Over de auteur II

Over Haile Selassie (1993):

Auteur: Serge van Duijnhoven , uitg. Jan Mets (1993)

Paperback

93 pagina’s

NBD|Biblion recensie:

Tot kort voor zijn dood is Haile Selassie de legendarische keizer van Ethiopië geweest. Hij noemde zich een rechtstreeks afstammeling van koning Salomon, de leeuw van Juda. Door sluw te manipuleren en te manoeuvreren heeft hij zich geleidelijkopgewerkt in de traditionele aristocratie van zijn land, tot hij zich in 1930 tot keizer kroonde. Hij leefde in extreem grote luxe en tartte openlijk de armoede en ellende van zijn onderdanen. Hij genoot een groot aanzien in de wereld (pregnant onderbouwd uit citaten van Nederlandse bladen bij zijn bezoek in 1954). Hij was de gerespecteerde nestor onder Afrikaanse staatshoofden die het hoofdkwartier van de OAE naar Addis Abeba bracht. Zijn einde was dramatisch. Het luidde tegelijk het begin in van een nieuwe dictatuur. Dit vlot geschreven mini-boekje in een serie van bekende biografieën is een aangename bijdrage voor de bibliotheek over grote persoonlijkheden van deze eeuw.
(Biblion recensie, H. Leyten.)

Over [Balkan] Wij noemen het rozen (1999) ISBN 90 5759 123 5:

‘Het is ijzersterk proza van een man die “deelnemer en observator in één” is geworden. Sfeer en invoelen bepalen de toon van het boek.’
– Willem Bouwman in Nederlands Dagblad, dec.1999

‘Dit boek overdondert; het sleurt je mee op een manier die alleen aan de beste conflictverslaggeving is voorbehouden. En het mooie is: het boek gaat niet over kogels, maar over mensen.’

– Wim T. Schippers in het tv-programma Pam’s boekenkast, AT5, jan. 2000

Beschrijving

‘Wij noemen het rozen’ is een indringend geschreven boek over de Balkan, ‘het duistere hart Europa’. Weinigen uit de Nederlandse journalistiek en literatuur hebben zich in dit geplaagde gebied zo verdiept als Serge van Duijnhoven. Hij kroop er achter de linies en ‘de muren van verdriet’. Onderzocht de oorsprong van de woeste schemerzone aan de rand van de Europese beschaving. Verbleef in het belegerde Sarajevo, toog naar een Kroatisch eiland voor een schrijversfestival, ging in het roversnest van Radovan Karadzic op skivakantie (die eindigde met de tragische dood van zijn boezenvriend, de journalist Joris Abeling), ontmoette de orthodoxe aartsbisschop Mihael van Macedonië en observeerde oorlogsverslaggevers. Gedreven verhaalt hij over zijn ontmoetingen met Bosniërs, Kroaten, Serviërs, Bulgaren, Albanezen en Macodoniërs, mensen die standhouden en zich verweren, overeind krabbelen en volharden – in oorlog en vrede. Aldus ontstaat een scherp en schrijnend beeld dat ook los van de actualiteit beklijft.

Recensie(s)

NBD|Biblion recensie:

Serge van Duinhoven’s relaas over de Balkan in deze tijd is moeilijk te beschrijven in termen van bestaande genres. Het is een tijdsdocument, geschreven door een journalist, dichter, en meelevend individu, die probeert zijn ervaring tijdens zijn reizen door de Balkan (Macedonië, Kroatië, Bosnië) objectief vast te leggen. De rol van de westerse media, de discussies hier, in Amsterdam, en het echte leven daar, maar ook de corruptie, de misbruik van macht, de ontgoocheling, alle tegenstrijdigheden zijn uitgebeeld in dit persoonlijke relaas. Van Duijnhoven voert de lezer naar het schemerachtige gebied waar oorlog een alledaagse werkelijkheid is. Hij, als een van de weinige hier, probeert de stem, de verwarrende stem van de Balkan te horen.
(Biblion recensie, E. Agoston-Nikolova)

Gracanica, Kosovo. Kfor agenten bewaken hoofdzetel van het Servisch episcopaat. foto: Serge van Duijnhoven

Brussel mag grootmoedig beweren dat het huis van Europa vele kamers telt, de Balkan moet voorlopig het genoegen nemen met het schijthuis’ schrijft Serge van Duijnhoven in ‘Balkan. Wij noemen het rozen’ (Podium), een intrigerende bundel journalistieke impressies over het leven op de nasmeulende puinhopen van ex-Joegoslavië. Van Duijnhoven verhaalt hoe zijn groeiende fascinatie voor het geïmplodeerde ‘kruitvat van Europa’ de onverschilligheid omtrent het conflict overwoekert, en hoe hij in september 1995 uiteindelijk besluit de door media en regeringen gefilterde essentie van de Balkan aan de realiteit te gaan toetsen.

Zonder verward te raken in al te diepgravende analyses van de politieke situatie (‘In de eeuw van de totstandkoming van de global village en de integratie van de Europese natiestaten, is ‘balkanisering’ het schrikbeeld bij uitstek geworden’), loodst de dansende dichter de lezer door het verwoeste heart of darkness van Europa en registreert daarbij de stemmen van de bevolking. Die probeert langzaam te herstellen van ‘de afdaling naar de bronnen van het redeloze, de instincten, de roes’ die de oorlog is geweest. Anders dan in de vorig jaar verschenen dichtbundel-met-bijhorende-cd ‘Obiit in Orbit – aan het andere einde van de nacht’ – waarin de spirit van Rimbaud een vette tong wordt gedraaid op de beats van inktzwarte techno – mogen de overgordijnen in ‘Balkan’ af en toe eens op een kier. De duisternis die daar steevast op volgt, komt daardoor eens zo hard aan. Zo wordt Van Duijnhovens milde engagement bruusk verstoord door een dodelijke dans met het noodlot, wanneer zijn vriend, de journalist Joris Abeling, in Hongarije bij een verkeersongeval om het leven komt: ‘Twee bloedbroeders worden, in een wringende smak van staal en vlees, één kreupele overlevende.’

’Serge van Duijnhoven zorgt in ‘Balkan. Wij noemen het rozen’ voor vuurwerk, zoals in het knappe ‘Kolonel Kurtz in Sarajevo’ – een mediakritiek op de georchestreerde beeldenstroom, die voor de Westerse kijker tot onvervalst oorlogsentertainment wordt versneden. De hoogvlieger in de bundel is echter ‘Alles zwart’, een reportage over Van Duijnhovens bezoek aan een internationaal poëziefestival in Macedonië, waar de autochtone deelnemers de gruwel met behulp van woorden proberen te verzachten. Ook al is op die manier maar weinig zalf te strijken: it’s a dirty job and someone’s gotta do it.’

  • (kt) Humo ‘Boekenbal’ (H3098), 18/1/2000

Balkanquote: Serge van Duijnhoven

De stad als kadaver

De Balkan is een Butcher Shop
De Balkan is vlees. Zoveel mogelijk vlees
Gebraden en geroosterd. Met name van bergtoppen
Worst, cevapi (kebab), spek, lamssoep, burek,
chutney. Brokken vlees waar het vlees sudderend
uitspuit als je je vork erin prikt. Brood met
varkensvet en paprikapoeder, gebraden biggekop
Doormidden gezaagde hoofden die je vanaf het bord
hun dode glimlach toewerpen. Runderfilet,
paardeschenkels, gebraden ingewanden
En dan het slachtvlees van de strijd
De mens opengereten in oorlog. Een sliert darmen
met half verteerde vleesbrokken erin. Gerookte
biggekop, kebab, spek chutney

Ik, zei de vrouw, heb niets, behalve honger

(uit de cyclus ‘De stad als kadaver’, in: Copycat. Gedichten. Prometheus, 1996)

foto (sp): vers vlees op het Servische platteland (april, 2006)

Geplaatst door Sven Peeters op 18:12

Bloedtest

dichtbundel met CD

Met gedichten over begeerte, illusies, en de eeuwige zoektocht naar geborgenheid. Ontheemdheid, emigratie, liefde, vriendschap, voorspoed, tegenslag en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie.

Op de bijgesloten cd ‘Kueskrott!’ wisselen meeslepende muziek, sferische collages en klankexperimenten elkaar af, waarbij de stem van de dichter wordt begeleid door de accordeon, hoorn, doedelzak, cello, piano en contrabas van het gezelschap Dichters Dansen Niet – Fred de Backer, Gabriel Kousbroek, Bosz de Kler, Antonia Libert, Ali Haurand e.a. Ook Hugo Claus verleende aan dit album zijn medewerking en is op de cd te beluisteren met bewerkte stemfragmenten uit Het graf van Pernath.

Extra informatie: ingenaaid, 104 pagina’s Verschenen: maart 2003

Gewicht: 180 gram Formaat: 200 x 150 x 10 mm De Bezige Bij

Prijs Euro 19.50

ALGEMEEN DAGBLAD 11/04/2003

Lokkende dichter M.S.
Serge van Duijnhoven is een dichter die een bijzonder breed en zelfs jong publiek naar de poezie kan lokken. Wat een intensiteit klinkt er op uit zijn nieuwe bundel Bloedtest! Van Duijnhoven (32) woont in Brussel: `(…) het ballingsoord/ waar ik mij thuisvoel als Hollandse barbaar/ tussen niet-bestaande Belgen’. In een nawoord zegt hij dat in deze poezie zoekt naar zijn identiteit, naar waar hij en anderen thuishoren: `wie vreemdeling is hier was elders kind aan huis’.
Hij draagt Bloedtest op aan de Weense dichter Christian Loidl die twee jaar geleden uit zijn raam viel. Hij dicht een ode aan de herontdekte dode Britse zanger Nick Drake, verplaatst zich in het hoofd van nazibeul Adolf Eichmann en bezingt vooral zijn vriendinnen, het leven en de liefde. Hij maakt leesbare gedichten, gebruikt soms mooie moeilijke woorden, maar steeds de taal van nu. Zijn poezie is soms net proza, dan weer is een gedicht ritmisch in steeds weer twee zinnen opgedeeld of leidt de herhaling van de woorden `ik wil’ tot
een duidelijke cadans.

Bij Bloedtest zit een cd, waarop een aantal gedichten van Van Duijnhoven via het gezelschap Dichters dansen niet van geluid wordt voorzien. Fred de Backer, alias dj Fat, tekent voor de meeste composities. Zelfs Hugo Claus (74) doet mee.

Bloedtest – Serge van Duijnhoven

Bezige Bij, 104 blz., EUR19,50.

Met cd Küsskrott!!! (Dichters dansen niet)

————————————————————————————–

De Groene Amsterdammer
22/04/2003 Serge van Duijnhoven, Bloedtest
Schepper, mag ik

overvaren?

Serge van Duijnhoven prikkelt in zijn nieuwe dichtbundel ‹Bloedtest› lezers en luisteraars. Een bijgevoegd essay dient als handleiding voor het werk. Theodor Holman neemt de vrijheid om zelf een sleutel te vinden, en met de gedichten te kleien. — door Theodor Holman

Sommige acteurs zoeken in een toneelstuk een zin of een passage die als kapstok moet dienen om hun rol aan op te hangen. Door die zin of passage valt voor hen alles in elkaar. Pas dan weten ze hoe ze de rol moeten acteren. Ik ken twee acteurs die Richard III hebben gespeeld. De één liet zich leiden door «a horse, a horse, my kingdom for a horse» (uiteindelijk totale destructie, wanhoop), terwijl de ander de zin «zelden een vrouw zo makkelijk het hof gemaakt» had opgepikt («pure slechtheid, hij verneukt alles uiteindelijk»).
Het gevoel dat ik iets dergelijks moest vinden in de vele verzen in Serge van Duijnhovens nieuwste dichtbundel Bloedtest — een regel, een gedicht dat als sleutel zou kunnen dienen voor zijn werk — ontstond doordat Van Duijnhoven het de lezer niet gemakkelijk maakt. Niet dat hij ondoorzichtig is, of een taalgebruik heeft dat onverklaarbaar of onbegrijpelijk is. Integendeel. Hij maakt het je moeilijk doordat hij je een bepaalde richting probeert in te duwen. Bloedtest — je gaat lezen, je interpreteert, je probeert iets te formuleren, tot je aan het eind van de bundel komt. En dan lees je bijna als slot van het boek: Da capo (al fine), een essay waarin de dichter zijn eigen titel verklaart: «De titel van deze bundel is een metafoor voor de pogingen die we ondernemen om eigen of andermans identiteit vast te stellen, herkomst te traceren of lot te bepalen dan wel in de greep te krijgen.» Alles wat de dichter vervolgens schrijft is een verklaring van zijn poëtica.
Je durft er bijna geen andere mening op na te houden. Als je denkt dat je met de bundel klaar bent, volgt er nog een bijgevoegde cd die een niet te verwaarlozen onderdeel van het geheel is. Je krijgt dan een postmoderne klankvoorstelling voorgeschoteld, met verschillende citaten. Je kunt er Hugo Claus zelfs eventjes op horen. Dat klankgedicht begint met het begin van het lied: Schipper, mag ik overvaren. De «ja of nee» zijn weggefaded.

Waar wil je me heen hebben, Serge, denk je. En wat wil je? En hoe wil je dat? Ik word gedwongen ergens naar te zoeken, om mijn eigen vrijheid te behouden, want Serge kan nog zoveel over bloed en bloedtesten zeggen — ik wil zelf met zijn gedichten kleien.
Uitgevers — die bang zijn dat de recensenten het belangrijkste wellicht ontgaat — doen daarom tegenwoordig bij de dichtbundel een soort brief over de bundel. De Bezige Bij schreef: «Bloedtest (…) met gedichten over begeerte, illusies, en de eeuwige zoektocht naar geborgenheid. Ontheemdheid, emigratie, de rusteloze zoektocht naar geborgenheid, en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie.» Geborgenheid in twee regels twee keer genoemd. Pff… Overrompelend is de bundel zeker, maar dat komt hoofdzakelijk door de hoeveelheid… En de kwaliteit? Die wil ik graag ook bepalen, maar dan heb ik wel eerst een sleutel nodig om het doosje te openen om te zien wat er in zit. «Schipper, mag ik overvaren…» Ik maak het lied even af. «Ja of nee? Moet ik dan een cent betalen, ja of nee? Ja… Hoe?» Wat komt er na dat hoe… daar gaat het om.
De zoektocht naar die sleutel is een deel van het genot van het lezen van Van Duijnhoven. Hij gebruikt vaak halve citaten, die de lezer zelf moet afmaken, zodat het beeld, letterlijk zonder woorden, naresoneert. Niet alleen dat «Schipper, mag ik overvaren…» maar ook bijvoorbeeld: «each man kills… het oude lied» of: «het is de toon die de muziek/ sneert zij» of: «ik zie ik zie wat zij niet/ en wat ik zie is nimmer wat zij is». Soms is het bewust woordspelerig. Ik geef weer wat voorbeelden: «we spelen luister en vink», «geen speld valt daar nog tussen». Clichés als: «lik op stuk», «wat schoon is verloedert/ wat rein is bederft», en: «En dan vallen de schellen/ van het zelf…» naast ijzersterke beelden als: «Klokken in ons: beidt u tijd», of: «wanneer wordt er binnen in jou een slagboom opgehaald?/ daalt er een valbrug neer op de rand van de andere kade?» En soms ook al deze zaken in een paar regels, zoals in het gedicht keervers: «en als het schip dan zinkt/ zeg je, omdat het is geënterd/ laat het dan met mannen// en met muizen, laat het dan/ en ook met ons in godsnaam/ naar de kelder gaan// ‹jij hebt je best gedaan,›/ zeg je, ‹voor alles wat/ mislukt is›.»

Maar waar is die ene regel die in het sleutelgat past, dat gedicht dat alles verklaart: van opbouw, tot Bezige Bij-folder, tot cd?
Die opbouw bestaat eigenlijk uit vijf delen. Vier delen poëzie met als titels: «Bloedtest», «vingerafdrukken der natuur», «nergens welkom, overal thuis» en «een man die alleen ik gekend heb…» en dan het laatste deel, de verantwoording van de schrijver en zijn Da capo (al fine), alsof zijn bundel een muziekstuk is dat nog een keer gelezen moet worden alvorens de lezing kan worden gestopt.
Maar waar gaat het over, behalve over die dingen die de uitgever en de dichter zelf naar voren schuiven als trotse ouders hun kinderen?
Op pagina 42, bij de tweede lezing, vind ik het gedicht waar het, volgens mij, om draait. Het is het gedicht vingerafdrukken der natuur. Het gaat als volgt:

voor een moordenaar is ieder lijk visitekaart
zoals ook onze lichamen de kaartjes zijn
van een schepper die ons één voor één
op tafel legt

als bij een spel patience
hij wint alleen maar
van zichzelf en meent dat dit
genoeg bewijs moet zijn

geen twijfel speelt hem parten
geen schaamte en geen spijt
dat er door hem zoveel
verloren is gegaan. Hij weet: (…)

als hij opnieuw de stapel schudt
is alles weer van voor af aan.

Een knap, vol, mooi gedicht, waarin alles op zo’n manier gerangschikt is dat ik Van Duijnhovens poëzie de bloedtest kan afnemen.
Laten we het vers eens onder de loep leggen. Veertien regels, vier, vier, vier, twee — net als een sonnet van Shakespeare. Dit oogt als een vrij vers. Geen opzichtig rijm, wel veel taal- en woordspel. Visitekaart-kaartjes; patience-stapel. De drie puntjes tussen haakjes «(…)» — kan zowel «niets» betekenen als «hier is iets weggelaten». We kijken nog scherper: «lijk—lichamen», het verschil van dood en leven. En dan gaan we naar de inhoud. Onze schepper speelt met ons patience en wint alleen maar van zichzelf. Hij heeft dus geen geweten. En steeds speelt hij weer met ons patience… Anders gezegd: steeds is alles weer hetzelfde, en we voelen geen schuld of schaamte. Die «schepper» kan zowel God zijn, als wij, de mens. Met geduld maken we ons eigen spel, waarbij we denken dat we winnen als we verliezen… Misschien zit er meer in, maar meer zie ik niet onder mijn loep dan die hopeloze strijd, van dood, leven, winnen en verlies — een proces dat eindigt als het weer begint, en begint als het eindigt. Da capo (al fine). En kijk, dan valt opeens alles in elkaar.

«Bloedtest».
Een test of er wel leven is, of dat leven goed is, of besmet. Of er dood is. Als er leven is, is dat leven dan waardevol? Of wordt er een vreemd spel mee gespeeld? De eerste regels in deze bundel worden ineens minder clichématig en taalspelerig, maar krijgen een glans: «Ik leef alleen voor de zon/ en we zijn elkaars schaduw.» En die eerste regels blijken — eveneens ineens — in harmonie met de laatste regels: «(fall out)/ (exit).»
De holle woorden van de uitgever krijgen vorm: «Ontheemdheid, emigratie, de rusteloze zoektocht naar geborgenheid, en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie.»
Ontheemdheid (lijk, lichaam), emigratie (schepper, mens), rusteloze zoektocht (patience), geborgenheid (winnen van zichzelf), de dood (verloren). Dat ene gedicht maakt alles duidelijk. Eindelijk kunnen we zelf kleien met Van Duijnhovens poëzie. «had god een keuze/ bij de schepping/ of deed hij slechts alsof// zoals wij die altijd/ bluffen altijd leren/ door de leugens, (…)» Of het gedicht Berend Bot (meteen hoor je het liedje) met de regels: «begraven is verdrinken/ aan land/ cremeren is verzengen/ in lucht», en dat eindigt met: «uitvaren is de tocht maken van Berend Bot/ de zeeman die bodem zocht/ en ongezien in wat hij vond/ verdronk.»
Wéér dat patience spelen en alleen winnen van jezelf, wat misschien verlies is en steeds weer opnieuw de kaarten schudden. Schipper, mag ik overvaren…
Steeds weer een test. Een bloedtest. Wie en wat ben je eigenlijk? Ben je gezond of ben je ziek? Wat is het verschil? «Each man kills…»
We lezen de bundel nog eens als een cd die op repeat staat. Eerst weer de voorkant bekijken: het begin van een mens, zonder ogen, zonder neus, zonder mond, maar wel met een oor, gek genoeg. Dan alle gedichten nog eens snel.
Menno Wigman noemt, achter op de bundel, Van Duijnhoven «misschien wel de enige ware dubbelganger van deze tijd». Dubbelganger van deze tijd… Nee, dat klopt niet bij deze bundel. Hij stelt zich meer op als de dokter van deze samenleving. De patiënt kan hem niet zo veel schelen, hij wil weten wat er met hem is. Kom, we nemen een bloedtest af. Zo lees ik ook het moeizame essay aan het eind — dat wat mij betreft weggelaten had mogen worden — dat handelt over bloed. Het is de dokter die protserig zijn diploma in zijn spreekkamer heeft hangen, terwijl ik hem liever wil beoordelen op zijn anamnese.
Van Duijnhoven wil meer met zijn poëzie. Er spreekt een merkwaardig soort angst uit deze bundel. Angst niet begrepen te worden, omdat hij zelf de resultaten van zijn test niet goed kan interpreteren. Daarom dat essay, daarom die cd er ook nog bij geplakt.
Is het zo? Ja! Schipper mag ik overvaren? Ja of nee? Moet ik dan een cent betalen? Ja of nee?
Berend Botje Van Duijnhoven ging uit varen. Wat deed Berend Botje ook weer? Hij ging uit varen met zijn scheepje naar Zuid-Laren. Hij ging niet links, hij ging niet rechts, hij ging naar Amerika. De emigrant. Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, waar is Berend Botje gebleven? Dood waarschijnlijk. «(fall out)/ (exit.)» Om vervolgens, nadat het kaartenhuis is ingestort, weer het pak kaarten te schudden. Da capo (al fine).
Het is poëzie die misschien niet je hart raakt — dat wil Serge van Duijnhoven ook niet. Hij wil je bloedvaten pakken. Hij wil in je bloed gaan zitten.

Serge van Duijnhoven, Bloedtest Uitg. De Bezige Bij, 104 blz., € 19,50

© Theodor Holman / De Groene Amsterdammer, 30 april 2003

Financieel Dagblad & Algemeen

Dagblad

Poëzie buiten het boekje

over Bloedtest van Serge van Duijnhoven

door Thomas Vaessens

verbaasd door het verkleinwoord
(‘denk je wel aan ’t condoompje?’)
bekeek ik haar, mlle. mosquito
een muggenbeet op haar vanille vel
voor ik me met haar overgaf
aan de wisselingen van gedaante
de zinderingen van gemoed
de sidderingen van het bloed

‘in het praktisch liefdeslab’ (fragment)

Serge van Duijnhoven behoort tot een soort schrijvers waarvan er niet overdreven veel zijn in Nederland. Uit alles wat hij doet en maakt, blijkt zijn grote verlangen als geëngageerd schrijver met de neus op de ontwikkelingen van vandaag te zitten. Dit verlangen uit zich zowel in de inhoud als in de vorm. Inhoudelijk past de term ‘geëngageerd’ op zijn schrijverschap. In 1999 verscheen zijn verzameling reportages Balkan. Wij noemen het rozen. Van Duijnhoven schreef niet alleen over het door oorlog geteisterde ‘duistere hart van Europa’, hij was er ook: als journalist voor verschillende media zocht hij de Bosnikrs, Kroaten, Albanezen en Macedonikrs ook daadwerkelijk op.

Bij de verslaglegging van zijn betrokkenheid bij de actualiteit laat Van Duijnhoven zich aan de traditionele vormbeperkingen van de literatuur weinig gelegen liggen. Als multimediaal kunstenaar
probeert hij de grenzen tussen genres en stijlen te laten vervagen. Zo is hij een actief pleitbezorger voor de podiumpoezie. Wie dacht dat er niets nieuws gebeurt in de poezie, kreeg een paar jaar geleden
van hem te horen dat hij stekeblind was of de verkeerde kant uit keek: ‘Het nieuwe duikt niet op waar je het bekende ziet’, schreef hij. ‘Het rukt op van andere, onverwachte kanten. Voor nieuwe geluiden kun je de boeken beter terzijde leggen en de stad ingaan.’
Dat Van Duijnhoven hier in het vuur van de strijd tegen het poetisch conservatisme natuurlijk enigszins overdrijft, wordt nog maar weer eens duidelijk in zijn nieuwe bundel, die onlangs verscheen:
Bloedtest. Hoezeer de poezie tegenwoordig ook buiten het boekje is gegaan, Bloedtest is toch weer een bundeltje gedrukt papier met keurig op elke bladzijde een nieuw gedicht. Toch is het vooral de
bijgeleverde cd die de aandacht trekt. Zestien gedichten, waarvan de meeste ook in de bundel staan, worden door de dichter voorgedragen. Componist Fred de Backer maakte er muziek bij.

Van Duijnhoven experimenteerde eerder met voordracht-op-muziek (hij maakte, samen met verschillende anderen, de cd’s Eindhalte Fantoomstad en Orbiit in Orbit), maar de bij Bloedtest horende cd Küsskrott!!! is zonder meer de beste tot nu toe. Het is een overtuigende afrekening met het schaamteloze amateurisme dat de performances van dichters vaak aankleeft (niets zo gjnant als die dichter die op de Nacht van de Pokzie opeens meent te moeten gaan rappen). Van Duijnhoven swingt echt, hij doet niet alleen alsof. En de musici die hem begeleiden weten wat het is om een nummer in elkaar te zetten. Hier zijn vakmensen aan het werk, die de cd niet als grappig extraatje bij de bundel zien, maar als voldragen product. De nummers zijn opgenomen, gemixt en gemasterd in een professionele omgeving, ook in dat opzicht zijn geen concessies gedaan. Als je de gebaande paden van de poezie verlaten wil, zo moet Van Duijnhoven gedacht hebben, dan moet je het ook goed doen.
Een voor de hand liggende vraag is natuurlijk of de poezie die op de cd zo overtuigend tot leven wordt gebracht, het op papier ook uithoudt. Ik heb nogal met deze vraag geworsteld, omdat ik in eerste
instantie geneigd ben er een kritisch antwoord op te geven. Nee, op papier overtuigt Van Duijnhoven minder dan op de cd. In de eerste plaats lijden veel van zijn gedichten aan de kwaal dat ze iets beweren willen. Dat het deze gekngageerde dichter ernst is, dat zagen we al, maar ernst hoeft natuurlijk niet altijd in geredeneer en gefilosofeer te verzanden. In pokzie zijn zulke zaken zelfs meestal dodelijk. Quasi-wijsgerige regels als ‘alleen door anderen krijgen we / idee van ons karakter’ of ‘weemoed is het braakland / tussen leedvermaak en zelfverwijt’ wekken de indruk dat zelfs deze eenentwintigste-eeuwse dichter de hoogromantische verleiding niet heeft kunnen weerstaan pokzie als een hogere vorm van Waarheid te zien.

Het ziet er op papier allemaal opeens een stuk minder nieuw uit dan je zou verwachten op basis van de met zoveel elan gebrachte vernieuwingsretoriek van deze dichter. Traditionele beelden worden zeker niet geschuwd, zoals in het gedicht dat hierbij is afgedrukt – de liefdesdaad voorgesteld als zinderende, sidderende gedaanteverwisseling: het is niet de meest oorspronkelijke beeldspraak .

Maar tegelijkertijd heb ik het gevoel dat het te gemakkelijk is in Bloedtest de dingen aan te wijzen die in het licht van de literaire traditie misschien minder nieuw zijn dan de hippe presence van deze dubbele uitgave ons wil doen geloven. Natuurlijk vindt ook deze dichter in sommige opzichten het wiel weer opnieuw uit. Toch is de overheersende indruk die zijn nieuwe werk maakt een andere. Wie de vaak nogal bescheiden Nederlandse schrijvers van dit moment een beetje volgt, kan niet anders dan gelukkig zijn met iemand als Van Duijnhoven. Hij engageert zich met de wereld van jongeren van vandaag en hij durft tenminste te beweren dat er in zijn werk iets nieuws gebeurt. Misschien niet in Bloedtest, maar dan toch in Küsskrott!!! klinkt een zonder meer interessante, want naar serieuze poetische verwerking van het alleractueelste strevende, stem. Een klein beetje onbeholpenheid en doorgedreven bombast op papier vergeef je zo’n prettig ambitieuze dichter met het grootste plezier.

Bloedtest – boek met cd (Küsskrott!!!)

Serge van Duijnhoven, Bezige Bij, euro 17,50

Copyright (c) 2003 Het Financieel Dagblad.

Auteur(s): Thomas Vaessens, Artikelvolgorde: 90, Paginanummer: 24, Paginanaam: Boeken Uitgave: Het Financieele Dagblad(HFD) Descriptoren: literatuur(015), Trefwoorden: boekbespreking, Recensie

Publicatiedatum recensie: 12/4/2003

Obiit in Orbit; aan het andere einde van de nacht

dichtbundel met CD

Extra informatie: Ingenaaid – Met illustraties en stickers
Verschenen: 1999 (1) augustus 2002 (2)
Gewicht: 240 gram , Formaat: 243 x 172 x 10 mm
De Bezige Bij , Prijs Euro 22.46


‘We leven in een calvinistische cultuur. Wat geschreven wordt, is heilig verklaard, en dat heeft ervoor gezorgd dat het gesproken of gezongen woord in de verdrukking is gekomen. Die tweedeling tussen het orale en het geschrevene bestaat al eeuwen. Het is voor mij net alsof je een artificiële scheiding maakt tussen lichaam en geest.’

  • interview met de auteur in HP/De Tijd 1999

Over Obiit in orbit; aan het andere einde van de nacht (1999)

Obiit in orbit is een stemmige, bij vlagen overrompelende cd die tot het beste behoort wat muzikanten en dichters samen tot op heden in Nederland hebben bereikt. (…) Een van de meest gewaagde poëzieprojecten van de afgelopen jaren.’
– Menno Wigman in Trajectum 18 jan. 1999

‘Mooi zijn de teksten. Heftig. Een bijzonder document. Dat is het.’
– Jos Jagers, in De Nieuwe Revu, jan. 1999

‘Hierop schildert hij met woorden en messcherpe teksten levensechte schilderijen over dood en liefde.’
– Nieuwsblad van het Noorden, 17 febr. 1999

Sander Pleij / De Groene Amsterdammer – jan.1999:

Serge van duijnhoven

dichter-performer / ‘obiit

in orbit’

‘DIT BOEK STOND niet gepland. Ik werkte aan een roman over een oorlogscorrespondent in Sarajevo; die was bijna af. Tot ik op 4 juni 1997 hoorde dat mijn vader een hersentumor had en razendsnel aftakelde. Het aftakelingsproces was gruwelijk: voor mijn ogen zag ik de vernietiging van een man die vitaal was, en zachtaardig. Tot een levend skelet overbleef.

DOOR Sander Pleij

Mijn vader had in zijn hoofd een tumor van de meest agressieve soort. Een astrocytoom, graad vier. Hij bestond uit stervormige cellen, waarvan de punten afbraken en nieuwe cellen vormden zodat ze exponentieel groeiden. Mijn vader had nog maar een paar maanden te leven. Hij werd bestraald in een stralingscapsule die Saturnus 41 heette. Juist toen was dagelijks het bevroren Mir-ruimtestation in het nieuws. En dat wagentje op Mars: de Pathfinder. Ondertussen ging mijn vader in de Saturnus 41, als een astronaut in een capsule. Vanwege de sterren in zijn hoofd. Toen heb ik het gedicht ‘Astronaut’ geschreven. Over “een ster die zwelt en uiteenspat met geweld”.
De artsen hadden hem al opgegeven, maar opeens herstelde hij. Miraculeus. Ik kon me weer zetten aan het afmaken van mijn boek. Ter voorbereiding ging ik naar Sarajevo. Joris wilde heel graag mee.
Het was heel leuk. We logeerden bij moslims. En we gingen skiën in Pale, waar Radovan Karadzic zou zitten. We dachten dat daar een verhaal in zat; konden we onze reis terugbetalen. Door Hongarije reden we naar huis, toen – Pang! – de dood er weer flink inhakte.
Een boer – hij was stomdronken – draaide plotseling de weg op vanaf zijn land. Ik gooide het stuur om en we schoten erlangs maar knalden boven op een tegenligger. Precies op de plek waar Joris zat. We sloegen over de kop, kwamen neer op de kant van Joris en eindigden tegen een boom. Weer aan de kant van Joris. Hij heeft alle klappen opgevangen, ik leef nog – als dat geen vriendschap is.
Ik kwam bij toen brandweermannen bezig waren ons uit het wrak te zagen. Ik keek naar Joris en zag dat hij zijn ogen open had. Hij was al dood. Toen ze me uit het wrak hadden gehesen, ben ik er gelijk omheen gaan lopen. Ik moet zoveel adrenaline in mijn bloed hebben gehad: mijn knie was helemaal kapot maar ik voelde niets. Toen ik Joris zag, ben ik aan hem gaan trekken: Joris! Kom mee, we moeten weg. Eruit! Uiteindelijk heeft een brandweerman me van achteren beetgepakt en vastgehouden. “Dein Freund ist Tod”, zei hij.
Het herstel van mijn geheugen heeft drie maanden geduurd. In het begin probeerde ik in godsnaam maar grip op de werkelijkheid te krijgen. Ik had een zware hersenschudding en er was een hap uit mijn leven genomen. Ik heb het teruggekregen door me zo gedetailleerd mogelijk te herinneren wat in die hele vakantie gebeurd is. Maar iets in mijn geheugen mist, het cruciale moment waarop mijn dierbaarste vriend weg is en waar de vernielingen plaatsvinden, is weg.
Het voelt alsof ik ben uitgegleden van de werkelijkheid.
Thuis in Gent, op krukken, kon ik niet zomaar doorgaan met mijn roman. Als je van schrijven je beroep maakt en je beslommeringen wilt omzetten in literatuur, dan zou het wel heel cru zijn om wanneer er écht iets dramatisch en ingrijpends gebeurt, gewoon verder te gaan met je fictie. Ik móest deze bundel maken, het is mijn wraak op de vernielingen. Zin geven? Je kunt geen zin geven aan dingen die geen zin hebben. Dat Joris op zo’n kloterige manier is omgekomen en dat mijn vader op zo’n afgrijselijke manier moest aftakelen tot-ie dood was, dat heeft geen zin. En je kunt er ook geen zin aan geven door erover te schrijven.’
‘IK KON MIJN tanden zetten in deze bundel. Niet alleen in het schrijven van de teksten, ook in het maken van muziek. Dus ja, het is dan toch een vorm-geven aan iets wat je niet kunt vatten, wat je niet begrijpt en wat je niet kunt beetpakken. Een deel heet niet voor niets Wij Doen Verder. Die kreet staat om de hoek bij mijn huis op de muur. Ik moet er elke dag langs als ik naar de supermarkt ga.
Er zijn meer kerken en punten in Gent die me regelmatig herinneren aan… gewoon, aan Joris. Je hebt een Sint-Jorishof, een Sint-Jorishotel. Midden op de Michielshelling staat een schitterend bronzen beeld van Sint-Joris. Hij heeft zijn voet op de hals van een draak gezet en hoeft hem alleen nog maar te doden. Ik kom er zo’n drie keer per dag langs. Ik steek mijn vuist op en zeg: “Miss you, brotherman.”
Op een keer stak ik in de Sint-Nicolaaskerk een kaars op voor Joris, toen ik op een familieheraldiek zag staan: natus 1510-obiit 1540. Ik dacht: Shit, de titel moet Obiit in Orbit worden! Want dat woord orbit, daar zat ik al mee sinds het gedicht ‘Astronaut’. Filologisch klopt het niet helemaal, orbit is Engels en geen latijn.
De bundel bestaat uit zes cycli van gedichten en een cd. Poëzie en muziek zijn voor mij natuurlijke partners. Het bedrijven van poëzie stopt niet met het schrijven van de tekst. In de volgende fase ga ik me de tekst eigen maken. Teksten waar je echt je ziel in steekt, moet je uit het hoofd kennen. Dan ga ik een vorm zoeken om ze naar het publiek toe te brengen. Muziek is daarbij voor mij een heel natuurlijk vehikel.
In 1995 heb ik de band Dichters Dansen Niet opgericht. Met DJ Dano, DJ Fat, DJ @ Random, VJ Gabriël Kousbroek en celliste Antonia Libert. We geven optredens gericht op een dans- en op een meer literair publiek. Ook dan kan het gebruik van samplers en elektronische apparatuur de moeite waard zijn. Er zijn fascinerende poëtische collages van geluid, stemmen en teksten te maken. Ik heb het gevoel dat we pas aan een begin staan.
De nummers op de cd zijn soms spoken-word-achtig, met donkere geluiden eronder van Miss Djax. Soms neigen ze naar het gesproken chanson. Soms zijn ze bijna hiphop. Met elektronische muziek kun je de duistere sfeer maken die ik graag wilde hebben.’
‘TWEE DAGEN nadat mijn vader overleed, was het album klaar. Mijn vader overleed tijdens de lancering van John Glenn. Om tien over half tien. Discovery Channel vertoonde de documentaire The Astronaut. Dat is… tja, Van der Heijden heeft me geschreven: “Synchroniciteiten hebben de neiging om zich samen te clusteren rond de dood.”
Ook rondom de dood van Joris heeft zich synchroniciteit samengeclusterd. Hij las op weg naar het ongeluk voor uit Among the Thugs van Bill Buford, een boek over voetbalvandalisme. En hij had net geprobeerd een documentaire over Carlo Picornie te maken. Nu ligt hij begraven op de Oosterbegraafplaats náást Picornie.
Waarom? Omdat er miezers in de lucht zitten, zou Hugo Claus zeggen. Serieus hoor. In Het verdriet van België heeft het twaalfjarige jongetje Louis Seynhaeve het daarover. Als er iets magisch is, dan vliegen miezers door de lucht of klonteren zich samen in de asbak. De orbit – ja. Ik ben geen magiër, maar er is natuurlijk meer tussen hemel en aarde. Ik noem het maar miezers, want ik heb geen sluitende filosofische of religieuze verklaring. Dat ze rond de dood samenklonteren, heeft met de alchemie te maken. Er gebeurt iets. Er verandert iets. En dan zal er veel aanwezig zijn. Maar ja: wat? Er ver-vliedt iets. Dat gevoel had ik heel sterk bij de dood van mijn vader. Ik heb zijn laatste adem op cassette opgenomen. Dat is heel eng, je voelt heel duidelijk dat iets ver-vliedt. Ik besefte plotseling: dadelijk is hij er niet meer. Ik heb foto’s gemaakt. Ik wilde iets béhouden. Het had iets heel magisch. Hij heeft echt tot de allerlaatste snik gevochten om in leven te blijven. Twee uur nadat hij was afgelegd – door onszelf – was hij op zijn rug nog gloeiend heet. Je hoort een marathonloper… iuuh-fwoe… iuuh-fwoe… De intervallen worden langer, iets korter. Dan weer langer. Elke keer denk je: oké dit is het dan. En dan toch weer… tot, op een gegeven moment, de laatste, ja: reutel.
Maar Joris heb ik niet zien doodgaan, zien vervlieden. Hij was levend toen ik in zwijm raakte, hij was dood toen ik bij bewustzijn kwam. Hij las uit een boek, lachte, riep: kijk uit! En was weg.
Wat vervliedt en hoe? Mijn interpretatie, of verwerking, staat in Obiit in Orbit. Wat heeft de dierbare voor me betekend? Waar is-ie? Kameraad: waar ben je nou? In het gedicht ‘Zo Komt Het’ staan 223 manieren om de dood te omschrijven. Het einde: “Hoe het ook komt, het blijft een gok: wat je wint, wat je verliest als ons leven zich in nevel aan ons netvlies vastvriest.”
Van Joris herinner ik me heel duidelijk wat in de laatste regel van het gedicht ‘Joris Drakendoder’ staat: “eeuwige staar”.
Tjak! Het wordt star als iemand dood is.’

© Sander Pleij / De Groene Amsterdammer

Alain Delmotte, in het tijdschrift Dighter voorjaar 2004:

BIJ ‘BLOEDTEST’ VAN SERGE VAN DUIJNHOVEN

Serge van Duijnhoven is geboren in Oss (Noord Brabant, Nederland) in 1970. Hij vloog vrij vroeg het huis uit richting Verenigde Staten waar hij psychologie en dergelijke dingen studeerde. Maar zijn wegen brachten hem ook elders. Ondermeer in Bosnië. Een ervaring die hem wellicht tekende, want in zijn gedichten refereert hij er vaak naar.
Hij debuteerde in 1988 maar de doorbraak kwam er halfweg de jaren
negentig met de house-roman ‘Dichters dansen niet’ (wat meteen de naam werd van een collectief, bestaande uit enkele muzikanten, een kineast en Van Duijnhoven zelf) en de dichtbundel ‘Copycat’. Zijn recentste werk bundelde hij in ‘Bloedtest’ en was ongetwijfeld een van de meest opvallende poëziepublicaties van het voorbije jaar (2003).

Van Duijnhoven oogt bijzonder mediatiek. Fotootjes doen ons een trendy boy vermoeden. Hij profileert zichzelf een beetje als een ongeschoren ‘schelm’, een sexy ‘enfant terrible’, een potentiële ‘poète maudit’. Op het eerste zicht zou je denken: ‘héla dat wordt gewoon maar een ééndagsvlieg.’ Je haalt je schouders wat op bij het ‘fenomeen’ – je voelt je er te oud voor. Maar als je aandachtiger, zonder vooroordelen en ‘forever young’, de bundel leest en ‘beluistert’ (er hoort een muziek-cd bij), ga je anders denken. Inderdaad: als Van Duijnhoven zich laat voordoen als ‘een nieuwe Rimbaud’ dan is dat een reklametruukje en zegt in wezen niets over de ware motieven van Van Duijnhovens werk. Om Rimbaud te zijn, of liever, om een icoon als Rimbaud te zijn (tenslotte wie heeft ten gronde de dichter van ‘Une saison en enfer’ en ‘Illuminations’ gelezen en begrepen) is deze jongeman eigenlijk al te oud. Hoe het ook zij: dat mediatieke moet je er echt bijnemen en er als lezer het jouwe over denken.

Strikt genomen is Van Duijnhoven in de kern een zwarte romanticus. Hij schrijft eeuwenoude poëzie. (En dit is geen verwijt maar een
vaststelling). Alleen doet hij dat in een hedendaagse vorm (of
vermomming) en met hedendaagse middelen. (In de spektakel- en
entertainmentsfeer. Wint hij daar lezers mee?).

Van Duijnhoven hoereert een heel klein beetje; zoals alle dichters, zoals alle poëzielezers dwepen met het woord. Hij houdt zich namelijkbezig met één van de oudste beroepen in – of is het ‘van’ – de wereld:spreken, zingen, verzinnen. Woorden vinden, absolute metaforen zoekenbezwerende formules voor het ongemak van het bestaan die hardop moeten worden uitgesproken. Waar ligt de grens tussen spreken en zingen, bezingen en betoveren, bezeren en bezweren? Er kan veel verstilling stekenin een schreeuw. Er kan veel ‘monddood’ blijven steken in het spreken.

Hij portretteert de dichter als een ontheemde, als een banneling, als
een ‘vervreemdeling’, een enkeling zonder papieren – maar wel met een ongepubliceerde, onpubliceerbare dichtbundel op zak, en op zwaai in het ‘Waste land’ van een sophisticated high-postmodernistische wereld. We zijn met z’n allen lotgenoten van die einzelganger… ‘on est tous des etrangers’

zo luidt de cruciale regel in het gedicht ‘Met behoud van huis’.

Ja, in de bundel ‘Bloedtest’ staan gedichten vol existentiële nausea,
paronoia en moira.  In deze bundel wordt een wereld geanalyseerd die letterlijk en figuurlijk uit de bol gaat en op springen staat. Gedichtengeschreven met de dreun van de zwartgalligheid: een harde bas, een scheur in de bast. Maar onderhuids en echt onderhuids hoor je iemand snakken naar warmte, tederheid,
lieve woordjes, momenten van geluk, zaligheid, paradisium. Een broze jongen, Van Duijnhoven-tje.

Echt het soort poëzie dat thuishoort in een eeuw waar vliegtuigen
doorheen gigantische torens razen, live op televisie: je moet het zien, je moet het horen, je moet het je laten durven zeggen. Een wereld die dus wel wat verschilt met die van nog niet zo lang geleden. Formeel gesproken, welteverstaan, in de schijn. Inhoudelijk leven we nog volop in de negentiende eeuw. We leven in een tijdperk dat dialectiek links laat liggen. Een wereld met steeds minder verschillen. Een wereld die in potentie geen verschillen meer duldt (waar zal dat eindigen, waar gaan we naartoe, moedertje?). Misschien wordt dit het wel: een wereld zonder verschil, zonder gezicht, zonder stem, globaal op maat gesneden
van de onverbiddelijke wetten van vraag en aanbod. Als een leuk
perspectief ervaar ik dit niet (het is maar mijn bescheiden mening).
Tot nader order lijkt me dit wel de zin van poëzie te zijn vandaag: een
gevecht om het verschil. Een dichter droomt taal. Een dichter droomt
een bijzondere taal. Linguïstische idiosyncrasie.‘Een taal zonder
grammatica’  roept Van  Duijnhoven uit. Een taal die louter expressief zou zijn, meerduidig gelaagd, lichamelijk en cerebraal, objectief en subjectief, materieel en sentimenteel. Welke middelen hij hiervoor gebruikt doet er eigenlijk weinig toe. Elburg: ‘Er moet niets in de poëzie. Je moet je wel steeds afvragen of de poëzie iets wil.’ Oraliteit? Varieteit? Intensiteit? Het weerbarstige stemgeluid van Van Duijnhoven die zich bij zijn performances – net als bij deze uitgave via een cd (‘Kueskrott!’) – bij voorkeur laat begeleiden door zijn gezelschap ‘Dichters dansen niet’,is onmiskenbaar een teken van vitaliteit. Dichten is stem gevenaan het onzegbare, klank geven aan het onhoorbare, ritme geven aan het ondefinieerbare, maat geven aan het ondansbare.
Meer en meer krijgt deze poëzie een soort profetisch, zelfs
kosmisch-spiritueel karakter (vandaar het o.m. het orale, het quasi
sakrale – zij het dat dit aspect in zijn vorige bundel ‘Obiit in orbit’
sterker tot uiting kwam). Hier is een ‘poetas vates’ aan het woord. In
het Da capo bij zijn bundel schrijft hij het zo: ‘Wij dienen ons in
alle ernst, in alle gedrevenheid, zo radicaal mogelijk te onttrekken
aan het ‘klassieke’ aardse leven. Dan, en alleen dan kunnen we
beginnen… (blz 99)’. Het brengt hem in de omgeving van beat-dichters zoals Allen Ginsberg, die hij in een vorige bundel expliciet citeerde.

In al zijn fragmentatie schrijft Van Duijnhoven een extraverte poëzie
waarin onuitgesproken rebellie de middelpunt vliedende kracht is. Wie beweert dat deze poëzie een hype wil zijn of worden door er filmpjes bij te projecteren en er een techno beat bij te laten klinken, heeft het verkeerd voor. Deze gedichten gaan dieper. Er is sprake van een bindend organisch geheel. Het is geen cabaret van de te korte bocht, waarin zoveel performers blijven steken. Deze dichter is op zoek naar hedendaagse invullingen voor eeuwenoude rituelen. Deze poëzie is een ‘rite de passage’, een teder en wreed schouwtoneel, ‘theâtre de la cruauté’.

Een loutering die ons niet echt reinigt, veeleer bezoedelt (wat ons dan weeraan Lucebert doet denken). Een neurotische dans om zelfbehoud.Dichters dansen niet? Charels Olson wist beter: ‘Poetry is dancing sitting down’.

  • Alain Delmotte, in het tijdschrift Dighter voorjaar 2004

In zijn in 2004 verschenen prozaboek Ossensia Brabantse Gezangen verhaalt Serge van Duijnhoven op boeiende en persoonlijke wijze van het leven, de legendes en de mythes die onomstotelijk horen bij zijn roemruchte geboortestad.

Hij geeft stem aan een bonte stoet van schuinsmarcheerders, messentrekkers, woonwagenbewoners, voddenboeren, familieleden, helden en verschoppelingen. Robuuste Brabantse karakters die in de herinnering en verbeelding van de schrijver, maar soms ook in het geheugen van het Maasland, blijvend een plek hebben verworven.

‘Oss is voor mij wat Gopher Prairie was voor de Amerikaanse schrijver Sinclair Lewis. Het is de onvolmaakte plaats die mij heeft gemaakt tot wat ik ben. Het is de plaats waar ik nooit meer helemaal naar terug kan keren, maar die ik ook niet kan vergeten. Het is de plaats van mijn jeugd. Een plek die onaanraakbaar is gebleven voor de verwoestende werking van de tijd.’

http://www.brusselnieuws.be/artikels/stadsleven/2018vallen-naar-de-hemel2019

zaterdag 03 oktober 2009 – Brussel Deze Week, 03.10.09

Serge van Duijnhoven, auteur, dichter, historicus en journalist

Serge van Duijnhoven: “Mijn Nederlandse vrienden worden fysiek onpasselijk van de onordelijkeheid van Brussel. Ik niet: ik hou van chaos.”

BRUSSEL – “Een bestaan als schrijver, een mens doet het zichzelf aan. Als je zo jong begint als ik, dan denk je: vallen naar de hemel – zoals Nescio in Dichtertje. Maar het nagejaagde ideaal in overeenstemming brengen met de werkelijkheid is niet makkelijk. Het zorgt voor hoogte- én dieptepunten. Wie dat niet kan aanvaarden, wil ook het leven niet aanvaarden. Hoogtepunten en dieptepunten maken nu eenmaal deel uit van het leven.” De Nederlandse schrijver-dichter-historicus-journalist Serge van Duijnhoven is een man met een groot hart voor Brussel.

S chrijver worden: Serge van Duijnhoven heeft het altijd gewild. “Toch heb ik voor een studie geschiedenis gekozen. Geschiedenis was en is mijn passie, schrijven mijn ambitie. De geschiedenis is de ultieme bron voor een auteur, omdat het des mensen handelingen is, en de verhalen die eruit voortspruiten. En dat hoeven natuurlijk niet allemaal verhalen over geschiedenis te zijn.”

Zijn eerste boek, Cascade , schreef Van Duijnhoven toen hij zeventien was. “Vervolgens ben ik een jaartje naar Amerika geweest, vooraleer me op mijn passie te storten, aan de Universiteit van Amsterdam. Een passie die voor een groot deel een erfenis was van mijn mentor op de middelbare school, Paul Offermans. Een man met een ongelooflijke intellectuele bagage en een grote souplesse. Hij maakte abstracte kunst, was bevriend met Karel Appel en anderen van de Cobrabeweging, schreef boeken over de Nederlandse geschiedenis, zong als tenor in een koor en was de meest dwarse, linkse figuur die een mens zich maar kon voorstellen. En zo’n figuur wilde ik nou net zijn. Een magister als Offermans, op wiens schouder je kunt leunen, of over wie je kunt dromen – onbetaalbaar. Ik ben hem een aantal jaar geleden nog eens gaan opzoeken. Ja, dat is net alsof je door Hugo Claus wordt ontvangen.”

“Die passie voor geschiedenis leeft nog steeds, net zoals mijn ambitie als schrijver nog even fel brandt. Een schrijver moet ook het kind in zich wakker houden, door te blijven spelen. Anders houdt het op met de creativiteit.”

“Mijn hart ligt bij de poëzie, bij verhalen, romans. En dat heb ik altijd gewild, dus voor mij is het een heel natuurlijke keuze. Het woord onderzoeken, de diepte van de menselijke ziel naar boven brengen. Dat is waar ik het best in ben en dat is wat ik altijd heb gewild. Je moet ook blijven geloven in wat je doet, en dat moet natuurlijk zijn. Een collega, Bart FM Droog, heeft zich vorig jaar laten ontvallen niet langer te geloven in de poëzie. Dat is de dood. Dat is hetzelfde als dat een priester zou zeggen: God is dood.”

Schrijven betekent ook kiezen voor een kommervol bestaan. “Mijn ouders – vader was als ingenieur verantwoordelijk voor de waterstaat van Zuid-Nederland, moeder kwam uit een middenstands­familie – hebben altijd gevonden dat het de slechtste beslissing was die ik maar kon nemen. Het was bezorgdheid, die voortkwam uit liefde. ‘Hoe gaat onze geliefde zoon in godsnaam overleven?’ Ergens hadden ze wel gelijk. Je moet een beetje een masochist zijn om het pad van kunstenaar of schrijver op te gaan. Maar uiteindelijk waren ze wel trots als er weer een nieuw boek op de plank kwam.”

“Ik heb ook het voordeel dat ik vroeg begonnen ben en al vrij snel succes heb gekend. De uitgeverswereld is een soort van vampierenbusiness, en jong talent is het bloed. Publiciteit, talkshows, het kon niet op. Maar op een gegeven ogenblik vervlakt dat, dan word je gewoon een schrijver van middelbare leeftijd.”

Brel en Gainsbourg
Serge van Duijnhoven doet me zijn verhaal op de bovenste verdieping van het nieuwe café Kafka. Waar vroeger, in La Rose, oude Brusselse dames dansten, wordt nu de traditie voortgezet met betere muziek, toogdiscussies en stevige consumptie. De eerste verdieping is omgevormd tot een expositieruimte, waar nu Bosz de Kler, accordeonist-fotograaf, de spits mag afbijten. Met Brusselse myste­riën – Bruxelles mystères . Aan Van Duijnhoven is gevraagd om het allemaal in goede banen te leiden.

“Dat ik gevraagd ben om een en ander te coördineren, is mede het gevolg van het feit dat ik twee jaar geleden een tijdlang in de Kafka heb gewerkt. In een café de klanten bedienen, omdat de onzekerheid van het schrijversbestaan een mens al eens noodzaakt op een gewone manier aan de kost te komen. Ik ben trouwens een schrijver die niet alleen achter zijn bureautje wil zitten. Het houdt een mens scherp, net als mijn verslaggeving uit het voormalige Joegoslavië een aantal jaar geleden voor de Volkskrant en De Morgen . Of wat ik doe met mijn groep, Dichters Dansen Niet: literaire teksten brengen op elektronische muziek.”

Een draagbare cd-speler vult de ruimte met poëtische ontboezemingen van Jacques Brel en muziek van Serge Gainsbourg. Gepaste muziek voor de gelegenheid: de spitsbroeders Van Duijnhoven en De Kler hebben iets met Brel en Gainsbourg. “Jacques Brel is een van mijn voorbeelden, en Bosz heeft zijn zoontje Sjakie genoemd, naar Jacques.”

“Ik heb altijd een diepe liefde voor Brussel gevoeld, een liefde die ik heb kunnen ontwikkelen door de vriendschap van mijn ouders met een Franstalige familie in Anderlecht, de Masques. Well-to-do en gezegend met zes prachtige dochters. Mijn broer en ik gingen daar altijd met kloppend hart naartoe. Ik weet nog de laatste keer dat we er zijn geweest, Brel was net overleden. Meneer Masques, de regent over zes mooie dochters,
heeft me toen ‘Marieke’ laten beluisteren omdat het half Nederlands, half Frans was. De oude Masques sprak een heel statig Vlaams, heel mooi, zijn dochters spraken geen woord Nederlands, wat ik heel vreemd vond. Pas later begrijp je een beetje beter hoe dat allemaal in elkaar zit.”

“Met Gainsbourg heb ik dan weer een band via mijn moeder. Zij heeft, toen ze in Parijs als model werkte, een verhouding met hem gehad en ze heeft haar eerste zoon Serge genoemd. Misschien daarom ook dat ik morgen in Amsterdam het Gainsbourgfestival mag openen. Met een gedicht over de man die mijn vader had kunnen zijn, maar het niet geworden is.”

“Vijftien jaar geleden heeft Bosz ontdekt dat fotografie zijn andere grote passie is, naast accordeon spelen. Hij is altijd al een voyeur geweest – niet in de pejoratieve zin van het woord –, en dan is fotografie de ideale uitlaatklep. De vlieg op de muur, primair ingesteld op de esthetiek van het oog. Ik ben anders: mijn drang is een vrijheidsdrang, plus een drang om te vertellen. De ziel van de dingen openbaren. Wat zijn camera voor Bosz is, is mijn aantekeningenboekje voor mij. Allebei geven we zo expressie aan die lava van de werkelijkheid die voortdurend borrelt en om je heen in beweging is.”

Onvoorwaardelijke liefde
Een werkelijkheid die voortdurend borrelt en in beweging is, dat is ook Brussel. Het Brussel waarvan Van Duijnhoven zo houdt, hoewel hij al eens het slachtoffer is geweest van de harde, gewelddadige kant van de stad. “Drie loodjes van een pis­tool in mijn hoofd, in coma geslagen met het deksel van een vuilnisbak. Toch blijft mijn liefde de plein cœur .”

“Op een bepaalde manier heb ik me hier altijd thuis gevoeld. Dat het een heel gecompliceerde stad is, heb ik van bij het begin begrepen. Gecompliceerd, maar mij op het lijf geschreven. Omdat iedereen hier tot een minderheid behoort.”

“Ik woon nog altijd in de Marollen, en met groot plezier. Heerlijk toch, een stad die als het ware op de frontlinie ligt tussen de Nederlandstalige en de Franstalige cultuur. En dan die verdoken schoonheid, die je op de meest onverwachte plekken aantreft. Schoonheid van schemerend verval.”

“In Brussel moet je dan ook achter de deuren gaan kijken om een beetje de stad te kunnen savoureren. Helemaal anders dan in Nederlandse steden, daar is het what you see is what you get . Helemaal
geënt op de koopmansgeest van mijn landgenoten. Ik zeg landgenoten , want ik ben nog steeds Nederlander. Maar als er zoiets als een Brussels paspoort zou bestaan, dan zou ik het onmiddellijk aanvragen. Nederlandse vrienden die mij af en toe kwamen opzoeken in Brussel, werden fysiek onpasselijk van de onordelijkheid van die stad. Ik heb dat allerminst, ik hou van chaos, van hectische onregelmatigheid. Elke keer als ik terugkom, besef ik de juiste keuze te hebben gemaakt door hier te komen wonen, door een huis te kopen in de Marollen.”

Karel Van der Auwera © Brussel Deze Week

(recensie uit Trouw):

‘BABYBOOMGENERATIE WINT HET ALWEER
Literatuurfestival
door Jonathan HusemanAMSTERDAM – Het had zo aardig kunnen zijn. Een literaire aanklacht tegen de babyboomgeneratie aan de muur spijkeren, een debat ontketenen over het ‘idealenfailliet’ van die generatie en bedenken wat je daar ‘als generatie van na zestig’ tegenover kunt stellen. Van al die plannen kwam zaterdagavond op het literaire festival De Wintertuin niets terecht. Het debat dat moest ontstaan duurde hooguit vijf minuten en over literatuur ging het ook al niet. een zaalverlater: “Jullie kunnen mooi schrijven, maar discussieren ging in de jaren zestig beter.”(…)
Na de oneliners (‘geef naar vermogen en inzicht kritiek op literatuur: in je leesclub’, ‘bemoei je op een verantwoorde manier met de hedendaagse kunst: koop een museumjaarkaart’) was het optreden van schrijver Serge van Duijnhoven een weldaad. Hij vertelde hoe de oorlog in voormalig Joegoslavie zijn leven binnensloop, hoe hij zich verbaasde dat in de achtertuin van Europa een oorlog woedde, terwijl in Nederland gesteggeld werd over de Betuwelijn en over de pil wel of niet in het ziekenfonds. (…)
De omlijsting van ‘Schijt aan Parijs’ riep de jaren-tachtigsfeer op. De deunen die die optredens aaneen draaiden (duran Duran, Madonna’s ‘Get into the groove’), de beelden van Gorbatsjov, anti-kernwapendemonstraties, ze waren herkenbaar. Daar tussendoor gaven schrijvers een tijdsbeeld door delen uit eigen werk voor te lezen. Die opzet slaagde wel. Jan Roelof van der Spoel las een verhaal voor over de zelfmoord van drie leerlingen op een middelbare school en Joost Zwagerman (‘ik ben blij dat het dit jaar georganiseerd wordt en niet twee jaar later want dan hoor ik er niet meer bij’) nam voor de gelegenheid ‘Gimmick’ ter hand, om te constateren dat de wereld bij de overgang naar de jaren negentig erg onschuldig was. Jaap Scholten las delen voor uit ‘Morgenster’, waarin de Molukse treinkapingen van eind jaren zeventig een rol spelen. In heel Europa woedde guerrilla en hij schetst de mogelijkheden van de jaren zeventig. “Zeg nou zelf, als je moest kiezen tussen Boney M. en Che Guevara?”

uit: Trouw, maandag 19 november 2001


Reis door het hart van de duisternis

een projekt van Rob Moonen en Hans-Werner Kroesinger
naar de tekst: ‘Liederen van Vranje’
van Serge van Duijnhoven
soundtrack: Stefan Robbers

`Wat weten burgers uit de Schengen-landen nu nog van grenzen? Vraag het aan een vluchteling, een Koerd of Kosovaar die zwemmend Italië tracht te bereiken…’ Deze bittere constatering maakt schrijfster Dubravka Ugrešic, die sinds 1991 in exil leeft in diverse landen, in haar essay Nice people don’t mention such things. Tegen een wantrouwige beambte die wilde weten wat haar nationaliteit was, zei Dubravka eens koppig: `geen’. Ze voelde zich statenloos. In Kroatië werd ze in academische kringen persona non grata vanwege haar kritische houding jegenshet opkomende nationalisme. In de rest van de wereld was ze gebrandmerkt als Kroatische. `Kan niet,’ zei de beambte. `Iedereen heeft een nationaliteit. Iemand zonder nationaliteit bestaat niet. Die is niemand. En iedereen is iemand…’

Bij het binnengaan van de hermetisch aandoende constructie die Rob Moonen maakte bij mijn theatermonoloog ‘Liederen van Vranje’ (een verhaal dat zich afspeelt in een niet nader genoemde Belegerde Stad ergens ver weg in Europa), voelt de bezoeker zich ook even de ‘niemand’ uit bovenstaande anekdote. De kubus kan enkel zonder schoeisel worden betreden, een ritueel aspect dat een extra dimensie krijgt omdat iedereen ook bij de ingang zijn sokken uit moet doen en zijn voeten dient te desinfekteren in een bak met dettel. Toen ik de bak met dettel zag staan, moest ik denken aan de grensovergang tussen Macedonie en Albanie waar ik in 1995 ook mensen door dergelijke ontsmettingsbakken zag sloffen en spetteren, voetje voor voetje. Het binnenstappen in Moonens kubus houdt het midden tussen het passeren van een grens, het binnengaan van een moskee, en het aanschuiven in het schemerdonker als argeloos theaterbezoeker.

Binnenin de ruimte waadt een ieder door ijskoud water. De bezoeker kan plaatsnemen, met opgestroopte broekspijpen, op een houten richel die de contouren van het bouwsel volgt. Wie zit hoort in de kubus enkel nog het klotsen van water en het ademhalen van andere bezoekers. Buiten hoor je de zachte weerklank van mensen die aan de toog van de schemerachtige ruimte zijn achtergebleven. Er klinkt zigeunermuziek, gedempt gepraat, gelach van ver, het rinkelen van glazen. Vanuit een niche in de muur licht dan het beeld op van een onrustige, gejaagde voettocht door een bos. De door Rob Moonen gemaakte videomontage van dit dwaalspoor, is half op de muur en half in het rimpelende watervlak te zien. Tegelijkertijd klinkt vanuit de duisternis de tekst van de monoloog. Het theaterstuk duurt pakweg twintig minuten, en gedurende die tijd wordt de luisteraar zowel op sleeptouw genomen door de Bosnische vertelster, als blootgesteld aan een alsmaar groeiende vervreemding. Als hij zijn ogen de kost geeft zal het hem beginnen te duizelen vanwege de eindeloze dooltocht door het bos, met steeds bewegende camera opgenomen. Beklemmende beelden in hun niet aflatende monotonie en uitzichtloosheid, die onwillekeurig de ontsnappingspogingen van moslimmannen uit Srebrenica in herinnering roepen. Daarnaast begint na verloop van tijd ook de koude parten te spelen, die vanuit de blote tenen tot in het lichaam omhoog kruipt. De winterse koude in de Belegerde Stad speelt niet toevallig een belangrijke rol in het verhaal van ‘Liederen van Vranje’.

‘De winter is hier het ergst. De grond is dan zo stijf bevroren dat de lijken niet begraven kunnen worden. De mensen zie je slepen met de lichamen van hun dierbaren. Ze slepen ze naar de rivier, over het ijs, naar een plek waar een klein rond wak open wordt gehouden. In plaats van de lichamen te begraven, laat men ze verdwijnen, onder het ijs. Als de rivier bevroren is, duiken ze op aan de oppervlakte, geklemd tegen het ijs als dode vissen.’

Het Journey through the Heart of Darkness projekt van Rob Moonen en Hans-Werner Kroesinger, is bedoeld om de reis naar het hart van de duisternis ook aan den lijve mee te ervaren. In het donker van de kubus zal de luisteraar en toeschouwer in toenemende mate snakken naar licht, lucht, warmte, de gemoedelijke geluiden die van buiten komen. Hij zal daar met zijn krommende tenen in dat koude water op de bodem van de kubus, steeds vuriger verlangen naar een uitweg, een ontsnapping, een goede afloop van het wrede lied. De bezoeker wordt op de proef gesteld. Het verhaal grijpt aan, maar hij kan niet weg. De toeschouwer heeft zich een vacuumachtig zwart ‘gat’ binnen laten voeren dat verwijst naar meer dan een geimproviseerde theaterruimte alleen. Tijd en toegang zijn vergrendeld, precies als het geval is in een belegerde stad. De toeschouwer zit klem in Moonens kubus. Zoals ons verstand klem zit in ons redeloze lichaam. En zoals ons lichaam klem zit in de tijd.

‘Ik heb al veel dingen gezien en meegemaakt hier in dit hospitaal, maar je blijft je afvragen of er een einde is aan de gruwelijke kronkels van de menselijke geest.’ De man schudde meewarig zijn hoofd. ‘Er is geen einde,’ zei hij, ‘er is geen einde…’

De stilte en het vacuum in de theaterkubus werken, behalve beklemmend, ook meditatief. Je ervaart de koude en het donker als krachten die je omringen en op gegeven moment zelfs van binnen aan je trekken. Een sluipende verlamming. Tegelijkertijd worden juist daardoor de geestelijke vermogens aangescherpt. Het lichaam wordt stijver, de geest soepeler, alerter, helderder. De zintuigen lijken zich samen te ballen en open te bloeien. De bezoeker van de kubus zal zich overgeven aan de stem van het meisje dat hem haar verhaal doet, dat snikt en ademt in zijn oorschelp. Hij kan haar ruiken, voelen, hij kan haar aanraken en troosten. De bezoeker wordt net zozeer een met zijn zintuigen als de bezoekers van het zigeunercafe dat in het stuk een centrale rol speelt. Die waden ook met priemende ogen door een duister, ondergronds hol vol sigarettenrook en nemen de omgeving ten volle in zich op. Ze laten Moro de oude zigeunerviolist in hun oor spelen en ze onderwerpen zich aan het nasale stemgeluid van Barusja, tot de muziek hun huid omsluit en ze niet anders meer kunnen dan opstaan en meezingen met de overweldigende klanken en ritmen uit de liederen van Vranje.

‘De grootste beesten zijn de mensen met verstand,’ is een zigeunergezegde. De filosoof Heidegger omschreef de mens in een verhandeling over de Griekse tragediespelen van Sophocles, als ‘to deinaton’, het vreemdste (en gruwelijkste) wezen in de natuur; een ambivalent schepsel dat zich met zijn verstandelijke vermogens en tomeloze dadendrang tot grote hoogten op kon drijven, maar ook diep in het ongeluk kon storten. De belegeraars in de heuvels boven de stad wisten dat ze, om vrij te zijn en los van de balija beneden, de herinnering aan hun afkomst op moesten smukken of aan puin moesten schieten. Ze omarmden de strijd omdat ze de stad van de grond af aan weer op wilden bouwen. Ze verdronken zich in hun roes en overmoed, namen plaats in hun schuttersputjes en achter de ronddraaiende loop van hun granaatwerpers. Ze richtten hun geschut op het ongedierte in het dal. Wat ze hoorden was niet wat ze verwachtten. Geen geratel of gekraak van kogels, geen doffe ploffen of explosies, geen gekerm en geschreeuw of sirenes, maar krachtige en gedreven muziek klom langs de besneeuwde hellingen omhoog. Zigeunergezang, een mannenstem, viool, tamburica, trombone en accordeon, liederen uit Vranje. De soldaten probeerden hun loop te richten op de bron van het geluid, maar dat was niet meer vast te stellen. De echo’s waren uitgedijd, de muziek leek uit het ganse dal te komen. Ook de manschappen die enkele balkons hoger waren gelegerd, en die juist bezig waren hun houwitsers te laden, keken verbijsterd in de diepte. Door de wonderlijke, aanstekelijke stroom van klanken en muziek die vanuit de wijken op kwam zetten, was het of de burgers zich niets van hun belegeraars aantrokken, of ze hen vierkant uitlachten met hun eigenzinnige, brutale zigeunergejank. De soldaten realiseerden zich op die plek dat niet zij het waren die het dal onder controle hadden, en de bevolking beneden onder schot. Het was de stad die hen in de tang had omdat de burgers een wapen bezaten waarmee ze het tot in lengte van dagen uit konden zitten. De belegeraars mochten schieten wat ze wilden, er mochten zoveel vrachtwagens met gesmokkelde munitie de bergen in worden gereden als het leger kon opbrengen, de burgers zouden zich nooit overgeven. Wat er ook gebeurde, ze hadden hun muziek, hun onbreekbaar schild, hun liederen van Vranje… Er wordt wel gezegd dat wie in de afgrond kijkt, wordt teruggestaard. Precies dat was hier het geval. Niet de belegeraars keken in de afgrond van de Igmarische vallei, maar de afgrond keek in hen…

Mark groet ’s nachts de dingen

Serge van Duijnhoven, Dichters dansen niet. Uitg. Prometheus, 224 blz., f29,90 ‘WE WAREN MET een man of tien, twintig. Jonge enthousiastelingen, kleine ridders en verschoppelingen van de kunst die vonden dat er dingen aan het veranderen waren en dat het tijd was voor nieuwe ideeen, een nieuwe groep, een nieuw blad. We waren allen zeer jong en hadden een grote mond en nog grotere plannen en dat was wat ons bijeenhield. We vonden dat er nog heel wat was om over te schrijven, om te proberen en om voor in te staan, en te oordelen naar alles wat er om ons heen gebeurde was dat ook zo.’

