Metafysica vanuit de magie Hoop vanuit de wanhoop

over “Biutiful”
de nieuwe film van Alejandro Gonzáles Iňárittu

door Serge van Duijnhoven

CANNES – Dat het soortelijk gewicht van vele Arthouse-films die dit jaar in Cannes vertoond werden, zwaarder is dan een flink aantal  spotters of belangenbehartigers van de entertainment-industrie lief is, dat is natuurlijk begrijpelijk. Ieder zijn belang, ieder zijn smaak, ieder zijn ding. Maar zonder respect voor de wetten der vertelkunst en goed geregisseerd vermaak, zou er ook voor voornoemde werken geen plek te vinden zijn geweest op het erepodium van het theater van de sublieme illusie dat hier aan de Croisette jaarlijks zijn tenten op mag komen zetten.

Hoe je het ook wendt of keert, veel films die op het 63ste filmfestival te zien zijn geweest, gingen ECHT ergens over. In de beste gevallen wisten ze hun relevantie nog te paren aan een poëtische, subtiele, gelaagde of metafysische cinematografie die de werken nog verschillende malen interessanter maakten dan de grote sociaal-realistische klappers uit voorgaande jaren die een Gouden Palm in de wacht hebben weten te slepen.

                        Ronduit Biutiful

Neem de film die de Mexicaanse regisseur Alejandro Gonzáles Iňárittu (bekend van Los amores perros, 21 Grams, Babel) kwam voorstellen, samen met hoofdrolspeler Javier Bardem. Biutiful heet de film, bewust   gemankeerd gespeld, want een verwijzing naar de spellingsfout die de dochter van protagonist Uxbal per ongeluk maakt bij het invullen van haar huiswerk. De bijna tweeënhalf uur lange vertelling volgt de loodzware maar ook louterende laatste dagen van de doodzieke jonge vader, sjacheraar en hedendaagse Job-figuur genaamd Uxbal (een majestueuze rol van Bardem) die uit allemacht probeert zijn uiteengeslagen gezin bijeen te houden terwijl de dood overal op de loer ligt, zijn vrouw kampt met een bipolaire persoonlijkheidsstoornis, en hij zich ook nog verantwoordelijk voelt voor een heel netwerk van illegale Chinese sweatshop arbeiders en Afrikaanse straathandelaren die namaakartikelen in de straten van Barcelona aan toeristen proberen te slijten. Uxbal verdient geld als koppelbaas die bemiddelt tussen de Chinezen en Afrikanen, en als ziener die op de een of andere manier in contact staat met geesten van zojuist gestorvenen. Bedroefde familieleden betalen hem om hen de laatste gedachten, gevoelens en ervaringen van hun geliefden gewaar te doen worden. Nadat de politie met een angstaanjagende razzia op de Ramblas het netwerk van Afrikaanse verkopers heeft opgerold, probeert Uxbal de monden van zijn familie te voeden door als middleman geld op te strijken voor het tewerkstellen van de groep werkloos geworden Chinezen op de werf van een louche bouwondernemer.
 

