“Mijn Kudde Wordt Met Uitsterven Bedreigd”

“Mijn Kudde Wordt Met Uitsterven Bedreigd”

Reportage vanuit de Servische enclaves in Kosovo

NRC-Handelsblad, 24 maart 2007

door Serge van Duijnhoven

Op het vliegveld van Priština, dat geheel in Albanese handen is, worden Borka Tomic en ik vriendelijk en met een grapje welkom geheten door Albanese douaniers. In de aankomsthal wijst mijn reisgenote me echter op een felrood uithangbord, waarop “Albanië en Kosovo de reizigers van harte welkom heten”. “Twijfel je er nog aan dat het hier in 1999 ging om het verwezenlijken van de Groot-Albanese gedachte?”, spreekt Borka me verontwaardigd toe. Ik ontmoette haar voor het eerst in Bar Kafka, een door een verlopen Fransman en voormalig Joegoslaven gerunde nachtkroeg in het centrum van Brussel, waar ik sinds vorige zomer ieder weekend zigeunermuziek en Franse plaatjes mocht draaien en tot in de late uurtjes de bar bediende.  Borka was ex-miss Balkan, mannequin, 29 jaar, en de drijvende kracht achter het Serbian Institute for Public Diplomacy. Wat dit laatste was, wist ik toen nog niet, maar Borka nodigde me uit om een keer langs te komen en te praten over “de Servische zaak”.  “Ik weet dat jij een boek hebt geschreven over de Balkan”, vertelde ze me daar. “Je hebt in Sarajevo verbleven gedurende de oorlog, je hebt veel door de Balkan gereisd. Maar waarom heb je nooit geschreven over de Serviërs die zijn achtergebleven in hun benauwende enclaves in Kosovo? Is je interesse voor de regio opgehouden met het afsluiten van het Dayton-akkoord in 1995?” Intussen bezocht Borka de bar waar ik werkte steeds vaker. Ze bracht Servische muziek mee, organiseerde Balkanfeesten die zo druk bezocht werden dat de mensen op de bar moesten dansen, en ze introduceerde Servisch bier uit Novi-Sad dat we voor spotprijzen aan de man brachten. Alles in het kader van een “re-branding of Serbia” zoals ze het zelf noemde. Het opnieuw op de markt brengen van Servië als een gunstige merknaam. Ze had doorvoor nog een masters-degree gehaald in 2003 in Parijs, bij professor Philippe Mihailovic – een Zuidafrikaanse modefotograaf van Servische afkomst die familie was van de beroemde aanvoerder van de çetniks die tijdens de oorlog met Tito in de clinch had gelegen. Borka droeg in de weekends gele T-shirts waarop in trotse letters: “Serbian Brand” stond geschreven. “Ik heb mezelf tot taak gesteld een ander gezicht van Servië te laten zien”, aldus Borka, “om Servië te promoten als een boeiend land met vele mogelijkheden.”

De Albanese taxichauffeur aarzelt om ons naar het Servische dorp Gracanica te brengen, hij vraagt een ridicuul hoge prijs voor de tien kilometer die het vliegveld van het dorp scheiden. Halverwege de tocht, als we van Albanees gebied de Servische enclave binnen rijden, stopt de wagen en stapt de chauffeur uit om het taxiteken van zijn dak te halen en het nummerbord van zijn bumper los te schroeven. “Anders lopen we de kans dat er stenen naar ons gegooid zullen worden”, verduidelijkt de man.
Langs de weg ligt de berm overal bezaaid met lege plastic flessen, vuilniszakken, zwerfvuil dat als gelige smurrie met de wind en de turbulentie van de auto’s wordt meegevoerd. Even later stopt de wagen, een audi 80, voor Motel Dukat in Gracanica. De herberg fungeert behalve als klein hotel ook als vergaderruimte voor lokale politici en zakenlieden. In het restaurant, waar de tv permanent op het Servische turbofolk-kanaal Pink Channel is afgesteld, vergaderen een stel lokale hoogwaardigheidsbekleders met een vertegenwoordigster van de Servische minister van financiën. De kamers op de eerste en tweede verdieping kijken uit over het episcopale landgoed van de bisschop Artemije en het eeuwenoude klooster uit de vijftiende eeuw. Het landgoed wordt, behalve door een metershoge stenen muur, beschermd door gewapende Finse en Zweedse soldaten van KFOR.
In de lobby ontmoeten we Mirko Tabakovic, een van de oprichters van Enclavia, een door het IKV gesteunde lobbygroep voor Servische belangen in het huidige Kosovo: “Het Albanese volk wordt geconditioneerd en gemanipuleerd door de eigen machthebbers die de massa voorhoudt dat met de nakende onafhankelijkheid alle problemen als sneeuw voor de zon zullen verdwijnen. Alle problemen die met armoede, werkloosheid en stagnatie te maken hebben, worden teruggevoerd op het repressieve beleid van Miloševic en het feit dat Kosovo nog steeds een Servische provincie is. Met als gevolg dat het uitroepen van de onafhankelijkheid door iedereen als een conditio sine qua non wordt gezien. Zonder dat de echte redenen van de problemen worden aangepakt. De Albanese agressie wordt daarenboven door de internationale gemeenschap beloond in plaats van bestraft. Als er Serviërs bedreigd of gedood worden, dan is de logica: dat hebben jullie aan jezelf te danken. Moet je maar voor een onafhankelijk Kosovo zijn. Het is een feit, helaas: De Albanese politici werken niet aan een multi-etnisch maar etnisch gezuiverd Kosovo. Van de 150.000 Serviërs die er na de Tweede Wereldoorlog resideerden in de Lab-vallei, zijn er nu nog 1000 over.”
Hoe deze zuivering in zijn werk is gegaan?
“Er werden kudden van Albanese boeren op de velden van Serviërs losgelaten die de oogsten opvraten. Bomen van Serviërs werden omgehakt als het winter werd. Vee werd gestolen of doodgemaakt. Serviërs kregen iedere dag telefoontjes met het dringende verzoek hun woning te verkopen voor bodemprijzen.”

Kort nadat ik haar in Brussel voor het eerst ontmoet had, nodigde Borka Tomic me uit om een persconferentie bij te wonen van de bisschop van Kosovo, Artemije Radosavljevic. De conferentie vond plaats in het 4S-Instituut, een ander Servisch propaganda-orgaan, in een chique boulevard aan de Brusselse zuidrand in de buurt van metrohalte Montgomery. Aan de muur van dit instituut hingen foto’s van gehavende Servische heiligdommen, platgebrande kerken en kloosters, kerkhoven die waren omgewoeld en met granaten beploegd.
Het publiek bestond, behalve uit een keur van internationale journalisten, uit een bikkelharde kern behartigers van “de Servische zaak”. De behartigers spraken een geslepen Amerikaans soort Engels, zaten strak in het pak, en er werd kwistig rondgedeeld met hapjes en drankjes. Met gepaste vertraging schreed bisschop Artemije de conferentieruimte binnen. Een kleine man (1m58) met buitenproportioneel grote bril, een baard die bijna tot op zijn navel reikte, een grote amulet die bungelde rond zijn nek, en een pikzarte kamilavka (orthodoxe mijter) op zijn hoofd. De pers werd verzocht door James George Jatras uit Washington D.C., om de goedheiligman te addresseren met de woorden “His Grace”. De bisschop zelf sprak geen woord Engels, maar later begreep ik van Borka dat His Grace dit – ondanks zijn opleiding – niet wílde spreken. Engels, dat was immers de taal van Tony Blair en Bill Clinton – de voorvechters van de Navo-bombardementen in 1999 waarbij tientallen Servische heiligdomen in rook en vlammen opgingen.
In een brief die de bisschop zijn gehoor in handen liet drukken, getiteld “Word wakker, Europa!”, schreef de kerkleider: “De onafhankelijkheid van Kosovo zal niet het einde markeren van een specifieke Albanese afscheidingsbeweging, maar wel het begin van het uiteenvallen van Europa als een geheel.”
Bijgevoegd was een kaartje van Europa waarop alle regio’s stonden vermeld die seperatistische aspiraties hebben: van Vlaanderen en Wallonië tot Baskenland, Trentino, Schotland, Bretagne, Corsica, Koerdistan en Nagorno Karabach.
“Als de Servische provincie Kosovo onafhankelijk wordt, is er een risico op islamitisch terrorisme in het hart van Europa”, hield de bisschop ons voor. “Pogingen om Kosovo los te weken van Servië door begrip te tonen voor Albanese seperatisten en vertegenwoordigers van het Blanke Al Quaida dat op Europees grondgebied zijn Jihad voort komt zetten, zal een domino effect creëren op het continent, en zal overige extremisten ervan overtuigen dat het gebruik van geweld geoorloofd is om politieke doelen te bereiken. Zoals u weet brengen opgelegde scheidingen van staten altijd ellende en bloedvergieten met zich mee. Is Europa klaar voor nieuwe slachtoffers onder haar eigen dak? Kosovo is het zieke hart van Servië. Als een hart ziek is, moet het genezen en niet aan stukken gesneden worden.”
De bisschop citeerde, tot besluit, uit het Bijbelse boek Spreuken, 10:8:
“Wie wijs van hart is aanvaardt geboden,
maar wie dwaasheid uitkraamt komt ten val.”

