het zwart, of over een indrukwekkend stilleven in een museum. Ze dichten in een modern straatstaccato op rauwe, directe manier over prostitutie, criminaliteit, over betonnen buitenwijken, over snollen, sletten, kutten en werkloosheid, over racisme, hypocrisie en al het andere waaruit hun leefwereld bestaat. Ze nemen je mee ‘door hun doolhof van woorden’ (Mach) naar een nog altijd braakliggend terrein in de Nederlandse letteren, waar het keurige dichtersvolk zich nauwelijks durft te vertonen.
De elitaire aderverkalking van de Nederlandse poëzie blijkt nog eens uit de oproep die NRC Handelsblad aan haar lezers deed om een essay te schrijven over de rol die poëzie heden ten dage vervult. ‘Citeert u wel eens een gedicht?’ luidde de kop boven de oproep. De kop spat uit elkaar van blaséheid. Een gedicht slaat men open, leest men in een bundel, citeert men. Maar een gedicht zingen of rappen? Bah. Bij dezelfde oproep drukte de redactie eveneens twee gedichten af ‘om onze gedachten te helpen bepalen’. Het ging om stervenspoëzie van een dode dichter, Faverey, en van een dichter die al honderd jaar dood had kunnen zijn, Rawie. Een Grote Dode en een Bijna-Dode, want guttegut, de Nederlandse poëzie leeft als nooit tevoren!
Waar Nederland in sociaal opzicht een grote egaliteit kent, waar althans de grenzen tussen rangen en standen niet zo duidelijk zijn afgebakend als in Engeland of Frankrijk, is er in de poëzie sprake van een ware klassenmaatschappij: een scheiding tussen ‘elite’ en ‘volk’, tussen de officiële literatuur en de orale traditie. Donald Gardner, een bekend uitvoerend dichter die al sinds begin jaren zeventig optreedt met dichtperformances waarin de voordracht centraal staat, zegt hierover: ‘Soms denk ik dat Nederland het laatste land is waar een dichter zou moeten wonen. Als je hier iemand vertelt dat je een uitvoerend dichter bent, tref je vaak een wantrouwige reactie, alsof je met je optreden het publiek tracht te manipuleren. Poëzie blijft in Nederland bovenal een zaak van snobisme en dode letters. De literaire kritiek beschouwt de uitvoerende dichtkunst als een non-genre, omdat men er geen toetssteen voor heeft. Deze vooringenomenheid herinnert je aan de calvinistische wortels van de Hollandse cultuur. Aan poëzie, zo is de gangbare opvatting, mag eigenlijk geen plezier worden beleefd. Veel van de grootste dichters van deze eeuw waren echter eveneens voordrachtskunstenaars. Majakovski, Dylan Thomas, Ezra Pound, Garcia Lorca – allen brachten zij met hun voordrachten de poëzie dichter bij het volk. Dat de poëzie hier zo’n klein bereik heeft, ligt voor een groot gedeelte aan de dichters zelf, die hun werk vaak presenteren op een manier die getuigt van minachting voor het gewone publiek.’
IN NEDERLAND HEEFT men geen rijke chansontraditie, zoals in Frankrijk, waar tekstdichters en zangers de poëzie beschikbaar hebben gemaakt voor het hele volk. Ook missen we talenten zoals Wannes van de Velde of Willem Vermandere, die er bij onze zuiderburen voor zorgen dat de Vlaamse liedkunst niet vergeten raakt. In Nederland zijn de invloedrijke dichter-zangers als Jaap Fischer en Boudewijn de Groot helaas veel te schaars gebleven en zijn er maar weinig musici die zich durven wagen aan het op muziek zetten van de grote dichters. Kwalijker nog is het dat de meeste Nederlandse dichters zich gewoon te goed vinden om teksten te schrijven voor hun musicerende collega’s. Hooghartigheid is troef bij de dichterskaste, die uit zichzelf geen toenaderingspoging zal wagen, omdat men ‘geen concessie wenst te doen aan de vorm van het eigen werk’.
Wat de minachting voor de orale tak van de poëzie bij ons teweeg heeft gebracht, blijkt bij een autorit over langere afstand. In Frankrijk, Spanje en Italië zingt men driehonderd kilometer moeiteloos vol, puttend uit een enorm repertoire aan populaire, bij menigeen bekende liederen; in Nederland komt men vaak niet verder dan het eerste couplet of, erger nog, de eerste regel, en anders schakelt men over op Engelstalige popteksten. Misschien dat er ergens in de Jordaan mensen zijn die urenlang lied na lied ten beste kunnen geven, maar daarbuiten houdt het al gauw op.
Het gebrek aan een populaire vocale Nederlandse dichttraditie is debet aan de beperkte reikwijdte van de poëzie hier te lande. Poëzie is er immers vooral om gelezen of ‘geciteerd’ te worden. De vorig jaar overleden dichter Lucebert pleitte in 1950 al (in School der poëzie ) voor een ‘democratisering van de taal en de dichtkunst’. Lucebert voorspelde dat ‘dichters van fluweel’, die zich schuilhouden in hun toren van beschaafd ivoor, ‘schuw en humanistisch dood gaan’. Die voorspelling lijkt nu, aan het eind van de twintigste eeuw, daadwerkelijk uit te komen.
Het is hoog tijd dat men de ruimte geeft aan een poëzie die minder beaat is, die meer is dan een suffe parade voor academische bibliofielen. De vijver met het drabbige water is immers hard bezig op te drogen. Over een jaar of vijftig, als de laatste levende dichters gestorven zijn, zal men kunnen afstuderen op de vraag waar het mis ging met de Nederlandse poëzie. Ondertussen houdt men in letterland braaf de schijn op, en is men net als de zelfmoordenaar waarover verteld wordt in de Franse film La haine. Tegen de mensen die hem langs hun raam voorbij zien vallen, roept hij: ‘Tot hier gaat alles goed.’

© Serge van Duijnhoven; Olaf Zwetsloot / De Groene Amsterdammer

“Mijn Kudde Wordt Met Uitsterven Bedreigd”

“Mijn Kudde Wordt Met Uitsterven Bedreigd”

Reportage vanuit de Servische enclaves in Kosovo

NRC-Handelsblad, 24 maart 2007

door Serge van Duijnhoven

Op het vliegveld van Priština, dat geheel in Albanese handen is, worden Borka Tomic en ik vriendelijk en met een grapje welkom geheten door Albanese douaniers. In de aankomsthal wijst mijn reisgenote me echter op een felrood uithangbord, waarop “Albanië en Kosovo de reizigers van harte welkom heten”. “Twijfel je er nog aan dat het hier in 1999 ging om het verwezenlijken van de Groot-Albanese gedachte?”, spreekt Borka me verontwaardigd toe. Ik ontmoette haar voor het eerst in Bar Kafka, een door een verlopen Fransman en voormalig Joegoslaven gerunde nachtkroeg in het centrum van Brussel, waar ik sinds vorige zomer ieder weekend zigeunermuziek en Franse plaatjes mocht draaien en tot in de late uurtjes de bar bediende.  Borka was ex-miss Balkan, mannequin, 29 jaar, en de drijvende kracht achter het Serbian Institute for Public Diplomacy. Wat dit laatste was, wist ik toen nog niet, maar Borka nodigde me uit om een keer langs te komen en te praten over “de Servische zaak”.  “Ik weet dat jij een boek hebt geschreven over de Balkan”, vertelde ze me daar. “Je hebt in Sarajevo verbleven gedurende de oorlog, je hebt veel door de Balkan gereisd. Maar waarom heb je nooit geschreven over de Serviërs die zijn achtergebleven in hun benauwende enclaves in Kosovo? Is je interesse voor de regio opgehouden met het afsluiten van het Dayton-akkoord in 1995?” Intussen bezocht Borka de bar waar ik werkte steeds vaker. Ze bracht Servische muziek mee, organiseerde Balkanfeesten die zo druk bezocht werden dat de mensen op de bar moesten dansen, en ze introduceerde Servisch bier uit Novi-Sad dat we voor spotprijzen aan de man brachten. Alles in het kader van een “re-branding of Serbia” zoals ze het zelf noemde. Het opnieuw op de markt brengen van Servië als een gunstige merknaam. Ze had doorvoor nog een masters-degree gehaald in 2003 in Parijs, bij professor Philippe Mihailovic – een Zuidafrikaanse modefotograaf van Servische afkomst die familie was van de beroemde aanvoerder van de çetniks die tijdens de oorlog met Tito in de clinch had gelegen. Borka droeg in de weekends gele T-shirts waarop in trotse letters: “Serbian Brand” stond geschreven. “Ik heb mezelf tot taak gesteld een ander gezicht van Servië te laten zien”, aldus Borka, “om Servië te promoten als een boeiend land met vele mogelijkheden.”

De Albanese taxichauffeur aarzelt om ons naar het Servische dorp Gracanica te brengen, hij vraagt een ridicuul hoge prijs voor de tien kilometer die het vliegveld van het dorp scheiden. Halverwege de tocht, als we van Albanees gebied de Servische enclave binnen rijden, stopt de wagen en stapt de chauffeur uit om het taxiteken van zijn dak te halen en het nummerbord van zijn bumper los te schroeven. “Anders lopen we de kans dat er stenen naar ons gegooid zullen worden”, verduidelijkt de man.
Langs de weg ligt de berm overal bezaaid met lege plastic flessen, vuilniszakken, zwerfvuil dat als gelige smurrie met de wind en de turbulentie van de auto’s wordt meegevoerd. Even later stopt de wagen, een audi 80, voor Motel Dukat in Gracanica. De herberg fungeert behalve als klein hotel ook als vergaderruimte voor lokale politici en zakenlieden. In het restaurant, waar de tv permanent op het Servische turbofolk-kanaal Pink Channel is afgesteld, vergaderen een stel lokale hoogwaardigheidsbekleders met een vertegenwoordigster van de Servische minister van financiën. De kamers op de eerste en tweede verdieping kijken uit over het episcopale landgoed van de bisschop Artemije en het eeuwenoude klooster uit de vijftiende eeuw. Het landgoed wordt, behalve door een metershoge stenen muur, beschermd door gewapende Finse en Zweedse soldaten van KFOR.
In de lobby ontmoeten we Mirko Tabakovic, een van de oprichters van Enclavia, een door het IKV gesteunde lobbygroep voor Servische belangen in het huidige Kosovo: “Het Albanese volk wordt geconditioneerd en gemanipuleerd door de eigen machthebbers die de massa voorhoudt dat met de nakende onafhankelijkheid alle problemen als sneeuw voor de zon zullen verdwijnen. Alle problemen die met armoede, werkloosheid en stagnatie te maken hebben, worden teruggevoerd op het repressieve beleid van Miloševic en het feit dat Kosovo nog steeds een Servische provincie is. Met als gevolg dat het uitroepen van de onafhankelijkheid door iedereen als een conditio sine qua non wordt gezien. Zonder dat de echte redenen van de problemen worden aangepakt. De Albanese agressie wordt daarenboven door de internationale gemeenschap beloond in plaats van bestraft. Als er Serviërs bedreigd of gedood worden, dan is de logica: dat hebben jullie aan jezelf te danken. Moet je maar voor een onafhankelijk Kosovo zijn. Het is een feit, helaas: De Albanese politici werken niet aan een multi-etnisch maar etnisch gezuiverd Kosovo. Van de 150.000 Serviërs die er na de Tweede Wereldoorlog resideerden in de Lab-vallei, zijn er nu nog 1000 over.”
Hoe deze zuivering in zijn werk is gegaan?
“Er werden kudden van Albanese boeren op de velden van Serviërs losgelaten die de oogsten opvraten. Bomen van Serviërs werden omgehakt als het winter werd. Vee werd gestolen of doodgemaakt. Serviërs kregen iedere dag telefoontjes met het dringende verzoek hun woning te verkopen voor bodemprijzen.”

Kort nadat ik haar in Brussel voor het eerst ontmoet had, nodigde Borka Tomic me uit om een persconferentie bij te wonen van de bisschop van Kosovo, Artemije Radosavljevic. De conferentie vond plaats in het 4S-Instituut, een ander Servisch propaganda-orgaan, in een chique boulevard aan de Brusselse zuidrand in de buurt van metrohalte Montgomery. Aan de muur van dit instituut hingen foto’s van gehavende Servische heiligdommen, platgebrande kerken en kloosters, kerkhoven die waren omgewoeld en met granaten beploegd.
Het publiek bestond, behalve uit een keur van internationale journalisten, uit een bikkelharde kern behartigers van “de Servische zaak”. De behartigers spraken een geslepen Amerikaans soort Engels, zaten strak in het pak, en er werd kwistig rondgedeeld met hapjes en drankjes. Met gepaste vertraging schreed bisschop Artemije de conferentieruimte binnen. Een kleine man (1m58) met buitenproportioneel grote bril, een baard die bijna tot op zijn navel reikte, een grote amulet die bungelde rond zijn nek, en een pikzarte kamilavka (orthodoxe mijter) op zijn hoofd. De pers werd verzocht door James George Jatras uit Washington D.C., om de goedheiligman te addresseren met de woorden “His Grace”. De bisschop zelf sprak geen woord Engels, maar later begreep ik van Borka dat His Grace dit – ondanks zijn opleiding – niet wílde spreken. Engels, dat was immers de taal van Tony Blair en Bill Clinton – de voorvechters van de Navo-bombardementen in 1999 waarbij tientallen Servische heiligdomen in rook en vlammen opgingen.
In een brief die de bisschop zijn gehoor in handen liet drukken, getiteld “Word wakker, Europa!”, schreef de kerkleider: “De onafhankelijkheid van Kosovo zal niet het einde markeren van een specifieke Albanese afscheidingsbeweging, maar wel het begin van het uiteenvallen van Europa als een geheel.”
Bijgevoegd was een kaartje van Europa waarop alle regio’s stonden vermeld die seperatistische aspiraties hebben: van Vlaanderen en Wallonië tot Baskenland, Trentino, Schotland, Bretagne, Corsica, Koerdistan en Nagorno Karabach.
“Als de Servische provincie Kosovo onafhankelijk wordt, is er een risico op islamitisch terrorisme in het hart van Europa”, hield de bisschop ons voor. “Pogingen om Kosovo los te weken van Servië door begrip te tonen voor Albanese seperatisten en vertegenwoordigers van het Blanke Al Quaida dat op Europees grondgebied zijn Jihad voort komt zetten, zal een domino effect creëren op het continent, en zal overige extremisten ervan overtuigen dat het gebruik van geweld geoorloofd is om politieke doelen te bereiken. Zoals u weet brengen opgelegde scheidingen van staten altijd ellende en bloedvergieten met zich mee. Is Europa klaar voor nieuwe slachtoffers onder haar eigen dak? Kosovo is het zieke hart van Servië. Als een hart ziek is, moet het genezen en niet aan stukken gesneden worden.”
De bisschop citeerde, tot besluit, uit het Bijbelse boek Spreuken, 10:8:
“Wie wijs van hart is aanvaardt geboden,
maar wie dwaasheid uitkraamt komt ten val.”

Gracanica.KFOR

Ditmaal ontvangt bisschop Artemije van Ras-Prižren en Kosovo-Metohija, ons in zijn episcopale paleis achter de kloostermuren van Gracanica. Een ijzeren poort wordt automatisch geopend.
“De hele provincie Kosovo is de laatste jaren van karakter veranderd”, verzekert de goedheiligman ons met klem. “Het is een naargeestige staat geworden, waar permanente terreur heerst tegen de Serviërs. Waar sedert 1999 meer dan driehonderd orthodoxe heiligdommen verwoest zijn, terwijl er meer dan vierhonderd moskeeën zijn bijgebouwd – veelal met geld van de Wahabieten uit Saoedi-Arabië. Minister van binnenlandse zaken Fatmir Rejepi, heeft dit onlangs nog bevestigd in het Kosovaarse parlement. Dit ingeslopen islamitische fundamentalisme dat nu zo aanwezig is in Kosovo, vormt een serieuze bedreiging voor de rest van de Balkan alsmede voor Europa.”
De mobiele telefoon van de bisschop gaat af, midden in ons gesprek. His Grace bezit een zeer luxe en duur model, dat bij het spreken geheel verdwijnt in zijn baard. Als het telefoongesprek voorbij is, vraag ik de bisschop of het moeilijk is om, gegeven de politieke situatie, nog voldoende met spirituele zaken bezig te zijn?
“Mijn politieke activisme is een noodzakelijk uitvloeisel van mijn taak als spirituele leider van de orthodoxen in Kosovo”, verzucht de kerkleider terwijl hij zijn GSM voor zich op tafel legt. “Mijn spirituele taak is helaas niet alleen maar een kwestie van bidden, maar ook van overleven geworden. Ziet u, mijn kudde wordt met uitsterven bedreigt. U moet zich voorstellen wat voor bedreigingen we dagelijks te verduren krijgen. Het is niet zozeer de toorn van God die ons treft, als wel de toorn van de Albanezen samen met die van de VS, omdat we in het verleden niet steeds gedaan hebben wat Washington van ons verlangde. Je vindt hetzelfde verzet ook in Irak, Iran, Venezuela.”
Als Kosovo onafhankelijk wordt, zal Artemije dan in die Albanese staat blijven wonen?
“Dat is een hypothetische vraag. Wij zijn van mening dat dit niet KAN gebeuren. En als het dan toch gebeurt, dan zal een christelijke natie in het hart van Europa vernietigd worden en kunnen de misdaden jegens de christenen die hier zijn achtergebleven, de vrije loop krijgen. De etnische zuivering van Kosovo door Albanezen die de Serviërs terroriseren is volop aan de gang. Maar Servië zal zich Kosovo niet laten ontstelen. Servië beschouwt Kosovo als de wieg van zijn beschaving. Het concept van een onafhankelijk Kosovo is onacceptabel.”

De volgende dag gaan we op pad met Svetlana Stevic, hoofd van de NGO Majka Devet Jogovica, een humanitaire kerkorganisatie, in een landrover gevuld met broden en pannen soep voor arme Serviërs die in afgelegen gebieden kreperen.  We rijden langs de oevers van Gracanica Jezero richting Kamenica en Pomoravlje. Serviërs durven er niet meer te komen om te zonnen of pootje te baden. Het is Albanees gebied geworden.
In het dorpje Nvo Brdo bevindt zich, in een oude loods voor boilers en warmtebuizen, een gaarkeuken.  Daar koken drie mannen twee keer per week voor 28 kinderen en 320 dorpsbewoners pannen met soep die ze mee kunnen nemen naar huis in emmertjes van tupperware. De Serviërs die zich rond de landrover en de loods verzameld hebben zien er allemaal oud, verfomfaaid, verpauperd en vermagerd uit. De ellende straalt van hen af. Trummerleute. Boeren en boerinnen en hun jonge kroost. Enkele van de Serviërs klagen over het oude brood dat ze uitgedeeld krijgen.
Svetlana Stevic vertelt dat de voedselbedeling al vijf jaar lang plaatsvindt. “De enigen die blijven, zijn zij die niet kunnen vluchten. De ouden en de zieken en de armen. Als je de hel op aarde wilt zien, moet je hier rondkijken. Al het vee van de boerderijen is gestolen.  Op de velden en de heuvels grazen er geen koeien en schapen meer. De boeren die hier nog over zijn, verkeren aan de rand van hun bestaan. Hun oogst wordt systematisch vernield door Albanezen die hun vee laten grazen op Servische velden en akkers. En als de boeren geoogst hebben, waar moeten ze hun producten dan op de markt brengen? De Albanezen willen hun producten niet, of ze kopen ze op voor prijzen waar niets meer aan te verdienen valt. ”

In het dorp Vitina, niet ver van de Macedonische grens, woont priester Svonko Kostic met zijn vrouw, zijn zus en drie kinderen. Vader Svonko is op 12 juli 2000 gewond geraakt bij een Albanese wraakactie. Een voormalig UÇK strijder uit de omgeving heeft geprobeerd hem te liquideren. De schietpartij vond plaats vanuit een auto die hem passeerde. “Het gebeurde in Klokot, op St Pieters Dag. De twaalfde juli, het was zomer. Na de liturgie moest ik naar een begrafenis om daar de dode te zegenen. Er werd naar me geschoten vanuit een rijdende auto, als in een Amerikaanse film. Een kogel drong door mijn heup, een andere doorboorde mijn knie. Er vielen drie gewonden, mensen die met mij meereden naar de begraafplaats. De schutters vluchtten. Een patrouille van UNMIK die passeerde, nam ons alledrie mee naar het hospitaal van de Amerikaanse legerbasis Bondsteel. Ik ben daar geopereerd en vijf dagen lang behandeld. Ik ken de dader die mij heeft beschoten persoonlijk, Sadat Fejza is zijn naam. Unmik heeft hem gevangen genomen, maar na een maand weer vrijgelaten omdat de slachtoffers bij het begin van het proces tegen de schutter “verstek lieten gaan in de rechtzaal”.  De chirurg die de kogels uit mijn heup en knie heeft verwijderd, zei dat hij de kogels voor mij zou bewaren als bewijs. Maar ik heb de kogels nooit van hem gekregen. De zaak werd geseponeerd.”
De pope laat, in zijn slaapkamer met de deur dicht, de littekens zien die de kogelwonden in zijn lendenen en knie hebben nagelaten.
“Het trieste is dat die Sadat Fejza later nog drie andere Serviërs uit de buurt te grazen heeft weten te nemen. Die mensen kunnen het niet meer navertellen. De drie zijn geliquideerd terwijl ze voor een winkel stonden te praten. Ja, de intimidaties duren nog altijd voort. Dagelijks zijn er bedreigingen, telefoontjes, uitingen van agressie.”
Vader Svonko kijkt bezorgd, terwijl hij opnieuw de odora over zijn kleren aantrekt. “Het is een hoofdzonde om iemand te doden,” mijmert de priester. “Dat is wat de tien geboden me voorschrijven. Begrijp me goed, ik ben tegen geweld. Maar soms… soms is het een zonde om iemand níet te doden… Om het kwaad intact te laten en het voort te laten woekeren.” Er kronkelt een diepe frons over Svonko’s voorhoofd.
“Er zijn enkele Albanezen met wie ik op goede voet verkeer, maar contact onderhouden met deze mensen is moeilijk want de Albanezen willen niet graag met Serviërs samen gezien worden. In groepen zullen ze me altijd negeren of intimideren, maar als ze alleen zijn stappen ze soms wel over hun eigen schaduw heen en begroeten ze me vriendelijk.”