                        Een boetedoening van formaat

Uxbal is een protagonist van de klasse Hamlet of Oedipus, die via de zweepslagen van het Lot tot op de bodem van zijn menselijkheid wordt neergeworpen. Hij pist bloed, vanwege zijn inmiddels al volop uitgezaaide prostaatkanker die hij veel te lang heeft laten aanslepen. Voor zijn directe omgeving houdt hij zijn terminale status verborgen, waarschijnlijk omdat hij zijn dierbaren temidden van alle dagelijkse miserie, ruzies en ongemakken, niet met nog meer zorgen op wil zadelen. Hij bekommert zich oprecht om het lot van een jonge Afrikaanse moeder wier man gedeporteerd gaat worden, en om het welzijn van de Chinezen die als opeengepakte sardientjes hun nachtrust moeten zien te verkrijgen op de koude vloer van een ondergrondse fabrieksloods. Omdat de winter nadert, koopt Uxbal een serie gasverwarmers voor de Chinezen die door hun wrede koppelbaas als vee worden behandeld.
De bekommernis van Uxbal pakt helemaal verkeerd uit als de groep mannen, vrouwen en kinderen op een ochtend blijkt te zijn gestikt door koolmonoxidevergiftiging. De goedkope gasradiatoren, die in de aanbieding waren (we zien hoe Uxbal op zoek gaat naar het model met de beste prijs) veranderen de loods in een gaskamer en maken van hoofdpersoon Uxbal onbedoeld een massamoordenaar. De geesten van de vergaste Chinezen, drijven hem letterlijk en figuurlijk tot aan de poorten van de hel.
Een vertrouwenspersoon die Uxbal met handopleggingen soms verlichting weet te geven voor zijn infernale pijnen, meldt dat het uur gekomen is om zijn laatste zaakje te regelen (een wel heel ironische manier om te zeggen dat hij in het reine moet komen met zijn immanente dood) en “de omgekomen Chinezen om vergiffenis moet vragen”. Ze geeft hem als een geheime gift voor zijn kroost twee zwarte stenen mee  – verdwaalde objecten uit het universum dat na Uxbals dood zorg zal moeten dragen voor het lot van zijn kinderen.
 
Tijdens dit offensief van tegenslagen, lukt het Uxbal om zijn ondergang met geheven hoofd tegemoet te treden. Hij overwint zijn onwil – die een uiting is van zijn angst – om vergiffenis af te smeken bij de Chinezen, verzoent zich met zijn onberekenbare vrouw die ook nog eens vreemd blijkt te gaan met Uxbal’s broer, en treedt als benefactor op voor de achtergebleven Afrikaanse moeder die hij voorziet van geld en woonst. In een slotscène die voor mij persoonlijk tot de allermooiste en ontroerendste uit de filmgeschiedenis behoort, zien we hoe Uxbal in de compassievolle schaduw van zijn dochter zijn laatste momenten beleeft in de benarde slaapkamer van zijn donkere appartement, en uit zichzelf treedt. Het beeld verschuift naar een visioen dat we – typisch Iňárittu – vanuit een net iets ander perspectief ook aan het begin van de film al hebben kunnen ervaren, zonder het toen te kunnen duiden.
Twee mannen, leeftijdgenoten eigenlijk, die elkaar tussen de besneeuwde dennen van een bos tegemoet treden, helpen elkaar een filterloze sigaret aansteken. De linkerman blijkt Uxbals grootvader die op jonge leeftijd aan tyfus is overleden in Mexico, nadat hij kort daarvoor uit Spanje was verdreven door dictator Franco. De andere, Uxbal, ondergaat de hereniging, die in aardse perspectieven eigenlijk toch vooral een kennismaking heet te zijn, met een licht geamuseerde, licht verwonderde glimlach die zoveel gratie en compassie op weet te roepen, dat Bardem alleen al voor het tevoorschijn toveren van dit ene metafysische moment tijdens de slotceremonie volkomen terecht gelauwerd is geworden met de Prix d’interprétation masculine, voor de best vertolkte mannelijke hoofdrol.

Uit handen van jurypresident Tim Burton ontving hij een palmtak van diamant en handgeslepen kristal, een trofee ontworpen door Caroline Scheufele van het prestigieuze sieradenmerk Chopard. Die Bardem evenwel om nog onopgehelderde redenen bleek te moeten delen met zijn Italiaanse collega Elio Germano, die de hoofdrol speelt in Daniele Luchetti’s La Nostra Vita. Volgens een Italiaanse Gala-journalist die als chroniqueur van de Europese jetset nogal tuk is op roddel en achterklap, heeft deze half- of dubbelhartige beslissing van de jury te maken met het feit dat er dit jaar maar liefst twee Italianen tegelijk in de jury van de hoofdcompetitie zetelden.

