En de helden sterven onverschrokken (over Nick Drake)

Un homme debout ne se couche que pour mourir
Leo Ferre

Held, volgens Van Dale vs. 2000: (geen afbreking) /helt/ de (m.); -en vrouw: heldin 1250 ‘held, gewapende’ ~Hd. Held, Welsh caled (hard)
1 Ÿ dapper krijgsman, strijder die door moed uitblinkt
‘ zij streden als helden
1 Ÿ de helden zijn vermoeid
het enthousiasme (van de pioniers, hoofdpersonen e.d.) neemt af
2 Ÿ (in ’t algemeen) iem. die niet bang is, die het gevaar niet vreest
wat is een held? Iemand die straffeloos onvoorzichtig is geweest (Hermans)
4 Ÿ held van de arbeid
Russische kwalificatie voor een zeer productieve arbeider
5 Ÿ de persoon die het middelpunt van de handeling is in een roman, een toneelstuk enz.


N I C K


(1948 – 1974)

Nick Drake

Liefde zonder gevaar is geen liefde
Een jeugd zonder fouten is geen jeugd
Een leven zonder lef is geen leven
Een adolescentie of studententijd omvat meestal alle kenmerken van deze drie: jeugd, liefde, leven. Hoeveel je eruit haalt, hangt van vele faktoren af. Maar vooral van de manier waarop je zelf de ogen open houdt. Wakker bent en wakker blijft. In tijden van emotionele, professionele of existentiele crises, kan lef je net dat zetje geven, om niet terug te deinzen voor wat je voor je ziet of wat je belemmert. Lef kan je doen belanden waar je wil, maar je kunt ook – als Berend Bot de Hollandse ontdekkingsreiziger, verdwalen of verzinken in de mist, om nooit meer terug te keren. Het kan een held van je maken, een geslaagd, gerespecteerd mens, maar ook een verdoolde of verslaafde of zelfs een dode. Lef is geen garantie voor succes, en ook niet voor heldendom. Wat is een held? W.F. Hermans, de schrijver die na WO in NL tot ‘de grote drie’ werd gerekend (naast Reve en Mulisch) en die een van de mooiste romans over de Tweede Wereldoorlog heeft geschreven (De donkere kamer van Damocles), omschreef een held als iemand die ‘straffeloos onvoorzichtig kon zijn’. Anders gezegd: iemand die werd beloond voor zijn onvoorzichtigheid, daar waar anderen voor dezelfde houding waren bestraft.
Aan wie de Muze van het Lot haar ‘rozen van Pieria’ uitdeelt, heeft minder met rechtvaardigheid, dan willekeur te maken. En evenmin met menselijkheid of mededogen. Het is zoals Clint Eastwood zegt in de Western Unforgiven, als hij de sherrif neerknalt die smekend om genade vraagt: ‘why did i deserve this?’: Deservance has got nothing to do with it, little Billy. De Muze van het Lot kan even wreed als medogenloos zijn in haar hoffelijkheid om rozen rond te strooien. In Sarajevo waren de rozen die ze strooide van dodelijke aard. De burgers in de stad noemden zo de bloemvormige putjes en uitstulpingen in het asfalt die granaatinslagen nalieten. Een meisje dat me rondleidde door de Belegerde Stad, in 1995, wees me erop terwijl we onder volle maan over een basketbalveldje liepen waar geen basket meer stond. ‘We call them roses,’ zei ze met die typische Bosnische zwarte humor, ‘but they don’t smell like it.’
De Muze van het Lot; de inwoners van Sarajevo hebben haar al te goed leren kennen. In het oude Griekenland was haar naam Moira. De meeste rozen die zij uitdeelde, waren rozen op een hoopje aarde. Het eindpunt van alle moed, zijn de velden van eer. Herodotus begon daarom aan zijn Historiae te schrijven, evenals vele geschiedschrijvers na hem. De rozen van Moira zijn rood, en alleen bedoeld voor de echte helden, de onverschrokkenen, niet de toevallige geluksvogels of opportunisten. Rechtvaardig kun je haar niet noemen, Moira, daarvoor is ze te grillig en onberekenbaar en eigengereid. Maar streng is ze wel.
.
In het zicht van de dood die ons allemaal wacht, zo zou je kunnen zeggen, en de gelovigen in de erfzonde laten geen kans onbenut om dit te benadrukken, is alles ijdel, nietig, van voorbijgaande aard. Onze hoop, onze verlangens, onze illusies zijn als lucht. Ons geluk, onze rijkdom, onze status, onze carriere, onze diploma’s, zelfs ons vlees: dat alles is als gras. Een keer met de zeis erover, en het is weg. Gekortwiekt. Foetsie vanitas.
