CHRONiQUEURS VAN ONZE TIJD

Chroniqueurs van onze tijd

Ronald Ohlsen interviewt:

Jaap Scholten, Jan Roelof van der Spoel, Arjan Witte, Serge van Duijnhoven

http://www.dbnl.org/tekst/_pas002200101_01/_pas002200101_01_0061.htm

Passionate, jaargang 8

logo_passionate_01

Ik loop van A naar Z en weer terug. Af en toe trek ik een boek uit de kast. Ik blader er wat in, blijf even steken bij passages die van toepassing zijn, lees nog eens de flaptekst. Ik ben op zoek naar geschiedenis, naar het verhaal van mijn leeftijdsgenoten, de mensen die net als ik opgroeiden en volwassen werden in de jaren zeventig en tachtig. Veelal vormen ze het nageslacht van de babyboomers. Generatie X was de handelsnaam. Generatie Nix werd de geuzennaam. Koningin Beatrix had het in haar kerstboodschap van 1985 over de ‘verloren generatie’. En volgens Caspar Janssen in het Volkskrant Magazine van 31 maart 2001 mogen we spreken over de nieuwe wederopbouwgeneratie. Na een half uur heb ik drie romans en een journalistieke verhalenbundel apart gelegd. Dat moet voldoende zijn, denk ik. Ik ga naar de woonkamer, pak mijn adresboekje en bel één voor één de auteurs. Binnen twintig minuten heb ik vier afspraken gemaakt.

[p. 23]origineel

Jaap Scholten foto Edwin Walvis

Ik denk dat er een steeds grotere behoefte onstaat aan schrijvers die uit die totale waanzin van deze wereld iets plukken om daar eens rustig over na te denken en er vervolgens iets zinnings over te schrijven. Denk je niet?

Jaap Scholten (1963) ontmoette ik nog niet eerder. We hebben afgesproken in de eersteklas stationsrestauratie op het centraal station van Amsterdam. Ik herken hem wel. Hij mij niet. Bach barokt op de achtergrond. We nemen plaats aan een tafeltje vlak bij de uitgang. Onderwerp van gesprek is Morgenster (Contact, 2000), een roman over Octave Dupont die vlak na de geboorte verwisseld wordt met Finn Jacobs. Als hij op zijn zestiende ontdekt dat hij het leven van iemand anders leidt, gaat hij op zoek naar zijn echte ouders om erachter te komen wie hij ook had kunnen zijn. Ik las de roman op de dag waarop hij verscheen. Ik wist al maanden dat in het boek de treinkaping bij De Punt in 1977 een rol zou spelen. Als jongen van negen had ik gelopen in dat landschap met die gele trein, de witgehelmde MP-soldaten, de zendmast bij het clubhuis van de golfvereniging en de dagjestoeristen in de berm van de A28. ’t Was even oorlog. In een paar weken tijd leerde ik een record aantal nieuwe woorden: Zuid-Molukker, gijzelaar, ultimatum, kleefbommen, nabranders, godsdienstwaanzinnige. Wat er gebeurde was toen niet te begrijpen. Vol ontzag stond ik erbij en keek ik ernaar en ’s avond kwam alles nog eens in zwart-wit terug op de tv.

Jaap Scholten: ‘Die gijzelingsactie was de eerste grote mediagebeurtenis die ik meemaakte. Ik moet erbij zeggen dat de treinkaping van 1975 daar ook iets mee van doen had. Daarbij was het broertje van een leraar bij ons op school doodgeschoten. Ik weet nog dat ik hem erg op Jim Morrison vond lijken. Het nieuws op de 23e mei van de stilstaande trein bij De Punt zinderde door het schoolgebouw. Ik herinner me hoe ik met een klasgenootje naar huis fietste en dat we alleen maar over die trein spraken. De kaping was een soort mysterie. De volwassenen waren ervan onder de indruk, dat voelde je.’

Jaap Scholten zat op school in Hengelo. Hij kwam daar weinig Molukkers tegen. Alleen Alfred Mantiri, één van de trainers aan de plaatselijke karateschool. Al gauw deed het gerucht de ronde dat deze Mantiri de kapers gevechtstraining gegeven zou hebben. Hij werd een aantal malen opgepakt op verdenking van medeplichtigheid.

