Vishnu’s amuse gueule en Ah-Pook’s lekkernij

essay van Serge van Duijnhoven

over de hernieuwde angst voor een op handen zijnde nucleaire apocalyps, de kristallijnen traan van Robert “Doctor Atom” Oppenheimer, over Ah Pook de Vernietiger, de problematische betekenis van het getal nul in de Mayacultuur, over Lucy Walker’s langverwachte documentaire Countdown to Zero, het utopisme van de Global Zero Movement en de ultieme poging van de mens om zich te verlossen van het nucleaire kwaad. Is het twee voor twaalf? Een moment voor nul? Of is het al te laat?

een beschouwing n.a.v. de documentaire COUNTDOWN TO ZERO van Lucy Walker, Lawrence Bender en de Global Zero Movement, die vanaf 23 juli as. in de Verenigde Staten en Europa in de grote filmzalen te zien zal zijn.

trailer van de film Countdown to Zero:

http://www.festival-cannes.fr/en/mediaPlayer/10332.html

“It is perfectly obvious that the whole world is going to hell. The only possible chance that it might not is that we do not attempt to prevent it from doing so.”
– Robert Oppenheimer, citaat uit het boek Play to Live (1982) van filosoof Alan Watts.

Mijn geschiedenisprofs op de Universiteit van Amsterdam, waar ik van 1989 tot 1995 studeerde aan de afdelingen culturele, sociale en contemporaine geschiedschrijving, doceerden dat iedere generatie vroeg of laat geconfronteerd wordt met het onvermijdelijke existentiele trauma ten aanzien van de mogelijkheid van de nucleaire vernietiging. Het zwaard van Damocles dat sinds de uitvinding van Robert Oppenheimer’s atoombom in de jaren veertig, over de nekken hangt van onze ganse en gedurende vele millennia tot stand gebrachte menselijke beschaving.  In de jaren tachtig – de slotfase van de Koude Oorlog – liep ik samen met mijn meestal al wat oudere leeftijdsgenoten van de middelbare school, alsmede talloze ongeruste tegenstanders van de volkomen uit de hand gelopen nucleaire wapenwedloop in Amsterdam, Brussel, Bonn, London en Den Haag, massaal te hoop in door de Vredesbeweging gecoördineerde marsen tegen de bom. We droegen slogans mee op spandoeken als “Alle kernwapens de wereld uit, te beginnen uit Nederland”, “Liever een Rus in mijn bed, dan in mijn tuin een kruisraket”, “Ban de Bom”, “Vrede Nu”, en talloze slogans van dien aard die allemaal een uiting waren van een reëel gevoelde angst dat de krankzinnige militaire strategie van Mutual Assured Destruction (toepasselijk afgekort tot MAD) met tienduizenden kernwapens aan beide zijden van het IJzeren Gordijn, tot een daadwerkelijk nucleair Armageddon zou kunnen leiden.

           

Het was de tijd dat Doe Maar zong “en als de bom valt…”, dat pubers zich ostentatief tooiden in het plunje van de No Future, dat de wereld werd geschokt door beelden van de film The Day After, en dat anchorman W.L. Brugsma in zijn boek Europa, Europa onze planeet vergeleek met “een zinkend ruimteschip in de sterrenzee van de melkweg”, waar de enkele in diepe en donkere holen verscholen groepjes homo sapiens sapiens die de derde wereldoorlog zouden weten te overleven, hun volgende oorlog zouden uitvechten met stokken en speren. Angst was een modewoord dat in brede sociologische zin werd gebruikt voor een existentiëel onbehagen, welke de westerse mens als een loden mantel over zijn eigen schouders gedrapeerd had gekregen. Er lag, in die tijd, een mooie toekomst achter ons…
           
Met het einde van de Koude Oorlog, verdampte ook het angstzweet dat ons zo lang op het voorhoofd had gepareld. Er werden verdragen gesloten tussen de grootmachten die de kernwapenarsenalen uiteindelijk halveerden.

Het aantal landen dat de beschikking had over kernwapens bleef echter groeien. De technieken van centrifuge om hoogwaardig uranium te verkrijgen dat nodig is voor het produceren van een atomaire bom, zijn steeds minder exclusief en – zoals ik een wetenschapper hoorde uitleggen -, de middelen om de basis te leggen voor het maken van een kernbom zijn sedert 1945 drastisch „gedemocratiseerd“.   
            Vijfentwintig jaar heeft de nucleaire koorts zich koest gehouden. Een kwarteeuw lang. De dreiging dat er toch nog een nucleaire catastrophe op de loer ligt is daarentegen – ondanks de reductieverdragen van de grootmachten – niet af- maar toegenomen. De computergestuurde veiligheidssystemen die ons moeten behoeden voor een onverhoopte lancering van raketten, zijn steeds ingewikkelder geworden. Er zijn raketten zoekgeraakt. Er is nucleair materiaal gesmokkeld. En er zijn naast belingerente naties als India, Israël en Pakistan, inmiddels ook onberekenbare terroristische organisaties die er alles voor over hebben om zo’n nucleair Doomsday-Machine in handen te kunnen krijgen. Osama Bin Laden heeft berekend dat er – op basis van al het kwaad dat de Verenigde Satan van Amerika in de afgelopen eeuw heeft aangericht – minimaal vier tot vijf miljoen Amerikanen over de kling gejaagd dienen te worden opdat de balans in Allah’s ondermaanse zielenbazaar weer enigszins zal zijn hersteld.
            De tijden voor een nieuwe nucleaire koorts lijken ophanden. De mogelijkheid dat een volgende bom op Times Square of in de metro van London, Parijs, Brussel of Berlijn wel eens van nucleaire aard zou kunnen zijn, bezorgt authoriteiten in alle grote wereldsteden steeds grotere kopzorgen. Tientallen, honderden, en inmiddels vele honderden meer of minder vooraanstaande wetenschappers, politici, activisten, zelfs legerofficieren en sympathisanten van over de hele wereld, hebben via onderling verbonden netwerken van think-tanks, lobbygroepen en vredes-organisaties, sedert enkele jaren het startsein gegeven voor een Global Zero beweging. Een soort 21ste-eeuwse variant op de Freeze, Vrede Nu! of Ban de Bom groeperingen die in de jaren tachtig het bloed onder de nagels vandaan haalden van rationale powerbrokers en communistenvreters. Met dien verschil dat het nu vaak juist de architecten en pleitbezorgers van de toenmalige Mutual Assured Destruction strategieën (Kissinger, McNamara, John McCain) zijn, die ijveren voor de nuloptie van „alle kernwapens de wereld uit“. Destijds een slogan die in Nederland was voorbehouden aan de alomtegenwoordige en immer strak in de plooi blijvende „geitenwollensokken redenaar in pullover en spijkerbroek“ Mient Jan Faber van het Interkerkelijk Vredesberaad IKV.
            Over precies deze problematiek heeft de jonge Engelse cineaste Lucy Walker nu een groots aangepakte shock-and-awe documentaire gemaakt, Countdown to Zero geheten. Een last warning genre-film, geheel in de trant van Al Gore’s An Inconvenient Truth uit 2006 over de opwarming van de aarde. „A fascinating and frightening exploration into the dangers of nuclear weapons, exposing a variety of present day threats and featuring insights from a host of international experts and world leaders who advocate total global disarmament.” Gesteund door een vijftigtal internationale organisaties en geproduceerd door Lawrence Bender, bekend als steunpilaar en geldschieter van Quintin Tarantino en de grote man achter – jawel – het educatieve docudrama van Al Gore.
Om de importantie van Walker’s film en de urgentie van het onderwerp te benadrukken, was er voor de recente wereldpremiere op het filmfestival van Cannes een indrukwekkende delegatie afgevaardigd naar de persconferentie, inclusief koningin Noor van Jordanië – voorzitster van de Global Zero beweging – en Valerie Plame Wilson – wier identiteit als CIA-agente vlak voor aanvang van de Irak-oorlog werd gelekt door wraakzuchtige Republikeinen uit het Bush kamp, die met haar wilden afrekenen omdat haar man, ambassadeur Wilson, in een krant had durven beweren dat het spindocter-verhaal van vanuit Niger naar Saddam Hussein gesmokkeld verrijkt iranium, tot het rijk der fabelen moest worden verwezen.
Drie jaar lang heeft Lucy Walker met een uitgebreide crew aan de documentaire gewerkt. En in die tijd heeft ze een schat aan overtuigend, verontrustend of ronduit ijzingwekkend beeldmateriaal weten te verzamelen. Bijvoorbeeld van atoomfysicus Robert Oppenheimer bij wie een traan in zijn linker ooghoek opwelt als hij voor een televisiecamera van NBC vertelt hoezeer zijn uitvinding van de atoombom al vanaf het begin (om precies te zijn vanaf het tenuitvoer brengen van de eerste proef in de woestijn van New Mexico (The Trinity Explosion, 16 juli 1945)) een verhaal uit de Bhagavad Gita bij hem in herinnering bracht. Oppenheimer refereert aan de sage waarin de Hindu-god Krisjna probeert zijn in sombere overpeinzingen weggezonken pupil Arjuna wakker te schudden door voor het eerst voor de prins te verschijnen in zijn huiveringwekkende, veelarmige gedaante Visjnu, pochend dat vanaf dat moment de krachten van Dood en Vernietiging een heersende centrale plek hebben gekregen in het universum. Oppenheimer: “We knew the world would not be the same after this. A few people laughed, a few people cried, most people were silent. I remembered the line from the Hindu scripture, the Bhagavad-Gita. Vishnu is trying to persuade the Prince that he should do his duty and to impress him takes on his multi-armed form and says, “Now I am become Death, the destroyer of worlds.” I suppose we all thought that, one way or another.” 1

The Trinity explosion, 0.016 seconds after detonation. The fireball is about 600 feet (200 m) wide. Trees may be seen as black objects in the foreground for comparison.2

Achtergrond van het verhaal uit de Bhagavad Gita, waarnaar door Robert Oppenheimer wordt verwezen in zijn beroemd geworden televisieinterview voor NBC in 1965:

De oude wijsgeer Krishna heeft zich ontfermd over de jonge krijgsheer en troonpretendent Arjuna. De prins dient in korte tijd te worden klaargestoomd voor de troon, en ondergaat tal van beproevingen. Krishna maakt zich rond het slagveld van Kurukshetra dienstbaar als Arjuna’s mentor, magister en “wagenmenner”. Arunja moet kiezen of hij ten oorlog wil gaan of niet. De vorstenfamilie Kauravas weigert hem als hun soeverein te erkennen en gemaakte afspraken over een soepele machtsoverdracht worden niet nagekomen. Krishna staat de prins met raad en daad terzijde. Gedurende de avonden in het legerkamp, vermaakt hij zijn vazal door hem het volledige verhaal van de Bhagavad-Gita toe te vertrouwen Arjuna wordt van een jonge onstandvastige krijger tot een ingewijde in de geheimen van het universum. “Will it be worthwhile, he asked himself, to annihilate his own kindred for the sake of a kingdom? Arjuna falters as the war is about to begin; he resorts to Krishna for guidance. It is at this juncture that Lord Krishna reveals the Bhagavad Gita to Arjuna. In it, Krishna deems it Arjuna’s duty to struggle to uphold righteousness, without consideration of personal loss, consequence or reward; the discharge of one’s moral duty, he says, supersedes all other pursuits, both spiritual and material, in life.” Om de kroonprins wakker te schudden uit zijn mijmerende staat – besluit Krishna zijn pupil een cocktail te bereiden van witte en zwarte magie. Hij verandert voor Arjuna’s ogen in Vishnu. Zijn vreeswekkende veelarmige avatar. De onnavolgbare. Acteur en regisseur. Krijger en verzoener. Charlatan en wetenschapper. Bedenker en vernietiger. Met zijn talloze vliegensvlugge vingertoppen kan hij het uitspansel van dit universum overal waar hij wil ondersteunen. Of – al naar gelang zijn luimen – in duigen doen vallen. Hij is de god van dood en leven, creatie en vernieling.

