Over de auteur en zijn werk II

Financieel Dagblad & Algemeen Dagblad

Poëzie buiten het boekje

over Bloedtest van Serge van Duijnhoven

door Thomas Vaessens

verbaasd door het verkleinwoord
(‘denk je wel aan ‘t condoompje?’)
bekeek ik haar, mlle. mosquito
een muggenbeet op haar vanille vel
voor ik me met haar overgaf
aan de wisselingen van gedaante
de zinderingen van gemoed
de sidderingen van het bloed

‘in het praktisch liefdeslab’ (fragment)

Serge van Duijnhoven behoort tot een soort schrijvers waarvan er niet overdreven veel zijn in Nederland. Uit alles wat hij doet en maakt, blijkt zijn grote verlangen als geëngageerd schrijver met de neus op de ontwikkelingen van vandaag te zitten. Dit verlangen uit zich zowel in de inhoud als in de vorm. Inhoudelijk past de term ‘geëngageerd’ op zijn schrijverschap. In 1999 verscheen zijn verzameling reportages Balkan. Wij noemen het rozen. Van Duijnhoven schreef niet alleen over het door oorlog geteisterde ‘duistere hart van Europa’, hij was er ook: als journalist voor verschillende media zocht hij de Bosnikrs, Kroaten, Albanezen en Macedonikrs ook daadwerkelijk op.

Bij de verslaglegging van zijn betrokkenheid bij de actualiteit laat Van Duijnhoven zich aan de traditionele vormbeperkingen van de literatuur weinig gelegen liggen. Als multimediaal kunstenaar
probeert hij de grenzen tussen genres en stijlen te laten vervagen. Zo is hij een actief pleitbezorger voor de podiumpoezie. Wie dacht dat er niets nieuws gebeurt in de poezie, kreeg een paar jaar geleden
van hem te horen dat hij stekeblind was of de verkeerde kant uit keek: ‘Het nieuwe duikt niet op waar je het bekende ziet’, schreef hij. ‘Het rukt op van andere, onverwachte kanten. Voor nieuwe geluiden kun je de boeken beter terzijde leggen en de stad ingaan.’
Dat Van Duijnhoven hier in het vuur van de strijd tegen het poetisch conservatisme natuurlijk enigszins overdrijft, wordt nog maar weer eens duidelijk in zijn nieuwe bundel, die onlangs verscheen:
Bloedtest. Hoezeer de poezie tegenwoordig ook buiten het boekje is gegaan, Bloedtest is toch weer een bundeltje gedrukt papier met keurig op elke bladzijde een nieuw gedicht. Toch is het vooral de
bijgeleverde cd die de aandacht trekt. Zestien gedichten, waarvan de meeste ook in de bundel staan, worden door de dichter voorgedragen. Componist Fred de Backer maakte er muziek bij.

Van Duijnhoven experimenteerde eerder met voordracht-op-muziek (hij maakte, samen met verschillende anderen, de cd’s Eindhalte Fantoomstad en Orbiit in Orbit), maar de bij Bloedtest horende cd Küsskrott!!! is zonder meer de beste tot nu toe. Het is een overtuigende afrekening met het schaamteloze amateurisme dat de performances van dichters vaak aankleeft (niets zo gjnant als die dichter die op de Nacht van de Pokzie opeens meent te moeten gaan rappen). Van Duijnhoven swingt echt, hij doet niet alleen alsof. En de musici die hem begeleiden weten wat het is om een nummer in elkaar te zetten. Hier zijn vakmensen aan het werk, die de cd niet als grappig extraatje bij de bundel zien, maar als voldragen product. De nummers zijn opgenomen, gemixt en gemasterd in een professionele omgeving, ook in dat opzicht zijn geen concessies gedaan. Als je de gebaande paden van de poezie verlaten wil, zo moet Van Duijnhoven gedacht hebben, dan moet je het ook goed doen.
Een voor de hand liggende vraag is natuurlijk of de poezie die op de cd zo overtuigend tot leven wordt gebracht, het op papier ook uithoudt. Ik heb nogal met deze vraag geworsteld, omdat ik in eerste
instantie geneigd ben er een kritisch antwoord op te geven. Nee, op papier overtuigt Van Duijnhoven minder dan op de cd. In de eerste plaats lijden veel van zijn gedichten aan de kwaal dat ze iets beweren willen. Dat het deze gekngageerde dichter ernst is, dat zagen we al, maar ernst hoeft natuurlijk niet altijd in geredeneer en gefilosofeer te verzanden. In pokzie zijn zulke zaken zelfs meestal dodelijk. Quasi-wijsgerige regels als ‘alleen door anderen krijgen we / idee van ons karakter’ of ‘weemoed is het braakland / tussen leedvermaak en zelfverwijt’ wekken de indruk dat zelfs deze eenentwintigste-eeuwse dichter de hoogromantische verleiding niet heeft kunnen weerstaan pokzie als een hogere vorm van Waarheid te zien.

Het ziet er op papier allemaal opeens een stuk minder nieuw uit dan je zou verwachten op basis van de met zoveel elan gebrachte vernieuwingsretoriek van deze dichter. Traditionele beelden worden zeker niet geschuwd, zoals in het gedicht dat hierbij is afgedrukt – de liefdesdaad voorgesteld als zinderende, sidderende gedaanteverwisseling: het is niet de meest oorspronkelijke beeldspraak .

