Katje min, katje weer

enige overdenkingen bij een notitie van A.F.Th.:
« wij doden de tijd, de tijd doodt ons . Gelijk oversteken…»

Als de mens al ergens een bewijs van is, dan is het wel van zijn onmacht om iets wezenlijks te bereiken in het licht van de naderende dood… Tegen zijn vriend Freddy de Vree verkondigde de even bewonderde als gevreesde romancier W.F. Hermans ooit: ‘Men zegt wel, het leven is een labyrint, in die zin dat het leven zou bestaan uit een zeer moeilijke som, waar je uiteindelijk bij de oplossing moet geraken. Maar in het centrum van dat labyrint, daar is naar mijn mening niks… niks… de juwelen van zo’n labyrint vindt men onderweg, soms aan de periferie, niet in de kern. Dat is wezenlijk voor het menselijk leven.’

RILBIBBER

Misschien geldt dit existentialistische principe ook ten aanzien van wat wij zo zoetgevooisd plegen te omschrijven als ‘de liefdesdaad’, meer specifiek het hengsten en kezen en wippen en rammen en doorboren of doorboord worden tot men erbij neervalt of leegloopt of doodbloedt – of in ieder geval tot men een climax bereikt of orgasme beleeft en de lust en ‘rilbibber’1 in ons lijf voor even weet te bezweren . Het galopperen richting de eindspurt van bevrediging en metastase, betreft een tamelijk primaire en egocentrische bezigheid (zoals eten of slapen), waar de mens behalve tegemoet te komen aan een van zijn levensbehoeften toch nog een uitermate gecompliceerd en electrisch geladen intrige van verleiding, vervulling en misleiding (‘spel van naald en draad’) van heeft weten te maken.
De dwaal- en omwegen die we op onze verknipte en verneukeratieve strooptochten in het biologische liefdestraject afleggen, zijn menigmaal spannender en verrassender dan de plompe geestelijke en lichamelijke verrichtingen die recht op het doel afgaan en er allicht in slagen de sexuele onrust voor even tot bedaren te brengen. Dekhengst of dichter, tankgirl of bakvis – tijdens onze dwaaltochten in de liefde vervullen we allemaal een ambivalente rol: die van jager en opgejaagd wild. Ook de meest vrijpostige exploten van de foeragerende mens die op zoek is naar een prooi om te verschalken, gedragen zich alsof ze ergens voor op de vlucht zijn. Jakkeren voort alsof niet zij de geexalteerde rovers zijn, maar de onzichtbare vijanden die hen op de hielen zitten. Alsof niet zij de boel op stang jagen, als wel een stalker die een stinkende bries in hun nekvel blaast. Aan het gehijg en gekreun kan men afleiden dat de schoft die hen hardnekkig lastigvalt en besluipt, vlakbij moet zijn – of wellicht al bezit van hen heeft genomen.


Als het genot is binnengehaald en het ooft op de velden is platgemaaid of kaalgeplukt zoals bij de augustusoogst – neemt een leegte bezit zowel van de minnaars als van de ruimte. De hitsige cq. hectische keten van ‘actie en reactie’ mondt uit in een vacuum dat door de orgiastische mens merkwaardig genoeg niet als leegte of gemis wordt ervaren. Zelfs niet als een ongemak of ergernis. Verre van. Het vacuum dat op ieder hoogtepunt volgt – zoals na een keer uitademen de longen onvermijdelijk weer beginnen met het inademen van verse lucht – vervult de verzadigde minnaar met een loom gevoel van welbehagen. Het gevoel van een volle maag. Merkwaardig, aangezien hij zich zojuist van een bijzonder energierijke hoeveelheid zaad heeft ontdaan.
Het vacuüm dat volgt op het orgasme, stolt in de tollende cementmolen van de bloedbaan onvermijdelijk tot een stroperige brei van welbehagen, loomheid en voldoening. Een uitermate bedwelmende, verslavende en indoctrinerende cocktail van primaire sensaties die, hoe kortstondig het hoogtepunt ook moge zijn, lichaam en geest een pesterig voorproefje lijken te willen bieden van het ‘moment buiten de tijd’, de belofte van het nec plus ultra die de profeten der verlossing waar ook ter wereld hun volgelingen voorspiegelen – een beetje zoals boeren hun ezels in beweging proberen te krijgen via de beroemde truc van de stok met de wortel die men voor de snoet van het muildier aan een touwtje laat bungelen. Ze hopen natuurlijk dat hun kwezeltjes net zo dom op de wortel af blijven happen, als de ezeltjes uit de overlevering. Tot de clerici de meute precies hebben waar ze haar hebben willen: voor de poorten van het paradijs, bij de ingang van het nirvana, het walhala, de hemel (of welke tolbrug de stalmeesters ook in petto hebben voor hun balkende zieltjes waarmee ze – gezeten op hun rug – de eeuwigheid tegemoet denken te kunnen sjokken).
Natuurlijk snakken de koppigsten ernaar het ongewenste gezelschap van hun ruggen te slingeren. Ook zullen ze het hartgrondig zat zijn om als leeghoofdige muildieren nog langer achter een stupide peen die op en neer danst aan een touwtje, aan te moeten hobbelen. No More Chains – Please!!! Of men nu gewag maakt van mensen, dieren of mensdieren, geen van allen heeft de plicht zich voor de kar te laten spannen van de valse slavendrijvers.

RUILHANDEL

Geen enkel wezen heeft een schuld groter om te lenigen dan het kapitaal van zijn bestaan. A.F.Th., de grote romancier, schrijft in zijn nauwgezette dagboeknotities die de Arbeiderspers in 2003 onder de titel Engelenplaque uitbracht in hun reeks Privédomein (d.d. 12 november 1998): ‘Het is de oudste vorm van ruilhandel: Wij doden de tijd, de tijd doodt ons. Gelijk oversteken…’

A.F.Th. geportretteerd door zijn inmiddels helaas overleden zoon Tonio

Zaken als de verlossing van de menselijke ziel of de voltrekking van het Laatste Oordeel, zullen Leenheer Tijd een rotzorg zijn. Op meededogen hoeft geen mens te rekenen. Maar tegelijkertijd zal deze oerkracht van de pachters op aarde nimmer meer opeisen dan Hem toekomt.. Geen enkel wezen heeft de morele of godsdienstige verplichting om zorg te dragen voor het lenigen van een schuld die groter is dan zijn bestaan vanwege de collectieve last der ‘erfzonde’. De Natuur kent geen goed of kwaad, slechts overwinnaars en verliezers. Zij die omkomen, zij die overleven.

Geen wezen hoeft bang te zijn dat hij de zegen van het paradijs mis zal lopen, als hij niet alle dagen bij wil dragen aan het uithakken en stapelen van stenen in de groeve van het strafkamp waar boven de poort geschreven staat: ‘Arbeit macht Frei’. Als hij insubordinaat is en recalcitrant en vastberaden genoeg om het werk neer te leggen en zich los te maken uit de maatschappij die net als in het dierenrijk haar ondergeschikten veroordeelt tot een levenslange dwangarbeid ten nutte van de alfa-baasjes. Het prikkeldraad rondom het kamp is onder stroom gezet met onze leugens over God en Orde en de economische heilsleren van Nut, Nijverheid en Vooruitgang.
Insubordinaat is degene die zich denkt te kunnen onttrekken aan de gangbare loop van de dingen en de orde van de Tijd. Op die manier is ook de liefdesdaad een daad van rebellie, omdat haar hoogtepunt zich afspeelt gedurende een moment suprême ‘buiten de tijd’. Wie eenmaal geproefd heeft van de geneugten die de ‘kleine dood’ (zoals Batailles het orgasme karakteristiek omschrijft) voor ons in petto heeft, weet diep van binnen dat hij eigenlijk niet meer anders wil. In hem knaagt voortdurend het verlangen om terug te keren naar de piekachtige plek in het bestaan ‘waar geen land meer achter ligt…’ De biologische bergtop van de metastase, zaligheid, stilstand van de tijd. Met deze ervaring voor ogen, wenst hij niet langer als de eerste de beste Zwartepiet achter de goedheiligman aan te hollen en sjokken. Zijn eisenpakket is simpel: hij wil niet meer zo onhandig hunkeren als een loopse teef of kwijlende hond, niet meer zo plompverloren worden blootgesteld aan de nukken en grillen van het weerspannige instinct. En ook wenst hij een flink part van zijn verantwoordelijkheid af te schudden als het gaat om de schaamte en schade die worden toegebracht aan leeftijdgenoten (en derden) die te maken krijgen met de perikels, speldeprikken en strapatsen van de kwelduivel Eros (de lustvolle en plagerige sater van Aphrodite). Hij wil, kortom, bestendiging van de toestand buiten de tijd, de toestand van extase, het ultieme, hij wil een zo efficient en extreem mogelijke verlenging van de toestand van ‘de kleine dood’.

‘Laat mij mogen hopen de ogenblikken opnieuw te beleven, waarin wij het geluk wisten vast te houden, zonder het aan illusies te ketenen, waarin wij de liefde de blinddoek van de ogen rukten en haar noodzaakten haar fakkel te laten schijnen over de verrukkingen waar zij jaloers op was.’
Choderlos de Laclos, Les liaisons dangereuses (Burggraaf de Valmont aan markiezin De Merteuil XV, Deel I)

