Mon univers est a l’envers – Serge Gainsbourg; vie heroique

1. Op 2 maart is het negentien jaar geleden dat de Franse zanger, componist en aartsprovocateur Serge Gainsbourg (1928 – 1991) overleed in zijn Hôtel Particulier in de Rue de Verneuil te Parijs. Voor tal van internationale muzikanten blijft Gainsbourg een voortdurende inspiratiebron. Volgens de Nederlandse journalist, fan en deejay Guuzbourg, samensteller van de prachtige tribute-cd Gainsnord – Serge’s Songs Revisited By Bands From The Lowlands (met oa. Tom Barman, West Hell 5, Eddy de Clercq, Marine Boréale, Monsieur Dubois en Benjamin Herman), is hij “een van Europa’s meest invloedrijke songschrijvers, samen met de B’s van ABBA. Een man met een schat aan schitterende liedjes vol dubbele bodems en zelfverzonnen woorden. Die hij zelf zong, maar vaker nog schonk aan de prachtigste vrouwen. Door zijn provocerende houding dreigen zijn knappe composities vol dubbele bodems weleens in de verdruking te komen. Anderzijds reikt net dat rebelse karakter de beheerders van zijn erfenis steeds verse munitie aan om een nieuw publiek aan te boren.”

De jaarlijks terugkerende Soirées Gainsbourg in Vlaanderen en Nederland (oa. 17 maart as. in Bitterzoet Amsterdam en 27 februari in Petrol Antwerpen) bewijzen dat ook buiten Frankrijk de chansons van deze poète maudit nog steeds volop tot de verbeelding spreken.

Soirée Gainsbourg, Bitterzoet, Spuistraat 2 Amsterdam.

Aanvang 22u, direct na de voorvertoning van “Serge Gainsbourg – vie heroique” in The Movies.

http://www.facebook.com/reqs.php#!/event.php?eid=271502966791&ref=mf

DJs
– Guuzbourg (Gainsnord, etc.)
– Natashka (Radio Oh la la)
Live acts
– Flora Dolores
– Les Mouettes

  1. Gainsnord – Serge’s Songs Revisited By Bands From The Lowlands (met oa. Tom Barman, Westend, Eddy de Clercq, Marine Boréale, Monsieur Dubois en Benjamin Herman). Samengesteld en ingeleid door Guuzbourg. Essential Music – Sonic Scenery. Son 708028, 18,- www.fillessourires.com/gainsnord

3. Joann Sfar, Gainsbourg (hors camp), Stripboek. Dargaud, 480p., 39,-

De tekeningen mogen dan gebruikt zijn als storyboard en opnamebijbel, toch staat het boek los van de film. Het resultaat ademt zoveel plezier en nonchalante klasse uit dat de fans van het stripgenre dit boek ongetwijfeld zullen koesteren als een heerlijk pikante rêverie die in slierten blauwe nevelen, seks en muziek is gehuld. De vele citaten brengen Serge Gainsbourg bijna nog dichterbij dan de film.

    1. Gainsbourg, (vie héroïque), 2u10. Speelfilm, Cinéart i.s.m. Studio 37. Regie: Joann Sfar. Met Laetitia Casta, Eric Elmosnino, Lucy Gordon e.a. Vanaf 17 maart in de Nederlandse cinema’s. http://www.gainsbourg-lefilm.com/

(Persfoto’s staan op www.cineart.nl

Persrubriek inlog: cineart / wachtwoord: film)

De nachtuil van vermaak

Aprenons l’art, mon coeur,

d’aimer sans espérance…

  1. Rotrou

In gefilterd licht

streelt hij de zinnen

met de ogen van

een veroordeelde

.-.

drinkt hij whisky

uit een tandenborstelbeker

smelt het ijs in zijn keel

het mannelijke fluïdum

.-.

Het mooie wanhoopt

het lelijke speelt

om het malicieuze

te bezweren, Serge

.-.

In alcohol en nicotine

als een vogel zonder veren

seint hij ons de booschap

van het vlotte toeval

Bah oui, monsieur Gainsbourg, da’s al…’

.-.

