‘T’ga za jug’ – Zuidzucht. De Muzen van Struga

* * *

Het door drugsoorlogen en kidnappings geteisterde Colombia viert iedere zomer weer zijn Coppa del America . Sarajevo kende tijdens de belegering zijn jaarlijkse filmfestival. En in ogenschijnlijk rustig Macedonie vinden jaar in jaar uit – onder wisselend gesternte – steeds weer nieuwe edities plaats van het internationaal gere nommeerde poeziefestival de ‘Struga Poetry Evenings’. Eregast en nobelprijswinnaar Seamus Heaney, die tijdens het tweede bezoek van dichter Serge van Duijnhoven de ‘Gulden Lauwerkrans’ in ontvangst mocht nemen: ‘Eerlijk gezegd voel ik me met al die soldaten en wegversperringen hier wel op mijn gemak. Het doet me denken aan mijn jaren in Belfast…’

In plechtige processie trekt de stoet internationale dichters achter twaalf in het wit gestoken Macedonische bloemenmaagden aan, die asters strooien over de balustrade. Onder ons kolkt het water van de Zwarte Drim. Nobelprijswinnaar Seamus Heaney rijdt langzaam voorbij in een gepantserde Mercedes, begeleid door patrouillewagens van de zwaarbewapende Macedonische policija. Bij het bereiken van de overzijde worden vuurpijlen afgeschoten, tegelijk barst een ongenadig onweer los. Burgers zwaaien met hun parapluies. Geroffel klinkt vanuit de bergen. Of is het een militaire helicopter? Mannen in kogelvrije vesten kijken star voor zich uit, de loop van hun Zastava 7.62 pistoolmitrailleurs gericht naar de dikke spetters regen die kaatsen op de grond.

‘Eerlijk gezegd voel ik me met al die soldaten en wegversperringen hier wel op mijn gemak,’ vertelde Seamus Heaney (door zijn knappe tolk consequent ‘Mister Himus Sjini’ genoemd) wat lakoniek in de pianobar van het immense, lege hotel. ‘Een gevoel van homecoming. Het straatbeeld herinnert me aan mijn jonge jaren in Belfast.’ Drinkend van een bescheiden Skopsko Pivo, verzekerde de dichter dat hij er geen moment over gedacht had om af te zeggen voor het festival. Natuurlijk hebben mijn naasten me afgeraden om juist nu naar Macedonië te gaan, maar mensen die om je geven zijn altijd bezorgd. Wij Ieren zijn misschien al een beetje meer vertrouwd met de situatie dan anderen. Maar we weten ook dat het geweld in het buitenland vaak erg wordt overdreven.’ Een dichteres uit Israel knikt driftig. ‘Ik voel me pas onveilig als ik geen soldaten zie op straat,’ zegt ze stoer.

Afzeggingen zijn er nauwelijks. Naast eregast Seamus Heaney, die dit jaar de ‘Gulden Lauwerkrans’ in ontvangst mag komen nemen, is nog een dertigtal bekende en minder bekende dichters uit alle windstreken naar het trogdiepe Meer van Ohrid afgezakt. Gearriveerd zijn Thomas Shapcott uit Australië, de Amerikaan Claude Freeman, Anne Marie Dinesen uit Denemarken, Jean Laugier uit Frankrijk, Jorhe Justo Padron uit Spanje, Skënder Rusi uit Albanië, Mohammed Bennis uit Marokko, Sergej Glavyuk uit Rusland. De volharding waarmee de internationale gasten temidden van wapengekletter, bomaanslagen en nerveus ‘oogstende’ Navo-soldaten, hun verzen willen laten klinken op de brug over de Zwarte Drim, wordt door de organisatoren van het festival ervaren als bemoedigend. Het Macedonische publiek kan het weinig schelen, want dat heeft heel andere zaken aan het hoofd dan de verskunst.

Kaneo Klooster Ohrid

‘s Avonds trekken gure windvlagen geribbelde sporen over het donkere water van het Meer van Ohrid. De late zomerzon verdwijnt achter de bergtoppen als een steen die over de rand van een put wordt geduwd. Achter de ramen van de verlaten eetzalen in het hotel gaapt een koele duisternis die uit de diepte van het meer omhoog lijkt te stijgen. De leren schoenzolen van de obers maken langgerekte piepgeluiden op het glanzende travertin. Hotel Bicer heeft 500 bedden en zou moeiteloos een tienvoud van alle genodigde dichters kunnen herbergen.

Dichter en songwriter Jabir Derala (35), die ik in het centrum van Skopje ontmoette voor ik de bus nam naar het festival, is deze zomer niet van plan om naar Struga te reizen. Er staan dikke wallen onder zijn ogen, zijn adem ruikt naar drank. ‘Er is werk aan de winkel. Flyers rondbrengen, posters ophangen, lobbyen bij politici, gevangenissen bezoeken, het organiseren van popconcerten voor de vrede: daar is behoefte aan. Aan verheven woorden en fijnbesnaarde avonden met collega-dichters heb ik even geen boodschap.’ Jabir heeft de daad bij het woord gevoegd, en een mensenrechtenorganisatie opgericht (Civil) die moet toezien op de rechten van politieke gevangenen en het ontplooien van multi-etnische initiatieven.

