De beteugeling van de wreedheid

De beteugeling van de

wreedheid

essay over een wreed exces op het Franse boerenland in 1870,

aan de hand van Bloedbad in de Dordogne van Alain Corbin, Peasants into Frenchmen

van Eugen Weber en Culture populaire et culture des élites van Muchembled.

Inclusief  interview met Alain Corbin.


Alain Corbin

Alain Corbin

De Franse historicus Alain Corbin is van mening dat de geschiedschrijving geen wetenschap is, maar een kunst. “De geschiedwetenschap voldoet niet aan de eisen van een harde wetenschap”, zei hij onlangs tijdens een gesprek met Nederlandse geschiedenisstudenten in Parijs. “Het is een curiositeit, met haar eigen protocol en haar eigen reglementen, die enkel aan één nieuwsgierigheid beantwoordt: hoe leefden de mensen in het verleden?” Een opmerkelijk ontraditioneel standpunt voor iemand die zijn onderzoeksprestaties beloond zag met een hoogleraarschap aan Frankrijks meest traditionele bolwerk voor de wetenschap: de universiteit van de de Sorbonne. Naast Emmanuel le Roy Ladurie en Jacques le Goff is Alain Corbin op dit moment de meest bekende mentaliteitshistoricus in Frankrijk. Zijn specialisme is nu eens niet, zoals voor de meeste bollebozen in het vak, de middeleeuwen, maar de Franse negentiende eeuw. In Nederland kreeg Corbin bekendheid met zijn boek Pestdamp en bloesemgeur (Le Miasme et la Jonquille) uit 1982. Hierin onderzocht hij hoe de gevoeligheid voor geuren in de tweede helft van achttiende en in de negentiende eeuw steeds groter werd, en hoe chemici en medici een `ontgeuringsoffensief’ inzetten: de maatschappij moest gezuiverd worden van dampen en stank die men plotseling als schadelijk ging ervaren voor de gezondheid. Dit werk inspireerde de Zwitserse auteur Patrick Süskind tot het schrijven van de bestseller Das Parfum . In de zomer van 1988 werd Corbin hier in allerlei weekbladen aangehaald als “de strandprofessor”, omdat hij toen zijn boek publiceerde over het geleidelijke ontstaan in de negentiende eeuw van een liefde voor de zee en het strand: Het verlangen naar de kust (Le Territoire du Vide).
Enige tijd geleden was hij te gast in Amsterdam om er de vertaling van zijn jongste boek in ontvangst te nemen: Bloedbad in de Dordogne . Oorspronkelijk verscheen het in 1990 bij Aubier onder de titel Le Village des Cannibales . Het boek is opgezet als een microhistorie, waarin Corbin op zoek gaat naar de achtergronden van een wrede lynchpartij die zich in de snikhete zomer van 1870, aan het begin van de Frans-Pruisische oorlog, in het gehucht Hautefaye hebben afgespeeld. Een onschuldige edelman uit de omgeving werd urenlang door een uitzinnige menigte veeboeren gemarteld op het marktplein, om uiteindelijk, wellicht levend, te worden geroosterd op een strovuur onder een vracht hout. Niet alleen de titel, maar ook de inhoud van het boek duidt op een thriller-achtig verhaal. Corbin houdt de spanning er goed in, omdat hij bladzijde voor bladzijde de ingrediënten van de wrede moord aan het betoog toevoegt, waarbij hij de lezer pas aan het slot trakteer t op de de uiteindelijke “ontrafeling van het enigma”. Je zou Bloedbad in de Dordogne dus inderdaad een thriller kunnen noemen, een historische thriller. Corbin zal zich niet sappel maken om de categorisering van zijn werk. Uit zijn uitspraak hierboven mogen we afleiden dat hij zichzelf net zo lief als kunstenaar of schrijver ziet.