In tegenstelling tot het verpauperde, statische leven in de Servische enclaves, is het duidelijk dat het leven in en rond Priština een hoge vlucht genomen heeft. De stad is één grote ongecontroleerde excavatie, een bouwput van een omvang die alleen te vergelijken is met het Berlijn van de jaren negentig. In 1999 telde de stad zo’n honderdvijftigduizend inwoners, waarvan zo’n dertigduizend Serviërs. Tegenwoordig lopen de schattingen uiteen van zo’n zeshonderdduizend tot zevenhonderdvijftigduizend inwoners, waarvan welgeteld nog maar 143 Serviërs.  Volgens Serviërs is dit een bewijs van de ethnische zuiveringen die in Kosovo overal aan de gang zijn, volgens Albanezen is het een stap in de goede richting.
De Albanezen die nu in Priština wonen, komen uit alle streken en windrichtingen: uit de dorpen en bergen, maar ook uit Albanië en het overige buitenland. Niet iedereen is even blij met de nieuwe buren. Azen Bujupi, een acteur die Borka en mij gastvrij ontvangt in de bomvolle Feniks Bar in hartje centrum, en die ons ongevraagd een litervolle karaf “Skenderbeg-cocktail” aanbiedt, doet zijn beklag: “er zijn veel boerenpummels in de stad neergestreken, mannen met baarden en vrouwen met sluiers en tien kinderen.  Ze spreken een ander soort Albanees dialect, en komen duidelijk niet uit Kosovo. Soms verlang ik naar mijn oude, Servische buren. Maar ja, dit is de prijs die we voor de nieuwe vrijheid betalen. “
Azen is uiterst vriendelijk tegen Borka, die zich eerlijk als Servische heeft voorgesteld. “De meeste Serviërs liegen over hun afkomst als ze hier zijn. Ze zijn bang. Ik ben blij dat jij niet liegt.”
Hebben ze reden om bang te zijn?
“Ja en nee. Het lijkt me niet prettig om hier nu als Serviër te wonen. Wat mij betreft zijn de Serviërs weer welkom. Het zou goed zijn voor de culturele samenstelling van de bevolking.”
Is ook Azen een voorstander van onmiddellijk Albanees zelfbestuur voor Kosovo?
“Absoluut. We worden door Belgrado nog altijd in gijzeling gehouden. We worden gekidnapt door vijf procent van de bevolking.”
Ook op straat wordt deze onvrede geuit. En steeds vaker treft de woede niet alleen de Servische minderheid, maar de hele internationale gemeenschap. Regelmatig worden er demonstraties georganiseerd door de “Vetevendosje”-pressiegroep, die spandoeken met zich meedraagt waarop de VN en OVSE wordt aangemaand om eindelijk op te hoepelen uit Kosovo. Vetevendosje is Albanees voor zelfbestuur. “Ook ik heb genoeg van de manier waarop de internationale gemeenschap ons als stiefkindje behandelt’, schreeuwt Azen boven de luide R&B-muziek uit. Zijn Engels is vlekkeloos. Hij legt amicaal een arm rond mijn schouder. “KFOR heeft hier goed werk verricht, en UNMIK ook. Maar nu is het tijd om het bestuur aan de mensen over te dragen die hier wonen. Hun aanwezigheid rekt het vacuüm waarin Kosovo economisch en cutlureel verkeert, nodeloos lang. Wat de mensen ook een doorn in het oog is, is dat de buitenlandse werknemers een veel hoger salaris krijgen uitbetaald. En ze mengen zich nauwelijks met de lokale bevolking. De economie is hier een puinhoop en de mensen bijten op een houtje, maar de internationale werknemers vertrekken ieder weekend naar Skopje en Thessaloniki om lekker te gaan eten en uit te gaan. Dat creëert afgunst. Het apartheidsregime van de Serviërs heeft plaatsgemaakt voor het apartheidsregime van de internationale gemeenschap.”
Naarmate het later wordt, verplaatsen steeds meer mensen uit de Feniks Bar zich naar de Boumboum Club, om de hoek. Vlakbij het grote billboard waarop een lachende Bill Clinton en Tony Blair voor hun bewezen diensten in 1999 worden bedankt. In de club is live-muziek te horen van westers getinte rockbands, en hiphop. Ook hier is het hutje mutje, maar ik zie nauwelijks of geen bezoekers buiten de Albanese jeugd die hier heupwiegend uit zijn dak gaat. Rond een uur of twee in de ochtend neem ik een taxi terug naar Gracanica, op een taxistop die is gevestigd aan het Madelein Albright Plein.
Het uitgaansleven in Gracanica heeft, vergeleken bij het swingende nachtleven in Priština, een hoog boerenpummel-gehalte. In bar Dolce Vita dansen Servische blockheads de two-step op folkschlagers. De jongens dansen woest en met de handen hoog geheven op de etno-beat. De sfeer is die van een ruige Wild West saloon. Er wordt Macedonisch bier gedronken, slivovica en cola. De overige jeugdigen van het dorp gaan uit in een omgebouwde boeren stal midden in het akkerveld, waar in plaats van koeien, kippen en varkens, de Servische jeugd onder de hanenbalken brult en krioelt. De plafonds zijn afgedekt met jute, het is er bloedheet en ongemeen druk. De band speelt rock en joegoslavische evergreens. Ook hier een overdaad aan boerenjongens die allemaal dezelfde kapper en kleermaker lijken te frequenteren. Waar zijn de meisjes?  Die studeren, elders in Servië of in Mitrovica – waar zich de enige Servische universiteit van Kosovo bevindt. In de stal stinkt het naar pis, de toiletpotten lopen over van de urine en de jongens doen hun behoefte vrijelijk in het open veld.

Artemija.stepping in car

Er is veel kopiëergedrag op de route van Priština naar de grens van Macedonië. Het ene na het andere glimmende gloednieuwe motel schiet voorbij, als ook het ene na het andere pompstation. Motel Harea, Motel Kedoni, Motel Sefer, Motel Europa… De pompstations dragen namen als Euro Mit, Ega Petrol, Hit Petrol, Power Point. Er zijn meer dan 40 stations gebouwd tussen Priština en de Macedonische grens, dat is één pompstation om de anderhalve kilometer. Volgens Borka zijn de motels en pompstations vooral een dekmantel voor andere aciviteiten. Links en rechts flitsen de minaretten voorbij van moskeeën in aanbouw.
We rijden met de auto naar Strpca, en vandaar omhoog naar het skigebied Brezovica. Er is jaren lang niet meer in deze plek geinvesteerd, het meerendeel van de skiliften verkommert en verroest. Zelfs de Servische regering in Belgrado is bang om er geld in te steken. Volgens Ivan Milosavljevic, de eigenaar van Motel Montagne op 1700 meter hoogte, toont dit aan dat de Serviërs ervan uitgaan dat Kosovo sowieso onafhankelijk wordt en dat investeren geen zin meer heeft. Ivan is een man met een getaand gezicht en grijswitte krulletjes. Aan de overkant van zijn tafeltje zit zijn Albanese boezemvriend Rexhep. Ze drinken vinjak – een soort goedkope cognac- en een mengeling van witte wijn en mineraalwater. Vanuit de computer klinkt Oliver, de Kroatische chansonier. “Hierboven is Joegoslavie intact”, grinnikt Rexhep. “Beneden is het een zootje.”
Ivan woont het hele jaar door hierboven op de berg. Hij organiseert ’s zomers uitstapjes in de natuur. Paardrijden, bergbeklimmen, vissen, wildlife excursions, mountain jogging. Ivan heeft acht paarden via de Amerikaanse luchtmachtbasis Bondsteel op de kop weten te tikken. De paarden werden in 2001 gebruikt door het UCK om wapens de bergwand over te smokkelen richting Tetovo, waar de Albanese rebellen zich aan Macedonische zijde hadden ingegraven en de steden in het dal bestookten met geweer- en granaatvuur. De paarden, die getraind waren om op eigen houtje hun doel te vinden, waren geconfisceerd door Amerikaanse bergpatrouilles. “’s Zomers laat ik de paarden aan de toeristen, ’s winters aan de dorpsbewoners in het dal. Dan gaan de dieren op stal.”
Ivan heeft het recht om elk jaar op een bruine beer en vier wilde zwijnen uit de bossen in de bergen te jagen, en te verwerken voor gerechten in zijn keuken. Hij prepareert de beesten zelf, en maakt er berenragoût- en zwijnengoulasch van. Borka en ik eten ervan in zijn restaurant. Het wild wordt geserveerd met ingemaakte groenten, paprika, tomaat, witte kool en gebakken aardappelen. In het motel worden jaarlijks ook miss-wedstrijden georganiseerd. De mooiste bergbloempjes aan Servische en Albanese zijde mogen er ter keuring over de piste defileren. De winnares krijgt de titel mee van Miss Daffodil.
Veel buitenlandse toeristen komen er niet meer, Serviërs van buiten Kosovo evenmin. Het clienteel bestaat voor negenennegentig procent uit Albanezen die in het skigebied een kijkje komen nemen en een dagje komen skieën. De meesten vertrekken aan het einde van de middag met de auto of bus weer terug naar het dal.
De Serviërs van buiten Kosovo blijven weg, omdat ze heel Kosovo door moeten rijden voor ze hier kunnen arriveren. “We voelen ons in de steek gelaten door de Serviërs”, zegt Ivan. “Wij leven hier in een totaal afgesloten berg-ghetto. Achter de bergkam bevindt zich Tetovo, het Albanese fort dat de uitvalsbasis is van alle Macedonische Albanezen. Achter ons bevindt zich Albanees Kosovo. Iedereen vraagt me waarom ik hier niet wegga. Ben je gek? zeg ik de mensen dan. Ik blijf, al kost het me mijn kop. Deze prachtige bergen zijn mijn lust en mijn leven.”

Bij avondval bereiken we het beroemde klooster van Dečani, dat als bedreigd monument is opgenomen in de werelderfgoedlijst van de UNESCO. Ook hier bewaken Italiaanse soldaten van KFOR de ommuurde vesting, die aan alle zijden door Albanese bewoners is ingesloten. De stad Djakovica, die vlakbij ligt, is na de oorlog van 1999 voor honderd procent Albanees geworden. Alle kerken en orthodoxe heiligdommen in de stad zijn met de grond gelijkgemaakt, en verschillende malen is geprobeerd om met granaten, obussen en mortiervuur hetzelfde te bewerkstelligen met het oude klooster van Dečani.
In de refter hangt een groot portret van Artemije. De monniken serveren rakija op een zeer lange houten tafel. Een sanseveria groeit stilletjes omhoog in de hoek van de eetkamer. Het vertrek ligt ietwat scheef, het gevolg van een verzakking van de aarde. De vloeren en wanden zijn gemaakt van donker ebbenhout. Aan de muur hangt een oorkonde van de Unesco waarin het klooster omschreven wordt als een monument in groot gevaar.
Het is in dit klooster dat er wijn gemaakt wordt van de druiven uit Velica Hoča. En rakija, Servische grappa van druivendroesem. Vader Theodosius, de vicaris van Dečani en Metohija, wil niet dat het gesprek opgenomen wordt. Theodosius hangt een meer verzoenende koers aan dan de als rigoureus-nationalistisch bekend staande bisschop Artemije, en wil niet dat er heibel ontstaat over zijn woorden.
Borka vraagt hem hoe hij zich tracht te verdedigen tegen de “reinvention of tradition and history” die overal in Kosovo volop aan de gang zijn. In Albanese geschiedenisboekjes wordt tegenwoordig onderwezen dat de orthodoxe kloosters en kerken eigenlijk oude Albanese heiligdommen zijn die in de loop van de eeuwen door de Serviërs zijn geconfisqueerd en voor propagandadoeleinden werden gebruikt om de Servische aanwezigheid in Kosovo goed te praten.
“Allereerst spiritueel”, vertelt vader Theodosius met zachte stem. “Verder moeten we meer monniken zien aan te trekken. En moeten we pogen financiëel en anderszins zo onafhankelijk mogelijk te worden, zodat we ongeacht de situaties in staat zullen zijn te overleven als volledig omringde enclaves. Als we geen Servische aanwezigheid behouden, hier in Kosovo, dan is alles voor niks geweest en zullen we als christenen hier nooit meer iets kunnen bereiken. Die ijver van de Albanezen om de geschiedenis naar hun hand te zetten, is behalve feitelijk onjuist ook ronduit gevaarlijk. Het verspreiden van dit soort leugens laat de wederzijdse haat opflakkeren en doet het onbegrip, dat toch al zo groot is, nog toenemen.”
Vanwege verontwaardigde internationale reacties, onder andere die van Timothy Garton Ash, die een goede vriend is van vader Theodosius, is de Albanese regering in Kosovo gedwongen geweest om te ontkennen dat de geschiedenisboekjes op last van de regering dit soort dwaze claims fabriceerden. In het daaropvolgende Memorandum of Understanding dat werd opgesteld, staat nu duidelijk vermeld dat de Servische orthodoxe kerk van oudsher aanwezig is in Kosovo, dat het eigendomsrechten bezit over haar eigendommen, en dat het kerkelijk hoofdkwartier van de Servische “pravoslavi” in Belgrado is gevestigd. Ook in annex 5 van het door Martti Ahtisaari geformuleerde plan voor het bepalen van de status van Kosovo, staat dit expliciet vermeld.
Vader Theodosius: “Onze omgeving is voor honderd procent Albanees, dat kunnen we niet meer ontkennen. Geen enkele priester kan het klooster nog verlaten zonder bescherming van KFOR of UNMIK. Annex 5 geeft ons veel rechten en garanties, we moeten blij zijn met het plan. Binnen de kloostermuren zijn we volledig onafhankelijk. Maar er zijn helaas veel kapers op de kust. Een invloedrijke Albanese zakenman, Fiorian Kresaici, poogt alsmaar de grond aan te kopen waarop het klooster en zijn aanverwante eigendommen zijn gebouwd. Hij wil op ons terrein een marmergroeve laten bouwen, en een fabriek voor het bottelen van mineraalwater. De dienst Protection Zone Regulation heeft hier vooralsnog een stokje voor kunnen steken, maar het feit dat de koop van Kresaici niet kon doorgaan, leidde tot demonstraties die tegen de aanwezigheid van ons klooster gericht waren. De situatie is zeer ontvlambaar.”

In de wagen van pope Petar Ulemek rijden we verder naar Peć, waar we een familie willen bezoeken van teruggekeerde Serviërs. Een van de twee families die in deze stad op instigatie van UNMIK vanuit Servië naar hun geboortegrond zijn teruggekeerd. Als we de stad binnenrijden, wordt er met lege blikjes en stenen naar onze wagen gegooid.
Een meute volgt ons als we naar het huis van de familie lopen. Er wordt geroepen, gefloten, gesist. Vader Petar blijft er volstrekt kalm onder en doet of hij niks hoort. De Servische familie blijkt het huis in de binnenstad alweer te hebben verlaten, en naar Belgrado te zijn teruggekeerd. Op een bord in het park staat geschilderd: NO NEGOCUJATE  en SELF DETERMINATION NOW.
Iets verderop, in het eveneens beschermde en oogverblindende Patriarchaat van Peć, gaan de deuren wel open. Binnen wacht ons een ontvangst van 23 nonnen. De nonnen bieden honing aan. De meeste zusters zijn hoogbejaard. We worden te woord gestaan onder een poster van de oude stad Jeruzalem, en een portret van patriarch Pavle uit Belgrado. Zuster Dobrila (76) vertelt in het Frans, in een dwingende monoloog: “Iedereen heeft ons verlaten, maar we hebben nog wel het geloof in onze Heer en in het behoud van onze ziel.”
Dobrila heeft slechte herinneringen aan de Nederlandse KFOR soldaten in Orahovac. Eén van die soldaten heeft ze een Servische vrouw zien mishandelen, waar haar twee kinderen bijstonden. “De Nederlanders haten ons Serviërs, en die haat uitte zich ook in hun agressieve gedrag jegens ons. Het zal wel met Srebrenica te maken hebben. Hun eigen falen in die enclave, reageren ze af op Serviërs die met de tragedie niets te maken hebben. Voor hen zijn alle Serviërs in Kosovo nationalistische zwijnen.”
“De  Serviërs in dit gebied zijn allemaal gedoemd om in enclaves te leven. Dat is een ongewenste en vernederende situatie, maar tegelijkertijd is het zo dat we buiten die enclaves niet meer kunnen overleven. De terugkeer van Serviërs wordt systematisch bemoeilijkt of tegengehouden door de Albanezen. Dat is onze grote tragedie. Als kloosterlingen leven wij altijd afgesloten van de buitenwereld achter hoge muren en in stilte. Wij zijn het gewend. Maar wat zijn kloosters zonder volk om te dienen? Wat is een herder zonder kudde? Ik zeg het u: wij zijn als een piano zonder snaren. Er komt geen goed geluid meer uit ons. Wij zijn de laatste der mohikanen op de Kosovaarse prairie.”

Voor we de terugreis naar Brussel aanvaarden, vervoegt Borka Tomic zich in Dolce Vita, het cafe van Gracanica, om daar een laatste ontmoeting te beleggen met Mirjana Miladinovic, directrice van de modeschool Dom Kulturna. Afgelopen zomer heeft ze, samen met twee modecorifeeën uit Parijs, een modeshow georganiseerd voor de meisjes van middelbare scholen in de gemeente. Borka zette een etno-netwerk voor Europese modellen op, die de Servische meisjes onderwezen in het lopen over de catwalk en het samenstellen van een eigen collectie. “We noemden dat evenement “De flakkerende kaars van de hoop in het Donkere Hart van Europa”. De modellencursus heeft de meisjes van Gracanica weer wat meer kracht en hoop gegeven. Het biedt hen, net als de orthodoxe religie waar ze serieus mee bezig zijn, hoop en waardigheid.”
Borka laat foto’s zien van het defilé van afgelopen zomer. De jeugd kijkt ingespannen mee. Ze hangen met hun hoofden over elkaars schouders. De scholieren van Dom Kulturna zijn – evenals hun ouders – dolblij dat ze eindelijk even van thuis weg kunnen. Dat ze even de sleur van het dagelijks leven in het bedompte Gracanica kunnen doorbreken. Het leven in de enclaves lijkt letterlijk stil te staan als water in een put dat gaat putrefiëren.
In het vliegtuig terug naar huis gaat de strijd van Borka Tomic onverwijld voort. Ze zit naast een jonge Albanese student Landbouwwetenschappen die met haar discussieert over de afkomst van de Albanezen. “Wij Albanezen zijn afstammelingen van de Illyriërs”, beweerde de jongen. “Onze voorouders bevolkten de Balkan al lang voordat de Slaven het gebied koloniseerden.” Borka haalt allerlei historische bronnen aan, waaruit moet blijken dat het verhaal over de Illyriërs afkomstig is uit de grabbelton van romantische Albanes historici die een loopje nemen met de geschiedwetenschap en de archeologie. Als de student het woord “Servische minderheid” laat vallen, springt Borka vanuit haar vliegtuigstoel uit haar vel. Haar lange benen stampen verontwaardigd op de vloer van de cabine. “Hoe kun je als Serviër tot een minderheid behoren in Servië?”, houdt ze haar buurman voor. “Kosovo is nog altijd Servisch, vergeet dat niet!”
De eindeloze twist tussen mensen van volkeren die eeuwen zo niet millennia lang buren van elkaar zijn geweest, doet me denken aan een parabel die me ooit verteld is door de aartsbisschop van Macedonië, Mihael Gogov Metodija. De kerkleider, van een heel ander kalliber dan de nationalistische en materialistische bisschop Artemije, spiegelde mij het verhaal voor om me destijds enige duidelijkheid te verschaffen over het gedrag van zijn mede-Balkanbewoners in Bosnië.
Mihael was vierentachtig. Als hij sprak, kwam zijn stem van diep. Zijn gezondheid was broos. Zes jaar had hij gevangen gezeten op Goli Otok, een steengroeve voor de kust waar de communistische en anti-kerkelijke maarschalk Josip Broz Tito hem dwangarbeid had laten verrichten. Op het eiland leerde hij in de avonduren Engels. En ’s nachts vertaalde hij boeken uit het Russisch, vooral Dostojevski, Tolstoj en Gogol. `Ik had het makkelijker dan veel van mijn medegevangenen,’ zei Mihael over zijn krijgsarbeid. `Ik wist tenminste waarom ik gevangen zat.’
De man was de mildheid zelve, maar de oorlogshandelingen van zijn voormalige landgenoten in Bosnië, Servië en Kroatië verbaasden hem geenszins. `De Balkan wordt bevolkt door volkeren die veel hebben geleden. De wraak lijkt op ons allen te rusten als een banvloek. Het kost moeite om die vloek te breken.’ De parabel die hij toen vertelde, over de oorsprong van de Balkan-vloek, schijnt in verschillende variaties onder de Zuidslavische bewoners voor te komen. Hij gaat over de aanleiding voor God om de mensen te verlaten.
Lang geleden, aldus het verhaal, toen God nog samen met de mensen de aarde bewoonde, zwierf Hij eens in de winter door de bergen van het land dat Hij geschapen had. De avond viel en het begon hevig te sneeuwen en er stak een storm op. God kreeg het koud en klopte aan bij een van de kleine boerderijen in het dal. Een man deed open en gaf God te eten en te drinken, en hij stookte de kachel extra hoog op om het zijn verkleumde gast gerieflijk te maken. God was de boer dankbaar voor zijn gastvrije ontvangst, en Hij wilde dat tonen door de man toe te staan een wens te doen. `Maar denk eraan,’ zei God, `alles wat je wenst, zal je buurman ontvangen in tweevoud. Wens je  een baar goud, dan krijgt je buurman er twee, wens je drie koeien, dan krijgt je buurman er zes. Wens je vier zonen, dan krijgt je buurman er acht.’ De boer dacht diep na. Hij wist zo snel niet wat hij moest wensen, want hij wilde niet dat zijn buurman er beter van zou worden dan hijzelf. De boer stelde voor eerst te gaan slapen. In de ochtend zou hij God dan vertellen wat zijn wens was. ’s Ochtends vroeg God aan de boer of hij wist wat hij wilde wensen. `Ja,’ zei de man. `Ik wil dat U mij een oog uitneemt.’
Hierover zou God zo verbolgen zijn geweest, aldus de aartsbisschop, dat Hij besloot niet langer onder de mensen te blijven en de aarde te verlaten.