DOOR Rob van Erkelens , De Groene Amsterdammer

#15 / 1995 | 12-04-1995

Ha! dacht ik, dat wordt vast leuk. In zijn prozadebuut Dichters dansen niet laat Serge van Duijnhoven (1970) zijn alter ego Mark Moors aan het woord, leider en stuwende kracht van de ‘jonge enthousiastelingen’ achter het kunsttijdschrift Millennaar. De wederwaardigheden rond het blad – van de oprichting tot het maken van het eerste nummer, het zoeken naar een redactieruimte en de feestelijke presentatie – vormen de rode draad van de roman. Het grootste deel van het verhaal gaat echter over de dagelijkse beslommeringen van de hoofdpersoon.
Mark Moors is een tweeentwintigjarige dichter met een hang naar onzichtbaarheid. Het nachtleven is dan ook de plek waar hij zich het meest op zijn gemak voelt, in de onder een strakke housebeat bonkende danspaleizen van Amsterdam. Zijn fascinatie voor de lichamelijke, erotiserende en zweterige wereld van de nacht is de natuurlijke tegenhanger van zijn bestaan bij daglicht, dat bestaat uit een lange fietstocht door de straten van de hoofdstad.
Moors is voortdurend op weg – voor Millennaar, voor zichzelf of voor de kunst. Naar de uitgeverij, de zoveelste redactievergadering, de drukker, boekwinkels of het postkantoor, of hij komt net terug van een voorleesavondje of tournee. Overdag werkt hij, ’s nachts wil hij leven. De apollinische Moors, die het grootste deel van het etmaal zwoegend en zuchtend zijn artistieke idealen najaagt, ondergaat een gedaanteverwisseling als hij de eerste doffe dreunen van de house hoort – dan wordt hij de dionysische Lebensbejaher, die hartstochtelijk de nacht probeert uit te rekken. Hij haalt een Spaanse medicus aan, Leo Errera, volgens wie een mens pas rust vond ‘waar hij werd onttrokken aan de slaapmakende kracht van de duisternis’. Moors karakteriseert die rust als volgt: ‘Je stapte er obscure gelegenheden voor binnen, cinema’s en rijnschepen omgebouwd tot discotheken, bistrots de nuit, waar het duister geen slaapmakende, maar een tintelende werking had. Je dronk en danste er op hallucinerende muziek tot het ochtend werd en je de slameur van een slapeloze nacht de dag in moest dragen. Tot het duister weer verlichting bracht.’
DIE PARADOX, de verlichting die alleen door de duisternis kan worden gebracht, is de grondvorm van Moors’ bestaan. Het is een loodzware verantwoordelijkheid, kunstenaar zijn, die veel vraagt van de ratio. Zo gauw de zintuigen echter worden aangesproken en de externe prikkels niet het verstand maar het gevoel bestoken, in de neonverlichte duisternis van het danspaleis, komt Mark Moors tot leven.
De fascinatie voor het nachtelijke leven en de teder-opgefokte housecultuur levert hier enkele sterke passages op. Wat niet te vinden was in de roman De zeemeermin – die ik met mijn stomme kop had gekocht, omdat er een buikbandje omheen was gedraaid dat schreeuwde ‘De eerste Nederlandse house-roman’ – zit in dit boek van Serge van Duijnhoven wel. Hij is er als eerste in geslaagd op een adequate en meeslepende manier de sfeer en betekenis van de house neer te zetten, en daarmee de jongerencultuur van de jaren negentig recht te doen door haar van binnenuit te beschrijven: ‘Het duurde wel drie kwartier voor ik een lift-off kreeg. Een eerste tinteling, de aankondiging van de rush. Een gevoel alsof je langzaam opsteeg, zweefde. Het spul werkte blijkbaar, een wonder. Het was zoals de sopraanpartij in Ein Deutsches Requiem van Brahms, die boven het koor uitsteeg met een boog en gewichtloos werd, zalig. (…) Ik voelde geen vermoeidheid, geen gene, alleen maar zin om te bewegen. Steeds weer werd ik naar het midden van de dansvloer toegetrokken, om me opnieuw en opnieuw te laden met het ritme. Het onstopbare ritme, het donkere, kloppende bloed waarmee we gevuld waren, iedereen, de meisjes om me heen die nieuwsgierig naderbij kwamen, de jongens die hun duim opstaken, Albert die bewegingen maakte alsof hij een veelarmig monster was, de deejays in hun nis die, met de koptelefoon tussen nek en schouder geklemd, meedeinden op de muziek. Het was een grote trein waar we allemaal op zaten, en die in denderende vaart door de nacht reed, door dat bloedrode, donkere kanaal, die ene ader in het universum waar wij toevallig terecht waren gekomen en waarin we ons aan elkaar vastklemden, in razende vaart, met wapperende haren, krakende spieren, met ons zinderende vlees, ons schuddende achterste, ons bonkende hart. Dit was het moment van versmelting, de conceptie met de nacht, de massa en het bloed, het ontstaan van die ene cel waaruit al het andere voort kon komen, waarin we dreven, het protoplasma waarin we allemaal dreven, wij kleine lichaampjes, wij lichaampjes kloppend van bloed.’
Voor zulke stukken doe ik het, die maken Dichters dansen niet bij vlagen boeiend. Alleen, die vlagen zijn veel en veel te zeldzaam. Serge van Duijnhoven heeft een roman willen schrijven over de mensen en dingen uit zijn directe omgeving, gecentreerd rond het tijdschrift dat in werkelijkheid MillenniuM heet, en waarvan hij inderdaad oprichter en ploegbaas is. Alle akkefietjes van de afgelopen jaren hebben een plaats gekregen in de roman, van nietszeggende gesprekjes tot abstracte ideeen over de huidige tijd en cultuur. Dichters dansen niet gaat over vier dingen: MillenniuM, de nacht, Amsterdam en Serge van Duijnhoven. Ik vind het jammer dat verreweg de meeste aandacht uitgaat naar dat laatste thema.
IN ZIJN WENS de tijd en cultuur zo goed mogelijk te documenteren heeft Van Duijnhoven de grote vergissing gemaakt veel te gedetailleerd te willen zijn, vooral waar het om geld en eten gaat. Overal wordt de prijs van vermeld, en zelfs de minimaalste lunch wordt breed uitgemeten. Daardoor kent de roman onbegrijpelijk veel uitweidingen als deze: ‘Het was een pure kwelling, om de hele tijd die groenteschijven in hun jasjes te zien gloeien terwijl ik ze d’r niet uit mocht halen. Na een kwartier hield ik het niet meer. Ik pakte ze bij hun kraag, en smeet ze op twee schalen. De pizza liet ik nog een tijdje sudderen, want die was nog half bevroren. De groentejasjes waren niet meer bevroren, hoewel ze ook niet echt warm waren. Het smaakte als pap, eigenlijk. Meelpap. Aardappelmeelpap. Niks bijzonder, niks lekker. Maar het vulde wel. Heel behoorlijk zelfs. Gres en Rover namen ook ieder twee jasjes. Maar Gres kon er maar een op, en Rover lukte het zelfs niet om die ene naar binnen te werken. Ik at er bijna drie. Toen zat ik ook vol. Echt vol. Die dingen waren niet licht.’
Omdat dergelijke details nergens ook maar de schijn van een ‘hogere’ betekenis krijgen, verzandt de roman in een opeenstapeling van wezenlijk oninteressante en overbodige particuliere observaties.
IK GELOOF ook niet dat het Serge van Duijnhovens bedoeling is geweest een uitgesproken literaire roman te schrijven. In Dichters dansen niet is nauwelijks aandacht besteed aan de stilistische uitwerking, er is geen moeite gedaan het verhaal mooier te maken dat het in zijn ruwe vorm is, en – wat ernstiger is – er is niet kritisch gekeken naar het verschil tussen essentiele en overbodige elementen. Dit boek draagtde sporen van de haast in zich, de haast van een jonge man met een niet te beteugelen drang het verhaal te vertellen en de sfeer te beschrijven van de groep mensen en de cultuur waar hij deel van uitmaakt – voordat het allemaal weer is verdwenen. Het is de haast van de jongen van vierentwintig die zich ervan bewust is dat alles wat hij doet in no time weer achterhaald zal zijn, ingehaald door een volgende belangrijke gebeurtenis.
Van Duijnhoven heeft zichzelf tekortgedaan met deze gehaaste roman. Soms schemert door de oppervlakkige geschiedschrijving de oprechte hartstocht van de hemelbestormer die lacht naar de maan, God uitdaagt en zich groter voelt dan de kosmos. Jammer genoeg legt hij daarna weer groentejasjes in de oven. ‘Niks bijzonder, niks lekker. Maar het vulde wel.’
Op jonge leeftijd heeft Serge van Duijnhoven al aardig wat verwachtingen gewekt. Door artikelen in NRC Handelsblad, De Morgen en De Groene Amsterdammer liet hij zien een uiterst serieus en nauwgezet journalist te zijn; met zijn eerste dichtbundel, Het paleis van de slaap, leverde hij een verrassend en heel mooi debuut af; en door zijn prettig-opportunistische dadendrang stampte hij eindelijk weer eens een literair tijdschrift met een ‘jeugdige’ signatuur uit de grond. Ik ken Van Duijnhoven als een zeer zelfbewust en serieus kunstenaar, die uitermate goed overdenkt wat hij doet en zelden of nooit onbezonnen te werk gaat. Door zijn uitgever werd lang geleden de roman De fatale limiet aangekondigd als prozadebuut. Ik denk dat het niet slim is geweest dat Van Duijnhoven Dichters dansen niet liet voorgaan, en daarmee een visitekaartje afgaf dat eerder een journalistieke dan een literaire betekenis heeft.

© Rob van Erkelens / De Groene Amsterdammer

Wat elders is, is een spiegel

Serge van Duijnhoven, De overkant en het geluk. Uitgeverij Prometheus, 201 blz., f29,90 OP SCHRIJVERS als Serge van Duijnhoven moeten we zuinig zijn. Want zoveel getalenteerde, opportunistische, daadkrachtige en eigenzinnige kunstenaars zijn er niet. Van die wakkere geesten die hun nek durven uitsteken. Die soort is aan het uitsterven. En de literatuur heeft dergelijke sujetten altijd nodig.

DOOR Rob van Erkelens

Serge van Duijnhoven is een van de mensen die hebben geholpen een literair klimaat te scheppen waarin meer mogelijk is dan voorheen. Ondanks zijn jeugdige leeftijd (geboren in 1970) heeft hij al een indrukwekkend palmares opgebouwd. Hij debuteerde in 1993 als dichter, met de bundel Het paleis van de slaap, als romancier vorig jaar met Dichters dansen niet, en kort geleden publiceerde hij alweer De overkant en het geluk.
Niet alleen wat zijn eigen werk betreft is Van Duijnhoven opvallend produktief. Ook als oprichter en redacteur van het literaire tijdschrift Millennium, organisator van literaire manifestaties en festivals, journalist voor NRC Handelsblad en De Morgen, en als drijvende kracht achter een internationale groep talentvolle jonge kunstenaars heeft hij van zich doen spreken. Hij steekt daarmee zijn hoofd unverfrohren boven het maaiveld uit.
Hoe het in Nederland met zulke mensen afloopt, is bekend. In een land waar de lijfspreuk des volks ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’ is, wordt het type-Van Duijnhoven binnen de kortste keren zijn plaats gewezen. Nederlanders zijn nou eenmaal het liefst gewoon, als de buren dat tenminste ook zijn. Mensen die op de voorgrond treden zijn pretentieuze aanstellers. Hun kop moet eraf. DE TWEE belangrijkste jonge schrijvers van dit moment zijn Serge van Duijnhoven en Ronald Giphart. Ook Giphart heeft voor zijn dertigste al drie boeken gepubliceerd. Meer overeenkomsten zijn waarschijnlijk niet aan te wijzen, want wat hun literatuuropvatting betreft verschillen ze als dag en nacht.
Zowel in zijn eigen boeken als in de beoordeling van andermans werk, legt Giphart zijn prioriteit nadrukkelijk bij de stijl. Van Duijnhoven geeft de voorkeur aan de ‘boodschap’, de inhoud, of hoe men het ook wil noemen. Hem gaat het erom wat er wordt verteld; hoe dat gebeurt is minder belangrijk. Voor Giphart is een verhaal pas goed als het stilistisch deugt.
Beiden blinken uit op hun eigen gebied. Het commentaar is voorspelbaar: Giphart wordt (ten onrechte) verweten dat hij niets te vertellen heeft en in mooischrijverij vlucht. De kritiek op Van Duijnhoven kan zijn dat hij zo gericht is op de inhoud dat zijn stijl eronder lijdt. Jammer genoeg is dat waar. Net als Dichters dansen niet draagt ook De overkant en het geluk de sporen van ofwel haast, ofwel pure slordigheid. Aangezien Serge van Duijnhoven wel degelijk iets te vertellen heeft, is dat eeuwig zonde.
De overkant en het geluk bestaat uit twee delen, die samen vier in lengte varierende verhalen bevatten. Ze worden per flaptekst aangeduid als ‘Orfische reizen’. Hun onderlinge samenhang is te sterk om ze als afzonderlijke verhalen te beschouwen, en te zwak om van een roman te kunnen spreken.
Hoe Deel Een en Deel Twee zich tot elkaar verhouden, wordt beschreven in het motto bij het tweede deel, van Italo Calvino: ‘Wat elders is is een spiegel in het negatieve. Een reiziger herkent het weinige dat van hem is door het vele te ontdekken dat hij niet gehad heeft en nooit zal hebben.’
De overkant en het geluk is zeer doordacht opgebouwd. De vier verhalen verwijzen telkens naar elkaar, lopen parallel en spiegelen elkaar. Dezelfde motieven en thema’s keren terug, waardoor stukje bij beetje een complex maar boeiend verhaal ontstaat.
VIER KEER maakt de verteller een reis. In ‘Marinus’, het openingsverhaal, gaat hij terug naar Oss, het dorp waar hij is opgegroeid, om daar de begrafenis bij te wonen van Marinus, de zwerverachtige grijsaard die vroeger zijn buurman was. De verteller herinnert zich dat de oude man bij zijn laatste bezoek een Mariabeeld in de kamer had staan, dat hijop zijn ezel naar huis had gesleept. Nadat het beeld op mysterieuze wijze boven op de vuilnisbelt is terechtgekomen, sterft Marinus.
In ‘In God We Trust’ gaat de hoofdpersoon, die hier Kars Feller heet, naar Amerika, ook voor een begrafenis. Zijn reis brengt hem terug bij zijn verleden, de tijd dat hij in Amerika woonde en naar school ging. ‘Het verleden zat in ons. In ons lichaam, onze genen. Het was er met geen stok nog uit te krijgen en was gedoemd zich eindeloos te herhalen. Was dat soms de ”eeuwige wederkeer” waarover gesproken werd? De genen in ons lichaam die ons, tegen wil en dank, bleven confronteren met het karakter van onze ouders?’
Deel Twee is een spiegeling van Deel Een. Het opent met ‘April Savino’, dat in New York is gesitueerd. Het meisje dat haar naam aan het verhaal gaf, leeft ondergronds, in het verwarmde buizenstelsel onder de stad. De verteller ontmoet haar bij het station van Grand Central. Het haveloze meisje vertedert hem. Hij trekt enige tijd met haar op en reist dan weer verder. Wanneer hij haar later weer opzoekt, heeft ze zelfmoord gepleegd.
HET LAATSTE verhaal is ‘Highway 83 (De fatale limiet)’, dat zich afspeelt in de buurt van de tijdgrens in de Verenigde Staten, daar waar de ‘Central Timezone’ ophoudt en de ‘Mountain Timezone’ begint. Die grens is een van de limieten die Van Duijnhoven in verschillende hoedanigheden laat terugkeren. Op verschillende niveaus worden grenzen verkend, zowel materiele als immateriele en psychologische. De meeste aandacht gaat uit naar de kloof tussen Vroeger en Nu en die tussen Leven en Dood. Daar zijn het ook Orfische reizen voor.
In het laatste verhaal heet de verteller Serge van Duijnhoven. Hij is naar Herison gereisd, een dorp in het Midden-Westen, aan Highway 83. Daar herinnert hij zich een tocht die hij drie jaar eerder door hetzelfde gebied maakte, met een meisje dat Maren heette. Aan het eind van de reis was hun verhouding gebroken en Van Duijnhoven keerde gedesillusioneerd naar Nederland terug.
Het doel van zijn reis is ditmaal een interview met de schrijver Frederic Freeman. Hij beseft echter dat dat bezoek slechts een alibi is: de ware reden van zijn verblijf hier is zijn behoefte aan een tweede kans: ‘Een probleem is dat ik slecht kan vergeten. Heb ik me te vaak vergist? Mijn gevoelens voor Maren heb ik nooit echt verloren. (…) wanneer weten we of iets werkelijk voorbij is? En als het voorbij is, dienen we ons daar dan bij neer te leggen, zoals bij een examen waarvoor je zakt, of bij het bericht van iemands dood? Ik weet dat er in het leven niet vaak een weg terug is. (…) Ook deze keer zal ik van de gelegenheid gebruik proberen te maken om me te revancheren, te trachten een vervolg te geven aan een verhaal dat nooit een rechtvaardig einde kreeg.’
Dat verhaal is de liefdesgeschiedenis van Serge en Maren, drie jaar geleden. In de loop van het verblijf in Herison beginnen de tijden door elkaar te lopen. Het verleden wordt weer levend en het heden sterft. Daarbij wordt steeds verder de spiegelstructuur doorgevoerd, de parallellen tussen de verhalen, de personen en hun reizen.
BIJ EEN TWEEDE lezing van De overkant en het geluk neemt de bewondering toe voor de manier waarop de auteur zijn verhalen heeft gecomponeerd en het thema ‘Wat elders is is een spiegel in het negatieve’ zoals het in Calvino’s motto werd geformuleerd, tot in de kleine details heeft uitgewerkt. Op zeer vakkundige wijze vertelt Serge van Duijnhoven een verhaal dat vele malen meer is dan alleen maar de oppervlakkige laag van de gebeurtenissen.
Het zwakke punt van De overkant en het geluk is de stijl. Die is onacceptabel slordig. Het meest in het oog springen de vergelijkingen, die te pas en vooral te onpas te voorschijn worden getoverd en die maar zelden raak zijn: ‘De torenflat droeg de gele blokletters als een gevangene op een politiefoto zijn nummer.’ ‘Reclamebladen verpakt in cellofaan lagen onaangeroerd op de deurmat, als huisdieren die wilden worden binnengelaten.’ ‘Hij sjokte weg. Een plastic boei sleepte kletterend aan een touw achter hem aan, als een kronkelende slang.’ ‘De stank zal in vlagen over de Missouri gedreven worden en pas gaan liggen in de brede straten, als een luie hond die rust zoekt in zijn mand.’ ‘Is er iets mooiers dan een vrouw die slaapt? Niet lichtjes, maar vol overgave, alsof ze zich in de branding werpt, de lang geworden herfstblonde haren kringelend om haar gezicht, als een nereide die rust op een bed van wier.’
Als daar nog de regelrechte fouten, lelijkheden en vormflauwtes bij worden opgeteld, moet de conclusie helaas zijn dat De overkant en het geluk wat inhoud, compositie en structuur betreft van hoog niveau is, maar door een gebrek aan aandacht voor de vorm en een veel te slordige afwerking zichzelf op schrijnende wijze tekort doet.
Maar ongetwijfeld zal Serge van Duijnhoven binnen afzienbare tijd opnieuw met een boek komen dat beter is dan het vorige. Een talent als het zijne ontwikkelt zich namelijk vanzelf verder, dat houdt niemand tegen.

© Rob van Erkelens / De Groene Amsterdammer 04-10-1995

Over Copycat (1996):

Gedichten van het front

RECENSIE, GERT JAN DE VRIES – de Volkskrant
Gepubliceerd op 26 april 1996 00:00, bijgewerkt op 16 januari 2009 00:59

Een generatie dichters laat van zich horen die iets anders wil dan mijmeren over de zin van het bestaan of verslag doen van hun bezoek aan koffieconcerten en salonfähige tentoonstellingen. En die dichters hebben weinig op met nette woorden of gepaste emoties. Het is de generatie die volgens sommigen geen dankbaarheid meer kent en duidelijk geen oorlog heeft meegemaakt, die kennelijk geen normen en waarden respecteert. Als zo’n generatie al bestaat, is Serge van Duijnhoven er in elk geval een vertegenwoordiger van.

In zijn tweede bundel Copycat voldoet Van Duijnhoven op alle mogelijke manieren aan bovenstaand cliché. Het begint met het afwijkende formaat van de bundel, dat samen met het bewust lelijke drukwerk, de kaft van een stofmap en de titelpagina van een fax, de indruk van haast en toeval tracht te wekken. Bijzonder grofkorrelige zwart-wit foto’s tussen de gedichten door geven er bovendien iets onartistiek provocerends aan. De schijnbare haast, de noodzaak tot publiceren en de schokkend bedoelde foto’s duiden allemaal op hetzelfde: in deze poëzie zit meer actie, meer leven, meer betrokkenheid en meer aanleiding tot discussie dan in ‘het gangbare’. En dat blijkt ook uit de gedichten.

De eerste tien gedichten, verzameld onder het kopje ‘Psychopatia sexualis’ bevredigen stuk voor stuk een zekere interesse voor (met name seksuele) obsessies, pathologieën en andere extremiteiten: Noach die uit deze tijd wil vluchten en die een buitenmaatschappelijke in onze tijd is; een seksueel geobsedeerde perverseling die fantaseert dat een vrouw fantaseert dat hij als dokter binnenkomt; een zelfmoordenaar in de concertzaal; een door orale sex geobsedeerde man die denkt vrouwen via de mond te kunnen bevruchten; op de ultieme kick beluste, elkaar en zichzelf verminkende vrouwen in een sexclub van de toekomst; een cocaïnedealer met een missie, enzovoorts.

Dat alles in nuchtere, zakelijke bewoordingen: ‘hij druppelt vloeistof in haar licht/ ontstoken ogen, sproeit nevel/ in haar neus, hij reinigt/ grondig alle ademwegen, legt zijn/ stethos op haar schouderbladen/ en stelt zich voor hoe hij haar billen/ opent met zijn nagels, haar rug/ vilt en de wervels streelt/ (hij denkt aan forel, truite à la meunière).’

Het is, tot zover, poëzie die op een sympathiek misverstand berust. Van Duijnhoven mist de realiteit en dus het engagement in de poëzie – ‘De tederheid is om te kotsen’, lees ik ergens – en brengt die er daarom met alle macht in. Om te voorkomen dat het te braaf wordt, komt hij met een woeste verzameling trollen, vrouwen met baarden en andere bezienswaardigheden, maar dan postmodern. En ook de activiteiten zijn nooit subtiel ongebruikelijk, maar meteen bizar, terwijl het onderliggende wereldbeeld toch volstrekt traditioneel is: ‘Ranja noemde je het/ aanmaak; liefde met de smaak van limonade/ je zoog het uit haar binnenste/ en besmeurde er haar borsten mee/ druppels als robijnen/ om haar nek, de tepels/ knipperend en zwart./ Je was een man/ en kende geen gevaren/ zij waren het immers die de wonden stelpten/ en zij was van hen één:/ een vrouw.’

Als er niet genoeg extreems is en je wilt toch geëngageerd schrijven, dan zit er maar één ding op, zal Van Duijnhoven hebben gedacht: zoek het gevaar op. Zo gezegd zo gedaan. Hij trok naar de oorlog in Bosnië om, als een nieuwerwets soort ‘war-poet’ uit verkiezing, dichterlijk verslag te doen van de oorlog en de gevolgen ervan. Het resultaat voor zijn dichterschap zijn vooralsnog vijftien gedichten in zijn nieuwe bundel Copycat. Die gedichten zijn welhaast journalistiek nuchter, onliterair, to the point en daardoor brengen ze precies de gewenste verontwaardiging en ontzetting teweeg:

Oorlog is ontbinding. Hij maakt

van vrolijke mensen bange mensen

van sportvelden begraafplaatsen. Hij maakt

van benzinetanks gevangenissen. Van granaathulzen

vazen. Van voedsel stront, en van stront voedsel

Hij maakt van huizen ruïnes, van steden kadavers

Hij maakt van parket kachelhout, van een badkuip

een moestuin. Hij maakt van kin derwagens karretjes

om water mee te zeulen. Niets blijft wat het is,

of waar het voor bedoeld is

Oorlogen zijn de maden in het vlees van de beschaving.

Als de schokker geschokt raakt, wordt zijn taal kaal en daardoor indringend. Maar meestal zoekt hij, afgestompt als hij is – ‘meestal blijven mijn ogen/ droog als oud brood’ – naar nieuwe kicks. Die fascinatie met het extreme geeft hem een gedicht als ‘Ace driver’ in, over de dood van autocoureur Ayrton Senna: ‘weet je, ik vraag me af/ wat er eigenlijk door dat/ gehelmde hoofd van je heen ging’.

Toch kun je niet zeggen dat van Duijnhoven kinderachtig om engagement zit te zeuren met de afstandsbediening in de hand. Hij wil best van de sofa af komen en betrokken raken, maar dan zonder partij te kiezen, zonder oorzaken te zoeken, zonder historische verbanden te zien. De echte war-poets waren frontsoldaat, Van Duijnhoven is onafhankelijk oorlogscorrespondent, in vredestijd.

Serge van Duijnhoven: Copycat. Prometheus, ƒ 29,90.

Over Obiit in orbit; aan het andere einde van de nacht (1999)

Obiit in orbit is een stemmige, bij vlagen overrompelende cd die tot het beste behoort wat muzikanten en dichters samen tot op heden in Nederland hebben bereikt. (…) Een van de meest gewaagde poëzieprojecten van de afgelopen jaren.’
– Menno Wigman in Trajectum 18 jan. 1999

‘Mooi zijn de teksten. Heftig. Een bijzonder document. Dat is het.’
– Jos Jagers, in De Nieuwe Revu, jan. 1999

‘Hierop schildert hij met woorden en messcherpe teksten levensechte schilderijen over dood en liefde.’
– Nieuwsblad van het Noorden, 17 febr. 1999

over BLOEDTEST (De Bezige Bij 2003):

ISBN 9023410815
Bloedtest

Serge Van Duijnhoven

De Bezige Bij, 2003, 104 p.

Gelezen door: André Oyen

Een foetus voedt zich via zijn navelstreng
Een patiênt overleeft danzij zijn infuus
En ik, ik lik mijn wonden
Ben met ziel en lijf gebonden

Bevreemdend mooi dat is de term die ik voor deze dichtbundel zou willen gebruiken. Deze dichter heeft een talent waarmee hij de alledaagsheid van het hedendaagse leven timbre en passie kan geven.
Het leven, de dood, de liefde… welke dichter heeft ze niet beschreven?

Ook Serge van Duynhoven doet dat maar wel op een manier waar je stil van wordt en elk gedicht enkele malen wil herlezen. Elk gedicht is een mooi verhaal dat de lezer telkens anders wil interpreteren. Deze bundel werd mij cadeau gedaan. Het is een prachtig geschenk want het betekent voor mij het begin van een zoektocht naar andere dichtbundels van hem.

Meer boeken uit:
Poëzie
Mood: delicaat, gevoelig

CHRONIQUERS VAN ONZE TIJD –

Serge van Duijnhoven

Ronald Ohlsen, ‘Chroniqueurs van onze tijdRonald Ohlsen’

In: Passionate. Jaargang 8 (2001)

http://www.digitalebibliotheek.be/tekst/_pas002200101_01/_pas002200101_01_0061.htm

“De afspraak met Serge van Duijnhoven (1970) naar aanleiding van Wij noemen het rozen (Podium, 2000) is dat ik hem wat vragen per e-mail zal toesturen. Een persoonlijk treffen zit er niet in, want als ik hem bel is hij net bezig de koffers te pakken voor een trip naar Belgrado. Op zijn antwoorden zal ik moeten wachten tot hij is teruggekeerd in zijn woonplaats Brussel. Na anderhalve week ontvang ik het volgende bericht:

Beste Ronald,

Terugkerend uit Belgrado, en je vragen overziend, moet ik concluderen dat al de kwesties die je aan wilt snijden impliciet behandeld worden in mijn verantwoordingachtige hoofdstukje ‘Geen ene rattekut’ dat in deel vier van Wij noemen het rozen kan worden nagelezen. Ik zend je hierbij de tekst toe. Je kunt er vrij uit putten, citeren, etc. Als ik ervan overtuigd was dat ik bovenstaande vragen beter of helderder zou kunnen beantwoorden, dan zou ik op ieder vraagteken apart antwoord hebben gegeven. Ik heb echter geen behoefte om als jouw editor op te treden, of om jou alle werk uit handen te nemen door pasklare knipknap antwoorden te fourneren. Voor een dergelijke aanpak zijn je vragen echt te breed, algemeen, weinig specifiek. Nogmaals, uit onderstaande tekst kun je de antwoorden of conclusies die je nodig hebt voor je special, zelf destilleren.

Met hartelijke groet,

Serge van Duijnhoven

In het hoofdstukje waar de schrijver op doelt staat inderdaad één en ander verwoord van wat ik wil weten. Wat in elk geval duidelijk wordt, is het waarom van zijn geëngageerde opstelling. Nauwkeurig beschrijft hij hoe die is ontstaan, aan de hand van de oprichting van het tijdschrift MillenniuM, dat een tijdsbeeld wilde geven, ‘gezien door de ogen van een nieuwe generatie.’ Van Duijnhoven schrijft: ‘De oprichting van tijdboek MillenniuM, in december 1992, was mede tot stand gekomen als reactie op de fnuikende gebeurtenissen in de brandende achtertuin van Europa. In een poging om enigszins het gevoel van teleurstelling te bedwingen dat na de euforie van 1989 op kwam zetten, formuleerden we in het nulnummer dat we met het cenakelachtige initiatief van het tijdboek en de Kunstgroep Lage Landen “een plek van vriendschap wilden creëren waarbinnen datgene gecultiveerd kan worden dat buiten wordt uitgebannen”. Woorden die even hoogdravend als gemeend waren.

Het engagement kwam in niet geringe mate voort uit een soort anti-engagement: de behoefte om een algemeen overheersend cynisme te bestrijden in een poging niet mee te worden gesleurd door de gruwelijkheden die elders plaatsvonden. Zoals op de Balkan.’

Serge van Duijnhoven foto Johan Steendam

Van Duijnhoven beschrijft vervolgens hoe de Balkanoorlog hem steeds meer begint bezig te houden. Hij werkt aan de afronding van zijn studie Geschiedenis. Ondertussen rijpt bij hem het antwoord op de vraag: ‘Laten we ons te veel leiden door wat er verderop gebeurt, of juist te weinig?’ Hij schrijft:

‘De schilder Picabia zei ooit: “Onze hoofden zijn rond opdat onze meningen alle kanten op kunnen rollen.” In 1995 kan ik me niet langer van de realiteit op de Balkan “ontdoen” met het argument dat je andermans leed niet kunt lenen. Ik wil me niet langer afkeren van de ramp in Europa’s achtertuin. Ik wil erheen. Mijn ommezwaai ervaar ik eerlijk gezegd niet eens als iets inconsequents, meer als een verdergaande consequentie van dezelfde houding. Betekende “s’engager” oorspronkelijk ook niet het vervullen van een dienstplicht?

Het hoofdstukje eindigt met de beslissing om te gaan. Er moet een dienstplicht vervuld worden, een vrijwillige dienstplicht wel te verstaan.

Het nieuws dat ons dagelijks bereikt houdt zich vooral bezig met de “buitenste” laag van de oorlog, de gebeurtenissen, feitelijkheden, de mensen op het politieke toneel. Van de overige betrokkenen zijn er slechts plaatjes, vluchtige interviews en flitsen. Om de “binnenste” laag te ontwaren volstaat het niet om de krant te lezen of de tv aan te zetten. Wie die mensen wil leren kennen, moet naar de oorlog gaan. Nadat ik in september 1995 ben afgestudeerd, vertrek ik met de trein richting Kroatië.’

In het boek Wij noemen het rozen doet hij dan verslag van wat er tijdens de Balkanoorlog in die ‘binnenste’ laag gebeurt. Hij registreert op ontluisterende wijze, plukt iets uit de waanzin van deze wereld en reflecteert daarop. Uit de gesprekken die hij voert met Bosniërs, Kroaten, Serviërs, Bulgaren, Albanezen en Macedoniërs wordt duidelijk hoe ‘gewone’ mensen de oorlog ondergaan. Tientallen passanten stelt hij aan de lezer voor. Maar het is niet alleen de ellende die in het boek een rol heeft gekregen. Er worden ook poëziefestivals bezocht en discotheken aangedaan en Van Duijnhoven mijmert af en toe wat over zijn jeugd. Over hoe het Hongaarse landschap hem doet terugdenken aan de Noord-Brabantse velden waarin hij opgroeide.

Mijn ommezwaai ervaar ik eerlijk gezegd niet eens als iets inconsequente, meer als een verdergaande consequentie van dezelfde houding. Betekende ‘s’engager’ oorspronkelijk ook niet het vervullen van een dienstplicht?

Ik wil naar de telefoon lopen om Serge van Duijnhoven te bellen in verband met nog wat andere vragen die ik hem in mijn e-mail stelde, maar besluit het niet te doen. Al met al heb ik van de verschillende auteurs voldoende losgekregen voor mijn interviewartikel. ‘Naoorlogse kunstenaars hebben altijd gebrek aan thematiek,’ zei de oude Armando in het televisie-interview bij de opening van het Armando-museum in Amersfoort in december 1998. Bullshit. Ik wist natuurlijk allang dat de man toen stond te bazelen, maar ik voelde de noodzaak het nog maar weer eens bevestigd te krijgen. Door schrijvers die net als ik opgroeiden en volwassen werden in de jaren zeventig en tachtig bijvoorbeeld.”

(einde Ronald Ohlson)

Dagblad De Pers, 15 mei 2007, pag.17:

Dirk Koppes

Al jaren bivakkeert Serge van Duijnhoven

in Brussel. Nederland vindt hij

maar een ‘onleefbaar en proto-fascistisch

land’, dus verkoos de voormalige

jonge rapdichter de Belgische

hoofdstad als heimat, na eerder over

de Balkan te hebben rondgezworven.

Ouder en –iets– milder, richt de

schrijver nu zijn blik op zijn Brabantse

roots. Zijn geboortestad Oss staat bekend

om zijn ‘messentrekkers, de roversbenden,

de woonwagenbewoners,

de werklozen en voddenboeren’,

en Van Duijnhoven laat met veel genoegen

hun sappige taalgebruik op

papier weer tot leven komen. Daarbij

past hij het vertrouwde procedé van

de buitenstaander toe, de jongeling

die naar zijn familie en buren kijkt.

Toch is het te gemakkelijk om de ikfiguren

in de verhalenbundel De zomer

die nog komen moest gelijk te schakelen

met de auteur. Daarvoor lopen de

verschillende levensverhalen te zeer

uiteen. Wat wel voortdurend terugkeert,

is de aanraking met de dood.

Vaders, moeders, nonkels, iedereen

gaat na een lang ziektebed ten onder.

Knap dat Van Duijnhoven geen treurig

boek heeft geschreven, hij weet zijn verhalen

op het juiste moment te doseren met

sentiment, humor en een Brabantse

traan.

Oordeel: kopen

Serge van Duijnhoven: De zomer die nog komen moest
Nieuw Amsterdam, €16,50.

Montere melancholie pijnlijk voelbaar gemaakt

KARIN OVERMARS

Serge van Duijnhoven is helemaal terug. Wie was hij ook alweer? Begin jaren negentig bestormde hij de literaire wereld als jonge, woeste allround kunstenaar.

Hij was rapdichter, multimediaal videoartiest, frontman van het tijdschrift MillenniuM, prozaschrijver, zanger en wat al niet meer. Naast poëzie en verhalen schreef hij de roman Dichters dansen niet (1995). Maar net zo snel als hij was opgekomen, verdween hij weer van de radar. Hij vertrok naar de Balkan om de oorlog te verslaan (nog een extra discipline) en woonde in Brussel. En nu is er de nieuwe verhalenbundel De zomer die nog komen moest. Ook vernemen we van zijn uitgeverij dat Van Duijnhoven (1970) de afgelopen tien jaar is ‘gegroeid, als mens en als schrijver.’

Groeien als schrijver is één ding, maar groeien als mens klinkt een beetje spiritueel en onzinnig. We worden allemaal ouder, dus Serge van Duijnhoven ook. Of ligt het gecompliceerder? Ik twijfel, want met De zomer die nog komen moest is wel degelijk iets eigenaardigs aan de hand. De verhalen lijken geschreven door een ‘wijze ziel’, om het spiritueel te zeggen. Van Duijnhoven presenteert zich als een man in de herfst van zijn leven. Hij heeft alles gezien en is overal geweest, zelfs in Sarajevo, zelfs in Brussel en Amerika, en nu is het tijd om weemoedig terug te blikken en de balans op te maken.

Een terugkerend thema in het boek is de sentimental journey. De personages gaan terug naar hun geboortegrond, ze dolen rond in straten uit hun jeugd, proberen het verleden terug te halen en sporen oude buren op. Ook het klassieke bezoek aan de oude school komt voorbij: ‘De bedwelmende, hygiënische stank van boenwas en schoonmaakmiddelen, waarmee van staatswege voorkomen moest worden dat de leerlingen hun geur in het gebouw zouden impregneren, bracht bij mij herinneringen boven aan mijn eigen schooltijd.’

In De zomer die nog komen moest keert de schrijver herhaaldelijk terug naar Oss, de stad waar hij zijn jeugd doorbracht. Hij haalt herinneringen op aan een wintersportvakantie in een desolaat skioord. Mooie beschrijvingen, vervreemdend, maar dat is het dan ook. Een trip naar Amerika maakt hij ook nog, om de begrafenis van een oom bij te wonen. Herinneringen. Weemoed. En de dood, die hakt er flink in, in dit verhalenboek. Leven is verliezen, lijkt Van Duijnhoven te willen zeggen. Een opmerkelijke conclusie voor de Titaan die Van Duijnhoven tien jaar geleden nog placht te zijn.

Eén van de karakters, een jonge vrouw, ondergaat een baarmoederoperatie: ‘Ik lig hier bloedend en druipend. Beetje weefsel weggeschraapt, gebrand. De klem zodanig opgeschroefd dat er gewerkt kon worden. Plaatselijk verdoofd. Vogelbektang.’ Na afloop bedenkt de vrouw, nu haar baarmoeder toch een ‘natte, rode moesson’ is, dat ze wel ijsjes kan maken van haar menstruatiebloed. Ze is conceptueel kunstenares, vandaar. Maar ook met die ijsjes wordt het niks: ‘Het smaakte niet. Sliertjes van gestold bloed bleven plakken tegen mijn gehemelte.’ Daarop volgt dan in elk geval nog een verhelderend inzicht, namelijk dat de dood vast niet slechter is dan het leven.

Nee, dit is geen vrolijke bundel verhalen. Vergankelijkheid en menselijke desillusie zijn ook geen vrolijke thema’s, maar gelukkig dat het zeker niet blijft hangen in fatalisme en wat mooie sfeerschetsen. Want Van Duijnhoven kan wel degelijk schrijven. Eén verhaal, over een ongeneeslijke zieke vader die zich trots blijft verzetten tegen zijn naderende dood, is hartverscheurend. Daar legt Van Duijnhoven zijn masker van de wellevendheid en het Titanendom volledig af en is hij opeens de weerloze kleine jongen die zijn vader verliest. In de rest van het boek blijft hij op afstand. Montere melancholie, pijnlijk voelbaar gemaakt verlies. Hoop schijnt nauwelijks aanwezig, maar de karakters proberen zich hoe dan ook staande te houden. Zo goed en zo kwaad als het gaat. Ergens verzucht de schrijver: ‘Oud worden is een fulltime opleiding met je eigen grafsteen als diploma.’

Ik weet niet of het enkel een compliment is, maar Van Duijnhoven heeft geen grafsteen meer nodig. Opleiding afgerond, cursist geslaagd.

© Het Parool, 24-05-2007

De zomer die nog komen moest – Serge van Duijnhoven

  • donderdag 03 mei 2007

  • |Wendy Hermsen

Na de verschijning van zijn bundel De overkant van het geluk in 1997 vertrok Serge van Duijnhoven naar de Balkan. Daar deed hij verslag van de oorlog. Zijn volgende stop was Brussel, waar hij zich richtte op poëzie en journalistiek.

Zijn groei als mens en schrijver toont Van Duijnhoven met zijn nieuwe verhalenbundel De zomer die nog komen moest. De tegendraadse jonge rapdichter van weleer laat in zijn nieuwe prozawerk een verrassend rijp stemgeluid horen.

Messentrekkers
In De zomer die nog komen moest keert de auteur terug naar zijn geboortestad in Brabant. Hij stem geeft ‘de messentrekkers, de roversbenden, de woonwagenbewoners, de werklozen en voddenboeren’ een stem.

Vader profileerde zich als de gezagrijke spil van een familiair nest van rovertjes uit armoede, een soort kruising tussen een godfather en Robin Hood. Een gangstertje van stand die als notaris de goede schijn op kon houden, en intussen ongehinderd zijn borreltjes kon drinken en carambole spelen met het uitgemangelde gemene volk in uitspanning Den Bergsen Hoek: het rokerige drankhol waar de biljartkeus gemakkelijk in stukken gebroken konden worden, en waar de stiletto’s en slagersmessen rechtop in het hout van de tafels werden gestoken zodra onenigheden beslecht dienden te worden.

Als hij zijn geboortegrond verlaat, reizen we met hem mee naar de Verenigde Staten. De tocht brengt ons verder. We passeren de donkere kant van Brussel en Sarajevo.

Verfijnd
De hoofdpersonen zijn op zoek naar iets wat ze verloren hebben of wat op brute wijze ontnomen is. De verhalen van weemoed en verlangen getuigen van een verfijnd zintuiglijk en stilistisch vermogen. “Serge van Duijnhoven is een Van Gogh die schildert met woorden” schreef de Volkskrant over De zomer die nog komen moest.

Boekinformatie
De zomer die nog komen moest
Serge van Duijnhoven
ISBN 9789046802120
Uitgeverij Nieuw Amsterdam
€16,50

www.nieuwamsterdam.nl


Literaire trein trekt van Lissabon naar Moskou

Honderdzeven Europese schrijvers, onder wie Mariët Meester en Serge van Duijnhoven, trekken per luxe trein dwars door Europa om de literaire contacten te versterken.

Door onze correspondent STEVEN ADOLF – NRC-Handelsblad 09.06.2000

MADRID, 9 JUNI. Vier eersteklasrijtuigen, een restauratiewagen en een bagagewagon arriveerden woensdagavond met 107 schrijvers uit 43 Europese landen in Madrid. Een dagreis weg van melancholiek Lissabon aan de Atlantische kust, dwars door de glooiende groene heuvels van de Alentejo, via de ruige uitgestrektheid van Extremadura tot de Castiliaanse kern van het Iberisch schiereiland. Het eerste traject van de Literatuur Europa Expres 2000 zit er op. Zes weken lang zal de trein verder door Europa trekken. Van vertrekstation Lissabon via Sint Petersburg en Moskou tot het eindpunt 16 juli in Berlijn. Dwars door wouden, bergen en steppen, met tussenstops ondermeer in Parijs, Brussel, Kaliningrad, Minsk en Warschau.

Het idee van de Europese literaire trein ontstond drie jaar geleden, zo lichtte organisator Thomas Wohlfahrt van de Literaturwerkstatt Berlin gisteren toe bij de officiële ontvangst in het Madrileense Casa de America. Het leek hem een goede manier zo het Europees netwerk van literaire contacten te versterken. Na afloop van de reis wordt de deelnemersgevraagd hun bespiegelingen te beschrijven. Het resultaat daarvan zal worden gepresenteerd tijdens de Frankfurter boekenbeurs in het komende jaar. Volgens Wohlfart zal de reis eveneens worden benut om de noodzaak van meer steun voor vertalers onder de aandacht te brengen.

Naar verwachting zal het literaire project, gesteund door de Europese Unie, de lokale overheden en literaire fondsen, zijn tol eisen van de deelnemers: bij iedere halte staat de schrijverstrein een uitgebreid programma van optredens, fora en ontvangsten te wachten. De Nederlandse deelneemster Mariët Meester, die samen met collega Serge van Duijnhoven Nederland vertegenwoordigd, vreest een uitputtingsslag. “Er is een kans dat ik het niet haal”, zegt ze tijdens een broodje tortilla in de kunstenaarssociëteit Bellas Artes. “In Lissabon had ik een optreden tot een uur ’s nachts, en moest ik om vijf uur weer op om de trein te halen. Als dat zo doorgaat…” Van Duijnhoven heeft reeds een koutje opgelopen door de airconditioning in het Lissabonse vijfsterren hotel, maar verklaart door te treinen tot het bittere einde. Tot dusver valt er evenwel weinig te klagen. “We worden in de watten gelegd”, aldus Van Duijnhoven. “Luxe-hotels, cadeautjes, speciale begeleiders die met Duitse Gründlichkeit voor ons klaarstaan.”

De literaire Trans Europa Expres volgt de historische route gekozen van de noord-zuid expres die in 1896 werd ingesteld na jarenlange inspanningen van de Belgische zakenman George Nagelmackers: van Lissabon tot Sint Petersburg, met tussenstops in Parijs, Brussel en Berlijn. Nederland zat niet in de continentale dienstregeling. En als gevolg daarvan werd het literaire productiefonds ook niet benaderd voor een tussenstop in Amsterdam, aldus de organisatoren. Serge van Duijnhoven: “Dat heeft ook met Nederland zelf te maken. Het productiefonds vindt het maar een megalomaan project. De grote woorden die hier in Madrid als welkom werden uitgesproken, zal je in Nederland nooit horen. Nederland is politiek wel Europees ingesteld, maar cultureel meer transatlantisch.”

Ook in Lissabon kon de trein rekenen op een enthousiaste ontvangst. Van Duijnhoven trad op in een circusschool nabij het Castelo de São Jorge in de oude binnenstad en tracteerde zijn gehoor ondermeer op een aantal rap-teksten in het Nederlands en Engels en liet een stukje van een cd horen. Mariët Meester las en vertaalde tekst voor in een nabijgelegen cybercafé. Van Duijnhoven hoopt voor zichzelf te kunnen formuleren wat zijn positie ten aanzien van Europa is. Een sterkere Europese identiteit kan volgens hem oorlogen als op de Balkan voorkomen.

Meer dan honderd schrijvers (Wohlfahrt: “een orkest van solisten”), zes weken in een trein. Dat lijkt vragen om problemen. Spanningen op de Noord-Zuid Express bleven volgens de Nederlandse auteurs tot dusver evenwel binnen de perken. Van Duijnhoven moest een laveloze collega uit Litouwen met een rolstoel uit zijn hotelkamer in Lissabon laten verwijderen en Meester kreeg de rug toegekeerd van Roemeense schrijver toen haar boek over de zigeuners in dat land ter sprake kwam. De Duitse organisatie heeft de hulp van een reispsycholoog ingeschakeld om mogelijke crisis-situaties te kunnen beteugelen. In Parijs komt een dokter aan boord. De trein vertrekt vanavond met couchettes richting Franse grens.

De literaire Europa Express 2000: Parijs 12-15/6; Brussel 16-18/6; Hannover 20-22/6; Sint Petersburg 2-5/6, Moskou 5-8/7, Berlijn 14- 7)

De M&G-Interviews: Serge van Duijnhoven

Serge van Duijnhoven: ‘Afbladderende kalk en verf. Krakerig, rauw. Dingen die onaf zijn. Hier, in een hotel aan de rand van de goot van Amsterdam waar àlle soorten mensen komen, bouwen we op de puinhopen iets nieuws. Beneden in de WC stond op de muur geschreven: Please don’t let me die in this century. Een prachtige leuze, die precies aangeeft wat ik wil: ik wil verder komen, niet blijven steken in het slappe moralisme dat deze eeuw heeft gekenmerkt. Niet: links/rechts, goed/fout, maar: een gevoeligheid ontwikkelen voor wat een mens werkelijk is in zijn rijkste expressievormen, in al z’n mogelijkheden.’

De Kunstgroep Lage Landen heeft haar onderkomen in de bouwvallige vleugel van Hotel Winston in de Amsterdamse Warmoesstraat. We bereiken de redactieruimte via het dak van het hotel. Een lage tafel met houten stoelen er omheen. Beneden, voor de ingang van het hotel, worden renovatiewerkzaamheden uitgevoerd. Met het door het boren veroorzaakte kabaal op de achtergrond praat Serge van Duijnhoven (1970) over de kunstgroep, waarvan hij mede-initiator is. Een uit ruim zeventig jonge Vlaamse en Nederlandse kunstenaars bestaand veelkleurig gezelschap, dat theater, beeldende kunst, architectuur, muziek, journalistiek en literatuur wil vermengen. Daartoe organiseert ze lezingen en salons, geeft ze commedia dell’ arte-voorstellingen in de open lucht en maakt ze een kwartaaltijdschrift dat de naam Millennium draagt. De groep zal zich in de zomer van 2000 opheffen. In de zes jaar die ze nog scheidt van dat jaar is de groep volgens het voorwoord in het nulnummer van haar tijdschrift voornemens ‘een bescheiden bijdrage aan de heroriëntatie te leveren’.

‘De jaren tachtig, waarin ik tiener was, waren koude jaren. Ik kwam in ‘82 op de middelbare school en keek erg op tegen oudere meisjes die, in het zwart gekleed en met mascara op de ogen, tegen kernraketten demonstreerden, hasjiesj rookten en thee dronken in de theetuin. Ik was daar – als onbezorgd ventje – nog niet aan toe maar heb wel sterk die bestaansangst opgepikt. Die songteksten als There’s no time to be young, de film The day after, het neerschieten van die Boeing in Korea. Daar begon ik sterk mee te leven. En in de tweede helft van dat decennium; het hedonistisch materialisme; op wintersport, hotels, vakanties. Tegelijkertijd ging ik zelf door een corridor de passage. De puberteit heb ik ervaren zoals die verwoord is in Le bachelier van Jules Vallès: hij beschrijft iemand met idealen, die gekleineerd wordt, in zogenaamd goede banen wordt geleid. Ik kom wel eens mensen tegen die zeggen: die puberteit, daar heb ik helemaal niks van gemerkt. Dat kan ik me zo slecht voorstellen.
Juist op het moment dat ik uit die puberteit kwam, kwamen de muren in Europa naar beneden. Ik vond dat heel symbolisch. Als je ervanuit gaat dat iedere generatie z’n eigen plaats moet bepalen ten opzichte van gebeurtenissen die de tijd markeren zijn dat voor ons: het failliet van de ideologieën, het verlies van de ‘veilige’ Koude Oorlog en de barbarij in Joegoslavië. Het besef dat de volstrekte vanzelfsprekendheid en onkwetsbaarheid waarin ik leef wel eens iets zou kunnen zijn dat voorbij gaat. Wij moeten, ik moet er voor zorgen dat de gemeenschap behouden blijft, dat bijvoorbeeld die multi-culturele samenleving mogelijk is.

‘We zijn jong, we zijn arm, we zijn vrij. We hoeven niemand verantwoording af te leggen. Zelfs Prometheus, die het tijdschrift uitgeeft, heeft geen enkele zeggenschap over de inhoud. We kenmerken ons door de wil om, juist in deze periode van heroriëntatie, niet strikt individueel bezig te zijn maar raakpunten te zoeken met anderen, uit verschillende genres. Tegelijkertijd willen we reflecteren, nadenken over wat we zelf maken, in welke verhouding we staan tot onze omgeving.
Ik wil onder woorden brengen wat het nu is dat onze generatie bijeen houdt. Hoe staan wij tegenover belangrijke ontwikkelingen in deze tijd, hoe verhouden we ons tot hoop op een betere toekomst? En keer op keer stuit ik daarbij op een sceptische, fatalistische mentaliteit. Die wil ik, vanuit mijn eigen wilskracht en overtuiging, veranderen; het debat aangaan. Ik zie gelukkig om me heen dat er steeds meer vergelijkbare groeperingen ontstaan – de NJMO (Nationale Jongerenraad voor Milieu en Ontwikkeling) op politiek niveau, NOVIM op economisch niveau. Het bloeit op. Allengs verdwijnt het cynisme, het onvermogen om ergens in te kunnen geloven, de onverschilligheid. Veel mensen kunnen nergens bevlogenheid voor opbrengen: ze zijn het gewend nee te zeggen, maar stellen er geen alternatief tegenover. We richten ons niet alleen op jongeren, want die houding loopt dwars door de generaties heen. Kijk maar naar J.L. Heldring, Hugo Brandt Corstius, Maarten van Rossem, Renate Rubinstein.’

Hij maakt een opvallend zelfverzekerde indruk. Eén voet zet hij op de stoel naast hem, zo nu en dan gooit hij koket het hoofd achterover. En Serge van Duijnhoven legt z’n hand op zijn boeken, als hij over ze spreekt.
‘Ik ben verwekt in 1969, geboren in 1970. Hoewel mijn ouders zelf niet Frans zijn, is er in mijn familie altijd een sterke band met Frankrijk geweest. Zo ben ik vernoemd naar Serge Gainsbourg, die in ‘69 de wereld verblijdde met Je t’aime, moi non plus.
Ik kom uit Oss, een industriestad zonder enig natuurlijk schoon. Het Maasland vol met slachtvee, en talloze vleesfabrieken. Een klein Chicago – ook in de mate van criminaliteit. En er was AKZO Farma. Er reden tientallen vrachtwagens door de stad met Moeders voor Moeders, voor de apothekaire lading van de pil. De pil, die eigenlijk niets anders is dan een tegenhanger van de hostie die op de tong wordt gelegd, in een uitgesproken katholieke stad in Maasland! De sacristie van de duivel.
Vroege herinneringen zijn die aan wandelingetjes met mijn ouders, en aan de kermis. Een opgezette walvis, die je voor een gulden kon bekijken. Ik was een levenslustig jochie. En later, die beklemming van kleinburgerlijke vaste gewoonten, zó sterk dat ik van mijn ouders weggroeide en ik nog maar weinig heb om met ze over te praten.

‘Mijn vader is als ingenieur verbonden aan de waterleidingmaatschappij in Oost-Brabant. Een heel handige man, met een buitengewoon mathematisch inzicht, maar die zich helemaal niet kan uiten. Hij is op een bepaalde manier heel primitief. Goedwillig, mild. Zijn vader – mijn opa – was boer, met een paardenploeg. Mijn vader is een eenvoudige man, zeker ook in vergelijking tot mijn moeder, die gecompliceerd is. Ze kan geen maat houden. Een dominante vrouw, die uit een gezin van zestien kinderen komt waar een tiran de scepter zwaaide; mijn opa misbruikte zijn vrouw en commandeerde z’n kinderen. Ik denk dat mijn moeder daar wel wat aan over heeft gehouden. Ze heeft zich er wel tegen verzet, maar kan nog steeds heel handtastelijk worden. Ze heeft me de haren wel uitgerukt.

‘Het was een echte sportfamilie, ook. Tennisouders zijn in zekere zin het meest verschrikkelijke tuig wat er is, omdat ze al hun verwachtingen op hun kinderen projecteren. Toen mijn broer de competities opgaf, veroorzaakte dat veel haat en nijd.
De middelbare school-keuze tussen A of B was voor mij een enorme strijd, die ik heb verloren. Natuurkunde, scheikunde, ik had er geen enkel talent voor maar moest me schikken. In de belevingswereld van mijn ouders was toneelspelen iets voor homoseksuelen. Ik moest stiekem schrijven, stiekem toneelspelen. Op een middag, terwijl ik in de schoolbanken zat, heeft mijn moeder onder het mom van ‘nu is het wel genoeg met dat geschrijf’ de beschreven velletjes die op mijn bureau lagen weggegooid. Op die velletjes ontdekte ik – in een romantische stijl, met veel hoofdletters – mijn belevingswereld. Zelfs bij de meest politieke gedichten ging het heel lyrisch uit van ‘ik’; Serge van Duijnhoven, die spreekt. Dubbele punt, aanhalingstekens openen, hoofdletters. Ik schreeuwde het als het ware uit. Het verlangen naar de overkant. De onmogelijkheid van drijfveren. Een gesteldheid, een état d’âme, die ik blijkbaar heb, want met die thema’s werk ik nog steeds.
Er was ook een sexuele beklemming. Dat lichaam dat van onderaf aan het poken is. Branderige verlangens waar ik niet mee wist om te gaan. Ik ervaarde m’n vroegrijp zijn als hinderlijk, ongewenst. Ik verlangde naar liefde, ook lichamelijk, maar was er geestelijk nog niet rijp voor. Ik vluchtte in de romantiek, nam het verlangen ridderlijk op als iets transcendentaals. Een soort vervangingsmiddel van die lichamelijkheid. Geen romantiek in negatieve zin, het ging direct gepaard aan een soort intellectuele finesse. Het gaat me te ver te stellen dat het een substituut was, want ik heb niet het idee dat er seksueel gezien iets met me mis is en toch beschouw ik mezelf nog steeds als rationeel romanticus.

‘Ik was erg ontvankelijk voor nieuwe, onbekende dingen, een magister, en plots ontdekte ik Léo Ferré’s credo Noch God, noch meester. Een credo, waarachter een hele wereld verscholen lag. Een enorme bevrijdingsdrang van opstandig individueel anarchisme. Ik bracht mezelf dat credo als ere-litteken op. Ik schilderde, met gepaste trots, Ni dieu, ni maître! met rode verf op een zwarte trui. Het was: kijk, dit durf ik te zeggen. Daarvoor hoefde ik overigens niet ver te gaan: als bewonderaar van Vestdijk was ik op die school even zo goed opgevallen. Ik had er de gevoeligheid voor, liet me er in meeslepen en daarin onderscheidde ik me van leeftijdgenoten in mijn omgeving. In die niet-politieke zin beschouw ik me als anarchist. Ik hoef geen verantwoording af te leggen aan anderen om datgene te doen waarvan ik denk dat het het beste is. Je neerleggen bij de loop der dingen vind ik armoedig.
Iemand die erg samenhangt met Ferré en minstens zoveel voor me heeft betekend is Arthur Rimbaud. Het toeval wilde dat Ferré die moeilijke, vrijgemaakte, rijke poëzie op fabuleuze wijze op muziek heeft gezet, nou, dat deed me wat hoor.
En tenslotte was er Lord Byron en diens leefwijze. The great object of life is sensation, to feel that we exist even though in pain. Heel romantisch, en een prachtig motto voor een jong iemand die op het punt staat het leven te ontdekken, z’n puberteit openbreekt. Ik was zeventien.

‘Tot dan toe had ik er in wezen alleen voor gestaan. Ik had wel hulp van een meisje, een lesbiënne die heel ver was in haar mentale ontwikkeling, en van een man, een soort oom, die me adviezen gaf. Hij is nu 73. Hij was in de oorlog naar Engeland gevlucht, vocht er in een hurricane, hielp Europa mee bevrijden, en is daarna naar Indië gegaan, waar hij gedeserteerd is uit het leger omdat het Nederlandse leger de Engelse troepen min of meer overnam. Hij heeft daar overleefd als chemicus en kwam later bij AKZO Farma in Oss terecht. In veel opzichten is hij meer mijn vader dan mijn echte vader. Een geestelijke vader. Hij heeft me grootgebracht, nam me aan de hand mee naar een boekhandel en zei: zoek maar wat uit. Nou, dat heb ik geweten.
Toen ik de schoolkrant – De Overkant – oprichtte kreeg ik eindelijk geestverwanten om me heen. Dat ging achteraf gezien bijna als vanzelf. En wonderbaarlijk genoeg zit een groot deel van de mensen die ik toen leerde kennen nu bij Millennium.

‘Het vermogen om me met een religieuze gevoeligheid op te laden ben ik niet kwijt geraakt. Ik zing tegenwoordig als bas requiem-missen, Gloria’s in een oratoriumkoor in een kerk, waarmee die gevoeligheid weer zijn plaats vindt. Léo Ferré zei: Het allermooiste gebouw is de kathedraal van Chartres, maar ik ga er niet in want het stinkt er. Maar ik wil niet vast zitten in hetgeen waar ik me tegen af zet. Ik erken het leven in zijn beperkt patroon. Ik aanvaard het leven niet als iets volkomen absurds, want: alles is er om te blijven voortbestaan, en deel te hebben aan het patroon. Dat is een manier om te voorkomen dat ik denk: met mij houdt alles op, omdat ik eens doodga is alles zinloos.’

Behalve als voorman van de Kunstgroep Lage Landen doet Serge van Duijnhoven van zich spreken als schrijver en dichter. Vorig jaar debuteerde hij met zijn poëziebundel Het paleis van de slaap. Cryptische, vaak verhalende gedichten waarin gevoelens van angst, onrust, hoop en zwaarmoedigheid bij toerbeurt de dienst uit lijken te maken. Wedijver der private organismen heet er een. Binnenkort verschijnt zijn eerste roman, Fatale limiet.
‘Toen ik me bevrijd had van de kleinburgerlijke dogma’s besloot ik te gaan schrijven. Gedichten, verhalen, een boek dat Cascade heette. Het was van meet af aan heel serieus.
A. F. Th. van der Heijden heeft veel voor me gedaan. Ik begon met hem te corresponderen in de tijd dat hij aan Het leven uit een dag werkte, hij was heel geïnteresseerd en gaf me praktische adviezen: altijd een blocnote op zak, veel brieven schrijven. Via hem ben ik ook voor het eerst aan platen van Ferré gekomen. Ik denk dat hij iets van zichzelf in me herkende: een Brabantse jongen, die iemand nodig heeft om de weg te leiden. Hij zelf heeft zo’n figuur moeten missen.’

Hij gist, hij broedt
hij waakt over wat hij
in het donker zoekt
de weg naar de opening
van de ogen
Hij luistert naar
de geluiden van de nacht:
een kraan die druppelt
een telefoon die sjierpt
een deurbel die bezwerend
zoemt. De slaap lost
met de jaren op
(uit het gedicht Hypnagoog)

‘Ik ben niet iemand die alles dat recht uit andermans ziel komt daarom meteen maar bewondert. Gooi de sluizen maar open, daar hou ik niet van. De gedichten in Het paleis van de slaap zijn portretten van mensen en situaties. Er is niet alleen een stilistische afstand; ook de afstand tot mezelf is groot. Ik wil fijnslijpen, goed beredeneren, zònder mijn onbevangenheid en oprechtheid te verliezen. En daarbij is thematische verdieping belangrijk voor me, zoals de slaap in deze bundel. Aan het eind van een dichtbundel wil ik een reis gemaakt hebben.
Ik ben op m’n 23e bij een vooraanstaande literaire uitgeverij gedebuteerd, maar ik voel me niet uitverkoren: ik vond zelfs dat het rijkelijk laat kwam. Ik heb niet hoeven leuren. Bas Heijne heeft er voor gezorgd dat ik werd uitgegeven. Weer zo iemand die me een duwtje heeft gegeven. Ik kwam hem tegen in De Balie, waar hij Richard Holmes interviewde. Hij liet tussen neus en lippen door weten dat hij Lord Byron achterna was gereisd. Dat verlangen had ik ook altijd gehad en dat vond hij zo leuk dat er een vriendschap uit voort kwam. Hij heeft ook vergelijkbare problemen gehad in het begin van z’n carrière als ik. Ik heb gemerkt dat mensen niet begrijpen dat zo’n jong iemand als ik zich met slaap bezig houdt, of met de monarchie. Ze denken: dat moet wel een soezende dichter zijn. Vroeg oud. Tieners die dwepen met de jaren zestig en zeventig, de muziek, de kleding, dàt vind ik vroege ouderdom. Nostalgie naar een tijd die je niet hebt meegemaakt, de grootste onzin.
De slaap is zo’n ontzettend rijk domein, een prachtige metafoor. Het bepaalt ons levensritme. Onze generatie krijgt het verwijt dat we de generatie zijn die slaapt. Ik ben er niet bewust op uit andere onderwerpen te hebben dan anderen; fascinaties kun je niet plannen. Andere kritiek die ik hoor is dat ik m’n boek meer cachet zou geven door motto’s uit de literatuur te citeren, wat niets anders is dan het samplen van een James Brown-kreet in een house-track.
Mensen willen ons graag zien als de computergeneratie. Maar de blik op de toekomst impliceert nog niet direct cyberseks en virtual reality. Het moet gepaard gaan met een gevoeligheid voor het verleden. Poëzie is iets dat blijft, daar ben ik van overtuigd. Het heeft toekomst, juist omdat mensen minder tijd hebben. Zoiets als een videoflits.

‘Mensen die aan de rand staan, die de grenzen kunnen verleggen, hebben altijd mijn speciale interesse. Ook hedendaagse bohémien-kunstenaars die aan de Kunstgroep zijn verbonden, zoals Harmen de Hoop. Ik ben zelf ook grenzen aan het verleggen. Het gaat me om het punt tot waar de menselijke vrijheid reikt. Ik ben op zoek naar krachten die ons nog steeds beperken. Mijn roman Fatale limiet gaat over het leiden van een dubbelleven. Een dichter, die ik Remi Overman heb genoemd, houdt op jonge leeftijd op met dichten en verdwijnt. Hij begint onder een andere naam aan een leven in Amerika. De verteller gaat naar hem op zoek.
Niet voor niets staat Las Vegas op de cover van mijn bundel. Dat is de stad waar je een tweede leven kunt leiden, waar mensen stiekem trouwen, waar mensen alles doen wat God verboden heeft. Via een dubbelleven kun je je mogelijkheden vergroten, je leven organisatorisch op een hoger plan zetten. Op elk moment kun je zeggen: ik stop met dit leven en ga een ander leven leiden. Dat is een geruststellende en tegelijkertijd beangstigende gedachte. Beangstigend, omdat dat eerste leven daarmee sterft. Er is geen terugkeer naar mogelijk. De fatale limiet. Als ik genoeg heb van Serge van Duijnhoven, word ik wel iemand anders. Die kans wordt groter naarmate ik het gevoel krijg dat ik me ga herhalen. Er is dan weinig reden meer om als Serge van Duijnhoven door te gaan.

‘Het jaar 2000 verliest steeds meer betekenis. Er wordt al in veel minder utopische zin over gedacht dan tien, twintig jaar geleden. Ik relativeer dat ook sterk. Het gaat het me niet om het vieren van een spetterende oudejaarsnacht. De mars naar de nullen is een symbolisch gegeven. De gedachte erachter is: 2000 als schone lei, de toekomst vrij maken. De realiteitswaarde daarvan is natuurlijk nul komma nul, maar het is een dwingend symbool. Er is iets afgesloten, maar het is niet duidelijk wat er voor in de plaats komt.
Ik hou me in wezen met drie dingen bezig: het ontwikkelen van nieuwe gemeenschapszin – zoals in enge zin met Millennium – door bruggen te bouwen tussen groepen die nu nog gescheiden leven, door middel van kunst. Kunst als wapen tegen een cynische wereld.
Dan een streven naar een nieuw werkethos. De werkloosheid die door de automatisering structureel is kun je niet ontkennen. De vakbond zou zich niet moeten bezighouden met het redden van arbeidsplaatsen die eigenlijk toch overbodig zijn, maar doordrongen moeten raken van het besef dat het leven niets anders is dan een persoonlijke invulling geven aan de tijd. Kunstenaars die bezig zijn met die eigen invulling worden met de nek aangekeken, dat is toch bespottelijk. Er zal van een nood een deugd gemaakt moeten worden.
Tenslotte wil ik me richten op de veelvuldigheid van het leven. Onze cultuur is de afgelopen decennia sterk bepaald door het eenduidige. Het hebben van één vrouw, één familie, één baan, het wonen in één land. Ik denk dat je veel leed voortkomt door een levenshouding te ontwikkelen die op het veelvuldige is toegesneden. Ik geloof bijvoorbeeld niet in één eeuwige liefde, niet in de Maria van mijn dromen. Die veroorzaakt alleen pijn.
Aan de hand van die drie motto’s ontwikkel ik een levenshouding.

‘Mijn leven nu is druk, jachtig, flexibel. Op het gebied van de liefde leid ik een veelvuldig leven, met verschillende vriendinnen. Ik kan makkelijk van situatie veranderen. Ik leid een leven als student geschiedenis, als jong schrijver, als iemand die een groep heeft opgericht, als minnaar van drie vrouwen. Ik word gedreven door gespletenheid. Ik heb zeven pseudoniemen.
Ik woon samen met mijn broer Pascal. Hij vindt me op veel gebieden maar een rare kwast, dat ik een grote mond heb en over oninteressante dingen praat. Zijn houding is die van: je moet niet zo zeuren, niet zo moeilijk doen. Ik zie, misschien wel vooral door hem, hoe belangrijk de kleur schoenen of de stereotoren kan zijn voor anderen. Mijn broer zal zich ook echt niet druk maken om de body-art van Petra van der Steen (van de Kunstgroep). Het is niet aan hem besteed.’

Iets wat op het eerste oog los lijkt te staan van zijn andere schrijfsels is het boekje over Haile Selassie, dat verscheen in de door René Zwaap en Mohammed El-Furs in gang gezette reeks mini-biografieën.
‘Rimbaud was bevriend met de vader van Haile Selassie, dat is de link. Daarbij was ik geïnteresseerd in Ethiopië, dat met name in de jaren tachtig toch de hel op aarde was. Het levensverhaal van Haile Selassie is tekenend voor de geschiedenis van dat land. Een sprookjesachtige, vreemde levensgeschiedenis, waar ik iets mee wilde doen. Ethiopië is lange tijd het land geweest waarvan men dacht dat het het paradijs op aarde was. Zoals ik bezig was met ‘de overkant’, wilde ik me ook verdiepen in iets dat in die zin stond voor luilekkerland. Het goudland, op drie dagreizen afstand van het aards paradijs, zoals in de Bijbel staat. Ik wilde – eigenlijk in navolging van Kapuchinski –  een allegorie schrijven. Het was mijn kritiek op het koningshuis hier en in België, waaraan ik de schurft heb. Typisch iets dat we overboord zouden moeten gooien.

‘Ik werk aan een dichtbundel, waarin alle kamers uit Hotel Winston symbool staan voor fases uit het leven. De gang van de puberteit, de kamer van de jeugd, de kamer van de geboorte, de kamer van de dood, de bar als ruimte om de nacht door te brengen.
In juni vorig jaar was ik hier ’s nachts een keertje beland. Ik werd gerold van m’n geld, dus ik ben de volgende dag teruggegaan. Toen de eigenaar hoorde van de kunstgroep bood ie ons direct ruimte aan. Vijftien kamers, tachtig meter lang, voor ateliers. De computer, de kasten, het licht, we maken er allemaal gratis gebruik van. Mecenassen bestaan blijkbaar nog.
Een ander boek dat ik wil schrijven is een roman waarin een mooie conflictsituatie tussen verschillende generaties wordt uitgewerkt, toegespitst op Nederland. Een boek waarin ik – in navolging van Gevoelens op drift van Yves Simon –  op een moderne manier het levensgevoel van de jaren negentig verwoord.
Ik wil proberen of ik dat kan.’

Maarten Slagboom

8 februari 1994

http://weblogs.vpro.nl/bureaubinnenland/2008/01/26/de-mg-interviews-serge-van-duijnhoven/

LASTIGE VRAGEN

(Serge van Duijnhoven)

Weet u zeker dat het voortbestaan van het menselijk ras, wanneer u en iedereen die u kent er niet meer is, u echt interesseert? Het zal me niet interesseren.

Waarom?

Op dit moment leven we in een tijd waarin de angst voor de nucleaire apocalyps, die deze vraag actueel maakt, niet echt meer leeft. De ecologie verdient nu in de eerste plaats onze bezorgdheid. In zekere zin is de natuur, de aarde, slachtoffer van het onbekommerd voortbestaan van het menselijk ras. Vaak denk ik dat het voor de natuur daarom maar het beste zou zijn als de mens binnenkort langzaam zou uitsterven. De menselijke soort is voor mij absoluut niet heilig, of het allerheiligst doel van een schepping. En de vraag of over tienduizend jaar nog Dante gelezen wordt, of de Eiffeltoren nog zal staan, of Noord-Nederland niet is verdronken lijkt me een uitgemaakte zaak.

Wie zou u liever nooit zijn tegengekomen?

‘Ik wou dat ik je nooit was tegengekomen,’ dat schreef ik ooit aan een meisje in Amerika toen ik na een lang verblijf terug moest naar Europa. Ik kan haar maar niet uit mijn hoofd zetten, en alles wat er had kunnen gebeuren als ik was gebleven. Dat neigt me ertoe te antwoorden: diegenen met wie de liefde nooit een rechtvaardig einde heeft kunnen krijgen.

Wie van degenen die dood zijn zou u willen terugzien?

Mijn zusje en mijn grootvader die ik beiden nooit heb gekend. En vooral Arthur Rimbaud, Archilochos en Lord Byron: allen dichters die niet alleen geschreven, maar vooral ook geleefd hebben. Maar ook Johnny van Doorn, met wie ik voor zijn dood nog een afspraak had gemaakt, en Scott Fitzgerald, met wie ik een nacht zou willen doorzakken in een Parijse bistrot de nuit.

Wie daarentegen niet?

Joseph Luns, J. L. Heldring en prins Bernhard.

Zou u liever tot een andere natie (cultuur) hebben behoord en zo ja, tot welke?