Terug naar de slotscène in het besneeuwde bos. Het is alsof twee broers, voor het eerst sinds een lange periode van balling- of gevangenschap, elkaar nog wat bedeesd maar toch ontspannen en nieuwsgierig de maat nemen. Ze roken hun sigaret, genieten van het uitzicht, delen een herinnering aan vroeger tijden en een gezamenlijke neef, terwijl het beeld langzaam maar zeker als in een droom verbleekt. Het boslandschap wordt als in een vanuit de grond opkomende mistvlaag uitgewist. En beide broeders of beter gezegd verwanten uit twee volstrekt verschillende tijden, vestigen plotseling allebei hun blik op iets wat ze wat verderop gewaar worden. Ze wijzen naar iets dat buiten ons (maar niet hun) blikveld is gelegen. Een plek die Iňárittu niet toevallig precies in de dode hoek van iedere filmzaal – de ruimte rechtsonder tussen kijker en projectiescherm die om optische en technische redenen nimmer door de banen van het licht kan worden benut. “What´s there?” vraagt de een aan de ander. Ze zijn niet bang, en verdwijnen kalm naar een elders dat buiten de zichtbare parameters van onze aardse wereld is gelegen.
                       
Oproep aan de filmgoden

Met deze film heeft Iňárittu een werk afgeleverd, dat niet alleen de worsteling in beeld weet te brengen van een in wezen goedhartig, persisterend mens met de vicieuze strapatsen van het lot. Maar tevens – en dat is het knappe – slaagt de film erin om zijn kijkers een metafysische sensatie te bezorgen van de allerhoogste orde. Wie bereid of in staat is om zich werkelijk mee te laten voeren door deze pikzwarte parabel, wordt aan het eind een glimp gegund doorheen de kieren van de Tijd. Wat Iňárittu zichtbaar of bespeurbaar maakt, dat is niets minder dan een uitzicht op een spirituele ontsnapping – zelfs al is het einde nabij en lijkt de ganse fysieke wereld die rondom onze karkassen kolkt, van kop tot tenen te creperen. The Readyness is All, laat Shakespeare Hamlet zeggen als zijn roep om wraak uiteindelijk al vergeefs lijkt. Het gaat erom te allen tijden vast te houden aan dat laatste beetje menselijke waardigheid, om zo de ziel voor een morele putrefactie te bewaren. Waar deze hartverscheurende film over gaat, dat is het weer tot bloei brengen van de roos van de hoop. Temidden van de stinkende mestvaalt die Uxbal’s omgeving in de multiculturele buitenwijken van Barcelona is geworden.

Een bijzonder lucide en bevlogen Alejandro González Iňárittu verklaarde tijdens de persconferentie die hij met Javier Bardem na afloop van de allereerste persvertoning op maandag 17 mei belegde in een tot de nok toe gevulde conferentieruimte waar ik journalisten om een zitplaats heb zien vechten: “Even if darkness seems to be everywhere, Biutiful offers many touches of hope. I’d even say it’s my most optimistic film. Uxbal’s character is full of light. He puts a lot into organising his life, helping his children, loving other people.” En Uxbal, zo legt Iňárittu vol vuur aan zijn beoordelaars uit, is misschien geen simpel of onschuldig – maar wel een oprecht mens.
“Daar gaat mijn film over: Echte mensen. Niet over explosies, cynisme, moord of oppervlakkig geweld. De reis van Uxbal in Biutiful is een intieme ervaring. Intimiteit is als een nieuwe vorm van punk. Intimiteit is provocatief. Kijk om je heen, deze samenleving is ziek tot op het bot. We zijn met z’n allen zozeer verwijderd van elkaar geraakt, al ons contact verloopt langs electronische of virtuele weg of anders wel in een keiharde maatschappij waar mensen elkaar uitbuiten, bestelen of schrik aanjagen. Ik zeg het jullie: deze film, dit verhaal: het gaat om ons. Uxbal is vol licht, hij is bijna een boeddhist die op weg is naar verlichting, maar hij is ook simpel, een sjacheraar die zich met louche zaakjes bezighoudt. Hij is geen heilige, maar bezit wel een fundamenteel en nederig vermogen tot compassie. Hij leert zichzelf weg te cijferen ten behoeve van het lot van anderen, en hoewel zijn eigen lot bezegeld lijkt, merkt hij dat het hem juist helpt om zich van zijn loden last te bevrijden. Hij is een oude strijder die zich in het zicht van de nederlaag op weet te richten. En zich zo aan een veel groter echec weet te onttrekken. Zijn gesjacher en geploeter en zijn getourmenteerde leven, blijken uiteindelijk niet voor niets te zijn geweest.”