Maar tegelijkertijd heb ik het gevoel dat het te gemakkelijk is in Bloedtest de dingen aan te wijzen die in het licht van de literaire traditie misschien minder nieuw zijn dan de hippe presence van deze dubbele uitgave ons wil doen geloven. Natuurlijk vindt ook deze dichter in sommige opzichten het wiel weer opnieuw uit. Toch is de overheersende indruk die zijn nieuwe werk maakt een andere. Wie de vaak nogal bescheiden Nederlandse schrijvers van dit moment een beetje volgt, kan niet anders dan gelukkig zijn met iemand als Van Duijnhoven. Hij engageert zich met de wereld van jongeren van vandaag en hij durft tenminste te beweren dat er in zijn werk iets nieuws gebeurt. Misschien niet in Bloedtest, maar dan toch in Küsskrott!!! klinkt een zonder meer interessante, want naar serieuze poetische verwerking van het alleractueelste strevende, stem. Een klein beetje onbeholpenheid en doorgedreven bombast op papier vergeef je zo’n prettig ambitieuze dichter met het grootste plezier.

Bloedtest – boek met cd (Küsskrott!!!)

Serge van Duijnhoven, Bezige Bij, euro 17,50

Copyright (c) 2003 Het Financieel Dagblad.

Auteur(s): Thomas Vaessens, Artikelvolgorde: 90, Paginanummer: 24, Paginanaam: Boeken Uitgave: Het Financieele Dagblad(HFD) Descriptoren: literatuur(015), Trefwoorden: boekbespreking, Recensie

Publicatiedatum recensie: 12/4/2003

Alain Delmotte, in het tijdschrift Dighter voorjaar 2004:

BIJ ‘BLOEDTEST’ VAN SERGE VAN DUIJNHOVEN

Serge van Duijnhoven is geboren in Oss (Noord Brabant, Nederland) in
1970. Hij vloog vrij vroeg het huis uit richting Verenigde Staten waar
hij psychologie en dergelijke dingen studeerde. Maar zijn wegen
brachten hem ook elders. Ondermeer in Bosnië. Een ervaring die hem
wellicht tekende, want in zijn gedichten refereert hij er vaak naar.
Hij debuteerde in 1988 maar de doorbraak kwam er halfweg de jaren
negentig met de house-roman ‘Dichters dansen niet’ (wat meteen de naam
werd van een collectief, bestaande uit enkele muzikanten, een kineast
en Van Duijnhoven zelf) en de dichtbundel ‘Copycat’. Zijn recentste
werk bundelde hij in ‘Bloedtest’ en was ongetwijfeld een van de meest
opvallende poëziepublicaties van het voorbije jaar (2003).

Van Duijnhoven oogt bijzonder mediatiek. Fotootjes doen ons een trendy
boy vermoeden. Hij profileert zichzelf een beetje als een ongeschoren
‘schelm’, een sexy ‘enfant terrible’, een potentiële ‘poète maudit’. Op
het eerste zicht zou je denken: ‘héla dat wordt gewoon maar een
ééndagsvlieg.’ Je haalt je schouders wat op bij het ‘fenomeen’ – je
voelt je er te oud voor. Maar als je aandachtiger, zonder vooroordelen
en ‘forever young’, de bundel leest en ‘beluistert’ (er hoort een
muziek-cd bij), ga je anders denken. Inderdaad: als Van Duijnhoven zich
laat voordoen als ‘een nieuwe Rimbaud’ dan is dat een reklametruukje en
zegt in wezen niets over de ware motieven van Van Duijnhovens werk. Om
Rimbaud te zijn, of liever, om een icoon als Rimbaud te zijn (tenslotte
wie heeft ten gronde de dichter van ‘Une saison en enfer’ en
‘Illuminations’ gelezen en begrepen) is deze jongeman eigenlijk al te
oud. Hoe het ook zij: dat mediatieke moet je er echt bijnemen en er als
lezer het jouwe over denken.

Strikt genomen is Van Duijnhoven in de kern een zwarte romanticus. Hij
schrijft eeuwenoude poëzie. (En dit is geen verwijt maar een
vaststelling). Alleen doet hij dat in een hedendaagse vorm (of
vermomming) en met hedendaagse middelen. (In de spektakel- en
entertainmentsfeer. Wint hij daar lezers mee?).

Van Duijnhoven hoereert een heel klein beetje; zoals alle dichters,
zoals alle poëzielezers dwepen met het woord. Hij houdt zich namelijk

bezig met één van de oudste beroepen in – of is het ‘van’ – de wereld:

spreken, zingen, verzinnen. Woorden vinden, absolute metaforen zoeken

bezwerende formules voor het ongemak van het bestaan die hardop

moeten worden uitgesproken. Waar ligt de grens tussen spreken en zingen,

bezingen en betoveren, bezeren en bezweren? Er kan veel verstilling steken

in een schreeuw. Er kan veel ‘monddood’ blijven steken in het spreken.

Hij portretteert de dichter als een ontheemde, als een banneling, als
een ‘vervreemdeling’, een enkeling zonder papieren – maar wel met een
ongepubliceerde, onpubliceerbare dichtbundel op zak, en op zwaai in het
‘Waste land’ van een sophisticated high-postmodernistische wereld. We
zijn met z’n allen lotgenoten van die einzelganger… ‘on est tous des etrangers’

zo luidt de cruciale regel in het gedicht ‘Met behoud van huis’.