‘Verder kwam het nieuws voornamelijk via de televisie tot ons. In die tijd voelde ik geen sympathie voor de Molukkers. In mijn omgeving keurde niemand die acties goed. Mijn begrip voor de situatie van de Molukkers ontstond pas later, toen ik er achter kwam dat de Nederlandse regering deze mensen in een val had laten lopen. Ik ben van mening dat de regering of de Koningin allang een gebaar had moeten maken om aan te geven dat er iets was misgegaan.’

In Morgenster staat te lezen: ‘Moet je je voorstellen, het verhaal van een doorsnee Moluks gezin: vader heeft zich op Ambon halfdood gevochten voorde Witmannen. Uit dank worden vader en moeder met hun acht kinderen naar de Drentse hei afgevoerd en in een

[p. 24]origineel

barak gestopt. Om zijn vader te eren kaapt zoon een trein.’ En iets verder: ‘Die mensen weten nog wat eer is.’ Ik vraag of Jaap met zijn roman iets recht heeft willen zetten. ‘Ik heb dit boek niet geschreven vanuit een zendingsdrang. Uitgangspunt was de verwisseling van twee baby’s. Het moest gaan over, met een lelijk woord, identiteit. Verder wilde ik een boek schrijven in de Angelsaksische traditie: een roman waarin een persoonlijke geschiedenis wordt afgezet tegen een historische gebeurtenis. Terwijl ik met de research bezig was, begon ik de positie van de Molukkers steeds beter te begrijpen. Aanvankelijk was het de bedoeling om alleen de bevrijdingsactie op de 11e juni in het boek te stoppen. Nadat ik iemand had ontmoet die als scherpschutter bij de ontzetting aanwezig was geweest, lukte het me om met de “tweedehands” kennis die ik bezat een persoonlijk verhaal te maken. Die man vertelde de meest spannende dingen. En dan ben ik gewoon romanschrijver. Als je mij iets boeiends vertelt dan wil ik het gebruiken in een verhaal.’

Geen zendingsdrang. Wel een idee over hoe het boek geschreven diende te worden. Dat het meer moest zijn dan de eeuwige psychologische roman. Dat er geschiedenis in moest. Engagement. ‘Er is geen land ter wereld waar zo’n strikte scheiding bestaat tussen lectuur en literatuur als Nederland. Het hele systeem is gericht op de productie van navelstaarderij. In de eerste plaats zorgt het kleine taalgebied ervoor dat je aan het schrijven van een boek weinig geld kunt verdienen. Dat stimuleert schrijvers niet om jaren achter elkaar aan één boek te gaan zitten werken. Om dat te ondervangen heb je toch Het Fonds der Letteren, zou je dan zeggen. Maar, dat eist van auteurs dat ze zoveel mogelijk romans produceren, willen ze in aanmerking blijven komen voor de financiële ondersteuning. Het doen van maandenlange research is in Nederland een soort luxe. Vandaar onze navelstaarderige literatuurtraditie. Klein land, kleine literatuur. Ik houd van auteurs met een ruime blik zoals Isaac Babel, Tolstoj, Hemingway, John Fante, Philip Roth, noem maar op.’

Aan het einde van mijn vragenlijstje heb ik genoteerd: ‘Wat zegt je het begrip generatie X?’ Jaap geeft antwoord op het puntje van zijn stoel. Hij heeft nog maar even tijd, want hij vertrekt binnen enkele uren naar Hongarije en moet nog de nodige voorbereidingen treffen. ‘Ik herinner me wel het doemdenken van de jaren tachtig. En ook dat er toen zoveel gefeest werd met veel drank en wijven omdat het er toch allemaal niet toe deed. Die dingen vinden natuurlijk ook hun weerslag in boeken van onze leeftijdsgenoten. Ik denk niet dat wij niks hebben meegemaakt. Integendeel: we leven juist in een waanzinnige tijd. Er gebeurt zoveel en alles verandert zo snel. Ik denk dat er een steeds grotere behoefte ontstaat aan schrijvers die uit die totale waanzin van deze wereld iets plukken om daar eens rustig over na te denken en er vervolgens iets zinnigs over te schrijven. Denk je niet?’

Jaap is inmiddels opgestaan. ‘Sorry, maar ik moet nu echt weg.’ We schudden elkaar de hand alsof we een zaak hebben beklonken. Dan verlaat hij haastig de stationsrestauratie. Een paar seconden later staat hij weer voor me. ‘Zeg, je kunt die consumpties toch door dat blad laten betalen?’

