MACHINES EN EMOTIES – over de briefwisseilng tussen Rudy en Ethel Kousbroek & W.F. Hermans

De brieven van Hermans en Kousbroek tonen een verlate jongensvriendschap

Vrijdag 29 mei 2009 door Arjen Fortuin

http://www.nrcboeken.nl/recensie/kom-we-gaan-samen-schieten#1

machines en emoties

De briefwisseling van Rudy Kousbroek en W.F. Hermans gaat even vaak over auto’s en machines als over literatuur en filosofie. Het resultaat is leerzaam, onderhoudend en spannend.

Mokkend constateerde Hermans Magazine dit voorjaar dat biograaf Willem Otterspeer nu alwéér niet kwam met het eerste deel van zijn biografie van Willem Frederik Hermans. In plaats daarvan stond ‘Blijf mij bewonderen, maar op een afstand’, de correspondentie van W.F. Hermans en Rudy Kousbroek op de rol. Het boek is nu verschenen, heeft een andere titel en er staan ook mooie brieven van Ethel Portnoy in. Het is echter vooral de grote kwaliteit van Machines en emoties die de kat in het blad curieus maakt.

Een verrassing is het hoge niveau van deze brieven niet: de uitgaven van Hermans’ brieven aan uitgever Geert van Oorschot en Gerard Reve hebben de laatste jaren al laten zien hoeveel ongepublicerde schatten er nog in het Hermansarchief liggen. Voeg daarbij de essayistische scherpte van Kousbroek en de knetterende ruzies aan het eind en je hebt een brievenboek dat niet alleen leerzaam en onderhoudend is, maar waarvan het laatste deel ook nog razend spannend blijkt.

In zekere zin is de band tussen Kousbroek (1929) en Hermans (1921-1995) een verlate jongensvriendschap. Verlaat omdat de betrokkenen al 36 en 44 waren – vrijwel de hele correspondentie speelde zich af van begin 1965 tot eind 1967, met in 1970-1971 een kort naspel. En een jongensvriendschap omdat ze het veel hebben over wat je jongensdingen zou kunnen noemen: auto’s en hun topsnelheden bijvoorbeeld, machines en apparaten die ze op vlooienmarkten aantreffen, foto’s ontwikkelen en het willen ‘afvuren van de diverse voorladers die ik bezit’. Aan het eind van de rit, als de ruzies hun tol hebben geëist, geeft zelfs Hermans toe dat hij nog wel eens een tochtje zou willen maken als hun gezamenlijke uitstapje naar een autotentoonstelling in Turijn.

Jongensdingen dus, maar jongensdingen die bij deze schrijvers verre van triviaal zijn: Kousbroek en Hermans behoorden tot een kleine minderheid onder de Nederlandse auteurs met een meer dan oppervlakkige belangstelling voor techniek en exacte wetenschap, voor wat Wittgenstein omschreef als de feiten waarin de wereld uiteen valt. Over die Oostenrijkse filosoof (1889-1951) gaat het vooral in het eerste deel van de briefwisseling veel. Hermans is daarin de (overigens onder specialisten omstreden) kenner, Kousbroek de belangstellende leek, die van zijn oudere vriend keer op keer te horen krijgt dat hij niet over Wittgenstein moet lezen, maar Wittgenstein zelf.

Hermans zelf geeft onomwonden toe dat hij de filosoof in de eerste plaats literair leest: ‘Voor mij staat niet de vraag voorop: wat heeft W. bedoeld – maar in hoeverre past het in wat ik zelf denk.’ Om dat uit te leggen, en om duidelijk te maken waarin hij zelf meent te verschillen van de meeste andere schrijvers haalt hij een cruciaal citaat uit Wittgensteins Tractatus logico-philosophicus aan: ‘Niet hoe de wereld is, is het mystieke, maar dat zij is.’ Voeg daarbij wat Wittgenstein zes stellingen later schrijft (‘Er bestaan stellig onuitsprekelijke zaken. Dit toont zich, het is het mystieke’) en je raakt aan waar het de literator Hermans om begonnen was.

Daarmee is niet bedoeld dat Machines en emoties nu zulke zware kost is. Vooral Hermans is vaak geestig, bijvoorbeeld in zijn antwoord op Kousbroeks vraag of die de Principia mathematica van Alfred North Whitehead en Bertrand Russell heeft gelezen: ‘Ik geloof Russell op erewoord dat hij het beter weet dan ik.’ In dezelfde brief schrijft hij over de inwoners van Kaïro: ‘Ze houden veel van zitten of hebben door werkeloosheid niets anders te doen […] Ik heb nog nooit een huis gezien met zoveel gelegenheid tot zitten, stoelen, fauteuils, banken, divans, canapé’s, bedden, kussens, tapijten.’

De beste brieven uit de bundel zijn van de vaak vlijmscherpe Hermans, maar Kousbroek toont zich geregeld een echte essayist, die al schrijvend probeert iets nieuws te bedenken (Hermans wist alles natuurlijk allang). Dat vermogen toont zich bijvoorbeeld wanneer Kousbroek schrijft over Hermans’ fascinatie voor verval als thema, die hij niet deelt. ‘Ik zeg niet dat het mij totaal onbegrijpelijk is, maar ik beleef het van de buitenkant, zoals met andere dingen die ik op dezelfde manier ervaar, bijvoorbeeld de enorme fascinatie die een misdadig of wreed uiterlijk voor sommige mensen heeft’. Waarna Kousbroek rustig verder redeneert over drugs en vervoering die hij dan associeert met ‘een religieuze impuls’, waarna hij Hermans vraagt naar de rol van verdoemenis in diens werk en de kwestie of hij zijn eigen personages als tragisch ziet. Kousbroek beweert dan relatief weinig, maar toont des te meer van een mogelijke samenhang.

Je ziet hier ook de breed kijkende, twijfelende essayist Kousbroek staan tegenover de bij vlagen monomane romancier Hermans. Kousbroek hield veel méér ballen in de lucht, en kwam aan het schrijven van zijn roman dan ook niet toe.