De boer wilde niet dat zijn buurman beter af zou zijn dan hijzelf. Dus wenste hij dat hem een oog zou worden uitgenomen.
De implicatie van Mihaels parabel is zonneklaar: liever dan rijk ziet de boer zijn buurman blind. Zelfs het licht in de ogen is hem niet gegund. De parabel van Mihael maakte voor mij in een keer meer duidelijk dan alles wat ik tot dan toe over het schijnbaar eindeloze conflict op de Balkan te weten was gekomen.
`Wat zou jij hebben gewenst, als je in de positie van de boer had verkeerd?’ wilde Borka in het vliegtuig van mij weten, nadag ik haar over de parabel had verteld. Ik antwoordde dat de boer volgens mij had moeten wensen dat hij iedere dag een comfortabele slaap zou mogen genieten van twaalf uren. De buurman zou dan zijn hele verdere leven in een vredige, comateuze toestand moeten doorbrengen, als een soort van snurkende, mannelijke Doornroosje die in zijn alkoof lag opgebaard.
Borka lachte wat schamper.
`Het is te merken dat je niet van de Balkan komt,’ zei ze. `De buurman zou er je dankbaar om zijn. Hij zou een stuk minder hoeven te werken dan jij…’
`En jij?’
`Ik zou niet wensen dat er bij mij een oog zou worden afgenomen, maar een teelbal.’

* * *

Serge van Duijnhoven (1970) is schrijver, dichter en historicus. Woonachtig te Brussel, geboren in Oss (Noord-Brabant, NL). Oprichter van tijdboek MillenniuM en de Stichting  Kunstgroep Lage Landen. Verbleef in Sarajevo voor De Morgen en de Volkskrant. Debuteerde in 1993 met de dichtbundel Het paleis van de slaap (Prometheus). Frontman van het muziekgezelschap Dichters dansen niet. Recente publicaties: Wij noemen het rozen (Podium), Fotografen in tijden van oorlog (Ludion), Obiit in orbit; aan het andere einde van de nacht (De Bezige Bij), Bloedtest (De Bezige Bij) en Ossensia Brabantse gezangen (Jan Cunen). In het komende jaar zullen van de schrijver twee nieuwe boeken verschijnen: De zomer die nog komen moest (proza; Nieuw Amsterdam) en Klipdrift (poëzie + cd; Nieuw Amsterdam).
© Serge van Duijnhoven

Serge van Duijnhoven beschrijft in Cantina van Jaap Boots zijn leven a.d.h. van twee uur muziek

Serge van Duijnhoven, dichter
woensdag 1 augustus 2007 12:02
Gastheer : Jaap Boots.
cantina @ vpro logo
CANTINA: Interactief lunchpauze programma van de VPRO vol jazz, world, roots, & soul.
Serge van Duijnhoven beschrijft in Cantina van Jaap Boots zijn leven a.d.h. van twee uur muziek (dit is het eerste uur)
tweede uur van Jaap Boot\’s Cantina met SvD – een leven in muziek
Serge van Duijnhoven werd in het Noord-Brabantse Oss te wereld geworpen, op een zonnige ochtend in dat olijke jaar 1970. Hij debuteerde in 1993 met de bundel Het paleis van de slaap (Prometheus, 1993) en wist door middel van tal van publicaties een stevige stempel te drukken op het laat-twintigste eeuwse literaire klimaat van Zeverland.

Platenkeuze

  1. Jacques Brel, Ses Plus Grandes Chansons, kant 1, nr. 8 (laatste nr., plaat)

Marieke

2.   Philippe Leotard, Philippe Leotard chante Leo Ferre, nr. 10

La memoire et la mer

3. Leo Ferre, disc 2, nr. 9

Avec le temps

4. Les Grands Succes, Charles Aznavour, kant 1, nr.6 (laatste nr., plaat)

Yesterday When I Was Young

5. Dancas Occultas, Music from the edge of Europe, nr. 4

Quertetra

6. Jona Lenomnyuskar, Degnar Gebulka, nr. 1

Bernar Xena

7. Lena Platonos, Karyotakis, nr. 1

Brady

8. The Beatles, Magical Mystery Tour, nr. 8

Strawberry Fields Forever

9. Serena, 11 Lieder, nr. 11

So oder so ist das Leben

10. Dichters Dansen Niet, Klipdrift, nr. 16

No More Chains!

11. Saban Bajramovic, Mostar Sevdar Reunion Presents Saban Bajramovic – A gypsy legend, nr. 14

Pitao sam malog puza

BLOEDTEST

 

BLOEDTEST

dichtbundel + CD

Serge van Duijnhoven - Bloedtest Toon volledige grootte
DICHTERS DANSEN NIET
Serge van Duijnhoven, Fred dB e.a.
Boek + CD “Kuesskrott!”

Dichtbundel + CD: met gedichten over begeerte, illusies, en de eeuwige zoektocht naar geborgenheid. Ontheemdheid, emigratie, liefde, vriendschap, voorspoed,  tegenslag en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie.Op de bijgesloten cd ‘Kueskrott!’ wisselen meeslepende muziek, sferische collages en klankexperimenten elkaar af, waarbij de stem van de dichter wordt begeleid door de accordeon, hoorn, doedelzak, cello, piano en contrabas van het gezelschap Dichters Dansen Niet – Fred de Backer, Gabriel Kousbroek, Bosz de Kler, Antonia Libert, Ali Haurand e.a. Ook Hugo Claus verleende aan dit album zijn medewerking en is op de cd te beluisteren met bewerkte stemfragmenten uit Het graf van Pernath.

Extra informatie

Prijs: € 19,50
ISBN:90-234-1081-5
Amsterdam 2003
lydia-lunch-poisonbloodtest

a1_poster_bloedtest_nl

.

PERSSTEMMEN:

‘Wie de vaak nogal bescheiden Nederlandse schrijvers van dit moment een beetje volgt, kan niet anders dan gelukkig zijn met iemand als Van Duijnhoven. Hij engageert zich met de wereld van jongeren van vandaag en hij durft tenminste te beweren dat er in zijn werk iets nieuws gebeurt. In dit boek met zijn cd (Küsskrott!!!) klinkt een zonder meer interessante, want naar serieuze poetische verwerking van het alleractueelste strevende, stem.’

–        Thomas Vaessens in Het Financieele Dagblad (HFD) en het Algemeen Dagblad (AD), 12 april 2003

‘Bevreemdend men indringend, dat is de term die ik voor deze dichtbundel zou willen gebruiken. Deze dichter heeft een talent waarmee hij de alledaagsheid van het hedendaagse leven timbre en passie kan geven. Het leven, de dood, de liefde… welke dichter heeft ze niet beschreven? Ook Serge van Duijnhoven doet dat maar wel op een manier waar je stil van wordt en elk gedicht enkele malen wil herlezen. Elk gedicht is een mooi verhaal dat de lezer telkens anders wil interpreteren. Deze bundel werd mij cadeau gedaan. Het is een prachtig geschenk want het betekent voor mij het begin van een zoektocht naar andere dichtbundels van hem.’

–     Andre Oyen in De Gelderlander

‘Het weerbarstige stemgeluid van Van Duijnhoven, die zich bij zijn performances bij voorkeur laat begeleiden door zijn gezelschap ‘Dichters dansen niet’, is onmiskenbaar een teken van vitaliteit. Dichten is stem geven aan het onzegbare, klank geven aan het onhoorbare, ritme geven aan het ondefinieerbare, maat geven aan het ondansbare. Meer en meer krijgt deze poëzie een soort profetisch, zelfs kosmisch-spiritueel karakter […]. In al zijn fragmentatie schrijft Van Duijnhoven een extraverte poëzie waarin onuitgesproken rebellie de middelpunt vliedende kracht is. Wie beweert dat deze poëzie een hype wil zijn of worden door er filmpjes bij te projecteren en er een techno beat bij te laten klinken, heeft het verkeerd voor. Deze gedichten gaan dieper. Er is sprake van een bindend organisch geheel. Het is geen cabaret van de te korte bocht,waarin zoveel performers blijven steken. Deze dichter is op zoek naar hedendaagse invullingen voor eeuwenoude rituelen. Deze poëzie is een ‘rite de passage’, een teder en wreed schouwtoneel, ‘theâtre de la cruauté’. Een loutering die ons niet echt reinigt, veeleer bezoedelt (wat ons dan weer aan Lucebert doet denken).’

–        Alain Delmotte in het tijdschrift Dighter

FractalsCannes.Arlette.van.Laar

 

Luister naar de titeltrack van de bijbehorende CD:

http://www.reverbnation.com/dichtersdansenniet/song/957347-kusskrottddn-2003

KUESSKROTT!!!

 

ALGEMEEN DAGBLAD

11/04/2003

Lokkende dichter

Serge van Duijnhoven is een dichter die een bijzonder breed en zelfs jong publiek naar de poezie kan lokken. Wat een intensiteit klinkt er op uit zijn nieuwe bundel Bloedtest! Van Duijnhoven (32) woont in Brussel: `(…) het ballingsoord/ waar ik mij thuisvoel als Hollandse barbaar/ tussen niet-bestaande Belgen’. In een nawoord zegt hij dat in deze poezie zoekt naar zijn identiteit, naar waar hij en anderen thuishoren: `wie vreemdeling is hier was elders kind aan huis’.
Hij draagt Bloedtest op aan de Weense dichter Christian Loidl die twee jaar geleden uit zijn raam viel. Hij dicht een ode aan de herontdekte dode Britse zanger Nick Drake, verplaatst zich in het hoofd van nazibeul Adolf Eichmann en bezingt vooral zijn vriendinnen, het leven en de liefde. Hij maakt leesbare gedichten, gebruikt soms mooie moeilijke woorden, maar steeds de taal van nu. Zijn poezie is soms net proza, dan weer is een gedicht ritmisch in steeds weer twee zinnen opgedeeld of leidt de herhaling van de woorden `ik wil’ tot
een duidelijke cadans.Bij Bloedtest zit een cd, waarop een aantal gedichten van Van Duijnhoven via het gezelschap Dichters dansen niet van geluid wordt voorzien. Fred de Backer, alias dj Fat, tekent voor de meeste composities. Zelfs Hugo Claus (74) doet mee.

Bloedtest – Serge van DuijnhovenBezige Bij, 104 blz., EUR19,50. Met cd Küsskrott!!! (Dichters dansen niet)

————————————————————————————–

beeld_bloedtest

De Groene Amsterdammer
22/04/2003

Serge van Duijnhoven, Bloedtest

Schepper, mag ik overvaren?

door Theodor Holman
Serge van Duijnhoven prikkelt in zijn nieuwe dichtbundel ‹Bloedtest› lezers en luisteraars. Een bijgevoegd essay dient als handleiding voor het werk. Theodor Holman neemt de vrijheid om zelf een sleutel te vinden, en met de gedichten te kleien. — door Theodor HolmanSommige acteurs zoeken in een toneelstuk een zin of een passage die als kapstok moet dienen om hun rol aan op te hangen. Door die zin of passage valt voor hen alles in elkaar. Pas dan weten ze hoe ze de rol moeten acteren. Ik ken twee acteurs die Richard III hebben gespeeld. De één liet zich leiden door «a horse, a horse, my kingdom for a horse» (uiteindelijk totale destructie, wanhoop), terwijl de ander de zin «zelden een vrouw zo makkelijk het hof gemaakt» had opgepikt («pure slechtheid, hij verneukt alles uiteindelijk»).

Het gevoel dat ik iets dergelijks moest vinden in de vele verzen in Serge van Duijnhovens nieuwste dichtbundel Bloedtest — een regel, een gedicht dat als sleutel zou kunnen dienen voor zijn werk — ontstond doordat Van Duijnhoven het de lezer niet gemakkelijk maakt. Niet dat hij ondoorzichtig is, of een taalgebruik heeft dat onverklaarbaar of onbegrijpelijk is. Integendeel. Hij maakt het je moeilijk doordat hij je een bepaalde richting probeert in te duwen. Bloedtest — je gaat lezen, je interpreteert, je probeert iets te formuleren, tot je aan het eind van de bundel komt. En dan lees je bijna als slot van het boek: Da capo (al fine), een essay waarin de dichter zijn eigen titel verklaart: «De titel van deze bundel is een metafoor voor de pogingen die we ondernemen om eigen of andermans identiteit vast te stellen, herkomst te traceren of lot te bepalen dan wel in de greep te krijgen.» Alles wat de dichter vervolgens schrijft is een verklaring van zijn poëtica.

Je durft er bijna geen andere mening op na te houden. Als je denkt dat je met de bundel klaar bent, volgt er nog een bijgevoegde cd die een niet te verwaarlozen onderdeel van het geheel is. Je krijgt dan een postmoderne klankvoorstelling voorgeschoteld, met verschillende citaten. Je kunt er Hugo Claus zelfs eventjes op horen. Dat klankgedicht begint met het begin van het lied: Schipper, mag ik overvaren. De «ja of nee» zijn weggefaded.Waar wil je me heen hebben, Serge, denk je. En wat wil je? En hoe wil je dat? Ik word gedwongen ergens naar te zoeken, om mijn eigen vrijheid te behouden, want Serge kan nog zoveel over bloed en bloedtesten zeggen — ik wil zelf met zijn gedichten kleien.
Uitgevers — die bang zijn dat de recensenten het belangrijkste wellicht ontgaat — doen daarom tegenwoordig bij de dichtbundel een soort brief over de bundel. De Bezige Bij schreef: «Bloedtest (…) met gedichten over begeerte, illusies, en de eeuwige zoektocht naar geborgenheid. Ontheemdheid, emigratie, de rusteloze zoektocht naar geborgenheid, en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie.» Geborgenheid in twee regels twee keer genoemd. Pff… Overrompelend is de bundel zeker, maar dat komt hoofdzakelijk door de hoeveelheid… En de kwaliteit? Die wil ik graag ook bepalen, maar dan heb ik wel eerst een sleutel nodig om het doosje te openen om te zien wat er in zit. «Schipper, mag ik overvaren…» Ik maak het lied even af. «Ja of nee? Moet ik dan een cent betalen, ja of nee? Ja… Hoe?» Wat komt er na dat hoe… daar gaat het om.

De zoektocht naar die sleutel is een deel van het genot van het lezen van Van Duijnhoven. Hij gebruikt vaak halve citaten, die de lezer zelf moet afmaken, zodat het beeld, letterlijk zonder woorden, naresoneert. Niet alleen dat «Schipper, mag ik overvaren…» maar ook bijvoorbeeld: «each man kills… het oude lied» of: «het is de toon die de muziek/ sneert zij» of: «ik zie ik zie wat zij niet/ en wat ik zie is nimmer wat zij is». Soms is het bewust woordspelerig. Ik geef weer wat voorbeelden: «we spelen luister en vink», «geen speld valt daar nog tussen». Clichés als: «lik op stuk», «wat schoon is verloedert/ wat rein is bederft», en: «En dan vallen de schellen/ van het zelf…» naast ijzersterke beelden als: «Klokken in ons: beidt u tijd», of: «wanneer wordt er binnen in jou een slagboom opgehaald?/ daalt er een valbrug neer op de rand van de andere kade?» En soms ook al deze zaken in een paar regels, zoals in het gedicht keervers: «en als het schip dan zinkt/ zeg je, omdat het is geënterd/ laat het dan met mannen// en met muizen, laat het dan/ en ook met ons in godsnaam/ naar de kelder gaan// ‹jij hebt je best gedaan,›/ zeg je, ‹voor alles wat/ mislukt is›.»Maar waar is die ene regel die in het sleutelgat past, dat gedicht dat alles verklaart: van opbouw, tot Bezige Bij-folder, tot cd?

Die opbouw bestaat eigenlijk uit vijf delen. Vier delen poëzie met als titels: «Bloedtest», «vingerafdrukken der natuur», «nergens welkom, overal thuis» en «een man die alleen ik gekend heb…» en dan het laatste deel, de verantwoording van de schrijver en zijn Da capo (al fine), alsof zijn bundel een muziekstuk is dat nog een keer gelezen moet worden alvorens de lezing kan worden gestopt.
Maar waar gaat het over, behalve over die dingen die de uitgever en de dichter zelf naar voren schuiven als trotse ouders hun kinderen?
Op pagina 42, bij de tweede lezing, vind ik het gedicht waar het, volgens mij, om draait. Het is het gedicht vingerafdrukken der natuur. Het gaat als volgt:

voor een moordenaar is ieder lijk visitekaart
zoals ook onze lichamen de kaartjes zijn
van een schepper die ons één voor één
op tafel legtals bij een spel patience
hij wint alleen maar
van zichzelf en meent dat dit
genoeg bewijs moet zijngeen twijfel speelt hem parten
geen schaamte en geen spijt
dat er door hem zoveel
verloren is gegaan. Hij weet: (…)als hij opnieuw de stapel schudt
is alles weer van voor af aan.

Een knap, vol, mooi gedicht, waarin alles op zo’n manier gerangschikt is dat ik Van Duijnhovens poëzie de bloedtest kan afnemen.
Laten we het vers eens onder de loep leggen. Veertien regels, vier, vier, vier, twee — net als een sonnet van Shakespeare. Dit oogt als een vrij vers. Geen opzichtig rijm, wel veel taal- en woordspel. Visitekaart-kaartjes; patience-stapel. De drie puntjes tussen haakjes «(…)» — kan zowel «niets» betekenen als «hier is iets weggelaten». We kijken nog scherper: «lijk—lichamen», het verschil van dood en leven. En dan gaan we naar de inhoud. Onze schepper speelt met ons patience en wint alleen maar van zichzelf. Hij heeft dus geen geweten. En steeds speelt hij weer met ons patience… Anders gezegd: steeds is alles weer hetzelfde, en we voelen geen schuld of schaamte. Die «schepper» kan zowel God zijn, als wij, de mens. Met geduld maken we ons eigen spel, waarbij we denken dat we winnen als we verliezen… Misschien zit er meer in, maar meer zie ik niet onder mijn loep dan die hopeloze strijd, van dood, leven, winnen en verlies — een proces dat eindigt als het weer begint, en begint als het eindigt. Da capo (al fine). En kijk, dan valt opeens alles in elkaar.

«Bloedtest».

Een test of er wel leven is, of dat leven goed is, of besmet. Of er dood is. Als er leven is, is dat leven dan waardevol? Of wordt er een vreemd spel mee gespeeld? De eerste regels in deze bundel worden ineens minder clichématig en taalspelerig, maar krijgen een glans: «Ik leef alleen voor de zon/ en we zijn elkaars schaduw.» En die eerste regels blijken — eveneens ineens — in harmonie met de laatste regels: «(fall out)/ (exit).»
De holle woorden van de uitgever krijgen vorm: «Ontheemdheid, emigratie, de rusteloze zoektocht naar geborgenheid, en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie.»
Ontheemdheid (lijk, lichaam), emigratie (schepper, mens), rusteloze zoektocht (patience), geborgenheid (winnen van zichzelf), de dood (verloren). Dat ene gedicht maakt alles duidelijk. Eindelijk kunnen we zelf kleien met Van Duijnhovens poëzie. «had god een keuze/ bij de schepping/ of deed hij slechts alsof// zoals wij die altijd/ bluffen altijd leren/ door de leugens, (…)» Of het gedicht Berend Bot (meteen hoor je het liedje) met de regels: «begraven is verdrinken/ aan land/ cremeren is verzengen/ in lucht», en dat eindigt met: «uitvaren is de tocht maken van Berend Bot/ de zeeman die bodem zocht/ en ongezien in wat hij vond/ verdronk.»