Krishna toont Arjuna Zijn universele gedaante van Vishnu de Veelarmige

De scène van Oppenheimer en zijn kristallijne traan die opwelt in zijn ooghoek, levert in het korrelige zwart-wit van Lucy Walker’s pellicule, een portret op van een sad and wise geworden man met diepe groeven in gelaat en ziel. Bewegend beeld dat zich gedurende het inzoomen op Oppenheimer’s oog tot een soort van daguerrot-type fixeert. Een etsnaald die diepe krassen nalaat in het netvlies van de kijker. Even is – via de reflectie van Oppenheimer’s blik – het wankelen van de wereld voelbaar geworden. Een minuut van cinematografisce magie die sterk genoeg is om ook de verdere film te kunnen (ver)dragen.3

Klick hier om de scène te zien van Oppenheimer en zijn traan die opwelt in zijn ooghoek als hij zich rekenschap geeft van de apocalyptische atomaire erfenis waarmee hij zichzelf en de wereld heeft opgezadeld.

“Now I am become Death, the destroyer of worlds.” I suppose we all thought that, one way or another.”

Een korte video-weergave van de Trinity Test Explosion waar Oppenheimer in het stuk hierboven telkens naar verwijst:
http://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/9/9d/Trinity_test.ogg

Misschien dat Lucy Walker’s documentaire er inderdaad toe bij kan dragen dat de mensheid zich opnieuw bewust wordt van nucleaire gevaren die sedert het einde van de Koude Oorlog weliswaar van de radar van ons bewustzijn, maar nimmer van deze aardbol zijn verdwenen. Als deze documentaire ergens heel duidelijk en verhelderend over is, dan is het wel over de diverse keren dat de wereld, zonder het te beseffen, al op of zelfs over het randje van de vernietiging heeft gebalanceerd. Op een haar zo na aan een nucleaire apocalyps heeft weten te ontkomen, vanwege veelal stilgehouden ongelukken, aberraties, mis-interpretaties, verroeste chips in computersystemen en op hol geslagen lanceringsmechanieken. Totnutoe heeft de mensheid zich telkens weer voor de finale val weten te redden, als een stramme clown die wat jammerlijke toeren uithaalt op het hoge koord boven een circuspiste. In de gevallen die Walker laat zien, is de redding telkenmale veel meer kwestie van geluk geweest dan wijsheid. Of de clown ook werkelijk accrobaat is, dient – zo valt te vrezen – ook in onze nabije toekomst telkens weer opnieuw te worden bewezen. Een kleine misstap, vergissing of te trage of paniekerige reactie kan fatale gevolgen hebben.

Al is de Koude Oorlog voorgoed verleden tijd, het risico dat er op een dag alsnog – al dan niet abusievelijk – atoombommen tot ontploffing zullen komen is helaas reëeler en de kwestie van het nucleaire gevaar is dus tevens acuter, dan ooit tevoren het geval is geweest.        
De „stirring cocktail of shivering truths about nuclear threats“ waarmee Lucy Walker en haar conglomeraat van opdrachtgevers het nucleaire issue onder de aandacht wil brengen van het grote publiek, wordt gecomplementeerd door statements van tientallen experts en wereldleiders die er op effectieve wijze de boodschap in weten te hameren dat er elk moment een tijdbom van jewelste af kan gaan als we niet snel drastische maatregelen nemen om het gevaar in te perken. Tony Blair, Frank von Hippel, Ahmed Rashid, Jimmy Carter,  Pervez Musharraf, ex-CIA agente Valerie Plame Wilson, Scott Sagan van Stanford University, Joe Crincione van het Ploughshares Fund… Maar ook een Georgische undercover-agent die smokkelaar Oleg Khintsagov betrapte op het proberen te verkopen van tientallen grammen verrijkt Plutonium aan Al Quaeda. Oleg zelf komt aan het woord („ik houd nou eenmaal van mooie auto’s en had wat centen nodig…“). Net als Mikhail Gorbachev, die verklaart hoe groot zijn spijt is dat hij er niet in is geslaagd om destijds in Reyckjavik (1986) met Ronald Reagan tot een deal te komen die de eliminering van kernwapens mogelijk had gemaakt voordat voortschrijdende proliferatie en versimpeling van de atomaire centrifugetechnieken dit doel zo goed als onmogelijk hebben gemaakt. En dan zwijgt Gorbi nog van de opkomst van steeds agressievere en gevaarlijker terroristische groepereringen en onverlaten die er sedert 1991 al in geslaagd zijn of nog in zullen slagen om gerede hoeveelheden hoogwaardig uranium en plutonium weggesmokkeld te krijgen uit de talrijke nucleaire kerkhoven en roesthavens in de voormalige Sovjetunie. Het asgrauwe en grimmige gelaat dat de laatste communistische oppervoorzitter van het Presidium hierbij trekt, laat ook uit het hart van de kijker alle licht verdwijnen. Gorbatchev valt stil. Hierover spreken valt hem te zwaar.

           Alle kernwapens de wereld uit! Wie had dat ooit gedacht, met die slogan een kwart eeuw later nogmaals de straat op te kunnen trekken?
           Indien de mensheid nog op tijd de touwtjes van zijn lot in handen wenst te nemen, en we onszelf en onze kinderen willen verlossen van het nucleaire kwaad, dan is er – aldus de makers van Countdown to Zero en het vijftigtal non-gouvernementele pleitbezorgers dat zich achter het project heeft geschaard – een heuse ommezwaai nodig in onze mentaliteit. A revolution of the nuclear mind, die net als destijds met het communisme door een kleine maar gezwind aangroeiende cohorte van voorlopers, met hun licht ontvlambare ideeen over een kernwapenvrije wereld, de maatschappij rijp dienen te maken voor de ommekeer. De mentale revolutie. Pioniers zijn het nu misschien opnieuw, net als destijds, maar renegaten straks beslist niet meer. Als de overtuiging eenmaal gemeengoed is geworden dat er geen andere mogelijkheid is om een nucleaire ramp te voorkomen dan door een volledige uitbanning van alle kernwapens wereldwijd. De mentale revolutie als conditio sine qua non voor des mensen collectieve voortbestaan, de geschiedenis lijkt hier met ironieen te strooien als ware het confetti…
            Het is juist hierin, in dit eigenlijk krankzinnige want tot gisteren totaal ondenkbaar geachte scenario van de “revolutie” als noodzakelijk breekijzer voor de toekomst van de mensheid, dat Lucy Walker zich gesterkt weet door een indrukwekkend defile van havikachtige architecten en gung-ho veteranen van de Mutual Assured Destruction, SALT en overige Atoombom-strategen dat haar – shoulder to shoulder – gewillig voorbij komt gemarcheerd.
             Walker weet aannemelijk te maken, met haar talloze getuigenissen die het apostatische karakter dragen van een bekentenis of bekering, dat vele haviken van vroeger heden ten dage fervente voorstanders geworden zijn van het in godsnaam zo snel en zo zorgvuldig mogelijk opbergen en vernietigen van alle nucleaire speelgoed dat nog ergens in de rommelhoeken van deze planeet mag rondslingeren.
In feite valt de essentie van hun Global Zero-overtuiging perfect te resumeren in dezelfde mantra’s die hen destijds de kast op joegen. De smeekbeden die van evenveel bezorgdheid als wanhoop getuigden. Zorgkreten om de toekomst van het kroost en van de hele bewoonde wereld. Die door de ijzervreters van toen als naief werden afgedaan, de vijand in de kaart zouden spelen en de Navo uiteen zouden drijven. In plaats van de vrede dichterbij te brengen, hielpen ze de precair berekende balans tussen de blokken te verstoren.
Zie hier de revolutie, de radicale ommekeer die in de tussentijd daadwerkelijk al heeft plaatsgevonden in de hoofden van – pak ‘m beet – Henry Kissinger, F. W. de Klerk, Rolf Mowatt-Larssen, Pervez Musharraf, Andrew Koch, Jeffrey Lewis, Roger Molander, Mikhail Gorbachev, Zbigniew Brzezinski, Frank von Hippel, vallende-domino-steen theoreticus  Robert McNamara, START I-onderhandelaar Richard Burt, de rechtse dominee Richard Cizik van de ultra-rechtse New Evangelical Partnership: allemaal protagonisten van het pro-nucleaire kamp die keihard van hun geloof – en daarmee eigenlijk ook van hun voetstuk – zijn gevallen.
            Een louterende gewaarwording. Dominee Cizik verwoordt het als volgt: “…I used to think that ‘Well, we possess nuclear weapons in order to prevent their usage.’ We now know we live in a world in which if we possess them – if anyone possesses them – they will be used….We have to change our way of thinking. And if we can’t change our way of thinking, we won’t survive.…”. En het is niemand minder dan de Texaanse no-nonsense olieboer James Baker III (minister van Buitenlandse Zaken van 1989-1992) die op gedecideerd knauwende toon verkondigt dat: “All countries in the world have to sign a legally binding intrusively verifiable agreement to rid the world of nuclear weapons.”
     Op de persconferentie in Cannes, afgelopen mei, verklaarde Hollywood-baas Lawrence Bender: “this documentary should not be seen as a partisan movie.” Het nucleaire gevaar is geen kwestie die zich laat inperken in termen van partijpolitiek of het spectrum links-rechts. “It is a global issue of the most drastic existential nature imaginable”.  De film moet ook nog verkocht en – in ieder geval – gezien worden. Door een zo groot mogelijk publiek natuurlijk. “Of course the movie also had to be, to some extent, entertainment…”  Wat heeft het voor zin om een film te maken die geen ruimte laat voor de hoop? Een film die zo deprimerend is, dat geen welwillend mens ‘m kan bekijken.  Misschien, zo besluit Bender zijn gesprek met journalisten, is het beter om ietwat naief te zijn en speling te laten voor de hoop. Hoe onwaarschijnlijk of onterecht die dan misschien ook is. “The world has changed, the threats have changed.
            Maar of ook de mensheid van nature kan veranderen? Hoorden we in de documentaire niet een kernfysicus verklaren dat „alles wat denkbaar is, ook werkelijk ooit wel zal gebeuren?“ Hoorden we studenten physica niet verklaren dat ze als eindexamenopdracht allemaal de opdracht kregen om met wat elementaire middelen een eigen kernbommetje in elkaar te knutselen (en dat bijna niemand in deze opdracht faalde)? En zullen de slechtwillenden onder ons – zelfs als de huidige arsenalen tot nul zullen zijn gereduceerd – echt geen pogingen meer ondernemen om de mogelijkheden van nucleaire energie ook voor andere doeleinden te gebruiken? Punten die aan het einde van de film ineens niet meer aan de orde lijken. Het laken met de kruimels wordt uitgeschud, en fluitend in de kosmos uitgehangen. Tatatie, tatata: the ultimate number is zero – de nul die aan het begin van de film de vorm krijgt van een schematische atomaire kern die na enig duwen en trekken in tweeën wordt gekliefd. Alle kernwapens de wereld uit, het is een nobel streven. Maar even onmogelijk als een terugkeer naar het moment van voor de oerknal. Want waarschijnlijk is het helaas zo dat om de aarde te verlossen van de Nemesis der nucleaire wapens, de aarde eerst toch echt zal moeten worden verlost van het woekerende plaagdier genaamd de mens.