Bevrijd de libertijnen, O ongenaakbare wulpse en wellustige Vrouwe van het Leven, van de last van het lichaam, van de ballast van het bewustzijn. Bevrijd hen van de tol van hard labeur en van de sleur van het bestaan. Laat hen de ervaring gewaar worden van volmaakte vrijheid, levitatie, ongenaakbaarheid. Een zegen die pas kan worden gegeven, als er een knetterende kortsluiting is ontstaan in het aaneengesloten circuit van zenuwbanen. Als de stroom uitvalt en het licht uitgaat, en het grote feest dan eindelijk een aanvang kan nemen omdat de vrijbuiters in spe pas in het pikdonker wis en waarachtig uit hun schulp durven kruipen. Bevrijd de libertijnen, Amors Schutsdame, jaag de bezem door hun jeukende leven (rigoureus, als betrof het stofmijt die men met een mattenklopper uit wat onfrisse kloffies dient te rammen). Geef de jankende honden en loopse teven de gezegende toestand terug van het allereerste orgasme, toen de opwinding hen heel even helemaal van de grond tilde en liet zweven. Geef hen het paradijs terug van de metastase dat ze als verguld in hun geheugen hebben gegrift. Laat hen de gunst van het magnifieke moment dat zich uitstrekt in de diepte en breedte van de tijd en de ruimte (secula seculorum!)!
(…)
Plezier, dat is de beloning die het lichaam zich bij stond en wijle mag getroosten, in ruil voor bewezen diensten aan moeder natuur… Het is het zoethoudertje van de baas die zijn beesten slim heeft afgericht. Het zijn de suikerklontjes voor het getrouw dravende paard. Het is het zondagse verzetje dat de mijndirecteur zijn kompels toestaat, na een week van gezwoeg en geploeter onder de grond. Het is de fooi die de filiaalmanager het winkelpersoneel laat opstrijken voor de uren, dagen, jaren dat ze de tent mee draaiende helpen houden. Het is het schamele knuffeldier onder de lakens, het prullarium van anderhalve cent waarmee de louche baas zijn klanten afscheept in zijn schietkraam op de kermis. Het is de spreekwoordelijke scheet in het netje, het kwakje zaligheid van drie en een kwart tel. Het is het kluitje waarmee uiteindelijk iedereen het riet in wordt gejaagd.
Van de natuur kunnen we het niet winnen, maar we kunnen wel een beetje plezier beleven aan de pokertafel waar de Tijd speelt voor croupier. (…)
Eens zullen ook onze lichamen aanspoelen, ergens aan de andere oever van deze rivier…

EMPEDOKLES

Een citaat dat zeker in het gouden kastje mag om er op ieder gewenst moment opnieuw en opnieuw naar te kijken, betreft voor mij een fragment van de Griekse filosoof Empedokles, over de tegengestelde oerkrachten in onze kosmos waartussen de elementaire flux van het leven in dit universum zich in eindeloze cycli pleegt voort te bewegen: Tweespalt en Liefde.
 

‘Nu eens komt alles door de liefde in eenheid tezamen, dan weer scheiden alle dingen zich van elkaar door de haat, die aan de strijd ten grondslag ligt. In zoverre op deze wijze het ene uit het vele ontstaat en uit de splitsing van het ene weer het vele voortkomt, ontstaan de dingen en hebben zij geen eeuwig leven. In zoverre hun voortdurende wisseling niet ophoudt, zijn zij eeuwig en bevinden zij zich in een ongestoorde en rustige kringloop.’
– Empedokles, Over de natuur 


  
Een diepe wijsheid even kompakt geformuleerd is als een universele natuurkundige formule. Een die behalve voor de kosmische krachten, beslist ook geldigheid heeft voor krachten op kleinere schaal. De onverzoenlijke machten waaraan ook wij mensen in ons alledaags bestaan vaak ten prooi zijn, het springtij waarin we – temidden  van de deining van de liefde en de golven van de haat, geregeld kopje onder gaan. De wisselwerking tussen het Een en het Al die Empedokles in vier verschillende elementen ontleedde (Aarde, lucht, water en vuur waren volgens Empedokles de vier wortels of elementen van alles. Het bijeenbrengen van de elementen door Liefde leidde tot het ontstaan van de levende wezens. Het sterven was de door Haat veroorzaakte scheiding.) vertaalt zich voor onze quasi-intelligente zoogdiersoort in een cyclisch laveren tussen de tegengestelde polen van geboorte en dood, liefde en haat, bloei en neergang, putrefactie en osmose. Heen en weer, heen en weer, als was onze geest niet meer dan de pendule van een driftig tikkende antieke staande klok. Empedokles’ fragment beslaat het ganse domein gaande van de liefde, zowel in spirituele als biologische zin; het verlangen naar harmonie en de drang tot voortplanting. Maar het beslaat ook het tegendeel: de wrok, de haat, de oorlog, strijdlust, vernietigingsdrang. De verzen van de filosoof beschrijven niet alleen de theoretische grondslagen voor de werking der elementen, ze bieden tevens inzicht in de gedragingen van de ruwe en rauwe cohorte van tweebenige primaten die met mes en vork heeft leren eten, en ook verder meent te moeten excelleren in de wedijver der private organismen. Geestdriftig houden de plaagdieren zich onledig met intriges, rumoer, slinkse of achterbakse handelingen, snode plannen, pesterijen, kuiperijen, wrede streken, bloeddorst, machtswellust. Het is in deze laatste context dat ik het citaat van Empedokles heb gebruikt als motto voorin mijn dichtbundel met cd Bloedtest (De Bezige Bij 2003):

Omslag Bloedtest (Dichters Dansen Niet, De Bezige Bij 2003)


 
“… ken ik de ziel niet
wil ik de ogen

ken ik de nek niet
wil ik de mond
 
wee wie ooit zinderend van ziel versmolt
wee wie ooit zoals de wereldzee verdroogde
 
schroomvallig geven we ons over
lopen met de ogen open in de val
 
drinken van het vocht
dat geen dorst lest
 
baden in de poel
die ons niet wast
 
niets is wat het lijkt
en niets blijft gelijk
 
de rivier niet die voorbijtrekt
noch het vleesnat in ons lijf
 
noch het water dat ons
nader tot de lippen
 
noch de hoop die
op de klippen slaat
 
de tederheid is ongenegen
de zuiverheid bevlekt zichzelf
 
en ook rechtschapenheid
liegt niet volmaakt
 
wat schoon is verloedert
wat rein is bederft
 
wat zoet is verbittert
wat goed is vergalt (…)”
 
(fragment uit het gedicht: “Luister en vink”, Bloedtest (De Bezige Bij 2003))
 
Empedokles (492-432 v. Chr.) leefde op Sicilië, in Agrigento. Zijn leven lang heeft de vulkaan de Etna in zijn blikveld gestaan, een stoere kegel met verweerde flanken waaruit vuurspranken laaiden. Op dat eiland werd Empedokles omringd door de elementen: het water van de zee, de lucht van het uitspansel, het vuur van de vulkaan en de vruchtbare aarde om hem heen. Omsloten door zoveel natuur, waar hij ook keek, waarheen hij ook ging, moest hij die natuur wel proberen te doorgronden. Hoe onstaat water? Waar komen de sterren in het uitspansel vandaan? Empedokles nam zich zijn geleerde leven te besluiten met een alchemistische meesterproeve van zijn geniale kunne; omdat hij wilde bewijzen dat zijn kennis niet slechts van menselijke maar bovenmenselijke aard was, trachtte hij zichzelf als een soort bovennatuurlijk wezen in rook te doen opgaan door zich met huid en haar in de vlammende krater te werpen. Een goddelijke verdwijntruc, die zijn effect niet miste. Helemaal spoorloos verdwijnen kon hij niet, want de vulkaan schijnt in een koppige bui Empedokles’ ijzeren sandaal weer uit te hebben gespuugd. God of geen god, geleerde of waanzinnige: Empedokles was vastbesloten terug te keren tot de elementen, die hem zijn filosofie hadden ingegeven. Hij wilde één worden met het hem omringende. De tijdloze majesteit van de natuur.
     Dat laatste is hem gelukt. Empedokles is in rook opgestegen tot het domein van de onsterfelijken. Ontbinding in factoren.
 
 
LEENHEER TIJD

ontbinding is accijns
die wordt geheven

op de tolweg van het Zijn
het is de opbrengst

die we af moeten staan
aan Leenheer Tijd

voor de plek die we innemen
op deze aarde

het is de pacht die we betalen
voor de duur van ons bestaan

(…)

Vroeg of laat komt de brute pachter van Heer Tijd zijn recht opeisen. Hij laadt ons lichaam op de mestkar, als aflossing voor de lening die wij bezitlozen bij Hem zijn aangegaan. Geen respijt. Alle rekeningen worden vereffend, alle interesten worden berekend en geincasseerd, alle leningen worden netjes terugbetaald, alle boeteclausules toegepast.
Ons lichaam geldt – samen met de ziel die erin huist – als onderpand. Als de lener in gebreke blijft, wordt zijn woonst verbeurd verklaard. Zijn lichaam per opbod verkocht aan de sjacheraar die handelt in verval, inboedels, erfenissen, pandjes, pakken, serviezen. De voddenman en schillenboer met zijn mestkar en laadwagen die naar lijken ruikt. De schroothandelaar die fortuin maakt met afgedankte karkassen, onttakelde lichamen, ontvliede zielen, gouden tanden, vullingen, rottend vlees, bedorven resten, slachtafval, knoken en knopen …

“Le temps est comme un sabre; si tu ne le piques pas, il t’attaque.”
– proverbe Arabe

Kon ik maar leven in het vacuum van de tijd
de klok stilzetten, de goede momenten laten duren

maar het leven kolkt verder en voorbij
zoals het vliedende water in de rivier

je kan de tijd niet beetpakken, je kunt hem niet vatten
als een kat bij de staart

zelfs niet bevatten, je kunt
hem hooguit loslaten

hoe krijgen we grip op de tijd?
Hoe leven we er IN en niet er NAAST?

hoe besturen we het schip
in plaats van erdoor te worden overvaren?

door ons nietig te maken, of juist zo groot en ijl
en ledig als de hemel die ons omringt?

vandaar dat wij ons zo nijver
door het leven voortbewegen

het is geen luxe- maar een halszaak; het heft is immer boven onze hoofden

geheven. Kop eraf voor wie zich
al te ledig, hoogmoedig of voorzichtig

opstelt. Wie de tijd niet zelf tegemoet treedt
komt onherroepelijk ten val

maar: hoelang kunnen we
dit universum een stap voor zijn?

wanneer breekt de analogie
tussen lichaam en geest

is de eenheid doorkliefd
door het tweespaltig zwaard?

het is en blijft een gevecht
op het scherpst van de snede

waarin ieder van ons
ongevraagd verzeild is geraakt…

‘ook dat wij leven was niet ónze keus’
het is te allen tijde eronder of erop

het podium, of de strop
wij doden de tijd, de tijd doodt ons

katje min, katje weer. Een
kwestie van gelijk oversteken

* Katje min, katje weer = een uitdrukking in het dialect van De Panne (kustgemeente in West-Vlaanderen), dat zoveel wil zeggen als “nu eens dit, dan weer dat…”

© Serge van Duijnhoven, Brussel 2010

Advertenties

Bij de dood van Tonio van der Heijden 15.06.1988 – 23.05.2010

De laatste dagen volstrekt van slag door het nieuws van de brute dood van Tonio, enige zoon van de schrijvers Adri van der Heijden (A.F.Th.) en Mirjam Rotenstreich. Tonio is vorig weekeinde terwijl hij op de fiets zat, na een feest in Paradiso te Amsterdam, geschept door een auto. Op de hoek Stadhouderskade – Hobbemastraat. Van half vijf ’s ochtends tot half vijf ’s middags hebben artsen gevochten voor zijn leven. Uit de operatiekamer is hij in het bijzijn van zijn ouders gestorven.