(en een vreemd gevoel

van infernale kippigheid)

Serge van Duijnhoven, uit: Het paleis van de slaap, Prometheus 1993

GAINSBOURG – VIE HEROIQUE

magnifieke en feeërieke film van debutant Joann Sfar

door Serge van Duijnhoven

De feeërieke speelfilm Serge Gainsbourg (vie héroique) van de tegendraadse Franse regisseur en striptekenaar Joan Sfar (1971) begint, na een prachtige intro van fladderende stripfiguren, met een veelzeggende scène. De kleine joodse doerak Lucien Ginzburg, op 12 jarige leeftijd al kettingroker, wandelt over het strand van Deauville, en vraagt aan een mooi leeftijdgenootje of hij haar hand mag vasthouden. Waarop ze zijn voorstel bondig afwijst: “Nee, jij bent te lelijk”.

De stelling van Sfar, die door de film heen consequent is uitgewerkt, is dat de latere zanger Serge Gainsbourg zijn hele leven lang op een bepaalde manier dat jongetje is gebleven dat, ingeklemd tussen schaamte en schaamteloosheid, haakte naar de liefde van onbereikbaar mooie vrouwen.

Na de openings-scène op het strand, waarbij tonen van de wals klinken uit Gainsbourg’s absolute meesterwerk Melody Nelson, zoomt Sfar in op de donkere jaren van bezet Frankrijk, begin jaren veertig, als er overal in Parijs affiches te vinden zijn met karikaturen van Le Juif en France (de Franse versie van De eeuwige Jood). Lucien Ginzburg vond dat hij, als joods jongetje van Ashkenazische afkomst met haakneus en flaporen, veel teveel op die gruwelfiguur van de nazi-propaganda leek. In zijn levendige fantasiewereld, wordt hij op straat achtervolgd door een aan het affiche ontsnapte en tot leven gewekte geest met de lelijke kop van de Franse Jood die steeds meer in volume uitgroeit tot een kolossale ballon met armpjes en priemende gele ogen. Met een gestolen cowboypistooltje schiet Lucien de kop op gegeven moment aan flarden. Maar net als bij een draak die wordt gedood, ontpopt er zich een figuur uit de nekwervel van Le Juif die misschien nog wel angstaanjagender is: dr. Flipus – een alter ego van Ginzburg met een lange vogelneus en lenige feline trekken, die als een soort Fenix uit de kruitdampen tevoorschijn kringelt. Een kruising tussen Mefisto, een atletische raaf en Behemoth de zwarte kater uit Boelgakov’s roman De meester en Margarita.

Lucien tekent, tot vermaak van zijn zusjes en verbazing van zijn klasgenootjes, de bizarre avonturen die hij in zijn fantasie beleeft met zijn onzichtbare gezel Dr. Flipus (Dr. Jekyll?) op in een schetsboek, waarin hij met aquarel zijn schildertalenten exploreert. Buiten woedt de oorlog, en om indruk te maken op een stel dronken zwarthemden die door de Parijse straten marcheren, zien we Lucien luidkeels de Marseilleise meezingen: “Du sang partout!” Thuis in Pigalle probeert vader Ginzburg zijn zoon met strenge hand het pianospel bij te brengen. Maar het liefst van al trekt Lulu zich terug in zijn zelfgecreëerde schilderwereld, waarin behalve Dr. Flipus ook de vrouwen van Clichy beginnen te figureren. Ten overstaan van de Rubensiaanse schone van de schilderacademie die hij stiekem naakt portretteert en denkbeeldig het hof maakt, citeert hij “soms Baudelaire en soms zichzelf”, en hij bezweert dat zijn Muze niet ontdekken zal wie wanneer aan het woord is.