De goedbedoelde nul-utopie van de Global Zero beweging, van veilig achter slot en grendel opgeborgen gevaren die het voortbestaan van de mensheid bedreigen, en waarin een gering aantal mensen een relatief vreedzaam of ongestoord bestaan leidt in evenwicht met het overige leven, is theoretisch en wetenschappelijk wellicht uitvoerbaar – maar menselijkerwijs ondenkbaar. Als zoiets ooit tot stand komt, zal het niet dankzij de wil van de sappelende, wraakzuchtige en steeds moorddadiger uitgeruste homo sapiens sapiens zijn.4
            De vernietiging van de mens door daden van een uit de hand gelopen destructiedrang of “klipdrift”, of substitutie van de mensheid door de inzet van technologische artefacten, is natuurlijk een deprimerend en – voor mensen met kinderen of kleinkinderen – schrikbarend vooruitzicht. Maar zou enig verder ontwikkeld kunstmatig nageslacht van de mens een vernietigender uitwerking op de andere levensvormen kunnen hebben dan de mens zelf? Zou het verdampen van de agressieve mensaap mens in een atomaire wervelstorm werkelijk een onherstelbaar verlies betekenen voor de rest van de planeet? Zou het Paaseiland ooit hebben getreurd om het verdwijnen van de hoogbeschaafde micro-polynesiers die er gedurende een millennium hebben huisgehouden tot er van de oorspronkelijke tropische flora en fauna niet meer dan een kale vulkanische rots in een onmetelijke Oceaan overschoot? “It’s cold out there, in universe”, hoorde ik Werner Herzog in Brussel eens verkondigen als commentaar op zijn film Grizzly Man. Wat hij bedoelde was: het is een typisch voorbeeld van overmoed en anthropocentrisme om te denken dat de natuur mededogen zou kunnen tonen – of begrip zou moeten opbrengen – voor het wel en wee van ons aardse wedervaren. Een hermeneutisch beleefde verbondenheid met grizzlyberen in de wildernis van Alaska, betekent niet dat een hongerige of humeurige beerin zijn trouwste menselijke sympathisant in een ommedraai kan en zal verscheuren wanneer haar dit behaagt. De gemiddelde temperatuur in de kosmos bedraagt – zo hebben we met dank aan onze astro- en kosmonauten proefondervindelijk kunnen vaststellen – een weinig meer dan ZERO Kelvin. Omgerekend naar onze Europese thermometer is dat om en nabij de minus tweehonderddrieenzeventig graden Celsius. Cold indeed. Daar valt weinig op af te dingen…

In zijn wonderschone bundeling novellen Einsteins monsters (Contact, 1987) schrijft de Engelse romancier Martin Amis: “Wanneer ik omhoogtuurde naar ons kleine schijfje sterren (…), bespeurde ik alleen de bedrieglijke rust van de zwarte nachtkaart, waarvan de schoonheid een dekmantel was voor grootscheeps en routinematig geweld: het voortijlende heelal, met de razendsnel uiteenwijkende materie, dat bezig was te exploderen tot aan de grenzen van ruimte en tijd, een en al krachtvelden en krommingen, een en al chaos en tumult, oneindig en eeuwig vijandig…” (p.46, halverwege het verhaal “Bujak en de sterke kracht of Gods dobbelstenen”).
Een uiterst interessant boek, dat Einsteins monsters, om nu – een kwart eeuw na verschijnen opnieuw ter hand te nemen. Al was het maar om te bepalen in hoeverre de nucleair apocalyptische angstdromen van de romancier van toen (geboren in 1949) verschillen – of overeenkomen – met die van Lucy Walker (geboren in 1970) en haar produktieteam van Countdown to Zero anno 2010. Amis: “We zijn zeven minuten van een kernoorlog verwijderd, en die kan in een middag voorbij zijn. Hoe ver zijn we van kernontwapening verwijderd? We wachten. En de wapens wachten.” Een uitspraak die evengoed uit Countdown to Zero had kunnen komen, en die helaas nog altijd even waar is als toen.

Niet alleen Walker zelf kan tellen. Ook in sommige radicale kringen wordt de teller van door de VS geslachtofferde geloofsgenoten nauwgezet bijgehouden. Tientallen vaak welgestelde, populaire en schrandere moefti’s, immams en mujaheddins zijn al sinds de jaren negentig koortsachtig bezig om in een wrekende genadeklap die ergens in het Amerikaanse heartland plaats zou moeten vinden, genoegdoening te verschaffen aan de zielen van vier tot vijf miljoen gesneuvelde moslims. Tegenover deze mathematische optelsom verbleekt het goedbedoelde terugtellen tot nul van Lucy Walker c.s. tot een wat cerebraal opgedreund kleuterliedje.
Het hoopvolle activisme van Lucy Walker c.s betreft – net als dat van de meeste humanitaire organisaties, anti-globalisten platforms en milieubewegingen – de zoveelste hedendaagse variatie op de aloude joods-christelijke verlossingsleer; een uiting van het geloof dat de mensheid hoe dan ook zijn lot in handen heeft. En dat dus ook dient te nemen. Bij de Groenen en Socialisten is dit het streven: bij te kunnen dragen aan een wereld waarin de mensheid weer de wijze en respectvolle rentmeester wordt van de hulpbronnen op aarde. In het geval van Global Zero is het de gedachte dat de mens in staat is om het kwaad “af te schaffen” als we daar met z’n allen maar hard genoeg ons best voor doen. Voor iedereen die zijn hoop niet heeft gericht op zijn eigen soort en het antropocentrische perspectief verruimt tot dat van de (astro)fysica of geologie, is de gedachte dat menselijk handelen de planeet met haar bewoners kan behoeden voor ondergang, verderf en extinctie, ronduit absurd.
            Als mensen zich vastklampen aan de hoop op een kernwapenvrije wereld, is dat niet zozeer vanuit een zekerheid dat dit echt mogelijk is als wel vanuit angst voor wat er kan komen als zij die hoop opgeven. Net als de technologie heeft de wetenschap zich ontwikkeld om aan menselijke behoeften tegemoet te komen; de wetenschap ontsluit, net als de technologie, een wereld die mensen niet kunnen beheersen, of ooit volledig kunnen begrijpen. Het legaat van Socrates was om het najagen van waarheid te koppelen aan een mystiek ideaal van het goede. Toch stelde noch Socrates, noch enig ander denker uit oude tijden zich voor dat waarheid de mensheid vrij kon maken. Zij beschouwden het als vanzelfsprekend dat vrijheid altijd het voorrecht van slechts een paar mensen zou blijven: er was geen hoop voor de soort. De mensheid vormt een kudde die door een paar jankende honden al te gemakkelijk naar de hel kan worden gedreven.

Een ding is zeker: het geologische tijdperk dat voor enige millennia door een plaag van ambitieuze agressieve mensapen werd gedomineerd, zal niet eeuwig duren. Of de mens nu wel of niet zijn eigen vernietiging en dat van zijn habitat realiseert, doet niet terzake. Vroeg of laat zal ook onze dominante en oververtegenwoordigde zoogdiersoort van de kaart zijn geveegd.  Geen enkel organisme is volmaakt genoeg om resistent te blijven aan de voortdurende mutaties en fouten die garant staan voor het blijven tikken van de Tijd – het komen en gaan van alle wezens. En niemand zal de stelling kunnen logenstraffen dat ook de mensheid – als fossiel in de donkere aarde – zich vroeg of laat weer aan de oppervlakte van de evolutie zal onttrekken. Het imaginaire, smalle pad naar ‘verlossing van het kwaad’ of ‘afschaffing van het nucleaire gevaar’ is niet voor onze diersoort weggelegd. De homo sapiens sapiens zal eindigen waar hij begon: als kronkelende worm in de muil van de Tijd. Als Vishnu’s amuse gueule en Ah Pook’s lekkernij. Als hapje voor de eeuwigheid.

Post Scriptum  (voor de optimisten): wie zich niets wenst aan te trekken van deze pessimistische gedachte, putte troost uit de opmerking van W.F. Hermans dat ‘doemvoorspellingen toch nooit uitkomen’. (Om daar vervolgens meteen aan toe te voegen: ‘Andere voorspellingen ook niet.’ )
  
 
© Serge van Duijnhoven – Cannes/Brussel 2010
 

Ah Pook, of Ah Puch: God van de Vernietiging in de Maya Religie en Mythologie. Ah Pook is God van: Dood, Onderwereld, Vernietiging, Duisternis. “Ah Puch ruled Mitnal, the lowest level of the Mayan underworld. Because he ruled death, he was closely allied with the gods of war, disease, and sacrifice. Like the Aztecs, the Mayans associated death with dogs owls, so Ah Puch was generally accompanied by a dog or an owl. Ah Puch is also often described as working against the gods of fertility.” bron: Austin Cline, About.com. http://atheism.about.com/od/mayangodsgoddesses/p/AhPuchMayan.htm

Fragment uit “Ah Pook the Destroyer” van William S. Burroughs, zoals te horen is op het album Dead City Radio (Island Records 1990):

“Question: What are we here for?”
“Answer: We’re all here to go…”
“Question: Who really gave their order?”
“Answer: Control. The ugly American. The instrument of control.”
“Question: If control’s control is absolute, why does Control need to control?”
“Answer: control needs time.”
“Question: is control controlled by our need to control?”
“Answer: Yes.”
“Why does control need humans, as you call them?”
“Wait… wait! Time, or landing. Death needs Time, like a junky needs junk.”
“And what does Death need Time for?”
“The answer is so simple. Death needs Time for what it kills to grow in. For Ah Pook’s sake.”
“Death needs Time for what it kills to grow in. For Ah Pook’s sweet sake? You stupid vulgar greedy ugly American death-sucker!”

FROM HERE TO ETERNITY – FROM ZERO TO NOWHERE

Het ondenkbare getal nul – en het einde der tijden volgens de Maya cultuur van Midden Amerika

De Maya’s voerden een tijdrekening in die tot doel had het einde der tijden zo ver als ze maar konden voor zich uit te schuiven. Rond 300 na Christus construeerden ze een jaarkalender die uit 365 dagen bestond. Als het jaar zou eindigen zou volgens hun religie de tijd worden uitgeleverd aan de god van de dood. Oudejaarsavond zou dus uitlopen op een regelrechte catastrofe. Om dat te vermijden voerden ze een nieuwe jaarkalender in, nu één die een cyclus van 260 dagen beschreef. Als het ene jaar was afgelopen, zou het andere jaar nog voortduren, en zolang er in ieder geval één enkel klokje doortikte, zou de apocalyps uitblijven. Na 52 jaren van 365 dagen en 73 jaren van 260 dagen echter zouden beide jaren tegelijk eindigen. Immers: 52 x 365 = 73 x 260 = 18.980 dagen. Wat deden de Maya’s daaraan? Ze voerden weer een nieuwe kalender in. Meer cycli, nog grotere bewegingen in de tijd werden bedacht om de dood de baas te blijven. Begin en einde van elke cyclus werd in het schrift van de Maya’s weergegeven door een getatoeëerde man met het hoofd in de nek. Wat ziet hij daar in de lucht? Een blauwe hemel? Eerder onheil. Ze noemden hem Nul, deze man, en hij werd geregeerd door de god van de dood. Nul staat niet aan het begin, maar aan het einde van de geschiedenis van onze getallen. Het werd eerder beschouwd als een duivels, onheilspellend teken dan als een handig rekeninstrument. De anekdote van de Maya’s om te illustreren hoe nul op de wereld kwam, spreekt voor zich.
Het getal 1 staat voor één ding, het getal 2 voor twee dingen, maar waarvoor staat nul? Voor niets? Maar wat is niets? Er is eigenlijk geen fysieke voorstelling van de maken, hooguit een religieuze, zoals bij de Maya’s. Een symbool voor nul ontbrak dan ook in de meeste culturen. Slechts in drie culturen werd de nul uitgevonden. In navolging daarvan is elders in de wereld de nul vroeg of laat in het rekensysteem opgenomen.
Het waren de Soemeriërs, de oudste bewoners van Mesopotamië in het huidige Irak, die de nul het eerst bedachten. Ongeveer 4000 jaar geleden ontwikkelden zij een getallenstelsel dat uiteindelijk tot de invoering van nul zou leiden.

Zie ook: Nul, een omstreden getal, http://community.netscape.com/n/docs/docDownload.aspx?webtag=ws-nlnewage&guid=dd36d9d9-6cea-4922-b0f0-8d80aee4a870

Advertenties

Der Lauf der Dinge – twee jaar na de dood van Kamiel Vanhole

Een brief aan de weduwe van schrijver Kamiel Vanhole, die op 12 juni 2008 overleed aan de gevolgen van longkanker.

In deze brief gaat het over Kamiel en zijn werk, maar ook over zijn strijd om een kernwapenvrije wereld, over het boek Einsteins Monsters van Martin Amis, de troostrijke effecten van een denkbeeldige omkering van de Tijd, en uiteindelijk over de film Der Lauf der Dinge van Peter Fischli & David Weiss.