Tonio was ambitieus en stond midden in het leven, hij had net te kennen gegeven een Masters te willen halen (hij studeerde media-techniek aan de Universiteit en was bovendien fotograaf). Hij was hun enige zoon en laat hen kapot achter. In een brief die Adri aan vrienden rondstuurde, zat een foto, een zelfportret van Tonio, waarin hij zichzelf heeft gekleed en poseert als het beroemde portret van Oscar Wilde.

Tonio\’s Picture of Oscar Wilde

Tonio is geboren op 15 juni 1988, ik ben de baby destijds als zeventienjarige rakker die Adri adoreerde en als Ossisch schoolkrant-jochie ook nog trots mocht frequenterenen, gaan bezoeken in de Jacob Obrechtstraat in Amsterdam. Heb een zilveren lepeltje laten graveren met zijn naam erin. En het boek Tonio Kröger gekocht, van Thomas Mann – naar wie Mirjam haar zoon verkoos te vernoemen.
In Adri’s nauwgezette dagboeknotities die de Arbeiderspers in 2003 onder de titel Engelenplaque uitbracht in de reeks Privédomein (d.d. 12 november 1998), staat geschreven: ‘Het is de oudste vorm van ruilhandel: Wij doden de tijd, de tijd doodt ons. Gelijk oversteken…’ Zaken als de verlossing van de menselijke ziel of de voltrekking van het Laatste Oordeel,  zo suggereert A.F.Th., zullen Leenheer Tijd een rotzorg zijn. Op meededogen hoeft geen mens te rekenen. Maar tegelijkertijd zal deze oerkracht van de pachters op aarde nimmer meer opeisen dan Hem toekomt.. Geen enkel wezen heeft de morele of godsdienstige verplichting om zorg te dragen voor het lenigen van een schuld die groter is dan zijn bestaan vanwege de collectieve last der ‘erfzonde’. De Natuur kent geen goed of kwaad, slechts overwinnaars en verliezers. Zij die omkomen, zij die overleven…

In de krant werd bericht dat de chauffeur een 23 jarige jongeman was. Naar alle waarschijnlijkheid niet dronken. Het ene leven dat tegen het andere werd weggestreept. Het is allemaal niet te geloven. Hoe dit soort calamiteiten te duiden?

Ik herinner me wat dit betreft die pikdonkere, grimmige Western van Clint Eastwood: Unforgiven (1995). Op het moment dat Clint de soevereine sherrif Little Bill (Gene Hackman) eindelijk in het stof doet bijten, vraagt die laatste vertwijfeld: Why do I deserve this? Waarop Clint doodkalm antwoordt, vlak voor hij de trekker overhaalt: Deservance’s got nothing to do with it, Little Bill. Het is een heel gangbare, maar veel minder sublieme illusie dan die bv. op het filmfestival in Cannes – waar ik de afgelopen weken vertoefde – jaarlijks gevierd wordt: dat we in dit leven uiteindelijk allemaal kunnen of moeten krijgen wat we verdienen. Ben je mal.

Shakespeare biedt als immer troost. Weg ouwe albedil, dood, weerhoudt uw schimmen!

Moge Tonio van der Heijden – zoals de besten onder ons te vroeg vertrokken op zijn reis door de Tijd – rusten in Vrede. En moge Mirjam en Adri de kracht vinden om vanaf de bodem van dit verdriet, het verpletterende verlies van hun enige lieve zoon te
dragen. Etiam pro nobis…

Tonio fotografeert zichzelf als de artistieke fotograaf die hij was en verder wilde worden

 

 

Metafysica vanuit de magie Hoop vanuit de wanhoop

over “Biutiful”
de nieuwe film van Alejandro Gonzáles Iňárittu

door Serge van Duijnhoven

CANNES – Dat het soortelijk gewicht van vele Arthouse-films die dit jaar in Cannes vertoond werden, zwaarder is dan een flink aantal  spotters of belangenbehartigers van de entertainment-industrie lief is, dat is natuurlijk begrijpelijk. Ieder zijn belang, ieder zijn smaak, ieder zijn ding. Maar zonder respect voor de wetten der vertelkunst en goed geregisseerd vermaak, zou er ook voor voornoemde werken geen plek te vinden zijn geweest op het erepodium van het theater van de sublieme illusie dat hier aan de Croisette jaarlijks zijn tenten op mag komen zetten.

Hoe je het ook wendt of keert, veel films die op het 63ste filmfestival te zien zijn geweest, gingen ECHT ergens over. In de beste gevallen wisten ze hun relevantie nog te paren aan een poëtische, subtiele, gelaagde of metafysische cinematografie die de werken nog verschillende malen interessanter maakten dan de grote sociaal-realistische klappers uit voorgaande jaren die een Gouden Palm in de wacht hebben weten te slepen.

                        Ronduit Biutiful

Neem de film die de Mexicaanse regisseur Alejandro Gonzáles Iňárittu (bekend van Los amores perros, 21 Grams, Babel) kwam voorstellen, samen met hoofdrolspeler Javier Bardem. Biutiful heet de film, bewust   gemankeerd gespeld, want een verwijzing naar de spellingsfout die de dochter van protagonist Uxbal per ongeluk maakt bij het invullen van haar huiswerk. De bijna tweeënhalf uur lange vertelling volgt de loodzware maar ook louterende laatste dagen van de doodzieke jonge vader, sjacheraar en hedendaagse Job-figuur genaamd Uxbal (een majestueuze rol van Bardem) die uit allemacht probeert zijn uiteengeslagen gezin bijeen te houden terwijl de dood overal op de loer ligt, zijn vrouw kampt met een bipolaire persoonlijkheidsstoornis, en hij zich ook nog verantwoordelijk voelt voor een heel netwerk van illegale Chinese sweatshop arbeiders en Afrikaanse straathandelaren die namaakartikelen in de straten van Barcelona aan toeristen proberen te slijten. Uxbal verdient geld als koppelbaas die bemiddelt tussen de Chinezen en Afrikanen, en als ziener die op de een of andere manier in contact staat met geesten van zojuist gestorvenen. Bedroefde familieleden betalen hem om hen de laatste gedachten, gevoelens en ervaringen van hun geliefden gewaar te doen worden. Nadat de politie met een angstaanjagende razzia op de Ramblas het netwerk van Afrikaanse verkopers heeft opgerold, probeert Uxbal de monden van zijn familie te voeden door als middleman geld op te strijken voor het tewerkstellen van de groep werkloos geworden Chinezen op de werf van een louche bouwondernemer.
 

                        Een boetedoening van formaat

Uxbal is een protagonist van de klasse Hamlet of Oedipus, die via de zweepslagen van het Lot tot op de bodem van zijn menselijkheid wordt neergeworpen. Hij pist bloed, vanwege zijn inmiddels al volop uitgezaaide prostaatkanker die hij veel te lang heeft laten aanslepen. Voor zijn directe omgeving houdt hij zijn terminale status verborgen, waarschijnlijk omdat hij zijn dierbaren temidden van alle dagelijkse miserie, ruzies en ongemakken, niet met nog meer zorgen op wil zadelen. Hij bekommert zich oprecht om het lot van een jonge Afrikaanse moeder wier man gedeporteerd gaat worden, en om het welzijn van de Chinezen die als opeengepakte sardientjes hun nachtrust moeten zien te verkrijgen op de koude vloer van een ondergrondse fabrieksloods. Omdat de winter nadert, koopt Uxbal een serie gasverwarmers voor de Chinezen die door hun wrede koppelbaas als vee worden behandeld.
De bekommernis van Uxbal pakt helemaal verkeerd uit als de groep mannen, vrouwen en kinderen op een ochtend blijkt te zijn gestikt door koolmonoxidevergiftiging. De goedkope gasradiatoren, die in de aanbieding waren (we zien hoe Uxbal op zoek gaat naar het model met de beste prijs) veranderen de loods in een gaskamer en maken van hoofdpersoon Uxbal onbedoeld een massamoordenaar. De geesten van de vergaste Chinezen, drijven hem letterlijk en figuurlijk tot aan de poorten van de hel.
Een vertrouwenspersoon die Uxbal met handopleggingen soms verlichting weet te geven voor zijn infernale pijnen, meldt dat het uur gekomen is om zijn laatste zaakje te regelen (een wel heel ironische manier om te zeggen dat hij in het reine moet komen met zijn immanente dood) en “de omgekomen Chinezen om vergiffenis moet vragen”. Ze geeft hem als een geheime gift voor zijn kroost twee zwarte stenen mee  – verdwaalde objecten uit het universum dat na Uxbals dood zorg zal moeten dragen voor het lot van zijn kinderen.
 
Tijdens dit offensief van tegenslagen, lukt het Uxbal om zijn ondergang met geheven hoofd tegemoet te treden. Hij overwint zijn onwil – die een uiting is van zijn angst – om vergiffenis af te smeken bij de Chinezen, verzoent zich met zijn onberekenbare vrouw die ook nog eens vreemd blijkt te gaan met Uxbal’s broer, en treedt als benefactor op voor de achtergebleven Afrikaanse moeder die hij voorziet van geld en woonst. In een slotscène die voor mij persoonlijk tot de allermooiste en ontroerendste uit de filmgeschiedenis behoort, zien we hoe Uxbal in de compassievolle schaduw van zijn dochter zijn laatste momenten beleeft in de benarde slaapkamer van zijn donkere appartement, en uit zichzelf treedt. Het beeld verschuift naar een visioen dat we – typisch Iňárittu – vanuit een net iets ander perspectief ook aan het begin van de film al hebben kunnen ervaren, zonder het toen te kunnen duiden.
Twee mannen, leeftijdgenoten eigenlijk, die elkaar tussen de besneeuwde dennen van een bos tegemoet treden, helpen elkaar een filterloze sigaret aansteken. De linkerman blijkt Uxbals grootvader die op jonge leeftijd aan tyfus is overleden in Mexico, nadat hij kort daarvoor uit Spanje was verdreven door dictator Franco. De andere, Uxbal, ondergaat de hereniging, die in aardse perspectieven eigenlijk toch vooral een kennismaking heet te zijn, met een licht geamuseerde, licht verwonderde glimlach die zoveel gratie en compassie op weet te roepen, dat Bardem alleen al voor het tevoorschijn toveren van dit ene metafysische moment tijdens de slotceremonie volkomen terecht gelauwerd is geworden met de Prix d’interprétation masculine, voor de best vertolkte mannelijke hoofdrol.