Een heel ander schrijver dan W.F. Hermans, uit een ander land ook, en een ander nest (even geniaal maar veel menselijker), namelijk Graham Greene, moet hieraan hebben gedacht toen hij in een van zijn cahiers optekende: ‘succes is uitgestelde mislukking.’ Een rake notitie, die eerder protestants dan Rooms aandoet. Toch was Graham Greene een uitgesproken katholiek. De erfzonde zei hem niets. Het leven, schuld en boete des te meer.
Succes is uitgestelde mislukking.
De opmerking is scherp en onbarmhartig, maar ook weer niet zo heel origineel. Een beetje van dezelfde aard als: ‘het leven is een kleine onderbreking op de dood’, of: ‘vrede is het alleen in de pauze’. Hij valt als spreuk gemakkelijk op een plankje te schilderen, als een ‘reminder’, een ‘memento mori’.
Maar ook hier geldt: een doorgesleten waarheid is daarom niet minder waar. Misschien is de doorgesletenheid wel een mate van betrouwbaarheid – une preuve a coutume zoals men in de Franse rechtspraak zegt. Greene’s wijze woord eerbiedigend, zou je zijn stelling wellicht nog wat uit kunnen breiden. Zoals succes uitgestelde mislukking is, is lef uitgestelde, of verdrongen lafheid.
Lef is uitgestelde lafheid.
Ik zal uitleggen wat ik hiermee bedoel:
Oog in oog met het gevaar, met de man of vrouw waar je smoorverliefd op bent zonder dat diegene het weet, oog in oog met de vijand of geweldpleger op straat, of face to face met wat zo modieus in marketingkringen heet: de uitdaging, huiveren wij allen. Staan wij te trillen op onze benen. Deinzen we terug. Kruipen in ons schulp. Stamelen. Wijfelen. Wie de diepe kloof ziet waar je overheen moet springen terwijl je op de hielen wordt gezeten, of de peilloze ogen van degene waarop je verliefd bent, of wie staart in het donkere oog, de loop van een geweer, zal in eerste instantie als aan de grond genageld blijven staan. Gevaar: er gaat een schakel om in onze lizzard-brain, red alert. Even slikken, kijken, denken voor we verder gaan. Dan kunnen we ofwel onze rede volgen die begint te calculeren, ofwel de impuls die we misschien krijgen als we alert en fit genoeg zijn. Misschien verdringen we onze angst even, zetten we zoals dat zo mooi heet, ons verstand op nul. Om later spijt te hebben; of niet. Veel mensen die gevaar trotseren, lef tonen, of onverschrokken de dood in de ogen zien, getuigen dat ze handelden ‘uit impuls’ en dat de angst iets is wat meestal pas later op komt zetten. Na afloop. Op het moment zelve hebben ze geen kans om zich eraan over te geven. Ze handelen op het scherp van de snede, in een ingeving, een flits die sneller gaat dan het denken toestaat – dat moet ook, ze dienen het verstand, het denken voor te zijn. Als ze niet verlamd willen blijven staan of liggen, ten prooi aan het gevaar of de belager, zullen ze moeten handelen, springen, beslissen – in weerwil van de huivering die een weldenkend mens onder normale omstandigheden weerhoudt van al te drieste daden (of dat nu is: het redden van een mens met gevaar voor eigen leven bv. door het binnengaan van een brandend huis waar nog iemand in verblijft, of het aanspreken van onze platonische liefde, het tegen alle uitdrukkelijke adviezen in kiezen voor een eigen eindscriptieonderwerp, het plegen van verzet of het helpen onderduiken van vervolgde joden, of het met een schop illegaal binnensluipen van de zopas door Serven veroverde enclave Srebrenica, op zoek naar sporen van de massaslachting – zoals een jonge journalist van de Christian Science Monitor deed op een moment toen de meeste mensen de slachting nog afdeden als een fabel van hysterische Bosnische vrouwen.) In alle gevallen van lef, moed, heldendaden geldt dat het verdovende middel dat de hypofyse als neurotransmitter door onze synapsen stuurt, onze angsten en onzekerheden even onvoelbaar en het gevaar onzichtbaar moet maken. En dat de pep van dopamine, serotonine, en adrinaline ons de kracht en drang geven om ons in beweging te zetten. Te doen wat we niet laten kunnen, of waarvan iets heel diep in ons vindt dat we het koste wat kost moeten doen. Dat kan goed aflopen, of slecht aflopen. Een garantie bestaat er niet. Niemand van ons wordt als held geboren, and death does make cowards of us all. Als de narcose is uitgewerkt, komen de rillingen, tranen, bibberaties, angsten, twijfels, depressies alsnog opzetten, en hun wraak is allesbehalve zoet.

