De dood in glazuur – schrijvers treinen door Europa

De dood in glazuur

Tijdens de Literatuurexpress 2000 deelden Europese schrijvers het geloof dat Kunst en Cultuur even essentieel zijn voor de Europese eenwording als Politiek en Economie.

gepubliceerd in: De Groene Amsterdammer van 12-8-2000

Literature Express


Het idee was nobel en genereus, maar volgens sommigen ook een tikje dwaas en megalomaan; de Literatuurexpress Europa 2000: laat een honderdtal schrijvers uit 43 Europese landen per luxe trein het continent over reizen, lezingen geven en debatten bijwonen, en kijk wat het oplevert aan interculturele verbroedering. Het idee kwam uit de koker van de in de ddr geboren literatuurwetenschapper Thomas Wohlfahrt, die als jongen droomde van een Europa waarin alle volkeren elkaar onbelemmerd de hand konden reiken. De afgelopen vijf jaar offerde hij volledig op aan zijn droom. Hij stelde een organiserend team samen, regelde subsidies en zette de Literatuurexpress op de rails volgens het traject van de luxe Noord-Zuid Express (van Sint-Petersburg tot Lissabon) die de Brusselse bankier Georges Nagelmackers in de vorige eeuw decennialang vergeefs tot stand probeerde te brengen.
De schrijvers op de trein beleefden «de idee Europa» gedurende zes weken als een even boeiende als kakofonische symfonie, getiteld
Eurobabylon. Ik herinner me nog hoe de Duitse organisatrice Jessica Falzoi bij aanvang meldde dat van alle verhalen en gedichten van de deelnemers vertalingen in elf talen waren gemaakt. «Elfhonderd vertalingen in totaal!» riep ze triomfantelijk. Over de kwaliteit van de vertalingen kon ze weinig zeggen. De Belgische schrijver Kamiel van Hole sprak wat sceptisch dat een literaire tekst vertalen wat hem betreft hetzelfde was als «een vrouw strelen met handschoenen aan». Falzoi reageerde daarop gepikeerd: «Het niet vertalen van een tekst is als een vrouw in de kou laten staan.»

Dat het Verenigde Europa van de Volkeren en Culturen niet voor morgen is, blijkt meteen al bij aanvang van de reis, als ik me in Lissabon naar een Slavisch instituut begeef waar een gesprek plaatsvindt over Europa en Oorlog. Aan het debat nemen Stevan Tontic deel (een Bosnische Serviër die sinds de belegering van Sarajevo in exil leeft in Berlijn), de Wit-Russische dichteres Wolga Ipatava, een Angolese schrijfster en Nenad Velickovic (eveneens uit Sarajevo). Ipatava draagt uit het hoofd een gedicht voor over het weeshuis waar ze haar jeugd heeft doorgebracht, nadat haar ouders in de Tweede Wereldoorlog waren omgekomen. Een op de drie Wit-Russen stierf gedurende de oorlog, vertelt Ipatava. Tontic leest een gedicht voor over de stad die hij in 1993 ontvluchtte.
«De grens midden door het hart» heet het. Zijn geboortestad heet in zijn gedicht «het oord van de onvermijdelijke ondergang».
Een schrijver uit Barcelona staat op uit het publiek en houdt een spontane toespraak waarin hij stelt dat deze trip belangrijk is om elkaar beter te leren kennen, zodat gruwelijke rampen en oorlogen in de toekomst kunnen worden voorkomen. Wegens het uitblijven van enige Engelse, Franse of Duitse vertaling lukt het me niet om verder nog iets van het debat mee te pikken. Ik vertrek lichtjes verontwaardigd en teleurgesteld. De ervaring leert me dat er gedurende deze reis toch echt behoefte is aan een lingua franca, omdat anders de communicatie stokt en de culturele verbroedering waarover zulke plechtige toespraken gehouden worden, niet meer dan een holle frase blijft. De middeleeuwers die zich van het Latijn bedienden waren allicht zo gek nog niet. In de dagelijkse omgang en bij het schrijven kon je je altijd nog verlaten op je moedertaal — ook Erasmus sprak zijn laatste woorden in het Nederlands.
«Dat is makkelijk gezegd voor een Hollander», zegt de Franse dichter Jacques Jouet tijdens een debat in Madrid dat over deze zaken handelt. «Het zijn de kleine talen die er alles bij te winnen hebben dat het Engels of het Duits zal zegevieren. Ik ben tegen het monisme, en voor het Europa van de diversiteit.»
Eenheid in diversiteit. Het is een van de slogans die de EU in haar vaandel heeft geschreven. Tot zover komen politiek en cultuur voor menig auteur op de trein dus nog overeen.

http://www.cobra.be/permalink/1.678082

De Literatuurexpress – tv-report uitgezonden op het Belgische journaal

23.06.2000 –  Schrijver Kamiel Vanhove is een van de 100 Europese schrijvers die met de trein door Europa reizen, op zoek naar wat hen verbindt. Hij stelt ons zijn collega’s voor, waaronder Serge Van Duijnhoven uit Nederland, Dubravka Ugresic, uit het voormalige Joegoslavië en Nicola Lecca, uit Italië. Een ietwat aangeschoten Estse collega  , Karl-Martin Sinijärv,  zorgt voor de muzikale intermezzo’s.

13 juni 2008 17:04 tags:  literatuur literatuurtrein dubravka ugresic kamiel vanhole serge van duijnhoven nicola lecca euro 2000 voetbal karl-martin sinijärv

Aan het einde van de eerste week stapt de karavaan in een druilerig Madrid op de nachttrein naar San Sebastian, vanwaar we overstappen op de tgv naar Bordeaux. De nachttrein bevat slaapcompartimenten voor twee personen, en de organisatie van de Literatuurexpress nodigt de schrijvers onomwonden uit «een partner voor de nacht te zoeken». Voor veel schrijvers blijkt deze nachtelijke rit niet zozeer een erotisch buitenkansje, als wel een reis door de hel. Geschommel, herrie, gebonk, gesnurk, stank en veel te krappe bedden. De plas moet worden gedaan in een po. Uitgeput en vervuild arriveren de auteurs in de stad van de drie M’s: Montesquieu, Montaigne en Mauriac.
«Het Europa waarin wij leven, kan en mag niet slechts een Europa van de zaken zijn», oreert de loco-burgemeester van Bordeaux, met typisch Frans gevoel voor grootspraak. «Het is aan u schrijvers om aan de economische Europese Unie ook een Culturele Unie toe te voegen. U, schrijvers, bent de ideale tussenpersonen hiervoor, intermediairs tussen droom en werkelijkheid. Laat ik de woorden van Montaigne citeren, die schreef: je peins le passage. U, beste gasten, bent de voorbijgangers, zonder welke de Europese trein nimmer op zijn bestemming aan kan komen. Net als Goethe draagt u het Europa in uzelf.»
Initiatiefnemer Wohlfahrt voegt daar wat onbeholpen aan toe, in zijn sappige Germano-Engels:
«No nation can make Europe in itself. Europe needs all nations.» Terwijl ik naar die ferme Duitse gestalte kijk zoemen de beelden van talrijke oorlogsfims door mijn hoofd. Een ondeugende gedachte (in de zin van niet-deugend) want Wohlfahrt staat hier niet boven de Fransen uit te torenen als SS-officier. Hij staat hier als een Europese Duitser anno 2000, die zijn gastvrouw ondanks zijn zware accent consequent in het Engels het hof maakt.
Historische animositeit wordt opgerakeld tijdens het gastronomische buffet, waar de Italiaanse auteur Niccola Lecca zich tegoed doet aan de blauwgrijze Atlantische garnalen. «Yakkie», zegt de blonde Duitse rechterhand van Wohlfahrt, «eten jullie Italianen die garnalen zo, met kop en ogen?» Waarop Lecca haar toebijt: «Ik weet dat jullie Duitsers liever eerst de kop eraf hakken. Of prefereer je de garnalen liever teder vergast?»
De Estse dichter Karl Martin Sinijärv, een kalende dikkerd met een rosse baard, haakt in met een politiek-incorrecte grap: «Als Hitler nog geleefd had, zou hij geen boeken hebben verbrand. Hij zou ze hebben gerecycled. Dat is wat hij op het eind van de oorlog al deed met de joden.»