Uit handen van jurypresident Tim Burton ontving hij een palmtak van diamant en handgeslepen kristal, een trofee ontworpen door Caroline Scheufele van het prestigieuze sieradenmerk Chopard. Die Bardem evenwel om nog onopgehelderde redenen bleek te moeten delen met zijn Italiaanse collega Elio Germano, die de hoofdrol speelt in Daniele Luchetti’s La Nostra Vita. Volgens een Italiaanse Gala-journalist die als chroniqueur van de Europese jetset nogal tuk is op roddel en achterklap, heeft deze half- of dubbelhartige beslissing van de jury te maken met het feit dat er dit jaar maar liefst twee Italianen tegelijk in de jury van de hoofdcompetitie zetelden.

Terug naar de slotscène in het besneeuwde bos. Het is alsof twee broers, voor het eerst sinds een lange periode van balling- of gevangenschap, elkaar nog wat bedeesd maar toch ontspannen en nieuwsgierig de maat nemen. Ze roken hun sigaret, genieten van het uitzicht, delen een herinnering aan vroeger tijden en een gezamenlijke neef, terwijl het beeld langzaam maar zeker als in een droom verbleekt. Het boslandschap wordt als in een vanuit de grond opkomende mistvlaag uitgewist. En beide broeders of beter gezegd verwanten uit twee volstrekt verschillende tijden, vestigen plotseling allebei hun blik op iets wat ze wat verderop gewaar worden. Ze wijzen naar iets dat buiten ons (maar niet hun) blikveld is gelegen. Een plek die Iňárittu niet toevallig precies in de dode hoek van iedere filmzaal – de ruimte rechtsonder tussen kijker en projectiescherm die om optische en technische redenen nimmer door de banen van het licht kan worden benut. “What´s there?” vraagt de een aan de ander. Ze zijn niet bang, en verdwijnen kalm naar een elders dat buiten de zichtbare parameters van onze aardse wereld is gelegen.
                       
Oproep aan de filmgoden

Met deze film heeft Iňárittu een werk afgeleverd, dat niet alleen de worsteling in beeld weet te brengen van een in wezen goedhartig, persisterend mens met de vicieuze strapatsen van het lot. Maar tevens – en dat is het knappe – slaagt de film erin om zijn kijkers een metafysische sensatie te bezorgen van de allerhoogste orde. Wie bereid of in staat is om zich werkelijk mee te laten voeren door deze pikzwarte parabel, wordt aan het eind een glimp gegund doorheen de kieren van de Tijd. Wat Iňárittu zichtbaar of bespeurbaar maakt, dat is niets minder dan een uitzicht op een spirituele ontsnapping – zelfs al is het einde nabij en lijkt de ganse fysieke wereld die rondom onze karkassen kolkt, van kop tot tenen te creperen. The Readyness is All, laat Shakespeare Hamlet zeggen als zijn roep om wraak uiteindelijk al vergeefs lijkt. Het gaat erom te allen tijden vast te houden aan dat laatste beetje menselijke waardigheid, om zo de ziel voor een morele putrefactie te bewaren. Waar deze hartverscheurende film over gaat, dat is het weer tot bloei brengen van de roos van de hoop. Temidden van de stinkende mestvaalt die Uxbal’s omgeving in de multiculturele buitenwijken van Barcelona is geworden.

Een bijzonder lucide en bevlogen Alejandro González Iňárittu verklaarde tijdens de persconferentie die hij met Javier Bardem na afloop van de allereerste persvertoning op maandag 17 mei belegde in een tot de nok toe gevulde conferentieruimte waar ik journalisten om een zitplaats heb zien vechten: “Even if darkness seems to be everywhere, Biutiful offers many touches of hope. I’d even say it’s my most optimistic film. Uxbal’s character is full of light. He puts a lot into organising his life, helping his children, loving other people.” En Uxbal, zo legt Iňárittu vol vuur aan zijn beoordelaars uit, is misschien geen simpel of onschuldig – maar wel een oprecht mens.
“Daar gaat mijn film over: Echte mensen. Niet over explosies, cynisme, moord of oppervlakkig geweld. De reis van Uxbal in Biutiful is een intieme ervaring. Intimiteit is als een nieuwe vorm van punk. Intimiteit is provocatief. Kijk om je heen, deze samenleving is ziek tot op het bot. We zijn met z’n allen zozeer verwijderd van elkaar geraakt, al ons contact verloopt langs electronische of virtuele weg of anders wel in een keiharde maatschappij waar mensen elkaar uitbuiten, bestelen of schrik aanjagen. Ik zeg het jullie: deze film, dit verhaal: het gaat om ons. Uxbal is vol licht, hij is bijna een boeddhist die op weg is naar verlichting, maar hij is ook simpel, een sjacheraar die zich met louche zaakjes bezighoudt. Hij is geen heilige, maar bezit wel een fundamenteel en nederig vermogen tot compassie. Hij leert zichzelf weg te cijferen ten behoeve van het lot van anderen, en hoewel zijn eigen lot bezegeld lijkt, merkt hij dat het hem juist helpt om zich van zijn loden last te bevrijden. Hij is een oude strijder die zich in het zicht van de nederlaag op weet te richten. En zich zo aan een veel groter echec weet te onttrekken. Zijn gesjacher en geploeter en zijn getourmenteerde leven, blijken uiteindelijk niet voor niets te zijn geweest.”

Op dit punt aangekomen, lijkt Iňárittu een deel van de talrijke bewonderaars uit zijn publiek van zich te vervreemden. Is de briljante regisseur soms een hippie geworden? Een softie? Iemand die eenmaal thuisgekomen, lurkt aan een hasjpijpje?

“Luister,” reageert Iňárittu. Hij ratelt voort, één brok bevlogenheid, hier en daar struikelend over zijn Engelse zinnen. “Uxbal ging voor lange tijd gebukt onder de lasten van het leven. Hij droeg, zo leek het wel, het lot van de wereld op zijn schouders. Hoe dat zo gekomen is, weet hij zelf ook niet. Hij vraagt uiteindelijk om vergiffenis. Of de omgekomen Chinezen hem die verlenen, en wat dat nu betekent voor Uxbal of voor ons, zal iedere bezoeker voor zichzelf uit moeten maken.”
Een essentiële bijdrage tot de magie van de film, levert het camerawerk van Rodrigo Prieto. Die weet het keiharde en troosteloze leven in de Santa Coloma enclave in Barcelona, waar het kolkt van de illegalen uit alle windstreken, in zon en schaduw, met felle en grove penseelstreken, een Goya-achtige kwaliteit te geven. De stad heeft niks meer van de pittoreske postkaart-charme die Woody Allen zo vrolijk bijeen trachtte te plakken in zijn comedy of errors “Vicky, Christina, Barcelona”’ die hier twee jaar geleden ook al zijn première beleefde. Met ook daarin trouwens een uiterst overtuigende rol van Javier Bardem, als kunstenaar en latin lover, die (onbedoeld of niet) het hart op hol doet slaan van twee Amerikaanse vriendinnen die een zomer lang de stad bezoeken.
Cameraman Prieto portretteert Santa Coloma als een slagveld, waar voortdurend culturen botsen, mensen jakkeren, illegalen zich als insecten in nissen verschuilen, en waar met de gierende komst van hele cordons vreemdelingenpolitie, de straten ook soms echt in een drijfjacht veranderen. Waarbij de Senegalezen doldriest worden klemgereden door ordetroepen die met hun wapenstok tekeer gaan als een op speed en red bull klaargestoomde cohorte troglodyten. De razzia levert een van de meest angstaanjagende taferelen op uit de hele film, waarbij nietsvermoedende toeristen tijdens de opnamen ongetwijfeld door een wat satanische regisseur moedwillig moeten zijn verrast door een dertigtal over tafels, stoelen en pafferige lijven heen vluchtende Afrikanen. Alsmede door de drijfhonden met hun wild in het rond meppende ritmeesters, die geen bot ongebroken wensen te laten. Een danse macabre die in de tiende versnelling wordt vooruitgespoeld, waarbij vergeleken de achtervolgings-scènes uit The Jason Bourne Trilogy lijken te zijn opgenomen in het tempo van een hangdans van The Scorpions op de vloeren van een Hardrock Café.
Het ontroerendst vind ik Prieto’s opnamen van een zwerm spreeuwen die – als een aankondiging van Uxbal’s op handen zijnde passage naar een andere wereld – hem tekenen lijken te geven in de stuurse najaarshemel van een afgekoeld azuur. Het is of de vogels letters schrijven in de hemel, die Uxbal op de een of andere manier in staat is te lezen. De overheersende toonkleuren in Biutiful zijn donker, grijs en grimmig. Er heerst een permanente dreiging in, boven en onder de stad. Die schudt, ronkt en rommelt als een vulkaan die zich rondom de krater in haar eigen brokken lava heeft verslikt.
De enige scène die zich afspeelt in een sfeer van felle kleuren, is er een waar een radeloos vertwijfelde Uxbal voor enige momenten troost zoekt bij het gezelschap van zijn coky broer, een nachtclubeigenaar die even onoprecht is als de glimmende extase van de partyladies waarmee hij zich in zijn leren hoekzetel pleegt te omringen. Het is hier, naast een Oost-Europees hoertje dat hem vraagt waarom hij niet vrolijk is en of hij niet nog een snuifje cocaïne wil of een dansje met haar wil wagen op de door stroboscooplicht en laserkanonnen geanimeerde discotheekvloer, dat hij voor het eerst aan iemand bekent dat hij leidt aan een terminale vorm van kanker die is uitgezaaid in bloed en lever. En dat hij dus waarschijnlijk niet meer lang te leven heeft. Het meisje blijft hem aangrijnzen met een stationaire glimlach, waarschijnlijk heeft ze geen woord verstaan van wat hij bekende.
Temidden van het bruisende leven in de disco, de met tepels versierde blote konten van de paaldanseressen, de drank, drugs en bonkende dance die door de ruimte schalt, is het alsof Uxbal er voor het eerst vrede mee kan krijgen dat het leven weldra zonder hem zijn voortgang hebben zal. Dat de wereld ook zonder hem wel als een dollemolen rond zal blijven spinnen rond zijn as. Er gaat een knop om in Uxbal’s bewustzijn. Hij besluit niet meer te sjacheren, maar met geheven hoofd en een gerust gemoed zijn immanente nederlaag in dit aardse strijdtoneel tegemoet te treden.