Corbin besteedt veel aandacht aan de omstandigheden waaronder de slachtpartij plaatsvindt. De boeren zijn getroffen door droogte die het veevoer onbetaalbaar maakt. De zon verhit geest en gemoed, en geruchten over het oprukkende Pruissische leger zaaien grote onrust. De honderden boeren die op 16 augustus op de veemarkt zijn samengestroomd lessen hun dorst met liters wijn. Geklonken wordt er op hun held: keizer Napoleon III, en op de oorlog tegen de Pruisen. Er is geen gendarmerie, geen burgerwacht om een oogje in het zeil te houden. “In dit vacuüm zuigt het marktplein zich vol met explosieve lucht”, schrijft Corbin plastisch. Het gerucht gaat dat een edelman ” Leve de Republiek!” heeft geroepen. In tegenstelling tot de keizer is de adel niet geliefd bij de ontredderde boeren, omdat die er om bekend staat de kant van de vijand te kiezen als die dreigt te winnen. De boeren hebben er ervaring mee. Een verloren oorlog betekent plunderende vreemde soldaten en aan flarden geschoten zoons, terwijl de “hoge heren” er wel bij varen. “Grijp de verrader! Vil de Pruis!” wordt er gegild. In de logica van de boeren is iedereen die Leve de Republiek! roept een verrader, en dus een Pruis. De edelman beseft dat hij in dit geval beter tijdig het hazepad kan kiezen. Hij ontsnapt, en de boeren grijpen daarom maar zijn neef, Alain de Monéys, uit het naburige Bretanges, een paardeliefhebber die zich graag op veemarkten onder het volk laat zien. Met een pook en een vleeshaak wordt zijn huid opengereten, drie uur lang wordt hij door driehonderd mannen en enkele vrouwen, die er keurig voor in de rij gaan staan, volgens middeleeuwse rituelen gefolterd, bewusteloos geslagen en weer bij bewustzijn gebracht. Uiteindelijk belandt hij op een berg stro, waar de vlam in wordt gezet. Het vet dat uit het lichaam spat wordt op boterhammen gesmeerd.
“Het buitensporige van de lynchpartij, merkt Corbin droogjes op, is vooral de opzettelijke blindheid van de moordenaars.” De boeren weigeren te luisteren naar de enkelen die roepen dat Alain de Monéys geen Pruis is maar een bekende uit de omgeving. Sterker nog, ook diegenen die donders goed weten wie het slachtoffer is, nemen deel aan het afrossen van Alain. De boeren hebben het zozeer nodig om zich te vergrijpen aan de vijand dat ze voor geen rede vatbaar zijn. Alle spanningen worden geprojekteerd op het onschuldige slachtoffer, en ontladen zich in een macaber vreugdevuur. Op dit punt aanbeland verwijst Corbin naar de zondebok-theorie van de Franse historicus-antropoloog René Girard, die vooral is uitgewerkt in Des choses cachées depuis la fondation du monde (1978). Alain de Monéys is volgens de definitie van Girard een puur voorbeeld van de zondebok: de hele gemeenschap concentreert zich op é én slachtoffer, en de agressie die zich tegen die ene persoon richt heeft de functie dat het de hele gemeenschap moet verzoenen. Zo’n slachtoffer-rite vindt volgens Girard meestal plaats in tijden van algemene wanorde in de gemeenschap. Corbin voegt daar aan toe dat de slachting ook als een festijn beschouwd kan worden, waarbij de eigen angsten worden uitgedreven. De boeren zijn ervan overtuigd, hoe irreel het ook is, dat ze de aanstichter van hun ellende hebben gevonden. Bovendien denken de boeren met hun daad de keizer en Frankrijk een dienst te hebben bewezen.