Op dit punt aangekomen, lijkt Iňárittu een deel van de talrijke bewonderaars uit zijn publiek van zich te vervreemden. Is de briljante regisseur soms een hippie geworden? Een softie? Iemand die eenmaal thuisgekomen, lurkt aan een hasjpijpje?

“Luister,” reageert Iňárittu. Hij ratelt voort, één brok bevlogenheid, hier en daar struikelend over zijn Engelse zinnen. “Uxbal ging voor lange tijd gebukt onder de lasten van het leven. Hij droeg, zo leek het wel, het lot van de wereld op zijn schouders. Hoe dat zo gekomen is, weet hij zelf ook niet. Hij vraagt uiteindelijk om vergiffenis. Of de omgekomen Chinezen hem die verlenen, en wat dat nu betekent voor Uxbal of voor ons, zal iedere bezoeker voor zichzelf uit moeten maken.”
Een essentiële bijdrage tot de magie van de film, levert het camerawerk van Rodrigo Prieto. Die weet het keiharde en troosteloze leven in de Santa Coloma enclave in Barcelona, waar het kolkt van de illegalen uit alle windstreken, in zon en schaduw, met felle en grove penseelstreken, een Goya-achtige kwaliteit te geven. De stad heeft niks meer van de pittoreske postkaart-charme die Woody Allen zo vrolijk bijeen trachtte te plakken in zijn comedy of errors “Vicky, Christina, Barcelona”’ die hier twee jaar geleden ook al zijn première beleefde. Met ook daarin trouwens een uiterst overtuigende rol van Javier Bardem, als kunstenaar en latin lover, die (onbedoeld of niet) het hart op hol doet slaan van twee Amerikaanse vriendinnen die een zomer lang de stad bezoeken.
Cameraman Prieto portretteert Santa Coloma als een slagveld, waar voortdurend culturen botsen, mensen jakkeren, illegalen zich als insecten in nissen verschuilen, en waar met de gierende komst van hele cordons vreemdelingenpolitie, de straten ook soms echt in een drijfjacht veranderen. Waarbij de Senegalezen doldriest worden klemgereden door ordetroepen die met hun wapenstok tekeer gaan als een op speed en red bull klaargestoomde cohorte troglodyten. De razzia levert een van de meest angstaanjagende taferelen op uit de hele film, waarbij nietsvermoedende toeristen tijdens de opnamen ongetwijfeld door een wat satanische regisseur moedwillig moeten zijn verrast door een dertigtal over tafels, stoelen en pafferige lijven heen vluchtende Afrikanen. Alsmede door de drijfhonden met hun wild in het rond meppende ritmeesters, die geen bot ongebroken wensen te laten. Een danse macabre die in de tiende versnelling wordt vooruitgespoeld, waarbij vergeleken de achtervolgings-scènes uit The Jason Bourne Trilogy lijken te zijn opgenomen in het tempo van een hangdans van The Scorpions op de vloeren van een Hardrock Café.
Het ontroerendst vind ik Prieto’s opnamen van een zwerm spreeuwen die – als een aankondiging van Uxbal’s op handen zijnde passage naar een andere wereld – hem tekenen lijken te geven in de stuurse najaarshemel van een afgekoeld azuur. Het is of de vogels letters schrijven in de hemel, die Uxbal op de een of andere manier in staat is te lezen. De overheersende toonkleuren in Biutiful zijn donker, grijs en grimmig. Er heerst een permanente dreiging in, boven en onder de stad. Die schudt, ronkt en rommelt als een vulkaan die zich rondom de krater in haar eigen brokken lava heeft verslikt.
De enige scène die zich afspeelt in een sfeer van felle kleuren, is er een waar een radeloos vertwijfelde Uxbal voor enige momenten troost zoekt bij het gezelschap van zijn coky broer, een nachtclubeigenaar die even onoprecht is als de glimmende extase van de partyladies waarmee hij zich in zijn leren hoekzetel pleegt te omringen. Het is hier, naast een Oost-Europees hoertje dat hem vraagt waarom hij niet vrolijk is en of hij niet nog een snuifje cocaïne wil of een dansje met haar wil wagen op de door stroboscooplicht en laserkanonnen geanimeerde discotheekvloer, dat hij voor het eerst aan iemand bekent dat hij leidt aan een terminale vorm van kanker die is uitgezaaid in bloed en lever. En dat hij dus waarschijnlijk niet meer lang te leven heeft. Het meisje blijft hem aangrijnzen met een stationaire glimlach, waarschijnlijk heeft ze geen woord verstaan van wat hij bekende.
Temidden van het bruisende leven in de disco, de met tepels versierde blote konten van de paaldanseressen, de drank, drugs en bonkende dance die door de ruimte schalt, is het alsof Uxbal er voor het eerst vrede mee kan krijgen dat het leven weldra zonder hem zijn voortgang hebben zal. Dat de wereld ook zonder hem wel als een dollemolen rond zal blijven spinnen rond zijn as. Er gaat een knop om in Uxbal’s bewustzijn. Hij besluit niet meer te sjacheren, maar met geheven hoofd en een gerust gemoed zijn immanente nederlaag in dit aardse strijdtoneel tegemoet te treden.