De oorlog kan Lulu gestolen worden, tot het moment dat hij gedwongen wordt om zich, voorzien van valse documenten, samen met zijn ouders schuil te houden op het platteland. Vlak voor zijn vlucht uit Parijs staat de jonge Ginzburg voor dag en dauw op de stoep bij de prefect van Clichy om als allereerste een jodenster in ontvangst te nemen. “Een eer”, zo zegt hij wijsneuzerig, “die hij zich beslist niet wil laten ontgaan.” Si j’avais été en retard ce jour-là, j’en aurais eu honte toute ma vie.Als de prefect hem vraagt of hij die ster van hem dan echt zo graag wil dragen, antwoordt hij: “Het is niet mijn ster, meneer. Het is die van u.” De hele film zit in die ene zin samengebald. De prefect voelt zich voor schut gezet, en schopt de piepjonge provocateur het gemeentehuis uit.

Of deze anekdote waar is? “Wat doet het ertoe”, zegt de regisseur hierover in een van zijn vele promotiegesprekken die hij houdt bij het uitkomen van de prent in Frankrijk, “als Gainsbourg hem gedurende zijn leven de moeite waard heeft gevonden om te vertellen.” Wat in elk geval waar is, dat is dat de zanger na de oorlog – zoals op amusante wijze tijdens de film in beeld wordt gebracht – uit geldgebrek twee jaar lang mandoline-leraar is geweest in een weeshuis te Champfleur dat vooral plaats bood aan kinderen van ouders die in de gaskamers waren omgekomen. Die kinderen, gewonde diertjes eigenlijk, waren zijn eerste publiek. Toen hij het weeshuis binnenging, was zijn naam nog Lucien Ginzburg. Na het te hebben verlaten, noemde hij zich voortaan Serge Gainsbourg. Serge was de voornaam van de directeur van het instituut.

De film heet ‘Serge Gainsbourg: vie héroique‘. Joann Sfar: Ja, Gainsbourg is in mijn optiek een held. Maar zoals Iedere held draagt ook Gainsbourg in zijn levensloop de tragiek als een onvermijdelijke schaduw met zich mee. Serge is geen heilige, maar hij heeft zich wel een heiligenleven verzonnen, en ik heb me geamuseerd door alle staties van de kalvarie van Sint-Gainsbourg te volgen.”

Ondanks de toevoeging ‘vie héroïque’ is de film zeker geen hagiografie. Dat zou trouwens in het geval van een controversieel en bewust provocerend artiest als Serge Gainsbourg, levend op een zelfdestructief dieet van nicotine en pastis, nogal onnozel geweest zijn.

“Ik geef geen antwoorden of probeer geen mythe te doorprikken”, vertelt Joann Sfar in een gesprek dat plaatsvindt in het beroemde restaurant La Coupole in Montparnasse in Parijs. “Ik wil dat de kijker zich bij het verlaten van de zaal afvraagt wie Serge Gainsbourg was. Misschien verwijten sommigen me een gebrek aan kritische zin. Dat is dan maar zo. Ik wou niet op Gainsbourg spugen, ik wou iets moois, iets bijna kinderlijks. De vraag of iets in de film perse echt gebeurd is, interesseert me niet. Mijn film moet niet op de werkelijkheid lijken, maar cinema zijn. De film probeert op tal van manieren aan het realisme te ontstijgen. Ik had zin in cabaret, lekker dik aangezet, waarbij je kunt wegdromen of af en toe een traan moet wegpinken. Spektakel met acteurs die zich helemaal geven. Ik gebruik alleen wat Serge Gainsbourg zelf over zijn leven verteld heeft, inclusief de verzinsels. Ik vertel over hem zoals in sprookjes wordt verteld over de mythische ridders van de Ronde Tafel…”