Leven en dood maken deel uit van dezelfde elementaire cyclus van generatie-degeneratie- putrefactie-regeneratie, waar de vredestichtende oude Griekse filosoof Empedokles al in de vijfde eeuw voor Christus over schreef in zijn leer over de vier elementen: vuur, water, aarde en lucht. Empedocles geloofde in zielsverhuizing en zei dat hij eerder zowel een jongen als een meisje, een struik, een vogel en een vis was geweest. Volgens mij pleegt Iňárittu een verwijzing naar Empedocles, als de handoplegster Uxbal twee stenen overhandigt met de opdracht om die voor zijn dood als een geschenk weer door te geven aan zijn zoon en dochter.
Voor het eerst begrijpt Uxbal, wat het is dat de handoplegster eigenlijk van hem vraagt. Of hem niet vraagt, maar hem voor de keus stelt. Iňárittu’s protagonist beseft dat hij zich op een drempel bevindt tussen lichamelijke ziekte en geestelijke verlossing. Tussen gravitatie en levitatie. Tussen het ik en het wij. Het Een en het Al. De kijker die zich door de Mexicaanse beeldmagiër mee laat voeren naar dit punt van inzicht en verlichting – dat in het gemoed van Uxbal helaas pas in wil treden na een jammerlijke dosis smart, pijn, conflict en levenslessen (Empedocles’ wet van Tweespalt en Hereniging), die merkt dat hij daarna ook zelf wordt aangespoord om een kijkje te nemen over de drempel die de regisseur zijn held laat oversteken. Een chilling experience, die bij mij de rillingen over mijn rug deed lopen. En bij vele anderen vrijelijk de tranen lieten opwellen. De Nederlandse tv-journaliste die tijdens de persconferentie bekende dat ze het laatste half uur van de film haar ogen geen seconde droog had weten te houden, kon rekenen op een instemmend en tevreden gegrom van de Mexicaanse regisseur.
Op de drempel tussen het toilet en de bedompte slaapkamer, ergens halverwege bed en vloer, zijgt Uxbal uiteindelijk ineen, al bloed pissend en kotsend, om – na een liefdevolle opmerking tot zijn dochter – geruisloos te voldoen aan wat de Chinezen (bij wie Uxbal vergiffenis moest vragen) noemen “Ai Zi” – het uitblazen van de laatste ademtocht. Ik ben verschillende keren getuige geweest van het verscheiden van een dierbare. Bij het sterven van mijn vader raakte ik zo in paniek toen ik het definitieve einde voelde naderen, dat ik besloot zijn laatste stoten lucht op te nemen op een cassetterecorder. Ik wilde plotseling perse iets tast- of hoorbaars van mijn vader overhouden, nu hij voor mijn ogen bezig was om te verdwijnen.
De blik die me na dit moment van laatste ademtocht alsnog door Alejandro González Iňárittu wordt gegund op Uxbal’s ziel die zich peinzend, verwonderd, kalm, vanaf de grond en het achtergelaten lichaam verheft tot op de radiator, was mij nimmer eerder zo gegund. De tranen die komen zijn er geen van verdriet, maar van het besef “wat nu eigenlijk de prijs is geweest” die Uxbal voor zijn offer heeft op moeten brengen. En tegelijkertijd tranen van voldoening voor de rust, het licht en de kalmte die onze held dan eindelijk gegund zijn. Gedaan met het gejakker, gesjacher, geploeter, gefoeter, gejaag, geplaag, gezever. Eindelijk is Uxbal in staat om zich te richten op de geheime songlines van de tijd waar het in dit universum ooit allemaal werkelijk om schijnt te zijn begonnen. Zie weer: Empedocles, in zijn traktaat Over de natuur:.
‘Nooit komt er een einde aan de voortdurende wisseling van de elementen, die nu eens door Liefde allemaal tot één samenkomen en dan weer, stuk voor stuk, door de vijandschap van de Tweespalt van elkaar wegvliegen. In zoverre op deze wijze het ene uit het vele ontstaat en uit de splitsing van het ene weer het vele voortkomt, ontstaan de dingen en hebben zij geen eeuwig leven. In zoverre hun voortdurende wisseling niet ophoudt, zijn zij eeuwig en bevinden zij zich in een ongestoorde en rustige kringloop.’

Nogmaals – voor de laatste maal beloof ik – keer ik terug naar die verbluffende slotscène uit Alejandro González Iňárittu’s film die de Gouden Palm van het 63ste Filmfestival in Cannes beslist had moeten winnen. Twee verwanten, broers of neven, vader of zoon, grootvader of kleinzoon, maar misschien ook wel twee boezemvrienden of strijdmakkers uit de tijd van Franco’s Falangisten en de anti-fascistische brigades… Daar staan zij, tussen de dennenbomen in het besneeuwde bos. Je ziet dat ze genoegen scheppen in elkaars gezelschap. Ze hebben geen haast. Ze nemen een trekje van hun sigaret, kijken wat rond. Halen een oude anekdote aan over een verre neef van hen die ooit iets doms deed. Ze lachen. Dan, ineens, wordt een van hen iets gewaar dat zich verderop bevindt. Ergens, elders… “opzij van het kijken”, zou Gwy Mandelinck zeggen – de oude bezieler van Watou en dichter van het rauwe West-Vlaamse land en de schorre emotie. Wat is het dat deze twee mannen van hooguit dertig, veertig jaar, daar plotseling in hun blikveld krijgen?
Wat is het dat ons tweetal ziet, daar in dat bos?
Tijdens de persconferentie suggereert Iňárittu zelf het antwoord. Wat ze zien, is een manifestatie van de Hoop.

© Serge van Duijnhoven

Palmares Cannes 2010

P AL M A R E S – Cannes 2010

door Serge Van Duijnhoven

zojuist teruggekeerd uit Cannes. gebruind, vermoeid, voldaan. Afgelopen zaterdagmiddag heb ik samen met Arlette van Laar toevallig nog de verrassende winnaar van de Gouden Palm mogen interviewen – de 39-jarige Thaise regisseur Apichatpong “Joe” WEERASETHAKUL – met zijn film Uncle Boonmee who can recall his past lives. Ik heb het interview op bandje staan, en zal het later vandaag of morgen uitwerken – voor wie er geinteresseerd is in dit verfijnde Thaise genie die zijn films tot nu toe financierde uit de verkoop van zijn schilderijen en kunstwerken.

Hieronder in elk geval vast een stuk dat ik schreef uit enthousiasme over Iňárittu’s extreem confronterende maar ook metafysische nieuweling Biutiful. Het gesprek met Iňárittu en Bardem is helaas beperkt gebleven tot een persconferentie, maar ik wil later ook met plezier de vragen en antwoorden die daar gesteld zijn uitwerken.

Naast het goede nieuws van Joe’s Gouden Palm is er ook echt verschrikkelijk nieuws dat me gisternacht rond 00.15u bereikte: mijn geliefde Arlette van Laar is in de trein van Schiphol naar Amsterdam Amstel bij het station Lelylaan bestolen van haar tas met laptop en opnamen-spullen. Verschrikkelijk! De laptop en opnamenspullen waren geleend van Max en Gabriel. De maatschappij is echt ziek dat er zoveel klootzakken rondlopen die er voortdurend op gespitst zijn anderen te naaien, bestelen, bedriegen, bedonderen – die klootzak die Arlette en haar spullen zo laat in de trein te lijf is gegaan wil ik het liefste eigenhandig aan de hoogste boom van Lelylaan op gaan knopen met een roestig en scherp staaldraadje dat ik hier nog opgerold heb liggen.

de woede blijft duren. vraag me af hoe Arlette zich vandaag moet voelen. Arme schat.
GODVERDOMMESE JATTENDE TYFUSLIJERS!

– calma.

LIJST INTERVIEWS CANNES 2010

Om de lijst alsnog compleet te maken van de regisseurs en crews die ik – vaak nog met Arlette en haar camera met laptop Final Cut Pro – heb nog geinterviewd op het festival in Cannes.
De audiotapes van de gesprekken zijn gemaakt met een ouderwetse Sony cassetterecorder waar TDK cassettebandjes in gestopt konden worden. Model 1983. Geen geintje. En het ding doet het nog prima…

– Charlotte Gainsbourg voor The Tree

– Andrej Ujica voor Autobiographia Lui da Ciaucescu

– Olivier Assayas voor Carlos

– Jorge Michel voor We Are What We Are

– Sergej Loznitsa voor My Joy

– Bernard Tavernier voor La princesse de Montpensier

– Lucy Walker voor Countdown to Zero

– Boo Jungfeng voor Sandcastle

Iedere filmcriticus zal een persoonlijk en om tal van redenen ernstig beperkt oordeel over zijn of haar ervaring op het filmfestival van Cannes geven. Dit is ieder jaar zo, ook wat betreft de editie van 2010.

Een gemotiveerde cinefiel zou aan drie lichamen, vier hoofden en een ondersteunend team van zeven assistenten nog niet genoeg hebben om alle films die op het festival een podium krijgen in de diverse competities, categorieën en sub(festivalletjes) te zien, te overdenken, doorgronden en van context te voorzien via afzonderlijke interviews of gesprekken met de regisseurs en de crew van de talloze producties.
                       

Truth is in the eye of the beholder

Het is goed om te realiseren dat een mening van een recensent over het festival, enkel maar een gefragmenteerd en gebrekkig zichtpunt vertegenwoordigd ten aanzien van een immens geheel dat in zijn veelvormig- en veelkoppigheid ieder jaar weer de trekken vertoont van een nieuw galaxy of sterrenstelsel dat men vanuit de diepte van een immer uitdijend heelal met hulp van gigantische telescopen enkel kan beginnen te verkennen.
Een behoorlijk aantal van mijn collega´s hier in de coulissen van het festival, hebben laten uitschijnen dat deze 63ste editie ze minder dan vorige keren heeft kunnen bekoren. Vaak zeggen hun teleurgestelde (Ben van Alboom), zuinige (Bor Beekman), lauwe (Kevin Major), snobistische of ronduit blasée commentaren – zo ben ik sterk geneigd te denken – meer over de personen in kwestie dan over het festival an sich. Zeker op het festival van de sublieme illusie bestaat waarheid enkel in the eye of the beholder. Het ligt er maar net aan welke keuzes je gemaakt hebt, welke prioriteiten je gesteld hebt en vooral in welke richting je bereid bent te kijken, om te zien wat er in deze specifieke editie aan diepers te ontdekken en magisch te beleven valt.