Voor de meeste auteurs is de treinreis tot nu toe soepeltjes verlopen, maar Kaliningrad levert een echte cultuurschok op. De Bulgaarse schrijfster Virginiya Zaharieva kan er maar niet over uit — die ultiem lelijke, armoedige sovjetstad die gebouwd is op de ruïnes van het ooit zo prachtig schone Oost-Pruisische Koningsbergen, de stad waar Emmanuel Kant is begraven, alsmede honderdduizend andere zielen wier lichamen in de napalmexperimenten van de geallieerden en het crossfire van het Rode Leger zijn verzengd.
De schrijvers worden uitgenodigd om, direct na aankomst, bloemen te leggen bij de monumenten ter ere van Poesjkin, Schiller, Kant en «de duizend en een patriotten van de Grote Patriottische Oorlog». Overal worden de auteurs begeleid door orkestjes die grafmuziek blazen. Ik heb geen stad gezien waar je zoveel aan de dood en het verleden wordt herinnerd. Een kapotgeschoten brug uit de Tweede Wereldoorlog ligt nog altijd in het water.
De gulzigheid waarmee de bewoners van Kaliningrad zich aan de literaire reizigers vastklampen, is even angstaanjagend als hartverwarmend. Een ervaring die ik slechts een keer eerder heb meegemaakt: in Gorazde, waar ik in 1995 een Unprofor-konvooi vergezelde dat voedsel afleverde in de enclave die de voorbije maanden van de buitenwereld was afgesloten.
Guennadij Polischshuk, een Russische acteur, brengt in Svetlogorsk (het vroegere Rauschen, aan de Baltische Zee) lachend een toast uit:
«For you and me the best, and all the others go to hell.» En de hel, daar weet men van, daar in Kaliningrad. Polischshuk houdt een toespraakje over de Russische ziel, die volgens hem «gul, grootmoedig, ondoorgrondelijk» is, en vooral «heel zwaar om te dragen». «We hebben geen cent», zegt hij, «maar we zijn het rijkste volk ter aarde.»

In Minsk, Wit-Rusland, worden de schrijvers van de trein onthaald op eenzelfde folkloristisch heldenwelkom als in de Russische enclave aan de Baltische Zee. Net als in de goeie ouwe tijd van het Fellow Travelling, toen westerse toeristen in de Sovjet-Unie nog als koningen van vreemde stammen werden ontvangen. Onder militair escorte wordt het gezelschap, via regenachtige en verlaten straten, naar het gemeentehuis gereden, waar de autoriteiten woorden te kort komen om hun gasten te prijzen. «Dank u voor het scheppen van harmonie in deze verdeelde wereld», spreekt de minister van Cultuur. De burgemeester van Minsk begint zijn praatje nogal cynisch met de opmerking dat elke grote stad haar markeringspunten heeft. Parijs heeft de Eiffeltoren, Rome het Colosseum, Londen de Tower Bridge. «Minsk heeft niets meer», besluit de minister. «Al onze markeringspunten zijn verwoest tijdens de Grote Patriottische Oorlog. Toch heet ik u van harte welkom, in deze dappere, historische hoofdstad van het Blauwogige Wit-Rusland.»
Na afloop van de ontvangst maakt de bus met schrijvers een tour door de stad. Alle monumenten worden getoond, meestal voor partizanen, communisten of dichters. Pokdalige standbeelden zijn het, van vier keer de menselijke proportie. De rondleidster somt het aantal keren op dat Minsk in zijn 930-jarige bestaan met de grond gelijk werd gemaakt. «In 1505 door de Krimtartaren. In 1654 tijdens de Pools-Russische oorlog. In 1708 tijdens de Zweeds-Russische oorlog. In 1812 door Napoleon en in 1941 door de Duitsers.»
Er volgt een korte stilte als we langs het okergele kgb-hoofdkwartier rijden. De dame van de rondleiding kijkt de andere kant op. Walter Aliferavis, een Wit-Russische schrijver die naar eigen zeggen «korte sciencefictionverhalen met antitotalitaire propaganda» schrijft, omschrijft het bolwerk als het «gebouw met de duizend kamers». Het gebouw kent geen straatnummer, geen bordjes, geen opschriften. «Het is gebouwd om angst aan te jagen. De architecten van Stalin waren vaklieden. Hun meesterschap leverde ze vaak niet veel meer op dan de dood, want de architecten waren doorgaans de eersten die achter de metersdikke muren werden geslachtofferd.»
Aliferavis vraagt of het waar is dat de schrijvers op de trein een petitie hebben opgesteld over de oorlog in Tsjetsjenië, in de vorm van een open brief aan de Russische president Vladimir Poetin. Als dat zo is, wil hij die graag naar Vilnius in Litouwen smokkelen en publiceren in de onafhankelijke krant Slobodnie Novosti.
De open brief aan Poetin leidde tot fikse ruzie tussen de Russische en de Oekraïense schrijvers op de trein. De Russen, die niet over de brief werden geconsulteerd, voelden zich gepasseerd en begonnen op eigen houtje een tegenoffensief door boeken rond te delen waarin gruwelijke snuff-foto’s te zien waren van Russische mannen die door Tsjetsjenen werden onthoofd met slagersmessen.
Over de verdwijningen van Wit-Russische collega’s in het kgb-gebouw van Minsk maken de meeste schrijvers van de Literatuurexpress, ook de Oekraïeners, zich niet echt sappel.
De beklemmende atmosfeer in Minsk blijkt weinig bevorderlijk voor de dichterlijke creativiteit. De ene helft van het schrijverskorps blijkt na een dag aan ernstige buikkrampen te lijden, de andere aan verschijnselen van paranoia of acute writer’s block. De meesten krijgen geen pen meer op papier en schreeuwen in de lobby tegen de organisatie dat ze «weg weg weg!» willen. Bashkim Shehu uit Albanië vertelt dat Minsk hem doet denken aan het Tirana van de stalinist Hoxha in de jaren zeventig. Karl Martin Sinijärv vertelt in nachtclub Nightflight van zijn kafkaeske droom waarin hij de badruimte op zijn hotelkamer bezocht en de openingen op het toilet een voor een zag verdwijnen. Eerst versmolt de toiletbril met de toiletpot, toen verdween de toiletpot in de vloer, en vervolgens was er geen enkele deur meer in de ruimte. Alleen de donkere, gladde tegels resteerden die de binnenkant van elk publiek gebouw in Minsk tot een naargeestige ruimte maken. De volgende dag heeft Sinijärv met dikke viltstift «Minsk gives you the creeps» op een wit T-shirt geschreven.
Een van de mausoleumachtige ruimten, waarin Sinijärv zijn toilet zag veranderen, is het Schrijvershuis in Minsk, ulica Frunze nr. 5. De scribenten van de Literatuurexpress zijn er de avond voor hun vertrek uitgenodigd om een tirade bij te wonen van de minister van Cultuur tegen de oprukkende massacultuur, door hem de «aids van de hedendaagse cultuur» genoemd. «Het probleem is dat je haar niet bij de grens tegen kunt houden», aldus de minister van een staat die zijn eigen grenzen naar maximale kunnen dicht heeft getimmerd en de eigen bevolking gevangen houdt.
In de hal vindt een boekenbeursje plaats van een schamel aantal boeken dat de afgelopen decennia uit het buitenland is vertaald, en op de binnenplaats is er een kleine schermutseling als theatergroep NihilNihilNihil intervenieert met
At the End of Dark Times; Theatre of Psychical Inbalance. Twee jongens houden de glazen deur dicht die naar de binnenplaats voert, om te voorkomen dat de plaats ontruimd wordt door de bewakers. Twee hebben zich laten vastsnoeren op een stoel en dragen kkk-achtige puntmutsen. Hun lichaam is omwikkeld met elektriciteitsdraad en in hun mond zit een grote witte prop. De muziek bij het tafereel is van muzikanten die zich Het Huis Waar Niemand Leeft noemen.
De autoriteiten, de militie en de Wit-Russische uitgevers doen of ze de theatermakers op de binnenplaats niet zien. Een portier gaat voor het raam staan, zodat er niet gefilmd kan worden. Vanaf het restaurant op de eerste verdieping probeer ik het merkwaardige tafereel alsnog te volgen. Het meisje dat heupwiegend bedient, vraagt waar ik vandaan kom. En of ik wat wil drinken en eten. Na een uur vraagt ze, in gebrekkig Duits, of ik met haar wil trouwen. «Meinherr, ja ich will hier weg, verstehen Sie? Belarus nicht gut.»
Voor ik mijn koffer pak, lees ik nogmaals die eerste zin uit de folder
Welcome to Minsk; Advertising Gide & Sity Map: «We are certain that those who came here will remember the capital of the Republic of Belarus for a long time.» Per militair escorte worden we teruggevoerd naar het station. Bij de grens met Polen barst er gejoel los in de trein. Het voelt alsof we zojuist aan de Cocytus zijn ontstegen.