Ik heb vaak gewenst dat ik als Fransman of als Amerikaan geboren zou zijn. Frankrijk omdat je er Les fleurs du mal voor dertig francs in de supermarkt kan kopen, Amerika omdat het hele land een kanjer van een supermarkt is, waar niet alleen alles voorradig is om het leven zo gerieflijk mogelijk door te komen, maar waar ik ook telkens de vreemde gewaarwording had om als Alice (de Europeaan, soms jong, soms oud, soms klein, soms groot) rond te dolen in een Wonderland.

Hou oud zou u willen worden?

Zo oud dat ik alles gedaan heb wat ik zou willen doen, zonder mezelf te herhalen. Ik zou eigenlijk nooit oud willen worden. Ik ken jonge mensen die nu al genieten van de gedachte aan een behaaglijke, erudiete ouderdom. Dat kan ik niet begrijpen. Ouderdom stinkt, het is aftakeling, herfst, domme herhaling. Het zou niet bij het leven moeten horen.

Als in een onbewaakt ogenblik de gedachte bij u opkomt dat u nooit zou zijn geboren, verontrust die gedachte u dan?

Dat ik ben geboren is welbeschouwd een stom toeval. Als mijn zusje was blijven leven was ik er waarschijnlijk nooit geweest, en dat is een benauwende gedachte. Even benauwdend als de gedachte aan het toeval waardoor ik mijn beste vrienden tegen het lijf ben gelopen. Het is zo’n benauwende gedachte omdat je nooit echt zult weten hoe je toestand er anders uit zou hebben gezien. Maar de schaduw van het besef dat het ook allemaal anders had gekund, dat het zo helemaal niet had hoeven te lopen verleent het toeval ook juist speciale betekenis. Omdat ik uit de lange slaap van het niet-bestaan ben wakker geworden, denk ik dan, omdat temidden van miljoenen mensen die weinigen mijn vrienden zijn geworden kan het niet anders of dit heeft een geheime oorzaak.

Houdt u van iemand?

Ja.

En waar leidt u dat uit af?

Uit het feit dat ik mijn geliefde op plaatsen zie waar ze helemaal niet is, dat ik haar meen te herkennen in de contouren van anderen, en dat ik me elke keer weer verwonder als ik bij haar ben, als ik haar mag aanraken op plekken waar niemand haar mag aanraken, zelfs zij zelf niet.

Gesteld dat u nooit iemand om het leven hebt gebracht: hoe verklaart u dat het nooit zover is gekomen?

Uit het gelukkige gegeven dat ik niet in een oorlog leef, en dat duels uit de tijd zijn. Anders . . .

Wat staat uw geluk in de weg?

In mijn puberteit schreef ik: ‘ik denk dat ik niet geschapen ben voor geluk’. Die tijd was een grote hunkering, een ideologisch leven volgens het strenge geloof in een absoluut geluk. Ik denk dat een besef dat er niet zoiets bestaat als absoluut geluk (maar dat er hoogstens enkel momenten zijn van geluk, die vaak pas achteraf als zodanig te herkennen zijn) juist veel meer kansen biedt op sprankjes van dat (onbevangen) geluk. Je moet het dus de kans geven, maar je moet het ook als zodanig kunnen herkennen. De Grieken zeiden vroeger: ‘niets bestaat, zolang het niet uitgesproken is’. Daarom schaam ik mezelf niet om soms te zeggen: ‘kijk, dit is zo’n zeldzaam moment’.

Zou u liever dood willen zijn of nog een tijdje willen leven als een gezond dier? En als welk dier?

Ik zou nog een tijdje willen leven als een uil, die starend, met grote ogen, op de tak van een boom door de ramen ziet hoe de mensen ’s nachts slapen.

© Trouw 2009 (oorspronkelijk gepubliceerd oktober 1993)

Sprooksprekers Eindhalte Fantoomstad

Dit project van de Sprooksprekers beoogt poezie aantrekkelijk te maken voor een groot en ook een jong publiek.Tevens beoogt het de kloof tussen de Nederlandse rapkunst en literaire dichtkunst te verkleinen.

Vorig jaar zorgden de dichters Serge van Duijnhoven en Olaf Zwetsloot voor groot rumoer tijdens de Nacht Van De Poezie in Utrecht door het podium te bestormen en publiekelijk een lans te breken voor het betrekken van de Nederlandse rapcultuur bij gevestigde literaire festivals.

In navolging van hun coup en een spraakmakend essay in De Groene Amsterdammer, namen zij het initiatief tot het vormen van De Sprooksprekers, een gelegenheids-collectief waar ook Nederlands bekendste rapper, Def P van de Osdorp Posse deel van uitmaakt, alsmede DJ The Prophet en DJ Dano (de gabberkoning).

Gezamenlijk brengt het collectief een fusie tussen poezie, rap en moderne dansmuziek die in Nederland vooralsnog volstrekt uniek is.

De raps, teksten en gedichten van de Sprooksprekers werden gebundeld en door Djax Records op de markt gebracht in een handig en mooi vormgegeven pocketboek waarbij tevens een CD verpakt werd, dat laat zien (en horen) dat de Nederlandse poezie een breder veld beslaat dan tot nu toe werd aangenomen.

Eindhalte Fantoomstad bevat een fraaie verzameling krachtige en rauwe poezie en muziek. De lezer/luisteraar wordt uitgenodigd voor een excursie naar Fantoomstad, een mythische plek die de schaduwzijde belichaamt van de eigentijdse metropool. In moderne, fascinerende “sprookspreken” bezingen deze jonge dichters de wereld van gokhallen, nachtgelegenheden, snelwegen, ziekenhuizen, metrolijnen en nieuwbouwwijken.
De naam Sprooksprekers werd naar voren bebracht door Sander Pleij (zoon van Herman Pleij) in De Groene van 22 mei 1996 (over: De jonge dichters).
Hij schreef: ‘rap en hiphop bouwen voort op een eeuwenoude traditie.

In de veertiende eeuw trokken beroepsvertellers langs abdijen, hoven en steden om er met hun sproken voor lering en vermaak zorg te dragen. De sproken bestonden uit korte, rijmende vertellingen met een meestal serieuze inhoud: een stichtelijke zedenles of een hoofse moraal. De sprooksprekers waren gewoon zich naar de geboorteplaats te noemen. Goeswijn van Ghelre, Jan van Vlaanderen, Bertelmees van Dordrecht. De technieken die werden gebruikt om het volk te boeien, waren simpel en doeltreffend.De sprookspreker hield het op eenvoudige zinnen met een sterk ritmisch verloop’

Korte bio’s:

Def P is oprichter en rapper van de Osdorp Posse, Nederlands meest succcesvolle hiphopband. Def P is de grondlegger van de Nederhop. Van zijn cd’s zijn tienduizenden exemplaren verkocht.

Serge van Duijnhoven is dichter, schrijver en oprichter van MillenniuM.
Hij schreef de dichtbundels Het paleis van de slaap (Prometheus 1993) en Copycat (1996), alsmede de roman Dichters dansen niet (1995) en de verhalenbundel De overkant en het geluk (1995). Samen met DJ Dano trad hij afgelopen jaar op tijdens Lowlands Paradise en het Crossing Border Festival.

Olaf Zwetsloot is dichter, saxofonist en componist.Winnaar van de CJP-poezie prijs 1996.

Dov Elkabas (The Prophet) is producer en DJ. Bekend van de Thunderdome cd’s(inmiddels in totaal meer dan een miljoen exemplaren verkocht) en van tientallen cd’s met oppeppende house.

Daan Leeflang (Dano), ook wel bekend als de gabberkoning. Veelzijdig DJ en producer van wereldfaam die altijd het experiment heeft gezocht, oa met de Oostenrijkse cybernaut Konrad Becker (Monoton).

Interview

http://www.writersblock.net/097/meistuk2.html

Gooi open die poort!

Serge van Duijnhoven over poëzie, grote lijnen en de toekomst


door Sofie van der Sluis

Serge van Duijnhoven is dichter en schrijver. Hij schreef de dichtbundelsHet Paleis van de Slaap (Prometheus, 1993) en Copycat(1996), alsmede de roman Dichters Dansen Niet (1995) ende verhalenbundel De Overkant en het Geluk (1995). Samenmet dj Dano trad hij vorig jaar op tijdens Lowlands Paradise enhet Crossing Border Festival.
Als ik van Duijnhoven spreek, heeft net dedag ervoor de presentatie van de cd Eindhalte Fantoomstad, de sprooksprekersplaatsgevonden op de Bulk Boek-dag van de literatuur. De rappers,poëten, muzikanten en dj’s beklommen gezamenlijk hetpodium om hun project aan het grote publiek voor te leggen. Het beeldmateriaal werd verzorgd door Gabriël Kousbroek.
Terwijl de zon de kamer verhit en de sprooksprekers ons vanuitde speakers toedichten (een nieuwe cd dient beluisterd te worden), licht van Duijnhoven de cd toe.

‘Deze cd is een samenwerkingsproject waarbij wij rap en poëzienader tot elkaar willen brengen. We hebben gemerkt dat er eenenorm terrein braak ligt tussen het bastion van de poëzie,met zijn festivals als De Nacht van de Poëzie en PoetryInternational, en de massacultuur of de jeugdcultuur: een leemte tussen die elitaire, of’eliteraire’ wereld en dat wat jongeren bezig houdt en interesseert. Wijhebben geprobeerd met deze cd vanuit onze specifieke invalshoekendat terrein te verkennen en te ontginnen.’

Hoe ontstond het idee voor de cd?

Het idee is ontstaan uit een grapje van OlafZwetsloot enmij, tijdens de Nacht van de Poëzie vorig jaar. We ergerdenons aan het nogal gezapige karakter van die avond en toen iemandons voorrekende dat de gemiddelde leeftijd 58 jaar was, zijn weop het podium gesprongen en hebben we gezegd dat we tegen de gerontocratiewaren, zowel in Peking als in Vredenburg. Toen hebben we allebeieen gedicht voorgelezen. Wat we toenprobeerden te verwoorden was dat ze die poort maar eens open moestengooien. Waarom zou je voor de Nacht van de Poëzie niet eenswat rappers uit kunnen nodigen? Mij gaat de poëzie ter harteen uiteindelijk gaat het mij en de organisatie van zo’n festivalom hetzelfde. Maar aan hun kwalitatief goede festival ontbreekt toch iets: levenssap, exquise en dat moet er in vind ik.

Hoe verliep de samenwerking tussen dj’s, rappers en dichters?Hadden jullie een beetje dezelfde ideeën?

Onze voorkeur voor teksten kwam redelijk overeen. We wilden allemaalteksten die licht apocalyptisch, een beetje donker, duister getintwaren. Teksten die vaak gaan over de uiteindelijk mythische grotestad aan het einde van dit millennium. Er zit dus duidelijk eenrode draad in de teksten.

Heb je oude teksten gebruikt en daar muziek onder gezet ofheb je nieuwe teksten geschreven?

Ik heb teksten gebruikt die al eerder verschenen zijn in mijnbundel Copycat [Prometheus, 1996], zoals het gedicht Noach, maar ik heb ook nieuweteksten geschreven. Aan het einde van een tv-film bijvoorbeeld,dat nu onder begeleiding van muziek vanCorelli op de cd staat. Maar ik ben vanuitde poëzie gaan werken. Ik heb eerst die gedichten geschreven,later is de muziek erbij gemaakt.

En hoe gaat het nu verder met de cd? Wat gebeurt er nu?

(lacht) Er kunnen twee dingen gebeuren: of het wordt in een verdomhoekgestopt of het maakt behoorlijk wat los. Maar welke van die tweehet wordt, weet ik niet. Daar is het te nieuwvoor, de cd is gisteren pas gelanceerd. Het gaat om een nieuwgenre dus of het verkoopt en of het aanslaat, kan je niet voorspellen.Saskia, ‘Miss Djax’, van de platenmaatschappij is in ieder gevalvreselijk enthousiast en zij doet er veel voor. De cd is heel sjiek uitgegeven en de oplage isom te beginnen2000 exemplaren. Voor zo’n project is dat veel, zeker omdat het…Het is niet zomaar de Osdorp Posse, niet gewoon hiphop,het is toch moeilijker.

Gaan je nu vaker optreden met dj’s?

Ik werk zelf al een hele tijd met dj’s samen omdat ik wil experimenterenmet de context van de poëzie. Poëzie brengen op eenbepaalde beat. Niet op een hiphop-manier, hiphop spreekt mij nietzo aan, maar samples toevoegen aan de poëzie waardoor dezeeen extra dimensie krijgt. Eén zo’n optreden trekt vaak meer mensen dan in twee,drie jaar tijd bundels van mij kopen.
Ik treed op om te kunnen leven en omdat ik het leuk vind en ditsoort dingen (doelend op de cd) kun je niet doen zonder optredens.
Kijk, als artiest of als schrijver, hoe je het ook wil noemen,uiteindelijk doe je het voor het publiek. Je schrijft iets enje wil het naar het publiek toebrengen. Dat kun je doen door alleenmaar te schrijven, wat ook heel goed kan; door je terug tetrekken en gewoon door te gaan. Maar je kan ook een manier zoekenom het zo goed mogelijk naar het publiek toe te brengen. En datinteresseert mij. Als je veel dichters beschouwt dan lijkt hetof ze willen dat het publiek er of zo min mogelijk van begrijptof er in ieder geval zo min mogelijk van geniet. En alsmensen ervan genieten, dan heerst er in Nederland vaak zo’n calvinistisch’schuld’-gevoel dat het dan wel geen echte poëzie zal zijn.

Hoe bedoel je?

Er is gewoon iets goed mis in de poëziewereld. Als ik optreedvoor mensen die niet zo oud zijn, op een middelbare school ofzo, dan lees ik voor uit ‘De Overkant en het Geluk’ of ‘DichtersDansen Niet’ en dat gaat er vaak goed in. Als ik dan zeg: ‘Ikwil ook graag wat poëzie voorlezen’… Aah! Meteen betrekkende gezichten. Het woord poëzie is besmet. Het leeft nietmeer in de belevingswereld van de mensen. Ik heb wel gehoord datmensen in de jaren vijftig meteen naar de boekwinkel gingen alsde nieuwe Randstad uit was. Mensen als Lucebert, Hans Lodeizenhebben echt veel betekend voor een groot aantal mensen die indie tijd jong waren. En wie zijn nu de helden? Dat zijn mensenals Def P. Jezus, als je dat zag gisteren, echt zwermen mensenom hem heen die handtekeningen willen. Dat is heel mooi maar dieworden dus echt totaal genegeerd door de poëziewereld. Hetis ook niet echt poëzie maar het is wel iemand die het woordweer naar de straat, naar de mensen toebrengt.
Er is duidelijk iets aan het veranderen in de belevingswereld,in de status van dingen. Ik ben er wel voorom die fundamenten een beetje te laten schudden. Ik denk dat datheel goed is voor de literatuur. Er zijn te veel normengesteld, geschreven en nog meer ongeschreven. Wat poëzieis, hoe het gebracht dient te worden, hoe het eruit moet zien,et cetera. Dat is ongezond. Je hebt soms bijna het gevoel dat jein een totalitaire wereld leeft, waarin alles al is vastgelegd.

Hoe ben jij in aanraking gekomen met poëzie?

Op een nogal nostalgische, ouderwetse maniereigenlijk: via Franse chanteurs. Léo Ferrébijvoorbeeld. Ferré heeft het geflikt om al die prachtigeFranse dichtersop muziek te zetten. Rimbaud, Apollinaire ….Dat vond ik prachtig en toen ben ik die mensen gaan lezen, toenwas ik zestien. Voor mij was dat een bevrijding. Ik zat in een sportmilieu.Mijn moeder werkte bij de tennisbond, naast ons was de tennisbaan, beneden had je het tenniskantoor, mijn broer is tennisleraar,mijn vader doet allerlei sporten en mijn oom die mij mede heeftopgevoed, is voorzitter wedstrijdtennis Nederland. Alles draaideom sport dus voor mij was het juist een manierom daaruit los te komen.

Maar hoe kwam Ferré in je leven?

Via een leraar geschiedenis. Hij bracht op een gegeven momenteen plaat mee, een oude 78 – nee, ik weet niet of het een 78-toerenwas – die heette Ni dieu ni maître. Dat was het credovan de anarchisten uit de jaren ’60 en het was een lied van Ferré(citeert) Ni dieu, ni maître, une sigarette et sans cravatte,on fume à l’aube démocarte… Dat was voor mij… Dat vond ik echt…Een wereld ging voor mij open. Toen ben ik dus meer naar Ferrégaan luisteren en ook bij Rimbaud terecht gekomen. Dat ik nu weermet muziek bezig ben en de poëzie terugbreng naar de muziekis dus eigenlijk een heel logische stap.

Waar ben je verder mee bezig op dit moment?

Ik ben een roman aan het schrijven. Najaar ’95 heb ik zes wekenin Sarajevo gezeten. Ik wilde dit boek schrijven en toen ben iker heen gegaan. Het boek gaat onder andere over… oorlog, vriendschap,liefde, idealisme. Het heet, tenminste dat is de werktitel, Boulevard Oktoberrevolutie.Het gaat over een Nederlandse oorlogscorrespondent die steedsverder weg zakt in het moeras van de redeloosheid dat oorlog is…

Vanwaar ‘oorlog’? Hoe kom je via je vorige werk, de verhalenbundel’De Overkant en het Geluk’, tot een boek over de oorlog?

In mijn werk zit een bepaalde lijn van fascinaties. Toen ik zestien, zeventien was hebik een boekje uitgebracht in eigen beheer waar poëzie, verhalenen ook kleine stukjes toneel in stonden. Het slotstuk van datboekje heette ‘De Overkant en het Geluk’. Dat ging over geluk,liefde en de betrekkelijkheid daarvan. Een beetje een melancholischrelaas. Ik heb dat toen niet afgemaakt maar twee jaar geledenheb ik een boek geschreven met diezelfde titel. Wel op een heelandere manier en een heel ander verhaal maar dezelfde thematiek.De thematiek van ‘de overkant’ en ‘het geluk’ is éénthematiek die mij interesseert.
Een andere fascinatie is… Ik heb een keereen boekje geschreven over Haile Selassië ,een Ethiopische keizer. Etiopië en Afrika hebben mij altijdgeïnteresseerd, door de mythologie van het paradijs, datdan weer met het geluk te maken heeft. Haile Selassië hadin alle twaalf provincies van zijn land een paleis. In sommigeprovincies en paleizen kwam hij zelden of nooit maar deze moestenwel voortdurend in paraatheid blijven. Er ontstond plotselingeen prachtig beeld in mijn hoofd; dat waren paleizen van slaap.Het Paleis van de Slaap is mijn eerste dichtbundel geworden waarindat symbool van iets dat sluimert, dat kan van alles zijn, centraalstaat.
Van de slaap, het nachtleven, ben ikterecht gekomen bij de house, de cultuur van de roes, roesbeleving,drugs, feesten. De roes is het dier in de mens, the human animal,zoals William Burroughs in een van zijn teksten zegt. En dat interesseertmij. De mens is een wezen dat zijn dierlijke afkomst heel ergprobeert te onderdrukken. Het dierlijke in de mens is bijna taboe.Drugs, roes, roesbeleving zorgen ervoor dat dat rationele stemmetjedat het transparante harnas om ons heen heeft gevormd, af en toewordt uitgeschakeld en het dierlijke in je boven kan komen. Maardiezelfde poel van driften die daarbij aangeboord wordt, kan ookuitmonden in oorlog. Feesten en oorlog liggen in elkaars verlengde.Oorlog is het volgende waar ik me toen mee bezig ben gaan houden.Ik ben naar Sarajevo gegaan om daar zes weken bij een moslimfamiliete logeren. Om de oorlog te ervaren, hoe het is om in een belegerdestad te wonen.
De oorlog slokt je gewoon op als je daar te langblijft. En dat is de thematiek van ditboek. Het gaat over een correspondent die daar te lang zit ensteeds verder wegzakt en zijn eigen verkniptheid ook kan botvieren.
Oorlogen op deze aarde, waar ze ook zijn, zijn vaak rosse buurten,waar het viriele krijgsvolk en ongure mensen van allerleiallooi hun lagere lusten kunnen botvieren. Dat interesseert mij.
Waar ik verder uitkom weet ik niet.

Dat is de korte lijn in mijn werk. Dat klinkt mathematisch enwaarschijnlijk is het helemaal niet mathematisch maar toch voelthet zo. Dat je steeds een stapje verder komt. Ik werk heelduidelijk mij fascinaties uit. Ik duik ergens in tot ik bijnaverdrink en dan kots ik het uit en ga ik verder. En met dat uitkotsenben ik nu bezig in Gent (grinnikt).

Bevalt het in Gent?

Heerlijk, ik wil niet meer weg daar.

Waarom Gent?

Ik heb theatervrienden in Gent van de theatergroep Dinska Bronska,met wie ik vorig jaar heb samengewerkt. Ik kwam dus al regelmatigin Gent, vanwege hun en vanwege de ‘I Love Techno’-feesten, de house-partiesin de Vooruit. Toen viel me op hoe mooi die stad eigenlijk is.België heeft me altijd wel getrokken. Ik vind zelf dat Belgiëwat sfeer betreft… Nederland is echt lelijk. Nee, niet heel België is mooi maar ik woonin Gent: Gent is mooi. Hoewel, Gent heeft ook lelijke stukken.Het is een stad waar het verval doorheenschemert. Dat is ook de schoonheid ervan. Op de middelbare schoolvond ik punkmeisjes mooi. Zij hulden zich in de plunje van delelijkheid, lange jassen, zwart, duister maar dan toch sterretjesop de wang, weet je. Dat er toch iets moois doorheen schemert.Dat vind ik mooi en dat is ook Gent. Gent is een stad die oud,vervallen is, zich hult in de plunje van de ouderdom en het vervalen tegelijkertijd klopt dat… Ik weet niet… Prachtige stad.
Maar als je schrijft moetje eigenlijk overal kunnen werken. In de trein, op het toilet,bij wijze van spreken naast je bed. Het maakt echt nietuit waar je zit…

Is het niet zo dat je omgeving je kan inspireren

Dan ga je er niet heen om te schrijven, dan ga je er heen om dingente beleven. Dat is iets anders. Als je een heleboel dingen beleeft…Tegenover die input moet ook een output staan. Een inspirerendeomgeving vind ik zo negentiende eeuws klinken. Kaarsje in eenpastorale omgeving. Dat kan hoor. Afgelopen zaterdag was ik opbezoek bij een vriend van mij die in een oude boerderij in Udenwoont. Hij is daar geboren, zijn moeder is daar geboren, zijngrootmoeder. Hij woont echt in een pastorale omgeving. Zijn gedichtengaan ook over de lindebloesem, de heg, over het aanbreken vande lente. Daar moet je ook maar van houden. Maar dan is je omgevinginderdaad op die manier inspirerend. Ik woon nu in de hoerenbuurt.Misschien dat dat ook inspiratie oplevert.

Hoe staat het met MillenniuM?

(enthousiast) Goed!

Vertel nog eens: hoe is dat alles ontstaan?

Het is eigenlijk ontstaan tijdens de studie die ik deed, Geschiedenis,waar ik mij ei niet kwijt kon. Op een gegeven moment probeerdeik samen met wat anderen een masterclass te organiseren. Een aantal professorenwilde wel meewerken als de masterclass bestemd zou zijn voordie studenten, die enigszins hun vertrouwen genoten of die inieder geval serieus waren. Er ontstond toen ontzettende commotievanuit de Studieraad en de Letterenraad dat het niet democratischzou zijn en dat iedereen het recht moest hebben om te komen. Nouokay, dan maken we het open, geen probleem. En toen kwamer niemand want het interesseerde ze verder geen fuck.
Studeren is net zoiets als leven in een bezet land. Je hebt verradersdie altijd op de loer staan en die jou aan het verlinken zijnen je hebt meelopers, collaborateurs, mensen die er gewoon met hunkoffie in de hand een beetje achteraan lopen. Daar heb ik zo’n hekelaan gekregen. En toen ben ik ook gestopt met studeren (om de studie een jaar later alsnog afte ronden – red.) en heb ik samen met anderen een groep opgericht. Aandie theatergroep uit Gent en aan andere mensen, beelden kunstenaars,muzikanten noem maar op, heb ik gevraagd of ze mee wilden doen met eengroep waarbij we een tijdschrift zouden hebben en daarnaast allerleiprojecten zouden realiseren. Die groep heet de Kunstgroep LageLanden en het tijdboek is MillenniuM. Het plan was om tot hetjaar 2000 te bestaan en in dat jaar ook echt te stoppen. We wilden inventariserendte werk te gaan en dingen in kaart te brengen die aande gang waren. Een soort van werkplaats voor mensen uit verschillendedisciplines.
Het nul-nummer is tot stand gekomen in 1993. Dat zag er zo uit(laat een klein boekje zien dat iets weg heeft van een reisgids).Dat hebben we nog in eigen beheer gedaan. De nummers daarna zijnuitgegeven door Prometheus, tot en met het vorige nummer (pakt laatste nummer:uitklappagina’s, full-color, chic papier).
Er zit een grote ontwikkeling in. We zijn heel primitief begonnenmaar dat kun je ons niet kwalijk nemen. We hebben echt heel stommedingen gedaan, het wiel opnieuw uitgevonden. Maar als je nietprobeert dan kom je ook nergens. Een heleboel mensen hebben onsuitgelachen om dit soort dingen in het begin, maar als je volhoudt…We hebben nu elf nummer gemaakt en daarnaast theaterproductiesgerealiseerd en nu die cd. Op een gegeven moment krijg je dantoch wel respect, bij sommige mensen. Een aantal journalistenis echt niet te verbeteren. Die hebben één keerzoiets gelezen, dat vinden ze het slecht, wat ik achteraf wel kan begrijpen, maar goed, het bevat wel de kiem van wat er later uitis voortgekomen. Ikvind dat je dat ook moet kunnen zien.
Het volgende nummer wordt in mei uitgegeven door de Bezige Bij.De Hardcore-catalogus, die van voor naar achter leesbaar als Hardcore-catalogusen van achter naar voor als het gezelligste blad van Nederland.And somewhere in the middle they meet. Dat hardcore heeft ietstegenstrijdigs. Onaanraakbaar zijn voor andere mensen maar binnenje eigen groepje is het hartstikke knus.

Was integratie van verschillende disciplines, zoals dat nugebeurt op de cd, een doelstelling van MillenniuM?

Integratie is geen doel, het is een middel om iets anders te bereiken.Wij constateerden dat er een aantal dingen aan het veranderenwas aan het eind van de jaren tachtig… Ik heb niet zoveel zinom daar over te vertellen eigenlijk. Ik heb daar al zo vaak oververteld, ik heb daar gewoon geen zin meer in.

Aha…

Het is een groep die heet MillenniuM en dat is natuurlijk nietvoor niets. Niet dat wij geloven dat straks de heiland op eenwit paard uit de hemel komt neergedaald om het beest voor duizend jaar in de kerkerte werpen maar omdat wij geloven dat eenaantal dingen aan het veranderen is gegaan. De digitale revolutiein de jaren tachtig, die apparatuur goedkoop heeft gemaakt waardoorbijvoorbeeld de housemuziek is opgekomen tot en met politiekereshuffles, die zijn ontstaan. Er zijn ook een aantal journalistenbij betrokken zoals Joris Abeling. Hij heeft daar veel over geschreven.
Wij wilden een vinger aan de pols houden op een manier die nietvluchtig of luchtig is zoals bijvoorbeeld Blvd. vaak doet. Heeltrendy, een hype maken van. Wat ik heel tekenend vind… (bladertin de nieuwe Blvd.) Op zich een goed blad hoor, heel mooi maardan dit:
‘Nicky, heb je nog nooit van gehoord, mc-info-conscious-kid,en zij surft even graag op het dak van een rijdende trein alsop het internet. Een alfabet over Nicky, het nieuwe rolmodel voorde jaren negentig’.
Dat toontje van ‘dit is hét voor de jaren negentig’ dat is ietswat we juist niet wilden. We wilden meer diepgang, wat meerreflectie. Vandaar dat we ook altijd wel ruimte hebben gegevenaan wat langere artikelen. Niet dat vluchtige, column-achtigewat je juist vaak in andere bladen aantreft.
In de jaren tachtig, toen ik op de middelbare school zat, heerstede angst voor de bom. Grote demonstraties. Ik was toen 11 maarik heb dat wel meegekregen, die no future-achtige sfeer. maar die sfeer is nu helemaal verdwenen. Mensen van toen organiseren nu feestenals Welcome to the Future. Die omkering vind ik heel fascinerend.Dit soort dingen (wijst op zijn techno-shirt) maar ook de gabberwerelden de house-scene zijn voor een groot gedeelte… Kiss the Future.Internet, modern design, de ontwerpen van de hoesjes van nieuwecd’s, de apparatuur die gebruikt wordt, allemaal heel futuristischin de manier van uiting. De angst voor de toekomst is omgeslagenin een ‘Maak er gebruik van!’.
Dat is het verschil tussende jaren tachtig en negentig.

door Sofie van der Sluis

met dank aan Raymond voor zijn briljant idee


Over dj Dano
Dano, dj en producer die internationaal grote faam geniet. Staat bekend als de Gabberkoning. Oprichter van de labels ‘Division by Zero’ en ‘Mokum’. Trad samen met Serge van Duijnhovenop tijdens Lowlands Paradise en het Crossing Border Festival in 1996, en in de Vooruit in Genttijdens Poetry on the Rocks.
terug

Sprooksprekers
Het woord ‘sprooksprekers’ wordt in het cd-boekje verduidelijktaan de hand van een citaat van Sander Pleij, De Groene Amsterdammer,22/5/96: ‘In de veertiende eeuw trokken beroepsvertellerslangs abdijen, hoven en steden om er met hun sproken en boerdenvoor lering en vermaak te zorgen. De sproken bestonden uit korte,rijmende vertellingen met een meestal serieuze inhoud: een stichtelijkezedenles of een hoofse moraal. De zogenaamde boerden waren inde regel spottender, met hun vechtpartijen, seks, stront, intiemlichamelijk gerief en ongerief. De sprooksprekers waren gewoonzich naar de geboorteplaats te noemen. De technieken die werdengebruikt om het volk te boeien, waren simpel en doeltreffend.De sprookspreker hield het op eenvoudige zinnen met een sterkritmisch verloop.’


Aan het einde van een tv-film

we zien ons aan het einde van een film
de haren rond je kut bijknippend
op een door kattennagels en
teveel geneuk verweerde bank

we zien ons voor de ingang van de mensa
waar studenten zich om etenstijd verzamelen
misprijzend onze jeugd vervloekend
twee wilde eenden in een ren

we zien ons van de rug bezien
en hoe het was toen klam niet klam
maar ik je navel met mijn tong schoon-
likte als een zwerver zijn bedelnap

we zien ons aan het einde van een film

we zien ons gebogen over de schermen
achteloos de spetters van het tafelblad
wegvegend, onze e-mail checkend
met dwalende blik

we zien ons met schrik
in de herinnering van te veel
en veel te grote letters
in finale stilte van aftiteling

we zien ons zonder haat om het niet weten
zonder twist om wat niet mag
wat mag vergeten
zo staat het in het script

we zien ons aan het einde van een film

(svd)


Over Gabriël Kousbroek
Gabriël Kousbroek is videokunstenaar, maker van animatiesen oprichter van het Amsterdamse veejay-collectief Eyegasm.


Over Olaf Zwetsloot
Olaf Zwetsloot is dichter, saxofonist, nachtportier, electric-boogiedanser en componist. Winnaar van de CJP-poëzieprijs 1996en oprichter van de hiphopjazzband Line’s End. Werkt samen metdj The Prophet en co-produceerde o.a. de dancetrack Peanutbutter,uitgekomen bij Vibesin’ Dutchmen.


Over Corelli
Antonio Archangelo Corelli, Italiaans componist en violist (1653-1713). De laatste jarenvan zijn leven was hij een zeer gezien componist, die door velebuitenlandse musici, onder andere Händel, werd bezocht. Corelliwas een der grote meesters van de muzikale barok en componeerde,in tegenstelling tot zijn tijdgenoten, uitsluitend instrumentalemuziek. Hoewel hij niet de eerste componist was die concerti grossischreef, behoren zijn twaalf concerti grossi tot de vroegeen klassieke voorbeelden van dit genre. Corelli heeft met zijnbeperkt, doch zeer geacheveerd oeuvre tot ver in de 18e eeuw invloedgehad.
Maar ook: van Duijnhoven’s bijnaam voor dj Dano: Signor Dano Corelli. terug


Over Léo Ferré

Frans componist en chansonnier (1917-1993), wiens chansons tot de bestevan zijn tijd worden gerekend. Zijn chansons worden behalve doorhemzelf ook door alle grandes vedettes gezongen, zoals CathérineSauvage. De chansons van Ferré’s hand zijn verschillendemalen onderscheiden (Grand Prix du Disque – 1955, Edison – 1968).
Chanteur met volstrekt eigenzinnig karakter en zeer indrukwekkende discografie. Vanaf dejaren vijftig aan de top in Frankrijk.Toonzette de grote Franse dichters, van Rimbaud en Verlaine tot Baudelaire, Apollinaire enAragon. Droeg zijn anarchisme uit in weerbarstige, persoonlijke liederen met vaak rijkemuzikale en ook orchestrale begeleiding. Werd omarmd door de revolterende studenten vanmei ’68 die zich in zijn opstandige teksten (Ni dieu ni maître) herkenden. Ferré liet eenenorm oeuvre na. Zijn woede-uitbarstingen op het podium zijn in Frankrijk spreekwoordelijkgeworden: La rage de Ferré. De man kon brullen als een leeuw, het sterrenteken waarin hijgeboren en gestorven is. Onvergetelijke liederen: Pepee (over zijn chimpansee die door zijntweede vrouw Madeleine werd doodgeschoten), Avec le temps, Il n’y a plus rien, Paris je net’aime plus, La vie d’artiste, Au temps des roses rouges, La memoires et la mer.


Over Rimbaud
Jean Nicolas Arthur Rimbaud (1854-1891), Frans dichter, ontwikkeldezijn vroegrijp en virtuoos talent in zeer korte tijd. Op zijn14de jaar maakte hij Latijnse gedichten, op zijn 15de, gestimuleerddoor zijn leraar in de retorica Izambard, Franse gedichten. Naeen rebelse jeugd vol haat tegen de kleine bourgeoisie van zijngeboortestadje Charleville, belande hij in 1871 in Parijs bijVerlaine (Frans dichter, 1844-1896), die hem in de kring van deParnassiens introduceerde als een soort wonderkind, maar waarhij zich al spoedig moedwillig onmogelijk maakte. Hij had toenal verscheidene van zijn belangrijkste gedichten geschreven, waarinhij de grenzen van de esthetiek van de Parnassiens ver overschreed:Le dormeur du Val, Les assis en Le bateau ivre, uiting van hetongebonden genie op zoek naar het ongekende en het onmogelijke.
Rimbaud’s werk had een belangrijke invloed op het symbolisme enwerd een van de grootste voorbeelden van het surrealisme. De dynamischemagie van zijn taalgebruik, dat in geen enkel opzicht beantwoordtaan de ik-lyriek van zijn tijd, betekent een van de grondslagenvan de moderne poëzie.


Over Apollinaire
Frans dichter en schrijver (1880-1918). Hij richtte de tijdschriftenLe festin d’Esope en Les soirées de Paris op, die beideeen kort leven beschoren waren. Naast romans en novellen schreefhij essays en kritieken. Apollinaire was een voortreffelijk kunstkennerdie diep wist door te dringen in het wezen van de contemporaineschilderkunst met haar snel opeenvolgende ontwikkelingsfasen alshet fauvisme, kubisme en orfisme. Zijn publikaties zijn voor detoenmalige schilderkunst van het grootste belang geweest, doordathij vele ogen opende voor wat er op dit terrein op dat momentleefde. Vooral als dichter had Apollinaire eminente betekenis.Alcools (1913) en Calligrammes (1918) behoren tot de belangrijksteen invloedrijkste scheppingen op het gebied van de hedendaagsepoëzie. Hij stond open voor vernieuwingen, ook naar vorm.Zo schrapte hij in Alcools stelselmatig alle leestekens en trachttehij in Calligrammes typografische vormen te vinden, aansluitendbij de inhoud van het gedicht. Hij kan worden beschouwd als eenvan de belangrijkste vertegenwoordigers van het kubisme op letterkundigterrein en als voorloper van het surrealisme.


Over Haile Sellasië
Ook genaamd de Leeuw van Juda, oorspronkelijke naam Ras Tafari. Regeerde een halveeeuw over Ethipië. Werd door Mussolini uit zijn land verdreven, stal de show in de Volkenbond in 1939 en heroverde in 1941 met een karavaan kamelen en hulp van de Engelsen zijnveertien paleizen. Na de oorlog werd hij de major domus van Afrika, de messias van deRastafari’s en de heerser over een hongerend volk tot in 1974 een bloedige revolutie eeneinde maakte aan de monarchie. De keizer werd in 1975 door verstikking om het levengebracht. Zijn beenderen werden in 1991 aangetroffen onder de vloer van het toilet in dewerkkamer van dictator Mengistu. Nog altijd wordt gewacht op de nationale herbegrafenisvan de Leeuw van Juda.

Zes dichters en een dode

kunstenaar

Door Rebecca Nelemans

http://www.rienhalters.nl/artikelen/BN-DeStem%20-%20archief%20-%20Zes%20dichters%20en%20een%20dode%20kunstenaar.htm

Vrijdag 20 februari 2004 – Agneta Evenhuis en Louisette van Donkelaar waren juist bezig om een tentoonstelling te organiseren met werk van de Brabantse beeldend kunstenaar Rien Halters, toen hij in 1999 in Etten-Leur overleed.

Samen met andere vrienden en bekenden, maar vooral met de familie die achterbleef met schuren vol kunstwerken, richtten zij de Stichting Rien Halters op.

„Doel van de stichting is om het oeuvre van Rien Halters oeuvre, ruim achthonderd schilderijen, tekeningen en objecten, in kaart te brengen en toegankelijk te maken“, aldus dochter Ingrid Halters.

Nu, viereneenhalf jaar later, is de eerste postume tentoonstelling een feit. Onder de titel Ontgrenzing wordt een keuze uit Halters oeuvre getoond bij de (NBKS) Nieuwe Brabantse Kunststichting aan de Reigerstraat in Breda. Die keuze is gemaakt door zes dichters. Elma van Haren, Y. Né, Erik Spinoy, Hilde Keteleer, Geert Buelens en Serge van Duijnhoven namen met graagte de uitnodiging van de stichting aan, om op geheel eigen wijze te reageren op het werk van Halters. De werken waardoor zij zich lieten inspireren tot een gedicht vormen de basis voor de tentoonstelling. De gedichten klinken uit kleine boxjes in de tentoonstellingsruimte van de NBKS en zijn te lezen in de catalogus.

Het werk van Rien Halters leent zich uitermate voor een dialoog met de dichtkunst. In veel van zijn werken gebruikt hij tekst als onderdeel van het beeld. In de serie Kaders bijvoorbeeld, is beeldspraak het uitgangspunt voor wandreliëfs van hout, karton, metaal, verf en klei. In deze werken onderzoekt hij de lading van woord en beeld. Bijvoorbeeld in Woman, waarbij het woord zo opgedeeld is dat ook het woord man verschijnt. Terwijl die twee woorden in taal in elkaar opgaan, worden de begrippen in beeld juist tegengestelde polen.

Veel van Halters werk gaat over machtsverhoudingen en gebrek aan betrokkenheid. Ondanks de loodzware thematiek van schilderijen en tekeningen die handelen over de oorlog in Ruanda, objecten over het Palestijnse vraagstuk of gewoonweg over armoede ‘kun je hem toch geen speelsheid ontzeggen’, aldus stichtingslid Paul Bogaert. En daarin heeft hij gelijk, alle zwaarmoedigheid wordt gerelativeerd met een gezonde dosis bijtende humor.

Het publiek zal er met regelmaat niet in slagen een glimlach te onderdrukken. Vooral in de objecten uit de jaren ‘80 onderzoekt hij het menselijk onvermogen vanuit zijn eigen persoon. Onder noemers als Fei, de dualiteit, Gop, De overmoed en Sig, de potentie toont hij steeds een ander stukje van zichzelf. De figuren van kippengaas en papier maché, die trouwens erg doen denken aan een tot rollade bijeengebonden stuk vlees, lijken allemaal zelfportretten. Maar ze staan tegelijkertijd model voor universele menselijke eigenschappen.

Zelfportret zonder ik

de geheimagenten van mijn bewustzijn

schaduwen mijn brein

wie bepaalt er wie de vijand is?

degene die zich in mijn naam

verbasterd heeft van tegenpartij

(‘en-e-my’) tot die ene-in-mij

twee wezens uit hetzelfde nest

ontstaan; mijn lichaam blijkt

bestand. Mijn verstand

gaat kopje onder

in het gistende moeras

van het handjevol verwanten

dat ik was

Serge van Duijnhoven

Eén kant van het menszijn leek Rien Halters uitermate te inspireren: de eindigheid ervan. Veel van zijn werk gaat over de vergankelijkheid van ons bestaan. Al vroeg experimenteerde hij in de voetsporen van Joseph Beuys met het vergaan van dingen. Hij stelde kartonnen dozen een jaar lang bloot aan weer en wind, liet ijzer oxideren en papier verzuren. Zijn eerste solotentoonstelling in 1982 in De Nobelaer in Etten-Leur, kreeg de naam Begrenzing. Een term waarmee hij de grenzen van het leven zelf aanduidde. Vanuit dergelijke zijnsvragen ontstond de serie Ontologische differentie, waaraan hij van 1980 tot het einde werkte. Een doos met steeds verder verkoolde stukjes hout (Ontbinding, afbraakdoos/denkmodel) is het vroegste werk dat nu getoond wordt, het staat pal naast één van zijn laatste werken: Opbouwdoos. Als schijnbare tegenpolen maken ze deel uit van de Ontologische serie. Halters hield van tegenstellingen en contrasten, omdat de betekenis van woorden en beelden juist in relatie tot anderen woorden en beelden zo duidelijk wordt. Regelmatig combineerde hij werken uit verschillende periodes om te kijken hoe ze zich tot elkaar verhielden. Jarenlang onderzocht hij thema’s in een steeds wisselende vorm. Het werk stond nooit stil maar was juist een denkproces dat altijd doorging. Tot zijn dood.

De gedichten bij deze tentoonstelling geven het werk van Halters weer een nieuwe context. Ze dagen de kijker uit om verbanden te leggen of contrasten te ontdekken, of zoals Y. Né in de inleiding in de catalogus schrijft: „Een gedicht bij een kunstwerk is een persoonlijke uitnodiging in tweevoud“.
Ontgrenzing- – beelden van Rien Halters en gedichten van Elma van Haren, Y. Né, Erik Spinoy, Hilde Keteleer, Geert Buelens en Serge van Duijnhoven- NBKS, Reigerstraat 16, Breda- di-zo 13.00-17.00 uur – t/m 21 maart

WERK RIEN HALTERS
Rien Halters wees in de weinige teksten die hij heeft geschreven telkens weer op de menselijke eindigheid, op zijn vergankelijkheid en op zijn begrensdheid in alle betekenissen van dat woord. Hij wilde de mens door middel van zijn kunst begrijpen vanuit de stelling dat de mens eerst en vooral sterveling is.

Hij was gefascineerd door de cyclus van het leven waarin seksualiteit en religie staan voor uitbuiting en onderwerping. Hij stelde de retorische vraag in hoeverre de mens in staat is over de kwaliteit van zijn eigen leven te beschikken. Op die manier kan zijn werk opgevat worden als confrontatie en verzoening met de dood.

Hij onderzocht het vergankelijkheidsthema door kartonnen dozen bloot te stellen aan weer en wind, metalen en papieren bladzijden van zijn getijdenboeken in een salpeterbad onder te dompelen en houten blokjes geleidelijk te laten verteren door het vuur. In in zijn project ‘ontzilting’ zette hij zelfs koeien in om likstenen te bewerken waarbij de uiteindelijke vorm van de steen bepaald wordt door de vorm van het omhullende frame.

Abstractie en figuratie gebruikte hij soms tegelijk (in de series ‘Kaders’ en ‘Ontologische differentie’) en soms apart (figuratieve series ‘Reconstructies van het onverleden’, ‘De verzinnelijking van het tuig’ en meer abstract: ‘Squares’). Parallel aan zijn ruimtelijke werken maakte hij honderden grafische tekeningen, ideeënschetsen en collages. Rien bleef altijd sleutelen aan zijn werk, waardoor vroeger werk vaak in een andere vorm (gerecycled) terug kwam.

Agneta Evenhuis, Breda, 2003

ONTGRENZING – BEELDGEDICHT
“Zes dichters aanvaardden de opdracht gedichten te maken bij werken van Rien Halters. Zij betrokken hun gedichten op hun persoonlijke voorkeuren, een mooie leidraad voor een tentoonstelling. Dichters treden de wereld niet tegemoet met vastomlijnde ideeën. Dichterlijke taal is tastend. Daarmee is zij een instrument om objecten, gebeurtenissen en complexe samenstellingen op hun mogelijkheden te onderzoeken. Bovendien kan een gedicht in weinig woorden verschillende lagen tegelijk aanraken. Het dichterlijke commentaar op visuele en tastbare objecten is op zijn beurt een prachtige uitnodiging voor de toeschouwer om het niet te laten bij eigen innerlijke condities en zich te laten verrassen door een nieuwe kijk.”

uit de inleiding van Ontgrenzing door Y. Né.

GEDICHTEN
De catalogus Ontgrenzing – Beeldgedicht bevat 22 gedichten van Elma van Haren, Y. Né, Erik Spinoy, Hilde Keteleer, Geert Buelens en Serge van Duijnhoven.

Literatuur: Kritisch lexicon; Oosthoek; K. Vogelaar, ‘Het nieuwe imago van de poëzie’, in: Vooys 19 (2001) 3, p. 174-180; G. Komrij, ‘Open brief aan Serge van Duijnhoven’, in: Vreemd pakhuis (2001), p. 125-131.

G.J. van Bork

AudioPlayerWidget



De civitate dei

Tekst: Serge van Duijnhoven
Animatie: Sander Alt
Project: Dicht/Vorm – Il Luster Utrecht 2002

DICHT/VORM is een multimediaal project bestaande uit twee series korte animatiefilms gebaseerd op Nederlandse gedichten. Deze 25 films zijn op deze site te bekijken maar zijn ook verkrijgbaar op dvd. De films zijn ook regelmatig te zien in de bioscoop als voorfilm of als speciaal programma waarbij een ‘making of’ documentaire inzicht geeft in het ontstaansproces.

Festivals
De korte films zijn nog steeds populair bij internationale festivals. Samen met de Vlaamse DICHT/VORM trekken ze door Europa (zie ook de nieuws en festival pagina van illuster.nl).

Voor zowel de serie Klassiekers als Modern is een lespakket voor Nederlands en CKV verkrijgbaar, gericht op de bovenbouw van HAVO / VWO. Van de 10 gedichten zijn er 7 van ná 1880 en dus ook geschikt voor de eindtermen van HAVO. Het is mogelijk om met DICHT/VORM verschillende lessen vorm te geven, over animatiegeschiedenis, kunstgeschiedenis, rijmvormen, animatie (techniek), poëziegeschiedenis en alle combinaties en variaties daarop.

De koppeling van poëzie met animatiefilm blijkt een goede insteek voor het onderwijs. Na het zien van een film is een discussie over de verbeelding van het gedicht onvermijdelijk. De leerlingen worden op die manier speels gedwongen om een mening te vormen en een eigen interpretatie te geven. De combinatie van woord en beeld werkt goed, omdat de leerling hiermee op een eigentijdse manier benaderd wordt. DICHT/VORM Modern werd in 2004 onderscheiden met de Comenius Medaille voor het beste Europese educatieve multimediaproject.

EXODUS

Wie vreemdeling is hier was elders kind aan huis.

On est tous des étrangers. Reizigers met retourbewijs

op dooltocht door een ruimte die een ieder zich

moet eigenmaken. Eigenwijs is wilskracht die ons drijft.

Ons leven als het nieuwe land, de grond waarin het graan

nog met de hand wordt uitgezaaid. De haren op ons hoofd

zijn als het riet op de daken. Onze huid is als het barstig leem

van onze stulp. Ons vel schuurt over opgejaagde botten.

Onze stem roept op zijn mooist om hulp. Wat we zoeken

is rust, asiel in eeuwigheid. Wat we zijn is waar we zijn

gevallen: gewervelde dieren en waaraan ten prooi

als wild in het vizier. Een kudde in de muil van de natuur.

We zijn horig en futiel. Stofdeeltjes die opgedreven.

Kregen een naam toegewezen. Ook dat wij leven

was niet ónze keus. Alles wat wij zijn is bruikleen

toebehoren aan Tijd alleen; die malicieuze makelaar

en miljardair. Die onze lijven willens en wetens

laat verkrotten. Over onze hoofden speculeert.

Die ons plukt en uitperst als olijven, uitspuugt

als de pit. Met avondval vertrekken we.

Sluipen ervandoor. Ons uitreisvisum is de dood.


gedicht voor “Zinnenbeelden – Vier Momenten”

in samenwerking met L.J.A.D. Creyghton [fotografie]

foto wad: Westernieland I 03.VIII.2009 I N 53.26′ 44″ / O 6. 28′ 52″ I

43 x 227cm panorama

EXODUS // 26 februari tm 11 april 2010

Gedicht en foto zijn geexposeerd gedurende de 40-dagen tijd
in het monumentale kerkje van de Samen Op Weg gemeente Berlicum-Rosmalen
sowberlicumrosmalen.nl

L.J.A.D. Creyghton [fotografie]
Westernieland I 03.VIII.2009 I N 53.26′ 44″ / O 6. 28′ 52″ I
43 x 227cm panorama
voetsporen in het wad. On est tous des etrangers. Reizigers op dooltocht door de Tijd. fotograaf: L.J.A.D. Creyghton
Westernieland I 03.VIII.2009 I N 53.26′ 44″ / O 6. 28′ 52″ I

Tot diep in t donker – Brugge 27 mrt 2010

Gedichten voorgedragen tijdens de Rock ’n Roll serie van TOT DIEP IN T DONKER – in de concertzaal van het Muziekgebouw te Brugge 27 maart 2010.

http://www.hoedgekruid.be/?Foto%27s:2010:27_maart%3A_po%26euml%3Bzienacht…_tot_diep_in_het_donker

ZELFPORTRET ZONDER IK

I

de geheimagenten van mijn bewustzijn

schaduwen mijn brein

wie bepaalt er wie de vijand is?

degene die zich in mijn naam

verbasterd heeft van tegenpartij

(`en-e-my’) tot die ene-in-mij

twee wezens uit hetzelfde nest

ontstaan; mijn lichaam blijkt

bestand. Mijn verstand

gaat kopje onder

in het gistende moeras

van het handjevol verwanten

dat ik was

II

en dan vallen de schellen

van het zelf

dak wordt bodem

droom gewelf

ik ben de magneet

zonder pool

de komeet die vlucht

voor zijn staart

er is een membraan dat ik

van mij gescheiden houdt

een impermeabele wand

die ons binnenstebuiten keert

een stemmetje dat kliert

haas kipjelekker,

haast je niet”

moet me vloeibaar maken

schoon genoeg en spoelen

dat gemoed, alleen:

mijn bloed

verdraagt mij

niet

BIJ EEN SLAPEND LICHAAM

ik wil dat je mijn bedoelingen doorgrondt

ik wil dat je de prijs leert kennen van verlangen

de schaal van de dingen, ik wil dat je begrijpt

waarom men het aardige overwaardeert

ik wil je horen zeggen:

‘alles dient slechts om te winnen

alles is taktiek; wij spelen

allemaal’

ik wil dat men ons geheim zal bewaren

dat we elkaar geruisloos achtervolgen als jagers

ik wil dat we bereid zijn onze ziel in te zetten

zoals we een munt inwerpen bij een gokautomaat

ik wil de tijd terug dat ik wijs werd uit mijn dromen

ik wil de tekens terug die ik heb nagelaten op je huid

ik wil je kunnen voelen met mijn ogen in het donker

met mijn nagels nagaan waar je bent geweest

ik wil dat jouw handen me in koele lakens wikkelen

ik wil zien of jouw zijde van de mijne verschilt

ik wil dat je sterker zal zijn naar het einde

ik wil je laten denken dat je wint

ik wil dat je je zonder mij een vondelinge voelt

een zonderlinge in de leegte, ik wil je zien bibberen

in de kou. Ik wil je zwetend, warmgewreven

ik wil je hondsdol, biddend om berouw

ik wil dat je mijn gedachten kunt lezen

ik wil dat je mijn hart kunt raken

op de fatale plek. Het interesseert me niet

wie de wonden veroorzaakt. Het interesseert me niet

hoeveel het er zijn. Ik wil alleen belang stellen

in wat me beheerst. Ik wil op een prachtige plek zijn

als ik sterf. Ik wil kunnen verdrinken in een Rode Zee

me verwonden aan een giftig koraal, aanspoelen

op een hagelwit strand, met jouw smaak nog

op mijn lippen. Ik wil je niet kapotmaken

ik zou niet weten hoe. Kon ik maar zeggen:

ik zal je vergeten. Kon ik maar zeggen:

ik laat je met rust

maar liegen kan ik niet

ik denk altijd aan je, echt waar

ik zal voor altijd aan je denken

DER DUFT DER FRAUEN IN NYLON

O zalige geur van vrouwen in nylon

O verrukkelijk leer met een slag om de arm

O dampende dij, malse heup, vaar langszij

O weegbree en wei en het ziltgroen van zomers

Ach vloed spoel het ruig met je buik in het schuim

Ach eb voel het zand met je rug en ontluik

Ach nimf en beschimp in je niks hier het puik

Ach schim ik die lik het verraderlijk zout van jouw lippen

Wee mij die verzaakt moedwillig zijn plicht en verziek(t)

Wee mij die zijn plecht wendt halsstarrig naar jouw klippen

Wee mij die meer wilt schenken dan er zit in de kruik

Mauro Pawlowski verzorgde de muzikale interludes tijdens de Rock n Roll sessie van Poezie in t donker te Brugge

VERBETEN DE CREDO’S

Verbeten de credo’s, verwaterde passies.

Verworpen de dogma’s, verzwegen de schuld.

Vermoord is de onschuld, beschaamd het vertrouwen.

Verspild is het water, profaan de confessie.

Verzaakt de communie, ons eigenste bloed.

Verhaspeld de kavels, verschrompeld het land.

Verdorven het aanschijn, ons eigenste volk.

Verkorven de welvaart, voorzie in de droogte.

Drink van mijn woorden, graaf naar de bron.

Het ooft aan de bomen, het zout van de aarde.

Het paard voor de wagen, de schamele oogst.

Schraal is de troost, bitter het aanzicht.

Niets is zo zielig, en niets is bestand.

Vergeefs is de franje, en ijdel het leven.

Vermom je verlangens, kies wie je gade.

Weer af het onheil, spot met de waan.

De mens is een dier, het monster de mensen.

De hemel is eindig, de aarde is rond.

Bid de verwoester, smeek tot de Almacht.

Kus me mijn min, vergeef me de onmin.

Verzegel je lippen, verbrand al mijn brieven.

Vergeet wie ik liefhad, vertel wie ik was.

Dans op het altaar, kniel voor het toeval.

Niets is te dol, en niets is voorhanden.

Genade is nakend, en nu nog het naakt.

Over de auteur en zijn werk II

Financieel Dagblad & Algemeen Dagblad

Poëzie buiten het boekje

over Bloedtest van Serge van Duijnhoven

door Thomas Vaessens

verbaasd door het verkleinwoord
(‘denk je wel aan ‘t condoompje?’)
bekeek ik haar, mlle. mosquito
een muggenbeet op haar vanille vel
voor ik me met haar overgaf
aan de wisselingen van gedaante
de zinderingen van gemoed
de sidderingen van het bloed

‘in het praktisch liefdeslab’ (fragment)

Serge van Duijnhoven behoort tot een soort schrijvers waarvan er niet overdreven veel zijn in Nederland. Uit alles wat hij doet en maakt, blijkt zijn grote verlangen als geëngageerd schrijver met de neus op de ontwikkelingen van vandaag te zitten. Dit verlangen uit zich zowel in de inhoud als in de vorm. Inhoudelijk past de term ‘geëngageerd’ op zijn schrijverschap. In 1999 verscheen zijn verzameling reportages Balkan. Wij noemen het rozen. Van Duijnhoven schreef niet alleen over het door oorlog geteisterde ‘duistere hart van Europa’, hij was er ook: als journalist voor verschillende media zocht hij de Bosnikrs, Kroaten, Albanezen en Macedonikrs ook daadwerkelijk op.

Bij de verslaglegging van zijn betrokkenheid bij de actualiteit laat Van Duijnhoven zich aan de traditionele vormbeperkingen van de literatuur weinig gelegen liggen. Als multimediaal kunstenaar
probeert hij de grenzen tussen genres en stijlen te laten vervagen. Zo is hij een actief pleitbezorger voor de podiumpoezie. Wie dacht dat er niets nieuws gebeurt in de poezie, kreeg een paar jaar geleden
van hem te horen dat hij stekeblind was of de verkeerde kant uit keek: ‘Het nieuwe duikt niet op waar je het bekende ziet’, schreef hij. ‘Het rukt op van andere, onverwachte kanten. Voor nieuwe geluiden kun je de boeken beter terzijde leggen en de stad ingaan.’
Dat Van Duijnhoven hier in het vuur van de strijd tegen het poetisch conservatisme natuurlijk enigszins overdrijft, wordt nog maar weer eens duidelijk in zijn nieuwe bundel, die onlangs verscheen:
Bloedtest. Hoezeer de poezie tegenwoordig ook buiten het boekje is gegaan, Bloedtest is toch weer een bundeltje gedrukt papier met keurig op elke bladzijde een nieuw gedicht. Toch is het vooral de
bijgeleverde cd die de aandacht trekt. Zestien gedichten, waarvan de meeste ook in de bundel staan, worden door de dichter voorgedragen. Componist Fred de Backer maakte er muziek bij.

Van Duijnhoven experimenteerde eerder met voordracht-op-muziek (hij maakte, samen met verschillende anderen, de cd’s Eindhalte Fantoomstad en Orbiit in Orbit), maar de bij Bloedtest horende cd Küsskrott!!! is zonder meer de beste tot nu toe. Het is een overtuigende afrekening met het schaamteloze amateurisme dat de performances van dichters vaak aankleeft (niets zo gjnant als die dichter die op de Nacht van de Pokzie opeens meent te moeten gaan rappen). Van Duijnhoven swingt echt, hij doet niet alleen alsof. En de musici die hem begeleiden weten wat het is om een nummer in elkaar te zetten. Hier zijn vakmensen aan het werk, die de cd niet als grappig extraatje bij de bundel zien, maar als voldragen product. De nummers zijn opgenomen, gemixt en gemasterd in een professionele omgeving, ook in dat opzicht zijn geen concessies gedaan. Als je de gebaande paden van de poezie verlaten wil, zo moet Van Duijnhoven gedacht hebben, dan moet je het ook goed doen.
Een voor de hand liggende vraag is natuurlijk of de poezie die op de cd zo overtuigend tot leven wordt gebracht, het op papier ook uithoudt. Ik heb nogal met deze vraag geworsteld, omdat ik in eerste
instantie geneigd ben er een kritisch antwoord op te geven. Nee, op papier overtuigt Van Duijnhoven minder dan op de cd. In de eerste plaats lijden veel van zijn gedichten aan de kwaal dat ze iets beweren willen. Dat het deze gekngageerde dichter ernst is, dat zagen we al, maar ernst hoeft natuurlijk niet altijd in geredeneer en gefilosofeer te verzanden. In pokzie zijn zulke zaken zelfs meestal dodelijk. Quasi-wijsgerige regels als ‘alleen door anderen krijgen we / idee van ons karakter’ of ‘weemoed is het braakland / tussen leedvermaak en zelfverwijt’ wekken de indruk dat zelfs deze eenentwintigste-eeuwse dichter de hoogromantische verleiding niet heeft kunnen weerstaan pokzie als een hogere vorm van Waarheid te zien.

Het ziet er op papier allemaal opeens een stuk minder nieuw uit dan je zou verwachten op basis van de met zoveel elan gebrachte vernieuwingsretoriek van deze dichter. Traditionele beelden worden zeker niet geschuwd, zoals in het gedicht dat hierbij is afgedrukt – de liefdesdaad voorgesteld als zinderende, sidderende gedaanteverwisseling: het is niet de meest oorspronkelijke beeldspraak .

Maar tegelijkertijd heb ik het gevoel dat het te gemakkelijk is in Bloedtest de dingen aan te wijzen die in het licht van de literaire traditie misschien minder nieuw zijn dan de hippe presence van deze dubbele uitgave ons wil doen geloven. Natuurlijk vindt ook deze dichter in sommige opzichten het wiel weer opnieuw uit. Toch is de overheersende indruk die zijn nieuwe werk maakt een andere. Wie de vaak nogal bescheiden Nederlandse schrijvers van dit moment een beetje volgt, kan niet anders dan gelukkig zijn met iemand als Van Duijnhoven. Hij engageert zich met de wereld van jongeren van vandaag en hij durft tenminste te beweren dat er in zijn werk iets nieuws gebeurt. Misschien niet in Bloedtest, maar dan toch in Küsskrott!!! klinkt een zonder meer interessante, want naar serieuze poetische verwerking van het alleractueelste strevende, stem. Een klein beetje onbeholpenheid en doorgedreven bombast op papier vergeef je zo’n prettig ambitieuze dichter met het grootste plezier.

Bloedtest – boek met cd (Küsskrott!!!)

Serge van Duijnhoven, Bezige Bij, euro 17,50

Copyright (c) 2003 Het Financieel Dagblad.

Auteur(s): Thomas Vaessens, Artikelvolgorde: 90, Paginanummer: 24, Paginanaam: Boeken Uitgave: Het Financieele Dagblad(HFD) Descriptoren: literatuur(015), Trefwoorden: boekbespreking, Recensie

Publicatiedatum recensie: 12/4/2003

Alain Delmotte, in het tijdschrift Dighter voorjaar 2004:

BIJ ‘BLOEDTEST’ VAN SERGE VAN DUIJNHOVEN

Serge van Duijnhoven is geboren in Oss (Noord Brabant, Nederland) in
1970. Hij vloog vrij vroeg het huis uit richting Verenigde Staten waar
hij psychologie en dergelijke dingen studeerde. Maar zijn wegen
brachten hem ook elders. Ondermeer in Bosnië. Een ervaring die hem
wellicht tekende, want in zijn gedichten refereert hij er vaak naar.
Hij debuteerde in 1988 maar de doorbraak kwam er halfweg de jaren
negentig met de house-roman ‘Dichters dansen niet’ (wat meteen de naam
werd van een collectief, bestaande uit enkele muzikanten, een kineast
en Van Duijnhoven zelf) en de dichtbundel ‘Copycat’. Zijn recentste
werk bundelde hij in ‘Bloedtest’ en was ongetwijfeld een van de meest
opvallende poëziepublicaties van het voorbije jaar (2003).

Van Duijnhoven oogt bijzonder mediatiek. Fotootjes doen ons een trendy
boy vermoeden. Hij profileert zichzelf een beetje als een ongeschoren
‘schelm’, een sexy ‘enfant terrible’, een potentiële ‘poète maudit’. Op
het eerste zicht zou je denken: ‘héla dat wordt gewoon maar een
ééndagsvlieg.’ Je haalt je schouders wat op bij het ‘fenomeen’ – je
voelt je er te oud voor. Maar als je aandachtiger, zonder vooroordelen
en ‘forever young’, de bundel leest en ‘beluistert’ (er hoort een
muziek-cd bij), ga je anders denken. Inderdaad: als Van Duijnhoven zich
laat voordoen als ‘een nieuwe Rimbaud’ dan is dat een reklametruukje en
zegt in wezen niets over de ware motieven van Van Duijnhovens werk. Om
Rimbaud te zijn, of liever, om een icoon als Rimbaud te zijn (tenslotte
wie heeft ten gronde de dichter van ‘Une saison en enfer’ en
‘Illuminations’ gelezen en begrepen) is deze jongeman eigenlijk al te
oud. Hoe het ook zij: dat mediatieke moet je er echt bijnemen en er als
lezer het jouwe over denken.

Strikt genomen is Van Duijnhoven in de kern een zwarte romanticus. Hij
schrijft eeuwenoude poëzie. (En dit is geen verwijt maar een
vaststelling). Alleen doet hij dat in een hedendaagse vorm (of
vermomming) en met hedendaagse middelen. (In de spektakel- en
entertainmentsfeer. Wint hij daar lezers mee?).

Van Duijnhoven hoereert een heel klein beetje; zoals alle dichters,
zoals alle poëzielezers dwepen met het woord. Hij houdt zich namelijk

bezig met één van de oudste beroepen in – of is het ‘van’ – de wereld:

spreken, zingen, verzinnen. Woorden vinden, absolute metaforen zoeken

bezwerende formules voor het ongemak van het bestaan die hardop

moeten worden uitgesproken. Waar ligt de grens tussen spreken en zingen,

bezingen en betoveren, bezeren en bezweren? Er kan veel verstilling steken

in een schreeuw. Er kan veel ‘monddood’ blijven steken in het spreken.

Hij portretteert de dichter als een ontheemde, als een banneling, als
een ‘vervreemdeling’, een enkeling zonder papieren – maar wel met een
ongepubliceerde, onpubliceerbare dichtbundel op zak, en op zwaai in het
‘Waste land’ van een sophisticated high-postmodernistische wereld. We
zijn met z’n allen lotgenoten van die einzelganger… ‘on est tous des etrangers’

zo luidt de cruciale regel in het gedicht ‘Met behoud van huis’.

Ja, in de bundel ‘Bloedtest’ staan gedichten vol existentiële nausea,
paronoia en moira.  In deze bundel wordt een wereld geanalyseerd die
letterlijk en figuurlijk uit de bol gaat en op springen staat. Gedichten

geschreven met de dreun van de zwartgalligheid: een harde bas, een scheur in de bast.
Maar onderhuids en echt onderhuids hoor je iemand snakken naar warmte, tederheid,
lieve woordjes, momenten van geluk, zaligheid, paradisium. Een broze jongen, Van
Duijnhoven-tje.

Echt het soort poëzie dat thuishoort in een eeuw waar vliegtuigen
doorheen gigantische torens razen, live op televisie: je moet het zien,
je moet het horen, je moet het je laten durven zeggen. Een wereld die
dus wel wat verschilt met die van nog niet zo lang geleden. Formeel
gesproken, welteverstaan, in de schijn. Inhoudelijk leven we nog volop
in de negentiende eeuw. We leven in een tijdperk dat dialectiek links
laat liggen. Een wereld met steeds minder verschillen. Een wereld die
in potentie geen verschillen meer duldt (waar zal dat eindigen, waar
gaan we naartoe, moedertje?). Misschien wordt dit het wel: een wereld
zonder verschil, zonder gezicht, zonder stem, globaal op maat gesneden
van de onverbiddelijke wetten van vraag en aanbod. Als een leuk
perspectief ervaar ik dit niet (het is maar mijn bescheiden mening).
Tot nader order lijkt me dit wel de zin van poëzie te zijn vandaag: een
gevecht om het verschil. Een dichter droomt taal. Een dichter droomt
een bijzondere taal. Linguïstische idiosyncrasie.‘Een taal zonder
grammatica’  roept Van  Duijnhoven uit. Een taal die louter expressief
zou zijn, meerduidig gelaagd, lichamelijk en cerebraal, objectief en
subjectief, materieel en sentimenteel. Welke middelen hij hiervoor
gebruikt doet er eigenlijk weinig toe. Elburg: ‘Er moet niets in de
poëzie. Je moet je wel steeds afvragen of de poëzie iets wil.’ Oraliteit?

Varieteit? Intensiteit? Het weerbarstige stemgeluid van Van Duijnhoven

die zich bij zijn performances – net als bij deze uitgave via een cd (‘Kueskrott!’) –

bij voorkeur laat begeleiden door zijn gezelschap ‘Dichters dansen niet’,

is onmiskenbaar een teken van vitaliteit. Dichten is stem geven

aan het onzegbare, klank geven aan het onhoorbare, ritme geven

aan het ondefinieerbare, maat geven aan het ondansbare.

Meer en meer krijgt deze poëzie een soort profetisch, zelfs
kosmisch-spiritueel karakter (vandaar het o.m. het orale, het quasi
sakrale – zij het dat dit aspect in zijn vorige bundel ‘Obiit in orbit’
sterker tot uiting kwam). Hier is een ‘poetas vates’ aan het woord. In
het Da capo bij zijn bundel schrijft hij het zo: ‘Wij dienen ons in
alle ernst, in alle gedrevenheid, zo radicaal mogelijk te onttrekken
aan het ‘klassieke’ aardse leven. Dan, en alleen dan kunnen we
beginnen… (blz 99)’. Het brengt hem in de omgeving van beat-dichters
zoals Allen Ginsberg, die hij in een vorige bundel expliciet citeerde.

In al zijn fragmentatie schrijft Van Duijnhoven een extraverte poëzie
waarin onuitgesproken rebellie de middelpunt vliedende kracht is. Wie
beweert dat deze poëzie een hype wil zijn of worden door er filmpjes
bij te projecteren en er een techno beat bij te laten klinken, heeft
het verkeerd voor. Deze gedichten gaan dieper. Er is sprake van een
bindend organisch geheel. Het is geen cabaret van de te korte bocht,

waarin zoveel performers blijven steken. Deze dichter is op zoek naar hedendaagse
invullingen voor eeuwenoude rituelen. Deze poëzie is een ‘rite de
passage’, een teder en wreed schouwtoneel, ‘theâtre de la cruauté’.

Een loutering die ons niet echt reinigt, veeleer bezoedelt (wat ons dan weer

aan Lucebert doet denken). Een neurotische dans om zelfbehoud.

Dichters dansen niet? Charels Olson wist beter: ‘Poetry is dancing sitting down’.

Bloedtest

dichtbundel met CD

Met gedichten over begeerte, illusies, en de eeuwige zoektocht naar geborgenheid. Ontheemdheid, emigratie, liefde, vriendschap, voorspoed, tegenslag en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie.

Op de bijgesloten cd ‘Kueskrott!’ wisselen meeslepende muziek, sferische collages en klankexperimenten elkaar af, waarbij de stem van de dichter wordt begeleid door de accordeon, hoorn, doedelzak, cello, piano en contrabas van het gezelschap Dichters Dansen Niet – Fred de Backer, Gabriel Kousbroek, Bosz de Kler, Antonia Libert, Ali Haurand e.a. Ook Hugo Claus verleende aan dit album zijn medewerking en is op de cd te beluisteren met bewerkte stemfragmenten uit Het graf van Pernath.

Extra informatie: ingenaaid, 104 pagina’s Verschenen: maart 2003

Gewicht: 180 gram Formaat: 200 x 150 x 10 mm De Bezige Bij

Prijs Euro 19.50

Obiit in Orbit; aan het andere einde van de nacht

dichtbundel met CD

Extra informatie: Ingenaaid – Met illustraties en stickers
Verschenen: 1999 (1) augustus 2002 (2)
Gewicht: 240 gram , Formaat: 243 x 172 x 10 mm
De Bezige Bij , Prijs Euro 22.46


‘We leven in een calvinistische cultuur. Wat geschreven wordt, is heilig verklaard, en dat heeft ervoor gezorgd dat het gesproken of gezongen woord in de verdrukking is gekomen. Die tweedeling tussen het orale en het geschrevene bestaat al eeuwen. Het is voor mij net alsof je een artificiële scheiding maakt tussen lichaam en geest.’

  • interview met de auteur in HP/De Tijd 1999

http://www.zohelptpoezie.be/2004/12/16/zumi-pop-serge-van-duijnhoven/ :

Zumi Pop (Serge van Duijnhoven)

Published by Peter on December 16, 2004 in Uncategorized.