Frankrijk is echter een andere mening toegedaan. Na de brute moordpartij worden de boeren uit de Dordogne geconfronteerd met de afschuw van zowat heel de maatschappij. Spookbeelden doemen bij de burgerij weer op van boerenopstanden en kannibalen: het monsterlijke gepeupel. Een onderzoek wordt ingesteld, en “het gerechtelijk hout” (een eufemisme voor de guillotine) wordt naar het afgelegen dorpje gesleept. Op last van getuigenissen worden vier boeren ter dood veroordeeld, en een flink aantal anderen belanden in het gevang. Het is ondoenlijk om alle driehonderd boeren te straffen, maar het inmiddels Republikeinse regime onder Thiers wil een duidelijk voorbeeld stellen: dit soort archaïsche wreedheden worden in het moderne Frankrijk niet gedoogd. De executie vindt in februari 1871 plaats in aanwezigheid van een detachement van tweehonderd man infanterie. Met groot gevoel voor detail en ironie beschrijft Corbin hoe een van de veroordeelden, Léonard Piarrouty, oftewel “de verschrikkelijke voddeboer van Nontronnais”, voor de executie nog vlug een kop soep slurpt en een glas cognac drinkt, waarvan hij de kwaliteit bekritiseert. Ook scheldt hij ruw het hulpje van de beul uit, die volgens hem onnodig een scheur maakte in zijn mooie pak.
Het fascinerende aan Bloedbad in de Dordogne is dat het de vraag oproept in hoeverre een moderne maatschappij bepaalde dionysische driften die blijkbaar in de mens aanwezig zijn, kan controleren. Die vraag heeft Corbin zelf ook voortdurend in zijn achterhoofd gehouden bij het schrijven van dit boek. Zijn mening is dat de mens er maar ten dele in kan slagen de wrede kant in zichzelf te boven te komen. Dit zou ook de ambiguï teit kunnen verklaren van de houding die mensen aannemen ten opzichte van horror , van wreedheid. Aan de ene kant vinden ze het afschuwelijk, aan de andere kant worden ze er door aangetrokken. In de spiegel van datgene wat je verafschuwt, zegt Corbin, herken je tegelijkertijd iets van jezelf. In de Dordogne heeft het drama van Hautefaye een trauma achtergelaten. De moordpartij en de executie van de veroordeelden zijn deel gaan uitmaken van de geheimen van de plaatselijke bevolking. In Hautefaye doet men er liever het zwijgen toe. Corbin heeft dat zelf kunnen ervaren. In september 1990 reisde hij, vergezeld van een journalist, met het boek in zijn zak naar de Dordogne. Toen Corbin de burgemeester van Hautefaye (45 inwoners) vert elde dat hij een studie had gemaakt over de wreedheden die zich 120 jaar eerder op de veemarkt hadden afgespeeld, smeekte deze de professor: “ Oh, surtout, ne parlez pas de cette affaire. C’est trop tôt! ” De burgemeester, volgens Corbin een kolos van een vent, sprak met afgrijzen over de journalisten die naar zijn gemeente waren gekomen en Hautefaye “een dorp van bloeddorstige kannibalen” hadden genoemd. Corbin durfde daarna zijn boek niet meer aan de burgemeester te presenteren. Hij keerde stilletjes terug naar de Sorbonne, met Le Village des Cannibales nog steeds in zijn jaszak.
Voor dit essay is vooral het slot van het boek interessant, vanaf de paragraaf over “de ontrafeling van het raadsel” tot en met de conclusie. Hierin probeert Corbin de gebeurtenissen in Hautefaye in een breder historisch verband te plaatsen.
