HET VERDRIET VAN BELGIE – IS BART DE WEVER DE SHYLOCK VAN BELGIE? – HOE LANG HEEFT BELGIE NOG TE LEVEN ALS NATIESTAAT?


IS BART DE WEVER DE SHYLOCK VAN BELGIE? – HOE LANG HEEFT BELGIE NOG TE LEVEN ALS NATIESTAAT?

Terwijl in Den Haag de spanningen rondom de formatie van het eerste kabinet Rutte met (of zonder) Wilders katatonische vormen aannamen, werd in de Nederlandse hoofdstad afgelopen week stevig gedebatteerd over “Het verdriet van België”. Waarmee bedoeld werd: het mogelijke einde van het “gespleten en bescheten landje” bezuiden de Open Riolen alwaar het separatistische momentum van Bart de Wever c.s. onomkeerbare vormen lijkt te hebben aangenomen.
Plaats van handeling was debatcentrum De Balie op het Leidseplein in Amsterdam – vlak naast de triomfboog die voert naar het Holland Casino waarop geschreven staat “homo sapiens non urinat in ventum”. Het werd een boeiende maar voor toehoorders vooral toch ook weinig hoopgevende avond vol colleges, analyses, gedachten-experimenten, satire en columns. De gasten die uitgenodigd waren om die dikke Ollandse nekjes eens fijntjes over de constitutionele misère bij hun immer querulante zuiderburen te instrueren waren Véronique Lamquin – chef politiek bij Le Soir, de grootste krant van Franstalig België, Liesbeth van Impe – politiek journaliste voor de Vlaamse krant Het Nieuwsblad, Dave Sinardet – politicoloog aan de Universiteit van Antwerpen, en tenslotte de Duitstalige Georg Weinand – dramaturg en werkzaam bij DasArts. Animatrice van dienst was de gevatte vernederlandste Belgin Sarah Meuleman. 

De knuppel werd bij aanvang kundig in het hoenderhok gegooid door Liesbeth van Impe, die het gehoor vergaste op een cynische crashcourse Belgium. Gedurende een powerpoint presentatie ontleedde ze in raketvaart het Belgische labyrinth waarin zes parlementen en zes regeringen nodig zijn om de boel vakkundig niet meer te kunnen besturen. Het Nederlandse gehoor krabde zich achter de oren toen de constitutionele verwevenheid van de drie Gewesten, Gemeenschappen en Taalgebieden uit de doeken werd gedaan. En de Daltoniaanse boevenbende van politieke protagonisten die het land naar de bestuurlijke afgrond voeren van een tronie werden voorzien. Driftig werden in de zaal door leergierigen aantekeningen gemaakt.
Onder de apocalyptische achtergrondtonen van instortende gebouwen schetste Van Impe een beeld van België als een staat die sedert 1970 permanent in de renovatiestijgers is geplaatst. Waar kabinetten enkel tot stand komen als ze in het holst van de nacht worden gesloten na het tekenen van compromissen die zo ingewikkeld in elkaar steken dat geen kat de inhoud ervan nog werkelijk kan begrijpen. De huidige politieke crisis is in dit opzicht geen uitzonderlijke situatie maar een gedurige constante van een chronische bestuurlijke ziekte. Of de kanker ook terminale gevolgen zal hebben voor het bestaan van Belgium as we know it waren de deskundigen van mening dat het land waarschijnlijk nog een jaar of tien te leven had. Daarna wacht ofwel de totale bestuurlijke chaos met de strijd om Brussel en een afwikkeling van de boedelscheiding waarmee vergeleken het gekibbel over BHV “klein bier” heette te zijn. Ofwel een geluidloos verglijden in de reddende muil van wallevis Jonas – maskotte van het Verenigde Europa van de toekomst zoals Guy Verhofstadt dat als een van de weinige visionairen in het Europese Parlement voor ogen staat.
Een serieus probleem waarvoor de Belgische democratie zich momenteel reeds gesteld ziet is het feit dat de Belgische bevolking na al die jaren van politieke impasse haar interesse voor en vertrouwen in de politiek tout court grondig is kwijtgespeeld. Regering of geen regering – het zal de gemiddelde Belg een ziel zijn. België is crisisresistent. Crisis is de normale toestand geworden in het land. En het leven gaat toch wel zijn gang. De duiven worden gemolken. De frieten gebakken. De treinen rijden nog. Er is nog melk in de schappen. En onder het matras liggen nog sokken vol biljetten die buiten het zicht van de fiscus om zijn opgepot als douceur “typiquement belge à côté de la côterie barbarique”. Bellum transit amor manet. Zo niet de liefde voor de communautaire wederhelft aan gene zijde van de taalgrens.
NVA-medewerker en voormalig Terzake-journalist Siegfried Bracke schreef eerder die dag in de krant De Morgen (DM 28.09 p.16)“De kloof tussen de Belgische democratieën is zo groot dat vrijwel niemand, zelfs niet de typische Walloniëkenner, echt helemaal kan begrijpen hoe de andere kant “voelt”. Met niet aflatende ijver voedt de Brusselse pers het vijandbeeld over Vlamingen die als Serviers-aan-de-Noordzee niets meer of minder aan het voorbereiden zijn dan de meest verschrikkelijke armoede en ellende voor al wie “Schild en vriend” niet deftig kan uitspreken.” Dave Sinardet van de Universiteit van Antwerpen bevestigde dat het “blokdenken” momenteel eigenlijk het grootste probleem vormt om in België ueberhaupt nog tot oplossingen te kunnen komen die het regionale of provincialistische belang overstijgen.
Senardet voorziet dat het virulente “Wij-Zij denken” van de huidige politieke kaste op termijn wel eens katastrofale gevolgen kan hebben als men de eigen principes nimmer in een ruimhartiger perspectief zal weten om te buigen. De atmosfeer zal steeds meer verzadigd raken met onvrede en ongeduld. De mensen zullen – zoals altijd in het geval van historische omwentelingen die onafwendbaar lijken – krampachtig trachten de tijden te versnellen. Wie zal bij de boedelscheiding van het land – ook als het zogenaamde stapsgewijze confederalisme à la De Wever nog een aantal jaren kalmpjes voortgang vindt – aanspraak kunnen maken op de F-16’s en kernwapens van Kleine Brogel? Wat als er een paar heethoofden hun beheersing verliezen en gewapenderhand franstalige burgemeesters uit de rand rond Brussel gaan verdrijven om BHV na zestien jaar palaveren eindelijk kiesrechtelijk te splitsen zoals de grondwet het voorschrijft?
Het panel van deskundigen wuifde de mogelijkheid van een nakende oorlog vlug van tafel. Zover zal het niet komen. Gelukkig worden de Belgische conflicten uitgevochten met fietstochten in het ommeland, met IJzerwakes, barbecues, debatten, onderhandelingen en vooral veel geniepige plaagstoten. Niemand roept op tot bloedvergieten. Een bezoekster uit het publiek wees er in een persoonlijk terzijde op dat men daar in het voormalige Joegoslavië anno 1989 ook nog collectief van overtuigd was. “Bij ons op de Balkan is er een gezegde dat luidt dat er maar een steen nodig is om duizend scherven te maken. Jullie passen maar beter op dat die ene steen niet wordt geworpen. Voor je het weet wordt er echt bloed vergoten.”
De achtergrondtune van instortende gebouwen begon in De Balie onrustbarend volume aan te nemen. Liesbeth van Impe haalde haar schouders op en poneerde: “België zal ophouden te bestaan op het moment dat het land geen premier meer vindt die deze ondankbare dan wel onmogelijke taak nog voor zijn rekening wil nemen. Het land zal niet exploderen maar imploderen oftwel oplossen. Dat is iets waar mijns inziens Bart de Wever ook bewust op uit is. De Wever droomt ervan om op de Belgische politiek de werking te mogen hebben van een bruistablet. Je gooit een tablet in het glas – het begint te borrelen en bruisen en binnen afzienbare tijd resteert er van het tablet niets meer dan wat spetters aan het oppervlak. Het Belgische vraagstuk voor eens en altijd opgelost in een fris glas medicinaal bronwater. Iedereen wordt er gezonder van.”
Dit bracht de moderatrice op de vraag hoe men het haast messianistische succes van Bart De Wever in Vlaanderen diende te verklaren?
Dave Sinardet: “De Wever heeft de rechter flanken in het Vlaamse spectrum leeggezogen. Het belangrijkste programmapunt van de NVA – de oprichting van een Vlaamse natiestaat – is het minst populaire punt van de partij. Het separatisme is daarom omgekat in de ateliers De Wever tot confederalisme. Een term zo vaag dat die alles en niets kan betekenen.” Véronique Lamquin van Le Soir wees erop dat tovenaarsleerling De Wever – in De Morgen van 29 september nog vergeleken met Mozes (Als Mozes spreekt luistert Zijn Volk, p.6) – zo alomtegenwoordig is geworden omdat de Vlaamse media hem in het warme licht van spots en camera’s in tot een van de graagst geziene BV’s hebben grootgekweekt. De Wever is met zijn honderd kilo’s verworden tot het Vlaamse troeteldier par excellence. Intelligent welbespraakt recht voor zijn raap koppig boertig en vooral “ene van ons”. Walter Pauli noemde hem in een redactioneel commmentaar in zijn krant “De ongekroonde koning van Vlaanderen” (DM 29.09 p.18) Een vadsige koning, dat wel, maar een die niet gespeend van zelfspot zijn persoonlijke défauts op gewiekste wijze in zijn voordeel heeft weten om te zetten. Dat de Vlaamse Mozes wekelijks een monsterbestelling plaatst voor zijn familie bij frietkot ’t Draakske in Deurne, dat deze Vlaamse aartsvader-in-spe vanuit zijn nieuwbetrokken dokterswoonst uitkijkt op café ’t Mestputteke: de media in Vlaanderen lusten er alle dagen pap van. Aan franstalige zijde is men met al deze kolderieke kwaliteiten van de gezette stokebrand niet vertrouwd omdat De Wever nu eenmaal niet wenst in te gaan op interview-verzoeken van journalisten aan de andere kant van de taalgrens. “Spijtig” verzucht Véronique Lamquin. “Maar het maakt onderdeel uit van zijn strategie om de boel uit elkaar te drijven. Hij is op geen enkele manier gebaat bij een voortbestaan van de status quo.”
Haat men of vreest men De Wever aan franstalige zijde?
Lamquin: “Er is bij ons plotseling heel veel interesse voor de man en dat is nieuw. Laurette Onkelinx noemde hem een jaar geleden nog een gevaarlijke vent. Een wolf in schaapskleren. Dat stadium is men bij ons nu wel gepasseerd. Ook wij weten dat de toekomst van België mede in zijn handen ligt. Maar misschien dat onze interesse te laat komt om de Vlamingen nog te kunnen paaien tot het voortzetten van ons verstandshuwelijk.”
Theatermaker Georg Weinand liet weten dat Bart de Wever hem nog het meest deed denken aan het karakter Shylock uit de komedie The Merchant of Venice van William Shakespeare. Ook de Wever is een ambitieuze man die in een wraakzuchtige obsessie zit opgesloten. We bewonderen zijn onverbiddelijke logica, maar komen erachter dat er al snel enkel onverbiddelijkheid overblijft. Terwijl de franstaligen smeken om solidariteit, slijpt De Wever zijn mes op zijn schoenzool. Hij is net als Shylock een figuur die de wet tot op de letter uitgevoerd wil hebben en die zich niet realiseert dat hij in zijn drammerigheid de grenzen van de wet zelf overschrijdt. In plaats van een testament-executair van een rechtsbeginsel, verwordt hij tot een slachter van de Belgische staat.
“Laat het hem maar proberen, de boedel van het land te scheiden met zijn gewette slagersmes van de responsabiliteit en de constitutionele hervormingen – zoals Shylock koste wat kost het volle pond uit de borstkas van Gratiano meende te moeten snijden. Dewever eist, net als Shylock, dat het vonnis geschiedde. Het recht en de geschiedenis moeten hun beloop krijgen. Over de mogelijke gevolgen heeft hij minder nagedacht.”

Portia: “Want daar u recht eist, mag u zeker zijn,
Dat u meer recht zult krijgen dan u lief is.”
Maak u dus klaar om ’t vlees eruit te snijden,
Maar stort geen bloed, en neem niet meer of minder
Dan juist een pond, want neemt u meer of minder,
(…), dan sterft u
En al uw goederen worden aangeslagen.