Dat het poëziefestival uitgerekend Struga als bakermat heeft uitgekozen en niet het toeristische en historische Ohrid, waar nog maar kort geleden de vredesonderhandelingen hebben plaatsgevonden, is te danken aan de negentiende eeuwse dichter Konstantin Miladinov. In zijn gedicht `T’ga zajug’ (`Zuidzucht’) bezong de Mecedonische Byron, die net als zijn Engelse tijdgenoot gedwongen was om in exil te leven (de Turkse sultan had een prijs op zijn hoofd gezet), hoe hij terugverlangde naar het vissersdorp van zijn jeugd. `Had ik maar vleugels als een arend/om naar mijn Struga terug te vliegen’, dichtte Miladinov terwijl hij in Rusland wegkwijnde aan de tuberculosis. ‘Nog steeds zie ik en voel ik/hoe zij brandt, die vurige parel die in mij geplant/als kroonjuweel zal rusten/op Macedonië, mijn vaderland.’ Het vers is verplichte leerkost op scholen in Macedonië. Miladinovs hymne aan Struga verleende een stem aan een nationaal gevoel dat eeuwenlang door het Osmaanse gezag was onderdrukt. (Allen Ginsberg, ontvangt ‘Golden Wreath’ in 1986)

Tijdens de openingsceremonie van het festival klimt een jongen in een wijde kosjula (wit hemd) achter de microfoon en begint op statige wijze, begeleid door trieste Macedonische volksmuziek, Miladinovs gedicht ‘T’ga za jug’ voor te dragen. Hier en daar rolt een traan. Een partijfunctionaris van de nationalistische regeringspartij VMRO, Bratislav Tashkovski, nodigt de dichters uit om naar voren te komen. `In whose name should I greet you, dear poets, if not in the name of the destiny of the Macedonian land and the Macedonian people!’ De toon is gezet. Met veel stemverheffing en ‘ hoera voor Macedonië!’-geroep verklaart de politicus het internationale poëziefestival voor geopend.

De voordrachten lijken bijzaak. Er wordt nauwelijks geluisterd. Voortdurend piepen en sjierpen mobiele telefoons en ruisen de walkie talkies van de aanwezige soldaten. Het dondert in de bergen. Vanuit de verte klinkt een Macedonische smartlap. De microfoon galmt en zingt rond, of de versterking waait weg in het niets. Het publiek wiegt ongeduldig heen en weer, en raakt pas geboeid als Seamus Heaney achter de microfoon gaat staan en genoeglijk vertelt van zijn ‘utterly memorable days and nights at Struga in 1978′, toen hij voor het eerst in aanraking kwam met ‘de wonderbaarlijke vitaliteit van het Macedonische leven en de Macedonische cultuur.’ De laureaat oogst fors applaus, maar de boel komt pas echt los als de Spaanse dichter Jorhe Justo Padron de Macedonische toehoorders paait met een smartelijke elegie, door hemzelf in de landstaal voorgelezen, voor het ‘heroische, in doodsnood verkerende en in de steek gelaten Macedonië’. Het publiek joelt en klapt minutenlang; en daar lijkt het Padron ook vooral om te doen. Hij maakt wel vijf stijve buigingen. Tv-camera’s zoemen beschuldigend in op wie nog niet de handen op elkaar heeft.

Anna, een journaliste van het genuanceerde dagblad Dnevnik , zegt na afloop dat ik de zin van de nationalistische peptalk moet kunnen begrijpen. `We hebben het nodig, nu. Voor jou mogen die woorden gezwollen lijken, maar voor ons is het een kwestie van voortbestaan. Zonder patriottisme zal ons land verkruimelen, en dat is heus geen retoriek!’ Ik vraag me af hoeveel Albanezen de openingsceremonie hebben bijgewoond. Als er al geweest zijn, moeten ze hun tong stuk hebben gebeten van ergernis om alle Macedonische op-de-borst-klopperij. ‘Of er Albanezen waren?’ reageert Ana geprikkeld. ‘Iedereen is welkom, nema problema . Als er geen Albanezen zijn, dan is dat omdat het festival ze blijkbaar geen zier interesseert. De Albanese cultuur is volkomen op zichzelf gericht, uit een panische afkeer voor alles wat slavisch of anders is dan het eigene.’

In het ‘park van de poëzie’ mag de Ierse laureaat met de handen als kolenschoppen, een laurierboom planten, zoals alle winnaars van de ‘ Gulden Lauwerkrans’ voor hem. Het priëel staat vol met laurierbomen die veelal door inmiddels overleden dichters zijn geplant. Voor een rillerige dunne staak is een marmeren schrijn neergezet. ‘Behalve een dichter ben ik ook een plattelandskind, dus die boom plant ik met plezier,’ verklaart Heaney met een spade in zijn hand. De dichter leest, staand naast een hoopje aarde, het gedicht ‘Digging’ voor, een geserreerd portret van zijn boerende vader en turfstekende grootvader. ‘Between my finger and my thumb/The squat pen rests; snug as a gun ‘, zo begint het gedicht. ‘Under my window, a clean rasping sound/When the spade sinks into gravely ground:/My father, digging. I look down./(…)‘

Heaney steekt de spade in het zand. De handeling geschiedt gedecideerd, eerder stram dan soepel, maar heeft toch iets sacraals. Alsof je de dichter hier in de Macedonische aarde de grondlagen van zijn stoffelijke verleden bloot zich leggen. En alsof je, vanuit het zand, drie mannen elkaar de hand ziet reiken, drie boerenzonen hier ziet graven, opeenvolgende generaties die in verticale lijn een hele eeuw omvatten. ‘ By God, the old man could handle a spade./ Just like his old man.’

De spade die begon in de handen van de turfsteker, ging over als schop in de handen van de landarbeider, en werd uiteindelijk een ‘squat pen, snug as a gun’ tussen duim en wijsvinger van de schrijver. Met in zijn knuisten nu een echte spade, bevindt Heaney zich voor even bovenaan de ladder van de tijd – zijn handen overlappen die van zijn grootvader de turfsteker.