Kousbroek beklaagt zich geregeld over de drukte: hij probeerde in Parijs van de pen te leven en werkte zich een slag in de rondte, vooral voor de Haagse Post en het Algemeen Handelsblad. Aan veel, zoals ook aan Hermans schrijven, komt hij vaak niet toe. Dat tijdgebrek geeft de verhouding tussen de twee mannen een zeker evenwicht en dubbelheid. Inhoudelijk gezien is Kousbroek de jongere, degene die zich interesseert voor de ander, in het begin zelfs met een lichte onderdanigheid. Hij is degene die zich ook wat inhoudt, voorzichtig schrijft, niet zonder reden bevreesd om Hermans kwaad te maken. Maar als de briefwisseling eenmaal op gang komt, wordt Hermans juist de vragende partij omdat Kousbroek zo weinig tijd heeft. Dat laatste is ook de reden waarom een gezamenlijk project (een boekje tegen modern aerodynamisch design) maar niet van de grond komt. Even lastig blijken voorgenomen bezoekjes en logeerpartijen van Hermans’ zoon Ruprecht en Kousbroeks dochter Hepzibah.

Het familiaire karakter van de omgang wordt benadrukt doordat ook de brieven van de schrijfster Ethel Portnoy (1927- 2004) zijn opgenomen, destijds Kousbroeks echtgenote. Die schrijft minder over filosofie en techniek dan de twee mannen, maar haar brieven zijn zeker de moeite waard, al is het maar om de vloeiende wijze waarop gedachten over moederschap en borstvoeding overgaan in een korte analyse van het werk van Ronald Barthes.

Niettegenstaande de prachtige passages in het eerste driekwart van Machines en emoties, is het dramatisch hoogtepunt van de briefwisseling toch de breuk, eigenlijk een dubbele breuk. Die wordt voorafgegaan door kleine irritaties zoals Kousbroeks zwijgen over Hermans’ roman Nooit meer slapen, maar wordt een serieus conflict wanneer Kousbroek weifelt bij het polemiseren met K.L. Poll, van zijn eigen Algemeen Handelsblad. Hij vreest dat wanneer hij het in het openbaar voor Hermans opneemt, dat door de buitenwereld een vriendendienst zal lijken – en dus niet serieus genomen zal worden.

Het is een voorzichtigheid waar Hermans uiteraard geen genoegen mee neemt. Eind 1967 barst in een paar elektriserende brieven de bom. ‘Iets anders is’, schrijft Kousbroek, ‘dat je relaties met de mensen op persoonlijk niveau niet vrij zijn van een maniakale inslag.’ En, om het erger te maken: ‘Het lijkt mij onmogelijk dat je dit zelf niet weet.’

Die laatste vilein-hautaine suggestie treft doel bij Hermans, die riposteert: ‘Het enige wat mijzelf over mijn persoonlijke relaties bekend is is dat ik een aan het wonderbaarlijke grenzend gevoel heb voor het juiste tijdstip waarop ze mij beginnen te compromitteren.’

Toch eindigt die brief niet met het dichtslaan van de deur, maar met de woorden ‘Enfin, je ziet maar. We zien maar. Wij zijn allemaal gezond, ook hond en kat.’ Uit dat slot blijkt dat Hermans deze ruzie met tegenzin uitvecht, dat hij misschien wel liever de strijdbijl zou begraven – Kousbroek en hij zijn dan amper drie jaar intensief aan het corresponderen.

Juist die sporen van tegenzin maken de laatste brieven spannend. De schrijvers staan tegenover elkaar als twee vechtende jongens op het schoolplein. Ze slaan hard, maar willen eigenlijk vrienden blijven. Het ellendige is dat de klappen die bij zo’n gevecht worden uitgedeeld, wel blijvende schade aanrichten. Zo ook in dit geval. Na twee jaar wordt de correspondentie kortstondig hervat, maar zonder de esprit van voorheen. In de basis is een afstandelijkheid ontstaan, die niet meer verdwijnt.

De bom barst wanneer Kousbroek Hermans begin jaren ’70 niet steunt in diens Weinreb-polemiek met Renate Rubinstein. In een interview achterin Machines en emoties geeft Kousbroek nu toe dat zijn positiebepaling in dat debat een vergissing was, ingegeven door medelijden met Rubinstein. Dat er iets persoonlijks speelde vermoedde Hermans ook al, al formuleerde hij het een stuk onvriendelijker, in de kwaadste brief van allemaal: hij vermoedt dat de oorzaak is ‘dat je misschien erg bang van Renate bent of graag met haar naar bed wil’.

Er volgen nog een paar brieven, maar de laatste gevechtshandelingen zijn de interessantste niet. Die geven een relatief kalm einde aan een scherpe en opwindende briefwisseling. Als Hermans’ biograaf elk jaar zo’n correspondentie uit het archief licht, zal geen oprechte fan hem de maat nemen over de verschijningsdatum van de biografie.

Elkaar sparen of kastijden

Door Aleid Truijens , de Volkskrant – 15 mei 2009-08-17

http://extra.volkskrant.nl/select/boeken/artikel.php?id=1221

Twee hypergevoelige mannen probeerden elkaar te overtuigen van hun genegenheid. In de vrijwel complete briefwisseling van Hermans en Kousbroek.

Jongenspraat, dat is het. Pagina’s lang bespreken deze twee briefschrijvers stereoscopische diapositieven, camera’s met instelbare lenzen, stoommachines, oude schrijfmachines, antieke radio’s, klokken, vuurwapens en pin-ups – onderwerpen waarmee ze bij andere literaire collega’s niet moeten aankomen. Verliefd schrijven ze over de prestaties van Morgan, Lotus, Facel Vega en Amilcar – geen vrouwen, maar elegante oude auto’s, waarin de schrijvers met 170 km per uur tussen hun beider woonplaatsen Groningen en Parijs op en neer scheuren.

