De Bloem van Phil

De Bloem van Phil

fotograaf: Frank Viergever

DE BLOEM VAN PHIL

Serge van Duijnhoven

gedichten bij de opening van de overzichtstentoonstelling van Phil Bloom

in de Willem 3 – Oranjestraat 4 – Vlissingen

14 maart 2010

Phil BLOOM

Zondag 14 maart wordt om 15.00 uur een overzichtstentoonstelling met werk van Phil Bloom van 1985 tot heden geopend door de Vlaamse schrijver, dichter en historicus Serge van Duijnhoven.

Van Duijnhoven, ondermeer bekend van het tijdschrift MilleniuM, stichting kunstgroep Lage landen en frontman van het muzikale gezelschap Dichters Dansen Niet, voert de bezoekers langs de werken van Phil Bloom.

Door een niet geplande ingrijpende renovatie van de tentoonstellingsruimten heeft de expositie een aangepaste vorm gekregen die wonderwel goed past binnen het werk van Bloom. In 1996 toonde Phil Bloom een serie werken uit ‘The War Paintings’ in de kelder en het waterreservoir van de Watertoren in Oost Souburg. Ook hier werd het werk een bijna logisch deel van de rudimentaire ruimten.

Een terugblik op deze tentoonstelling was mede de aanleiding deze dynamische kunstenaar, die november 2010 haar 65e verjaardag viert, in haar studio in Antwerpen op te zoeken en uit te nodigen voor een soloshow in Vlissingen.

Naast zwartgrijze schilderijen zijn er schilderijen met kleurrijke taferelen. Ze verbeelden een bizarre sprookjeswereld, waarin Disney even gemakkelijk wordt gecombineerd met de Hindoe mythologie als de klassieke onderwerpen uit de schilderkunst met die van de hedendaagse.

Zo zien we Mickey Mouse met menselijke trekjes, symbool van een westers idee van relativiteit en ‘veramerikanisering’ van onze cultuur, de herten als oersymbool van mythologie en jacht en in barokke stijl geschilderde figuren, geflankeerd door robotachtige.

© Serge van Duijnhoven, Kandelaarsstraat 23, B1000 Brussel

Wat voor landschap is dit eigenlijk

die pennenstreken van gelaagd allooi

het handschrift van een aangeschoten prooi

wie jager is en wie het wild

wie zal het zeggen – Phil niet

zij baart in beelden waarin men

zo men wil, slechts zien kan

als een blindeman die hoort:

Bloom’s harteklop

Adem in adem. Een lichaam schuift

over de ander als een hand

over een hals. Het duwt

ons tegen ons bewustzijn aan

alsof het was gewild

stapelt het zich op uit verf en aarde

tot een beeld dat rond ons allen sluit

geschouderd en bevlekt

onhandig knielend aan een witte huid

beschrijft het onze talen in

een dialect van tederheid

het is juist in spraakgebrek

dat het ware spreken aan kan breken

het is juist in mist dat gestalten

het leven in kunnen stappen

verbijsterd, grijpend naar een grens

het nulpunt van het zijn

elk gebaar heeft waarde

in haar beelden zit haar leven

je bent niets meer dan het komen en gaan”

en alle dingen bestaan naast, met en dankzij elkaar”

Dit uitgemergelde gevoel. Het verslijt ons

heftig als een dood. Als duisternis die neerhurkt

op onze schouders. De weg die voert

van onschuld naar beklemming

is kort en hevig en beweegt nog amper

verder dan zichzelf. Tegen de keer

tegen het keerpunt aan der dingen

Zij heeft van alles niets gewild

en zelfs dat niet. Gewild.

Zij heeft haar totemdieren

nooit gevild. Zij kwamen tot haar

zij niet tot hen. Voor hen is zij

het wilde dier dat nooit getemd

het lichaam dat zij toont

slaat weg en blijft weerbarstig

in schamele beweging

plooiend naar de gang van zaken

overdekt met wat ons onderscheidt

met wat zich op ons spant

als huid op bot, als linnen op hout

verwondering werd hiernaar vernoemd

die ooit als ruiter op haar adem reed

maar nu een vloek is uit duizenden

in de zinnen van koortsige herinnering

en neerduwt. En verbleekt.

En breekt.

De dagen vallen uit zichzelf uiteen

in nachten, merries herten mensen

van bedenkelijk allooi. Alles lijkt verdraaid

en opgelost in onraad. Slechts bedrog

geeft aan wat zich aan ons opdringt

en zich eindeloos herhaalt.