De film bevat tal van stripinvloeden, maar ook verwijzingen naar films als Nosferatu van Murnau, Les Enfants du paradis van Carné, Amarcord van Fellini en Big Fish van Tim Burton. Regisseur Joan Sfar mikt duidelijk heel hoog. En hij vergooit zich niet. Décors, kleding, cinematografie, mise-en-scène: alle is tot in de puntjes uitgewerkt en van symbolische lading voorzien. De beelden van Gainsbourg: vie héroique schetsen een ultiem sensueel, fragiel en gelaagd beeld van de duivelskunstenaar Gainsbourg, vooral in de eerste helft van de film als het gevecht met de artistieke demonen nog moet worden gestreden en de Muzen nog moeten worden verleid. Iedere scène is een tot leven gekomen schilderij dat al naar gelang de situatie sober, somptueus, realistisch of surreëel is ingekleurd. Sommige fragmenten zijn films in een film (bv. de ontmoetingen met Juliette Gréco en Boris Vian). Niet zo maniëristische en pompeus als Quintin Tarantino dat pleegt te doen in zijn produkties, maar afgewerkt met tedere penseelstreken die, je kunt niet anders zeggen, van oneindig veel smaak en jouissance getuigen.

De keuze om geen encycopedische film te maken, maar een persoonlijk portret met strip- en musical invloeden, pakt bijzonder geslaagd uit. Vooral ook omdat onder de dikke lagen schmink en de felverlichte bric-à-brac van de décors, gekozen is voor een even intelligente als subtiele vervlechting van muziek en thematiek. Daarnaast is de rolbezetting ronduit magnifiek te noemen. Eric Elmosnino speelt een Serge larger than life, echter dan echt en geloofwaardig tot in de kleinste tics, zozeer dat je er kippenvel van krijgt. Laetitia Casta, de huidige Marianne – het symbool van de Vrijheid en La Femme Eternelle dat de Fransen al decennialang tot één figuur abstraheren voor op hun postzegels en statieportretten – speelt haar voorgangster Brigitte Bardot met het grootst mogelijke sex appeal denkbaar. De scène waarin zij met laklaarzen en in panterrokje de gang van Gainsbourg’s werkflat binnen komt gelopen, is van een even erotiserende bravoure als de strandscène met de werkelijke Bardot uit Roger Vadim’s Et dieu créa la femme. Het licht gaat schijnen, de camera gaat van beneden naar boven, het hart van de kijker komt even tot stilstand. Ook de rol van Jane Birkin is trouwens perfect getypecast. De adorabele Lucy Gordon speelt alsof haar leven ervan afhangt. En in wrange zin is dat misschien ook wel zo geweest. Want kort na de laatste opnamedag heeft de Engelse actrice zichzelf verhangen. De film is dan ook aan haar opgedragen.

Het Faustiaanse duel met Gainsbourg’s dandy-achtige alter ego “Rotkop” (La Gueule), die de zanger op stel en sprong influistert wat te doen om als artiest hogerop te geraken (en uiteindelijk een vedette te worden, een ster tussen de sterren), is naar mijn mening verreweg het meest interessante aspect van Sfar’s film – die te surreëel en cabaretesk is om een gewone biopic te zijn maar tezeer de tijdslijn van Serge’s leven volgt om het ook weer niet te zijn. Het conflict tussen Gainsbourg en zijn voor anderen onzichtbare daimon, is een meestervondst. Die de film niet alleen op een hoger plan tilt, maar een aantal duistere aspecten van Gainsbourg’s complexe leven ook werkelijk begrijpelijker maakt. Met dezelfde sensuele hand en vloeibare lijnen waarmee Sfar als stripauteur zijn bizarre karakters op papier zet, portretteert de regisseur zijn hoofd- en zijpersonages op het filmdoek. Het beroemde en o zo moeilijk te bevatten fluïdum van Gainsbourg spat, druipt en druppelt aan alle kanten van het doek af, en het plezier waarmee dit alles gemaakt is evenzeer.

