“Wij willen de jonge dichters!”

Ophefmakend essay, verschenen als onderdeel van een poezie-special

in weekblad De Groene Amsterdammer – 24.05.1996

Tevens grondslag voor de vorming van De Sprooksprekers – i.s.m. Def P van de Osdorp Posse.

http://www.groene.nl/1996/21/rve_dich.html

Het zal niet lang meer duren voor de poëzie definitief onzichtbaar zal zijn geworden. De oudere dichters sterven uit, de jongere dichters hangen hun lier in de wilgen, en de allerjongste dichters worden niet opgemerkt. Behalve in deze Groene. Een rondgang langs en een debat met Jonge Dichters. Maar eerst: twee jonge kathederbestormers uiten hun misnoegen HET IS ZATERDAGAVOND, 23 maart 1996. De zaal is tot de nok gevuld. Alles verloopt ordelijk en volgens plan. Sprekers volgen elkaar op met metronomische regelmaat. Na afloop van elke redevoering slaat de applausmachine aan. Ondertussen, niet ver daarvandaan, in de gangen van hetzelfde gebouw, smoezen twee jongens met elkaar in het halfdonker. ‘Oké, maar niet te lang.’

DOOR Serge van Duijnhoven; Olaf Zwetsloot
sprookkop
Ze nemen beiden een ferme slok whisky, en begeven zich in de richting van de zaal waar op dat moment spreker A. v.d. B. zijn voordracht beëindigt en applaus in ontvangst neemt. Dan zien de jongens hun kans schoon en springen op het podium. Als een pijl schiet de eerste naar de microfoon. ‘Dames en heren, waar zijn vanavond de jonge dichters?’ roept hij. De zaal schrikt op, vermoeide ogen springen open, men bladert verward door de programmaboekjes. ‘Wij zijn tegen de gerontocratie’, vult de ander aan, ‘zowel in Peking als in Vredenburg!’
De eerste begint een gedicht voor te lezen dat ‘Psychopathia sexualis’ heet. ‘Hij legt zijn stethos op haar schouderbladen/ en stelt zich voor hoe hij haar/ billen opent met zijn nagels/ haar rug vilt en de wervels streelt.’ Er wordt steeds driftiger in programmaboekjes gebladerd. Toch blijft het verder nog stil. De presentator roept in de coulissen: ‘Wat is dit? Wie zijn dit?’ Hij overweegt het geluid uit te schakelen. Een collega van hem komt op dat moment al naar voren, vergezeld van een veiligheidsbeambte. De jonge dichters zien hem komen, maar de tweede besluit alsnog zijn futuristische gedicht ‘Nocturne 2000’ ten gehore te brengen.
Bij de katheder ontstaat een schermutseling. De veiligheidsbeambte en de presentator beginnen samen aan het voorlezende jonge heerschap te trekken. De eerste dichter werpt zich voor zijn kameraad in de strijd. ‘Kom op, laat hem zijn gedicht voorlezen!’ Het publiek joelt. Er wordt gefloten. Een meisje schreeuwt: ‘Wij willen de jonge dichters!’ De presentator sist de dissidenten verbeten toe: ‘Als ’t maar kort is!’
Als de tweede dichter spreekt over ‘een rhinoceros die aanhoudend wrikt tussen de kieren van een meisjesziel’, klinkt er gejuich en boegeroep. De dichter zet door. ‘Een glimlach valt in schilfers uiteen/ boven het stugge zwarte schaamhaar/ waarin een guerrillaorganisatie actief is.’ Het boegeloei zwelt aan en wint het van het gejuich. De dichter ziet zich genoodzaakt zijn stem te verheffen. Tenslotte is het rumoer zo sterk geworden dat de spreker zijn laatste regels inslikt en met een laatste uithaal naar het publiek (‘AJAX!’) zijn interruptie besluit. De veiligheidsbeambte sommeert de twee dichters met hem mee te komen. De twee kijken nog een keer om naar het publiek, en gaan dan af. De presentator kondigt aan: ‘Zo, en dan nu weer een echte dichter.’ De orde is hersteld.