Gracanica.KFOR

Ditmaal ontvangt bisschop Artemije van Ras-Prižren en Kosovo-Metohija, ons in zijn episcopale paleis achter de kloostermuren van Gracanica. Een ijzeren poort wordt automatisch geopend.
“De hele provincie Kosovo is de laatste jaren van karakter veranderd”, verzekert de goedheiligman ons met klem. “Het is een naargeestige staat geworden, waar permanente terreur heerst tegen de Serviërs. Waar sedert 1999 meer dan driehonderd orthodoxe heiligdommen verwoest zijn, terwijl er meer dan vierhonderd moskeeën zijn bijgebouwd – veelal met geld van de Wahabieten uit Saoedi-Arabië. Minister van binnenlandse zaken Fatmir Rejepi, heeft dit onlangs nog bevestigd in het Kosovaarse parlement. Dit ingeslopen islamitische fundamentalisme dat nu zo aanwezig is in Kosovo, vormt een serieuze bedreiging voor de rest van de Balkan alsmede voor Europa.”
De mobiele telefoon van de bisschop gaat af, midden in ons gesprek. His Grace bezit een zeer luxe en duur model, dat bij het spreken geheel verdwijnt in zijn baard. Als het telefoongesprek voorbij is, vraag ik de bisschop of het moeilijk is om, gegeven de politieke situatie, nog voldoende met spirituele zaken bezig te zijn?
“Mijn politieke activisme is een noodzakelijk uitvloeisel van mijn taak als spirituele leider van de orthodoxen in Kosovo”, verzucht de kerkleider terwijl hij zijn GSM voor zich op tafel legt. “Mijn spirituele taak is helaas niet alleen maar een kwestie van bidden, maar ook van overleven geworden. Ziet u, mijn kudde wordt met uitsterven bedreigt. U moet zich voorstellen wat voor bedreigingen we dagelijks te verduren krijgen. Het is niet zozeer de toorn van God die ons treft, als wel de toorn van de Albanezen samen met die van de VS, omdat we in het verleden niet steeds gedaan hebben wat Washington van ons verlangde. Je vindt hetzelfde verzet ook in Irak, Iran, Venezuela.”
Als Kosovo onafhankelijk wordt, zal Artemije dan in die Albanese staat blijven wonen?
“Dat is een hypothetische vraag. Wij zijn van mening dat dit niet KAN gebeuren. En als het dan toch gebeurt, dan zal een christelijke natie in het hart van Europa vernietigd worden en kunnen de misdaden jegens de christenen die hier zijn achtergebleven, de vrije loop krijgen. De etnische zuivering van Kosovo door Albanezen die de Serviërs terroriseren is volop aan de gang. Maar Servië zal zich Kosovo niet laten ontstelen. Servië beschouwt Kosovo als de wieg van zijn beschaving. Het concept van een onafhankelijk Kosovo is onacceptabel.”

De volgende dag gaan we op pad met Svetlana Stevic, hoofd van de NGO Majka Devet Jogovica, een humanitaire kerkorganisatie, in een landrover gevuld met broden en pannen soep voor arme Serviërs die in afgelegen gebieden kreperen.  We rijden langs de oevers van Gracanica Jezero richting Kamenica en Pomoravlje. Serviërs durven er niet meer te komen om te zonnen of pootje te baden. Het is Albanees gebied geworden.
In het dorpje Nvo Brdo bevindt zich, in een oude loods voor boilers en warmtebuizen, een gaarkeuken.  Daar koken drie mannen twee keer per week voor 28 kinderen en 320 dorpsbewoners pannen met soep die ze mee kunnen nemen naar huis in emmertjes van tupperware. De Serviërs die zich rond de landrover en de loods verzameld hebben zien er allemaal oud, verfomfaaid, verpauperd en vermagerd uit. De ellende straalt van hen af. Trummerleute. Boeren en boerinnen en hun jonge kroost. Enkele van de Serviërs klagen over het oude brood dat ze uitgedeeld krijgen.
Svetlana Stevic vertelt dat de voedselbedeling al vijf jaar lang plaatsvindt. “De enigen die blijven, zijn zij die niet kunnen vluchten. De ouden en de zieken en de armen. Als je de hel op aarde wilt zien, moet je hier rondkijken. Al het vee van de boerderijen is gestolen.  Op de velden en de heuvels grazen er geen koeien en schapen meer. De boeren die hier nog over zijn, verkeren aan de rand van hun bestaan. Hun oogst wordt systematisch vernield door Albanezen die hun vee laten grazen op Servische velden en akkers. En als de boeren geoogst hebben, waar moeten ze hun producten dan op de markt brengen? De Albanezen willen hun producten niet, of ze kopen ze op voor prijzen waar niets meer aan te verdienen valt. ”

In het dorp Vitina, niet ver van de Macedonische grens, woont priester Svonko Kostic met zijn vrouw, zijn zus en drie kinderen. Vader Svonko is op 12 juli 2000 gewond geraakt bij een Albanese wraakactie. Een voormalig UÇK strijder uit de omgeving heeft geprobeerd hem te liquideren. De schietpartij vond plaats vanuit een auto die hem passeerde. “Het gebeurde in Klokot, op St Pieters Dag. De twaalfde juli, het was zomer. Na de liturgie moest ik naar een begrafenis om daar de dode te zegenen. Er werd naar me geschoten vanuit een rijdende auto, als in een Amerikaanse film. Een kogel drong door mijn heup, een andere doorboorde mijn knie. Er vielen drie gewonden, mensen die met mij meereden naar de begraafplaats. De schutters vluchtten. Een patrouille van UNMIK die passeerde, nam ons alledrie mee naar het hospitaal van de Amerikaanse legerbasis Bondsteel. Ik ben daar geopereerd en vijf dagen lang behandeld. Ik ken de dader die mij heeft beschoten persoonlijk, Sadat Fejza is zijn naam. Unmik heeft hem gevangen genomen, maar na een maand weer vrijgelaten omdat de slachtoffers bij het begin van het proces tegen de schutter “verstek lieten gaan in de rechtzaal”.  De chirurg die de kogels uit mijn heup en knie heeft verwijderd, zei dat hij de kogels voor mij zou bewaren als bewijs. Maar ik heb de kogels nooit van hem gekregen. De zaak werd geseponeerd.”
De pope laat, in zijn slaapkamer met de deur dicht, de littekens zien die de kogelwonden in zijn lendenen en knie hebben nagelaten.
“Het trieste is dat die Sadat Fejza later nog drie andere Serviërs uit de buurt te grazen heeft weten te nemen. Die mensen kunnen het niet meer navertellen. De drie zijn geliquideerd terwijl ze voor een winkel stonden te praten. Ja, de intimidaties duren nog altijd voort. Dagelijks zijn er bedreigingen, telefoontjes, uitingen van agressie.”
Vader Svonko kijkt bezorgd, terwijl hij opnieuw de odora over zijn kleren aantrekt. “Het is een hoofdzonde om iemand te doden,” mijmert de priester. “Dat is wat de tien geboden me voorschrijven. Begrijp me goed, ik ben tegen geweld. Maar soms… soms is het een zonde om iemand níet te doden… Om het kwaad intact te laten en het voort te laten woekeren.” Er kronkelt een diepe frons over Svonko’s voorhoofd.
“Er zijn enkele Albanezen met wie ik op goede voet verkeer, maar contact onderhouden met deze mensen is moeilijk want de Albanezen willen niet graag met Serviërs samen gezien worden. In groepen zullen ze me altijd negeren of intimideren, maar als ze alleen zijn stappen ze soms wel over hun eigen schaduw heen en begroeten ze me vriendelijk.”