vert. Willy Courteaux

Veronique Lamquin, de journaliste van Le Soir, merkte op dat in haar ogen “Het verdriet van België” momenteel vooral “Het verdriet van Wallonië” genoemd mag worden. “Wie houdt nog van Wallonië? Bij een rondvraag zouden tegenwoordig waarschijnlijk de meeste Walen na een diepe zucht antwoorden: niemand, zeker de Vlamingen niet. De Walen raken er steeds meer van overtuigd: iedereen is Wallonië beu. Zelfs de Brusselaars kijken op Wallonië neer als een boertig achterland. Vroeger of later worden ze gewoon gedumpt. Zelfs de Duitstalige Gemeenschap, de best beschermde minderheid ter wereld, denkt eraan om haar lot in eigen handen te nemen. Steeds meer stemmen in de voormalige Oostkantons pleiten ervoor om een einde te maken aan de voogdij van het Waalse Gewest over hun grondgebied. Het Vlaamse model, het samenbrengen van Gemeenschappelijke en Gewestelijke bevoegdheden zien ze best zitten. Vaarwel Eupen en Sankt-Vith!”
Na al deze sombere geluiden zorgde stand-up comedian Merijn Scholten voor een grappige interventie door in een speech vanachter het katheder zijn sympathie te uiten voor die rumoerige onderburen die onderling altijd maar ruzie lijken te maken. Aan de hand van een phrase die hij uit een Canvas-documentaire over mores in China had gevist (“Over muzieksmaak valt te twisten maar de devosie is er niet minder om…”) deed hij een dringend linguistiek en politiek appel om het Vlaams – die schattige zoetzemige tongval waarin iedere harde t wordt verzacht tot een s zoals in dat woordje devotie – voortaan tot de standaardtaal van het ABN te verheffen. En het Haarlems-Hollands te verbannen naar de rangen van het onoirlijk dialect. Een stelling waarvoor de komediant op opvallend veel bijval kon rekenen uit de zaal.
De in België geboren vragenstelster die haar Vlaamse tongval grondig had opgeofferd voor een carriere bij de Hilversumse televisie – vroeg in bekakt Goois Nederlands of er een vergelijking mogelijk was tussen de populisten Wilders en De Wever. Beiden splijtzwam in de nationale politiek. Beiden intelligent. Heetgebakerd. Gedreven. Populair. Geliefd bij de een en verafschuwd door de ander. Maar daar houden de overeenkomsten toch wel op. “Verglijkingen met Philip De Winter zijn meer op z’n plaats”, meende Dave Sinardet. “De Wever wil bewijzen dat je Vlaams nationalist kunt zijn zonder ’t over kopvoddentaks of islamitisch gespuis te hebben. De politicus uit Deurne heeft er hard aan gewerkt zijn Flamingantisme salonfaehig te maken door een breder scala aan ideeen te hanteren dan de monomane maniak De Winter die altijd weer hetzelfde afgeleefde stokpaard meent te moeten berijden in de publieke arena. Het brede publiek trapt daar niet meer in. Het discours van De Wever echter spreekt brede lagen onder de Vlaamse bevolking aan.”
De meest heikele vraag werd opgeworpen door de moderatrice toen ze van de panelleden wilde weten of je nu wel of niet kon spreken van verschillende culturen aan Vlaamse en Waalse zijde in Halfland België. Geen van de leden wist hier goed raad mee. Op het eerste gezicht is alles anders aan de overzijde van de taalgrens. Naast de verschillende talen die men spreekt bezitten de gemeenschappen geheel verschillende omroepen die programma’s maken waar de andere taalgemeenschappen nooit en te nimmer naar zullen kijken. Vlaamse prominenten zijn onbekenden in Wallonië. En andersom. De franstaligen hebben een heel andere muziekvoorkeur dan de Vlamingen. Voorts is ook het politieke landschap aan beide zijden van de taalgrens volkomen anders van aard. Behalve de Groenen die met Ecolo een front vormen in de federale politiek zijn alle partijen langs regionale en gewestelijke principes steeds verder van elkaar verwijderd geraakt. Toch aarzelen alle crisisexperts er een definitieve uitspraak over te doen. “Het ligt er maar net aan welke ascpecten van de culturele beleving je naar voren wilt brengen”, mijmerde wetenschapper Sinardet.
Bestaat er eigenlijk nog wel zoiets als een “Belgitude” (proef dat woord voor het voorgoed van ons radar verdwijnt)? Een ziel die geheel naar de letter van Boontje op “gespleten en bescheten wijze” in verschillende kompartimenten van afzonderlijke Halflanden is verdeeld? En die tot elkaar veroordeeld zijn bij de gratie van dat ene monstrueuze Brusselse waterhoofd van de Siamese tweeling- of drielingenstaat die sedert 1830 bekendstaat als le royaume de la Belgique. De presentatrice was nogal kort door de bocht met haar omschrijving van België als het land van bier, frieten én Suske & Wiske. Kuifje en pralines. Manneke Pis en dEUS. Eddy Merckx en Jacques Brel.
85 procent van de bevolking schijnt zich volgens academisch onderzoek allereerst nog steeds als Belg te willen afficheren. 22 procent voelt zich in de allereerste plaats een Vlaming. Dave Sinardet stelde dat er sprake is van een gelaagde (lasagne) identiteitsbeleving bij het gros van de bevolking. Men is zowel Hasseltenaar als Limburger als Vlaming als Belg als misschien afstammeling van een Italiaanse immigrantenfamilie die werkzaam was in de mijnbouwindustrie van staatsbedrijven als Union Minière. En die voor het pensioen van de oude stamhoofden dus afhankelijk is van federale kassen.
Liesbeth van Impe merkte op dat de identiteitesbeleving van Belgische bewoners de afgelopen decennia radicale veranderingen heeft ondergaan. En dat Brussel bijvoorbeeld een stad is geworden waar letterlijk alle bevolkingsgroepen een minderheidsstatus bekleden. In dat opzicht is Brussel een geografisch en sociaal laboratorium van jewelste. Een levend experiment op een schaal van een tot anderhalf miljoen. En inderdaad de meest Europese der Europese steden. Brussel is de conditio sine qua non van het bestaan en voortbestaan van België. Maar Brussel is ook een strijdtoneel. Brussel wordt van alle kanten gehaat. Zeker door hen die er iedere dag weer naartoe moeten om er te gaan werken in de sick buildings van de overheid of van andere Kafkaeske instanties. En die dagelijks de file trotseren om zich na werktijd opnieuw frank en vrij in de eigen “koterie op de buiten” te kunnen installeren. Ver weg van stad en overheid en franskiljons en overig anderstalig gespuis. “In de algehele stads-sceptische houding vinden Vlamingen en Walen elkaar weer uitstekend”, merkte het panel aan het eind van het dedat opgelucht op. Alleen het eigen dorp is goed genoeg om ermee vertrouwd te kunnen zijn. Brussel is en blijft het Sodom en Gomorra – het helse secreet waar je je enkel terugtrekt omdat je er fecalische zaken te verrichten hebt. Van een liefde voor Brussel is in gans België geen sprake. Ook niet – zeker niet – vanwege de Vlaamse en Waalse politici die er op en om de Wetstraat dagelijks met elkaar in de clinch gaan. In hun gezamenlijke haat jegens de bureaucratische internationale hoofdstad Brussel tonen zowel Vlamingen als Walen weldegelijk over een gemeenschappelijke uit de klei getrokken volksziel te beschikken. Vlamingen en Walen zijn – of men het nu plezierig vindt of niet – weldegelijk familie van elkaar.

© Serge van Duijnhoven

Advertenties

Over de nieuwe film van Oliver Stone Wall Street II: Money Never Sleeps

Wall Street II: Money Never Sleeps
de nieuwe film van Oliver Stone
(vanaf woensdag 22 september in de Belgische en Nederlandse bioscopen)

trailer: http://www.imdb.com/video/imdb/vi875627545/

In de Volkskrant stond onlangs een interessante tekst te lezen: “Hebzucht tiert zonder dat het zichzelf beperkt. Zonder achting voor het menselijke ras, groeit de inhaligheid maar door. Niet in jaren of maanden, maar in uren en minuten. Slechts de gedachte van beheersing zou de hebzucht al kunnen temmen. Maar ongetemde gekte heeft geen oog voor wat voor iedereen noodzakelijk is.”
De nog uiterst actueel klinkende verzuchting is van de Romeinse keizer Diocletianius, die dit in 301 als voorwoord liet opnemen in zijn ‘Edict over de prijzen van koopwaren’. “Het feit alleen al, dat een 1.700 jaar oude waarschuwing nog steeds relevant is, leert ons minstens twee dingen”, schreef Robert Giebels treffend in een commentaar bij deze tekst. “Dat we als mensheid verbluffend slecht leren van onze fouten. En dat ze dus eigenlijk niets aan de huidige crisis kunnen doen: het zit gewoon in het bloed te falen.” David Hume formuleerde dit twee eeuwen terug ook al. Hij schreef: “Door de kracht van de vindingrijkheid kunnen mensen hun levenslot vergemakkelijken of uitstellen, maar zij kunnen zich er niet van bevrijden.” Geschiedenis was ook voor hem geen verhaal over vooruitgang, maar een opeenvolging van cycli waarin beschaving wordt afgewisseld met barbarij.
Wie dacht dat de afgelopen financiele crisis louterend zou hebben gewerkt voor de door hebzucht en consumptie voortgedreven vrije markt komt bedrogen uit. Alan Greenspan heeft zijn verzuchting dat hij het zelfcorrigerend principe van de Vrije Markt danig overschat had, inmiddels weer herroepen. Wereldwijd werden miljoenen mensen zwaar getroffen door de crisis. Velen werden werkeloos of verloren hun huis. Maar behalve Bernie Madoff is er vrijwel niemand van de hebzuchtige speculanten en asociale graaiers die de crisis op hun geweten hebben voor zijn misdadige praktijken gestraft. Banken keren opnieuw bonussen uit alsof er nooit een crisis is geweest. Greed Is Good Again! hoor je de navolgers van Gordon Gekko uit de film Wall Street (1987) van Oliver Stone opgelucht uitroepen.

Drieëntwintig jaar na zijn trendsettende film over de New Yorkse beurswereld, keerde Oliver Stone terug in de wereld van de snelle beleggers die over lijken gaan. Money Never Sleeps, oftewel Wall Street II, is het spannende vervolg op de film met die prachtige Shakespeariaanse dialogen waarvoor Michael Douglas destijds een Oscar won. Michael Douglas tekende opnieuw voor de tot ieders verbeelding sprekende rol van slechterik Gordon Gekko. Josh Brolin (die de hoordrol speelde in Stone’s W) overtreft Gekko in slechtheid en vermogen. Voor het contrast en de hoop zorgen Shia LaBeouf in de rol van jonge ambitieuze belegger Jake Moore en Carey Mulligan in de rol van Gekko’s dochter Winni die met Jake is verloofd.

Samen met een aantal andere journalisten sprak Serge van Duijnhoven met regisseur Oliver Stone en acteur Michael Douglas op het terras van het majestueuze Hotel Eden Roc in Le Cap, een van de sjiekste en duurste hotels ter wereld, twaalf mijlen ten zuiden van de Croisette op het filmfestival van Cannes. “Gordon Gekko is iemand die moedwillig bedrijven en mensen verwoest. Een echte bad guy”, zei Michael Douglas over zijn inmidels klassiek geworden personage. “Maar ik ben door de jaren heen vaak aangesproken door economiestudenten en beursmedewerkers die Gekko ook echt als hun idool beschouwen en hem noemen als de reden dat ze hun vak hebben gekozen. Daar keken Oliver en ik zeer van op.” Ook het kapsel en uiterlijk van Gekko – strak achterovergekamd haar, driedelig pak en Lenferink-achtige streepjesbloes met bretels – werden dankzij de film populaire modeverschijnselen onder de financëele wannabe-jetset op en rond Wall Street. De acteur Douglas, inmiddels 65, zit naast regisseur Oliver Stone (63) op het terras van Eden Roc te nippen aan een wite martini met ijs en schilfertjes citroen. “Toen was wat Gekko deed een misdaad. Nu is het legaal,” vat Stone de recente ontwikkelingen in de financiële wereld samen. Greed is good was in de financiële wereld verworden tot een mantra. Stone:”wist ik veel dat men die hebzucht vervolgens alleen maar zou vermenigvuldigen.”

In de eerste scène uit de film verlaat Douglas als Gekko de gevangenis, na een jarenlange straf te hebben uitgezeten voor fraude. Uit zijn bezittingen vist de bewaarder een stropdas, een gouden geldclip zonder geld, Gekko’s inmiddels fossiele mobiele telefoon die zo groot is als een heuse brooddoos. Als Gekko de poort achter zich hoort sluiten, staat er een stretch-limousine te wachten. Die is echter niet voor de ex-fraudeur, maar voor een gangster-rapper die eveneens het gevang mag verlaten. Een treffend beeld dat goed aangeeft hoe alleen Gordon Gekko er zelfs na zijn loutering nog altijd voorstaat. Stone laat het in het midden of Gekko na zijn gevangenistijd ook werkelijk het rechte pad kiest. Als kijker ben je aanvankelijk geneigd te denken van wel. In realiteit blijkt Gekko te broeden op een monstrueus plan van wrake dat hem in een klap zal kunnen verschonen van de haat waarmee hij al twintig jaar zit opgescheept. Ondertussen oogst de ex-gevangene veel succes met televisieoptredens als de tot inkeer gekomen beursprofeet en auteur van de bestseller: Is Greed Good? Gekko’s dochter (Carey Mulligan) blijft hardnekkig weigeren het contact met haar voormalig delinquente vader te herstellen. Ze woont samen met uiterst gedreven en idealistische jonge beurshandelaar Jake (Shia LaBeouf), die zijn miljoenenwinsten nobel investeert in revolutionaire groene energie. “Eigenlijk is het een familiefilm”, zegt Stone, die vier jaar geleden al door Douglas werd benaderd om een vervolg te regisseren. “Ik zei toen nee, want ik wilde die cultuur van overvloed niet nogmaals eren met een film. Vervolgens kwam de crash van 2008, en realiseerde ik me dat deze film gemaakt moest worden.” Het eerdere script werd herschreven en aangepast aan de nieuwe situatie. Om te laten zien dat de beursraven van de jaren tachtig maar klein bier dronken vergeleken bij de monsterfraudeurs van na het jaar 2000, is er een nieuwe bad guy aan het vervolg toegevoegd. Josh Brolin speelt een memorabel valse beurshandelaar met een ego zo groot als een wolkenkrabber, die neerkijkt op elke deal die niet boven de honderd miljoen dollar uitstijgt. De jonge Jake wordt aanvankelijk als een soort apostel binnengehaald door de zwarte magister. Maar gaandeweg het spel ontwikkelt zich tussen beide heren een vijandschap op leven en dood. Uiteraard is het de slechterik die diep zal vallen. Stone kan zijn Hollywood-herkomst nimmer helemaal verbergen, ook al zal hij sedert zijn hagiografische portret van Fidel Castro uit 1997 toch altijd wel het zwarte schaap blijven binnen de stal.
De muziek die de film begeleidt is van David Byrne en Bryan Eno. Met prachtige songs als “I can’t see clearly. My head’s in the way…” De liederen van Byrne werken als het koor in Griekse tragedies. Ze geven op een contemplatieve manier commentaar op het plot en werken als lasmiddel tussen de scènes.
Absoluut adorabel aan deze Hollywood-blockbuster is de manier waarop een hyperactueel thema gekoppeld is aan een spannend plot via tal van messcherpe dialogen die van het allerhoogste niveau zijn.
“What we all love the most: big year end bonuses.”
“Are we going under?”
“You’re asking the wrong question, Jacob… Who isn’t going under!”
“This is a public spectacle.”
“No, it’s a public execution…”

Enigszins tenenkrommend evenwel vond ik het einde van de film. Zonder dit nu perse te willen verklappen, viel het schrijver dezes wel enigszins zwaar te geloven dat de hals over kop naar London gevluchte Gordon Gekko vanuit zijn Engelse piratennest in The City plotseling vanuit het donker toch weer opduikt in een woonwijk in Brooklyn – als een deux ex machina. En zijn zwangere dochter en diens verloofde laat weten dat hij voortaan alsnog een goede vader en grootvader wil zijn.
Ook niet even denderend is het camerawerk van Stone’s favoriete cinematograaf Rodrigo Prieto (Alexander), die zijn camera bij voorkeur aan de poten van een helicopter lijkt te hebben gehangen waarmee Manhatten overvloedig in bird’s eye perspectief over wordt overgevlogen. Het vele gebruik van aan beurskanalen gerelateerde multiple screens, grafieken, rollende cijfers en digitale trucjes geven de kijker het gevoel dat je naar NBC of Bloomberg aan het kijken bent. Op zich een goed idee voor een film over de beurswereld, ware het niet dat het geregeld vreselijk afleidt van de bloedstollend goede dialogen van Shakespeariaans kaliber.
Deze week werd bekend, bij de perspresentatie voorafgaand aan de Amerikaanse première van de film in het Ritz Carlton niet ver van Wall Street in Manhattan, dat er bij hoofdrolspeler Michael Douglas keelkanker is geconstateerd. Er mochten geen foto’s gemaakt worden tijdens de persconferentie, maar verslaggeefster Inge Schelstrate van De Standaard kon constateren dat de 66-jarige Douglas er ondanks vier weken van chemotherapie en bestraling nog altijd kwiek uitziet. Een journalist schijnt hem te hebben gevraagd – ondanks het aanvankelijke verzoek om over de ziekte geen vragen te stellen – of zijn ingrijpende ziekte Michaels kijk op geld heeft veranderd. Zoals ook het geval was met zijn karakter. Michael Douglas schijnt te hebben geblazen en lachte: “Ik zit eigenlijk nog niet in de evaluatiefase. Ik neem het leven nu dag per dag, ik vat het erg filosofisch op. Ik hoop nu dat de film deze week goed opent in de bioscopen. Ik ben er zo trots op: het is een van die zeldzame films die en een goed scenario hebben, en een goede cast, en een goede regisseur. Alleen suckt de timing een beetje. Maar je moet nu eenmaal spelen met de kaarten waarmee het leven je bedeelt.”