Sfar heeft zijn film, op aandringen van erfgenamen Jane Birkin en Charlotte Gainsbourg, uitdrukkelijk omschreven als een fantasierijke vertelling. ‘Un conte’. Een modern sprookje over een lelijk jongetje van Russische ouders die er op verbazingwekkende manier in slaagde niet alleen de mooiste vrouwen van het land, maar zelfs gans Frankrijk, aan zijn voeten te krijgen. Daarnaast gaat de film ook over het thema van het offer, de fatale prijs die een artiest moet betalen om succesvol te worden. De Gainsbourg die Sfar soms op impressionistische en soms op expressionistische (maar nooit op al te realistische of documentaire) wijze in beeld brengt, offert alles en iedereen op aan zijn egomaniakele doel: door zoveel mogelijk mensen – liefst knappe vrouwen – in de armen te worden gesloten. De behoefte aan liefde van Gainsbourg is volstrekt onverzadigbaar, un besoin sans issue. Zie hier de principale drijfveer van zijn leven, die hem naar de toppen van zijn kunnen voert. Maar de zanger ook te gronde richt.

De schilderkunst, zijn talloze relaties, zijn kinderen, zijn publiek: alles moest eraan geloven opdat Serge zich ten volle over kon geven aan zijn dorst naar aandacht, liefde en roem. In dat opzicht is de “conte” of het donkere psychologische sprookje dat Sfar met deze rolprent vertellen wil, een variatie op de aloude mythe van Faust die zijn ziel verkoopt aan de duivel in ruil voor de onsterfelijkheid. De zanger – in het begin nog schattig, onhandig en verleidelijk jongensachtig in beeld gebracht – krijgt gaandeweg de film maniakale proporties. Zijn ego raakt even monstrueus verknipt en opgeblazen als de Jodenkop van het affiche die hem in zijn jongensjaren in het bezette Parijs achtervolgde. Zijn diepste drijfveren – zo fragiel en sprookjesachtig in beeld gebracht ten tijde van zijn jeugd – raken uiteindelijk verstrikt in een zompig narcistisch moeras. Zijn jongensachtige behoefte aan liefde en erotiek ontaardt in een gruwelroman van De Sade.

Het kantelmoment in het leven van Gainsbourg komt perfect overeen met een cruciale scène uit de film, die met 200 kilo aan lampen schijnt te zijn opgenomen aan de oevers van de Seine. Op het moment dat de door Brigitte Bardot gedumpte zanger op het punt staat om Jane Birkin, de liefde van zijn liefde, te veroveren, blijkt hij niet meer in staat om het penseel te kunnen hanteren. De daimon van La Guele kijkt geringschattend toe hoe zijn levensgezel diens talent opoffert aan zijn geluk.

“J’aime bien ma nouvelle gueule”, zegt Gainsbourg als hij zich aan het begin van zijn huwelijk met Jane Birkin eindelijk lekker in zijn vel vindt zitten. In de mythologie van Sfar: Gainsbourg wijst Rotkop de deur. Het gaat hem voor de wind, de Muzen lonken onafgebroken naar hem, het publiek ligt aan zijn voeten, hij heeft een schat van een dochter, schrijft aan zijn symfonische meesterstuk Melody Nelson en voelt zich voor het eerst bevrijd van zijn complexen. Jane heeft hem een nieuwe look gegeven en de raad van zijn corrupte alter ego Rotkop kan hij voortaan dan ook missen als kiespijn.

In de film zien we de Doug Jones, die de spichtige en lange daimon speelt in zijn kostuum van papier maché, hete tranen plengen op het dak van Gainsbourg’s Hôtel Particulier, en meewarig neerstaren op de scènes van huiselijk geluk die zich in en rond de slaap- en kinderkamer afspelen. Rotkop probeert zijn vroegere makker weer tot samenwerking te verleiden. “Ik dacht dat je een Pygmalion wilde zijn voor kleine Jane”, schampert La Guele. “En nu is het je Engelse meid die jou de weg wijst in dit leven!” Gainsbourg doet alsof zijn schaduw nooit bestaan heeft.

Prompt gaat er natuurlijk van alles mis in het bestaan van de zanger, die zijn kindse inborst weigert op te geven en zich nauwelijks raad weet met de verantwoordelijkheden van het volwassen leven. Het geluk van ’69/’70/’71 blijkt minstens zo fragiel te zijn als Gainsbourg’s fysieke en karakteriele ingesteldheid. Le bonheur, zo luidt een veelgehoorde Franse definitie van geluk, cette étrange chose qui n’existe pas – et pourtant un jour n’est plus. Op het ene moment bevindt de zanger zich op de toppen van zijn kunnen. Op het andere moment tuimelt hij in volle vaart van de Olympus, beproeving na beproeving incasserend. Gainsbourg krijgt een eerste hartaanval, zijn vader sterft, net als zijn geliefde hond Nana, hij raakt onbedaarlijk aan de drank, produceert nauwelijks nog iets van waarde en verveemdt van wie hem dierbaar is.

