Katje min, katje weer

enige overdenkingen bij een notitie van A.F.Th.:
« wij doden de tijd, de tijd doodt ons . Gelijk oversteken…»

Als de mens al ergens een bewijs van is, dan is het wel van zijn onmacht om iets wezenlijks te bereiken in het licht van de naderende dood… Tegen zijn vriend Freddy de Vree verkondigde de even bewonderde als gevreesde romancier W.F. Hermans ooit: ‘Men zegt wel, het leven is een labyrint, in die zin dat het leven zou bestaan uit een zeer moeilijke som, waar je uiteindelijk bij de oplossing moet geraken. Maar in het centrum van dat labyrint, daar is naar mijn mening niks… niks… de juwelen van zo’n labyrint vindt men onderweg, soms aan de periferie, niet in de kern. Dat is wezenlijk voor het menselijk leven.’

RILBIBBER

Misschien geldt dit existentialistische principe ook ten aanzien van wat wij zo zoetgevooisd plegen te omschrijven als ‘de liefdesdaad’, meer specifiek het hengsten en kezen en wippen en rammen en doorboren of doorboord worden tot men erbij neervalt of leegloopt of doodbloedt – of in ieder geval tot men een climax bereikt of orgasme beleeft en de lust en ‘rilbibber’1 in ons lijf voor even weet te bezweren . Het galopperen richting de eindspurt van bevrediging en metastase, betreft een tamelijk primaire en egocentrische bezigheid (zoals eten of slapen), waar de mens behalve tegemoet te komen aan een van zijn levensbehoeften toch nog een uitermate gecompliceerd en electrisch geladen intrige van verleiding, vervulling en misleiding (‘spel van naald en draad’) van heeft weten te maken.
De dwaal- en omwegen die we op onze verknipte en verneukeratieve strooptochten in het biologische liefdestraject afleggen, zijn menigmaal spannender en verrassender dan de plompe geestelijke en lichamelijke verrichtingen die recht op het doel afgaan en er allicht in slagen de sexuele onrust voor even tot bedaren te brengen. Dekhengst of dichter, tankgirl of bakvis – tijdens onze dwaaltochten in de liefde vervullen we allemaal een ambivalente rol: die van jager en opgejaagd wild. Ook de meest vrijpostige exploten van de foeragerende mens die op zoek is naar een prooi om te verschalken, gedragen zich alsof ze ergens voor op de vlucht zijn. Jakkeren voort alsof niet zij de geexalteerde rovers zijn, maar de onzichtbare vijanden die hen op de hielen zitten. Alsof niet zij de boel op stang jagen, als wel een stalker die een stinkende bries in hun nekvel blaast. Aan het gehijg en gekreun kan men afleiden dat de schoft die hen hardnekkig lastigvalt en besluipt, vlakbij moet zijn – of wellicht al bezit van hen heeft genomen.


Als het genot is binnengehaald en het ooft op de velden is platgemaaid of kaalgeplukt zoals bij de augustusoogst – neemt een leegte bezit zowel van de minnaars als van de ruimte. De hitsige cq. hectische keten van ‘actie en reactie’ mondt uit in een vacuum dat door de orgiastische mens merkwaardig genoeg niet als leegte of gemis wordt ervaren. Zelfs niet als een ongemak of ergernis. Verre van. Het vacuum dat op ieder hoogtepunt volgt – zoals na een keer uitademen de longen onvermijdelijk weer beginnen met het inademen van verse lucht – vervult de verzadigde minnaar met een loom gevoel van welbehagen. Het gevoel van een volle maag. Merkwaardig, aangezien hij zich zojuist van een bijzonder energierijke hoeveelheid zaad heeft ontdaan.
Het vacuüm dat volgt op het orgasme, stolt in de tollende cementmolen van de bloedbaan onvermijdelijk tot een stroperige brei van welbehagen, loomheid en voldoening. Een uitermate bedwelmende, verslavende en indoctrinerende cocktail van primaire sensaties die, hoe kortstondig het hoogtepunt ook moge zijn, lichaam en geest een pesterig voorproefje lijken te willen bieden van het ‘moment buiten de tijd’, de belofte van het nec plus ultra die de profeten der verlossing waar ook ter wereld hun volgelingen voorspiegelen – een beetje zoals boeren hun ezels in beweging proberen te krijgen via de beroemde truc van de stok met de wortel die men voor de snoet van het muildier aan een touwtje laat bungelen. Ze hopen natuurlijk dat hun kwezeltjes net zo dom op de wortel af blijven happen, als de ezeltjes uit de overlevering. Tot de clerici de meute precies hebben waar ze haar hebben willen: voor de poorten van het paradijs, bij de ingang van het nirvana, het walhala, de hemel (of welke tolbrug de stalmeesters ook in petto hebben voor hun balkende zieltjes waarmee ze – gezeten op hun rug – de eeuwigheid tegemoet denken te kunnen sjokken).
Natuurlijk snakken de koppigsten ernaar het ongewenste gezelschap van hun ruggen te slingeren. Ook zullen ze het hartgrondig zat zijn om als leeghoofdige muildieren nog langer achter een stupide peen die op en neer danst aan een touwtje, aan te moeten hobbelen. No More Chains – Please!!! Of men nu gewag maakt van mensen, dieren of mensdieren, geen van allen heeft de plicht zich voor de kar te laten spannen van de valse slavendrijvers.