Vernedering groeit uit tot weerzin

en begeerte tot gemis

dat telkens weer wat groter is

het verlangen houdt stand

een hertje dat eet uit onze hand

haar lichaam geeft vorm aan de mythe

de mythen baren verhalen

verhalen raadsels – raadsels

schimmen die zich eindeloos

vertakken als schimmels

songlines, timelines, lifelines

kom maar op Phil met die reddingsboei

in die penseelstreek van het avondrood

de zondvloed is nakend, en al wat ons

in het brandende water nog nader

tot de lippen – zoeken we op in staat van jacht

een jacht naar de ultieme orde die ons eindelijk verraadt

de regelmaat, de wetten van het evenwicht

en van verval. De wonderbaarlijke bloei

van een Bloom op deze magistrale

stinkende vaalt

Ook dit is schoonheid: aan de grens

van elk gevoel gekomen bedenkt zij zichzelf

beladen en gelaten knielend

op het stof van werelden die zich in elkaar

verplaatsen en wervelen als tornado’s

in de Tijd. Haar nagels ingekleurd

haar naaktheid ademend

doorheen de vormen die zij aanneemt

Phil’s lijnen, zanglijnen, tijdlijnen

liefdeslijnen, levenslijnen

stotterlijnen, stamellijnen

beeldlijnen, woordlijnen

kleurlijnen, geurlijnen

schimmels en sporen

beeld in beeld, woord in woord

vorm in vorm, worm in worm

kleur in kleur, geur in geur

pop in winter, knop in bloem

de aanblik van bloed – het geluid van ijzer

op blik, de textuur van ruw linnen

de vlagen van een verleden

de kadavergeur van strakgespannen

leed. Van erf en erfenis

knie- en zondeval. Alle kabinetten

zijn naar huis gestuurd

een enkel personage rust nog op een

hoekig lichaam, op zichzelf

op de kus die is gespaard, het antwoord

waarvoor we ons hoeden

het verwijt dat ieder van ons verzwijgt

Vroeg of laat ben je wat je wil zijn:

geen ruimte meer. Een schaduw

van een wezen. Een schakering

in het duister. Magenta, arduin, een abstractie

van het kruim van het kruim

een levenslijn die op het canvas

met ruwe hand is weggestreken

een schaduw in de lange kloostergangen

van een katholieke middelbare school

je bent verbaasd dat jij dit bent

die schaduw. Dat de schilderkunst

je hiertoe heeft geleid. Je siddert

en beseft voor het eerst

de slagkracht van je onschuld

je kunt alleen vermoeden

wat er verder op je wacht

Alice die verstrikt raakt

in de nauwe gangen van de nacht

En we blijven met een mond vol stilte

en we blijven met een hart van goud

en we blijven met een krans van bloemen

en we blijven met een kromme staf van hout

het landschap op het canvas ruikt naar alsem

naar wierook en Disney, naar het Oosten ook

en naar verlies. We meren aan bij al die doeken

voor even maar. Besprenkel ons met deernis

Phil. Met deernes, merries, Morpheus’

engelen en monsters. Lever ons het vaak

voor onze dromen. Leer ons ontwaken

kijken wedervaren. Leer ons de kunst

van het afleren. Herinner ons de staat

van symmetrie, van traagheid en omhelzing

glij langs de muur van Mene Tekel

oncijfer al de seinen van de angst

sluit deze ruimte af en leer ons weer

te horen hoe de stilte op de stilte

is gehuisvest. Hoe de ruimte

zwanger is van ruimte. Hoe slurven

door de tijd heen tetteren. En hoe

Minnie Mickey naait met een

angeschnalltes dilldo

Phil’s adem valt als duisternis

over ons voorhoofd. Neerwaarts

kruipt de huiver zich een weg

als het zuur dat bijt in onze huid

hoezeer ook al die kleur en

niettegenstaande alle frivoliteit

hoe wijs ook die oneindigheid

niettegenstaande de veelvuldigheid

van Walt en Hindu en de curieuze

mélange van de pariteit

Phil’s adem blaast ons als een hitte-

vlaag in het gezicht. Het overvalt

ons. Voel hoe het als een koorts-

aanval weer uit ons wegtrekt

sluit je ogen. Open je sluiter

snuif met je snater, lach met een schater

spiedt door het spleetje

van het Pythia-achtige wezen

dat Phil Bloom heet

en bespeur het gebrek

aan verschil tussen

voelen en weten

tussen zien en vermoeden

tussen slim zijn en blind zijn

tussen wees zijn

en wezen

Van alle dingen en van alles

onttrekt zij zich aan zichzelf het meest

verstrakkend in een myriade

aan maskers – zelfportretten

van een onwereldse geest

haar zwijgzaamheid, haar ongeloof

haar vurigheid:

niets

dan lijnen op doek

olie op linnen. Vingers

op zoek naar ziel en naar vormen

wezens, naakt en woekerend

zij heeft ze weggekrabd

uit het verleden

naar ons heden toe

waarna de lucht ineengrijpt

als voorheen. Hijs het doek

dat over deze doeken hangt!

ontwaar het landschap

waaruit dit ontstond

gebogen als een heester

waaruit zij bloeit en voortduurt

geaderd en vervuld

voltooid

onder de scherpe vormen

van haar verwondering

haar vreemde, vreemdeling

en wees zijn

een bloem die

ook na 65 winters

verrassend

bloeiend

blijft

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s