Corbin zoekt de betekenis van de moordpartij nadrukkelijk niet in de economische conjunctuur. Ook wil hij het niet zien als een “jacquerie” ;. “Dat is een oude mythe die negentiende-eeuwse notabelen gebruiken en waar ze tegelijkertijd zo bang voor zijn, dat ze alle specifieke aspecten ervan vergeten,”1 schrijft Corbin stellig. De stoet die de jonge edelman van Bretanges foltert heeft volgens de Franse historicus evenmin iets weg van een tragisch carnaval. Zij maakt volgens hem geen deel uit van de komische volkscultuur waar Mikhaïl Bakhtine over geschreven heeft.2 Als argument hiervoor voert Corbin aan dat er (op een enkele opmerking na) geen sprake van spot is in deze zaak. De wereld wordt niet op z’n kop gezet en men gaat niet op zijn handen lopen, zoals eerder die eeuw bij het in elkaar rammen van ongeliefde dorpsbewoners wel gebeurde. Niets wijst op een omverwerping van de sociale orde of op de enorme circulatie van personen en diensten, waar het carnaval door wordt bepaald. Op de veemarkt in Hautefaye verkleedt niemand zich, speelt niemand voor meneer. Ook spreekt men elkaar niet alleen maar voor de lol aan en zijn er geen voorstellingen. Corbin geeft enkel zuinigjes toe dat het slachtoffer niet meer dan een pop lijkt te zijn, waarvan de verbranding het eind van het feest betekent en op een bepaalde manier een afscheidsritueel is. Daar houden zijns inziens de overeenkomsten met de gebruiken van het carnaval op.
Voor de ontrafeling van het raadsel is de historische context noodzakelijk: op 16 augustus 1870 proberen de boeren van de veemarkt de angst (voor oorlog en plundering) die hen naar de keel grijpt uit te bannen. Zij proberen door de rituele slachting de op handen zijnde catastrofe te voorkomen. De bedoeling van de in een staat van diepe ontreddering verkerende boeren is om met behulp van de eenvoud van een aanwijsbare vijand een zekere zeggenschap over hun lot terug te winnen. De man die ervan beschuldigd wordt “Leve de Republiek” te hebben geroepen wordt de personifiëring van de vijand omdat republikeins voor de boeren gelijk staat met anti-keizerlijk dus anti-Frans, en dus Pruissisch. Op de veemarkt heeft de gemeenschap de absolute overtuiging dat zij de enig ware oorzaak voor haar ongeluk heeft gevonden.
Voor Corbin schuilt de kern van het belang van het drama in de Périgord in het gevoel van vreemdheid dat het wekt. De president van de rechtbank van Périgueux zei het op zijn manier: “deze vreselijke misdaad betekent een verloochening van de negentiende eeuw.”3 Hier vindt Corbin aansluiting bij een historische mentaliteits-ontwikkeling die hij in Le Miasme al bespeurde: de geleidelijke uitbanning van de wreedheid in de achttiende en negentiende eeuw. De abattoirs begon men indertijd bijvoorbeeld in de steden aan het zicht te onttrekken. Niet alleen vanwege de stank, maar ook omdat men te gevoelig werd voor het zien van bloed bij slachtingen in de straat.
Het drama in Hautefaye is voor Corbin’s theorie zeker exemplarisch, omdat het de uitzondering is die de regel bevestigt. Uit het geval Hautefaye blijkt hoe streng de negentiende eeuwse maatschappij haar dionysische impulsen in principe is gaan beheersen. Vandaar dat de president van de rechtbank die de vier ” ;kannibalen” uit het dorp ter dood veroordeelde zei dat de misdaad een verloochening van de negentiende eeuw betekende. “Het drama van Hautefaye fascineert omdat het duidelijk maakt dat er een afstand, een kloof, bestaat tussen enerzijds de heersende gevoeligheid en anderzijds het gedrag van de boeren, ongevoelig als deze zijn voor de veranderingen in dat wat toelaatbaar wordt geacht,” betoogt Corbin. Juist vanwege deze afstand, schrijft hij, is dit drama een historisch onderwerp van de eerste orde en juist omdat het zo laat plaatsvindt is het zo belangrijk. Als het drama zich had afgespeeld tussen 1300 en 1795 zou het van weinig betekenis zijn geweest, “of het moest zijn vanwege de voor die tijd geringe wreedheid”, merkt Corbin met evenveel snedigheid als overdrijving op. Hier volgt een interessant maar zeer algemeen historisch exposé over wat Corbin filosofisch “de overdracht van de driften naar de verbeelding” noemt. Vanaf de Renaissance, zo is zijn redenering, zouden geletterde