‘Jij wordt mijn dood’ had ze gefluisterd
ik zei: ‘zeg dat niet’
maar vond het het mooiste wat iemand mij ooit had gezegd
een tatoeage van kattenogen op haar schouder
Zumi Pop. Ze volgde lessen op de politieacademie
maar ik had nog nooit iemand ontmoet
die er zoveel drugs doorheen kon halen als zij
ze had de pillen uit mijn keel gezogen
de coke uit mijn neus gelikt

‘ben je van Mediterrane afkomst?’
‘wat zeg je dat chique. Ja,
ik ben van Mediterrane afkomst
een afstammeling van Julius Caesar
ik ben een krab uit de zee
speciaal voor jou aan land gekropen
van je trip-trip knipperdeknip
kom hier met die ET-oortjes van je
dan zet ik er mijn scharen in’
‘zet die buitenboord motor van je dan eens aan
Caesar! Varen, man, varen. Volle kracht
de Mediterranee af, aiwiwfowwow’

ergens was ze nog, leefde ze nog, liep ze nog
tripte ze nog. Ergens zoog ze iemand af
dat meisje, dat meisje. Ze klopte, klopte, klopte
op de binnenwand van mijn ziel

‘jij wordt mijn dood’

zing! dans Zumi Pop
alsof je morgen Zumi Pop
in de vroege ochtend
sterven moest

Serge van Duijnhoven – portret van een schrijver

voor “Zinnenbeelden/Viermomenten”

door Bertram Westera, 2009

‘Mijn vader stierf na een ontluisterend ziekbed. Tot het laatst ontkende hij zijn ziekte Alsof hij daarmee het lot kon keren. Waar die angst vandaan kwam? “De dood is vast niet slechter dan het leven”, luidt de boeddhistische wijsheid, maar dat is een schrale troost. Angst voor de dood bestaat niet zomaar. Er staat teveel, ook veel moois, op het spel om je mak als een lammetje af te laten voeren. En dan hoor je mensen over ‘energie die niet verloren gaat’ of ‘ voortleven in de herinnering’, maar ik denk dat het na de laatste ademtocht toch vrij gauw zwart wordt.’

‘In de jaren negentig was ik correspondent in Sarajevo. Ik zag de hulpeloosheid van het Europa van de eenwording bij de aanblik van het Europa van de bloedige verbrokkeling. Op deze manier, op deze plek zelfs, had Europa zich in ’14-’18 ook uiteen laten scheuren. Vandaar volgens mij die verlamming, die onmacht om in te grijpen. We werden herinnerd aan alles wat we hadden willen vergeten.’

‘ De Macedonische aartsbisschop Mihael Gogov Metodija vertelde me ooit een parabel over de verhoudingen tussen de Balkanvolkeren. Over waarom God de aarde verliet. Toen God nog op aarde woonde, zwierf Hij eens in de winter door de bergen. De avond viel, met sneeuw en storm, en God en klopte aan bij een kleine boerderij. De boer die opendeed, gaf God te eten en te drinken en stookte de kachel op. God was de boer dankbaar en stond hem toe een wens te doen. “Maar,” zei God, “alles wat je wenst, ontvangt je buurman in tweevoud. Wens je een baar goud, dan krijgt je buurman er twee. Wens je vier zonen, dan krijgt je buurman er acht.” De boer wist zo snel niet wat hij moest wensen. Hij wilde niet dat zijn buurman er beter van werd dan hijzelf. Hij stelde voor eerst te gaan slapen en God in de ochtend te vertellen wat hij wenste. ’s Ochtends vroeg God hem of hij wist wat hij wenste. “Ja,” zei de man. “Ik wil dat U mij een oog uitneemt.” Hierover was God zo verbolgen, dat Hij niet langer onder de mensen wilde blijven.’

‘Mihael overleed in 1999. Hoewel hij kerkleider was, werd hij in anonimiteit begraven. De geestelijkheid vond dat hij had gefaald in het nastreven van kerkelijke belangen. Voorzover zijn zachtmoedigheid al werd gewaardeerd, gunde niemand hem daarvoor enige eer. Net als in die parabel van hem. En dat kun je kwalijk vinden, maar laten we eerlijk zijn: deugden zijn luxe-beginselen. Ze bloeien in een beschermd en bevoorrecht leven. Niet waar mensen worden bedreigd in hun bestaan. Daar gaat het om overleven, en dan is er niet altijd plaats voor ethiek.‘

‘Geloof en kerkelijkheid hebben vele gezichten. Die van Mihael en degenen die hem een waardig afscheid misgunden, zijn er twee van. Godsdienst was geen oorzaak van de gruwelen in de Balkanoorlogen, maar heeft ook niet verzoenend kunnen werken.’

INTERVIEW BRABANTS DAGBLAD

Serge van Duijnhoven is stadsfilosoof geweest namens het Museum Jan Cunen in Oss. In die hoedanigheid schreef hij verhalen, gedichten en een boek over zijn geboortestad (Brabantse Gezangen 2004). Hij hoort tot de “Helden van Oss”, samen met Harry de Winter, Jan Marijnissen, Maaike Widdershoven, Marc van Hintum en Wim Vos. Deze week verscheen zijn nieuwe prozaboek “De zomer die nog komen moest” (Nieuw Amsterdam), waarin de schrijver opnieuw terugkeert naar zijn Noord-Brabantse wortels.

door Arthur van Amerongen, 12 mei 2007

“Oss is mijn bakermat, de onvolmaakte plaats die mij heeft gevormd tot wie ik ben. De plek van iemands jeugd is onaanraakbaar voor de verwoestende werking van de tijd. Ik woonde van mijn geboorte tot mijn zeventiende levensjaar onder de rook van Ossfloor en Diosynth, aan het uiterste zuidrandje van de Zeeheldenwijk. In de jaren zestig van de twintigste eeuw had mijn vader daar een stuk heidegrond aangeschaft aan de rafelrand van de stad. Hij had een plek op de hei uitgetekend, letterlijk, en bouwde daar een dassenburcht met vele terrassen, kloven, dakkapellen en 20 vertrekken, tot aan zijn dood is hij blijven bouwen.

Aan de andere kant van de heide lag de Blotekontenwijk waar Jan Marijnissen woonde. Tegenover ons woonde nog een koppig keuterboertje met twee koeien en een ezel. De man verdomde het te wijken voor de industriële ambities van zijn buren die hun chemische vaten leeggoten op zijn akker. We hadden een buurman, Marinus de Reuver, die maakte deel uit van de Bende van Oss, omdat hij een aantal mensen vermoordde zat hij meer dan dertig jaar vast in Groningen. Hij kon niet aan de bak komen toen hij vrij kwam. Een oom van mij heeft hem toen een baantje gegegeven als groundsman bij de tennisclub TOZ. Hij moest het gravel verzorgen. Hij stroopte als een gek en hij gebruikte de tennisbanen om zijn vallen te zetten. In de ochtend ging ik dan tennissen en onze Dunlop-ballen zaten dan helemaal onder het bloed omdat de stroper die hazen ter plekke van de inwanden had ontdaan. Hij kwam bij ons thuis en vertelde dan de prachtigste verhalen. “Toe Marinus, vertel nog eens over vroeger”, zei mijn moeder dan.
Vroeger stonden op de Vorstengrafdonck Jan Koerknap en de andere mansers, mandenmakers en schillenboeren met hun door paarden voortgetrokken plaatwagens. Kinderen liepen na de les geregeld helemaal de Willibrordusweg af om de bruine beer te zien die Jan de woonwagenman er hield in een kooi. Gekocht van een zigeuner uit Bosnië die er als berenleider de kermissen mee was afgelopen tot hij besloot terug te keren naar de Balkan. Voor een stuiver liet Koerknap zijn beer dansen achter zijn wagen, door het dier met een pook hard in z’n vacht te prikken terwijl hij riep: ‘Allee vort, Martin, moak ’s een dansje, moak ’s een dansje’. Als het gemuilkorfde beest moeizaam overeind kwam maakte hij zacht grommend een paar schuifelpasjes in de rondte. De muziek waarop de halfblinde beer moest dansen bestond uit het gerammel van zijn ijzeren kettingen.

Mijn vader kwam van een boerderij in Odiliapeel, op de grens tussen Brabant en Limburg, mijn grootvader ploegde nog met paarden. Braks, de latere minister van landsbouw, was zijn buurman. Pa kreeg een baan in Oss als directeur van het waterleidingbedrijf. Hij kon zich snel aanpassen in Oss, sprak de taal van de Brabanders. Mijn vader heeft aan de basis gestaan van de Groene beweging van Oss. Hij sloot een akkoord met de SP tegen het lozen van het chemisch afval van Organon en Diosynth in de Osse grond. Vader wist een en ander van het milieu want moest de hele tijd boeren tot de orde roepen die met hun mest het grondwater vervuilden. Naast ons huis in Oss-Zuid stonden naast eerder genoemde fabrieken ook nog eens Ossfloor, Bergoss, Diosynth, Thomassen en Drijver, een blikjesfabriek. De fabrieken hadden allemaal enorme schoorstenen en op op dagen in het najaar woeien de giftige dampen gewoon ons huis binnen. De dampen van de tapijtfabrieken waren het smerigst want die gebruiken aceton als stikmiddel om de zachte onderkanten van de tapijten te fabriceren. Die gifwolken waaiden dan de slaapkamer van mijn vader binnen. Volgens mijn moeder heeft hij daarom een hersentumor gekregen. Jan Marijnissen woonde en woont letterlijk tussen Ossfloor en Organon in, in een rijtjeshuis. In zijn gevecht tegen de gifspuiters kwam hij mijn vader tegen want die zorgde als directeur van de waterleidingmaatschappij voor de kwaliteit van het grondwater. Marijnissen heeft wel eens tegen mij gezegd dat mijn vader deugde, ook al deed hij allerlei dingen die de arbeiders zich niet konden permitteren, zoals wintersport. Hij durfde te kiezen voor de goede zaak, ook al dupeerde hij dan de rijke lieden waar mijn moeder zo hoog mee opliep. Mijn moeder heeft zich nooit thuis gevoeld in Oss. Dat “dorp” vond ze altijd een verschrikking. Ze kwam uit de Vughterstraat in Den Bosch en het liefst wilde ze weer in de stad wonen. De Ossenaren vond ze maar platte mensen die niets te melden hadden, Niet Ons Soort Mensen. Zodra mijn vader dood was heeft ze het huis verkocht. Toen hij op sterven lag kwamen er al mensen ons huis bezichtigen.

Oss is een oude, geladen plek vol weerbarstige ironie, de bakermat van het Brabantse katholicisme. Tegelijkertijd is het de stad waar Organon in de jaren vijftig en zestig, voor het eerst in Europa, de pil ontwikkelde. De katholieke kerk is en was fel tegen de pil maar het waren de nonnetjes van Heeswijk Dinther die de pil verpakte, met toestemming van Monseigneur Deckers. In Hilvarenbeek noemen ze dat ruilen en tuitelen.

Brabant is literair gezien vruchtbare grond. Het is een goede voedingsbodem voor mensen die een gevoel hebben voor het cerebrale. Brabanders hebben een scherp ontwikkeld gevoel voor dingen die voorbij gaan en die moeten blijven, de ceremonies die daarbij komen kijken zoals carnaval en huwelijksfeesten, plus het familiale. Die katholieken hebben allemaal grote families gehad vroeger. En elke familie heeft familieverhalen te vertellen. Als je uit een gezin komt met maar een kind, dan heb je natuurlijk minder verhalen te vertellen dan wanneer je, zoals in het geval van mijn moeder, uit een gezin met zestien kinderen komt. En in het geval van mijn vader met zeven kinderen. Dat levert bij familiereunies alleen al twee volle bussen op met ooms en tantes, neven en nichten en kinderen. Ik merkte bij een familiereunie van mijn moeder onlangs, toen ze hertrouwde met een gepensioneerde notaris uit Tilburg, dat er nog zoveel verhalen zijn om te vertellen. En waarvoor het slim zou zijn om die op te tekenen voor het te laat is. Enfin, dat is het unieke aan Brabant volgens mij. Dat warme, katholieke, familiale en cerebrale.

Mensen die terugkeren naar hun geboorteplaats om te ontdekken dat cruciale plekken verdwenen zijn, opgegaan in nieuwe woonblokken, onherkenbaar verminkt, kijken in een wrede maar eerlijke spiegel. De dingen om ons heen veranderen zoals wij zelf veranderen. De wijken van de jeugd zullen in de geest blijven bestaan in een bedrieglijke ongeschondenheid. Ze zijn als het gelaat van Dorian Gray: altijd even jong. In ieder geval hoef ik in Oss niet bang te zijn door schoonheid te worden misleid. Het schone is verschalkt door de lompe, hongerige ‘moel’ van een stad die zich duidelijk geen raad weet met haar verleden.

Andere steden zijn puinhopen na bombardementen. Oss heeft geen oorlog nodig, integendeel, vredestijd is meer bevorderlijk voor dat rusteloze vreten aan zichzelf. Oss is een stad die zich onophoudelijk vernielt. Haar kern is keer op keer verwoest en omgeploegd of van de grond af aan weer opgebouwd door naar het centrum getrokken boeren die meenden dat de toekomst in de stad hen meer vrucht op zou leveren dan het ploeteren op de zanderige heidegrond. Platgebrand is ze door naburige Gelrenaren, en later door de stadsbewoners zelf die er zo de pest uit wilden drijven. En overstroomd is ze gedurende een heel millennium bijna jaarlijks, met bruin water en slijk, tot er in de jaren dertig van de twintigste eeuw in de Maas sluizen werden gebouwd en een stuw werd aangelegd. Verpletterd is haar ambachtelijke, pittoreske houten centrum door de stoomwals van de industriële revolutie. De boterwaag, de Graafse Poort, de patriciërswoningen, de oude kerken en kloosterhoven; hun resten zijn nog slechts als vergruisd of verteerd fundament, als as en scherven, te vinden in de grond. Zelfs het alom geroemde industriële erfgoed, zoals het antieke spoorwegstation – ‘een snoepje’ zoals moeder het witte gebouw met de parmantige houten zuiltjes op de perrons noemde – en diverse bakstenen fabrieken met imposante gevels en grote gietijzeren boogramen, werden zonder omhaal tegen de vlakte geslagen.

Ieder bouwwerk dat de schaduw van het verleden bij zich droeg of zweemde naar grandeur, is als misbaksel het nest uitgewerkt, en per afvalcontainer gedumpt in een van de vele vergeet-, gif- en bouwputten die het Osse gemeenteterritorium afbakenen sinds het verdwijnen van de stadswallen en poorten. Alles wat het stadshart honderd jaar geleden nog te bieden had aan markante en historische gebouwen, is in de twintigste eeuw van de kaart geveegd. Wat rest zijn bakstenen arbeidershuizen, woonerven, nieuwbouwwijken, de karkassen van fabrieken en schoorstenen die ook allemaal binnen afzienbare tijd weer zullen worden neergehaald met springstof, sloperskogels en bulldozers.

Ik kwam midden jaren negentig terug uit Sarajevo, en ik heb toen de gok gewaagd om me te vestigen in Belgie. Ik wilde altijd al in Brussel wonen. In mijn debuut, Het paleis van de slaap, uit 1993, staat een gedicht waarin ik erover droom om als Brusselaar door het leven te mogen gaan. Die droom heb ik verwezenlijkt. Als schrijver kun je overal wonen, je moet de plek alleen tot je nieuwe huis maken. Ik woon hier in de Marollen, een plek waar ik me uitermate op mijn gemak voel. Wat vroeger de Pijp was in Amsterdam, dat is de Marollen voor Brussel en wat in Oss de “Blotekontenwijk” was, de Zeeheldenwijk. De Marolliens spreken hun eigen Brusselse dialect, een oud soort Brabants vermengd met Franse en Vlaamse woorden. In het Marollien heet de Hoogstraat de Huugstroet, de Liedjesgang heet de Leekesgang, cabaret-bar Het warm water heet in dialect Het woarm wuuter. Daar klinkt bijna het accent van mijn grootvader uit De Peel in door. Er is veel ellende in de binnenstad, Brussel is een van de armste metropolen van Europa. Maar er is hier ook veel sfeer en gemoedelijkheid, zoals je die ook in Oss en Brabant altijd had. Er wordt heel wat afgelachen en gehuild in de cafe’s, waar de klanten vaak met hun werkeloosheids-uitkering de drankjes afbetalen. Er heerst een soort omarmend gevoel, een gevoel dat je erbij hoort. Wat voor een loser je ook bent.

In het begin heb ik de Vlamingen misschien wat verheerlijkt,omdat ik dacht dat ze exotischer waren dan Nederlanders. Daar heb ik mij echter in vergist. Uiteindelijk blijken de Vlamingen nog veel vrekkiger, gereserveerder, bekrompener, burgerlijker en beschetener dan de gemiddelde Nederlander. Dat heb ik proefondervindelijk kunnen vaststellen in cafe Kafka, waar ik soms op avonden na acht uur werk maar twintig cent fooi van alle Vlaamse klanten samen heb mogen ontvangen. En waar je als barman met Hollands accent dan wel de hele tijd op de Hollandse vrekkigheid werd aangesproken. En elke cent werd uitgeteld, dus als je per ongeluk drie cent te weinig terug gaf werd daar een hels punt van gemaakt. Als je een pintje tapte met iets teveel schuim zeverde de Vlaming dat er minder bier in zijn glas geserveerd kreeg. Ik was voor de zurige Vlaamse clientele daar “diene gierige Hollander”. Mijn Hollandse klanten zorden als enigen voor de fooien.

Een Vlaming zal zich altijd een tekort gedane Nederlander voelen, of een tekort gedane Duitser. Zoals een Waal zich altijd een gemankeerde Fransman zal blijven voelen. Alleen de Brusselaars ontsnappen aan deze armetierige dans der gebreken. De Brusselaars staan op zich. Zij zijn een surrealistisch, anarchistisch volk van een stadsstaat die de hoofdstad van Europa is, en tegelijkertijd van een volk dat niet echt bestaat: de Belgen.

Laatst moest ik een lezing geven voor de internationale schrijversvereniging PEN in Antwerpen, over de vraag of je eerder in een land leeft of in een taal. Mijn stelling was dat ik gewoon in een stad leef. Een tijdje geleden lieten ze me op het gemeentehuis weten dat ik binnenkort een keuze zou moeten maken tussen het Belgische en het Nederlandse staatsburgerschap omdat ik tien jaar in België woon. Ik denk dat ik Nederlander zal blijven omdat ik daar geboren ben, nog altijd langer heb gewoond en ook nog familie heb. Maar als er een paspoort voor Brusselaars bestond dan zou ik dat zeker nemen. Ik ben hier volkomen op mijn gemak en voel me hier meer thuis dan in Nederland of waar dan ook in de wereld. Met de Nederlandse accordeonist en fotograaf Bosz de Kler, die heel veel van Brussel houdt, wil ik ook een fotoboek maken dat “Eén Brussel met bruis, twee Brussels met liefde” moet gaan heten. Dat meervoud “Brussels” verwijst naar de Engelse naam van Brussel, maar slaat natuurlijk ook op het feit dat het zo’n gediversifieerde stad is. Wat de taal betreft kan ik je wel vertellen dat het toch moeilijk is om met een Noord-Nederlands accent aan de bak te komen. Zo probeerde ik om filmrecensent te worden bij de VRT-radio. Mijn praatjes waren mooi, maar “ik klonk te Hollands”, zeiden ze. En dat was ‘niet racistische bedoeld’. Ik vraag me af hoe het dan wel bedoeld was. Te Hollands, om dat als Brabander nog mee te mogen maken!

De zomer die nog komen moest

Serge van Duijnhoven

Uitgeverij Nieuw Amsterdam

paperback € 16,50
ISBN 978 90 468 0212 0

Jungske

Jungske toch, jungske

weet ge wel hoe vaak

ik het buikske van uw moeder

tot spiegel heb gewreven

nog voordat gij

geboren waart

mijn en uw gelaat

in haar lichaam

heb ontwaard?

Jungske toch, jungske

weet gij nu gij ook

in de leeftijd zijt

hoe liefde na het lentelicht

van kleur verbleekt

gelijk schoonheid

van een bloem waarvan

opeens de stengel

breekt?

Jungske toch, jungske

haar lief te hebben

was mijn straf. Genoeg!

geen kruis, geen graf

ik haat het voorjaar

en de bloemen door de

tijd te wit geverfd –

maar het rotste getijde

jungske, blijft de zomer

want dat is als een verlangen

dat nooit sterft

uit: De zomer die nog komen moest

GELOOF – HOOP – LIEFDE

serie interviews met bekende Brabanders in het Brabants Dagblad

deze week: Serge van Duijnhoven

Serge van Duijnhoven is schrijver, dichter en historicus. Hij is geboren en getogen in Oss.

Serge van Duijnhoven (39) merkt dat mensen soms onwerkelijk hoge eisen stellen aan hun geliefde. “Waarom toch? Van je katten verlang je toch ook vooral dat ze bij je zijn. Je geliefdes aanwezigheid op zich zou al genoeg moeten zijn om gelukkig te zijn.”

Waar geloof je in?

“In Tijd. Zonder Tijd zou er niets zijn. Er is ooit een begin geweest, dat kan niet anders. En van daaruit was het de Tijd die gezorgd heeft voor het leven in kosmische zin. Je zou het ook natuur kunnen noemen. Ik geloof in het hier en nu. Ik denk niet dat iets of iemand alles stuurt, ik geloof in toevalligheden.”

Wat weet je van de liefde?

“Liefde is het licht dat altijd moet schijnen, want zonder dat licht is er geen leven. Toch is liefde vaak beperkt, een liefdesrelatie kan zomaar eindigen omdat de ander niet meer van je houdt. Mensen zijn soms zo veeleisend in de liefde, terwijl je van je katten toch ook alleen maar verlangt dat ze bij je zijn. Leken menselijke relaties hier maar wat meer op, dan was het een stuk makkelijker.”

Hoe sta je tegenover de liefde?

“Het is een bron van gelukzaligheid en een bron van ellende. Ondanks dat ik ook verdriet in de liefde ken, houd ik van de liefde. Het kan mensen bij elkaar brengen, zodat je niet alleen hoeft te leven. Eenzaamheid vind ik het ergste dat er is. Maar wie denkt dat de ander hem gelukkig moet maken en er zelf niets voor hoeft te doen, die heeft het niet goed begrepen.”

Wat leert de liefde je?

“Het houdt me een spiegel voor. Door de liefde leer ik mijn eigen grenzen kennen en word ik geconfronteerd met mijn eigen falen. In de ogen van de verliefde is de geliefde een engel. Tot je samenleeft en ook andere kantjes in elkaar ontdekt. Je blijft oplopen tegen de gebreken van jezelf en de ander. Maar als je deze beperkingen leert accepteren, dan is dat mooi. Liefde hoeft niet perfect te zijn.”

Wat is je belangrijkste drijfveer?

“De hang naar vrijheid. Ieder mens is bij zijn geboorte al geketend aan het leven, zijn genen en zijn ouders. Mooi als je die ketens van je af kunt schudden. Liefde kan je hierbij helpen. Het weet je van dagelijkse beslommeringen los te maken en het kan je zelfs voor een moment in een tijdloze extase brengen tijdens het liefdesspel. Dan zijn er voor even geen ketens meer.”

Wat betekent spiritualiteit voor jou?

“Het inspireert mij als ik mensen meemaak die luchtig doch scherp in het leven staan, respectvol en hoffelijk. Casanova was zo iemand. Ik heb een hekel aan gedweep met een hogere kracht. Ik denk dat de mens dit bedacht heeft als een aanlokkelijk dwaallicht om te kunnen omgaan met het onverklaarbare.”

Wat vind je bijzondere plekjes in Oss?

“De Vorstengrafdonck, een mythische plek waar ik als kind vaak ging spelen. En de Maria van de Osse hei. Zij is ’s avonds verlicht terwijl ze haar gevleugelde engelenarmen uitstrekt. En de watertoren. Als kind klom ik samen met mijn vader vaak naar boven om Oss vanuit de hemel te aanschouwen.”
Welke ervaring maakte het meeste indruk op je?

“Een auto-ongeluk in Hongarije, nu ruim tien jaar geleden. Mijn allerbeste vriend Joris en ik werden geschept door een dronken spookrijder. Joris is daarbij op 26-jarige leeftijd om het leven gekomen. Deze gebeurtenis heeft me getekend en gevormd. Ik was een behoorlijk hoogmoedig en pedant ventje, dat is er toch wel vanaf gegaan. En het wegkwijnen van mijn vader aan een hersentumor. Afschuwelijk vond ik het om hem zo te zien lijden.”

Wat maakt je gelukkig?

“Mooie muziek, bergen, bij mijn geliefde zijn, goede seks, mijn katten. Ik ben gelukkig als mijn dierbaren het zijn. Ik kan genieten van een goede maaltijd, maar vooral van hechte en intense vriendschappen. Die zijn voor mij bijna een voorwaarde om gelukkig te zijn.”

Wat geeft je houvast?

“Mijn thuis. Hier kom ik tot rust kom, van hieruit kan ik werken. Hier heb ik alles bij de hand, mijn boeken, mijn muziek. Hier kan ik lekker nadenken en schrijven. Ook het hebben van een geliefde geeft me houvast.”

Waar hoop je op?

“Op een lang leven zonder ziekte. Op een leven waarin ik de ongenoegens van het ouder worden zoveel mogelijk kan beperken. Op mooie zomers. En natuurlijk op de vrijheid, die ik nooit helemaal zal kunnen bereiken. Zodra dat wel gebeurt, ben ik er niet meer.”

tekst Jeanette van Haasen foto ………………………….

Missing links in de verzamelde werktuigen van W.F. Hermans

1.1 VUILSTORTKOKER

‘Beste Freddy,

Je met boeken bezaaide flat heeft interessante indrukken bij mij achtergelaten. Ook ben ik zeer geimponeerd door de manier waarop je de vuilnisklep van de stortkoker in de keuken hanteert. Deze wordt opengetrokken met de linkerhand waarna een korte elegante polsbeweging van de rechter het te verwijderen voorwerp in de muil van de onderwereld doet belanden. Daarbij krijg je onwillekeurig een schalkse uitdrukking op je gezicht, die verraadt dat je graag oude dingen weggooit.
Hoe anders dan ik. Ik moet een dagelijkse strijd voeren, die ik maar eens in het jaar op punten win, om niet elk oud luciferdoosje, pillenflesje, stukje karton, leeg filmspoeltje te bewaren. Mijn moeder was ook zo, maar die was bovendien voorzichtig met geld, terwijl ik bij tijd en wijle op roekeloze wijze grote sommen vergok. Pennywise and poundfoolish, noemden de Engelsen dat, die, zoals je weet, van de Hollanders afstammen. Al doen de aenemische gelaatstrekken van het Engelse volk vermoeden, dat er ook Belgisch bloed is gespild aan de overzijde van het Kanaal. Julius Caesar klaagde er al over, in zijn De Bello Gallico, dat de kustbewoners aan beide zijden van de grijze Noordzee opvallende overeenkomsten vertoonden wat betreft hun turfachtige huidskleur, vlasachtige touwhaar en overige (dixit de generaal) ‘gebutste en plompe gelaatstrekken’. Zouden de vissers, druïden en avonturiers uit de kustgebieden behalve vis, amber en gerst ook hun vrouwen en dochters met elkaar hebben geruild en voor eigen consumptie verscheept (na ze eerst een paar keer door de pekel te hebben gerold, om het vlees voor vroegtijdig bederf te behoeden)?
Godzijdank hebben zowel Belgie als Britannie hun genetische armoede de afgelopen eeuwen wat kunnen compenseren via de influx uit hun Afrikaanse en Indische kolonien. Juist op dit punt hebben racisten en puristen het helemaal mis. Met mensen is uiteindelijk net als met honden: wilde kruising is altijd de sterkste…
Hartelijk gegroet, vanuit de kille vlakte van het noorden
Willem Frederik Hermans

HAREN (GR.) maart 5, 1973’

missing links in de verzamelde werktuigen van W.F. Hermans

1.2 VRIJGEZELLENMACHINE

‘Gisteren en vandaag opnieuw gesleuteld en geknutseld aan het werktuig dat ik onlangs heb ontworpen, en dat ik om ietwat sentimentele redenen ‘Battre de l’aile’ heb genoemd. ‘Battre de l’huile’ zou ook een aanduiding kunnen zijn voor dit raadselachtige, naar zeeschepen, machinekamers en viskotters ruikende mechaniek. Het gaat om een perpetuum mobile dat is samengesteld uit een traag klapwiekende vleugel (van een echte zeemeeuw), een grote apothekerslepel, metaaldraad, en een zeeschelp vol afgewerkte motorolie. Een klein pompje, dat in de schelp is aangebracht, sproeit olie in de lepel, waardoor het mechaniek beweging krijgt. Het werk heeft iets macabers, alsof de vogel dood is en deze vleugel zich heeft losgemaakt van het meeuwenlijf. Tegelijkertijd bezit het de onmiskenbare esthetiek van alle werktuigen die het ongenaakbare concept vertegenwoordigen van ‘les machines célibataires’ zoals gedefinieerd door Michel Carrouges in navolging van Marcel Duchamp… De ‘vrijgezellenmachine’ die vorm geeft aan het oude menselijke verlangen gelukkig te worden zonder medewerking van een ander menselijk schepsel. Een werktuig dat nergens specifiek voor dient, dat vooral als voorstelling bestaat en uitdrukking geeft aan de mythe van de machine, de enige mythe waar de moderne mens met goed fatsoen in kan geloven, zonder zich aan te stellen… Ondertussen gaan mijn gedachten alweer uit naar nieuwe werktuigen, die mij in de toekomst gezelschap mogen komen houden: de tatoeermachine, de gebedsmachine, de moordmachine waarmee duizenden te pletter worden gesmeten (een machine met een fijne neus voor collega-schrijvers en recensenten), de dubbelgangermachine, etc. etc. Ideetjes spuien is natuurlijk een fluitje van een cent. Ze realiseren, dat is andere koek. We zullen zien. Voorlopig maar even genieten van de wiekende vleugelslag van mijn celibataire vriend die zijn motorolie oplepelt zoals ik mijn soep. Ik kan uren achtereen met hem dineren. Zijn tafelmanieren zijn voortreffelijk. Hij slurpt nooit, zijn conversatie is stemmig en elegant, hij valt in de smaak bij gasten, stelt nooit teleur, en bestelt ook geen dure flessen Chambertin bij het eten alleen om jou een hak te zetten. Aan afgewerkte olie heeft hij genoeg. Hij is, kortom, hoffelijk en betrouwbaar en galant. Mijn vrijgezellenvriend, mijn Ongetrouwde Makker, steun en toeverlaat…’

Rudy Kousbroek en Wim Hermans in Turijn 1965

SERGE EERT SERGE

B I T T E R Z O E T

Serge eert Serge

een lyrische hommage

aan Serge Gainsbourg

© Guuznord

© 2010 Serge van Duijnhoven

Soirée Gainsbourg
Bitterzoet, Spuistraat 2, Amsterdam
Woensdag 17 maart 2010
Deur: 21u entree: 10 euro

Je kunt heel goed roken op de muziek van Serge Gainsbourg. Maar ja,
dat mag niet meer. Dus moeten we erop dansen. Op 17 maart, de dag
voordat de schitterende film over zijn heldenleven in première gaat
in Nederland, wordt Serges muzikale nalatenschap gevierd in
Bitterzoet met optredens van Flora Dolores (en wat leden van The
Spinshots), Serge van Duijnhoven (dichter en schrijver) La Secte
Citron (theatre en muziek) en Paris-Maastricht (muziek) en dj’s
Guuzbourg en Natashka. Alles wat Gainsbourg zo bijzonder maakte, zijn
erotisch geladen teksten, zijn jazzy nummers, de disco, de reggae, de
psychedelica, het komt allemaal aan bod. Twintig jaar na zijn dood is
Gainsbourg een ikoon geworden voor kunstenaars, modeontwerpers,
muzikanten, schrijvers en dj’s. Je t’aime…moi aussi!

DJs:
– Guuzbourg (samensteller van o.a. Gainsnord)
– Natashka (DJ/eventplanner van Oh La La)

Live acts:
– Flora Dolores (van The Spinshots) (muziek)
– La Secte Citron (theatre en muziek)
– Paris-Maastricht (muziek)
– Serge van Duijnhoven / Dichters Dansen Niet & DJ Celtric (lyrische interpretaties van Gainsbourg op muziek)

Meer info:
http://www.oh-la-la.nl
http://www.bitterzoet.com
http://www.fillessourires.com/

Op 2 maart 2011 is het twintig jaar geleden dat de Franse zanger, componist en aartsprovocateur Serge Gainsbourg (1928 – 1991) overleed in zijn Hôtel Particulier in de Rue de Verneuil te Parijs. Voor tal van internationale muzikanten blijft Gainsbourg een voortdurende inspiratiebron. Volgens de Nederlandse journalist, fan en deejay Guuzbourg, samensteller van de prachtige tribute-cd Gainsnord – Serge’s Songs Revisited By Bands From The Lowlands (met oa. Tom Barman, West Hell 5, Eddy de Clercq, Marine Boréale, Monsieur Dubois en Benjamin Herman), is hij “een van Europa’s meest invloedrijke songschrijvers, samen met de B’s van ABBA. Een man met een schat aan schitterende liedjes vol dubbele bodems en zelfverzonnen woorden. Die hij zelf zong, maar vaker nog schonk aan de prachtigste vrouwen.”

De jaarlijks terugkerende Soirées Gainsbourg in Vlaanderen en Nederland bewijzen dat ook buiten Frankrijk de chansons van deze poète maudit nog steeds volop tot de verbeelding spreken.

Gainsnord – Serge’s Songs Revisited By Bands From The Lowlands (met oa. Tom Barman, Eddy de Clercq, Marine Boréale, Monsieur Dubois en Benjamin Herman). Samengesteld en ingeleid door Guuzbourg. Essential Music – Sonic Scenery. Son 708028, 18,- www.fillessourires.com/gainsnord

DE NACHTUIL VAN VERMAAK

‘La laideur, mon p’tit, tu le sais

est entièrement supérieure à la beauté

La beauté se meurt un jour.

La laideur d’ailleurs, c’est pour toujours.’

  1. .-.

In gefilterd licht

streelt hij de zinnen

met de ogen van

een veroordeelde

.-.

drinkt hij whisky

uit een tandenborstelbeker

smelt het ijs in zijn keel

het mannelijke fluïdum

.-.

Het mooie wanhoopt

het lelijke speelt

om het malicieuze

te bezweren, Serge

.-.

In alcohol en nicotine

als een vogel zonder veren

seint hij ons de booschap

van het vlotte toeval

Bah oui, monsieur Gainsbourg, da’s al…’

.-.

(en een vreemd gevoel

van infernale gruizigheid)

ZELFPORTRET ZONDER IK

I

de geheimagenten van mijn bewustzijn

schaduwen mijn brein

wie bepaalt er wie de vijand is?

degene die zich in mijn naam

verbasterd heeft van tegenpartij

(`en-e-my’) tot die ene-in-mij

twee wezens uit hetzelfde nest

ontstaan; mijn lichaam blijkt

bestand. Mijn verstand

gaat kopje onder

in het gistende moeras

van het handjevol verwanten

dat ik was

II

en dan vallen de schellen

van het zelf

dak wordt bodem

droom gewelf

ik ben de magneet

zonder pool

de komeet die vlucht

voor zijn staart

er is een membraan dat ik

van mij gescheiden houdt

een impermeabele wand

die ons binnenstebuiten keert

een stemmetje dat kliert

haas kipjelekker,

haast je niet”

moet me vloeibaar maken

schoon genoeg en spoelen

dat gemoed, alleen:

mijn bloed

verdraagt mij

niet

BIJ EEN SLAPEND LICHAAM

ik wil dat je mijn bedoelingen doorgrondt

ik wil dat je de prijs leert kennen van verlangen

de schaal van de dingen, ik wil dat je begrijpt

waarom men het aardige overwaardeert

ik wil je horen zeggen:

‘alles dient slechts om te winnen

alles is taktiek; wij spelen

allemaal’

ik wil dat men ons geheim zal bewaren

dat we elkaar geruisloos achtervolgen als jagers

ik wil dat we bereid zijn onze ziel in te zetten

zoals we een munt inwerpen bij een gokautomaat

ik wil de tijd terug dat ik wijs werd uit mijn dromen

ik wil de tekens terug die ik heb nagelaten op je huid

ik wil je kunnen voelen met mijn ogen in het donker

met mijn nagels nagaan waar je bent geweest

ik wil dat jouw handen me in koele lakens wikkelen

ik wil zien of jouw zijde van de mijne verschilt

ik wil dat je sterker zal zijn naar het einde

ik wil je laten denken dat je wint

ik wil dat je je zonder mij een vondelinge voelt

een zonderlinge in de leegte, ik wil je zien bibberen

in de kou. Ik wil je zwetend, warmgewreven

ik wil je hondsdol, biddend om berouw

ik wil dat je mijn gedachten kunt lezen

ik wil dat je mijn hart kunt raken

op de fatale plek. Het interesseert me niet

wie de wonden veroorzaakt. Het interesseert me niet

hoeveel het er zijn. Ik wil alleen belang stellen

in wat me beheerst. Ik wil op een prachtige plek zijn

als ik sterf. Ik wil kunnen verdrinken in een Rode Zee

me verwonden aan een giftig koraal, aanspoelen

op een hagelwit strand, met jouw smaak nog

op mijn lippen. Ik wil je niet kapotmaken

ik zou niet weten hoe. Kon ik maar zeggen:

ik zal je vergeten. Kon ik maar zeggen:

ik laat je met rust

maar liegen kan ik niet

ik denk altijd aan je, echt waar

ik zal voor altijd aan je denken

DER DUFT DER FRAUEN IN NYLON

O zalige geur van vrouwen in nylon

O verrukkelijk leer met een slag om de arm

O dampende dij, malse heup, vaar langszij

O weegbree en wei en het ziltgroen van zomers

Ach vloed spoel het ruig met je buik in het schuim

Ach eb voel het zand met je rug en ontluik

Ach nimf en beschimp in je niks hier het puik

Ach schim ik die lik het verraderlijk zout van jouw lippen

Wee mij die verzaakt moedwillig zijn plicht en verziek(t)

Wee mij die zijn plecht wendt halsstarrig naar jouw klippen

Wee mij die meer wilt schenken dan er zit in de kruik

VERBETEN DE CREDO’S

Verbeten de credo’s, verwaterde passies.

Verworpen de dogma’s, verzwegen de schuld.

Vermoord is de onschuld, beschaamd het vertrouwen.

Verspild is het water, profaan de confessie.

Verzaakt de communie, ons eigenste bloed.

Verhaspeld de kavels, verschrompeld het land.

Verdorven het aanschijn, ons eigenste volk.

Verkorven de welvaart, voorzie in de droogte.

Drink van mijn woorden, graaf naar de bron.

Het ooft aan de bomen, het zout van de aarde.

Het paard voor de wagen, de schamele oogst.

Schraal is de troost, bitter het aanzicht.

Niets is zo zielig, en niets is bestand.

Vergeefs is de franje, en ijdel het leven.

Vermom je verlangens, kies wie je gade.

Weer af het onheil, spot met de waan.

De mens is een dier, het monster de mensen.

De hemel is eindig, de aarde is rond.

Bid de verwoester, smeek tot de Almacht.

Kus me mijn min, vergeef me de onmin.

Verzegel je lippen, verbrand al mijn brieven.

Vergeet wie ik liefhad, vertel wie ik was.

Dans op het altaar, kniel voor het toeval.

Niets is te dol, en niets is voorhanden.

Genade is nakend, en nu nog het naakt.

COPYCAT

« De twee sexen zullen ieder

aan hun eigen zijde sterven »

– Marcel Proust

Ik voel het vlees zich

om je botten krimpen

je huid als marmer

dat warmte vreet

en koude geeft

ik heb respect

voor de schrammen op je rug

een mug zei je die beet

zo wil ik je hebben

alleen tussen de druppels

je beeltenis maal honderd

verschrikt door het uiterlijk

dat nooit voor jou

kon zijn bedoeld

Heus niet,’ zeg je, je weet

dat het niet de leegte is

die aan zichzelf vreet

die geur,’ zeg je, ‘is het water

van de Amstel. Die schaduw

is de olm op de kant

ik vrees je eerlijkheid

hij maakt je transparant

zo rechtop in de boeg

ben je een statuur

met koudvuur in je knieën

zie je,’ roep je, ‘die spitse toren

die magere huizen, die zwermen

spreeuwen boven de stad?

die meeuwen boven het IJ?

en mij, zie je mij?’

wat wil je bewijzen

in je wijde jurkje

Luister,’ fluister je

snel.’ Met mijn oor

op je dij hoor ik de holte

en jij het gesis en geknor

van slangen en varkens

in je buik

ZUMI POP

`Jij wordt mijn dood’ had ze gefluisterd

ik zei: `zeg dat niet’

maar vond het het mooiste wat iemand mij ooit had gezegd

een tatoeage van kattenogen op haar schouder

Zumi Pop. Ze volgde lessen op de politieacademie

maar ik had nog nooit iemand ontmoet

die er zoveel drugs doorheen kon halen als zij

ze had de pillen uit mijn keel gezogen

de coke uit mijn neus gelikt

`ben je van Mediterrane afkomst?’

`wat zeg je dat chique. Ja,

ik ben van Mediterrane afkomst

een afstammeling van Julius Caesar

ik ben een krab uit de zee

speciaal voor jou aan land gekropen

van je trip-trip knipperdeknip

kom hier met die ET-oortjes van je

dan zet ik er mijn scharen in’

`zet die buitenboord motor van je dan eens aan

Caesar! Varen, man, varen. Volle kracht

de Mediterranee af, aiwiwfowwow’

ergens was ze nog, leefde ze nog, liep ze nog

tripte ze nog. Ergens zoog ze iemand af

dat meisje, dat meisje. Ze klopte, klopte, klopte

op de binnenwand van mijn ziel

`jij wordt mijn dood

zing! dans Zumi Pop

alsof je morgen Zumi Pop

in de vroege ochtend

sterven moest

WATERPOES

Waterpoes noemt je vriendin haar schuit

`hij lekt hoegenaamd niet’, zegt ze

`een beetje maar’. Je denkt: waarom

heet zo’n schavuit toch een schavuit

bij de steiger zie je een graatmagere Indiër

met kaarsrechte rug in Lotus-zit

je klimt in de buik van de boot

met een jerrycan 2-takt smeerolie

tussen de knieën. Teveel lawaai

om te praten. Blikken die kaatsen

je vist plastic uit het water

een witroze aal drijft opengebarsten voorbij

een volgezogen fietsband blijft tegen een zijkant

hangen, duivennestjes met gebroed dobberen

onder de brug. Haar handen die in tederheid

de jonge duifjestooi bestrijken, terwijl

de zwarte koeten verderop vlotten bouwen

van takken, blikjes, natte kranten

hun klotsende fortjes beschermend als trotse

voddenkoningen. De Russische bemanning

van een verankerde vrachtboot zwaait je

in de grijze haven toe. Een groot passagiersschip

vertrekt. Water druipt in slierten

van omhooggetakelde lianen. Het IJ

is plots een oerwoud, de lucht woestenij

nog steeds de hoop dat harten worden gelijkgezet

maar zij verontschuldigt zich:

`ik draag deze dagen een getij in mij

excuses, maar ik draai wel bij’

UIT HET KROMME LEVEN (EEN RECHTE LEER)

waar, hoe laat en in wiens naam

werd zij geboren, op welke grond

werd zij gebaard, was het bij avondrood

of morgenstond dat zij ontstond

is zij van origine laf of moedig

is zij telg uit een familie der

hebzuchtigen of klopt in haar

het bloed der moederlijken

en goedmoedigen

aan wie valt de eer te beurt

de enige, rechtmatige te zijn

de erflaatster, de ravissante

gouvernante van háár:

de koppige, de knappe, zij

die geboren werd met het schuim

op de lippen, met het zweet op haar

aanschijn, zij die de lieren beroert

is dat uit een zielstekort of overschot

uit droefenis, gemis of uit plezier

was offervaardigheid haar schoot

ontstond haar passie uit compassie

heeft zij haar lijf gekregen

om te geven of te nemen

is ze gul of zuinig

verschalkt ze alles, laat ze

restjes staan, beperkt zij zich

tot wat haar goeddunkt, is wat ze

verslindt wat zij begeert, is haar lust

een list bedrog belangeloos

en dat hart waar ze zo graag

haar tand in zet, is dat umsonnst

of omdat zij het zelf ontbeert?

MIJN DOCHTER (vrij naar W. Kees)

mijn dochter hupt op haar skippy door de tuin

voedert de eendjes en de beesten in het hertenkamp

alsof zij alles in de hand

mijn dochter zegt: papa, maak je geen zorgen

spoken bestaan niet toch noch heksen niet noch tovenaars

en morgen breekt een mooie dag weer aan

mijn dochter wenst me welterusten

in het donker, kust me op mijn wangen

huivert in mijn armen

ik vraag me af wie het kind is dat wordt toegedekt

wiens droom het is die hier begint

ik denk: zal alles in het leven voortaan

omgekeerd zijn gang gaan

wat jong is ouder en wat groter klein?

dertig en al door mijn genen ingehaald

ik stop niet meer, ik breek niet meer

ik heb geen dochter

denk er ook niet aan

HERINNERINGEN AAN MAREN

variaties op Histoire de Melody Nelson

Now, the long sleep that outlasts love, that conquers

even the grimace of love, had cuckolded him.’

  • W. Faulkner

I

Het was November toen het begon

onder invloed van de maan,

beweert ze, – eb en vloed –

op haar lichaam: Maren

Vorig jaar

Ik kende haar toen niet

maar Remi wel

ik moet het doen met wat

er daarna is gebeurd

het licht boven de bar

was van een zelfde kleur

als vanavond, in de velden

trippelden fazanten

een oranje maandag

II

Ze wreef met haar servet

over zijn lege glas

spiegeltje,’ zei ze, ‘spiegeltje

steel mijn gelaat!’

capricieus

met de barman, zijn hangbuik

zijn bretels, herkende Remi

haar geste. Ze kende de

mannelijke natuur

de peilloze, permanente

vermoeidheid, het vuur

dat in het huwelijk al te

snel is opgebrand

de uitgestelde rust

III

Een jaar later. November

De kamers van het motel

zien nog steeds uit

op een mossige fontein

een wintertuin

waaruit Remi nog wat takjes

in een boek plat plakt

Maren die er

haar neus op drukt

en lacht met de grimas

van het overspel

in illusie en besef dat het

later dan vannacht

nooit meer worden zal

IV

Het was kort dag, de maandag

is oranje, en alles

is geregeld voor het weekend

de druppels calciumchloraat

twee milligram

de huivering, de kramp

de druppelende verwarming

de geluiden buiten van een

naderende winter (regen, wind)

en na zes uur eindelijk

het voorschot op het zwart –

de liefde die eindigt

in het hoofd

slaap is een te korte dood

(de moteleigenaar overhandigde

mij discreet een envelop

waarin:

  • een journaal

  • een onbetaalde rekening)

Er is nog een herinnering

aan Maren, en Remi

op bezoek bij een badplaats

hier vlakbij

deze nazomer

Er waren toen al tekenen:

V

De zee steeg met ons mee

toen we terugkeerden naar

de duinen, waar Maren sliep

de dag was

gebroken

genesteld in het zand keken we

naar de bruine branding

de vermodderde kust, het

geloosde visafval

naar kinderen en mannen

die flessen op de rotsen braken

om te zien of de zee

iets waardevols had nagelaten

zonder resultaat

VI

Maren wilde niet de vuurtoren

zien maar de molen

in de badplaats

en ze kreeg

haar zin

ze is in de wieken geklommen

heeft het canvas gespannen

haar legging gescheurd

en eindeloos dat weekend

de uitleg van de bultige

molenaar herhaald:

De molen loopt op top

De molen loopt op duikertjes

De molen loopt op blote benen.’

ABGESANG

Giacomo Girolamo Casanova, seigneur de Seingalt –

kasteel van Dux in Bohemen, 1792:

Hoop nog steeds koppig op een betere wereld

en wat meer fortuin. De stoom ontsnapt aan de ketel

en is vrij. De buren boven lachen scheef naar mij.

Vroeger was het alles anders dan vandaag.

Avonturen, schandalen, ongeluk. Ik kreeg de volle laag.

Eens was het Dag. Nu op een haar na Nacht,

Seizoenen tellen niet wanneer je stervend bent.

Verleden zaken zet ik peinzend op een rij.

Ik sluit mijn ogen en al wat ik zie is regen

en een rij gewonde monden boven tafelzilver.

Mijn kamers zijn even leeg als nu het land:

de engelen varen luisterrijk ten hemel

in zin zus of zo, maar de avond valt nog steeds

slecht gecast in een spel van niks.

Door het moordenaarsklimaat schiet overal

nieuw onkruid op. Tonen kreupele buren hun

vertrokken koppen die niemand ooit zo zag.

Dichtgetimmerd in een kist, opgesloten

in een hok of in een kamer

die je eens liefdevol omsloot

schrijf je:

…Afgelopen. Niet meer. Punt uit,’

en ondertekent beverig. Buiten huilen beesten.

De Boheemse beulen en hun knechten vegen stoepen

schoon, besmeuren muren. Naar hen is elk hoofd opgeheven.

te midden van de kuiperijen houden zij de wanden waterpas.

Stippelen zij de toekomst uit, bleek en nu al versleten.

Deze kamers schokken nog het meest van allemaal.

Kil van hart en nog killer van geest, knipperen mijn

windhond en ik in geblindeerde vertrekken

naar uitgangen die niet meer bestaan.

Vele jaren zijn aldus vergaan. Langzaam

brandt wat slijt, scheidt, snijdt, barst, rafelt of verdeelt

om mij tot dit verweerd diëet te krijgen, flakkerend

naar zijn eind. Nu, in een ouder handschrift

krabbel ik bibberend mijn naam. Eens kende ik

dit leven hier, dit kasteel zoals die lantarenlichtjes ginder

blinkend in snoeren aan de overkant van de rivier.

Deze lanen die blijvend geuren naar mijn soort. Maar nu

blaft en gromt mijn geest in deze zuurstofloze lucht.

Ben ik geen brommende gids of cerberus

maar wrakhout voor het schuthok, vol schaamte

snuffelend. Een en al koude neus op zoek naar mij.

Melanpyge I? Melampyge II? Nee!

Een panisch soort gekwebbel stijgt op in mijn lijf.

Wild van verlangen naar mijn schaduw in deze ledigheid

strompel ik jankend de ruineuze lichten tegemoet, krom

het leven in, waar kluiven, katten en bazen rondkrioelen.

En waar ergens ook Haar naam nog moet zijn.”

BLANCO

In memoriam Freddy de Vree (3.10.1939 – 3.7.2004)

I

In mijn droom schrik ik wakker

onder een brug stroomt een borrelend

kwik. Ik hijg. Koel en zilver is je hand

die me bedreigt; je zwijgt. Streep

door mijn keel. Geel mijn gezicht

je trilt rondom mij zoals de hitte

aan monumenten kleeft

stuwt je adem door mijn longen

het is nooit kil nooit donker als je lacht

de sloepen varen met op de plecht

het oog van Osiris. Avond

je slaapt. Althans je adem

lijkt op slaap, en je slapen

op sneeuw. Liefde is eeuwig

maar vluchtig en brandbaar als stro

ik hield al van je toen we niet bestonden

oorlog wisselt met vrede

zoals verkrachting met gebeden

een dun enigma van vlees

scheidt ons van weten en vergeten

er is die regen die nooit valt

drijvend ontwaken

men weet zijn leven verlaten

zijn lever verziekt, ziel verloren

zijn vlees bestorven, lijf verzwakt

zijn leden verstijfd, hart verdord

men weet de dood in zich geboren

hoelang duurt zo’n moment

waarin alles deemstert

naderend licht, wijkende maan

gewichtloos gewicht, in de fik gestoken

kraambed, krijsende moeders

een missaal met miniaturen

onder het retort, de haast

onbeweeglijke vlammen

van het overmatig vuur

wij eren het uur. Nu. Voor straks:

schenk ons die onverwachte dood

II

een gelaarsde halfontklede vrouw

die eindeloos haar papieren lippen schminkt

in een firmament van gepolijst aluminium

Venus lijkt van dessert

maar is van was als een lijk

een engel des doods die poseert

bezint aleer gij bemint’

dag brengt geen raad

nacht bergt verraad

elk ogenblik heeft zijn losprijs

de tijd gelijk toen

lijkt eens te meer

op Caesar Augustus

hoe hij geruisloos nader sluipt

tevoorschijn komt, zegt: ‘Zie!’

en overwint

de weg kwijt

waar een wil was

hartstocht of aftocht

resteert achterdocht

de Florentijnen vochten hier hun vetes uit

wij ons zwijgen. Wachten op het oordeel

bij verstek. Oceanos die zich koest houdt

en bij zomer, nu, zijn winterslaap

een wijngaard, een huis vol klanken

bij het strand. Houd de liefde

achter de hand

genot is aan geduld

geduld aan wraak verwant

de dood is zoet, zei Augustinus

als je de ordening van alles doorziet

maar eerder niet

III

jij was er niet, of wat er was, was jij niet

ga, ga niet, gij, gij niet

plots sprongen uit de bossen wolven toe

en beten de laatste gil uit mijn keel

opgeslokt in een stad van praal en mensenloze elegantie

ik kom een tweede maal ter wereld

met jou in een vreemde weelde

zo deze wereld bestond, bestond zij

in de vorm van een wreed verhaal. Wij tweeën

speelden er niet in mee, hebben ons eigen labyrint

dat wij noemden naar elk ander

maar stiekem naar elkaar

en daarin was jij dartel als een elf

je fladderde door de kerkers van het zelf

lichtte op als fosfor op een vlinder

in het zilte grijze duister

van ons daglichtloos gewelf

en ineens, langs de kant van mijn hart

zag ik de happende honden

in een wolk van stof en stank

de drijvers, jagend door een ovaal

van zonlicht. Het licht is als een angstige jurk

in de nacht waarin een meisje dwaalt

doof van angst, blind van verlangen

erogene aureool. De wereld is haar belager

haar paradijs wacht in de hel

de hel wacht ellen lager

achter glas, die spiegel zonder zilver

het schimmenspel der Ilias

blind gerucht, bloed en tumult

niet uit een vrouw

worden wij geboren

maar uit een vouw

op de blanco pagina

(…)

PSYCHOPATHIA SEXUALIS

Zo stelt hij voor dat hij

haar droom betreedt; het

huis van een bekende, een patiënte,

een klop op de deur, een kleine tik

tegen haar hoofd, een glimlach

hij zet zijn tas van kalfsleer

naast haar bed neer, ruikt

haar parfum (Bardot, of Givenchy)

de adem van de avondkoffie, maar geen

zweem nog van haar angst

zij verhaalt, hij laat haar praten

zij vraagt of zij een raam moet openen

wat licht en lucht moet binnenlaten

maar hij raadt het af. De kamer blijft,

zegt hij, te klein voor twee personen

zij vraagt beleefd of zij zich moet

ontkleden. Hij knikt discreet en neemt

haar kleren aan. Hij vouwt ze op

en legt ze op het laken; alles volgens orde

want geen passie mag ontwaken

hij druppelt vloeistof in haar licht

ontstoken ogen, sproeit nevel

in haar neus, hij reinigt

grondig alle ademwegen, legt zijn

stethos op haar schouderbladen

en stelt zich voor hoe hij haar billen

opent met zijn nagels, haar rug

vilt en de wervels streelt

(hij denkt aan forel, truite

à la meunière) en met zijn handen

graait door haar aders die krullen

als adders rond zijn vingers

hij grabbelt naar haar hart

dat hij, voor hij het menigvuldigt

en in plakken snijdt een kus geeft

een kus! Die eeuwenoude kunst

van de beheersing

MODULATIE: 1 OP 1

Een kwestie van keuren en bekijken

maar de vraag blijft wie of wat gevangen zit

zij in haar vlees of haar vlees in haar

wist zij het maar

– Je borsten voelen zo raar

– Dat is omdat ze echt zijn

Nee zegt zij mijn lichaam mag geen rivier/bedding zijn

die uitslijt met de jaren

ik wil lijnen die bemeten zijn

ik zal mijn jeugd bewaren

– Frons eens

– Kan ik niet. En ik vind het niet erg

dat ik het niet meer kan

Als een dialect dat opgaat in een taal

die vergelijking mag (zij lacht) maar liever

heeft zij het over vrij zijn

van haar voorgeslacht

– Ik sport nauwelijks meer

ik kan ook niet meer op mijn buik slapen

dan lopen mijn borsten leeg

Hij pakt een kleine hamer van zilver

een punaise van metaal

hij tikt die in de schedel

zoals je een poster ophangt

Hij brengt twee snaren aan in het onderweefsel

knikt goedkeurend als hij ziet hoe zacht

hij spant de draden aan

en strijkt het voorhoofd glad

Niets is onveranderlijk. Zij houdt vol.

neus, borsten, kin en billen. Alleen

twee ribben wil de arts niet weg

geeft niets. Zij heeft toch geen aanleg

meer om dik te worden

STROBOSCOPISCH SCHEDELLICHTEN

voor Misja Klein

na eensgezind de sociale spiralen

in het leven te hebben beklommen

is het nu tijd voor een overzicht

met een pilletje in je mik

ziet de wereld er een stuk leuker uit

toch?

een likje gammaboterzuur

een snuffje rohypnol, een snuifje ego (lelieblank)

een videomontage van vrolijke kleuren en figuren

de dood en narigheid wordt uitgegumd

cut & paste gereplaced

wij kommuniceren kommerloosheid

onze levensfilosofie: amnesie

party’s zien wij als metaforen voor het bestaan

vooral voor de vergankelijkheid ervan

eens gaat het licht weer aan,

is het feest gedaan, begrijp je wel

is alles af, dansen alleen nog

je beenderen in het graf

stroboscopisch belichten wij de cellen

van een woekerende welvaart

onze conclusie: alles speelt zich in ons hoofd af

de werkelijkheid is ouwe lul

et tout le reste is flauwe-cul

WIJ ZIJN VANDAAG LICHTVOETIG

‘zwem jij ook in de hoogzee

als een valstrik?

Of zal ik je vinden in het zand,

in de geur van het ogenblik?’

– Hugo Claus

ik leef alleen voor de zon

en wij zijn elkaars schaduw

zout op zout, lik op stuk

ik lust je rauw

twee kuiltjes onderaan je rug

het zonlicht likt en blijft likken

de hitte streelt je huid

met onzichtbare tong

volgt met een vingertop

de lijn van je billen

strooit over je benen

een fijn laagje zand

plengt een druppeltje olie

op een gloeiende plaat

rondom ons waaieren de stemmen

als sigarettenrook uiteen

zie je, alles lost vanzelf op!’

forceren kun je niets

volgens mij trekt alles zich juist vlot

omdat geliefden onbewust het lot

intimideren met hun opdringerige

quasi-kindse zaligengedrag

vandaag zijn wij lichtvoetig

jij Rossalka zeemeermin

en ik de visser zonder baard

ik knabbel aan je nagels, je haren

de vinnen van je zeemeerminnenstaart

ik proef het zand, de zee, de zweem

van zweet en ik proef meer

kristal, en jij

jij proeft het ook en zegt: ‘ik

ik doe je mond

ik doe je mond zout smaken’

wij zijn vandaag lichtvoetig

wij zweven, zwemmen

wij rekken ons uit

gestrekt op het strand

wij neuriën verliefd

de ligaturen van een

onbezonnen componist

wij gaan eten (Coquilles Saint Jacques)

wij gaan drinken (wijn uit Occitanië)

wij gaan dansen (een solea por buleria)

wij gaan wiegen (de malagueňa van Chacon)

wij gaan door tot in het holst

en verder

en ergens in die duisternis vraag jij

of ik wel eens een dier gedood heb

een slang bijvoorbeeld, of een hond

een ram of stierenkalf misschien’

eigenhandig?’ vraag je

en ik, onwetende

ik vraag me af:

waar doel je op?

maar dan terloops

met je gevooisde

en geplooide stem

die zich als vanzelfsprekend

met het omringend donker mengt

vraag je me of ik denk dat geluk

misschien toch echt bestaat

dat weet je pas als je het kwijt bent’

timing is alles

je mag niks, zo zei je vader al

aan het toeval overlaten

behalve het toeval

de nacht wordt aangelengd

de zee wordt eb, de maan wordt flets

roze als een babymond

het leven trekt zich terug

en jij, en ik wij trekken juist

dat leven in

DE VOORSPOED IS EEN JUNK

het is de toon die de muziek

sneert zij en daarbij

of ik haar even in wil smeren

zij drukt puistjes uit op mijn rug

zij gilt als ik in haar vingertop bijt

zij doet voor hoe ik wel mijn tanden

in haar zetten mag, zij die mijn rug en

bovenarmen openrijt en gromt als ze klaarkomt

zij die het liefste op mij rijdt, bovenop mij

zij zegt `dan heb ik overzicht’

zij veldheer die neerkijkt op het slagveld

zij leest een boek dat heet `de voorspoed

is een junk’ – (nee, zegt zij, je kijkt

scheel als een rund. De voorspoed

is een juk. Iets waar je je aan vertilt

zij kan het weten)

RAADSELEN

schoonheid is altijd

het hardnekkigste masker

ik zie ik zie wat zij niet

en wat ik zie is nimmer

wat zij is; een blik! en

weer: tot nader order

alles uitgewist

het marmer van haar vel

een deklaagje sneeuw

zij: `witte roet’ noemden Romeinen dat’

(mannen die teveel steden zagen branden)

witte roet op haar witte reet

zal ze bedoelen, de madam

met negermeisjes, zeetjes in het hoofd

zij murmelt in haar halfslaap

terwijl ze traag een mug wegslaat:

`zwarte seisjes in de grote nacht’

overdag is zij kwiek

maar ook een ietwat misselijk

ik wijs de liefde niet af’

(wat zij bedoelt is: zij wijst mij ermee terecht)

ik ben geen Narcissa en ook geen appel

waar jij zomaar in bijten mag

ik wil alleen met jou in ballingschap’

ik mag haar Adam zijn, die onvolgroeide

brok in haar keel, die mannenman

tussen het laken van madam

zij zegt: `Bataille noemt orgasme ergens

en klein sterven’

ik – Mars, minnaar die al honderd doden

vocht voor haar: `en het grote sterven dan?’

zij: `dat is voor later…’

waar het om gaat

dat is wat moet bewaard

IN HET PRAKTISCH LIEFDESLAB

I

verbaasd door het verkleinwoord

(‘denk je wel aan ’t condoompje?’)

bekeek ik haar, mlle. mosquito

een muggenbeet op haar vanille vel

voor ik me met haar overgaf

aan de wisselingen van gedaante

de zinderingen van gemoed

de sidderingen van het bloed

en later luisterend naar het

sissen van twee lijven in koel

en schuimloos water; damp

werd dauw, hitte ijs en

vlees stolde tot steen

beroerd, verroerd, verward

knipten we het schrikdraad

rond ons hart en beleefden

de dagen daarna als een praktikum

om te zien wat overbleef; het minimum

of wat dies meer zij

daarvan

waarvan

II

Haar blik, haar paddenlach

haar hooghartig geil negeren

haar uitstel van genot

haar minachting die duidelijk

haar kiekebiesj, haar kriekenmond

haar kin gepind op mijn behaarde kont

haar onachtzaam zijn

haar onzachtzaam zijn

haar woorden die ze in spliffkes rolt

haar raadselen die ze weghoest

`ik versloekte me’, zegt ze proestend

haar lepel die ze daarbij laat vallen

in het cornflakesbord. Er is meer

dat zo rondspattend verdwijnt

zinnen die ze smoort in rook

wegwuift met haar hand

een nonchalant gebaar

zoals alles aan haar: per ongeluk

in schuwte gratieus

wat in de ruimte blijft kringelen

blaast ze eenvoudig weg

zodat anderen er geen hinder

van kunnen ondervinden

ze vermijdt iedere agitatie

van boven is ze zwevend, rossig

haast onzichtbaar. Maar daaronder:

noest, zwart, zwaar

zo vindt ze eigenlijk heel ons leven

een grap waarvan we de pointe

beter zouden vergeten

Wanneer een vrouw haar stonden heeft, verkeert zij zeven dagen in staat van onreinheid. Wie haar aanraakt, is tot de avond onrein; alles waarop zij in die toestand gaat liggen of zitten, wordt onrein. Wie haar bed aanraakt, moet zijn kleren wassen, een bad nemen, en is tot de avond onrein; wie iets aanraakt, waarop zij heeft gezeten, moet zijn kleren wassen, een bad nemen, en is tot de avond onrein. Zelfs wie iets aanraakt, wat op het bed heeft gelegen, of iets waarop zij heeft gezeten, is tot de avond onrein. Wanneer een man gemeenschap met haar houdt en door haar wordt bezoedeld, is hij zeven dagen onrein; en elk bed, waarop hij ligt, wordt onrein. Wanneer de vrouw buiten de tijd van haar stonden langere tijd aan vloeiing lijdt, of haar stonden langer dan gewoonlijk duren, dan is zij al die tijd even onrein.’

  • Leviticus 15:19-24

ZEETJES IN MIN KOP

`ich hej zeetjes in min kop’

even legde ze haar wang tegen zijn rug

hoorde hij haar zuchten, iets zeggen

een woord dat in de verte op zalig leek

hij wist niet zeker of dat was wat ze zei

en toch, ze was daar, ze lag daar

tegen hem aan en met haar armen

geklemd om zijn lichaam als een boot

die lag aangelijnd; vannacht

was hij haar baken

en bestonden zij alleen

maar voor elkaar

en alles voelde als vanzelfsprekend

en alles voelde als volmaakt

op hun gemak en allebei –

maar enkel voor een nacht

ze krabbelde iets omhoog, plaatste

haar elleboog naast zijn hoofd

en rolde vakkundig een joint

op het plat van zijn buik

hij mocht schijnen wat hij wou

en waar hij wou, over haar heupen

haar nek haar billen en overal –

maar enkel voor een nacht

RANJA

Ranja noemde je het

aanmaak; liefde met

de smaak van limonade

je zoog het uit haar binnenste

en besmeurde er haar borsten mee

druppels als robijnen

om haar nek, de tepels

knipperend en zwart

Je was een man

en kende geen gevaren

zij waren het immers

die de wonden stelpten

en zij was van hen één:

een vrouw

Die wist dat vlees geen gras was

die wist hoe mannen elkaar

de hand schudden, beminnen

en belagen

tot bloedens toe

Maar niemand die er nu nog durft

zijn merg om te verwedden

de controle is verloren

de rollen zijn gekeerd

en tenslotte blijkt er zelfs

een eiland

waar een man ook menstrueert

met zand het vlees schuurt

het bloed laat vloeien

in de schoot van een zee

zo blauw als inkt

uit maandverband/O.B.

-reclame

ICHOR, HET BLOED

Samen kunnen we ontkennen

wat we willen (dingen die

gedurfd zijn en verwacht)

we zijn bevreesd voor wat er

tussen ons stroomt – de complexie

van schaamte en wraak

Verwond door het onzichtbaar mes

dat door ons lichaam trekt

de mond in het geslacht verzonken

weigeren we te zien de tekens

de bloemen die niet willen groeien

het geheim van liefde blijft

tijdelijkheid, haar rafelige

randen, de druppels

onstopbaar – maar niet

onstolbaar – maar niet

TEDER GIF

Zij heeft een stem als crème

smeert woorden uit in donker

als een nachtwerker teer

over brokkelend asfalt

De onrust woekert en haar hakken

tikken weg naar het oor van een man

die haar te vroeg betrapte

een kobold met stalen handen

– het is vast daarom dat zij

als ik haar gesel met de liefde

vol verwijten rilt, gilt

en zweet

DE TEDERHEID

Bois, car après nous, la lune souvent

Passera de son déclin à son croissant et

de son croissant à son déclin.

– Omar Khayyâm

Hier is het als elders

als je geheugen

dat zich verwijdert

de dagen zijn gevuld

de muren zijn oud vlees

de stank is de stilte

een wolf in je spoor

een kameraad in de spiegel

je vraagt haar niet om

eeuwigheid te tellen

noch om te wonen in

een iglo, een casino

je wilt haar kut en anus

kussen

is dat tederheid?

De tederheid is om

te kotsen

Het is een traject, een droom

van blikkerend

metaal

de detector piept

dief! of terrorist!

maar je komt erdoor

voor in de Lockheed

en later alleen

met haar in een motel

bedrijvend de liefde

van de sterfelijken

je voelt het in je nek

een suikerstorm, haar tiende

thee, haar blaas-

ontsteking

twee seconden lijken haar ogen

te vallen, als krabben die

terugkruipen in de rots

en dan is het bekend:

dit jaar zal er geen winter zijn

Het zaakje vergaat

het verhaal heeft al

te lang gelegen

na het toedienen van pijn

en genot, een shot

een dag een week

bekruipt je het gevoel:

een overdosis

niet altijd de trut die ze is

is ze; moet je daar

nog moed uit vatten?

ze verkiest te wonen

achter hoge muren

de wapens van vernedering

gebonden om haar heupen

je spreekt haar niet

de deuren zijn gekust

het is nu om het even

de tijd te doden als de liefde

Voel met je vinger:

de nacht in de maag

van de meisjes

Proef met je tong:

sardientjes gevuld

met heroïne

Smeer uit de zalf:

de rimpels de vouwen

van accordeons

Ken de gevaren:

de korte en lange

circuits

Twijfel

aan jezelf

Overhandig wat is

verworven (alles)

Giet:

de laatste wijn

sta op

Alleen de rozen

kunnen nu nog dronken worden

HEERLIJK

ik ben heerlijk, zegt zij

als wij in de ghoede stede

van het misverstand ons overgeven

aan de laatste trends, gebakkelei

en ander onbetekenends

heerlijk (lang proef ik het woord)

we spartelen wat rond in de fuik

speuren door rekruteringsrubrieken

zien een hele toekomst voor ons

als bestekberekenaar

blijven haken aan een sjieke bar

waar witte porto wordt gedronken

als aperitief en daarna gegeten

poulet à la Kriek

we spenderen onze diploma’s

en vragen per slot van rekening

beleefd naar de faktuur

ze noemt mij doortastend

ik zeg: zo noemden ze Stalin ook

ze kijkt me aan en zegt opnieuw

dat ze niet weet of ik wel echt

een vriend ben of enkel een kompaan

of ik nu eerlijk ben of niet

ik ben eerlijk, zegt ze

en ik dacht dat ze heerlijk

maar dat zeg ik niet

ik brand mijn tong

en bouw haar na

eerlijk? ach wat heet…

BLOEDTEST

`als mannen bij mij zijn
hebben ze geen controle meer
over de dingen die gebeuren’
zegt zij die geen controle
over mij (ik evenmin), wij:

twee pluisjes in de wind

ik wil niet dat je me alleen laat

nu, de sfeer is juist zo goed’

dan laat ik je niet alleen

maar in gezelschap van

die goede sfeer’

`je weet niet wat je wegsmijt’
ik geef haar gelijk – ik weet het niet
each man kills… het oude lied
ik voel me schurk, een dief
op heterdaad. maar ik ben niet
op voorbedachte rade hier


wat wel, denk ik, wat is het
dat ik ben, een boer
die zijn oogst verwoest
in domme dronkenschap
een plunderend soldaat
die blaker wil als buit?

zij laat mij blootsvoets uit
haar kater glipt tussen mijn benen
de staart rechtop als een sidderend

serpent door anderen bezworen

een aal met afgehouwen kop

die blijft kronkelen tot op ons bord


`dit is symbolisch,’ vindt zij
ik beaam, druk mijn voorhoofd
tegen dat blonde hoofd van haar
`het spijt me,’ zeg ik, `wíj schieten niet
met de boog, het is Eros die schiet’

ik loop met zonnebril
in snelpas door de nacht
een uil die niet kan huilen
ik wacht, rook mijn Gitanes op
terwijl het langzaam ochtend wordt
de orbit blauwig paars
het uur vlak voor l’heure bleue
als het azuur wordt uitgewist

door licht

de leerlingen van de boeddha

vroegen hun meester:
`bent u een heilige?’

de boeddha zei: `nee’
na een tijdje vroegen ze:

`bent u een engel?’
hij zei: `nee’
`maar wat bent u dan wel?’

wilden de leerlingen weten
de boeddha antwoordde:

`…ik ben wakker’

het raam rol ik een handlengte omlaag
en gaandeweg vult mijn gemoed zich weer
met lucht, ik snel, versnel, vertraag
de liefde is een bloedtest
en ik blaas, ik blaas, ik zie
dat wat vervliedt, wat niet
ik ruik mijn eigen adem
anders nog? de alcohol
de roes, het schrijnende
en het lucide… ik prijs
de dag die breekt, denk:
goddank, ik ben wakker
goddank, ik ben nog altijd wakker

BLAUWHELM (CASQUE BLEUE)

een foetus voedt zich via zijn navelstreng
een patiënt overleeft dankzij zijn infuus
en ik, ik lik mijn wonden
ben met ziel en lijf gebonden

aan haar, die mijn leven kwam belegeren
uit naam van genade

de liefde is een lijfstraf

door een bloedraad opgelegd

een pleit dat bij volmacht

van de genen is beslecht

een geseling van oog om oog

en tand om tand, van borst

tot benen, kop tot tenen

hart tot hart; wat ik heb

is wat ik had, een kreet

die in de keel klemzat

zij: `een vrouw is voor de man de ideale foltermachine’
(ik: wie is die man dan?)
zij: `ik toon je alles waar je op uit bent’
(en net daarom verlies je het)

in al haar gulheid blijft zij lenig

ongenaakbaar en

net als haar woorden

smokkelwaar uit dat corrupt

en sprookjesachtig

land van haar

maar dan, tenslotte

weet zij het:

`zo zie ik het: als vulling

van leegte, een plastic want

die door een hand pas

vorm krijgt, volte, contour’

geen speld valt daar nog tussen

tenslotte is er niemand die meer

recht van spreken heeft

dan zij die vanaf het moment

dat ze geboren werd

bleek uitverkoren

om woordvoerster te zijn

van alles dat vanzelf spreekt

KEERVERS

en als het schip dan zinkt

zeg je, omdat het is geënterd

laat het dan met mannen

en met muizen, laat het dan

en ook met ons in godsnaam

naar de kelder gaan

jij hebt je best gedaan

zeg je, voor alles wat

mislukt is

we ruimen en sorteren

wat na een aantal jaren wel

en wat niet meer

we pakken in, vouwen uit

geven lucht aan wat te lang

de adem in, aan wat met ons

geheugen is verstoft en is verdikt

er zijn vast zaken zoek

er zijn vast dingen

die hier in het donker zijn gestikt

de tijd valt stil

die ons heeft toebehoord

maar zich nu tegen ons gekeerd

de balans is opgemaakt

in de as van het restant

de taal die we spraken

is de strijd die nog woedt

het woord is gebinte

ons speeksel is bloed

we heffen eenmaal nog

het keervers aan:

venite adoremus – nee!

het leven is geen koorgezang

van strofen en refrein

kop voor keizerin

lijm wat nog rijmt

de keizer is zijns weegs gegaan

hoera hoera (hij leve hoog!)

maar hoger nog de generaals

die zijn gebleven

DIT WAS TOEN MORGEN

spreken in tongen. teken in poses.

proefwerk prelude. profaan in probatum.

doorsta de beproeving. ontwar de verhalen.

verwaand en onzeker. versteld van de waarheid

vol van verwachting. in geuren en kleuren

en zoetige smaken. vrucht op zoetzuur.

roos in het laken. bloesem in bloei.

troost en calvarie. keet op koopavond.

alles voorlopig. planning in fasen.

kiespijn en groeipijn. liefde bij vlagen.

dit was toen morgen. vandaag is geweest.

de roes van het bijna. de beet van het beest.