Het lijkt wel of ze elkaar het hof maken, Kousbroek en Hermans, twee superrationalisten, twee hypergevoelige mannen, die elkaar onhandig proberen te overtuigen van hun genegenheid. Ze geven elkaar voortdurend cadeautjes, boeken, vondsten van de vlooienmarkt, rare ansichtkaarten. Ze weten precies wat de ander graag krijgt: wat henzelf interesseert.

Willem Otterspeer, de biograaf van W.F. Hermans stuitte in zijn archief op deze ‘goudmijn’, een intensieve briefwisseling tussen de romanschrijver en de acht jaar jongere essayist, vrijwel compleet. De brieven geven een goed beeld van hun beider ontwikkeling, wat ze lazen en waarover ze zich opwonden. Deze twee ‘exacte’ jongens voelen zich duidelijk thuis bij elkaar.
In de tweede helft van de jaren zestig schrijven ze vaak wekelijks. Hermans is opvallend eerlijk.
Over zijn grote held Wittgenstein schrijft hij: ‘Voor mij staat niet de vraag voorop: wat heeft W. bedoeld – maar in hoeverre past het in wat ik zelf denk.’

Ook met Ethel Portnoy, Kousbroeks eerste echtgenote, kan Hermans het goed vinden. Zij schrijven elkaar afzonderlijke brieven. Die van Portnoy zijn geestig, die van Hermans ontspannen en open. Met haar kan hij het hebben over trivia: westerns, Tarzan & Jane, spoken, Las Vegas. Portnoy doet wat niemand anders durft: ze uit argeloos kritiek op zijn werk. Het eerste stuk van Drie drama’s, schrijft ze, ‘went very much against the grain with me’, maar ‘Dutch comfort’ vindt ze ‘fabulous’. Hermans stelt haar kritiek op prijs.

De vriendschap is op zijn minst gelijkwaardig. Het is Hermans die diep teleurgesteld is als een gezamenlijk reisje of logeerpartij niet doorgaat: ‘Ik was 1 september jarig en daardoor heeft het mij extra verdriet gedaan dat jullie niet konden komen.’

Toch zijn de verhoudingen duidelijk: Hermans is de grote schrijver, Kousbroek de stukjesschrijver die hem dient te bewonderen, niet alleen als vriend, maar ook publiekelijk. In november 1967 gaat het mis. Kousbroek had voor het Algemeen Handelsblad een stuk geschreven waarin hij Hermans verdedigt tegen een aanvallend stuk van K.L. Poll. Tamelijk moedig, want Poll was een van zijn broodheren. Het stuk wordt door Poll niet geplaatst. Hermans is woedend. Kousbroek schrijft mismoedig: ‘Het heeft er iets van of ik mij moet verdedigen dat ik het voor je opgenomen heb.’ Nog krachtiger: ‘Als ik het gevoel moet hebben dat ik voortdurend moet bewijzen dat ik mijn leven voor je veil heb, dan moet het maar zonder.’ In een interview met Pieter Kottman (NRC Handelsblad, 4 april 2009) zegt Kousbroek: ‘Ik durfde geen kritiek te hebben. Dat kon niet bij hem.’

Het is Kousbroek die steeds de deur openhoudt, het is Hermans die hem dichtslaat: ‘Blijf mij bewonderen, maar op afstand.’ In 1969 is er nog een akkefietje over een niet helemaal juist Hermans-citaat van Kousbroek, over katten die ruiken naar ‘pasgestoomde dekens’. Hermans’ gezeur ontlokt Kousbroek een verbitterd commentaar: dat de buitenwereld, ook vrienden, bij Hermans ‘onder een voortdurende verdenking’ staan, ‘de verdenking ‘verraad’ te willen plegen. Het is of je met argusogen let op elke handeling, een register bijhoudt van ieder woord, wachtend op het kleine detail dat het vermoeden tot zekerheid zal maken, waarmee de betrokkene zich verraadt, zich blootgeeft, de haast onopgemerkte anomalie die bewijst dat al het andere bedrog was.’ Zelden heeft iemand Hermans’ houding jegens de wereld zo treffend verwoord.

In maart 1970 wordt er een ernstiger vergrijp bijgeschreven in het register: Hermans verneemt dat Kousbroek over Weinreb heeft geschreven, ‘in gunstige zin’. Friedrich Weinreb was de Joodse ‘verzetsman’ die volgens Renate Rubinstein en Aad Nuis vele Joden het leven zou hebben gered. Volgens Hermans was hij een oplichter die met de Duitsers collaboreerde – in 1976 zou een onderzoekscommissie Hermans in het gelijk stellen.

Kousbroek distantieerde zich van de figuur Weinreb, maar verdedigde diens visie op de bezettingsjaren. Voor Hermans was dat niet te scheiden. Bovendien was het onverteerbaar, dat Kousbroek hem in een artikel van ’bluf’ beticht. Kousbroek op zijn beurt is gewond door Hermans’ aantijging dat hij, in het jappenkamp, met plezier zou hebben toegekeken hoe zijn vader werd afgeranseld. De vriendschap is voorbij.
Eigenlijk zat de rot er al van meet af aan in. Het contact tussen Hermans en Kousbroek begon in 1955 met Kousbroeks bestelling van een exemplaar van Hermans’ Mandarijnen op zwavelzuur II. In zijn eerste mandarijnenpamflet had Hermans gehakt gemaakt van de criminoloog J.B. Charles; waarop Kousbroek in Maatstaf weer kritiek had gehad. Hermans riep hem ter verantwoording, maar de kwestie werd nooit opgehelderd.

Het is een wonder dat deze vriendschap vijftien jaar standhield, en zo hartelijk was. Otterspeer interviewde Kousbroek voor deze bundel. Over de teloorgang van de vriendschap zegt Kousbroek:

‘Je was eigenlijk altijd bang iets verkeerds te zeggen. Aan de andere kant had dat ook te maken met de wens hem te sparen, geen verdriet te doen.’ Hij geeft ruiterlijk toe dat Hermans gelijk had in de Weinreb-affaire. Zijn dilemma was dat hij Renate Rubinstein, die in de oorlog haar vader had verloren, wilde ontzien. ‘Tegelijk wist ik dat dit Wim niet was uit te leggen.’