© Serge van Duijnhoven

ALLES OP AARDE IS SCHERTS

‘Tutto nel mondo è burla.
L’uom è nato burlone.’

Falstaff geschilderd door Eduard von Grutzner

‘Alles op aarde is scherts’, zo laat Giuseppe Verdi zijn Falstaff zingen, in een tekstbewerking van Arrigo Boito, aan het slot van de gelijknamige opera. ‘De mens wordt geboren als nar.’
En als het leven scherts is, waarom de dood dan niet?

Arrigo Boito - auteur van het libretto v.d. opera Falstaff


Volgens Shakespeare was er maar een ding wat overbleef, als de tijd gekomen was om te gaan naar het ‘onontdekte land, van waar geen reiziger ooit weerkeert’: bereid zijn. Met opgeheven hoofd de dingen tegemoet zien, de wil in het gareel tot het land was bereikt van de eeuwige stilte, ‘the great silence’.
Bereid zijn…

Zolang er spel is, is er hoop; where there’s a will, there’s a play…
Maar niet iedereen is het gegeven om met kalm of opgeruimd gemoed het veelvormige monster van de doodsangst te overwinnen.
Ik heb gezien hoe mijn vader uit allemacht zijn kin omhoog probeerde te houden, en hem tegelijk alle mogelijke stadia van menselijke vernedering en lichamelijke onttakeling zien ondergaan. Het lot schiep er genoegen in hem ook de mogelijkheid nog waardig heen te gaan, bruut te ontzeggen. Als een jaloers en onhebbelijk kind dat anderen uit handen slaat wat hen dierbaar is; zo’n wreedaardig creatuur dat bij beestjes een voor een de vleugels, poten, voelsprieten uitrukt om te zien wat het effect is en hoe lang de rompjes nog spartelen of rondtollen. Hoe langer mijn vader weigerde om los te laten (uit vastberadenheid en trots!), hoe minder er uiteindelijk van die vastberaden waardigheid nog overschoot. Charon hoefde voor mijn vader nauwelijks echt meer uit te varen. Hij kwam zelf al kilometers diens donkere richting op gedobberd. Het was mijn vaders koppige ontkenning van de op handen zijnde dood, waardoor zijn erbarmelijke lot tot in het oneindige werd uitgerekt. Mijn vader heeft de desintegratie van zijn wezen tot in de meest perfide graad ten uitvoer helpen brengen. Hij bleef volharden, steeds krampachtiger, in het ontkennen van zijn ziekte, vanuit de illusie dat het de enige manier was om het lot te kunnen afwenden. De verbeten strijd die mijn vader eerst tegen de belegering van zijn lichaam, en later eigenlijk alleen nog tegen zichzelf en de werkelijkheid voerde, maakte dat hij naar de verste uithoek van onttakeling werd gedreven. Mijn vader had maanden eerder op waardige wijze kunnen gaan, maar door toedoen van zijn panische ontkenning van de dood was mijn vader best te vergelijken met een uitgemergelde hond die om niet te kreperen zijn eigen botten begon af te kluiven. Hoe meer hij tot het uiterste ging om zijn lot te ontvluchten, hoe dichter hij erdoor op de hielen werd gezeten. Toen mijn vader zijn laatste adem uitstiet was hij opgebrand tot in het merg, zijn verlamd lijf verweerd als tufsteen dat door bijtend zuur was aangevreten.
Eerlijk gezegd weet ik niet hoe ik het zou doen in geval ik oog in oog zou staan met Magere Hein. De dood is vast niet slechter dan het leven, zo luidt een overtuigende Tibetaanse wijsheid (‘We all die succesfully’, hoorde ik ooit de Tibetaanse monnik Chogyam Trumpa zeggen, de vriend van Allen Ginsberg die de dichter leerde mediteren en samen met hem de Jack Kerouac School of Disembodied Poetics oprichtte te Boulder Colorado).
W.F. Hermans, pessimist in hart en nieren, draaide deze wijsheid om. De mens is der ewig Betrogene des Universums, zegt Qvigstadt, die behoort tot het gezelschap dat in Nooit meer slapen met Alfred Issendorf door Lapland trekt. En de Noor voegt daar aan toe: ‘Op de school van de schepper zakt ook de knapste scholier altijd weer voor zijn eindexamen.’ Het is de bekende kwestie of een glas nu half vol dan wel half leeg is…

We all die succesfully.
Schrale troost!
Onthechting is een mooi streven, maar angst voor de dood en verdriet om onze geliefden bestaan niet zomaar. De natuur is meestal sterker dan de wetten van de rede. De koppigheid van mijn vader, is voor mij geen voorbeeld. Mijn verbetenheid zal minder zijn, neem ik mijzelf voor. Aan de andere kant staat er teveel op het spel om je mak en gelaten als een lammetje af te laten voeren, is er teveel moois om zonder slag of stoot gedaan te geven. Ik hoor veel mensen – in casu de dood – als troost bedoelde nonsens te berde brengen over ‘energie die niet verloren gaat’, ‘verdriet dat je een plek moet geven’, ‘gestorvenen die voortleven in het paradijs van de herinnering’. Zelf denk ik dat het na de laatste ademtocht toch vrij gauw zwart wordt. Het lichaam breekt af, chemische reacties vinden plaats, ontbinding, corrosie, putrefactie, aggregatie en uiteindelijk osmose met de nieuwe omgeving. Hebben de alchemisten gelijk, de gnostici of juist de atheisten? Feit is dat de reactie onomkeerbaar blijft. De dood is geen gebeurtenis meer in het leven. De dood beleeft men niet. De hypothese van de onsterfelijke ziel helpt ons niet een raadsel op te lossen. Het eeuwige leven, mocht dat al bestaan, is net zo raadselachtig als het tegenwoordige. ‘Niet hoe de wereld is, is het mystieke, maar dat zij is.’ Schreef Wittgenstein in 1922 in zijn Traktatus, die eindigt met de beroemde aanmaning tot zwijgen.

John Glenn


Een detail van het sterven van mijn vader – die laatste donderdagavond 29 oktober 1998, terwijl John Glenn bezig was aan zijn tweede ruimtereis (return to orbit, was de shuttle-reis gedoopt) dat me is blijven achtervolgen: mijn vader was de laatste twee, drie dagen min of meer in coma geraakt. Zijn ogen waren gesloten, hij was geestelijk en lichamelijk haast volledig verlamd – eten deed hij al weken niet meer, en vocht konden we hem enkel nog toedienen met in water gedrenkte wattenstaafjes – maar: vlak voor hij dood ging, in de laatste minuut, sperde hij zijn ogen wijd, wijd open. En niet heel even, geen contractie van de spieren, maar hij hield ze open, tot de eeuwigheid aan zijn netvlies was vastgevroren. De kilte die hem in de greep. De wurging bleef duren, de dood liet niet meer los – misschien vocht mijn vader nog ergens waar wij het niet zagen. Een uur na zijn overlijden was hij nog altijd gloedheet op zijn rug – een graatmagere marathonloper die de finish over was, een uitgeputte gevangene uit het concentratiekamp ontsnapt. De botten staken vlijmscherp uit zijn vel. Mijn omgekomen vriend Joris Abeling ging op totaal andere wijze, binnen een flits van een seconde, een botsing van twee auto’s in vliegende vaart, zijn leven vervliedend naast het mijne, onze knieën nog broederlijk tegen elkaar, onze lichamen daarboven gesplitst en voorgoed van elkaar gescheiden. De rest een vermangelde massa, verwrongen schroot, het magnetische tape van cassettebandjes dat verwaaide in de greppel, zo ver het oog reikte… Het sterven is voor Joris zo vlug en onverwachts gekomen is dat mijn kameraad – zo hoop ik toch, als een allerschraalste vorm van genade – het privilege te beurt is gevallen dat Woody Allen als volgt verwoordde: ‘ I don’t mind dying… I just don’t want to be there, when it happens.’
En voor ons? (Er) zijn of (er) niet zijn, is that still the question???De geest die vervliedt waarheen? `Daar sterven wij aan voor altijd,’ lees ik bij Allen Ginsburg in zijn ‘Kaddish for Naomi’ ‘als de paarden van Emily Dickinson / koersend naar het Einde. Zij kennen de weg /die Strijdrossen, rennen sneller dan wij denken /het is ons eigen leven dat zij doorkruisen /en met zich meenemen.’

Einde?
Stilte?
The Great Silence?

Als wij dromen rommelen onze hersenen nog altijd voort; sterker nog, er zijn goede redenen om aan te nemen dat droomactiviteit ontstaat omdat de hersenen zich tijdens de nachtrust op gegeven moment beginnen te vervelen. Ons brein leidt grotendeels een eigen leven, los van zon en maan en (hemel)lichaam. Zijn dimensie is een andere dan die van het omhulsel waarin het toevallig huist. Descartes heeft hier veel van zijn spinsels aan gewijd. Niets dat zo kenmerkend is voor de mens als zijn brein; en niets dat tegelijkertijd zo ongrijpbaar blijft. De Franse wijsgeer beschouwde de mens als een universiteit, bezocht door iemand die de leeszalen, de sportvelden, de bibliotheken, de laboratoria, de administratie langsgaat, maar dan vraagt: en waar is nu de universiteit? De menselijke geest (de naam zegt het al) is een spook dat zich nooit zal laten examineren om de doodeenvoudige reden dat hij nooit voor de dag kan komen. De dag is zijn domein niet. Wat wel? De nacht, de ruimte, de hersenen… overal waar het trafiek vrijgesteld is van de aardse gravitaties en schimmen ongelimiteerd hun werk kunnen doen. Wat weten wij van zijn signalen? Volgens Descartes slechts een ding: cogito ergo sum. Lichaam en geest zijn fundamenteel met elkaar verklonken. De homo sapiens heeft het zand en de modder van zich afgeveegd en zijn lot verpand aan de roerselen van een etherisch monstrum dat geacht wordt zich ergens in dat lugubere spookkasteel achter onze ogen te hebben genesteld. Zeker weten doet men het niet. We presume, that’s all… Een kwestie van vermoeden en vertrouwen. Maar in hoeverre kan men vertrouwen op het oordeel van een wezen dat zijn bestemming in handen legt van een dergelijk oncontroleerbaar en duister systeem van (hersen)schimmen en maskerades… Och arme. Het valt de homo sapiens sapiens niet te verwijten. Over het verloop der evolutie (en zijn eigen minieme rolletje daarin) is hem niets gevraagd. Zijn wil was van geen tel, en zowiezo: hij had geen keus. En onze Schepper? Had die dat wel toen de kosmos met een knal ontketend werd? Had Hij een keuze bij het al dan niet voltrekken van de big bang (voltrekken is het juiste woord, als een vonnis). Was het Zijn expliciete wil die destijds het licht ontstak in de ruimte? (und Gott sprach: es waere …!) Of volgt de schepping een eigen generiek? Is het allemaal per ongeluk ontstaan, in de kruitkamer van een morsig, alchemistisch bastion… een vonk die oversprong, en patsbang!!! kaboem!!! (und es war Licht… ). Als het per ongeluk ontstond, buiten Zijn wil om, is Hij vast van zijn troon geblazen van schrik. Maar als Hij wel een keuze had en medeplichtig is aan het Complot, dan is dit allemaal Zijn testament, Zijn wilsbeschikking, Zijn executie, Zijn nalatenschap. Bedacht en ten uitvoer gebracht toen stilletjesaan de tijd gekomen was om er vandoor te gaan? Had Nietzsche gelijk, met zijn constatering dat de oude Heer er op gegeven moment de brui aan heeft gegeven? Zo ja, valt het tijdstip van verscheiden dan nog vast te stellen? En hoe voltrok het zich, werd het volbracht? Zonk de Almacht neer met kalm gemoed, zoals Socrates die zich in Plato’s Phaedoon letterlijk te ruste legt…? Verdween Hij ongezien als een magier bij toverslag? Als een nachtelijk spook bij het krieken van de dag? Als een mythische vogel die opsteeg uit de rook? De feniks die zich volgens de legende om de zoveel tijd verbrandde op een nest van geurige kruiden, en dan verjongd uit zijn as verrees. Het oerwezen dat zich ritueel slachtofferde op het altaar van de Tijd? En dat de laatste kettingen brak rond de niet meer in bedwang te houden scheppingskracht. Het oeratoom spat uiteen. Ons universum kruipt meanderend tevoorschijn, als een slang uit een ei.
(de duivel knikt tevreden ,en zegt: ‘zo was het! Als een slang uit een ei…’)

Falstaff nel cesto da bucato. Door Johann Heinrich Fuessli

Tutto nel mondo è burla.
L’uom è nato burlone,
La fede in cor gli ciurla,
Gli ciurla la ragione.
Tutti gabbati! Irride
L’un l’altro ogni mortal.
Ma ride ben chi ride
La risata final.

(cala la tela)

Giuseppe Verdi

TUTTI:

FEDIEX Verbond van Ontginnings- en Verdelingsbedrijven van Onbrandbare Gesteenten

Op weg naar de Europawijk, die is gelegen in de Brusselse deelgemeente Etterbeek, passeer ik in de Troonstraat – niet zo heel ver van het Warandepark – een opvallende blauwe poort die tussen de kantoorgebouwen staat ingeklemd. Een statige toegang van wel vier meter hoog met aan iedere zijde een adelaarskop. FEDIEX staat er op een plakkaat naast de ouderwetse bel die bestaat uit een glimmend knopje op een koperen plaat, Verbond van Ontginnings- en Verdelingsbedrijven van Onbrandbare Gesteenten.