LUISTER EN VINK

‘l’art de plaire est l’art de tromper’
– Vauvenargue
luister en vink blijven spelen

onze verlangens uitgezweet

gebeden in een ander

om onze genade

ik ben van jou gemaakt vrouw‘

maar weinigen die weten
minder doorstaan
ken ik de ziel niet
wil ik de ogen

ken ik de nek niet
wil ik de mond

wee wie ooit zinderend

van ziel versmolt

wee wie ooit zoals

de wereldzee verdroogde
schroomvallig drinken we

van het vocht

dat geen dorst lest

baden in de poel

die ons niet wast

niets is wat het lijkt

en niets blijft gelijk

de rivier niet die

voorbijtrekt noch

het vleesnat in ons lijf

en ook de hoop niet

die weer op de klippen

het water dat ons

nader tot de lippen

de tederheid is ongenegen

de zuiverheid bevlekt zichzelf

en ook rechtschapenheid

liegt niet volmaakt

wat schoon is verloedert

wat rein is bederft

wat zoet is verbittert

wat goed is verzuurt

luister en vink blijven spelen

onze verlangens uitgezweet

gebeden in een ander

om onze genade

ik ben van jou gemaakt vrouw’

de begeerte is een cocktail

in een gifbeker bereid met

mintblad, kraakijs, rattenkruit

een opkikker voor de eeuwigheid

CALECHE DU SEXE (CLUB 3201)

Vrouwen, voor zij binnentreden

kussen zij het blauwe veld

van aderen en littekens, de wang

van de portier. Met genoegen

lezen ze de tekst dat alle

vlees hier voedsel is

ze zuigen op lolly’s met giftige

mezcalwormen, kietelen katten

die slapen op de bar en verrichten

autopsie op een ongekrenkt

mannelijk lichaam dat geboeid

ligt uitgestrekt op de vloer

ze snijden in lendenen (ook hun

eigen) en werpen organen in

een teil die, nadat het bloed

wordt afgegoten, op het vuur

wordt gezet. Ze geven elkaars

sappen door via dialyse, de

draden aangesloten op hun

genitaliën. De cocaïnerauwe

plekken op hun huid worden

bestreken door penselen gedoopt

in gelei. Een deejay snijdt het

geluid met scheermesjes

uit oude discoplaten. Ze dansen

en drinken urine waarin opgelost

capsules ecstasy – bedoeld om ieders

lust te hydrateren. Het mengsel

werkt meestal averechts. Het laat

hun huid en haren koken tot een

holle korst van opgedroogde

spijs. In de ochtend, bij het

ontsteken van de lichten

voelen ze vaak spijt

en pijn – er druppelen tranen

in de wonden. De gevoeligsten

trekken hun leden omhoog

bij de wimpers. Krabben aan

hun ogen en bezwijken voor het

uitgestreken gezicht van de

nog altijd in smetteloos wit

gestoken portier

MORS STUPEBIT ET NATURA

Zumi Pop: `ik wijs de liefde niet af’

Serge: wat zij bedoelt is:

zij wijst mij ermee terecht

Zumi Pop: ik ben geen Narcissa

en ook geen appel waar jij

zomaar in bijten mag

Zumi Pop: ik wil met jou

in ballingschap

Serge: ik mag haar Adam zijn, die onvolgroeide

brok in haar keel, die mannenman

tussen het laken van madam

haar ogen groot, nog groter

dan waarzegbollen, pupillen

gezwollen, gespleten

tot ellipsen van planeten

alsof ik met haar

door de hemel schiet

in dat blauwgroen

dat bauxiet van haar, dat crimson

zwart van het niet. Ik zweef met haar

door de kosmos, de orbit die zij is

en die zij om mij strengelt en

verstrengeld houdt

zij tovert de lente en de zomer

in het lover, mijn lover

Zumi Pop: jij mag mijn minnaar blijven

Serge: ik mag – de zanger van de mis

die zingt van het gemis

ik mag – de plenger van de wijn

die zingt van het venijn

ik moet mij zo maken dat ik

van kop tot tenen in haar orbit pas

ze wil dat ik haar Heel & Al

prijs en bezing, haar verse

vrouwenlijf in verzen wring

zij wil dat ik haar prijs

maar ik zeg: van teveel complimenten

raakt een vrouw slechts

op zichzelf verliefd

zij is geen wezen van getij

van maan, stuurloos gevrij

wel van zee, het nat dat

uitgestrekt tussen ons twee

zeeziek is zij, als zij zegt:

Zumi Pop: ik heb zeetjes in m’n hoofd

Serge: het klutsen, klotsen van de liefde

migraine, angst, verliezen

als zij geneest is alles kwijt

Zumi Pop: `ik wilde een klein kusje maar’

Serge: Kat en hond blijven spelen

Zumi Pop: `ho! ho! ik heb nog geen keuze gemaakt’

Serge: `’kook niet’

Zumi Pop: `voor wie?’

Serge: zij belt vanuit mijn vertrekken

naar haar man:

Zumi Pop: `ja, ik ben bij hem.

kreeg je mijn brief niet, dan?’

Serge: zij fluistert donker

spijt en onmin

als zij ophangt is het of ik ben verplaatst

als toren en loper op een schaakbord

Zumi Pop: `laat hem maar lopen

en grommen de hond. Eindelijk,

al is het vermoedelijk al

te laat.’

(tegen Serge): `laat jij nu dan

mijn hond zijn. Mijn trouwe

kameraad’

Serge: gaat het om de trouw

het touwtrekken om `jou’?

of om het liefhebben, subtiel

inventief; inventionen

voor erotische zônen

rochade, klein of groot?

promotie in de rangen van het wrange

Zumi Pop: `het blijft natuurlijk spel’

Serge: `zeker, lief, tot in de dood!’

Serge: loper, toren, hond, geliefde, lijk

chinees gezegde: na de partij is alles

weer gelijk; koning en pion

verdwijnen na een poos

in dezelfde houten doos

Zumi Pop: `maar het moet wel spannend blijven…’

Zumi Pop (plots, nurks): `maak voort’

Serge: `maar…waarom?’

Zumi Pop: `daarom…

treinen wachten niet

treinen wachten nooit

het mooiste komt toch

altijd onverwachts

daden, woorden, alles is

onderbreking

de wereld is een beest

een roofdier, ongeduldig

en vlug, en altijd hongerig’

NYCTALOPE

Je suis la femme du Hibou

et de ces nyctalopes de la détresse

et des saisons malades…

et il fait froid

derrière mes yeux noirs!”

Léo Ferré

Je gezicht is nooit helder. Je zoekt

altijd het donker op. Een gedeelte

van je gezicht is verdwenen.

Je zegt dat je het gehad hebt

met deze wereld, Christus –

je zou kunnen sterven als een hert

hier in deze kamer

het gewei in een schors geboord

een gat in de schedel

ijs achter de ogen –

maar niemand die er om

heeft gevraagd.

Is dit weer een nieuwe ziekte

Of een symptoom van liefde

Op een ziekenkamer?

De wekker zegt het je voor:

morgen word je wakker

geboren

KING SIN

(in een coupé tussen Parijs en Brussel)

Het is een langzaam gevecht

je knippert tegen het wit

weerspiegeld in porseleinen ogen

je ziet het (moesje op haar wang)

zoals reizigers het zien:

met onverschillige verbazing

penis tussen toegeknepen borsten

coming shot, de glinstering

buiten passeren pionnen

watertorens geplant in

Noordfrans landschap

schaakspel van steen en lak

KATAPLEXIE

Achter elke deur begint de nacht

met een dalende temperatuur

een naam geprikt op de muur

een lichaam (waarin woedende wespen)

oog (waarop vlokken) dat zich niet durft

te openen. Beelden, brokken

van eten schoten in de keel

naburig geruis van tv (niet af te zetten)

lichten buiten: tekens van

afzondering. Een schietportret

zoals een schietgebed met

fatale gevolgen. Noctamid

merinox, laat het voor één nacht

genoeg zijn

DE ZIEKTE VAN VEGAS

De zon is de halogeenlamp

van de dood.”

    • Peter Verhelst

Vriendschap, liet je merken, is in deze omgeving

een wanspreuk. “Zulke dingen knip ik eruit”

alsof je een film maakt, een boek plakt

met kwalijke plaatjes, wegloopt op in nylon

gestikte benen van deze rusteloze eeuw

De zon schijnt in dit gokhol als ziekte

en slaap in het bloed van je nog altijd

vijftienjarig lichaam. Terug naar de dag

dat jouw vader ons allebei ving, en de

strengen tot aan onze navels om zijn vingers

wond. Heer dokter, in dit klimaat smelten

de plastic wanden tussen het divertissement

de kapellen met de cassettes blaasmuziek van

Elgar, Mendelssohn en Mozart. Wie trouwt er nog

in deze tijd om kinderen te krijgen?

Jij en ik we tellen terug tot nul

en verliezen wat we alleen als kennis

konden bezwaren

COCKTAILS EN CANAPES

Een mens is alles en meer of minder is hij ook een

koning en zelfs eens een dwaas.”

H.C. Pernath

Dames met een vernisje smoezen

over de mogelijke minnaars

van de avond

en minder relevante zaken

Het wachten blijft

op de flosjes van verleiding

die onverhoeds op het

gezelschap worden neergelaten

de beloning van een avond praten

Wat, jij die denkt dat je

er iets van snapt. Die man

die bij het dansen op je pumpjes

stapt, dát is nu Eros

de gehandicapte choreograaf

LIEFDE MINUS IETS

Het grote gevoel gaat gekleed

in intriges

je zweet in begrip

je ziet hoe het randje

van haar slip zich om

haar billen sluit

de welving van haar enkel

die beantwoordt aan de welving

van haar hals

en het is of zij het ook ziet

of zij het ook voelt

maar nee

zonder een grein van begrip

veeg je bij het ontbijt

alleen de kruimels

van je bord

BEGEERTES VOOR DE RUG VAN EEN VROUW

de vele puberteitjes in haar hoofd

blijven draaien als molens

en gebeden. Zij woelt

en voelt zich stom

haar kont doet pijn

kleine imitaties, geobserveerd

bestudeerde pasjes, gebaren

een vinger die zij langs haar

wimper streelt en meer

van dat soort bewegingen

die zij nooit meester is geworden

`Het doet er niet toe

hoe we erover wensen te denken’

Ze had het aan den lijve

ondervonden en geslikt:

aspirines voor een bloedend

en weerbarstig hart

CATWALK

Hij dwaalt op twee voeten

van het viriele

naar het aardse

naar het viriele

hij zoekt het in den vreemde

waar alle dingen zijn

zonder herinnering

hij zoekt het vlakbij

laag bij de grond

waar zich het heimelijke voltrekt

bij het vertrek

is het tastbaar

bij de terugkeer

is het er misschien

waar hij geen weet van heeft

TUTTODISCO

als het uit míjn wil voort zou komen

en als dit een feest zou zijn

van flirtende meisjes met

te strakke billen en mannen

met ruw geschoren gezichten of snorren

en als ik in hun kelen kijken kon

en de ontstekingen zien groeien

en daarmee het vuur in de darmen

waar het broeit als in de hel

als in ieder lichaam als ik

me terug kon trekken uit de

zijden lakens de dromen

voor de rijken, als ik van

genot een aanmaakdrankje

maken kon, AA of Guarana

liefde slaan uit een

dorstige dansnacht, een

gezicht geven aan het

duister als de maan aan

middernacht, dan zou ik

zeggen luister, laten we

hier ter plekke ongestoord

vrijen maar vrijen

dat vind je zeg je

een ouderwets woord

HIER IN DEZE BALZALEN

Hier in deze balzalen

met barsten in de vloeren

deze hangars van Sodom

deze tempels van kort-

stondig genot, het is hier

dat ik mijn honger bot-

vier, in de geur van bergamot

en appelbloesem

Hier in het licht dat met

lange tongen onze boezem

onze kruizen likt dans ik

mijn pik gericht als radar

op de vlammen, de hammen

van door zweet gepekeld vlees

het is hier dat ik, in sweet

and bitter panic, de tel kwijtraak

van mijn doorwaakte nachten

Hier in de nevel met mijn neus

op de feiten, aan dit opgedofte

hof van aantrekking en afkeer

volg ik, avanceer ik, bewijs eer

ik, aan die ene vrouw die

ene mythe van die ene zomer

van dat ene feest van die

ene jongen die getikt

inmiddels is gestikt

Ik bijt op de beat die aanzwelt

hoor de clap, gerinkel van geld

een gesampelde stem die vertelt

me te mengen in de massa het geweld

de lichamen die als messen snijden

tussen zich koelte toewuivende

meiden, aristokatten, anorexische

latten, panters die sluipen en

patsers die zich bezuipen

En ik bedenk: waarom doe ik dit

niet vanavond maar elke avond

niet een uur maar een nacht

waarom deze gebeden zonder end

deze jacht op dit moment deze

flagellante straf waarom breek ik

mijn weerstand af, geef mijn

slaap, mijn lichaam op aan de

herinnering – een niet bestaande

heks van de anale kring

Het antwoord danst in

onbevrediging

WREED, JIJ

af en toe zie ik je temidden van je zusters
een baby wiegend in je tienerarmen
jij die niet meer bang hier in de schemer rondhangt
– ‘witte Nachten zijn niet wit,’ zeg je beslist
‘maar beige’ – trachtend iets etherisch op te vangen
vleugjes van verlangen in zilverfolie op te warmen
jij die woont bij de oude mannen
in hun vochtige krotwoningen
jij die hurkt met het spuug in je nekhaar
en niet dan ijskoud zeggen kan:
‘dit wel, dit niet,’ op de rand van het bed
of in het hotelbuffet gintonic drinkend
met om het even welke vent, vervloekend
door wie jij bent vervloekt; jij die de drang
kent en het gevaar, jij die de huur betaalt
met liefde en ooit misschien wel met je leven
terwijl je tegen al je vrienden zegt:
‘met prostitutie heeft het niets te maken.’
de tol van jouw bestaan, en dat van je naasten
gehaast, voor even, de angst en het gevoel voorbij
jij die beeft hier onder mij; en ik die
prevel in je rugvel: ‘met prostitutie
heeft het niets te maken’

en al begin je zwaar te zweten
wrijf je met je vingertoppen over de levenslijn
die als sikkel zonder hamer in je handpalm staat
ben en blijf je de vestaalse, rotsvaste, ijzeren-

heinige, jij die al te goed beseft hoe driestheid

bij het daglicht liggen gaat en sist

tussen je tanden: ‘wreed’
een brand die woedt tot in je wezen
een koude die het hart aanvreet
jij die geluk kortstondig schitteren laat

en mompelt nogmaals met gesloten ogen

en pieus ditmaal: ‘wreed…’ en ik die kreun

en nauwelijks levend lijk

HET GEBED VAN DE OOSTENWIND

Het is allemaal als aan galgen gezegd

even bitter als zinloos

het herinnerde lichaam, de naastende geest

de godin van mijn altaar en tempel

de hondin voor mijn poort naar de hel

de schutswal voor het vooreinde

ik prak het verdriet kwijt in naamloos vlees

mijn escapisme faalt

de hoeren achter de ramen wuiven mij uit

de toeristen gapen en zien mij niet staan

ik ben als een smeltende sneeuwpop

in de regen, een kabouter in een voortuin

wat nu, nu ik hier en jij waar wij ooit

en hij naast en met jou in bed en ik zonder

samensmeden complotten tegen de tijd

het bedenken van een betere wereld

het vergeten van ongedeeld leed

en nooit meer nooit meer nooit meer

samen alleen nooit meer samen

nooit meer ah! en wee! of oh! en

amen –

ontwaken is desillusie

kennis is smart

geheugen is gemis

en nooit zal ik zijn wie ik

ben wie ik wil wie ik was

als ik ooit deze kwaal kwijt kan

spelen winnen helen als ik

die afgemat en aangepast

als bij mirakel weer genas

LOOP IK LANGSHEEN HET LEVEN

Als ik vergeet, geloof dan niet dat het is omdat ik wreed zijn wil

Als ik verwijs, geloof dan niet dat het is omdat ik wijs zijn wil

Als ik vertel, geloof dan niet dat het is omdat ik spreken wil

Als ik spreek, geloof dan niet dat het is omdat ik horen wil

Als ik zwijg, geloof dan niet dat het is omdat ik zever wil

Als ik spring, geloof dan niet dat het is omdat ik vrezen wil

Als ik val, geloof dan niet dat het is omdat ik springen wil

Als ik geniet, geloof dan niet dat het is omdat ik trouwen wil

Als ik bevroed, geloof dan niet dat het is omdat ik broeden wil

Als ik verdwaal, geloof dan niet dat het is omdat ik vinden wil

Als ik bedenk, geloof dan niet dat het is omdat ik twijfel wil

Als ik aanbel, geloof dan niet dat het is omdat ik vriendschap wil

Als ik vrees, geloof dan niet dat het is omdat ik oorlog wil

Als ik vrij, geloof dan niet dat het is omdat ik vrede wil

Als ik afdrijf, geloof dan niet dat het is omdat ik zinken wil

Als ik duik, geloof dan niet dat het is omdat ik drijven wil

Als ik buig, geloof dan niet dat het is omdat ik barsten wil

Als ik breek, geloof dan niet dat het is omdat ik schade wil

Als ik speel, geloof dan niet dat het is omdat ik drama wil

Als ik lieg, geloof dan niet dat het is omdat ik spelen wil

Als ik hoor, geloof dan niet dat het is omdat ik voelen wil

Als ik brand, geloof dan niet dat het is omdat ik doven wil

Als ik bevries, geloof dan niet dat het is omdat ik smelten wil

Als ik geeuw, geloof dan niet dat het is omdat ik neuken wil

Als ik loslaat, geloof dan niet dat het is omdat ik vrij zijn wil

Als ik vals speel, geloof dan niet dat het is omdat ik winnen wil

Als ik uitvaar, geloof dan niet dat het is omdat ik vluchten wil

Als ik zucht, geloof dan niet dat het is omdat ik lucht zijn wil

Als ik smeek, geloof dan niet dat het is omdat ik haten wil

Als ik steek, geloof dan niet dat het is omdat ik liefde wil

Als ik kniel, geloof dan niet dat het is omdat ik smeken wil

Als ik vlucht, geloof dan niet dat het is omdat ik keren wil

Als ik terugkeer, geloof dan niet dat het is omdat ik leren wil

Als ik liefheb, geloof dan niet dat het is omdat ik mens zijn wil

Als ik laf ben, geloof dan niet dat het is omdat ik week zijn wil

Als ik vermoed, geloof dan niet dat het is omdat ik slim zijn wil

Als ik verschil, geloof dan niet dat het is omdat ik min zijn wil

Als ik verstop, geloof dan niet dat het is omdat ik schuilen wil

Als ik bloed, geloof dan niet dat het is omdat ik rotzooi wil

Als ik verwelk, geloof dan niet dat het is omdat ik bloeden wil

Als ik verga, geloof dan niet dat het is omdat ik blijven wil

Als ik verzink, geloof dan niet dat het is omdat ik duiken wil

Als ik verdom, geloof dan niet dat het is omdat ik niet meer wil

Als ik verpruts, geloof dan niet dat het is omdat ik te veel wil

Als ik rust, geloof dan niet dat het is omdat ik niets meer wil

Als ik ten onder ga, geloof dan niet dat het is omdat ik jou niet wil

CORRIDOR DE PASSAGE

wij glommen in het donker

als wormen, we waren licht

en vettig, blind

we wilden wel maar wisten

niet voornaam te zijn

de baard voornamelijk

in de keel. We struikelden

over onze woorden

we dansten heel onhandig

als de hormonen in ons lijf

we verzwegen ons geheim

dat roze als een tong lag

in de mond een roofdier

klaar voor de sprong

we streken ons bloed uit

over spiegels. We wisten

niet hoe de liefde eruitzag

we wisten heel weinig

van het leven, we wisten

heel veel en met onszelf

geen blijf

TUSSEN ALLES EN NIETS

We hielden van de wreedste taferelen.

Van gevilde heiligen, de verleidelijke Salome

van Quinten Matsys. De wonderlijke allegorieën

waarin dieren musiceerden. En uiteraard hielden we

van Bruegel en Breughel en Hieronymus Bosch.

We hielden van moerassen, venen,

afvoerloze vlakten, hydromorfe bodems.

Van de dertiende-eeuwse in de kelder

opgebaarde mummies uit de kerk van Wieuwerd

door de turf beschermd tegen bederf.

We hielden van de Markies van Sade

die schreef dat stront naar olijven smaakt.

In werkelijkheid smaakt het naar niets.

Als uitgekookte vlasvezels met een bijsmaak

die zeer bitter is, vanzelfsprekend: galbitter.

We hielden van De Sade, wiens lievelingsdier

de slang was (en wel de dodelijke Anaconda)

en woonde in een vervallen kasteel te Lacoste.

Nu een kledingmerk met als symbool

een groene krokodil. (Is dit toeval?

of bijt al het saillante zich sowieso in de bil?)

We hielden van de liefde; haar vrolijk vet

maakte elke landing zacht. En kijk ons nu eens

kaal als de grond! Tussen minstens en niets

was het dak nog even een vlies

voor het begon.

CRUSTACEAE

had god een keuze

bij de schepping

of deed hij slechts alsof

zoals wij die altijd

bluffen altijd leren

door de leugens

en de bekken die we trekken

voor een spiegel of ten overstaan

van om het even welk publiek

de contouren komen vanzelf

bovendrijven aan de oppervlakte

het evenbeeld dat wij

bewaren in onszelf zoals

de voorstelling van een reptiel

of enig ander geschubd meerpotig

schaal- of salamanderachtig wezen

dat ruggelings omhoogkroop

uit de zee

zeker, zeker!

zo is het zekersteweten

geweest en nog steeds…

wij zwemmen en kruipen ruggelings

de toekomst tegemoet

als kreeften

SOLARIS SOLITARIS

er is geen reden voor illusies

en toch willen we geloven

dat het leven loont; we eisen meer

dan er op deze wereld

alleen de rust blijft ideaal

ook voor wie woont in de natuur

maar af en toe wordt ze gevonden

en steeds gaat ze verloren

in de realiteit. De plaats

van het individu blijft

eenzaamheid, solaris

solitaris

het hoofd barst uit mijn schedel

mijn brein barst uit zijn bast

het ego is weer uitgetreden

het ik is geen ander

maar een menigte

van mij

ontmantel de structuren van de tijd

externaliseer je angsten

sluit vriendschap met je dwanggedachten

zorg dat het heelal zijn waardigheid

verliest

OP EEN DAG ZAL DIT LEVEN WIJKEN

Op een dag zal dit leven wijken

zul je sterven als een hond

alleen in de sneeuw

met het donker over je heen

als een deken en de koude

zal zijn als de warmte

en je laatste gedachte

als je leven en je laatste dag

als de nacht en de nacht

als de dag die einde is

en toch geen einde kent

op een dag zal dit leven wijken

heb je geen munitie meer

om je teweer te stellen

geen kogels meer geen vinger

aan de trekker en geen spanning

op de veer de keer dat je weet

dat je keren voorbij zijn

en niet weer zullen keren – terwijl

je binnen zit en je naar buiten wilt

en je kwijnt als de oogst

die blijft rotten op het veld

op een dag zal dit leven wijken

de dag dat je weet wat het is:

geveld zijn, als je dagen geteld zijn

en je niets meer bent van wat je was

zo snel als onder het gras

je ogen gepeld zijn en je aderen

gespeld zijn door maden als naalden

van zilver je dromen van glas

zo snel als je gedachten opgaan

in gas en je loslaat – alles

wat je dierbaar was

op een dag zal dit leven wijken

HET RIF

we duiken naar koraal

en ongrijpbare kleuren

in het grote barrièrerif

we stoken het wrakhout op

verbranden een aangespoeld lijk

op het strand

verhef ons tot luitenanten van verzwelgend onheil

verhef ons tot executieven van een globaal filiaal

alles druist in tegen de aardse krachten

alles druist in tegen de wetten der natuur

sneller dan de tijd

kan men niet reizen

ook wie op tijd komt

is al te laat

CTRL ALT DELETE

de oersprong is het oor

& in den beginne was het woord

om van de eisprong maar te zwijgen

we krijgen het koud

zijn al oud in onze jongste dagen

vragen nergens om

behalve einde

of een koude start

een nieuw begin

cut the crap

stilte zal komen

avond zal vallen

er is geen weg meer heen

geen weg meer terug

het venster klapt de toekomst dicht

elke tak torst duizend bladeren

aaneen

ZO KOMT HET

Zo komt het. Waar geen woorden voor zijn

hoe je het ook wilt noemen. Het grote geheim

van Rumi Djal’alladin, het onvoorstelbare niets

van Meester Eckart. Nietzsches niets

dat alles is. De reductio ad absurdum

van Descartes. De lelijke zwarte leegte

van Sartre. Zo komt het. Hoe je het ook wenst

of verwenst, of hoe je het je voorstelt:

als gapende stilte, als vacuümzee van duisternis

als Gods zurige papadem. Zijn uitgespuugd lood

als de heerlijke stad, of de berm

vol met uitgebrand schroot

als de verschroeide oever

de verdampte rivier. Als droefenis

of lafenis, als wroeging of plezier

zo komt het en komt het en komt het

ook hier

als het einde dat komt zo komt het geheid

als het eind zonder einde, als het eind

van de tijd. Of zo komt het als het begin juist

van de eeuwigheid. Zo komt het

als as in je mond, als pis in je strot

als knikker vol stront, als een vrucht

in de rot. Met een reutel, een keutel

een rochel of een scheet. Zo komt het

als het komt ijskoud of gloeiend heet

zo komt het klaar of komt het af

in de cabine of het graf. Als laatste

of op kop. Of anders komt het op z’n kop

als acrobaat of als de zot, als vadsig vod

of dwaze operettegod. Als kip zonder kop

speedskiër of coureur, onder de doping

of op dope. Als wielrenner of coureur

zo komt het op of om de bocht

als loper of chauffeur. Zo komt het

broodnuchter of met een stuk in de kraag

zo komt het vlug. Zo komt het traag

als kop of munt. De bingo of het lot

als blackjack of als de jackpot

als de sleutel of als slot. Als

paleis of als krot. Zo komt het

als het gat in de grond of het wak

in het ijs. Zo komt het als klier

of als tocht door een kier. Als Kruis

of kut, als kus of kruisiging

zo komt het als Jezus of het Zilt

als doornenkroon of als onttroning

als bisschop in habijt of als Schot in een kilt

als pijniging of marteling zo komt het

als een speenvarken dat gilt, als het lam

dat wordt gekeeld en zo komt het

als het laatste dat je hebt gewild

als braaksel komt het of als laatste woord

dat je over de lippen komt. Als lucht

die je ontvliedt. Zo komt het als een stem

een roeping. Of als het einde van het lied

als de ping van een triangel, als roffel

of als stoot. Als het rood van het bloed

of het bruin uit de goot. Als donder

of als bliksem. Als pauze of als paukeslag

als serene rust zo komt het

of als eeuwige koopzondag

als dag van de wrake of als brandend zand

als harde nacht komt het of als de ochtend

voor het vallen van de krant

als slaap of als ontwaken. Als kanker

of gangreen. Zo komt het als Lucullus

heer der vraatzucht, of als vel over been

als Jeanne d’Arc of zuster Ursula, Bernadette

of Maria of om het even welke maagd met anorexia

zo komt het als zij of hem of haar

als gruwel met een bereklauw

als kindje met een rammelaar

zo komt het, als de hengst met de hamer

als tik van de klok, als een

striemende zweep of de zwiep met een stok

als een zwaai met de scepter

of een crash in je laptop

zo komt het als schroeiende keel

of verstokkende klank, als de geur

van lavendel of niet te harden stank

als een koude douche, een dampend bad

als zachte sofa, poef of pijnbank of het bed

der natuur, als aarde water lucht of vuur

zo komt het – en liefst nog op het gods-

onmogelijkste uur. Met een stijve pik

of met een masker. Als tepelklem

mister Piercing of Tattoo, als

krachtstroom op je schokkend hart

als een afgestroopte pels. Zo komt het

hemels zo komt het hels, zo komt het

als roos of als de spijker in het vlees

zo komt het als honing of als gif

als een pil uit een doos of een lik

uit een pot stroop. Zo komt het

als modder in een loopgraaf, als angst

na de hoop, of als de wanhoop komt het

als een lus met een knoop

en verder komt het als een assegaai

of een machete, als een schroef of een

vijs, als een hooivork of een zeis

en zelfs als balpen komt het uit een boog

als het mes op de keel dan of als een

banale bezemsteel. Zo komt het

en met of zonder gevoel, als een spies

aan de grill. Als een paal door je anus

of als een pijl in je bil. Als een visgraat

in de keel of als de scherf van een granaat

zo komt het. Als bakermat of bakerpraat

zo komt het onder de stress en overwerkt

maar soms ook glad en onbemerkt. Zo komt het

als spion of private eye, als een omgelegde

pion, als schaakmat of als patstelling

zo komt het stipt en efficiënt

zelfs al komt het te laat. Zo komt het

stroef en stram of in soepele spagaat

in goudbrokaat of vol ornaat. Als koning

of als potentaat, als weldoener of moordenaar

als een kale baron of een clochard

met rafels in het haar

zo komt het als hond die knaagt aan ieder

been, of als knokige Hein komt het

van binnenuit of om je heen. Als de zinkende bodem

of het slurpende veen. Als hoogtevrees

of overmoed, in voor- of in tegenspoed

als de val van een reling of de sprong

voor een trein, als de macabere danser

komt het of het mollige ketje. Als stijve hark

of als verkreukeld servetje. En in repen

of in moten of als slierten spaghetti

als strooisel, witte sneeuw of als kleurig

confetti. Als onzekere zekerheid komt het

als machtig mysterie of macht der ongrijpbaarheid

zo komt het en komt het en komt wat er komt

uit de hoogte der hoogten of het diepst van de grond

hoe het ook komt, het blijft een gok:

wat je wint, wat je verliest

als ons leven zich in nevel

aan ons netvlies vastvriest

MON UNIVERS EST A L’ENVERS

over GAINSBOURG – VIE HEROIQUE

feeërieke film van debutant Joann Sfar

De feeërieke speelfilm Gainsbourg (vie héroique) van de tegendraadse Franse regisseur en striptekenaar Joan Sfar (1971) begint, na een prachtige intro van fladderende stripfiguren, met een veelzeggende scène. De kleine joodse doerak Lucien Ginzburg, op 12 jarige leeftijd al kettingroker, wandelt over het strand van Deauville, en vraagt aan een mooi leeftijdgenootje of hij haar hand mag vasthouden. Waarop ze zijn voorstel bondig afwijst: “Nee, jij bent te lelijk”.

De stelling van Sfar, die door de film heen consequent is uitgewerkt, is dat de latere zanger Serge Gainsbourg zijn hele leven lang op een bepaalde manier dat jongetje is gebleven dat, ingeklemd tussen schaamte en schaamteloosheid, haakte naar de liefde van onbereikbaar mooie vrouwen.

Na de openings-scène op het strand, waarbij tonen van de wals klinken uit Gainsbourg’s absolute meesterwerk Melody Nelson, zoomt Sfar in op de donkere jaren van bezet Frankrijk, als er overal in Parijs affiches te vinden zijn met karikaturen van Le Juif en France (de Franse versie van De eeuwige Jood). Lucien Ginzburg vond dat hij, als joods jongetje van Ashkenazische afkomst met haakneus en flaporen, veel teveel op die gruwelfiguur van de nazi-propaganda leek. In zijn levendige fantasiewereld, wordt hij op straat achtervolgd door een aan het affiche ontsnapte en tot leven gewekte geest met de lelijke kop van de Franse Jood die steeds meer in volume uitgroeit tot een kolossale ballon met armpjes en priemende gele ogen. Met een gestolen cowboypistooltje schiet Lucien de kop op gegeven moment aan flarden. Maar net als bij een draak die wordt gedood, ontpopt er zich een figuur uit de nekwervel van Le Juif die misschien nog wel angstaanjagender is: dr. Flipus – een alter ego van Ginzburg met een lange vogelneus en lenige feline trekken, die als een soort Fenix uit de kruitdampen tevoorschijn kringelt. Een kruising tussen Mefisto, een atletische raaf en Behemoth de zwarte kater uit Boelgakov’s roman De meester en Margarita.

Lucien tekent, tot vermaak van zijn zusjes en verbazing van zijn klasgenootjes, de bizarre avonturen die hij in zijn fantasie beleeft met zijn onzichtbare gezel Dr. Flipus (Dr. Jekyll?) op in een schetsboek, waarin hij met aquarel zijn schildertalenten exploreert. Buiten woedt de oorlog, en om indruk te maken op een stel dronken zwarthemden die door de Parijse straten marcheren, zien we Lucien luidkeels de Marseilleise meezingen: “Du sang partout!” Thuis in Pigalle probeert vader Ginzburg zijn zoon met strenge hand het pianospel bij te brengen. Maar het liefst van al trekt Lulu zich terug in zijn zelfgecreëerde schilderwereld, waarin behalve Dr. Flipus ook de vrouwen van Clichy beginnen te figureren. Ten overstaan van de Rubensiaanse schone van de schilderacademie die hij stiekem naakt portretteert en denkbeeldig het hof maakt, citeert hij “soms Baudelaire en soms zichzelf”, en hij bezweert dat zijn Muze niet ontdekken zal wie wanneer aan het woord is.

De oorlog kan Lulu gestolen worden, tot het moment dat hij gedwongen wordt om zich, voorzien van valse documenten, samen met zijn ouders schuil te houden op het platteland. Vlak voor zijn vlucht uit Parijs staat de jonge Ginzburg voor dag en dauw op de stoep bij de prefect van Clichy om als allereerste een jodenster in ontvangst te nemen. “Een eer”, zo zegt hij wijsneuzerig, “die hij zich beslist niet wil laten ontgaan.” Als de prefect hem vraagt of hij die ster van hem dan echt zo graag wil dragen, antwoordt hij: “Het is niet mijn ster, meneer. Het is die van u.” De hele film zit in die ene zin samengebald. De prefect voelt zich voor schut gezet, en schopt de piepjonge provocateur het gemeentehuis uit.

Of deze anekdote waar is? “Wat doet het ertoe”, zegt de regisseur hierover in een van zijn vele promotiegesprekken die hij houdt bij het uitkomen van de prent, “als Gainsbourg hem gedurende zijn leven de moeite waard heeft gevonden om te vertellen.” Wat in elk geval waar is, dat is dat de zanger na de oorlog – zoals op amusante wijze tijdens de film in beeld wordt gebracht – uit geldgebrek twee jaar lang mandoline-leraar is geweest in een weeshuis te Champfleur dat vooral plaats bood aan kinderen van ouders die in de gaskamers waren omgekomen. Die kinderen, gewonde diertjes eigenlijk, waren zijn eerste publiek. Toen hij het weeshuis binnenging, was zijn naam nog Lucien Ginzburg. Na het te hebben verlaten, noemde hij zich voortaan Serge Gainsbourg. Serge was de voornaam van de directeur van het instituut.

De film heet ‘Gainsbourg: vie héroique‘. Joann Sfar: Ja, Gainsbourg is in mijn optiek een held. Maar zoals Iedere held draagt ook Gainsbourg in zijn levensloop de tragiek als een onvermijdelijke schaduw met zich mee. Serge is geen heilige, maar hij heeft zich wel een heiligenleven verzonnen, en ik heb me geamuseerd door alle staties van de kalvarie van Sint-Gainsbourg te volgen.”

Ondanks de toevoeging ‘vie héroïque’ is de film zeker geen hagiografie. “Ik geef geen antwoorden of probeer geen mythe te doorprikken”, vertelt Joann Sfar in een gesprek dat plaatsvindt in het beroemde restaurant La Coupole in Montparnasse in Parijs. “De vraag of iets in de film perse echt gebeurd is, interesseert me niet. Mijn film moet niet op de werkelijkheid lijken, maar cinema zijn. Ik had zin in cabaret, lekker dik aangezet, waarbij je kunt wegdromen of af en toe een traan moet wegpinken. Spektakel met acteurs die zich helemaal geven. Ik gebruik alleen wat Serge Gainsbourg zelf over zijn leven verteld heeft, inclusief de verzinsels.”

De film bevat tal van stripinvloeden, maar ook verwijzingen naar films als Nosferatu van Murnau, Les Enfants du paradis van Carné, Amarcord van Fellini en Big Fish van Tim Burton. Regisseur Joan Sfar mikt duidelijk heel hoog. En hij vergooit zich niet. Décors, kleding, cinematografie, mise-en-scène: alle is tot in de puntjes uitgewerkt en van symbolische lading voorzien. De beelden van Gainsbourg: vie héroique schetsen een ultiem sensueel, fragiel en gelaagd beeld van een duivelskunstenaar, vooral in de eerste helft van de film als het gevecht met de artistieke demonen nog moet worden gestreden en de Muzen nog moeten worden verleid. Iedere scène is een tot leven gekomen schilderij dat al naar gelang de situatie sober, somptueus, realistisch of surreëel is ingekleurd. Sommige fragmenten zijn films in een film (bv. de ontmoetingen met Juliette Gréco en Boris Vian). Niet zo maniëristische en pompeus als Quintin Tarantino dat pleegt te doen in zijn produkties, maar afgewerkt met tedere penseelstreken die, je kunt niet anders zeggen, van oneindig veel smaak en jouissance getuigen.

De keuze om geen encycopedische film te maken, maar een persoonlijk portret met strip- en musical invloeden, pakt bijzonder geslaagd uit. Vooral ook omdat onder de dikke lagen schmink en de felverlichte bric-à-brac van de décors, gekozen is voor een even intelligente als subtiele vervlechting van muziek en thematiek. Daarnaast is de rolbezetting ronduit magnifiek te noemen. Eric Elmosnino speelt een Serge larger than life, echter dan echt en geloofwaardig tot in de kleinste tics, zozeer dat je er kippenvel van krijgt. Laetitia Casta, de huidige Marianne – het symbool van de Vrijheid en La Femme Eternelle dat de Fransen al decennialang tot één figuur abstraheren voor op hun postzegels en statieportretten – speelt haar voorgangster Brigitte Bardot met het grootst mogelijke sex appeal denkbaar. De scène waarin zij met laklaarzen en in panterrokje de gang van Gainsbourg’s werkflat binnen komt gelopen, is van een even erotiserende bravoure als de strandscène met de werkelijke Bardot uit Roger Vadim’s Et dieu créa la femme. Het licht gaat schijnen, de camera gaat van beneden naar boven, het hart van de kijker komt even tot stilstand. Ook de rol van Jane Birkin is trouwens perfect getypecast. De adorabele Lucy Gordon speelt alsof haar leven ervan afhangt. En in wrange zin is dat misschien ook wel zo geweest. Want kort na de laatste opnamedag heeft de Engelse actrice zichzelf verhangen. De film is dan ook aan haar opgedragen.

Het Faustiaanse duel met Gainsbourg’s dandy-achtige alter ego “Rotkop” (La Gueule), die de zanger op stel en sprong influistert wat te doen om als artiest hogerop te geraken (en uiteindelijk een vedette te worden, een ster tussen de sterren), is naar mijn mening verreweg het meest interessante aspect van Sfar’s film – die te surreëel en cabaretesk is om een gewone biopic te zijn maar tezeer de tijdslijn van Serge’s leven volgt om het ook weer niet te zijn. Het conflict tussen Gainsbourg en zijn voor anderen onzichtbare daimon, is een meestervondst. Die de film niet alleen op een hoger plan tilt, maar een aantal duistere aspecten van Gainsbourg’s complexe leven ook werkelijk begrijpelijker maakt. Met dezelfde sensuele hand en vloeibare lijnen waarmee Sfar als stripauteur zijn bizarre karakters op papier zet, portretteert de regisseur zijn hoofd- en zijpersonages op het filmdoek. Het beroemde en o zo moeilijk te bevatten fluïdum van Gainsbourg spat, druipt en druppelt aan alle kanten van het doek af, en het plezier waarmee dit alles gemaakt is evenzeer.

Sfar heeft zijn film, op aandringen van erfgenamen Jane Birkin en Charlotte Gainsbourg, uitdrukkelijk omschreven als een fantasierijke vertelling. ‘Un conte’. Een modern sprookje over een lelijk jongetje van Russische ouders die er op verbazingwekkende manier in slaagde niet alleen de mooiste vrouwen van het land, maar zelfs gans Frankrijk, aan zijn voeten te krijgen. Daarnaast gaat de film ook over het thema van het offer, de fatale prijs die een artiest moet betalen om succesvol te worden. De behoefte aan liefde van Gainsbourg is volstrekt onverzadigbaar, un besoin sans issue. Zie hier de principale drijfveer van zijn leven, die hem naar de toppen van zijn kunnen voert. Maar de zanger ook te gronde richt.

In dat opzicht is de “conte” of het donkere psychologische sprookje dat Sfar met deze rolprent vertellen wil, een variatie op de aloude mythe van Faust die zijn ziel verkoopt aan de duivel in ruil voor de onsterfelijkheid. De zanger – in het begin nog schattig, onhandig en verleidelijk jongensachtig in beeld gebracht – krijgt gaandeweg de film maniakale proporties. Zijn ego raakt even monstrueus verknipt en opgeblazen als de Jodenkop van het affiche die hem in zijn jongensjaren in het bezette Parijs achtervolgde. Zijn jongensachtige behoefte aan liefde en erotiek ontaardt in een gruwelroman van De Sade.

Het kantelmoment in het leven van Gainsbourg komt perfect overeen met een cruciale scène uit de film, die met 200 kilo aan lampen schijnt te zijn opgenomen aan de oevers van de Seine. Op het moment dat de door Brigitte Bardot gedumpte zanger op het punt staat om Jane Birkin, de liefde van zijn leven, te veroveren, blijkt hij niet meer in staat om het penseel te kunnen hanteren. De daimon van La Guele kijkt geringschattend toe hoe zijn levensgezel diens talent opoffert aan zijn geluk.

“J’aime bien ma nouvelle gueule”, zegt Gainsbourg als hij zich aan het begin van zijn huwelijk met de Engelse poppedijn eindelijk lekker in zijn vel vindt zitten. Het gaat hem voor de wind, de Muzen lonken onafgebroken naar hem, het publiek ligt aan zijn voeten, hij heeft een schat van een dochter, schrijft aan zijn symfonische meesterstuk Melody Nelson en voelt zich voor het eerst bevrijd van zijn complexen. Jane heeft hem een nieuwe look gegeven en de raad van zijn corrupte alter ego Rotkop kan hij voortaan dan ook missen als kiespijn. In de mythologie van Sfar: Gainsbourg wijst Rotkop de deur.

In de film zien we de Doug Jones, die het spichtige alter ego speelt in zijn kostuum van papier maché, hete tranen plengen op het dak van Gainsbourg’s Hôtel Particulier, en meewarig neerstaren op de scènes van huiselijk geluk die zich in en rond de slaap- en kinderkamer afspelen. Rotkop probeert zijn vroegere makker weer tot samenwerking te verleiden. “Ik dacht dat je een Pygmalion wilde zijn voor kleine Jane”, schampert La Guele. “En nu is het je Engelse meid die jou de weg wijst in dit leven!” Gainsbourg doet alsof zijn schaduw nooit bestaan heeft.

Prompt gaat er natuurlijk van alles mis in het bestaan van de zanger, die zijn kindse inborst weigert op te geven en zich nauwelijks raad weet met de verantwoordelijkheden van het volwassen leven. Het geluk van ’69/’70 blijkt minstens zo fragiel te zijn als Gainsbourg’s fysieke en karakteriële ingesteldheid. Le bonheur, zo luidt een veelgehoorde Franse definitie van geluk, cette étrange chose qui n’existe pas – et pourtant un jour n’est plus. Op het ene moment bevindt de zanger zich op de toppen van zijn kunnen. Op het andere moment tuimelt hij in volle vaart van de Olympus, beproeving na beproeving incasserend. Gainsbourg krijgt een eerste hartaanval, zijn vader sterft, net als zijn geliefde hond Nana, hij raakt onbedaarlijk aan de drank, produceert nauwelijks nog iets van waarde en verveemdt van wie hem dierbaar is.

Natuurlijk staat Rotkop klaar om de haveloze artiest er opnieuw weer bovenop te krijgen. Die strooit sloffen Gitanes uit over het ziekenhuisbed om het vertrouwen van zijn compagnon à la dérive terug te winnen. Hij belooft zijn maatje dat in zak en as zit, om de zaken in de toekomst beter dan ooit aan te pakken. Geen tijdelijke, maar eeuwige roem die in het verschiet ligt. Alle geneugten, liefde, roem die een mens maar kan bereiken. Vrouwen bij de vleet. Geld, champagne, genot. Hic et nunc et saeculi… Rotkop wrijft Serge’s haren door de war, zet hem een zonnebril op, en proost vicieus op de herwonnen samenwerking. Wat er geweest is, is nog niks vergeleken bij wat komen gaat.

In het duel tussen Gainsbourg en zijn alter ego, zo is de suggestie van de regisseur, is het de zanger van vlees en bloed die uiteindelijk het loodje legt. Uit de as van de 140 Gitanes per dag rokende Gainsbourg verrijst de nog veel gruwelijker chimaere Gainsbarre (de “standvastige”, de ruwe), een sadistisch onbehouwen monster dat vanaf eind jaren zeventig zijn veel lieflijker en onhandiger voorganger definitief van het podium vaagt. In Nederland had je de vileine zanger Jaap Fischer, meester van het messscherpe chanson, die in de loop der tijd zijn hoekige masker af liet vallen en voortaan – triest maar wijs geworden – als Joop Visser door het leven wilde gaan. Serge maakt iets soortgelijks mee, maar dan in omgekeerde zin. Zoals hij in alles tegendraads prefereerde te zijn. Un réfractaire pur sang.

”Mon univers est à l”envers”, verklaarde hij zelf ooit in een interview met Libération. Serge de rebel. Die, zoals heel mooi in beeld gebracht door Sfar’s film, een vuist maakt naar een zaal vol rechtse para’s in Straatsburg die zijn bloed wel kunnen drinken, omdat hij hun volkslied La Marseillaise met een stel rasta’s uit Jamaica verhaspelde tot reggaesong. “On est tous des Juifs, des nègres et des Français!” Op het podium van de ontploffende zaal verandert de zanger opnieuw in het joodse ketje dat de zwarthemden uitlacht door met ze mee te zingen. “Du sang, du sang, partout!” Hij blaft de para’s toe dat ook Rouget de Lisle de Marseillaise schreef als marslied van Republikeinse rebellen die af wilden van het ancien régime. Daarop zet hij acapella, met geheven vuist, het volkslied in. De para’s in verwarring achterlatend. Even later zien we Gainsbourg die het handgeschreven manuscript van La Marseillaise voor een astronomisch bedrag op de koop tikt tijdens een veiling in Parijs. “Wel duur, voor zo’n velletje papier”, merkt een journalist op. Waarop de zanger repliceert: “Man, ik zou me hiervoor hebben geruïneerd!”

De scène markeert het hoogtepunt van Gainsbourg’s heroïsche levensloop. Van joods kereltje in bezet Parijs, tot pionier-provocateur van de vrijheid en eigenzinnige maskotte van het Franse patrimonium. Als het waar is dat de dichter-zanger dubbel en dwars zijn plaats verdiend heeft op de achtenswaardige toppen van de Franse Parnassus, dan heeft hij die plek veroverd door de berg op sluikse wijze te beklimmen. En stoemelings, zoals Brusselaars zeggen. Over de rug heen van zijn eigen schaduw. Mon univers est à l’envers…

Gainsbourg’s parcours – Sfar heeft dit scherp gezien – heeft inderdaad altijd de weg gevolgd van de meeste weerstand, van het schandaal. Van Sodom ook. Zoals in het ultieme liefdeslied “Je t’aime, moi non plus”. Het beruchte hijgduet in 1967 gezongen met Brigitte Bardot, twee jaar later met Jane Birkin, waarvan er alleen al buiten Frankrijk miljoenen platen werden verkocht; zonder dat de meeste van die kopers ook maar enig benul hadden dat er de geneugten van de anale liefde in werden bezongen. “Ik vermaak de wereld met injecties van lichte perversiteit”, placht hij zelf te zeggen. Op een manier waartoe alleen Gainsbourg in staat was. Met stijl, distinctie, in miraculeus mooie maar ook infecte poëzie. “Tu es la vague, moi l’île nu./L’amour physique est sans issue.” Waarna Eros zijn giftige pijl van koele geilheid afschiet tussen de nieren van zijn geliefde.

Ik houd van je.”

Ik al niet meer…”

Zelf bleef Gainsbourg zijn vakgebied omschrijven als “un certain art mineur”, en meer dan eens liet hij weten zichzelf in de eerste plaats te beschouwen als een mislukte kunstschilder. In een twistgesprek met Guy Béart, in het praatprogramma van Bernard Pivot, sprak hij zijn collega betuttelend toe: “Ach Guy, wat zijn onze liedjes meer dan “des petits cacas” die we uitscheiden op het podium?” Dat Serge Gainsbourg daarentegen weldegelijk een grote kunstenaar genoemd mag worden, een dichter, zanger en componist van Olympische categorie, daarover laat Joann Sfar in zijn film geen misverstand bestaan. De film is, behalve als een donker sprookje, vooral ook een soort van lyrische liefdesbrief aan de onnavolgbare artiest en zijn invloedrijke oeuvre.

Natuurlijk is Sfar, hoe origineel en gelaagd zijn hommage ook mag zijn, niet de eerste om Gainsbourg’s mérites te erkennen. Al in 1972, na het beluisteren van het monumentale album ‘Un histoire de Melody Nelson’, liet de grote dichter Louis Aragon zich ontvallen dat “die Gainsbourg zich eigenlijk geheel op het sonnet toe zou moeten leggen: zijn poëtische kwaliteiten zijn weergaloos en behoren tot het meest originele wat de Franse literatuur heeft voortgebracht sinds Les Chants de Maldoror van Lautréamont.”

En inderdaad: neem de proef gerust op de som door de bonte catalogus aan liedteksten van Gainsbourg er op na te slaan, zoals Mauvaises nouvelles des étoiles (éditions Seuil). Vrijwel elk willekeurig lied van Gainsbourg getuigt van uitzonderlijke poëtische soeplesse, syntactisch meesterschap en klinkklare woordvreugde. Zoals volgens Goethe een meesterhand zich vooral kan tonen in de beperking, zo openbaart het genie van Gainsbourg zich zelfs nog in het keurslijf van zijn meest kitscherige, hijgerige of populaire nummers. Sfar zegt hierover: “Wat geweldig is bij Gainsbourg: hij noemt zichzelf een luxehoer, maar hij is nooit oprechter dan wanneer hij probeert zichzelf te verraden. Op een huppeldeuntje als “Baby Pop”, laat hij France Gall zingen “chante, danse Baby Pop, comme si demain tu devais mourir”. Hij kan het niet laten om overal de tragiek van in te zien. Bij momenten is hij even pathetisch geniaal als François Chateaubriand.”

Een lied dat mij voor altijd van Gainsbourg’s uitzonderlijke lyrische gaven overtuigd heeft, is het nummer Hôtel Particulier, op het album Melody Nelson. In prachtige, wulpse zinnen die in enkele bondige stanza’s een wufte paringsdans met elkaar aangaan, voert de zanger zijn piepjonge verovering mee naar een labyinthisch roccoco-complex met vele trappen en eindeloze gangen, waar beiden zich onder het toeziend oog van vergulde engelenbeelden, naakte ebbenhouten slavinnen, Aphrodites en Salomés, in de Cleopatra-kamer overgeven aan de praktijken van de Ars Amatoria. Lees hoe Gainsbourg zijn Melody op de tonen van orgel, bas, piano en sublieme lyriek naar de toppen voert van het genot!

(…)

Entre ces esclaves nus taillés dan l’ébène

Qui seront les témoins muets de cette scène

Tandis que là-haut un miroir nous réfléchit,

Lentement j’enlace Melody…

De parabel die Sfar in zijn film op magistrale wijze via het leven van Gainsbourg in beeld heeft gebracht, is er een van een held die ”in alles slaagt, behalve het leven.” Maar de magische rode draad waarmee de film in het eerste gedeelte op zulk een verrassende wijze aan elkaar is geregen, lijkt na anderhalf uur plotseling op te lossen in de emulsie van de pellicule. De anekdotes van Serge’s aftakeling, puntsgewijs door Sfar in beeld gebracht als een onsmakelijk spektakel waar geen einde aan lijkt te komen (sans issue), zijn zo talrijk dat ze op gegeven moment zowaar bijna gaan vervelen. Na ongemerkt te zijn opgestegen naar de hogere regionen van de filmkunst, raak je als kijker, in navolging van de robuust dirigerende regisseur, plotseling enigszins de weg kwijt in het al te drukke stratenplan van saillante anekdotes, waardoorheen Sfar zijn eindeloze stoet van kakelbonte karakters laat passeren. Sfar had er goed aan gedaan om zelf ook iets van zijn materiaal in het tweede gedeelte van de film op te offeren ten behoeve van de intensiteit en continuiteit.

Vreemd genoeg eindigt de film toch nog abrupt, op de plek waar hij begint, aan het strand van Deauville. Niet in het ochtendlicht, maar ’s nachts. In de hemel blikkeren de sterren. Opnieuw klinkt La valse de Melody. En in dronken verstilling zie je Serge peinzen of het waar is, wat hij ooit zong in dat duet met Chathérine Deneuve: Que dieu soit un fumeur de Havanes… Het ware beter en zeker mooier geweest als Sfar, in plaats van te kiezen voor een al te open einde anno 1987, rigoureuzer had gekozen voor de finale beslechting van het Faustiaanse duel tussen Gainsbourg en Rotkop op 2 maart 1991 in zijn Parijse Hôtel Particulier aan de Rue de Verneuil. Waar de krachten tussen licht en duisternis bezig zijn geweest aan hun beslissende gevecht. En waar de aan een oogvirus lijdende zanger, die zelfs in zijn geblindeerde woning nooit zijn zonnebril meer afdeed, als een dief in de nacht is weggeslopen. Moederziel alleen, geloof het of niet, gestorven aan een “natuurlijke dood”; een hartbreuk ten gevolge van een poreus geworden kransslagader.

Wat zich daar in die gesloten ruimte af heeft gespeeld in die laatste momenten, Sfar had het met zijn fenomenale fantasie vast prachtig vorm kunnen geven. Het is alsof de regisseur na een majestueuze spurt, voortijdig buiten adem is geraakt. Of huiverde om de finish te bereiken. Picasso was er ook altijd bang voor: une oeuvre parfaite, c’est une erreur. De gratie van het speelse en onaffe. Dat is het register waarbinnen ook Sfar’s film zich uiteindelijk heeft willen of moeten bewegen. Geen oeuvre parfaite, maar voor een debuutfilm in elk geval een verbluffende proeve van bekwaamheid, intelligentie en originaliteit.

Gainsbourg, (vie héroïque), 2u10.

Speelfilm van regisseur Joann Sfar.

Met Laetitia Casta, Eric Elmosnino, Lucy Gordon e.a.

HISTOIRE DE MELODY NELSON

Mijn beslissende album moet wel zijn Histsoire de Melody Nelson van de Franse zanger, nachtuil, alcoholist en aartsprovocateur Serge Gainsbourg uit 1971. Het album is geconcipiëerd tijdens mijn geboortejaar, door een artiest met wie mijn moeder gedurende de jaren zestig, toen zij als mannequin werkte in Parijs, enige tijd intiem bevriend was. Die relatie is er allicht mede verantwoordelijk voor dat ik ben opgescheept met dezelfde voornaam als Monsieur Gainsbourg. Maar dat terzijde.
Histoire de Melody Nelson was de eerste conceptplaat uit de geschiedenis van het Franse chanson. De plaat laat zich het best omschrijven als een erotische raamvertelling in zeven puntige liederen, die in totaal nauwelijks dertig minuten in beslag neemt. Waarin een tedere nimfijn van “quatorze automnes et quinzes étés” zich overgeeft aan een gepassioneerd roofdier van veertig-plus. Histoire de Melody Nelson is een muzikaal meesterwek van perverse verleiding. Een liefdesbrief uit de donkere cellen van Sodom, een extatische pijnkreet uit de ondergrondse kerkers van Edgar Ellen Poe en Vladimir Nabokov. Het album is tevens het voorwendsel voor enkele van de meest gedurfde lyrische exercities in het Franse taalgebied. De beroemde dichter Louis Aragon liet zich in 1972, na het beluisteren van Melody Nelson, ontvallen dat “die Gainsbourg zich eigenlijk geheel op het sonnet toe zou moeten leggen: zijn poëtische kwaliteiten zijn onvergelijkelijk”.
Het verleidelijke creatuur dat haar popedijnen stemgeluid leent aan Serge’s verdorven brein, heet Jane Birkin: aristocratische dochter van een Engelse Lord, vroeggevallen nimfijn die zich openstelt voor het verderf, ongeschoolde en ongerijpte zangeres. Op de cover van het album houdt Birkin in de hoedanigheid van het titelpersonnage, met gekruiste armen een aangeklede pluchen aap koket tegen haar naakte bovenlichaam gedrukt. Niet alleen om uit te dagen, zo blijkt, maar ook om te verhullen dat ze op dat moment zwanger is van haar “enfant d’amour” Charlotte Gainsbourg.

De toon is meteen gezet in het eerste nummer, Melody: een sombere hypnotiserende soundscape met een overstuurde, ietwat slepende bas, rockgitaren die bezwerend huilen, violen die het sonore stemgeluid van Gainsbourg’s fluisterstem omfloersen. Een Rolls Royce Silver Ghost 1910 rijdt langzaam door een niet bij naam genoemde stad. In gedachten verzonken, verstrooid, met een half oor luisterend naar de radio, zijn blik gericht op de gevleugelde Spirit of Ecstasy op de voorkap, raakt de verteller in aanrijding met een rossig tienermeisje op een fiets.
Tu t’appelles comment ?
– Melody
– Melody comment ?
– Melody Nelson

De man achter het stuur van de Rolls vertelt ons in quasi-vrolijke balladen, opgesteld in de onvoltooid verleden tijd, zijn tragische verhaal over schoonheid en extase, liefde en dood.
Oh ! Ma Melody
Ma Melody Nelson
Aimable petite conne
Tu étais la condition
Sine qua non
De ma raison.

Gainsbourg verhaalt vervolgens hoe de liefde voor zijn Melody hem naar het hoofd stijgt. De gevoelens van gelukzaligheid en elegantie uit het begin, worden allengs duizelingwekkend. De licht-psychedelische muziek, die de wals uit haar voegen doet draaien, benadrukt dit.
L’hotel particulier geldt wat mij betreft als het pièce de resistance van het album. Gainsbourg voert zijn jongedame mee naar een labyinthisch roccoco-complex met vele trappen en eindeloze gangen, waar beiden zich onder het toeziend oog van vergulde engelenbeelden, naakte ebbenhouten slavinnen, Aphrodites en Salomés, in de Cleopatra-kamer overgeven aan de praktijken van de Ars Amatoria. Zowel poëtisch als muzikaal gezien is dit nummer een parel van perfectie. Het beste bewijs dat poëzie en muziek allerminst “beter van elkaar gescheiden kunnen blijven om verwatering te voorkomen” (zoals Guus Middag ooit opmerkte in
NRC-Handelsblad). Hoor hoe Gainsbourg zijn Melody op de tonen van orgel, bas, piano en sublieme lyriek naar de toppen voert van het genot!
Na het gerommel op het liefdesbed is er het ontwaken uit de droom. Het laatste nummer op het album, Cargo Culte, laat zich verhalen als een epiloog vanuit het schimmenrijk. De geschiedenis eindigt zoals ze begon: met een ongeluk. Melody vindt de dood als haar Boeing 707 neerstort in zee. Haar malse lichaam komt terecht tussen de koralen van Melanesië, ergens op de bodem van de Grote Oceaan. De verteller blijft alleen achter, ten prooi aan zijn herinneringen. De muziek bereikt in dit nummer haar apotheose. Het bezwerende thema van het begin, met de overstuurde basgitaar, wordt herhaald en uitgebreid tot een koortsig requiem met een koraal van maar liefst zeventig stemmen. Het gefluister van Gainsbourg mondt uit in een magische incantatie van de “Cargo Culte” zoals bedreven door de Papoea’s op Nieuw Guinea. Ook Gainsbourg hoopt biddend op een vliegtuigcrash die hem de schim van zijn minderjaardige heldin tussen de wrakstukken opnieuw tevoorschijn kan toveren.
N’ayant plus rien à perdre ni dieu en qui croire
Afin qu’il me rende mes amours dérisoires
Moi, comme eux, j’ai prié les cargos de la nuit.
Et je garde cette espérance d’un désastre
Aérien qui me ramènerait Melody
Mineure détournée de l’attraction des astres.

Wellicht dat er voor Gainsbourg nog een Johnny Cash-achtige wedergeboorte in had gezeten, gedurende de jaren negentig. We zullen het nooit weten. Gainsbourg stierf op 2 maart 1991 in volstrekte eenzaamheid in zijn geblindeerde huis aan de rue de Verneuil in het zevende arrondissement van Parijs. Een derde hartaanval maakte hem af, voor slepende leverkanker dat deed. Diezelfde dag, die ook de verjaardag van mijn moeder was, had hij vergeten zijn hartpil te nemen. Net zoals Boris Vian, 32 jaar eerder. Gainsbourg is bijgezet in een familiegraf op Cimetière Montparnasse. 60, Avenue Transversale. De pluchen aap die Jane Birkin op de cover van Histoire de Melody Nelson voor haar ontblote zwangere buik houdt, is op die dag mee verdwenen in het graf.

HISTOIRE DE MELODY NELSON

Titel: Histoire De Melody Nelson
Artiest: Serge Gainsbourg
Genre: Pop Vocal
Sub Genre: Frans
Label: Mercury
Producent: Jean-Claude Desmarty
Studio / Live: S
Stereo: Stereo
Formaat: Performer
EAN: 731453207325
Catalogusnummer: 5320732
Titels op de plaat
1.: Melody
2.: Ballade De Melody Nelson
3.: Valse De Melody
4.: Ah Melody
5.: L’hotel Particulier
6.: En Melody
7.: Cargo Culte

ALLES IS INTACT GEBLEVEN

PORTRET VAN SERGE GAINSBOURG

Op 2 maart 1991 sloop de Franse zanger Serge Gainsbourg als een dief in de nacht weg uit dit leven.

Nauwelijks had hij in zijn laatste jaren het daglicht nog kunnen verdragen. Zelfs in het getemperde licht van zijn geblindeerde hôtel particulier aan de Rue de Verneuil in Parijs droeg hij een donkere zonnebril. Het overmatige alcoholgebruik en de 140 dagelijkse Gitanes mais sigaretten hadden zijn lever vergiftigd, zijn hart op springen gezet en zijn ogen met een virus aangetast. Toch bleef hij zich van televisieshow naar televisieshow slepen, slempend en paffend, om vervolgens achter de piano de tekst van zijn liederen te vergeten en met een afsluitend scheldwoord het podium te verlaten. Het publiek kon geen genoeg van hem krijgen, al verstond het geen woord van wat hij zei, en al braakte hij zijn minachting over haar uit.

Ik zal u beledigen tot u van me houdt”, had hij aan het begin van zijn carrière, in het schimmige Parijs van de jaren vijftig, al gewaarschuwd. Zijn formule heeft gewerkt. De erotomaan stierf als Frankrijks meest verguisde, minst begrepen, maar ook meest beminde zanger.

Gainsbourg mocht met zijn 62 jaren dan opgebrand zijn, het opmerkelijke is dat hij dat dertig jaar geleden ook al leek. Correspondent en Frankrijk-kenner Jan Brusse kenschetste de zanger in die tijd reeds als een sombere uil die iedere nacht van het ene Parijse cabaret naar het andere fladderde om er zijn troosteloze chansons te fluisteren. “Zo mooi ziet hij er uit, zo door-en-door vermoeid zijn z’n bewegingen, dat je steeds vreest dat hij het volgende liedje niet meer zal halen. Zijn grote ogen, waarop zware oogleden steunen, schjinen zich alleen maar af te vragen waarom dit alles noodzakelijk is.” Ook in zijn jeugd was de nacht al zijn domein. “De nacht, de nacht”, zong hij, “die me verlost van het duister in mijn hersenen.”

Tot het einde toe is hij eigenlijk een jongen gebleven, een kwajongen die zijn lelijkheid in een voordeel wist om te zetten. “Lelijkheid is aan schoonheid verre superieur”’, placht hij daar zelf over te zeggen. “Lelijkheid blijft duren, schoonheid niet…” Wat zich uitslovende macho’s vaak niet lukt, lukte Gainsbourg met zijn aflijvige nonchalance. Met zijn hulpeloze viriliteit wist hij aan de amoureuze sentimenten van de meest adorabele vrouwen te appelleren. Achter de ongeschoren, ongewassen look van de brutale mannenman met de diepe glaciale stem, de warrige lokken en de witte schoenen, herkenden zij een kwetsbare gevoeligheid.

Dit was ook het imago dat hij als ”gigolo youpin” bewust cultiveerde. Op zoek naar het erotisch zinnebeeld voor de man, is hij er zelf ironisch genoeg uiteindelijk een geworden voor de vrouw. Over zichzelf zei hij: “Ik ben een gosertje, dat de vuile waarheid van het leven tracht te achterhalen door kleine, precieze injecties van perversiteit. Ik ben slechts op zoek naar een ding: de puurheid van mijn jeugd. Ik wil kunnen zeggen: ik ben intact gebleven. Intact. Ziedaar mijn kracht.”

Serge Gainsbourg werd als Lucien Ginzburg op 2 april 1928 in Parijs geboren. Zijn jiddische ouders, Joseph en Oletchka, zijn tijdens de Bolsjewistische revolutie Rusland uitgevlucht en in Frankrijk neergestreken, waar vader Ginzburg als nachtpianist in bars en casino’s het gezin van een inkomen voorzag. Oletchka had eigenlijk tot een abortus over willen gaan, maar was op het laatste moment voor de zware ingreep teruggeschrokken. “Al voor mijn geboorte ben ik aan de dood ontsnapt”, zou Serge later zeggen, daarbij ook verwijzend naar zijn roekeloze levensstijl. Lucien (Lulu) Ginzburg ging snel in de leer bij zijn vader die vooral voor Gershwin een zwak had. Maar zijn grote passie bleek het schilderen te zijn. Op z’n twaalfde schilderde hij al de meisjes van Clichy, die hij vier jaar later uit sexuele nieuwsgierigheid voor het eerst zou frequenteren. In de oorlog leefden de Ginzburgs met hun valse papieren onder het regime van een dubbele identiteit.

Na de oorlog probeerde Lucien als jonge schilder die van de Ecole des Beaux Arts getrapt was in leven te blijven met het inkleuren van cinemaposters. Onderwijl ging hij tekeer als Byron in Ravenna of Casanova in Venezië. Tussen 1950 en 1960 trouwde hij twee keer en had hij meer dan zestig serieuze relaties. De lijst van de hem toegedichte veroveringen is volgens biografen lang genoeg om de Gele Gids te vullen.

Zijn vader regelde in 1957 voor de schuinsmarcheerder een baantje als barpianist van café-chantant ‘Milord l’Arsouille’, waar Léo Ferre, Jacques Brel en Boris Vian hun chansons ten gehore kwamen brengen. Serge (zo noemde hij zich nu, Lucien was teveel de naam van het “knaapje van de kapper”) mocht er de stiltes voor de voorstelling wegspelen, en als pianobegleider opereren van Michèle Arnaud en de lijkbleke dandyeske surrealist en trompettist Boris Vian, auteur van een rits villeine liederen die bulken van de humor en de zelfspot. In het cabaret komt hij ook in contact met Denis Bourgeois en Jacques Canetti. Zij stellen hem in staat een aantal zelf gecomponeerde nummers op plaat uit te brengen.

Gainsbourg werd hevig gegrepen door Boris Vian, de lijkbleke dandyeske surrealist met zijn verlammende teksten, die de onzekere pianist onder zijn hoede nam en stimuleerde om solo te gaan zingen. Met moeizaam maar stijgend succes. De zelfverklaarde chanteur Gainsbourg besloot uiteindelijk de grote gok te wagen en ”le noble art de la peinture” vaarwel te zeggen ten gunste van ”le pauvre art mineur de la chanson”. “Le génie ou rien!”. In de film van Sfarr is te zien hoe, tijdens een bedwelmende drankorgie, de brand schiet in zijn olieverfdoeken en zijn atelier vlam vat. Lucien Ginsburg’s schildersezel gaat aan stukken, Serge Gainsbourg de auteur-compositeur-interprete wordt geboren. Temidden van as, flarden van schilderijen en alcoholwalmen. Gainsbourg stort zich vol ijver op de liedkunst, maar Michèle Arnaud laat al gauw merken dat ze sommige liedjes te schunnig vindt om zelf te vertolken.