Ja, in de bundel ‘Bloedtest’ staan gedichten vol existentiële nausea,
paronoia en moira.  In deze bundel wordt een wereld geanalyseerd die
letterlijk en figuurlijk uit de bol gaat en op springen staat. Gedichten

geschreven met de dreun van de zwartgalligheid: een harde bas, een scheur in de bast.
Maar onderhuids en echt onderhuids hoor je iemand snakken naar warmte, tederheid,
lieve woordjes, momenten van geluk, zaligheid, paradisium. Een broze jongen, Van
Duijnhoven-tje.

Echt het soort poëzie dat thuishoort in een eeuw waar vliegtuigen
doorheen gigantische torens razen, live op televisie: je moet het zien,
je moet het horen, je moet het je laten durven zeggen. Een wereld die
dus wel wat verschilt met die van nog niet zo lang geleden. Formeel
gesproken, welteverstaan, in de schijn. Inhoudelijk leven we nog volop
in de negentiende eeuw. We leven in een tijdperk dat dialectiek links
laat liggen. Een wereld met steeds minder verschillen. Een wereld die
in potentie geen verschillen meer duldt (waar zal dat eindigen, waar
gaan we naartoe, moedertje?). Misschien wordt dit het wel: een wereld
zonder verschil, zonder gezicht, zonder stem, globaal op maat gesneden
van de onverbiddelijke wetten van vraag en aanbod. Als een leuk
perspectief ervaar ik dit niet (het is maar mijn bescheiden mening).
Tot nader order lijkt me dit wel de zin van poëzie te zijn vandaag: een
gevecht om het verschil. Een dichter droomt taal. Een dichter droomt
een bijzondere taal. Linguïstische idiosyncrasie.‘Een taal zonder
grammatica’  roept Van  Duijnhoven uit. Een taal die louter expressief
zou zijn, meerduidig gelaagd, lichamelijk en cerebraal, objectief en
subjectief, materieel en sentimenteel. Welke middelen hij hiervoor
gebruikt doet er eigenlijk weinig toe. Elburg: ‘Er moet niets in de
poëzie. Je moet je wel steeds afvragen of de poëzie iets wil.’ Oraliteit?

Varieteit? Intensiteit? Het weerbarstige stemgeluid van Van Duijnhoven

die zich bij zijn performances – net als bij deze uitgave via een cd (‘Kueskrott!’) –

bij voorkeur laat begeleiden door zijn gezelschap ‘Dichters dansen niet’,

is onmiskenbaar een teken van vitaliteit. Dichten is stem geven

aan het onzegbare, klank geven aan het onhoorbare, ritme geven

aan het ondefinieerbare, maat geven aan het ondansbare.

Meer en meer krijgt deze poëzie een soort profetisch, zelfs
kosmisch-spiritueel karakter (vandaar het o.m. het orale, het quasi
sakrale – zij het dat dit aspect in zijn vorige bundel ‘Obiit in orbit’
sterker tot uiting kwam). Hier is een ‘poetas vates’ aan het woord. In
het Da capo bij zijn bundel schrijft hij het zo: ‘Wij dienen ons in
alle ernst, in alle gedrevenheid, zo radicaal mogelijk te onttrekken
aan het ‘klassieke’ aardse leven. Dan, en alleen dan kunnen we
beginnen… (blz 99)’. Het brengt hem in de omgeving van beat-dichters
zoals Allen Ginsberg, die hij in een vorige bundel expliciet citeerde.

In al zijn fragmentatie schrijft Van Duijnhoven een extraverte poëzie
waarin onuitgesproken rebellie de middelpunt vliedende kracht is. Wie
beweert dat deze poëzie een hype wil zijn of worden door er filmpjes
bij te projecteren en er een techno beat bij te laten klinken, heeft
het verkeerd voor. Deze gedichten gaan dieper. Er is sprake van een
bindend organisch geheel. Het is geen cabaret van de te korte bocht,

waarin zoveel performers blijven steken. Deze dichter is op zoek naar hedendaagse
invullingen voor eeuwenoude rituelen. Deze poëzie is een ‘rite de
passage’, een teder en wreed schouwtoneel, ‘theâtre de la cruauté’.

Een loutering die ons niet echt reinigt, veeleer bezoedelt (wat ons dan weer

aan Lucebert doet denken). Een neurotische dans om zelfbehoud.

Dichters dansen niet? Charels Olson wist beter: ‘Poetry is dancing sitting down’.

Bloedtest

dichtbundel met CD

Met gedichten over begeerte, illusies, en de eeuwige zoektocht naar geborgenheid. Ontheemdheid, emigratie, liefde, vriendschap, voorspoed, tegenslag en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie.

Op de bijgesloten cd ‘Kueskrott!’ wisselen meeslepende muziek, sferische collages en klankexperimenten elkaar af, waarbij de stem van de dichter wordt begeleid door de accordeon, hoorn, doedelzak, cello, piano en contrabas van het gezelschap Dichters Dansen Niet – Fred de Backer, Gabriel Kousbroek, Bosz de Kler, Antonia Libert, Ali Haurand e.a. Ook Hugo Claus verleende aan dit album zijn medewerking en is op de cd te beluisteren met bewerkte stemfragmenten uit Het graf van Pernath.