In tegenstelling tot het verpauperde, statische leven in de Servische enclaves, is het duidelijk dat het leven in en rond Priština een hoge vlucht genomen heeft. De stad is één grote ongecontroleerde excavatie, een bouwput van een omvang die alleen te vergelijken is met het Berlijn van de jaren negentig. In 1999 telde de stad zo’n honderdvijftigduizend inwoners, waarvan zo’n dertigduizend Serviërs. Tegenwoordig lopen de schattingen uiteen van zo’n zeshonderdduizend tot zevenhonderdvijftigduizend inwoners, waarvan welgeteld nog maar 143 Serviërs.  Volgens Serviërs is dit een bewijs van de ethnische zuiveringen die in Kosovo overal aan de gang zijn, volgens Albanezen is het een stap in de goede richting.
De Albanezen die nu in Priština wonen, komen uit alle streken en windrichtingen: uit de dorpen en bergen, maar ook uit Albanië en het overige buitenland. Niet iedereen is even blij met de nieuwe buren. Azen Bujupi, een acteur die Borka en mij gastvrij ontvangt in de bomvolle Feniks Bar in hartje centrum, en die ons ongevraagd een litervolle karaf “Skenderbeg-cocktail” aanbiedt, doet zijn beklag: “er zijn veel boerenpummels in de stad neergestreken, mannen met baarden en vrouwen met sluiers en tien kinderen.  Ze spreken een ander soort Albanees dialect, en komen duidelijk niet uit Kosovo. Soms verlang ik naar mijn oude, Servische buren. Maar ja, dit is de prijs die we voor de nieuwe vrijheid betalen. “
Azen is uiterst vriendelijk tegen Borka, die zich eerlijk als Servische heeft voorgesteld. “De meeste Serviërs liegen over hun afkomst als ze hier zijn. Ze zijn bang. Ik ben blij dat jij niet liegt.”
Hebben ze reden om bang te zijn?
“Ja en nee. Het lijkt me niet prettig om hier nu als Serviër te wonen. Wat mij betreft zijn de Serviërs weer welkom. Het zou goed zijn voor de culturele samenstelling van de bevolking.”
Is ook Azen een voorstander van onmiddellijk Albanees zelfbestuur voor Kosovo?
“Absoluut. We worden door Belgrado nog altijd in gijzeling gehouden. We worden gekidnapt door vijf procent van de bevolking.”
Ook op straat wordt deze onvrede geuit. En steeds vaker treft de woede niet alleen de Servische minderheid, maar de hele internationale gemeenschap. Regelmatig worden er demonstraties georganiseerd door de “Vetevendosje”-pressiegroep, die spandoeken met zich meedraagt waarop de VN en OVSE wordt aangemaand om eindelijk op te hoepelen uit Kosovo. Vetevendosje is Albanees voor zelfbestuur. “Ook ik heb genoeg van de manier waarop de internationale gemeenschap ons als stiefkindje behandelt’, schreeuwt Azen boven de luide R&B-muziek uit. Zijn Engels is vlekkeloos. Hij legt amicaal een arm rond mijn schouder. “KFOR heeft hier goed werk verricht, en UNMIK ook. Maar nu is het tijd om het bestuur aan de mensen over te dragen die hier wonen. Hun aanwezigheid rekt het vacuüm waarin Kosovo economisch en cutlureel verkeert, nodeloos lang. Wat de mensen ook een doorn in het oog is, is dat de buitenlandse werknemers een veel hoger salaris krijgen uitbetaald. En ze mengen zich nauwelijks met de lokale bevolking. De economie is hier een puinhoop en de mensen bijten op een houtje, maar de internationale werknemers vertrekken ieder weekend naar Skopje en Thessaloniki om lekker te gaan eten en uit te gaan. Dat creëert afgunst. Het apartheidsregime van de Serviërs heeft plaatsgemaakt voor het apartheidsregime van de internationale gemeenschap.”
Naarmate het later wordt, verplaatsen steeds meer mensen uit de Feniks Bar zich naar de Boumboum Club, om de hoek. Vlakbij het grote billboard waarop een lachende Bill Clinton en Tony Blair voor hun bewezen diensten in 1999 worden bedankt. In de club is live-muziek te horen van westers getinte rockbands, en hiphop. Ook hier is het hutje mutje, maar ik zie nauwelijks of geen bezoekers buiten de Albanese jeugd die hier heupwiegend uit zijn dak gaat. Rond een uur of twee in de ochtend neem ik een taxi terug naar Gracanica, op een taxistop die is gevestigd aan het Madelein Albright Plein.
Het uitgaansleven in Gracanica heeft, vergeleken bij het swingende nachtleven in Priština, een hoog boerenpummel-gehalte. In bar Dolce Vita dansen Servische blockheads de two-step op folkschlagers. De jongens dansen woest en met de handen hoog geheven op de etno-beat. De sfeer is die van een ruige Wild West saloon. Er wordt Macedonisch bier gedronken, slivovica en cola. De overige jeugdigen van het dorp gaan uit in een omgebouwde boeren stal midden in het akkerveld, waar in plaats van koeien, kippen en varkens, de Servische jeugd onder de hanenbalken brult en krioelt. De plafonds zijn afgedekt met jute, het is er bloedheet en ongemeen druk. De band speelt rock en joegoslavische evergreens. Ook hier een overdaad aan boerenjongens die allemaal dezelfde kapper en kleermaker lijken te frequenteren. Waar zijn de meisjes?  Die studeren, elders in Servië of in Mitrovica – waar zich de enige Servische universiteit van Kosovo bevindt. In de stal stinkt het naar pis, de toiletpotten lopen over van de urine en de jongens doen hun behoefte vrijelijk in het open veld.

Artemija.stepping in car

Er is veel kopiëergedrag op de route van Priština naar de grens van Macedonië. Het ene na het andere glimmende gloednieuwe motel schiet voorbij, als ook het ene na het andere pompstation. Motel Harea, Motel Kedoni, Motel Sefer, Motel Europa… De pompstations dragen namen als Euro Mit, Ega Petrol, Hit Petrol, Power Point. Er zijn meer dan 40 stations gebouwd tussen Priština en de Macedonische grens, dat is één pompstation om de anderhalve kilometer. Volgens Borka zijn de motels en pompstations vooral een dekmantel voor andere aciviteiten. Links en rechts flitsen de minaretten voorbij van moskeeën in aanbouw.
We rijden met de auto naar Strpca, en vandaar omhoog naar het skigebied Brezovica. Er is jaren lang niet meer in deze plek geinvesteerd, het meerendeel van de skiliften verkommert en verroest. Zelfs de Servische regering in Belgrado is bang om er geld in te steken. Volgens Ivan Milosavljevic, de eigenaar van Motel Montagne op 1700 meter hoogte, toont dit aan dat de Serviërs ervan uitgaan dat Kosovo sowieso onafhankelijk wordt en dat investeren geen zin meer heeft. Ivan is een man met een getaand gezicht en grijswitte krulletjes. Aan de overkant van zijn tafeltje zit zijn Albanese boezemvriend Rexhep. Ze drinken vinjak – een soort goedkope cognac- en een mengeling van witte wijn en mineraalwater. Vanuit de computer klinkt Oliver, de Kroatische chansonier. “Hierboven is Joegoslavie intact”, grinnikt Rexhep. “Beneden is het een zootje.”
Ivan woont het hele jaar door hierboven op de berg. Hij organiseert ’s zomers uitstapjes in de natuur. Paardrijden, bergbeklimmen, vissen, wildlife excursions, mountain jogging. Ivan heeft acht paarden via de Amerikaanse luchtmachtbasis Bondsteel op de kop weten te tikken. De paarden werden in 2001 gebruikt door het UCK om wapens de bergwand over te smokkelen richting Tetovo, waar de Albanese rebellen zich aan Macedonische zijde hadden ingegraven en de steden in het dal bestookten met geweer- en granaatvuur. De paarden, die getraind waren om op eigen houtje hun doel te vinden, waren geconfisceerd door Amerikaanse bergpatrouilles. “’s Zomers laat ik de paarden aan de toeristen, ’s winters aan de dorpsbewoners in het dal. Dan gaan de dieren op stal.”
Ivan heeft het recht om elk jaar op een bruine beer en vier wilde zwijnen uit de bossen in de bergen te jagen, en te verwerken voor gerechten in zijn keuken. Hij prepareert de beesten zelf, en maakt er berenragoût- en zwijnengoulasch van. Borka en ik eten ervan in zijn restaurant. Het wild wordt geserveerd met ingemaakte groenten, paprika, tomaat, witte kool en gebakken aardappelen. In het motel worden jaarlijks ook miss-wedstrijden georganiseerd. De mooiste bergbloempjes aan Servische en Albanese zijde mogen er ter keuring over de piste defileren. De winnares krijgt de titel mee van Miss Daffodil.
Veel buitenlandse toeristen komen er niet meer, Serviërs van buiten Kosovo evenmin. Het clienteel bestaat voor negenennegentig procent uit Albanezen die in het skigebied een kijkje komen nemen en een dagje komen skieën. De meesten vertrekken aan het einde van de middag met de auto of bus weer terug naar het dal.
De Serviërs van buiten Kosovo blijven weg, omdat ze heel Kosovo door moeten rijden voor ze hier kunnen arriveren. “We voelen ons in de steek gelaten door de Serviërs”, zegt Ivan. “Wij leven hier in een totaal afgesloten berg-ghetto. Achter de bergkam bevindt zich Tetovo, het Albanese fort dat de uitvalsbasis is van alle Macedonische Albanezen. Achter ons bevindt zich Albanees Kosovo. Iedereen vraagt me waarom ik hier niet wegga. Ben je gek? zeg ik de mensen dan. Ik blijf, al kost het me mijn kop. Deze prachtige bergen zijn mijn lust en mijn leven.”