RUILHANDEL

Geen enkel wezen heeft een schuld groter om te lenigen dan het kapitaal van zijn bestaan. A.F.Th., de grote romancier, schrijft in zijn nauwgezette dagboeknotities die de Arbeiderspers in 2003 onder de titel Engelenplaque uitbracht in hun reeks Privédomein (d.d. 12 november 1998): ‘Het is de oudste vorm van ruilhandel: Wij doden de tijd, de tijd doodt ons. Gelijk oversteken…’

A.F.Th. geportretteerd door zijn inmiddels helaas overleden zoon Tonio

Zaken als de verlossing van de menselijke ziel of de voltrekking van het Laatste Oordeel, zullen Leenheer Tijd een rotzorg zijn. Op meededogen hoeft geen mens te rekenen. Maar tegelijkertijd zal deze oerkracht van de pachters op aarde nimmer meer opeisen dan Hem toekomt.. Geen enkel wezen heeft de morele of godsdienstige verplichting om zorg te dragen voor het lenigen van een schuld die groter is dan zijn bestaan vanwege de collectieve last der ‘erfzonde’. De Natuur kent geen goed of kwaad, slechts overwinnaars en verliezers. Zij die omkomen, zij die overleven.

Geen wezen hoeft bang te zijn dat hij de zegen van het paradijs mis zal lopen, als hij niet alle dagen bij wil dragen aan het uithakken en stapelen van stenen in de groeve van het strafkamp waar boven de poort geschreven staat: ‘Arbeit macht Frei’. Als hij insubordinaat is en recalcitrant en vastberaden genoeg om het werk neer te leggen en zich los te maken uit de maatschappij die net als in het dierenrijk haar ondergeschikten veroordeelt tot een levenslange dwangarbeid ten nutte van de alfa-baasjes. Het prikkeldraad rondom het kamp is onder stroom gezet met onze leugens over God en Orde en de economische heilsleren van Nut, Nijverheid en Vooruitgang.
Insubordinaat is degene die zich denkt te kunnen onttrekken aan de gangbare loop van de dingen en de orde van de Tijd. Op die manier is ook de liefdesdaad een daad van rebellie, omdat haar hoogtepunt zich afspeelt gedurende een moment suprême ‘buiten de tijd’. Wie eenmaal geproefd heeft van de geneugten die de ‘kleine dood’ (zoals Batailles het orgasme karakteristiek omschrijft) voor ons in petto heeft, weet diep van binnen dat hij eigenlijk niet meer anders wil. In hem knaagt voortdurend het verlangen om terug te keren naar de piekachtige plek in het bestaan ‘waar geen land meer achter ligt…’ De biologische bergtop van de metastase, zaligheid, stilstand van de tijd. Met deze ervaring voor ogen, wenst hij niet langer als de eerste de beste Zwartepiet achter de goedheiligman aan te hollen en sjokken. Zijn eisenpakket is simpel: hij wil niet meer zo onhandig hunkeren als een loopse teef of kwijlende hond, niet meer zo plompverloren worden blootgesteld aan de nukken en grillen van het weerspannige instinct. En ook wenst hij een flink part van zijn verantwoordelijkheid af te schudden als het gaat om de schaamte en schade die worden toegebracht aan leeftijdgenoten (en derden) die te maken krijgen met de perikels, speldeprikken en strapatsen van de kwelduivel Eros (de lustvolle en plagerige sater van Aphrodite). Hij wil, kortom, bestendiging van de toestand buiten de tijd, de toestand van extase, het ultieme, hij wil een zo efficient en extreem mogelijke verlenging van de toestand van ‘de kleine dood’.