Jan Roelof van der Spoel (1966) is de tweede met wie ik een afspraak heb gemaakt. Ik bezoek hem in het Huis van Bewaring te Groningen. Hij werkt daar als hoofd educatie. Zijn eerste en tot nu toe enige roman is Lemmingjaren (De Bezige Bij, 1999), een prettig leesbaar maar zwaarmoedig boek met een navrante aanleiding: een golf zelfmoorden op een scholengemeenschap in Assen in het midden van de jaren tachtig. Jan Roelof had daar op school gezeten. In enkele maanden tijd beroofden drie leerlingen zich van het leven. Over het waarom tastte men in het duister. De speculaties waren echter niet van de lucht. In Lemmingjaren komt de herinnering aan de zelfmoorden bij de hoofdpersoon terug als hij geconfronteerd wordt met de suïcide van zijn beste vriend Robert. Hij overdenkt de jaren waarin ze samen naar school gingen en de periode daarna. Robert is dan verdwenen naar verre oorden. De hoofdpersoon ontdekt dat Robert hem, zonder dat hij dat doorhad, op afstand al die tijd heeft gevolgd.

Bij de ingang van de afdeling waar Jan Roelof is aangesteld, moet ik een aantal malen door de metaaldetector. Sleutels, mijn aansteker, kleingeld, een laatste dubbeltje tenslotte; het bewakend personeel is vriendelijk doch streng. Jan Roelof komt me ophalen uit de wachtruimte. Hij neemt me mee naar zijn kamer, een voormalige cel die zo goed en zo kwaad als dat ging is omgebouwd tot werkplek. Het is er smal en de kleine raampjes bieden weinig uitzicht op de zonovergoten Groningse wijk Helpman. Ik krijg een kop koffie en Jan Roelof steekt van wal. ‘Ik schreef Lemmingjaren niet op basis van een

[p. 25]origineel

Jan Roelof van der Spoel

Net als de punk was ook het yuppiedom een poging om te ontkomen aan de beklemmende wereld van de babyboomers. Maar het egocentrisme dat zij brachten bleef bestaan. En onze samenleving is nog steeds helemaal op consumptie gericht. De jongste generatie schrijvers toont de huidige werkelijkheid vooral op ontluisterende wijze.

programma. Belangrijk was de periode op het Dr. Nassaucollege. Toen de zelfmoorden werden gepleegd in 1984 was ik al van die school af. Maar ze zijn voor mij tekenend voor de sfeer van de jaren tachtig. Ze brachten me op de gedachte: hé, dat is ook nog een optie. Ik kon me goed voorstellen waarom die leerlingen het deden. Het leven had geen zin in die dagen: de Koude Oorlog, de bom, kruisraketten, kerncentrales. Ik deed mee aan het verzet en was anarchistisch, net als de meeste van mijn vrienden. Uit een soort wanhoop. We voelden ons aan handen en voeten gebonden.’

Jan Roelof kijkt ernstig voor zich uit. Zo kijkt hij meestal weet ik. We kwamen elkaar voor het eerst tegen een jaar of vier terug op een feestje ergens in Groningen. Daar werd hij aan mij voorgesteld als aankomend schrijver. Lemmingjaren was nog niet verschenen. Maar ik wist toen al dat ik het boek zou gaan lezen op het moment dat het uit zou komen. Die zelfmoorden in Assen, die kon ik me nog goed herinneren. Geeft het boek een soort verklaring? Was de situatie in de jaren tachtig nou werkelijk een motief om er een einde aan te maken?

‘Misschien. De situatie in die tijd wordt nogal eens onderschat. Het einde van de wereld was een heel concreet gegeven. Je kon daar op geen enkele manier aan ontsnappen. Dagelijks werd je ermee geconfronteerd, in bijvoorbeeld de muziek. Denk aan “De bom” van Doe Maar en “Two tribes” van Frankie Goes To Hollywood met die videoclip waarin Reagan en Tsjernenko elkaar te lijf gaan in de boksring.’ Jan Roelof schetst hoe het doemdenken je met de paplepel werd ingegoten. Dat je op school bij maatschappijleer met de hele klas naar The day after moest kijken, een televisiefilm over hoe de wereld eruit zou zien nadat de bom gevallen was. Na afloop wilde de leraar dat je erover ging discussiëren. ‘Ik had geen feeling met leden van de ons opvoedende generatie. Ze hadden ten opzichte van ons een zeer superieure houding. Wij hadden geen recht van spreken. Omdat we dat wel wilden hebben, gingen we ook maar braaf demonstreren. Maar op het moment dat we daarmee enig succes leken te boeken, haalde de politiek ons in en werd van hogerhand tot ontwapening besloten. Weer niks gedaan.’