Bij avondval bereiken we het beroemde klooster van Dečani, dat als bedreigd monument is opgenomen in de werelderfgoedlijst van de UNESCO. Ook hier bewaken Italiaanse soldaten van KFOR de ommuurde vesting, die aan alle zijden door Albanese bewoners is ingesloten. De stad Djakovica, die vlakbij ligt, is na de oorlog van 1999 voor honderd procent Albanees geworden. Alle kerken en orthodoxe heiligdommen in de stad zijn met de grond gelijkgemaakt, en verschillende malen is geprobeerd om met granaten, obussen en mortiervuur hetzelfde te bewerkstelligen met het oude klooster van Dečani.
In de refter hangt een groot portret van Artemije. De monniken serveren rakija op een zeer lange houten tafel. Een sanseveria groeit stilletjes omhoog in de hoek van de eetkamer. Het vertrek ligt ietwat scheef, het gevolg van een verzakking van de aarde. De vloeren en wanden zijn gemaakt van donker ebbenhout. Aan de muur hangt een oorkonde van de Unesco waarin het klooster omschreven wordt als een monument in groot gevaar.
Het is in dit klooster dat er wijn gemaakt wordt van de druiven uit Velica Hoča. En rakija, Servische grappa van druivendroesem. Vader Theodosius, de vicaris van Dečani en Metohija, wil niet dat het gesprek opgenomen wordt. Theodosius hangt een meer verzoenende koers aan dan de als rigoureus-nationalistisch bekend staande bisschop Artemije, en wil niet dat er heibel ontstaat over zijn woorden.
Borka vraagt hem hoe hij zich tracht te verdedigen tegen de “reinvention of tradition and history” die overal in Kosovo volop aan de gang zijn. In Albanese geschiedenisboekjes wordt tegenwoordig onderwezen dat de orthodoxe kloosters en kerken eigenlijk oude Albanese heiligdommen zijn die in de loop van de eeuwen door de Serviërs zijn geconfisqueerd en voor propagandadoeleinden werden gebruikt om de Servische aanwezigheid in Kosovo goed te praten.
“Allereerst spiritueel”, vertelt vader Theodosius met zachte stem. “Verder moeten we meer monniken zien aan te trekken. En moeten we pogen financiëel en anderszins zo onafhankelijk mogelijk te worden, zodat we ongeacht de situaties in staat zullen zijn te overleven als volledig omringde enclaves. Als we geen Servische aanwezigheid behouden, hier in Kosovo, dan is alles voor niks geweest en zullen we als christenen hier nooit meer iets kunnen bereiken. Die ijver van de Albanezen om de geschiedenis naar hun hand te zetten, is behalve feitelijk onjuist ook ronduit gevaarlijk. Het verspreiden van dit soort leugens laat de wederzijdse haat opflakkeren en doet het onbegrip, dat toch al zo groot is, nog toenemen.”
Vanwege verontwaardigde internationale reacties, onder andere die van Timothy Garton Ash, die een goede vriend is van vader Theodosius, is de Albanese regering in Kosovo gedwongen geweest om te ontkennen dat de geschiedenisboekjes op last van de regering dit soort dwaze claims fabriceerden. In het daaropvolgende Memorandum of Understanding dat werd opgesteld, staat nu duidelijk vermeld dat de Servische orthodoxe kerk van oudsher aanwezig is in Kosovo, dat het eigendomsrechten bezit over haar eigendommen, en dat het kerkelijk hoofdkwartier van de Servische “pravoslavi” in Belgrado is gevestigd. Ook in annex 5 van het door Martti Ahtisaari geformuleerde plan voor het bepalen van de status van Kosovo, staat dit expliciet vermeld.
Vader Theodosius: “Onze omgeving is voor honderd procent Albanees, dat kunnen we niet meer ontkennen. Geen enkele priester kan het klooster nog verlaten zonder bescherming van KFOR of UNMIK. Annex 5 geeft ons veel rechten en garanties, we moeten blij zijn met het plan. Binnen de kloostermuren zijn we volledig onafhankelijk. Maar er zijn helaas veel kapers op de kust. Een invloedrijke Albanese zakenman, Fiorian Kresaici, poogt alsmaar de grond aan te kopen waarop het klooster en zijn aanverwante eigendommen zijn gebouwd. Hij wil op ons terrein een marmergroeve laten bouwen, en een fabriek voor het bottelen van mineraalwater. De dienst Protection Zone Regulation heeft hier vooralsnog een stokje voor kunnen steken, maar het feit dat de koop van Kresaici niet kon doorgaan, leidde tot demonstraties die tegen de aanwezigheid van ons klooster gericht waren. De situatie is zeer ontvlambaar.”

In de wagen van pope Petar Ulemek rijden we verder naar Peć, waar we een familie willen bezoeken van teruggekeerde Serviërs. Een van de twee families die in deze stad op instigatie van UNMIK vanuit Servië naar hun geboortegrond zijn teruggekeerd. Als we de stad binnenrijden, wordt er met lege blikjes en stenen naar onze wagen gegooid.
Een meute volgt ons als we naar het huis van de familie lopen. Er wordt geroepen, gefloten, gesist. Vader Petar blijft er volstrekt kalm onder en doet of hij niks hoort. De Servische familie blijkt het huis in de binnenstad alweer te hebben verlaten, en naar Belgrado te zijn teruggekeerd. Op een bord in het park staat geschilderd: NO NEGOCUJATE  en SELF DETERMINATION NOW.
Iets verderop, in het eveneens beschermde en oogverblindende Patriarchaat van Peć, gaan de deuren wel open. Binnen wacht ons een ontvangst van 23 nonnen. De nonnen bieden honing aan. De meeste zusters zijn hoogbejaard. We worden te woord gestaan onder een poster van de oude stad Jeruzalem, en een portret van patriarch Pavle uit Belgrado. Zuster Dobrila (76) vertelt in het Frans, in een dwingende monoloog: “Iedereen heeft ons verlaten, maar we hebben nog wel het geloof in onze Heer en in het behoud van onze ziel.”
Dobrila heeft slechte herinneringen aan de Nederlandse KFOR soldaten in Orahovac. Eén van die soldaten heeft ze een Servische vrouw zien mishandelen, waar haar twee kinderen bijstonden. “De Nederlanders haten ons Serviërs, en die haat uitte zich ook in hun agressieve gedrag jegens ons. Het zal wel met Srebrenica te maken hebben. Hun eigen falen in die enclave, reageren ze af op Serviërs die met de tragedie niets te maken hebben. Voor hen zijn alle Serviërs in Kosovo nationalistische zwijnen.”
“De  Serviërs in dit gebied zijn allemaal gedoemd om in enclaves te leven. Dat is een ongewenste en vernederende situatie, maar tegelijkertijd is het zo dat we buiten die enclaves niet meer kunnen overleven. De terugkeer van Serviërs wordt systematisch bemoeilijkt of tegengehouden door de Albanezen. Dat is onze grote tragedie. Als kloosterlingen leven wij altijd afgesloten van de buitenwereld achter hoge muren en in stilte. Wij zijn het gewend. Maar wat zijn kloosters zonder volk om te dienen? Wat is een herder zonder kudde? Ik zeg het u: wij zijn als een piano zonder snaren. Er komt geen goed geluid meer uit ons. Wij zijn de laatste der mohikanen op de Kosovaarse prairie.”