‘Laat mij mogen hopen de ogenblikken opnieuw te beleven, waarin wij het geluk wisten vast te houden, zonder het aan illusies te ketenen, waarin wij de liefde de blinddoek van de ogen rukten en haar noodzaakten haar fakkel te laten schijnen over de verrukkingen waar zij jaloers op was.’
Choderlos de Laclos, Les liaisons dangereuses (Burggraaf de Valmont aan markiezin De Merteuil XV, Deel I)

Bevrijd de libertijnen, O ongenaakbare wulpse en wellustige Vrouwe van het Leven, van de last van het lichaam, van de ballast van het bewustzijn. Bevrijd hen van de tol van hard labeur en van de sleur van het bestaan. Laat hen de ervaring gewaar worden van volmaakte vrijheid, levitatie, ongenaakbaarheid. Een zegen die pas kan worden gegeven, als er een knetterende kortsluiting is ontstaan in het aaneengesloten circuit van zenuwbanen. Als de stroom uitvalt en het licht uitgaat, en het grote feest dan eindelijk een aanvang kan nemen omdat de vrijbuiters in spe pas in het pikdonker wis en waarachtig uit hun schulp durven kruipen. Bevrijd de libertijnen, Amors Schutsdame, jaag de bezem door hun jeukende leven (rigoureus, als betrof het stofmijt die men met een mattenklopper uit wat onfrisse kloffies dient te rammen). Geef de jankende honden en loopse teven de gezegende toestand terug van het allereerste orgasme, toen de opwinding hen heel even helemaal van de grond tilde en liet zweven. Geef hen het paradijs terug van de metastase dat ze als verguld in hun geheugen hebben gegrift. Laat hen de gunst van het magnifieke moment dat zich uitstrekt in de diepte en breedte van de tijd en de ruimte (secula seculorum!)!
(…)
Plezier, dat is de beloning die het lichaam zich bij stond en wijle mag getroosten, in ruil voor bewezen diensten aan moeder natuur… Het is het zoethoudertje van de baas die zijn beesten slim heeft afgericht. Het zijn de suikerklontjes voor het getrouw dravende paard. Het is het zondagse verzetje dat de mijndirecteur zijn kompels toestaat, na een week van gezwoeg en geploeter onder de grond. Het is de fooi die de filiaalmanager het winkelpersoneel laat opstrijken voor de uren, dagen, jaren dat ze de tent mee draaiende helpen houden. Het is het schamele knuffeldier onder de lakens, het prullarium van anderhalve cent waarmee de louche baas zijn klanten afscheept in zijn schietkraam op de kermis. Het is de spreekwoordelijke scheet in het netje, het kwakje zaligheid van drie en een kwart tel. Het is het kluitje waarmee uiteindelijk iedereen het riet in wordt gejaagd.
Van de natuur kunnen we het niet winnen, maar we kunnen wel een beetje plezier beleven aan de pokertafel waar de Tijd speelt voor croupier. (…)
Eens zullen ook onze lichamen aanspoelen, ergens aan de andere oever van deze rivier…

EMPEDOKLES

Een citaat dat zeker in het gouden kastje mag om er op ieder gewenst moment opnieuw en opnieuw naar te kijken, betreft voor mij een fragment van de Griekse filosoof Empedokles, over de tegengestelde oerkrachten in onze kosmos waartussen de elementaire flux van het leven in dit universum zich in eindeloze cycli pleegt voort te bewegen: Tweespalt en Liefde.
 