ER WORDT GEZEGD dat het goed gaat met de poëzie in Nederland. Beter zelfs dan ooit tevoren. Kijk maar. Poëziemanifestaties worden druk bezocht. Komrij’s bloemlezingen verkopen druk na druk. Dode dichters worden plechtig herdacht en levenden worden geëerd of winnen prestigieuze prijzen. Kijk maar. Poëzie heeft, sinds de boekenweek van twee jaar geleden, haar glans volledig herwonnen. Maar gaat het werkelijk zo goed?
Over de positie die de poëzie in het boekenvak feitelijk inneemt behoeft niemand zich illusies te maken – die is en blijft volstrekt marginaal. Jaarlijks worden er in Nederland iets meer dan vijfennegentigduizend bundels van individuele dichters verkocht – op een totaal aantal boeken van ongeveer achtentwintig miljoen. In de boekenbusiness bedraagt poëzie dus niet meer dan zo’n halve procent van de totale omzet. De waarheid is cru maar onontkoombaar: de overgrote meerderheid van dit land zal nooit in haar leven een poeziëbundel aanschaffen, en heeft dat evenmin ooit gedaan. De kring van poëzieconsumenten (of moet men zeggen: liefhebbers) is klein en bestaat geheel en al uit dichters, professionele lezers, een klein clubje van bibliofielen en bibliothecaire klerken. Die laatste categorie vormde tot voor kort de grootste en zekerste bron van afname voor de twee- à driehonderd titels die er jaarlijks (gemiddelde 1985-1995) bij het Centraal Boekhuis in Culemborg binnenkomen. Maar ook die tijd is voorbij. Sinds bibliotheken met de invoering van de Welzijnswet van 1987 niet meer als ‘basisvoorziening’ erkend zijn en ze voor hun financiën volledig afhankelijk zijn van de goodwill van gemeente en provincie, wordt er drastisch op de inkoop van nieuwe bundels bezuinigd.
Dit leidde vorig jaar nog tot boze brieven van diverse uitgevers, die zich kwaad maakten over het feit dat er van het nieuwe werk van een voortreffelijk dichter uit hun fonds door de centrale bibliotheekinkoop slechts twee exemplaren waren besteld. Meer dan twee exemplaren waren niet nodig want met de algemeen ingevoerde automatisering zijn de gewenste bundels via de centrale computer in alle uithoeken des lands toch binnen enkele dagen opvraagbaar.
De inkopers van de bibliotheken zagen ook anderszins geen reden zich bezwaard te voelen door de geuite verontwaardiging van de uitgevers. ‘Ze willen kennelijk vooral het slecht lopende werk aan ons slijten’, was de laconieke reactie van een bibliothecaris in het zuiden des lands. Waarom zou men bundels aanschaffen als het publiek die toch niet leende? Gemiddeld passeert slechts één poëziebundel de uitleenbalie voor iedere tweehonderd boeken die worden uitgekozen. In de overgrote meerderheid van de gevallen betreft dat ene boek geen dichter waar de uitgevers een lans voor braken maar publieksbehagers als Toon Hermans, Gerrit Komrij (de bloemlezingen van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw) en de twee Van Veens: Herman de zanger en Jan van het populaire radioprogramma Candlelight.
Dat de poëziebloemlezingen van Komrij zo goed verkopen (van alle edities samen zijn er inmiddels zo’n honderdvijftigduizend exemplaren verkocht) betekent nog niet automatisch dat het goed gaat met de belangstelling voor poëzie in Nederland. Want tegelijkertijd gaat het steeds slechter met de verkoop van afzonderlijke bundels. Dichtbundels belanden steeds sneller in de ramsj, of worden soms zelfs na twee jaar ‘dood’ in de schappen te hebben gestaan bij het oud papier gemieterd. Aanzienlijke restvoorraden worden jaarlijks verpatst op uit- en vrijmarkten of in stilte vernietigd om nog verdere inflatie te voorkomen. Uitgevers laten hun oplagen zakken van 1500 exemplaren tien jaar geleden naar 600 heden ten dage, terwijl de gemiddelde prijs is gestegen van twintig naar dertig gulden. Ook het aantal bundels dat jaarlijks uitkomt is de afgelopen jaren sterk gedaald, van 356 in 1988 naar 238 in 1993 (waarvan negenenveertig herdrukken).