Succes is uitgestelde mislukking. Lef verdrongen lafheid.
Als dat waar is, en ik denk eigenlijk van wel – het is moeilijk te betwisten, dan ligt het geheim van beide vooral in de timing. De grote slag binnenhalen voor je concurrenten, de loterij winnen, als eerste de Mount Everest beklimmen, maar ook het in het water springen als een kind verdrinkt, of in het verzet gaan als de oorlog uitbreekt: het heeft allemaal met timing te maken. Hoe verschillend de helden die we kennen ook zijn, een ding hebben ze gemeen: een feilloos gevoel voor timing. Ze moeten wel, want anders waren hun heldendaden falikant mislukt. Succes, geluk, lef of moed zijn spelingen van het lot. Heldendom is een gunst die de grillige, wispelturige Moira – de fatale Schikgodin – ons verleent, of niet natuurlijk. Al naar gelang het getijde, eb en vloed, de stand der planeten, haar humeur. Iets doen, of niet doen. Iets plegen, of iets laten. Gaan, of blijven. Onbesuisd zijn, of voorzichtig. Op het moment zelve, in de mist waarin contouren vervagen, is het een hels dilemma. Na afloop is het een kwestie van ‘lef’ of ‘laf’ – een lettertje verschil, van ‘verzet’ of ‘verraad’, van ‘goed’ of ‘fout’. Zo simpel is het in werkelijkheid meestal niet natuurlijk. De werkelijkheid is full colour, niet zwart wit, gecompliceerd en niet eenduidig. De mensen uit het verzet, de overlevenden uit de kampen, of andere oorlogshelden die nog leven, zullen de eersten zijn om dit te beamen. Zij schreeuwen niet van de daken wat voor heldendaad ze hebben begaan of hoe onverschrokken ze hun hel hebben doorstaan en dat het zo makkelijk was om te doen wat ze durfden, want ze weten te goed hoezeer het lot van anderen, die er niet meer zijn, aan hetzelfde draadje heeft gehangen als dat van henzelf. W.L. Brugsma, student in het verzet, overlevende van Dachau, journalist en jarenlang hoofdredacteur van de Haagse Post, kampte zijn naoorlogse leven lang met complexe schuld- en haatgevoelens, jegens zichzelf, jegens de moffen en jegens zijn overleden kampgenoten. De enige reden dat hij twee jaar Dachau had overleefd, was omdat hij door de Duitse bewakers in de keuken te werk werd gesteld en voedsel bijeen schaarde en schraapte dat eigenlijk voor andere kampgevangenen bedoeld was. ‘Mensen zijn als ratten of wolven, zij leven in groepen maar zullen elkaar verscheuren, indien nodig, om te overleven,’ zij Brugsma eens in een gesprek dat ik met hem had. Wie dat vindt, en heeft meegemaakt, zal niet protserig met een medaille of een lintje te koop lopen voor betoonde moed of standvastigheid.

Maar neem ook de grote film- en rockidolen, ikonen als Jimi Hendrix, Jim Morrison of sinds kort ook Herman Brood – neerlands liefste en stoutste troeteljunk. Het moment van hun vroegtijdige of zelfverkozen dood is de veer waarop ze heel precies hebben gesprongen, zoals bij een springplank in een gymzaal. Wie op het juiste moment springt, op de juiste tel of milliseconde afzet, haalt de bok. En balanceert dus zalig en gewichtloos boven ons, tot genoegen van ons aardse toeschouwers. De helden hebben timing. En de rest, hieronder, sukkelt er maar een beetje achteraan.

Over een van die sukkelaars, Kris, heb ik een verhaal geschreven dat te lezen valt als een relativistische, maar ook gemeende boodschap aan de jeugd van Enschede, aan jullie dus; de aankomende studenten van de Universiteit van Twente… Het verhaal heet: De zadziki party.

Succes is uigestelde mislukking, is de spreuk van Greene die ik daarstraks al aanhaalde.
Succes is uitgestelde mislukking.
Hoe raar het ook klinkt, het omgekeerde is soms ook waar.
Zelfs iemand die bij leven doorgaat voor een totale nitwit, druiloor, loser eerste klas, jandoedel, schijtlijster, jinx, schlemazzel of mislukkeling, kan op gegeven moment toch nog uit de geestgronden van de dood tevoorschijn springen als een held. Een starrrrrrrrrrrr of heros in de oud-Griekse betekenis, een wezen van een klasse en statuur tussen mens en godheid in; onsterfelijk door zijn roem die reikt tot verre voorbij de dood. Een kwestie van geduld.

De held van vroeger kreeg een standbeeld. De held van nu krijgt een documentaire. En fanclubs (een beetje held heeft er meer dan een) en vooral: fansites op het web, waar de liefde voor de ster in kwestie publiekelijk online kan worden beleden of bekend (hoewel dat laatste woord discutabel is; ‘bekennen is voor schuldigen’ zegt Emond Dantes oftewel de graaf van Monte Christo tegen zijn geliefde Mercedes).

Over een van die zonderlingen die van mislukkeling tot held galvaniseerde, gaat mijn volgende stuk. Misschien moet ik niet zeggen, die van mislukkeling tot held galvaniseerde, maar ‘agregeerde’ – want het proces van heldwording geschiedde bij deze persoon net als in de chemie: als een vrijmaking van energie, de roem die kwam na het uiteenvallen van het lichaam in elementen, het opgaan in gasvorm van een Engelsman die eertijds vlees was en bloed, hoe bleek en bloedeloos hij zichzelf (en anderen met hem) bij leven ook vond.