Na zevenduizend lange kilometers en achttien steden komt de Literatuurexpress tot stilstand in Berlijn, de stad die tot voor kort het symbool was van de tweespalt in Europa. Op de slotdag, als het circus van de lezingen, debatten, recepties en slemppartijen definitief wordt opgedoekt, worden er hete tranen geplengd door de fysiek en geestelijk uitgeputte schrijvers. In de lobby van Hotel Unter den Linden vliegt men elkaar een laatste maal om de hals of, zoals de Oekraïeners en de Russen, in de haren. Sommige schrijvers zitten verdwaasd en ontregeld maar een beetje naar de regen te staren. De reispsychologe die met de Literatuurexpress meereisde, had er al voor gewaarschuwd. Na enige weken kan er bij sommige schrijvers een vorm van regressie optreden: wat te doen na deze Grand Tour?
De 106 auteurs van de trein keren emotioneel leeg maar voldaan huiswaarts, naar hun vrouw, kinderen en vrienden die een tijdlang ten bate van de literatuur in de kou zijn gezet. De vertalingen van hun werk mogen ze meenemen. Misschien komen ze nog van pas voor het vervolgproject dat uit de Literatuurexpress zal voortvloeien: de oprichting van een Internationaal Literair Netwerk. Het voorstel hiertoe werd op de Bebelplatz aangeboden aan enkele Europarlementariërs, samen met een petitie waarin de schrijvers van de trein expliciet stelden dat de auteurs «het geloof delen dat Kunst en Cultuur even essentieel zijn voor de Europese eenwording als Politiek en Economie», dat het Europese Parlement en de Europese Commissie de dialoog tussen schrijvers uit Oost- en West-Europa zouden moeten stimuleren, dat de bescherming van de kleinere talen gezien moet worden als een plicht en gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, dat de wetgeving over auteursrechten zou moeten worden geharmoniseerd en (ten slotte) dat «in deze instabiele overgangsperiode waarin de toekomst van de literatuur op het spel staat, er een nieuwe geo-poëtica zou moeten worden gecreëerd, een die parallel loopt aan de nieuwe geo-politiek, zodat we een Europa kunnen scheppen dat aan ons allen toebehoort».
Over alle punten was tijdens discussies op en om de trein gesoebat. Zelfs na afloop van de slotceremonie is er sprake van tumult omdat sommige schrijvers niet zijn gekend in de uiteindelijke tekst die «namens alle schrijvers» wordt voorgelezen.
«Dat de culturele eenheid van Europa niet voor morgen is, is misschien maar goed ook», concludeert de Duitse schrijfster Felicitas Hoppe, die zich van de slotverklaring distantieert. «Eenheid is stilstand en verstarring – de dood in glazuur. Het uitzicht vanaf de toren van Babel is uiteindelijk toch veel mooier dan het uitzicht vanaf de begane grond.»

Europaexpress Ein literarisches Reisebuch Eichborn Verlag, Frankfurt am Main 2001 ISBN-10 3821807083

Klappentext

Sechs Wochen reisten 103 Schriftsteller aus 43 Ländern mit der Eisenbahn quer durch Europa, vom äußersten Westen in den Osten und in die Mitte zurück. Das Resultat ist ein literarisches Puzzle Europas, hundert eigene Blickwinkel auf den Kontinent: Erzählungen, Impressionen, Fragestellungen und Beobachtungen.

http://www.cobra.be/permalink/1.678082

Rezensionsnotiz zu Die Zeit, 04.10.2001

Tobias Gohlis kann diesem Reisetagebuch von 103 Autoren, die mit dem Zug quer durch Europa gereist sind, nicht viel abgewinnen. Zu deutlich sei in den einzelnen Texten die “Last der Gruppe” zu spüren, zu wenig werde von den Autoren auf ihrer Reise wirklich gesehen. Das wenige, das gesehen wird, ist Gohlis sprachlich nicht genau genug erfasst, besonders der Sinn für das “Fremde” scheint ihm unterentwickelt. Und so erscheinen ihm die Beiträge nur all zu oft als “Wiederkäuen und angestrengtes Vermeiden” von Reiseliteraturklischees. Dennoch, so Gohlis nachdrücklich, sind diese Reiseeindrücke lesenswert, denn sie vermittelt seiner Ansicht nach den “Bewusstseinszustand” von Europäern.

Kurzbeschreibung
Sechs Wochen waren sie unterwegs. Auf den Routen der Eisenbahnverbindungen, die seit über hundert Jahren mit glanzvollen Luxuszügen oder modernen Garnituren betrieben werden, fuhren sie vom äußersten Westen in den Osten und in die Mitte zurück. Idee und Reiseroute hatte die literaturWERKstatt berlin in monatelanger Arbeit ausgeklügelt. Das Ergebnis: eine Vielfalt von Kulturen, ein Sprachgewirr, ein Stimmengemisch sondergleichen, ein “Versuchslabor gesamteuropäischer Verständigung”, so die Presse, angesetzt von denen, die mit der Sprache am besten umgehen können. Wo immer die Schriftstellerinnen und Schriftsteller hielten, schwärmten sie in die Städte aus, zu Lesungen, Debatten und Festen. Mit einem großen Abschlußwochenende kulminierte die Fahrt in Berlin. Aber damit war das größte europäische Literaturereignis der letzten Jahre noch nicht vorbei. Denn nun ging es an den Schreibtisch zurück. Das Resultat erscheint – nach gigantischen Leistungen zahlreicher Übersetzerinnen – in mehreren europäischen Ländern als Buch. Das deutschsprachige pünktlich zum “Europäischen Jahr der Sprachen” und rechtzeitig zur Frankfurter Buchmesse. Hundert ganz eigene Blickwinkel auf unseren Kontinent, hundert Erzählungen, Impressionen, Fragestellungen und Beobachtungen bilden ein einzigartiges literarisches Puzzle Europas, das es noch nie gegeben hat. Beteiligte Länder unter anderem: Albanien, Armenien, Aserbaidschan, Bosnien-Herzegowina, Bulgarien, Dänemark, Finnland, Georgien, Griechenland, Großbritannien, Irland, Island, Italien, Jugoslawien, Kroatien, Liechtenstein, Luxemburg, Malta, Mazedonien, Moldawien, Niederlande, Österreich, Rumänien, Schweden, Schweiz, Slowakei, Slowenien, Tschechische Republik, Türkei, Ukraine, Ungarn, Zypern

http://www.togohlis.de/03europaexpress.htm#A

Tobias Gohlis über Europaexpress. Ein literarisches Reisebuch.