Met de algemeen verwachte verschraling van het aanbod in de boekhandels – als uitgevers volgens de wil van de heer Dreesman inderdaad moeten gaan betalen voor plek in de winkels – is de Nederlandse poëzie het eerste genre dat daarbij het loodje zal leggen. De Nederlandse situatie zou dan wel eens kunnen worden als die in Duitsland en Frankrijk, waar het publiceren van poëzie al jarenlang verdrongen is naar een secundair circuit, naar kleine uitgeverijen die vaak moeite hebben met de distributie en die geen geld hebben voor publiciteit. De gevolgen voor Frankrijk en Duitsland zijn aantoonbaar catastrofaal gebleken; de kwaliteit en het bereik van de in boekvorm gepubliceerde poëzie steken schril af tegen die van het proza, iets wat zo’n dertig jaar geleden beslist nog niet het geval was.
DE VRAAG IS NATUURLIJK in hoeverre de Nederlandse poëzie, ondanks het feit dat zij voorlopig nog onder de hoede valt van de gerenommeerde uitgevershuizen, feitelijk al naar zo’n tweede plan is gedegradeerd. De kwaliteitsbladen hebben doorgaans nog wel een kolommetje waar nieuwe bundels zo nu en dan besproken worden, maar maatschappelijk en artistiek neemt poëzie in de samenleving een even marginale plaats in als je op grond van haar geringe verkoopcijfers mag verwachten. Gerrit Kouwenaar verzuchtte twee jaar geleden in een interview met Elseviers Weekblad (over ‘de economie van de poëzie’) dat poëzie in de jaren vijftig, zestig nog belangrijk was voor veel jongeren. ‘Nu telt ze niet meer mee’, aldus Kouwenaar, ‘ook niet in de pers.’ Prozaboeken willen in Nederland nogal eens maatschappelijke discussies uitlokken (zie Kellendonks Mystiek lichaam). Poëziebundels daarentegen lijken enkel nog te worden losgelaten in een steriel luchtledige, ver buiten de dampkring die het vrijblijvende scheidt van het relevante.
Er lijken maar weinig mensen als Gerrit Kouwenaar te zijn die zich hieraan storen. Vorig jaar juni schreef de poëzierecensent Guus Middag in NRC Handelsblad nog: ‘De afwezigheid van polemiek lijkt mij historisch heel goed te verklaren en in een behoefte te voorzien, een postmodernistische behoefte aan vrijheid dan wel een posttraditionele behoefte aan terreinverkenning.’ Historisch verklaarbaar of niet, na het rumoer van de Maximalen en de Nieuwe Wilden eind jaren tachtig is het poëziewereldje in Nederland verworden tot een kikkervijver aan het einde van de zomer. Wie dichterbij komt, hoort wel kikkers kwaken, maar ruikt vooral de stank van drabbig, stilstaand water.
Het grootste probleem van de Nederlandse poëzie is niet haar almaar miserabeler positie op de literaire markt. Hieraan is men immers al tijden gewend. Dichters ontlenen aan de marginaliteit van hun werk doorgaans hun trots; het sterkt hen in de overtuiging dat zij een kunstvorm bedrijven die voorbehouden is aan ‘enkle fijne luyden’. Nee, het grootste probleem voor de poëzie blijven de dichters zelf: hun ontbrekende wil om werkelijk tegen de misère te vechten en hun zelfgenoegzame neiging om zich steeds verder terug te trekken in een kleine, elitaire kring. Terwijl andere kunstvormen, en zeker ook het literair proza, de afgelopen jaren in tal van opzichten een ontwikkeling hebben doorgemaakt van profanisering (de scheiding tussen intellectuele kunst en volkskunst die aanmerkelijk is verkleind of opgeheven), is de poëzie in Nederland steeds hoger gekropen in haar sjieke ivoren toren.