‘ My grandfather cut more turf in a day/Than any other man on Toner’s bog./Once I carried him milk in a bottle/Corked sloppily with paper./He straightened up/To drink it, then fell to right away/Nicking and slicing neatly, heaving sods// Over his shoulder, going down and down/For the good turf. Digging.’

Plotseling krijgt de opmerking over het ‘homecoming gevoel’ dat de dichter gisteren beschreef in de pianobar, een heel andere lading. De rijzige Ier met het knoestige postuur, blijkt niks teveel te hebben gezegd. Seamus Heaney is hier, aan het andere einde van Europa, volkomen in zijn element. Hij geeft de spade door met een plechtig gebaar aan zijn Macedonische collega’ s. En de overige dichters verdwijnen moeiteloos in de hoekige schaduw van een ferme Ier met drie paar handen. .

‘ (…) The cold smell of potato mould, the squelch and slap/Of soggy peat, the curt cuts of an edge/Through living roots awaken in my head./ But I’ve no spade to follow men like them.//Between my finger and my thumb/The squat pen rests./ I ‘ll dig with it.‘

Het handjevol journalisten dat de moeite heeft genomen om via de 300 kilometer lange omweg naar Struga te rijden (de normale weg via Tetovo is afgesneden door de rebellen) is alleen geinteresseerd in politieke issues. Dagenlang blijven ze hengelen naar een verlossend inzicht van de geletterden op het festival, een bemoedigend woord, een steun in de rug voor de nationale Macedonische zaak. Maar niemand van de dichters laat zich verleiden tot het betweterige engagement waarmee Franse filosofen als Bernard-Henry Levy en Alain ‘ Finkielkroat’ in eerdere Balkanconflicten het publieke debat domineerden. ‘Veel interessanter dan het geven van een obligate opinie of analyse,’ ; spreekt Seamus Heaney overtuigd, ‘is het juist om te bepalen in hoeverre dichters verschillen van geschiedkundigen of toekomstvoorspellers.’

Toch probeert Heaney zijn Macedonische collega’s nog een beetje moed in te spreken. ‘Aan de huidige situatie kleven voor- en nadelen, moet u maar denken. Het slechte nieuws is dat Macedonië nu bekend raakt als een land waar burgeroorlog dreigt. Het goede nieuws is dat het conflict de Macedonische poezie een zekere glans zal verlenen, glamour . Het succes van de Ierse literatuur in de wereld, is deels te danken aan het geweld in Noord-Ierland. Persoonlijk sluit ik me aan bij Vaclav Havel, die zei: “ik geloof in hoop. Hoop verschilt van optimisme; hoop is ergens aan werken dat de moeite loont.” Ik denk dat u hier in Macedonië werkt aan een oplossing; daarom ziet het er naar mijn indruk toch lichtjes hoopvol uit. Meer kan ik er niet over zeggen…’

In het centrum van Struga, dat voor zestig procent uit Albanezen bestaat, heerst een gespannen rust. Avdi (24), een Albanese kappershulp, legt me uit dat zijn volk altijd heeft moeten leven met de minachting en afkeer van de slavische Macedoniërs. ‘Wij waren dat gewend en hebben ons lot altijd ondergaan. Nu, voor het eerst, is ónze haat aan de oppervlakte gekomen. Open en bloot. De Macedoniërs zijn dat niet gewend, en verkeren in paniek. Het meerendeel van mijn volk wil nog steeds met de Macedoniërs samenleven. Maar uit slavische mond komt alleen nog oorlogstaal. Erg onverstandig, want Albanezen uit alle windstreken zullen ons in geval van oorlog te hulp schieten. Zes miljoen Albanezen zullen over één miljoen slaven heen walsen. De Macedoniërs hebben geen schijn van kans.’

Visser Dimitar Ginovski (24), een stevige jongen met een donker ringbaardje, toegeknepen ogen en een zachte stem, neemt me mee het meer op in zijn houten schuit. Na een kwartier varen werpt hij zijn netten uit. De tijd heeft hier stilgestaan. De ouderdom van het bergmeer op de grens van Macedonie en Albanie blijkt uit de aanwezigheid van een vissoort (‘pastrumka’) die elders op aarde alleen nog als fossiele afdruk wordt teruggevonden. De vangst ervan is verboden voor toeristen, en zelfs voor beroepsvissers uit de dorpen gelden strikte quota. De zon komt op boven de donkere ruine van tsar Samoil. Mistflarden drijven langs de oever. De boot dobbert rustig op de kabbelende golven. ‘Macedonie is hoe dan ook een prachtig land,’ zeg ik. ‘ Wás een prachtig land,’ corrigeert Dimitar me. ‘We hebben liggen slapen, en worden wakker in een huis dat voor de helft is leeggeroofd. En wat een dief jat, geeft hij niet meer terug. De Albanezen zullen gek zijn. Met een paar strategische verrassingsaanvallen hebben ze in zes maanden bereikt, waar ze anders zestig jaar op hadden moeten wachten.’ Dimitar trekt aan zijn netten, en hijst de eerste forel en kleine ‘fossili’ -visjes aan boord. De pastrumka hebben uitpuilende ogen en lange blauwe vinnen. Ze smaken het lekkerst als ze gefrituurd zijn. De graat schijn je er met je tanden in een keer te moeten uittrekken. Vervolgens spuug je die op een bord en eet je de vis helemaal op.