(fuer Die Zeit)

____

Thomas Wohlfahrt, Christiane Lange: Europaexpress.
Ein literarisches Reisebuch.
Eichborn-Berlin, Frankfurt/Main 2001,
800 S.

Einhundertdreimal Ich

Sechs Wochen reisten Schriftsteller aus allen Ländern durch Europa, von Lissabon über Moskau nach Berlin. Ihre gesammelten Reiseberichte wiegen mehr als das Kursbuch der Deutschen Bahn


Sähe Europa anders aus, weniger zerrissen, weniger bürokratisch zusammengezwungen und verwaltungstechnisch verwirrt, kulturell und nicht nur durch den Euro geeint, wenn der Belgier Georges Nagelmackers seine Pläne hätte realisieren können? Sieben Hauptstädte sollte sein in den siebziger Jahren des 19. Jahrhunderts geplanter „Nord-Süd-Express“ verbinden. In luxuriösen Schlafwagen mit Radkonstruktionen, die an die unterschiedlichen Spurweiten Europas angepasst werden konnten, sollten Frau Gräfin, Herr Bürger und Genosse Anarchist die fast 5000 Kilometer von St. Petersburg bis Lissabon zurücklegen, ohne von einer einzigen Zollstation aufgehalten zu werden. Nagelmackers Transportutopie eines im Schlafe vereinten Europa scheiterte an nationalistischen Egoismen. Übrig blieb ein Reiseveranstalter: Die Compagnie Internationale des Wagons-Lits.

Nagelmackers Erben
Und ein Streckenplan. Nagelmackers Erbe traten 103 Schriftsteller aus 43 Ländern an, die im Sommer 2000 von Lissabon zu einer sechswöchigen Pauschalreise durch 19 europäische Städte aufbrachen. Auf einer lassoförmigen Route streiften sie u.a. Frankreich, Belgien, die Expo, etliche baltische Städte, Kaliningrad, Minsk, Moskau, Brest, Warschau, Endstation war Berlin. Ihr Literaturexpress sollte nach der binären Zwecksetzung transportation and translation durch Bewegung Verständigung in Europa nähren. Noch am Start der Karawane waren höhnische wie gigantische Vergleiche schnell zur Hand. Einige Beobachter wähnten im Literaturexpress ein Narrenschiff nach dem Vorbild Sebastian Brants unterwegs, Thomas Wohlfahrt von der veranstaltenden Literaturwerkstatt Berlin hoffte, eine große Soziale Plastik nach Beuys werde wahr.
Das täglich geführte Internettagebuch der Reise verzeichnet wenig große Worte. Von guten Betten, Kopfschmerzen und portugiesischem Wein berichtet der Belgier Nicolas Ancion, auch dass Lissabon im Juni nach Vanille und Fisch riecht. Ob José Saramago beim nobelväterlichen Abschiedsgruß an die startenden Argonauten auch an seinen Roman Das steinerne Floß erinnerte, in dem sich die iberische Halbinsel schwimmend vom Rest Europas absondert, ist nicht überliefert.

Leider kein Narrenschiff
Blättert man nun im literarischen Reisebuch
Europaexpress, wünscht man sich, die Expedition wäre mehr Narrenschiff und weniger soziale Plastik geworden. Mit Entgegennahme des Handgeldes hatte sich jeder der Autoren nicht nur darauf verpflichtet, so und so viele Hände von Kulturträgern, Ministern und Europäern zu schütteln, bei Trainstops eigene Texte und Gedanken zum Vortrag zu bringen et cetera, sondern auch einige Seiten Resümee zu liefern. Auf dem nun zunächst auf Deutsch (andere Sprachen folgen) vorliegenden, aus kleinen und großen Idiomen übersetzten Werk, das an Format, Umfang und Gewicht lässig das Kursbuch der ihre Strecken eindampfenden Deutschen Bahn AG übertrumpft, liegt erkennbar die Last der Gruppe. Wer in Gemeinschaft unterwegs ist, erlebt hauptsächlich Gemeinschaft. Das hat manch schöne Kollegenbeobachtung, die eine oder andere Liebelei und viel Rotation um die eigene Achse erbracht: Der Literaturexpress als rollende Selbstreferenzialität. Da war ein Handtaschendiebstahl schon ein Einbruch.
Viele Beiträge, ein halbes Jahr nach dem Ereignis entstanden, schreiben sich mühsam vom Reiserausch los, sind noch dem Rhythmus des stop and go verhaftet: „Der Zug hält. Alle steigen aus.“ Neunzehn Mal, alle drei Tage. Erstaunlich, wie wenig das unbekannte Fremde erfasst werden kann. Den Schriftstellern fehlen die Worte. Stattdessen: Gestammel und Phrasen. „Sowjetische Städte waren geschlossene Städte, was der Idee der Stadt von vornherein widerspricht.“ „Russland war das erste wirklich andersartige Land auf unserer Reise durch Europa.“ Viele Autoren aus den armen Ländern Osteuropas schreiben tapfer gegen akuten Bewusstseinsverlust an. Valentina Soloveva aus Kaliningrad: „Also, folgendes Ereignis steht bevor: Zum ersten Mal in meinem Leben überschreite ich die Staatsgrenze..“ Der Ukrainer Yuri Andrukhovych ertappt Dichter als Touristen: „Die westlichen Kollegen .. fotografierten massenhaft Bettler, Babuschkas mit Kopftüchern, schmutzige Kinder, herrenlose Katzen und Hunde sowie Milizionäre… Auch die Ostler bekamen, was sie wollten: Sie verließen ihre Hotels überhaupt nicht und ertränkten den chronischen Weltschmerz mit Wodkadämpfen.“ Annie Saumont, Goncourtpreisträgerin von 1981, notiert: „Wörter, um es zu sagen. Daran hat es uns gefehlt. An den Wörtern einer gemeinsamen Sprache. Angesichts der bestürzendsten, bewegendsten, absonderlichsten Straßenszenen schwiegen wir. Nein, wir schwiegen nicht, wir sprachen Englisch.“