De telefoon gaat. Er moet een afspraak gemaakt worden met de dokter voor één van de kinderen. De schrijver houdt het telefoongesprek kort. Daarna legt hij me uit wat er aan de hand is. De beslommeringen van een toegewijde vader. En dat is hij, niettegenstaande zijn recalcitrante verleden. ‘Ik heb altijd geweigerd me te conformeren. Denk aan wat in Lemmingjaren Robert zegt als hij besluit weg te gaan: “Er moet meer in het leven zijn dan een beetje studeren, werken, oud worden en doodgaan. Ik ga op zoek.” Je niet conformeren is meer dan alleen een tijdje vertrekken. Een paar maanden gezellig au pair zijn in Parijs bijvoorbeeld en dan terugkomen heeft daar niets mee te maken. Je niet conformeren betekent dat je je onttrekt, dat je helemaal verdwijnt uit het systeem dat je is opgelegd.’ Jan Roelof vertelt hoe hij ze op zijn werk dagelijks tegenkomt, de lieden die buiten de samenleving zijn beland. ‘Want in de optiek van het grote publiek is het toch zo dat het Huis van Bewaring buiten de maatschappij staat? Maar ze vergeten dan voor het gemak dat gevangenissen wel het product zijn van diezelfde maatschappij. Onze samenleving stelt eisen waar veel mensen

[p. 26]origineel

niet aan willen of kunnen voldoen. Daardoor ontstaan allerlei problemen. Hoe kun je van mensen verwachten dat ze zich aan regels houden als de samenleving die die regels maakt zich volledig van hen heeft vervreemd?’

Buiten blaft een hond. Een mannenstem buldert: ‘Afra, hier.’ Ik bedenk dat de combinatie van deze geluiden te goed past bij wat Jan Roelof net heeft gezegd. Te vet. Niet geschikt voor het uiteindelijke artikel. Dan stel ik hem de laatste vraag. Wat betekent voor hem het begrip generatie X?

‘De roman Generation X van Douglas Coupland heeft me zeer zeker beïnvloed. Net als de punk was ook het yuppiedom een poging om te ontkomen aan de beklemmende wereld van de babyboomers. Maar het egocentrisme dat zij brachten bleef bestaan. En onze samenleving is nog steeds helemaal op consumptie gericht. De jongste generatie schrijvers toont de huidige werkelijkheid vooral op ontluisterende wijze. Zij registreert de lelijkheid, de normloosheid, de leegheid van het bestaan. Coupland doet dat heel goed. Er zijn natuurlijk veel meer voorbeelden. Neem bijvoorbeeld Elementaire deeltjes van Houellebecq. Dat is een fantastisch boek. Heel veel mensen willen dat helemaal niet lezen. Met name de babyboomers. Ze voelen zich erdoor beledigd.’

Ik maak nog enkele aantekeningen terwijl Jan Roelof toekijkt. ‘Ik heb genoeg,’ zeg ik. We staan tegelijk op. ‘Ik breng je even naar het trappenhuis,’ zegt hij. We verlaten de werkcel. Een afscheid van weinig woorden. Groningers onder elkaar. Probleemloos verlaat ik het Huis van Bewaring.

Een week later stap ik uit de trein op het station van Duiven, de woonplaats van Arjan Witte (1961). Hem wil ik interviewen over zijn debuutroman Rode zeep (In de Knipscheer, 1995). Ik heb het boek herlezen en opnieuw heb ik me verbaasd over het ongeëvenaarde samenspel van humor en zwartgalligheid. Wat was zijn drijfveer om in de roman een groep Utrechtse jongeren in beeld te brengen die zich overgeven aan volledig liefdeloze seks, buitensporige gewelddadigheden en criminaliteit? Een hang naar engagement? De behoefte om op ontluisterende wijze de werkelijkheid te tonen? Voor het station staat een bord met een plattegrond van Duiven waarop de bekende pijl is afgebeeld met de tekst U BEVINDT ZICH HIER. Ik zoek Arjans straat op en begin te lopen. Na enkele minuten besef ik dat ik verkeerd ga. Terug bij het station ontdek ik dat het U BEVINDT ZICH HIER-bord aan de verkeerde kant van het station is neergezet. ‘Shitbord,’ mompel ik en krijg even een visioen waarin ik mezelf eigenhandig het geval uit de grond zie trekken. Ik draag het over de rails en plant het aan de andere kant. Nogmaals ga ik op pad. Nu in tegengestelde richting.