Kamiel Vanhole, 25.05.1954 – 12.06.2008

Lieve Agnes,
 
mijn gedachten zijn vandaag natuurlijk bij jou en je dochters en jullie geliefde Kamiel. Twee jaar geleden. 12 juni. Heb gisteren – mede daarom – nogmaals t prachtige O Heer waar zijn uw zijstraten ter hand genomen. Op de een of andere manier vind ik het zijn mooiste werk. Ik denk dat het komt door die ontwapenende toon die hij erin heeft weten te vinden. Bij monde van het jochie dat stiekem meereist op die trein doorheen de Europese landkaart. Kamiel ten voeten uit en vol open en goedmoedige  – bijna des kindse – splendeur en verwondering:

 
“Als kind vond ik dat niet te vatten: dat de aarde met zo’n slordige 107.000 kilometer per uur rond de zon draait, terwijl je daar absoluut niks van voelt, van de omwenteling niet en ook niet van de baan die beschreven wordt. Mij verwarde dat, daarom lag ik zo graag op mijn buik, ik wou dat voelen. Het moet mogelijk zijn, dacht ik. Zoals je, wanneer je niet focuste, de dingen dubbel kon zien, zo wou ik scheel kunnen horen en het razen van de planeet opvangen, misschien net zo vaag als het geruis van een verkeersader onder een hotelraam, maar in ieder geval hoorbaar.”
Ik moest ook onlangs weer aan deze passage denken, toen ik in Cannes de première meemaakte van de mede door Hollywood-tycoons geproduceerde shock and awe documentaire Countdown to Zero van Lucy Walker en Lawrence Bender (tevens producent van Inglorious Basterds van Quinten Tarantino). De film gaat over het nucleaire gevaar dat ons nog steeds boven het hoofd hangt als een zwaard van Damocles, en is gemaakt vanuit een aansporing om via een secuur stappenplan te komen tot “Global Zero” – nul kernwapens. Oftewel: alle kernwapens de wereld uit. Klinkt bekend nietwaar.

zie ook mijn verslag op http://www.cobra.be: http://www.cobra.be/cm/cobra/film/100518-sa-sergecannes_countdowntozero

trailer film Countdown to Zero:

http://www.festival-cannes.fr/en/mediaPlayer/10332.html

In de film van Walker zag ik tot mijn verbazing zelfs sommige van de architecten van de tactieken der mutuele vernietiging zoals Kissinger en McNamara, pleiten voor een volledig kernwapenvrije wereld als enige mogelijke vorm van – god o god (en ik verzucht dit niet ironisch) – de hoop dat een atoomkataklysme niet alsnog de ganse menselijke beschaving (incl. zo’n beetje alle zoogdierlijk leven op aarde) van de kaart zal vegen. Ik weet dat Kamiel ook zeer betrokken was (jij ook?) bij het streven naar een kernwapenvrije wereld. Hij vertelde me in Lissabon ooit een sappig verhaal over zijn acties bij Kleine Brogel.. Jammer dat ik die docu niet samen met K. heb mogen bekijken om getuige te kunnen zijn van het feit dat de cowboys uit de stal van Reagan en Bush heden ten dage openlijk pleiten voor een slogan die in de jaren tachtig door diezelfde havikken nog categorisch als naieve en geitenwollensokken-achtige, maar soms zelfs als ronduit gevaarlijke en subversieve, wartaal werd afgedaan.
Als achtergrond voor dat artikel lees ik dezer dagen ook een bundeling frapante novellen van Martin Amis getiteld Einsteins monsters (Contact 1987). Adembenemend en hallucinant boek, dat alleen in zulke scherpe bewoordingen en metaforen kon zijn geschreven omdat het op het hoogtepunt van de nucleaire angsten en koortsen van de Koude Oorlog in de jaren tachtig is ontstaan – toen de wereld ook daadwerkelijk (zoals we inmiddels weten) enige malen op de rand van de afgrond heeft gebalanceerd. Bijvoorbeeld in november 1983, toen de Navo bij wijze van oefening op massieve schaal oorlogje wenste te spelen en de Russen meenden dat er echt voorbereidingen voor een aanval op de USSR werden getroffen. De kettingreactie van misverstanden die toen is ontstaan, heeft de wereld tussen acht en negen november door het oog van de naald doen kruipen.

Martin Amis schrijft in Einsteins Monsters: “We zijn zeven minuten van een kernoorlog verwijderd, en die kan in een middag voorbij zijn. Hoe ver zijn we van kernontwapening verwijderd? We wachten. En de wapens wachten. (…) Hoe lang zal het duren voor we tot het inzicht komen dat kernwapens geen wapens zijn, maar doorgesneden polsen, met gas gevulde kamers, wereldomspannende booby-traps? Wat valt er nog meer over te leren?”, p.26.

 In sommige passages uit het boek van Amis, herken ik ook discussies of onenigheden die bij ons thuis in de Van Almondestraat in Oss tot aan de keukentafel wisten door te dringen.
Zo was mijn vader er net als de tragische Poolse held en logge gigant uit het verhaal  “Bujak en de sterke kracht of Gods dobbelstenen”  – heilig van overtuigd dat een naderende nucleaire apocalyps helaas geen irreëel SF-scenario meer was, nu we ons met de komst van Reagan steeds verder op lieten jutten in de toch al krankzinnige wapenwedloop.

Mijn vaders sombere toekomstvisioen kwam ter sprake tijdens een van de zeldzame ruzies tussen mijn ouders. Die was ontketend door een potje met groenten waarop als land van herkomst USSR stond aangegeven. “Het rotste land ter wereld”, zo merkte mijn moeder kribbig op. Mijn vader ging daartegen in. Pa had vroeger nog flink rode en voor even zelfs communistische sympathieën gekoesterd. Begin jaren zeventig reed onze familie steevast rond in een Lada.
Mijn moeder vond die Pershings en kruisraketten een redelijke prijs die we bereid moesten zijn om te betalen wilden we bij ons in het Westen ook in de toekomst nog kunnen genieten van de verworvenheden van de vrijheid en de welvaart. Waarop mijn vader naar ons (mijn broer en ik) wees en de vraag opwierp hoe kernwapens zich in godsnaam ooit konden verhouden tot de toekomst.
Wat was er voor vrijheid en welvaart om te verdedigen, als de doemsdagmachines aan beide zijden van het IJzeren Gordijn gans Europa binnenkort in een nucleair slagveld gingen veranderen?

Mijn vaders bezorgdheid om de toekomst maakte flinke indruk. Ik was twaalf, mijn broer tien. Hij gebruikte bijna letterlijk dezelfde woorden als het karakter Bujak uit Amis’ novelle. M’n pa zei dat hij er “heilig van overtuigd was” dat de mens de kans die hem nu met zoveel geld en middelen gegeven werd om alles wat hij ooit had voortgebracht te vernietigen, vast niet onbenut zou laten. “Wat kan gebeuren, zal ooit gebeuren.” Zelfs de openbaringen van Johannes uit de bijbel werden erbij gehaald. Waardoor het woord “heilig” meteen een diepere betekenis leek te krijgen. Ik las die passages uit de bijbel meteen na afloop van de ruzie voor het eerst. Over de “tweede dood” en de dag der wrake – dies irae, dies illa. De ruiters van Apocalyps die uit de hemel zouden neerdalen en met hun tergende bliksemschichten hel en verdoemenis over de aarde uit zouden strooien. De planeet zouden veranderen in een poel van sulfur, vuur en zonnenwinden…
Amis schrijft over de Poolse gigant Bujak dat hij er – net als mijn vader destijds – “heilig” van overtuigd was dat het met de mensheid slecht moest aflopen.  “Hoe kon de mens (dat gevaarlijke wezen – ik bedoel, moet je zijn strafblad zien), hoe kon de mens weerstand bieden aan de verlokkingen van de Perfecte Misdaad, een misdaad waarbij elk bewijs, elke kans om gestraft te worden, elk verleden, elke toekomst wordt vernietigd?” Zowel in Amis’ verhaal als in de werkelijkheid is het onheil – zo weten we inmiddels – enkele jaren later in heel andere vorm over de vaders uitgestort. Minder massaal en crimineel, maar evengoed een doodstraf die vanuit het niets werd opgelegd (en ten uitvoer gebracht) voor nooit begane misdaden. Kamiel is het wat dit betreft net zo vergaan als mijn vader.

Aan het eind van dat verhaal “Bujak en de Sterke Kracht”, komt een passage voor die mij veel troost verschafte en een ware eye-opener opleverde m.b.t. de lijn der dingen, het lot, bestemming. Songlines, timelines, de kruising van die twee. Dat soort dingen. Ik kan het hier niet allemaal overtikken, maar aan het einde van dat bloedstollend mooi opgeschreven en tragische verhaal over Bujak, karakteriseert Amis zijn tragische maar sympathieke protagonist – einsteiniaans tot aan het bittere eind – als een “oscillationist” : Bujak gelooft dat de Grote Finale altijd weer zal worden afgewisseld door de Oerknal, dat het heelal slechts zal uitdijen totdat het door de zwaartekracht weer wordt teruggehaald naar – of ingedamd tot – het beginpunt.
“Op dat moment, wanneer de kosmos ronddraait op zijn scharnieren, zal het licht zich in achterwaartse richting gaan bewegen, van onze ogen naar de sterren. Als, maar dat wil er bij mij niet in, de tijd dan ook zou teruglopen, zoals Bujak beweerde (gaan wij dan ook in achterwaartse richting? Hebben we daar nog iets over te zeggen?), dan is dit ogenblik waarop ik hem de hand schud het begin van mjn verhaal, zijn verhaal, ons verhaal, en dan zullen we terugglijden in de tijd en elkaar vier jaar na nu ontmoeten. Uit de afgrond van het verdriet zullen Bujaks verdwenen echtgenote, dochter, kleindochter en moeder herrijzen, geboren in bloed (en we zullen ook onze gesprekken voeren, waarin we terugredeneren vanuit dezelfde conclusie), todat kleindochter Boguslawa opgaat in haar moeder en Bujaks dochter Leokadia, en Leokadia opgaat in Monika (Bujaks overleden echtgenote), en Monika herenigd wordt met Bujak totdat het haar beurt is om terug te wijken, om met een kushand te verglijden in het verre meisje dat geen weet van hem heeft”.
“Zal dat gemakkelijker te verdragen zijn dan het omgekeerde?”, is de retorische tussenwerping van Amis hier. Hij bedoelt: zal dit terugwijken in de tijd en de zalige onwetendheid van ervoor, moeilijker zijn te verdragen dan dat gruwelijke afscheid van de door tufys gevelde vrouw – kort na hun beider aankomst in Amerika kort na de oorlog. Amis: “En dan krimpt de grote Bujak, dan wordt hij het zwakste ding dat er is, een hulpeloos, weerloos, naakt, blind klein wezentje, dat opgaat in Róża’s bloederige aangenaam warme gerieflijke en eeuwigdurende moederschoot…” Silence. Darkness. De lange omgekeerde weg naar de hereniging met het Al. Ik was diep door deze ontknoping geroerd. Plotseling – als je de loop der dingen bij wijze van denkexperiment ook voor jezelf eens helemaal de andere kant op kan laten wijzen – zou alles wat in een mensenleven is geschied geen wreed of onverteerbaar raadsel of ondraaglijke valstrik of speling van het lot meer zijn. Het was of ik voor het eerst over een sleutel beschikte die paste op de deur van het leven. Draai de loop van de tijd diametraal om, en in ieder mensenleven lossen de problemen, tegenslagen, ongelukken, ziektes, zich mettertijd vanzelf op. Als je maar ver genoeg terug gaat, zal je kunnen zien hoe alles en iedereen uiteindelijk uit elkaar is voortgekomen, zich dus als een soort kosmische familie tot elkaar verhoudt,. En hoe de mythe van het Een en Al inclusief de fabel over het hiernamaals c.q. het paradijs, zich op een voetboog afstand van ons huidige leven bevindt. Mochten we – en daar wringt de schoen natuurlijk – deze aardse carrousel de andere kant op kunnen laten draaien.