Een man die iedereen wilde sparen en een man die iedereen, inclusief zichzelf, moest kastijden, dat kon op den duur niet goed gaan. Hermans zou, met zijn gelijk op zak, naar Parijs vertrekken en Kousbroek zou hem daar nooit opzoeken. Dankzij deze schitterende briefwisseling begrijpen we waarom.

Geplaatst door coen op zondag, juli 05, 2009 http://coenpeppelenbos.blogspot.com/2009/07/recensie-willem-frederik-hermans-rudy.html

Recensie Willem Frederik Hermans, Rudy Kousbroek en Ethel Portnoy – Machines en emoties

Intellectuele vrienden met dezelfde passies

Vorig jaar verscheen de briefwisseling Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel tussen Willem Frederik Hermans en Gerard Reve. Een briefwisseling waar reikhalzend naar uitgekeken werd omdat twee van de grootste naoorlogse schrijvers elkaar troffen. Het boek viel een beetje tegen omdat na een aanvankelijk vriendschappelijk begin Hermans niets meer van Reve moest hebben toen hij zich bekeerde tot de rooms-katholieke kerk en zich van schandaal naar schandaal sleepte. Ondanks enkele pogingen van Reve om de briefwisseling op gang te houden bleef Hermans afhoudend en afwijzend.

In Machines en emoties is er sprake van een totaal andere Hermans omdat hij in Rudy Kousbroek, die dan met zijn vrouw Ethel Portnoy in Parijs woont, een geestverwant ontdekt. Beiden hebben een voorkeur voor auto’s en typemachines, kennen het werk van Céline en Wittgenstein. Al snel zijn de mannen bevriend. Ze telefoneren ook met elkaar, ze gaan bij elkaar logeren, ze bezoeken samen tentoonstellingen en ze laten ook hun kinderen bij elkaar logeren. Tussen de brieven over technische en filosofische zaken en de plannenmakerij om samen een boek te schrijven (dat er nooit is gekomen), staan met onderkoelde humor geschreven brieven van Ethel Portnoy. Zo vertelt ze met enige afschuw over haar verblijf in het ziekenhuis na haar bevalling en de problemen die ze heeft met borstvoeding. ‘The result was a weirdly arche-typical scene this morning, when he started to cough + choke and I stopped him + looked and then said “Vampire, son of vampire!” It was like something in a surrealist dream.’

Het beeld dat er uit dit boek opdoemt van Rudy Kousbroek is niet al te positief te noemen. Dat komt vooral door hem zelf. In bijna elke brief staat een excuus omdat hij te laat reageert, hij het te druk heeft, hij iets nog moet opzoeken, maar niet weet waar het precies ligt. Dat gaat maar door en door. ‘Mijn voornemen om eerst het machinestuk af te maken voor ik je zou schrijven heeft tot dusver geen ander gevolg dan dat ik je niet schrijf. (…) Ik had nog een heleboel te schrijven, ik zal eens een dag er voor uittrekken en uitvoerig antwoorden op de verschillende vragen die je me in diverse brieven hebt gesteld en de commentaren geven die verschillende dingen die je schreef in mij hebben opgeroepen, over literaire onderwerpen voornamelijk.’ (17 november 1965) Daarna volgt inderdaad een lange brief, waarop Hermans ook antwoordt met een lange brief en die zorgt voor veel intellectuele opwinding in huize Kousbroek. Maar die is niet van lange duur: ‘Daarna zak ik weer langzaam naar mijn gewone niveau terug waarin ik zelfs tegen het schrijven van een simpele brief opzie als tegen een huis.’ (15 december 1965) In 1966 krijgt hij Nooit meer slapen te lezen. In een brief laat hij Hermans weten later nog in detail te zullen berichten wat hij ervan vindt. Voorlopig volstaat hij met een opmerking over een drukfout. ‘Ik vond een drukfout, zoals ik aan Emmy al vertelde. Ik dacht dat ik hem dadelijk terug zou vinden maar dat viel tegen. Het is, heb ik in mijn hoofd, een au in plaats van een ou, onderaan een recto pagina, tegen het eind.’ Hermans reageert met een sarcastisch ansichtkaartje: ‘Ik ga een tweede deel maken bij Nooit meer slapen: Alfred geeft het eerste deel ter lezing aan zijn vriend en deze, na 6 weken studie, bericht er niets anders over dan dat er 1 drukfout in staat.’

De sfeer tussen de mannen blijft echter goed. Dat verandert als eind jaren zestig Hermans Kousbroek meesleept in een van zijn vele vetes. Kousbroek moet dan van zich afbijten om zijn zelfstandige positie te behouden. Het duurt dan wat langer voordat ze pen weer opnemen. De vertrouwdheid lijkt een beetje weg. Uiteindelijk komt er een nieuw conflict rond de polemiek die Hermans met Renate Rubinstein voerde over de kwestie Weinreb. Kousbroek kiest niet echt positie, Hermans maakt een foute grap over het kampverleden van Kousbroeks vader en de vriendschap is in 1971 voorbij. In een interview dat bezorger Willem Otterspeer achterin het boek heeft opgenomen, zegt Kousbroek dat hij nog wel eens terugverlangt naar het verleden. Hij mist: ‘Zijn geest. Zijn kennis, zijn belezenheid. Ik bewonderde zijn energie, zijn vasthoudendheid.’ Je krijgt wat medelijden met Hermans. Hij had al niet veel vrienden en nu is hij zelfs de vriend kwijt die zijn passies deelde. Voor mensen die vorig jaar een beetje teleurgesteld waren in de briefwisseling met Reve: dit deel is zeer de moeite waard.