Voor we de terugreis naar Brussel aanvaarden, vervoegt Borka Tomic zich in Dolce Vita, het cafe van Gracanica, om daar een laatste ontmoeting te beleggen met Mirjana Miladinovic, directrice van de modeschool Dom Kulturna. Afgelopen zomer heeft ze, samen met twee modecorifeeën uit Parijs, een modeshow georganiseerd voor de meisjes van middelbare scholen in de gemeente. Borka zette een etno-netwerk voor Europese modellen op, die de Servische meisjes onderwezen in het lopen over de catwalk en het samenstellen van een eigen collectie. “We noemden dat evenement “De flakkerende kaars van de hoop in het Donkere Hart van Europa”. De modellencursus heeft de meisjes van Gracanica weer wat meer kracht en hoop gegeven. Het biedt hen, net als de orthodoxe religie waar ze serieus mee bezig zijn, hoop en waardigheid.”
Borka laat foto’s zien van het defilé van afgelopen zomer. De jeugd kijkt ingespannen mee. Ze hangen met hun hoofden over elkaars schouders. De scholieren van Dom Kulturna zijn – evenals hun ouders – dolblij dat ze eindelijk even van thuis weg kunnen. Dat ze even de sleur van het dagelijks leven in het bedompte Gracanica kunnen doorbreken. Het leven in de enclaves lijkt letterlijk stil te staan als water in een put dat gaat putrefiëren.
In het vliegtuig terug naar huis gaat de strijd van Borka Tomic onverwijld voort. Ze zit naast een jonge Albanese student Landbouwwetenschappen die met haar discussieert over de afkomst van de Albanezen. “Wij Albanezen zijn afstammelingen van de Illyriërs”, beweerde de jongen. “Onze voorouders bevolkten de Balkan al lang voordat de Slaven het gebied koloniseerden.” Borka haalt allerlei historische bronnen aan, waaruit moet blijken dat het verhaal over de Illyriërs afkomstig is uit de grabbelton van romantische Albanes historici die een loopje nemen met de geschiedwetenschap en de archeologie. Als de student het woord “Servische minderheid” laat vallen, springt Borka vanuit haar vliegtuigstoel uit haar vel. Haar lange benen stampen verontwaardigd op de vloer van de cabine. “Hoe kun je als Serviër tot een minderheid behoren in Servië?”, houdt ze haar buurman voor. “Kosovo is nog altijd Servisch, vergeet dat niet!”
De eindeloze twist tussen mensen van volkeren die eeuwen zo niet millennia lang buren van elkaar zijn geweest, doet me denken aan een parabel die me ooit verteld is door de aartsbisschop van Macedonië, Mihael Gogov Metodija. De kerkleider, van een heel ander kalliber dan de nationalistische en materialistische bisschop Artemije, spiegelde mij het verhaal voor om me destijds enige duidelijkheid te verschaffen over het gedrag van zijn mede-Balkanbewoners in Bosnië.
Mihael was vierentachtig. Als hij sprak, kwam zijn stem van diep. Zijn gezondheid was broos. Zes jaar had hij gevangen gezeten op Goli Otok, een steengroeve voor de kust waar de communistische en anti-kerkelijke maarschalk Josip Broz Tito hem dwangarbeid had laten verrichten. Op het eiland leerde hij in de avonduren Engels. En ’s nachts vertaalde hij boeken uit het Russisch, vooral Dostojevski, Tolstoj en Gogol. `Ik had het makkelijker dan veel van mijn medegevangenen,’ zei Mihael over zijn krijgsarbeid. `Ik wist tenminste waarom ik gevangen zat.’
De man was de mildheid zelve, maar de oorlogshandelingen van zijn voormalige landgenoten in Bosnië, Servië en Kroatië verbaasden hem geenszins. `De Balkan wordt bevolkt door volkeren die veel hebben geleden. De wraak lijkt op ons allen te rusten als een banvloek. Het kost moeite om die vloek te breken.’ De parabel die hij toen vertelde, over de oorsprong van de Balkan-vloek, schijnt in verschillende variaties onder de Zuidslavische bewoners voor te komen. Hij gaat over de aanleiding voor God om de mensen te verlaten.
Lang geleden, aldus het verhaal, toen God nog samen met de mensen de aarde bewoonde, zwierf Hij eens in de winter door de bergen van het land dat Hij geschapen had. De avond viel en het begon hevig te sneeuwen en er stak een storm op. God kreeg het koud en klopte aan bij een van de kleine boerderijen in het dal. Een man deed open en gaf God te eten en te drinken, en hij stookte de kachel extra hoog op om het zijn verkleumde gast gerieflijk te maken. God was de boer dankbaar voor zijn gastvrije ontvangst, en Hij wilde dat tonen door de man toe te staan een wens te doen. `Maar denk eraan,’ zei God, `alles wat je wenst, zal je buurman ontvangen in tweevoud. Wens je  een baar goud, dan krijgt je buurman er twee, wens je drie koeien, dan krijgt je buurman er zes. Wens je vier zonen, dan krijgt je buurman er acht.’ De boer dacht diep na. Hij wist zo snel niet wat hij moest wensen, want hij wilde niet dat zijn buurman er beter van zou worden dan hijzelf. De boer stelde voor eerst te gaan slapen. In de ochtend zou hij God dan vertellen wat zijn wens was. ’s Ochtends vroeg God aan de boer of hij wist wat hij wilde wensen. `Ja,’ zei de man. `Ik wil dat U mij een oog uitneemt.’
Hierover zou God zo verbolgen zijn geweest, aldus de aartsbisschop, dat Hij besloot niet langer onder de mensen te blijven en de aarde te verlaten.

De boer wilde niet dat zijn buurman beter af zou zijn dan hijzelf. Dus wenste hij dat hem een oog zou worden uitgenomen.
De implicatie van Mihaels parabel is zonneklaar: liever dan rijk ziet de boer zijn buurman blind. Zelfs het licht in de ogen is hem niet gegund. De parabel van Mihael maakte voor mij in een keer meer duidelijk dan alles wat ik tot dan toe over het schijnbaar eindeloze conflict op de Balkan te weten was gekomen.
`Wat zou jij hebben gewenst, als je in de positie van de boer had verkeerd?’ wilde Borka in het vliegtuig van mij weten, nadag ik haar over de parabel had verteld. Ik antwoordde dat de boer volgens mij had moeten wensen dat hij iedere dag een comfortabele slaap zou mogen genieten van twaalf uren. De buurman zou dan zijn hele verdere leven in een vredige, comateuze toestand moeten doorbrengen, als een soort van snurkende, mannelijke Doornroosje die in zijn alkoof lag opgebaard.
Borka lachte wat schamper.
`Het is te merken dat je niet van de Balkan komt,’ zei ze. `De buurman zou er je dankbaar om zijn. Hij zou een stuk minder hoeven te werken dan jij…’
`En jij?’
`Ik zou niet wensen dat er bij mij een oog zou worden afgenomen, maar een teelbal.’

* * *

Serge van Duijnhoven (1970) is schrijver, dichter en historicus. Woonachtig te Brussel, geboren in Oss (Noord-Brabant, NL). Oprichter van tijdboek MillenniuM en de Stichting  Kunstgroep Lage Landen. Verbleef in Sarajevo voor De Morgen en de Volkskrant. Debuteerde in 1993 met de dichtbundel Het paleis van de slaap (Prometheus). Frontman van het muziekgezelschap Dichters dansen niet. Recente publicaties: Wij noemen het rozen (Podium), Fotografen in tijden van oorlog (Ludion), Obiit in orbit; aan het andere einde van de nacht (De Bezige Bij), Bloedtest (De Bezige Bij) en Ossensia Brabantse gezangen (Jan Cunen). In het komende jaar zullen van de schrijver twee nieuwe boeken verschijnen: De zomer die nog komen moest (proza; Nieuw Amsterdam) en Klipdrift (poëzie + cd; Nieuw Amsterdam).
© Serge van Duijnhoven