Leven en dood maken deel uit van dezelfde elementaire cyclus van generatie-degeneratie- putrefactie-regeneratie, waar de vredestichtende oude Griekse filosoof Empedokles al in de vijfde eeuw voor Christus over schreef in zijn leer over de vier elementen: vuur, water, aarde en lucht. Empedocles geloofde in zielsverhuizing en zei dat hij eerder zowel een jongen als een meisje, een struik, een vogel en een vis was geweest. Volgens mij pleegt Iňárittu een verwijzing naar Empedocles, als de handoplegster Uxbal twee stenen overhandigt met de opdracht om die voor zijn dood als een geschenk weer door te geven aan zijn zoon en dochter.
Voor het eerst begrijpt Uxbal, wat het is dat de handoplegster eigenlijk van hem vraagt. Of hem niet vraagt, maar hem voor de keus stelt. Iňárittu’s protagonist beseft dat hij zich op een drempel bevindt tussen lichamelijke ziekte en geestelijke verlossing. Tussen gravitatie en levitatie. Tussen het ik en het wij. Het Een en het Al. De kijker die zich door de Mexicaanse beeldmagiër mee laat voeren naar dit punt van inzicht en verlichting – dat in het gemoed van Uxbal helaas pas in wil treden na een jammerlijke dosis smart, pijn, conflict en levenslessen (Empedocles’ wet van Tweespalt en Hereniging), die merkt dat hij daarna ook zelf wordt aangespoord om een kijkje te nemen over de drempel die de regisseur zijn held laat oversteken. Een chilling experience, die bij mij de rillingen over mijn rug deed lopen. En bij vele anderen vrijelijk de tranen lieten opwellen. De Nederlandse tv-journaliste die tijdens de persconferentie bekende dat ze het laatste half uur van de film haar ogen geen seconde droog had weten te houden, kon rekenen op een instemmend en tevreden gegrom van de Mexicaanse regisseur.
Op de drempel tussen het toilet en de bedompte slaapkamer, ergens halverwege bed en vloer, zijgt Uxbal uiteindelijk ineen, al bloed pissend en kotsend, om – na een liefdevolle opmerking tot zijn dochter – geruisloos te voldoen aan wat de Chinezen (bij wie Uxbal vergiffenis moest vragen) noemen “Ai Zi” – het uitblazen van de laatste ademtocht. Ik ben verschillende keren getuige geweest van het verscheiden van een dierbare. Bij het sterven van mijn vader raakte ik zo in paniek toen ik het definitieve einde voelde naderen, dat ik besloot zijn laatste stoten lucht op te nemen op een cassetterecorder. Ik wilde plotseling perse iets tast- of hoorbaars van mijn vader overhouden, nu hij voor mijn ogen bezig was om te verdwijnen.
De blik die me na dit moment van laatste ademtocht alsnog door Alejandro González Iňárittu wordt gegund op Uxbal’s ziel die zich peinzend, verwonderd, kalm, vanaf de grond en het achtergelaten lichaam verheft tot op de radiator, was mij nimmer eerder zo gegund. De tranen die komen zijn er geen van verdriet, maar van het besef “wat nu eigenlijk de prijs is geweest” die Uxbal voor zijn offer heeft op moeten brengen. En tegelijkertijd tranen van voldoening voor de rust, het licht en de kalmte die onze held dan eindelijk gegund zijn. Gedaan met het gejakker, gesjacher, geploeter, gefoeter, gejaag, geplaag, gezever. Eindelijk is Uxbal in staat om zich te richten op de geheime songlines van de tijd waar het in dit universum ooit allemaal werkelijk om schijnt te zijn begonnen. Zie weer: Empedocles, in zijn traktaat Over de natuur:.
‘Nooit komt er een einde aan de voortdurende wisseling van de elementen, die nu eens door Liefde allemaal tot één samenkomen en dan weer, stuk voor stuk, door de vijandschap van de Tweespalt van elkaar wegvliegen. In zoverre op deze wijze het ene uit het vele ontstaat en uit de splitsing van het ene weer het vele voortkomt, ontstaan de dingen en hebben zij geen eeuwig leven. In zoverre hun voortdurende wisseling niet ophoudt, zijn zij eeuwig en bevinden zij zich in een ongestoorde en rustige kringloop.’