geesten een afschuw voor geweld hebben ontwikkeld. Tegelijkertijd besefte men dat de afstand die de christen vroeger scheidde van de wilde kanibaal, toch kleiner was dan men dacht. Vanaf dat moment trad er die “verinnerlijking” en ” vervreemding” van het geweld plaats en kwam er een overdracht van dionysische driften naar de verbeelding op gang. In de periode van de Verlichting kwam er een “nieuwe gevoeligheid” op die oude slacht- en folterrituelen in diskrediet bracht. Beelden van wreedheid werden steeds meer een last voor de herinnering. Het lichaam werd steeds minder het object van martelingen en steeds meer van onderzoek, aldus Corbin. Omdat het gewone volk echter doorging met zijn wrede gebruiken kwamen ontwikkelde personen tot het bittere besef van het buitensporige in de mens, en dus in henzelf. De Revolutie bevond zich wat dat betreft op een kruispunt van de geschiedenis van de gevoeligheid. Volgens Corbin was de Revolutie eigenlijk “een gigantische slacht- en folterpartij” die plaats vond op een moment dat dit soort folteringen voor de geciviliseerde maatschappij ondraaglijk werden. Bekend zijn de woorden die Manuel in september 1792 uitsprak in de Abbaye: “Staand op een berg lijken, predikte ik het respect voor de wet.”
In de negentiende eeuw nam de burgerij collectief de afschuw van het bloed over. De wreedheid werd naar de verbeelding verbannen, wat duidelijk, volgens Corbin, blijkt uit de reacties op de wreedheid. Uit deze theorie klinken duidelijk de echo’s van Corbin’s leermeester Foucault door. De reacties, die vooral zijn ingegeven door angst, getuigen van overdrijving. De bewoners van Hautefaye worden in de verbeelding van de burgers tot “kannibalen”, “monsters”, gevaarlijke boeren opstandelingen. Het geval Hautefaye is volgens Corbin exemplarisch omdat het aan de uitbanningsmethoden van de negentiende eeuw is ontsnapt. De reactie op de lynchpartij getuigt van een ongekende afschuw. Hautefaye legde dionysische driften bloot, waarvan men in 1870 dacht dat ze voor altijd waren verdwenen. Ironisch is wat dit betreft het detail dat tijdens de executie van de aangewezen moordenaars van De Moné ys een boerenvrouw in zwijm valt bij het zoeven van het dodend guillotine-mes. De aanzicht van het bloed is haar teveel. De afkeer van geweld is (en dat zo kort na de gebeurtenissen op de markt) ook haar, als vrouw van de negentiende eeuw, naar de verbeelding gestegen. De vrouw is als het ware door flauw te vallen bij de gedachte aan bloed opgenomen in de elitecultuur.
Dit past tevens in de theorie van de Amerikaanse historicus Eugen Weber, die in 1976 zijn studie Peasants into Frenchmen publiceerde. Peasants into Frenchmen behandelde de mentaliteitsveranderingen op het Franse platteland aan het eind van de negentiende eeuw. Expliciet werd in dat boek aandacht besteed aan het verval van de “volkscultuur” onder invloed van civilisatie- en staatsvormingsprocessen. Het beeld dat Weber schetst is dat van een korte en heftige “modernisering” van het Franse platteland in het laatste kwart van de negentiende eeuw (en tot 1914), die een totale breuk zou betekenen met de nog “middeleeuwse” materiële en culturele omstandigheden waaronder de boeren leefden. Rond de tijd van de voor de burgerij ” archaïsche” gruwelen in Hautefaye raakten volgens Weber allerlei tradities en gebruiken in onbruik. Vanaf die tijd begonnen zij vervangen te worden door een nieuwe levensstijl, ontleend aan een moderne massacultuur van stedelijke origine. Veel historici die zich met de teloorgang van de volkscultuur bezig houden schrijven hun studies in een toon van, haast, melancholie. Zoveel puurs en volks dat verloren is gegaan! Een barbaars drama als dat van Hautefaye laat echter zien dat zo’n toon niet helemaal gerechtvaardigd is. Natuurlijk, er is een schat aan volksverhalen, liederen, dansen, spreekwoorden, feesten en volksvermaken verdwenen (of, nog erger, als gemummificeerde folklore in het museum bijgezet). Maar ontegenzeggelijk is de modernisering ook een proces van humane verfijning geweest, die met haar nadruk op de rechten van en het respect voor het individu onmenselijke wreedheden en achterlijke geborneerdheid tot enkele (uitzonderlijke) excessen heeft weten te beperken.