Zijn naam is Nicholas ‘Nick’ Drake, het zingende Engelse rijkeluiskindje met de lieflijke, fragiele stem, de sombere en zachtromantische liederen, tere gemoedsgesteldheid, overbeschermende ouders, en vooral: de aenemische of bloedeloze uitstraling. Trieste, tot de draad versleten snuiter van de zwarte groeven, black eyed dog (in eigen woorden) die zo zacht zong dat bijna niemand het hoorde. En die, sinds zijn dood nogal ongemakkelijk met zijn faam achter zich aan sleept, als een piraat die hinkt met een houten poot. Nick Drake had al rond zijn vijfentwintigste levensjaar het gevoel dat zijn adem was bedorven. Hij zweeg. Hij stierf. En toch (zo blijkt nu althans): hij won. Van kluns tot cultheld; dat is pas een carriere, een bok waarover je als sterveling moet springen. Doe het hem maar eens na.

Vlak voor zijn vroegtijdige dood in 1974 (hij werd 26) oordeelde Nick Drake, die zijn platen aan de straatstenen niet kwijt kon en die bij de vier concerten die hij ooit gaf het stemmen van de instrumenten langer liet duren dan zijn songs, dat hij ‘op alle gebieden had gefaald.’ Zelfs zijn dood voltrok zich per vergissing. Opgeruimd staat netjes, zou je zeggen. Maar nee. Nu, een kwart eeuw na zijn overlijden, klinkt zijn stem plots in Nike-reclamespots. Reist een zeer hagiografische documentaire over zijn moeizame bestaan mee met ieder hip cultuurfestival. Bekvechten trotse, babbelzieke psychiaters op het Internet over de precieze aard van zijn kwalen. En is er een pelgrimscommissie actief, aangevoerd door Nick Drake’s oudere zuster, die geen gelegenheid voorbij laat gaan om hun miskende lieveling elke keer weer een beetje meer uit het slijk van de vergetelheid omhoog te trekken.
Het zal dit pelgrimscomite waarschijnlijk niet bevallen dat ik hun uitverkoren koe niet uit de sloot wil helpen trekken, maar aan de zaligverklaring van Nick Drake draag ik liever geen steentje bij. Ik zie niets in die jongen, en wat ik wel zie dat bevalt me niet. De documentaire van Joris Berkvens die op tal van prestigieuze plekken en in Nederland, Belgie en Engeland ook op tv was te zien, gaf me de indruk van een bang- en ziekelijk, verwend en overbeschermd kostschoolindje met een Oedipuscomplex van Thebaanse proportie. Een Old Man in a Young Skin, een onschuldige en ongevaarlijke teddybeer met een piratennaam, die toen hij 25 was tegen zijn moeder zei dat hij ‘geen liedjes meer had om te zingen’ en om middernacht de trap afdaalde om een bord brintapap met cornflakes te eten, waarbij hij per ongeluk teveel kalmerings- en slaaptabletten inslikte. Een hapje voor papa, een hapje voor mama, een hapje voor de eeuwigheid. In genoemde documentaire vertelt Nick’s zus, een actrice die tegenwoordig in Nederland woonachtig is, hoe haar broer teveel pillen uit het buisje van de psychiater schudde, aldus een wel heel letterlijke invulling gevend aan de uitdrukking dat men ‘per abuis’ een daad kan verrichten of een draad door kan knippen.
Maar hoe per ongeluk is per abuis in het geval van een dodelijke overdosis? De man die de pillen had voorgeschreven was ook degene die ten overstaan van zijn patient de conclusie had getrokken die de oorzaak van Nick’s falen als muzikaal fenomeen, en zijn depressieve gemoedsgesteldheid, in een enkel zinnetje samenvatte:
de wereld is een hele harde plek,
voor een zanger zonder grote bek.