‘Nu eens komt alles door de liefde in eenheid tezamen, dan weer scheiden alle dingen zich van elkaar door de haat, die aan de strijd ten grondslag ligt. In zoverre op deze wijze het ene uit het vele ontstaat en uit de splitsing van het ene weer het vele voortkomt, ontstaan de dingen en hebben zij geen eeuwig leven. In zoverre hun voortdurende wisseling niet ophoudt, zijn zij eeuwig en bevinden zij zich in een ongestoorde en rustige kringloop.’
– Empedokles, Over de natuur 


  
Een diepe wijsheid even kompakt geformuleerd is als een universele natuurkundige formule. Een die behalve voor de kosmische krachten, beslist ook geldigheid heeft voor krachten op kleinere schaal. De onverzoenlijke machten waaraan ook wij mensen in ons alledaags bestaan vaak ten prooi zijn, het springtij waarin we – temidden  van de deining van de liefde en de golven van de haat, geregeld kopje onder gaan. De wisselwerking tussen het Een en het Al die Empedokles in vier verschillende elementen ontleedde (Aarde, lucht, water en vuur waren volgens Empedokles de vier wortels of elementen van alles. Het bijeenbrengen van de elementen door Liefde leidde tot het ontstaan van de levende wezens. Het sterven was de door Haat veroorzaakte scheiding.) vertaalt zich voor onze quasi-intelligente zoogdiersoort in een cyclisch laveren tussen de tegengestelde polen van geboorte en dood, liefde en haat, bloei en neergang, putrefactie en osmose. Heen en weer, heen en weer, als was onze geest niet meer dan de pendule van een driftig tikkende antieke staande klok. Empedokles’ fragment beslaat het ganse domein gaande van de liefde, zowel in spirituele als biologische zin; het verlangen naar harmonie en de drang tot voortplanting. Maar het beslaat ook het tegendeel: de wrok, de haat, de oorlog, strijdlust, vernietigingsdrang. De verzen van de filosoof beschrijven niet alleen de theoretische grondslagen voor de werking der elementen, ze bieden tevens inzicht in de gedragingen van de ruwe en rauwe cohorte van tweebenige primaten die met mes en vork heeft leren eten, en ook verder meent te moeten excelleren in de wedijver der private organismen. Geestdriftig houden de plaagdieren zich onledig met intriges, rumoer, slinkse of achterbakse handelingen, snode plannen, pesterijen, kuiperijen, wrede streken, bloeddorst, machtswellust. Het is in deze laatste context dat ik het citaat van Empedokles heb gebruikt als motto voorin mijn dichtbundel met cd Bloedtest (De Bezige Bij 2003):

Omslag Bloedtest (Dichters Dansen Niet, De Bezige Bij 2003)


 
“… ken ik de ziel niet
wil ik de ogen

ken ik de nek niet
wil ik de mond
 
wee wie ooit zinderend van ziel versmolt
wee wie ooit zoals de wereldzee verdroogde
 
schroomvallig geven we ons over
lopen met de ogen open in de val
 
drinken van het vocht
dat geen dorst lest
 
baden in de poel
die ons niet wast
 
niets is wat het lijkt
en niets blijft gelijk
 
de rivier niet die voorbijtrekt
noch het vleesnat in ons lijf
 
noch het water dat ons
nader tot de lippen
 
noch de hoop die
op de klippen slaat
 
de tederheid is ongenegen
de zuiverheid bevlekt zichzelf
 
en ook rechtschapenheid
liegt niet volmaakt
 
wat schoon is verloedert
wat rein is bederft
 
wat zoet is verbittert
wat goed is vergalt (…)”
 
(fragment uit het gedicht: “Luister en vink”, Bloedtest (De Bezige Bij 2003))
 