Natuurlijk staat Rotkop klaar om de haveloze artiest er opnieuw weer bovenop te krijgen. Rotkop strooit sloffen Gitanes uit over het ziekenhuisbed om het vertrouwen van zijn compagnon à la dérive terug te winnen. Hij belooft zijn jiddische maatje dat in zak en as zit, om de zaken in de toekomst beter dan ooit aan te pakken. Geen tijdelijke, maar eeuwige roem die in het verschiet ligt. Alle geneugten, liefde, roem die een mens maar kan bereiken. Vrouwen bij de vleet. Geld, champagne, genot. Hic et nunc et saeculi… Rotkop wrijft Serge’s haren door de war, zet hem een zonnebril op, en proost vicieus op de herwonnen samenwerking. Wat er geweest is, is nog niks vergeleken bij wat komen gaat.

In het duel tussen Gainsbourg en zijn alter ego, zo is de suggestie van de regisseur, is het de zanger van vlees en bloed die uiteindelijk het loodje legt. Uit de as van de 140 Gitanes per dag rokende Gainsbourg verrijst de nog veel gruwelijker chimaere Gainsbarre (de “standvastige”, de ruwe), een sadistisch onbehouwen monster dat vanaf eind jaren zeventig zijn veel lieflijker en onhandiger voorganger definitief van het podium vaagt. In Nederland had je de vileine zanger Jaap Fischer, meester van het messscherpe chanson, die in de loop der tijd zijn hoekige masker af liet vallen en voortaan – triest maar wijs geworden – als Joop Visser door het leven wilde gaan. Serge maakt iets soortgelijks mee, maar dan in omgekeerde zin. Zoals hij in alles tegendraads prefereerde te zijn. Un réfractaire pur sang.

”Mon univers est à l”envers”, verklaarde hij zelf ooit in een interview met Libération. Serge de rebel. Die, zoals heel mooi in beeld gebracht door Sfar’s film, een vuist maakt naar een zaal vol rechtse para’s in Straatsburg die zijn bloed wel kunnen drinken, omdat hij hun volkslied La Marseillaise met een stel rasta’s uit Jamaica verhaspelde tot reggaesong. “On est tous des Juifs, des nègres et des Francais!” Op het podium van de ontploffende zaal verandert de zanger opnieuw in het joodse ketje dat de zwarthemden uitlacht door met ze mee te zingen. “Du sang, du sang, partout!” Hij blaft de para’s toe dat ook Rouget de Lisle de Marseillaise schreef als marslied van Republikeinse rebellen die af wilden van het ancien régime. Daarop zet hij acapella, met geheven vuist, het volkslied in. De para’s in verwarring achterlatend. Even later zien we Gainsbourg die het handgeschreven manuscript van La Marseillaise voor een astronomisch bedrag op de koop tikt tijdens een veiling in Parijs. “Wel duur, voor zo’n velletje papier”, merkt een journalist op. Waarop de zanger repliceert: “Man, ik zou me hiervoor hebben geruïneerd!”