Aldus heeft de poëzie het voor zichzelf uiterst moeilijk gemaakt om nog aansluiting te vinden bij een jonger publiek dat poëzie toch al zag als een Gestalttherapie voor stoffige intellectuelen. Niet voor niets was er vorig jaar op het grootste en door jongeren drukbezochte literaire festival van Nederland, het Crossing Border Festival in Den Haag, niet één representant te vinden uit het gevestigde Hollandse dichterscircuit. De dichters waren er niet rouwig om. Zij hebben hun eigen festivals; De Nacht van de Poëzie en Poetry International, waar in betonnen Stalin-taarten als Vredenburg en De Doelen de bedwelmende pestdampen van het gewijde je tegemoet slaan.
In Utrecht waande men zich afgelopen maart tijdens de Nacht van de Poëzie op een partijcongres van de Russische of Chinese communistische partij. De gemiddelde leeftijd van het Poëtisch Presidium in Utrecht bedroeg, zo heeft een journalist berekend, zestig jaar. Jeugdige dichters, gaf ook presentator Piet Piryns na afloop in Het Parool toe, vielen automatisch buiten de boot. Dat is kwalijk, want in plaats van enige verantwoordelijkheid voor de vitaliteit van de cultuur te nemen, heeft de directie van de Nacht zich ontpopt als een wachter van stagnatie, die vanaf haar balkon het défilé der poëten afneemt: machtsvertoon in sovjetstijl, waarbij Gerrit Komrij, Anna Enquist, Hanny Michaelis, Michel Van der Plas, Georgine Sanders en Leo Vroman als kernkoppen over het Rode Plein rollen.
HET IS ZORGWEKKEND en ridicuul dat een gebeurtenis als de Nacht van de Poëzie, met het budget en de bekendheid die het heeft, niet ook maar de geringste millimeter heeft willen inruimen voor jonge dichters. Alles wijst erop dat de directie van de Nacht gewoonweg te belazerd is om eens op te veren uit het pluche en zich te oriënteren, eens te kijken wat er rondloopt aan talent. Haar impliciete boodschap is dat mensen onder de dertig er niet toe doen en derhalve gescheiden dienen te blijven van de ouderen, die in hun pantheon met elkaar de verrukkingen van de ‘ware’ poëzie beleven. Daarvoor bestaat in het Nederlands een mooi woord: segregatie. Kameraad Anneke van Dijk, programmeur en organisator van de Nacht, in het Utrechts Nieuwsblad van 25 maart: ‘Niet genoeg jonge dichters? Kom nou. En niet genoeg homoseksuelen en niet genoeg gekleurde vrouwen zeker.’ Het is een verongelijkt en retorisch antwoord, zonder enige argumentatieve waarde. Maar van een Opperste Sovjet kan men nu eenmaal geen argumenten verwachten. Wat het belang is van een goede jeugdopleiding heeft men in het voetbal, maar ook in de klassieke muziekwereld, inmiddels begrepen. In de letteren is er nog altijd sprake van een doctrine van achterlijkheid en goedgelovigheid dat ‘alles vanzelf wel goed komt’.
Zijn er überhaupt nog jonge dichters in het Nederlandse taalgebied? zou men zich na de Nacht terecht kunnen afvragen. Die vraag is crucialer dan ze misschien op het eerste gezicht lijkt. Ze zijn er wel, maar het zijn er bitter weinig, en steeds minder. De Nederlandse poëzie is in hoog tempo aan het verknekelen. Jonge schrijvers wagen zich nauwelijks meer aan het dichten, of stoppen er voortijdig mee. Jong bloed dient zich (bijna) niet aan. Uitgevers eisen romans van hun jeugdige auteurs, geen versregels. Poëzie is daarmee definitief een ouwe-lullenbezigheid geworden.
Hoeveel kapitale talenten zijn er de afgelopen jaren niet geweest die na twee, drie of nog meer bundels de lier aan de wilgen hingen? Boudewijn Büch, Joost Zwagerman, Tom Lanoye, Rogi Wieg, en binnenkort ook Peter Verhelst. Hun redenen? Teleurstelling over de respons (Wieg), frustratie over het kleine, elitaire wereldje waartoe de poëzie beperkt bleef (Büch en Verhelst), en de koele berekening van het geld en het gebrek daaraan in de poëzie (Zwagerman en Lanoye). De gemiddelde leeftijd op evenementen als de Nacht van de Poëzie zal de komende jaren alleen maar toenemen, zo valt te vrezen. De doorstroming binnen de Nederlandse poëzie, toch cruciaal voor haar diversiteit, haar continuïteit en haar toekomst, is in het geding.