Arjan loopt me in zijn voortuin tegemoet. Enthousiast als altijd begroet hij me. We kennen elkaar goed van de podia, de festivals, de boek- en bundelpresentaties en de nieuwjaarsborrels van Uitgeverij Kwadraat dat Vrijstaat Austerlitz uitgaf, het literaire tijdschrift waar Arjan redacteur van is (Vrijstaat Austerlitz ging na het faillissement van Uitgeverij Kwadraat door als internettijdschrift http://go.to/vrijstaatausterlitz.)

In Arjans riante woonkamer ga ik zitten op de driezitsbank. Als ik mijn schrijfblok op schoot neem roept hij uit: O jé, zo ken ik je helemaal niet. Je bent straks toch wel weer gewoon Ronald, hè? Laten we als we klaar zijn een ritje gaan maken door Duitsland.’

Ik vind dat een prima plan. Arjan haalt diep adem en brandt los: ‘Ik begon met het schrijven van Rode zeep, vooral omdat ik Utrecht miste. Ik wilde mijn onverantwoordelijkheid van toen terughalen. Ik had inmiddels een gezin, ik had een van-negen-tot-vijfbaan en ik woonde in Duiven,’ geeft hij als aanleiding voor het schrijven van zijn roman.

De wereld die hij in Rode zeep herschept, is gesitueerd in de Utrechtse wijk Zuilen ergens in de tachtiger jaren. Met het sluiten van de fabrieken daar en de werkloosheid die er dan ontstaat, begint ongeveer zijn roman in dertien episodes. De taal van het boek is hard, lijkt rechtstreeks van de straat te komen. De personages hebben zonder uitzondering lak aan de wereld om hen heen. De ik-verteller beschrijft onbewogen wat de consequenties zijn van hun ondermijnende gedrag. ‘Laatst was ik nog in Zuilen. Met vrouw en kinderen. Opa was jarig. Hij liet ons de aluminium deurstrippers tegen breekijzers zien. Eigen vinding. Er was ook mokkataart. En iemand vertelde ons dat Coens was doodgestoken in de bajes. Bewakers hadden zijn celdeur opengelaten. Met opzet. Zo gaan die dingen. De mokkataart was van binnen nog wat bevroren.’ Zo luidt de laatste alinea van het boek. De gelaten registratie levert een verontrustend verhaal op. Emoties lijken taboe. ‘Het gevoel is niet belangrijk in onze maatschappij omdat het niet efficiënt is. Doordat er te weinig aandacht aan wordt besteed, ontstaat er een grote honger naar sensatie.

[p. 27]origineel

Deze werkt gewelddadigheid in de hand. Vandalisme is de innerlijke aandrang om de wereld te vernietigen. Zelf heb ik veel gesloopt. Het slechte doen om het goeie zichtbaar te maken. In de jaren zestig en zeventig is gebleken dat de onschuld uitdraait op leugens. De hippies verpakten de mooiste idealen in prachtige retoriek en bewerkstelligden het tegenovergestelde, precies zoals de nazi’s dat deden.’

Arjans oudste zoon komt thuis. Hij heeft verloren met voetballen. Arjan doet vergeefs een poging hem wat op te beuren. Even later komt de dochter thuis. Zij wil gaan internetten en vraagt keurig of dit mag. Arjan geeft toestemming. Duidelijk is dat deze kinderen niet voorbestemd zijn om een tweede Zuilen te gaan meemaken. ‘Mijn ouders waren lid van een apostolisch genootschap waar iedereen aardig tegen de ander deed omdat dat moest. Een uiterst schijnheilige situatie die bij mij een hoop agressie teweegbracht. Ik kom nu soms in opstand tegen mijn eigen kinderen, tegen het feit dat ze vinden dat ik zomaar voor al hun cd’s moet dokken, dat ze denken dat pa hen maar even naar het zwembad dertig kilometer verderop moet rijden, omdat daar meer speeltjes zijn. Aan alles hangt een prijskaartje. Ze moeten beseffen dat wij ons water krijgen ten koste van mensen die even verderop creperen van de dorst.’