Feit blijft dat de boeren door het civilisatieproces in de elitecultuur zijn geïntegreerd. De kloof tussen de levensstijl van de stedelingen en de boeren was sinds de Renaissance steeds groter geworden, maar zou tenslotte langzaam weer worden gedicht. De verstedelijking van het collectieve bewustzijn van de Franse boerenbevolking kan volgens Weber het best worden begrepen wanneer het wordt opgevat als het resultaat van een ” kolonisatieproces”. De 19e eeuwse burgerij zou de plattelandsbevolking als een “barbaarse” massa hebben beschouwd; een massa, waarvan zij de taal niet sprak, die zij verachtte, en vergeleek met andere gekoloniseerde, “barbaarse” (kannibalistische?) volkeren in Noord Afrika en Latijns-Amerika. Een decennium voordat Jules Ferry het Franse leger de rimboe van Afrika in stuurt (met de missionarissen erachteraan) heeft de afrekening met de wreedheden in Hautefaye opvallend veel weg van een koloniale missie: de executie speelde zich af in aanwezigheid van een detachement van tweehonderd man infanterie. (De infanterie had dagen moeten reizen om in het dorpje van de kannibalen te geraken.) Als men bij dit aantal de twee escortes politie optelt die waren bijeengekomen, kan men begrijpen dat de boeren van Nontronnais een dergelijk machtsvertoon hebben kunnen interpreteren als een manifestatie van politieke onderdrukking, van “kolonisering”. Zeker als het waar is dat, zoals Corbin schrijft, ze sinds de vorige republiek het leger niet meer in het dorp hadden zien overnachten.
Opvallend is Corbin’s en Weber’s verschil in interpretatie waar het de politieke (Revolutionaire) betrokkenheid van de boeren betreft. De Franse plattelandsbevolking zou volgens Weber nauwelijks een aandeel in de Revolutie hebben gehad, evenmin als in 1848 en 1851. Er was volgens hem wel sprake van periodieke ontladingen, geweld, een “stoom-af-blazen” zoals tijdens het carnaval.4 Dit gaat lijnrecht in tegen Corbins interpretatie van een diep ingrijpend proces van politisering op het Franse platteland. Het drama van Hautefaye was volgens Corbin zeker ook “de anachronistische opleving van de revolutionaire verschrikkingen”. De boeren hadden verder overduidelijk partij gekozen voor hun keizer en tegen de oppositionele republikeinen, zelfs tegen de zogenaamd “collaborerende” aristocratie en de verraderlijke geestelijkheid. De politieke actie-ontvlambaarheid van de boeren is niet ” modern” volgens de begrippen van Weber, in die zin dat ze rationeel en ideologisch is. Ze is traditioneel.