Extra informatie: ingenaaid, 104 pagina’s Verschenen: maart 2003

Gewicht: 180 gram Formaat: 200 x 150 x 10 mm De Bezige Bij

Prijs Euro 19.50

Obiit in Orbit; aan het andere einde van de nacht

dichtbundel met CD

Extra informatie: Ingenaaid – Met illustraties en stickers
Verschenen: 1999 (1) augustus 2002 (2)
Gewicht: 240 gram , Formaat: 243 x 172 x 10 mm
De Bezige Bij , Prijs Euro 22.46


‘We leven in een calvinistische cultuur. Wat geschreven wordt, is heilig verklaard, en dat heeft ervoor gezorgd dat het gesproken of gezongen woord in de verdrukking is gekomen. Die tweedeling tussen het orale en het geschrevene bestaat al eeuwen. Het is voor mij net alsof je een artificiële scheiding maakt tussen lichaam en geest.’

  • interview met de auteur in HP/De Tijd 1999

http://www.zohelptpoezie.be/2004/12/16/zumi-pop-serge-van-duijnhoven/ :

Zumi Pop (Serge van Duijnhoven)

Published by Peter on December 16, 2004 in Uncategorized.

‘Jij wordt mijn dood’ had ze gefluisterd
ik zei: ‘zeg dat niet’
maar vond het het mooiste wat iemand mij ooit had gezegd
een tatoeage van kattenogen op haar schouder
Zumi Pop. Ze volgde lessen op de politieacademie
maar ik had nog nooit iemand ontmoet
die er zoveel drugs doorheen kon halen als zij
ze had de pillen uit mijn keel gezogen
de coke uit mijn neus gelikt

‘ben je van Mediterrane afkomst?’
‘wat zeg je dat chique. Ja,
ik ben van Mediterrane afkomst
een afstammeling van Julius Caesar
ik ben een krab uit de zee
speciaal voor jou aan land gekropen
van je trip-trip knipperdeknip
kom hier met die ET-oortjes van je
dan zet ik er mijn scharen in’
‘zet die buitenboord motor van je dan eens aan
Caesar! Varen, man, varen. Volle kracht
de Mediterranee af, aiwiwfowwow’

ergens was ze nog, leefde ze nog, liep ze nog
tripte ze nog. Ergens zoog ze iemand af
dat meisje, dat meisje. Ze klopte, klopte, klopte
op de binnenwand van mijn ziel

‘jij wordt mijn dood’

zing! dans Zumi Pop
alsof je morgen Zumi Pop
in de vroege ochtend
sterven moest

Serge van Duijnhoven – portret van een schrijver

voor “Zinnenbeelden/Viermomenten”

door Bertram Westera, 2009

‘Mijn vader stierf na een ontluisterend ziekbed. Tot het laatst ontkende hij zijn ziekte Alsof hij daarmee het lot kon keren. Waar die angst vandaan kwam? “De dood is vast niet slechter dan het leven”, luidt de boeddhistische wijsheid, maar dat is een schrale troost. Angst voor de dood bestaat niet zomaar. Er staat teveel, ook veel moois, op het spel om je mak als een lammetje af te laten voeren. En dan hoor je mensen over ‘energie die niet verloren gaat’ of ‘ voortleven in de herinnering’, maar ik denk dat het na de laatste ademtocht toch vrij gauw zwart wordt.’

‘In de jaren negentig was ik correspondent in Sarajevo. Ik zag de hulpeloosheid van het Europa van de eenwording bij de aanblik van het Europa van de bloedige verbrokkeling. Op deze manier, op deze plek zelfs, had Europa zich in ’14-’18 ook uiteen laten scheuren. Vandaar volgens mij die verlamming, die onmacht om in te grijpen. We werden herinnerd aan alles wat we hadden willen vergeten.’

‘ De Macedonische aartsbisschop Mihael Gogov Metodija vertelde me ooit een parabel over de verhoudingen tussen de Balkanvolkeren. Over waarom God de aarde verliet. Toen God nog op aarde woonde, zwierf Hij eens in de winter door de bergen. De avond viel, met sneeuw en storm, en God en klopte aan bij een kleine boerderij. De boer die opendeed, gaf God te eten en te drinken en stookte de kachel op. God was de boer dankbaar en stond hem toe een wens te doen. “Maar,” zei God, “alles wat je wenst, ontvangt je buurman in tweevoud. Wens je een baar goud, dan krijgt je buurman er twee. Wens je vier zonen, dan krijgt je buurman er acht.” De boer wist zo snel niet wat hij moest wensen. Hij wilde niet dat zijn buurman er beter van werd dan hijzelf. Hij stelde voor eerst te gaan slapen en God in de ochtend te vertellen wat hij wenste. ’s Ochtends vroeg God hem of hij wist wat hij wenste. “Ja,” zei de man. “Ik wil dat U mij een oog uitneemt.” Hierover was God zo verbolgen, dat Hij niet langer onder de mensen wilde blijven.’

‘Mihael overleed in 1999. Hoewel hij kerkleider was, werd hij in anonimiteit begraven. De geestelijkheid vond dat hij had gefaald in het nastreven van kerkelijke belangen. Voorzover zijn zachtmoedigheid al werd gewaardeerd, gunde niemand hem daarvoor enige eer. Net als in die parabel van hem. En dat kun je kwalijk vinden, maar laten we eerlijk zijn: deugden zijn luxe-beginselen. Ze bloeien in een beschermd en bevoorrecht leven. Niet waar mensen worden bedreigd in hun bestaan. Daar gaat het om overleven, en dan is er niet altijd plaats voor ethiek.‘

‘Geloof en kerkelijkheid hebben vele gezichten. Die van Mihael en degenen die hem een waardig afscheid misgunden, zijn er twee van. Godsdienst was geen oorzaak van de gruwelen in de Balkanoorlogen, maar heeft ook niet verzoenend kunnen werken.’