          Bloedstollende thrillers, epische portretten en onthullende true stories

Voor al wie gepassioneerd is door geschiedenis en actualiteit, was dit festival een voltreffer. De beurs- en kredietcrisis werden in tal van films nauwgezet, dramatisch, fictief dan wel documentair, onder de loep genomen. Met vaak verbluffend resultaat. Zo was er het Shakespeariaanse Hollywood spektakel van Oliver Stone, Money never sleeps, het anthropologische Duitse dissectie-drama van een volstrekt amorele bankdirecteur in Unter dir die Stadt van Christoph Hochhäusler, er was het onthullende portret van gehaaide, dolgedraaide zakenlieden in Inside Job, het hyperreële The City of Cleveland versus Wall Street, en ga zo maar door.
Daarnaast waren er bloedstollende thrillers, van epische meesterwerken tot keiharde portretten en onthullende true stories over oorlog en vrede; over Irak (Doug Liman´s Fair Game), de brute en vuile onafhankelijkheidsstrijd der Algerijnen in het Frankrijk van de jaren vijftig (Bouchareb´s ophefmakende Hors la loi), een pijnlijk directe recht-in-je-smoel film over Deense soldaten in Afghanistan (Armadillo), het zes uur durende, hyperspannende en gelaagde portret dat Olivier Essayas maakte van meesterterrorist Carlos de Jakhals. Er was de geheel uit historische beelden geresampelde “autobiografie” van Ciaucescu die de Roemeense maestro Andrej Ulica uit zijn intellectuele hoed wist te toveren, het intimistische “coming to terms with past and present”- pareltje Sandcastle van de Singaporese nieuwkomer Boo Jung Feng waarin historische archiefbeelden van studentenrellen uit de jaren vijftig en zestig het persoonlijke verhaal doorspekken.En natuurlijk was er de door Hollywood geproduceerde Shock and Awe documentaire Countdown to Zero die ons opnieuw bewust wil maken van de gevaren voor een nucleaire Apocalyps die – zolang we niet alle kernwapens de wereld uit hebben geholpen – het voortbestaan van de mensheid meer dan ooit op het spel dreigt te zetten. Als dat geen indrukwekkend resem aan relevante, spannende, urgente en adembenemende filmprodukties heeft opgeleverd, dan ben ik bereid – of zie ik mezelf genoodzaakt – me per immédiat tot “stinkende paparazzo” te laten omscholen die zijn ogen weet te focussen op waar het volgens sommigen op en rond de Rode Loper in de allereerste plaats behoort te gaan: het fonkelende gala van de glitter, glamour, roem en sterrendom.
Dat het soortelijk gewicht van bovengenoemde films zwaarder is, dan een heel aantal  spotters of belangenbehartigers van de entertainment-industrie lief is, dat is natuurlijk begrijpelijk. Ieder zijn smaak, maar zonder respect voor de wetten der vertelkunst en geregisseerd vermaak zou er ook voor voornoemde werken geen plek te vinden zijn geweest op het erepodium van het grote theater van de sublieme illusie dat hier jaarlijks zijn tenten op mag komen zetten. Veel films die op het 63ste filmfestival te zien zijn geweest, gingen hoe dan ook ECHT ergens over. En in de beste gevallen wisten ze hun relevantie te paren aan een poëtische, subtiele, gelaagde, sexy of metafysische cinematografie die de werken wat mij betreft nog interessanter maakten dan sociaal-realistische klappers uit voorgaande jaren zoals de Gouden Palm winnaars Entre les murs uit 2008 en L´enfant uit 2005.

                       

Ronduit Biutiful

Neem de film die de Mexicaanse regisseur Alejandro Gonzáles Iňárittu kwam voorstellen, samen met hoofdrolspeler Javier Bardem, in het Grand Palais Lumière. Biutiful heet de film, bewust   gemankeerd gespeld, want een verwijzing naar de spellingsfout die de dochter van de protagonist per ongeluk maakt bij het invullen van haar huiswerk. De bijna tweeënhalf uur lange vertelling volgt de loodzware maar ook louterende laatste dagen van de doodzieke vader, sjacheraar en hedendaagse Job-figuur genaamd Uxbal (een majestueuze rol van Bardem) die uit allemacht probeert zijn uiteengeslagen gezin bijeen te houden terwijl de dood overal op de loer ligt, zijn vrouw kampt met een bipolaire persoonlijkheidsstoornis, en hij zich ook nog verantwoordelijk voelt voor een heel netwerk van illegale Chinese sweatshop arbeiders en Afrikaanse straathandelaren die namaakartikelen in de straten van Barcelona aan toeristen proberen te slijten. Uxbal verdient geld als koppelbaas die bemiddelt tussen de Chinezen en Afrikanen, en als ziener die op de een of andere manier in contact staat met geesten van zojuist gestorvenen. Bedroefde familieleden betalen hem om hen de laatste gedachten, gevoelens en ervaringen van hun geliefden gewaar te doen worden. Nadat de politie met een angstaanjagende razzia op de Ramblas het netwerk van Afrikaanse verkopers heeft opgerold, probeert Uxbal de monden van zijn familie dan maar te voeden door als middleman geld op te strijken voor het tewerkstellen van de groep werkloos geworden Chinezen op de werf van een louche bouwondernemer.
 

                        Een boetedoening van formaat

Uxbal is een protagonist van de klasse Hamlet of Oedipus, die via de zweepslagen van het Lot tot op de bodem van zijn menselijkheid wordt neergeworpen. Hij pist bloed, vanwege zijn inmiddels al volop uitgezaaide prostaatkanker die hij veel te lang heeft laten aanslepen zonder hulp te zoeken. Voor zijn directe omgeving houdt hij zijn terminale status verborgen, waarschijnlijk omdat hij zijn dierbaren temidden van alle dagelijkse miserie, ruzies en ongemakken, niet met nog meer zorgen op wil zadelen. Hij bekommert zich oprecht om het lot van een jonge Afrikaanse moeder wier man gedeporteerd gaat worden, en om het welzijn van de Chinezen die als opeengepakte sardientjes hun nachtrust moeten zien te verkrijgen op de koude vloer van een ondergrondse fabrieksloods. Omdat de winter nadert, koopt Uxbal een serie gasverwarmers voor de Chinezen die door hun wrede Chinese koppelbaas als vee worden behandeld. De bekommernis van Uxbal pakt helemaal verkeerd uit, als de groep mannen, vrouwen en kinderen op een ochtend blijkt te zijn gestikt door koolmonoxidevergiftiging. De goedkope gasradiatoren, die in de aanbieding waren (we zien hoe Uxbal op zoek gaat naar het model met de beste prijs) veranderen de loods in een gaskamer en maken van de nobel ingestelde hoofdpersoon onbedoeld een massamoordenaar. De geesten van de vergaste Chinezen, drijven Uxbal letterlijk en figuurlijk naar de poorten van de hel.

Een vertrouwenspersoon die Uxbal met handopleggingen soms verlichting weet te geven voor zijn infernale pijnen, meldt dat het uur gekomen is om zijn laatste zaakje te regelen (een wel heel ironische manier om te zeggen dat hij in het reine moet komen met zijn immanente dood) en “de omgekomen Chinezen om vergiffenis moet vragen”. zijn familie) en vergiffenis moet vragen aan de zielen van de omgekomen illegale Chinezen. Ze geeft hem als een geheime gift voor zijn kroost twee zwarte stenen mee  – verdwaalde objecten uit het universum dat na Uxbals dood zorg zal moeten dragen voor het lot van zijn kinderen.
 
Tijdens dit offensief van tegenslagen, lukt het Uxbal om zijn ondergang met geheven hoofd tegemoet te treden. Hij overwint zijn onwil – die een uiting is van zijn angst – om vergiffenis af te smeken bij de Chinezen, verzoent zich met zijn egotistische en onberekenbare vrouw die ook nog eens vreemd blijkt te gaan met Uxbal’s broer, en treedt als benefactor op voor de achtergebleven Afrikaanse moeder die hij voorziet van geld en woonst. In een slotscène die voor mij persoonlijk tot de allermooiste en ontroerendste uit de filmgeschiedenis behoort, zien we hoe Uxbal in de compassievolle schaduw van zijn dochter zijn laatste momenten beleeft in de benarde slaapkamer van zijn donkere appartement, en uit zichzelf treedt. Het beeld verschuift naar een visioen dat we – typisch Iňárittu – vanuit een net iets ander perspectief ook aan het begin van de film al hebben kunnen ervaren, zonder het toen te kunnen duiden.

Twee mannen, leeftijdgenoten eigenlijk, die elkaar tussen de besneeuwde dennen van een bos tegemoet treden, en elkaar een filterloze sigaret helpen aansteken. De linkerman blijkt Uxbals grootvader die op jonge leeftijd aan tyfus is overleden in Mexico, nadat hij kort daarvoor uit Spanje was verdreven door dictator Franco. De andere, Uxbal, ondergaat de hereniging, die in aardse perspectieven eigenlijk toch vooral een kennismaking zou moeten zijn, met een licht geamuseerde, licht verwonderde glimlach die zoveel gratie, verlossing en compassie op weet te roepen dat Bardem alleen al voor het tevoorschijn toveren van dit ene metafysische moment, tijdens de slotceremonie op het Festival, volkomen terecht gelauwerd met de Prix d’interprétation masculine, voor de best vertolkte mannelijke hoofdrol.
Uit handen van jurypresident Tim Burton ontving hij een palmtak van diamant en geslepen glas, een trofee die Bardem evenwel om nog onopgehelderde redenen blijkt te moeten delen met zijn Italiaanse collega Elio Germano, die de hoofdrol speelt in Daniele Luchetti’s La Nostra Vita. Volgens een Italiaanse Gala-journalist die als chroniqueur van de Europese artistieke jetset nogal tuk is op roddel en achterklap, heeft deze half- of dubbelhartige beslissing van de jury om de prijs te splitten, ongetwijfeld te maken met het feit dat er dit jaar twee Italianen in de jury zetelden.