Empedokles (492-432 v. Chr.) leefde op Sicilië, in Agrigento. Zijn leven lang heeft de vulkaan de Etna in zijn blikveld gestaan, een stoere kegel met verweerde flanken waaruit vuurspranken laaiden. Op dat eiland werd Empedokles omringd door de elementen: het water van de zee, de lucht van het uitspansel, het vuur van de vulkaan en de vruchtbare aarde om hem heen. Omsloten door zoveel natuur, waar hij ook keek, waarheen hij ook ging, moest hij die natuur wel proberen te doorgronden. Hoe onstaat water? Waar komen de sterren in het uitspansel vandaan? Empedokles nam zich zijn geleerde leven te besluiten met een alchemistische meesterproeve van zijn geniale kunne; omdat hij wilde bewijzen dat zijn kennis niet slechts van menselijke maar bovenmenselijke aard was, trachtte hij zichzelf als een soort bovennatuurlijk wezen in rook te doen opgaan door zich met huid en haar in de vlammende krater te werpen. Een goddelijke verdwijntruc, die zijn effect niet miste. Helemaal spoorloos verdwijnen kon hij niet, want de vulkaan schijnt in een koppige bui Empedokles’ ijzeren sandaal weer uit te hebben gespuugd. God of geen god, geleerde of waanzinnige: Empedokles was vastbesloten terug te keren tot de elementen, die hem zijn filosofie hadden ingegeven. Hij wilde één worden met het hem omringende. De tijdloze majesteit van de natuur.
     Dat laatste is hem gelukt. Empedokles is in rook opgestegen tot het domein van de onsterfelijken. Ontbinding in factoren.
 
 
LEENHEER TIJD

ontbinding is accijns
die wordt geheven

op de tolweg van het Zijn
het is de opbrengst

die we af moeten staan
aan Leenheer Tijd

voor de plek die we innemen
op deze aarde

het is de pacht die we betalen
voor de duur van ons bestaan

(…)

Vroeg of laat komt de brute pachter van Heer Tijd zijn recht opeisen. Hij laadt ons lichaam op de mestkar, als aflossing voor de lening die wij bezitlozen bij Hem zijn aangegaan. Geen respijt. Alle rekeningen worden vereffend, alle interesten worden berekend en geincasseerd, alle leningen worden netjes terugbetaald, alle boeteclausules toegepast.
Ons lichaam geldt – samen met de ziel die erin huist – als onderpand. Als de lener in gebreke blijft, wordt zijn woonst verbeurd verklaard. Zijn lichaam per opbod verkocht aan de sjacheraar die handelt in verval, inboedels, erfenissen, pandjes, pakken, serviezen. De voddenman en schillenboer met zijn mestkar en laadwagen die naar lijken ruikt. De schroothandelaar die fortuin maakt met afgedankte karkassen, onttakelde lichamen, ontvliede zielen, gouden tanden, vullingen, rottend vlees, bedorven resten, slachtafval, knoken en knopen …

“Le temps est comme un sabre; si tu ne le piques pas, il t’attaque.”
– proverbe Arabe

Kon ik maar leven in het vacuum van de tijd
de klok stilzetten, de goede momenten laten duren

maar het leven kolkt verder en voorbij
zoals het vliedende water in de rivier

je kan de tijd niet beetpakken, je kunt hem niet vatten
als een kat bij de staart

zelfs niet bevatten, je kunt
hem hooguit loslaten

hoe krijgen we grip op de tijd?
Hoe leven we er IN en niet er NAAST?

hoe besturen we het schip
in plaats van erdoor te worden overvaren?

door ons nietig te maken, of juist zo groot en ijl
en ledig als de hemel die ons omringt?

vandaar dat wij ons zo nijver
door het leven voortbewegen

het is geen luxe- maar een halszaak; het heft is immer boven onze hoofden

geheven. Kop eraf voor wie zich
al te ledig, hoogmoedig of voorzichtig

opstelt. Wie de tijd niet zelf tegemoet treedt
komt onherroepelijk ten val

maar: hoelang kunnen we
dit universum een stap voor zijn?

wanneer breekt de analogie
tussen lichaam en geest

is de eenheid doorkliefd
door het tweespaltig zwaard?

het is en blijft een gevecht
op het scherpst van de snede

waarin ieder van ons
ongevraagd verzeild is geraakt…

‘ook dat wij leven was niet ónze keus’
het is te allen tijde eronder of erop

het podium, of de strop
wij doden de tijd, de tijd doodt ons

katje min, katje weer. Een
kwestie van gelijk oversteken

* Katje min, katje weer = een uitdrukking in het dialect van De Panne (kustgemeente in West-Vlaanderen), dat zoveel wil zeggen als “nu eens dit, dan weer dat…”