Aristoteles heeft ooit geschreven dat de dichtkunst ‘verheven is boven wat de tijd zoal zal leren’. Een goede dichter is, met andere woorden, allerminst een notulist van de geschiedenis, en evenmin een ‘ziener’ of ‘verkondiger’. De muze die hij dient is Caliope, die met de schone stem. Of Erato, die met de lier. Zo niet op de Balkan, en zeker niet in Struga, waar het gros van de dichters elk jaar weer lijkt weggelopen onder de stijve hoepelrok van Polyhymnia. Op het gebied van orerende dichters die hun pastorale obsessie combineren met politieke ambities, heeft de regio een traditie hoog te houden. Nergens anders in Europa gaan de twee zo klef en desastreus hand in hand. Misschien heeft het ermee te maken dat de fase van het nationbuilding op de Balkan nog in volle bloei is. Misschien ook dat dichters zeker in de rurale gebieden nog echt op handen worden gedragen, terwijl politici bij het volk gehaat zijn en gezien worden als nepotisten en zakkenvullers. Radovan Karadzic, Nicolaj Koljevic, Vuk Draskovic, Vladimir Boskovski (de Macedonische minister van Binnenlandse Zaken), Ljupco Georgievski (de premier van Macedonië, net als Boskovski lid van de nationalistische partij VMRO)… ; allemaal beschouwden ze zich voor korte of langere tijd als uitverkoren door de muze van het ‘bloed en bodem’ – de schutsdame van de eigen ethnos die spreekt in lofzangen en hymnen. En allemaal stonden ze ooit op die vermaarde brug in Struga, tussen de bloemenmaagden die asters uitstrooien over het ijskoude water van de rivier; de plek waarover Seamus Heaney zei dat ‘ de poëzie in onze tijd nergens meer tot leven komt dan daar, aan de monding van de Zwarte Drim.’
Wat Radovan Karadzic heeft uitgespookt, is genoegzaam bekend. De vlammen die opstegen van Sarajevo stonden al beschreven in zijn versbundel voor kinderen getiteld Zwarte Sprookjes . En wie wil weten wat premier Ljupco Georgievski nog allemaal in petto heeft voor zijn land, leze zijn in broeierige seks en doem gedoopte debuut Apocalypse, of het megalomane vervolg daarop, De Stad , waarin de dichter beschrijft hoe hij het landerige plaatsje Delcevo verlaat om ‘het volk’ te redden van de chaos in de woelige hoofdstad Skopje. ‘Mijn bundels hebben één terugkerend thema,’ verklaarde Georgievski in 1994 aan Frank Westerman , destijds Balkan-correspondent voor de Volkskrant , ‘de wereld is slecht en lelijk. Er zit niets anders op dan haar te verwoesten en van de grond af aan weer op te bouwen.’

© Serge van Duijnhoven 2010

men leze in deze ook het even hilarische als verbluffende literaire verslag “Alles Zwart” in de non-fictie bundel Balkan – Wij noemen het rozen Uitgeverij Podium, ISBN 90-5759-123-5, 1999, prijs €15,90

de website van het festival

http://www.svp.org.mk/en/history.html

The Struga Poetry Evenings started in 1962 with a series of readings by a number of Macedonian poets in honor of the two brothers, Konstantin and Dimitar Miladinov, great intellectuals, teachers, and writers, born in Struga in the beginning of 19th century. Konstantin Miladinov has been considered the founder of modern Macedonian poetry and each year the festival officially opens with his memorable poem “Longing for the South” (“T’ga za jug”) written during his student days in Moscow.
As from 1963, when many poets from all Yugoslav republics also joined the festival, the “Miladinov Brothers” award was established for the best poetry book published in the Republic of Macedonia between two Struga poetry festivals. By 1966, the SPE turned into an international poetry event and, consequently, an international poetry award called “The Golden Wreath” was established, given to a world renowned living poet for his poetic oeuvre or life achievement in the field of poetry.
In 2003 the SPE and UNESCO established a close cooperation and jointly promoted a new award called “The Bridges of Struga” for the best first poetry book by young authors from all over the world.
Despite the tremendous difficulties and harsh realities that the festival has had to live with — the fall of Yugoslavia, the war in Bosnia, the Kosovo crisis, the political and ethnic clashes in Macedonia, the terrorist crisis after September 11th attacks, and the numerous political and economic embargos imposed on the region — the SPE has successfully flourished becoming one of the most important poetry festivals in the modern world. And that is a tribute to world poetry and its poets.
The Festival has offices in Struga and in Skopje (a director of office, an executive and a technical secretary) and is organized by a Festival Board, which consists of knowledgeable professionals in the field of poetry (poets, critics, translators, and professors in comparative literature and culture). The most attractive poetry events during the festival are “The Meridians” reading at the opening evening of the festival, and “The Bridges of Struga” reading at the closing of the festival. These are spectacular events that attract the citizens of Struga to come out in huge numbers and greet the poets from all over the world with their famous hospitality.
The festival also features two multimedia events (poetry, music and video) called “Nights without Punctuation”, will also be held, thus opening the festival for new, rather experimental forms of poetic presentations.
Every year, a day before its official opening, the festival also organizes a symposium on different and attractive topics. It attracts the attention of many literary experts from all over the world.
During all these years of its existence the festival has hosted about 4.000 poets, translators, essayists and literary critics from 95 countries of the world.
Every year the festival publishes a series of books in order to promote poetry by foreign authors to the Macedonian readership, as well as thematic anthologies of contemporary Macedonian poetry in English translation to readers abroad. These editions include the famous series “Pleiades”, featuring famous poets from all over the world and Macedonia. The thematic anthologies of Macedonian contemporary poetry include poets from all minorities in Macedonia published in their mother tongue, and in Macedonian and English translation. One of the most prestigiuos anthologies published every year is dedicated to a different national or regional poetry.
The Struga Poetry Evenings have also established an International Poetry Library. It contains books of all festival participants. Moreover, its International Poetic Archive contains significant materials (books, manuscripts, photographs, films etc.) available to any literary researcher or poetry lover. Therefore, all participants are asked in advance to donate copies to the Library before their arrival in Struga.