Wéér dat patience spelen en alleen winnen van jezelf, wat misschien verlies is en steeds weer opnieuw de kaarten schudden. Schipper, mag ik overvaren… Steeds weer een test. Een bloedtest. Wie en wat ben je eigenlijk? Ben je gezond of ben je ziek? Wat is het verschil? «Each man kills…» We lezen de bundel nog eens als een cd die op repeat staat. Eerst weer de voorkant bekijken: het begin van een mens, zonder ogen, zonder neus, zonder mond, maar wel met een oor, gek genoeg. Dan alle gedichten nog eens snel.

Menno Wigman noemt, achter op de bundel, Van Duijnhoven «misschien wel de enige ware dubbelganger van deze tijd». Dubbelganger van deze tijd… Nee, dat klopt niet bij deze bundel. Hij stelt zich meer op als de dokter van deze samenleving. De patiënt kan hem niet zo veel schelen, hij wil weten wat er met hem is. Kom, we nemen een bloedtest af. Zo lees ik ook het moeizame essay aan het eind — dat wat mij betreft weggelaten had mogen worden — dat handelt over bloed. Het is de dokter die protserig zijn diploma in zijn spreekkamer heeft hangen, terwijl ik hem liever wil beoordelen op zijn anamnese.

Van Duijnhoven wil meer met zijn poëzie. Er spreekt een merkwaardig soort angst uit deze bundel. Angst niet begrepen te worden, omdat hij zelf de resultaten van zijn test niet goed kan interpreteren. Daarom dat essay, daarom die cd er ook nog bij geplakt.
Is het zo? Ja! Schipper mag ik overvaren? Ja of nee? Moet ik dan een cent betalen? Ja of nee?

Berend Botje Van Duijnhoven ging uit varen. Wat deed Berend Botje ook weer? Hij ging uit varen met zijn scheepje naar Zuid-Laren. Hij ging niet links, hij ging niet rechts, hij ging naar Amerika. De emigrant. Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, waar is Berend Botje gebleven? Dood waarschijnlijk. «(fall out)/ (exit.)» Om vervolgens, nadat het kaartenhuis is ingestort, weer het pak kaarten te schudden. Da capo (al fine).
Het is poëzie die misschien niet je hart raakt — dat wil Serge van Duijnhoven ook niet. Hij wil je bloedvaten pakken. Hij wil in je bloed gaan zitten.

Serge van Duijnhoven, Bloedtest Uitg. De Bezige Bij, 104 blz., € 19,50

© Theodor Holman / De Groene Amsterdammer, 30 april 2003

Bloedtest.kalm

Financieel Dagblad & Algemeen Dagblad

Poëzie buiten het boekje

over Bloedtest van Serge van Duijnhoven

door Thomas Vaessens

verbaasd door het verkleinwoord
(‘denk je wel aan ‘t condoompje?’)
bekeek ik haar, mlle. mosquito
een muggenbeet op haar vanille vel
voor ik me met haar overgaf
aan de wisselingen van gedaante
de zinderingen van gemoed
de sidderingen van het bloed

‘in het praktisch liefdeslab’ (fragment)

Serge van Duijnhoven behoort tot een soort schrijvers waarvan er niet overdreven veel zijn in Nederland. Uit alles wat hij doet en maakt,  blijkt zijn grote verlangen als geëngageerd schrijver met de neus op de ontwikkelingen van vandaag te zitten. Dit verlangen uit zich zowel in de inhoud als in de vorm. Inhoudelijk past de term ‘geëngageerd’ op zijn schrijverschap. In 1999 verscheen zijn verzameling reportages Balkan. Wij noemen het rozen. Van Duijnhoven schreef niet alleen over het door oorlog geteisterde ‘duistere hart van Europa’, hij was er ook: als journalist voor verschillende media zocht hij de Bosnikrs, Kroaten, Albanezen en Macedonikrs ook daadwerkelijk op.Bij de verslaglegging van zijn betrokkenheid bij de actualiteit laat Van Duijnhoven zich aan de traditionele vormbeperkingen van de literatuur weinig gelegen liggen. Als multimediaal kunstenaar probeert hij de grenzen tussen genres en stijlen te laten vervagen. Zo is hij een actief pleitbezorger voor de podiumpoezie. Wie dacht dat er niets nieuws gebeurt in de poezie, kreeg een paar jaar geleden van hem te horen dat hij stekeblind was of de verkeerde kant uit keek: ‘Het nieuwe duikt niet op waar je het bekende ziet’, schreef hij. ‘Het rukt op van andere, onverwachte kanten. Voor nieuwe geluiden kun je de boeken beter terzijde leggen en de stad ingaan.’
Dat Van Duijnhoven hier in het vuur van de strijd tegen het poetisch conservatisme natuurlijk enigszins overdrijft, wordt nog maar weer eens duidelijk in zijn nieuwe bundel, die onlangs verscheen: Bloedtest. Hoezeer de poezie tegenwoordig ook buiten het boekje is gegaan, Bloedtest is toch weer een bundeltje gedrukt papier met keurig op elke bladzijde een nieuw gedicht.

Toch is het vooral de bijgeleverde cd die de aandacht trekt. Zestien gedichten, waarvan de meeste ook in de bundel staan, worden door de dichter voorgedragen. Componist Fred de Backer maakte er muziek bij.Van Duijnhoven experimenteerde eerder met voordracht-op-muziek (hij maakte, samen met verschillende anderen, de cd’s Eindhalte Fantoomstad en Orbiit in Orbit), maar de bij Bloedtest horende cd Küsskrott!!! is zonder meer de beste tot nu toe. Het is een overtuigende afrekening met het schaamteloze amateurisme dat de performances van dichters vaak aankleeft (niets zo gjnant als die dichter die op de Nacht van de Pokzie opeens meent te moeten gaan rappen). Van Duijnhoven swingt echt, hij doet niet alleen alsof. En de musici die hem begeleiden weten wat het is om een nummer in elkaar te zetten. Hier zijn vakmensen aan het werk, die de cd niet als grappig extraatje bij de bundel zien, maar als voldragen product. De nummers zijn opgenomen, gemixt en gemasterd in een professionele omgeving, ook in dat opzicht zijn geen concessies gedaan. Als je de gebaande paden van de poezie verlaten wil, zo moet Van Duijnhoven gedacht hebben, dan moet je het ook goed doen.

Een voor de hand liggende vraag is natuurlijk of de poezie die op de cd zo overtuigend tot leven wordt gebracht, het op papier ook uithoudt. Ik heb nogal met deze vraag geworsteld, omdat ik in eerste instantie geneigd ben er een kritisch antwoord op te geven. Nee, op papier overtuigt Van Duijnhoven minder dan op de cd. In de eerste plaats lijden veel van zijn gedichten aan de kwaal dat ze iets beweren willen. Dat het deze gekngageerde dichter ernst is, dat zagen we al, maar ernst hoeft natuurlijk niet altijd in geredeneer en gefilosofeer te verzanden. In pokzie zijn zulke zaken zelfs meestal dodelijk. Quasi-wijsgerige regels als ‘alleen door anderen krijgen we / idee van ons karakter’ of ‘weemoed is het braakland / tussen leedvermaak en zelfverwijt’ wekken de indruk dat zelfs deze eenentwintigste-eeuwse dichter de hoogromantische verleiding niet heeft kunnen weerstaan pokzie als een hogere vorm van Waarheid te zien.Het ziet er op papier allemaal opeens een stuk minder nieuw uit dan je zou verwachten op basis van de met zoveel elan gebrachte vernieuwingsretoriek van deze dichter. Traditionele beelden worden zeker niet geschuwd, zoals in het gedicht dat hierbij is afgedrukt – de liefdesdaad voorgesteld als zinderende, sidderende gedaanteverwisseling: het is niet de meest oorspronkelijke beeldspraak .Maar tegelijkertijd heb ik het gevoel dat het te gemakkelijk is in Bloedtest de dingen aan te wijzen die in het licht van de literaire traditie misschien minder nieuw zijn dan de hippe presence van deze dubbele uitgave ons wil doen geloven. Natuurlijk vindt ook deze dichter in sommige opzichten het wiel weer opnieuw uit. Toch is de overheersende indruk die zijn nieuwe werk maakt een andere. Wie de vaak nogal bescheiden Nederlandse schrijvers van dit moment een beetje volgt, kan niet anders dan gelukkig zijn met iemand als Van Duijnhoven. Hij engageert zich met de wereld van jongeren van vandaag en hij durft tenminste te beweren dat er in zijn werk iets nieuws gebeurt. Misschien niet in Bloedtest, maar dan toch in Küsskrott!!! klinkt een zonder meer interessante, want naar serieuze poetische verwerking van het alleractueelste strevende, stem. Een klein beetje onbeholpenheid en doorgedreven bombast op papier vergeef je zo’n prettig ambitieuze dichter met het grootste plezier.

Bloedtest – boek met cd (Küsskrott!!!) Serge van Duijnhoven, Bezige Bij, euro 17,50

Copyright (c) 2003 Het Financieel Dagblad.Auteur(s): Thomas Vaessens,  Artikelvolgorde: 90,  Paginanummer: 24,  Paginanaam: Boeken Uitgave: Het Financieele Dagblad(HFD) Descriptoren: literatuur(015),  Trefwoorden: boekbespreking, Recensie Publicatiedatum recensie: 12/4/2003

Bloedtest.impression


Alain Delmotte, in het tijdschrift Dighter voorjaar 2004:

BIJ ‘BLOEDTEST’ VAN SERGE VAN DUIJNHOVEN

Serge van Duijnhoven is geboren in Oss (Noord Brabant, Nederland) in 1970. Hij vloog vrij vroeg het huis uit richting Verenigde Staten waar
hij psychologie en dergelijke dingen studeerde. Maar zijn wegen brachten hem ook elders. Ondermeer in Bosnië. Een ervaring die hem
wellicht tekende, want in zijn gedichten refereert hij er vaak naar.

Hij debuteerde in 1988 maar de doorbraak kwam er halfweg de jaren negentig met de house-roman ‘Dichters dansen niet’ (wat meteen de naam werd van een collectief, bestaande uit enkele muzikanten, een kineast en Van Duijnhoven zelf) en de dichtbundel ‘Copycat’. Zijn recentste
werk bundelde hij in ‘Bloedtest’ en was ongetwijfeld een van de meest opvallende poëziepublicaties van het voorbije jaar (2003).

Van Duijnhoven oogt bijzonder mediatiek. Fotootjes doen ons een trendy boy vermoeden. Hij profileert zichzelf een beetje als een ongeschoren
‘schelm’, een sexy ‘enfant terrible’, een potentiële ‘poète maudit’. Op het eerste zicht zou je denken: ‘héla dat wordt gewoon maar een
ééndagsvlieg.’ Je haalt je schouders wat op bij het ‘fenomeen’ – je voelt je er te oud voor. Maar als je aandachtiger, zonder vooroordelen
en ‘forever young’, de bundel leest en ‘beluistert’ (er hoort een muziek-cd bij), ga je anders denken. Inderdaad: als Van Duijnhoven zich
laat voordoen als ‘een nieuwe Rimbaud’ dan is dat een reklametruukje en zegt in wezen niets over de ware motieven van Van Duijnhovens werk. Om Rimbaud te zijn, of liever, om een icoon als Rimbaud te zijn (tenslotte wie heeft ten gronde de dichter van ‘Une saison en enfer’ en
‘Illuminations’ gelezen en begrepen) is deze jongeman eigenlijk al te oud. Hoe het ook zij: dat mediatieke moet je er echt bijnemen en er als
lezer het jouwe over denken.

Strikt genomen is Van Duijnhoven in de kern een zwarte romanticus. Hij schrijft eeuwenoude poëzie. (En dit is geen verwijt maar een vaststelling). Alleen doet hij dat in een hedendaagse vorm (of vermomming) en met hedendaagse middelen. (In de spektakel- en entertainmentsfeer. Wint hij daar lezers mee?).Van Duijnhoven hoereert een heel klein beetje; zoals alle dichters, zoals alle poëzielezers dwepen met het woord. Hij houdt zich namelijkbezig met één van de oudste beroepen in – of is het ‘van’ – de wereld:spreken, zingen, verzinnen. Woorden vinden, absolute metaforen zoekenbezwerende formules voor het ongemak van het bestaan die hardopmoeten worden uitgesproken. Waar ligt de grens tussen spreken en zingen,bezingen en betoveren, bezeren en bezweren? Er kan veel verstilling stekenin een schreeuw. Er kan veel ‘monddood’ blijven steken in het spreken. Hij portretteert de dichter als een ontheemde, als een banneling, als een ‘vervreemdeling’, een enkeling zonder papieren – maar wel met een ongepubliceerde, onpubliceerbare dichtbundel op zak, en op zwaai in het ‘Waste land’ van een sophisticated high-postmodernistische wereld.

We zijn met z’n allen lotgenoten van die einzelganger… ‘on est tous des etrangers’zo luidt de cruciale regel in het gedicht ‘Met behoud van huis’. Ja, in de bundel ‘Bloedtest’ staan gedichten vol existentiële nausea, paronoia en moira.  In deze bundel wordt een wereld geanalyseerd die
letterlijk en figuurlijk uit de bol gaat en op springen staat. Gedichtengeschreven met de dreun van de zwartgalligheid: een harde bas, een scheur in de bast. Maar onderhuids en echt onderhuids hoor je iemand snakken naar warmte, tederheid, lieve woordjes, momenten van geluk, zaligheid, paradisium. Een broze jongen, Van Duijnhoven-tje.Echt het soort poëzie dat thuishoort in een eeuw waar vliegtuigen doorheen gigantische torens razen, live op televisie: je moet het zien, je moet het horen, je moet het je laten durven zeggen. Een wereld die dus wel wat verschilt met die van nog niet zo lang geleden. Formeel gesproken, welteverstaan, in de schijn. Inhoudelijk leven we nog volop in de negentiende eeuw. We leven in een tijdperk dat dialectiek links laat liggen. Een wereld met steeds minder verschillen. Een wereld die in potentie geen verschillen meer duldt (waar zal dat eindigen, waar gaan we naartoe, moedertje?). Misschien wordt dit het wel: een wereld
zonder verschil, zonder gezicht, zonder stem, globaal op maat gesneden van de onverbiddelijke wetten van vraag en aanbod. Als een leuk
perspectief ervaar ik dit niet (het is maar mijn bescheiden mening).

Tot nader order lijkt me dit wel de zin van poëzie te zijn vandaag: een gevecht om het verschil. Een dichter droomt taal. Een dichter droomt
een bijzondere taal. Linguïstische idiosyncrasie.‘Een taal zonder grammatica’  roept Van  Duijnhoven uit. Een taal die louter expressief
zou zijn, meerduidig gelaagd, lichamelijk en cerebraal, objectief en subjectief, materieel en sentimenteel. Welke middelen hij hiervoor
gebruikt doet er eigenlijk weinig toe. Elburg: ‘Er moet niets in de poëzie. Je moet je wel steeds afvragen of de poëzie iets wil.’ Oraliteit?Varieteit? Intensiteit? Het weerbarstige stemgeluid van Van Duijnhoven, die zich bij zijn performances – net als bij deze uitgave via een cd (‘Kueskrott!’) –bij voorkeur laat begeleiden door zijn gezelschap ‘Dichters dansen niet’, is onmiskenbaar een teken van vitaliteit. Dichten is stem gevenaan het onzegbare, klank geven aan het onhoorbare, ritme gevenaan het ondefinieerbare, maat geven aan het ondansbare.Meer en meer krijgt deze poëzie een soort profetisch, zelfs kosmisch-spiritueel karakter (vandaar het o.m. het orale, het quasi sakrale – zij het dat dit aspect in zijn vorige bundel ‘Obiit in orbit’ sterker tot uiting kwam). Hier is een ‘poetas vates’ aan het woord. In het Da capo bij zijn bundel schrijft hij het zo: ‘Wij dienen ons in alle ernst, in alle gedrevenheid, zo radicaal mogelijk te onttrekken aan het ‘klassieke’ aardse leven. Dan, en alleen dan kunnen we beginnen… (blz 99)’. Het brengt hem in de omgeving van beat-dichters zoals Allen Ginsberg, die hij in een vorige bundel expliciet citeerde.In al zijn fragmentatie schrijft Van Duijnhoven een extraverte poëzie waarin onuitgesproken rebellie de middelpunt vliedende kracht is. Wie beweert dat deze poëzie een hype wil zijn of worden door er filmpjes bij te projecteren en er een techno beat bij te laten klinken, heeft het verkeerd voor. Deze gedichten gaan dieper. Er is sprake van een bindend organisch geheel. Het is geen cabaret van de te korte bocht,waarin zoveel performers blijven steken. Deze dichter is op zoek naar hedendaagse invullingen voor eeuwenoude rituelen. Deze poëzie is een ‘rite de passage’, een teder en wreed schouwtoneel, ‘theâtre de la cruauté’. Een loutering die ons niet echt reinigt, veeleer bezoedelt (wat ons dan weeraan Lucebert doet denken). Een neurotische dans om zelfbehoud. Dichters dansen niet? Charels Olson wist beter: ‘Poetry is dancing sitting down’.

a1_poster_bloedtest_nl

Bloedtest.heliotroop
Mike van Gaasbeek in gesprek met

Serge van Duijnhoven

n.a.v. het verschijnen van BLOEDTEST

KRAKATAU

tijdschrift voor breedspraak

nr.22 – sept./okt. 2003

Serge van Duijnhoven (1970) debuteerde in 1993 met de bundel ‘Paleis van de Slaap’. In de jaren daarna verschenen van zijn hand de dichtbundels ‘Copycat’ (1996), ‘Obiit in Orbit’ (1998), de verhalenbundel ‘De overkant en het geluk’ (1997) en {Balkan}Wij noemen het rozen (1999) over zijn ervaringen in het door oorlog geteisterde voormalige Joegoslavië. Tussen 1993 en 2000 was Van Duijnhoven één van de drijvende krachten achter het illustere blad MillenniuM. Zopas verscheen zijn nieuwe bundel met CD getiteld Bloedtest.

Zaterdag 21 juni 2003, 15:30 uur op het terras van Brasserie Verschueren in de Brusselse wijk Sint Gillis. Zeven uur daarvoor zat ik nog met een opplaksnor in een tietenbar in het Scheepmakerskwartier. Mon Chéri, ofzo. Omdat zijn Balkanese furie de nacht in wilde halen hebben we de buitenlucht opgezocht. Een Braziliaanse drumband met lillende billen fêteert de stralende zon. Samba op de kasseien overstemt het gesprek en vult de recorder. Op naar rustiger oorden, als de Brusselse binnenstad die al kent.Even later aan de ouzo van Restaurant Kriti op het Bethlehemplein, Klein Midden Oosten in de volksmond. Ondanks de schaduw schermt zijn zonnebril de blik af. Dat blijft zo, gedurende het hele interview; een spel van distantie en toenadering. Maar is het achterste van de tong wel zo mooi en veelzeggend als het puntje? Zeker als het puntje vlijmscherp is.

Verwatering voorkomen

Scherp is Van Duijnhovens tong zeker. En ook zijn pen is dat, getuige de schotschriften in landelijke dagbladen en tijdschriften, waarmee hij de ivoren toren waarin de kleine elitaire poëziekliek zich het vorige decennium ophield wilde laten schudden. Het pleidooi voor de omarming van de rap en de nieuwe generatie podiumdichters plaatste Van Duijnhoven in het centrum van de kritiek: “Guus Middag heeft destijds in het NRC als een giftige spin gereageerd op het essay dat Olaf Zwetsloot en ik in de Groene Amsterdammer hadden geschreven in zesennegentig. Er moest volgens ons meer ruimte komen voor jonge dichters en voor jong geluid. In zijn stuk poneerde Middag: Van Duijnhoven en de rappers mogen dan wel beweren dat het huis van de poëzie vele kamers kent, maar poëzie en muziek, beste lezers, moeten toch vooral van elkaar gescheiden te blijven om verwatering te voorkomen.Ik ben zelf met de poëzie in aanraking gekomen via de grote Franstalige zangers Leo Ferré, Brassens, Brel. Vooral Ferré heeft mij op het spoor gebracht toen ik een jaar of 16 was. Mijn leraar Geschiedenis nam een keer een platenspeler mee, zo’n ouwe waarop hij een plaat draaide om de sfeer van de jaren zestig een beetje te laten proeven. Ferré zong daarop onder andere ‘Ni dieu, ni maître’, een soort ‘anthem’ van het anarchisme zou je kunnen zeggen. En ook een nummer met tekst van Rimbaud: La chanson de la plus haute tour. Daar werd ik zo door gegrepen dat ik naar de boekhandel ben gerend om werken van Rimbaud op de kop te tikken. Toen gebeurde er iets wat mensen in België heel vaak hebben met Paul van Ostaijen(?). Dat de horizon van wat mogelijk is op taalgebied, op syntactisch gebied plotseling een heel stuk verderop geschopt wordt.De muziek heeft me op weg geholpen om Rimbaud te lezen. De drempel van de muziek is lager dan die van de poëzie, maar de muziek is voor mij ook een vanzelfsprekende manier om de poëzie over te dragen, een natuurlijk vehikel. Ik zie het helmaal niet als twee dingen die absoluut gescheiden moeten blijven om verwatering te voorkomen. Ik zie het als perfect mogelijk om het ene in dienst te laten staan van het andere en andersom.”Het huis van de poëzie met in sommige kamers een muzikaal tapijtje. Waarom niet? De laatste bundels van Van Duijnhoven worden vergezeld door de zilveren schijf met daarop een soms naar botergeilheid neigende dichter die zich croonend een weg baant door soundscapes. En achter op het podium tijdens optredens van de formatie Dichters Dansen Niet hangt ook nog een visueel behangetje. Zorgt dat niet voor wat teveel afleiding waardoor het bezoek niet verder dan de hal komt?“Dat gevaar is er. Maar tegenwoordig werken we vaak heel ingetogen en zetten we soms de beelden stop om iets gedecideerder en berekender te spelen, zodat je elkaar gaat versterken en het ene niet laat verzwelgen door het andere. Daar zijn we gaandeweg achtergekomen. We komen tegenwoordig enkele malen per jaar samen met een theaterregisseur die oog heeft voor wat wel en niet werkt, wat elkaar bijt en waarin we nog tekort schieten. Het is ook een lang traject. Daarom zet ik altijd vraagtekens bij de gemakzucht waarmee veel dichters af en toe een gelegenheidsprojectje doen met muzikanten, zoals bijvoorbeeld een Remco Campert die een keertje met een jazzmuzikant aan de slag gaat. Dat is allemaal wel heel erg gemeend en het komt uit een goed hart, maar daar kan volgens mij nooit iets beklijvends uit voort komen. Als je hiermee echt tot op de bodem, tot op het bot wil gaan, dan heb je het over een levensproject. De Cd van Bloedtest is weer een stap verder op weg en nog lang geen eindstation. Ik weet welke richting ik opga maar niet waar ik uitkom. Dat is namelijk een proces van trial and error, van zweten, van weggooien en van proberen, maar je moet wel weten waar je heen wilt gaan.”