De merkwaardige naam van dit Verbond roept onmiddellijk associaties op met vervlogen koloniale tijden van Leopold II en de Zijnen, toen Belgie zich vrijwel onbeperkt rijk roofde in de binnenlanden van Kongo en Centraal Afrika. De poort met zijn tot de verbeelding sprekende opschrift (wat zijn dan die Onbrandbare Gesteenten? En zouden er ook Ontbrandbare Gesteenten bestaan? Vast wel. Ik moet bij dit laatste meteen denken aan steenkool, vuursteen, silex, bauxiet, uranium, plutonium, het mythische kryptoniet wellicht (waarmee schurken uit de Superman-reeks de aarde in een vuurzee dreigen te veranderen)? Het Verbond zou zowel wat naam als locatie betreft perfect hebben gepast in een van de boeken en verhalen van de schrijver W.F. Hermans. Zijn werk staat vol met dit soort aan ertsen, aardkluiten en vulkanisme ontleende aanduidingen en eigennamen. Fysische geologie en literatuur zijn twee verschillende disciplines, maar de scheidingswand tussen beide was voor Hermans alleminst impermeabel. De auteur doceerde als lector aan de universiteit, en schreef tegelijkertijd ontluisterende boeken over (en dit zijn diens eigen woorden): ‘het geologisch tijdperk dat bepaald wordt door het gidsfossiel mens.’ De hoofdpersonen uit zijn romans en verhalen zijn meestal een soort van magneten die niet bewegen, en toch onverbiddelijk vijanden aantrekken;

Zijn collega’s aan de Rijksuniversiteit van Groningen hadden er weinig begrip voor dat Hermans beide disciplines tegelijkertijd beoefende, vooral toen zijn boeken eind jaren zestig goed begonnen te verkopen. Hermans, zo werd gezegd, ‘moest nu maar eens uitmaken waar zijn prioriteit lag: bij zijn boeken of studenten’. Hermans liet de eer aan zichzelf en pakte zijn biezen. Als vrijwillige balling streek hij in 1974 neer in Parijs, de laatste jaren van zijn leven bracht hij door hier in Brussel. Zijn huis stond niet eens zo ver van deze poort vandaan, in de Atrebatenstraat (nr.61). Dit maakt het dus niet ondenkbeeldig, dat Hermans tussen 1991 en 1995 wel eens aan deze wonderlijke plek zal zijn gepasseerd. Op weg naar of komend van de vlooienmarkt in de Marollen bijvoorbeeld, waar hij graag rondsnuffelde op zoek naar ontbrekende delen uit de Larousse Medische Encyclopedie of naar een interessante, afgedankte typemachine die hij nog van de schroothoop kon redden, repareren en toevoegen aan zijn verzameling van tweehonderd stuks.

Wat frappeert aan de poort met de adelaarskoppen (naast de grimmigheid waarmee de roofvogels over de brede en drukke kantoorstraat uitkijken, als bewaakten ze een schat of een graftombe), dat is het contrast met de amechtig karakterloos gebleven blokkendozen ernaast. Op elkaar gestapelde verdiepingen met getint glas tussen egaal grijze stroken, dat als een soort verbandgaas alle wonden moet bedekken. Sickbuildings met beduidend meer volume dan betekenis, meer functie dan vorm, meer verdiepingen dan diepgang. Plompe drillpuddingen die op het punt staan het portaal voorgoed aan het straatbeeld te onttrekken door het te bedelven onder een laag blubber van zestien etages. Recht-toe-recht-aan architectuur van de decennia na de Tweede Wereldoorlog, getekend op tafels van grote architectenbureau’s in opdracht van de Brusselse nomenklatuur die grote visioenen hadden over het geld dat ze konden verdienen aan het bouwen van een zakendistrict vervaardigd uit glas, baksteen, beton en een nog een paar grijze allesbehalve ‘Ontbrandbare Gesteenten’. De typische bouwstijl van de ‘global village maffia’, de wereldwijde societeit van louche mannen met een overdadig ontwikkeld zakeninstinct hun gebrek aan fantasie probeerden te compenseren. Die geen principieel verschil konden zien tussen het leggen van een kamerbreed tapijtje in een bungalow, en het aanleggen van een strook gebouwen door het centrum van Brusselse. Speculanten, aannemers, projectontwikkelaars, mannen met invloed in de politiek. Men kan ook zeggen: vandalen, plunderaars en brandschatters die de voorbije eeuw in alle historische steden en op deze planeet een spoor van vernieling hebben aangericht en (erger nog) ons tot in lengte van dagen hebben ogezadeld met de gevolgen van hun hebzucht en smakeloosheid. Er zou, post mortem desnoods, een tribunaal opgericht moeten worden om dit soort criminelen te berechten voor het plegen van urbicide en andere kapitale misdaden tegen de menselijkheid en de beschaving.

Ze zullen er zelf geen nachtje van wakker hebben gelegen, vermoed ik, de lieden die voor deze wanstaltige architectuur verantwoordelijk zijn. Ze zullen zelf geen centje pijn hebben ondervonden van de talloze onteigeningen, ze zullen vast geen traan hebben gelaten om de gruwel die door hen is aangericht. Ze zullen geen greintje spijt hebben gevoeld om de splendeur die door hun werklieden meedogenloos aan splinters is gehakt en tegen de vlakte gesmeten. En toch moet het ook hen zijn opgevallen dat het straatbeeld er in de loop der jaren zoveel schraler en monotoner op geworden is. Edoch: spijt is niet hun stiel. Hun leven is er bepaald niet slechter op of minder door geworden. Los daarvan. Wat zouden ze zich schuldig voelen? Ieder zijn zaken. Zij doen en deden de hunne. Daarbij: ze gaven ‘gestalte aan de toekomst’. Hielpen de stad inrichten. Ze hebben haar behoed voor de leegte en stilstand. Ze hebben, kortom, meer dan wie ook hun steentje bijgedragen aan de maatschappij.

Wat zijn eigenlijk de ‘Onbrandbare Gesteenten’ die door de bedrijven van het Verbond van Ontginnings- en Verdelingsbedrijven van Onbrandbare Gesteenten worden ontgonnen en verdeeld? Beton? Lijmsteen? Asfalt? Mika wellicht (of is dat geen natuurlijk gesteente)? Ik wil aanbellen om te informeren, gewoon uit nieuwsgierigheid, maar aarzel of het geen wereldvreemde indruk zal maken. Het is tenslotte een serieus kantoor van een Federation en geen kruidenierszaak met lekkernijen in de aanbieding. Mijn vinger haal ik van de bel, en ik loop door. Toch kan ik het niet laten om na enkele passen alweer om te kijken naar de helblauwe poort met de statige adelaarskoppen. Ik begrijp waarom ze zo grimmig kijken. Als ik hier de volgende keer langsloop, zijn ook zij misschien verdwenen, platgedrukt door de kantoren aan weerszijden, met toegangspoort en al onder het tapis plain gemoffeld, weggeschoffeld tussen de onderaardse schatten die ze al die tijd hebben bewaakt. De diepe, donkere schachten der onbrandbare gesteenten. De nazaten van Leopold zullen het winnen van de Majesteit. Wie vuur steelt uit de hel / kan heersen op de aarde…

© Serge van Duijnhoven, Brussel 2010/2011

EXCURSIE NAAR DE BRONNEN VAN HET GROENE WOUD

Genius Loci:
Gruûnderwald

OP ZOEK NAAR DE BRONNEN VAN HET GROENE WOUD

VERANTWOORDING

Het boek dat voor u ligt heb ik geschreven in opdracht van het BKKC (Brabantse Kunst- en Kenniscentrum) in het kader van de Manifestatie Landkunt 2010. Margriet Kemper en haar collegae vroegen me een poging te wagen op literaire wijze uiting te geven aan de “Genius Loci” van Het Groene Woud. Op het moment dat dit me gevraagd werd (mei 2010), wist ik niet beter dan dat Het Groene Woud een truckersrestaurant was op de weg van Vught naar Tilburg. En dat er zich ergens in het landerige Liempde een horeca-gelegenheid van dezelfde naam bevond.

Gedurende de voorbije zomermaanden heb ik deze schrijnende lacune uitgebreid teniet kunnen doen. Als een literair bioloog-anthropoloog ben ik, gewapend met niet meer dan een vulpen en Moleskin aantekeningenboekje, op expeditie getogen naar de bronnen van Het Groene Woud. Heb monter en onbevooroordeeld veldwerk verricht. Gewandeld. Gespot. Geroken. Geluisterd. Gewroet. Vermoed. Geteld. Geraden. Genoteerd.
De teksten in dit boek zijn ruwweg onder te verdelen in drie afdelingen:

1. De stemmen/verhalen/sporen van de Mensen
2. De kleuren/klanken/geuren der Natuur
3. De geest/ziel/aard van de Plek

De bedoeling is dat de de lezer vanuit het breed uitgewaaierde palet aan verhalen en gedichten, teksten en verslagen, uiteindelijk toch een ietsie pietsie van de geur, de kleur, en de contouren gewaar zal kunnen worden van de schimmige gestalte (een bosnimf uit Keltische tijden?) die bij de koppige en kleurrijke bos- en heidebewoners van Het Groene Woud bekendstaat als “hun” Genius Loci Gruûnderwald.

In het Brabant van de vorige eeuw waren natuur en mens onverenigbaar. Niet alleen de projectontwikkelaars, planologen en stedelingen maar ook de boeren op het land waren in een blinde strijd met het landschap verwikkeld. Men zag wat er nog over was aan natuur als een hinderlijke, stinkende, vieze dan wel achterlijke factor die door de mens in zijn voorwaartse tred scrupulleus diende te worden bedwongen, bebouwd, bemest, bevuild, bespoten, bedolven. Brabant had geen oorlog nodig om zichzelf te verminken. Wat onze Brabantse grootouders en ouders destijds omschreven als “cultivatie en ontwikkeling van het platteland”, zal door toekomstige generaties ongetwijfeld op een dag toegevoegd worden aan het rijtje van eufemistische newspeak termen waarmee de mens in de twintigste eeuw zijn alomvattende vernietigingsdrang en bruutheid van een net jasje heeft proberen te voorzien.
Zoals er in de tijd van de grote ideologieen genociden hebben plaatsgevonden op soortgenoten die tot smet of vijand van het volk werden verklaard, zo is de moderne mens op even genocidale wijze tekeergegaan tegen alle wilde restjes flora en fauna die hem op weg naar de vooruitgang en de welvaart voor de voeten durfden te lopen of te groeien. De natuur is al te vaak de klos geweest. Tijd om haar weer met respect te bejegenen. En haar in het groene landschap – zolang het nog kan – de (adem)ruimte te geven die ze van nature verdient. De enige rol die haar op deze aarde toekomt is, zolang er leven is, die van protagoniste. Niet die van een onderknuppel of onzuiver element dat uit de weg moet worden geruimd voor het groter heil of kortzichtig gewin van de mensheid.
Mijn expeditie naar de bronnen van het Groene Woud leerde me dat het de natuur in deze contreien gegund is om die hoofdrol met verve te vervullen. Van de moerasweelde aan de oevers van het slapende rioolgemaal De Moerenburg tot aan de gevarieerde bloemenpracht in de beekdalen van de Dommel en de Voorste Stroom. Van de populier- en sterrenbossen rond de kwelders en de boerderijen bij Boxtel en Liempde tot aan de vennen en de heidegronden op het door zand verstoven land van venkraal, wilde betram, helleput en oude Kampinase donck…Dat alles en veel meer bevindt zich hier, op schootsafstand van de gekte en de drukte in de steden en het razen en het tieren van de wagens op de scheurbaan, in dit weelderige, broedende, bloeiende en boeiende wilde groenperk in het hartje van Noord-Brabant.
Dat het er is. En dat u het weet.

N.B.: De topografische namen van de genoemde locaties, wijzen op de plekken die als oriëntatie voor de desbetreffende tekst hebben gediend. Ze zijn niet op te vatten als strikte coördinaten waarbinnen het gedicht of verhaal zich afspeelt, wel als bronnen van inspiratie. Goede reis!

© Serge van Duijnhoven, uitvoerder van de schrijfopdracht van het BKKC in het kader van de manifestatie LANDKUNST

OMSCHRIJVING VAN DE SCHRIJFOPDRACHT

Dat streekromans een slechte reputatie in de literatuur hebben, zal minder met de thematiek (en het streekeigene) te maken hebben dan met hun literaire kwaliteiten. ‘Madame Bovary’ van Gustave Flaubert zou bijna een streekroman kunnen zijn geweest: een jonge vrouw van het platteland trouwt met de sullige dorpsarts en droomt vervolgens van een spannender (lees stadse) leven, dat zij werkelijk ervaart in een verhouding met een geheime minnaar – hetgeen uiteindelijk tot haar zelfmoord leidt. Ware het niet dat er een meesterschrijver aan te pas kwam.

Madame Bovary

Aan romans, die wel tot de literatuur worden gerekend, maar die zich nadrukkelijk in een streek afspelen, blijft iets van de streekroman kleven; denk aan het werk van Anton Coolen. Maar in de hedendaagse literatuur is die wat bekrompen houding verdwenen. Gerbrand Bakkers roman ‘Boven is het stil’ uit 2006 (16e druk!) kreeg alom veel lof, voor zijn verhaal, dat zich in Noord Holland afspeelt, en vertelt van een boer tegen wil en dank, die ook verlangt naar een ander leven – een beetje zoals Madame Bovary eigenlijk.

De stad, of nog sterker de metropool, bleek en blijkt voor veel literatuur de hoofdbron te zijn. Niet zo verwonderlijk, want het is daar waar de cultuur zich het snelst ontwikkelt en waar de meeste spelers van die cultuur zich ophouden. In de dichtkunst is die verhouding tussen stad en land, tussen cultuur en natuur een veel vloeiender, misschien wel omdat de dichtkunst zijn oorsprong vond in natuurlyriek. Het aantal gedichten dat de natuur in meest ruime zin omhelst, is misschien wel groter dan die, die de cultuur als verschijnsel tot onderwerp of bron heeft. Maar gezegd moet wel dat natuur geen platteland is. Waar het ene gemakkelijker het ‘goddelijke’ kan representeren is de ander meer een armzalig soort cultuur, in vergelijking met de stad. Terecht of onterecht.

Piet Paaltjens 1835 – 1894

Diezelfde tendens gold minstens zozeer voor de beeldende kunst en als dan toch de natuur werd afgebeeld, dan werd dat gedaan door stadse schilders die de natuur, het landschap, het platteland ontdekten als een aards paradijs, een antwoord op de kunstmatige stad, een plaats waar het goddelijke nog ervaren kan worden. De verhouding tussen kunstenaar en de rurale wereld kreeg nooit de vanzelfsprekendheid als die van de boer tot zijn land, de dorpsbewoner tot zijn dorp. Juist in de ambivalentie school voor die kunstenaars (en de kunstwereld) de kracht van het landelijke.

Gustave Courbet, ‘Goedendag, Monsieur Courbet’, 1854

In de jaren ’60 van de vorige eeuw vond na de 18e eeuwse herdersmanie, de 19e eeuwse Romantiek en het Impressionisme opnieuw zo’n golf plaats van kunstenaars die de ongerepte natuur ontdekten: Land Art. In de leegte van de Amerikaanse woestijnen en steppen, vonden deze groep kunstenaars een uitweg, niet alleen uit de stad en de stadscultuur, maar ook uit de benauwde grenzen van de kunstwereld zelf. In grootschalige, geometrische gebaren grepen zij letterlijk in in het landschap: Robert Smithson, Dennis Oppenheim, Robert Morris e.a. Dat is één spoor dat gevolgd werd.

Robert Smithson Spiral Jetty 1970

De andere is die van de persoonlijke ingreep, die bepaald werd door de kunstenaar als individu, als het ware door het lichaam van de kunstenaar: Richard Long, Hamish Fulton e.a. Deze vorm bracht juist kleine ingrepen met zich meebracht, of uitwerkingen vanuit een conceptueel uitgangspunt.