The Miladinov Brothers Award

The Miladinov Brothers Award is given for best book of poetry published between two editions of the International Struga Poetry Evenings Festival. The Miladinov brothers, Dimitar and Konstantin are renowned humanists and writers and educationists from the 19 century, born in the city of Struga. The older one, Dimitar Miladinov, was a teacher and collector of popular songs and stories, and the younger one, Konstantin, is more famous as a poet. During his studies in Moscow he wrote the most famous romantic poem in the Macedonian language, “Longing for the South”. This poem has become a symbol of the Festival, which traditionally opens with its verses read in several languages. The Miladinov brother ended their lives tragically in the Ottoman prisons, sentenced unjustly for their cultural and educational mission among their people.

The Miladinov Brothers Award was established in 1963, and the best book is selected after a publicly announced competition by the SPE Award Committee. The award is the most significant poetry prize in the Republic of Macedonia, recognized as a national poetry award.

Winners of the national poetry award the “Miladinov Brothers”

1963 Mateja Matevski
1964 Ante Popovski
1965 Radovan Pavlovski
1966 Bogomil Guzel
1967 Vlada Urosevik
1968 Petre M.Andreevski
1969 Mile Nedelkoski
1970 Petar T.Boskovski
1971 Petre M.Andreevski
1972 Bogomil Gjuzel
1973 Vlada Urosevik
1974 Blaze Koneski
1975 Gane Todorovski
1976 Aco Sopov
1977 Atanas Vangelov
1978 Milovan Stefanovski
1979 Slavko Janevski
1980 Eftim Kletnikov
1981 Mateja Matevski
1982 Mihail Rendzov
1983 Adem Gajtani
1984 Todor Chalovski
1985 Liljana Dirjan
1986 Vlada Urosevik
1987 Petko Dabeski
1988 Slavko Janevski
1989 Katica Kulafkova
1990 Rade Siljan
1991 Risto Vasilevski
1992 Jordan Danilovski
1993 Branko Cvetkosk
1994 Petre Bakevski
1995 Ante Popovski
1996 Svetlana Hristova-Jocik
1997 Gligor Stojkovski
1998 Gordana Mihajlova Bosnakovska
1999 Jovan Koteski
2000 Slave Gorgjo Dimoski
2001 Sande Stojchevski
2002 Radovan Pavlovski
2003 Eftim Kletnikov
2004 Petko Dabeski
2005 Petar T. Boskovski
2006 Bratislav Tashkovski
2007 Nikola Madzjirov
2008 Risto Lazarov
2009 Vesna Acevska

Bridges of Struga Award

As a result of the initiative rising from the communique signed in 2003 between the Ministry of Culture of the Republic of Macedonia and UNESCO, among other issues, a new award, “Bridges of Struga” was established. This award is given to a young poet from all over the world for a best first book of poetry, after a public competition issued by the Festival and the member states National Commission for UNESCO. A special selection, called “Bridges” is published, including the poetry of the award winner, and all the other competitors for the award. This selection includes poems in the mother tongue of the poets, and translations into Macedonian and into one of the major languages of the world.
Winners of the “Bridges of Struga” award for best first poetry book in the world
2004 Angelo V. Suarez (The Philippines)
2005 Andrea Cote (Colombia)
2006 Marianna Geide (Russian Federation)
2007 Manua Rime (Belgium)
2008 Antonija Novakovic (Croatia)
2009 Ousmane Sarr-Sarrouss (Senegal)
2010 Siim Kera (Estonia)

Golden wreath Award

In 1966, the Struga Poetry Evenings have grown into an international poetry manifestation. The same year the international poetry award the “Golden wreath” award was established. This prestigious award is given to a world famous live poet for his poetry and his deed. It’s an award made entirely by hand. It has the shape of a wreath with filligrans and it is made from gold.

Recepients of the Golden wreath Award

1966
Robert Rozdestvenski (Russia)

1967
Bulat
Okudzava (Russia)

1968
Laslo
Nadz
(Hungary)

1969
Mak Dizdar (Bosnia and Herzegovina)
1970
Miodrag
Pavlovic
(Yugoslavia)

1971
Wystan
Hugh Auden
(USA)

1972
Pablo
Neruda
(Chile)

1973
Eugenio
Montale
(Italy)

1974
Fazil Hisni
Daglarga
(Turkey)

1975
Leopold
Sedar Sengor
(Senegal)
1976

Eugene
Guillevic
(France)
1977
Arthur
Lundkvist
(Sweden)
1978
Rafael
Alberti
(Spain)
1979
Miroslav
Krleza
(Croatia)
1980
Hans Magnus Enzensberger (Germany)
1981
Blaze
Koneski (Macedonia)
1982
Nikita
Stanescu (Romania)
1983
Sachidanand H. Vatsjajn-Agjej (India)
1984
Andrej Voznesenski (Russia)
1985
Janis
Ritsos
(Greece)
1986
Allen
Ginsberg
(USA)
1987
Tadeus Ruzhevic (Poland)
1988
Desanka Maksimovic (Yugoslavia)
1989
Thomas Shapkott (Australia)
1990
Justo Horhe Padron
(Spain)
1991
Joseph
Brodsky
(USA)
1992
Ferenzs
Juhas (Hungary)
1993
Genadi Ajgi (Chuvash Republic, Russia)
1994
Ted
Hughes
(Great Britain)
1995
Jehuda
Amichai
(Israel)
1996
Makoto
Ooka
(Japan)
1997
Adonis
(Syria)
1998
Lu Juan
(China)
1998
Yves
Bonnfoy (France)
2000
Edoardo Sangvinetti (Italy)
2001
Seamus
Heaney
(Ireland)
2002
Slavko
Mihalic
(Croatia)
2003
Thomas Transtroemer
(Sweden)
2004
Vasço
Grassa Moura
(Portugal)
2005
William
S. Merwin
(USA)
2006
Nancy
Morejon
(Cuba)
2007
Mahmoud Darwish (Palestine)
2008
Fatos Arapi
(Albania))
2009
Tomaz Salamun
(Slovenia)
2010
Ljubomir Levcev
(Bulgaria)