Serge kruipt zelf achter de microfoon. In 1959 verschijnt Gainsbourg’s eerste 25 centimètres: Du chant a la une, met onder meer de liederen ‘Les femmes des uns sous les corps des autres’ en het na al die tijd nog even sterke als dubbelzinnige meesterwerkje ‘Le poinçonneur des Lilas’ . Boris Vian steekt in Le canard enchainé de loftrompet over het album, dat de Grand Prix de l’Academie Charles-Cros in de wacht weet te slepen, maar commercieel flopt. “Je fais une forte consommation de mentalités”, zou Boris Vian eens gezegd hebben; een aforisme dat Gainsbourg past als gegoten. Gainsbourg gaat zich kleden naar het voorbeeld van Vian, dandy-poeet en jazzman, een tikje Trenet ook, zazou maar vooral existentialistisch haveloos chic. Een bohémien gedragscode die in de late jaren vijftig door de Parijse jeunesse dorée gecultiveerd wordt op het territorium van de Rive Gauche. De Gainsbourg-variante: bewust gerafeld streepjespak, te ruim zittend wit hemd met dagzomende mouwranden – dasloos, sluik haar, drie dagen oude barbe a l’italienne.

De bohème lijkt frivool, maar is evenzeer tragisch. “Il y a de la gravité dans le frivole”, schreef Charles Baudelaire, dichter en dandy die zijn haar groen liet verven, al in de negentiende eeuw. In de romaneske biografie Les derniers jours… (1988) laat Bernard-Henry Lévy de poète maudit in een van zijn brieven verzuchten: “Ach ik droom ervan ooit de zin, ooit het woord te vinden dat de mensheid tegen me opzet.” Wat dit laatste betreft, lijkt Gainsbourg in zijn leven verschillende malen briljant te zijn geslaagd.

Boris Vian roemde ‘de man met het immer trieste gelaat’ op typisch surrealistisch-ambivalente wijze als ”een anti-zanger”. Hij bedoelde dit weldegelijk als een compliment en voorspelde dat het chanson met Serge Gainsbourg een nieuwe tijd tegemoet zou gaan. Als lied-leverancier van jonge zangeressen verwierf hij in korte tijd een reputatie als tekstschrijver en componist wier chansons gegarandeerd goud opleverden. Het publiek van Milord l’Arsouille daarentegen was een andere mening toegedaan. Het vond hem een probleemgeval, een introverte mompelende zanger met veel te grote oren en gebrek aan stemkracht. Zijn fysiek veroorzaakte onrust (Serge sprak over zichzelf als de grote leeuw met de varkenskop, Brigitte Bardot noemde hem een aandoenlijke Quasimodo en met zijn schurkenbek – zijn gueule – figureerde hij in meer dan twintig B-films) zijn bittere en pikante teksten veroorzaakten ergernis. Wat wilde deze pionier van een nieuwe phallocratie die ten strijde trok tegen het vrouwelijke ras precies, de man die zei van vrouwen te houden door ze te haten? Wat was de inzet van deze man die beweerde dat “de liefde nooit meer waard zal zijn dan de korte tijd die je nodig hebt om haar te bedrijven”, en die pochte diezelfde liefde te bedrijven “zoals anderen een inbraak plegen”? Hij wilde provoceren. Provoceren met zijn misogynie, geboren uit frustratie over zijn lelijkheid. Maar ook met die lelijkheid zelf. En natuurlijk met de liefde, de erotiek, waar hij als piepjonge naaktschilder al zoveel vanaf wist. Want de misogyne man is door zijn ultieme gefocust zijn op de vrouw, misschien ook wel haar gulste minnaar. “Ik zal u beledigen tot u van me houdt…”

Gainsbourg spreidde zijn talenten graag over vele personen en personages. Zo annexeerde hij, eenmaal beroemd, de vrouwen die eerst niets van hem wilden weten omdat hij zo monstrueus onknap was. “Voor een vrouw te schrijven is de meest elegante manier om haar te dienen en tegelijkertijd te bezitten”, aldus Gainsbourg. In zijn misogynie nam hij wraak door zijn vertolksters de allerbitterste hatelijkheden over het eigen geslacht, de liefde en het leven te laten zingen. Als hij kon liet hij zelfs hun persoonlijke tekortkomingen in zijn teksten doorklinken. “Als ze zo stom zijn om mij hun chansons te laten schrijven zullen ze dat weten ook”, clameerde hij. Hij verleidde de vrouwen door ze aan te vallen. En de meesten lieten zich gewillig door zijn tegendraadse charme verleiden. Juliette Greco, Barbara, Isabelle Adjani, Isabelle Aubret, Petula Clark, Dalida, Regine, Mireille Darc, Anne Karina, Francoise Hardy, Chatherine Deneuve, France Gall, Brigitte Bardot, Jo Lemaire, Vanessa Paradis, Viktor Lazlo, vrouw Jane Birkin, dochter Charlotte… allemaal zongen ze het liefst Gainsbourg. Met reden overigens, want als tekstschrijver-componist was Gainsbourg goud waard, en dat wisten ze. Zijn stijl was uniek; een Pindarus-achtige lyriek gekoppeld aan een in klassiek repertoire gedoopte muziek die tegelijkertijd wonderlijk licht en melancholisch aandoet. Een minimum aan noten, een minimum aan woorden, alles exact getimed en op maat gesneden voor de zangeres in kwestie.

Zo was hij tegelijkertijd de zanger van provocerende schunnigheden en lyrische hoogstandjes met referenties aan Baudelaire en overige grote dichters, als de auteur van talloze tienerliedjes, popsongs en succesvolle singles uit de Franse hitparade.

De beschuldiging dat hij zich prostitueerde en paarlen voor de zwijnen wierp bleef hij ontkennen. Serge besefte maar al te goed dat zijn genie nauw gelieerd was aan het talent van de vrouwen voor wie hij schreef. (Zonder vrouwen aan wier stem hij zijn ziel kon doorgeven, zou hij niets geweest zijn.) Zijn schildersoog was haarscherp en met grote zorg koos hij alleen die vrouwen waarvan hij zeker wist dat hij via hen naar de wortels van de passie, de noodzaak van de intimiteit kon graven. Voor wie hij ook schreef, zijn teksten bleven gekenmerkt door hun scherpe randen en diepe gelaagdheid. Hij weigerde concessies te doen aan het grote publiek, al was de zangeres nog zo jong of het genre zo uitgemolken. Zoals de vijftienjarige France Gall die met Gainsbourg’s ‘Poupée de cire, poupée de son’ in 1965 het Eurovisiesongfestival won. Aan de ene kant wist hij haar trieste inslag schitterend te bespelen, zoals in het lied Baby Bop: “Zing Dans Baby Pop, Alsof je morgen Baby Bop, In de vroege ochtend Baby Bop, sterven moest”. Aan de andere kant maakte hij schaamteloos misbruik van haar onschuld in het dubbelzinnige ‘Les sucettes à l’anis’. Toen aan dit motorisch gestoorde vestaalse maagdje eindelijk uitgelegd werd wat er in het nummer over de aan anijslolly’s zuigende Lolita eigenlijk gesuggereerd werd, en ze het onderwerp werd van alomtegenwoordige spot, weigerde ze nog langer liedjes van zijn hand te zingen. In het blad Rock & Folk gaf ze te kennen dat Gainsbourg haar nooit echt gekend heeft, al wat hem interesseerde was wat hij zelf in haar projecteerde. Het is tekenend voor de wijze waarop Gainsbourg met zijn vertolksters omsprong. Vaak gebruikte hij ze tot op het schofterige af om zelf te schitteren. Zelfs van zijn naasten verwachtte hij dat ze met gedweee toeweiding in zijn eigen muzikale/sexuele freakshows zouden figureren. Jane Birkin, zijn derde vrouw, moest naakt met hem poseren om zijn nieuwverworven imago als coole playboy hoog te houden. Charlotte, zijn dochter, moest het beeld van Serge de incestueuze erotomaan bevestigen. En Bambou, zijn laatste gezellin, moest de longen uit haar lijfje schreeuwen terwijl ze deed of ze door sado Serge met zweepjes in extase werd geranseld. (hem op tv interviewen om en plein public door ‘le mec’ uitgekafferd te worden.)

Na een sporadische samenwerking met de Franse Demeter Brigitte Bardot (Bonnie & Clyde, Harley Davidson) nam hij in 1967 ‘Je t’aime, moi non plus’ met haar op. Tegen de achtergrond van een liturgische orgelmuziek hoorde je haar vergeefs kreunen om zijn liefde. En om zijn roede, die haar vanachter (entre les reins – tussen de nieren) moest doorboren. De werkelijkheid wilde het anders. De man van BB, Guenther Sachs, eiste dat de release onmiddellijk stop zou worden gezet. Serge gaf aan de eis gehoor, maar een jaar later nam hij wraak door zijn kersverse vrouw ‘la garçonne’ Jane Birkin het nummer opnieuw te laten inzingen. Het werd zowel een schandaal, als een commercieel monstersucces. Miljoenen exemplaren verkocht alleen al in de lange hete zomer van het jaar 1969. Philips distantieerde zich van het nummer, bigot Europa ergerde zich purperrood, het Vaticaan sprak haar banvloek uit over de plaat (zij zou natuurlijk de jeugd tot slechte en onnatuurlijke daden aanzetten), en de meeste radiostations boycotten het gehijg in e mineur. Maar de verkoop van de single stak die van elke Beatles-plaat naar de kroon.

De jaren zeventig werden jaren van decadentie, films, geen optredens maar veel studio-opnamen, zoals het monumentale ‘Un histoire de Melody Nelson’ in 1971; het eerste ultramoderne conceptalbum uit de geschiedenis van het Franse chanson. Histoire de Melody Nelson is een muzikaal meesterwek van perverse verleiding. Een liefdesbrief uit de donkere cellen van Sodom, een extatische pijnkreet uit de ondergrondse kerkers van Edgar Ellen Poe en het imaginarium van professor Vladimir Nabokov. Het album is tevens het voorwendsel voor enkele van de meest gedurfde lyrische exercities in het Franse taalgebied.


Maar gaandeweg zijn tweede carriere, werden minder zangeresjes bereid zijn steeds schunniger teksten te zingen. Wederom werd hij een outsider: Gainsbarre – de stugge en standvastige. Hij pastte niet in de wereld van het ‘nouvelle chanson’ zoals Maxime le Forestier en Alain Souchon dat brachten. Gainsbourg ging onverschrokken zelf door met zingen en epateren. De geest van Vian keerde in hem terug, getuige het surrealistische nazi-punk album ‘Rock around the Bunker’, waarin hij als jood met groteske galgenhumor de bunkerdagen van Adolf H. bezong. Frankrijk raakte opnieuw in een opstoot. Begreep het jonge publiek dit allemaal wel? Treffende vraag. Het jonge publiek begon hem steeds beter te begrijpen dan het vertrouwde publiek dat met hem meegroeide. “Het is mijn publiek dat ouder geworden is, niet ik” beet hij de pers toe.

Het meest wonderlijke aan Gainsbourg was de moeiteloosheid waarmee hij van stijl veranderde. Terwijl zijn teksten, zijn fluisterende stem niet veranderden, vernieuwde hij zijn muziek metterjaren steeds radicaler. Jazz, rock, pop, reggae, punk, rap, er is geen stijl die de zanger ongebruikt heeft gelaten. Zijn drang tot verandering verklaarde hij zelf vanuit de dood van het Franse chanson. “Er is geen chanson in onze tijd. De Afrikaanse ritmes waarmee ik mijn muziek in leven houd zijn geen concessie aan de moderne tijd. Het is een vorm die de moderne tijd weerspiegelt. Een ritme dat haar karakteriseert.” Als eerste blanke artiest ging hij naar Jamaïca om daar een reggae-album te maken. In vijf dagen rolde er een parel van een plaat uit: ‘Aux Armes Et Caetera’, met de band van Peter Tosh en de I Three van Bob Marley. Gainsbourg beweerde de meeste nummers in het vliegtuig geschreven te hebben. De Figaro noemde het een ‘smerige ragoût’, maar binnen zes maanden was het platina en had de zanger een alternatief publiek aangeboord dat hem daarvoor nauwelijks had gepruimd. De reggae-versie van de Marseillaise (“bij een revolutionaire tekst hoort een revolutionair tempo”) schoot in het verkeerde keelgat van tweehonderd Oud Parachutisten in Straatsburg. “Als die Gainsbourg hier komt, blazen we de boel op!” Ondanks de dreigementen en de bommeldingen beklom Gainsbarre – zo noemde hij zich nu; de onverzetteklijke – toch het podium. Daar zette hij acapella de originele versie van de Marseillaise in, oog in oog met de para’s die werden uitgejouwd door het publiek.

In de laatste tien jaar van zijn leven, nadat Jane Birkin hem verlaten had, werd Gainsbarre steeds erotomaner, onhandelbaarder, maar raar genoeg ook steeds produktiever. In ‘Love on the Beat’ hoorden we hoe zijn nieuwe vrouw Bambou kirrend toegetakeld werd onder het mompelen van een fabuleus wreed gedicht dat de markies De Sade waardig zou zijn, in ‘Lemon Incest’ hoe Serge en dochter Charlotte – op de tonen van een etude van Chopin – de incestueuze liefde bezingen. Met de geboorte van zijn zoontje Lulu in 1986 leek alles in zijn leven vervuld. Reden voor Serge om te zeggen: “Ik ben in alles geslaagd, behalve in het leven”. Het provoceren was een versleten mediaritueel geworden. De aanblik die de aflijvige nachtuil bood was treurig. Gainsbarre die Whitney Houston trachtte aan te randen, die zijn pik uit zijn broek liet hangen, die een bankbiljet van 200 francs op het podium in de fik stak met zijn aansteker, die een liter whiskey wegzoop tot hij de toetsen op de piano niet meer vinden kon. Bij alles werd hij toegejuicht. Tot het bittere einde bleef hij de Fransen hun schandalen verschaffen. De schandalen die iedere maatschappij zo nodig lijkt te hebben om de eigen blaséheid te rechtvaardigen.

De afscheidswoorden die Gainsbourg zijn eigen dood deed vergezellen, in het Libé interview dat hij pas na zijn dood gepubliceerd wilde hebben, waren 33 jaar eerder met ‘Le poinçonneur des Lilas’ zijn eerste woorden geweest. ‘Un p’tit trou, un p’tit trou, rien qu’un dernier petit trou’. Zo is alles toch intact gebleven.


© alle teksten: Serge van Duijnhoven

contact:

Serge van Duijnhoven

Kandelaarsstraat 23, B1000 Brussel België

vrijdag 5 maart 2010 door Kunstredactie

CS: Serge Gainsbourg

Op de cover van het vrijdagse Cultureel Supplement deze week een verhaal over Serge Gainsbourg, de Franse zanger over wiens leven volgende week een film, La vie héroique, in de Nederlandse bioscopen komt. Onder de kop ‘De legende uitvergroot’  buigt René Moerland, onze correspondent in Parijs, zich over de vraag waarom de Franse opvatting over een ‘heldenleven’ minder dan die elders door historische exactheid wordt gedicteerd. De Fransen houden hun helden liever heldhaftig, dan waar.Gainsbourg (1928-1991), auteur van een omvangrijk oeuvre aan liedjes waarvan in Nederland vooral het hijgende duet met zijn liefje Jane Birkin, Je t’aime, moi non plus is blijven hangen, was niet in de laatste plaats een geruchtmakend vrouwenheld.

Je t’aime, moi non plus was overigens geschreven voor de vorige vriendin van Gainsbourg, de actrice Brigitte Bardot. Ook met Bardot maakte Gainsbourg platen.

Op latere leeftijd ontwikkelde hij zich tot een geliefd enfant terrible in talkshows op de Franse televisie, zoals die waarin hij en public I want to fuck you zei tegen de Amerikaanse zangeres Whitney Houston.

Gainsbourg was ook een toegewijd roker, van zware Gitanes – op veel foto’s en oude tv-opnamen is hij in rook gehuld.

Het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad verschijnt elke vrijdagmiddag, en is vanaf 15.00 uur hier ook digitaal te lezen voor (web)abonnees.

Dit verhaal is geplaatst op vrijdag 5 maart 2010 om 2:21 uur. U kunt reageren of trackbacken vanaf uw eigen site. (Wat is trackbacken?)

Beste Rene, beste Raymond,

het spijt me maar dit verhaal op Cultuurblog over Gainsbourg is al met al niet meer dan een met korte tekstjes aaneengeregen patchwork van videoclips. Geen enkel kader ontstijgt het keurslijf der cliche’s. De cultzanger gereduceerd tot een wassen pop uit Madame Tussaud die met een paar afgekloven anekdotes uit de oude doos – aangevuld met enkele volstrekt voorspelbare beeldfragmenten – het gecompliceerde fenomeen van de binnen en buiten Frankrijk nog altijd immens populaire en invloedrijke zanger, allerminst verduidelijkt.

Jammer dat er geen poging gewaagd wordt om de blijvende impact van de tegendraadse, ongebreidelde, onbeschofte, maar raar genoeg ook uiterst geliefde aartsprovocateur op de Franse samenleving van de afgelopen vijftig jaar, voor Nederlandse lezers te verklaren.

Een groot deel van zijn nog immer immense populariteit, moet gelegen liggen in het feit dat Gainsbourgs leven zich al bij al de allure aan heeft kunnen meten van een modern Frans sprookje over een lelijk jongetje van Russische ouders die er op verbazingwekkende manier in slaagde niet alleen de mooiste vrouwen van het land, maar zelfs gans Frankrijk, aan zijn voeten te krijgen. Voor veel Fransen is Gainsbourg – afkomstig uit een Oekraiens vluchtelingengezin – een heroisch figuur die malgre tout, het lot naar zijn hand heeft weten te zetten. De behoefte aan liefde van de door iedereen als lelijk en vreemd ervaren Gainsbourg is volstrekt onverzadigbaar, un besoin sans issue. Zie hier de principale drijfveer van zijn leven, die hem naar de toppen van zijn kunnen voert. Maar de zanger ook te gronde richt. In dat opzicht is het sprookje van de gevierde liedjesschrijver die een heel harem aan onschuldige zangeresjes voor zijn kar spande om zijn muzikale, literaire en perfide talenten te gelde te maken, een variatie op de aloude mythe van Faust die zijn ziel verkoopt aan de duivel in ruil voor een glorieuze carriere als componist van talloze pikante of ondeugende chansons die door zo jong en onschuldig mogelijke kindvrouwtjes al zuchtend, steunend en hijgend ten uitvoer dienden te worden gebracht. Zie hier bij uitstek het prototype van een Franse held aan het eind van de twintigste eeuw: een kruising tussen Pygmalion en Blauwbaard. Charmant, beschaafd, onhandig, lelijk, hulpbehoevend, destructief, erotomaan, gevaarlijk en een beetje gemeen.

De pathologische behoefte aan liefde en erotiek als compensatie voor het jeugdige trauma van zijn lelijkheid, ontaardt metterjaren in een steeds minder plezierig sprookje. Uit de as van de 140 Gitanes per dag rokende Gainsbourg verrijst gaandeweg de nog veel gruwelijker chimaere Gainsbarre (de “standvastige”, de ruwe), een sadistisch onbehouwen monster dat vanaf eind jaren zeventig zijn nog wat schuchtere voorganger definitief van het podium vaagt. In Nederland had je de vileine zanger Jaap Fischer, meester van het messscherpe chanson, die in de loop der tijd zijn hoekige masker af liet vallen en voortaan – triest maar wijs geworden – als Joop Visser door het leven wilde gaan. Serge maakt iets soortgelijks mee, maar dan in omgekeerde zin. Zoals hij in alles tegendraads prefereerde te zijn. Un réfractaire pur sang.

”Mon univers est à l’envers”, verklaarde de zanger ooit in een interview met Libération. Serge de rebel. Die, zoals heel mooi in beeld gebracht door Joan Sfar’s film “Gainsbourg; vie heroique”, een vuist maakt naar een zaal vol rechtse para’s in Straatsburg die zijn bloed wel kunnen drinken, omdat hij hun volkslied La Marseillaise met een stel rasta’s uit Jamaica verhaspelde tot reggaesong. “On est tous des Juifs, des nègres et des Français!” Op het podium van de ontploffende zaal verandert de zanger opnieuw in het joodse ketje dat de zwarthemden uitlacht door met ze mee te zingen. “Du sang, du sang, partout!” Hij blaft de para’s toe dat ook Rouget de Lisle de Marseillaise schreef als marslied van Republikeinse rebellen die af wilden van het ancien régime. Daarop zet hij acapella, met geheven vuist, het volkslied in. De para’s in verwarring achterlatend. Even later zien we Gainsbourg die het handgeschreven manuscript van La Marseillaise voor een astronomisch bedrag op de koop tikt tijdens een veiling in Parijs. “Wel duur, voor zo’n velletje papier”, merkt een journalist op. Waarop de zanger repliceert: “Man, ik zou me hiervoor hebben geruïneerd!”

De scène markeert het hoogtepunt van Gainsbourg’s indrukwekkende (en volgens regisseur Joan Sfar zelfs zonder meer heroïsche) levensloop. Van joods kereltje in bezet Parijs, tot pionier-provocateur van de principiele individuele vrijheid en eigenzinnige maskotte van het Franse patrimonium. Als het waar is dat de dichter-zanger dubbel en dwars zijn plaats verdiend heeft op de achtenswaardige toppen van de Franse Parnassus, dan heeft hij die plek veroverd door de berg op sluikse wijze te beklimmen. En stoemelings, zoals Brusselaars zeggen. Over de rug heen van zijn eigen schaduw. Mon univers est à l’envers…

Gainsbourg’s parcours heeft inderdaad altijd de weg gevolgd van de meeste weerstand, van het schandaal. Zoals in het ultieme liefdeslied “Je t’aime, moi non plus”. Het beruchte hijgduet in 1967 gezongen met Brigitte Bardot, twee jaar later met Jane Birkin, waarvan er alleen al buiten Frankrijk miljoenen platen werden verkocht; zonder dat de meeste van die kopers ook maar enig benul hadden welke geneugten van de ars amatoria er precies in werden bezongen. “Ik vermaak de wereld met injecties van lichte perversiteit”, placht Gainsbourg te zeggen. Op een manier waartoe hij alleen in staat was. Met stijl, distinctie, in miraculeus mooie maar ook infecte poëzie. “Tu es la vague, moi l’île nu./L’amour physique est sans issue.”

Zelf bleef Gainsbourg zijn vakgebied omschrijven als “un certain art mineur”, en meer dan eens liet hij weten zichzelf in de eerste plaats te beschouwen als een mislukte kunstschilder. In een twistgesprek met Guy Béart, in het praatprogramma van Bernard Pivot, sprak hij zijn collega betuttelend toe: “Ach Guy, wat zijn onze liedjes meer dan “des petits cacas” die we uitscheiden op het podium?” Dat Serge Gainsbourg daarentegen weldegelijk een grote kunstenaar genoemd mag worden, een dichter, zanger en componist van Olympische categorie, daarover laat eigenlijk niemand nog een misverstand bestaan. Al in 1972, na het beluisteren van het monumentale album ‘Un histoire de Melody Nelson’, liet de grote dichter Louis Aragon zich ontvallen dat “die Gainsbourg zich eigenlijk geheel op het sonnet toe zou moeten leggen: zijn poëtische kwaliteiten zijn weergaloos en behoren tot het meest originele wat de Franse literatuur heeft voortgebracht.”

En inderdaad: neem de proef gerust op de som door de bonte catalogus aan liedteksten van Gainsbourg er op na te slaan, zoals Mauvaises nouvelles des étoiles (éditions Seuil). Vrijwel elk willekeurig lied van Gainsbourg getuigt van uitzonderlijke poëtische soeplesse, syntactisch meesterschap en klinkklare woordvreugde. Zoals volgens Goethe een meesterhand zich vooral kan tonen in de beperking, zo openbaart het genie van Gainsbourg zich zelfs nog in het keurslijf van zijn meest kitscherige, hijgerige of populaire nummers. Sfar zegt hierover: “Wat geweldig is bij Gainsbourg: hij noemt zichzelf een luxehoer, maar hij is nooit oprechter dan wanvneer hij probeert zichzelf te verraden. Op een huppeldeuntje als “Baby Pop”, laat hij France Gall zingen “chante, danse Baby Pop, comme si demain tu devais mourir”. Hij kan het niet laten om overal de tragiek van in te zien. Bij momenten is hij even pathetisch geniaal als François Chateaubriand.”

In de laatste tien jaar van zijn leven, nadat Jane Birkin hem verlaten had, werd Gainsbarre steeds ruwer en onhandelbaarder in de omgang. Hij begon te lijden aan een zeldzame oogziekte, en droeg ook thuis in zijn verduisterde Hotel Particulier dag en nacht een zonnenbril. Toch bleef zijn produktiviteit nagenoeg intact.

Gaandeweg zijn nadagen als het wegkwijnende, De Sade-achtige monster Gainsbarre, werden minder en minder pop- en rock-zangeresjes bereid zijn steeds schunniger teksten te zingen. Wederom werd hij een outsider: hij pastte niet in de wereld van het ‘nouvelle chanson’ zoals Maxime le Forestier, Alain Souchon en Renaud dat brachten. En evenmin kon hij zijn draai vinden in de holle extatsiche stadionrock van zangers als Jean Jacques Goldman of Francis Cabrel of van een leipe jongensgroep als Indochine of Telephone. Gainsbourg ging onverschrokken door met zingen, spelen, zuipen, beledigen en epateren. De geest van Vian keerde in hem terug, getuige het surrealistische nazi-punk album ‘Rock around the Bunker’, waarin hij als jood met groteske galgenhumor de bunkerdagen van Adolf H. bezong. Frankrijk raakte opnieuw in een opstoot. Begreep het jonge publiek dit allemaal wel? Treffende vraag. Het jonge publiek begon hem steeds beter te begrijpen dan het vertrouwde publiek dat met hem meegroeide. “Het is mijn publiek dat ouder geworden is, niet ik” beet hij de pers toe.

Het meest wonderlijke aan Gainsbourg was de moeiteloosheid waarmee hij van stijl veranderde. Terwijl zijn teksten, zijn fluisterende stem niet veranderden, vernieuwde hij zijn muziek metterjaren steeds radicaler. Jazz, rock, pop, reggae, punk, rap, er is geen stijl die de zanger ongebruikt heeft gelaten. Zijn drang tot verandering verklaarde hij zelf vanuit de dood van het Franse chanson. “Er is geen chanson in onze tijd. De Afrikaanse ritmes waarmee ik mijn muziek in leven houd zijn geen concessie aan de moderne tijd. Het is een vorm die de moderne tijd weerspiegelt. Een ritme dat haar karakteriseert.” Als eerste blanke artiest ging hij naar Jamaïca om daar een reggae-album te maken. In vijf dagen rolde er een parel van een plaat uit: ‘Aux Armes Et Caetera’, met de band van Peter Tosh en de I Three van Bob Marley. Gainsbourg beweerde de meeste nummers in het vliegtuig geschreven te hebben. De Figaro noemde het een ‘smerige ragoût’, maar binnen zes maanden was het platina en had de zanger een alternatief publiek aangeboord dat hem daarvoor nauwelijks had gepruimd.

In ‘Love on the Beat’ hoorden we hoe zijn nieuwe vrouw Bambou kirrend toegetakeld werd onder het mompelen van een fabuleus wreed gedicht dat de markies De Sade waardig zou zijn, in ‘Lemon Incest’ hoe Serge en dochter Charlotte – op de tonen van een etude van Chopin – de incestueuze liefde bezingen. Met de geboorte van zijn zoontje Lulu in 1986 leek alles in zijn leven vervuld. Reden voor Serge om te zeggen: “Ik ben in alles geslaagd, behalve in het leven”. Het provoceren was een versleten mediaritueel geworden. De aanblik die de aflijvige nachtuil bood was treurig. Gainsbarre die Whitney Houston trachtte aan te randen, die zijn pik uit zijn broek liet hangen, die een bankbiljet van 500 francs op het podium in de fik stak met zijn aansteker, die een liter whiskey wegzoop tot hij de toetsen op de piano niet meer vinden kon. Bij alles werd hij toegejuicht. Tot het bittere einde bleef hij de Fransen hun schandalen verschaffen. De schandalen die iedere maatschappij zo nodig lijkt te hebben om de eigen blaséheid te rechtvaardigen.

Gainsbourg stierf op 2 maart 1991 in volstrekte eenzaamheid in zijn geblindeerde huis aan de rue de Verneuil in het zevende arrondissement van Parijs. Een derde hartaanval maakte hem af, voor slepende leverkanker dat deed. Diezelfde dag, had hij vergeten zijn hartpillen te nemen. Net zoals Boris Vian, 32 jaar eerder. Gainsbourg is bijgezet in een familietombe op Cimetière Montparnasse. 60, Avenue Transversale. De pluchen aap die Jane Birkin op de cover van Histoire de Melody Nelson voor haar ontblote zwangere buik houdt, is op die dag mee verdwenen in het graf.

SvD

De Bloem van Phil

De Bloem van Phil

fotograaf: Frank Viergever

DE BLOEM VAN PHIL

Serge van Duijnhoven

gedichten bij de opening van de overzichtstentoonstelling van Phil Bloom

in de Willem 3 – Oranjestraat 4 – Vlissingen

14 maart 2010

Phil BLOOM

Zondag 14 maart wordt om 15.00 uur een overzichtstentoonstelling met werk van Phil Bloom van 1985 tot heden geopend door de Vlaamse schrijver, dichter en historicus Serge van Duijnhoven.

Van Duijnhoven, ondermeer bekend van het tijdschrift MilleniuM, stichting kunstgroep Lage landen en frontman van het muzikale gezelschap Dichters Dansen Niet, voert de bezoekers langs de werken van Phil Bloom.

Door een niet geplande ingrijpende renovatie van de tentoonstellingsruimten heeft de expositie een aangepaste vorm gekregen die wonderwel goed past binnen het werk van Bloom. In 1996 toonde Phil Bloom een serie werken uit ‘The War Paintings’ in de kelder en het waterreservoir van de Watertoren in Oost Souburg. Ook hier werd het werk een bijna logisch deel van de rudimentaire ruimten.

Een terugblik op deze tentoonstelling was mede de aanleiding deze dynamische kunstenaar, die november 2010 haar 65e verjaardag viert, in haar studio in Antwerpen op te zoeken en uit te nodigen voor een soloshow in Vlissingen.

Naast zwartgrijze schilderijen zijn er schilderijen met kleurrijke taferelen. Ze verbeelden een bizarre sprookjeswereld, waarin Disney even gemakkelijk wordt gecombineerd met de Hindoe mythologie als de klassieke onderwerpen uit de schilderkunst met die van de hedendaagse.

Zo zien we Mickey Mouse met menselijke trekjes, symbool van een westers idee van relativiteit en ‘veramerikanisering’ van onze cultuur, de herten als oersymbool van mythologie en jacht en in barokke stijl geschilderde figuren, geflankeerd door robotachtige.

© Serge van Duijnhoven, Kandelaarsstraat 23, B1000 Brussel

Wat voor landschap is dit eigenlijk

die pennenstreken van gelaagd allooi

het handschrift van een aangeschoten prooi

wie jager is en wie het wild

wie zal het zeggen – Phil niet

zij baart in beelden waarin men

zo men wil, slechts zien kan

als een blindeman die hoort:

Bloom’s harteklop

Adem in adem. Een lichaam schuift

over de ander als een hand

over een hals. Het duwt

ons tegen ons bewustzijn aan

alsof het was gewild

stapelt het zich op uit verf en aarde

tot een beeld dat rond ons allen sluit

geschouderd en bevlekt

onhandig knielend aan een witte huid

beschrijft het onze talen in

een dialect van tederheid

het is juist in spraakgebrek

dat het ware spreken aan kan breken

het is juist in mist dat gestalten

het leven in kunnen stappen

verbijsterd, grijpend naar een grens

het nulpunt van het zijn

elk gebaar heeft waarde

in haar beelden zit haar leven

je bent niets meer dan het komen en gaan”

en alle dingen bestaan naast, met en dankzij elkaar”

Dit uitgemergelde gevoel. Het verslijt ons

heftig als een dood. Als duisternis die neerhurkt

op onze schouders. De weg die voert

van onschuld naar beklemming

is kort en hevig en beweegt nog amper

verder dan zichzelf. Tegen de keer

tegen het keerpunt aan der dingen

Zij heeft van alles niets gewild

en zelfs dat niet. Gewild.

Zij heeft haar totemdieren

nooit gevild. Zij kwamen tot haar

zij niet tot hen. Voor hen is zij

het wilde dier dat nooit getemd

het lichaam dat zij toont

slaat weg en blijft weerbarstig

in schamele beweging

plooiend naar de gang van zaken

overdekt met wat ons onderscheidt

met wat zich op ons spant

als huid op bot, als linnen op hout

verwondering werd hiernaar vernoemd

die ooit als ruiter op haar adem reed

maar nu een vloek is uit duizenden

in de zinnen van koortsige herinnering

en neerduwt. En verbleekt.

En breekt.

De dagen vallen uit zichzelf uiteen

in nachten, merries herten mensen

van bedenkelijk allooi. Alles lijkt verdraaid

en opgelost in onraad. Slechts bedrog

geeft aan wat zich aan ons opdringt

en zich eindeloos herhaalt.

Vernedering groeit uit tot weerzin

en begeerte tot gemis

dat telkens weer wat groter is

het verlangen houdt stand

een hertje dat eet uit onze hand

haar lichaam geeft vorm aan de mythe

de mythen baren verhalen

verhalen raadsels – raadsels

schimmen die zich eindeloos

vertakken als schimmels

songlines, timelines, lifelines

kom maar op Phil met die reddingsboei

in die penseelstreek van het avondrood

de zondvloed is nakend, en al wat ons

in het brandende water nog nader

tot de lippen – zoeken we op in staat van jacht

een jacht naar de ultieme orde die ons eindelijk verraadt

de regelmaat, de wetten van het evenwicht

en van verval. De wonderbaarlijke bloei

van een Bloom op deze magistrale

stinkende vaalt

Ook dit is schoonheid: aan de grens

van elk gevoel gekomen bedenkt zij zichzelf

beladen en gelaten knielend

op het stof van werelden die zich in elkaar

verplaatsen en wervelen als tornado’s

in de Tijd. Haar nagels ingekleurd

haar naaktheid ademend

doorheen de vormen die zij aanneemt

Phil’s lijnen, zanglijnen, tijdlijnen

liefdeslijnen, levenslijnen

stotterlijnen, stamellijnen

beeldlijnen, woordlijnen

kleurlijnen, geurlijnen

schimmels en sporen

beeld in beeld, woord in woord

vorm in vorm, worm in worm

kleur in kleur, geur in geur

pop in winter, knop in bloem

de aanblik van bloed – het geluid van ijzer

op blik, de textuur van ruw linnen

de vlagen van een verleden

de kadavergeur van strakgespannen

leed. Van erf en erfenis

knie- en zondeval. Alle kabinetten

zijn naar huis gestuurd

een enkel personage rust nog op een

hoekig lichaam, op zichzelf

op de kus die is gespaard, het antwoord

waarvoor we ons hoeden

het verwijt dat ieder van ons verzwijgt

Vroeg of laat ben je wat je wil zijn:

geen ruimte meer. Een schaduw

van een wezen. Een schakering

in het duister. Magenta, arduin, een abstractie

van het kruim van het kruim

een levenslijn die op het canvas

met ruwe hand is weggestreken

een schaduw in de lange kloostergangen

van een katholieke middelbare school

je bent verbaasd dat jij dit bent

die schaduw. Dat de schilderkunst

je hiertoe heeft geleid. Je siddert

en beseft voor het eerst

de slagkracht van je onschuld

je kunt alleen vermoeden

wat er verder op je wacht

Alice die verstrikt raakt

in de nauwe gangen van de nacht

En we blijven met een mond vol stilte

en we blijven met een hart van goud

en we blijven met een krans van bloemen

en we blijven met een kromme staf van hout

het landschap op het canvas ruikt naar alsem

naar wierook en Disney, naar het Oosten ook

en naar verlies. We meren aan bij al die doeken

voor even maar. Besprenkel ons met deernis

Phil. Met deernes, merries, Morpheus’

engelen en monsters. Lever ons het vaak

voor onze dromen. Leer ons ontwaken

kijken wedervaren. Leer ons de kunst

van het afleren. Herinner ons de staat

van symmetrie, van traagheid en omhelzing

glij langs de muur van Mene Tekel

oncijfer al de seinen van de angst

sluit deze ruimte af en leer ons weer

te horen hoe de stilte op de stilte

is gehuisvest. Hoe de ruimte

zwanger is van ruimte. Hoe slurven

door de tijd heen tetteren. En hoe

Minnie Mickey naait met een

angeschnalltes dilldo

Phil’s adem valt als duisternis

over ons voorhoofd. Neerwaarts

kruipt de huiver zich een weg

als het zuur dat bijt in onze huid

hoezeer ook al die kleur en

niettegenstaande alle frivoliteit

hoe wijs ook die oneindigheid

niettegenstaande de veelvuldigheid

van Walt en Hindu en de curieuze

mélange van de pariteit

Phil’s adem blaast ons als een hitte-

vlaag in het gezicht. Het overvalt

ons. Voel hoe het als een koorts-

aanval weer uit ons wegtrekt

sluit je ogen. Open je sluiter

snuif met je snater, lach met een schater

spiedt door het spleetje

van het Pythia-achtige wezen

dat Phil Bloom heet

en bespeur het gebrek

aan verschil tussen

voelen en weten

tussen zien en vermoeden

tussen slim zijn en blind zijn

tussen wees zijn

en wezen

Van alle dingen en van alles

onttrekt zij zich aan zichzelf het meest

verstrakkend in een myriade

aan maskers – zelfportretten

van een onwereldse geest

haar zwijgzaamheid, haar ongeloof

haar vurigheid:

niets

dan lijnen op doek

olie op linnen. Vingers

op zoek naar ziel en naar vormen

wezens, naakt en woekerend

zij heeft ze weggekrabd

uit het verleden

naar ons heden toe

waarna de lucht ineengrijpt

als voorheen. Hijs het doek

dat over deze doeken hangt!

ontwaar het landschap

waaruit dit ontstond

gebogen als een heester

waaruit zij bloeit en voortduurt

geaderd en vervuld

voltooid

onder de scherpe vormen

van haar verwondering

haar vreemde, vreemdeling

en wees zijn

een bloem die

ook na 65 winters

verrassend

bloeiend

blijft

Artikelen over de auteur III

RECENSIE CJP VLAANDEREN Jonathan Van den Broeck

SUBLIEM

http://www.gobots.be/items.php?p=8N5L1J2V

Een beetje nostalgie, een prachtige manier van schrijven en een sterk maar ingewikkeld verhaal gebaseerd op je eigen leven. Meer had Serge van Duijnhoven niet nodig om ‘De zomer die nog komen moest’ te schrijven. Ik stond versteld van de manier van verwoorden en de sterkte van Serges schrijftaal.

Het verhaal

In De zomer die nog komen moest worden we geconfronteerd met onder meer het verleden van de schrijver. We keren meermaals terug naar Oss, het stadje waar Serge geboren is. De wrede en duistere geschiedenis van dit stadje wordt ons niet onthouden. Serge vertelt op een ludieke en tegelijk emotionele wijze over zijn geboortestad.

Nadien vertelt de auteur ons over de Verenigde Staten, waar hij zelf heel wat heeft meegemaakt. Ook de duistere kanten van Europese steden als Brussel en Sarajevo worden ons op eigenzinnige wijze ter ore gebracht.

De zomer die nog komen moest’ is allesbehalve een opgewekt verhaal. We worden meegesleept in de verhalen van de hoofdpersonen die op zoek zijn naar iets wat hen ontbreekt. Het is misschien wel de manier waarop de auteur hun denken en doen beschrijft, die het boek zo sterk maakt?

De schrijver

Serge van Duijnhoven (° 1970) is in Vlaanderen nog niet zo bekend, en dat is eigenlijk best jammer. Serge is een schrijver die het waard is om bekend te zijn. Zijn woorden op papier zijn krachtig. Ze vertellen de werkelijkheid op een manier zoals we die echt moeten zien. Maar Serge is meer dan een simpele schrijver: hij is ook oprichter van een literair tijdschrift, behoort tot een muzikaal gezelschap dat zichzelf Dichters dansen niet noemt en is tegelijk nog eens historicus. Van een drukke carrière gesproken!

Als schrijver moet je het allemaal gezien hebben voordat je het kan opschrijven’. Misschien is dit wel de leuze van Serge van Duijnhoven want na het verschijnen van zijn dichtbundel De overkant van het geluk vertrok hij naar de Balkan waar hij oorlogsverslaggever werd.

De zomer die nog komen moest is deels gebaseerd op zijn leven, en dat is dan ook echt te merken. Het lijkt wel of je letterlijk in het verhaal zit, en dat maakt Serges schrijfstijl zo geweldig!

Wie kan houden van zware literatuur (in de zin van de harde werkelijkheid die uit het verhaal gesprongen komt) is met De zomer die nog komen moest niet stil te houden. Maar ook mensen die houden van eens iets anders kan ik dit boek aanraden. Het boek in één woord: subliem.

Serge van Duijnhoven, ‘De zomer die nog komen moest’ (2007)

Omdat het was zoals het was

Katleen Gabriëls

Of het vroeger beter, anders, ellendiger of gezelliger was, is stof tot discussie, maar hoe het ook zij, het verleden werkt tot in het heden op ons in. We duiken in ons persoonlijk verleden om het te overpeinzen, te verbeteren of om op zoek te gaan naar wat we verloren hebben. Net zoals de personages in ‘De zomer die nog komen moest’, want ook zij komen niet los van hun verleden en gaan elk op hun manier de confrontatie aan.

‘We zoeken altijd de plek op waar we het kostbare verloren zijn, in de hoop het daar ooit ook weer terug te vinden’, laat Serge Van Duijnhoven een van zijn hoofdpersonages zeggen. Van Duijnhoven, geboren in het Noord–Brabantse Oss, creëerde negen hoofdpersonages in een boek dat eerder een verhalenbundel is rond het verleden, verbonden met de de onlosmakelijke heimwee of ‘nostalgie de merde’. De personages worden in Amerika, België, Frankrijk, Nederland, Bosnië en Herzegovina geconfronteerd met iets van vroeger.

De nostalgische toon wordt meteen gezet met het gedicht ‘Jungske’ waarin een vader zijn zoon toespreekt en zegt dat de zomer het rotste getijde is, ‘want dat is als een verlangen dat nooit sterft’. De hoofdpersonages hebben uiteenlopende karakters en na elk hoofdstuk begint een ander verhaal. In ‘Het land van Mooike’ bijvoorbeeld is Mooike de vroegere geliefde van de vader van het hoofdpersonage. Mooikes broer, oom Robertus, komt nog elke week eten en zo worden ze telkens geconfronteerd met de herinnering aan vaders oud–geliefde. In ‘Maak alles nieuw’ lijdt de vader van Simon

aan een hersentumor, waardoor Simon onder meer terugdenkt aan hoe zijn vader hem vroeger in bed stopte. ‘Bekkensnijden, muntensnoeien’ is een brief van Toon Coolen aan zijn broer. We leren ‘twee Brabantse jungskes’ kennen die als kind uit de stad vertrokken. Toon is naar Oss gereisd omdat hij terug naar vroeger wilde. Verder zijn er nog Kars Feller wiens oom Tony sterft, een naamloos personage op skireis in Frankrijk, de Parijse restaurateur Patrice, Ann Van Poelvoorde die vertelt over haar overleden tweelingbroer, Saszo uit Sarajevo die in een oorlog leeft en tenslotte het verhaal van Luna die een gezwel in haar baarmoeder heeft. Bij allen werkt iets uit het verleden in op het heden of zijn ze op zoek naar iets wat ze verloren hebben. De thematiek rond het verleden zit in elk verhaal verweven, maar is vaak heel subtiel uitgewerkt.

De verhalen zijn nu eens grappig, dan weer eerder cynisch, pijnlijk, ontroerend of zelfs sentimenteel. Er is geen opbouw doorheen het boek want de personages zijn niet verwikkeld in elkanders verhalen. Een geschiedenis van de Ossenaren wordt ook gegeven, vooral in ‘Bekkensnijden, muntensnoeien’, maar het gaat veel verder dan dat.

De verhalen hebben heel wat om het lijf. Soms worden ze te breed uitgesponnen, soms te weinig, maar gelukkig zit het er soms ook pal op, zoals in ‘Maak alles nieuw’. Van Duijnhoven weet met zijn inlevingsvermogen wel mooie zinnen neer te zetten en er zitten een aantal passages in die velen ongetwijfeld zullen ontroeren. Maar sommige verhalen vallen dan weer volledig uit de toon van het geheel. Het belangrijkste is dat het geheel blijft overtuigen.

Door terug te keren naar Oss, Sarajevo, Brussel, Amerika…, plaatsen waar hij zelf ooit woonde, maakte Van Duijnhoven het oude in zich wakker. Het boek eindigt met het idee dat de dood vast niet slechter dan het leven is. Geen opbeurende materie, die vergankelijkheid, maar gelúkkig sterft het verlangen, zoals naar een zomer die nog komen moe(s)t, nooit.

© Cutting Edge | 29/05/07
images © Nieuw Amsterdam

Dagblad De Pers, 15 mei 2007, pag.17:

Dirk Koppes

Al jaren bivakkeert Serge van Duijnhoven

in Brussel. Nederland vindt hij

maar een ‘onleefbaar en proto-fascistisch

land’, dus verkoos de voormalige

jonge rapdichter de Belgische

hoofdstad als heimat, na eerder over

de Balkan te hebben rondgezworven.

Ouder en –iets– milder, richt de

schrijver nu zijn blik op zijn Brabantse

roots. Zijn geboortestad Oss staat bekend

om zijn ‘messentrekkers, de roversbenden,

de woonwagenbewoners,

de werklozen en voddenboeren’,

en Van Duijnhoven laat met veel genoegen

hun sappige taalgebruik op

papier weer tot leven komen. Daarbij

past hij het vertrouwde procedé van

de buitenstaander toe, de jongeling

die naar zijn familie en buren kijkt.

Toch is het te gemakkelijk om de ikfiguren

in de verhalenbundel De zomer

die nog komen moest gelijk te schakelen

met de auteur. Daarvoor lopen de

verschillende levensverhalen te zeer

uiteen. Wat wel voortdurend terugkeert,

is de aanraking met de dood.

Vaders, moeders, nonkels, iedereen

gaat na een lang ziektebed ten onder.

Knap dat Van Duijnhoven geen treurig

boek heeft geschreven, hij weet zijn verhalen

op het juiste moment te doseren met

sentiment, humor en een Brabantse

traan.

Oordeel: kopen

Serge van Duijnhoven: De zomer die nog komen moest
Nieuw Amsterdam, €16,50.

Montere melancholie pijnlijk voelbaar gemaakt

KARIN OVERMARS

Serge van Duijnhoven is helemaal terug. Wie was hij ook alweer? Begin jaren negentig bestormde hij de literaire wereld als jonge, woeste allround kunstenaar.

Hij was rapdichter, multimediaal videoartiest, frontman van het tijdschrift MillenniuM, prozaschrijver, zanger en wat al niet meer. Naast poëzie en verhalen schreef hij de roman Dichters dansen niet (1995). Maar net zo snel als hij was opgekomen, verdween hij weer van de radar. Hij vertrok naar de Balkan om de oorlog te verslaan (nog een extra discipline) en woonde in Brussel. En nu is er de nieuwe verhalenbundel De zomer die nog komen moest. Ook vernemen we van zijn uitgeverij dat Van Duijnhoven (1970) de afgelopen tien jaar is ‘gegroeid, als mens en als schrijver.’

Groeien als schrijver is één ding, maar groeien als mens klinkt een beetje spiritueel en onzinnig. We worden allemaal ouder, dus Serge van Duijnhoven ook. Of ligt het gecompliceerder? Ik twijfel, want met De zomer die nog komen moest is wel degelijk iets eigenaardigs aan de hand. De verhalen lijken geschreven door een ‘wijze ziel’, om het spiritueel te zeggen. Van Duijnhoven presenteert zich als een man in de herfst van zijn leven. Hij heeft alles gezien en is overal geweest, zelfs in Sarajevo, zelfs in Brussel en Amerika, en nu is het tijd om weemoedig terug te blikken en de balans op te maken.

Een terugkerend thema in het boek is de sentimental journey. De personages gaan terug naar hun geboortegrond, ze dolen rond in straten uit hun jeugd, proberen het verleden terug te halen en sporen oude buren op. Ook het klassieke bezoek aan de oude school komt voorbij: ‘De bedwelmende, hygiënische stank van boenwas en schoonmaakmiddelen, waarmee van staatswege voorkomen moest worden dat de leerlingen hun geur in het gebouw zouden impregneren, bracht bij mij herinneringen boven aan mijn eigen schooltijd.’

In De zomer die nog komen moest keert de schrijver herhaaldelijk terug naar Oss, de stad waar hij zijn jeugd doorbracht. Hij haalt herinneringen op aan een wintersportvakantie in een desolaat skioord. Mooie beschrijvingen, vervreemdend, maar dat is het dan ook. Een trip naar Amerika maakt hij ook nog, om de begrafenis van een oom bij te wonen. Herinneringen. Weemoed. En de dood, die hakt er flink in, in dit verhalenboek. Leven is verliezen, lijkt Van Duijnhoven te willen zeggen. Een opmerkelijke conclusie voor de Titaan die Van Duijnhoven tien jaar geleden nog placht te zijn.

Eén van de karakters, een jonge vrouw, ondergaat een baarmoederoperatie: ‘Ik lig hier bloedend en druipend. Beetje weefsel weggeschraapt, gebrand. De klem zodanig opgeschroefd dat er gewerkt kon worden. Plaatselijk verdoofd. Vogelbektang.’ Na afloop bedenkt de vrouw, nu haar baarmoeder toch een ‘natte, rode moesson’ is, dat ze wel ijsjes kan maken van haar menstruatiebloed. Ze is conceptueel kunstenares, vandaar. Maar ook met die ijsjes wordt het niks: ‘Het smaakte niet. Sliertjes van gestold bloed bleven plakken tegen mijn gehemelte.’ Daarop volgt dan in elk geval nog een verhelderend inzicht, namelijk dat de dood vast niet slechter is dan het leven.

Nee, dit is geen vrolijke bundel verhalen. Vergankelijkheid en menselijke desillusie zijn ook geen vrolijke thema’s, maar gelukkig dat het zeker niet blijft hangen in fatalisme en wat mooie sfeerschetsen. Want Van Duijnhoven kan wel degelijk schrijven. Eén verhaal, over een ongeneeslijke zieke vader die zich trots blijft verzetten tegen zijn naderende dood, is hartverscheurend. Daar legt Van Duijnhoven zijn masker van de wellevendheid en het Titanendom volledig af en is hij opeens de weerloze kleine jongen die zijn vader verliest. In de rest van het boek blijft hij op afstand. Montere melancholie, pijnlijk voelbaar gemaakt verlies. Hoop schijnt nauwelijks aanwezig, maar de karakters proberen zich hoe dan ook staande te houden. Zo goed en zo kwaad als het gaat. Ergens verzucht de schrijver: ‘Oud worden is een fulltime opleiding met je eigen grafsteen als diploma.’

Ik weet niet of het enkel een compliment is, maar Van Duijnhoven heeft geen grafsteen meer nodig. Opleiding afgerond, cursist geslaagd.

© Het Parool, 24-05-2007

terug | naar boven

Publicatie : Leeuwarder Courant ed. Zuid

Datum : 11/05/2007

Pagina : 28

Oplage : 34.792

Frequentie : dagelijks

Advertentiewaarde : € 1291,25

Regio : Zuid-Leeuwarden

NIEUW AMSTERDAM – UITGEVERIJ BOEKEN/DVD/CD/TV/INTERNETSITES

alleen voor intern/eigen gebruik 7523 00192 169 00 00

De zomer die nog komen moest – Serge van Duijnhoven

  • donderdag 03 mei 2007

  • |Wendy Hermsen

Na de verschijning van zijn bundel De overkant van het geluk in 1997 vertrok Serge van Duijnhoven naar de Balkan. Daar deed hij verslag van de oorlog. Zijn volgende stop was Brussel, waar hij zich richtte op poëzie en journalistiek.

Zijn groei als mens en schrijver toont Van Duijnhoven met zijn nieuwe verhalenbundel De zomer die nog komen moest. De tegendraadse jonge rapdichter van weleer laat in zijn nieuwe prozawerk een verrassend rijp stemgeluid horen.

Messentrekkers
In
De zomer die nog komen moest keert de auteur terug naar zijn geboortestad in Brabant. Hij stem geeft ‘de messentrekkers, de roversbenden, de woonwagenbewoners, de werklozen en voddenboeren’ een stem.

Vader profileerde zich als de gezagrijke spil van een familiair nest van rovertjes uit armoede, een soort kruising tussen een godfather en Robin Hood. Een gangstertje van stand die als notaris de goede schijn op kon houden, en intussen ongehinderd zijn borreltjes kon drinken en carambole spelen met het uitgemangelde gemene volk in uitspanning Den Bergsen Hoek: het rokerige drankhol waar de biljartkeus gemakkelijk in stukken gebroken konden worden, en waar de stiletto’s en slagersmessen rechtop in het hout van de tafels werden gestoken zodra onenigheden beslecht dienden te worden.

Als hij zijn geboortegrond verlaat, reizen we met hem mee naar de Verenigde Staten. De tocht brengt ons verder. We passeren de donkere kant van Brussel en Sarajevo.

Verfijnd
De hoofdpersonen zijn op zoek naar iets wat ze verloren hebben of wat op brute wijze ontnomen is. De verhalen van weemoed en verlangen getuigen van een verfijnd zintuiglijk en stilistisch vermogen. “Serge van Duijnhoven is een Van Gogh die schildert met woorden” schreef de Volkskrant over
De zomer die nog komen moest.

Boekinformatie
De zomer die nog komen moest
Serge van Duijnhoven
ISBN 9789046802120
Uitgeverij Nieuw Amsterdam
€16,50

www.nieuwamsterdam.nl

Advertentie

Naar boven

INTERVIEW in het juni nummer van MENZO

SERGE VAN DUIJNHOVEN en

DE ZOMER DIE NOG KOMEN MOEST

HET IS RUILEN EN TUITELEN’

De Nederlandse Brusselaar Serge van Duijnhoven is een alles-jongleur wat letteren betreft. Hij is zowel dichter, romancier, oorlogscorrespondent, commentator, performer als stichter van een reeds vergaan literair tijdschrift. ‘De mens is nooit tevreden, zijn verlangen is oneindig en zijn dorst is eindeloos’.

Menzo: In je verhalenbundel ‘De zomer die nog komen moest’ ga je terug naar je geboortestad in Nederlands Brabant en geef je stem aan ‘de messentrekkers, de roversbenden, de woonwagenbewoners, de werklozen en de voddenboeren’. Waarom? Voel je je met hen verwant?

Van Duijnhoven: ‘Oss is mijn bakermat, de onvolmaakte plaats die mij heeft gevormd tot wie ik ben. De plek van iemands jeugd is onaanraakbaar voor de verwoestende werking van de tijd. Oss is een oude, geladen plek vol weerbarstige ironie, de bakermat van het Brabantse katholicisme. Tegelijkertijd is het de stad waar Organon in de jaren vijftig en zestig, voor het eerst in Europa, de pil ontwikkelde. De katholieke kerk is en was fel tegen de pil maar het waren de nonnetjes van Heeswijk Dinther die de pil verpakte, met toestemming van Monseigneur Deckers. In Hilvarenbeek noemen ze dat ruilen en tuitelen.
Brabant is literair gezien vruchtbare grond. Het is een goede voedingsbodem voor mensen die een gevoel hebben voor het cerebrale. Brabanders hebben een scherp ontwikkeld gevoel voor dingen die voorbij gaan en die moeten blijven, de ceremonies die daarbij komen kijken zoals carnaval en huwelijksfeesten, plus het familiale. Die katholieken hebben allemaal grote families gehad vroeger. En elke familie heeft familieverhalen te vertellen. Als je uit een gezin komt met maar een kind, dan heb je natuurlijk minder verhalen te vertellen dan wanneer je, zoals in het geval van mijn moeder, uit een gezin met zestien kinderen komt. En in het geval van mijn vader met zeven kinderen. Dat levert bij familiereunies alleen al twee volle bussen op met ooms en tantes, neven en nichten en kinderen. Ik merkte bij een familiereunie van mijn moeder onlangs, toen ze hertrouwde met een gepensioneerde notaris uit Tilburg, dat er nog zoveel verhalen zijn om te vertellen. En waarvoor het slim zou zijn om die op te tekenen voor het te laat is. Enfin, dat is het unieke aan Brabant volgens mij. Dat warme, katholieke, familiale en cerebrale’.
Menzo: In je eerste vlijmscherpe verhalen beschrijf je de zeer schrijnende aftakeling van je vader. Op elk detail wordt gefocust.

Van Duijnhoven:‘ Details zijn het geheim van de smid. Een verhaal zonder scherpe focus op het detail is als een gerecht zonder kruiden. De horror van de werkelijkheid kan een schrijver enkel voelbaar maken door in te zoomen. Precizie is het sleutelwoord’.

Menzo: Je bent heel sterk in het beschrijven van de dood, de droesem,… Kun je dat verklaren & is dat hard om het neer te schrijven? Is schrijven een roes of een hel?

Van Duijnhoven: ‘Ik vrees dat ik in mijn leven een beetje te vaak de dood ben tegengekomen, en dat ik in mijn werk constant naar manieren zoek om met de teloorgang van het leven en het verlies van dierbaren in het reine te komen. Ik heb al heel wat vrienden en familie naar de mallemoer zien gaan. Mijn poezië en indirect ook mijn proza zijn een soort van “Gebeden tot de Verwoester”, om met Hugo Claus te spreken. Door te schrijven kun je je zowel helder rekenschap geven van die verwoesting, als dat je kan proberen een soort van antidotum voor de pijn te fabriceren. Je kunt de werkelijkheid naar je hand zetten en uit het quasi-niets herscheppen. Je kunt een tweede leven uit het leven slaan, en zo de dood alsnog een tandje te slim af zijn.
De daad van het schrijven is geen roes of een hel, maar een fysieke en geestelijke bezigheid die zich afspeelt in een schemergebied tussen extreme luciditeit en een black out. Heel mysterieus eigenlijk. Ik kan me de daad van het schrijven achteraf nooit bewust herinneren, de uren schijnen telkens weer verloren te zijn gegaan in een zwart gat waarin de tijd niet meer bestaat. Navraag bij andere schrijvers, zoals bij Adri van der Heijden, leert dat ook de grote meesters met dit fenomeen te maken hebben. Uiteindelijk is het schrijven misschien een daad van wakker dromen. Maar om die staat van het lucide onderbewuste te bereiken moet je werken, hard werken. Alcohol en drugs kunnen in kleine doses helpen die staat te bereiken, maar meestal maken ze her werk alleen maar onmogelijk. Bovendien is er het risico van de verslaving, waarbij er geen fatsoenlijke letter meer uit de pen komt. Ik heb een behoorlijk drank en drugsprobleem gehad, enkele jaren geleden – ongetwijfeld ten gevolge van een fataal auto-ongeluk dat ik in 1998 heb meegemaakt en waarbij mijn beste vriend naast me om het leven kwam -, en op gegeven moment glijd je in je leven dan steeds verder af naar de verloedering, de schulden, de armoede en de misere. Mijn vrouw heeft me verlaten, het gas en licht werden afgesloten, mijn uitgeverij zette me op straat, en noodgedwongen werkte ik als nachtportier in verschillende Brusselse hotels om uit de schulden te raken. Het was een afschuwelijke, donkere tijd. Rock bottem. Op gegeven moment stel je jezelf voor de keuze: drink je jezelf te pletter in een soort van zelfmoord in slomotion, of kap je met je escapisme en probeer je weer grip te krijgen op je leven. Een mens heeft niet zoveel kansen in zijn leven. Ik wist: als ik nog iets van mijn leven wilde maken, moest ik me radicaal herpakken. Dat vergt discipline, abstinentie, motivatie. Je moet weer vertrouwen in het leven krijgen, en daarmee in jezelf. Ik heb over die periode een ander boek geschreven dan De zomer die nog komen moest. Klipdrift heet het. Het verschijnt in juni bij uitgeverij Nieuw Amsterdam. Klipdrift is een oud Zuid-Afrikaans woord dat afkomstig is uit de zeemanswereld. Het betreft een niet-diepgaande zeestroming (vooral op het zuidelijk halfrond) die door de heersende wind ontstaat. In overdrachtelijke zin gaat het om een instinctieve impuls op de grens van levensdrift en doodsdrift; de neiging om af te drijven naar gevaarlijk gebied of plek vanwaar geen terugkeer bestaat.’

Menzo: Je woont al jaren in Vlaanderen. Na Gent, Brussel en als oorlogscorrespondent in Sarajevo en andere Balkan-gebieden. De hoofdpersonen voelen zich niet zo goed in hun vel. Ze zijn op zoek naar iets dat ze niet onder woorden kunnen brengen. Of net niet?

Van Duijnhoven: ‘Klopt. We zijn wat we zoeken, en we zoeken wat we niet zijn. De karakters in mijn boek zijn een personificatie van die paradox. Mijn levensfilosofie is nogal somber, John Gray achtig. Uiteindelijk zullen de mensen nooit echt in staat zijn hun rationele behoeften met hun instincten te verzoenen. De mens is en blijft een dier, een monster dat mens heet. Ik probeer dat niet filosofisch uit te werken, maar literair. Ik heb mededogen met mijn karakters. Vandaar dat mijn verhalen meestal getuigen van een tedere melancholie. De mensen zijn of waren zoals iedereen op zoek naar niet meer en minder dan een portie geluk. Alleen is het geluk, zoals de Fransen dat zo mooi zeggen, “dat vreemde ding dat niet bestaat en er toch op een dag niet meer is”.’

Menzo: In ‘De zomer die nog komen moest’ staat verlangen met stip. Ja? Nee?

Van Duijnhoven: ‘De mens is nooit tevreden, zijn verlangen is oneindig en zijn dorst is eindeloos; hij schept er geen genoegen in om zich te laven aan de bron. Hij wil geen slokje van het levenselixer genaamd geluk, hij wil een heel zwembad of een meer van dat spul en liefst een Oceaan zonder bodem waarin hij kan verdwijnen, verdrinken. Zijn behoefte is een levensdrift en doodsdrift ineen: hij heeft zoveel dorst dat hij van geen ophouden weet en zich letterlijk dooddrinkt. Zijn dorst is per definitie onlesbaar en een vorm van ijlkoorts, waarin hij zich dwanggedachten begint te vormen. Men wil zich niet laven aan de bron van het geluk, men wil erin verdrinken. Volgens biochemici betreft het hier mensen die enkel gevoelig zijn voor uiterst hoge doses dopamine en er daarom van alles aan doen om in gevaarlijke of riskante situaties te geraken waarin deze stof automatisch door de hersenen wordt aangemaakt. Waar men op uit is, dat is niet een kortstondig moment van extase maar metastase. Geen moment buiten de tijd, maar tijdloosheid. ‘Alle Lust will Ewigkeit.’’

Menzo: Je jaren als oorlogscorrespondent sluipen in je verhalen. Moet je wild en meeslepend leven om daarover te kunnen schrijven? M.a.w. kloppen de avontuurlijke verhalen van het leven van een oorlogscorrespondent? Of is het ook maar tanden poetsen, je job doen en slapen?

Van Duijnhoven: ‘Het is allemaal een kwestie van karakter. En karakter is niets anders dan een persoonlijke rechtvaardiging van de vervulling van onze behoeften. Sommige mensen hebben veel prikkels nodig om hun lichaam en geest wakker te houden. Anderen gedijen het best in stilte en exil. Ik heb gemerkt dat ik beiden nodig heb: perioden waarin ik me voed met het leven in al zijn turbulente aspecten, dus ook de oorlog en het leven op de Balkan, En perioden waarin ik me terugtrek om te kunnen werken, zoals in mijn werkvertrek in de Marollen of op het eiland Sylt in Duitsland. Er is een periode van eten en een periode van verteren. Over het vak van oorlogscorrespondent heb ik geschreven in een boek dat bij Ludion is verschenen, en dat een essay bevat over oorlogsfotografie. Ik stel daarin de vraag: trekken oorlogscorrespondenten naar de oorlog om een bepaalde behoefte aan dopamine te bevredigen, of gaat het om een oprecht engagement. Het is lang niet altijd duidelijk. Mij is opgevallen dat de beste oorlogscorresponden behoorlijk autistisch zijn zodra ze terugkeren naar hun uitvalsbasis in het leven van alledag. Het is alsof ze dan al snel de draad kwijt zijn. Zijn ze in de oorlog zo geworden, of waren ze al zo en kunnen ze in de oorlog hun neuroses beter verbergen? Bij mij is het nog niet zo ver gekomen, Ik ben eigenlijk niet zo erg geïnteresseerd in de handeling van de oorlog, als wel in de effecten die een oorlog hebben op de mensen achter de linies. De bevolking. In “De zomer die nog komen moest” staat een verhaal, “Liederen van Vranje”, waarin ik beschrijf wat de effecten zijn van de redeloosheid van de oorlog en de
chaos op een zigeunerjongen en zijn vriendje. De orgie van redeloosheid waarin de bevolking willens nillens gestort wordt, is overigens niet alleen aan de oorlog voorbehouden. Ook bij die orgiastische gabberfeesten heb ik de bezoekers in een vernietigende Dionysische roes zien afdalen. Dit zijn de domeinen die me interesseren, de gebieden waarin mensen de controle over hun gedragingen al dan niet bewust willen verliezen. Uiteindelijk gaat er ook altijd iets bevrijdends uit van de demonische krachten der vernieling waaraan men zich blootstelt.’

Menzo: Zintuigen in je werk zijn heel belangrijk. Elk uitgekiend woord roept een sfeer, een angst, een euforie op. Is dat wroeten of hamert het verhaal eerst in je hoofd en barst het dan los op papier?

Van Duijnhoven: ‘Ik ben nu eenmaal een sensueel mens. Ergo: ik ben een sensueel schrijver. In essentie ben ik ook maar – zoals ieder mens – een dier met verstand. Alleen heb ik me ertoe gebracht om via het schrijven mijn impulsiviteit meester te worden. Op papier lukt me dat, in de werkelijkheid nog niet echt. Daarnaast heb ik een groot inlevingsvermogen. Ieder karakter in mijn boek heeft een eigen verhaal te vertellen, heeft eigen gevoelens, een eigen ziel, een eigen stemgeluid. De crux van het schrijven is het vinden van die ziel en die tonaliteit. Dit laatste bepaalt de stijl van de verhalen. Op z’n gunstigst schrijft ieder verhaal zichzelf, je moet als schrijver alleen proberen het typische stemgeluid, de tonaliteit van je karakter, in je hoofd te laten weerklinken.’

Menzo: Je bent gedebuteerd als zeer eigenzinnige rap-dichter. Momenteel toer je in Duitsland als frontman van het muzikale gezelschap ‘Dichters Dansen Niet’. Wat ben je nu? Wat ben je nog?

Van Duijnhoven: ‘Proza en poëzie zijn waarachtig andere disciplines, die ik beide tracht te beoefenen. Het proza staat op zich, maar de poëzie is voor mij altijd onlosmakelijk verbonden geweest aan de muziek. Ik heb met de grote poëzie van Rimbaud, Verlaine en Baudelaire kennis gemaakt via de vertolkingen van Leo Ferre en andere chansonniers. Muziek en poëzie zijn, vanaf de eerste lyrische exploten als Archilochos, automatisch met elkaar vermaagschapt via lier, ritme en voordracht. Gedichten op papier zijn een late uitvinding. Gedichten moeten lucht krijgen, het ritme moet klinken. Ik vind dat ik me een gedicht pas echt eigen heb gemaakt als ik het in de studio in Groot Bijgaarden van muziek heb voorzien en het uit mijn hoofd met heel mijn hart kan voordragen. Ik ben dus, om op je vraag terug te komen, zowel schrijver als dichter/performer. Daarnaast hoop ik ook mijn werkzaamheden als journalist voor NRC-Handelsblad en De Groene Amsterdammer in de toekomst voort te kunnen zetten’.

Menzo: Je was de oprichter van het tijdschrift MillenniuM. Een tijdschrift voor jonge talenten van allerlei slag en soort waarvan doelbewust het laatste nummer begin 2000 verscheen. Was de eeuwwende anders dan je je had voorgesteld? Is iedereen met een stevig stukje talent er uiteindelijk geraakt? Of zitten er veel op hun zolderkamertje of midden de luiers te mokken?

Van Duijnhoven: ‘Twee van de oprichters van MillenniuM en de Stichting Kunstgroep Lage Landen zijn overleden, twee andere zijn beland in het gekkenhuis, een van de kunstenaars van het eerste uur zwerft in Amsterdam over straat als clochard die Nietzsche citeert tegen de reigers. Enkele leden van de bent zijn weldegelijk succesvol geworden, zoals Maria Barnas de dichteres en kunstenares die onlangs de Cees Buddingh Prijs in de wacht sleepte, of zoals Walter Janssens die momenteel hoge ogen gooit met het Vlaamse cabaretgezelschap MANMANMAN. Al met al is het wel een bont zootje bohemien-achtige Titaantjes geweest die met hun cenakels, salons, voortellingen en debatten dachten de wereld te kunnen veroveren. Het jaar 2000 was pas op de plaats maken. Ik kreeg zelf een accute crisis van onbeschrijflijke triestheid toen we in De Melkweg met MillenniuM eindelijk de boeken sloten. Het waren slopende, maar prachtige jaren. Maar dat het zulke jaren des onderscheids zouden zijn, had ik – die bij de start in 1992 de slogan had bedacht “Please don`t let me die in this century” – in mijn ergste angstdromen toch echt niet kunnen vermoeden.

Menzo: Kan je drie redenen geven om schrijver te willen worden?

Van Duijnhoven: ‘Uit gemankeerdheid, sublimatie en zelfoverschatting. Punt.

© Jan Haerynck, Menzo juni 2007

Literaire trein trekt van Lissabon naar Moskou


Honderdzeven Europese schrijvers, onder wie Mariët Meester en Serge van Duijnhoven, trekken per luxe trein dwars door Europa om de literaire contacten te versterken.

Door onze correspondent STEVEN ADOLF – NRC-Handelsblad 09.06.2000

MADRID, 9 JUNI. Vier eersteklasrijtuigen, een restauratiewagen en een bagagewagon arriveerden woensdagavond met 107 schrijvers uit 43 Europese landen in Madrid. Een dagreis weg van melancholiek Lissabon aan de Atlantische kust, dwars door de glooiende groene heuvels van de Alentejo, via de ruige uitgestrektheid van Extremadura tot de Castiliaanse kern van het Iberisch schiereiland. Het eerste traject van de Literatuur Europa Expres 2000 zit er op. Zes weken lang zal de trein verder door Europa trekken. Van vertrekstation Lissabon via Sint Petersburg en Moskou tot het eindpunt 16 juli in Berlijn. Dwars door wouden, bergen en steppen, met tussenstops ondermeer in Parijs, Brussel, Kaliningrad, Minsk en Warschau.

Het idee van de Europese literaire trein ontstond drie jaar geleden, zo lichtte organisator Thomas Wohlfahrt van de Literaturwerkstatt Berlin gisteren toe bij de officiële ontvangst in het Madrileense Casa de America. Het leek hem een goede manier zo het Europees netwerk van literaire contacten te versterken. Na afloop van de reis wordt de deelnemersgevraagd hun bespiegelingen te beschrijven. Het resultaat daarvan zal worden gepresenteerd tijdens de Frankfurter boekenbeurs in het komende jaar. Volgens Wohlfart zal de reis eveneens worden benut om de noodzaak van meer steun voor vertalers onder de aandacht te brengen.