Moeder klopte op de deur van de jongenskamer waar Nick zijn laatste nacht doorbracht. Ze klopte en klopte, het was al twaalf uur. Tijd om op te staan, Nickie lief, darling…
Dat vond zoonlief dus niet. Geen tijd om op te staan. Integendeel, het was tijd om nooit meer op te staan.
De revival van Nick Drake heeft dan ook iets deerniswekkends, vind ik.
Die jongen wilde rust, na een kort maar moeizaam leven dat hem loodzwaar viel, omdat hij het gevoel had, zoals vele depressievelingen, dat het leven voor hem steeds meer op dat van een gevangene begon te lijken die te werk was gesteld in een groeve. In plaats van met blote handen steenbrokken te moeten rondsjouwen, vreesde Nick dat het zijn lot was om mislukking- en vergissingen te stapelen. Wie het leven als een verblijf ziet in een kamp voor Prisoners of War, rekent niet meer op de humane softheid van zijn Rechter of Belagers. Hij weet dat de strafmaat in oorlogstijd van kapitale aard is. No exceptions to the rule. Volgens somberaars als Nick heeft een mens wat de voltrekking van zijn vonnis een keuze tussen grofweg standrechtelijke executie, meestal via nekschot met een doek voor de ogen (eigenlijk alleen voorbehouden aan on- of doodgeborenen). Of levenslang (‘uitstel van executie’ om met Graham Greene te spreken); de straf van iedere boreling die zijn tijd tussen de muren van dit bestaan uit moet zitten. Waarbij strafkamp aarde dat in de kosmos rondzweeft eenzelfde plaats inneemt als de Goelag Archipel in de voormalige Sovjetunie of Goli Otok (‘steeneiland’) in Tito’s Joegoslavie. Ontsnappen is onmogelijk. Boven de poort van deze groeve der verdoemden staat de spreuk die Dante situeerde in het onderaardse: laat varen iedere hoop gij die hier binnentreedt. Lasce ogne speranza, che que entrata.
Uw executie, O mens, mag dan uitgesteld zijn voor onbepaalde tijd, nimmer wordt ze afgeblazen. Om van de onbepaalde duur van het uitstel bepaalde duur te maken, volstaat het om het lot een handje te helpen. Bij het prikkeldraad wordt men gewaarschuwd: Tresspassers will be shot, survivors will be shot again. Zwartgalligen als Nick zien dit eerder als aanmoediging. Het piepkleine heft dat een mens de Gode zij dank nog zelf in de hand mag en kan hebben. Tenzij men met die God tezeer op goede voet staat of wil staan natuurlijk. Dan zal de goedertieren Schepper zijn bekommernis laten blijken door uit voorzorg het lemmet weg te nemen uit ’s mensen heft. Of door – al naar gelang de religie – de handen af te hakken bij het polsbot zodat men niet de hand slaat aan zichzelf. In dat geval rest weinig anders meer dan werkloos toezien hoe de dagen in het strafkamp nog langzamer verstrijken, hoe de tijd zonder afleiding nog langer en pijnlijker wordt uitgesmeerd. Wachten op het verlossende moment van bevrijding en genade kan vervloekt lang duren als het over wordt gelaten aan het Opperwezen. Die kijkt niet op een jaartje of een eeuwtje meer of minder. Zelfs een millennium duurt in het bewustzijn der Almachtige – zo leze men in diverse Openbaringen – minder lang dan de luttele seconden die het een sterveling als Nick Drake kost om een keer goed te gapen. Te knipperen met de ogen. Een slok te nemen uit een glaasje water. En het licht uit te doen in de slaapkamer.

Een ziener was hij niet
En woorden vond hij zelden
Alsof ze waren zoekgeraakt
Voor hij ze had gevonden

Om pijn te dragen spaar je
Je gevoelens op
Streel je je binnenste als een gezicht
Zoals je de huid streelt van een geliefde

Of een dode.
En verder moet je er
Het zwijgen toe doen.

Lord Byron, gestorven aan de gevolgen van tyfus in de moerassen van het Griekse Missolinghi, had als laatste uitdrukkelijke wens dat zijn beenderen nooit ente nimmer terug naar het vervloekte bigotte Engeland vervoerd mochten worden om daar te worden begraven. Engeland had de uitbundige Lord uitgekotst, verbannen wegens aantijgingen van sodomie en zedenloosheid door zijn vrouw Annabelle Milbanke. Byron leefde zijn hele leven als banneling, die nimmer nog van plan was terug te keren. En wat geschiedde? Byrons lijk was na zijn dood op de negentiende april 1824 (de dichter was toen 36) nog niet onder de Griekse zoden gelegd door zijn personeel, of een heirschare van Engelse zendelingen arriveerde die de laatste, beslissende wil van hun patroon bruskeerde door lijkschennis te plegen, en de dichter voor eeuwig van zijn rust te beroven door het lichaam van Byron te dissecteren, balsemen, en zelfs te repatrieren naar de bron die hij zogenaamd vergiftigd had: Hucknall Torkard bij Newstead,. ‘T’is time this heart should be unmoved/Since other’s it has ceased to move’, dichtte Byron in het laatste, vermoeide vers dat hij vlak voor zijn overlijden schreef (On this day I complete my 36th year). De heirschare zette het hart van hun ‘romantic traveller’ op sterk water. Men analyseerde het lichaam van kruin tot eikel, knipte lokjes haar af, balsemde de resten en zond ‘the mummie that returns’ naar het land dat hem met zoveel overtuiging zestien jaar daarvoor had weggetrapt als een schurftige hond. De wikkels, glazen potjes, lokken, testikels en beenderen van de recalcitrante, pantheistische banneling die spookverhalen had geschreven over vampirisme en bloedorgieen, en sublieme canto’s over de ongelovige galante vrijbuiter Don Juan, kwamen precies terecht waar Byron het nadrukkelijk nimmer had gewild. Onder de marmeren tegelvloer van een nette Anglicaanse kerk, als schrijn. Zo springen wij om met onze helden. Merkwaardig nietwaar, dat men om het onbenulligste stoffelijke detail van de vereerde hysterisch of pieus begint te janken, terwijl men met diens expliciete testament zijn kont afveegt. Ieder vingerkootje, hoektandje, velletje, pukkeltje, wimperhaartje, opgefrommeld kattebelletje of afgesneden oorlelletje is ‘van onschatbare waarde’, maar de eigen wil van de (on)zalige is om op te spugen. Misschien moet men ook hier wel zeggen, als de Nazarener uit het evengelie: ‘vergeef hen, Heer, ze weten niet wat ze doen’. Idolatrie en religie liggen niet zover van elkaar vandaan, in beide gevallen gaat het om praktijken van mensen die geboren worden met een ernstig verstandelijk tekort (mentaal gehandicapten) of die lijden aan een pathologische kwaal (een ziekelijke behoefte aan verering, illusionisme, megalomane schizofrenie, gebrek aan eigenwaarde gecombineerd met gebrek aan respect voor de ander). Voor de wet, en ook voor Jezus, zijn de seniele mensen niet toerekeningsvatbaar. Vandaar: vergeef hen, Heer, zij weten niet
Welke waarde heeft de wilsbeschikking van een medemens, voor een mongool die net niet in staat is om de wereld uit een ander perspectief te zien dan dat van zijn kindse ego?