Zehn Schwarze östlich von Hannover
Was Europa sei. Ob es verändert wurde durch die Staatsbesuche der Dichter, war die Hauptfrage aller Berichterstatter auf den Empfängen. Und ob man es glaubt oder nicht, das Buch beantwortet sie. In das Wiederkäuen und angestrengte Vermeiden der Baedeker-Klischees mischt sich hin und wieder ein kleines Staunen. Die Drucktürknöpfe im Lissaboner Hotel, eine junge einbeinige Schönheit im Minirock, die weißen Nächte von Petersburg, etwas Gelb am Morgen, Seifenstücke. In den sieben Ländern östlich von Hannover sah die farbige Autorin Bernardine Evaristo nur zehn schwarze Menschen. Mehrere Autoren behelfen sich mit Listen: sie notierten die Nummern ihrer Hotelzimmer, ihre Ausstattungsmerkmale, den Service. Auch die tagebuchartig reportierenden Gedichte haben Verzeichnischarakter. Reihen von Notizen, Katarakte von Signalen. Entdeckungen: in Europa gibt es vier Schriften, unzählige alkoholische Getränke. Ein Reisebuch, das nichts erklärt, fast nichts weiß, gerade dort, wo die Anstrengung unternommen wird, das Tunnelerlebnis auf Begriffe zu bringen. Viele Aufsätze, wenig Vertrauen in Beschreibung. Europa durch die Brille seiner Autoren: viel Stehsatz, kaum Beobachtung, alte Krux des 18.Jahrhunderts. Man sieht nur, was man weiß. Selten mehr.
Und natürlich wissen sie das alles selbst. Programmatisch rechtfertigt die Schweizerin Christina Viragh das Reisen in eigener Sache als Betreten von leeren, bedeutungslosen Räumen, die erst im literarischen Verarbeitungsprozess Sinn erhalten. Da wird ihr in Kaliningrad nicht die allgegenwärtige Miliz, sondern eine Telefonzelle zur Stimmungsträgerin. Aufgetaucht – verschwunden. Europaexpress ist Skizzenbuch, Exposésammlung, Reisetagebuch. So viele kluge Zitate, so viele Versuche, hin und wieder ein seltener Ausflug in Surrealität. Kaum ein Text ist fertig – die Koffer sind noch nicht ausgepackt.
„Ich entwickle mich nicht, ich reise.“ Ein Satz Fernando Pessoas, der Jean Métellus (Paris) nicht aus dem Sinn geht. Soll man
Europaexpress lesen? Na klar doch. Wie will man sonst etwas über den Bewusstseinszustand von 103 Europäern erfahren? Leo Tuor aus der Schweiz: „Als der Literaturzug in Berlin ankam, ging die Literatur unter… Höchste Zeit, in meine Berge zurückzukehren…“ Vitalie Ciobanu (Moldawien): „Unvergesslich der Besuch im Smolny, der große Saal, wo man den Sieg der bolschewistischen Revolution verkündet hatte, und der Wodka, den man uns in einem der Nebenräume anbot.“
Was aber bleibet, stiften die Sponsoren. Noch.

Unredigiertes Manuskript, Veröffentlichung in DIE ZEIT Nr. 41/ 2001 Literaturbeilage

© Tobias Gohlis

20.01.2002

NEUE REISEBÜCHER

Für die Tasche. Vergangenen Sommer rollte ein Zug durch Europa. Ein Schriftstellerzug. 103 Autoren aus 43 Ländern fuhren sechs Wochen lang mit dem sogenannten Literaturexpress von Lissabon über Paris und Hannover nach Kaliningrad, Riga und St. Petersburg und wieder zurück nach Berlin. Nun könnte man eigentlich denken, Schriftsteller seien eher so einsamkeitssuchende Menschen und für eine organisierte Massenautorenzugfahrt durch einen ganzen Kontinent nicht so gut zu gebrauchen. Aber wer vergangenen Sommer die Ankunft der glücklichen Reiseschriftsteller auf dem Berliner Bahnhof Friedrichstraße miterlebte, der war bereit, an das gelungene Experiment des fahrenden Kulturaustauschexpresses zu glauben. Und jetzt, gut ein Jahr nach der Rückkehr, gibt es die Reise- und Kulturaustausch-Erfahrungen der Schriftsteller als Buch. In Gedichtform, als kleines Dramolett, Erzählung, Beobachtung, Novelle, leichte Glücksbeschreibung, schwere Massenschreibleiderfahrung, Liebesgeschichte, Gedenkgeschichte, Nachtgeschichte. Und alle Texte zusammen ergeben ein schönes Reisebuch. Unterwegs geschrieben. Unterwegs zu lesen. In Europa, im Zug und anderswo.

vw.

Thomas Wohlfahrt und Christiane Lange (Hrsg.): “Europaexpress. Ein literarisches Reisebuch”. Eichborn Verlag Berlin 2001. 25,90 Euro.

Alle Rechte vorbehalten. © F.A.Z. GmbH, Frankfurt am Main

Perlentaucher-Notiz zur ZEIT-Rezension

04.10.2001

Tobias Gohlis kann diesem Reisetagebuch von 103 Autoren, die mit dem Zug quer durch Europa gereist sind, nicht viel abgewinnen. Zu deutlich sei in den einzelnen Texten die “Last der Gruppe” zu spüren, zu wenig werde von den Autoren auf ihrer Reise wirklich gesehen. Das wenige, das gesehen wird, ist Gohlis sprachlich nicht genau genug erfasst, besonders der Sinn für das “Fremde” scheint ihm unterentwickelt. Und so erscheinen ihm die Beiträge nur all zu oft als “Wiederkäuen und angestrengtes Vermeiden” von Reiseliteraturklischees. Dennoch, so Gohlis nachdrücklich, sind diese Reiseeindrücke lesenswert, denn sie vermittelt seiner Ansicht nach den “Bewusstseinszustand” von Europäern.

© Perlentaucher Medien GmbH

Wohlfahrt, Thomas; Lange, Christiane

Europaexpress – Ein

literarisches Reisebuch

Hrsg. v. Thomas Wohlfahrt u. Christiane Lange
2001. 752 S. 23 cm
Verlag/Jahr: EICHBORN 2001
ISBN: 3-8218-0708-3 (3821807083)


Sechs Wochen waren sie unterwegs. Auf den Routen der Eisenbahnverbindungen, die seit über hundert Jahren mit glanzvollen Luxuszügen oder modernen Garnituren betrieben werden, fuhren sie vom äußersten Westen in den Osten und in die Mitte zurück.
Idee und Reiseroute hatte die literaturWERKstatt berlin in monatelanger Arbeit ausgeklügelt. Das Ergebnis: eine Vielfalt von Kulturen, ein Sprachgewirr, ein Stimmengemisch sondergleichen, ein “Versuchslabor gesamteuropäischer Verständigung”, so die Presse, angesetzt von denen, die mit der Sprache am besten umgehen können. Wo immer die Schriftstellerinnen und Schriftsteller hielten, schwärmten sie in die Städte aus, zu Lesungen, Debatten und Festen. Mit einem großen Abschlußwochenende kulminierte die Fahrtin Berlin.
Aber damit war das größte europäische Literaturereignis der letzten Jahre noch nicht vorbei. Denn nun ging es an den Schreibtisch zurück. Das Resultat erscheint – nach gigantischen Leistungen zahlreicher Übersetzerinnen – i n mehreren europäischen Ländern als Buch. Das deutschsprachige pünktlich zum “Europäischen Jahr der Sprachen” und rechtzeitig zur Frankfurter Buchmesse.
Hundert ganz eigene Blickwinkel auf unseren Kontinent, hundert Erzählungen, Impressionen, Fragestellungen und Beobachtungen bilden ein einzigartiges literarisches Puzzle Europas, das es noch nie gegeben hat.
Beteiligte Länder unter anderem:
Albanien, Armenien, Aserbaidschan, Bosnien-Herzegowina, Bulgarien, Dänemark, Finnland, Georgien, Griechenland, Großbritannien,Irland, Island, Italien, Jugoslawien, Kroatien, Liechtenstein, Luxemburg, Malta, Mazedonien, Moldawien, Niederlande, Österreich, Rumänien, Schweden, Schweiz, Slowakei, Slowenien, Tschechische Republik, Türkei, Ukraine, Ungarn, Zypern

241.824 Titel bei © frauenbuch.de Stand: 30.03.2010

In Dialogue
Jacques Jouet and Anita Konkka


In summer of the year 2000 Anita Konkka and Jacques Jouet took part in a unique pan-European project called the Literature Express Europe 2000. The journey started on June 4 in Lisbon with 107 authors from 45 countries on board. The train traversed the continent in a great arc, crossing the Iberian peninsula, France, Belgium, Germany, and Poland, up to the Baltic States and Russia, turning down again via Belorussia and Poland to Berlin, where it arrived on July 14. After the journey, the authors contributed a written piece to the book Europaexpress: Ein literarisches Reisebuch (2001). Below is an edited selection from their correspondence. For the complete exchange, we direct you to issue seven of the online magazine Drunken Boat with whose kind permission these letters are reprinted. (Some of the awkward phrasings by Anita Konkka have been purposefully preserved in this ‘translation.’)