In de kantlijn van het boek schreef ik ietwat somber: “Zo koersen we voort… gedoemd – ieder van ons – ons pad in omgekeerde richting te volvoeren…” Toch voelde ik me geëxalteerd, verheugd, gepriviligieerd, dat me even deze blik op de andere richting gegund is geweest. Dat ik heel even de solide deurpost mocht openen waarop in vette letters Sans Issue staat geschreven. En een blik heb kunnen werpen achter de muren die ons aardse bestaan, gedurende ons alledaagse leven, zo categorisch van de universele werkelijkheid lijken te scheiden.

Wellicht dat Kamiel, met zijn scherp ontwikkelde en instinctieve gave voor synergetica en zintuiglijke openheid of traversie (“ik wou dat voelen. Het moet mogelijk zijn, dacht ik. Zoals je, wanneer je niet focuste, de dingen dubbel kon zien, zo wou ik scheel kunnen horen en het razen van de planeet opvangen…”), net als ik zijn portie troost of vreugde had kunnen beleven aan de hierboven beschreven lucide exercitie van Martin Amis. Ik weet het niet. Er is natuurlijk een goede mogelijkheid dat hij het boek heeft gelezen (wat denk jij Agnes?). Ik heb het Kamiel zelf nooit gevraagd.
Nu ik dit allemaal opschrijf realiseer ik me dat Kamiel me ooit – in mei 2003 ter gelegenheid van de literaire manifestatie rond de doop van m’n bundel Bloedtest (uitg. De Bezige Bij 2003) die ik in cinema Nova in de Arenbergstraat in Brussel organiseerde – een VHS videocassette heeft geleend die “Der Lauf der Dinge” heet. Registratie van een artistiek project uit 1987 van twee Zwitserse conceptuelen waarin elke kinetische beweging uit de vorige voortvloeit. En alle dingen gezamenlijk dus uit elkaar. Kamiel was erdoor gefascineerd, en heeft de film trots gepresenteerd op het grote projectiescherm in de cinemazaal van Nova. Waar verder nog optraden: Dichters Dansen Niet en Ali Haurand, Kamiel zelf natuurlijk, Jean Marie Berckmans (die Kamiel en ik nog met de auto zijn gaan ophalen die middag in Antwerpen), Bruce Geduldig, en nog zo wat lieden uit de wereld van de artistieke bohème en de vrije geest. De cassette heb ik een plek gegeven linksonder in mijn bibliotheek, in de hoek waar nog wat andere boeken of dingen staan die t.z.t. aan de rechtmatige eigenaar dienen te worden teruggegeven. Waarschijnlijk ben ik het vergeten, want Kamiel is na 2003 nog een paar keer hier bij me op bezoek geweest en zelfs blijven slapen. Zal ik de video naar Kessel Lo sturen?
Zo zie je maar waar deze mail me onbedoeld of onvermoed helemaal naar toe heeft gevoerd. Ik beschik helaas niet meer over een VHS recorder, anders had ik de videotape nu meteen afgespeeld. Als alternatief hef ik vandaag, 12 juni 2010 – plechtig het glas op Kamiel. Al is hij dan niet jarig, het is wel alweer de tweede verjaardag van zijn verscheiden.
“Zjivili, Kamiel!”, zoals ze op de Balkan zeggen wanneer er geklonken wordt. Wie proost zegt, eert het leven. Ook dat van hen die uit de Tijd verdreven zijn. Bij deze dus, waarde wapenbroeder. Leve het sensibele tijdloze joch met de glinsterende lovertjes van ogen en de zachtmoedige ziel, dat zich daarboven nu al twee jaar lang verstopt heeft weten te houden. Ergens. Nergens. Ginder. Jenseits. Zoals hij vroeger in Sterrebeek allicht al eens placht te doen wanneer hij aan de drukte in de rokerige living wilde ontkomen en een stille plek zocht om zich in alle rust voor te stellen hoe of dat ook alweer zat met die aarde “die met zo’n slordige 107.000 kilometer per uur rond de zon draait, terwijl je daar absoluut niks van voelt, van de omwenteling niet en ook niet van de baan die beschreven wordt…” Kamiels geheime schuiloord, waar hij leerde “hoe je door niet te focussen, de dingen dubbel kon zien”. Waar hij probeerde “scheel te kunnen horen en het razen van de planeet op te vangen”. Wellicht dat zijn vaardigheden van toen hem ginder nu meer dan ooit van pas komen. En dat het hem zelfs al is gelukt intricate verhalen te smeden uit de kosmische achtergrondruis van dit heelal. Luister maar….
Zijn tedere stem is, voor wie wil, ook hier nog volop hoorbaar.

Lieve groet,

S.

PS: “Does anybody know what we are living for?” hoorde ik vandaag de aan Aids gestorven Freddy Mercury blèren in zijn laatste lied uit 1992 The Show Must Go On, terwijl ik in bad zat en zoals gewoonlijk badderde met Radio Nostalgie keihard schallend door mijn huis in de Brusselse Marollen.
Waartoe zijn we op aarde? Why live, if we must die? What is the purpose of it all? What is the sense of this absurdity In which direction are we heading? Bladiablie bladabla, de grote Shakespeariaanse vragen van existentiële of misschien zelfs kosmische aard. Waar we niet omheen kunnen, als we ooit echt face tot face durven te komen met ons lot.

Willem Schinkel schreef over Der Lauf der Dinge
nav de uitzending van VPRO’s Zomergasten
op zondag 24 augustus 2008
 
http://www.vpro.nl/programma/zomergasten/afleveringen/39778002/items/39952516/

Lauf der Dinge
 
Peter Fischli & David Weiss, T&C Film AG 1987
 
Een beweging, die begint doordat een vuilniszak langzaam begint te draaien, loopt als een soort domino-effect langs allemaal alledaagse voorwerpen die op verschillende manieren in beweging komen: door zwaartekracht, water, vuur en chemische processen.
Fragment (4’) uit een 30 minuten durende film van het Zwitserse kunstenaarsduo Fischli & Weiss, van een doorlopende beweging van instabiele objecten langs een dertig meter lang traject. Alles begint doordat een opgehangen vuilniszak traag begint rond te draaien en dit veroorzaakt een niet ophoudend domino-effect waarin vuur, water, chemie en zwaartekracht een hoofdrol spelen. Ook al zijn de dingen door mensenhanden heel erg opgesteld en lijkt alles vaak ook in te gaan tegen bepaalde wetmatigheden, wat je nadien bijblijft is dat de dingen inderdaad hun eigen verloop hebben. Niet doelmatig maar omwille van hun eigenschappen.
(Bron: R.A.M)
 
Peter Fischli & David Weiss spelen met de werkelijkheid van alledag. Op een subtiele manier confronteren ze ons voortdurend met vragen als ‘wat is echt, wat is waar, wat is belangrijk?’
 
Mooi hoe vanuits niets alles in beweging komt, hoe ze vanuit niets iets maken. Geen doel. Dat is de definitie van kunst van Kant: doelmatigheid zonder doel.
 
Dit past in een tijd waarin kunst sterk op zichzelf reflecteerde. Kunst wordt filosofie. Tegenwoordig is kunst meer sociologie: het bevraagt het dagelijks leven, de democratie etc. en doet onderzoek. Het vanzelfsprekende wordt bevraagd, dat is wat een socioloog doet.

http://www.movie2movie.nl/r4418-Recensie-Der-Lauf-der-Dinge.html

Samenvatting

“In een warenhuis is een constructie gebouwd van verschillende voorwerpen. Als de constructie in beweging komt, ontstaat er een kettingreactie waarin vuur, water, zwaartekracht en chemie het verloop van de ontwikkelingen bepalen. Zo ontstaat er een verhaal over oorzaak en gevolg, mechanica en kunst, waarschijnlijkheid en precisie.
 

Een vuilniszak hangt aan een touw en draait langzaam rond. Met deze beweging begint de film, of beter gezegd de registratie van het Zwitserse duo Fischli en Weiss. Een half uur lang is de kijker getuige van voorwerpen die omvallen, uitbranden of oplossen en daarmee andere voorwerpen aansturen. Een schouwspel dat misschien wel het best te vergelijken is met het spel muizenval: wonderbaarlijk en altijd spannend.

Er is geen ontkomen aan en er is vooralsnog geen eindpunt. Een soort van perpetuum mobile is in gang gezet. Een enkele beweging (een god, zo je wil) bepaalt alles. Het lijkt alsof we weinig grip hebben op de loop der dingen. Het is een makkelijke filosofie, die van het noodloot. Ze ontneemt ons alle verantwoordelijkheid. We kunnen rustig achteroverleunen en hoeven slechts toe te kijken hoe de wonderbaarlijke natuur alles vorm geeft, en de kringloop van het leven bepaalt…

Maar niets is minder waar. In deze film komt immers haarscherp naar voren dat alles gemanipuleerd kan worden. Fischli en Weiss hebben ‘Der Lauf der Dinge’ letterlijk geregisseerd. Met uiterste precisie is een stellage gebouwd. Wekenlang, misschien wel maandenlang moet er zijn geëxperimenteerd met zwaartekracht en chemie, voordat deze film tot stand kon komen. Geen enkel detail mocht misgaan, want dan hield de kettingreactie op, en daarmee de film.

De regisseurs zijn geïntrigeerd door het thema orde en chaos. Ze proberen orde te scheppen in een chemische en mechanische chaos. Ze willen aantonen dat je met de juiste inspanning koning te rijk kunt zijn. Het is daarom van belang dat de constructie in een vloeiende beweging loopt. Met het monteren van losse scènes aan elkaar zou de loop der dingen worden onderbroken en de film aan kracht verliezen. Daarom moest de hele film in een enkel shot worden gefilmd.

Dat is niet helemaal gelukt. Een keer of drie gaat het ene shot, schijnbaar organisch, over in het ander en is er wel degelijk gemonteerd. Zelf Fischli en Weiss kunnen de loop der dingen niet helemaal naar hun hand zetten. Een enkele keer hebben ook zij filmische trucjes nodig om die suggestie te wekken. Dat geeft een heel veilig gevoel.”

Bron: Marl Pluijmen 

via

http://www.movie2movie.nl/r4418-Recensie-Der-Lauf-der-Dinge.html

trailer van de documentaire Countdown to Zero: http://www.festival-cannes.fr/en/mediaPlayer/10332.html

AudioPlayerWidget



“Cinema is man’s way to create alternate universes, other lives”

Interview with the winner of the Palme d’Or 2010

Apichatpong Weerasethakul

“Cinema is man’s way to create alternate universes, other lives”

or:

the revels of a wondrous, original and unwantedly rebellious mind

Serge sprak met de Gouden Palmwinnaar 2010

Arlette van Laar filmde het gesprek

Cobra.be – 24/05/2010

Onze man in Cannes mocht vlak voor de slotceremnie samen met enkele andere journalisten aan tafel met regisseur Apichatpong Weerasethakul, de latere Gouden Palmwinnaar. Het gesprek vond plaats in het Engels.

Serge Van Duijnhoven in Cannes Cannes 2010 gouden palm film festival cannes 2010 uncle boonmee who can recall his past lives uncle boonmee apichatpong weerasethakul regisseur jury tim burton

Thai filmmaker Apichatpong ‘Joe’ Weerasethakul is widely praised as one of the central figures in contemporary cinema. Trained as an architect in Thailand and as a visual artist in Chicago, he has stunned the film world with five innovative and dreamlike features made since the year 2000 – including award-winning films such as Blissfully Yours, Tropical Malady, and Syndromes and a Century. He is also an acclaimed installation artist, exhibiting his work in museums and art spaces all over the world. His film and installation project Primitive was on show at the Haus der Kunst in Munich, at FACT in Liverpool, and part of it can currently be seen at the BFI Gallery in London (until July 3rd). Joe’s most recent feature movie, Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives, won the Palme d’Or at the Filmfestival of Cannes 2010.