Nick Drake stierf tien jaar jonger dan Byron, hij werd zesentwintig. Gedurende zijn leven nam hij drie albums op, die telkens in bulkvoorraad werden opgekocht door zijn moeder om de familie voor teveel schande en de muziekfirma voor te grote verliezen te behoeden. In het enige bewaard gegeven interview dat hij ooit gaf, vertelde Nick dat hij de mensen die zijn muziek niet kochten, eigenlijk wel kon begrijpen. Zelf kon hij zijn muziek ook niet aanhoren, en een keer begon hij zelfs te huilen toen iemand hem een van zijn platenhoezen in handen drukte. De artistieke omgeving van Nick wist zich, in een tijd van ten top gedreven sterrenmanie in de muziekwereld, geen raad met de overgevoelige, schuchtere liedjeszanger met de stem van een speldenkussen – zonder spelden. De muziekindustrie zag in Nick de verpersoonlijking van de ultieme loser, het schrikbeeld van de artiest die gedoemd is om te falen en waarin investeren hetzelfde rendement opleverde als het stuksmijten van een spaarvarken in een toilet.
Zijn bandleden bezagen de psychologische Werdegang van hun zanger aanvankelijk nog met deernis, daarna steeds meer met schouderophalen. Nick Drake was de enige popartiest die het stemmen van zijn instrumenten langer liet duren dan zijn songs en soms zelfs dan zijn concerten, omdat hij panisch was voor het rumoerige publiek dat hem toch niet mocht (zo meende hij). Bovendien vond hij het uit principe ‘onbeleefd’ om anderen te overtstemmen of de mond te snoeren. Al na een viertal optredens ter promotie van zijn eerste album, onderbrak Nick zijn geplande lange mars langs jeugdhonken en bierholen, en besloot nooit meer een podium op te strompelen voor publiek.
Rock- of pophelden van formaat (neem Doe Maar) minachten of haten hun publiek, uit noodzaak of lijfsbehoud. Nick Drake vreesde een publiek dat hij niet had. Ook zijn studio-opnames leverden hem vooral kommer op en kwel op, vanwege zijn besluiteloosheid. Het eerte album flopte, het tweede en derde bleven helemaal onopgemerkt. Zo radeloos en ontdaan raakte hij ervan, dat hij uiteindelijk zijn gitaar aan de treurwilg voor het ouderlijk huis hing, en besloot om computeringenieur te worden. We schrijven 1973, en een gemiddelde computer besloeg toen nog de oppervlakte van een of twee klaslokalen. Toen dat niet haalbaar bleek meldde hij zich aan op de officiersopleiding van het Engelse leger. De zachte, goedaardige Nick, het doetje met de face van een teddybeer, de stem van een cherubijn en de lange herfstige lokken van het aan zijn Indian Summer bezigzijnde ‘peace & love’, als kolonel of kapitein in het geharde leger van het Verenigd Koninkrijk – als kortgeschoren officier in Belfast op Falls Road? Dat laatste vond zelfs zijn zuster een goede grap. Nick heeft zich hoe dan ook aangemeld bij the English Royal Army, maar ook daar bliefden ze ‘m niet en werd hij ongebruikt retour gestuurd. Hoevaak kan een mens struikelen voor hij van lieverlee maar blijft liggen op de grond?
Nick gaf in zijn laatste levensjaar herhaaldelijk te kennen dat hij moe was van de dingen en de wereld. Hij vond zichzelf teveel, een act zonder presence om het zo te zeggen, en de enkeling die de zacht stamelende zanger ooit met gebogen hoofd op een podium heeft zien staan, kon dat alleen maar beamen. Zelfs voor zijn verdraagzame, vermogende ouders, was hij een zielige vertoning. En een pain in the ass. Nick ging er keer op keer vandoor met hun auto, om een paar uur later op te bellen dat hij met een lege tank ergens in het landschap was gestrand. Tanken bij de pomp durfde hij niet wegens smet- en mensenvrees, en al had hij het gedurfd, hij had geen rooie penny om de kosten van de benzine te betalen. Dus moesten papa of mama de verloren zoon weer eens gaan ophalen ergens langs de weg op het glooiende platteland.
Kon hij meer zijn dan een lastpak en een dromer die te onhandig was om in zijn eigen onderhoud te voorzien? ‘Mother, I failed in everything I did,’ beklaagde hij zich op een ochtend bij het ontbijt. Het stuklopen van zijn jeugdige ambitie, voelde alsof de bodem ook onder zijn toekomst was weggeslagen. Die paar keer dat hij op een podium overdreven lang zijn gitaar stemde, werd een metafoor voor zijn houding ten aanzien van het leven. Hij ontweek de mensen, kwam zelfs zijn vrienden niet meer onder ogen, dook weg uit de maatschappij als een schichtig dier dat voor zijn eigen schaduw op de vlucht sloeg.
Nick begon zichzelf te zien alsof hij iets of iemand anders was, een personage, een stripfiguur, een inktpatroon, een vlek die hij uit kon wissen. Hij begon te oefenen in lichtheid, te fantaseren dat hij op zou lossen, de lijnen van zijn contouren zouden vervagen, dat de beelden op zijn netvlies nevel werd van de sterren, het zwart van de ruimte, dat hij zijn lichaam uit kon zetten zoals je een tv uitzet. Maar zodra hij dit soort dingen dacht speelde zijn gevoel op van gemis, een besef dat aan zijn kop ging hangen en trekken als een krijsend aapje. Zelf verstomde hij, terwijl hij juist had willen brullen, blaffen, schreeuwen van de daken, over alle hoofden. Het lied van de Hoogste Toren. Hij zonk weg onder zijn lange, dunne benen, terwijl hij de hemel door had willen rennen, met het vuur onder zijn zolen. Hij had willen eindigen als Rimbaud. Een komeet die in zijn staart verschroeit. Maar hij doofde zonder te branden.