Milder?

Een toeterende stoet Marokkaanse bruiloftsgasten onderbreekt het betoog dat als een slang uit zijn mond krult. De slang sist als de kritiek op zijn bundel Bloedtest ter sprake komt: “Pfeiffer’s exercitie om in het NRC Handelsblad te recenseren is een grote wraakoefening op al zijn concurrenten met als enige doel zichzelf een veer in de reet te steken. De man verdient het om eens een keertje tegen de vlakte geslagen te worden.” Na enkele seconden klinkt vergoelijkend “In overdrachtelijke zin dan”. Maar over het literaire klimaat in den lande is hij milder. “Er is heel veel veranderd in de Nederlandse literaire wereld, en ten goede. In die zin dat er meer mogelijk is en aandacht is voor jonge dichters en nieuwe vormen, zowel vanuit organisaties als vanuit festivals zoals bijv. Poetry International dat een slamfestival heeft tegenwoordig. Een aantal jaren geleden was dat helemaal nog niet zo. Ik moet niet de hele tijd een soort van ijsbreker proberen te zijn van een ‘mere à glace’ die niet meer bestaat.”Is de ivoren toren beklommen en heeft monsieur Van Duijnhoven goed zittend pluche tussen de coryfeeën verkozen boven de barricaden? Of heeft de tijd met haar zalvende werking ook vat gekregen op het karakter van de dichtende polemist? Allebei wel en allebei niet. De tijd tempert, maar een rat verliest zijn staart niet snel. Een tweeslachtig antwoord: “Ik aarzel een beetje om daar zo hard mee van stapel te lopen, maar wat mij tegenwoordig vooral irriteert is de poëziewereld zelf, die weinig peper in de reet lijkt te hebben. Het is een beetje gezapig. En dan kun je wel heel hard gaan roepen, maar daar bereik je verder weinig mee want het moet toch uit die mensen zelf komen. Het zou heel goed zijn als de dichters hun opvattingen over de poëzie wat Olympischer zouden opvatten. Als dichters wat hoger van de toren zouden blazen. Het is toch allemaal een beetje aan de bescheiden kant. Misschien heeft ‘de Vaderlandse poëet’ nu eenmaal vaak het karakter van de een beetje gekke huisman/vrouw. Daarom aarzel ik ook om het zo polemisch te stellen. Je kunt het namelijk niet iemand kwalijk nemen dat hij of zij zo is. En de beste kritiek is om het zelf beter te doen. Dat is maar de manier die ik nu prefereer en dat is ook de reden waarom ik hardnekkig weiger om poëziekritieken te schrijven. Moet ik anderen gaan beoordelen om te laten zien hoe goed ikzelf ben of bundels uitbrengen op de manier waarop ik vind dat het goed is. Bovendien is diversiteit in de kunsten een groot goed en dat moet je respecteren. Dat respect wens ik ook van anderen voor mijn poëzie. Aan mijn heetgebakerdheid is weinig veranderd, maar ik vraag me tegenwoordig wel af wat je ermee opschiet als je mensen gaat schofferen vanwege het feit dat zij wat burgerlijker zijn, wat huiselijker zijn, wat wereldvreemder zijn, wat mussenachtig zijn, wat grijzer zijn? Toch blijf ik ervoor pleiten dat de poëziewereld wat minder bescheten wordt. ‘Spooksprekers aan het woord. Gooi open die poort,’ zeiden we op Eindhalte Fantoomstad. Zo van ‘Laat eens een keertje wat frisse lucht binnen.’ Dat kan toch helemaal geen kwaad.”

Poststructuralistische azijnzeiker

Heeft het zin om de mus zout op de staart te leggen of moet – desnoods geforceerd – de cloaca ingepeperd worden? Daar hangt het een beetje om. En blijft het hangen. Misschien komt de dubbelheid ook voort uit de weerzin tegen de constante kritieken op zijn eigen werk en op de door hem voorgestane ‘emancipatie van de podiumdichters’. Wie het strijdtoneel van de openbare opinie betreedt moet immers incasseren. Onlangs nog hekelde publicist Jos Joosten in zijn boek ‘Onttachtiging’ met essays over eigentijdse poëzie en poëziekritiek die Van Duijnhoven met zijn vernieuwingsbeweging. Zo vernieuwend als men pretendeerde was die poëzie volgens Joosten helemaal niet. Op een of andere manier lijkt Van Duijnhoven opgelucht dat het onderwerp ter tafel komt. “Die kritiek heeft meer te maken met het billenknijperige karakter van Jos Joosten. Kijk, Jos Joosten is een soort van griezeldominee die iedereen die plezier beleeft aan poëzie bij voorbaat verdacht vindt omdat hij dat niet intellectueel genoeg vindt. Als je de schoolmeester Jos Joosten zou volgen moet je je al schuldig voelen als je van Annie MG Schmidt geniet. Dat is toch erg. Juist die mensen, die te weinig kloten hebben om creatief iets bij te dragen, worden zo ontzettend streng in hun oordelen dat ze het bijna onmogelijk maken voor mensen om ergens van te genieten. Je zult zelden of nooit een positieve recensie lezen van de hand van Jos Joosten. Ook niet van de boeken die hij goed vindt. En Nederland zit vol met dat soort mensen dat te weinig elan heeft om te strijden met dezelfde wapens als de artiesten over wiens werk een oordeel geveld wordt. In plaats daarvan verleggen ze het strijdperk en dwingen ze de kunstenaars zich te begeven op een terrein van een technisch wetenschappelijke discours. Vaak zijn het mensen die gesnoept hebben van de filosofische school van Derrida, poststructuralistische azijnzeikers die het spel te min te vinden.”Een non-argument. Ook billenknijperige schoolmeesters kunnen dingen zeggen die tegen de waarheid aanschurken. Joostens kritiek richt zich onder andere op het feit dat Van Duijnhoven cum suis het spel van de revolutionaire upcoming generation speelden, zonder radicaal nieuwe poëzie te schrijven. Dat vraagt om een reactie. Serge gaat verzitten, de recorder valt om en wordt om herhaling te voorkomen ingeklemd door de glazen ouzo. Drinken heeft geen prioriteit: “Het feit dat wij dat spel speelden was voor hem al ammunitie om mee te schieten. Daarnaast herkennen mensen het nieuwe nooit aan het nieuwe. Als je alleen maar naar de poëzie op papier wilt kijken, waar tot dan toe de poëzie zich toe beperkte, dan vind je het nieuwe al helemaal niet. De beweging die om wat meer openheid en frisse lucht smeekte was niet zozeer vernieuwend op papier. Het podium was de plek.”SchijthuisEen tweede speerpunt van de podiumdichters, de presentatie van de rap als nieuw zusje van de poëzie, kan bij Joosten op minder weestand rekenen. ‘Het is een goede zaak dat hij (Serge van Duijnhoven, MvG) bepleit de ruimte van de poëzie zo ver mogelijk uit te breiden,’ valt er te lezen in een hoofdstuk met de denigrerende titel ‘De jeugd van tegenwoordig’. Het lijkt er echter op dat het nieuwe zusje op zichzelf is gaan wonen en zich in mindere mate iets gelegen laat liggen aan de dichtkunst. De destijds nieuwe generatie podiumdichters heeft een prominente plek ingenomen op tal van literaire manifestaties, maar da hip hop? Hangt die er niet een beetje bij of wordt rap er soms zelfs niet met de haren bij gesleurd? Van Duijnhoven: “Is het hypocriet dat mensen in de poëziewereld geïnteresseerd zijn in de rap, omdat de rap op een originele manier gebruikmaakt van technieken die voortkomen uit de poëzie, van ritme, van palindromen, van spiegelingen? En in hoeverre is het hypocriet van rappers om geen interesse te tonen in alles wat maar buiten het kleinzielige hiphopwereldje gebeurt. Veel hip hoppers kijken ook niet verder dan het reclamewereldje van de juiste kleding, de juiste codes, van de juiste beweginkjes. Begrijp me goed, ik geniet gewoon als ik Def P hoor flowen, maar het tonen van interesse kan alleen maar goed zijn. Als de hip hop het medium waarvan ze gebruikmaakt in de volle breedte uit zou willen buiten, dan zouden rappers weldegelijk in poëzie geïnteresseerd zijn. Maar het is helaas niet hip om te zeggen dat je D.H. Auden op je nachtkastje hebt liggen. En in hoeverre is het niet een statement tegen dat blanke eliteraire gedoe om als hip hopper weg te lopen van een festival als de hip hop act klaar is? Van de kant van de festivals heeft het inpassen van hip hop vaak een soort effect van de ‘token nigger’, de excuus Truus. Erg opportuun. De hypocrisie komt gewoon van beide zijden.Het valt niet te ontkennen dat het toch twee verschillende werelden zijn gebleven en de conclusie die men ook kan trekken is dat mensen neiging hebben om zich op te sluiten in kleine groepen. The birds of the same feather, will always flock together. Om zich veilig te voelen, maar ook om zich verheven te voelen boven een ander. Dat geldt net zo goed voor hip hoppers die weglopen als de rest van het programma begint als voor mensen als Jos Joosten en consorten die zullen vinden dat Van Duijnhoven en andere figuren, als het huis van de poëzie dan toch zovele kamers heeft, beter naar het schijthuis van de letteren kunnen worden verwezen.”

Gekrenktheid

“Zo behoort Joosten tot het groepje van de Preciezen en de Preciezen hebben een hekel aan de Rekkelijken. De precieze opvatting van de literatuur is dat literatuur zich dient te beperken tot het geschreven woord. Alsof het orale daar geen plaats in heeft. Nu vindt ik niet dat iedereen een hot podiumdichter moet zijn, maar wel dat er naast Eva Gerlach nog zo iemand als Ingmar Heytze mág bestaan waarvan je mág genieten. Mensen als Jos Joosten willen niets weten van het feit dat er nog een lichamelijke tak aan de poëzie zit. Voor hen is het alleen maar hoofd en – om met Derrida te spreken – ‘Il n’ y a rein dehors la texte.’ Het is een gemakkelijke kritiek om te zeggen: ‘Die Van Duijnhoven wil revolutionair zijn, maar zijn teksten zijn helemaal niet zo revolutionair.’ Zelf ben ik ook niet op een manier nieuw zoals Hans Faverey nieuw is geweest voor de poëzie op papier. Dat heb ik ook nooit beweerd. En dan is het natuurlijk makkelijk om dat element eruit te pikken waarin mijn gedichten misschien romantisch, klassiek zijn of binnen de traditie passen. Maar als je niet ziet wat er anders is vergeleken met de poëzie van Gerlach of Faverey, dan weet ik het ook niet meer. Misschien heeft het meer te maken met hun verwachting. Ze zien me toch als een soort revolutionair of popster ofzo en meten daar mijn poëzie aan af.”Klinkt hierin niet een beetje een gekrenktheid door? Of in de lederen stappers lange tenen steken, wil ik weten. En is de combinatie lange tenen en scherpe tong wel het juiste arsenaal voor een dichter? Antw.: “Absoluut. Gekrenktheid is een van de sublimaties die literatuur is. Als je niet gekrenkt zou zijn, als je niet een overtrokken ego zou hebben, als je niet op een of andere manier onder iets uit zou willen komen, als je niet gemankeerd zou zijn, zou je ook niet al die uren op een kamertje achter de computer gaan zitten zwoegen om dat terug te halen wat je in de normale werkelijkheid niet kan bereiken. Die gekrenktheid is er, en bij iedereen denk ik. De drang om erkend te worden. Je wilt erkenning voor wat je doet. En dat is op zich heel kinderlijk. Vrouwen hebben dat veel minder, die gespitstheid die grootheden als Harry Mulisch en W.F. Hermans wel hebben. Ze zeggen vaak dat mannen met een opgeblazen ego net kleine kindertjes zijn die op een zeepkist gaan staan om gehoord te  worden. Als ik dat hoor dan moet ik altijd lachen, want ze hebben wel gelijk. Maar het is een voorwaarde voor kunstenaarsschap. Waarom moet je het allemaal doen in de arena waar iedereen er last van heeft. Ik denk dat je een ontzettend opgeblazen en verkrampt ego moet hebben om dit soort dingen te doen.” De recorder gaat uit.

Bloedtest.Erasmucmc

 

Obiit in orbit – aan het andere einde van de nacht

SERGE VAN DUIJNHOVEN – OBIIT IN ORBIT
‘Verdwenen in de nacht’
Dichtbundel + cd

Djax-1110
Release eind december ’98

Serge van Duijnhoven, Miss Djax, DJ Fat, Stefan Robbers, DJ Dano, Paul Mennes, Mariecke van der Linden, Antonia Libert (cello), Hagar (stem, piano).

Producer/regie: Walter Janssens. Ontwerp: Designpolitie. Uitgever: Djax Records Eindhoven, De Bezige Bij Amsterdam

Het Boek en CD
Serge van Duijnhoven bouwde de afgelopen jaren een reputatie op als eigenzinnig dichter en performer. Hij bestormde het podium van de Nacht van de Poezie met een pleidooi voor meer Jonge Dichters, ageerde tegen de ‘elitaire aderverkalking’ van de Nederlandse poezie en polemiseerde hierover met onder anderen Gerrit Komrij.

De frequente samenwerking met videokunstenaar Gabriel Kousbroek en een drietal bekende dj’s en technoproducers uit Nederland en Belgie – DJ Dano, Stefan Robbers en DJ Fat – resulteerde in Obiit in Orbit verdwenen in de nacht.

Het is een dichtbundel met cd, een adembenemende uitgave zoals niet eeder in Nederland is verschenen. De indringende teksten worden versterkt door krachtige elektronische muziek.

Obiit in orbit.omslagnr1

De Schrijver
Serge van Duijnhoven (1970) is de oprichter van het tijdschrift MillenniuM. Samen met rapper Def P en dichter/saxofonist Olaf Zwetsloot vormde hij in 1997 het collectief De Sprooksprekers dat tal van optredens gaf binnen en buiten de gevestigde literaire circuits. Hun cd ‘Eindhalte Fantoomstad’ werd genomineerd voor de Heineken Crossover Award.

Serge van Duijnhoven schreef de romans ‘Dichters dansen niet’, de verhalenbundel ‘De overkant en het geluk’ en de dichtbundels ‘Het paleis van de slaap’ en ‘Copycat’. De laatste bundel werd genomineerd voor de Rotterdamse Designprijs 1996.

De titel Obiit in Orbit schoot Serge van Duijhoven te binnen toen hij in een kerk in zijn woonplaats Gent een kaars opstak voor een overleden vriend, bij een beeld van Sint Joris die een draak doodde. Aan de muren hingen familiewapens met geboortejaar en sterfjaar: natus 1567 – obiit 1613 nata 1623 – obiit 1678

Filosofisch is de titel een vrije samenstelling; orbit is geen woord uit het latijn, het is een Engels woord. De strekking moge echter duidelijk zijn: hij die opging in orbit

De teksten en de muziek van Obiit in Orbit gaan allen over het zwart; de krachten van vernieling die werkzaam zijn rondom, en die graaien en trekken en duwen tot ze ons in hun houdgreep krijgen. De uitdaging is stand te houden.

Serge van Duijnhoven maakte met Obiit in Orbit een huiveringwekkend mooi, maar ook bitterzwart album waarin hij teksten op muziek zette over Joris Abeling, die in februari 1998 naast hem om het leven kwam tijdens een fataal auto ongeluk in Hongarije. En over zijn bestraalde vader die beschreven wordt als ‘Astronaut in zijn capsule’, bezig op zijn sterrevaart door het heelal. Tijdens de voordracht van dit gedicht begeleidt Serge zichzelf op de vleugelpiano.

Sommige teksten in de bundel hebben een lichtvaardige aanpak gekregen op de cd, zoals bv. het nummer ‘Zo komt het’ waarin Serge 261 manieren van doodgaan op virtuoze, hiphop-achtige wijze ten gehore brengt. Een van de nummers op de cd ‘Op een dag zal dit leven wijken’, is een hommage aan Jacques Brel die twintig jaar geleden overleed; een gevoelig maar krachtig lied, met electronische en akoustische begeleiding van DJ Fat en celliste Antonia Libert. Op de cd komt ook een duister sexy nummer voor dat Serge samen heeft geschreven met de talentvolle jonge zangeres/componiste Mariecke van der Linden (Cocktails & Canapes).

Met Obiit in Orbit combineert Serge van Duijnhoven de traditie van het chanson met de krachtige flow van de hiphop, de sombere gevoelige snaar van Leonard Cohen met de woede van Leo Ferre, de toegankelijkheid van de Sprooksprekers met de zwoelheid van Gainsbourg.

De Pers
‘Serge van Duijnhoven is een van de mensen die hebben geholpen een literaire klimaat te scheppen waarin meer mogelijk is dan voorheen. Op hem moeten we zuinig zijn want zoveel getalenteerde, daadkrachtige en eigenzinnge kunstenaars zijn er niet.’

Rob van Erkelens, De Groene Amsterdammer

‘Als poezie een tijdsbeeld moet schetsen, is Serge van Duijnhoven een Van Gogh die schildert met woorden’

Tracklist / RealAudio

Release: 11981 (CD)
Project: Obiit in Orbit
Artist: Serge van Duijnhoven
Year: 1998
Remark: cd with poembook.
Poems and lyrics by Serge van Duijnhoven
Music by: DJ Fat, Stefan Robbers, Miss Djax, Hagar, Mariecke MCK, Zepplin, Paul Mennes, Antonia Libert, Bosz de Cler. VJ Gabriel Kousbroek
Tracks:
01: Dansen op een bevroren Styx
02: Wis uit deze boodschap
03: Nacht in hotel Orbit
04: Zo komt het
05: Mors stupebit et natura
06: De civitate Dei
07: Op een dag zal dit leven wijken
08: Caleche du Sexe
09: Met de roltrap verdwijnt hij
10: Zumi Pop
11: Koffie
12: Psychopathia Sexualis
13: De crash
14: Astronaut (ghosttrack) recorded live at Sprooksprekers performance 17 October 1997, Antwerp, Belgium


Collega-dichter en muzikant Menno Wigman schreef in Trajectum  van 18 januari 1999: “Obiit in orbit is een stemmige, bij vlagen overrompelende cd die tot het beste behoort wat muzikanten en dichters samen tot op heden in Nederland hebben bereikt. (…) Een van de gewaagdste poëzieprojecten van de afgelopen jaren.”

Over Obiit in orbit; aan het andere einde van de nacht (1999)

Obiit in orbit is een stemmige, bij vlagen overrompelende cd die tot het beste behoort wat muzikanten en dichters samen tot op heden in Nederland hebben bereikt. (…) Een van de meest gewaagde poëzieprojecten van de afgelopen jaren.’
– Menno Wigman in Trajectum 18 jan. 1999

‘Mooi zijn de teksten. Heftig. Een bijzonder document. Dat is het.’
– Jos Jagers, in De Nieuwe Revu, jan. 1999

‘Hierop schildert hij met woorden en messcherpe teksten levensechte schilderijen over dood en liefde.’
– Nieuwsblad van het Noorden, 17 febr. 1999

Sander Pleij / De Groene Amsterdammer – jan.1999:

Serge van duijnhoven dichter-performer / ‘obiit in orbit’

‘DIT BOEK STOND niet gepland. Ik werkte aan een roman over een oorlogscorrespondent in Sarajevo; die was bijna af. Tot ik op 4 juni 1997 hoorde dat mijn vader een hersentumor had en razendsnel aftakelde. Het aftakelingsproces was gruwelijk: voor mijn ogen zag ik de vernietiging van een man die vitaal was, en zachtaardig. Tot een levend skelet overbleef.