THIS IS THE COMPLETE AND FULL LENGTH TEXT OF THE FEATURE ARTICLE – INCLUDING THE ENTIRE INTERVIEW THAT TOOK PLACE ON MAY 22nd

CANNES – Tim Burton, the American Guru of imaginary filmmaking and director of masterpieces like Edward Scissorhand, Ed Wood, Big Fish and recently Alice, had warned the world that with him being president of the grand jury of this year’s 63rd edition of the Cannes Filmfestival, “really anything would be possible and should be expected”. At the beginning of the festival, Burton specifically welcomed all of those movies that ”would knock on the doors of our dreams”.  
With this kept in mind, the ultimate winner of the Palme d’Or 2010, Apichatpong Weerasethakul’s mystical rêverie Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives, might be less of a surprise than most critics claimed it to be.  During the jury and prize-winners press conference in the Grand Palais des Festivals in Cannes, an event that usually marks the melancholy ending of the world’s largest and most prestigious filmfestival, Benicio del Toro said of the film that he “liked the way the lucid Thai director dealt with the biggest mystery there is – death”.  Shekhar Kapur weighed in too, saying Weerasethakul showed “incredible compassion” in his filmmaking. He described the Palme D’Or winning movie as a “beautiful experience that drew us in and seduced us to ask all these questions of ourselves.”  Burton himself hailed the movie as “an intimate tale of mystery and imagination. A beautiful and wondrous dream. Cinema as an art of metaphysics.”
The 39 year old director, who was born in Bangkok and grew up in the city of Khon Kaen (north-eastern Thailand), expressed surprise “that there is recognition for this type of cinema” and echoed Tim Burton’s sentiments that the world is getting smaller and more Westernised when he said: “We have become a monoculture… We need diversity in the moving image. I try to present a different kind of cinema that pushes the boundaries and challenges audiences.”
Apichatpong Weerasethakul – Joe for those who think the name unpronouncable – started making films and video shorts in 1994 and completed his first feature in 2000. He has also mounted exhibitions and installations in many countries since 1998. Often nonlinear, his works link an Ovid-like sense of morphological imagination with a very strong and everlasting need to satisfy the hunger of his sensible and somewhat nostalgic mind. Working independently of the Thai commercial film industry as well as of Bangkok’s much feared Ministry of Culture, he devotes himself to promoting experimental and independent filmmaking through his quasi-underground production company Kick the Machine-Films.
The acclaimed and since his victory in Cannes momentarily even worldfamous artist who draws deeply on the indigenous culture of Thailand and its remote areas, remains an outsider at home. His status is somewhat close to that of a dissident. His films are barely shown in any cinema of the country, he is deliberately left without funding by the Thai regime, and the authorities have, since 2007, repeatedly threatened with outright censorship of his work if he would continue to insert his films with scenes of homosexual behavior or critical analogies to the current political situation that, according to Apichatpong, “is marked by a viscious sollipsism of Thailand’s ruling classes.” When the Thai authorities requested cuts from his movie Syndromes of a Century he immediately helped form an international anti-censorship group called the Free Thai Cinema Movement.
At his Cannes news conference, where journalists posed questions about the recent clashes between the government and the red-shirt protestors in Bangkok, Apichatpong was not afraid to speak out. “Thailand is a violent country,” he said. “It’s controlled by a group of mafia.” He told the press it had been unclear if he would even make it to Cannes given the unpredictable situation in Bangkok. Earlier this week, he said, he drove around Bangkok as the city burned, going from one European embassy to another — they were being closed as the violence spread — in the hopes of securing a visa. To get around curfew restrictions, he spent the night before his flight at an airport hotel. “It’s been an adventure getting here,” he said.

Born in Bangkok and raised by his doctor parents in the northeastern village of Khon Kaen, he still considers the pulpy Thai genre films of his youth an important influence. Most of his films are autobiographical—he has said that he draws above all on personal memories—but they are also precise and rigorous in their formalism. He studied architecture in Thailand before getting an MFA in filmmaking at the Art Institute of Chicago, where he discovered art-house cinema as well as the experimental moviework by Andy Warhol and other conceptual artists.

Light and darkness, silence and sound, life and death, city and jungle, man and nature: strong contrasts are his trademark, as well as his lighthearted way of blending those ingredients into an indigstinguishable brew of magic and reality – set in a transdimensional timezone.
Though the result of his achievements may not always be easy for an audience to digest or even comprehend, and while the meaning of his highly personal and enigmatic symbolism is not always clear, even his most indifferent or critical opponents will admit that his videos and features – by the shere force of their vigorous and uncompromising originality – certainly transcend the realm of the mediocre or the “artyfarty”. The movies may be too mindpuzzling for some or intellectual for others, in any sense it’s obvious that they are created for other purposes than pretentious machismo. Actually, instead of a director Apichatpong Weerasethakul prefers to call himself a “conveyor” or “facilitator”. Directing is one part of the job, but it says nothing about the participation with the rest of the crew. And even though he draws a lot upon the use of autobiographical details for his scripts and seems to be driven by a psychological quest for a completely hermeneutical reenactment of his earliest childhood memories, Joe assures those around him with his quiet and soft spoken voice: “for me, making movies is not about the crowning of one’s ego. It’s about curiosity and sensibility.”

In the introduction to a thick book of essays that was recently dedicated to him by the Austrian Filmmuseum, Filmmuseum Synema Publikationen Vol. 12 (Vienna 2009), acclaimed Hollywood actress Tilda Swinton pronounced “that Apichatpong is one of the very few truly modern filmmakers working today, far beyond the pale of both narrative tradition and post-modern experiment. The forest binds the soul and holds it, safe and wild, in his cinema. I am deeply besotted with that particular wilderness.” The compendium indeed helps to shed some light on the deeper motivations of his peculiar cinematographical approach.
In the book, Apichatpong himself opens up inresting routes of interpretation – or at least of a better understanding – regarding some of the more enigmatic or even metaphysical aspects of his work. He does this through an essay that is called “Ghosts in the Darkness”, containing his reflections on the primal act of filmmaking and film-watching, which for him are inseparable acts. Drawing a haunting analogy to primal man’s habit of painting images on cave walls, he tells a story “said to be true” about an Isaan man with a traveling cinema show, making “open-air presentations in villages and temples.” As he showed his film, an audience filed in to watch them and they “all got up and wandered away. At dawn the next day, the film-show owner realized he was in the middle of a cemetery, and that he had been paid to show a film for ghosts.
“Even ghosts wanted to watch films,” Apichatpong writes, drawing a parallel to ordinary people watching, ghost-like, moving images on a screen. “The cinema itself is like a coffin with bodies, sitting still, as if under a spell. The moving images on the screen are camera records of events that have already taken place; they are remains of the past, strung together and called a film. In this hall of darkness, ghosts are watching ghosts.”

As it happens, Cannes has always been quite kind to the jeune premier of Thai cinema. Three of his six features have been shown at the festival before, and they have all won prizes; his second film, Blissfully Yours, won the Un Certain Regard prize in 2002. Two years later his fourth feature, Tropical Malady, captured the prize of Cannes’ most prestigious subcompetition called La semaine de la critique.
Expanding upon an element in Tropical Malady, his central interest Uncle Boonmee is reincarnation, or the migration of souls over time between humans and other animals, represented in this case by an ox, monkeyman, catfish as well as some ghosts of deceased next of kin.

Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives tells the story of an older man who, suffering from acute kidney failure, has chosen to spend his final days surrounded by his loved ones in the countryside. Surprisingly, the ghost of his deceased wife appears to care for him, and his long lost son returns home in a non-human form. Contemplating the reasons for his illness, Boonmee treks through the jungle with his family to a mysterious hilltop cave – the birthplace of his first life. 
It is a very calm movie in many ways, with death being afforded a tranquil, reflective treatment that it rarely gets in western culture. The film also buzzes with myriad offbeat ideas and magical projections, such as the son who transforms into a ‘monkey ghost’, and a sequence involving a talking catfish getting amorous and performing cunnilingus with a princess who stumbles upon its enchanted pool.
On the last day of the festival, 24 hours before Joe would be endowed with the Palme d’Or – a precious handcut design from Chopard’s reknown jewelry house – my partner Arlette van Laar (with camera), myself and a few lucky colleagues from the international film press, had been granted the opportunity to spend some time with the refined and softly speaking multi-talented director. The setting was a sundrenched terrace behind one of the white tents of the Unifrance pavillon next to the Palais des Festivals, right at the southern dock of Cannes’ luscious harbour.

Despite a wry remark at the beginning (“Might there be any question I have not heard yet?”), stemming from the fact this is probably the sixth or seventh interview of the day, Apichatpong looks the epitome of relaxation in black striped shirt and Ray Ban aviators. And this outward coolness subsequently proves to extend beneath the surface as he answers all our questions with a polite thoughtfulness. An eclectic range of topics are tackled during our “round table” – ranging from the director’s own thoughts on reincarnation and the benefits of meditation, to the clashes between military and anti-government protesters in Bangkok which dominated news headlines in and outside Thailand for the last months.

What inspired you to make the film?

“A few years ago, when I was living in the north-east, I came across Uncle Boonmee. Some monk of a monastery near my house told me that there was an old man who had arrived at the temple to help out with the temple’s activities and to learn the spiritual art of meditation. One day this man, Boonmee, came to an abbot and told him that while he was deep in meditation, he could see his past lives playing behind his closed eyes like a movie. He saw and felt himself to be a buffalo, a cow, even a body-less spirit that roamed around the north-eastern plains. The abbot was impressed but not surprised, because Boonmee was not the first person to tell him about such experiences. From near and far, he had collected stories from villagers who shared their past lives with him. Later, he published a little book. On its cover one could read: A Man Who Can Recall His Past Lives. The story of this abbot kept evolving in my mind. Unfortunately, by the time I got a hold of the book and wanted to envision his tale, Boonmee had passed away several years earlier.”

All your films have incorporated strongly autobiographical elements. That seems to be much less the case with Uncle Boonmee…?

“Compared to that original Boonmee book, this film has a lot of me in it. I grew up in north-eastern Thailand but never before I talked about that in my films. My goal was to evoke these memories and show these landscapes in which I grew up. I had this story on my mind and I had to get it out there. The process of making this film made me realise that I am incapable of being faithful to any original source! Besides altering the past lives, I pushed Boonmee into the background and foregrounded Jenjira and Tong, who act as witnesses to this anonymous guy’s passing.
The film is not about abbot Boonmee, but about my take on the idea of reincarnation. Everyone from Thailand has grown up with this idea of the transfer of souls between humans and animals. And even nowadays, many Thai people still believe in ghosts. I wanted to seize on this childhood fantasy and connect it with a mature idea of death. It naturally developed into an homage to the cinema I grew up with. A cinema that’s also dying or dead. And once again, my father slipped into the film. He succumbed to kidney failure. All those pieces of equipment in Boonmee’s bedroom are a simulation of those in my dad’s. As a conclusion I can say that this movie is not autobiographical in the first degree, but very much so in it’s second degree.”

The multi-layered, overtly theatrical and illuminated approach to cinema, which seems to be Apichatpung Weerasethakul’s trademark as an experimentally inclined auteur de cinema who is certainly more interested in the artistic meaning of his movie than in the harsh reality of ticketsales and box office numbers, Uncle Boonmee is certainly not Pulp Fiction, Underground or Barton Fink (to name just three former Cannes Palme d’Or prize winning cash croppers) in terms of accessibility. Much of what is shown in the movie, remains mysterious and unexplained. Does Apichatpong have any suggestions for how viewers might be advised to understand his film? Or at least how to approach it. A mode d’emploie Apichatpong, in the way Godard and Truffaut educated their audiences and introduced them to non-linear and destructuralised manners of storytelling?