Nick Drakes moeder vond hem dus, die ochtend in november van het jaar 1974, om twaalf uur. Zijn moeder. Wie anders. Daar lag haar dode engel in zijn jongensbed. Ontkleed, het oog omhoog, gestrekt op bed, uitgeteld en uitgezongen, een angel in de keel. Haar zoon die van lieveling een naam werd op een plaat van krakerig vinyl, de aanhef op een spuuglelijk familiegraf.
En verder groeide het leven, als gras rondom de marmeren gedenksteen, als de hulstbladeren die zijn vader snoeide uit het struikgewas, de distels op het pad.

Tot de merkwaardige herrijzenis gestalte kreeg.
Ineens, twintig jaar na zijn overlijden, verscheen zijn beeltenis op posters. Klonk zijn stem plots in reclamespots. Doken er groepjes op die zijn nagedachtenis eerden, zijn muziek zwijmelend bespraken en becommentarieerden. Maakte een Nederlandse documentairemaker een hagiografisch portret van de zanger als een eigentijdse poete maudit, een miskend Engels genie. Zijn platen begonnen, in cd-vorm dit keer, te verkopen. Voor het eerst luisterden mensen in aanzienlijke getalen naar de zanger die bij gebrek aan succes (en nog veel meer, getuige de titel van Berkvens’ documentaire: ‘A skin too few’) besloten had om er voorgoed het zwijgen toe te doen. Links en rechts vang ik flarden op in de media, kom ik zijn stem of schaduw tegen in de ether, op posters, postkaarten, bij culturele festivals, op het filmscherm of de buis. De zanger die te bang was om zijn publiek te overstemmen, vindt eindelijk waar het hem zo pijnlijk aan ontbrak. (aandacht). Gebalsemd, opgehemeld en onttrokken aan de verderfelijke werking van lijflijke aanwezigheid, klinkt zijn zachtsatijnen stem als nooit tevoren. Zijn gezicht spreekt tot de verbeelding, het heeft iets dromerig romantisch. Het al te tobberige lijkt er af, daar waar een studievriend te Cambridge zich in 1970 nog afvroeg ‘of Nick wel tot de gemeenschap der levenden behoort. Zijn geest lijkt altijd ergens anders.’
Voor het huidige publiek is Nick Drake een beetje mysterieus, veraf en toch dichtbij, modieus en gedateerd als de retro-mode van de jaren zeventig die momenteel zo in zwang is. De zanger lijkt nog een hele toekomst te hebben, al was het maar omdat zijn platen (haast) nooit zijn gedraaid, laat staan grijsgedraaid. Nicks zus en documentairemaker Joris Berkvens c.s. hebben hard genoeg aan het dode haar van hun geliefde getrokken om hem uit het slijk van de vergetelheid te tillen. Nu werken ze samen verder aan zijn alomtegenwoordigheid die een vereiste is om mee te draaien in de digitale carrousel van het moderne heldendom.
Of de zanger blij moet zijn met zijn hype, is een onmogelijke vraag. In ieder geval wordt hij nu opgemerkt door publiek dat in de jaren zeventig dwars door hem heen keek alsof hij van lucht was, of van glas. Maar de rust en stilte waar hij in de laatste periode van zijn leven zo naar snakte, die is hij kwijt. Ooit las ik een uitspraak van de secretaris van Andy Warhol, Gerard Malanga, die zei over zijn mateloos populaire werkgever: ‘hij stierf aan zijn eigen zwakheden, of misschien was het omdat zijn karma hem inhaalde.’
In zijn korte leven is Nick Drake van vele dingen verstoken gebleven, charisma, publiek, een dikke huid, doorzettingsvermogen, voorspoed. Ik heb een lijstje gemaakt dat eindeloos lang is, maar karma stond daar nog niet op. Een magisch woord, karma; misschien dat het de hele lading dekt. Wat Nick ook probeerde, alles ging het schip in. Er knaagde een leegte aan hem die hem van binnen opvrat als een gezwel van lucht; als er zoiets als een ‘karma’ bestaat dan is het dat.