Naar verwachting zal het literaire project, gesteund door de Europese Unie, de lokale overheden en literaire fondsen, zijn tol eisen van de deelnemers: bij iedere halte staat de schrijverstrein een uitgebreid programma van optredens, fora en ontvangsten te wachten. De Nederlandse deelneemster Mariët Meester, die samen met collega Serge van Duijnhoven Nederland vertegenwoordigd, vreest een uitputtingsslag. “Er is een kans dat ik het niet haal”, zegt ze tijdens een broodje tortilla in de kunstenaarssociëteit Bellas Artes. “In Lissabon had ik een optreden tot een uur ’s nachts, en moest ik om vijf uur weer op om de trein te halen. Als dat zo doorgaat…” Van Duijnhoven heeft reeds een koutje opgelopen door de airconditioning in het Lissabonse vijfsterren hotel, maar verklaart door te treinen tot het bittere einde. Tot dusver valt er evenwel weinig te klagen. “We worden in de watten gelegd”, aldus Van Duijnhoven. “Luxe-hotels, cadeautjes, speciale begeleiders die met Duitse Gründlichkeit voor ons klaarstaan.”

De literaire Trans Europa Expres volgt de historische route gekozen van de noord-zuid expres die in 1896 werd ingesteld na jarenlange inspanningen van de Belgische zakenman George Nagelmackers: van Lissabon tot Sint Petersburg, met tussenstops in Parijs, Brussel en Berlijn. Nederland zat niet in de continentale dienstregeling. En als gevolg daarvan werd het literaire productiefonds ook niet benaderd voor een tussenstop in Amsterdam, aldus de organisatoren. Serge van Duijnhoven: “Dat heeft ook met Nederland zelf te maken. Het productiefonds vindt het maar een megalomaan project. De grote woorden die hier in Madrid als welkom werden uitgesproken, zal je in Nederland nooit horen. Nederland is politiek wel Europees ingesteld, maar cultureel meer transatlantisch.”

Ook in Lissabon kon de trein rekenen op een enthousiaste ontvangst. Van Duijnhoven trad op in een circusschool nabij het Castelo de São Jorge in de oude binnenstad en tracteerde zijn gehoor ondermeer op een aantal rap-teksten in het Nederlands en Engels en liet een stukje van een cd horen. Mariët Meester las en vertaalde tekst voor in een nabijgelegen cybercafé. Van Duijnhoven hoopt voor zichzelf te kunnen formuleren wat zijn positie ten aanzien van Europa is. Een sterkere Europese identiteit kan volgens hem oorlogen als op de Balkan voorkomen.

Meer dan honderd schrijvers (Wohlfahrt: “een orkest van solisten”), zes weken in een trein. Dat lijkt vragen om problemen. Spanningen op de Noord-Zuid Express bleven volgens de Nederlandse auteurs tot dusver evenwel binnen de perken. Van Duijnhoven moest een laveloze collega uit Litouwen met een rolstoel uit zijn hotelkamer in Lissabon laten verwijderen en Meester kreeg de rug toegekeerd van Roemeense schrijver toen haar boek over de zigeuners in dat land ter sprake kwam. De Duitse organisatie heeft de hulp van een reispsycholoog ingeschakeld om mogelijke crisis-situaties te kunnen beteugelen. In Parijs komt een dokter aan boord. De trein vertrekt vanavond met couchettes richting Franse grens.

De literaire Europa Express 2000: Parijs 12-15/6; Brussel 16-18/6; Hannover 20-22/6; Sint Petersburg 2-5/6, Moskou 5-8/7, Berlijn 14- 7)

De M&G-Interviews: Serge van Duijnhoven

Serge van Duijnhoven: ‘Afbladderende kalk en verf. Krakerig, rauw. Dingen die onaf zijn. Hier, in een hotel aan de rand van de goot van Amsterdam waar àlle soorten mensen komen, bouwen we op de puinhopen iets nieuws. Beneden in de WC stond op de muur geschreven: Please don’t let me die in this century. Een prachtige leuze, die precies aangeeft wat ik wil: ik wil verder komen, niet blijven steken in het slappe moralisme dat deze eeuw heeft gekenmerkt. Niet: links/rechts, goed/fout, maar: een gevoeligheid ontwikkelen voor wat een mens werkelijk is in zijn rijkste expressievormen, in al z’n mogelijkheden.’

De Kunstgroep Lage Landen heeft haar onderkomen in de bouwvallige vleugel van Hotel Winston in de Amsterdamse Warmoesstraat. We bereiken de redactieruimte via het dak van het hotel. Een lage tafel met houten stoelen er omheen. Beneden, voor de ingang van het hotel, worden renovatiewerkzaamheden uitgevoerd. Met het door het boren veroorzaakte kabaal op de achtergrond praat Serge van Duijnhoven (1970) over de kunstgroep, waarvan hij mede-initiator is. Een uit ruim zeventig jonge Vlaamse en Nederlandse kunstenaars bestaand veelkleurig gezelschap, dat theater, beeldende kunst, architectuur, muziek, journalistiek en literatuur wil vermengen. Daartoe organiseert ze lezingen en salons, geeft ze commedia dell’ arte-voorstellingen in de open lucht en maakt ze een kwartaaltijdschrift dat de naam Millennium draagt. De groep zal zich in de zomer van 2000 opheffen. In de zes jaar die ze nog scheidt van dat jaar is de groep volgens het voorwoord in het nulnummer van haar tijdschrift voornemens ‘een bescheiden bijdrage aan de heroriëntatie te leveren’.

De jaren tachtig, waarin ik tiener was, waren koude jaren. Ik kwam in ‘82 op de middelbare school en keek erg op tegen oudere meisjes die, in het zwart gekleed en met mascara op de ogen, tegen kernraketten demonstreerden, hasjiesj rookten en thee dronken in de theetuin. Ik was daar – als onbezorgd ventje – nog niet aan toe maar heb wel sterk die bestaansangst opgepikt. Die songteksten als There’s no time to be young, de film The day after, het neerschieten van die Boeing in Korea. Daar begon ik sterk mee te leven. En in de tweede helft van dat decennium; het hedonistisch materialisme; op wintersport, hotels, vakanties. Tegelijkertijd ging ik zelf door een corridor de passage. De puberteit heb ik ervaren zoals die verwoord is in Le bachelier van Jules Vallès: hij beschrijft iemand met idealen, die gekleineerd wordt, in zogenaamd goede banen wordt geleid. Ik kom wel eens mensen tegen die zeggen: die puberteit, daar heb ik helemaal niks van gemerkt. Dat kan ik me zo slecht voorstellen.
Juist op het moment dat ik uit die puberteit kwam, kwamen de muren in Europa naar beneden. Ik vond dat heel symbolisch. Als je ervanuit gaat dat iedere generatie z’n eigen plaats moet bepalen ten opzichte van gebeurtenissen die de tijd markeren zijn dat voor ons: het failliet van de ideologieën, het verlies van de ‘veilige’ Koude Oorlog en de barbarij in Joegoslavië. Het besef dat de volstrekte vanzelfsprekendheid en onkwetsbaarheid waarin ik leef wel eens iets zou kunnen zijn dat voorbij gaat. Wij moeten, ik moet er voor zorgen dat de gemeenschap behouden blijft, dat bijvoorbeeld die multi-culturele samenleving mogelijk is.

We zijn jong, we zijn arm, we zijn vrij. We hoeven niemand verantwoording af te leggen. Zelfs Prometheus, die het tijdschrift uitgeeft, heeft geen enkele zeggenschap over de inhoud. We kenmerken ons door de wil om, juist in deze periode van heroriëntatie, niet strikt individueel bezig te zijn maar raakpunten te zoeken met anderen, uit verschillende genres. Tegelijkertijd willen we reflecteren, nadenken over wat we zelf maken, in welke verhouding we staan tot onze omgeving.
Ik wil onder woorden brengen wat het nu is dat onze generatie bijeen houdt. Hoe staan wij tegenover belangrijke ontwikkelingen in deze tijd, hoe verhouden we ons tot hoop op een betere toekomst? En keer op keer stuit ik daarbij op een sceptische, fatalistische mentaliteit. Die wil ik, vanuit mijn eigen wilskracht en overtuiging, veranderen; het debat aangaan. Ik zie gelukkig om me heen dat er steeds meer vergelijkbare groeperingen ontstaan – de NJMO (Nationale Jongerenraad voor Milieu en Ontwikkeling) op politiek niveau, NOVIM op economisch niveau. Het bloeit op. Allengs verdwijnt het cynisme, het onvermogen om ergens in te kunnen geloven, de onverschilligheid. Veel mensen kunnen nergens bevlogenheid voor opbrengen: ze zijn het gewend nee te zeggen, maar stellen er geen alternatief tegenover. We richten ons niet alleen op jongeren, want die houding loopt dwars door de generaties heen. Kijk maar naar J.L. Heldring, Hugo Brandt Corstius, Maarten van Rossem, Renate Rubinstein.’

Hij maakt een opvallend zelfverzekerde indruk. Eén voet zet hij op de stoel naast hem, zo nu en dan gooit hij koket het hoofd achterover. En Serge van Duijnhoven legt z’n hand op zijn boeken, als hij over ze spreekt.
‘Ik ben verwekt in 1969, geboren in 1970. Hoewel mijn ouders zelf niet Frans zijn, is er in mijn familie altijd een sterke band met Frankrijk geweest. Zo ben ik vernoemd naar Serge Gainsbourg, die in ‘69 de wereld verblijdde met
Je t’aime, moi non plus.
Ik kom uit Oss, een industriestad zonder enig natuurlijk schoon. Het Maasland vol met slachtvee, en talloze vleesfabrieken. Een klein Chicago – ook in de mate van criminaliteit. En er was AKZO Farma. Er reden tientallen vrachtwagens door de stad met Moeders voor Moeders, voor de apothekaire lading van de pil. De pil, die eigenlijk niets anders is dan een tegenhanger van de hostie die op de tong wordt gelegd, in een uitgesproken katholieke stad in Maasland! De sacristie van de duivel.
Vroege herinneringen zijn die aan wandelingetjes met mijn ouders, en aan de kermis. Een opgezette walvis, die je voor een gulden kon bekijken. Ik was een levenslustig jochie. En later, die beklemming van kleinburgerlijke vaste gewoonten, zó sterk dat ik van mijn ouders weggroeide en ik nog maar weinig heb om met ze over te praten.

Mijn vader is als ingenieur verbonden aan de waterleidingmaatschappij in Oost-Brabant. Een heel handige man, met een buitengewoon mathematisch inzicht, maar die zich helemaal niet kan uiten. Hij is op een bepaalde manier heel primitief. Goedwillig, mild. Zijn vader – mijn opa – was boer, met een paardenploeg. Mijn vader is een eenvoudige man, zeker ook in vergelijking tot mijn moeder, die gecompliceerd is. Ze kan geen maat houden. Een dominante vrouw, die uit een gezin van zestien kinderen komt waar een tiran de scepter zwaaide; mijn opa misbruikte zijn vrouw en commandeerde z’n kinderen. Ik denk dat mijn moeder daar wel wat aan over heeft gehouden. Ze heeft zich er wel tegen verzet, maar kan nog steeds heel handtastelijk worden. Ze heeft me de haren wel uitgerukt.

Het was een echte sportfamilie, ook. Tennisouders zijn in zekere zin het meest verschrikkelijke tuig wat er is, omdat ze al hun verwachtingen op hun kinderen projecteren. Toen mijn broer de competities opgaf, veroorzaakte dat veel haat en nijd.
De middelbare school-keuze tussen A of B was voor mij een enorme strijd, die ik heb verloren. Natuurkunde, scheikunde, ik had er geen enkel talent voor maar moest me schikken. In de belevingswereld van mijn ouders was toneelspelen iets voor homoseksuelen. Ik moest stiekem schrijven, stiekem toneelspelen. Op een middag, terwijl ik in de schoolbanken zat, heeft mijn moeder onder het mom van ‘nu is het wel genoeg met dat geschrijf’ de beschreven velletjes die op mijn bureau lagen weggegooid. Op die velletjes ontdekte ik – in een romantische stijl, met veel hoofdletters – mijn belevingswereld. Zelfs bij de meest politieke gedichten ging het heel lyrisch uit van ‘ik’; Serge van Duijnhoven, die spreekt. Dubbele punt, aanhalingstekens openen, hoofdletters. Ik schreeuwde het als het ware uit. Het verlangen naar de overkant. De onmogelijkheid van drijfveren. Een gesteldheid, een
état d’âme, die ik blijkbaar heb, want met die thema’s werk ik nog steeds.
Er was ook een sexuele beklemming. Dat lichaam dat van onderaf aan het poken is. Branderige verlangens waar ik niet mee wist om te gaan. Ik ervaarde m’n vroegrijp zijn als hinderlijk, ongewenst. Ik verlangde naar liefde, ook lichamelijk, maar was er geestelijk nog niet rijp voor. Ik vluchtte in de romantiek, nam het verlangen ridderlijk op als iets transcendentaals. Een soort vervangingsmiddel van die lichamelijkheid. Geen romantiek in negatieve zin, het ging direct gepaard aan een soort intellectuele finesse. Het gaat me te ver te stellen dat het een substituut was, want ik heb niet het idee dat er seksueel gezien iets met me mis is en toch beschouw ik mezelf nog steeds als rationeel romanticus.

Ik was erg ontvankelijk voor nieuwe, onbekende dingen, een magister, en plots ontdekte ik Léo Ferré’s credo Noch God, noch meester. Een credo, waarachter een hele wereld verscholen lag. Een enorme bevrijdingsdrang van opstandig individueel anarchisme. Ik bracht mezelf dat credo als ere-litteken op. Ik schilderde, met gepaste trots, Ni dieu, ni maître! met rode verf op een zwarte trui. Het was: kijk, dit durf ik te zeggen. Daarvoor hoefde ik overigens niet ver te gaan: als bewonderaar van Vestdijk was ik op die school even zo goed opgevallen. Ik had er de gevoeligheid voor, liet me er in meeslepen en daarin onderscheidde ik me van leeftijdgenoten in mijn omgeving. In die niet-politieke zin beschouw ik me als anarchist. Ik hoef geen verantwoording af te leggen aan anderen om datgene te doen waarvan ik denk dat het het beste is. Je neerleggen bij de loop der dingen vind ik armoedig.
Iemand die erg samenhangt met Ferré en minstens zoveel voor me heeft betekend is Arthur Rimbaud. Het toeval wilde dat Ferré die moeilijke, vrijgemaakte, rijke poëzie op fabuleuze wijze op muziek heeft gezet, nou, dat deed me wat hoor.
En tenslotte was er Lord Byron en diens leefwijze.
The great object of life is sensation, to feel that we exist even though in pain. Heel romantisch, en een prachtig motto voor een jong iemand die op het punt staat het leven te ontdekken, z’n puberteit openbreekt. Ik was zeventien.

Tot dan toe had ik er in wezen alleen voor gestaan. Ik had wel hulp van een meisje, een lesbiënne die heel ver was in haar mentale ontwikkeling, en van een man, een soort oom, die me adviezen gaf. Hij is nu 73. Hij was in de oorlog naar Engeland gevlucht, vocht er in een hurricane, hielp Europa mee bevrijden, en is daarna naar Indië gegaan, waar hij gedeserteerd is uit het leger omdat het Nederlandse leger de Engelse troepen min of meer overnam. Hij heeft daar overleefd als chemicus en kwam later bij AKZO Farma in Oss terecht. In veel opzichten is hij meer mijn vader dan mijn echte vader. Een geestelijke vader. Hij heeft me grootgebracht, nam me aan de hand mee naar een boekhandel en zei: zoek maar wat uit. Nou, dat heb ik geweten.
Toen ik de schoolkrant –
De Overkant – oprichtte kreeg ik eindelijk geestverwanten om me heen. Dat ging achteraf gezien bijna als vanzelf. En wonderbaarlijk genoeg zit een groot deel van de mensen die ik toen leerde kennen nu bij Millennium.

Het vermogen om me met een religieuze gevoeligheid op te laden ben ik niet kwijt geraakt. Ik zing tegenwoordig als bas requiem-missen, Gloria’s in een oratoriumkoor in een kerk, waarmee die gevoeligheid weer zijn plaats vindt. Léo Ferré zei: Het allermooiste gebouw is de kathedraal van Chartres, maar ik ga er niet in want het stinkt er. Maar ik wil niet vast zitten in hetgeen waar ik me tegen af zet. Ik erken het leven in zijn beperkt patroon. Ik aanvaard het leven niet als iets volkomen absurds, want: alles is er om te blijven voortbestaan, en deel te hebben aan het patroon. Dat is een manier om te voorkomen dat ik denk: met mij houdt alles op, omdat ik eens doodga is alles zinloos.’

Behalve als voorman van de Kunstgroep Lage Landen doet Serge van Duijnhoven van zich spreken als schrijver en dichter. Vorig jaar debuteerde hij met zijn poëziebundel Het paleis van de slaap. Cryptische, vaak verhalende gedichten waarin gevoelens van angst, onrust, hoop en zwaarmoedigheid bij toerbeurt de dienst uit lijken te maken. Wedijver der private organismen heet er een. Binnenkort verschijnt zijn eerste roman, Fatale limiet.
‘Toen ik me bevrijd had van de kleinburgerlijke dogma’s besloot ik te gaan schrijven. Gedichten, verhalen, een boek dat
Cascade heette. Het was van meet af aan heel serieus.
A. F. Th. van der Heijden heeft veel voor me gedaan. Ik begon met hem te corresponderen in de tijd dat hij aan Het leven uit een dag werkte, hij was heel geïnteresseerd en gaf me praktische adviezen: altijd een blocnote op zak, veel brieven schrijven. Via hem ben ik ook voor het eerst aan platen van Ferré gekomen. Ik denk dat hij iets van zichzelf in me herkende: een Brabantse jongen, die iemand nodig heeft om de weg te leiden. Hij zelf heeft zo’n figuur moeten missen.’

Hij gist, hij broedt
hij waakt over wat hij
in het donker zoekt
de weg naar de opening
van de ogen
Hij luistert naar
de geluiden van de nacht:
een kraan die druppelt
een telefoon die sjierpt
een deurbel die bezwerend
zoemt. De slaap lost
met de jaren op
(uit het gedicht Hypnagoog)

Ik ben niet iemand die alles dat recht uit andermans ziel komt daarom meteen maar bewondert. Gooi de sluizen maar open, daar hou ik niet van. De gedichten in Het paleis van de slaap zijn portretten van mensen en situaties. Er is niet alleen een stilistische afstand; ook de afstand tot mezelf is groot. Ik wil fijnslijpen, goed beredeneren, zònder mijn onbevangenheid en oprechtheid te verliezen. En daarbij is thematische verdieping belangrijk voor me, zoals de slaap in deze bundel. Aan het eind van een dichtbundel wil ik een reis gemaakt hebben.
Ik ben op m’n 23e bij een vooraanstaande literaire uitgeverij gedebuteerd, maar ik voel me niet uitverkoren: ik vond zelfs dat het rijkelijk laat kwam. Ik heb niet hoeven leuren. Bas Heijne heeft er voor gezorgd dat ik werd uitgegeven. Weer zo iemand die me een duwtje heeft gegeven. Ik kwam hem tegen in De Balie, waar hij Richard Holmes interviewde. Hij liet tussen neus en lippen door weten dat hij Lord Byron achterna was gereisd. Dat verlangen had ik ook altijd gehad en dat vond hij zo leuk dat er een vriendschap uit voort kwam. Hij heeft ook vergelijkbare problemen gehad in het begin van z’n carrière als ik. Ik heb gemerkt dat mensen niet begrijpen dat zo’n jong iemand als ik zich met slaap bezig houdt, of met de monarchie. Ze denken: dat moet wel een soezende dichter zijn. Vroeg oud. Tieners die dwepen met de jaren zestig en zeventig, de muziek, de kleding, dàt vind ik vroege ouderdom. Nostalgie naar een tijd die je niet hebt meegemaakt, de grootste onzin.
De slaap is zo’n ontzettend rijk domein, een prachtige metafoor. Het bepaalt ons levensritme. Onze generatie krijgt het verwijt dat we de generatie zijn die slaapt. Ik ben er niet bewust op uit andere onderwerpen te hebben dan anderen; fascinaties kun je niet plannen. Andere kritiek die ik hoor is dat ik m’n boek meer cachet zou geven door motto’s uit de literatuur te citeren, wat niets anders is dan het samplen van een James Brown-kreet in een
house-track.
Mensen willen ons graag zien als de computergeneratie. Maar de blik op de toekomst impliceert nog niet direct cyberseks en
virtual reality. Het moet gepaard gaan met een gevoeligheid voor het verleden. Poëzie is iets dat blijft, daar ben ik van overtuigd. Het heeft toekomst, juist omdat mensen minder tijd hebben. Zoiets als een videoflits.

Mensen die aan de rand staan, die de grenzen kunnen verleggen, hebben altijd mijn speciale interesse. Ook hedendaagse bohémien-kunstenaars die aan de Kunstgroep zijn verbonden, zoals Harmen de Hoop. Ik ben zelf ook grenzen aan het verleggen. Het gaat me om het punt tot waar de menselijke vrijheid reikt. Ik ben op zoek naar krachten die ons nog steeds beperken. Mijn roman Fatale limiet gaat over het leiden van een dubbelleven. Een dichter, die ik Remi Overman heb genoemd, houdt op jonge leeftijd op met dichten en verdwijnt. Hij begint onder een andere naam aan een leven in Amerika. De verteller gaat naar hem op zoek.
Niet voor niets staat Las Vegas op de cover van mijn bundel. Dat is de stad waar je een tweede leven kunt leiden, waar mensen stiekem trouwen, waar mensen alles doen wat God verboden heeft. Via een dubbelleven kun je je mogelijkheden vergroten, je leven organisatorisch op een hoger plan zetten. Op elk moment kun je zeggen: ik stop met dit leven en ga een ander leven leiden. Dat is een geruststellende en tegelijkertijd beangstigende gedachte. Beangstigend, omdat dat eerste leven daarmee sterft. Er is geen terugkeer naar mogelijk. De fatale limiet. Als ik genoeg heb van Serge van Duijnhoven, word ik wel iemand anders. Die kans wordt groter naarmate ik het gevoel krijg dat ik me ga herhalen. Er is dan weinig reden meer om als Serge van Duijnhoven door te gaan.

Het jaar 2000 verliest steeds meer betekenis. Er wordt al in veel minder utopische zin over gedacht dan tien, twintig jaar geleden. Ik relativeer dat ook sterk. Het gaat het me niet om het vieren van een spetterende oudejaarsnacht. De mars naar de nullen is een symbolisch gegeven. De gedachte erachter is: 2000 als schone lei, de toekomst vrij maken. De realiteitswaarde daarvan is natuurlijk nul komma nul, maar het is een dwingend symbool. Er is iets afgesloten, maar het is niet duidelijk wat er voor in de plaats komt.
Ik hou me in wezen met drie dingen bezig: het ontwikkelen van nieuwe gemeenschapszin – zoals in enge zin met
Millennium – door bruggen te bouwen tussen groepen die nu nog gescheiden leven, door middel van kunst. Kunst als wapen tegen een cynische wereld.
Dan een streven naar een nieuw werkethos. De werkloosheid die door de automatisering structureel is kun je niet ontkennen. De vakbond zou zich niet moeten bezighouden met het redden van arbeidsplaatsen die eigenlijk toch overbodig zijn, maar doordrongen moeten raken van het besef dat het leven niets anders is dan een persoonlijke invulling geven aan de tijd. Kunstenaars die bezig zijn met die eigen invulling worden met de nek aangekeken, dat is toch bespottelijk. Er zal van een nood een deugd gemaakt moeten worden.
Tenslotte wil ik me richten op de veelvuldigheid van het leven. Onze cultuur is de afgelopen decennia sterk bepaald door het eenduidige. Het hebben van één vrouw, één familie, één baan, het wonen in één land. Ik denk dat je veel leed voortkomt door een levenshouding te ontwikkelen die op het veelvuldige is toegesneden. Ik geloof bijvoorbeeld niet in één eeuwige liefde, niet in de Maria van mijn dromen. Die veroorzaakt alleen pijn.
Aan de hand van die drie motto’s ontwikkel ik een levenshouding.

Mijn leven nu is druk, jachtig, flexibel. Op het gebied van de liefde leid ik een veelvuldig leven, met verschillende vriendinnen. Ik kan makkelijk van situatie veranderen. Ik leid een leven als student geschiedenis, als jong schrijver, als iemand die een groep heeft opgericht, als minnaar van drie vrouwen. Ik word gedreven door gespletenheid. Ik heb zeven pseudoniemen.
Ik woon samen met mijn broer Pascal. Hij vindt me op veel gebieden maar een rare kwast, dat ik een grote mond heb en over oninteressante dingen praat. Zijn houding is die van: je moet niet zo zeuren, niet zo moeilijk doen. Ik zie, misschien wel vooral door hem, hoe belangrijk de kleur schoenen of de stereotoren kan zijn voor anderen. Mijn broer zal zich ook echt niet druk maken om de
body-art van Petra van der Steen (van de Kunstgroep). Het is niet aan hem besteed.’

Iets wat op het eerste oog los lijkt te staan van zijn andere schrijfsels is het boekje over Haile Selassie, dat verscheen in de door René Zwaap en Mohammed El-Furs in gang gezette reeks mini-biografieën.
‘Rimbaud was bevriend met de vader van Haile Selassie, dat is de link. Daarbij was ik geïnteresseerd in Ethiopië, dat met name in de jaren tachtig toch de hel op aarde was. Het levensverhaal van Haile Selassie is tekenend voor de geschiedenis van dat land. Een sprookjesachtige, vreemde levensgeschiedenis, waar ik iets mee wilde doen. Ethiopië is lange tijd het land geweest waarvan men dacht dat het het paradijs op aarde was. Zoals ik bezig was met ‘de overkant’, wilde ik me ook verdiepen in iets dat in die zin stond voor luilekkerland. Het goudland, op drie dagreizen afstand van het aards paradijs, zoals in de Bijbel staat. Ik wilde – eigenlijk in navolging van Kapuchinski –  een allegorie schrijven. Het was mijn kritiek op het koningshuis hier en in België, waaraan ik de schurft heb. Typisch iets dat we overboord zouden moeten gooien.

Ik werk aan een dichtbundel, waarin alle kamers uit Hotel Winston symbool staan voor fases uit het leven. De gang van de puberteit, de kamer van de jeugd, de kamer van de geboorte, de kamer van de dood, de bar als ruimte om de nacht door te brengen.
In juni vorig jaar was ik hier ’s nachts een keertje beland. Ik werd gerold van m’n geld, dus ik ben de volgende dag teruggegaan. Toen de eigenaar hoorde van de kunstgroep bood ie ons direct ruimte aan. Vijftien kamers, tachtig meter lang, voor ateliers. De computer, de kasten, het licht, we maken er allemaal gratis gebruik van. Mecenassen bestaan blijkbaar nog.
Een ander boek dat ik wil schrijven is een roman waarin een mooie conflictsituatie tussen verschillende generaties wordt uitgewerkt, toegespitst op Nederland. Een boek waarin ik – in navolging van
Gevoelens op drift van Yves Simon –  op een moderne manier het levensgevoel van de jaren negentig verwoord.
Ik wil proberen of ik dat kan.’

Maarten Slagboom

8 februari 1994

http://weblogs.vpro.nl/bureaubinnenland/2008/01/26/de-mg-interviews-serge-van-duijnhoven/

LASTIGE VRAGEN

(Serge van Duijnhoven)

Weet u zeker dat het voortbestaan van het menselijk ras, wanneer u en iedereen die u kent er niet meer is, u echt interesseert? Het zal me niet interesseren.

Waarom?

Op dit moment leven we in een tijd waarin de angst voor de nucleaire apocalyps, die deze vraag actueel maakt, niet echt meer leeft. De ecologie verdient nu in de eerste plaats onze bezorgdheid. In zekere zin is de natuur, de aarde, slachtoffer van het onbekommerd voortbestaan van het menselijk ras. Vaak denk ik dat het voor de natuur daarom maar het beste zou zijn als de mens binnenkort langzaam zou uitsterven. De menselijke soort is voor mij absoluut niet heilig, of het allerheiligst doel van een schepping. En de vraag of over tienduizend jaar nog Dante gelezen wordt, of de Eiffeltoren nog zal staan, of Noord-Nederland niet is verdronken lijkt me een uitgemaakte zaak.

Wie zou u liever nooit zijn tegengekomen?

‘Ik wou dat ik je nooit was tegengekomen,’ dat schreef ik ooit aan een meisje in Amerika toen ik na een lang verblijf terug moest naar Europa. Ik kan haar maar niet uit mijn hoofd zetten, en alles wat er had kunnen gebeuren als ik was gebleven. Dat neigt me ertoe te antwoorden: diegenen met wie de liefde nooit een rechtvaardig einde heeft kunnen krijgen.

Wie van degenen die dood zijn zou u willen terugzien?

Mijn zusje en mijn grootvader die ik beiden nooit heb gekend. En vooral Arthur Rimbaud, Archilochos en Lord Byron: allen dichters die niet alleen geschreven, maar vooral ook geleefd hebben. Maar ook Johnny van Doorn, met wie ik voor zijn dood nog een afspraak had gemaakt, en Scott Fitzgerald, met wie ik een nacht zou willen doorzakken in een Parijse bistrot de nuit.

Wie daarentegen niet?

Joseph Luns, J. L. Heldring en prins Bernhard.

Zou u liever tot een andere natie (cultuur) hebben behoord en zo ja, tot welke?

Ik heb vaak gewenst dat ik als Fransman of als Amerikaan geboren zou zijn. Frankrijk omdat je er Les fleurs du mal voor dertig francs in de supermarkt kan kopen, Amerika omdat het hele land een kanjer van een supermarkt is, waar niet alleen alles voorradig is om het leven zo gerieflijk mogelijk door te komen, maar waar ik ook telkens de vreemde gewaarwording had om als Alice (de Europeaan, soms jong, soms oud, soms klein, soms groot) rond te dolen in een Wonderland.

Hou oud zou u willen worden?

Zo oud dat ik alles gedaan heb wat ik zou willen doen, zonder mezelf te herhalen. Ik zou eigenlijk nooit oud willen worden. Ik ken jonge mensen die nu al genieten van de gedachte aan een behaaglijke, erudiete ouderdom. Dat kan ik niet begrijpen. Ouderdom stinkt, het is aftakeling, herfst, domme herhaling. Het zou niet bij het leven moeten horen.

Als in een onbewaakt ogenblik de gedachte bij u opkomt dat u nooit zou zijn geboren, verontrust die gedachte u dan?

Dat ik ben geboren is welbeschouwd een stom toeval. Als mijn zusje was blijven leven was ik er waarschijnlijk nooit geweest, en dat is een benauwende gedachte. Even benauwdend als de gedachte aan het toeval waardoor ik mijn beste vrienden tegen het lijf ben gelopen. Het is zo’n benauwende gedachte omdat je nooit echt zult weten hoe je toestand er anders uit zou hebben gezien. Maar de schaduw van het besef dat het ook allemaal anders had gekund, dat het zo helemaal niet had hoeven te lopen verleent het toeval ook juist speciale betekenis. Omdat ik uit de lange slaap van het niet-bestaan ben wakker geworden, denk ik dan, omdat temidden van miljoenen mensen die weinigen mijn vrienden zijn geworden kan het niet anders of dit heeft een geheime oorzaak.

Houdt u van iemand?

Ja.

En waar leidt u dat uit af?

Uit het feit dat ik mijn geliefde op plaatsen zie waar ze helemaal niet is, dat ik haar meen te herkennen in de contouren van anderen, en dat ik me elke keer weer verwonder als ik bij haar ben, als ik haar mag aanraken op plekken waar niemand haar mag aanraken, zelfs zij zelf niet.

Gesteld dat u nooit iemand om het leven hebt gebracht: hoe verklaart u dat het nooit zover is gekomen?

Uit het gelukkige gegeven dat ik niet in een oorlog leef, en dat duels uit de tijd zijn. Anders . . .

Wat staat uw geluk in de weg?

In mijn puberteit schreef ik: ‘ik denk dat ik niet geschapen ben voor geluk’. Die tijd was een grote hunkering, een ideologisch leven volgens het strenge geloof in een absoluut geluk. Ik denk dat een besef dat er niet zoiets bestaat als absoluut geluk (maar dat er hoogstens enkel momenten zijn van geluk, die vaak pas achteraf als zodanig te herkennen zijn) juist veel meer kansen biedt op sprankjes van dat (onbevangen) geluk. Je moet het dus de kans geven, maar je moet het ook als zodanig kunnen herkennen. De Grieken zeiden vroeger: ‘niets bestaat, zolang het niet uitgesproken is’. Daarom schaam ik mezelf niet om soms te zeggen: ‘kijk, dit is zo’n zeldzaam moment’.

Zou u liever dood willen zijn of nog een tijdje willen leven als een gezond dier? En als welk dier?

Ik zou nog een tijdje willen leven als een uil, die starend, met grote ogen, op de tak van een boom door de ramen ziet hoe de mensen ’s nachts slapen.

© Trouw 2009 (oorspronkelijk gepubliceerd oktober 1993)

DICHTERS DANSEN NIET

KLIPDRIFT

Uitgeverij Nieuw Amsterdam

2008

Meer over:
Dichters Dansen Niet

www.nieuwamsterdam.nl/klipdrift

Klipdrift

Na de succesvolle samenwerking op de (poëzie)albums Bloedtest en Obiit in orbit presenteren dichter Serge van Duijnhoven en zijn muzikale wederhelft dj Fred dB een gloednieuwe mix van poëzie en muziek. Klipdrift is een overrompelende ervaring: muziek, spoken word, sferische collages, klankexperimenten en messcherpe audiocollages wisselen elkaar in hoog tempo af.
De gedichten van Van Duijnhoven spelen zich vaak af in de onderbuik van Europese steden, aan de rafelranden van het gezichtsveld. En altijd gaan ze over de verlokkingen van de liefde, de slijtageslag van het hedendaagse leven en de onvermijdelijk naderende dood. Fred dB geeft met zijn intelligente en subtiele frequency-soundscapes de gedichten van Van Duijnhoven een wonderschone gelaagdheid.
Klipdrift bewijst eens te meer dat de symbiose van poëzie en muziek meer dan werkt.

Gegevens:
paperback met cd € 19,90
64 blz. 15 x 20 cm
omslagontwerp Herman van Bostelen
ISBN 978 90 468 0283 0
NUR 306
2007/8

www.nieuwamsterdam.nl/dichtersdansenniet

Dichters Dansen Niet

Serge van Duijnhoven (1970) en dj Fred dB (Fred de Backer, 1967) treden sinds 1999 met veel succes in binnen- en buitenland op onder de naam Dichters Dansen Niet. Ze publiceerden eerder de albums Bloedtest en Obiit in orbit, waarover Menno Wigman schreef: ‘Een stemmige, bij vlagen overrompelende cd die tot het beste behoort wat muzikanten en dichters in Nederland hebben bereikt.’

DJ Fred db – Fred de backer

Percussie, composities, klankmanipulatie

Fred de Backer (1967), (Dj) Fred dB, – voorheen vooral bekend onder zijn alias DJ Fat – heeft menige muzikale waters bevaren en heeft onder andere een carrière als drummer achter de rug bij de alternatieve Brusselse rockgroep Villa Basta en het dansgezelschap Everything Is Slow. Hij is producer en geluidsman van zijn eigen muziekstudio Fats Freds Akoestische Tuin, en draaide jarenlang als vaste dj in de Gentse house- en technoclub vooraanstaande dance club Decadance. Fred is gekend om zijn veelzijdige, subtiele muzikale benadering die hem gewild maakt zowel binnen het circuit van de danstempels als bij het (dans)theater dance circuit als voor de meest uiteenlopende artistieke projecten. In Brussel draaide deze allround soundlaborant in div. bars en clubs en gelegenheden zoals Pablo Discobar, l’Accrobat en Cinema Nova. In 2003 introduceerde hij onder de naam Permafrozzt als eerste de uit Rusland en de Oekraiene overgewaaide muziekstroming Lowbattery in de Benelux en Zuid-Afrika. Ook stelde hij de cd Shestipaly (= Russisch voor ‘zesde teen’) samen, een collectie van Lowbattery nummers die hij in zijn studio verzamelde, selecteerde en inblikte. Samen met dichter Serge van Duijnhoven en VJ Gabriel Kousbroek maakt hij deel uit van de vaste kern van vormt hij het gezelschap Dichters Dansen Niet. Voor Djax Records en uitgeverij De Bezige Bij produceerde hij de cd’s Obiit In Orbit en Bloedtest. percussie soundlab live- & studiomixages

SERGE VAN DUIJNHOVEN

lyriek, teksten, voordracht

www.dichterbijdebezigebij.nl

De afgelopen jaren bouwde de in het Noord-Brabantse Oss geboren schrijver (1970) een reputatie op als een eigenzinnig dichter en performer. Hij bestormde het podium van de Nacht van de Poëzie, ageerde tegen de `eliteraire aderverkalking’ van de Nederlandse poëzie en polemiseerde hierover met oa. Gerrit Komrij. Serge debuteerde in 1993 als dichter met de bundel Het paleis van de slaap, en richtte met een groep Nederlandse en Vlaamse beeldend kunstenaars en theatermakers het tijdschrift MillenniuM op (De Bezige Bij). In de jaren negentig publiceerde hij oa. Haile Selassie (mini-biografie), Dichters dansen niet (door de kritiek wel omschreven als `de eerste heuse house-roman’), De overkant en het geluk (novellen), Copycat (poezie), Eindhalte Fantoomstad (poezie + rap). Serge bracht in 1995 enige tijd door in Sarajevo, als tijdelijk verslaggever voor De Morgen en de Volkskrant. In 1995 won hij de Nova Makedonia Award op het internationale poëziefestival van Struga in Macedonië. Zijn boek [Balkan] Wij noemen het rozen (Podium 1999) leverde hem een nominatie op voor de longlist van de Gouden Uil Literatuurprijs. In 2003 presenteerde de dichter een nieuwe poëziebundel + CD: Bloedtest, in 2004 gevolgd door Ossensia Brabantse gezangen, een onconventionele ‘streek-‘ én ‘Bildungsroman‘ waarin de geboortestad en daarmee ook de jeugd van de schrijver een hoofdrol speelt.

Van Dichters Dansen Niet zijn de volgende titels verkrijgbaar:

Bloedtest dichtbundel met CD

DE BEZIGE BIJ 2003 ISBN 9023410815

Gedichten over begeerte, illusies, ontheemdheid, emigratie, identiteit, de rusteloze zoektocht naar geborgenheid, en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie. Op de cd wisselen meeslepende muziek, sferische collages en klankexperimenten elkaar af, waarbij de stem van de dichter wordt begeleid door de accordeon, hoorn, doedelzak, cello, piano en contrabas van het gezelschap Dichters Dansen Niet – Fred de Backer, Gabriel Kousbroek, Bosz de Kler, Ali Haurand, Walter Janssens, Antonia Libert, e.a. Ook Hugo Claus verleende aan dit album zijn medewerking en is op de cd te beluisteren met bewerkte stemfragmenten uit Het graf van Pernath.

Extra informatie: ingenaaid, 104 pagina’s, gewicht: 180 gram, formaat: 200 x 150 x 10 mm Uitgeverij De Bezige Bij 2003 Prijs Euro 19.50

Obiit in orbit dichtbundel met CD

DE BEZIGE BIJ 1999/2002 ISBN 9023447891

De pers over het album Obiit in Orbit:

Orbiit in Orbit is een stemmige, bij vlagen overrompelende cd die tot het beste behoort wat muzikanten en dichters in Nederland hebben bereikt.’

– Menno Wigman in Trajectum, januari 1999

Extra informatie: Ingenaaid – Met illustraties en stickers, Verschenen: 1999 (1) augustus 2002 (2), Gewicht: 240 gram, Formaat: 243 x 172 x 10 mm, De Bezige Bij Prijs Euro 22.46

Fred de Backer

Brusselstraat 183

B-1702 Groot Bijgaarden

t: 32-(0)2-4662818

Serge van Duijnhoven

Kandelaarsstraat 23

B-1000 Brussel

t/f: 32 (0)2 511 1880

DICHTERS DANSEN NIET

Serge van Duijnhoven – DJ FredDB

Dichter Serge van Duijnhoven en zijn muzikale kompaan FredDB, brengen op talloze poppodia en in vele theaters in Nederland en Belgie een preview op hun nieuwe album Klipdrift. Een explosieve, lyrische en overrompelende act, geknipt voor een publiek dat wel kan, maar niet WIL weerstaan aan de verraderlijke verlokkingen van het weke hart en de bekoringen van het tedere maar o zo destructieve gif dat liefde heet. Enfant terrible Serge Van Duijnhoven bewijst dat zijn handelsmerk, de symbiose tussen poëzie en muziek, méér dan werkt.

POEZIE / MUZIEK

BOEK + CD

KLIPDRIFT

ISBN 9023410815

Dichters dansen niet is regelmatig op podia en muziekfestivals in Nederland en België aan te treffen, en trad in het verleden op tijdens het Crossing Border Festival, Lowlands, De Nachten, De Nacht van de Poëzie en de poëziezomer van Watou, Beeldspraak, Pontes Festival of European Young Artists (Krk Croatie), Faladura Festival of Spoken Word (Porto Portugal), Woordfees (Kaapstad Zuid Afrika), alsmede op de door de Unesco georganiseerde ‘Dag van de Poezie’ in Berlijn 2001; dat laatste optreden werd integraal uitgezonden door het ZDF tijdens het programma Nachtstudio.

Dichters dansen niet maakte met Def P/Seda, dj Dano en Olaf Zwetsloot/Lines End, deel uit van De Sprooksprekers; een tienkoppig collectief van rappers, dichters en muzikanten, dat destijds veel stof deed opwaaien met de uitgave Eindhalte Fantoomstad (een expliciete poging om de gesloten circuits van rap en poëzie wat nader tot elkaar te brengen). In 1997 werd het album genomineerd voor de Heineken Cross Over Award.

De pers over het vorige album Obiit in Orbit; aan het andere einde van de nacht (De Bezige Bij):

Orbiit in Orbit is een stemmige, bij vlagen overrompelende cd die tot het beste behoort wat muzikanten en dichters in Nederland hebben bereikt.’

– Menno Wigman in Trajectum, januari 1999

Interview met Serge van Duijnhoven

in de Poëziekrant – november/december 2004

Een Hollander in Brussel. Een schrijver dan nog. De drieëndertigjarige Serge van Duijnhoven. Bekend en berucht om zijn kwantiteit, kwaliteit en balorigheid. Het is bloedheet in de binnenstad. De schrijver duikt een goedkoop winkeltje in op zoek naar drank. Met de handen vol drijft hij mij naar zijn werkkamer. ‘Een vriend van me heeft net een schitterende boekenkast getimmerd’, zegt Serge van Duijnhoven niet zonder trots. De zwerver is thuisgekomen. Hier zal wat afgeschreven worden, lijkt zo. Maar eerst het antwoord op de vraag hoe hij zichzelf het liefst zou omschrijven. Dichter, prozaïst, journalist, amokmaker, rapper?

Ik bén Serge van Duynhoven. Mijn bron van dat alles is het dichterschap. Dààr ben ik nu achter gekomen. Ook op mijn zijpaden ervaar ik de poëzie als mijn motor. Ik ben geobsedeerd door een aantal zaken die heel duidelijk met schrijven en poëzie te maken hebben. Het ensemble “Dichters dansen niet.” zie ik niet als een zijpad maar als een onderdeel van mijn dichtersschap. Die groep heb ik in 1995 opgericht. Een van mijn romans kreeg ook die titel. Die groep bestaat uit muzikant Fred de Backer uit Groot-Bijgaarden -waar hij een muziekstudio heeft-, cineast Gabriel Kousbroek en een aantal gastmuzikanten. Met die groep opteer ik voor een symbiose tussen poëzie en muziek. Daarin hoor je de echo’s van twee disciplines. Toch verrassend mag je zeggen. Steeds over twee drempels heenstappen. Je moet weten dat ik kennis heb gemaakt met de poëzie via zangers zoals Leo Ferré of Serge Reggiani die de grote Franse dichters interpreteerden. Aanvankelijk wist ik nog niet precies waar ik zou uitkomen of wat ik dan deed wel in de lijn lag van het vooropgestelde eindresultaat. Ik begin nu dat resultaat te zien. Ik doe een uiterste inspanning om alles tot een geheel te breien, om de verwatering tussen kunstgenres te neutraliseren, om een imponerende mélange te bereiken.

Als je mijn recente CD beluistert, heb je zoals bij een film een begin dat je op vloeiende wijze naar een eind voert. Vroeger speelde ik allerlei kleine nummertjes na elkaar. Nu probeer ik één geheel te bereiken. Niet elke dichter brengt bij zijn bundels ook CD’s uit en dat hoeft ook niet. Voor mij is een dergelijke uitgave een heel natuurlijke manier van werken. Niet eens een zijstapje. Maar die dubbele uitgave maakt duidelijk deel uit van een project, van datgene waar je jezelf op de een of andere manier aan verpand hebt”.

Houdt Van Duijnhoven er rekening mee dat de gedichten songs kunnen worden? Hij ontkent heftig.

Als je begint te schrijven, weet je niet meteen waarvoor dat gaat dienen. Het is elke keer weer een gevecht om vanuit dat niets een lijn, een kader, contouren te geven. Je moet je bijna in een staat van black-out weten te werken zodat er dingen naar bovenkomen die je later kan redigeren. Als je in de studio werkt, dan kun je teksten wel bijstellen om ze lekkerder te laten klinken, om ze meer to the point te brengen, om ze echt te laten passen. Alles heeft een geijkte vorm en soms zwalpen of springen hier en daar dingen uit de mal die je nou eenmaal hebt als je met muziek werkt. Die snijdt je dan zo goed mogelijk weg.”

Je zegt: ik schrijf vanuit een black-out? Opmerkelijk.

Als je echt lekker schrijft, kan je je achteraf nauwelijks herinneren dat er tijd is gepasseerd. Dat zijn de meest ideale momenten, je moet niet wachten op inspiratie, die komt tijdens het werken.

Ik zal je laten zien hoe ik werk. Dit is het rek met plakboeken en aantekeningenboeken”. Geeft me een rondleiding in zijn werkkamer.’’Wat me altijd opvalt tijdens festivals, boekenbals en gesprekken met Serge van Duijnhoven is het feit dat hij alles wat hij hoort, ziet vlijtig noteert in een schrijfboekje. Is dat meer dan de dichter ‘spelen’? Van Duijnhoven beweert stellig van wel. Terwijl hij door zo’n schrijfboekje bladert, orakelt hij: “Dat zijn de zaadjes die je plant en dan kan je later oogsten”.

Die boekjes gaan altijd in de kontzak.

Vanaf de middelbare school heb ik die boekjes bijgehouden. Het is een gewoonte geworden. Die staan vol met kleine dingetjes die me opvallen, citaatjes, iets wat ik op tv heb gezien, iets over zeg maar Hermann Göring. Soms vreemde dingen. Dit plakboek gaat over Gerrit Komrij. Ik heb van William Burroughs geleerd dat het leuk kan zijn om scrapbooks bij te houden. Toen ik in 1996 in Gent ging gaan wonen heb ik dat ook gedaan. Kijk, een scrapbook over poëzie dat ik heb bijgehouden. (wijst enthousiast naar krantenknipsels) Sporen van de actualiteit en dat vond ik zo mooi. Het lekkerst? Rommelen met schaar en lijm en zo een aanloop nemen om daarna met de pen aan de slag te gaan.”

Is zo dicht bij de actualiteit leven ook de bron van je frequente boosheid? Je kan je nogal opwinden over bepaalde situaties.

Ik kan me nogal kwaad maken over futiliteiten, over bekrompenheden of vastgeroestheden. Het is meestal een mentaliteitskwestie. Heel veel mensen zien de kunst eigenlijk als een statusverheffend iets in plaats van een doel, een artistieke weg. Als een middel om je te onderscheiden van anderen. Dan komt het er vaak op aan de normen vast te leggen waarmee je je kan onderscheiden. Dat wordt dan vaak in een soort van jargonachtig discours gegoten. Soms zie je dat critici een zeikerige moraal hebben en nooit echt over iets enthousiast kunnen zijn, behalve over hun eigen vrienden. Gelukkig zijn het uitzonderingen maar ze hebben dan weer wel de pers aan hun kant”.

Dat is voor Serge van Duijnhoven een reden om te koken van woede:

Ik kan heel kwaad worden over dit soort dingen. Dat is niet gespeeld. Ik had vroeger een leraar Latijn, de beroemde vertaler Frans van Dooren, hij zei: ‘De beste kritiek is het zelf beter doen’. Ik sta blijkbaar bekend als amokmaker maar dat is niet omdat ik zo van heibel maken hou. Ik ben erachter gekomen dat die wijsheid van Frans Van Dooren gewoon de waarheid is. Je moet je niet storen aan wat iemand vindt. Uiteindelijk zijn de meeste discussies ornithology for the birds. Vogels maken zich niet druk om het discours rondom hun rangorde. Ik kan ook relativeren door mij maximaal te concentreren op een conceptalbum zoals “Bloedtest”. Daarin laat ik zien dat ik het wél kan en hoe iets wél goed kan”.

Ik herinner hem fijntjes aan zijn debat in het NRC Handelblad met Gerrit Komrij en aan de bestorming van het podium van de Nacht van de Poëzie in Utrecht in de jaren negentig. Hij rept zich:

Dààr heb ik ook geen spijt van! Ik had gelijk. Mijn punt was toen dat Komrij in ‘97 een stuk publiceerde waarin hij 5 jonge dichters besprak -ik behoorde daar ook toe- hij schreef: er gebeurt eigenlijk niets nieuws bij de horizon, dat rapgedoe hebben we al eens gehad, wat heeft rap nog meer opgeleverd dan die Willy Alfredo? Ik ergerde mij aan het badinerende toontje waarop dat werd gezegd. Als je niet weet waar je moet kijken, dan zul je het ook nooit zien. Als jij niet wil zien dat er ook op dit moment interessante dingen in de orale tak van de poëzie aan het gebeuren zijn, dan luister je niet goed! Als je de nieuwe garde niet hoort, dan luister je niet goed. Reactie van Komrij: ‘Tegen wie denk je dat je het hebt? Ik ben helemaal niet zo bekrompen als jij denkt’. Dat hij gelijk had heeft hij aangetoond door twee jaar later het voorwoord te schrijven van de bundel “Double Talk”. Intussen is er wel veel veranderd. Het is toch opvallend hoeveel dichters nu plotseling veel aandacht besteden aan hun podiumperformance, hoeveel dichters er via de podia zijn doorgebroken. De meeste van die mensen publiceerden ook al in die tijd maar blijkbaar was het voor velen moeilijk om die mensen te horen of wisten ze niet waar ze ze konden vinden. Je hebt de hele ontwikkeling van de slam poetry gehad. Er was iets aan het broeien in die tijd. Het is ook niet meer zo nodig dat ik hoog van de toren ga blazen om mensen erop te wijzen dat poëzie ook nog iets anders kan zijn! Poëzie hoeft niet alleen in papier besloten te liggen”.

Als je je jongste cd beluistert, heb je de indruk dat je je de rug toekeert naar die raptoestanden.

Het is allemaal veel symfonischer geworden, meer sfeerbepalend en de teksten worden niet meer op een drammerige toon gezegd”.

Serge van Duynhoven ontkent dat hij verraad heeft gepleegd.

Ik heb mezelf ook nooit als een rapper geprofileerd maar ik heb wel samengewerkt met rappers. We deden niet alsof we één pot nat waren. We zijn altijd uitgegaan van het braakliggende terrein tussen massacultuur en elitecultuur dat best wel eens ontgonnen mocht worden. Als project best interessant; ik vind zelfs dat dat braakliggende terrein steeds meer ontgonnen wordt”.

Iedereen klaagt steen en been dat men poëzie niet aan de straatstenen kwijt kan.

Ik heb gemerkt dat mijn laatste bundel wel liep en ik had veel optredens in mijn agenda vast te leggen. Het was niet de bedoeling om volle stadions te trekken. Het gaat om het traject dat wordt afgelegd, het avontuur op papier, op muziek en on stage. De boodschap is overigens niet zo heel verschillend als vroeger. In Eindhalte Fantoomstad viel in ons eerste nummer te horen: “Sprooksprekers aan het woord. Gooi open die poort” Het was een pleidooi voor meer tolerantie en frisse doorstroming in de poezie. Op het album bij de bundel Bloedtest komt dit verlangen naar lucht en vrijheid op een meer boeddhistische manier aan de orde. Lucht moet men zijn. Dat is een boeddhistisch ideaal. Boeddha krijgt een ereplaats in een van de beste nummers. Leerlingen vragen aan Boeddha: “Bent u heilige? Nee. Bent u een engel? Nee. Wat bent u dan wel? Ik ben wakker”. Dat wakker-zijn, dat fascineert mij maar wel in de overdrachtelijke zin. Het gaat er mij niet om zolang mogelijk wakker te blijven, maar je moet je zintuigen scherp houden. De blaseheid van je af weten te houden. Dat is een mentaliteitskwestie en een wijsheid tegelijk.”

Je geeft op het einde van je bundel “Bloedtest” een hele verduidelijking over wat je schreef. Hoefde dat? Nogal belerend.

Ik zie het als een da capo al fine. Hugo Claus heeft me ook afgeraden dat te doen. Ik heb het uiteindelijk in overleg met mijn hoofdredactrice van De Bezige Bij toch gedaan omdat ik het componeren van zo’n boek zie als het maken van een muziekstuk waarin bepaalde cycli zitten en bepaalde vormen worden gehanteerd. Da capo al fine! De meeste aria’s uit een opera bestaan uit verschillende delen die herhaald worden. Dan kun je ook zeggen: moet dat nou, die herhaling? Maar het is meer dan ornament. Het heeft te maken met een specifieke vorm van creëren. Vreemd, vreemd. Ik wil bepaalde prikkelende dingen zeggen en ik merk dat sommige mensen dat te belerend of te direct vinden. Ik concipieerde die slottekst als een schets. Denk niet aan een didactisch lesje. Noem het eerder een toegevoegde improvisatie rond Bloedtest, waarna de mensen alsnog met hun eigen interpretatie mogen knutselen”.

Van Duijnhoven lijkt geprikkeld door mijn kritiek.

Er zijn tal van manieren waarop je een boek kunt lezen, een boek kunt afronden, een boek laat uitdeinen. Dat is volgens mij niet per definitie fout. Ik zie het meer als een alluderen, het thema een tijdje laten uitgolven. Ik hoopte dat het publiek mij even de vrijheid zou geven nog even een stukje te riedelen”.

Het gaat in “Bloedtest” vooral over de intimiteit tussen twee geliefden, maar ook over de waan en de waanzin, waartoe die kan leiden. Je visie op de liefde is nogal pessimistisch, niet? Het verdwijnpunt ligt dichtbij. Van Duijnhoven leunt gedreven op de tafel:

Liefde is een biologisch vehikel en niet een garantie voor geluk. De liefde wordt bezongen zoals in het gedicht waarin de zee geëvoceerd wordt. Liefde is ook een spel. Toenadering, minnespel, en daarvoor gebruik ik vaak de dialoogvorm De titel “We zijn vandaag lichtvoetig” geeft toch aan dat ik het niet zo zwaar zie. Liefde heeft te maken met een zekere geëxalteerdheid die de natuur nodig heeft om zich voort te planten. Ik ben niet pessimistisch over de liefde. Het lichamelijke aspect is tamelijk expliciet uitgewerkt in al mijn bundels. Ook het spelevaren van verliefden, het lichamelijk spelevaren, dat vind je ook in die bundels. Ik geef toe: het is niet per definitie allemaal jolijt”.

Is liefde, meer bepaald grenzeloze verliefdheid, een gevaarlijk iets?

Alles waar je jezelf in kan verliezen is levensgevaarlijk. Het is zo ambivalent als wat, maar liefde is ook de biologische redding. Een noodzaak. Anders zouden wij niet bestaan”.

Wat mij opvalt: je staat dicht bij de rap maar je bent geen rapdichter. Je gedichten zijn beeldend. Ze zijn niet makkelijk. Als ik een link mag leggen, ook met de fysieke liefde, dan zou ik aan Claus denken.

Serge van Duijnhoven springt op en roept: “Claus is mijn grote held! Ik wil hem voortdurend een hommage brengen”. Loodst mij naar zijn bibliotheek. “Kijk een hommage in vier uitverkoren hoekjes. Claus is voor mij de belangrijkste van de Nederlandse letteren, omdat hij zo veelzijdig is. Wat zo benijdenswaardig is als je Claus leest, en wat ook zo bijzonder is: het schijnbare gemak waarmee dingen geschreven en gemaakt zijn. Iets tussen neus en lippen door. Paul Claes, die het werk van Claus goed kent en hem af en toe ook parodieert, zegt: het is ongelooflijk hoe groot de creativiteit van Claus is vergeleken met iemand als Harry Mulisch maar ook hoe slordig hij is! Namen die verhaspeld zijn, dingen die niet kloppen… Picasso heeft ooit gezegd: A work of perfection is a mistake! Mooi! Denk ook aan Multatuli, de auteur van een boek (Max Havelaar) dat voor mij als iets ultiem overkomt, van een boek vol haken en ogen en losse randen maar toch is het uniek”.

Van Duijnhoven grijpt naar een werk van Arthur Rimbaud.

Met hem is het allemaal begonnen. Ik ben op het spoor van Rimbaud gebracht door de zanger Leo Ferré. Ik had het geluk dat ik een leraar geschiedenis had die naar de klas een oude platenspeler meebracht en die niet alleen platen over mei 68 oplegde maar ook een aantal gedichten van Rimbaud. Toen begon ik Rimbaud te lezen. Passioneel. Ik heb ook zijn graf bezocht. Ik ben op een Boudewijn Büch-achtige manier gefascineerd door auteurs maar uiteindelijk eindigt het altijd met het lezen van hun teksten. Met het herlezen, herlezen.

Ik ben een trage lezer. Het zijn altijd boeken die je niet zo makkelijk kunt vatten die me na aan het hart liggen. Il faut comprendre une femme ou l’aimer. Je kunt niet allebei. De dingen waar je écht van houdt, die zal je nooit helemaal begrijpen. Neem Serge Gainsbourg. Een groot muzikant. Maar die heeft zichzelf zelden of nooit een dichter genoemd. Hij was blijkbaar wars van een opgepept schrijvend ik”.

Je ziet poëzie niet als een apart hokje? Van Duijnhoven beaamt:

Het chanson is bij uitstek de plaats waar tekst en muziek samenkomen. In het Nederlandse taalgebied heb je geen traditie op het niveau van de Spanjaarden en Fransen. Poëzie is een tekst en als je muziek wil gebruiken om die naar de mensen te brengen dan creeër je niets nieuws onder de zon. De Grieken deden het al. Ze brachten het met een lier. Ik was eens op een poëziefestival en toen was daar ook de Franse dichter Julien Blaine, een klankdichter en ik had met hem een discussie over Gainsbourg. Hij verwees naar een grappig gesprek op de radio waarin Gainsbourg met een andere zanger, Guy Béart, aan het discussiëren was of ze nu met poëzie bezig waren of niet. “Mais non, Guy. Ce que l’on fait, ne sont que des petits cacas…“ schijnt Gainsbourg de hele tijd te hebben gerepliceerd. Tijdens een fundamenteel gesprek de lachspieren een kans geven. Een eigenschap van grote Meesters”.

Sommigen beweren dat je voor poëzie heel, heel strenge voorschriften moet bedenken.

Er zijn mensen die vinden dat je nooit streng of liever serieus genoeg kunt zijn. Er zijn dichters die kritieken schrijven om een veer in eigen reet te kunnen steken. Is er iets walgelijkers? Het is heel gebruikelijk dat iemand niet advocaat en rechter tegelijk kan zijn, maar in de poëzie is dat net een gewoonte. Vanuit het standpunt van een politicus lijkt dat wel handig: dan kun je je macht en je status vergroten. De scribent moet een rigoureuze keuze maken: schrijf je gedichten of beoordeel je gedichten? Een kunstenaar is pas kunstenaar als hij vindt dat wat hij zelf creëert ook beter en anders is dan wat hij vaak leest. Dat is de olympische kant van kunst. Als de poëet-criticus zichzelf vaardig genoeg acht om te oordelen over wat door anderen gemaakt wordt, dan is het ook snel om te bewijzen dat wat je zelf maakt het beste is. Die poëet-criticus heeft een heel duidelijke mal en hij is daar ook expliciet in maar alles wat niet in zijn mal past is fluts en op de meest badinerende wijze wordt dat ook aangepakt. Vrouwen doorzien dat vaker dan mannen die het belangrijk vinden om gehoord te worden en dat heeft alles te maken met sublimatie. Vrouwen zien al snel dat het gaat om een kindje dat op een zeepkist gaat staan om aandacht te krijgen. Vrouwen vinden het belangrijk dat hun geliefde eens een keertje luistert; een man vindt het heel belangrijk dat de wereld naar hem luistert. Sublimatie is de bron van kunst. Als die drijfveer er niet is, waarom zou je dan zoveel tijd besteden achter je computer of op zoek gaan naar een gedroomde zin in je notitieboekje. Het is heel goed om je eigen drijfveren te koesteren. Je moet die niet plat redeneren of in therapie gaan om die plat te strijken. Willem Frederik Hermans, een andere held van mij, zei: “Men vraagt vaak: ‘Schrijft u nou om van uw kwalen af te komen?” Hermans repliceerde: ‘Ik schrijf niets van me af, ik schrijf me er juist in!’ Het is heel belangrijk om die vitaliteit te houden. Anders zou je genoegen kunnen nemen met een goeie maaltijd, lekker slapen, lekker neuken en dan is het leven heel snel fijn”.

Van Duynhoven woont al lang in Vlaanderen. Is hij zijn Hollands accent kwijt?

Ik ben getrouwd met een Macedonische vrouw. Geboren in Noord-Brabant en nu hokkend in Brussel voel ik mij Brabander pur sang. Ik schreef zelfs onlangs een boek met Brabantse gezangen: verhalen en gedichten. Het is niet zo’n grote stap van Noord-Brabant naar Vlaams-Brabant. Ik voel me hier in Brussel meer thuis dan ik me ooit in Amsterdam heb gevoeld. Brussel is mijn plek. Ik kan ook elders wonen, ik heb met veel plezier in Gent gewoond. Tot ik in 1999 mijn vrouw schaakte en “ontvoerde” uit Macedonië en het Vlaams Blok impact kreeg op de Gentse politiek: niet direct de plek om asiel aan te vragen voor mijn vrouw. Brussel is een hybride stad, je kan er geen vat op krijgen. Vrienden uit Nederland worden echt fysiek onpasselijk van Brussel. Als je de rigide definitie van schoonheid hanteert, krijg je zoiets als Brugge. Het mooie schattige postkaartstadje uit de Middeleeuwen, maar dan krijg je het al gauw benauwd en hap je naar lucht. Daarom hou ik zo van Brussel: hier heb je de mengeling van vele dingen. Ik ben bezig met een essayboek over Brussel: “Een Brussel met bruis, twee Brussels met liefde“. De stad vind ik ontwapenend patethisch en die ervaring is bijna lijfelijk voelbaar”.

Wat ligt er nog op de tafel van Serge van Duynhoven? Méér dan één gedichtje, blijkt.

Bloedtest is deel 1 van een trilogie. Deel 2 heet Klipdrift. Een Zuid-Afrikaans woord. Ik was in dat moeilijk te beschrijven land te gast op een festival genaamd Woordfees. Een van de drankjes die ze daar serveerden was cola met een beetje whisky erin en geserveerd in een mooie donkere fles. Klipdrift noemen ze dat drankje. Een woord uit de scheepvaart; bij Noordwaartse stroming op het Zuidelijk halfrond is die stroming naar de klippen toe voor de schepen uiterst gevaarlijk. Een mooi metaforisch woord waar je als schrijver of dichter eindeloos mee uit de voeten kunt.

Vanuit mijn heel persoonlijke besognes werk ik ook aan een ‘ongewone’ essaybundel. Een verlengstuk van het fotoboek dat ik gemaakt heb. Het heeft te maken met de esthetiek van de horror en met Ali Haurand, contrabassist die Jacques Brel begeleidde in de jaren zestig en die nog altijd optreedt in de ganse wereld, en met wie ik onlangs een tournee door Duitsland heb gemaakt. Fascinerende vent. Een anarchist, verwekt tijdens de oorlog. Zijn moeder zat in het Duitse verzet en zijn vader was een Fransman. Hij richtte het New Frontier Traffic Trio op, met Charlie Mariano en Daniel Humair. Meesterlijk is zijn nummer “No more Chains”. Op kettingen wil hij niet tokkelen die laat hij zelfs niet rinkelen. Maar hij slaat die aan scherven. Telkens ik dat lied hoor, heb ik de indruk dat de aarde een beetje tot stilstand komt”.
We gaan naar de bovenverdieping en luisteren naar Ali… De dichter staart me indringend aan en vraagt bij de laatste noten: ‘’Begrijp je nu wat ik bedoel?’’

Jan Haerynck

TIJDSCHRIFT

DS 20/01/2005

De redactie van De Brakke Hond is ervan overtuigd dat na het lezen van het nieuwste nummer geen enkel nieuws nog hetzelfde zal zijn. Dat is niet eens overdreven. De Brakke Hond sluit zijn twintigste jaargang af met een indrukwekkend nummer over oorlogsjournalistiek.

De lijst van de journalisten die eraan meewerkten is ook al indrukwekkend: Dirk Draulans, Sus van Elzen, René de Bok, Arnold Karskens, Jetteke van Wijk, Rudi Vranckx en nog andere bekende namen.

We kennen ze allemaal, de televisiereporters die dagelijks verslag uitbrengen van een of ander oorlogsgebeuren. Maar wie zijn die koppen eigenlijk, wat denken ze, wat drijft hen? Een antwoord op die vragen vind je in het dubbeldikke themanummer van De Brakke Hond .

Rudi Vranckx blijkt met oorlogsverhalen te zijn opgegroeid. Zijn grootvader vertelde aan de keukentafel altijd weer dezelfde verhalen.

Op de vraag of hij dode mensen had gezien of zelf mensen had gedood, kwam nooit een antwoord.

De eerste keer dat Vranckx zelf een lijk zag, zal hij nooit meer vergeten. Dat heeft te maken met de stank van de oorlog, want de waarheid heeft volgens Vranckx een geur.

Een geluksdag voor een oorlogsreporter is er een met veel lijken, zegt hij. Daarvoor moet je fysieke en psychische grenzen overschrijden, want ,,oorlogsverslaggeving is uiteindelijk niet meer dan rondrijden in de schemerzone van het gezonde verstand”.

Vranckx beseft dat hij altijd een beetje verder gaat dan de anderen, ,,een journalistiek goudmijntje dat de concurrenten niet hebben”.

Wat is té ver? Die vraag stelt Serge Van Duijnhoven aan de hand van een foto van Teun Voeten. Daarop staat een gewonde Hutu omringd door fotografen die hem in het vizier houden. Ze fotograferen hem en daar blijft het ook bij.

Daarmee overtreedt Voeten de regel dat je als oorlogsfotograaf je collega-lijkenpikkers uit beeld houdt: ,,Als gier moogt ge alles en iedereen lastig vallen, maar de andere gieren laat ge met rust.”

Jetteke van Wijck vertelt hoe blij ze was toen ze naar Israël mocht reizen, een conflictland zonder restricties voor buitenlandse verslaggevers. Daar leerde ze dat oorlogsverslaggeving voor een groot deel uit toeval bestaat en dat beelden makkelijk gemanipuleerd kunnen worden.

Ze is zich bewust van haar taak, ziet oorlogsverslaggeving als een vorm van (voorbarige) geschiedschrijving en geeft toe dat haar werk soms absurd is: terwijl zij de felste gevechten in Bethlehem verslaat, wandelen toeristen enkele straten verder doodgemoedereerd rond.

Ontluisterend zijn ook de ontboezemingen van de humanitaire hulpverlener Ewald Stals. Hij raakte verslaafd aan de oorlog en maakte carrière, terwijl collega’s getraumatiseerd afhaakten.

Even eerlijk legt Bob van Laerhoven de drijfveer van vermoedelijk heel wat oorlogsreporters bloot: ,,Blablabla, in feite was ik enkel op de vlucht voor mijn eigen innerlijke doolhof die me op de rand van de geestelijke afgrond bracht.

Ik moest mezelf, gedreven door zure minderwaardigheidsgevoelens, op extreme wijze bewijzen, en waar kon dat beter dan in landen waar je als verslaggever je werk met gevaar voor het eigen leven moest doen?

In feite miste ik de hoge testosteronwaarden die veel oorlogsverslaggevers tentoonspreiden (tenminste in de kroeg) en voelde ik me voortdurend beschaamd om wat ik deed: geld verdienen aan de misère van anderen.”

De Brakke Hond ,

driemaandelijks literair tijdschrift, jg. 20, nr. 85, dec. 2004, 9 euro voor dit nummer, 32 euro voor een jaargang van 4 nummers. Contact: Postbus 388, 2800 Mechelen 3, rek.nr. 001-1183840-31 van vzw De Brakke Hond, e-mail: info@brakkehond.be, website: http://www.brakkehond.be.

TIJDBOEK MILLENNIUM

Intellectuele inhaalrace

Door Margot Engelen

artikel | Dinsdag 28-06-1994 | Sectie: Kunst | Pagina: 8 | Margot Engelen

MillenniuM 3, zomer 1994. Prometheus, 160 blz. 12,50

‘Nieuwe chaos’ is een omschrijving die wel eens wordt gebruikt voor het tijdperk na de val van de Muur. De wereld wordt er alleen maar onoverzichtelijker op nu vaste scheidslijnen als ideologie en afkomst, levensovertuiging en leeftijd vervagen. MillenniuM verwelkomt deze nieuwe smeltkroes-gedachte: Het feit dat een aantal oude zekerheden is gaan schuiven, beschouwen wij als een uitdaging om op zoek te gaan naar een nieuwe levenshouding, geënt op deze tijd. Het kwartaalboek MilleniuM van de Kunstgroep Lage Landen geeft zichzelf nog zes jaar de tijd om zo’n nieuwe levenshouding te vinden. In het jaar 2000 zullen groep en tijdschrift beide opgeheven worden.

Het blad wil ‘detonatief’ zijn, wat vermoedelijk zoiets betekent als heftig non-conformistisch; een combinatie van ontploffen en uit de toon vallen. Versnippering wordt synoniem gemaakt met veelzijdigheid; het minpunt van deze tijd omgezet in een pluspunt.

Met het stuk ‘Kunstenaar als duizendpoot’ bedoelt Joris Abeling echter geen artistieke veelzijdigheid, maar het keiharde gegeven dat sinds kort de bijstandsregeling voor kunstenaars aanzienlijk ongunstiger is geworden: als ze met hun kunst niet voldoende geld blijken te kunnen verdienen moeten ze elders solliciteren of zich laten omscholen. Het riante BKR-gevoel van de 35- tot 50-jarigen heeft bij de jongere generatie beeldend kunstenaars plaats gemaakt voor een pragmatischer, marktgerichter instelling. Abeling interviewde een paar jongeren over de nieuwe kunstmentaliteit. Eén of twee dagen in de week ernaast werken als kelner of als docent aan de Kunstacademie, gaat altijd ten koste van je concentratie en van de kwaliteit van je werk, zegt Harmen de Hoop, 33. Kunstenaarschap is een levenshouding, het ambtenaarschap niet, voegt Abeling daaraan toe. Creativiteit en commercie: het is voor velen nog altijd een verdachte combinatie. Balletdanseres Melanie van Ophem (23) vindt een strengere houding van de overheid en ondernemersgerichtheid voor een kunstenaar wel nuttig – Je mag niet aan de maatschappij blijven hangen. Abeling waarschuwt de ambtenaren dat al te gretig commercieel denken tot een verschraling van het artistieke klimaat zal leiden.