OPPENHEIMER’S BABIES Hiroshima & Nagasaki – 65 jaar later

Deze zomermaand is het precies 65 jaar geleden dat Robert Oppenheimer’s eerste prille atomaire babies – Trinity (het Dingetje), Little Boy en Fat Man – uit de verzengende moederschoot der thermo-nucleaire wetenschap tevoorschijn werden geworpen. Dit pittig ingekorte artikel handelt over de hernieuwde angst voor een op handen zijnde nucleaire apocalyps, het utopisme van de Global Zero Movement en de ultieme poging van de mens om zich te verlossen van het atomaire kwaad. Is het twee voor twaalf? Eén moment voor nul? Of is het al te laat?

The Trinity explosion, 0.016 seconds after detonation. The fireball is about 600 feet (200 m) wide. Trees may be seen as black objects in the foreground for comparison. Een korte video-weergave van de Trinity Test Explosion waar Oppenheimer in zijn beroemd geworden getuigenis voor NBC expliciet naar verwijst: http://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/9/9d/Trinity_test.ogg

Deze zomermaand is het precies 65 jaar geleden dat Robert Oppenheimer’s eerste prille atomaire babies – Trinity (het Dingetje), Little Boy en Fat Man – uit de verzengende moederschoot der thermo-nucleaire wetenschap tevoorschijn werden geworpen. Mijn geschiedenisprofs op de Universiteit van Amsterdam, waar ik van 1989 tot 1995 studeerde aan de afdeling contemporaine geschiedschrijving, doceerden dat iedere generatie vroeg of laat geconfronteerd wordt met het onvermijdelijke existentiële trauma ten aanzien van de mogelijkheid van de nucleaire vernietiging. Het zwaard van Damocles dat sinds de uitvinding van de atoombom in de jaren veertig en waterstofbom in de jaren vijftig, over de nekken hangt van onze gedurende vele millennia tot stand gebrachte menselijke beschaving. 
In de jaren tachtig – de slotfase van de Koude Oorlog – liep ik samen met mijn meestal al wat oudere leeftijdsgenoten van de middelbare school, alsmede talloze ongeruste tegenstanders van de volkomen uit de hand gelopen nucleaire wapenwedloop in Amsterdam, Brussel, Bonn, London en Den Haag, massaal te hoop in door de Vredesbeweging gecoördineerde marsen tegen de bom. We droegen slogans mee op spandoeken als “Alle kernwapens de wereld uit, te beginnen uit Nederland”, “Liever een Rus in mijn bed, dan in mijn tuin een kruisraket”, “Ban de Bom”, “Vrede Nu”, en talloze slogans van dien aard die allemaal een uiting waren van een reëel gevoelde angst dat de krankzinnige militaire strategie van Mutual Assured Destruction (toepasselijk afgekort tot MAD) met tienduizenden kernwapens aan beide zijden van het IJzeren Gordijn, tot een daadwerkelijk nucleair Armageddon zou kunnen leiden.
Met het einde van de Koude Oorlog, verdampte ook het angstzweet dat ons zo lang op het voorhoofd had gepareld. Er werden verdragen gesloten tussen de grootmachten die de kernwapenarsenalen uiteindelijk halveerden. Het aantal landen dat de beschikking had over kernwapens bleef echter groeien. De technieken van centrifuge om hoogwaardig uranium te verkrijgen dat nodig is voor het produceren van een atomaire bom, zijn steeds minder exclusief en – zoals ik een wetenschapper hoorde uitleggen -, de middelen om de basis te leggen voor het maken van een kernbom zijn sedert 1945 drastisch „gedemocratiseerd“.   
            Vijfentwintig jaar heeft de nucleaire koorts zich koest gehouden. Een kwarteeuw lang. De dreiging dat er toch nog een nucleaire catastrophe op de loer ligt is daarentegen – ondanks de reductieverdragen van de grootmachten – niet af- maar toegenomen. De computergestuurde veiligheidssystemen die ons moeten behoeden voor een onverhoopte lancering van raketten, zijn steeds ingewikkelder en in elkaar gewikkelder geworden. Er zijn raketten zoekgeraakt. Er is nucleair materiaal gesmokkeld. En er zijn naast belingerente naties als India, Israël en Pakistan, inmiddels ook onberekenbare terroristische organisaties die er alles voor over hebben om zo’n Doomsday-Machine in handen te kunnen krijgen. Osama Bin Laden heeft berekend dat er – op basis van al het kwaad dat de Verenigde Satan van Amerika in de afgelopen eeuw heeft aangericht – minimaal vier tot vijf miljoen Amerikanen over de kling gejaagd dienen te worden opdat de balans in Allah’s ondermaanse zielenbazaar weer enigszins zal zijn hersteld.
            De tijden voor een nieuwe nucleaire koorts lijken ophanden. De mogelijkheid dat een volgende bom op Times Square, het Museumplein of in de metro van London, Parijs, Brussel of Berlijn wel eens van nucleaire aard zou kunnen zijn, bezorgt autoriteiten in alle grote wereldsteden steeds grotere kopzorgen. Tientallen en inmiddels honderden meer of minder vooraanstaande wetenschappers, politici, activisten, zelfs legerofficieren en sympathisanten van over de hele wereld, hebben via onderling verbonden netwerken van think-tanks, lobbygroepen en vredes-organisaties, sedert enkele jaren het startsein gegeven voor een Global Zero beweging. Een soort 21ste-eeuwse variant op de Freeze, Vrede Nu! of Ban de Bom groeperingen die in de jaren tachtig het bloed onder de nagels vandaan haalden van rationale powerbrokers en communistenvreters. Met dien verschil dat het nu vaak juist de architecten en pleitbezorgers van de toenmalige Mutual Assured Destruction strategieën zijn, die ijveren voor de nuloptie van „alle kernwapens de wereld uit“. Destijds een slogan die in Nederland was voorbehouden aan de alomtegenwoordige en immer in de plooi blijvende „geitenwollensokken redenaar in pullover en spijkerbroek“ Mient Jan Faber van het Interkerkelijk Vredesberaad IKV.
            Over precies deze problematiek heeft cineaste Lucy Walker een groots aangepakte shock-and-awe documentaire gemaakt, Countdown to Zero geheten. Een last warning genre-film, geheel in de trant van Al Gore’s An Inconvenient Truth uit 2006. Drie jaar lang heeft Lucy Walker met een uitgebreide research crew en geld uit Hollywood aan de documentaire gewerkt. In die tijd heeft ze een schat aan overtuigend, verontrustend of ronduit ijzingwekkend beeldmateriaal weten te verzamelen, met het op zichzelf even lovenswaardige als merkwaardige doel de mensheid opnieuw bewust te maken van nucleaire gevaren die sedert het einde van de Koude Oorlog weliswaar van de radar van ons bewustzijn, maar nimmer van deze aardbol zijn verdwenen.