DOOR Sander Pleij

Mijn vader had in zijn hoofd een tumor van de meest agressieve soort. Een astrocytoom, graad vier. Hij bestond uit stervormige cellen, waarvan de punten afbraken en nieuwe cellen vormden zodat ze exponentieel groeiden. Mijn vader had nog maar een paar maanden te leven. Hij werd bestraald in een stralingscapsule die Saturnus 41 heette. Juist toen was dagelijks het bevroren Mir-ruimtestation in het nieuws. En dat wagentje op Mars: de Pathfinder. Ondertussen ging mijn vader in de Saturnus 41, als een astronaut in een capsule. Vanwege de sterren in zijn hoofd. Toen heb ik het gedicht ‘Astronaut’ geschreven. Over “een ster die zwelt en uiteenspat met geweld”.
De artsen hadden hem al opgegeven, maar opeens herstelde hij. Miraculeus. Ik kon me weer zetten aan het afmaken van mijn boek. Ter voorbereiding ging ik naar Sarajevo. Joris wilde heel graag mee.
Het was heel leuk. We logeerden bij moslims. En we gingen skiën in Pale, waar Radovan Karadzic zou zitten. We dachten dat daar een verhaal in zat; konden we onze reis terugbetalen. Door Hongarije reden we naar huis, toen – Pang! – de dood er weer flink inhakte.
Een boer – hij was stomdronken – draaide plotseling de weg op vanaf zijn land. Ik gooide het stuur om en we schoten erlangs maar knalden boven op een tegenligger. Precies op de plek waar Joris zat. We sloegen over de kop, kwamen neer op de kant van Joris en eindigden tegen een boom. Weer aan de kant van Joris. Hij heeft alle klappen opgevangen, ik leef nog – als dat geen vriendschap is.
Ik kwam bij toen brandweermannen bezig waren ons uit het wrak te zagen. Ik keek naar Joris en zag dat hij zijn ogen open had. Hij was al dood. Toen ze me uit het wrak hadden gehesen, ben ik er gelijk omheen gaan lopen. Ik moet zoveel adrenaline in mijn bloed hebben gehad: mijn knie was helemaal kapot maar ik voelde niets. Toen ik Joris zag, ben ik aan hem gaan trekken: Joris! Kom mee, we moeten weg. Eruit! Uiteindelijk heeft een brandweerman me van achteren beetgepakt en vastgehouden. “Dein Freund ist Tod”, zei hij.
Het herstel van mijn geheugen heeft drie maanden geduurd. In het begin probeerde ik in godsnaam maar grip op de werkelijkheid te krijgen. Ik had een zware hersenschudding en er was een hap uit mijn leven genomen. Ik heb het teruggekregen door me zo gedetailleerd mogelijk te herinneren wat in die hele vakantie gebeurd is. Maar iets in mijn geheugen mist, het cruciale moment waarop mijn dierbaarste vriend weg is en waar de vernielingen plaatsvinden, is weg.
Het voelt alsof ik ben uitgegleden van de werkelijkheid.
Thuis in Gent, op krukken, kon ik niet zomaar doorgaan met mijn roman. Als je van schrijven je beroep maakt en je beslommeringen wilt omzetten in literatuur, dan zou het wel heel cru zijn om wanneer er écht iets dramatisch en ingrijpends gebeurt, gewoon verder te gaan met je fictie. Ik móest deze bundel maken, het is mijn wraak op de vernielingen. Zin geven? Je kunt geen zin geven aan dingen die geen zin hebben. Dat Joris op zo’n kloterige manier is omgekomen en dat mijn vader op zo’n afgrijselijke manier moest aftakelen tot-ie dood was, dat heeft geen zin. En je kunt er ook geen zin aan geven door erover te schrijven.’
‘IK KON MIJN tanden zetten in deze bundel. Niet alleen in het schrijven van de teksten, ook in het maken van muziek. Dus ja, het is dan toch een vorm-geven aan iets wat je niet kunt vatten, wat je niet begrijpt en wat je niet kunt beetpakken. Een deel heet niet voor niets Wij Doen Verder. Die kreet staat om de hoek bij mijn huis op de muur. Ik moet er elke dag langs als ik naar de supermarkt ga.
Er zijn meer kerken en punten in Gent die me regelmatig herinneren aan… gewoon, aan Joris. Je hebt een Sint-Jorishof, een Sint-Jorishotel. Midden op de Michielshelling staat een schitterend bronzen beeld van Sint-Joris. Hij heeft zijn voet op de hals van een draak gezet en hoeft hem alleen nog maar te doden. Ik kom er zo’n drie keer per dag langs. Ik steek mijn vuist op en zeg: “Miss you, brotherman.”
Op een keer stak ik in de Sint-Nicolaaskerk een kaars op voor Joris, toen ik op een familieheraldiek zag staan: natus 1510-obiit 1540. Ik dacht: Shit, de titel moet Obiit in Orbit worden! Want dat woord orbit, daar zat ik al mee sinds het gedicht ‘Astronaut’. Filologisch klopt het niet helemaal, orbit is Engels en geen latijn.
De bundel bestaat uit zes cycli van gedichten en een cd. Poëzie en muziek zijn voor mij natuurlijke partners. Het bedrijven van poëzie stopt niet met het schrijven van de tekst. In de volgende fase ga ik me de tekst eigen maken. Teksten waar je echt je ziel in steekt, moet je uit het hoofd kennen. Dan ga ik een vorm zoeken om ze naar het publiek toe te brengen. Muziek is daarbij voor mij een heel natuurlijk vehikel.
In 1995 heb ik de band Dichters Dansen Niet opgericht. Met DJ Dano, DJ Fat, DJ @ Random, VJ Gabriël Kousbroek en celliste Antonia Libert. We geven optredens gericht op een dans- en op een meer literair publiek. Ook dan kan het gebruik van samplers en elektronische apparatuur de moeite waard zijn. Er zijn fascinerende poëtische collages van geluid, stemmen en teksten te maken. Ik heb het gevoel dat we pas aan een begin staan.
De nummers op de cd zijn soms spoken-word-achtig, met donkere geluiden eronder van Miss Djax. Soms neigen ze naar het gesproken chanson. Soms zijn ze bijna hiphop. Met elektronische muziek kun je de duistere sfeer maken die ik graag wilde hebben.’
‘TWEE DAGEN nadat mijn vader overleed, was het album klaar. Mijn vader overleed tijdens de lancering van John Glenn. Om tien over half tien. Discovery Channel vertoonde de documentaire The Astronaut. Dat is… tja, Van der Heijden heeft me geschreven: “Synchroniciteiten hebben de neiging om zich samen te clusteren rond de dood.”
Ook rondom de dood van Joris heeft zich synchroniciteit samengeclusterd. Hij las op weg naar het ongeluk voor uit Among the Thugs van Bill Buford, een boek over voetbalvandalisme. En hij had net geprobeerd een documentaire over Carlo Picornie te maken. Nu ligt hij begraven op de Oosterbegraafplaats náást Picornie.
Waarom? Omdat er miezers in de lucht zitten, zou Hugo Claus zeggen. Serieus hoor. In Het verdriet van België heeft het twaalfjarige jongetje Louis Seynhaeve het daarover. Als er iets magisch is, dan vliegen miezers door de lucht of klonteren zich samen in de asbak. De orbit – ja. Ik ben geen magiër, maar er is natuurlijk meer tussen hemel en aarde. Ik noem het maar miezers, want ik heb geen sluitende filosofische of religieuze verklaring. Dat ze rond de dood samenklonteren, heeft met de alchemie te maken. Er gebeurt iets. Er verandert iets. En dan zal er veel aanwezig zijn. Maar ja: wat? Er ver-vliedt iets. Dat gevoel had ik heel sterk bij de dood van mijn vader. Ik heb zijn laatste adem op cassette opgenomen. Dat is heel eng, je voelt heel duidelijk dat iets ver-vliedt. Ik besefte plotseling: dadelijk is hij er niet meer. Ik heb foto’s gemaakt. Ik wilde iets béhouden. Het had iets heel magisch. Hij heeft echt tot de allerlaatste snik gevochten om in leven te blijven. Twee uur nadat hij was afgelegd – door onszelf – was hij op zijn rug nog gloeiend heet. Je hoort een marathonloper… iuuh-fwoe… iuuh-fwoe… De intervallen worden langer, iets korter. Dan weer langer. Elke keer denk je: oké dit is het dan. En dan toch weer… tot, op een gegeven moment, de laatste, ja: reutel.
Maar Joris heb ik niet zien doodgaan, zien vervlieden. Hij was levend toen ik in zwijm raakte, hij was dood toen ik bij bewustzijn kwam. Hij las uit een boek, lachte, riep: kijk uit! En was weg.
Wat vervliedt en hoe? Mijn interpretatie, of verwerking, staat in Obiit in Orbit. Wat heeft de dierbare voor me betekend? Waar is-ie? Kameraad: waar ben je nou? In het gedicht ‘Zo Komt Het’ staan 223 manieren om de dood te omschrijven. Het einde: “Hoe het ook komt, het blijft een gok: wat je wint, wat je verliest als ons leven zich in nevel aan ons netvlies vastvriest.”
Van Joris herinner ik me heel duidelijk wat in de laatste regel van het gedicht ‘Joris Drakendoder’ staat: “eeuwige staar”.
Tjak! Het wordt star als iemand dood is.’

© Sander Pleij / De Groene Amsterdammer

over BLOEDTEST (De Bezige Bij 2003):

ISBN 9023410815

CHRONiQUEURS VAN ONZE TIJD

Chroniqueurs van onze tijd

Ronald Ohlsen interviewt:

Jaap Scholten, Jan Roelof van der Spoel, Arjan Witte, Serge van Duijnhoven

http://www.dbnl.org/tekst/_pas002200101_01/_pas002200101_01_0061.htm

Passionate, jaargang 8

logo_passionate_01

Ik loop van A naar Z en weer terug. Af en toe trek ik een boek uit de kast. Ik blader er wat in, blijf even steken bij passages die van toepassing zijn, lees nog eens de flaptekst. Ik ben op zoek naar geschiedenis, naar het verhaal van mijn leeftijdsgenoten, de mensen die net als ik opgroeiden en volwassen werden in de jaren zeventig en tachtig. Veelal vormen ze het nageslacht van de babyboomers. Generatie X was de handelsnaam. Generatie Nix werd de geuzennaam. Koningin Beatrix had het in haar kerstboodschap van 1985 over de ‘verloren generatie’. En volgens Caspar Janssen in het Volkskrant Magazine van 31 maart 2001 mogen we spreken over de nieuwe wederopbouwgeneratie. Na een half uur heb ik drie romans en een journalistieke verhalenbundel apart gelegd. Dat moet voldoende zijn, denk ik. Ik ga naar de woonkamer, pak mijn adresboekje en bel één voor één de auteurs. Binnen twintig minuten heb ik vier afspraken gemaakt.

[p. 23]origineel

Jaap Scholten foto Edwin Walvis

Ik denk dat er een steeds grotere behoefte onstaat aan schrijvers die uit die totale waanzin van deze wereld iets plukken om daar eens rustig over na te denken en er vervolgens iets zinnings over te schrijven. Denk je niet?

Jaap Scholten (1963) ontmoette ik nog niet eerder. We hebben afgesproken in de eersteklas stationsrestauratie op het centraal station van Amsterdam. Ik herken hem wel. Hij mij niet. Bach barokt op de achtergrond. We nemen plaats aan een tafeltje vlak bij de uitgang. Onderwerp van gesprek is Morgenster (Contact, 2000), een roman over Octave Dupont die vlak na de geboorte verwisseld wordt met Finn Jacobs. Als hij op zijn zestiende ontdekt dat hij het leven van iemand anders leidt, gaat hij op zoek naar zijn echte ouders om erachter te komen wie hij ook had kunnen zijn. Ik las de roman op de dag waarop hij verscheen. Ik wist al maanden dat in het boek de treinkaping bij De Punt in 1977 een rol zou spelen. Als jongen van negen had ik gelopen in dat landschap met die gele trein, de witgehelmde MP-soldaten, de zendmast bij het clubhuis van de golfvereniging en de dagjestoeristen in de berm van de A28. ’t Was even oorlog. In een paar weken tijd leerde ik een record aantal nieuwe woorden: Zuid-Molukker, gijzelaar, ultimatum, kleefbommen, nabranders, godsdienstwaanzinnige. Wat er gebeurde was toen niet te begrijpen. Vol ontzag stond ik erbij en keek ik ernaar en ’s avond kwam alles nog eens in zwart-wit terug op de tv.

Jaap Scholten: ‘Die gijzelingsactie was de eerste grote mediagebeurtenis die ik meemaakte. Ik moet erbij zeggen dat de treinkaping van 1975 daar ook iets mee van doen had. Daarbij was het broertje van een leraar bij ons op school doodgeschoten. Ik weet nog dat ik hem erg op Jim Morrison vond lijken. Het nieuws op de 23e mei van de stilstaande trein bij De Punt zinderde door het schoolgebouw. Ik herinner me hoe ik met een klasgenootje naar huis fietste en dat we alleen maar over die trein spraken. De kaping was een soort mysterie. De volwassenen waren ervan onder de indruk, dat voelde je.’

Jaap Scholten zat op school in Hengelo. Hij kwam daar weinig Molukkers tegen. Alleen Alfred Mantiri, één van de trainers aan de plaatselijke karateschool. Al gauw deed het gerucht de ronde dat deze Mantiri de kapers gevechtstraining gegeven zou hebben. Hij werd een aantal malen opgepakt op verdenking van medeplichtigheid.

‘Verder kwam het nieuws voornamelijk via de televisie tot ons. In die tijd voelde ik geen sympathie voor de Molukkers. In mijn omgeving keurde niemand die acties goed. Mijn begrip voor de situatie van de Molukkers ontstond pas later, toen ik er achter kwam dat de Nederlandse regering deze mensen in een val had laten lopen. Ik ben van mening dat de regering of de Koningin allang een gebaar had moeten maken om aan te geven dat er iets was misgegaan.’

In Morgenster staat te lezen: ‘Moet je je voorstellen, het verhaal van een doorsnee Moluks gezin: vader heeft zich op Ambon halfdood gevochten voorde Witmannen. Uit dank worden vader en moeder met hun acht kinderen naar de Drentse hei afgevoerd en in een

[p. 24]origineel

barak gestopt. Om zijn vader te eren kaapt zoon een trein.’ En iets verder: ‘Die mensen weten nog wat eer is.’ Ik vraag of Jaap met zijn roman iets recht heeft willen zetten. ‘Ik heb dit boek niet geschreven vanuit een zendingsdrang. Uitgangspunt was de verwisseling van twee baby’s. Het moest gaan over, met een lelijk woord, identiteit. Verder wilde ik een boek schrijven in de Angelsaksische traditie: een roman waarin een persoonlijke geschiedenis wordt afgezet tegen een historische gebeurtenis. Terwijl ik met de research bezig was, begon ik de positie van de Molukkers steeds beter te begrijpen. Aanvankelijk was het de bedoeling om alleen de bevrijdingsactie op de 11e juni in het boek te stoppen. Nadat ik iemand had ontmoet die als scherpschutter bij de ontzetting aanwezig was geweest, lukte het me om met de “tweedehands” kennis die ik bezat een persoonlijk verhaal te maken. Die man vertelde de meest spannende dingen. En dan ben ik gewoon romanschrijver. Als je mij iets boeiends vertelt dan wil ik het gebruiken in een verhaal.’

Geen zendingsdrang. Wel een idee over hoe het boek geschreven diende te worden. Dat het meer moest zijn dan de eeuwige psychologische roman. Dat er geschiedenis in moest. Engagement. ‘Er is geen land ter wereld waar zo’n strikte scheiding bestaat tussen lectuur en literatuur als Nederland. Het hele systeem is gericht op de productie van navelstaarderij. In de eerste plaats zorgt het kleine taalgebied ervoor dat je aan het schrijven van een boek weinig geld kunt verdienen. Dat stimuleert schrijvers niet om jaren achter elkaar aan één boek te gaan zitten werken. Om dat te ondervangen heb je toch Het Fonds der Letteren, zou je dan zeggen. Maar, dat eist van auteurs dat ze zoveel mogelijk romans produceren, willen ze in aanmerking blijven komen voor de financiële ondersteuning. Het doen van maandenlange research is in Nederland een soort luxe. Vandaar onze navelstaarderige literatuurtraditie. Klein land, kleine literatuur. Ik houd van auteurs met een ruime blik zoals Isaac Babel, Tolstoj, Hemingway, John Fante, Philip Roth, noem maar op.’

Aan het einde van mijn vragenlijstje heb ik genoteerd: ‘Wat zegt je het begrip generatie X?’ Jaap geeft antwoord op het puntje van zijn stoel. Hij heeft nog maar even tijd, want hij vertrekt binnen enkele uren naar Hongarije en moet nog de nodige voorbereidingen treffen. ‘Ik herinner me wel het doemdenken van de jaren tachtig. En ook dat er toen zoveel gefeest werd met veel drank en wijven omdat het er toch allemaal niet toe deed. Die dingen vinden natuurlijk ook hun weerslag in boeken van onze leeftijdsgenoten. Ik denk niet dat wij niks hebben meegemaakt. Integendeel: we leven juist in een waanzinnige tijd. Er gebeurt zoveel en alles verandert zo snel. Ik denk dat er een steeds grotere behoefte ontstaat aan schrijvers die uit die totale waanzin van deze wereld iets plukken om daar eens rustig over na te denken en er vervolgens iets zinnigs over te schrijven. Denk je niet?’

Jaap is inmiddels opgestaan. ‘Sorry, maar ik moet nu echt weg.’ We schudden elkaar de hand alsof we een zaak hebben beklonken. Dan verlaat hij haastig de stationsrestauratie. Een paar seconden later staat hij weer voor me. ‘Zeg, je kunt die consumpties toch door dat blad laten betalen?’

Jan Roelof van der Spoel (1966) is de tweede met wie ik een afspraak heb gemaakt. Ik bezoek hem in het Huis van Bewaring te Groningen. Hij werkt daar als hoofd educatie. Zijn eerste en tot nu toe enige roman is Lemmingjaren (De Bezige Bij, 1999), een prettig leesbaar maar zwaarmoedig boek met een navrante aanleiding: een golf zelfmoorden op een scholengemeenschap in Assen in het midden van de jaren tachtig. Jan Roelof had daar op school gezeten. In enkele maanden tijd beroofden drie leerlingen zich van het leven. Over het waarom tastte men in het duister. De speculaties waren echter niet van de lucht. In Lemmingjaren komt de herinnering aan de zelfmoorden bij de hoofdpersoon terug als hij geconfronteerd wordt met de suïcide van zijn beste vriend Robert. Hij overdenkt de jaren waarin ze samen naar school gingen en de periode daarna. Robert is dan verdwenen naar verre oorden. De hoofdpersoon ontdekt dat Robert hem, zonder dat hij dat doorhad, op afstand al die tijd heeft gevolgd.

Bij de ingang van de afdeling waar Jan Roelof is aangesteld, moet ik een aantal malen door de metaaldetector. Sleutels, mijn aansteker, kleingeld, een laatste dubbeltje tenslotte; het bewakend personeel is vriendelijk doch streng. Jan Roelof komt me ophalen uit de wachtruimte. Hij neemt me mee naar zijn kamer, een voormalige cel die zo goed en zo kwaad als dat ging is omgebouwd tot werkplek. Het is er smal en de kleine raampjes bieden weinig uitzicht op de zonovergoten Groningse wijk Helpman. Ik krijg een kop koffie en Jan Roelof steekt van wal. ‘Ik schreef Lemmingjaren niet op basis van een

[p. 25]origineel

Jan Roelof van der Spoel

Net als de punk was ook het yuppiedom een poging om te ontkomen aan de beklemmende wereld van de babyboomers. Maar het egocentrisme dat zij brachten bleef bestaan. En onze samenleving is nog steeds helemaal op consumptie gericht. De jongste generatie schrijvers toont de huidige werkelijkheid vooral op ontluisterende wijze.

programma. Belangrijk was de periode op het Dr. Nassaucollege. Toen de zelfmoorden werden gepleegd in 1984 was ik al van die school af. Maar ze zijn voor mij tekenend voor de sfeer van de jaren tachtig. Ze brachten me op de gedachte: hé, dat is ook nog een optie. Ik kon me goed voorstellen waarom die leerlingen het deden. Het leven had geen zin in die dagen: de Koude Oorlog, de bom, kruisraketten, kerncentrales. Ik deed mee aan het verzet en was anarchistisch, net als de meeste van mijn vrienden. Uit een soort wanhoop. We voelden ons aan handen en voeten gebonden.’

Jan Roelof kijkt ernstig voor zich uit. Zo kijkt hij meestal weet ik. We kwamen elkaar voor het eerst tegen een jaar of vier terug op een feestje ergens in Groningen. Daar werd hij aan mij voorgesteld als aankomend schrijver. Lemmingjaren was nog niet verschenen. Maar ik wist toen al dat ik het boek zou gaan lezen op het moment dat het uit zou komen. Die zelfmoorden in Assen, die kon ik me nog goed herinneren. Geeft het boek een soort verklaring? Was de situatie in de jaren tachtig nou werkelijk een motief om er een einde aan te maken?