Hoe gepolitiseerd het drama in Hautefaye was bleek behalve uit de opgefokte reactie op het gerucht dat er “leve de keizer” geroepen zou zijn, vooral ook uit de nasleep van de affaire. De republikeinen die in september aan de macht kwamen, hadden weet van de haat die de boeren van de Périgord voor hen voelen. Tegelijkertijd was er sprake van een enorme minachting van de republikeinen voor de bewoners van het platteland die voor de kandidaten van de keizer waren blijven kiezen. Corbin citeert een republikeinse onderprefect uit de Dordogne, Albert Theulier, die vier maanden na de slachting in Hautefaye schreef: “Wat de boeren aangaat, hun geest is afschuwelijk (..) en de regering moet resoluut steun zoeken bij de gewapende steden die, godzijdank, niet van plan zijn hun intellectuele en morele bestaan opnieuw uit te leveren aan deze abominabele plattelanders. Zolang ze nog niet onderwezen zijn (wat ook niet zo snel zal gebeuren), is hun slechts een ding te verwijten: de brute kracht. Zij hebben slechts voor één man respect, de politieagent, en ik hoop dat men niet de zeldzame fout begaat gratie te verlenen aan deze miserabele moordenaars van Hautefaye.” 5
De republikeinen waren er op gebrand politiek voordeel te slaan uit de foltering van De Monéys. De afschuw en verschrikking werden gemodelleerd ten dienste van het politieke spel. Het Empire werd verantwoordelijk gesteld voor de gruwelijke gebeurtenissen. De misdaad was geboren “uit de door het bewind overgedragen bruutheid.” 6 De boer blijft een bruut – het gedrag van de menigte in Hautefaye is daar het bewijs voor – met als gevolg dat hij niet op de republikeinen stemt.
En dan de datum van de executie van de beschuldigde boeren: 6 februari 1871. Dat is twee dagen voor de regionale verkiezingen. De prefect van de Dordogne telegrafeerde naar de mnister van justitie: “Het is noodzakelijk de executie van Hautefaye uit te stellen. Deze zal op dit moment het karakter van een politieke executie hebben.” 7

Interessant is het om Bloedbad in de Dordogne en Peasants into Frenchmen ook te vergelijken met Robert Muchembled’s Culture Populaire et culture des elites dans la France moderne . Ook hierin staat de ondergang van de traditionele volkscultuur centraal, maar er wordt van een totaal andere periodisering dan die in Peasants into Frenchmen uitgegaan. Muchembled’s stelling is dat de volkscultuur al in de 17e eeuw haar interne cohesie verloren heeft, als gevolg van een crisis van het magisch-religieuze wereldbeeld dat aan de “rites de passages” (de cyclus van volksfeesten) ten grondslag zou hebben gelegen. Ver voordat de traditionele agrarische wereld zelf in crisis verkeerde, zou dus al van een culturele autonomie van de plattelandssamenleving geen sprake meer zijn geweest.
Het beeld dat in deze studie wordt geschetst, is dat van een grondige civilisatie van het platteland onder leiding van de absolute staat en de kerk van de Contra-Reformatie. De zich centraliserende katholieke kerk zuiverde zich, volgens Muchembled, van binnenuit van allerlei vormen van bijgeloof en wreedheden. Vele voorheen getolereerde rituelen en praktijken werden nu als “ketters” of “heidens” beschouwd. Feesten en ” charivari’s”8 werden vanwege hun oncontroleerbaarheid aan banden gelegd. In zekere zin nam de religieuze repressie van de 17e eeuw de vorm aan van een zedelijkheidsoffensief, zoals Norbert Elias dat heeft beschreven in zijn Uber den Prozess der Zivilization.
Door de introductie van de biecht, de aanleg van katholiciteitsregisters en de systematisering van het catechesatie-onderwijs kreeg de kerk steeds meer controle over de boeren. Het “onderlijf” dat vroeger centraal stond in de volkscultuur werd taboe verklaard en het carnaveleske werd binnen de perken gehouden. De belangrijkste factor die schuil ging achter het beschavingsproces zoals dat door Muchembled wordt beschreven, was repressie. De achtergronden van deze vroegmoderne civilisatiemissie worden door Muchembled gesitueerd in verschillende factoren, zoals het urbanisatieproces, de groeiende invloed van een stedelijke bourgeoisie, de kerkhervormingen, de centralisering van de staatsmacht, en het ontstaan van een nieuwe agrarische elite.