Toch is het niet alleen maar kommer en kwel in de Nederlandse poëzie. Het ligt er maar aan hoe en waar men wenst te kijken. Los van het ‘eliteraire’ circuit is er de laatste jaren een hele stroming op gang gekomen van jongens die de poëzie opnieuw naar de straat hebben gebracht, die in rauw en authentiek Nederlands, met behoud van regionaal accent of dialect, in snel tempo zelfgeschreven versvormen over hiphop-beats heen rappen. Def P en de Osdorp Posse, de Ouderkerk Kaffers, Westclan, Klaas Vaak, Extince, Zuid Oost, Vuurwerk, zij zijn ‘de goeien in het vloeien’, zij zijn de minstrelen van vandaag. Hun teksten hebben geen eeuwigheidswaarde, maar dichtkunst is het zeker. De cd’s van de Osdorp Posse en de Ouderkerk Kaffers verkopen beter dan alle Nederlandse dichtbundels samen. Toch heeft de Nacht van de Poëzie geen van deze rappers uitgenodigd. Met haar rituele ceremonie in Vredenburg bevestigde de directie van het poëziefestival nogmaals hoezeer de high brow- en low brow-circuits in Nederland gescheiden blijven. Een gemiste kans om de Nederlandse poëzie uit de verdrukking te halen en een groter publiek te bereiken!
Zolang men onder ‘hoog’ waardevol verstaat, en onder ‘laag’ waardeloos, zal men die kans blijven missen. Het wordt tijd de elitaire barrières te slechten en rapgroepen bij poëziefestivals te betrekken. Rappers horen er beslist thuis; ze zijn meesters in het ter plekke verzinnen van zinderende rijmvormen, waarmee ze elkaar in spitsvondigheid proberen te overtreffen, een soort sparring, waarin ze veel virtuozer zijn dan schrijvende dichters. Bovendien zijn zowel hun onderwerpkeuze als vocabulaire een verfrissend infuus voor de Nederlandse taal. Rappers dichten niet over stilte, het zwart, of over een indrukwekkend stilleven in een museum. Ze dichten in een modern straatstaccato op rauwe, directe manier over prostitutie, criminaliteit, over betonnen buitenwijken, over snollen, sletten, kutten en werkloosheid, over racisme, hypocrisie en al het andere waaruit hun leefwereld bestaat. Ze nemen je mee ‘door hun doolhof van woorden’ (Mach) naar een nog altijd braakliggend terrein in de Nederlandse letteren, waar het keurige dichtersvolk zich nauwelijks durft te vertonen.
De elitaire aderverkalking van de Nederlandse poëzie blijkt nog eens uit de oproep die NRC Handelsblad aan haar lezers deed om een essay te schrijven over de rol die poëzie heden ten dage vervult. ‘Citeert u wel eens een gedicht?’ luidde de kop boven de oproep. De kop spat uit elkaar van blaséheid. Een gedicht slaat men open, leest men in een bundel, citeert men. Maar een gedicht zingen of rappen? Bah. Bij dezelfde oproep drukte de redactie eveneens twee gedichten af ‘om onze gedachten te helpen bepalen’. Het ging om stervenspoëzie van een dode dichter, Faverey, en van een dichter die al honderd jaar dood had kunnen zijn, Rawie. Een Grote Dode en een Bijna-Dode, want guttegut, de Nederlandse poëzie leeft als nooit tevoren!