Richard Long, A line made by walking 1967

De ontwikkeling van de afgelopen tien tot twintig jaar is dat weer een nieuw spoor werd gevolgd: die waarin het kunstwerk ontstond in dialoog met de context, en dan niet alleen de beeldende elementen (zoals ruimte, maat, materie, licht enz.), maar immateriële, zoals: cultuurhistorie, demografie, economie, ecologie. De in Den Bosch woonachtige kunstenaar Sjaak Langenberg maakte samen met Theo van den Aker een film over polder Mastenbroek, waarin hij als kunstenaar een rol aannam die veel van bovengenoemde elementen bevat.

scène uit de film Polder Mastenbroek 2004

Waar eerder het begrip Genius Loci, het eigene van een plek, in verschillende verhoudingen een samenspel vormde tussen ‘gevóelde’ en vastgestelde elementen – een begrip dat met name bij landschapsarchitecten lange tijd in zwang was, waren deze concrete aspecten toch niet de dagelijkse, harde gegevens die eerder lijken thuis te horen in de wereld van wetenschap, journalistiek en politiek dan in die van de cultuur.
Maar zelfs de hedendaagse kunstenaar die niet terugdeinst voor deze verstrengeling van vele factoren zal een eigen spoor ontwikkelen, een waarin het begrip ‘verbeelding’ essentieel is.

In de manifestatie ‘Landkunst 2010’, georganiseerd door het BKKC en Euro Land Art, wordt in het gebied van Het Groene Woud, de landelijke driehoek tussen de steden Tilburg, Den Bosch en Eindhoven én de drie steden zelf dat verschijnsel van ‘landkunst’ getoond, onderzocht, bediscussieerd enz. Het gebied leent zich bij uitstek ervoor, in de voortdurende en dynamische verhouding tussen stad en land, tussen cultuur en natuur. Permanente en tijdelijke landkunst, tentoonstellingen, studiedagen en andere culturele activiteiten maken onderdeel uit van de manifestatie.
In 2007 maakte Hester Pilz voor Euro Land Art het tijdelijke landkunstwerk ‘Grieselveld’ bij Straten.
In 2009 realiseerde Frank Havermans in het kader van Landen in het Groene Woud, een initiatief van de toenmalige NBKS, een permanent werk ‘Observatorium’, in de buurt van St.Oedenrode.

Schrijfopdracht: De Plek

Aan de schrijver/dichter wordt gevraagd zich niet als een 18e-eeuwse, bucolische dichter te gedragen, als de dwepende romanticus bij zonsondergang of als de stadse heren van de School van Barbizon, maar zich als landkunstdichter/schrijver in het gebied te begeven en ergens een plek in te nemen in Het Groene Woud. Deze plek kan een populierenbosje zijn, een varkensboerderij, een dorpsplein, de rafelrand van een stad (niet de stad zelf) en zich open te stellen voor de genius loci van deze plek. Hem of haar wordt gevraagd een gedicht, een verhaal te schrijven of een andere vorm te kiezen, die zónder die plek niet geschreven zou kunnen zijn. Die weliswaar later in de behaaglijkheid van de stadse woning of in de anonimiteit van een treincoupé gelezen kan worden, maar die de lezer meeneemt naar de plek, waar de eerste spinsels, woorden, flarden van zinnen in het hoofd van de schrijver zich aan hem opdrongen. Was het het licht door de populieren, het ruisen van de A2, de stank van gier, het rood van de rode pimpernel, de fietsende 60-plussers of de zich schuil houdende vos?Hem of haar wordt ook gevraagd op een moment ter plekke zijn tekst voor te lezen voor publiek.

Nationaal Landschap Het Groene Woud
In het hart van de stedendriehoek Tilburg – Eindhoven – ‘s-Hertogenbosch ligt Het Groene Woud. Dit is een ambitieus ‘groenproject’ met bossen, moerassen, heide en agrarisch populierenlandschap. Het landschap is zo uniek dat de overheid Het Groene Woud in 2005 uitriep tot Nationaal Landschap. In totaal telt Het Groene Woud 35.000 hectare. Door de combinatie van een zeer gevarieerde natuurkern met een omliggend cultuurhistorisch waardevol landschap biedt het een ongekende mix van natuur, cultuur en vermaak. Hierdoor is het gebied bij uitstek geschikt voor meerdaags verblijf en korte uitstapjes. Het Groene Woud wordt het ‘groene hart’ van het stedennetwerk BrabantStad. Bestaande uit de steden Breda, Eindhoven, Helmond, ’s-Hertogenbosch, Tilburg. Een groen stedelijk netwerk dat Noord-Brabant nadrukkelijker op de Europese kaart wil zetten als toonaangevende kennisregio. Het Groene Woud heeft als doelstelling een groot samenhangend natuurgebied te ontwikkelen, waarin naast natuur ook veel aandacht is voor landbouw, groene recreatie en cultuurhistorie. Aan de basis van dit project staat een grote groep deelnemende partijen uit de streek, die onder regie van de Provincie Noord-Brabant, dit ambitieuze project ten uitvoer brengen. Het Groene Woud ontvangt hiervoor een Europese bijdrage.

Meer informatie over Het Groene Woud is te vinden via de website http://www.hetgroenewoud.com

Informatiecentrum over Het Groene Woud: De Groene Poort
Gedeputeerde Onno Hoes verrichte zondag 20 juni 2010 in Boxtel de opening van het (eerste) informatiecentrum over Het Groene Woud in museum De Groene Poort. In de toekomst zullen er nog meer van zulke centra verrijzen in de steden Den Bosch, Tilburg en Eindhoven en vijf verspreid over Het Groene Woud. Bezoekers vinden bij een bezoekerscentrum informatie over Het Groene Woud.Educatieve informatie over de natuur en de cultuurhistorie. Maar ook informatie over bezienswaardigheden, routes om te fietsen, te wandelen, kanoën en paardrijden.

spirituele poort naar Het Groene Woud: het Damiaancentrum

Aan de rand van Het Groene Woud in Olland ligt het Damiaancentrum. Het centrum, dat zichzelf ook wel laat omschrijven als “de spirituele poort naar Het Groene Woud”, organiseert lezingencycli over Voeding, Landbouw & Spiritualiteit. Doel van de lezingen is te komen tot een spirituele verdieping rondom landbouw, aarde en voeding. Inmiddels zijn al aan bod gekomen:
– Het kwetsbare als bron van inspiratie. Is schaalvergroting het lot van de boer?
– Voedsel is meer dan alleen koolhydraten en eiwitten. De innerlijke kwaliteit van voedsel.
– Onze maïs is heilig. De visie van Maya boeren op het dagelijkse voedsel. Beleving van aarde
en voeding door indianen in Guatamala.
– Natuur beleven met ‘Actieve verwondering’.
“Het gaat in de landbouw om meer dan alleen goede kwaliteit voedsel produceren; het kan de mens ook stimuleren en inspireren”, aldus Piet Rombouts, initiatiefnemer van de werkgroep Landbouw & Spiritualiteit van het Damiaancentrum. “Het Groene Woud ontwikkelt zich door. Echter, de landbouw staat meer langs de zijlijn, terwijl er juist een mooie rol voor is weggelegd. Ik denk dan aan de sociaal-maatschappelijke rol van landbouw, maar ook als beheerder van het gebied. Onze werkgroep wil laten zien dat de landbouw onderdeel is van onze omgeving”, geeft Rombouts aan. Het Damiaancentrum bevindt zich aan de Slophoosweg 1 te Olland. Meer informatie is te vinden op http://www.damiaancentrum.nl.

DE GRENZEN VAN HET GROENE WOUD

Van: Serge van Duijnhoven [mailto:sergevanduijnhoven@skynet.be]
Verzonden: maandag 21 juni 2010 5:38
Aan: Femme van den Berg
Onderwerp: Work in progress 21 juni 2010 – plus enkele vraagjes over Het Groene Woud

He Femme,

zit nog steeds in de troep vanwege de lekkage hier op de gelijkvloers ivm het ingestorte plafond van de bibliotheek. Dadelijk om 11u komt alweer het derde mannetje van de verzekering poolshoogte nemen.
maar timmer ook driftig voort aan mijn teksten voor het Genius Locui project rond Landkunst 2010.
In de bijlage een alweer wat bijgewerkte versie van het work in progress.
mocht je mijn mail van vrijdag nog niet gelezen of doorgestuurd hebben, gelieve je dan te beperken tot deze bijgesloten versie van 21.06.10.
De al geschreven teksten kun je naar believen gebruiken (voor op website bv) of doorsturen. Maar ik wil nog wel het recht behouden om later evt. correcties of veranderingen aan te brengen in de werkjes.

Hartelijks,

Serge

Ps1: de overzichtskaart van Het Groene Woud die je me een tijdje terug stuurde, schijnt niet bij iedereen overeenkomst te genieten voor wat betreft de precieze limieten van het alomspannend oppervlak van Het Groene Woud. Horen de Drunense duinen er bv. nog bij? Hilvarenbeek – De Beekse Bergen? Mocht je dit even kunnen nagaan, heel graag. Binnenkort ga ik een pluimveeinspecteur interviewen uit Liempde. En dan ook dat Oertijdmuseum betrekken.
2. Laatste vraag: Weet jij of de brouwerij van La Trappe (O.L.V. Koningshoeve) binnen het territorium van Het Groene Woud valt?

Ha Serge,

Ik had je tekst nog niet gelezen, zal het snel gaan doen. Ben benieuwd! Hoorde van Liesbeth dat ze het erg mooi vond. Ik zal ook aan Bregje van de publiciteit doorgeven dat ze de teksten mag gebruiken.
Die overzichtskaart was van het Nationale Landschap. Wel hoorde ik ook dat er nogal verschillende meningen zijn over waar precies de grenzen liggen. Wij gaan er dus maar redelijk soepel mee om, en ikzelf hou wel gewoon als richtlijn de grenzen van dat kaartje. Dan zouden de Drunense Duinen er niet bijhoren, evenals Hilvarenbeek. Maar wij hebben dan wel weer een kunstwerk op de Drunense Duinen liggen, wat wel meegenomen is in het programma. Het is dus niet zo consequent.. De brouwerij in Berkel Enschot ligt er ook officieel net buiten, maar zou je gewoon kunnen gebruiken.
Groeten,

Femme

Aan de Heer G.H.C. van den Oetelaar
Kasterensestraat 15
5298 NV Liempde
NEDERLAND

Brussel, 02.09.10

Geachte Heer Van den Oetelaar,
Teun Voeten en zijn vader hebben me laatst, tijdens een bezoek aan huize Voeten in Liempde, dringend aangeraden eens contact met u op te nemen over de precieze definitie en betekenis van Het Groene Woud. Naar het schijnt heeft dit begrip in de loop der jaren mede door u gestalte kunnen krijgen.
Deze zomer heeft de BKKC uit Tilburg me een schrijfopdracht verstrekt om in het kader van de Manifestatie Landkunst een tekstueel werk te componeren waarin ik de genius loci van Het Groene Woud op eigen wijze onder woorden probeer te brengen. Verschillende malen ben ik de natuur, heide, vennen en paden ingetrokken die volgens het kaartje waarover ik beschik binnen het territorium van Het Groene Woud zijn gelegen. Ook heb ik een voordracht gegeven op het terrein van de Joffra hoeve.
Bij het invullen van mijn opdracht heb ik gemerkt dat het begrip Groene Woud door de mensen die er wonen of mee te maken hebben nogal verschillend wordt geinterpreteerd. De “kasteelvrouwe” van slot Nemerlaer beweerde bijvoorbeeld bij hoog en bij laag dat haar domein NIET tot het Groene Woud behoorde. De vader van Teun vatte het Woud specifiek op als een ecologisch en sociaal-geografisch project dat tot doel heeft de natuur wat meer vrij spel te geven in de door de agrarische sector gedomineerde en vertekende ommelanden. De mensen van het BKKC schijnen het Groene Woud in de eerste plaats op te vatten als een gebied waar stad en platteland, natuur en cultuur op specifieke wijze in elkaar grijpen en in symbiose leven met elkaar. Daarnaast zijn er nog altijd vele Brabanders die nog nooit van het begrip Groene Woud lijken te hebben gehoord. Teun Voeten blijft bijvoorbeeld koppig spreken over “de kampina” – wat erop kan duiden dat Het Groene Woud als begrip redelijk recent in zwang is geraakt.
Ook over de exacte grenzen van Het Groene Woud bestaat niet altijd consensus. Femme van den Berg van het BKKC uit Tilburg schreef me laatst bijvoorbeeld (nav mijn vraag of de Drunense duinen, de Beekse Bergen in Hilvarenbeek alsmede de brouwerij van La Trappe in O.L.V. Koningshoeve wellicht ook binnen de grenzen van Het Groene Woud gesitueerd kunnen worden) : “Wel hoorde ik ook dat er nogal verschillende meningen zijn over waar precies de grenzen liggen. Wij gaan er dus maar redelijk soepel mee om, en ikzelf hou als richtlijn liefst de grenzen aan zoals die zijn vermeld op het kaartje dat verspreid is door het Nationale Landschap. Dan zouden de Drunense Duinen er niet bijhoren, evenals Hilvarenbeek. Maar wij hebben dan wel weer een kunstwerk op de Drunense Duinen liggen, wat wel meegenomen is in het programma. Het is dus niet zo consequent.. De brouwerij in Berkel Enschot waar het abdijbier wordt gebrouwen ligt officieel net buiten het Groene Woud, maar zou je wat ons betreft toch gewoon bij dit project van ons kunnen gebruiken…”
Hoog tijd, lijkt me, om klaarheid in de zaak te krijgen en de man te raadplegen die zich volgens mijn bronnen in Brabant als de principale bezieler van Het Groene Woud heeft doen gelden. Hopelijk heeft u tijd om een dezer dagen per mail op bovenstaande zaken in te kunnen gaan. As. zaterdag geef ik een voordracht in ZIN het voormalige klooster te Vught – waar een studiedag plaats zal vinden onder de titel Land & Betekenis (www.landkunst.nl). Het zou mooi zijn mocht ik uw antwoord bij die voordracht kunnen betrekken.
Met vriendelijke groet uit Brussel,

Serge R. van Duijnhoven
Kandelaarsstraat 23
B-1000 Brussel
België
sergevanduijnhoven@skynet.be
mob: 00 32 477 767 300 begin_of_the_skype_highlighting              00 32 477 767 300      end_of_the_skype_highlighting

—– Original Message —–
From: “Ger van den Oetelaar”
To: “Serge van Duijnhoven”
Sent: Thursday, September 02, 2010 4:26 PM
Subject: Re: Genius Loci – vraag over Het Groene Woud

Beste Serge van Duijnhoven,

Nationaal Landschap Het Groene Woud is oorspronkelijk (begin negentiger jaren) een
begrip dat hoorde bij een studie over de toekomst van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in het
gebied rondom Boxtel. Het was een toekomststudie n.l. als het (net ingezette) rijksbeleid zou
lukken, wat zou er dan gebeuren? Het theoretisch proefgebied ging over de (toen nog apart gelegen)
natuurgebieden Geelders, Dommeldal, Scheeken c.a., Kampina c.a., Mortelen. Via rijksbeleid was
het destijds de bedoeling dat deze natuurgebieden aan elkaar gekoppeld zouden worden. Die
theoretische studie was genaamd “Het Groene Woud”, genoemd naar het café ’t Groene Woud
(Kasteren, Liempde bij de Geelders) waar enkele bijeenkomsten van de auteurs van die studie
gehouden werden. Behalve dat in de studie de grote knelpunten beschreven werden, werd ook een
beeld geschetst (Het Groene Woud) wat er zou gebeuren als deze knelpunten opgelost zouden
worden. (De auteurs hebben nooit gedacht dat het huidige nationaal landschap het resultaat zou
worden. Hun studiegebied vormt nu de natuurkern van nationaal landschap Het Groene Woud)

In 1998 werd ondergetekende wethouder en heb deze studie als dé kans gezien om natuur & milieu te
promoten. In 1998 werd in het gemeentehuis van Boxtel het eerste Het-Groene-Woud-symposium
gehouden. Samen met Brabants Landschap (Jan Baan) en de agrariërs (Frans van Beerendonk) hebben we
het totale gebied (en niet alleen het studiegebied) gepromoot. Zeer velen (gemeenten, provincie vele andere initatiefnemers) vonden dit een goed idee en hebben daaraan bijgedragen. De in de studie geschetste knelpunten werden allemaal opgelost (via aankopen, natuurbrug etc.). Gedurende de eerste paar jaren ontstond het schillenconcept n.l.

eerste schil = EHS (+ het oorspronkelijke studiegebied)
tweede schil = de dorpen rondom de EHS
derde schil + de drie steden Den Bosch, Eindhoven en Tilburg.