5 reacties

  1. Landen als Griekenland, Bulgarije en Servië zijn erg oude staten. Het moederland is Griekenland (Oost-Romeinse Keizerrijk) en juist dit onderdeel van de Europese geschiedenis is onbekend in de rest van Europa. De wetgeving in deze drielanden houdt zich veel bezig met soevereiniteitskwesties. Servië is een land dat tussen de achtste en de negende eeuw ontstaan is en stond toen bekend als Rascia. Ik ben absoluut geen nationalist en zeker geen aanhanger van de Groot-Servische gedachte, maar Rascia strekte zich uit van Ravena tot voorbij Skopje. De hoofdstad was Ras. Deze stad bestaat nog en ligt 40 km ten noorden van Kosovo en Metochia.Het 1ste Servische Koninkrijk is ontstaan in 1170 toen de koninklijke familie Nemanjic-Stefanovic als vorsten erkend en gekroond werden door de keizer van Byzantium. De hoofdstad van het Servische Koninkrijk was Prizren in Kosovo. Geen enkele Servische staat ( Servië was meestal een verzameling van staten (vorstendommen).) werd hierin gedefinieerd als zuivere etnische entiteit. De Servische keizer Dusan, die een keizerrijk had tussen de vier zeeën, Zwarte, Egeische, Thyreense en Adriatische, heeft zijn keizerrijk gedefinieerd als de staat van alle Serviërs, Grieken en Arnauten en Arbanassen (Geggas en Toscas; Shquiptaren of Albanezen). Keizer Dusan was zo wijs dat hij zich eerst liet kronen door de Aartsbisschop van Rome en daarna door de keizer van Byzantium. Keizer Dusan was van zijn moederskant Grieks en van zijn vaderskant Servisch. Hij heeft enkele vrouwen uit zijn familie aan de Albanese en Russische adel uitgehuwelijkt.De wapenschilden van Servië, Rusland en Albanië hebben daarom de dubbele adelaar. Hij regeerde in de 14de eeuw en zijn hoofdsteden waren Skopje en Seres (Noordoost-Griekenland). Servie was de meest moderne staat in Europa in de 14e eeuw, op alle gebieden. De komst van de Turken heeft de Serven teruggebracht naar het jaar 0 en 500 jaar lang op dat nivo gehouden omdat de Turken dermate ongeciviliseerd en primitief waren.In de 13 eeuw werd op het slagveld van Kosovo de opmars van de veroverende Turkse leider Osman gestopt. Een oorlog van 100.000 met name Serviërs voerde een oorlog met 300.000 Turken. Uiteindelijk leden beide legers veel nederlagen, maar de opmars van de Turken werd stop gezet. Door de nederlaag waren de Turken geen bedreiging meer voor Europa. De verhouding tussen de Albanese, Griekse en Servische bevolking was nooit ideaal. De Slavische stammen op de Balkan leefden dominant in de vruchtbare valleien nabij de rivieren. Zij waren niet rijk, maar zij hadden een overschot aan voedsel en kleren. Zij bouwden echter permanente stenen huizen en kerken. Alleen al in Kosovo en Metochia kunt u 1300 oude Servisch orthodoxe kerken en kloosters vinden. Veel monumenten zijn echter de afgelopen jaren vernietigd [150!!?]. De Albanezen waren nomaden en trokken met hun kudden door de bergen. Hun huizen waren meestal niet permanent en er zijn daarom geen echt oude Albanese monumenten bekend. De vroegste documenten die enig zicht geven op de etnische samenstelling van Kosovo en Metochia, zijn kloosterregisters uit de 13e en de 14e eeuw. Daaruit blijkt dat destijds 2 procent van de bevolking Albanees was. Na de Osmaanse verovering van de Balkan trokken veel Albanezen naar Kosovo en Metochia. Die verruilden het rooms-katholicisme massaal voor de islam. Tegelijkertijd sloegen veel Serviërs, na verschillende mislukte opstanden, op de vlucht in noordelijke richting. Van Servisch-orthodox werd Kosovo langzaam Albanees-islamitisch.De Albanese meerderheid in Kosovo, zelf het product van de anti-Servische bevolkingspolitiek van Mussolini en Tito en van recente Albanese terreur, is er vastbesloten om zich volledig van Servië los te maken. Onder Mussolini hadden de Kosovaarse Albanezen hun groot-Albanië, wat hun de gelegenheid gaf om vele Serven te verdrijven, wier plaats ingenomen werd door inwijkelingen uit Albanië.In die oorlogsjaren werden de Serviërs in Kosovo en Metochia vervolgd en verdreven. Er werden veertigduizend Serviërs per trein gedeporteerd.Na de oorlog werd Joegoslavië een communistische republiek, die met harde hand werd geregeerd door Kroaat Tito. De Kroaat had veel begrip voor de wensen van de Kosovaarse Albanezen. Na etnische onlusten in de jaren ’60, verleende hij hun in 1974 een verregaande vorm van autonomie. Tito liet de Servische verdrevenen niet toe om terug naar hun haardsteden te trekken, terwijl onder zijn bewind de inwijking van Albanezen verder ging. En zo verloren de Serven hun Kosovo. De echte Albanezen leven sinds mensenheugenis op hun grondgebied, dat ongeveer het huidige Albanië omvat. Dit zijn de Zuid-Albanezen en Noord-Albanezen, correcter de Tosken en de Gegen. Zij spreken de twee basisdialekten Toskisch en Gegisch, die samen het Albanees vormen. Pas in 1972 werd er een algemene Albanese taal opgelegd, voornamelijk gebaseerd op het Toskisch. Tegenstanders (vooral Gegen) bestrijden dit, deels omdat dit voortgekomen zou zijn van de communistische leiders, die vooral Tosken waren. Fout echter, het is taalkundig relatief correct gebleken. Hoe dan ook – officieel Albanees, Toskisch of Gegisch dialect -, het gaat telkens om een taal die de ‘Albanese Kosovaar’ moeilijk verstaat en amper spreekt. Zij spreken wat ze zelf noemen Skip, afgeleid van de zichzelf toegekende eigennaam Skiptaren.Wie zijn de Skiptaren?Het zijn de afstammelingen van de Ottomaanse bloedlegers, die de Balkan gedurende eeuwen onderdrukten. Zij islamiseerden de streek zeer fanatiek en vestigden zich massaal in Noord-Albanië, Zuid-Kosovo en Noordwest-Macedonië. Skiptar betekent trouwens letterlijk ‘leger dat Skopje overwon’. De stad Skopje werd immers overmeesterd door de Turkse huurlingenlegers – veelal Turkmeense nomaden – en de heerschaar die de overwinning op zijn palmares schreef, werd de Skiptar genoemd. De Skiptaren zijn hiervan de niet bij de ingewikkelde volksverhuizingsoperatie in de jaren 1920 verdreven afstammelingen, toen de Turken het huidige Turkije van Grieken mochten zuiveren en dat dan ook naar hun kunnen zo grondig mogelijk deden. Minder grondig gingen de Joegoslaven en Albanezen te werk, met alle gevolgen vandien. Vandaag eisen deze Skiptaren – dus diegenen waarvan de meesten onder ons denken dat het Albanezen zijn – bijvoorbeeld niet alleen half Macedonië op, maar ook Noordwest-Griekenland. Het is trouwens opvallend dat pas ná de val van Skopje (Scupi in het Latijn) het woord Skiptar in gebruik kwam als naam van volk en streek. Het zou tot een boeiende discussie kunnen leiden, maar niemand die ze voeren wil. Omdat het verhaal van de adelaar niet klopt? Het is tenslotte het symbool van een macht die aan Albanië vreemd was, net als de Ottomanen die het zeer dun bevolkte land overrompelden en grotendeels bevolkten.Welke taal spreekt het volk dat door het Westen voor Kosovaarse Albanezen versleten wordt? Kosovaars? Neen, want dat bestaat niet. Albanees? Neen, want dat begrijpen ze maar gedeeltelijk. Zoals vermeld is het Skiptaars, een mengtaal van Servo-Kroatisch, Turks, Albanees, Macedonisch, Grieks, Romane (taal