Coen Peppelenbos

Willem Frederik Hermans, Rudy Kousbroek en Ethel Portnoy – Machines en emoties. De Bezige Bij, Amsterdam, 416 blz., €27,50
Verscheen ook op Literair Nederland, 5 juli 2009

‘Kennis gaat boven geloof’

Rudy Kousbroek over W.F. Hermans, evolutie, atheïsme en de dood

NRC-Handelsblad, zaterdag 4 april 2009 door Pieter Kottman

Rudy Kousbroek (79) publiceerde onlangs het boek ‘Mede-reizigers’, over zijn liefde voor dieren. Volgende maand verschijnt zijn briefwisseling met W.F. Hermans. „Verdriet is wennen aan het ondraaglijke.”

Machines en emoties. Een briefwisseling, Willem Frederik Hermans, Rudy Kousbroek, Ethel Portnoy. Bezorgd door Willem Otterspeer, uitg. De Bezige Bij, 2009. Vanaf 14 mei in de boekhandel.

‘Het verbod op moord is niet per se religieus, ik zie het als een erfenis van de evolutie’ Foto Hollandse Hoogte

In de sfeervolle tuinkamer van zijn huis in Leiden, vol Indische souvenirs en schilderijen, oogt schrijver en essayist Rudy Kousbroek als een kasteelheer. Zijn trui toont even nonchalante als indrukwekkende gaten, het spinnen van de poes op zijn schoot wordt met grote halen van zijn hand over de rug van het dier aan de gang gehouden, hij drinkt sterke thee met wolkjes melk waar hij routineus koekjes van de schaal vóór hem in onderdompelt.

Soms is hij hulpeloos, of verstrooid. Precies zoals hij in zijn boeken doet, lardeert hij zijn betoog met verwijzingen naar schrijvers – als hij maar, krachtterm, op hun namen zou kunnen komen! Dat lukt vaak niet, of niet meteen, „omdat de bestralingen grote gaten in mijn geheugen hebben geslagen”. Op zo’n moment belt hij naar zijn echtgenote, de Ierse schrijfster en sinologe Sarah Hart, elders in het huis en vraagt haar in een mengeling van Engels en Nederlands welke schrijver ook weer dit of dat heeft geschreven. Sarah, zegt hij, is zijn “intellectuele blindegeleidehond, die weet waar alles ligt en het antwoord al klaar heeft nog voor ik de vraag gesteld heb”. En: „Sarah onthoudt mensen. Ik ideeën.”

Rudy Kousbroek, bijna 80, P.C. Hooftprijs-winnaar, gedurende decennia boegbeeld van deze krant en bron van polemisch wapengekletter, is ernstig ziek, maar daar wil hij het niet over hebben. „Er valt niets verstandigs over te zeggen. Schrijf maar gewoon op: hij is op sterven na dood”. Grommend lachje, een hoestbui. In de loop van de gesprekken wordt het een running gag – „Jaja, op sterven na dood”. Lachje, hoesten.

Een andere terugkerende aanleiding voor ironie is het advies van een vriendin geen rancune te tonen tijdens het interview. Dreigt het wat dat betreft de verkeerde kant op te gaan, dan constateert hij geamuseerd: „Maar hiermee begeven wij ons op verboden terrein, niet?”

Op sterven na dood was hij naar eigen zeggen een jaar geleden al, maar ‘in de extra tijd die me gegeven is’ heeft hij het boek Medereizigers, over de liefde tussen mensen en dieren, geschreven. Het is een verkoopsucces. Volgende maand verschijnt de briefwisseling die hij van 1955 tot 1974 onderhield met de schrijver Willem Frederik Hermans (1921-1995). Het was er bijna niet van gekomen.

„Ik wilde het tegenhouden, maar heb me laten overtuigen door Willem Otterspeer, die de uitgave heeft verzorgd. Die brieven zijn van veertig jaar of nog langer geleden en ik had in mijn hoofd, dat ik iets te veel mijn best doe om goedgunstig beoordeeld te worden door Hermans. Uit een beetje slaafse bewondering, en ik dacht dus: beter van niet. Maar ik heb de brieven herlezen en kon niet ontkennen dat er wel iets belangwekkends in stond. Over filosofie en dergelijke, en het werpt ook een zeker licht op Hermans’ karakter, zijn paranoïde inslag. Dat pluimstrijken is er ook wel. Er waren bij het lezen momenten dat ik dacht: verrek, hier had ik mijn bek weleens open mogen doen. Dat deed ik dan niet, om de lieve vrede, of om hem niet te mishagen; ik spreek het soms ook uit: ‘hier ga ik maar niet op in, want dat zal je wel niet bevallen’. Ik durfde geen kritiek te hebben, dat kon niet bij hem. Als je de minste aanmerking had of zelfs maar vroeg wat iets betekende of waarom het was zoals het was, dan kreeg je de reactie van iemand met vervolgingswaan. Het is als de man die aan zijn vrouw vraagt: ‘Waar heb je deze biefstuk gekocht?’ en de vrouw die dan antwoordt (hij zet zijn kopstem op): ‘Hoezo? Is-ie niet goed dan?’ Dat paranoïde van Hermans maakt zijn romans ook zo beklemmend.”

In de briefwisseling, waaraan af en toe ook Kousbroeks toenmalige echtgenote Ethel Portnoy deelnam, komen alle typische Kousbroek-onderwerpen, die ook de hevige belangstelling hadden van Hermans, aan de orde: techniek, (vooral van auto’s, fotocamera’s en typemachines), literatuur (met name Céline), de evolutietheorie, diergedrag, de (verderfelijke) invloed van religie, filosofie (vooral Wittgenstein). Ondanks alle omzichtigheid barst in 1967 een eerste conflict los, over een ongepubliceerd gebleven artikeltje van Kousbroek, waarin hij het opneemt voor Hermans. Naar het oordeel van de laatste heeft Kousbroek te weinig moeite gedaan om het in druk te laten verschijnen. De correspondentie eindigt met een tweede, veel groter conflict over F. Weinreb (1910-1988), een joodse hulpverlener en schrijver die gecollaboreerd had met de Duitsers en wiens integriteit in de jaren zestig en zeventig inzet was van een heftige controverse onder Nederlandse intellectuelen. Kousbroek verdedigde Weinrebs visie dat goed en kwaad niet altijd duidelijk te onderscheiden zijn tijdens een bezetting, Hermans ontpopte zich juist tot één van de voornaamste aanklagers van de man.