Grenzen waren eigenlijk nooit belangrijk alle gemeenten en de 3 grote steden behoren tot Het
Groene Woud (HGW). Dit werd wat anders nadat de formele status van “nationaal landschap” ook een
echte grens inhield. De nationaal-landschap-grens is SLECHTS een politieke grens en heeft weinig
met de feitelijke inhoud en de na te streven doelen te maken.

Bijvoorbeeld: Streekrekening Het Groene Woud ondersteunt financieel projecten in HGW. Deze
projecten mogen aanwezig zijn in alle gemeenten die geheel of gedeeltelijk binnen de officiële
begrenzing liggen. In de praktijk wil dat zeggen dat ook initiatieven buiten de begrenzing
gesteund worden. (B.v. officieel ligt maar 150 hectare van de gemeente Eindhoven binnen de
begrenzing, maar ELK HGW-initiatief in Eindhoven wordt gesteund). Ook zijn de drie grote steden erg actief betrokken bij HGW.

De kasteelvrouwe van Nemerlaer heeft dus ongelijk, hetzelfde geldt voor de Loonse en Drunense Duinen (LDD). HGW-projecten binnen LDD en in Haaren zijn welkom en ondersteunen het doel om de kernkaliteiten van HGW te ondersteunen. Het Groene Woud is al met al een erg nieuw begrip/concept dat gebruikt wordt om zowel de EHS-kwaliteiten (kern, eerste schil) te verbeteren als de relatie tussen stad (derde schil) en land te verbeteren.

Doe Teun en zijn vader veel groeten van mij.

Succes a.s. zaterdag.

Ger van den Oetelaar
Kasterensestraat 15
5298 NV Liempde
Nederland
tel.: 0411-632043
email: vandenoetelaar@wxs.nl
WEBSITE: http://www.duthmala.nl

—– Original Message —–
From: Serge van Duijnhoven
To: Ger van den Oetelaar
Sent: Friday, September 03, 2010 3:03 PM
Subject: Re: Genius Loci – vraag over Het Groene Woud

Beste Ger,

als ik bezie wat er in vijftien jaar concreet gerealiseerd is op het gebied van natuur- en landschapsbeheer, dan neem ik voor u en uw medestanders/ initiatiefnemers mijn pet af. Zeer indrukwekkend. Je zou verwachten dat vele boeren uit de omgeving ronduit vijandig tegenover het Masterplan zouden staan. Maar blijkbaar is dat niet zo, anders was de uitvoer van de plannen nooit mogelijk geweest. In elk geval moet er veel overtuigingskracht, enthousiasme en persistentie aan te pas zijn gekomen.

Teun doet u zijn hartelijke groeten terug. Ik zie hem vanavond, alvorens hij naar New York vertrekt waar as. woensdag de Engels/Amerikaanse geupdate versie van zijn boek Tunnelmensen zal worden gepresenteerd aan de pers.

Nogmaals merci voor uw respons. Met vr. groet,

Serge

Ger van den Oetelaar is woensdagmiddag 14 april bij zijn afscheid als wethouder van de gemeente Boxtel koninklijk onderscheiden. De Liempdenaar werd benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Van den Oetelaar maakte twaalf jaar deel uit van het gemeentebestuur en was volgens burgemeester Frank van Beers in die functie ’dag en nacht in de weer voor de samenleving’.
Boxtel luidde Van den Oetelaar woensdag op grootse wijze uit. Na een symposium over biodiversiteit werd in restaurant Molenwijk een afscheidsreceptie gehouden, die door naar schatting vijfhonderd mensen werd bezocht.
Bij de uitreiking van de koninklijke onderscheiding stond Van Beers uitgebreid stil bij de loopbaan van Van den Oetelaar, die in 1998 namens Combinatie95 lid werd van het gemeentebestuur en als wethouder verantwoordelijk was voor veel beleidsterreinen, zoals volkshuisvesting, ruimtelijke ontwikkeling, monumentenbeleid, duurzaamheid en plattelandsvernieuwing.
Verder was Van den Oetelaar oprichter van het Innovatieplatform Duurzame Meierij en stond hij aan de wieg van Streekrekening Het Groene Woud. Ook voor het Vlagheidefonds was hij jarenlang de kartrekker en met de regio Leuven zette hij tal van bijzondere Interreg-projecten op. De wethouder was nauw betrokken bij de totstandkoming van de Duurzame Driehoek en was medeoprichter van platform Het Groene Woud.
GROENE WOUDJE
Opvallend was dat tijdens de receptie het Groene Woudje werd gepresenteerd, een speltbrood dat door bakker Tiny Schalkx van bakkerij Jan de Leijer speciaal voor deze gelegenheid is gebakken. Het Groene Woudje is gemaakt met louter streekproducten: oergraan van boer Wim Jennissen uit Liempde en dagverse melk van boer John van Hal van Hoogmunsel. Patron Karel Wijnen van restaurant Molenwijk belegde de sneetjes brood met streekproducten.

OP DE FOTO: …GER VAN DEN OETELAAR… Ridder in de Orde van Oranje-Nassau

DEEL I

I

ZWEER AF DE PRIETPRAAT
Balsvoort, Smalbroeken – Winkelsven, Heiloop
ergens in de bossen tussen Oisterwijk en Oirschot
donderdag 17 juni 2010 04:55uur

“Doof die te felle lamp in je hoofd. Zet de rust aan van buiten.
Hoor wat blijft fluisteren, bladeren, ademen in stilte.

Wat blijft koeren in duiven, kwaken in kikkers
bruisen van leven. Zweer af de prietpraat.

Laat varen de wind. Hoor de wijs van het leven.
Laat zijn wat wil wezen. Verwelkom wat gaat.

Wees langzaam. Door vogels gezongen.
Bereik wat je bent. Het priemende licht.”

II

BAKERMAT
Veldersbos, Liempde – landerijen van
Lennisheuvel (Boxtel) tot Evenheuvel (Best)

vandaag weer voor even in Liempde
hoe gemakkelijk valt het leven
in andere handen dan die van de jeugd
huwelijk, dromen, dezelfde ongenezen ziekte
hier in dit Woud, in dit licht ben jij niet meer
de mooiste, met de gaafste huid

is het mogelijk, vraag je je af vandaag
in de splendeur van dit deels weer onont-
gonnen landschap dat zij nog steeds niets weet
van de liefdes van andere steden?
dat zij nog altijd niets wil weten
van de afwezigheid, en het vergeten?

vandaag noteer je in je journaal:
weer in t Woud gewezen, dit jaar en dit seizoen
gedronken: cognac in grote bierglazen
gekust: de vrouw van het ouderlijk huis
je moet nu maar eens leren
te doen of je nabij geboren bent

geef je werkelijk om de mensen
die je als kleine hebben weggebracht?
eerlijk de jongen die je leerde vliegen
oneerlijk het meisje dat je leerde liegen
een kleine vooruitgang
maar je oog voor schoonheid is een ander

het zijn de jaren zonder uitgelijnd verhaal
dus heb je er een verzonnen
beloftes van trouw, geloftes van vriendschap
praatjes voor de vaak!
de gemaskerde vogel
laat je nooit ontsnappen

windveren op het ven van de stille morgen
Hazenakker, Venkraai, Liempder Heide
in je boeren jongensbed vond je er
op een koude ochtend, toen je zestien was
de bloem die een keer, een keer bloeit
in de pummelende nacht

de achtergeblevenen kun je vertellen
van je belevenissen, tot ieders verveling
hoe was het leven in Luverne?
hoe was het leven in Parijs, in Amsterdam
en Brussel? het werk zal je nooit verder
brengen dan je ouders je hebben gebracht

jouw oude huis vult zich met andere geluiden
een andere geur, andere meubels
ander bestek, een tweepersoons bed
in de spiegels zie je de volwassen ogen
van een andere jongen, een vrouw, een ander leven
tevredenheid is vette soep voor dwazen

wie is het kind van toen
dat zingt en zong terwijl je van de trappen klom
is het de hond aan je voeten?
het kind in haar buik?
de rest van de wereld begint
aan deze noch aan gene zijde

Nabije steden slapen in hun gelenigde nood
toen leken alle wegen nog open
nu lijken alle wegen afgesneden
organische mest, wolken, adem
de pluk van het gevogelte
de lemmet van een mes
op duizenden behaarde kelen

van die nacht tot deze zomer
heeft het je nog een jeugd gekost
te weten waar en hoe
je jouw afwezigheid
in tal en last
met jezelf kan compenseren

maar dat is geen reden om niet terug te keren
dat is geen reden en
dat is het nooit geweest
want welke richting kan het leven
geven als je altijd hetzelfde verwacht
van je geboorte tot je dood?

Het Groene Woud baart stil zijn monsters:
1. in de overbevolkte barakken der pluimveefabrieken
2. op het ledige erf van een vergeten herengraf

III

MET DE SMAAK VAN VRUEGER
Oisterwijk, De Lind

Spirits, melted into air…
– Shakespeare, Prospero

de stad is nabij maar de straten zijn leeg
alsof de bevolking op de vlucht is geslagen
de tijd is onzichtbaar, de dood is als water
de nacht is een rafelig laken met gaten

die vlinders hebben nagelaten
in de grondstof van het heelal
de stad ligt plat en ook het bruidspad
dat beschut ligt in het midden van de winkelesplanade

baadt in een overdaad aan licht
denkbeeldige schoorstenen, daken
oranje kranen verdrinken in een Oost-Indische
hemel van gemorste inkt, kaki, kobalt

nergens klinkt een geluid
caférumoer noch stemgedruis
zelfs geen dichtklappend portier
het tafereel vloeit moeiteloos over

in de paleizen en tuinen van Duizend-en-een-nacht
een uitklapbord van een grillroom
biedt op de brede stoep gerechten aan
‘shoarma met de smaak van vroeger’

op de achtergrond priemt een torenspits
daarboven een glimp van de maan
gesluierd achter wolken
als was het haar niet toegestaan

publiekelijk haar gelaat te tonen
toch is zij hier de enige die waakt
en toeziet met een spiedend oog
op deze schaars bebouwde kom

tot aan de rand gevuld met doodse stilte
het ambersoortig hart van deze groene stad
dat al bij leven en welvaren is versteend
als een insect dat zit gevangen in de hars

IV

DIT WAS TOEN MORGEN
17, 18 juni 2010 – overdag tussen 09u en 16u
in alle gemeenten van Het Groene Woud gelegen tussen de colleges, lycea en gymnasia van Tilburg, Eindhoven, Heeswijk Dinther, Schijndel en Den Bosch

17,18 juni 2010 – in de zomerse hitte heerst een zinderende spanning die de bladstille groentooien van de bossen en de zacht ruisende naaldbomen tussen de vennen van Oisterwijk een vertragend effect lijkt te geven. A plain summer in hightide slomotion, zoals in een film van David Lynch. De jeugd van Het Groene Woud, inmiddels al volop werkzaam als vakantiehulpje in de locale horeca, wacht met spanning op het al dan niet verlossende telefoontje van de rector of decaan, die moet melden of men voor zijn of haar examen is geslaagd. De perikelen van de door hormonale aanvallen en existentiele hunkeringen overwoekerde puberteit behoren – als het goed is – binnenkort voorgoed tot het verleden. De tranen van de groeipijn zullen zich, in de bedding van de ziel, gaandeweg gaan uitslijten tot een zoetsappig soort gevoel van geluk. Hoe definieerde de juf Frans mevrouw Van Spaendonck “geluk” ook alweer in de examenklas van 4 Havo en 6 VWO, op typisch latijnse en dus (pedant) nostalgische wijze? “Le bonheur, cette étrange chose qui n’existe pas. Et pourtant, un jour n’est plus…”

“(…)
spreken in tongen. teken in poses.
proefwerk prélude. profaan in probatum.
doorsta de beproeving. ontwar de verhalen.
verwaand en onzeker. versteld van de waarheid
vol van verwachting. in geuren en kleuren
en zoetige smaken. vrucht op sterk water.
roos in het laken. bloesem in bloei.
troost en calvarie. keet op koopavond.
alles voorlopig. planning in fasen.
kiespijn en groeipijn. liefde bij vlagen.
dit was toen morgen. vandaag is geweest.
de roes van het bijna. de beet van het beest.”