INTERVIEW BRABANTS DAGBLAD

Serge van Duijnhoven is stadsfilosoof geweest namens het Museum Jan Cunen in Oss. In die hoedanigheid schreef hij verhalen, gedichten en een boek over zijn geboortestad (Brabantse Gezangen 2004). Hij hoort tot de “Helden van Oss”, samen met Harry de Winter, Jan Marijnissen, Maaike Widdershoven, Marc van Hintum en Wim Vos. Deze week verscheen zijn nieuwe prozaboek “De zomer die nog komen moest” (Nieuw Amsterdam), waarin de schrijver opnieuw terugkeert naar zijn Noord-Brabantse wortels.

door Arthur van Amerongen, 12 mei 2007

“Oss is mijn bakermat, de onvolmaakte plaats die mij heeft gevormd tot wie ik ben. De plek van iemands jeugd is onaanraakbaar voor de verwoestende werking van de tijd. Ik woonde van mijn geboorte tot mijn zeventiende levensjaar onder de rook van Ossfloor en Diosynth, aan het uiterste zuidrandje van de Zeeheldenwijk. In de jaren zestig van de twintigste eeuw had mijn vader daar een stuk heidegrond aangeschaft aan de rafelrand van de stad. Hij had een plek op de hei uitgetekend, letterlijk, en bouwde daar een dassenburcht met vele terrassen, kloven, dakkapellen en 20 vertrekken, tot aan zijn dood is hij blijven bouwen.

Aan de andere kant van de heide lag de Blotekontenwijk waar Jan Marijnissen woonde. Tegenover ons woonde nog een koppig keuterboertje met twee koeien en een ezel. De man verdomde het te wijken voor de industriële ambities van zijn buren die hun chemische vaten leeggoten op zijn akker. We hadden een buurman, Marinus de Reuver, die maakte deel uit van de Bende van Oss, omdat hij een aantal mensen vermoordde zat hij meer dan dertig jaar vast in Groningen. Hij kon niet aan de bak komen toen hij vrij kwam. Een oom van mij heeft hem toen een baantje gegegeven als groundsman bij de tennisclub TOZ. Hij moest het gravel verzorgen. Hij stroopte als een gek en hij gebruikte de tennisbanen om zijn vallen te zetten. In de ochtend ging ik dan tennissen en onze Dunlop-ballen zaten dan helemaal onder het bloed omdat de stroper die hazen ter plekke van de inwanden had ontdaan. Hij kwam bij ons thuis en vertelde dan de prachtigste verhalen. “Toe Marinus, vertel nog eens over vroeger”, zei mijn moeder dan.
Vroeger stonden op de Vorstengrafdonck Jan Koerknap en de andere mansers, mandenmakers en schillenboeren met hun door paarden voortgetrokken plaatwagens. Kinderen liepen na de les geregeld helemaal de Willibrordusweg af om de bruine beer te zien die Jan de woonwagenman er hield in een kooi. Gekocht van een zigeuner uit Bosnië die er als berenleider de kermissen mee was afgelopen tot hij besloot terug te keren naar de Balkan. Voor een stuiver liet Koerknap zijn beer dansen achter zijn wagen, door het dier met een pook hard in z’n vacht te prikken terwijl hij riep: ‘Allee vort, Martin, moak ’s een dansje, moak ’s een dansje’. Als het gemuilkorfde beest moeizaam overeind kwam maakte hij zacht grommend een paar schuifelpasjes in de rondte. De muziek waarop de halfblinde beer moest dansen bestond uit het gerammel van zijn ijzeren kettingen.

Mijn vader kwam van een boerderij in Odiliapeel, op de grens tussen Brabant en Limburg, mijn grootvader ploegde nog met paarden. Braks, de latere minister van landsbouw, was zijn buurman. Pa kreeg een baan in Oss als directeur van het waterleidingbedrijf. Hij kon zich snel aanpassen in Oss, sprak de taal van de Brabanders. Mijn vader heeft aan de basis gestaan van de Groene beweging van Oss. Hij sloot een akkoord met de SP tegen het lozen van het chemisch afval van Organon en Diosynth in de Osse grond. Vader wist een en ander van het milieu want moest de hele tijd boeren tot de orde roepen die met hun mest het grondwater vervuilden. Naast ons huis in Oss-Zuid stonden naast eerder genoemde fabrieken ook nog eens Ossfloor, Bergoss, Diosynth, Thomassen en Drijver, een blikjesfabriek. De fabrieken hadden allemaal enorme schoorstenen en op op dagen in het najaar woeien de giftige dampen gewoon ons huis binnen. De dampen van de tapijtfabrieken waren het smerigst want die gebruiken aceton als stikmiddel om de zachte onderkanten van de tapijten te fabriceren. Die gifwolken waaiden dan de slaapkamer van mijn vader binnen. Volgens mijn moeder heeft hij daarom een hersentumor gekregen. Jan Marijnissen woonde en woont letterlijk tussen Ossfloor en Organon in, in een rijtjeshuis. In zijn gevecht tegen de gifspuiters kwam hij mijn vader tegen want die zorgde als directeur van de waterleidingmaatschappij voor de kwaliteit van het grondwater. Marijnissen heeft wel eens tegen mij gezegd dat mijn vader deugde, ook al deed hij allerlei dingen die de arbeiders zich niet konden permitteren, zoals wintersport. Hij durfde te kiezen voor de goede zaak, ook al dupeerde hij dan de rijke lieden waar mijn moeder zo hoog mee opliep. Mijn moeder heeft zich nooit thuis gevoeld in Oss. Dat “dorp” vond ze altijd een verschrikking. Ze kwam uit de Vughterstraat in Den Bosch en het liefst wilde ze weer in de stad wonen. De Ossenaren vond ze maar platte mensen die niets te melden hadden, Niet Ons Soort Mensen. Zodra mijn vader dood was heeft ze het huis verkocht. Toen hij op sterven lag kwamen er al mensen ons huis bezichtigen.