Maar midden jaren zestig is alles nog pais en vree en zijn bijvoorbeeld auto’s nog een geliefd thema van beide correspondenten: op elke pagina wordt wel een Healy 3000, een Lotus, Chevrolet, Lancia of Amilcar aangeprezen dan wel van uitvoerig commentaar, vooral over te halen snelheden, voorzien. Op 18 mei 1966 schrijft Kousbroek: „De Citroën intussen liep voorbeeldig, ik ben die hele trip maar één keer door iemand ingehaald, door de fatale DS 19. Maar voor je me gelukwenst moet ik er nog wel even bij vertellen dat tijdens het verblijf in Holland een klepstoterstang brak (-)” De alinea erna gaat het al weer over ‘werkelijk uitzonderlijke stereodia’s uit de Eerste Wereldoorlog, benevens een kijktoestel en een camera, van het zelfde type als je me eens liet zien, maar, als ik me goed herinner, met minder goede en niet instelbare lenzen’.

Een beetje als jongetjes. „Helemaal! Zoals nu adolescenten met hun scooters. Het is ongetwijfeld dezelfde drive, hetzelfde mechanisme. Antiquiteit en prestaties, daar ging het ons om. En exclusiviteit. In 1965 was een moderne auto tot niet veel in staat: als je er één uit 1925 had, dan vloog je alles voorbij. Die auto’s waren veel beter en je kocht ze voor een krats. Het was een gulden tijd voor liefhebbers zoals wij. Hetzelfde plezier beleefden we aan camera’s en typemachines.”

De gesprekken met Rudy Kousbroek hebben plaats tussen eind januari en eind maart. Hij is steeds één en al geduld en welwillendheid, geen moment laat hij merken dat de omstandigheden zwaar zijn. Zijn oudste dochter, Hepzibah, is al die tijd stervende, als het vierde gesprek plaats heeft, is zij dood. Een paar dagen ervoor stuurt hij per e-mail een fragment uit een brief aan schrijver Koos van Zomeren, naar aanleiding van diens boek Het dier in het dier. Het luidt als volgt: „Als ik nadenk over het verschil tussen uw werk en het mijne, dan kom ik tot het inzicht dat u de dood niet uit de weg gaat, en ik wel. Het Refrein is Hein klinkt bij u op bijna elke bladzijde en bij mij nergens. Dat verwijst geloof ik toch wel naar een verschil in kwaliteit: u bent niet bang, en ik ben een schijthuis. Ik houd de dood zo goed mogelijk weg, ook uit mijn herinneringen. Soms houd ik het lezen van uw schetsen al bijna niet uit.”

Kousbroek begint onmiddellijk over het briefje en zegt: „Als je van de natuur houdt, zoals ik, dan houd je ook van de dood. Van Zomeren heeft er ook plezier in die stervende dieren te beschrijven. Ik houd niet van de dood. Ik ben ook altijd schichtig omgegaan met de dood van huisdieren.” Dan, op mijn vraag: „Ik weet er geen antwoord op, er valt geen verstandig woord over te zeggen, aan welke kant je ook begint te denken, er is geen oplossing. Je komt op formules als ‘een vader hoort niet aan het graf van zijn kind te staan’. Maar wat is dat voor iets? Een manier om jezelf nog verder te kwellen. Verdriet is wennen aan het ondraaglijke. Ik slaap veel.”

Tekeningen die zijn dochter als kind maakte, werden opgenomen in zijn boek ‘De aaibaarheidsfactor’, dat net herdrukt is. „Ze was slim en had een groot artistiek talent, maar met tekenen hield ze op aan het begin van de adolescentie. Bij meisjes is het alsof in dat stadium zich een andere manier van denken manifesteert, terwijl bij jongens zich dan juist het vermogen te abstraheren openbaart. Niet voor niets schaken vrouwen niet, op een paar Hongaarse zusjes na. Of zijn er nauwelijks vrouwelijke wiskundigen die iets bijzonders hebben bijgedragen. Je kunt niet zeggen, zoals feministen ons proberen wijs te maken, dat ze er de kans niet voor krijgen. Maar dit is zo’n fundamentele, onopgeloste kwestie dat ik er niet graag een definitief standpunt over zou uitdragen.”

De verhouding met Hepzibah raakte verstoord. „Op haar vijftiende, we woonden destijds in Parijs, is ze weggelopen. Een paar maanden lang hebben wij niet geweten waar ze was en ons opgevreten van angst. Ze bleek contact te hebben met Simon Vinkenoog, die statutair een vriend van mij was, maar de vriendschap ging niet zover, dat hij mij liet weten dat hij haar gesproken had. In hoge mate harteloos en immoreel, maar het werd goedgepraat met ‘het grote begrijpen’ en ‘het universum dat bij elkaar gehouden werd door niets dan liefde’ – al die holle frases, die man heeft nog nooit een echt gevoel gekend. Ze is in die tijd aan de drugs geraakt, zoals zij beschreven heeft in haar boek De onzichtbare vijand. Dat verscheen in 2004, toen het al ver achter de rug was en de verhouding allang hersteld.”