van de Roma die wij gemakshalve én foutief zigeuners noemen) en Roemeens (vooral maritieme terminologie).Het Skiptaars is wel degelijk een absolute mengtaal en kan vandaag eventueel als een soort grof dialect van het Albanees beschouwd worden. Merkwaardig is trouwens dat sommige Skiptaren beweren dat zij het juiste Albanees spreken, terwijl de Tosken en Gegen alleen een dialect zouden spreken van het Kosovaarse Albanees. Ook een taalstrijd?Wie dit laatste goed begrijpt, ziet in dat de zogenaamde Kosovaarse Albanezen ook Albanië opeisen als hun gebied en de echte Albanezen niet dulden. Net zoals ze de Serviërs niet dulden en wegpesten. Net zoals ze de Romazigeuners soms zeer gewelddadig wegjagen. In hun ethnogenese hebben de Albanezen gezocht naar hun herkomst. Er waren tot voor kort twee theorieën: de Illyrische en de Dardaanse. Albanese intellectuelen hebben 20 jaar geleden gekozen voor de Illyrische theorie. Zij hebben dit gedaan omdat de Illyren het oudst bekende volk van de Balkan waren. Een nadeel van deze theorie is dat de Illyren geen tastbare herinneringen achtergelaten hebben om de theorie in de praktijk te kunnen gebruiken. Archeologen die in Kosovo en Metochia hebben gewerkt, hebben daar alleen Dardaanse artefacten gevonden naast de bekende Griekse, Romeinse, Byzantijnse en Slavische artefacten. Om deze reden wordt de Dardaanse theorie nu aangehangen. Op deze manier willen de Albanezen of Shquiptaren hun rechten op Kosovo en Metochia bewijzen.Voor de Merelslag (1389) waren de Shquiptaren niet bekend als inwoners van Kosovo en Metochia. Geen enkel Byzantijns, Servisch, Roemeens, Bulgaars of Turks document ondersteunt een Albanese claim. De Merelslag (ook wel Lijsterslag genoemd: Het Servische woord Kos betekent Merel) was de tweede keer dat het orthodoxe christendom in aanvaring kwam met de Islam. Hoewel deze slag een centrale rol speelt in de Servische heldensagen vochten Serviërs, Hongaren en Albanezen samen tegen het Ottomaanse Rijk. De Turken vielen aan omdat het katholicisme op dat moment hopeloos verdeeld was doordat er twee Pausen waren. Het aantal doden was zo groot dat beide kanten de eindoverwinning claimden. In Parijs echter werden de klokken van de Notre Dame geluid om deze overwinning van het christendom te vieren.Met de opkomst van de Islam zien we wel de eerste migranten uit Albanië naar Kosovo en Metochia komen en begint de verhouding met de Serviërs te verslechteren. De Serviërs hebben sterk verzet geboden, dit laatste werd gevoed door de twee Patriarchaten in Kosovo en Metochia, Prizren en Pec. Voor de goede orde Metochia betekent: Land van de kerk. De kerk is nog steeds eigenaar van grote delen van Kosovo en Metochia. Geschat wordt dat 75% van het land privé eigendom is van Serviërs.De echte Albanezen leven sinds mensenheugenis op hun grondgebied, dat ongeveer het huidige Albanië omvat. Dit zijn de Zuid-Albanezen en Noord-Albanezen, correcter de Tosken en de Gegen. Zij spreken de twee basisdialekten Toskisch en Gegisch, die samen het Albanees vormen. Pas in 1972 werd er een algemene Albanese taal opgelegd, voornamelijk gebaseerd op het Toskisch. Tegenstanders (vooral Gegen) bestrijden dit, deels omdat dit voortgekomen zou zijn van de communistische leiders, die vooral Tosken waren. Fout echter, het is taalkundig relatief correct gebleken. Hoe dan ook – officieel Albanees, Toskisch of Gegisch dialect -, het gaat telkens om een taal die de ‘Albanese Kosovaar’ moeilijk verstaat en amper spreekt. Zij spreken wat ze zelf noemen Skip, afgeleid van de zichzelf toegekende eigennaam Skiptaren.Wie zijn de Skiptaren?Het zijn de afstammelingen van de Ottomaanse bloedlegers, die de Balkan gedurende eeuwen onderdrukten. Zij islamiseerden de streek zeer fanatiek en vestigden zich massaal in Noord-Albanië, Zuid-Kosovo en Noordwest-Macedonië. Skiptar betekent trouwens letterlijk ‘leger dat Skopje overwon’. De stad Skopje werd immers overmeesterd door de Turkse huurlingenlegers – veelal Turkmeense nomaden – en de heerschaar die de overwinning op zijn palmares schreef, werd de Skiptar genoemd. De Skiptaren zijn hiervan de niet bij de ingewikkelde volksverhuizingsoperatie in de jaren 1920 verdreven afstammelingen, toen de Turken het huidige Turkije van Grieken mochten zuiveren en dat dan ook naar hun kunnen zo grondig mogelijk deden. Minder grondig gingen de Joegoslaven en Albanezen te werk, met alle gevolgen vandien. Vandaag eisen deze Skiptaren – dus diegenen waarvan de meesten onder ons denken dat het Albanezen zijn – bijvoorbeeld niet alleen half Macedonië op, maar ook Noordwest-Griekenland en zelfs meer: de ideologen van het voormalige UCK vragen niet meer of niet minder dan de restauratie van het vroegere Ottomaanse rijk (met grenzen tot in Oekraïne!), onder de heerschappij der Skiptaren. Het is trouwens opvallend dat pas ná de val van Skopje (Scupi in het Latijn) het woord Skiptar in gebruik kwam als naam van volk en streek. Het zou tot een boeiende discussie kunnen leiden, maar niemand die ze voeren wil. Omdat het verhaal van de adelaar niet klopt? Het is tenslotte het symbool van een macht die aan Albanië vreemd was, net als de Ottomanen die het zeer dun bevolkte land overrompelden en grotendeels bevolkten.Welke taal spreekt het volk dat door het Westen voor Kosovaarse Albanezen versleten wordt? Kosovaars? Neen, want dat bestaat niet. Albanees? Neen, want dat begrijpen ze maar gedeeltelijk. Zoals vermeld is het Skiptaars, een mengtaal van Servo-Kroatisch, Turks, Albanees, Macedonisch, Grieks, Romane (taal van de Roma die wij gemakshalve én foutief zigeuners noemen) en Roemeens (vooral maritieme terminologie).Het Skiptaars is wel degelijk een absolute mengtaal en kan vandaag eventueel als een soort grof dialect van het Albanees beschouwd worden. Merkwaardig is trouwens dat sommige Skiptaren beweren dat zij het juiste Albanees spreken, terwijl de Tosken en Gegen alleen een dialect zouden spreken van het Kosovaarse Albanees. Ook een taalstrijd?Wie dit laatste goed begrijpt, ziet in dat de zogenaamde Kosovaarse Albanezen ook Albanië opeisen als hun gebied en de echte Albanezen niet dulden. Net zoals ze de Serviërs niet dulden en wegpesten. Net zoals ze de Romazigeuners soms zeer gewelddadig wegjagen. KOSOVO EN METOCHIA:
    1. Romeinse Rijk –> tot en met de 2e,3e eeuw
    2. Byzantheinse Rijk –> 3e eeuw tot en met 8e eeuw
    3. Slavische stammen (Bulgaren, Macedoniérs en Grieken) –> 8e eeuw
    4. Serviers (onder leiding van Nemanja vanaf 11e eeuw, daarvoor door allerlei kleinere stammen geheerst)
    5. Ottomaanse Rijk (13 eeuw tot en met 18e eeuw)
    6. Albaneze au8tonomie binnen Ottomaanse Rijk (slechts 50 jaar onder Ottomaanse Rijk)
    6. Serviers na 18 eeuw tot en met 1912
    7. Konijkrijk van de Serviers, Kroaten en Slovenen (oprichting unie en Kosovo erkend onderdeel van Servie: 1912)
    8. Joegoslavie (in 1970 krijgt Kosovo opnieuw autonomie door de stijgende nationalisme in Kroatié en Slovenie die de macht van Servie wilden inperken)
    9. Servie (na de onafhankelijkheid van Montenegro) De Turken waren hier 500 jaar lang de baas. Waar zijn ze nu?