trailer van de film Countdown to Zero: http://www.festival-cannes.fr/en/mediaPlayer/10332.html
<a href="http://www.festival-cannes.fr/en/mediaPlayer/10332.html&quot;>

Als deze Very Last Warning Documentary ergens heel verhelderend over is, dan wel over de diverse keren dat de wereld al op of over het randje van de vernietiging heeft gebalanceerd. Vanwege veelal stilgehouden ongelukken, aberraties, misinterpretaties, verroeste chips in computersystemen, gezonken onderzeeërs, ontplofte bommenwerpers die tankten in de lucht, of op hol geslagen alarminstallaties. Deze ettelijke comedies of error – of beter gezegd near tragedies of horror – worden gecomplementeerd door getuigenissen van tientallen experts en wereldleiders die er op effectieve wijze de boodschap in weten te hameren dat er elk moment een tijdbom van jewelste af kan gaan als we niet snel drastische maatregelen nemen om ons van alle overgebleven nucleaire gevaren te verlossen. Tony Blair, Frank von Hippel, Ahmed Rashid, Jimmy Carter, Pervez Musharraf, Michael Gorbatjov, Robert McNamara… allemaal komen ze in de film van Walker verkondigen dat de enige manier om de tijdbom stil te zetten voor het Moment Nul is gepasseerd, gelegen is in een volledige, stapsgewijze ontmanteling van alle kernwapens en een grondig gecontroleerde opslag van alle resterende nucleaire materiaal waarmee atoomwapens gemaakt zouden kunnen worden.
Walker weet aannemelijk te maken, middels talloze getuigenissen die het apostatische karakter dragen van een religieuze bekering, dat vele haviken van vroeger heden ten dage fervente voorstanders geworden zijn van het in godsnaam zo snel en zo zorgvuldig mogelijk opbergen en vernietigen van alle nucleaire speelgoed dat nog ergens in de rommelhoeken van deze planeet mag rondslingeren.
In feite valt de essentie van hun Global Zero-overtuiging perfect te resumeren in dezelfde mantra’s die hen destijds de kast op joegen. De fundamentalistische dominee Cizik verwoordt het als volgt: “…I used to think that ‘Well, we possess nuclear weapons in order to prevent their usage.’ We now know we live in a world in which if we possess them – if anyone possesses them – they will be used….We have to change our way of thinking. And if we can’t change our way of thinking, we won’t survive.…”.
Ook verwerkt in Walker’s documentaire, zijn de beroemde beelden van atoomfysicus Robert Oppenheimer bij wie een traan in zijn linker ooghoek opwelt als hij voor een televisiecamera van NBC vertelt hoezeer zijn uitvinding van de atoombom al vanaf het begin (om precies te zijn vanaf het tenuitvoer brengen van de eerste proef in de woestijn van New Mexico (The Trinity Explosion, 16 juli 1945) een verhaal uit de Bhagavad Gita bij hem in herinnering bracht. Oppenheimer refereert aan de sage waarin de Hindu-god Krisjna probeert zijn in sombere overpeinzingen weggezonken pupil Arjuna wakker te schudden door voor het eerst voor de prins te verschijnen in zijn huiveringwekkende, veelarmige gedaante Visjnu, pochend dat vanaf dat moment de krachten van Dood en Vernietiging een heersende plek hebben gekregen in het universum. Oppenheimer: “We knew the world would not be the same after this. A few people laughed, a few people cried, most people were silent. I remembered the line from the Hindu scripture, the Bhagavad-Gita. Vishnu is trying to persuade the Prince that he should do his duty and to impress him takes on his multi-armed form and says, “Now I am become Death, the destroyer of worlds.” I suppose we all thought that, one way or another.”2

Klick hier om de scène te zien van Oppenheimer die rekenschap aflegt van de apocalyptische atomaire erfenis waarmee hij zichzelf en de wereld heeft opgezadeld:
http://www.youtube.com/watch?v=pdATuDKYlgA
Now I am become Death, the destroyer of worlds.” I suppose we all thought that, one way or another.