Oss is een oude, geladen plek vol weerbarstige ironie, de bakermat van het Brabantse katholicisme. Tegelijkertijd is het de stad waar Organon in de jaren vijftig en zestig, voor het eerst in Europa, de pil ontwikkelde. De katholieke kerk is en was fel tegen de pil maar het waren de nonnetjes van Heeswijk Dinther die de pil verpakte, met toestemming van Monseigneur Deckers. In Hilvarenbeek noemen ze dat ruilen en tuitelen.

Brabant is literair gezien vruchtbare grond. Het is een goede voedingsbodem voor mensen die een gevoel hebben voor het cerebrale. Brabanders hebben een scherp ontwikkeld gevoel voor dingen die voorbij gaan en die moeten blijven, de ceremonies die daarbij komen kijken zoals carnaval en huwelijksfeesten, plus het familiale. Die katholieken hebben allemaal grote families gehad vroeger. En elke familie heeft familieverhalen te vertellen. Als je uit een gezin komt met maar een kind, dan heb je natuurlijk minder verhalen te vertellen dan wanneer je, zoals in het geval van mijn moeder, uit een gezin met zestien kinderen komt. En in het geval van mijn vader met zeven kinderen. Dat levert bij familiereunies alleen al twee volle bussen op met ooms en tantes, neven en nichten en kinderen. Ik merkte bij een familiereunie van mijn moeder onlangs, toen ze hertrouwde met een gepensioneerde notaris uit Tilburg, dat er nog zoveel verhalen zijn om te vertellen. En waarvoor het slim zou zijn om die op te tekenen voor het te laat is. Enfin, dat is het unieke aan Brabant volgens mij. Dat warme, katholieke, familiale en cerebrale.

Mensen die terugkeren naar hun geboorteplaats om te ontdekken dat cruciale plekken verdwenen zijn, opgegaan in nieuwe woonblokken, onherkenbaar verminkt, kijken in een wrede maar eerlijke spiegel. De dingen om ons heen veranderen zoals wij zelf veranderen. De wijken van de jeugd zullen in de geest blijven bestaan in een bedrieglijke ongeschondenheid. Ze zijn als het gelaat van Dorian Gray: altijd even jong. In ieder geval hoef ik in Oss niet bang te zijn door schoonheid te worden misleid. Het schone is verschalkt door de lompe, hongerige ‘moel’ van een stad die zich duidelijk geen raad weet met haar verleden.

Andere steden zijn puinhopen na bombardementen. Oss heeft geen oorlog nodig, integendeel, vredestijd is meer bevorderlijk voor dat rusteloze vreten aan zichzelf. Oss is een stad die zich onophoudelijk vernielt. Haar kern is keer op keer verwoest en omgeploegd of van de grond af aan weer opgebouwd door naar het centrum getrokken boeren die meenden dat de toekomst in de stad hen meer vrucht op zou leveren dan het ploeteren op de zanderige heidegrond. Platgebrand is ze door naburige Gelrenaren, en later door de stadsbewoners zelf die er zo de pest uit wilden drijven. En overstroomd is ze gedurende een heel millennium bijna jaarlijks, met bruin water en slijk, tot er in de jaren dertig van de twintigste eeuw in de Maas sluizen werden gebouwd en een stuw werd aangelegd. Verpletterd is haar ambachtelijke, pittoreske houten centrum door de stoomwals van de industriële revolutie. De boterwaag, de Graafse Poort, de patriciërswoningen, de oude kerken en kloosterhoven; hun resten zijn nog slechts als vergruisd of verteerd fundament, als as en scherven, te vinden in de grond. Zelfs het alom geroemde industriële erfgoed, zoals het antieke spoorwegstation – ‘een snoepje’ zoals moeder het witte gebouw met de parmantige houten zuiltjes op de perrons noemde – en diverse bakstenen fabrieken met imposante gevels en grote gietijzeren boogramen, werden zonder omhaal tegen de vlakte geslagen.

Ieder bouwwerk dat de schaduw van het verleden bij zich droeg of zweemde naar grandeur, is als misbaksel het nest uitgewerkt, en per afvalcontainer gedumpt in een van de vele vergeet-, gif- en bouwputten die het Osse gemeenteterritorium afbakenen sinds het verdwijnen van de stadswallen en poorten. Alles wat het stadshart honderd jaar geleden nog te bieden had aan markante en historische gebouwen, is in de twintigste eeuw van de kaart geveegd. Wat rest zijn bakstenen arbeidershuizen, woonerven, nieuwbouwwijken, de karkassen van fabrieken en schoorstenen die ook allemaal binnen afzienbare tijd weer zullen worden neergehaald met springstof, sloperskogels en bulldozers.