  2. Na de Osmaanse verovering van de Balkan trokken veel Albanezen naar Kosovo en Metochia.Tegelijkertijd sloegen veel Serviërs, na verschillende mislukte opstanden, op de vlucht in noordelijke richting.Van Servisch-orthodox werd Kosovo en Metchia langzaam Albanees-islamitisch.De vroegste documenten die enig zicht geven op de etnische samenstelling van Kosovo, zijn kloosterregisters uit de 13e en de 14e eeuw. Daaruit blijkt dat destijds 2 procent van de bevolking Albanees was.In de komende eeuwen, de Ottomanen duwde een campagne van islamisering, het verminderen van de christelijke bevolking van de regio drastisch, en het dwingen van een groot deel van de bevolking om te vertrekken. Rond het midden van de 17e eeuw, de Albanese bevolking van Kosovo en Metochia begon aanzienlijk te verhogen, waarschijnlijk als gevolg van een klein aantal grote migraties van wat nu Albanië.In de late 17de eeuw, de Habsburgers binnengevallen , rijden de Ottomaanse troepen terug door Kosovo en Metochia. Veel Serviërs en Albanezen zich in de strijd aan beide zijden, en toen de Ottomanen reed de Habsburgers terug naar buiten, maar ook wreed veel van de inwoners van Kosovo als vergelding. Een enorme exodus van Serviërs leidde, met honderdduizenden verlaten van de regio. Meer Albanezen emigreerde te nemen over dit land en de leegte achtergelaten door de vertrekkende Serviërs te vullen. In 1912, na de eerste Balkanoorlog, Kosovo en Metochia werd een deel van Servië, later ook geassimileerd in het Koninkrijk van Serviërs, Kroaten en Slovenen, die later zou worden Joegoslavië.De Albanese meerderheid in Kosovo, zelf het product van de anti-Servische bevolkingspolitiek van Mussolini en Tito en van recente Albanese terreur, is er vastbesloten om zich volledig van Servië los te maken. Onder Mussolini hadden de Kosovaarse Albanezen hun groot-Albanië, wat hun de gelegenheid gaf om vele Serven te verdrijven, wier plaats ingenomen werd door inwijkelingen uit Albanië.In die oorlogsjaren werden de Serviërs in Kosovo vervolgd,gedood en verdrongen rond een honderd-duizend Serviërs uit de regio. Na de oorlog werd Joegoslavië een communistische republiek, die met harde hand werd geregeerd door Tito. De Kroaat had veel begrip voor de wensen van de Kosovaarse Albanezen. Na etnische onlusten in de jaren ’60, verleende hij hun in 1974 een verregaande vorm van autonomie. Tito liet de Servische verdrevenen niet toe om terug naar hun haardsteden te trekken, terwijl onder zijn bewind de inwijking van Albanezen verder ging.De Albanese Kosovaren hadden in de tweede helft van vorige eeuw echter het hoogste geboortecijfer van Europa, terwijl ze in enkele gebieden de Serviërs massaal gingen pesten, zodat vanaf de jaren 1980 meer en meer Serviërs uit Kosovo wegtrokken – en het percentage van de Albanezen met het jaar steeg. En zo verloren de Serven hun Kosovo.Feit:de Albanese Kosovaren hadden onder dictator Tito een grote mate van autonomie, zoals eigen scholen, universiteiten en culturele instellingen. Nauwelijks twee maanden na de dood van Kroat Tito was er in Pristina een betoging van Albanese Kosovaren die onafhankelijkheid eisten. MILOSEVIC ,KARADZIC,MLADIC zijn de beschermers van Christelijk Europa.Waar was Bin Laden in de jaren ‘93 tot ‘99,juist ja in Bosnie en Kosovo,en tegen wie vocht hij,juist ja tegen de door de Westen veroordelde SERVISCHE HELDEN.De Amerikaanse kolonel Harry Summers zei in die tijd : De Amerikanen gedragen zich in Kosovo als de verdedigers van terroristische groepen, die nochtans onze aartsvijanden zijn.Ben Works van het SRI (Strategic Rechearch Institute) zegt duidelijk : de politiek van de VS bestaat in het helpen van Bin Laden. De officiële versie luidde: de VS en Europa ­ vielen Joegoslavië aan om een “genocide” te stoppen. Heel discreet hebben ze intussen erkend dat dit een medialeugen was. Wie verzon ze? Alastair Campbell, de communicatieadviseur van Blair, die ook de leugens over de Iraakse massavernietigings-wapens uit zijn duim zoog. Feiten zijn feiten.Het is nu duidelijk vastgelegd, dat de oorlog werd gevoerd op een verzonnen humanitaire excuus en dat uitgebreide oorlogsmisdaden werden gepleegd door de NAVO en de VS. Sinds de machtsgreep van de Navo-troepen in 1999 in Kosovo verdwenen er 1.500 mensen,werden er 2.500 gedood en 250.000 verjaagd (Serviërs, Roma, Joden, Turken, muzelmannen, Goran, enz….,de grootste genocide in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog).Het UCK steekt 150 orthodoxe kloosters in brand! Een enorme “etnische zuivering”,genocide, onder de bescherming van de “krachten van de vrijheid”.Pec was vroeger het centrum van de Servisch-Orthodoxe Kerk. Er wonen geen Serviërs meer in de stad, maar vooral Albanezen.Het Kosovaarse UCK (Kosovaars Bevrijdingsleger) is destijds opgericht door Duitsland, dat tot 1998 zijn voornaamste sponsor was. Na de succesvolle afscheiding van Slovenië, Kroatië en Bosnië van Joegoslavië was het UCK een middel om de strijd tegen oude vijand Servië voort te zetten rond de kwestie van de Albanezen in Kosovo.De Verenigde Staten die tot halfweg 1998 het UCK nog een “terroristische” organisatie hadden genoemd, gooiden het roer om.Eerst waren het “terroristen”, maar later heeft Washington ze gekocht en herdoopt tot “vrijheidsstrijders”. Het Kosovo terroristische organisatie UCK gebruikte in de jaren negentig drugs- en wapenhandel om de onafhankelijkheidsstrijd te financieren.Amerikaanse steun is slechts een van de geldbronnen van het UCK. Verscheidene islamitische organisaties hebben geld en militair materieel gedoneerd. Vóór de oorlog in 1999 werd gemeld dat Duitse, Turkse en Afghaanse instructeurs het UCK trainen in guerrillatactieken.Vrijwilligers van de modjaheddin uit diverse landen vochten samen met het UCK tegen de Servische veiligheidstroepen in Kosovo. Volgens de Sunday Times zijn de aanvallen in de regio Tetovo in Macedonië aangemoedigd door Afghanistan en Saudi-Arabië.Meer dan 40% van de wereld heroïnesmokkel wordt gecontroleerd door de Albanese maffia, en alleen in de VS, is 30% van de heroïne verkocht door de islamitische Albanese maffia kartel.Albanië en Kosovo zijn ook belangrijke heroïne doorvoer routes naar Europa. Kosovo is genoemd als een belangrijk punt voor de overdracht van heroïne uit Turkije en Afghanistan naar West-Europa.Volgens documenten van de Amerikaanse drugsbestrijding (DEA) hebben leden van de beruchte Albanese maffia banden met smokkelkartels in Pristina. Dit kartel staat onder leiding van etnische Albanezen die lid zijn van het Kosovo National Front (KNF). De gewapende tak van het KNF is het UCK. De documenten van de DEA laten ook zien dat het hier gaat om één van de machtigste organisaties op het gebied van heroïnesmokkel in de wereld en dat de winsten naar het UCK worden gesluisd die er vervolgens wapens van koopt. Interpol, Europol en vrijwel alle Europese inlichtingendiensten en drugsbestrijdingsorganisaties hebben dossiers over drugssyndicaten die direct naar het UCK leiden en direct naar de Albanese bendes in dit land. De nieuwe sterke man van Kosovo, Hashim Thaci, is geen onbesproken persoon. Er wordt in documenten van Interpol en van het Amerikaanse Congres verwezen naar banden tussen Thaci en de georganiseerde misdaad. De Washington Times publiceerde in mei 1999 volgende bevindingen. Bepaalde leden van de UCK, die haar oorlog financierde door heroïneverkoop, werden getraind in terroristenkampen onder leiding van Bin Laden in Afghanistan, maar ook in Bosnië-Herzegovina en elders. Er zouden islamitische terroristen meevechten met de UCK.Hashim Thaci werd in juli 2003 door Interpol opgepakt maar moest onmiddellijk worden vrijgelaten op vraag van UNMIK. Het hoofd van de Kosovaars politie tegen georganiseerde misdaad zegt dat zijn land tegenwoordig niet meer bedreigd wordt door Servie of enig ander land. “Onze rechtstaat wordt nu bedreigd door de georganiseerde misdaad, door drugssmokkel en door corruptie en misschien in een volgende fase door terrorisme”.Het voorbije halfjaar zijn trouwens dertig Serviërs, onder wie kinderen, vermoord, onder meer het werk van Ana, een fascistische groepering. Het enige tijdschrift in het cyrillisch alfabet dat in Pristina te koop is, is de Russische editie van Playboy. Pristina is een draaischijf van drughandel, wapensmokkel en vooral vrouwenhandel. De weg van de Macedonische hoofdstad Skopje naar Pristina staat vol hotels met “sex workers” uit Roemenië en Moldavië aangevoerd door de Kosovaarse maffiabazen onder bescherming van Thaci. De UCK-leiders hebben nu een droom: van Kosovo een fiscaal paradijs maken.Ondanks de tegemoetkoming van Belgrado en Skopje aan Washingtons wensen, is de Amerikaanse politiek erop gebaseerd uiteindelijk die landen te ontmantelen die de dominantie van de Verenigde Staten in de weg staan. Doel is om uiteindelijk wat overgebleven is van Joegoslavië op te delen in wat Carl Bildt noemde ‘een lappendeken van protectoraten’, gebaseerd op het ‘Kosovo-Bosnië model onder vredeshandhaving van de VN’, namelijk onder militaire bezetting.De NAVO verliest steeds meer haar geloofwaardigheid in de ogen van de wereldopinie. De leugens komen aan de oppervlakte en de bevolking van Joegoslavië is vast besloten haar soevereiniteit te behouden ondanks de Amerikaanse agressie.De politiek van de VS die gericht is tegen zogenaamde ‘schurkenstaten’ verliest haar geloofwaardigheid, zowel in de VS zelf als in de rest van de wereld. Overal kijken burgers naar Joegoslavië en de moed van zijn bevolking die het opleggen van de Nieuwe Wereldorde hebben weerstaan. De leugens over de oorlog tegen Joegoslavië zijn ontmaskerd voor miljoenen mensen. Serviërs zitten jaren opgesloten in een getto in Kosovo en hun bezittingen onrechtmatig afgepakt worden door hun voormalige landgenoten Albanesen,omringd door een uiterst vijandige Albanese meerderheid, maffia, criminelen, islamitische terroristen.Multi-etnisch Kosovo betekent prikkeldraad. Nu Serviërs in getto kregen iedere dag telefoontjes met het dringende verzoek hun woning te verkopen voor bodemprijzen.Maar benevens de criminele component is er in Kosovo ook een “islam op het oorlogspad”, iets wat volledig onderbelicht blijft in Westerse media…De Kosovaren komen openlijk uit voor hun goede relaties en nauwe banden met Saudische geldschieters, met extremisten van de Muslim Brotherhood en jihadi-warriors van Al Qaeda. De neerslag van dit salafistisch verbond zijn de 400 nieuwe moskeeën die het laatste decennium zijn gebouwd in Kosovo, terwijl tussendoor nog een honderdtal kerken en kloosters werd geplunderd en afgebrand, notabene onder toeziend oog van UNMIK en KFOR, de “vredesmacht” van de Verenigde Naties. Het zal ons op een dag nog zuur opbreken.Wakker worden morgen kan de hele Europa Kosovo worden…De Taliban gisteren, Kosovo morgen!

  3. Komen er moslimenclaves in Europa?http://rz1305-max.blogspot.com/2011/06/komen-er-moslimenclaves-in-europa.html

  4. Kosovo en Metochia: de NAVO en de gangsters:http://szrzlj3.blogspot.com/2011/02/httpwww_25.html

  5. Lieve Europa, word wakker!!!
    Stop genocide en etnische zuivering tegen Christenen en Serviërs!


Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s