In Muchembled’s visie is het die nieuwe agrarische elite die vanaf de 17e eeuw als een soort intermediair tussen de stedelijke elite en de traditionele volkscultuur heeft gefungeerd, die ervoor heeft gezorgd dat de volkscultuur uit het publieke leven werd gebannen. Dit is belangrijk om in gedachten te houden in het geval van Hautefaye. Alain de Monéys kwam ook uit het geslacht van elitaire boeren. Wellicht dat de volkse, atavistische woede die de boeren op De Monéys koelden hier mee te maken had. De ongelukkige De Moné ;ys zou een zondebok kunnen zijn geweest voor een machteloosheid en frustratie die verder ging dan de onbestemde angst voor een naderende oorlog. De Monéys zou de personificatie kunnen zijn geweest van “de hoge heer” die de boeren hun tradities had afgenomen.
De volkscultuur is volgens Muchembled al in de 18e eeuw folklore geworden. Hij erkent dat er sprake was van een opleving van allerlei oude culturele praktijken in het revolutionaire era van 1789 tot 1848, maar dit zou moeten worden opgevat als een aspect van het ontstaan van allerlei ” micro-culturen” in deze periode. De door de Romantici gelanceerde gedachte dat het hier een continuïteit van de volkscultuur vanaf de Middeleeuwen tot in de 19e eeuw betrof, berust naar hij meent op wishfulthinking. De plotselinge opleving van carnaval en volksfestijnen in de 19e eeuw beschouwt Muchembled niet zozeer als een “relict” van het verleden (zoals Corbin nadrukkelijk wel doet), maar als een typisch produkt van de eigen tijd; het ging om een herleving van een lokale identiteit in een periode van (tijdelijk) verval van de gecentraliseerde politieke (en religieuze) instituties. Juist daarom werd bijvoorbeeld de politisering van de meivieringen rond 1848, waarop Robert Bezucha heeft gewezen, door de autoriteiten zo fel bestreden; zij zagen de revolutionaire betekenis ervan in. 9 Corbin erkent ten volste de revolutionaire dimensie van de foltering van de hereboer De Monéys. Tegelijkertijd weigert hij de rituele verbranding een herleving van een wreed gebruik uit de volkscultuur te noemen. Misschien heeft Corbin gelijk in zoverre dat het ons niet verder helpt om de gebeurtenissen in augustus 1870 te begrijpen, wanneer we de verbranding kenmerken als een rite uit een primitieve volkscultuur. Corbin hecht vooral belang a an de reactie op het exces, en uit die reactie kan hij, als professor van de geschiedenis-der-zintuigen, veel meer uit afleiden. In Corbin’s boek komen we dan ook meer te weten over de menthaliteit van de (republikeinse) burgers rond 1870, dan over de menthaliteit van de boeren.
Opvallend is wel dat de roostering van De Monéys plaats heeft in een tijd (1870) waarin er zeker sprake was van een crisis van het centraal gezag. Toen de Republikeinen het van het verslapte Keizerrijk over hadden genomen, hernam het beschavingsoffensief in de Dordogne weer zijn gang. Wat de overheid in augustus had nagelaten (namelijk het formeren van een nationale garde), maakte zij met de executie alsnog goed. Symbolisch is wat dit betreft de resolute komst van de guillotine naar het verre platteland: de guillotine weerspiegelt de geest van beheersing en controle, de geest van de moderniteit. Het schrikwekkende mes uit de achttiende eeuw was in Hautefaye het eerste teken van de twintigste eeuw: het was de eerste stap op weg naar een definitieve infrastructurele ontsluiting van het platteland.

20 – 24 april 1993
Serge van Duijnhoven

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s