“Relax!” he replies smilingly. “Open up your mind, wake up your senses and just let the images flow.” He assures us that as a director he tries to avoid any rules or rigidity or self proclaimed program of modernity. “I try to stay open to fresh impulses and the imput of chance operation. I trust the judgement of my instinct, and have no urge for overall or premeditated control.On the contrary. I try to enrich my time of preperation before shooting by multiple sessions of breathing meditation. It helps me to focus. To see the flaws or chances for a different approach in all stages of the working process. I tend to keep on scribbling, changing, testing different parameters and details. For me, a final script does not exist. Hoewever, the vision of the movie I want to make must be very precise. In order to follow the just path and make the right choices, I need to stay put and clear in the head. No stress please. No, no. I cannot deliver the density I desire for my movies, if I would let my mind be buggled too much by all the problems that occur during the various phases of production. To a large extent we have a choice as to the amount of weight we attach to the things that will always be a bore in our daily life. Of course, the troubles in our lifes may be the cause of a whole lot of misery, poverty, pain and disease, unhappiness and stress, perhaps even damnation. But they might as well result in the most valuable source we have in the end. Wisdom. Knowledge. Life experience. The breeding ground of character. Woody Allen would say: the ultimate cause of death is life itself. Life is tough. Life is a bitch. And on top of all that: life is short. Unless you really want it to be so, of course. In that case life may turn out to be quite a drag. A form of life imprisonment for capital crimes we are unaware of. Or did we forget? The burden of our current life, may very well be determined by the life’s that we have lead before. Why not? The destiny of each and every one of us seems – if only from a biological perspective – for almost 90 percent to be determined by the very nature of the genes we inherited from our forefathers. For the other ten percent, our destiny may possibly be molded at its tips or toes. By chance. Good luck. Bad luck. And in some cases, at least that is what we have been taught to hope, by the consequence of our free will. The noble, heroic or perhaps on the contrary, the very vicious deeds for which we have to face responsibility.
Whatever it is, this complicated life of ours, it is always more than just that sunny, joyful walk through the park we had hoped it to be in our infant days. It is always much more hazzardous – and far less leisurely, romantic and pleasurable, than that famous “sunday picknick in the meadows” as Thai farmers use to say.”

Although the title of the film refers to Uncle Boonmee’s past lives, you never explain them or describe what they are.

“Originally, the script was more explicit in explaining which were the past lives, which were not. But in the film, I decided to respect the audience’s imagination. Of course, after watching it, you can tell that he could be a buffalo or a princess. But for me, he could be every living thing in the film, the bugs, the bees, the soldier, the catfish and so on. He could even be his Monkey Ghost son and his ghost wife. In this way, the film reinforces a special association between cinema and reincarnation. Cinema is man’s way to create alternate universes, other lives. I love my movies to operate like a stream of consciousness, drifting from one remembrance to another. I think it is important to accentuate this drifting when the root of the film is about reincarnation, about wandering spirits.”

Some of the medical equipment in Uncle Boonmee’s room recalls your late father’s deathbed and you’ve talked a lot about reincarnation. Is your father guiding you in this film?

“I’m not too certain about these matters. How could I be? But in the course of researching this movie, these things kept creeping up: cases of people who remember their past lives, with documents and witnesses, so I don’t deny it. I just think it’s fascinating, whether it’s true or false.”

Since your film deals with the supernatural and with past lives, do you use any kind of special effects to achieve this on film?

“We try to do this using a mixture of video graphics and classical effects, but still I don’t think you can tell we used the computer because it’s really like what an old film does, you know, dissolve and, for something like a ghost, we use a mirror. This film is very old fashioned in a way … because it is a tribute to my memory of the old cinema I grew up with.”

Is there a moral to the story you’re telling in the film?

“I’m really not sure what the audience will get because normally I don’t like to have a message of my work. I think film is more than that. It should be more open to many different interpretations because we approach it from so many different backgrounds. Especially for this film, which has six reels, each one different in location and style. With me, there’s a lot of talk about life as nonsense. It just goes on. So it is with cinema, too.”

A Dutch colleague asks him whether people – because of its diffuse nature and mysterious events – sometime come up with strange interpretations of his movies.

“I’m completely open to the possibility of multiple interpretation regarding the meaning of my movies, as well as the role of my actors. I adopt useful suggestions. And often keep on writing, improving, puzzling with my script until the very last minute before shooting. Every film that I make I encounter a different, interesting interpretation, and I’m looking forward to it.” Though he admits, “People are different, you cannot force them, and there’s gonna be people who shut off and there’s gonna be people who share the sentiment. And for me too, sometimes when I watch a commercial movie, I don’t understand. ”
Not that he is wholly adverse to working within genre film-making himself. When asked if there are any particular plans for a next feature-project, he enthusiastically replies, “I would like to explore the genre of Science fiction”. He continues: “I drew up one project called Utopia, and it’s about this snow landscape, it’s in a nondescript time and it involved the Starship Enterprise, the Star Trek ship, that gets abandoned in the snow. And I want to use the old generation female science fiction actresses to experience this landscape.” Apichatpong cites Brigitte Bardot as one such actress of his choice.

Apichatpong Weerasethakul remains undetermined as to whether the kind of multiple lives experienced by Uncle Boonmee are an accurate reflection of real-world existence. “It’s a possibility,” he remarks, “but I cannot say 100% until there’s another layer of scientific proof.” He proceeds, “I think we don’t know much about the workings of the mind at the moment. Who am I to judge about the validity or plausibility of other people’s metaphysical experiences? What is the difference of having a true vision or dream, and experiencing illusionary mental projections? The ones are seen as a natural byproduct of a healthy but creative brain. In the other case, one would label those visions the delusions of a mentally disturbed person. Meanwhile both persons were exposed to exactly the same flow of visual impulses. Induced by similar neurotransmitters, through the same kind of synapses. After Einstein’s’ amazing explorations into the realm of advanced physics, I think we are now ready to move on and discover remarkable things in other realms as well. What actually do we know about the workings of the mind at the moment? Not a whole lot, really. Some of these occurances or visions of past lifes that Uncle Boonmee had during his later days, might in future times perhaps become quite obvious to understand. For the moment, we can only speculate about it, believe in it or deny it. That is not a very scientific way of dealing with that matter, I think. From the laws of gravity to the principles of levitation. That would be a logical road to follow, no? I think after the science of the graviton the science of the mind will be the next great thing to discover.”

Speaking of other filmmakers, is he able to offer the names of any who he derives inspiration from?

He smiles. “A lot. I answer differently every time. People like Andy Warhol – Empire, you know this movie?” Everyone nods in vaguely non-committal fashion, being aware of the notorious eight-hour film of the Empire State Building’s exterior, without ever having felt any burning desire to actually seek out and sit through the damn thing. Apichatpong also name-checks Pedro Almodóvar, as well as a fellow Cannes 2010 competitor, Abbas Kiarostami, director of Certified Copy. And what about actors he might like to collaborate with in the future? “I’d like to work with Tilda Swinton. We have been emailing a little bit about trying to make a movie together.”

The conversation shifts to the Uncle Boonmee shoot and how smoothly it all went. Admits the director, “The hardship was working with the actors, non-professional actors [neither Thanapat Saisaymar, who plays Uncle Boonmee, or Natthakarn Aphaiwonk, who appears as Boonmee’s ghost wife, are actors by trade], trying to explain to them what I want. And not only actors – the crew members. Because, if you notice in this film, it’s pretty smooth in a way but it divides into six reels. And each reel has a different tone, has a different style of lighting, different acting style, different camera style. So to explain that and to achieve that it is quite complicated. To tell the actors, ‘Okay, be natural, but not natural’.”
The majority of the performers in Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives also grew up in the north-east of Thailand, where the movie is set. It is a rural area depicted as possessing a certain natural serenity, which is linked to the dense forests and rugged mountains which give the region such a striking appearance. Says Apichatpong: “I grew up there and it’s a place that is pretty harsh for people. For the agricultural community, the soil and the weather is not so good, so many people migrate to Bangkok, Chiang Mai or Phuket to work as labour force. So people tend to look down on the poor people because in Thailand there is a big class divide and that contributes to the unrest that’s going on now. The area is under-represented in a way, so this movie is quite unique.”

“Everyone from Thailand has grown up with this idea of the transfer of souls between humans and animals. And even nowadays, many Thai people still believe in ghosts. I wanted to seize on this childhood fantasy and connect it with the idea of death. As for the depiction of ghosts in my movie I was inspired by television series and comic books from my childhood. I also remembered a friend who had told me that his house was haunted by ghosts with red eyes. That image stayed with me.”
“I kind of believe in the transmigration of souls between humans, plants, animals, and ghosts. The idea that in principle we are all one – stemming from the same original nucleus before it all exploded into time. Uncle Boonmee’s story shows the relationship between man and animal and at the same time destroys the line dividing them. When the events are represented through cinema, they become shared memories of the crew, the cast, and the public. A new layer of simulated memory is augmented in the audience’s experience. In this regard, filmmaking is not unlike creating synthetic past lives. I am interested in exploring the innards of this time machine. There might be some mysterious forces waiting to be revealed just as certain things that used to be called black magic have been shown to be scientific facts. For me, filmmaking remains an incredible source of artistic imagination all of whose energy we haven’t properly utilised yet. In the same way – yes, yes, as I’ve said before – that we have not thoroughly explained the inner workings of the mind.”
”Additionally, I have become interested in the destruction and extinction processes of cultures and of species. For the past few years in Thailand, nationalism, fueled by the military coups, brought about a confrontation of two opposing social classes. There is now a state agency that acts as a moral policeman to ban ‘inappropriate’ activities and to destroy their contents. It is impossible not to relate the story of Uncle Boonmee and his belief to this. He is an emblem of something that is about to disappear, something that erodes like the old kind of cinemas, theatres, the old acting styles that have no place in our contemporary landscape.”


And what is his own assessment of that unrest, on which the world’s eyes had been fixed in the days immediately preceding this interview, and which had almost prevented him from travelling to Cannes?

“It’s a class war, and it’s very complicated because it’s not only about underprivileged people voicing their concern but, with the red shirts [the supporters of deposed Thai prime minister Thaksin Shinawatra], there are also tycoons and politicians involved. It’s not as easy as the poor and the rich, it’s more about power. It’s very hard for me to fathom now because it shows how we’ve been manipulated by the media since we were young and this situation forced us to rethink our belief, our judgement and our morals, and how do we stand.”

Does the evolution of the crisis in Bangkok at this very moment startle you?

“I think it’s part of the cycle, but what’s interesting is that I think this is one of the biggest clashes of class, focused on the underprivileged. Before, it was more a clash between the army and the middle class, but now it’s about the poor. At the same time, it’s a different kind of war, because there’s the Internet and many new tactics come into play. More than ever, you can see clearly just how Thailand is really shaped by the media and how the place has become a propaganda machine. But before long, people will start to notice when their web sites disappear.”

“Has your work become more explicitly political over the years, given the worsening situation?”

“In recent years in Thailand it’s impossible to deny the political situation. I still make personal films but for me this is a personal issue. The political situation is butting into my personal sphere so naturally I have to express it. It’s part of my landscape. When there’s censorship that says you cannot deal with political issues in film it pushes me to make something that is a political expression. When we formed the “Free Thai Cinema” movement I had to learn how the government worked, and getting to know the system you find the ugliness inside. And when you look at the people in Nabua you see they don’t have the same privilege as the middle-class city people. Because of the system, there’s such a big gap between rich and poor. I’m glad people have spoken up, even though there’s violence. It’s time for change.”

As indicated by the wild swirls of applause rolling thunderously through the Grand Theatre Lumière and its abiding theatre of the Salle Debussy, where the international press gathered to watch the broadcast of the awards ceremony, Apichatpong Weerasethakul is a critical darling in certain influential quarters, beginning with those with a long allegiance to the high-art Rotterdam Film Festival under the leadership of Simon Field, who was the lead producer on “Uncle Boonmee.” Still, to many it remains a big question whether Apichatpong Weerasethakul can, after his recent triumph in Cannes, structurally emerge from his characteristically intimate and humble approach, to work on a bigger canvas and connect with a wider audience.  And, even if he can succeed in this huge task, how far is he willing to go without loosing his calm and easy touch of magic? What are the concessions he is willing to make, in order to go big?
Regarding this issue Joe himself seems remarkably disattached:  ”I don’t worry at all about the accessibility of my movies. I think that usually they are pretty universal, and I always believe that not every film is for everyone. If you worry about that, you shouldn’t make films.”

official trailer of the movie

Apichatpong Weerasethakul
Filmmuseum Synema Publikationen Vol. 12
Edited by James Quandt, Vienna 2009
256 pages, with 245 colour illustrations. In English
ISBN 978-3-901644-31-3
Price: 20,00 €

Apichatpong Weerasethakul lives and works in Chiangmai, Thailand. He is currently preparing his next project on the filmmaker and celebrated author Donald Richie.