In de loop van de gesprekken komt Kousbroek, zijns ondanks, regelmatig terug op de dood. In verband met religie, bijvoorbeeld, een stokpaardje, hij geeft het toe. Al in 1965 kwam het hem, in de briefwisseling, op een reprimande van Hermans te staan: „Je plakt wel gauw het door jou verafschuwde plakkaat ‘religieus’ op en dit is te merkwaardiger omdat je m.i. geen geringe neigingen tot bijgeloof vertoont.” Niet dat Hermans gelovig is. Een jaar later schrijft Kousbroek hem zijn „optimisme niet [te] delen, dat de termijn waarna de laatste echte gelovigen in zonnige klinieken zullen zitten maar honderd jaar zou zijn”. Nu zegt hij: „Ik weet niet of religies – en daar reken ik het fascisme en het communisme ook toe – onuitroeibaar zijn. Ze zijn toch aardig op hun retour. Obama die zich nadrukkelijk ook tot niet-gelovigen richt – tot voor kort zou dat ondenkbaar zijn geweest voor een Amerikaanse president. Maar veel atheïsten noemen zich ook nu nog veiligheidshalve agnost, een laffe houding. Bertrand Russell, een van mijn grote voorbeelden en grondlegger van het vrijdenken, deed dat ook, maar in zijn tijd kon je anders niet overleven. Wat die man te verduren heeft gehad van gelovigen, tart iedere beschrijving. Het Anglicanisme is nu gelukkig niet meer dan een vorm van beleefdheid. Ook Descartes was niet gelovig, maar gaf dat uiteraard evenmin toe. Een hansworst hier in Nederland leidde daaruit af dat hij ‘de Kerk erkende’. Ja, dat haalt je de koekoek, in zijn tijd! Als je niet uitkeek, belandde je op de brandstapel.

„Ik heb de pest aan godsdiensten, ze zijn op z’n gunstigst tijdverspilling, en meestal bron van dood en verderf. Als je oorlog wilt, hoef je alleen maar gelovigen te mobiliseren. Mijn universum is er één zonder politie, ik verbied niets, ook godsdienst niet, maar intellectueel bezien kun je alleen maar atheïst zijn. Voor mij is het verbod op moord niet per se en impliciet een religieuze standaard. Het is een evolutionair product, omdat met de dood informatie verloren gaat. Om die praktische reden ben ik geen voorstander van de dood of het doden. Het instinct, ook mijn instinct, verzet zich daartegen. De inhoud van iemands leven gaat teloor. Ach, Hepzibah was pas 55. Als ik denk aan hoe zij hele lappen Franse poëzie uit haar hoofd kende – al die kennis, al haar belezenheid, dat ligt nu allemaal in de aarde van Nieuw Eik-en-Duinen.

Dat paranoïde karakter van Hermans maakt zijn romans ook zo beklemmend

„Het feit dat in de best geëvolueerde samenlevingen doden verboden is en een misdaad, zie ik als een erfenis van de evolutie. Ja, dat is misschien datgene wat bewezen moet worden als bewijs gebruiken. Maar het is niet helemaal toevallig. Eeuwenlang bestonden er regimes met allerlei vormen van rituele moord en doodstraf, maar de samenlevingen met de meeste overlevenden waren op den duur levensvatbaarder. Evolutie is een numerieke kwestie.”

Wijlen de Palestijnse leider Arafat had dus evolutionair ‘gelijk‘ met zijn uitspraak: „De baarmoeder van onze vrouwen is ons beste wapen”? „Nee, dat is kinderpraat. De Palestijnen moorden ook elkaar uit en als je de balans opmaakt, blijven er minder topindividuen over dan waar dat niet gebeurt. Alleen al de eeuwenlange uitsluiting van vrouwen moet een negatieve uitwerking hebben gehad. Neenee, die mensen zijn als de leeuw die de welpen van zijn medeminnaars doodbijt. Dat is destructief, geëvolueerdere vormen doen dat niet.”

Voor Kousbroek is „de vernietiging van informatie, die verspilling, één van de grootste ellendes van sterfelijkheid überhaupt”. Hij beschrijft het in een beeld: „Je staat op het achterbalkon van de trein en ziet hoe willekeurige bladzijden uit een boek worden gescheurd en het land in dwarrelen – en dan zijn ze weg. Je wordt erdoor weggevaagd van verdriet. Lévi-Strauss schreef: ‘L’homme a toujours pensé aussi bien’. (Het denken van de mens is altijd even goed geweest, red.) Dat vind ik een indrukwekkende uitspraak. Nietzsche zei hetzelfde anders: ‘Ich lehre euch den Übermensch’ – heeft niets met supermensen te maken, maar met het volgende stadium van de evolutie. Daarin is het verleden onmisbaar. Nietzsches ‘God is dood’ is maar één keer in de geschiedenis zo geformuleerd. Het raakte me diep, als adolescent. Daarom kan ik het niet uitstaan dat Nederlanders geen relatie hebben met het verleden. Dat is vuil voor de bezem. Alleen al de spellingshervormingen, dat zijn misdaden geweest. Ter Braak is allang onleesbaar geworden, terwijl de Fransen Molière nog moeiteloos lezen. De enorme zwakte van de westerse cultuur is het loslaten van verplichtingen. Het afschaffen van zangles alleen al, de Mammoetwet is één van de grote tragedies van onze tijd geweest.”

De vraag dringt zich op: wat laat hij zelf na? Het antwoord heeft hij dan al op verschillende momenten gegeven. „Ik heb kilo’s krantenpapier zwart gemaakt, maar het merendeel is rommel”. Of: „Ik heb alleen maar wat rondgeamateurd.” Of: „Mijn werk? Ik heb 99 procent van mijn tijd aan seks gedacht en, helaas, niet eraan gedaan. Ik heb heel veel te danken aan Lien Heyting, van het Cultureel Supplement. Ik schreef op uitnodiging, en verder was er de column. Had er meer systeem in gezeten, dan was ik misschien wel…. een denker geworden zo groot als Mulisch!”

Maar de P.C. Hooftprijs dan? Dat was toen hij hem kreeg (1975) de belangrijkste onderscheiding die er bestond. „Ik kreeg hem omdat de jury het niet eens kon worden over Renate Rubinstein of Karel van het Reve.” Nee, dat weet hij niet zeker, het is ‘mijn eigen analyse’.