De scène markeert het hoogtepunt van Gainsbourg’s heroïsche levensloop. Van joods kereltje in bezet Parijs, tot pionier-provocateur van de vrijheid en eigenzinnige maskotte van het Franse patrimonium. Als het waar is dat de dichter-zanger dubbel en dwars zijn plaats verdiend heeft op de achtenswaardige toppen van de Franse Parnassus, dan heeft hij die plek veroverd door de berg op sluikse wijze te beklimmen. En stoemelings, zoals Brusselaars zeggen. Over de rug heen van zijn eigen schaduw. Mon univers est à l’envers…

Gainsbourg’s parcours – Sfar heeft dit scherp gezien – heeft inderdaad altijd de weg gevolgd van de meeste weerstand, van het schandaal. Van Sodom ook. Zoals in het schandaal-lied “Je t’aime, moi non plus”. Het beruchte hijgduet in 1967 gezongen met Brigitte Bardot, twee jaar later met Jane Birkin, waarvan er alleen al buiten Frankrijk miljoenen platen werden verkocht; zonder dat de meeste van die kopers ook maar enig benul hadden dat er de geneugten van de anale liefde in werden bezongen. “Ik vermaak de wereld met injecties van lichte perversiteit”, placht hij zelf te zeggen. Op een manier waartoe alleen Gainsbourg in staat was. Met stijl, distinctie, in miraculeus mooie maar ook infecte poëzie. “Tu es la vague, moi l’île nu./L’amour physique est sans issue.” Waarna Eros zijn giftige pijl van koele geilheid afschiet tussen de nieren van zijn geliefde.

Ik houd van je.”

Ik al niet meer…”

Zelf bleef Gainsbourg zijn vakgebied omschrijven als “un certain art mineur”, en meer dan eens liet hij weten zichzelf in de eerste plaats te beschouwen als een mislukte kunstschilder. In een twistgesprek met Guy Béart, in het praatprogramma van Bernard Pivot, sprak hij zijn collega betuttelend toe: “Ach Guy, wat zijn onze liedjes meer dan “des petits cacas” die we uitscheiden op het podium?” Dat Serge Gainsbourg daarentegen weldegelijk een grote kunstenaar genoemd mag worden, een dichter, zanger en componist van Olympische categorie, daarover laat Joann Sfar in zijn film geen misverstand bestaan. De film is, behalve als een donker sprookje, vooral ook een soort van lyrische liefdesbrief aan de onnavolgbare artiest en zijn invloedrijke oeuvre.

Natuurlijk is Sfar, hoe origineel en gelaagd zijn hommage ook mag zijn, niet de eerste om Gainsbourg’s mérites te erkennen. Al in 1972, na het beluisteren van het monumentale album ‘Un histoire de Melody Nelson’, liet de grote dichter Louis Aragon zich ontvallen dat “die Gainsbourg zich eigenlijk geheel op het sonnet toe zou moeten leggen: zijn poëtische kwaliteiten zijn weergaloos en behoren tot het meest originele wat de Franse literatuur heeft voortgebracht sinds Les Chants de Maldoror van Lautréamont.”

En inderdaad: neem de proef gerust op de som door de bonte catalogus aan liedteksten van Gainsbourg er op na te slaan, zoals Mauvaises nouvelles des étoiles (editions Seuil). Vrijwel elk willekeurig lied van Gainsbourg getuigt van uitzonderlijke poëtische soeplesse, syntactisch meesterschap en klinkklare woordvreugde. Zoals volgens Goethe het genie zich vooral kan tonen in de beperking, zo openbaart het genie van Gainsbourg zich zelfs nog in het keurslijf van zijn meest kitscherige, hijgerige of populaire nummers. Sfar zegt hierover: “Wat geweldig is bij Gainsbourg: hij noemt zichzelf een luxehoer, maar hij is nooit oprechter dan wanneer hij probeert zichzelf te verraden. Op een huppeldeuntje als “Baby Pop, laat hij France Gall zingen “chante, danse Baby Pop, comme si demain tu devais mourir”. Hij kan het niet laten om overal de tragiek van in te zien. Bij momenten is hij even pathetisch geniaal als François Chateaubriand.”