Als ik de vraag stel over de generatie X antwoordt Arjan: ‘In elk geval gaat het dan niet om die generatie Nix zoals die in de media wordt beschreven. Maar ik geloof eigenlijk helemaal niet zo in dat generatiebegrip. Het is een bedachte term waarmee verschillen tussen mensen worden vergroot en overeenkomsten worden verkleind.’ Ik krijg een boek in handen geduwd: The generation of 1914 van Robert Wohl. ‘Lees dat maar eens. Dat gaat over het ontstaan van het generatiebegrip.’ Ik blader wat in het boek. Arjan vraagt of we klaar zijn. Er is ondertussen bijna een uur verstreken sinds het begin van ons

Arjan Witte

Het gevoel is niet belangrijk in onze maatschappij omdat het niet efficiënt is. Doordat er te weinig aandacht aan wordt besteed, ontstaat er een grote honger naar sensatie. Deze werkt gewelddadigheid in de hand. Vandalisme is de innerlijke aandrang om de wereld te vernietigen. Zelf heb ik veel gesloopt. Het slechte doen om het goeie zichtbaar te maken.

gesprek. ‘Zullen we dan nu een stukje door Duitsland gaan toeren? We zitten hier vlak bij das Rheintal.’

’s Avonds, in de trein terug naar Groningen, lees ik het eerste hoofdstuk van The Generation of 1914. Wohl schrijft: ‘My purpose in writing this book was to rescue the generation of 1914 from the shadowland of myth and to restore it to the realm of history.’ Dan keer ik terug naar Rode zeep naar een passage die me bijbleef en die misschien wel de aanleiding vormde tot het afgelegde bezoek: ‘Het werken stopte. Er ging eens een loodsje dicht, er kwam eens een hal leeg te staan en later ging het hele DEMKA-complex tegen de vlakte. Daar is nog tegen gedemonstreerd. Nota bene door de bonden. Liever je rug naar de hel dan naar huis met geld toe. Maar de werknemers kregen mooi hun zin niet en zo ging er weer een fabriek dicht. Weg werkgelegenheid. En wij blij. Want fabrieken zijn niet gezond. Maar in de kranten noemden ze ons: jeugd zonder toekomstperspectief.’

[p. 28]origineel

De afspraak met Serge van Duijnhoven (1970) naar aanleiding van Wij noemen het rozen (Podium, 2000) is dat ik hem wat vragen per e-mail zal toesturen. Een persoonlijk treffen zit er niet in, want als ik hem bel is hij net bezig de koffers te pakken voor een trip naar Belgrado. Op zijn antwoorden zal ik moeten wachten tot hij is teruggekeerd in zijn woonplaats Brussel. Na anderhalve week ontvang ik het volgende bericht:

Beste Ronald,

Terugkerend uit Belgrado, en je vragen overziend, moet ik concluderen dat al de kwesties die je aan wilt snijden impliciet behandeld worden in mijn verantwoordingachtige hoofdstukje ‘Geen ene rattekut’ dat in deel vier van Wij noemen het rozen kan worden nagelezen. Ik zend je hierbij de tekst toe. Je kunt er vrij uit putten, citeren, etc. Als ik ervan overtuigd was dat ik bovenstaande vragen beter of helderder zou kunnen beantwoorden, dan zou ik op ieder vraagteken apart antwoord hebben gegeven. Ik heb echter geen behoefte om als jouw editor op te treden, of om jou alle werk uit handen te nemen door pasklare knipknap antwoorden te fourneren. Voor een dergelijke aanpak zijn je vragen echt te breed, algemeen, weinig specifiek. Nogmaals, uit onderstaande tekst kun je de antwoorden of conclusies die je nodig hebt voor je special, zelf destilleren.

Met hartelijke groet,

Serge van Duijnhoven

In het hoofdstukje waar de schrijver op doelt staat inderdaad één en ander verwoord van wat ik wil weten. Wat in elk geval duidelijk wordt, is het waarom van zijn geëngageerde opstelling. Nauwkeurig beschrijft hij hoe die is ontstaan, aan de hand van de oprichting van het tijdschrift MillenniuM, dat een tijdsbeeld wilde geven, ‘gezien door de ogen van een nieuwe generatie.’ Van Duijnhoven schrijft: ‘De oprichting van tijdboek MillenniuM, in december 1992, was mede tot stand gekomen als reactie op de fnuikende gebeurtenissen in de brandende achtertuin van Europa. In een poging om enigszins het gevoel van teleurstelling te bedwingen dat na de euforie van 1989 op kwam zetten, formuleerden we in het nulnummer dat we met het cenakelachtige initiatief van het tijdboek en de Kunstgroep Lage Landen “een plek van vriendschap wilden creëren waarbinnen datgene gecultiveerd kan worden dat buiten wordt uitgebannen”. Woorden die even hoogdravend als gemeend waren.