Ja, geeft hij toe, ‘een beetje bescheidenheid’ speelt een rol. Maar: „Ik ben een zelfhater, altijd geneigd mijn eigen prestaties te devalueren. Er zijn veel krachtigere en elementairdere drijfveren dan bescheidenheid of koketterie. Je criteria worden gevormd door je ouders. Mijn ouders en vooral mijn moeder dachten dat ik een soort oplichter was. Ze was ervan overtuigd dat op een goed moment aan het licht zou komen, dat ik niet deugde. Dat heeft mijn leven bepaald. In zekere zin heeft alles wat ik gedaan heb de bedoeling gehad aan mijn moeder te laten zien dat ik wel deugde. Maar dat helpt natuurlijk niks! Ze was mee naar de uitreiking van de P.C. Hooftprijs. Die dag stond er geen stuk van mij in de krant. Zegt ze op de terugweg: ‘O, maar ben je dan niet bang ontslagen te worden?’ Zoiets creëert een ingebouwde zwakte. Alles wat ik gedaan heb, beschouw ik ook zelf als bedrog.

„Het is een klucht, een farce geweest: iemand te willen bekeren, die onbekeerbaar was. Nu zie ik het meer als haar eigen inferioriteitsgevoel. Ze vond zichzelf niets waard, en dus haar zoon ook niet. Maar dat zijn redeneringen en die helpen je in deze materie niet verder.”

Kousbroek komt terug op het belang van het verleden ‘waarvan het bewaren de kern is van de romankunst’. „Het grote talent onthoudt een selectie en weet die zo te noteren dat die samenhangend is en een verpletterende indruk maakt. Proust kon het, Gerard Reve ook. De Avonden heeft voor mij die formidabele kracht. Het boek beschrijft precies de wereld waarin ik terechtkwam, nadat wij uit Indië waren gekomen en op de koude grond belandden.”

Kousbroek ondernam zelf ook pogingen een roman te schrijven. Hermans, die zelf in die tijd de ene na de andere roman publiceerde, vraagt er met voelbaar leedvermaak geregeld naar in de briefwisseling. „En je roman? Vooral dat laatste is belangrijk”. „Nee”, antwoordt Kousbroek, pas een paar brieven later, geïrriteerd: „mijn roman is niet klaar, en als je suggereert dat die Lévi-Strauss trilogie een onderdeel is van de ingewikkelde afleidingsmanoeuvres waarmee ik mijzelf van meer fundamente dingen af hou, dan ben je een groot psycholoog, want zo is het inderdaad. (-) Overigens is dit onderwerp taboe”.

„Ik ben aan tien, dertien romans begonnen en heb ze allemaal in de prullenbak gegooid. Weg ermee. Mijn andere boeken ontstonden uit zichzelf, het waren bundelingen van opstellen en essays. Die kon ik niet tegenhouden, die romans wel. De roman waarover Hermans het heeft, ging over de wiskundige achtergrond van het bestaan, en over seks natuurlijk.

„Het bedrukt me nog steeds, dat het niet is gelukt. Hermans was alleen maar antagonistisch op dat kleine gebiedje dat samenviel met mijn zelfkritiek. Het maakte het wel erger, uiteraard. Als ik erop terugkijk, was het boek beïnvloed door Kafka en Stendhal en ook door Hermans, vooral door zijn vroege, surrealistische werk uit Moedwil en Misverstand. Maar het is alsof ik het alsnog probeer goed te praten. Het is heus het beste dat het boek in de prullenbak is beland.”

Het brengt het gesprek op de twee conflicten met Hermans. „Hij was niet tevreden te stellen, dat was een probleem. Maar ik had dat artikeltje waarin ik het voor hem opnam tegen K.L. Poll, redacteur van het Handelsblad, inderdaad gewoon elders moeten publiceren, nadat Poll weigerde het te plaatsen. Maar Poll was mijn broodheer, ik had net een forse ruzie met hem achter de rug. Het was van mijn kant inertie en tegenzin, daar ergens tussenin lag het.

„Weinreb lag ingewikkelder, maar in die affaire had Hermans volkomen en totaal gelijk. Ik heb de visie van Weinreb op de bezettingsjaren verdedigd – niet de man zelf. De onderduik was een beschamende episode, waarin onderduikers verraden werden, en waarin financieel en seksueel misbruik van ze werd gemaakt.

„Maar mijn intentie was onoprecht, halfhartig. Ik deed het omwille van Renate Rubinstein. Haar vader was door de Duitsers vermoord, van alle vaderfiguren die zij gezocht heeft in haar leven, voldeed Weinreb het best. Ik kon dat niet tegen haar zeggen, ik zou het nog niet kunnen. Het brak mijn hart haar nog verder pijn te doen en dus verdedigde ik, onder druk van haar, Weinreb. Hermans heb ik dit nooit verteld, hij zal het misschien vermoed hebben. Het verschil tussen hem en mij was: hij was meedogenloos en ik niet. Daarom was hij ook een goede romancier en ik niet. Alle compromissen, alle dingen die je half doet, met verborgen agenda’s en halve waarheden, moet je naderhand betreuren – dat is de lering. Onze brouille heeft me verdriet gedaan. Ik heb jarenlang gedroomd, dat we het weer bijgelegd hadden. Ha, we kunnen weer vrienden zijn! Maar dan werd ik wakker en wist ik beter.”

En Hermans’ verwijt over zijn bijgeloof? „Voorzover ik zelf weet is alle bijgelovigheid die ik afficheer, amusement. Een spelletje. Dat wist hij ook wel, daar gaat de correspondentie ook over. Maar ik heb altijd een hartstochtelijke relatie onderhouden met de wetenschap. Kennis gaat boven geloof. Dat is denk ik ook geldig in de evolutie. Geloof in wonderen kan incidenteel voordelen hebben, maar alleen waarachtige kennis beklijft. Die bestaat uit redeneringen waarin het bovennatuurlijke niet wordt toegelaten. Zo leven we aantoonbaar langer, dankzij de toepasbaarheid van de wetenschap.”

Hij denkt even na en zegt dan: „Anderhalf jaar geleden was ik opgegeven, het was op het randje. Ik heb toen niet de minste neiging gehad me over te geven aan het hogere. Ik dacht: zie je wel, ik laat me ook niet door omstandigheden verleiden tot onwaarheden.”

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s