Nogmaals – voor de laatste maal beloof ik – keer ik terug naar die verbluffende slotscène uit Alejandro González Iňárittu’s film die de Gouden Palm van het 63ste Filmfestival in Cannes beslist had moeten winnen. Twee verwanten, broers of neven, vader of zoon, grootvader of kleinzoon, maar misschien ook wel twee boezemvrienden of strijdmakkers uit de tijd van Franco’s Falangisten en de anti-fascistische brigades… Daar staan zij, tussen de dennenbomen in het besneeuwde bos. Je ziet dat ze genoegen scheppen in elkaars gezelschap. Ze hebben geen haast. Ze nemen een trekje van hun sigaret, kijken wat rond. Halen een oude anekdote aan over een verre neef van hen die ooit iets doms deed. Ze lachen. Dan, ineens, wordt een van hen iets gewaar dat zich verderop bevindt. Ergens, elders… “opzij van het kijken”, zou Gwy Mandelinck zeggen – de oude bezieler van Watou en dichter van het rauwe West-Vlaamse land en de schorre emotie. Wat is het dat deze twee mannen van hooguit dertig, veertig jaar, daar plotseling in hun blikveld krijgen?
Wat is het dat ons tweetal ziet, daar in dat bos?
Tijdens de persconferentie suggereert Iňárittu zelf het antwoord. Wat ze zien, is een manifestatie van de Hoop.

© Serge van Duijnhoven

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s