Paris, 17 September 2000
Dear Anita,

For the trip, I brought along a story. It tells of men inventing brick and mortar (and architecture thereafter) and building a tower, in order to have a look at what goes on là-haut (upstairs). Divinity, disapproving of such pretension, condemns them, imposing upon them two punishments (peines): geographic dispersion and the plurality of languages. Rather monstrous of divinity, wouldn’t you say? But it failed to think of everything: men reacted by inventing travel (train travel) and translation. Plus, they discovered they could learn several languages.

Since it is absolutely desired that something be brought back from one’s travels, I seem to have returned with this tale, which I have nourished, recounting it over and over at differing stages. Soap disappears quicker; toothpaste vanishes faster from its tube.


—Jacques

Helsinki, 18 September 2000
Dear Jacques,

I remember that in those ancient days people journeyed east. They wanted to make a name for themselves, built the tower. Familiar, isn’t it? Godhead got a terrible fright when he saw the unfinished tower. He exclaimed: “Behold, the people are one, united in a single language, and now they are building this tower. Henceforth nothing that they imagine will surpass them. Go to, let us down, and there confound their language, that they may not understand each other’s speech.” Divide and conquer, thought Godhead. But his was a vain attempt.

Indeed, as you said, men are inventive. One day a man invented the train of Babel. (In Hebrew “Babel” resembles the word balal, which means “to mix”). There were 100 writers on board, and we spoke 98 different languages, as it had been written . . . We were all journeying from the edge of Europe eastward. The tour lasted sex weeks; oh sorry, I mean six. Sex is Swedish.

All languages went into disorder. I lost my tongue. And in my mind the confusion persists. On the tenth day of the journey I limped along a street in Paris. Across the street there was a shop, and in the window a sign: Une autre idée du pain naturel. My left foot was in pain (blisters on my toes). Heck, I thought, this, if anything, is natural pain—but what kinds of ideas do Parisians have about pain? Might they be somewhat more spiritual or emotional than my pain?


—Anita

Paris, 19 September 2000
Dear Anita,

Bread (Le pain) and pain (la peine) . . . As soon as a store brings out “another idea of something,” the only difference between the non-other idea and the other idea is that the other idea is sold at a higher price. The advantage of pain is that it is not for sale (or is it?). Varvas? Toes covered in blisters . . . but the voyage was not a walking tour! How did you manage to get blisters on your varvas (one of the Finnish words with which I am the most familiar)?

Last night, I dreamt I was in an elevator with a horse.


—Jacques

Helsinki, 20 September 2000
Dear Jacques,

How did I get the blisters? you ask. That’s another story. I must confess, I bought new shoes, put them on, and went to diner and to dance in the disco called the Cabaret Sauvage. That was the simple cause of my pains. My very old grandmother would have said: “It serves you right. The wage of sin is suffering.” So I limped through the streets the next day and fooled around in the passageways of the metro. I would have needed Ariadne’s thread to find the right exit. I had completely lost my bearings. Otherwise I felt at home in Paris, a blackbird sang bluely in the yard of the hotel—it sounded as if Hungarian—and I slept well without sleeping pills (for the first time during the journey). I had no bad dreams until in Dortmund. Some animal, maybe it was a bear or a bull, tried to rape me. It was very hairy. I think it must be the bear, because my name is not Europe. Nothing like that has happened to me for years. I wonder, why that only happened in Dortmund, in such an ordinary German city, where everybody was sitting by the TV watching football, the World Cup matches.


—Anita

Paris, 20 September 2000
Dear Anita,

You speak to me of Paris, but I cannot answer you by speaking of Helsinki. . . .

Speaking only one language, French, does not in theory suit me. And yet, I have never succeeded in convincingly speaking any second language. It’s a kind of infirmity. To know but one language is to know none, including one’s own. I—who so willingly calls myself a polygraphist, a polytheist, a polysemist, and a polygamist—I realize that I might well have started by becoming a polyglot. Occasionally, I pretend.

It’s rather extraordinary that there isn’t a single European language; consequently, there isn’t a European literature. Babel is paradise and I will never forgive Mallarmé for having called the world’s languages “imperfect in that they are plural.” Or, rather, long live imperfection and impurities.


—Jacques

Helsinki, 21 September 2000
Hey, hey Jacques, you are on your home ground, but don’t forget that I am only a tourist both in French and English. I do stupid mistakes. I know neither rules and manners nor the connotations. I’m wordblind. I stumble over words, I mishear, miswrite, misconceive, and misread (when you write “upstairs” I read “up stars”) . . . There is always the language barrier, you knocking on one side, and me on the other side of a wall.

The dialogue is going to be difficult, because I must get along with English, which . . . “consists entirely of foreign words pronounced wrongly,” as Kurt Tucholsky said. I am not able to talk in the abstract in English. I can only communicate through stories, dreams and poems . . . I have a particular story in mind, about an interpreter and four men, but it is not the European story, because it was told by Rumi. But let’s leave it untold, because it is not part of European literature. Instead, you could say more about “un train qui siffle dans la nuit / C’est un sujet de poésie”? Or recount something about Europe. Whose Europe?

There is not only one European literature, you said. C’est cela! But what is European literature? Your books, my books, and the books of many others. During our tour of Europe, I would drop into bookshops. I saw heaps of the bookhamburgers. Throughout the continent from the west to the east they sold the same titles and names—John Grisham, Stephen King, Colin Dexter, etc.—like in the shopping center of Munkkivuori (the suburb of Helsinki where I live). Side by the side, in a tight row, on a bookcase in the back part of the shop, is where I would find European literature, i.e. French, German, English, Spanish, and Italian books in translations. There were no copies of Estonian, Ukrainian, Slovenian, or Belorussian, to say nothing of Finnish literature. But does it matter at all? I prefer world literature. I’m not a wholehearted European.


—Anita

Paris, 25 September 2000
You are right. It is unfair that we are not using Finnish in this dialogue. Were you to write to me in Finnish, necessity would have me go the Finnish Cultural Institute (a ten-minute walk from my home) to beg for a translation. It’s doable. Where there is a desire to speak, there is never a “language barrier.”

I regret the too-brief appearance of Rumi. Who said we were only allowed European stories?

I did not say that there isn’t a single European literature. It’s much more serious than that: there is no such a thing as European literature at all, since a literature is necessarily written in a language, at least to begin with. I speak in a language, not in a nation. Here, I am going make an untranslatable pun: ça soufi comme ça (that’s Enoch already), enough ideologies of universal literary imperialism! What’s that? Our little narrative or poetic shits should automatically concern 6 billion human beings? What a bore! I want to showcase the language I intimately know. So, of course, I prioritize readers who are also intimate with that language. It’s got nothing to do with France and everything to do with French. This being said, I do entirely trust translation and apprenticeship (see the fable of Babel).