Terug naar de slotscene in het besneeuwde bos. Het is alsof twee broers, voor het eerst sinds een lange periode van balling- of gevangenschap,   elkaar nog wat bedeesd maar toch ontspannen en nieuwsgierig de maat nemen. Ze roken hun sigaret, genieten van het uitzicht, delen een herinnering aan vroeger tijden en een gezamenlijke neef, terwijl het beeld langzaam maar zeker als in een droom verbleekt. Het boslandschap wordt als in een vanuit de grond opkomende mistvlaag uitgewist. En beide broeders of beter gezegd leeftijdgenoten uit twee volstrekt verschillende tijden, vestigen plotseling allebei hun blik op iets wat ze verderop gewaar worden. Ze wijzen naar iets dat buiten ons (maar niet hun) blikveld is gelegen, verderop in het bos. Een plek die Iňárittu niet toevallig precies in de dode hoek van iedere filmzaal – de ruimte tussen kijker en projectiescherm die om optische en technische redenen nimmer door de banen van het licht kan worden benut. “What´s there?” vraagt de een aan de ander. Ze zijn niet bang, veeleer benieuwd, en verdwijnen naar een elders dat buiten de zichtbare parameters van onze aardse wereld is gelegen.

                        Oproep aan de filmgoden

Met deze film heeft Iňárittu een confronterend meesterwerk afgeleverd, dat niet alleen de worsteling in beeld weet te brengen van een in wezen goedhartig, persisterend mens met de vicieuze en ongelimiteerde strapatsen van het lot. Maar tevens – en dat is het knappe – slaagt de film erin om zijn kijkers een cinematografische en metafysische sensatie te bereiden van ware magie. Wie bereid of in staat is om zich werkelijk mee te laten voeren door deze pikzwarte parabel, wordt aan het eind een glimp gegund doorheen de kieren van de Tijd. Wat Iňárittu zichtbaar of bespeurbaar maakt, dat is niets minder dan een uitzicht op ontsnapping. Hoop. Een blik op een open plek of doorwaadbare kreek, een jaagpad of sentier de passage temidden van het donkere, koude woud van ons bestaan. Waar we – op weg van hier naar ginder – de aardse gravitaties, dimensies en beslommeringen van ons af kunnen laten vallen als een te warme vacht of een veel te dik pak veren. Ik krijg nog steeds de bibberingen als ik terugdenk aan deze film, waarin Iňárittu op zulk een intense en intieme maar ook een voor zijn doen opvallend lineaire en unitaire wijze (een protagonist, een handeling) tot op de bodem durft te gaan van zijn zorgen, angsten, obsessies en visioenen. From bitter searching of the heart, one rose to play a better part… Hoe formuleerde Belcampo het ook weer? Wie vuur wil vinden, dient te graven.

Serge van Duijnhoven, Brussels. Copyright guarantueed 2010.

 

P A L M A R E S   C A N N E S   2 0 1 0

The official Jury of this 63rd Festival de Cannes, presided over by Tim Burton, revealed this evening the prizes winners during the closing Ceremony.
Kristin Scott Thomas hosted Charlotte Gainsbourg on the stage of the Grand Théâtre Lumière to award the Palme d’or to the best film among the 19 in Competition.
Julie Bertuccelli’s closing film The Tree starring Charlotte Gainsbourg, Marton Csokas et Morgana Davies, was screened at the end of the ceremony.

FEATURE FILMS IN COMPETTION

Palme d’Or

LUNG BOONMEE RALUEK CHAT (Uncle Boonmee who can recall his past lives) by Apichatpong WEERASETHAKUL

Grand Prix

DES HOMMES ET DES DIEUX (Of Gods And Men) by Xavier BEAUVOIS

Award for the Best Director

Mathieu AMALRIC for TOURNÉE (On Tour)

Jury Prize

UN HOMME QUI CRIE (A Screaming Man) by Mahamat-Saleh HAROUN

Best Performance for an Actor

Javier BARDEM in BIUTIFUL réalisé par Alejandro GONZÁLEZ IÑÁRRITU

Elio GERMANO in LA NOSTRA VITA (Our Life) réalisé par Daniele LUCHETTI

Best Performance for an Actress

Juliette BINOCHE in COPIE CONFORME (Certified Copy) by Abbas KIAROSTAMI

Award for the Best Screenplay
LEE Chang-dong for POETRY

SHORT FILMS IN COMPETTION

Palme d’Or
CHIENNE D’HISTOIRE (Barking Island) by Serge AVÉDIKIAN

Jury Prize
MICKY BADER (Bathing Micky) by Frida KEMPFF

CAMERA D’OR

AÑO BISIESTO réalisé par Michael ROWE présenté dans le cadre de la Quinzaine des Réalisateurs

UN CERTAIN REGARD

Un Certain Regard Prize – Fondation Groupama GAN pour le cinéma
HAHAHA by HONG Sangsoo

Jury Prize
OCTUBRE (Octobre) by Daniel VEGA & Diego VEGA

The Prize for Best Performance Un Certain Regard
Adela SANCHEZ, Eva BIANCO, Victoria RAPOSO in LOS LABIOS (The lips) by Ivan FUND & Santiago LOZA

CINEFONDATION

First Cinéfondation Prize
TAULUKAUPPIAAT (The Painting Sellers) by Juho KUOSMANEN

Second Cinéfondation Prize
COUCOU-LES-NUAGES (Anywhere out of the world) by Vincent CARDONA

Third Cinéfondation Prize
HINKERORT ZORASUNE (The Fith Column) by Vatche BOULGHOURJIAN
A VEC JESAM SVE ONO ŠTO ŽELIM DA IMAM (I Already am Everything I Want to Have) by Dane KOMLJEN

 
The Jury of the CST has awarded the “PRIX VULCAIN DE L’ARTISTE-TECHNICIEN” to :
Leslie SHATZ, for the sound of the film BIUTIFUL by Alejandro GONZÁLEZ IÑÁRRITU.

PALMARES DU 63e FESTIVAL DE CANNES

© AFP
Le Jury officiel du 63e Festival de Cannes, présidé par Tim Burton, a dévoilé ce soir son Palmarès lors de la Cérémonie de clôture.

Kristin Scott Thomas a accueilli Charlotte Gainsbourg sur la scène du Grand Théâtre Lumière pour remettre la Palme d’or au meilleur des 19 films qui concouraient en Compétition.

Le film de Clôture The Tree de Julie Bertuccelli, avec Charlotte Gainsbourg, Marton Csokas et Morgana Davies a été projeté à l’issue de la cérémonie.

LONGS METRAGES EN COMPETITION

Palme d’Or

LUNG BOONMEE RALUEK CHAT (Oncle Boonmee celui qui se souvient de ses vies antérieures) réalisé par Apichatpong WEERASETHAKUL

Grand Prix

DES HOMMES ET DES DIEUX réalisé par Xavier BEAUVOIS

Prix de la mise en scène

Mathieu AMALRIC pour TOURNÉE

Prix du Jury

UN HOMME QUI CRIE réalisé par Mahamat-Saleh HAROUN

Prix d’interprétation masculine

Javier BARDEM dans BIUTIFUL réalisé par Alejandro GONZÁLEZ IÑÁRRITU

Elio GERMANO dans LA NOSTRA VITA réalisé par Daniele LUCHETTI

Prix d’interprétation féminine

Juliette BINOCHE dans COPIE CONFORME réalisé par Abbas KIAROSTAMI

Prix du scénario

LEE Chang-dong pour POETRY

COURTS METRAGES EN COMPETITION

Palme d’Or

CHIENNE D’HISTOIRE réalisé par Serge AVÉDIKIAN

Prix du Jury

MICKY BADER (Micky se baigne) réalisé par Frida KEMPFF
 
 
CAMERA D’OR

AÑO BISIESTO réalisé par Michael ROWE présenté dans le cadre de la Quinzaine des Réalisateurs

UN CERTAIN REGARD

Prix Un Certain Regard – Fondation Groupama Gan pour le Cinéma

HAHAHA de HONG Sangsoo

Prix du Jury

OCTUBRE (Octobre) de Daniel VEGA & Diego VEGA

Prix d’interprétation féminine Un Certain Regard

Adela SANCHEZ , Eva BIANCO, Victoria RAPOSO pour LOS LABIOS (Les Lèvres) de Ivan FUND & Santiago LOZA

CINEFONDATION

Premier Prix de la Cinéfondation

TAULUKAUPPIAAT (Les Marchands de tableaux) de Juho KUOSMANEN

Deuxième Prix de la Cinéfondation

COUCOU-LES-NUAGES de Vincent CARDONA

Troisième Prix de la Cinéfondation ex-aequo

HINKERORT ZORASUNE deVatche BOULGHOURJIAN
JA VEC JESAM SVE ONO ŠTO ŽELIM DA IMAM de Dane KOMLJEN
 
Le jury de la CST a décidé, de décerner le PRIX VULCAIN DE L’ARTISTE-TECHNICIEN à :
Leslie SHATZ, pour le son du film BIUTIFUL réalisé par Alejandro GONZÁLEZ IÑÁRRITU.

Gesprek met regisseur Apichatpong Weerasethakul, de Gouden Palmwinnaar 2010

Cobra.be – 24/05/2010 – Arlet Van Laar

Onze man in Cannes mocht eerder deze week samen met enkele andere journalisten aan tafel met regisseur Apichatpong Weerasethakul, de latere Gouden Palmwinnaar.

De beelden zijn geschoten door en eigendom van Arlette van Laar, Amsterdam NL. Copyright should be respected.

Serge Van Duijnhoven in Cannes Cannes 2010 gouden palm film festival cannes 2010 uncle boonmee who can recall his past lives uncle boonmee apichatpong weerasethakul regisseur jury tim burton

Charlotte Gainsbourg reikt de Gouden Palm uit aan Joe, Cannes 2010

De vele facetten van Cannes volgens Serge en Arlette, Johnny en Tim

http://www.cobra.be/permalink/1.785669Johnny Depp, Tim Burton en Serge van Duijnhoven

Bilan final – Cannes 2010

Bilan final – Cannes 2010.

Bilan final – Cannes 2010Auteur: Serge Van Duijnhoven

zo 23/05/2010 – 17:27 Iedere filmcriticus zal een persoonlijk en om tal van redenen ernstig beperkt oordeel over zijn of haar ervaring op het filmfestival van Cannes geven. Dit is ieder jaar zo, ook wat betreft de editie van 2010.

Cannes 2010 Serge Van Duijnhoven in Cannes cannes filmfestival festival recensie recensent biutiful film gouden palm alejandro gonzales inarittu regisseur javier bardem acteur

Meer van onze man in Cannes

Een gemotiveerde cinefiel zou aan drie lichamen en een ondersteunend team van vier assistenten nog niet genoeg hebben om alle films die op het festival een podium krijgen in de diverse competities, categorieën en sub(festivalletjes) te zien, te overdenken, doorgronden en van context te voorzien via afzonderlijke interviews of gesprekken met de regisseurs en de crew van de talloze producties.