V.a

IN AMPLEXUS

De Moerenburg, rand Groene Woud
Groot Goorven & Groot Aderven, Oisterwijkse Heide

Mannetjeskikkers kruipen op de rug van de veel grotere vrouwtjes en houden die dagenlang in een paargreep, amplexus genoemd, totdat het vrouwtje kikkerdril (eieren) afzet dat het mannetje met zijn sperma bevrucht. Paardrift in combinatie met vasthoudendheid. In amplexus lijken de mannetjes in een soort trance te verkeren. Er is geen sprake van penetratie, wel van bevruchting van eitjes via het sperma van de mannetjes.

fotograaf L.J.A.D. Creyghton

V.b

VERZAMELAAR VAN DROMEN
bij een foto van een poel met dikkopjes
van L.J.A.D. Creyghton
Boshuis Venkraai, Boschoord

‘slaap maar zacht, liefmanneke
droom maar zoet, mannekegoed’

en met het moeizame piepen en schuren
de echo van zijn laatste avondgroet
verschijnen weer de schimmen en figuren
uit de kinderliedjes, de griezels
uit de huiversprookjes, doemen in het donker
weer demonen op die klieren, de miezers
die loeren door de kieren van de deur

verandert dit vertrek als destijds
voor mijn slapengaan, branden de ogen
van het staren naar de vlekken
op het sepiakleurig bloemenbehang
wordt de kamer donker woud, het dakraam
put van Vrouw Holle, het bed een hut
in de bomen, het kussen een schatkist

met een roestig oud slot en een inhoud
die geheel bestaat uit spinrag, licht
en goudflagon, het weefdraad
van mijn dromen; springt de angst
opnieuw uit de diepte waar ze sluimert
tot de mist dik genoeg is
kruipt ze tussen de krassen en barsten

in de muren, ritselt tussen blaadjes
onder het laken; speelt ze kil oktober-
poppenkast in de eenzame gangen op school
of op schoot bij de man met zijn tabberd
en gestikt in de haren van diens dodemansbaard
verschijnen ze weer met de regenvlagen
muf en stiekem in de kelder en stinkend

in de perenvijver tussen dikkopjes
en kikkerdril en gulpend met het water
in je rubberlaarzen verschijnen ze weer
tussen de mazen van het schepnet
of dieper op de drassige bodem van het ven
waar een glinsterend zwaard door een
doorzichtige hand word rondgezwaaid

en voor mijn vader mij weer toevertrouwt
aan het donker dat ons omringt
som ik het lijstje op met de bedreigingen
die voor ieder welterusten moeten afgewend
‘papa komen er vannacht heksen spoken
reuzen dwergen griezels enge beesten
en pierlala en Beerend Botje?’

en je wilt dat vader zijn verlossende woorden
zal spreken voor hij de deur zal sluiten
het enige dat geruststelt en waarna
je weer veilig en vredig slapen kunt:
‘nee die griezels en die spoken
komen niet die heksen en die reuzen
komen niet en Pierlala en Beerend Botje

nee vannacht komen die niet…’
‘en morgen?’
‘morgen ook niet’

‘welterusten dan, vader’
‘slaap zacht, liefmanneke
droom zoet, mannekelief’

nu is je vader bijna af en jij niet meer
dat manneke en ben jij het
die het wiegelied geruststellend neuriet

die je hand legt op diens voorhoofd
en uitklopt dat kussen
doorweekt van zijn zweet

slaap maar zacht liefmanneke
droom maar zoet mannekegoed
er is niemand die je nog zal lastigvallen

fotograaf L.J.A.D. Creyghton

VI

JUNGSKE
Kasteren, De Mus’donck

Jungske toch, jungske
weet ge wel hoe vaak
ik het buikske van uw moeder
tot spiegel heb gewreven
nog voordat gij
geboren waart
mijn en uw gelaat
in haar lichaam?
heb ontwaard

Jungske toch, jungske
weet gij nu gij ook
in de leeftijd zijt
hoe liefde na het lentelicht
van kleur verbleekt
gelijk schoonheid
van een bloem waarvan
opeens de stengel
breekt?

Jungske toch, jungske
haar lief te hebben
was mijn straf. Genoeg!
geen kruis, geen graf
ik haat het voorjaar
en de bloemen door de
tijd te wit geverfd.
Maar het rotste getijde
jungske, blijft de zomer

want dat is als een verlangen
dat nooit sterft

VII

EXIT GENIUS
(BELLUM TRANSIT)

Kromvennen & Huisvennen, Kampinase Heide
Groot Goorven & Groot Aderven, Oisterwijkse Heide

koolmees? staartmees? kuifmees?
klauwier? kwikstaart? putter? sijs?
lijster? bosvink? goudvink? pimpelmees?
groenling? geelgors? roodborst?
boomklever! waterjuffer! pimpernel!

tierelier, kwinkeleer, tsjirp tsjirp
fuut fuut, sie-sie-truulluul-truulluul
daartussen de wind die door de bomen ruist
de onbesuisd nasale ademtochten
van een in slaap gevallen reus

de kalme branding van een denkbeeldige
zee. Het gezoem van libellen
het gekwaak van bronstige padden
het gebrul van de kikkers
het geplop van zuurstofbellen

die na hun amfibische sprong
op komen wellen in het mors-
stille water. En dan – ineens
de alles uit zijn hengsels knallende
hysterie van brullende en briesende

ondieren die in getrainde formaties
met hun vlammende staarten
het purperen gordijn van de hemel
aan flarden komen scheuren
een Gargantueske versie

van een vlucht alledaagse trekvogels
ganzen die tot draak zijn gemuteerd.
hun taak: het breken van barrières
werpen van bommen, spuwen
van vuur. Het zaaien van angst

en verderf. Dood en terreur
ook hier, temidden van het tere
oog. Dit mid-Brabantse hart
van wat er nog aan Woud en
aan het oude Hertogdom resteert

het in overdadig zomerzon- en strijklicht
gebalsemd overschot van een idyllische
natuur zoals die wordt geprojecteerd
op de vloertegels van café De Tijd
in Oisterwijk. Uitvergrote zwart-wit

kiekjes van een vroeger dat alleen
in onze verbeelding heeft bestaan
geen nazi’s. Geen auto’s. Geen ploeterende luyden
enkel fietsen. Een melkkar. Paard en wagen
de gezegende vreugde van een boerenbruiloft

Elyseese bloemenweelde. Een picknick
op het landjuweel van Bos en Ven
postkaarten uit een zongebleekt Arcadië
waar nimmer vuiltjes aan de lucht
en immer vrede. Maar nu, heel plots

vlak boven onze hoofden scheurt
de hemelkoepel open, tolt en woelt
de woede van de boze buitenwereld
trillen echo’s door uit Uruzgan, klinkt het
knarsen van de Hellepoort, geweeklaag

van de schimmen uit een Bosnisch massagraf
Bliksem. Donder. Dämmerung. Het is
de werkelijkheid die hier in deze splitsing
der seconden met een daverende klap
tot stilstand komt. Het is de horror

die zich voor ons oog ontrolt. Nog opgepookt
door Doppler’s paukenslag. De vonken
der Titanenstrijd. De natuur beleeft een angst-
infarct. Het landschap zet zich schrap. De horizon
verschrompelt. Een slachtershand rijt ruecksichtlos

de aarde open. Tremor. Terror. Ingewanden
gulpen uit de buik van het karkas. De piloot
kauwt kauwgom. Keuvelt met de basis
het zonlicht schittert in zijn cockpit. Bellum
transit. Terug naar Gilze. Plicht betracht

Vincit militans. Ik knipper
met mijn ogen. Haal de hand
van mijn oren. Exit geest.
Weg sprookjeswoud. De genius
loci heeft zich in die paar seconden

als bij toverslag – hocus pocus en pilatus pas! –
terug weten te trekken in het intricate
gangenstelsel dat ergens, tussen
de gepetrifieerde wortels van
het werkelijke Woud, nog moet kronkelen

diep verscholen onder de humuslagen van
de bossen en de blubber der moerassen

De Lind, “Het trouwlaantje” in Oisterwijk 1938

VIII

EEN GOEDE LIJSTENMAKER

De Lind, Oisterwijk

SvD vraagt zich af of de Spreuk van de Dag in café De Tijd in Oisterwijk een gigantische open deur betreft dan wel een diepere waarheid bevat: “Een goede lijstenmaker is nog geen goede lijstjesmaker”. Is dit een Brabantse arts & crafts-variant op het aloude Hollandse Albert Heijn-gezegde: “wie het kleine niet eert, het grote niet weerd”? Of enkel een grap van de eigenaar van de uitspanning, die ervan houdt een dikke neus te maken naar zijn klanten? Wellicht dat het hier een exemplarisch geval betreft van quasi-simpele maar juist daardoor niet meer als zodanig te herkennen diepzinnigheid. Wie contouren ziet in deze waarzegbol van ondoorzichtig matglas, mag het zeggen…

Het Trouwlaantje
Dat de lindeboom een sterke soort is bewijst het Lindelaantje in Oisterwijk. Deze fraaie berceau is geplant aan het einde van de 18e eeuw en reeds in 1911 vond de gemeenteraad van Oisterwijk het raadzaam de bomen te vellen. Ze verkeerden in slechte staat en hadden niet lang meer te leven. Na vele protesten van de bevolking besloot men in 1912 de berceau te sparen. De Heidemaatschappij concludeerde dat de bomen nog best zo’n 10 tot 15 jaar konden blijven staan. Bezoekt u nu Oisterwijk dan staan ze er nog steeds en zo te zien in een vitale toestand. In de volksmond heet de berceau het Trouwlaantje omdat de bruidsparen door dit laantje op romantische wijze het stadhuis kunnen bereiken. In vroeger tijden heette het overigens ‘het O.L. Vrouwelaantje’. Dit omdat het huidige raadhuis dienst deed als kapel voor het beeld van O.L. Vrouwe ter Linde.
NB: de informatie is opgedaan uit het boek ‘Monumentale bomen in Nederland’ van Gerrit de Graaff.

IX

‘het leven bestaat uit een rafelwerk van
verhalen die nimmer voltooid zijn geraakt…’

’NE MINNE
Rigtpad, Lennisheuvel – Luissel, Tongeren

’ne minne, zo noemden’ie
hij was ’ne minne, zijn dromen
stonken als zijn adem
Als kind al hield hij vuur
bij de veren van ons’ eenden
dreef hij de spot met dit
stuk lochte grond. Hij wilde
werken op het fabriek, wonen
bij de burgers, snijden
in het vlees. Hij werd er vrienden
met de Turken, speelde kaart
voor zijn geld in de kantine
en stak zijn vlam in de konten
van de vrouwen. Hij bezocht
de kooikes met vergunning
leefde van snevel en van spek
Kinderen waren voor hem bang
Op de begrafenis van vader
is hij niet geweest. Dat
stak ons nog het meest
Hij kreeg het aan de lever
en bij ons betekent dat
berouw, en gauw, de dood

X

VINKENDONK
Donkhoeve, Tregelaar – ’t Klauterwoud, De Logt

Ik leefde sober, tot in de maart
een vrouwke kwam dat net als ik
allenig waart. Een vrommeske van
een ander stek, dat hier op deze
plek haar kleerkes uit kwam hangen

een vals verlangen had zij niet
want over echt werd niet gedacht
door beide niet, de rest bleef
voorbehouden aan gerucht. Men
meed ons op de donck, waar alles

vastig moet, de restant van
het zwerversbloed. Wel hokken
maar niet trouwen, voor velen
was dat verspild zaad, de opmaat
tot nog erger kwaad; een gifte grond

om op te bouwen. Op zekers dag
kwam de pastoor het kamp hier
opgelopen. Hij kwam goedlachs
en dacht met zachte stem
zijn preek wel te verkopen

tot mij zei hij: ‘Och, Bertelke
gij die van dorp naar stede zwierf
die graag gelooft en bidt, die van
uw vorig lief wit haar verwierf
we moeten toch voor gij straks

in de zonde naar het gindse gaat
een einde maken aan de praat
ik heb papieren voor u meegebracht
papieren voor de echt. Ge hoeft
niet eens mee naar de kerk te gaan

het enige werk dat moet gedaan
is een krabbelke en nog een
onderaan. Voilà, dan is de trouw
geschied.’ Bedankt meneer pastoor
zei ik, maar uw woord is overbodig

ik wil niet en m’n vrommeske wil niet
en allenig zal zoiets niet gaan
voor trouwen zijn twee mensen nodig
de pastoor bleef praten maar verloor
schoon zijn geduld, hij zei:

‘ik wil dat jullie schuld
het jaar niet overschrijdt
dat jullie nevens lusten ook
de lasten van de liefde dragen
en nog trouwen voor de vasten’

U hebt veel te vertellen, meneer pastoor
zei ik, maar hierover toch niet
En trouwens, bij u thuis heeft u
toch ook een griet die het huiske
voor u schoner maakt?

toen is meneer pastoor maar afgetaaid
en sindsdien zag ik hem niet

XI

‘Dôr doe de niks nie mer aon
nog mè ons beije hande nie…’

NERGENA
Dorvense Weide, Tongeren – kamp Dennenoord/Helweg, Esch

niet lang geleden was er zowaar
een beving. We dachten dat
het de poets was die aan ons
wagen stond te rammelen
want uniformen zie je hier altijd
en ze kwamen inderdaad
om te praten zeiden ze, na de schok
over boeken die we niet hielden
over lekvrije vloeren en putten
voor de olie uit de auto’s
ze kwamen zeggen dat we ons
moesten melden in de veehal
in Boxtel. In de veehal! Daar
zouden we loten om plaatsen
tussen boeren en burgers, wallen
van aarde en steen. Alsof wij beesten zijn!
waar bemoeien ze zich mee
wij zijn toch vrije mensen
ik zeg vaak, hoge heren: wij zijn
wat gullie vroeger waart
maar ze minachten ons, zozeer
ze minachten ons, en daarmee
vervloeken ze zichzelf

gelijk een bungelowpark
zo schoon was het hier
en kijk nou toch eens
de wagens zijn versleept
aan de riem hebben ze ons gelegd
gelijk honden. De wagens
zijn weg, onze karren
hebben geen wielen meer
ze hebben ze onder onze kont
vandaan gezaagd. Vroeger
bonden we boenders
we deden ook borstels
voor de dames en de heren in de stad
wandelende joden werden we genoemd
terwijl we net zo katholiek waren
als de rest. Wij waren het
die vuilnis schraapten
die het haalden van de deuren
wij waren de stofzuigers
voor iedereen ze had
‘goa moar noar de hei,’ zei men
‘want hier hoorde nie thuis’
we zijn gegaan, we zijn gebleven
we konden niet meer weg
wij mensen van de reis
behalve nog per lot of opbod
dat ons in veehallen werd toebedeeld
ik vent nog wel, vanuit de koffer-
bak. Als men van handel en van wandel
is mag men geen winst laten lopen, niet?
we handelen ook nog, onze mannen dan
in wrakken, sloopgerei of ander roest
gerei dat we kopen, wij, of smelten
als koper uit draad. En soms verdienen
we nog wat aan wat we stropen
bouten voor de braad. Een agent
zo’n gluiperd met gladgepoetst gelaat
is hier laatst komen klagen
over de smurrie die wij op de velden
zouden lozen, rond de akkers van
de boeren die zo zouwe vervuilen
‘woar kumt diene olie vandoan?’
zei ik tegen die gladde jakker
met zijn zwarte pet, wel vanwaor danne?
uyt de grond toch zekers!
da’s precies waor da we ’m
toenstraks naor late terugvloeie!
lachen kon hij niet, die grauwe vent
meneer agent begon bekant te janken
in plaats van ons voor zijn bakske
verse koffie te bedanken. Gastvrij
zijn we steeds geweest, en nog steeds
nee, van ons wordt de wereld echt
niet vuiler nee, maar dan die boeren!
die buren hier rond ons, die vervuilen
de grond pas echt met de mest
van hun varkens en hun koeien
hun schonkerig, stronterig vee
gekocht op dezelfde plek als waar ze
ons bestaan te grabbel gooiden
in de hallen waar in het handje geklapt wordt
door boeren en de beesten door hun beulen
op klompen het hok in getrapt