MilleniuM opent met een vreemd erotisch verhaal van de Franse schrijfster Lisa Bresner. Bij wijze van ‘intellectuele inhaalrace’ zijn veel schrijfsters van onder de dertig tegenwoordig bezig met proza over seksuele perversies, meent Bresner, wier roman De vrouwenboetseerder verscheen bij De Geus. Tijdens het schrijven ben ik een a-seksueel, een boven-seksueel wezen. Tijdens het schrijven ben ik alles, man en vrouw, jongen en meisje.

Serge van Duijnhoven, het bekendste lid van de Kunstgroep Lage Landen, publiceert in dit nummer alvast een fors fragment uit zijn debuutroman De fatale limiet. Het gaat over een groepje vrienden dat uiteenvalt. Ik vroeg me af of er een overeenkomst bestond in de wijze waarop groepjes zich vormen en ontbinden, en de wijze waarop moleculen steeds wisselende verbindingen met elkaar aangaan. Zoals atomen trillen en bewegen, zelfs in vast verband, zo bewegen de mensen, hoe dicht ze zich ook op elkaar bevinden. Het stuk ‘Zodiak’ krijgt, ondanks zijn lengte (30 blz), geen handen en voeten. We zullen moeten wachten wat de hele roman te bieden heeft.

Arjen Mulder legt in ‘Virtueel schrijven’ uit hoe het electronische, digitale boek eruit ziet. Schrijven wordt interactief lezen, communicerende computers vormen een tekstgemeenschap. Elders in MilleniuM staat een oproep aan kunstenaars van velerlei aard om een digitale MilleniuM-stad te helpen opbouwen, onder het motto ‘No more masterplans, no more locating in a fixed place, but a new heterotopia’.

Plannen te over, bij MillenniuM.

KOUDE-OORLOG RIDDER J.L. HELDRING VAN PAARD GESTOTEN?

Ten burele van NRC Handelsblad is het nog steeds onrustig. Sinds het jonge koene Amsterdamse publicistenduo Serge van Duijnhoven/ Joris Abeling, gangmakers van het tijdschrift Millennium en de Kunstgroep Lage Landen, eerder deze maand met een hardhandig ingezonden stuk een dringende oproep deden aan de grijze nestor van de courant, J. L. Heldring, om met zijn column te stoppen, is het geweeklaag over de nieuwe op handen zijnde barbarij niet van de lucht.
Van Duijnhoven en Abeling schreven hun stuk uit woede over een recente zegetocht van Heldring bij de Amsterdamse studentenvereniging Asva, waar hij als de grote overwinnaar van de Koude Oorlog werd gefeteerd. Het moet maar eens uit zijn met de Heldring-cultus, zo meent het tweetal. Sinds Serajevo heeft de methode-Heldring, die neerkomt op een eindeloze bijltjesdag voor communistische fellow travellers, haar zin verloren. De schrijver in kwestie moet van zijn ‘knokige ros op het verlaten strijdtoneel van de Koude Oorlog’ worden getakeld: ‘De vertoning heeft lang genoeg geduurd.’
Er was een tijd dat dit soort polemische grootvadermoorden aan de orde van de dag waren. In de jaren zestig bijvoorbeeld. Maar in de op harmonie en orde gestelde jaren negentig heeft een dergelijke aanslag weer een ouderwets opzwepend effect.
Ter eliminatie van het gigantische generatieconflict dat hij met het stuk van de Nieuwe Hunnen Abeling en Van Duijnhoven zag opdoemen, wijdde Heldrings collega-columnist H. J. A. Hofland er reeds twee uiterst zorgelijk getoonzette beschouwingen aan. Van alle kanten regent het woedende reacties op de vreselijke schanddaad van het Millennium-duo. Het is altijd wat bitter-vermakelijk te zien hoe gewezen rebellen op oudere leeftijd beginnen te kermen zodra de bel voor hun einde gaat luiden. De gigantische pijnkreet die weerklinkt na deze ene speldeprik heeft in ieder geval duidelijk gemaakt dat er nog steeds muziek zit in het generatieconflict. Wie volgt? (rene zwaap)

© Rene Zwaap Heldring, J.l.; Holman, Theodor / De Groene Amsterdammer 01-06-1994

Heeft de jeugd nog de toekomst?

Door J.L. Heldring

artikel | Vrijdag 13-05-1994 | Sectie: Overig | Pagina: 7

“Jongens waren we – maar aardige jongens.” Gaat deze bekende openingszin van Nescio’s Titaantjes op voor Joris Abeling en Serge van Duijnhoven? Jongens zijn ze vrijwel zeker, maar aardige jongens? In hun artikel in de krant van 10 mei hebben ze mij een consilium abeundi gegeven (die uitdrukking hoef ik toch zeker niet te vertalen voor jongens die zich aankondigen als redacteur van het tijdboek MillenniuM – wat dat ook moge zijn?).

Waarom deze raad om te vertrekken; in mijn geval: op te houden met schrijven? Omdat ik een oordeel over de generatie van de jaren zestig had gegeven dat niet veel blijkt af te wijken van wat de historicus Hans Righart er in het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift (april 1994) over gaf: “Een generatie zonder echte kopzorgen, materieel verwend, in vrijheid opgegroeid en geschoold, levend in een betrekkelijk stabiele internationale orde. Men kon zich de weelde veroorloven de totstandkoming van het aards paradijs op de agenda te zetten.”

Maar ik heb nieuws voor Joris en Serge. Goed en slecht nieuws. Eerst het goede: ik heb er de langste tijd als stukjesschrijver op zitten. Nu het slechte: ze hebben, wat mij betreft althans, het ogenblik van mijn heengaan met hun artikel uitgesteld. Ze kunnen toch niet van mij verwachten dat ik de indruk achterlaat dat hun artikel de aanleiding van mijn vertrek is?

Ondertussen is het niet erg duidelijk of ze mij het recht ontzeggen te schrijven omdat ze het met mij oneens zijn dan wel omdat ze vinden dat ik te oud ben. Is het eerste het geval, dan pleit dat niet erg voor hun democratische gezindheid. Van het aan Voltaire toegeschreven woord: “Ik ben het niet eens met wat u zegt, maar zal tot mijn dood uw recht het te zeggen verdedigen” hebben ze waarschijnlijk nooit gehoord.

Vinden ze echter dat op ouderen het consigne ‘bek houden’ past, dan zullen ze het ook wel verkeerd vinden dat de 75-jarige Nelson Mandela president van Zuid-Afrika is geworden. In elk geval negeren ze een demografische ontwikkeling: een verschuiving van jong naar oud, die zich ook gemanifesteerd heeft in de verkiezingsuitslag van 3 mei: zeven zetels winst voor de ouderenpartijen en een zetel verlies voor GroenLinks, dat zich als jongerenpartij afficheert. Willen Joris en Serge die ontwikkeling keren, dan moeten ze gauw kindertjes op de wereld zetten.

Dat verlies van GroenLinks is overigens – en daarmee stap ik af van Joris en Serge – de enige echte verrassing van de verkiezingen. Het verlies van CDA en PvdA was verwacht, maar op grond van de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen van 2 maart had de winst van GroenLinks, twee maanden later, op z’n minst vier zetels moeten zijn. Hoe dit verlies te verklaren? Heeft de jeugd de toekomst niet meer?

Natuurlijk zoekt GroenLinks de verklaring niet in de eerste plaats in eigen boezem. “Voor 80 procent heeft het niet aan ons gelegen”, zegt Maarten van Poelgeest, die campagneleider was in de Volkskrant van 10 mei. Het lag aan de andere, grotere partijen, waartussen GroenLinks vermalen werd. Ja, dat haal je de koekoek: de groteren zijn sterker. Had GroenLinks dat niet eerder kunnen bedenken?

Volgens mij heeft deze keer niet de boodschap, maar de boodschapper schuld, GroenLinks is onze milieupartij, en milieu is een ernstige zaak, een kwestie van leven of dood. En wat doet GroenLinks? Het voert een ludieke campagne: lijsttrekkers op rolschaatsen, lijsttrekkers die met elkaar boksen en, als klap op de vuurpijl, een house party waar horen en zien je vergaat en drugs vrij verhandeld worden. Dan neemt toch niemand de boodschapper meer au sérieux?

In elk geval moeten er velen zijn geweest die best sympathie voor de boodschap van GroenLinks hadden, maar bij het zien van deze capriolen gedacht hebben: daar hoor ik niet bij; of erger: die sluiten mij uit. GroenLinks heeft kennelijk niet begrepen dat je een conservatiever geworden samenleving niet op je hand krijgt door een reprise van de jaren zestig.

Nogmaals: het gaat niet om de boodschap, die nog niet zo gek was, maar om de manier waarop zij gebracht werd. We weten wel: je mag niet op uiterlijkheden afgaan, maar wanneer verkiezingscampagnes zich grotendeels voor de televisie afspelen, ja juist op de televisie gericht zijn, dan gaat dit gebod niet meer op. Dan gaat het juist voornamelijk om de uiterlijkheden.

Dan gaat het erom of de lijsttrekker een betrouwbare indruk maakt (of hij het ook is, is dan van minder belang); of de partij de indruk maakt een serieuze partij te zijn; of het optreden van de partij in niet al te grote tegenspraak is met de boodschap die zij wil brengen. Dat is het hele eiereten van propaganda, dat een partij, tenzij zij een sekte wil blijven of zich aan politieke incest overgeven, niet straffeloos kan veronachtzamen.

Maar het wordt nog altijd genegeerd. Al in de jaren zestig en zeventig dacht ik, wanneer ik al die demonstraties van langharigen tegen Vietnam of iets anders zag: hoeveel meer mensen, die in beginsel sympathie koesteren voor hun acties, zouden ze niet mee kunnen krijgen als ze zich een beetje netjes zouden kleden en kappen? Dan zouden die mensen (die de meerderheid uitmaken) zich gemakkelijker in hen kunnen herkennen.

Hetzelfde denk ik wanneer ik een zogenaamd antifascistische demonstratie overheerst zie – althans op de televisie, die vaak de werkelijkheid niet weergeeft – door punks met hanekammen. En wanneer stakers of arbeiders wier bedrijven met sluiting bedreigd worden, met gekke petjes op demonstreren, onderwijl lachend in de televisiecamera’s kijkend, zou dan de reactie van velen niet zijn: Nu, het water staat hun kennelijk nog niet tot aan de lippen?

Ik weet wel: zulke reacties zijn onrechtvaardig, zij doen geen recht aan de zaak waarom het gaat (of dat nu de oorlog in Vietnam, de kruisraketten, het fascisme dan wel dreigend ontslag is). Allemaal waar, maar die reacties worden uitgelokt, niet door de acties, maar door het beeld dat die acties geven.

Het is een oude waarheid. Al in de jaren zestig heeft de Canadese socioloog Marshall McLuhan gezegd: “The medium is the message.” Vreemd dat GroenLinks zo weinig bij de tijd was. En die tijd is – om prof. Righarts woorden, die op de jaren zestig slaan, om te draaien – er een van kopzorgen, materiële onzekerheid en internationale instabiliteit. Dan zijn de mensen – de geschiedenis heeft dat aangetoond – weinig geneigd tot riskante experimenten.

Archief NRC-H- 1994 \ Juli \ 29 \ Overig \ 7

Bottom of Form

Een nieuw idealisme

door J.L. Heldring

artikel | Vrijdag 29-07-1994 | Sectie: Overig | Pagina: 7

“Oh, that mine enemy would write a book.” Dit citaat, waarvan de bron mij onbekend is, gebruikt Marnix Gijsen als motto voor zijn boek Joachim van Babylon. Ik leg dit citaat zo uit: je kunt iemand alleen pakken op wat hij geschreven heeft; over algemeenheden is geen andere discussie mogelijk dan welles-nietes.

Het is daarom dat, toen Joris Abeling en Serge van Duijnhoven in de krant van 10 mei een lange filippica tegen mij afstaken, ik die vrijwel onbeantwoord heb gelaten. In een latere brief aan mij spraken zij hun spijt uit dat ik “een directe reactie op onze argumenten uit de weg” was gegaan, maar dat was het ‘m juist: hun artikel had geen argumenten bevat, alleen beweringen.

Hun voornaamste bewering was dat ik nog altijd de behoefte voelde de wereld te ordenen naar de maatstaven ‘goed’ of ‘fout’ en die vooral toe te passen op de generatie van de jaren ’60. Eerlijk gezegd, ben ik mij daarvan niet bewust. Ik dacht dat ik eerder intellectuele dan morele maatstaven hanteerde, maar over mijzelf kan ik niet oordelen, dus houd ik hier liever mijn mond.

In plaats van gehakketak over het verleden, benadrukken Abeling en Van Duijnhoven “de noodzaak vóóruit te kijken”. Die “is op dit moment vele malen groter dan het (achter)halen van het eigen gelijk”. Nu, dat is een stelling die, in haar algemeenheid, wel te onderschrijven valt. Ik kan mij voorstellen dat vooral de tegenwoordige studentengeneratie het debat van twintig à dertig jaar geleden – bijvoorbeeld over de Koude Oorlog – volstrekt irrelevant vindt.

Maar wat nu? “Teneinde een voorbeeld te geven van de optiek die wijzelf voorstaan” stuurden zij mij, met hun brief, een exemplaar van het door hen geredigeerde driemaandelijks tijdschrift MillenniuM (nummer 2, lente 1994). Het is pas in deze komkommertijd dat ik ertoe gekomen ben het te lezen. Laat ik mij bepalen tot de artikelen die Abeling en Van Duijnhoven zelf erin geschreven hebben.

Abeling constateert dat in zijn omgeving (de studentenwereld dus) de apathie toeneemt. Hij spreekt van een “enorme gelatenheid”. Deze gaat gepaard met “een typisch Nederlandse vorm van cynisme”, bepaald door “een ‘kat-uit-de- boom-kijken’-mentaliteit en door nivelleringsdrift”: alles wat boven het maaiveld uitsteekt wordt rigoureus weggemaaid (een opmerking die vroeger vooral in conservatieve kring gemaakt werd, maar daarom nog niet onjuist is).

Deze houding wordt vaak verward met tolerantie, maar die is doorgaans “een schild dat maakt dat we ons niets hoeven aan te trekken van wat onze medeburgers vinden, dat maakt dat we ons niet werkelijk betrokken of aangesproken hoeven te voelen”. Dit zijn allemaal opmerkingen die ik, voor zover ik er niet over kan oordelen – zo weet ik weinig van de tegenwoordige studentengeneratie -, interessant vind en anders wel kan beamen.

Kortom, “de grote idealen zijn in diskrediet gebracht”. Maar, zegt Abeling, “er zijn andere mogelijkheden. Juist doordat allerlei aardlagen aan het schuiven zijn geslagen in de huidige maatschappij, komt er ruimte vrij voor nieuwe ideeën en idealen”. De twee idealen die hij noemt, komen hierna enigszins als een anticlimax: een “waarachtig multiculturele samenleving” en een “vurig milieu-engagement” – hoezeer die misschien ook nodig zijn.

Maar “willen dit soort thema’s uitgroeien tot brandpunten van nieuw engagement”, dan moet er iets gebeuren. “Er is grote behoefte aan mensen who make waves.” Weer zo’n anticlimax. De redding verwachten van charismatische figuren is altijd een zwaktebod. Van harte eens ben ik het daarentegen met wat hij daarop schrijft:

“Een eerste stap in die richting zou de ontwikkeling van een debatcultuur zijn, een vorm van ideeënuitwisseling die in Nederland (helaas) beperkt blijft tot de studentencorpora. Wat dat betreft is de Angelsaksische wereld een voorbeeld. In de Verenigde Staten wordt het kinderen al vroeg geleerd hun standpunten en ervaringen voor een groter gehoor uiteen te zetten.

“Op high school kun je vakken als speech en debatteren in je pakket kiezen, waarin je leert een coherente argumentatie op te zetten en je uit te spreken voor of tegen een bepaalde kwestie. In Groot-Brittannië bestaan aan de grotere universiteiten debatverenigingen waar politici en journalisten op het scherp van de snede met studenten discussiëren over actuele kwesties. Dat is een manier om mensen een betoog te laten houden dat zowel verstandelijk als emotioneel onderbouwd is.”

Helemaal mee eens. Abeling had ook Frankrijk kunnen noemen, hoewel daar de methodiek meer intellectualistisch is en ook wel haar bezwaren heeft. Het volslagen gebrek aan methodiek in Nederland heeft als resultaat het gebrabbel dat we dagelijks op de televisie kunnen horen. Alleen al daardoor moeten onze politici het afleggen tegen hun buitenlandse collega’s.

Het artikel van Van Duijnhoven ademt eenzelfde geest. Ook hier ontbreekt de conservatieve noot niet: “De verzorgingsstaat berooft mensen van de verantwoordelijkheid voor eigen lot.” En een onrevolutionaire wijsheid spreekt uit deze woorden: “God in mijn verbeelding terughalen als die ene Heilige Geest kan ik niet meer (…), maar ik zie geen reden om mijn verleden, mijn katholieke opvoeding te verloochenen.” Hij zingt zelfs met plezier in een koor dat liturgische werken ten uitvoer brengt.

Ook hij heeft “drie kleine idealistische credo’s”: het is “zeer urgent opnieuw te formuleren wat mensen samenbindt”; dus “nieuwe collectieve doelstellingen, nieuwe gemeenschapsvormen” zijn nodig. Hier kan de kunst “bruggen slaan tussen bevolkingsgroepen die nu nog op verschillende planeten wonen”. Het tweede credo is dat van “een nieuw werkethos”, nodig omdat “langdurige werkloosheid een structureel gegeven is in de postindustriële, geautomatiseerde maatschappij”. Het is moeilijk het met die credo’s oneens te zijn, maar ze zijn nog te weinig uitgewerkt om stof voor discussie te leveren.

Dat is misschien anders met het derde, meer filosofische credo: in alle landen waar de monotheïstische godsdiensten hebben geheerst, “is men in de cultuur altijd uit blijven gaan van het ‘één’. (…) Door de acceleratie van de beelden waarmee we ons voeden, de hoeveelheid informatie die we krijgen te verwerken en de vergrote mobiliteit zijn we gedwongen (…) veelzijdiger te zijn”. In plaats van de “cultuur van het enkelvoudige” is “een cultuur van het veelzijdige” gekomen.

We helpen hem dit hopen, maar een gevolg van de hoeveelheid informatie die we krijgen en van de vergrote mobiliteit zou ook wel eens kunnen zijn dat de mensen juist gaan verlangen naar eenvoudige oplossingen, naar de “terribles simplificateurs” die Jacob Burckhardt voorzag en met wie we trouwens sindsdien kennis hebben gemaakt. Maar goed, dit is tenminste een stelling waarover te discussiëren valt.

Na dit gezegd te hebben, hoop ik dat het niet als een poging tot ridiculisering opgevat zal worden wanneer ik beweer dat de kop die boven het desbetreffende hoofdstukje staat: “Ex Unis Pluribus” onzin is. De schrijver heeft kennelijk het devies van de Verenigde Staten: E Pluribus Unum (uit velen één) willen omdraaien, maar het omgekeerde luidt: Ex Uno Plures (uit één velen, wat overeenkomt met zijn derde credo). Dit onnodige schoonheidsfoutje doet – ten onrechte – afbreuk aan de ernst van zijn betoog.

Snotneuzen

H.T. HABING, Oss

artikel | Donderdag 09-06-1994 | Sectie: Overig | Pagina: 8

“In NRC Handelsblad zijn Heldrings critici niet al te vaak aan het woord gekomen”, aldus André Spoor (oud-hoofdredacteur) in NRC Handelsblad van 19 mei. Directe aanleiding voor deze ontboezeming was een artikel van Joris Abeling en Serge van Duijnhoven in NRC Handelsblad van 10 mei, waarin zij zich zeer kritisch opstelden ten aanzien van J.L. Heldring, schrijver van de rubriek ‘Dezer Dagen’. Zeer kort samengevat richtte de kritiek zich op de wijze waarop Heldring zich bij voortduring afzet tegen de consequenties van het engagement van de jaren zestig.

Abeling en Van Duijnhoven maken deel uit van de stichting ‘Kunstgroep Lage Landen’. Deze stichting geeft het tijdschrift ‘MillenniuM’ uit. Persoonlijk heb ik zeer grote bewondering wat deze groep jonge mensen presteert. Ze hebben kans gezien een internationale groep jongeren bijeen te brengen, die op eigen wijze willen inspelen op de uitdagingen van hun generatie en hun tijd. Om dat organisatorisch en financieel overeind te houden moet een grote inspanning worden geleverd. Een ieder weet dat het uitgeven van een tijdschrift, zeker als je de continuïteit in acht wilt nemen, een zware belasting is. Jonge mensen, die dit aandurven en hopelijk ook tot een verantwoord einde kunnen brengen, geven je weer hoop voor de toekomst. Het zijn geen ‘ongeboren snotneuzen’ (André Spoor), neemt u dat maar aan.

Om te voorkomen dat de heren mij inmiddels ook ingedeeld hebben bij deze ‘snotneuzen’ kan ik u mededelen, dat ik al bijna 40 jaar een trouwe lezer van de NRC, later NRC Handelsblad, ben. Heb zelfs de Nationale Rotterdamse Courant kort gelezen (geen behoefte aan een discussie goed-fout hierover). Ik moet wel erkennen, dat de rubriek ‘Dezer Dagen’ vroeger door mij met grote aandacht werd gelezen, zelfs met veel waardering. Vele knipsels heb ik er nog van. Maar ik ben met de heren Abeling en Van Duijnhoven van mening dat thans te veel stokpaardjes worden bereden en dat wat meer nuancering gewenst zou zijn.

Heldring blijft ook dezer dagen vraagtekens zetten

Een individualist, anders dan anderen

Door HANS NIJENHUIS

Mr. Jérôme Louis Heldring is onlangs tachtig jaar geworden. Al bijna de helft van zijn leven schrijft hij op de opiniepagina van deze krant de rubriek Dezer Dagen. Profiel van een rijkeluiszoon en een dilettant die van computers niets moet hebben.

Elke morgen tegen zevenen fietst er in Den Haag een heer een parkeergarage aan de Parkstraat binnen. Hij oogt een beetje stram, maar dat is eigenlijk zijn hele leven al zo. Op de parlementaire redactie van NRC Handelsblad, waar hij op dit vroege tijdstip alleen de werkster treft, geldt hij als bijzonder. Een heer van stand en journalist van naam die afgezonderd in een kamertje werkt, vaak op de achterkant van gebruikt papier. Die bij het kopiëren altijd beide zijden van het velletje wil gebruiken (wat de kopieermachine niet altijd begrijpt). En die zich kennelijk niet gehinderd voelt door de plastic regenbeschermers die hij soms ook binnen nog om zijn broekspijpen draagt.

(…)

De vraag rijst of een tachtigjarige heer die al bijna de helft van zijn leven een column schrijft, ooit stopt. Trouwe lezers betrappen hem wel eens op herhalingen. ,,Je kunt niet zoveel jaar twee keer in de week origineel zijn”, schreef hij daarover zelf. Na de val van de Berlijnse Muur vreesde hij geen onderwerpen meer te kunnen vinden. Dat blijkt mee te vallen. Want hoewel Heldring het woord missie verre van zich zal werpen, kan een bedoeling zijn rubriek niet worden ontzegd. ,,De Nederlanders betrekken bij de wereld om hen heen”, zo heeft hij dat onlangs samengevat. En dat is volgens hem nog altijd nodig.

Tijdens zijn verblijf in Amerika, meer dan veertig jaar geleden inmiddels, is hem voor het eerst opgevallen hoe in Nederland naar de internationale politiek wordt gekeken. ,,De Nederlander leest de krant en denkt: tut tut, wat een rare volkjes. Zonder zich af te vragen of de gebeurtenissen in de wereld misschien gevolgen voor hemzelf hebben”, zei hij onlangs. Hij zal nooit vergeten hoe op een dag in 1954, toen hij net naar de NRC was teruggekeerd, het dagelijks buitenlandcommentaar De Toestand was gewijd aan Griekenland. De rubriek vermeldde niet dat de toenmalige premier van dat land, generaal Alexander Papagos, een week later in Den Haag op bezoek zou komen. Toen Heldring de auteur op dit verzuim wees, riep deze met een vies gezicht uit: ,,Maar dat is binnenlandse politiek!”

Zolang de circuits die zich met binnenlands en buitenlands beleid bezighouden naar zijn smaak nog steeds te veel gescheiden zijn, heeft de commentator stof tot schrijven. Vorige week nog steunde Heldring een pleidooi van Europarlementariër Brinkhorst voor een nationaal debat over Europa. Dat is beter dan onderwerpen als de euro aan specialisten overlaten, vindt hij. ,,Sinds jaar en dag probeer ik in deze rubriek zo’n debat van de grond te krijgen, maar er wordt op z’n best met belangstelling kennis van genomen.”

En zelfs die belangstelling heeft niet iedereen. ,,De oude man blijft twee keer per week zijn knokige ros beklimmen om over het verlaten slagveld van de Koude Oorlog te paraderen, links en rechts priemend met zijn beschuldigende vingertje”, schreven Joris Abeling en Serge van Duijnhoven, jongens van begin twintig, drie jaar geleden op de opiniepagina. ,,Het wordt tijd dat de toehoorders hun applaus staken en de pater familias voorzichtig helpen afstappen. De vertoning heeft lang genoeg geduurd.” Een jaar eerder hadden studenten van de Universiteit van Amsterdam zich verzet tegen een eredoctoraat voor de ‘conservatieve’ en ‘moralistische’ Heldring.

Van dit soort protest, dat overigens weinig navolging heeft gekregen, trekt Heldring zich weinig aan. Wel vraagt de commentator zich af of hij op een gegeven moment niet te oud zal zijn geworden om te beoordelen of hij al te oud wordt. Afgelopen vrijdag nog citeerde hij adjunct-hoofdredacteur Jan Tromp van de Volkskrant die hem impliciet een ,,oude lul” had genoemd. Al bij zijn 70ste en ook bij zijn 75ste verjaardag heeft Heldring de hoofdredactie gevraagd of hij misschien moet stoppen. Elke nieuw aantredende hoofdredacteur – hij is bezig aan zijn vierde – meldt hij per brief dat hij niet beledigd zal zijn wanneer zijn column door een beleidswijziging zal sneuvelen. ,,Je weet van jezelf niet wanneer je seniel wordt, ik hoop dat de hoofdredactie mij dan redt door in te grijpen”, zei hij onlangs. De hoofdredactie vindt dat vooralsnog niet nodig.

(NRC Handelsblad, 22 december 1997)

Grote en kleine bladen

DOOR Rene Zwaap

Goed nieuws van het kleine-bladenfront! Maar liefst twee periodieken die tot voor kort op de dodenlijst stonden, maken een miraculeuze wederopstanding door. Het gaat om het literaire tijdschrift Millennium en het multimediale, vooral op muziek gerichte THD. Millennium, in wier redactionele gelederen we het jonge aanstormende duo Serge van Duijnhoven en Joris Abeling treffen, is een blad dat zich geheel richt op het aftellen naar het jaar 2000. Uitgever Mai Spijkers van Prometheus wilde echter niet zo lang wachten en gaf de redactie haar congé. Van Duijnhoven en Abeling gingen op zoek naar een nieuwe mecenas en vonden die in de persoon van Bezige Bij-directeur Albert Voster. Uitgerekend op de dag dat de vermaarde schrijverscoöperatie van de Van Miereveldstraat bekend maakte dat de wankelende autonomie was verruild voor het veilige dak van de Weekbladpers, verleden week vrijdag, overhandigde Voster de sleutel van zijn werkkamer aan Van Duijnhoven. De Millennium-redactie vergadert voortaan om de twee weken in Vosters werkvertrek over het naderende einde der tijden. Een en ander werd gevierd met een uitbundige trash metal-party in het Bezige Bij-hoofdkwartier, pal onder het minzaam glimlachende gelaat van bijenkoning Harry Mulisch dat Voster in portretvorm boven zijn bureau heeft hangen.
Het muziektijdschrift THD, ook op Internet en cd-rom, deed al even goede zaken. Uitgeverij Donemus kwam na een handtekeningenactie terug op het besluit om het blad na twee nummers te liquideren en is nu op zoek naar nieuwe fondsen. De eerdere belofte dat THD in ieder geval vier nummers mag maken lijkt nu toch gestand te worden gedaan. THD-hoofdredactrice Jacqueline Oskamp: ‘Volgens mij is het voor het eerst dat een actie van lezers en sympathisanten om een blad te behouden daadwerkelijk slaagt.’ THD kampte al bij het eerste nummer met tegenslag. Een bij wijze van grap over de drugshysterie bij het blad gevoegde nep-XTC-pil (in werkelijkheid een onschuldige tandplakdetector) stuitte op onoverkomelijke bezwaren bij de distributeur. Daardoor liep het mis met de verzending.

© Rene Zwaap / De Groene Amsterdammer 1997

De sleurbak

door Margot Engelen

artikel | Vrijdag 23-08-1996 | Sectie: Cultureel Supplement | Pagina: 9 | Margot Engelen

A/1 + MillenniuM nr.1. 60 blz. 25,- De Designpolitie, 030-2522377.

Lettre International, Sommer ’96. 96 blz.DM17. Rosenthaler Strasse 13, D-10119 Berlin. Sinds kort is Lettre International ook op Internet te vinden: http://www.lettre.de. En E-mail: Lettre@lettre.de.

MillenniuM bestaat nog. Serge van Duijnhoven trok het blad aan de eigen haren uit het moeras omhoog en fuseerde met het blad A1, een tijdschrift over grafisch ontwerpen. In november 1995 verscheen het zevende en laatste nummer van MillenniuM. Het magische jaar 2000 werd niet gehaald door financiële problemen en redactionele moeheid.

Joris Abeling, Ludo Blok en Van Duijnhoven lieten zich opnieuw bezielen door de mannen van A1 en nu ligt daar het eerste nummer van A/1 + MillenniuM. ‘Should i Stay, Should i Go?’ heet het en het loopt mee met een kunstproject van reizende caravans. Hoewel het tijdschrift heel nadrukkelijk niet alleen maar literair wil zijn, heeft het toch een stimuleringssubsidie toegewezen gekregen van het Produktiefonds, zelfs ondanks de belabberde jaargang 1995. In het eerste gemeenschappelijke nummer is niets van toekomstplannen of beginselverklaringen te vinden, heel anders dan bij het oude MillenniuM.

‘De caravan fungeert als een hybride metafoor, hij symboliseert zowel het huis (het blijven) als het reizen (het gaan)’, schrijft Wim Verhoeven in zijn inleiding over de tot kunst gepromoveerde ‘sleurbak’ die juist in Nederland zo populair is. Niemand minder dan Rilke, met een motto uit de Elegieën van Duino opent het nummer: ‘Denn bleiben ist nirgends’. Literairder kan en wordt het haast niet in A/1 + MillenniuM. Abeling en Duijnhoven bijvoorbeeld interviewden een woonwagenbewoonster en maakten daar een interessant stuk over het thema van maar geen literatuur.

Enigszins verstopt tussen beeldend geweld – (vakantie)foto’s, tekeningen, caravanreclames – vindt de op lezen ingestelde lezer teksten die de moeite waard zijn. Er is poëzie van Olaf Zwetsloot die in de liefde een thuis vindt – ‘Nu pas drong in volle hevigheid tot hem door / dat elk huis dat hij bewoond had in feite / een wachtkamer was geweest, een tussenstation’ -, er is een gedicht van Poe genomen (‘ride, boldly ride’ / the shade replied, / ‘If you seek for Eldorado!”) en korte gedichten van Christian Loidl, ‘dichter, schrijver, performer, charlatan’: ‘WHERE DOGS LEAD / the discussion, i leave / the field / to / another’. Verder bevat het eerste nummer een romanfragment van de Libanese journaliste en schrijfster Hoda Barakat, H.J.A. Hofland en anderen over de wandelende jood, stukken van Paul Scheffer over mobiliteit van auto, immigrant, toerist en informatie; aforistische notities van architecten Addy de Boer en Ruud Kallenbach over wonen en mobiliteit (‘wonen is de verveling tussen thuiskomen en vertrekken’). Vermoedelijk zullen er voor elke aflevering mensen en teksten gezocht worden die bij een thema passen, maar dat garandeert bepaald niet gauw een ‘eigen gezicht’.

Sterk is ook het ‘levende monument’ van de Duitse kunstenaar Jochen Gerz, die in een klein plaatsje in de Dordogne een herdenkingsteken voor de gevallenen maakte. Het bestaat uit 134 op emailleplaatjes afgedrukte antwoorden op een ongepubliceerde vraag. De bedoeling is dat het monument groeit, dat ook nu nog jonge mensen op een dag een antwoord toevoegen. Lettre International drukt er 34 in Duitse vertaling af. Er staan soms prachtige antwoorden tussen, die nieuwsgierig maken naar de achtergronden van de anonieme dorpsbewoners. ‘Ik wens de vrede meer dan al het andere. Ik wil geen held zijn.’ Of: ‘Men beschermt, wat men geloofd te bezitten, vandaar de drama’s, de oorlogen.’ Slechts op één emaille plaatje wordt verwezen naar de burgeroorlog in Joegoslavië.

De leuningen van de tijd

Bunker Hill, nulnummer. Eigen beheer, 62 blz., 315,- Millennium, tijdboek. Bezige Bij, 132 blz., 320,- NIEUW IS niet oud. Nieuw is het tegenovergestelde van oud. Literatuur van jonge mensen dient nieuw te zijn, te breken met oude waarden en conventies. Jonge schrijvers dienen anders te schrijven. Ze dienen hun literaire voorgangers aan te vallen. Anders zijn ze niet interessant.

DOOR Sander Pleij

Zo hebben we althans geleerd te denken: wat zich als nieuw aandient, zich presenteert als ‘jong’, wordt geacht de aanval te openen op het oude, het voorafgaande. De avant-garde bestaat bij de gratie van de traditie, de mainstream waartegen het goed schoppen is.
Met het eerste Manifest van het Futurisme van Filippo Tomassino Marinetti ging in 1909 de Historische Avantgarde definitief van start. Voortaan zou de ‘dynamiek van de nieuwe tijd’ een plaats krijgen in de kunst. Op doek, papier, op het dorpsplein, maar in godsnaam niet in musea of andere bolwerken van de maatschappelijke institutie kunst. Artikel tien luidde: ‘Wij willen de musea vernietigen, de bibliotheken, academies van elk soort…’
Nieuwe ontwikkelingen in de literatuur (over ‘stromingen’ durven we het nauwelijks nog te hebben) worden vaak in gang gezet of begeleid door tijdschriften en andersoortige clubs van schrijvers. Een literair tijdschrift is een podium voor schrijvers van een bepaald slag, al naar gelang de signatuur van het blad.
Halverwege de jaren tachtig zette De Held bijvoorbeeld de opkomst van Maximaal in gang en wist tegelijkertijd een nieuwe generatie schrijvers in het zadel te helpen. Wat later de XXIe Eeuw ging heten, publiceerde werk van aanstormende jongelingen als Martin Bril, Dirk van Weelden, Joost Zwagerman, Rogi Wieg, René Huigen, Robert Vernooy en vele anderen.
De Held – en Maximaal – nam duidelijk stelling, met een polemiek tegen de ulevellenpoëzie, de hermetische dichtkunst van Zuiderent en Faverey. Ook in het proza moest de weg worden vrijgemaakt voor een literatuur waarin de dynamiek van de eigen, moderne tijd een vooraanstaande plaats had, een literatuur vol beweging en onrust, geheel tegengesteld aan de saaie bedaagdheid van de jaren zeventig.
Sinds De Held en de XXIe Eeuw zijn er de afgelopen tien jaar nog wel nieuwe tijdschriften opgericht, maar in vergelijking met het luidruchtige, aangenaam brutale grote broertje was het op het polemische front nogal magertjes gesteld. Zo gaf zelfs Zoetermeer, toch een blad dat de dynamiek van de eigen tijd nadrukkelijk wilde volgen, expliciet te kennen niet te willen polemiseren. De redactieleden schreven liever zelf.
Dat geeft allemaal niets. Maar is er misschien iets voorgoed veranderd?
DEZE MAAND kwam er weer een literair tijdschrift bij. Het heet Bunker Hill, naar de roman Dreams from Bunker Hill van John Fante, waarin het verhaal wordt verteld van een jonge schrijver die vanuit zijn hotel op de berg Bunker Hill de literaire tijdschriften met verhalen bestookt. Geen blad dat ze plaatsen wil. Zo líjkt het tenminste, want op een dag, wanneer iedereen de moed allang zou hebben opgegeven, komt zijn droom toch uit en wordt zijn werk gepubliceerd in een echt literair tijdschrift.
Het zijn onbekende namen die Bunker Hill maken. De redactie, bestaande uit Machiel Bosman, Lolies van Grunsven, Menno Hartman, Daphne de Heer en Jasper Henderson plaatste bovendien geen eigen verhalen. Iets bekender zijn de leden van de redactieraad: Hans Goedkoop, Oek de Jong, Lisa Kuitert en Annie van den Oever. Ook het gepubliceerde werk komt deels van schrijvers die zich al bewezen hebben. In het nulnummer verzorgen Jaap Scholten, Wanda Reisel, Adriaan Jaeggi, Armand Kerkmeester en John Fante het proza. Erik Lindner, Eric Coenen, Jan Baeke, Ruben van Gogh en Victor Schiferli tekenen voor de poëzie.
Bunker Hill wil niet per se nieuw zijn, zo licht de redactie in een kort redactioneel toe. Er hoeven geen musea te worden neergehaald. Sterker nog, hier wordt juist geconstrueerd: ‘Men bouwt een museum niet omdat de andere zo slecht zijn, maar omdat ze vol zijn. Of omdat er geen ruimte is voor een kunst die wel een plaats verdient. (…) Bunker Hill is een tijdschrift met gevoel voor traditie. Voorop staat het werk van auteurs dat zich, zoals na lezing duidelijk zal zijn, niet staande houdt aan de leuningen van de tijd. Het schreeuwt, klaagt en jankt niet en het wil ook niet voor alles hip zijn. Het betreft hier proza en poëzie die zo veelzeggend zijn gebleken dat ze vormelijk geen gezochte vernieuwing nodig hebben, en waaraan verrassend kijken meer ten grondslag ligt dan verrassend willen schrijven.’
Dat is ook niet zo gek. Want voor je het weet ben je een generatie. Een nieuwe generatie. Dit is immers de tijd waarin schoolkinderen van acht met rugzakken op lopen waarop voorgedrukt Generation X staat, de tijd van Pepsi, the choice of a new generation. Dit is de tijd van de grote wedloop om alles wat nieuw, jong en pril is zo snel mogelijk te gelde te maken.
MAAR WAAR IS ondertussen de literaire vadermoord gebleven? Nieuwe tijdschriften komen toch in opstand? Vuurwerk! Straatrumoer! Nieuwelingen gaan op zijn minst toch even flink tekeer tegen A.F.Th. van der Heijden en de andere bewoners van Café De Zwart? Dat, weet de jonge schrijver al te goed, wordt van hem verlangd.
Ik ben dertien jaar oud en heb net onderuitgezakt plaatsgenomen op de doorgelegen bank voor de tv in mijn kamer. Niets in mij is van plan mijn verworven territorium te verlaten. ‘Hé lamstraal!’ spreekt mijn vader, ‘ga eens wat doen! Jij consumeert alleen maar. Je produceert helemaal niets.’ Ik antwoord met een welgemeend: ‘Kan mij het schelen?’ gevolgd door – ik voel dat er zoiets van me wordt verwacht -: ‘Ga jij maar lekker burgerlijk werken en belasting betalen.’ Dát had ik beter niet kunnen zeggen, want vanaf dat moment deed de ouderlijke vriendenkring niet meer alleen de huiskamer maar ook mijn schuilplaats aan.
Ik ontvang hangend op mijn bank. Steevast zijgen de ouderlijke vrienden met lieve en begrijpende blikken naast mij neer om mij vertrouwelijk toe te spreken. ‘De wereld ís ook best klote.’ ‘Zet jij je maar lekker af, dat deden wij ook.’ En: ‘Waarom schrijf je niet op wat je allemaal niet zint?’ Ik moet ook boeken lezen. Over ene Holden Caulfield bijvoorbeeld. Die gozer zette zich ook af.
Je afzetten omdat het van je verlangd wordt. Breken omwille van de breuk. Het is allemaal zo… zo conformistisch. Dat vindt ook de redactie van Bunker Hill. Jasper Henderson: ‘Er is niets conventionelers dan de avant-garde van nu. Ze is eigenlijk zelf een verkapt l’art pour l’art geworden. In deze tijden brengt het veel meer risico met zich mee wanneer je terugvalt op de traditie. Wij zijn veel vooruitstrevender en eigenlijk juist veel avant-gardistischer dan andere jonge literaire tijdschriften.’
Een beetje laf, zo zou je het ook kunnen interpreteren, dat behoedzame credo. Henderson toont zich verbaasd: ‘Het lijkt wel alsof we móeten vernietigen. We schijnen ook essays en polemieken te moeten opnemen. Maar dat willen we helemaal niet. We willen mooie literatuur bieden.’
Het in september te verschijnen eerste nummer zal wèl een manifest kennen. Daaruit moet duidelijk worden dat de redactie zichzelf niet als elitair ziet, maar – ‘misschien heel idealistisch, hoor’ – ‘mooie verhalen’ wil brengen die vrij toegankelijk zijn.
Wat nu verstaat de redactie onder mooi? Henderson: ‘Dat is literatuur die niet alleen op vorm maar ook op inhoud is gericht. Wij vinden het niet interessant om de werkelijkheid rauw-realistisch te beschrijven zoals de Nix-schrijvers dat deden. Een verhaal over deze tijd is alleen interessant wanneer de werkelijkheid wordt geabstraheerd, wanneer ze eigenlijk boven de eigen tijd uit wordt getild. Voorts blijft literatuur natuurlijk ook voor een groot gedeelte een gevoelskwestie. Het doet je iets of niet. Wij pretenderen te weten wat goede literatuur is.’
SLAAT MEN Bunker Hill open, dan valt als eerste op dat het blad geen fratsen uithaalt met de vormgeving. Duidelijk leesbaar (en dat is helemaal niet zo vanzelfsprekend voor een jong literair tijdschrift) zijn twee ‘mooie verhalen’ van Jaap Scholten (1963) en Wanda Reisel (1955) afgedrukt. In ‘Een klein oponthoud’ kijkt Reisel terug op haar jeugd: ‘Wij waren er van overtuigd dat onze manier van leven de enige juiste was en dat ons observeren een intensiteit en kennis met zich meebracht die ons ver boven wie dan ook verhieven. Wij waren niet minder dan Jonge Goden, en eigenlijk waren we dat ook, hoewel we gewoon Nare Klootzakjes waren. (…) Wij hebben ons altijd weten aan te passen, ons altijd weten te redden. Wij hebben ook vrienden verloren en begraven. Wij zijn ouder nu, wij genieten van Franse kazen en Chileense wijnen. Wij hebben de tijd nooit beschuldigd. Wij bezoeken buitenlandse steden. Wij reizen met treinen. Dit hier is alleen maar een oponthoud, een klein oponthoud in ons leven.’
Jaap Scholten beschrijft, de Arturo Bandini-cyclus van Fante indachtig, hoe hij erin slaagde zijn eerste boek uitgegeven te krijgen: ‘In het bescheiden, regelmatige handschrift stond: Goed. Doorgaan. Dan hebben we voor het eind van het jaar een boek. Thomas Rap. Zingend draaide ik de deur in het slot.’
HET LEZEN VAN Bunker Hill is een aangename bezigheid, als was het een boek van Harry Mulisch op een warm vakantiestrand. Loom, met de hersens op halve kracht. Hoe anders is Millennium! Het blad van de kunstgroep De Lage Landen is onder de hoede van De Bezige Bij aan een tweede jeugd begonnen en verscheen twee dagen na Bunker Hill met een nieuw nummer, nog steeds niet als literair tijdschrift maar als tijdboek. Voornaamste kenmerk van de verschijningsvorm: onleesbaarheid. Bijna het gehele nummer is in kapitalen gezet. De zogenaamd hippe vormgeving behelst naast plaatjes hermetische lappen tekst. Alinea’s worden met een schuin streepje aangegeven.
Wie deze hindernis echter neemt, wordt aangenaam verrast. Dan gebeurt er namelijk iets, iets dat veel substantiëler voelt dan het lezen van zomaar een ‘mooi verhaal’. Want Millennium maakt wat los. Het laat zien constant op zoek te zijn naar het wezen van de eigen tijd. Het doet pogingen vorm te geven aan de eigen obsessies. Zó voelde dat dus, de drang om te lezen over de eigen tijd.
Millennium experimenteert wat af (zo zijn er de flirt met de rap, het thema van het engagement, de poging te ontsnappen aan cynisme, dat altijd een zeker nihilisme in zich draagt) maar overal wordt de wens, de verwoede poging de eigen tijd te analyseren, voelbaar. Bijvoorbeeld aan de hand van het thema van dit nummer, hardcore, dat, zo constateert Joris Abeling, is verworden tot niet meer dan een hol predikaat ter aanduiding van de ‘gezellige’ wijze waarop de bijna-eenentwintigste-eeuwer zijn vrije tijd doorbrengt.
Millennium leeft, schreeuwt het de lezer in de oren. Doe je ogen open en onderzoek! Gelukkig is Millennium daarnaast geen literair tijdschrift. Was het dat wel, dan had de redactie misschien niet zoals nu een paginagrote demonstratiekalender afgedrukt.
MOOI IS DE literaire bijdrage van Serge van Duijnhoven, de geëngageerde schrijver die toen hij zich enige tijd geleden op zijn engagement beriep, bijkans met pek en veren de stad uit werd gedragen. Van Duijnhoven zou volgens de kritiek leiden aan een ‘te nadrukkelijk politiek engagement’. Eigenlijk zou hij koketteren met zijn engagement. Een beetje naar Sarajevo gaan, zèg. Wat dacht die ijdele hals wel? De rampentoerist.
Van Duijnhoven trekt zich niets aan van de kritiek en publiceert in de nieuwe Millennium met ‘Boulevard Oktoberrevolutie’ rustig weer een verhaal over voormalig Joegoslavië. Há! Hij heeft het engagement tot thema gemaakt. Verrast kijkt hij toe hoe zich onder westerse ogen een oorlog ontwikkelt, hoe daarop wordt gereageerd. Hoe hij daar zélf op reageert. Daarbij spaart hij zichzelf zeker niet, bijvoorbeeld als hij stelt: ‘Oorlogen zijn verworden tot red light districts waar onguur volk, soldaten en journalisten hun ronde maken langs de plaatselijke bevolking (poserend, soms zeer onbeschaamd, in naakte misère).’
Millennium zet aan tot meedenken, tegensputteren, betrokken zijn. Als een drammend en dreinend kind – ‘Maar waarom dan? Waarom?’ – onderzoekt het de alledaagse werkelijkheid. Nergens nemen de millennaristen genoegen met het gemakkelijkste van alles: een vooringenomen, cynische blik.
Bunker Hill en Millennium. Voor je het weet hebben de critici weer een leuk contrast gevonden (doet het later ook altijd erg goed in geschiedenisboekjes voor eerstejaars Nederlands). Bunker Hill is dan elitair, Millennium geëngageerd. Terwijl ze met al hun verschillen juist blijken samen te komen in een poging om opnieuw te observeren, om zelf te willen kijken naar de eigen tijd en cultuur, zonder (verplicht) in dialoog te gaan met literaire vaders en moeders, opa’s en oma’s.
Drie jaar geleden signaleerde Xandra Schutte hoe bij de schrijvers van de generatie Nix (waar zij Joost Zwagerman, Rob van Erkelens, Ronald Giphart, Hermine Landvreugd, Joris Moens, Don Duyns en Erik Caspers toe rekende) het overbewustzijn en de pose tot handelsmerk zijn gemaakt: ‘Ze zijn superindividualistisch, en toch positioneren ze zich, al dan niet ironisch, als lid van een generatie. Een van de pomo-schilders in Zwagermans Gimmick! stelt cynisch dat hij, als hij werkt, altijd zijn achterhoofd ziet, hij objectiveert altijd. Voor de bovengenoemde schrijvers geldt dat ook: zij zien hun achterhoofd, zij objectiveren. Zij hebben allen de neiging om met een overdosis aan zelfbewustzijn hun personages en zichzelf stevig in de tijd te verankeren.’
Daar hebben Bunker Hill en Millennium genoeg van. De wereld, zo lijken zij te hebben besloten, is groter dan het eigen achterhoofd, en haar ontdekken en begrijpen vereist meer dan het staren naar de eigen navel. Zoals in de schilderkunst een reactie kwam op het postmodernisme met de oprichting van After Nature (opnieuw leren kijken en schilderen met klassieke materialen), zo kiest Bunker Hill ervoor weer te leren observeren: verrassend kijken en schrijven met traditionele technieken. Ook Millennium weigert nog langer te objectiveren en de eigen persoon en motieven voortdurend ter discussie te stellen; dat leidt uiteindelijk tot niets anders dan inertie en nihilisme.
Met Bunker Hill en het vernieuwde Millennium lijkt er, laat in de jaren negentig, langzamerhand een jonge literatuur te ontstaan waarvan de schrijvers niet meer van zins zijn zich in de oeroude mal te laten gieten van de jongere die zijn voorouders attaqueert. Ze hebben het veel te druk met het schrijven van hun verhalen. Alsof het credo luidt, naar Nike: geen geouwehoer, just do it!

© Sander Pleij / De Groene Amsterdammer juli 1997

IM Millennium (1993-1999/2000)
Afscheid van een tijdschrift

DOOR Rob van Erkelens

Jeroen Brouwers zei eens over zijn monumentale roman De zondvloed dat die als een grafsteen op hem zou mogen liggen. Dat boek bevatte niet alleen zijn hele oeuvre, het sloot het ook af. Het was het da capo van een reeks boeken waarin Brouwers zijn diepste roerselen openbaar had gemaakt. Maar wat er ook van dat oeuvre te zeggen viel, het was echt, authentiek en oprecht. Het zou als grafsteen geen slechte indruk maken.

Als Serge van Duijnhoven ooit een grafsteen moet hebben, geven we hem de verzamelde en ingebonden jaargangen van Millennium, zijn literaire tijdschrift, of eigenlijk, zoals hij het zelf noemde, ‘tijdboek’. In Millennium heeft Van Duijnhoven niet alleen een deel van zijn werk gepubliceerd en een fiks stuk van zijn leven gestoken, daarbij kan de goede lezer niet anders concluderen dan dat er brokken van zijn ziel in zitten. Zijn bloed, zijn zweet en zijn tranen. Alleen al de tranen om Joris, zijn te vroeg gestorven vriend.

Joris Abeling en Serge van Duijnhoven richtten in 1993 Millennium op, omdat ze een blaadje wilden maken. Het was een tijd dat er nog een paar mensen zo brutaal waren om een literair tijdschrift op te richten en daarin en daarmee hun eigen hemeltjes te bestormen. Zo ook de millennisten. De ontstaansgeschiedenis van het blad is beschreven in Van Duijnhovens roman Dichters dansen niet.

Het was een tijd waarin de lethargie van de late jaren negentig nog niet helemaal had toegeslagen. Er bleken nog een paar intellectuele idealisten – of idealistische intellectuelen – te bestaan die hun generatie (een woord dat we toen nog durfden te gebruiken) een stem wilden geven, die een podium wilden oprichten voor (jonge) schrijvers die zij de moeite waard achtten.

In zijn voorwoord ‘De race naar het verdwijnen’ in het allerlaatste nummer van zijn tijdschrift schrijft Serge van Duijnhoven: ‘We wilden een club we wilden een clan we wilden de bal in het net we wilden een manifest we wilden een warm nest we wilden een pluim op de kruin een tempel op het puin we wilden een appel en een ei we wilden een sfinx zijn uit de as we wilden de vonk zijn bij het gas we wilden de wieders zijn de telers van het kruid we wilden de kaviaar zijn onder de kuit we wilden de neus zijn van de zalm we wilden het gif zijn in de walm we wilden het spook zijn op de kastelen de enkelingen tussen de velen de zieners tussen de schelen we wilden de sprooksprekers zijn met de schorre kelen.’

Millennium had een serieuze toon. Het was geëngageerd. Wie herinnert zich niet een artikel over Wim Kok en de WAO? Of een diepgaand onderzoek naar de slaapgewoonten van jongeren? Wat raar leek, bleek niet zo raar als je de losse draden volgde die Millennium in veelvoud leek te laten slingeren. Elk draadje in het web leidde naar de twee oprichters en redacteuren: Abeling en Van Duijnhoven. Het kwam allemaal uit hun hoofd. Ze sloten vriendschappen met kunstenaars in binnen- en buitenland en gingen onverstoorbaar verder met blaadjes maken. Zelfs toen het op zakelijk gebied wanhopig leek, hield Millennium de rug recht. Men ging ‘subzero’ en speelde een tijdje ondergronds voort.

Vlak voor het einde van deze eeuw verscheen Millennium 15, RESET. In het nulnummer had de redactie aangekondigd dat haar activiteiten uiterlijk in het jaar 2000 zouden worden ontbonden: ‘Juist omdat wij een tijdsbeeld willen geven, gezien door de ogen van een nieuwe generatie, palen we ons werkgebied af. Fins de siècle gaan voorbij en nieuwe generaties blijven niet nieuw.’

Millennium heeft woord gehouden. Dat siert ze. Het is wel jammer voor de literatuur. Het tijdboek voor de jaren negentig heeft geen grote invloed gehad op de vaderlandse letterkunde, maar het was wel de exponent van een langzaam verdwijnende en uitstervende levenshouding: de dingen doen zoals je zelf wilt doen, op de manier waarop jij ze doet, niet gehinderd (of geholpen) door wie of wat dan ook. Wellicht representeerde Millennium het laatste restje oprechte punk-mentaliteit in een gestroomlijnde commercie-cultuur. Dat zullen we missen.

© Rob van Erkelens / De Groene Amsterdammer

Willem Alexander, ikoon van zijn generatie

Door onze redacteuren DANIELA HOOGHIEMSTRA en KEES VERSTEEGH

artikel | Zaterdag 26-04-1997 | Sectie: Binnenland | Pagina: 3

Kroonprins Willem Alexander, die morgen dertig wordt, zou niet genoeg in zijn mars hebben voor het koningschap en dus een bedreiging vormen voor de monarchie. “Kritiek van zelfgenoegzame vijftigers”, zeggen generatie-genoten van de troonopvolger. Zij hebben juist vertrouwen in hem.

DEN HAAG, 26 APRIL. De monarchie is uit de tijd, maar met een ‘toffe peer’ als Willem Alexander op de troon is het voortbestaan van diezelfde monarchie voorlopig gewaarborgd. Dat beeld geeft een rondgang langs generatiegenoten van de kroonprins, die straks mede het maatschappelijk debat bepalen als hij eenmaal koning is. Willem Alexander is populair onder twintigers en dertigers, zelfs bij degenen die de monarchie willen afschaffen.

Het is geen onderdanige bewondering die ze voelen voor hun kroonprins, maar sympathie voor de wijze waarop hij zich “in het leven stort”. Liever een authentieke koning die onder de mensen is, dan een vorst die de mantel draagt van gestileerde waardigheid. De monarchie is aan vernieuwing toe, menen de generatiegenoten van de prins: het koningschap moet minder een politieke, en meer een menselijke en ceremoniële invulling krijgen, en aan internationale allure winnen. Willem Alexander past bij die functieverschuiving, vinden jongeren van zijn leeftijd.

Erik van Bruggen (28), lange tijd betrokken bij de ‘Niet Nix’-beweging van de PvdA en thans student geschiedenis, is principieel tegen de monarchie, maar ergert zich toch aan de kritiek op de “vermeende oppervlakkigheid” van de kroonprins. “Ik vind hem juist heel breed geïnteresseerd. Hij onderneemt trouw zijn bestuurlijke activiteiten, vliegt en duikt en gaat ook nog naar een concert van de Rolling Stones.” Dat je door geboorterecht staatshoofd wordt, is volstrekt uit de tijd, vindt Eddy ter Stal (32), regisseur van de speelfilm ‘Hufters en Hofdames’. “Maar ik vind Willem Alexander wel een toffe peer. Dat hij zo onverstoorbaar zijn gangetje gaat, pleit ook voor zijn intelligentie.” Intellectueel is hij geen hoogvlieger maar dat is geen probleem, zegt Jort Kelder (32), hoofdredacteur van het maandblad Quote. “Hij gaat niet op voor de Nobelprijs, nou, godzijdank. We hoeven toch geen superintelligente vent voor een holle functie?” Belangrijker vindt hij dat Willem Alexander sociaal vaardig is. “Koning zijn is een entertainment functie.”

De kritiek op de kroonprins komt van de “zelfgenoegzame vijftigers die hun mond vol hebben over hoe geweldig ze zelf zijn en die weinig oog hebben voor wat de nieuwe generatie kan”, zegt Philippe Brood (32), die een kantoor leidt voor juridische adviezen. “Ik heb wel vertrouwen in zijn kunnen”, zegt hij. Willem Alexander zou wat agressiever moeten worden, meent hoofdredacteur Kelder. “Hij zou die critici eens moeten uitnodigen voor een dinertje. Dan zou je ze allemaal zien verschrompelen aan tafel; de grootste bek gaat voor het koningshuis nog altijd heel diep door de knietjes.” De jeugd is behoudend,zegt Kelder, een ideaal klimaat voor een kroonprins.

Onder Willem Alexander’s generatiegenoten zijn wel republikeinen, maar niemand lijkt van plan om daarvoor de straat op te gaan. Volgens Joris Abeling (25), historicus en auteur van het boek ‘Teloorgang en Wederopstanding van de Nederlandse Monarchie (1848-1898)’ komt dat omdat de republikeinen in de jaren zestig hun ideaal niet hebben doorgezet. “Daarom zegt men nu: ‘ach, dat hebben we allemaal al gehad’. Abeling die Willem Alexander een “brallerige corpsbal” vindt, hekelt de “typisch Hollandse onverschilligheidstolerantie” die maakt dat het koningshuis blijft bestaan zolang er “geen herrie in de tent is”.

Schrijver Serge van Duijnhoven (26), die de monarchie een “bespottelijke poppenkast” noemt, verzucht dat er nu eenmaal nijpender problemen zijn dan de afschaffing van het koningshuis. In zijn korte verhaal ‘De Daad’ beschreef hij hoe hij de kroonprins vermoordt, maar in het echte leven is hij niet van plan zijn republikeinse opvattingen op die manier door te zetten. “Als ze zich nou misdroegen, zou ik zeggen: opsluiten die hap. Maar ze doen het heel aardig.”

Niet Nix’-er Van Bruggen vindt het “jammer” dat afschaffing van de monarchie “zo’n taboe” is, maar meent dat Nederland het met Willem Alexander – volgens hem “een oorspronkelijke geest die zelf keuzes maakt” – lang niet slecht heeft getroffen. Invoering van een republiek zou kapitaalvernietiging betekenen, meent scenarioschrijver Robert Alberdingk Thijm (31). “We hebben een goed functionerend koningshuis met filialen over het hele land. En als ze ermee ophouden, houden ze die paleizen toch.”

Een andere typisch ouderwetse zienswijze is de gedachte dat vrouwen op de troon meer aanhankelijkheid zouden opwekken dan mannen. Dat meent althans ‘niet Nix’-er Van Bruggen. “Dat is een gedachte van vijftigers en zestigers”.Een minder hiërarchische en minder botte stijl van besturen is volgens hem allang niet meer alleen voorbehouden aan vrouwen. “Ik acht Willem Alexander heel goed in staat om op een gevoelige manier leiding te geven”. Volgens het D66-Kamerlid Stephanie van Vliet (30) voelt Willem Alexander zich “helemaal niet thuis in een militair uniform” en hoeft niemand te vrezen voor een zich militaristisch gedragende koning. “De ultieme emancipatie zou natuurlijk zijn als hij zou zeggen: de vijfde werkdag houd ik vrij voor mijn kinderen. Prachtig zou ik dat vinden.”

“Het is juist goed als we een mannelijke monarch krijgen”, zegt Leendert Bikker (34), voorzitter van ‘Jong Management’ binnen het VNO/NCW en eigenaar van een communicatiebureau. “Zoals we lange tijd een vrouw hadden op de troon in wat overigens een mannentijdperk was, hebben we straks een vorst in een vrouwentijdperk. Het aantal vrouwen in topposities wordt snel groter. De eerste vrouwelijke premier is dichterbij dan je denkt.”

Veel leeftijdsgenoten herkennen zich in Willem Alexander omdat hij sociaal bewogen lijkt zonder er onwrikbare overtuigingen op na te houden, en geniet van het leven zonder zich ervoor te schamen. “Het siert hem dat hij van veel dingen geniet en anderen daarbij betrekt zoals vorig jaar bij de Olympische Spelen in Atlanta”, zegt Bikker. “Reken maar dat zijn voorgangers ook wisten te genieten, alleen deden zij dat achter gesloten deuren.” “Wij zijn geen hemelbestormers”, zegt regisseur Eddy ter Stal, “maar we onderschrijven wel een liberale levenshouding en daar leven we naar. Door zich in het leven te storten, te hossen en achter de vrouwen aan te zitten, kan Willem Alexander ons vlaggenschip zijn.” Jong Management-voorzitter Bikker noemt de symboolfunctie van het koningshuis, juist in een tijd dat de samenleving steeds diverser wordt, zeer belangrijk. “Willem Alexander is de ikoon van onze generatie, en daarmee een bindend element.”

De ondervraagden vinden het jammer dat weinig bekend is over de opvattingen van de prins. Hij wordt angstvallig door zijn moeder en de Rijksvoorlichtingsdienst afgeschermd, vinden ze. “Het is allemaal zo verkrampt”, klaagt hoofdredacteur Kelder. Bij modern koningschap hoort op zijn minst openheid, vindt historicus Abeling. “Ik vind het een schande dat professor Wesseling (bij wie Willem Alexander is afgestudeerd, red.) gewoon de kast op slot doet waar zijn afstudeerscriptie ligt. In Engeland verschijnen de brieven van Victoria in boekvorm. Nou, daar hoef je hier niet om te komen.”

En dat terwijl de opvattingen van de kroonprins bij zijn generatiegenoten juist zo goed in de smaak lijken te vallen. ‘Niet Nix’-er Van Bruggen meent dat zelfs de behoudende opmerking van de kroonprins dat trouwen beter is dan samenwonen, veel jongeren aansprak omdat zij relaties volgens hem serieuzer nemen dan hun ouders, die in de jaren zestig en zeventig massaal zijn gescheiden. Kamerlid Van Vliet vermoedt dat de kroonprins die opmerking vooral maakte om zijn moeder een plezier te doen, maar waardeert wel dat hij zei dat hij mensen die wèl samenwonen niet veroordeelt. “Dat laatste – anderen niet veroordelen – vind ik typisch iets van onze generatie.” Ook met de opvatting van de kroonprins dat de 5 mei-viering beter kan worden afgeschaft, kon Van Vliet zich identificeren. “Wie de oorlog niet heeft meegemaakt, herdenkt 4 mei, maar 5 mei? Dat feest hebben we toch al bij koninginnedag gehad?”

De monarchie is toe aan vernieuwing, menen de leeftijdgenoten van de prins. De vorst moet minder achter de schermen konkelen met ministers, meer tijd besteden aan grote nationale evenementen (Elfstedentocht, voetbal) en aan p.r. in het buitenland. Daarnaast moet modern koningschap volgens bestuursadviseur Philippe Brood geestelijk leiderschap bieden. De monarch moet in het openbaar praten over fundamentele waarden in plaats van heimelijk te bepalen welke partijen in de regering komen, vindt hij. Bemoeienis met de kabinetsformatie en de troonrede moeten verdwijnen. “Beatrix is wat dat betreft ouderwets. Er gaan teveel geruchten dat zij zich bemoeit met de besluitvorming van het kabinet.”

De toekomstige koning zou zich meer moeten kunnen mengen in maatschappelijke discussies zonder dat politici daar meteen schande over spreken, meent ook hoofdredacteur Kelder. De koning zou “eén van de opinionleaders” moeten zijn, met te weinig bestuurlijke invloed om zijn opvattingen aan het landsbestuur op te kunnen dringen. Als het aan Kamerlid Van Vliet ligt, maakt Willem Alexander, eenmaal koning, geen deel meer uit van de regering.

Ook zou de monarchie goed werk moeten doen voor Nederland in het buitenland. Michiel Frackers (28), eigenaar van een bedrijf dat amusement aanbiedt op Internet, noemt het koningschap “vooral een kwestie van veel over de wereld reizen en Nederland een goede naam bezorgen.” “Beatrix zou bijvoorbeeld nu naar China moeten reizen, niet om over mensenrechten te onderhandelen, maar gewoon, om er te zijn. Dat is ook goed voor de handel, want handelen is gunnen, zeg ik altijd. Daarvoor moet vertrouwen zijn. Een koning kan dat scheppen.”

De monarchie is uit de tijd, maar de generatiegenoten van de kroonprins vinden dat het instituut nog altijd een mooi sprookje oplevert en waarom zou je, zegt hoofdredacteur Kelder, “entertainment afschaffen waarvoor we met z’n allen op de eerste rang willen zitten?” “Hij zou moeten trouwen met topmodel Karen Mulder. Dàt zou nog eens goed zijn voor de Nederlandse export.”

Hossende kroonprins is een verademing na zakelijke jaren

Kees Versteegh; Kees Versteegh is redacteur van NRC HANDELSBLAD.

artikel | Dinsdag 13-08-1996 | Sectie: Overig | Pagina: 7

Het uitbundige gedrag van kroonprins Willem-Alexander op de Olympische Spelen in Atlanta heeft veel kritiek uitgelokt. Feestelijk hossen zou een troonopvolger niet passen. Dat valt nog te bezien, vindt Kees Versteegh. Na het zakelijke perfectionisme van Beatrix kan de vrolijkheid van Willem-Alexander de band tussen burger en koningshuis juist verstevigen.

De rust rond Willem-Alexander van Oranje is enigszins weergekeerd. Trok de kroonprins drie weken lang een spoor van kussen, omhelzingen en vreugdedansen over de Olympische velden van Atlanta, vorige week hield de beschermheer van het Nederlands Olympisch Comité zich op de achtergrond bij de inhuldiging van de medaillewinnaars in Den Haag. Zonder veel media-aandacht opende hij vlak voor zijn vertrek naar Nederland het tehuis in Warm Springs, Georgia, waar meer dan honderd Nederlandse atleten zich voorbereiden op de Paralympics, de Olympische Spelen voor gehandicapte sporters.

Staatssecretaris Terpstra was er bij. De bewindsvrouwe voor sport ontpopte zich in Amerika als een ware pr-vrouw voor de prins. Ook in Warm Springs was ze enthousiast over het kroonprinselijk optreden. Het betoog van Willem-Alexander om de Paralympics evenveel status en aandacht te geven als de Olympische spelen had haar hart gestolen. “Hij heeft met de Nederlandse ploeg in Atlanta staan dollen”, aldus de staatssecretaris, “maar met zijn rede hier in Warm Springs liet hij zich van de andere kant zien. Hier stond een echte koning.”

Dat laatste hadden nog maar weinigen bedacht. Integendeel, de overmaat aan discussie in de media over het uitbundig gedrag van de prins in Atlanta wekte eerder de indruk dat Nederland nog lange tijd nodig heeft om te wennen aan de stijl van de troonopvolger, als dat al lukken zal. De meeste perscommentaren op de ‘aanstellerij van prins carnaval’ met pet op het hoofd, champagnefles in de hand en korte broek rond het middel, waren afwijzend.

Het hoofdartikel van deze krant van afgelopen vrijdag toonde zich kritisch over het feit dat de kroonprins met zijn gedrag een discussie over de koninklijke waardigheid had opgeroepen. Elsevier leek te suggereren dat de monarchie na een troonsopvolging op instorten staat. Het weekblad beschreef Alexanders voorkeur voor de korte pantalon als een “daad van ontbinding”. Alsof de bermuda alsnog zou kunnen bewerkstelligen wat republikeinse sans culottes nooit is gelukt. En zelfs de roddelbladen – toch meestal trouwe Oranjefans – bleken de protocollaire vergrijpen van de prins zwaar op de maag te zijn gevallen.

Dat de eerste troonopvolger van het huis van Oranje een imagoprobleem heeft is al langer duidelijk. De negatieve commentaren op de voorliefde van Willem-Alexander voor de duik-, race- en vliegsport, de talloze toespelingen op zijn indrukwekkende lichamelijke omvang, ze zijn allemaal niet van vandaag of gisteren. Een wetenschappelijk bedoeld werk over de geschiedenis van het Nederlandse koningshuis van de hand van de historicus Joris Abeling, begon dan ook met de stelling dat “een periode van weinig verrassende middelmaat in het verschiet ligt”. Immers: “De troonopvolger is een voormalig corpslid met de culturele bagage van de gemiddelde Boeing-piloot, een even minzame als nietszeggende jongeman, wiens grootste interesse […] het besturen van sportvliegtuigen is.”

Even aangenomen dat deze observatie de kroonprins (en Boeing-piloten) recht doet, is het de vraag of dit allemaal zo erg is. Het is een hardnekkig misverstand dat de aanwezigheid van culturele bagage en/of intellectuele diepgang noodzakelijke kwalificaties vormen voor een succesvolle uitoefening van het ambt van staatshoofd. Ronald Reagan heeft in de jaren tachtig nog eens overtuigend het ongelijk van die stelling aangetoond. De voormalige filmacteur moest jarenlang vernemen dat hij geen verstand van ballet had. Inmiddels geldt hij als de meest invloedrijke president van de laatste twintig jaar omdat hij de Amerikaanse democratie, aangeslagen door het debacle van Vietnam en het schandaal van Watergate, nieuw zelfvertrouwen schonk.

Het grootste probleem van de Nederlandse democratie lijkt te zijn dat het landsbestuur steeds ondoorzichtiger wordt en de politiek technocratischer. Dat ontneemt grote delen van de bevolking de mogelijkheid om zich met datzelfde landsbestuur te identificeren. In het parlement zijn de onderste lagen nauwelijks vertegenwoordigd. De taal die in Den Haag wordt gebezigd is niet meer de hunne. Met hun belangen wordt steeds minder rekening gehouden.

De kroonprins moet voorkomen dat met al te opzichtig gedrag discussies over zijn persoon ontstaan, zoals het hoofdartikel van deze krant terecht stelde. Toch zou op den duur een emotionelere inkleuring van het koningschap, waarvan Willem-Alexander in Atlanta een voorproefje gaf, een nieuwe brug kunnen slaan tussen volk en bestuur. Lijfelijke aanwezigheid bij grote sportevenementen en andere volksfeesten kan soms meer aanhankelijkheid wekken dan recepties achteraf met thee en spa-water op Huis ten Bosch. Het denkend deel der natie, dat zich nu thuis voelt bij de intellectuele maar tevens vrij zakelijke en wat emotieloze uitstraling van de huidige vorstin, zal zo’n benadering wellicht afwijzen. Maar als de belangen en de taal van gewone mensen steeds minder tot de top van de democratie doordringen, kan het geen kwaad als hun emoties daar wel een plek vinden.

Er is nog een andere reden om Willem-Alexanders gedrag niet meteen af te doen als een gevaar voor de monarchie. Als de voortekenen niet bedriegen zal de politieke omgeving waarin dit instituut de laatste eeuw heeft gefunctioneerd, de komende decennia aanzienlijk veranderen. Indien de liberale opmars voortgaat, is het aannemelijk dat de monarchie op haar laatste restjes politieke invloed moet interen. De liberale leider Bolkestein heeft zich enkele keren kritisch uitgelaten over de politieke interventies van de majesteit tijdens bijvoorbeeld kabinetsformaties. Met zijn afstandelijke houding tegenover de monarchie staat hij in een negentiende-eeuwse liberale traditie.

Een en ander zal het instituut monarchie nopen tot een herbezinning op zijn functie: minder politiek en bestuurlijk, meer ceremonieel en ritueel. Willem-Alexanders a-politieke instelling past bij zo’n functieverandering. Zijn goede verhouding met vrolijke liberalen als Hans Dijkstal, Erica Terpstra en Annemarie Jorritsma – nogal eens genoemd als mogelijk opvolgster van Bolkestein – is daarbij alleen maar meegenomen.