I have another story. It is the tale of how, little by little, the Sphinx was devouring the young generation of Thebes. No one knew how to answer her question about the animal with four legs in the morning, two at noon, and three in the evening. One day, a young imbecile responds that this animal is man, and the Sphinx kills himself. And the young imbecile thinks he has saved Thebes. But he has only made matters worse by dragging Thebes down into the absence of questions. The only possible reply to the Sphinx of Thebes is a plurality of replies, ad infinitum: the animal in question is potentially the entire nomenclature of Linnaeus (including the species discovered since)—for example, the horse who runs in the morning, rears in his elevator at noon, and has a shoe replacement in the evening. Accordingly, the question is permanent, the Sphinx lives on and endlessly questions, the young generation lives on and endlessly answers.


—Jacques

Helsinki, 25 September 2000
. . . Let’s return to Rumi. His story goes something like this: There were four men and they had but one coin. They went to the market. The Persian said: “I will buy some
angur.” The Arab said: “No, because I want inab.” The Turk said: “I do not want inab, I want uzüm.” The Greek said: “I want stafil.” The four men started to fight because they did not know what was behind the names. They had information but no knowledge. If there had been one wise man present, he would have known that each in his own language wanted the same thing: grapes. Such a man could have reconciled them saying: “I can fulfill all of your needs. If you trust me, your one coin will become as four; and four men at odds will become as one.”


—Anita

Paris, 29 September 2000
. . . When I attempt to retell the story of the Sphin of Thebes, I refuse the notion that it is a story about me; it is the tale of language. I refuse the notion that it is a story about Oedipus; it is the tale of the Sphinx. It suffices that young women and young men answer the Sphinx in the tale, and not horses or koalas. Here too, it is still a question of the mono-, of the whole, of the one. Monotheism should offer some progress over polytheism, a single original language. In translating the Bible, the Septuagint should independently, miraculously finish with the exact same text; the Persian, the Turk, the Greek, and the Arab should all four be looking for the same grape, and Europe should be one . . .

Besides, I must admit it to you, the horse in the elevator neighs a little at the notion of a European union. On the other hand, he fiercely favors its expansion. Our voyage included all of Europe’s languages, not merely those of the rich. That, in itself, was great!

Funny, in French legalese, the word for expansion (élargissement) denotes “the release or freeing of a prisoner.” Europe of the rich is imprisoned; we must urgently ensure her broadening (release). And, once she is some forty strong, we’ll broaden her even further. . . .


—Jacques

Helsinki, 4 October 2000
I agree with you on the idea of the European Union. It’s dull like a marriage of convenience. . . .

I think the whole journey was like a long dream, sometimes a bit boring like those countless cocktail-parties, in which we were involved, sometimes a bit nightmarish, particularly when I lost my way. And it got lost very often, even in St. Petersburg! I was all the time so dumfused (dumb + confused) about the babble of tongues. Somehow I felt that I had no time to learn anything about Europe. After all, did it really exist? . . .


—Anita

Paris, 5 October 2000
Dearest Anita,

I am a louse. I persist to write to you in my comfortable French. Please respond to me in Finnish, or else I will start writing to you in English, or worse, in Europano: ich vais escribir ti in anglik or . . .

For me, our voyage was a pleasure. Why? First, because if you put me by a window on a train, my mouth opens and eight, twelve, twenty-four, two hundred hours later, I am in the same place, my mouth still agape. I am terribly docile. (Here, by the way, is another saying I’ve invented: “If your nose stinks, everything stinks.”) Luckily, during our trip, we had to arrive . . . take our luggage, check-in before checking out, check-out after having checked-in, successively discovering nineteen hotel rooms, if I’m not mistaken. . . . How extraordinary, to stay in nineteen hotel rooms in six weeks. A first for me. I want to become perfectly mobile.

But seriously, I recall the elevator in Lisbon; I recall the cheeses of Malaga; I recall the Swiss pavilion at the expo in Hanover; I recall a long conversation about Kosovo with Fatos Kongoli in Kaliningrad . . . I recall dried fish displayed like gladioli at the market in Riga . . . I even recall having eaten, in Minsk, sieniä (one of the Finnish words with which I am most familiar)—was it prudent? Etc., etc., etc. . . .

It’s bizarre, every time I hear the word Europe, I think of my African friends and my ardor wanes. . . .


—Jacques

Helsinki, 8 October 2000
My dear Jacques,

Don’t ever think of writing in English or Europanto or whatever. Humour is the first thing to disappear in a foreign tongue. I very much like your puns, although je n’y vois souvent que du bleu. Maybe we ought to write this duologue in Latin or Spanish. Tres cosas hacen a los hombres sages: letras, años y viajes (a Spanish proverb). Though I’m no wiser after this six-week tour of our brave new Europe. Otherwise Europe seems to be very fragile. There were many new glass buildings everywhere, especially in Berlin. . . .

I remember throngs of mosquitoes keeping me awake in an Oktyabarskaya hotel. And I remember a sad-looking mare clattering along Nevsky Prospekt at midnight. I remember two metallic horses flung out four hooves above Fontanka—originally there were four horses, but two of them had run away from their pedestals just a couple of days before the literature train arrived. I remember the white nights, actually they were lurid yellowish nights, when all horses, metallic and real—as well as the whole city—seemed to hover in the air, and I was so unhappy, my heels bleeding from long-walking and around-searching for the house where my grandmother lived before she was expelled from the town. I simply couldn’t remember where the house was. . . .


—Anita

Paris, 25 October 2000
Dear Anita,

Proposal: Literature is a collective activity. What do you think?


—Jacques

Helsinki, 25 October 2000
We are just about to finish our joint venture, and you ask if the literature is a collective activity. Dear Jacques, what else could it be? You have acted as a catalyst for me, and I have given impulses to you, isn’t that true? Maybe the final outcome is not what we expected or imagined, but in any case it is some kind of literature, at least I think so. One thing is for sure, literature is always collective—as collective as language and dreams are—because no one is writing or dreaming in a vacuum. When I am writing, I am in a dialogue with the living and the dead writers, from classic Chinese and Russian writers to modern French or Finnish writers.

Before we put the end to our dialogue, I’d like to return to your story about the Sphinx. Some days ago I read purely coincidentally a poem about the Russian Sphinx written by Alexander Blok. That Sphinx was quite different from the Western Sphinx, who always asks rationalistic riddles. According to Blok the Russian Sphinx is emotional and ambivalent . . . She is mute, “grieving and exulting, bleeding black and bloody tears. And she stares at you, adoring and insulting with love that turns to hate, and hate—to love.” Maybe there will always be a large gap between Western and Eastern Europeans, because of two completely different Sphinxes—and I sense that I’m always hovering on the boundary of those two worlds. Sometimes I understand the riddles of the Western Sphinx, sometimes not, but as you said, it is stupid and dangerous to try to solve riddles. Am I right?

_____________________

Translated from the French by Jean-Jacques Poucel.

Published in: Context N°17

With Michal Ajvaz, Jonathan Bolton, Céline Bourhis, Hrvoje Bozicevic, Anne Burke, Ralph Cusack, Andy Garcia, Douglas Glover, Jirí Grusa, Jacques Jouet, Anita Konkka, Ana Lucic, John O’Brien, M. A. Orthofer, Patrik Ouredník, Julián Ríos, Juhana Rossi, John Taylor, Mark Thwaite

De geur van schimmel, pis en kamferballen

door Mariët Meester – in de Volkskrant van 06 juli ’00, 00:00, bijgewerkt 20 januari ’09, 12:21

Met honderd schrijvers uit 43 landen zes weken door Europa met de literatuurtrein: de Estse president is jaloers!