Charlotte Gainsbourg hands over la Palme d’Or to Apichatpong Weerasethakul (23.05.10)

video van deze scene tijdens de slotceremonie in Cannes:
http://www.artforum.com/video/search_video=Uncle%20Boonmee&page_id=0&mode=large&youtube_id=dXIYfy3GffU


 

FEATURE FILMS

2010 Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives (Lung Boonmee Raluek Chat)
2006 Syndromes and a Century (Sang Sattawat)
2004 Tropical Malady (Sud Pralad)
2003 The Adventure of Iron Pussy (Huajai Toranong)
2002 Blissfully Yours (Sud Sanaeha)
2000 Mysterious Object at Noon (Dokfar Nai Meu Marn)

SELECTED SHORTS

2009 A Letter to Uncle Boonmee
2008 Vampire/ Mobile Men
2007 Luminous People
2006 The Anthem
2005 Worldly Desires

SELECTED INSTALLATIONS

2009 Primitive/Phantoms of Nabua*
2007 Morakot (Emerald)/ The Palace/ Unknown Forces
2006 FAITH
2005 Ghost of Asia
2005 Waterfall

AND FOR THE REST… WHAT’S ON WITH JOE

in JUNE AND JULY 2010

The short film

www.animateprojects.org
Phantoms of Nabua (2009), Apichatpong Weerasethakul
10:40 minutes / Digital, 16:9, Dolby 5.1 / Colour
Since this film was specially commissioned for the website of Animate Projects – as part of PRIMITIVE – it can be viewed at www.animateprojects.org

The art exhibition
14 May 2010 – 3 Jul 2010
BFI GALLERY, LONDON UK

A spacious art project of the same name, Phantoms of Nabua, is currently on exposure in London, where Apichatpong Weerasethakul has a solo exhibition at the prestigeous BFI Southbank Gallery showing from 14 May – 3 July. The visual installation at BFI is described by the artist as ‘a portrait of home […] a communication of lights, the lights that exude, on the one hand the comfort of home and, on the other, of destruction’. In the work teenagers play football at night illuminated by a rear projection of lightning and fireworks and a recreation of a fluorescent light pole from the artist’s hometown. Even though these lights make the skin look pale, even dead, for Weerasethakul they also relate to home, to being home.
The installation creates a real-time, yet hypnotic and other-worldly experience. Like many of the artist’s feature films, it rejects conventional narrative film language in favour of an open ended structure, highlighting hidden histories and capturing real human experience. Focusing on concepts of remembrance and extinction, the atmospheric single screen projection transforms the BFI Gallery in a haunting, mysterious space.
The installation at BFI is part of Primitive, a the multi-platform project which includes gallery works,an artist’s book (Cujo), a music video, a short film, an online piece and the feature film Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives that won the Palme d’Or at the Filmfestival of Cannes last May.

Phantoms of Nabua, installation by Apichatpong Weerasethakul
THE BFI SOUTHBANK GALLERY LONDON

Belvedere Road, South Bank, London SE1 8XT, United Kingdom
Opening times: Tue – Sun, 11am-8pm (plus bank holidays)
http://www.bfi.org.uk/gallery

Ah Pook The Destroyer – by William S. Burroughs. Excerpt from Dead City Radio

Remembering a discussion I had
some time ago with sister Swantje Lichtenstein in Duesseldorf

Am listening again – by shere accident I thought – to one of my old magnetic tapes from the nineties. Sticking my ear and mind into that magnificent piece of literary audio-junk called Dead City Radio by/with William S. Burroughs. One of my favorite albums ever. My dear friend and poet Christian Loidl – today is his Todestag, so I now realize this fact is not so accidental after all – introduced me to this wizzard for the first time in 1995 in his flat in Vienna, Vereinsgasse. Where he – today seven years ago – flew out of the window after having taken an overdose of a rare Siberian mushroom.

“Dead City Radio” is a true gem of cut up poetry put to music in a most sensitive and workable way.
Question: “What are we here for?”
Answer: “We’re all here to go…”
The old magician gives readings from a variety of sources including “Naked Lunch”, “Interzone”, and “The Western Lands”. He invokes his vision in the name of Pan, god of panic; Ah Pook, the destroyer; and even Jesu the Christ. “Invoke” is the proper word, for this is a work of magic – be it black or white. Burroughs is weaving a vision. He wants us to peek through the chinks and see the monsters that lie behind the machinery of control – behind the great shining lies and the bounds of the Prometheus called Homo Sapiens. His objective is no less than a basic disruption of reality itself.
Please try to see the video belonging to the prayer – about (cosmic?) control – you will love it I am sure:
http://digitalphilosophy.wordpress.com/2007/03/08/burroughs%E2%80%99-death-needs-time/

“Question: Who really gave their order?”
“Answer: Control. The ugly American. The instrument of control.”
“Question: If control’s control is absolute, why does Control need to control?”
“Answer: control needs time.”
“Question: is control controlled by our need to control?”
“Answer: Yes.”
“Why does control need humans, as you call them?”
“Wait… wait! Time, or landing. Death needs Time, like a junky needs junk.”
“And what does Death need Time for?”
“The answer is so simple. Death needs Time for what it kills to grow in. For Ah Pook’s sake.”
“Death needs Time for what it kills to grow in. For Ah Pook’s sweet sake? You stupid vulgar greedy ugly American death-sucker!”

Zjivili to brother Chris out there in the realm of Ah Pook’s universe of Time.

Serge

The old magician with the incomparable creeky voice, gives and sometimes sings his ultimately grim and bitter spiritual readings from a variety of sources including “Naked Lunch”, “Interzone”, and “The Western Lands”. He invokes his vision in the name of Pan, god of panic; Ah Pook, the destroyer; and even Jesu the Christ. “Invoke” is the proper word, for this is a work of magic – be it black or white. Burroughs is weaving a vision. He wants us to peek through the chinks and see the monsters that lie behind the machinery of control – behind the great shining lies and the bounds of the Prometheus called Homo Sapiens. His objective is no less than a basic disruption of reality itself. If – somehow – humans would be prepared to rid themselves of their condition humaine for the benefit of a cosmic one, this would not necessarily make our universe a warmer and more pleasant place to find our destiny. Which is? To perish, and melt back into the pot that is permanently boiling on the stove of Ah-Pooks kitchen. What else to do but to cling on to the planetary lifeboats that were assigned to us by some cruel captain who likes to have it rough amidst the violent torrents of Time. If we want to get rid of the many biological boundaries and burdens of our human condition, we shall have to prepare for completely new ways of travelling. We shall have to be prepared to embark on a trans-dimensional voyage through unknown psysical realms, with the velocity of a gravitationless soul. What are we here for? We are here to go! We are here to go on a trip – peeking through tiny holes in the fence that marks the limit of our universe. We have to dive and dig deep, travel far and persist in our uncompromising destiny. So that finally we can find a way of opening up the protecting clamshell in which – at its very origin – our relentlessly self-sufficient galaxy was laid to grow. Like an oyster or a mussle, feeding upon the weak and salty glaze of its atomic fluidum.

De vele facetten van Cannes

Serge Van Duijnhoven blikt – via de roterende lens van Arlette van Laar – terug op een dromerige editie van het Filmfestival in Cannes. Waar kan hij dat beter doen dan in de tent van ‘Alice in Wonderland’ van regisseur en Cannes-juryvoorzitter Tim Burton.

© Serge Van Duijnhoven en Arlette van Laar

voor www.cobra.be

Onze man in Cannes interviewt samen met Arlette van Laar de jonge Mexicaanse regisseur Jorge Michel Grau over diens film, het kannibalistische drama ‘We are what we are’.

http://www.cobra.be/cm/cobra/2.10514

Cobra.be > Serge Van Duijnhoven in Cannes

Onze man in Cannes

Met journalist en dichter Serge Van Duijnhoven stuurt Cobra.be een eigenwijze correspondent naar de Franse kuststad. Wie zijn de grote namen van morgen ? Dat is Serges leitmotiv terwijl hij als een dolle hamster meedraait in het Cannes circus aan de Croisette.

“Biutiful” Cannes

film – In “Biutiful”, de nieuwe film van Alejandro Gonzáles Iňárittu, schittert Beste Acteur Javier Bardem als de met schuld overladen en doodzieke Uxbal.

Tags: Serge Van Duijnhoven in Cannes Cannes 2010 festival film javier bardem acteur alejandro gonzález iñárritu regisseur

Serge sprak met de Gouden Palmwinnaar

film – Onze man in Cannes mocht eerder deze week samen met enkele andere journalisten aan tafel met regisseur Apichatpong Weerasethakul, de latere Gouden Palmwinnaar.

Tags: Serge Van Duijnhoven in Cannes Cannes 2010 gouden palm film festival cannes 2010 uncle boonmee who can recall his past lives uncle boonmee apichatpong weerasethakul regisseur jury tim burton

Bilan final – Cannes 2010

film – Iedere filmcriticus zal een persoonlijk en ernstig beperkt oordeel over zijn ervaring op het festival van Cannes geven. Dit is ieder jaar zo, ook in 2010.

Tags: Cannes 2010 Serge Van Duijnhoven in Cannes cannes filmfestival festival recensie recensent biutiful film gouden palm alejandro gonzales inarittu regisseur javier bardem acteur

De vele facetten van Cannes volgens Serge en Arlette

Film – Serge Van Duijnhoven blikt in de tent van ‘Alice in Wonderland’ terug op een dromerige editie van het Filmfestival in Cannes. Beelden gemaakt door Arlette van Laar.

Horrorgenre opnieuw uitgevonden

film – Onze man in Cannes interviewt de jonge Mexicaanse regisseur Jorge Michel Grau over diens film, het kannibalistische drama ‘We are what we are’.

Tags: Serge Van Duijnhoven in Cannes Cannes 2010 we are what we are somos lo que hay jorge michel grau mexico cannes la quinzaine de réalisateurs film serge van duijnhoven interview

Bommelding overschaduwt Cannes

film – Op dit moment wordt Cannes overspoeld door zwaarbewapende ordetroepen met kogelvrije vesten. Aanleiding is de nieuwe film van Rachid Bouchareb: “Hors la loi”.

Tags: Cannes 2010 Serge Van Duijnhoven in Cannes hors-la-loi cannes bomalarm rachid bouchareb doodsbedreiging algerije pieds noir geschiedenis franse kolonisten burgeroorlog serge van duijnhoven

De oorlog voelbaar in Cannes

film – The Bang Bang Club en Armadillo – of hoe de oorlog ook in Cannes onder de huid kruipt van het publiek.

Tags: Cannes 2010 Serge Van Duijnhoven in Cannes the bang bang club film cannes oorlog oorlogsfotograaf journalistiek steven silver greg marinovich joao silva armadillo janus metz antropologie afghanistan denemarken soldaten

Van zandkasteel tot harteklop

film – Het festival van Cannes is niet alleen een sterrenparade voor de gevestigde waarden, maar ook een platform voor jong en onbekend filmtalent.

Tags: Serge Van Duijnhoven in Cannes Cannes 2010 film festival jong talent xavier dolan boo jung feng

Dreigende wolken boven Cannes

film – Met haar documentaire “Countdown to Zero” wil Lucy Walker de realiteit van het nucleaire gevaar weer op de agenda zetten. Nodig of naïef?

Tags: Serge Van Duijnhoven in Cannes Cannes 2010 film festival documentaire countdown to zero lucy walker atoombom raket wapens wapendwedloop

“Russell ! Russell !” “Cate ! Cate !”

film – Journalist en dichter Serge Van Duijnhoven is onze man in Cannes. Zijn avonturen leest u exclusief op Cobra.be.

Tags: Serge Van Duijnhoven in Cannes Cannes 2010 film filmfestival cannes croisette glamour zuid-frankrijk nice

De kruisweg van de Croisette

film – Journalist en dichter Serge Van Duijnhoven is onze man in Cannes. Zijn eerste indrukken van het mondaine filmfestival leest u exclusief op Cobra.be.

Serge is aangekomen in Cannes

film – Met journalist en dichter Serge Van Duijnhoven stuurt Cobra.be een eigenwijze correspondent naar de Franse kuststad. Vandaag schrijft hij zijn eerste indrukken.

Tags: Cannes 2010 Serge Van Duijnhoven in Cannes serge van duijnhoven film filmfestival cannes 2010 jury tim burton opening verslag