Het engagement kwam in niet geringe mate voort uit een soort anti-engagement: de behoefte om een algemeen overheersend cynisme te bestrijden in een poging niet mee te worden gesleurd door de gruwelijkheden die elders plaatsvonden. Zoals op de Balkan.’

Serge van Duijnhoven foto Johan Steendam

Van Duijnhoven beschrijft vervolgens hoe de Balkanoorlog hem steeds meer begint bezig te houden. Hij werkt aan de afronding van zijn studie Geschiedenis. Ondertussen rijpt bij hem het antwoord op de vraag: ‘Laten we ons te veel leiden door wat er verderop gebeurt, of juist te weinig?’ Hij schrijft:

De schilder Picabia zei ooit: “Onze hoofden zijn rond opdat onze meningen alle kanten op kunnen rollen.” In 1995 kan ik me niet langer van de realiteit op de Balkan “ontdoen” met het argument dat je andermans leed niet kunt lenen. Ik wil me niet langer afkeren van de ramp in Europa’s achtertuin. Ik wil erheen. Mijn ommezwaai ervaar ik eerlijk gezegd niet

[p. 29]origineel

eens als iets inconsequents, meer als een verdergaande consequentie van dezelfde houding. Betekende “s’engager” oorspronkelijk ook niet het vervullen van een dienstplicht?

Het hoofdstukje eindigt met de beslissing om te gaan. Er moet een dienstplicht vervuld worden, een vrijwillige dienstplicht wel te verstaan.

Het nieuws dat ons dagelijks bereikt houdt zich vooral bezig met de “buitenste” laag van de oorlog, de gebeurtenissen, feitelijkheden, de mensen op het politieke toneel. Van de overige betrokkenen zijn er slechts plaatjes, vluchtige interviews en flitsen. Om de “binnenste” laag te ontwaren volstaat het niet om de krant te lezen of de tv aan te zetten. Wie die mensen wil leren kennen, moet naar de oorlog gaan. Nadat ik in september 1995 ben afgestudeerd, vertrek ik met de trein richting Kroatië.’

In het boek Wij noemen het rozen doet hij dan verslag van wat er tijdens de Balkanoorlog in die ‘binnenste’ laag gebeurt. Hij registreert op ontluisterende wijze, plukt iets uit de waanzin van deze wereld en reflecteert daarop. Uit de gesprekken die hij voert met Bosniërs, Kroaten, Serviërs, Bulgaren, Albanezen en Macedoniërs wordt duidelijk hoe ‘gewone’ mensen de oorlog ondergaan. Tientallen passanten stelt hij aan de lezer voor. Maar het is niet alleen de ellende die in het boek een rol heeft gekregen. Er worden ook poëziefestivals bezocht en discotheken aangedaan en Van Duijnhoven mijmert af en toe wat over zijn jeugd. Over hoe het Hongaarse landschap hem doet terugdenken aan de Noord-Brabantse velden waarin hij opgroeide.

Mijn ommezwaai ervaar ik eerlijk gezegd niet eens als iets inconsequente, meer als een verdergaande consequentie van dezelfde houding. Betekende ‘s’engager’ oorspronkelijk ook niet het vervullen van een dienstplicht?

Ik wil naar de telefoon lopen om Serge van Duijnhoven te bellen in verband met nog wat andere vragen die ik hem in mijn e-mail stelde, maar besluit het niet te doen. Al met al heb ik van de verschillende auteurs voldoende losgekregen voor mijn interviewartikel. ‘Naoorlogse kunstenaars hebben altijd gebrek aan thematiek,’ zei de oude Armando in het televisie-interview bij de opening van het Armando-museum in Amersfoort in december 1998. Bullshit. Ik wist natuurlijk allang dat de man toen stond te bazelen, maar ik voelde de noodzaak het nog maar weer eens bevestigd te krijgen. Door schrijvers die net als ik opgroeiden en volwassen werden in de jaren zeventig en tachtig bijvoorbeeld.

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s