Ik kwam midden jaren negentig terug uit Sarajevo, en ik heb toen de gok gewaagd om me te vestigen in Belgie. Ik wilde altijd al in Brussel wonen. In mijn debuut, Het paleis van de slaap, uit 1993, staat een gedicht waarin ik erover droom om als Brusselaar door het leven te mogen gaan. Die droom heb ik verwezenlijkt. Als schrijver kun je overal wonen, je moet de plek alleen tot je nieuwe huis maken. Ik woon hier in de Marollen, een plek waar ik me uitermate op mijn gemak voel. Wat vroeger de Pijp was in Amsterdam, dat is de Marollen voor Brussel en wat in Oss de “Blotekontenwijk” was, de Zeeheldenwijk. De Marolliens spreken hun eigen Brusselse dialect, een oud soort Brabants vermengd met Franse en Vlaamse woorden. In het Marollien heet de Hoogstraat de Huugstroet, de Liedjesgang heet de Leekesgang, cabaret-bar Het warm water heet in dialect Het woarm wuuter. Daar klinkt bijna het accent van mijn grootvader uit De Peel in door. Er is veel ellende in de binnenstad, Brussel is een van de armste metropolen van Europa. Maar er is hier ook veel sfeer en gemoedelijkheid, zoals je die ook in Oss en Brabant altijd had. Er wordt heel wat afgelachen en gehuild in de cafe’s, waar de klanten vaak met hun werkeloosheids-uitkering de drankjes afbetalen. Er heerst een soort omarmend gevoel, een gevoel dat je erbij hoort. Wat voor een loser je ook bent.

In het begin heb ik de Vlamingen misschien wat verheerlijkt,omdat ik dacht dat ze exotischer waren dan Nederlanders. Daar heb ik mij echter in vergist. Uiteindelijk blijken de Vlamingen nog veel vrekkiger, gereserveerder, bekrompener, burgerlijker en beschetener dan de gemiddelde Nederlander. Dat heb ik proefondervindelijk kunnen vaststellen in cafe Kafka, waar ik soms op avonden na acht uur werk maar twintig cent fooi van alle Vlaamse klanten samen heb mogen ontvangen. En waar je als barman met Hollands accent dan wel de hele tijd op de Hollandse vrekkigheid werd aangesproken. En elke cent werd uitgeteld, dus als je per ongeluk drie cent te weinig terug gaf werd daar een hels punt van gemaakt. Als je een pintje tapte met iets teveel schuim zeverde de Vlaming dat er minder bier in zijn glas geserveerd kreeg. Ik was voor de zurige Vlaamse clientele daar “diene gierige Hollander”. Mijn Hollandse klanten zorden als enigen voor de fooien.

Een Vlaming zal zich altijd een tekort gedane Nederlander voelen, of een tekort gedane Duitser. Zoals een Waal zich altijd een gemankeerde Fransman zal blijven voelen. Alleen de Brusselaars ontsnappen aan deze armetierige dans der gebreken. De Brusselaars staan op zich. Zij zijn een surrealistisch, anarchistisch volk van een stadsstaat die de hoofdstad van Europa is, en tegelijkertijd van een volk dat niet echt bestaat: de Belgen.

Laatst moest ik een lezing geven voor de internationale schrijversvereniging PEN in Antwerpen, over de vraag of je eerder in een land leeft of in een taal. Mijn stelling was dat ik gewoon in een stad leef. Een tijdje geleden lieten ze me op het gemeentehuis weten dat ik binnenkort een keuze zou moeten maken tussen het Belgische en het Nederlandse staatsburgerschap omdat ik tien jaar in België woon. Ik denk dat ik Nederlander zal blijven omdat ik daar geboren ben, nog altijd langer heb gewoond en ook nog familie heb. Maar als er een paspoort voor Brusselaars bestond dan zou ik dat zeker nemen. Ik ben hier volkomen op mijn gemak en voel me hier meer thuis dan in Nederland of waar dan ook in de wereld. Met de Nederlandse accordeonist en fotograaf Bosz de Kler, die heel veel van Brussel houdt, wil ik ook een fotoboek maken dat “Eén Brussel met bruis, twee Brussels met liefde” moet gaan heten. Dat meervoud “Brussels” verwijst naar de Engelse naam van Brussel, maar slaat natuurlijk ook op het feit dat het zo’n gediversifieerde stad is. Wat de taal betreft kan ik je wel vertellen dat het toch moeilijk is om met een Noord-Nederlands accent aan de bak te komen. Zo probeerde ik om filmrecensent te worden bij de VRT-radio. Mijn praatjes waren mooi, maar “ik klonk te Hollands”, zeiden ze. En dat was ‘niet racistische bedoeld’. Ik vraag me af hoe het dan wel bedoeld was. Te Hollands, om dat als Brabander nog mee te mogen maken!

De zomer die nog komen moest

Serge van Duijnhoven

Uitgeverij Nieuw Amsterdam

paperback € 16,50
ISBN 978 90 468 0212 0

Jungske

Jungske toch, jungske

weet ge wel hoe vaak

ik het buikske van uw moeder

tot spiegel heb gewreven

nog voordat gij

geboren waart

mijn en uw gelaat

in haar lichaam

heb ontwaard?

Jungske toch, jungske

weet gij nu gij ook

in de leeftijd zijt

hoe liefde na het lentelicht

van kleur verbleekt

gelijk schoonheid

van een bloem waarvan

opeens de stengel

breekt?