Een lied dat mij voor altijd van Gainsbourg’s uitzonderlijke lyrische gaven overtuigd heeft, is het nummer Hôtel Particulier, op het album Melody Nelson. In prachtige, wulpse zinnen die in enkele bondige stanza’s een wufte paringsdans met elkaar aangaan, voert de zanger zijn piepjonge verovering mee naar een labyinthisch roccoco-complex met vele trappen en eindeloze gangen, waar beiden zich onder het toeziend oog van vergulde engelenbeelden, naakte ebbenhouten slavinnen, Aphrodites en Salomés, in de Cleopatra-kamer overgeven aan de praktijken van de Ars Amatoria. Lees hoe Gainsbourg zijn Melody op de tonen van orgel, bas, piano en sublieme lyriek naar de toppen voert van het genot!

(…)

Entre ces esclaves nus taillés dan l’ébène

Qui seront les témoins muets de cette scène

Tandis que là-haut un miroir nous réfléchit,

Lentement j’enlace Melody…

De parabel die Sfar in zijn film op magistrale wijze via het leven van Gainsbourg in beeld heeft gebracht, is er een van een held die ”in alles slaagt, behalve het leven.” Maar de magische rode draad waarmee de film in het eerste gedeelte op zulk een verrassende wijze aan elkaar is geregen, lijkt na anderhalf uur plotseling op te lossen in de emulsie van de pellicule. De anekdotes van Serge’s aftakeling, puntsgewijs door Sfar in beeld gebracht als een onsmakelijk spektakel waar geen einde aan lijkt te komen (sans issue), zijn zo talrijk dat ze op gegeven moment zowaar bijna gaan vervelen. Na ongemerkt te zijn opgestegen naar de hogere regionen van de filmkunst, raak je als kijker, in navolging van de robuust dirigerende regisseur, plotseling enigszins de weg kwijt in het al te drukke stratenplan van saillante anekdotes, waardoorheen Sfar zijn eindeloze stoet van kakelbonte karakters laat passeren. Op een gegeven moment is het of je uit een roesachtige droom ontwaakt. Sfar had er goed aan gedaan om zelf ook iets van zijn materiaal in het tweede gedeelte van de film op te offeren ten behoeve van de intensiteit en continuiteit.

Vreemd genoeg eindigt de film toch nog abrupt, op de plek waar hij begint, aan het strand van Deauville. Niet in het ochtendlicht, maar ’s nachts. In de hemel blikkeren de sterren. Opnieuw klinkt La valse de Melody als muziek. En in dronken verstilling zie je Serge peinzen of het waar is, wat hij ooit zong in dat duet met Chathérine Deneuve: Que dieu soit un fumeur de Havanes… Het ware beter en zeker mooier geweest als Sfar, in plaats van te kiezen voor een al te open einde anno 1987, rigoureuzer had gekozen voor de finale beslechting van het Faustiaanse duel tussen Gainsbourg en Rotkop op 2 maart 1991 in zijn Parijse Hotel Particulier aan de Rue de Verneuil. Waar de krachten tussen licht en duisternis bezig zijn geweest aan hun beslissende gevecht. En waar de aan een oogvirus lijdende zanger, die zelfs in zijn geblindeerde woning nooit zijn zonnebril meer afdeed, als een dief in de nacht is weggeslopen. Moederziel alleen, geloof het of niet, gestorven aan een “natuurlijke dood”; een hartbreuk ten gevolge van een poreus geworden kransslagader.

Wat zich daar in die gesloten ruimte af heeft gespeeld in die laatste momenten, Sfar had het met zijn fenomenale fantasie vast prachtig vorm kunnen geven. Het is alsof de regisseur na een majestueuze spurt, voortijdig buiten adem is geraakt. Of huiverde om de finish te bereiken. Picasso was er ook altijd bang voor: une oeuvre parfaite, c’est une erreur. De gratie van het speelse en onaffe. Dat is het register waarbinnen ook Sfar’s film zich uiteindelijk heeft willen of moeten beperken. Geen oeuvre parfaite, maar voor een debuutfilm in elk geval een verbluffende proeve van bekwaamheid, intelligentie en originaliteit.

Gainsbourg, (vie héroïque), 2u10.

Speelfilm van regisseur Joann Sfar.

Met Laetitia Casta, Eric Elmosnino, Lucy Gordon e.a.

Vanaf 18 maart in de Nederlandse cinema’s.

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s