Misschien geschiedde bij Nick Drake met een kwarteeuw vertraging, wat bij Andy Warhol voortijdig gebeurde. Toen Nick Drake moedeloos de trap op sloop, na zijn bord brinta met cornflakes te hebben genuttigd, die novembernacht in 1974, was zijn karma nog altijd nergens te bekennen. Het sliep zoals een computer in slaaptoestand kan verkeren, in hibernation. Pas toen Nicks broze lichaam ‘per abuis’ uit bed rolde en zijn zwarte hondenogen tegen de harde bodem van de eeuwigheid kapot sloegen, ontsnapte met zijn laatste adem ook iets wat in reactie met de buitenlucht zwol tot vele malen het oorspronkelijke volume. Iets wat expandeerde als een geest uit een fles, een luchtbel die steeds groter werd.
Nu, zevenentwintig jaar na zijn dood, heeft zelfs Nike (de Griekse godin van de Overwinning!) de frele Engelse zanger uitverkoren als haar corporate minstrel. De dode mislukkeling Nick Drake heeft iets bereikt waar menig springlevende gangsta rapper een moord voor zou doen. De heilloze missie van de Nick Drake pelgrims heeft blijkbaar zijn vruchten afgeworpen, de mislukking die met uitstel uitmondt in succes (Greene), rondom het pre-rafaelitische hoofd begint zich al iets van een aureooltje af te tekenen. Of moeten we zeggen, als Malanga: het karma heeft Nick Drake dan eindelijk ingehaald.

spreek zon
slaap zee
speel Nick
zing

(tekst uitgesproken in De Singel te Antwerpen, tijdens het festival De Nachten 2001)

Nick Drake Discography

The Nick Drake Cassette

    • (homemade songs recorded at Far Leys. Currently in the possession of Mr. and Mrs. Rodney Drake.)
      Side one: Princess of the Sand, A Season, To the Garden, Joey, Rain, Blossom (all original songs)
      Side two: Get Together, Smoking, Don’t Think Twice It’s Alright, Green Eyes, Sweet Sugar Blues, Down the Highway, Blues Run the Game, Winter is Gone, Here Come the Blues, All My Trials, Tomorrow is a Long Time, Cocaine, Courting Blues, Summertime, Black Mountain, and a curious bit at the end of the tape wherein Nick muses out loud on such subjects as: interesting people; the wee hours; driving under the influence; lies, truth and pain; the light of dawn; etc. (all covers except for the last spoken part which is entirely original)

Five Leaves Left [Antilles (U.S.), Island (U.K.)]
Bryter Layter [Antilles (U.S.), Island (U.K.)]
Pink Moon [Island (U.S.), Island (U.K.)]
Fruit Tree – The Complete Recorded Works

    • [Island, U.K.], 3 LPs, includes four previously unreleased songs — “Voice from the Mountain,” “Rider On the Wheel,” “Black-Eyed Dog,” “Hanging on a Star”

Nick Drake [Island, U.S. compilation]
Heaven in a Wild Flower [Island]
Fruit Tree [Hannibal]

    • (4-LP set, includes Five Leaves Left, Bryter Layter, Pink Moon, and Time of No Reply)

Time of No Reply [Hannibal]
Fruit Tree [Hannibal/Rykodisc]

    • (4-CD set, includes Five Leaves Left, Bryter Layter, Pink Moon, and Time of No Reply)

The Hannibal Sampler [Hannibal/Rykodisc] (promo only)

Various artists compilations

Nice Enough to Eat [Island] (includes “Time Has Told Me”)
The Greater Antilles Sampler [Antilles, U.S.] (includes “Northern Sky”)
Bumpers [Island, U.K.] (includes “Hazey Jane”)
El Pea [Island] (2-LP, includes “One of These Things First”)
Island Life [Island] (promo only; includes “Time Has Told Me”)
Voices [Hannibal] (includes “Black-Eyed Dog”)


(einde)

——————————————

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s