‘Misschien. De situatie in die tijd wordt nogal eens onderschat. Het einde van de wereld was een heel concreet gegeven. Je kon daar op geen enkele manier aan ontsnappen. Dagelijks werd je ermee geconfronteerd, in bijvoorbeeld de muziek. Denk aan “De bom” van Doe Maar en “Two tribes” van Frankie Goes To Hollywood met die videoclip waarin Reagan en Tsjernenko elkaar te lijf gaan in de boksring.’ Jan Roelof schetst hoe het doemdenken je met de paplepel werd ingegoten. Dat je op school bij maatschappijleer met de hele klas naar The day after moest kijken, een televisiefilm over hoe de wereld eruit zou zien nadat de bom gevallen was. Na afloop wilde de leraar dat je erover ging discussiëren. ‘Ik had geen feeling met leden van de ons opvoedende generatie. Ze hadden ten opzichte van ons een zeer superieure houding. Wij hadden geen recht van spreken. Omdat we dat wel wilden hebben, gingen we ook maar braaf demonstreren. Maar op het moment dat we daarmee enig succes leken te boeken, haalde de politiek ons in en werd van hogerhand tot ontwapening besloten. Weer niks gedaan.’

De telefoon gaat. Er moet een afspraak gemaakt worden met de dokter voor één van de kinderen. De schrijver houdt het telefoongesprek kort. Daarna legt hij me uit wat er aan de hand is. De beslommeringen van een toegewijde vader. En dat is hij, niettegenstaande zijn recalcitrante verleden. ‘Ik heb altijd geweigerd me te conformeren. Denk aan wat in Lemmingjaren Robert zegt als hij besluit weg te gaan: “Er moet meer in het leven zijn dan een beetje studeren, werken, oud worden en doodgaan. Ik ga op zoek.” Je niet conformeren is meer dan alleen een tijdje vertrekken. Een paar maanden gezellig au pair zijn in Parijs bijvoorbeeld en dan terugkomen heeft daar niets mee te maken. Je niet conformeren betekent dat je je onttrekt, dat je helemaal verdwijnt uit het systeem dat je is opgelegd.’ Jan Roelof vertelt hoe hij ze op zijn werk dagelijks tegenkomt, de lieden die buiten de samenleving zijn beland. ‘Want in de optiek van het grote publiek is het toch zo dat het Huis van Bewaring buiten de maatschappij staat? Maar ze vergeten dan voor het gemak dat gevangenissen wel het product zijn van diezelfde maatschappij. Onze samenleving stelt eisen waar veel mensen

[p. 26]origineel

niet aan willen of kunnen voldoen. Daardoor ontstaan allerlei problemen. Hoe kun je van mensen verwachten dat ze zich aan regels houden als de samenleving die die regels maakt zich volledig van hen heeft vervreemd?’

Buiten blaft een hond. Een mannenstem buldert: ‘Afra, hier.’ Ik bedenk dat de combinatie van deze geluiden te goed past bij wat Jan Roelof net heeft gezegd. Te vet. Niet geschikt voor het uiteindelijke artikel. Dan stel ik hem de laatste vraag. Wat betekent voor hem het begrip generatie X?

‘De roman Generation X van Douglas Coupland heeft me zeer zeker beïnvloed. Net als de punk was ook het yuppiedom een poging om te ontkomen aan de beklemmende wereld van de babyboomers. Maar het egocentrisme dat zij brachten bleef bestaan. En onze samenleving is nog steeds helemaal op consumptie gericht. De jongste generatie schrijvers toont de huidige werkelijkheid vooral op ontluisterende wijze. Zij registreert de lelijkheid, de normloosheid, de leegheid van het bestaan. Coupland doet dat heel goed. Er zijn natuurlijk veel meer voorbeelden. Neem bijvoorbeeld Elementaire deeltjes van Houellebecq. Dat is een fantastisch boek. Heel veel mensen willen dat helemaal niet lezen. Met name de babyboomers. Ze voelen zich erdoor beledigd.’

Ik maak nog enkele aantekeningen terwijl Jan Roelof toekijkt. ‘Ik heb genoeg,’ zeg ik. We staan tegelijk op. ‘Ik breng je even naar het trappenhuis,’ zegt hij. We verlaten de werkcel. Een afscheid van weinig woorden. Groningers onder elkaar. Probleemloos verlaat ik het Huis van Bewaring.

Een week later stap ik uit de trein op het station van Duiven, de woonplaats van Arjan Witte (1961). Hem wil ik interviewen over zijn debuutroman Rode zeep (In de Knipscheer, 1995). Ik heb het boek herlezen en opnieuw heb ik me verbaasd over het ongeëvenaarde samenspel van humor en zwartgalligheid. Wat was zijn drijfveer om in de roman een groep Utrechtse jongeren in beeld te brengen die zich overgeven aan volledig liefdeloze seks, buitensporige gewelddadigheden en criminaliteit? Een hang naar engagement? De behoefte om op ontluisterende wijze de werkelijkheid te tonen? Voor het station staat een bord met een plattegrond van Duiven waarop de bekende pijl is afgebeeld met de tekst U BEVINDT ZICH HIER. Ik zoek Arjans straat op en begin te lopen. Na enkele minuten besef ik dat ik verkeerd ga. Terug bij het station ontdek ik dat het U BEVINDT ZICH HIER-bord aan de verkeerde kant van het station is neergezet. ‘Shitbord,’ mompel ik en krijg even een visioen waarin ik mezelf eigenhandig het geval uit de grond zie trekken. Ik draag het over de rails en plant het aan de andere kant. Nogmaals ga ik op pad. Nu in tegengestelde richting.

Arjan loopt me in zijn voortuin tegemoet. Enthousiast als altijd begroet hij me. We kennen elkaar goed van de podia, de festivals, de boek- en bundelpresentaties en de nieuwjaarsborrels van Uitgeverij Kwadraat dat Vrijstaat Austerlitz uitgaf, het literaire tijdschrift waar Arjan redacteur van is (Vrijstaat Austerlitz ging na het faillissement van Uitgeverij Kwadraat door als internettijdschrift http://go.to/vrijstaatausterlitz.)

In Arjans riante woonkamer ga ik zitten op de driezitsbank. Als ik mijn schrijfblok op schoot neem roept hij uit: O jé, zo ken ik je helemaal niet. Je bent straks toch wel weer gewoon Ronald, hè? Laten we als we klaar zijn een ritje gaan maken door Duitsland.’

Ik vind dat een prima plan. Arjan haalt diep adem en brandt los: ‘Ik begon met het schrijven van Rode zeep, vooral omdat ik Utrecht miste. Ik wilde mijn onverantwoordelijkheid van toen terughalen. Ik had inmiddels een gezin, ik had een van-negen-tot-vijfbaan en ik woonde in Duiven,’ geeft hij als aanleiding voor het schrijven van zijn roman.

De wereld die hij in Rode zeep herschept, is gesitueerd in de Utrechtse wijk Zuilen ergens in de tachtiger jaren. Met het sluiten van de fabrieken daar en de werkloosheid die er dan ontstaat, begint ongeveer zijn roman in dertien episodes. De taal van het boek is hard, lijkt rechtstreeks van de straat te komen. De personages hebben zonder uitzondering lak aan de wereld om hen heen. De ik-verteller beschrijft onbewogen wat de consequenties zijn van hun ondermijnende gedrag. ‘Laatst was ik nog in Zuilen. Met vrouw en kinderen. Opa was jarig. Hij liet ons de aluminium deurstrippers tegen breekijzers zien. Eigen vinding. Er was ook mokkataart. En iemand vertelde ons dat Coens was doodgestoken in de bajes. Bewakers hadden zijn celdeur opengelaten. Met opzet. Zo gaan die dingen. De mokkataart was van binnen nog wat bevroren.’ Zo luidt de laatste alinea van het boek. De gelaten registratie levert een verontrustend verhaal op. Emoties lijken taboe. ‘Het gevoel is niet belangrijk in onze maatschappij omdat het niet efficiënt is. Doordat er te weinig aandacht aan wordt besteed, ontstaat er een grote honger naar sensatie.

[p. 27]origineel

Deze werkt gewelddadigheid in de hand. Vandalisme is de innerlijke aandrang om de wereld te vernietigen. Zelf heb ik veel gesloopt. Het slechte doen om het goeie zichtbaar te maken. In de jaren zestig en zeventig is gebleken dat de onschuld uitdraait op leugens. De hippies verpakten de mooiste idealen in prachtige retoriek en bewerkstelligden het tegenovergestelde, precies zoals de nazi’s dat deden.’

Arjans oudste zoon komt thuis. Hij heeft verloren met voetballen. Arjan doet vergeefs een poging hem wat op te beuren. Even later komt de dochter thuis. Zij wil gaan internetten en vraagt keurig of dit mag. Arjan geeft toestemming. Duidelijk is dat deze kinderen niet voorbestemd zijn om een tweede Zuilen te gaan meemaken. ‘Mijn ouders waren lid van een apostolisch genootschap waar iedereen aardig tegen de ander deed omdat dat moest. Een uiterst schijnheilige situatie die bij mij een hoop agressie teweegbracht. Ik kom nu soms in opstand tegen mijn eigen kinderen, tegen het feit dat ze vinden dat ik zomaar voor al hun cd’s moet dokken, dat ze denken dat pa hen maar even naar het zwembad dertig kilometer verderop moet rijden, omdat daar meer speeltjes zijn. Aan alles hangt een prijskaartje. Ze moeten beseffen dat wij ons water krijgen ten koste van mensen die even verderop creperen van de dorst.’

Als ik de vraag stel over de generatie X antwoordt Arjan: ‘In elk geval gaat het dan niet om die generatie Nix zoals die in de media wordt beschreven. Maar ik geloof eigenlijk helemaal niet zo in dat generatiebegrip. Het is een bedachte term waarmee verschillen tussen mensen worden vergroot en overeenkomsten worden verkleind.’ Ik krijg een boek in handen geduwd: The generation of 1914 van Robert Wohl. ‘Lees dat maar eens. Dat gaat over het ontstaan van het generatiebegrip.’ Ik blader wat in het boek. Arjan vraagt of we klaar zijn. Er is ondertussen bijna een uur verstreken sinds het begin van ons

Arjan Witte

Het gevoel is niet belangrijk in onze maatschappij omdat het niet efficiënt is. Doordat er te weinig aandacht aan wordt besteed, ontstaat er een grote honger naar sensatie. Deze werkt gewelddadigheid in de hand. Vandalisme is de innerlijke aandrang om de wereld te vernietigen. Zelf heb ik veel gesloopt. Het slechte doen om het goeie zichtbaar te maken.

gesprek. ‘Zullen we dan nu een stukje door Duitsland gaan toeren? We zitten hier vlak bij das Rheintal.’

’s Avonds, in de trein terug naar Groningen, lees ik het eerste hoofdstuk van The Generation of 1914. Wohl schrijft: ‘My purpose in writing this book was to rescue the generation of 1914 from the shadowland of myth and to restore it to the realm of history.’ Dan keer ik terug naar Rode zeep naar een passage die me bijbleef en die misschien wel de aanleiding vormde tot het afgelegde bezoek: ‘Het werken stopte. Er ging eens een loodsje dicht, er kwam eens een hal leeg te staan en later ging het hele DEMKA-complex tegen de vlakte. Daar is nog tegen gedemonstreerd. Nota bene door de bonden. Liever je rug naar de hel dan naar huis met geld toe. Maar de werknemers kregen mooi hun zin niet en zo ging er weer een fabriek dicht. Weg werkgelegenheid. En wij blij. Want fabrieken zijn niet gezond. Maar in de kranten noemden ze ons: jeugd zonder toekomstperspectief.’

[p. 28]origineel

De afspraak met Serge van Duijnhoven (1970) naar aanleiding van Wij noemen het rozen (Podium, 2000) is dat ik hem wat vragen per e-mail zal toesturen. Een persoonlijk treffen zit er niet in, want als ik hem bel is hij net bezig de koffers te pakken voor een trip naar Belgrado. Op zijn antwoorden zal ik moeten wachten tot hij is teruggekeerd in zijn woonplaats Brussel. Na anderhalve week ontvang ik het volgende bericht:

Beste Ronald,

Terugkerend uit Belgrado, en je vragen overziend, moet ik concluderen dat al de kwesties die je aan wilt snijden impliciet behandeld worden in mijn verantwoordingachtige hoofdstukje ‘Geen ene rattekut’ dat in deel vier van Wij noemen het rozen kan worden nagelezen. Ik zend je hierbij de tekst toe. Je kunt er vrij uit putten, citeren, etc. Als ik ervan overtuigd was dat ik bovenstaande vragen beter of helderder zou kunnen beantwoorden, dan zou ik op ieder vraagteken apart antwoord hebben gegeven. Ik heb echter geen behoefte om als jouw editor op te treden, of om jou alle werk uit handen te nemen door pasklare knipknap antwoorden te fourneren. Voor een dergelijke aanpak zijn je vragen echt te breed, algemeen, weinig specifiek. Nogmaals, uit onderstaande tekst kun je de antwoorden of conclusies die je nodig hebt voor je special, zelf destilleren.

Met hartelijke groet,

Serge van Duijnhoven

In het hoofdstukje waar de schrijver op doelt staat inderdaad één en ander verwoord van wat ik wil weten. Wat in elk geval duidelijk wordt, is het waarom van zijn geëngageerde opstelling. Nauwkeurig beschrijft hij hoe die is ontstaan, aan de hand van de oprichting van het tijdschrift MillenniuM, dat een tijdsbeeld wilde geven, ‘gezien door de ogen van een nieuwe generatie.’ Van Duijnhoven schrijft: ‘De oprichting van tijdboek MillenniuM, in december 1992, was mede tot stand gekomen als reactie op de fnuikende gebeurtenissen in de brandende achtertuin van Europa. In een poging om enigszins het gevoel van teleurstelling te bedwingen dat na de euforie van 1989 op kwam zetten, formuleerden we in het nulnummer dat we met het cenakelachtige initiatief van het tijdboek en de Kunstgroep Lage Landen “een plek van vriendschap wilden creëren waarbinnen datgene gecultiveerd kan worden dat buiten wordt uitgebannen”. Woorden die even hoogdravend als gemeend waren.

Het engagement kwam in niet geringe mate voort uit een soort anti-engagement: de behoefte om een algemeen overheersend cynisme te bestrijden in een poging niet mee te worden gesleurd door de gruwelijkheden die elders plaatsvonden. Zoals op de Balkan.’

Serge van Duijnhoven foto Johan Steendam

Van Duijnhoven beschrijft vervolgens hoe de Balkanoorlog hem steeds meer begint bezig te houden. Hij werkt aan de afronding van zijn studie Geschiedenis. Ondertussen rijpt bij hem het antwoord op de vraag: ‘Laten we ons te veel leiden door wat er verderop gebeurt, of juist te weinig?’ Hij schrijft:

De schilder Picabia zei ooit: “Onze hoofden zijn rond opdat onze meningen alle kanten op kunnen rollen.” In 1995 kan ik me niet langer van de realiteit op de Balkan “ontdoen” met het argument dat je andermans leed niet kunt lenen. Ik wil me niet langer afkeren van de ramp in Europa’s achtertuin. Ik wil erheen. Mijn ommezwaai ervaar ik eerlijk gezegd niet

[p. 29]origineel

eens als iets inconsequents, meer als een verdergaande consequentie van dezelfde houding. Betekende “s’engager” oorspronkelijk ook niet het vervullen van een dienstplicht?

Het hoofdstukje eindigt met de beslissing om te gaan. Er moet een dienstplicht vervuld worden, een vrijwillige dienstplicht wel te verstaan.

Het nieuws dat ons dagelijks bereikt houdt zich vooral bezig met de “buitenste” laag van de oorlog, de gebeurtenissen, feitelijkheden, de mensen op het politieke toneel. Van de overige betrokkenen zijn er slechts plaatjes, vluchtige interviews en flitsen. Om de “binnenste” laag te ontwaren volstaat het niet om de krant te lezen of de tv aan te zetten. Wie die mensen wil leren kennen, moet naar de oorlog gaan. Nadat ik in september 1995 ben afgestudeerd, vertrek ik met de trein richting Kroatië.’

In het boek Wij noemen het rozen doet hij dan verslag van wat er tijdens de Balkanoorlog in die ‘binnenste’ laag gebeurt. Hij registreert op ontluisterende wijze, plukt iets uit de waanzin van deze wereld en reflecteert daarop. Uit de gesprekken die hij voert met Bosniërs, Kroaten, Serviërs, Bulgaren, Albanezen en Macedoniërs wordt duidelijk hoe ‘gewone’ mensen de oorlog ondergaan. Tientallen passanten stelt hij aan de lezer voor. Maar het is niet alleen de ellende die in het boek een rol heeft gekregen. Er worden ook poëziefestivals bezocht en discotheken aangedaan en Van Duijnhoven mijmert af en toe wat over zijn jeugd. Over hoe het Hongaarse landschap hem doet terugdenken aan de Noord-Brabantse velden waarin hij opgroeide.

Mijn ommezwaai ervaar ik eerlijk gezegd niet eens als iets inconsequente, meer als een verdergaande consequentie van dezelfde houding. Betekende ‘s’engager’ oorspronkelijk ook niet het vervullen van een dienstplicht?

Ik wil naar de telefoon lopen om Serge van Duijnhoven te bellen in verband met nog wat andere vragen die ik hem in mijn e-mail stelde, maar besluit het niet te doen. Al met al heb ik van de verschillende auteurs voldoende losgekregen voor mijn interviewartikel. ‘Naoorlogse kunstenaars hebben altijd gebrek aan thematiek,’ zei de oude Armando in het televisie-interview bij de opening van het Armando-museum in Amersfoort in december 1998. Bullshit. Ik wist natuurlijk allang dat de man toen stond te bazelen, maar ik voelde de noodzaak het nog maar weer eens bevestigd te krijgen. Door schrijvers die net als ik opgroeiden en volwassen werden in de jaren zeventig en tachtig bijvoorbeeld.

De M&G-Interviews: Serge van Duijnhoven

De M&G-Interviews: Serge van Duijnhoven

http://weblogs.vpro.nl/bureaubinnenland/2008/01/26/de-mg-interviews-serge-van-duijnhoven/

Serge van Duijnhoven: ‘Afbladderende kalk en verf. Krakerig, rauw. Dingen die onaf zijn. Hier, in een hotel aan de rand van de goot van Amsterdam waar àlle soorten mensen komen, bouwen we op de puinhopen iets nieuws. Beneden in de WC stond op de muur geschreven: Please don’t let me die in this century. Een prachtige leuze, die precies aangeeft wat ik wil: ik wil verder komen, niet blijven steken in het slappe moralisme dat deze eeuw heeft gekenmerkt. Niet: links/rechts, goed/fout, maar: een gevoeligheid ontwikkelen voor wat een mens werkelijk is in zijn rijkste expressievormen, in al z’n mogelijkheden.’

Hotel Winston in de Warmoesstraat

Hotel Winston in de Warmoesstraat

De Kunstgroep Lage Landen heeft haar onderkomen in de bouwvallige vleugel van Hotel Winston in de Amsterdamse Warmoesstraat. We bereiken de redactieruimte via het dak van het hotel. Een lage tafel met houten stoelen er omheen. Beneden, voor de ingang van het hotel, worden renovatiewerkzaamheden uitgevoerd. Met het door het boren veroorzaakte kabaal op de achtergrond praat Serge van Duijnhoven (1970) over de kunstgroep, waarvan hij mede-initiator is. Een uit ruim zeventig jonge Vlaamse en Nederlandse kunstenaars bestaand veelkleurig gezelschap, dat theater, beeldende kunst, architectuur, muziek, journalistiek en literatuur wil vermengen. Daartoe organiseert ze lezingen en salons, geeft ze commedia dell’ arte-voorstellingen in de open lucht en maakt ze een kwartaaltijdschrift dat de naam Millennium draagt. De groep zal zich in de zomer van 2000 opheffen. In de zes jaar die ze nog scheidt van dat jaar is de groep volgens het voorwoord in het nulnummer van haar tijdschrift voornemens ‘een bescheiden bijdrage aan de heroriëntatie te leveren’.

‘De jaren tachtig, waarin ik tiener was, waren koude jaren. Ik kwam in ‘82 op de middelbare school en keek erg op tegen oudere meisjes die, in het zwart gekleed en met mascara op de ogen, tegen kernraketten demonstreerden, hasjiesj rookten en thee dronken in de theetuin. Ik was daar – als onbezorgd ventje – nog niet aan toe maar heb wel sterk die bestaansangst opgepikt. Die songteksten als There’s no time to be young, de film The day after, het neerschieten van die Boeing in Korea. Daar begon ik sterk mee te leven. En in de tweede helft van dat decennium; het hedonistisch materialisme; op wintersport, hotels, vakanties. Tegelijkertijd ging ik zelf door een corridor de passage. De puberteit heb ik ervaren zoals die verwoord is in Le bachelier van Jules Vallès: hij beschrijft iemand met idealen, die gekleineerd wordt, in zogenaamd goede banen wordt geleid. Ik kom wel eens mensen tegen die zeggen: die puberteit, daar heb ik helemaal niks van gemerkt. Dat kan ik me zo slecht voorstellen.
Juist op het moment dat ik uit die puberteit kwam, kwamen de muren in Europa naar beneden. Ik vond dat heel symbolisch. Als je ervanuit gaat dat iedere generatie z’n eigen plaats moet bepalen ten opzichte van gebeurtenissen die de tijd markeren zijn dat voor ons: het failliet van de ideologieën, het verlies van de ‘veilige’ Koude Oorlog en de barbarij in Joegoslavië. Het besef dat de volstrekte vanzelfsprekendheid en onkwetsbaarheid waarin ik leef wel eens iets zou kunnen zijn dat voorbij gaat. Wij moeten, ik moet er voor zorgen dat de gemeenschap behouden blijft, dat bijvoorbeeld die multi-culturele samenleving mogelijk is.