Waar Nederland in sociaal opzicht een grote egaliteit kent, waar althans de grenzen tussen rangen en standen niet zo duidelijk zijn afgebakend als in Engeland of Frankrijk, is er in de poëzie sprake van een ware klassenmaatschappij: een scheiding tussen ‘elite’ en ‘volk’, tussen de officiële literatuur en de orale traditie. Donald Gardner, een bekend uitvoerend dichter die al sinds begin jaren zeventig optreedt met dichtperformances waarin de voordracht centraal staat, zegt hierover: ‘Soms denk ik dat Nederland het laatste land is waar een dichter zou moeten wonen. Als je hier iemand vertelt dat je een uitvoerend dichter bent, tref je vaak een wantrouwige reactie, alsof je met je optreden het publiek tracht te manipuleren. Poëzie blijft in Nederland bovenal een zaak van snobisme en dode letters. De literaire kritiek beschouwt de uitvoerende dichtkunst als een non-genre, omdat men er geen toetssteen voor heeft. Deze vooringenomenheid herinnert je aan de calvinistische wortels van de Hollandse cultuur. Aan poëzie, zo is de gangbare opvatting, mag eigenlijk geen plezier worden beleefd. Veel van de grootste dichters van deze eeuw waren echter eveneens voordrachtskunstenaars. Majakovski, Dylan Thomas, Ezra Pound, Garcia Lorca – allen brachten zij met hun voordrachten de poëzie dichter bij het volk. Dat de poëzie hier zo’n klein bereik heeft, ligt voor een groot gedeelte aan de dichters zelf, die hun werk vaak presenteren op een manier die getuigt van minachting voor het gewone publiek.’
IN NEDERLAND HEEFT men geen rijke chansontraditie, zoals in Frankrijk, waar tekstdichters en zangers de poëzie beschikbaar hebben gemaakt voor het hele volk. Ook missen we talenten zoals Wannes van de Velde of Willem Vermandere, die er bij onze zuiderburen voor zorgen dat de Vlaamse liedkunst niet vergeten raakt. In Nederland zijn de invloedrijke dichter-zangers als Jaap Fischer en Boudewijn de Groot helaas veel te schaars gebleven en zijn er maar weinig musici die zich durven wagen aan het op muziek zetten van de grote dichters. Kwalijker nog is het dat de meeste Nederlandse dichters zich gewoon te goed vinden om teksten te schrijven voor hun musicerende collega’s. Hooghartigheid is troef bij de dichterskaste, die uit zichzelf geen toenaderingspoging zal wagen, omdat men ‘geen concessie wenst te doen aan de vorm van het eigen werk’.
Wat de minachting voor de orale tak van de poëzie bij ons teweeg heeft gebracht, blijkt bij een autorit over langere afstand. In Frankrijk, Spanje en Italië zingt men driehonderd kilometer moeiteloos vol, puttend uit een enorm repertoire aan populaire, bij menigeen bekende liederen; in Nederland komt men vaak niet verder dan het eerste couplet of, erger nog, de eerste regel, en anders schakelt men over op Engelstalige popteksten. Misschien dat er ergens in de Jordaan mensen zijn die urenlang lied na lied ten beste kunnen geven, maar daarbuiten houdt het al gauw op.
Het gebrek aan een populaire vocale Nederlandse dichttraditie is debet aan de beperkte reikwijdte van de poëzie hier te lande. Poëzie is er immers vooral om gelezen of ‘geciteerd’ te worden. De vorig jaar overleden dichter Lucebert pleitte in 1950 al (in School der poëzie ) voor een ‘democratisering van de taal en de dichtkunst’. Lucebert voorspelde dat ‘dichters van fluweel’, die zich schuilhouden in hun toren van beschaafd ivoor, ‘schuw en humanistisch dood gaan’. Die voorspelling lijkt nu, aan het eind van de twintigste eeuw, daadwerkelijk uit te komen.
Het is hoog tijd dat men de ruimte geeft aan een poëzie die minder beaat is, die meer is dan een suffe parade voor academische bibliofielen. De vijver met het drabbige water is immers hard bezig op te drogen. Over een jaar of vijftig, als de laatste levende dichters gestorven zijn, zal men kunnen afstuderen op de vraag waar het mis ging met de Nederlandse poëzie. Ondertussen houdt men in letterland braaf de schijn op, en is men net als de zelfmoordenaar waarover verteld wordt in de Franse film La haine. Tegen de mensen die hem langs hun raam voorbij zien vallen, roept hij: ‘Tot hier gaat alles goed.’

© Serge van Duijnhoven; Olaf Zwetsloot / De Groene Amsterdammer

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s