© Serge van Duijnhoven, Brussel 2010

3 reacties

  1. Staat misschien de tijd stil en vliegen wij vooruit?

    • Da ’s een goeie. Misschien is het met de tijd net als met die Franse omschrijving van het geluk: “cette etrange chose, qui n’existe pas. Et pourtant un jour n’est plus…” Dat vreemde ding dat niet bestaat, en er toch op een dag niet meer is.

      • Jeroen Olyslaegers schreef me vandaag 28.06.10: “nee,
        er is geen gevecht met de Tijd. Tijd is een illusie die met haar
        sluiers van heden, verleden en toekomst onze ziel afsnijdt van de
        ketting van DNA die ons verbindt met alles. Voor mij is de dood een portaal, altijd geweest”. Toevallig lees ik net bij Borges het tegenovergesteld…e: “Tijd is de substantie waarvan ik ben gemaakt.” Vishnu revisited. Wie heeft gelijk?

        Hier de hele mail van Jeroen:

        Jeroen Olyslaegers schreef op 28 juni om 12:00 :

        goede, goede vriend:

        driewerf nee.
        nee, we zijn geen geboren slachtoffers. we leven in een tijd van slachtoffers, dat wel. het rationalisme en een te grote gehechtheid aan materie (waarbij het materialisme zowel ‘matter’ als ‘mater’ en dus moederbinding herbergt) heeft van ons allen slachtoffers gemaakt, het domein van de verbeelding gereduceerd tot de speeltuin van de kinderen, de verbinding tussen hemel en aarde weggelachen, en ironie als het laatste schamele verzet verheven tot norm voor ieder die zich intellectueel noemt. de brandende ambitie om een slachtoffer te zijn is de laatste fase van ieders opgeblazen, tot knappens toe gestimuleerd ego. we omarmen de apocalyps als onze eigen ramptoeristen (zoals Sloterdijk zegt in zijn essay Woede en Tijd).

        nee, er is geen gevecht met de Tijd. Tijd is een illusie die met haar sluiers van heden, verleden en toekomst onze ziel afsnijdt van de ketting van DNA die ons verbindt met alles. de tragedie, zo je wil, is dat alles doorgaat, altijd verder en dat we ons daarmee dienen te verzoenen. voor mij is de dood een portaal, altijd geweest. en menselijk bewustzijn is een faze, dat ook. het gaat altijd verder, voorbij het menselijke ook. maar dat wil niet zeggen dat we ons er moeten bij neerleggen dat alle mogelijkheden zijn uitgeput. integendeel.

        nee (en aansluitend bij de vorige paragraaf), ook de menselijke waardigheid is een dekmantel voor het ego dat zich geconfronteerd voelt met het grote Niets. ik zie geen Niets, echt niet. ik zie een eindeloos veld van Mogelijkheden waarbij ik zelf nietig ben, maar waar de Verbeelding die in mij huist alles overschouwen kan.

        je bent een dichter, Serge. je zou een nazaat van Orpheus mogen zijn en niet noodzakelijk van Prometheus. Prometheus zag de wereld als middel, Orpheus aanschouwde diezelfde wereld en zag magie.

        ik lees je en zie een mens die al te gretig de inhoud van de doos van Pandora over de mensheid heen ziet dalen. je vergeet dat er buiten rampen en verderf ook nog hoop in die doos zit. en ja, hoop kan een kwelling zijn. maar het blijft hoop. het blijft magie.

        driewerf nee dus en één keer ja:

        met een vingerknip kan je met andere woorden een held worden in plaats van een slachtoffer.
        het genuanceerde nihilisme van Hamlet is mij dierbaar, maar de magiër Prospero maakt mij rijker.

        jij bent een kunstenaar, net zoals ik. wij zijn de laatste helden in een wereld die geen helden meer tolereert.
        laat dit niet van je weg nemen…

        warme groet
        jeroen


Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s