‘We zijn jong, we zijn arm, we zijn vrij. We hoeven niemand verantwoording af te leggen. Zelfs Prometheus, die het tijdschrift uitgeeft, heeft geen enkele zeggenschap over de inhoud. We kenmerken ons door de wil om, juist in deze periode van heroriëntatie, niet strikt individueel bezig te zijn maar raakpunten te zoeken met anderen, uit verschillende genres. Tegelijkertijd willen we reflecteren, nadenken over wat we zelf maken, in welke verhouding we staan tot onze omgeving.
Ik wil onder woorden brengen wat het nu is dat onze generatie bijeen houdt. Hoe staan wij tegenover belangrijke ontwikkelingen in deze tijd, hoe verhouden we ons tot hoop op een betere toekomst? En keer op keer stuit ik daarbij op een sceptische, fatalistische mentaliteit. Die wil ik, vanuit mijn eigen wilskracht en overtuiging, veranderen; het debat aangaan. Ik zie gelukkig om me heen dat er steeds meer vergelijkbare groeperingen ontstaan – de NJMO (Nationale Jongerenraad voor Milieu en Ontwikkeling) op politiek niveau, NOVIM op economisch niveau. Het bloeit op. Allengs verdwijnt het cynisme, het onvermogen om ergens in te kunnen geloven, de onverschilligheid. Veel mensen kunnen nergens bevlogenheid voor opbrengen: ze zijn het gewend nee te zeggen, maar stellen er geen alternatief tegenover. We richten ons niet alleen op jongeren, want die houding loopt dwars door de generaties heen. Kijk maar naar J.L. Heldring, Hugo Brandt Corstius, Maarten van Rossem, Renate Rubinstein.’

Hij maakt een opvallend zelfverzekerde indruk. Eén voet zet hij op de stoel naast hem, zo nu en dan gooit hij koket het hoofd achterover. En Serge van Duijnhoven legt z’n hand op zijn boeken, als hij over ze spreekt.
‘Ik ben verwekt in 1969, geboren in 1970. Hoewel mijn ouders zelf niet Frans zijn, is er in mijn familie altijd een sterke band met Frankrijk geweest. Zo ben ik vernoemd naar Serge Gainsbourg, die in ‘69 de wereld verblijdde met Je t’aime, moi non plus.
Ik kom uit Oss, een industriestad zonder enig natuurlijk schoon. Het Maasland vol met slachtvee, en talloze vleesfabrieken. Een klein Chicago – ook in de mate van criminaliteit. En er was AKZO Farma. Er reden tientallen vrachtwagens door de stad met Moeders voor Moeders, voor de apothekaire lading van de pil. De pil, die eigenlijk niets anders is dan een tegenhanger van de hostie die op de tong wordt gelegd, in een uitgesproken katholieke stad in Maasland! De sacristie van de duivel.
Vroege herinneringen zijn die aan wandelingetjes met mijn ouders, en aan de kermis. Een opgezette walvis, die je voor een gulden kon bekijken. Ik was een levenslustig jochie. En later, die beklemming van kleinburgerlijke vaste gewoonten, zó sterk dat ik van mijn ouders weggroeide en ik nog maar weinig heb om met ze over te praten.

‘Mijn vader is als ingenieur verbonden aan de waterleidingmaatschappij in Oost-Brabant. Een heel handige man, met een buitengewoon mathematisch inzicht, maar die zich helemaal niet kan uiten. Hij is op een bepaalde manier heel primitief. Goedwillig, mild. Zijn vader – mijn opa – was boer, met een paardenploeg. Mijn vader is een eenvoudige man, zeker ook in vergelijking tot mijn moeder, die gecompliceerd is. Ze kan geen maat houden. Een dominante vrouw, die uit een gezin van zestien kinderen komt waar een tiran de scepter zwaaide; mijn opa misbruikte zijn vrouw en commandeerde z’n kinderen. Ik denk dat mijn moeder daar wel wat aan over heeft gehouden. Ze heeft zich er wel tegen verzet, maar kan nog steeds heel handtastelijk worden. Ze heeft me de haren wel uitgerukt.

‘Het was een echte sportfamilie, ook. Tennisouders zijn in zekere zin het meest verschrikkelijke tuig wat er is, omdat ze al hun verwachtingen op hun kinderen projecteren. Toen mijn broer de competities opgaf, veroorzaakte dat veel haat en nijd.
De middelbare school-keuze tussen A of B was voor mij een enorme strijd, die ik heb verloren. Natuurkunde, scheikunde, ik had er geen enkel talent voor maar moest me schikken. In de belevingswereld van mijn ouders was toneelspelen iets voor homoseksuelen. Ik moest stiekem schrijven, stiekem toneelspelen. Op een middag, terwijl ik in de schoolbanken zat, heeft mijn moeder onder het mom van ‘nu is het wel genoeg met dat geschrijf’ de beschreven velletjes die op mijn bureau lagen weggegooid. Op die velletjes ontdekte ik – in een romantische stijl, met veel hoofdletters – mijn belevingswereld. Zelfs bij de meest politieke gedichten ging het heel lyrisch uit van ‘ik’; Serge van Duijnhoven, die spreekt. Dubbele punt, aanhalingstekens openen, hoofdletters. Ik schreeuwde het als het ware uit. Het verlangen naar de overkant. De onmogelijkheid van drijfveren. Een gesteldheid, een état d’âme, die ik blijkbaar heb, want met die thema’s werk ik nog steeds.
Er was ook een sexuele beklemming. Dat lichaam dat van onderaf aan het poken is. Branderige verlangens waar ik niet mee wist om te gaan. Ik ervaarde m’n vroegrijp zijn als hinderlijk, ongewenst. Ik verlangde naar liefde, ook lichamelijk, maar was er geestelijk nog niet rijp voor. Ik vluchtte in de romantiek, nam het verlangen ridderlijk op als iets transcendentaals. Een soort vervangingsmiddel van die lichamelijkheid. Geen romantiek in negatieve zin, het ging direct gepaard aan een soort intellectuele finesse. Het gaat me te ver te stellen dat het een substituut was, want ik heb niet het idee dat er seksueel gezien iets met me mis is en toch beschouw ik mezelf nog steeds als rationeel romanticus.

‘Ik was erg ontvankelijk voor nieuwe, onbekende dingen, een magister, en plots ontdekte ik Léo Ferré’s credo Noch God, noch meester. Een credo, waarachter een hele wereld verscholen lag. Een enorme bevrijdingsdrang van opstandig individueel anarchisme. Ik bracht mezelf dat credo als ere-litteken op. Ik schilderde, met gepaste trots, Ni dieu, ni maître! met rode verf op een zwarte trui. Het was: kijk, dit durf ik te zeggen. Daarvoor hoefde ik overigens niet ver te gaan: als bewonderaar van Vestdijk was ik op die school even zo goed opgevallen. Ik had er de gevoeligheid voor, liet me er in meeslepen en daarin onderscheidde ik me van leeftijdgenoten in mijn omgeving. In die niet-politieke zin beschouw ik me als anarchist. Ik hoef geen verantwoording af te leggen aan anderen om datgene te doen waarvan ik denk dat het het beste is. Je neerleggen bij de loop der dingen vind ik armoedig.
Iemand die erg samenhangt met Ferré en minstens zoveel voor me heeft betekend is Arthur Rimbaud. Het toeval wilde dat Ferré die moeilijke, vrijgemaakte, rijke poëzie op fabuleuze wijze op muziek heeft gezet, nou, dat deed me wat hoor.
En tenslotte was er Lord Byron en diens leefwijze. The great object of life is sensation, to feel that we exist even though in pain. Heel romantisch, en een prachtig motto voor een jong iemand die op het punt staat het leven te ontdekken, z’n puberteit openbreekt. Ik was zeventien.

‘Tot dan toe had ik er in wezen alleen voor gestaan. Ik had wel hulp van een meisje, een lesbiënne die heel ver was in haar mentale ontwikkeling, en van een man, een soort oom, die me adviezen gaf. Hij is nu 73. Hij was in de oorlog naar Engeland gevlucht, vocht er in een hurricane, hielp Europa mee bevrijden, en is daarna naar Indië gegaan, waar hij gedeserteerd is uit het leger omdat het Nederlandse leger de Engelse troepen min of meer overnam. Hij heeft daar overleefd als chemicus en kwam later bij AKZO Farma in Oss terecht. In veel opzichten is hij meer mijn vader dan mijn echte vader. Een geestelijke vader. Hij heeft me grootgebracht, nam me aan de hand mee naar een boekhandel en zei: zoek maar wat uit. Nou, dat heb ik geweten.
Toen ik de schoolkrant – De Overkant – oprichtte kreeg ik eindelijk geestverwanten om me heen. Dat ging achteraf gezien bijna als vanzelf. En wonderbaarlijk genoeg zit een groot deel van de mensen die ik toen leerde kennen nu bij Millennium.

‘Het vermogen om me met een religieuze gevoeligheid op te laden ben ik niet kwijt geraakt. Ik zing tegenwoordig als bas requiem-missen, Gloria’s in een oratoriumkoor in een kerk, waarmee die gevoeligheid weer zijn plaats vindt. Léo Ferré zei: Het allermooiste gebouw is de kathedraal van Chartres, maar ik ga er niet in want het stinkt er. Maar ik wil niet vast zitten in hetgeen waar ik me tegen af zet. Ik erken het leven in zijn beperkt patroon. Ik aanvaard het leven niet als iets volkomen absurds, want: alles is er om te blijven voortbestaan, en deel te hebben aan het patroon. Dat is een manier om te voorkomen dat ik denk: met mij houdt alles op, omdat ik eens doodga is alles zinloos.’

Behalve als voorman van de Kunstgroep Lage Landen doet Serge van Duijnhoven van zich spreken als schrijver en dichter. Vorig jaar debuteerde hij met zijn poëziebundel Het paleis van de slaap. Cryptische, vaak verhalende gedichten waarin gevoelens van angst, onrust, hoop en zwaarmoedigheid bij toerbeurt de dienst uit lijken te maken. Wedijver der private organismen heet er een. Binnenkort verschijnt zijn eerste roman, Fatale limiet.
‘Toen ik me bevrijd had van de kleinburgerlijke dogma’s besloot ik te gaan schrijven. Gedichten, verhalen, een boek dat Cascade heette. Het was van meet af aan heel serieus.
A. F. Th. van der Heijden heeft veel voor me gedaan. Ik begon met hem te corresponderen in de tijd dat hij aan Het leven uit een dag werkte, hij was heel geïnteresseerd en gaf me praktische adviezen: altijd een blocnote op zak, veel brieven schrijven. Via hem ben ik ook voor het eerst aan platen van Ferré gekomen. Ik denk dat hij iets van zichzelf in me herkende: een Brabantse jongen, die iemand nodig heeft om de weg te leiden. Hij zelf heeft zo’n figuur moeten missen.’

Hij gist, hij broedt
hij waakt over wat hij
in het donker zoekt
de weg naar de opening
van de ogen
Hij luistert naar
de geluiden van de nacht:
een kraan die druppelt
een telefoon die sjierpt
een deurbel die bezwerend
zoemt. De slaap lost
met de jaren op
(uit het gedicht Hypnagoog)

‘Ik ben niet iemand die alles dat recht uit andermans ziel komt daarom meteen maar bewondert. Gooi de sluizen maar open, daar hou ik niet van. De gedichten in Het paleis van de slaap zijn portretten van mensen en situaties. Er is niet alleen een stilistische afstand; ook de afstand tot mezelf is groot. Ik wil fijnslijpen, goed beredeneren, zònder mijn onbevangenheid en oprechtheid te verliezen. En daarbij is thematische verdieping belangrijk voor me, zoals de slaap in deze bundel. Aan het eind van een dichtbundel wil ik een reis gemaakt hebben.
Ik ben op m’n 23e bij een vooraanstaande literaire uitgeverij gedebuteerd, maar ik voel me niet uitverkoren: ik vond zelfs dat het rijkelijk laat kwam. Ik heb niet hoeven leuren. Bas Heijne heeft er voor gezorgd dat ik werd uitgegeven. Weer zo iemand die me een duwtje heeft gegeven. Ik kwam hem tegen in De Balie, waar hij Richard Holmes interviewde. Hij liet tussen neus en lippen door weten dat hij Lord Byron achterna was gereisd. Dat verlangen had ik ook altijd gehad en dat vond hij zo leuk dat er een vriendschap uit voort kwam. Hij heeft ook vergelijkbare problemen gehad in het begin van z’n carrière als ik. Ik heb gemerkt dat mensen niet begrijpen dat zo’n jong iemand als ik zich met slaap bezig houdt, of met de monarchie. Ze denken: dat moet wel een soezende dichter zijn. Vroeg oud. Tieners die dwepen met de jaren zestig en zeventig, de muziek, de kleding, dàt vind ik vroege ouderdom. Nostalgie naar een tijd die je niet hebt meegemaakt, de grootste onzin.
De slaap is zo’n ontzettend rijk domein, een prachtige metafoor. Het bepaalt ons levensritme. Onze generatie krijgt het verwijt dat we de generatie zijn die slaapt. Ik ben er niet bewust op uit andere onderwerpen te hebben dan anderen; fascinaties kun je niet plannen. Andere kritiek die ik hoor is dat ik m’n boek meer cachet zou geven door motto’s uit de literatuur te citeren, wat niets anders is dan het samplen van een James Brown-kreet in een house-track.
Mensen willen ons graag zien als de computergeneratie. Maar de blik op de toekomst impliceert nog niet direct cyberseks en virtual reality. Het moet gepaard gaan met een gevoeligheid voor het verleden. Poëzie is iets dat blijft, daar ben ik van overtuigd. Het heeft toekomst, juist omdat mensen minder tijd hebben. Zoiets als een videoflits.

‘Mensen die aan de rand staan, die de grenzen kunnen verleggen, hebben altijd mijn speciale interesse. Ook hedendaagse bohémien-kunstenaars die aan de Kunstgroep zijn verbonden, zoals Harmen de Hoop. Ik ben zelf ook grenzen aan het verleggen. Het gaat me om het punt tot waar de menselijke vrijheid reikt. Ik ben op zoek naar krachten die ons nog steeds beperken. Mijn roman Fatale limiet gaat over het leiden van een dubbelleven. Een dichter, die ik Remi Overman heb genoemd, houdt op jonge leeftijd op met dichten en verdwijnt. Hij begint onder een andere naam aan een leven in Amerika. De verteller gaat naar hem op zoek.
Niet voor niets staat Las Vegas op de cover van mijn bundel. Dat is de stad waar je een tweede leven kunt leiden, waar mensen stiekem trouwen, waar mensen alles doen wat God verboden heeft. Via een dubbelleven kun je je mogelijkheden vergroten, je leven organisatorisch op een hoger plan zetten. Op elk moment kun je zeggen: ik stop met dit leven en ga een ander leven leiden. Dat is een geruststellende en tegelijkertijd beangstigende gedachte. Beangstigend, omdat dat eerste leven daarmee sterft. Er is geen terugkeer naar mogelijk. De fatale limiet. Als ik genoeg heb van Serge van Duijnhoven, word ik wel iemand anders. Die kans wordt groter naarmate ik het gevoel krijg dat ik me ga herhalen. Er is dan weinig reden meer om als Serge van Duijnhoven door te gaan.

‘Het jaar 2000 verliest steeds meer betekenis. Er wordt al in veel minder utopische zin over gedacht dan tien, twintig jaar geleden. Ik relativeer dat ook sterk. Het gaat het me niet om het vieren van een spetterende oudejaarsnacht. De mars naar de nullen is een symbolisch gegeven. De gedachte erachter is: 2000 als schone lei, de toekomst vrij maken. De realiteitswaarde daarvan is natuurlijk nul komma nul, maar het is een dwingend symbool. Er is iets afgesloten, maar het is niet duidelijk wat er voor in de plaats komt.
Ik hou me in wezen met drie dingen bezig: het ontwikkelen van nieuwe gemeenschapszin – zoals in enge zin met Millennium – door bruggen te bouwen tussen groepen die nu nog gescheiden leven, door middel van kunst. Kunst als wapen tegen een cynische wereld.
Dan een streven naar een nieuw werkethos. De werkloosheid die door de automatisering structureel is kun je niet ontkennen. De vakbond zou zich niet moeten bezighouden met het redden van arbeidsplaatsen die eigenlijk toch overbodig zijn, maar doordrongen moeten raken van het besef dat het leven niets anders is dan een persoonlijke invulling geven aan de tijd. Kunstenaars die bezig zijn met die eigen invulling worden met de nek aangekeken, dat is toch bespottelijk. Er zal van een nood een deugd gemaakt moeten worden.
Tenslotte wil ik me richten op de veelvuldigheid van het leven. Onze cultuur is de afgelopen decennia sterk bepaald door het eenduidige. Het hebben van één vrouw, één familie, één baan, het wonen in één land. Ik denk dat je veel leed voortkomt door een levenshouding te ontwikkelen die op het veelvuldige is toegesneden. Ik geloof bijvoorbeeld niet in één eeuwige liefde, niet in de Maria van mijn dromen. Die veroorzaakt alleen pijn.
Aan de hand van die drie motto’s ontwikkel ik een levenshouding.

‘Mijn leven nu is druk, jachtig, flexibel. Op het gebied van de liefde leid ik een veelvuldig leven, met verschillende vriendinnen. Ik kan makkelijk van situatie veranderen. Ik leid een leven als student geschiedenis, als jong schrijver, als iemand die een groep heeft opgericht, als minnaar van drie vrouwen. Ik word gedreven door gespletenheid. Ik heb zeven pseudoniemen.
Ik woon samen met mijn broer Pascal. Hij vindt me op veel gebieden maar een rare kwast, dat ik een grote mond heb en over oninteressante dingen praat. Zijn houding is die van: je moet niet zo zeuren, niet zo moeilijk doen. Ik zie, misschien wel vooral door hem, hoe belangrijk de kleur schoenen of de stereotoren kan zijn voor anderen. Mijn broer zal zich ook echt niet druk maken om de body-art van Petra van der Steen (van de Kunstgroep). Het is niet aan hem besteed.’

Iets wat op het eerste oog los lijkt te staan van zijn andere schrijfsels is het boekje over Haile Selassie, dat verscheen in de door René Zwaap en Mohammed El-Furs in gang gezette reeks mini-biografieën.
‘Rimbaud was bevriend met de vader van Haile Selassie, dat is de link. Daarbij was ik geïnteresseerd in Ethiopië, dat met name in de jaren tachtig toch de hel op aarde was. Het levensverhaal van Haile Selassie is tekenend voor de geschiedenis van dat land. Een sprookjesachtige, vreemde levensgeschiedenis, waar ik iets mee wilde doen. Ethiopië is lange tijd het land geweest waarvan men dacht dat het het paradijs op aarde was. Zoals ik bezig was met ‘de overkant’, wilde ik me ook verdiepen in iets dat in die zin stond voor luilekkerland. Het goudland, op drie dagreizen afstand van het aards paradijs, zoals in de Bijbel staat. Ik wilde – eigenlijk in navolging van Kapuchinski –  een allegorie schrijven. Het was mijn kritiek op het koningshuis hier en in België, waaraan ik de schurft heb. Typisch iets dat we overboord zouden moeten gooien.

‘Ik werk aan een dichtbundel, waarin alle kamers uit Hotel Winston symbool staan voor fases uit het leven. De gang van de puberteit, de kamer van de jeugd, de kamer van de geboorte, de kamer van de dood, de bar als ruimte om de nacht door te brengen.
In juni vorig jaar was ik hier ’s nachts een keertje beland. Ik werd gerold van m’n geld, dus ik ben de volgende dag teruggegaan. Toen de eigenaar hoorde van de kunstgroep bood ie ons direct ruimte aan. Vijftien kamers, tachtig meter lang, voor ateliers. De computer, de kasten, het licht, we maken er allemaal gratis gebruik van. Mecenassen bestaan blijkbaar nog.
Een ander boek dat ik wil schrijven is een roman waarin een mooie conflictsituatie tussen verschillende generaties wordt uitgewerkt, toegespitst op Nederland. Een boek waarin ik – in navolging van Gevoelens op drift van Yves Simon –  op een moderne manier het levensgevoel van de jaren negentig verwoord.
Ik wil proberen of ik dat kan.’

Maarten Slagboom

8 februari 1994, Mens & Gevoelens

Over de interviewer:

Maarten Slagboom is eindredacteur van Bureau Binnenland, de binnenlandredactie van De Ochtenden, VPRO’s actualiteitenmagazine op Radio 1. Voor hij bij de nieuws- en actualiteitenzender ging werken was hij als redacteur verbonden aan het wekelijkse tv-kunstmagazine De Plantage, met Hanneke Groenteman. Als freelance-journalist schreef hij interviews, reportages en recensies voor onder meer het Utrechts Nieuwsblad (selectie), Rails en Humo. Hij studeerde een paar jaar Film- en Theaterwetenschappen in Utrecht en was in loondienst van Margreet Dolman, voor wie hij jarenlang portretterende interviews schreef met schrijvers en kunstenaars, zie hier voor een selectie: De Mens & Gevoelens-Interviews. Met Sietse Meijer en Alwin Etmans richtte hij tijdens studie aan de Academie voor Journalistiek – toen nog gevestigd in Kampen – het culturele tijdschrift Het Gebeuren op, evenals het café L’événement in de Zwolse binnenstad. Hij is ook muzieksamensteller voor de VPRO op Radio 1 (zie hier de playlists).