Truth is in the eye of the beholder

Het is goed om te realiseren dat een mening van een recensent over het festival, enkel maar een gefragmenteerd en gebrekkig zichtpunt vertegenwoordigd ten aanzien van een immens geheel dat in zijn veelvormig- en veelkoppigheid ieder jaar weer de trekken vertoont van een nieuw galaxy of sterrenstelsel dat men vanuit de diepte van een immer uitdijend heelal heeft kunnen ontdekken en waar men met telescopen voor het eerst een glimp van heeft mogen opvangen.

Een behoorlijk aantal van mijn collega´s hier in de coulissen van het festival, hebben laten uitschijnen dat deze 63ste editie ze minder dan vorige keren heeft kunnen bekoren. Vaak zeggen hun teleurgestelde (Ben van Alboom), zuinige (Bor Beekman), snobistische of ronduit blasé commentaren – zo ben ik sterk geneigd te denken – meer over de personen in kwestie dan over het festival an sich. Ik heb het al vaker geschreven hier op deze weblog voor Cobra: Truth is in the eye of the beholder. Het ligt er maar net aan welke keuzes je gemaakt hebt, welke prioriteiten je gesteld hebt en vooral in welke richting je bereid bent te kijken, om te zien wat er in deze specifieke editie aan diepers te ontdekken en magisch te beleven valt.

Bloedstollende thrillers, epsche portretten en onthullende true stories

Voor al wie gepassioneerd is door geschiedenis en actualiteit, was dit festival een voltreffer. De beurs- en kredietcrisis werden in tal van films nauwgezet, dramatisch, fictief dan wel documentair, onder de loep genomen. Met vaak verbluffend resultaat. Zo was er het Shakespeariaanse Hollywood spektakel van Oliver Stone, Money never sleeps, het anthropologische Duitse dissectie-drama van een volstrekt amorele bankdirecteur in Unter dir die Stadt van Christoph Hochhäusler, er was het onthullende portret van gehaaide, dolgedraaide zakenlieden in Inside Job, het hyperreële The City of Cleveland versus Wall Street, en ga zo maar door.

Daarnaast waren er bloedstollende thrillers, van epische meesterwerken tot keiharde portretten en onthullende true stories over oorlog en vrede; over Irak (Doug Liman´s Fair Game), de brute en vuile onafhankelijkheidsstrijd der Algerijnen in het Frankrijk van de jaren vijftig (Bouchareb´s Hors la loi), Afghanistan (Armadillo), het zes uur durende, hyperspannende en gelaagde portret dat Olivier Essayas maakte van meesterterrorist Carlos de Jakhals. Er was de geheel uit historische beelden geresampelde “autobiografie” van Ciaucescu die de Roemeense maestro Andrej Ulica uit zijn intellectuele hoed wist te toveren, het intimistische “coming to terms with the past and the present” pareltje Sandcastle van de Singaporese regisseur Boo Jung Feng. En de door Hollywood geproduceerde Shock and Awe documentaire Countdown to Zero die ons opnieuw bewust wil maken van de mogelijkheid van een nucleaire Apocalyps die het voortbestaan van de mensheid nu meer dan ooit op het spel dreigt te zetten. Als dat geen indrukwekkende resem aan relevante, spannende, urgente en adembenemende films heeft opgeleverd, dan ben ik bereid – of zie ik mezelf genoodzaakt – me per immediat tot “stinkende paparazzo” te laten omscholen die zijn ogen strakker weet te focussen op waar het volgens sommigen op en rond de Rode Loper van het Palais des Festivals toch in de allereerste plaats behoort te gaan: het fonkelende gala van de glitter, glamour, kitsch en sterrendom.

Dat het soortelijk gewicht van bovengenoemde films zwaarder is, dan een heel aantal liefhebbers of belangenbehartigers van de entertainment-industrie lief is, dat is natuurlijk begrijpelijk. Ieder zijn smaak, maar zonder respect voor de wetten der vertelkunst en vermaak zou er ook voor voornoemde werken geen plek te vinden zijn geweest op het erepodium van het grote theater van de sublieme illusie dat hier jaarlijks aan de haven van Cannes zijn tenten op mag komen zetten. De films die er op het 63ste filmfestival te zien zijn geweest, gingen in vele gevallen ECHT ergens over. En in de beste gevallen wisten ze dit te paren aan een poëtische, subtiele, gelaagde, sexy of metafysische cinematografie die de werken wat mij betreft nog interessanter maakten dan sociaal-realistische klappers uit voorgaande jaren zoals de Gouden Palm winnaars Entre les murs uit 2008 en L´enfant uit 2005.

Ronduit Biutiful

Neem de film die de Mexicaanse regisseur Alejandro Gonzáles Iňárittu afgelopen week kwam voorstellen, samen met hoofdrolspeler Javier Bardem, in het Grand Palais Lumière. Biutiful heet de film, bewust fout gespeld, want een verwijzing naar de spellingsfout die de dochter van de protagonist per ongeluk maakt bij het invullen van haar huiswerk. De bijna tweeënhalf uur lange vertelling volgt de loodzware maar ook louterende laatste dagen van de doodzieke vader, sjacheraar en hedendaagse Job Uxbal (een majestueuze rol van Bardem) die uit allemacht probeert zijn uiteengeslagen gezin bijeen te houden terwijl de dood overal op de loer ligt, zijn vrouw kampt met een bipolaire persoonlijkheidsstoornis, en hij zich ook nog verantwoordelijk voelt voor een heel netwerk van illegale Chinese sweatshop arbeiders en Afrikaanse straathandelaren die namaakartikelen in de straten van Barcelona aan toeristen proberen te slijten. Uxbal verdient geld als koppelbaas die bemiddelt tussen de Chinezen en Afrikanen, en als ziener die op de een of andere manier in contact staat met geesten van zojuist gestorvenen. Bedroefde familieleden betalen hem om hen de laatste gedachten, gevoelens en ervaringen van hun geliefden gewaar te doen worden. Nadat de politie met een angstaanjagende razzia op de Ramblas het netwerk van Afrikaanse verkopers heeft opgerold, probeert Uxbal de monden van zijn familie dan maar te voeden door als middleman geld op te strijken voor het tewerkstellen van de groep werkloos geworden Chinezen op de werf van een louche bouwondernemer.

Een boetedoening van formaat

Uxbal is een protagonist van de klasse Hamlet, Job of Oedipus, die via de zweepslagen van het Lot tot op de bodem van zijn menselijkheid wordt neergeworpen. Hij pist bloed, vanwege zijn inmiddels al volop uitgezaaide prostaatkanker die hij veel te lang heeft laten aanslepen zonder hulp te zoeken. Voor zijn directe omgeving houdt hij zijn terminale status verborgen, waarschijnlijk omdat hij hen te midden van alle dagelijkse miserie, ruzies en ongemakken, niet met nog meer zorgen op wil zadelen. Hij bekommert zich oprecht om het lot van een jonge Afrikaanse moeder wier man gedeporteerd gaat worden, en om het welzijn van de Chinezen die als opeengepakte sardientjes in een blik hun nachtrust moeten zien te verkrijgen op de vloer van een ondergrondse fabrieksloods. Omdat de winter nadert, koopt Uxbal een serie gasverwarmers voor het comfort van de Chinezen die als vee worden behandeld door hun wrede Chinese koppelbaas. De bekommernis van Uxbal pakt helemaal verkeerd uit, als de Chinezen – mannen, vrouwen en kinderen – op een ochtend blijken te zijn gestikt door koolmonoxidevergiftiging. De goedkope gasradiatoren, die in de aanbieding waren (we zien hoe Uxbal op zoek gaat naar het model met de beste prijs) veranderen de loods in een gaskamer en maken van Uxbal onbedoeld een massamoordenaar. De geesten van de vergaste Chinezen, drijven Uxbal letterlijk en figuurlijk naar de poorten van de hel.

Een waarzegster en vertrouwenspersoon, die Uxbal met handopleggingen soms verlichting weet te geven voor zijn infernale pijnen, meldt dat zijn einde nadert, dat hij zijn laatste zaken moet zien te regelen (een wel heel ironische manier om te zeggen dat hij in het reine moet komen met zijn dood) en vergiffenis moet vragen aan de zielen van de omgekomen illegale Chinezen. Ze geeft hem twee donkere, glinsterende stenen mee – objecten uit het universum, dat na Uxbals dood zorg zal moeten dragen voor het welzijn en lot van zijn kinderen. Na een hele reeks van tegenslagen, lukt het Uxbal om zijn lot te aanvaarden, om vergiffenis af te smeken bij de Chinezen, vrede te sluiten met zijn gestoorde en gewelddadige vrouw, en als benefactor op te treden voor de achtergebleven Afrikaanse moed er. In een slotscène die tot de allermooiste en ontroerendste uit de filmgeschiedenis behoort, zien we hoe Uxbal troost zoekt bij zijn dochter, hoe hij zijn laatste momenten beleeft in de benarde slaapkamer van zijn donkere appartement, en uit zichzelf treedt. Het beeld verschuift naar een visioen dat we –typisch Inarritu – ook al aan het begin van de film hebben gezien, zonder het te kunnen duiden. Twee mannen, leeftijdgenoten eigenlijk, die elkaar tussen de besneeuwde dennen van een bos, een sigaret helpen aansteken. De linkerman blijkt Uxbals grootvader die op jonge leeftijd aan tyfus is overleden in Mexico, nadat hij uit Spanje was verdreven door dictator Franco. Het is of twee broers na lange tijd weer met elkaar herenigd zijn. De tijd sluit zich als een verwarmende omarming om het lot van beiden heen. Ze wijzen naar iets dat buiten beeld ligt, verderop in het bos. “What´s there?” vraagt de een aan de ander. Ze zijn niet bang, maar nieuwsgierig, en verdwijnen naar een elders dat buiten het leven in dit helse ondermaanse is gelegen.

Oproep aan de filmgoden

Met deze film heeft Iňárittu een meesterwerk afgeleverd, dat niet alleen op ongeëvenaarde wijze de ellende van armoede en de fatale valstrikken van het lot in beeld heeft weten te brengen, maar tevens de sensatie weet te geven van ware magie die ons een glimp gunt doorheen de kieren van de Tijd. Recht in dat gapende gat van ons kille, koude universum van waaruit ooit dit hele aardse tranendal tevoorschijn heeft kunnen kruipen. Ik krijg nog steeds de bibberingen als ik terugdenk aan deze film. Moge hij de filmgoden gunstig stemmen, en vanavond in Cannes de prijs winnen die hij dubbel, dik en dwars als geen andere film verdient.

Serge van Duijnhoven voor Cobra.be