Jungske toch, jungske

haar lief te hebben

was mijn straf. Genoeg!

geen kruis, geen graf

ik haat het voorjaar

en de bloemen door de

tijd te wit geverfd –

maar het rotste getijde

jungske, blijft de zomer

want dat is als een verlangen

dat nooit sterft

uit: De zomer die nog komen moest

GELOOF – HOOP – LIEFDE

serie interviews met bekende Brabanders in het Brabants Dagblad

deze week: Serge van Duijnhoven

Serge van Duijnhoven is schrijver, dichter en historicus. Hij is geboren en getogen in Oss.

Serge van Duijnhoven (39) merkt dat mensen soms onwerkelijk hoge eisen stellen aan hun geliefde. “Waarom toch? Van je katten verlang je toch ook vooral dat ze bij je zijn. Je geliefdes aanwezigheid op zich zou al genoeg moeten zijn om gelukkig te zijn.”

Waar geloof je in?

“In Tijd. Zonder Tijd zou er niets zijn. Er is ooit een begin geweest, dat kan niet anders. En van daaruit was het de Tijd die gezorgd heeft voor het leven in kosmische zin. Je zou het ook natuur kunnen noemen. Ik geloof in het hier en nu. Ik denk niet dat iets of iemand alles stuurt, ik geloof in toevalligheden.”

Wat weet je van de liefde?

“Liefde is het licht dat altijd moet schijnen, want zonder dat licht is er geen leven. Toch is liefde vaak beperkt, een liefdesrelatie kan zomaar eindigen omdat de ander niet meer van je houdt. Mensen zijn soms zo veeleisend in de liefde, terwijl je van je katten toch ook alleen maar verlangt dat ze bij je zijn. Leken menselijke relaties hier maar wat meer op, dan was het een stuk makkelijker.”

Hoe sta je tegenover de liefde?

“Het is een bron van gelukzaligheid en een bron van ellende. Ondanks dat ik ook verdriet in de liefde ken, houd ik van de liefde. Het kan mensen bij elkaar brengen, zodat je niet alleen hoeft te leven. Eenzaamheid vind ik het ergste dat er is. Maar wie denkt dat de ander hem gelukkig moet maken en er zelf niets voor hoeft te doen, die heeft het niet goed begrepen.”

Wat leert de liefde je?

“Het houdt me een spiegel voor. Door de liefde leer ik mijn eigen grenzen kennen en word ik geconfronteerd met mijn eigen falen. In de ogen van de verliefde is de geliefde een engel. Tot je samenleeft en ook andere kantjes in elkaar ontdekt. Je blijft oplopen tegen de gebreken van jezelf en de ander. Maar als je deze beperkingen leert accepteren, dan is dat mooi. Liefde hoeft niet perfect te zijn.”

Wat is je belangrijkste drijfveer?

“De hang naar vrijheid. Ieder mens is bij zijn geboorte al geketend aan het leven, zijn genen en zijn ouders. Mooi als je die ketens van je af kunt schudden. Liefde kan je hierbij helpen. Het weet je van dagelijkse beslommeringen los te maken en het kan je zelfs voor een moment in een tijdloze extase brengen tijdens het liefdesspel. Dan zijn er voor even geen ketens meer.”

Wat betekent spiritualiteit voor jou?

“Het inspireert mij als ik mensen meemaak die luchtig doch scherp in het leven staan, respectvol en hoffelijk. Casanova was zo iemand. Ik heb een hekel aan gedweep met een hogere kracht. Ik denk dat de mens dit bedacht heeft als een aanlokkelijk dwaallicht om te kunnen omgaan met het onverklaarbare.”

Wat vind je bijzondere plekjes in Oss?

“De Vorstengrafdonck, een mythische plek waar ik als kind vaak ging spelen. En de Maria van de Osse hei. Zij is ’s avonds verlicht terwijl ze haar gevleugelde engelenarmen uitstrekt. En de watertoren. Als kind klom ik samen met mijn vader vaak naar boven om Oss vanuit de hemel te aanschouwen.”
Welke ervaring maakte het meeste indruk op je?

“Een auto-ongeluk in Hongarije, nu ruim tien jaar geleden. Mijn allerbeste vriend Joris en ik werden geschept door een dronken spookrijder. Joris is daarbij op 26-jarige leeftijd om het leven gekomen. Deze gebeurtenis heeft me getekend en gevormd. Ik was een behoorlijk hoogmoedig en pedant ventje, dat is er toch wel vanaf gegaan. En het wegkwijnen van mijn vader aan een hersentumor. Afschuwelijk vond ik het om hem zo te zien lijden.”

Wat maakt je gelukkig?

“Mooie muziek, bergen, bij mijn geliefde zijn, goede seks, mijn katten. Ik ben gelukkig als mijn dierbaren het zijn. Ik kan genieten van een goede maaltijd, maar vooral van hechte en intense vriendschappen. Die zijn voor mij bijna een voorwaarde om gelukkig te zijn.”

Wat geeft je houvast?

“Mijn thuis. Hier kom ik tot rust kom, van hieruit kan ik werken. Hier heb ik alles bij de hand, mijn boeken, mijn muziek. Hier kan ik lekker nadenken en schrijven. Ook het hebben van een geliefde geeft me houvast.”

Waar hoop je op?

“Op een lang leven zonder ziekte. Op een leven waarin ik de ongenoegens van het ouder worden zoveel mogelijk kan beperken. Op mooie zomers. En natuurlijk op de vrijheid, die ik nooit helemaal zal kunnen bereiken. Zodra dat wel gebeurt, ben ik er niet meer.”

tekst Jeanette van Haasen foto ………………………….

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s