.
Wat we voor onze ogen zien gebeuren in deze huiveringwekkende getuigenis, is het verworden van ’s werelds meest vooraanstaande atoomfysicus tot metafysicus. Even is – via de reflectie van Oppenheimer’s blik – het wankelen van de wereld voelbaar geworden. Als Oppenheimer’s kristallijnen traan in beeld komt, bereikt de film zo’n intens niveau van wanhoop en uitzichtloosheid, dat het de zaal vol filmcritici in Cannes  voor even in een verwarrende depressie wist te storten. Gezucht. Gesteun. Onrustig gewriemel. Maar dan – hopla, hola! kaboem, kaboem! – komen de scriptdokters en producers uit Hollywood’s Droomfabriek vanuit de duisternis tevoorschijn om het licht in ons gemoed weer aan te knippen. De kans op een fataal kataclysme bestaat, is zelfs heel reëel, maar we hoeven het niet zover te laten komen! Met z’n allen kunnen we de wereld redden door gezamenlijk te roepen: The Ultimate Number is Zero!”
           Hoorden we in de documentaire niet een kernfysicus verklaren dat „alles wat denkbaar is, ook werkelijk ooit wel zal gebeuren?“ Hoorden we studenten physica niet verklaren dat ze als eindexamenopdracht allemaal de opdracht kregen om met wat elementaire middelen een eigen kernbommetje in elkaar te knutselen (en dat bijna niemand in deze opdracht faalde)? En zullen de slechtwillenden onder ons – zelfs als de huidige arsenalen tot nul zullen zijn gereduceerd – echt geen pogingen meer ondernemen om de mogelijkheden van nucleaire energie ook voor andere doeleinden te gebruiken? Punten die aan het einde van de film ineens niet meer aan de orde lijken. Het laken met de kruimels wordt uitgeschud, en fluitend in de kosmos uitgehangen. Tatatie, tatata: the ultimate number is zero – de nul die aan het begin van de film de vorm krijgt van een schematische atomaire kern die na enig duwen en trekken in tweeën wordt gekliefd.
Op de drukbezochte persconferentie in Cannes verklaarde Hollywood-producent Lawrence Bender (bekend als schutsheer van Quintin Tarantino): “De film moet ook nog verkocht en – in ieder geval – gezien worden. Door een zo groot mogelijk publiek natuurlijk. Wat heeft het voor zin om een film te maken die geen ruimte laat voor de hoop? “The world has changed, the threats have changed. And now, we all need to change our way of thinking about the nuclear issue.”
         De tijden zijn inderdaad weer eens veranderd. Zo gaat dat met de tijden. Maar of ook de mensheid van nature kan veranderen? Kan een uitvinding die reeds 65 jaar geleden is geschied, voorgoed onklaar gemaakt worden? Zelfs al zouden miljoenen, zelfs miljarden, aardbewoners opteren voor de nuloptie?
De nul-utopie van de Global Zero beweging, van veilig achter slot en grendel opgeborgen gevaren die het voortbestaan van de mensheid bedreigen, en waarin een gering aantal mensen een relatief vreedzaam of ongestoord bestaan leidt in evenwicht met het overige leven, is theoretisch wellicht uitvoerbaar – maar menselijkerwijs ondenkbaar. Als zoiets ooit tot stand komt, zal het niet dankzij de wil van de sappelende, wraakzuchtige en steeds moorddadiger uitgeruste homo sapiens sapiens zijn. Als mensen zich vastklampen aan de hoop op een kernwapenvrije wereld, is dat niet zozeer vanuit een zekerheid dat dit echt mogelijk is, als wel vanuit angst voor wat er kan komen als zij die hoop opgeven. Vrijheid, welvaart, vrede zullen altijd de voorrechten van een beperkte groep mensen blijven die moreel en economisch in staat is om de overige ongelukkigen zoveel mogelijk op afstand te houden. Er is geen hoop voor de soort. De mensheid vormt een kudde die door een paar jankende honden al te gemakkelijk naar de hel kan worden gedreven. Alle kernwapens de wereld uit, het is een nobel streven. Maar even onmogelijk als een terugkeer naar het moment van voor de oerknal. Want waarschijnlijk is het helaas zo dat om de aarde te verlossen van de Nemesis der nucleaire wapens, de aarde eerst toch echt zal moeten worden verlost van het woekerende plaagdier genaamd de mens.

Post Scriptum  (voor de optimisten): wie zich niets wenst aan te trekken van deze pessimistische gedachte, putte troost uit de opmerking van W.F. Hermans dat ‘doemvoorspellingen toch nooit uitkomen’. Om daar vervolgens meteen aan toe te voegen: ‘Andere voorspellingen ook niet.’

Plutoniumbom Nagasaki 09.08.10

Voor een uitgebreide versie van dit essay zie
http://sergevanduijnhoven.wordpress.com/2010/06/23/vishnus-amuse-geuele-en-ah-pooks-lekkernij/

Over de auteur:

Serge R. van Duijnhoven (1970) is schrijver, dichter en historicus. Woonachtig te Brussel, geboren in Oss (Noord-Brabant, NL). Recente publicaties: De zomer die nog komen moest (Nieuw Amsterdam), Klipdrift (Nieuw Amsterdam). Serge van Duijnhoven is freelance medewerker van Vrij Nederland, en werkt jaarlijks in Cannes als filmverslaggever voor het International Feature Agency en http://www.cobra.be