SCÈNE 1, in een rijdende trein vol schrijvers, mij verteld door een Albanees.

Twee Albanezen doen de deur van een coupé open en vragen: is er hier nog plaats voor ons?

Ja, is het antwoord, maar wij zijn Serviërs.

Dat weten we, het maakt ons niet uit.

De Albanezen gaan zitten. De Serviërs staan op, pakken hun tassen en verlaten de coupé.

Scène 2, in een rijdende trein vol schrijvers, mij verteld door een Serviër.

Een Albanees vraagt een Serviër waar hij vandaan komt. Uit Sarajevo, is het antwoord.

Uit Sarajevo? reageert de Albanees. Weet je zeker dat je niet uit Pale komt? En wat schrijf je zoal?

Ik schrijf proza en poëzie, zegt de Serviër.

Aha, net als Karadzic.

Ik weet niet welke scène het eerst heeft plaatsgevonden, ik ben er zelf niet bij geweest. Van onderlinge spanningen merk ik helemaal niets. De dagen die we al rijdend doorbrengen zijn voor mij de beste van de hele reis. Doordat Europa verschillende spoorbreedtes telt, hebben we tot nu toe in vijf soorten treinen gezeten, de een nog comfortabeler dan de ander.

Sommige mensen gebruiken de tochten vooral om te slapen. Anderen maken urenlang aantekeningen in een notitieboekje, of ze hebben een hippe iMac op hun schoot. Lezen valt niet mee; om je heen klinkt gekakel in vele talen, gebroken Engels overheerst. Eten doen we onderweg in een restauratiewagen. Het is een bijzondere ervaring om te vechten met schuivende borden en glazen, en intussen het lege Litouwse, Letse of Estse landschap voorbij te zien glijden. En het Russische, want we zijn intussen in St. Petersburg aangeland.

De eerste uren vanaf de grens had ik het gevoel dat ik middenin een documentaire zat, de beelden waren zo vertrouwd. Ik zag heel veel groen, ik zag naald- en loofbomen en bermen vol bloeiende wilde planten. Ook zag ik wrakke houten huisjes, soms in een kleur geverfd, soms van grauwe planken. Hier en daar stond een koe aan een touw of liep een jongetje drie geiten voort te jagen. De vrouwen die ik zag waren ingepakt in vele lagen kleren. Het leven is hier hard, dat was me meteen duidelijk.

Op het Warszawa-station van St. Petersburg stond geen muziekkorps klaar. Zonder plichtplegingen werden we met bussen naar ons hotel gebracht. Klagen is kinderachtig, ik weet het, maar het hotel waarin je verblijft, kleurt je visie op een stad, en dit was een verschrikking.

Terwijl wij ons als schimmen door de lange donkere gangen voortbewogen, weerklonk uit ieders mond de naam van iemand die wij allemaal hoogachten; Kafka, Kafka, Kafka. . . We zagen verdachte mannen in leren jasjes, we roken de geur van schimmel, pis en kamferballen, en natuurlijk begon de telefoon in mijn kamer meteen te rinkelen, waarna een mysterieus personage in het Russisch tegen me begon aan te praten.

In de kamer van Einar Gunnarsson, een IJslandse schrijver, kwam de lamp naar beneden en bleef hangen op tien centimeter boven zijn hoofd. Paolo Teixeira uit Portugal had een man en twee hoeren als buren. En ja, er waren kakkerlakken, en ja, er werd meteen al een schrijver in zijn kamer beroofd.

Ik verlang terug naar de Baltische staten, naar de hoofdsteden Vilnius, Riga en Tallinn. Vooral Tallinn, in Estland, was fantastisch, hoewel je na een paar dagen rondkijken natuurlijk niet echt kunt oordelen. Maar er zijn in Tallinn in ieder geval geweldige cafés en restaurants, het centrum is een plaatje, er zijn parken en je kunt er naar de zee. De burgemeester, die ons ontving in zijn stadhuis, was een jonge vent die thuis ongetwijfeld in spijkerbroek rondloopt. De president van Estland, Lennart Meri, leek me helemaal een cool figuur.

Met een hand in de zak, in de andere een glas rode wijn, sprak hij ons toe in de tuin van zijn paleis. Hij was jaloers op ons, zei hij. Hij was namelijk zelf ook schrijver. Terwijl wij lekker aan het rondreizen waren en straks weer aan nieuwe boeken konden gaan werken, zat hij nog een jaar en vier maanden vast in het keurslijf van president. Van een paar Estlandse vrouwen hoorde ik dat zij (en de meeste andere Esten) juist tegen het vertrek van de president opzagen. Hij was al in functie sinds het einde van de Russische overheersing, alom werd hij gewaardeerd.

Op de receptie in de tuin van het presidentieel paleis waren ook ambassadeurs uit verschillende landen aanwezig. Nederland heeft geen ambassade in Tallinn, dus onze man of vrouw was er niet. Ik vraag me af of hij/zij er anders wel geweest zou zijn. Niet dat ik er nou behoefte aan heb, maar het begint wel op te vallen dat Serge van Duijnhoven en ik de hele reis lang nog geen Nederlandse diplomaat hebben gezien. Voor de andere deelnemers aan de literatuurtrein is dat heel anders; zij worden soms al op het station verwelkomd door hun ambassadeur of cultureel attaché.

Rondom hun boeken zijn door hun respectievelijke ambassades speciale bijeenkomsten georganiseerd. Kennelijk wordt de Nederlandse literatuur in diplomatieke kringen niet serieus genomen. Of zijn we er zelf schuldig aan, heeft het ermee te maken dat Nederlandse schrijvers vaak vooral bezig zijn met het ontwikkelen van een cultus rond zichzelf?

Over cultus gesproken, een van de meest opvallende figuren uit de trein is de Est Karl Martin Sinijärv. Kaalgeschoren kop, bril met gele glazen, vooruitstekende kin met rode sik, spekkige nek, zwart leren pak. Hij hoort tot de grootste drinkers van onze trein, net als zijn landgenoten, maar ik ben er intussen achter dat de mensen die het meest drinken ook het sympathiekst zijn. In een restaurant in Tallinn droeg een gerecht zijn naam, Karl Martin had zelf het recept geleverd.

Ik ben benieuwd wat hij schrijft, ik ken zijn gedichten nog niet. Erg vergaand kunnen ze niet zijn, anders was hij niet door het Estse literaire establishment uitgekozen voor deze reis. Tot tweemaal toe is een lezing van een van onze schrijvers in Tallinn gecensureerd. Einar, de IJslander, had een tekst ingeleverd waarin een masturbatiescène in de opera van Reykjavik voorkwam. Toen een acteur zijn tekst voorlas in het Ests, viel het Einar op dat hij het woord opera niet hoorde, evenmin als het woord Carmen. Toen hij later navraag deed, bleek dat de passage inderdaad was overgeslagen, met als argument dat de acteur er nog te jong voor was. Een Finse prozaïste overkwam iets vergelijkbaars.

Scène 3, niet in een rijdende trein maar in het Smolny-klooster in St. Petersburg, van waaruit Lenin in oktober 1917 de Russische revolutie heeft geleid (ik ga het straks thuis allemaal nog eens nalezen bij Paustovski). Twee Albanese schrijvers, de oudste heeft zich net grijnzend laten fotograferen achter het bureau van Lenin, staan wodka te drinken op een receptie die is georganiseerd door de autoriteiten van de stad. Twee Servische schrijvers staan tegenover ze. Allevier praten ze geanimeerd met elkaar, ze lachen en ze drinken.

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s