zij die vrijwillig uit het kamp vertrokken
zijn daarna van alle kanten bedrogen
ze kregen amper vijf voor hun veeg lijf
vijf van die rugskes, vijf van het rood
nu vraag ik u – nee, daar doe je het
met zoveel kinderen niet mee, echt niet
nee er is veel meer dat nodig
en dat kijken komt bij zo’n verhuizing
volgende week is het de beurt aan ons
ze hebben ons goede voorzieningen
beloofd, een nieuwe wagen, meer
zeg ik niet. We zijn niet zomaar
weggegaan, nee. Het heeft alles bij elkaar
tien jaar geduurd. Tien jaar eer ze
ons weg hebben kregen, eer ze ons
zover hebben gekregen. Nee
ik wil er niet met u over praten
we hebben al genoeg gepraat, teveel
al, jaren lang. Iedereen is toch
z’n eigen gang gegaan, uiteindelijk

wij wilden niet weg, wij wilden vechten
tot het einde, maar de anderen
hebben ons laten vallen, hebben
ons gedupeerd, zij, die het eerste
wegwaren, zij, de broeders van onze
families, onze zusters van de reis
zij hebben het zo zelf gewild, zij
die zich in plaats van met mekare
tegen elkander hebben gekeerd, zij
die nu zo tegen mekare tekeer gaan
dat er geschiet is, vandaar
die aardse wallen die ge hier
om onze wagens ziet

zij die ons het licht niet gunnen
zijn het die niets liever zouden doen
dan teruggaan waar ze vandaan
vandaar dat ze ons nu nog hier
vandaan trachten te drijven
met kogels uit hun geweer
laat ze maar komen, nu. Er is
toch niks meer te vinden hier
niks meer. Het is voorbij hier
over twee weken zijn ook wij hier
weg, vertrokken, vort, foetsie!
wij die nooit geen uitkering betrokken
die onszelf altijd hebben bedropen
zonder dat het hielp. Het waren diegenen
met bijverdiensten, diegenen die
de bijstand bedrogen die het vlotst
werden geholpen. Niet wij, die moesten
leven van de sloop en die nu zien
wat het is dat hier vakkundig is
gesloopt: ons leven. De hoop is het
die wij hier jarenlang tot wanhoop
hebben omgekat. En trots is het
die wij hier achterlaten nu ons
kampersdorp ofwel tot ven en bos
verwordt (als villagrond veur de Hoge
Bazen en de Heren met de poen)
ofwel tot brakke heidegrond verdort

meer zeg ik nie, ik houw m’n mond wel
verders, ik moet nu gaan, het maal bereiden
veur m’n keinders, het is al kwart na tweeje.
ik wil geen kanker op de lever, geen gezever
en gezeik en ook geen broelie meer. Dit beerke
zullen we ook wel weer weten te schere
een spreekwoord bij ons luidt: wie geen wol
kan spinnen, die plukt beter veren. Zo is ’t!
Mij zult ge nie meer horen praoten
het zijn altijd de schurftige schaope
die om het hardste blijven blaote’

XII

‘’T Gruune Woud, jungske’, sprak de bosopzichter van ’t Stokske, ‘da overlèft us, allemoal.’

CROY VAN ’t STOKSKE
De Bosfazant, Stokske – De Doesen, Oisterwijkse Heide

Wat weten wij over de onzekerheden
van veroveraars? Over mannen
die met brandend hart
dorsten naar de koelte
wat weten wij van veroveraars
die niet kunnen heersen
smeden die het vuur niet
beheersen, maar het doven

Croy was zo’n man, Croyke
van ’t Stoske, hij had een vrouw
vijf kinderen, die groeiden
als gewas in lentetijd, hij
had een baan bij de bosmij
een woonst temidden van het woud
hij fietste met zijn Raleigh iedere dag
van Ter Braakloop naar De Reebok

en terug over alleen door hem
gekende kronkelpaden dwars door
het rulle, mulle heidezand
na twintig jaar, met promotie
kreeg hij een streep erbij
op zijn pet. Met die pet
fietste hij op zondagen trots door het dorp

de pet ging ’s nachts pas af
men zou niet kunnen zeggen
wat hij ontbeerde. Toch
vervloekte hij zijn vrouw
schaamde zich voor zijn familie
zij waren wat hij was
niet minder, niet meer

zijn driften konden zij
niet bevredigen. Zijn wensen
wilden zij niet willigen
in ongenoegen mokte hij
hij reed langs Bleekven, Goorven, Aderven
Baksven, Kromven, Galgeven
hij liet zich gaan; eens

bleef hij drie dagen weg
hij keerde weer. Hij werd
uit huis gezet, de rechter
had beslist. Na drie maanden
levend in een pension, een kind
verwekkend bij zijn hospita
mocht hij opnieuw beschikken

’s Avonds toen zijn kinderen sliepen
sloeg hij zijn vrouw met een hamer
op haar hoofd. Hij heeft de liefde
met haar lichaam bedreven
zich aangekleed. En is met
zijn pet op ’t Groot Goorven ingereden
die pekzwarte, immer borrelende veen-

grond waaruit meedogenloze geesten
hem zijn leven lang tena
hadden gegrijnst

OBRERAS DE LA CRUZ VIJFTIG JAAR WERKZAAM IN BOXTEL
‘Werken op Simeonshof is een cadeau’

OP DE FOTO: De Obreras de la Cruz drinken koffie in hun woonkamer op Zandvliet. Van rechts naar links Marie-José Spijkers, Anne-Marie Oonincx, Felisa García en Anita Collado. (Foto: Albert Stolwijk).
DOOR MARC CLEUTJENS
De aanwezigheid van bisschop Anton Hurkmans is een geschenk, net als de komst van een van de eerste Spaanse zusters die in juli 1958 in Boxtel neerstreek om mee te werken aan de opbouw van het gloednieuwe bejaardenhuis Simeonshof aan de Annastraat. Maar het grootste cadeau dat de Obreras de la Cruz bij de viering van hun gouden jubileum in Boxtel mogen ontvangen is de steun voor hun projecten in Bolivia, waar kinderen met hulp van de ‘Werksters van het Kruis’ kleding en schoolmateriaal krijgen en geld ontvangen om hun opleiding te betalen.
Iets meer dan vijftig jaar geleden zetten de eerste acht Obreras de la Cruz voet op Boxtelse bodem. Een toevallige ontmoeting van deken Ignatius Broekman in Spanje had geleid tot intensieve contacten met het lekeninstituut dat werd gesticht door priester Vicente Garrido Pastor.
Een tekort aan religieuzen in Boxtel was de aanleiding voor een zoektocht naar verzorgend personeel. Medio 1957 slaagde Broekman – pastoor van de Heilig Hartparochie – erin de komst van de Spaanse zusters naar Boxtel veilig te stellen. ,,Een geschiedenis waarin de Voorzienigheid duidelijk de hand in heeft gehad”, tekende de deken later op.
TWEEKAPPER
Thans wonen in Boxtel nog vier Spaanse zusters. Dat ze zo worden aangeduid – ‘we zijn eigenlijk geen zusters’ – stamt uit de beginjaren op Simeonshof, toen nog niemand sprak over de Obreras de la Cruz. Naast Felisa García (67) en Anita Collado (76), die oorspronkelijk uit de regio Valencia komen maar al vele jaren in Boxtel wonen, betreft het de in Boxtel geboren en getogen Marie-José Spijkers (61) en Anne-Marie Oonincx uit Oisterwijk (61). Met z’n vieren wonen ze op Zandvliet, in een sfeervol ingerichte tweekapper waarvan de garage is verbouwd tot kapel, compleet met glas-in-loodramen en altaar.
De band met Simeonshof is er nog altijd, hoewel alleen Spijkers nog echt werkzaam is in het recent vernieuwde woonzorgcentrum. De Boxtelse, die volgend jaar veertig jaar werkt bij het woonzorgcentrum, bekleedde veel functies, was onder meer teamleider, maar is nu actief als pastoraal werker in zowel Simeonshof als zorgcentrum Sint-Jozef in Esch. ,,En dat blijf ik doen, ook al denk ik soms wel eens aan stoppen”, vertelt Spijkers. ,,Ik heb er moeite mee om te stoppen omdat de nood zo hoog is. Verzorgend personeel heeft geen tijd meer om met mensen te praten, een luisterend oor te bieden.”
De Boxtelse biedt steun aan mensen die eenzaam zijn, zich depressief voelen of ernstig ziek zijn. Ze leidt gebedsvieringen en voert gesprekken met groepen ouderen, die vaak over het verleden gaan. ,,Als je met de mensen teruggaat naar het verleden komen ze los”, glimlacht Spijkers, die ook terminale zorg verricht en voorgaat in avondwakes.
Anne-Marie Oonincx werkte elf jaar in Simeonshof en is nu actief bij de thuiszorg van Vivent. ,,Ik verbleef ook enkele jaren in Spanje en langdurig in Italië.” Lachend: ,,Ik werd gevraagd om voor een periode van zes weken te werken in een pelgrimshuis van ons instituut in Rome, maar ben er 22 jaar gebleven.” Anita Collado is niet meer werkzaam in Simeonshof, maar verzorgt nog wel conversatielessen Spaans en vertaalt boeken en documenten. Daarnaast bezoekt ze nog altijd zieken. ,,Ik heb alle afdelingen van Simeonshof gezien, behalve de receptie”, vertelt Felisa García, die vooral actief was in de keuken van het bejaardenhuis. Sinds haar afscheid als beroepskracht, is ze actief als vrijwilliger bij het kienen en gaat ze op visite bij zieken.
‘HET SLOT’
De eerste Obreras de la Cruz werden in 1958 ondergebracht in het Ursulinenklooster aan de Baroniestraat. Voor de ‘zusters’ was nog geen woonruimte geregeld en dus kreeg men onderdak in het klooster van de strenge Ursulinen, die wel eens de wenkbrauwen fronsten. ,,Ze vonden het raar dat de Obreras de la Cruz niet gekleed waren als zusters, ook al was duidelijk aangegeven dat we afkomstig waren van een lekeninstituut”, blikt Spijkers terug. In 1959 betrokken ze een eigen plek op de derde etage van Simeonshof, die ‘Het Slot’ werd genoemd. Ook de vier laatste Obreras de la Cruz hebben daar nog gewoond.
,,In die jaren was het normaal dat we zeven dagen per week, dag en nacht, werkten en altijd bereikbaar waren”, vertelt Oonincx. Het waren tropenjaren, maar er werd niet geklaagd. ,,Het was vooral ook een mooie tijd”, blikt García terug. ,,Elke avond deden we onze ronde, gingen we wandelen met de mensen of werd er met de bewoners gekaart.”
Toch gaf de verhuizing naar een eigen woning aan de Bachstraat en later naar Zandvliet lucht. ,,Net als het personeel konden we nu ook de deur eens achter ons dichttrekken en de accu opladen voor gebed of iets anders”, stelt Spijkers. Wennen was het wel, vooral aan het pleintje in Boxtel-Oost waar het vaak erg stil was. ,,Heel anders als je Madrid gewend bent”, grinnikt García.
De overstap van Spanje naar Nederland was sowieso groot, ook al hadden zowel García als Collado zich vrijwillig gemeld voor een verblijf in het buitenland. Het klimaat was anders, het koffie drinken en eten op vaste tijdstippen vergde enige gewenning. ,,En dan het eten! In het begin moest ik echt niets hebben van boerenkool, zuurkool en spinazie.” Het was de onlangs overleden mevrouw Van Santen die als bestuurslid van Simeonshof zorgde voor meer comfort voor de Obreras de la Cruz. ,,We mochten ons gezicht wat kleur geven met een hoogtezon, kregen een fiets en we kregen de gelegenheid om voor onszelf Spaanse gerechten te koken”, blikt Collado terug.
Teruggaan naar Spanje is overigens niet aan de orde voor de twee uit Valencia afkomstige zusters. ,,Natuurlijk, Spanje blijft trekken en we missen onze familie wel eens. Maar hier leven we tussen de mensen die ons dierbaar zijn, hier voelen we ons thuis en hebben we een band opgebouwd”, stelt Collado. Het toeval wil dat ze juist komend weekeinde naar Spanje zou reizen voor familiebezoek en retraite. ,,Maar ik heb mijn ticket moeten omboeken omdat er kennelijk allerlei festiviteiten georganiseerd zijn.”
VERBONDENHEID
Vandaag de dag blijven de Obreras de la Cruz actief in de gemeenschap. In hun woningen ontvangen ze graag buurtbewoners en andere mensen die zich bij het geloof betrokken voelen. Soms komen kinderen uit de buurt bidden of een kaarsje opsteken in de kapel. En iedere vrijdagavond is er in de kapel ruimte voor aanbidding. ,,We krijgen veel steun van acht zogeheten ‘cooperadores’ die meehelpen in het apostolaat en het parochiewerk en leven in de spiritualiteit van ons instituut”, vertelt Spijkers. De Obreras de la Cruz krijgen ook veel bijstand van een trouwe groep sympathisanten die woonachtig zijn in de wijde omgeving van Boxtel.
Terugkijkend op de vijftig jaren die de Spaanse zusters achter zich hebben, zegt Spijkers dat het een periode van grote verbondenheid is geweest. ,,We hebben tijdens al die jaren in Simeonshof zoveel meegekregen, dat is bijna niet in woorden uit te drukken. Het geeft zoveel energie dat je er eigenlijk nooit moe van wordt. Het is een cadeau om in Simeonshof te mogen werken.”
Maar de steun voor het project van de Obreras de la Cruz in Bolivia is misschien nog wel een groter geschenk. Tijdens de eerstvolgende Vastenactie, in 2009, staat dat project centraal en wordt gecollecteerd voor kinderen in het Zuid-Amerikaanse land die geld nodig hebben voor scholing en kleren. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de zogeheten padrinos, de peetouders die in Nederland voor een bedrag van 110 euro per jaar een kind ondersteunen. ,,Er was geen mooier gebaar denkbaar dan steun aan ons project”, stelt Spijkers.

OP DE FOTO: In de vroegere garage van hun woning hebben de Obreras de la Cruz een sfeervolle kapel gerealiseerd, waar elke vrijdagavond gebeden kan worden. (Foto: Albert Stolwijk).

De drie lindes op het kerkhof
De lindeboom kom je niet zo vaak tegen op kerkhoven. Het is ook meer een boom die symbool staat voor het leven dan voor de dood. Op het Katholiek kerkhof van Oirschot heeft men eind 19e eeuw wel drie lindebomen geplant. Ze staan in een halve cirkel achter het kleine gebouwtje zowat midden op het kerkhof. De bomen zijn nooit geknot geweest en hebben daardoor een hoogte van wel dertig meter kunnen bereiken. Ze zijn zeer decoratief en zorgen er ook nog eens voor dat de kruiwagens van het kerkhof geborgd kunnen worden. – Han van Meegeren

fotograaf Han van Meegeren, kerkhof van Oirschot

XIII

DE LETSTE KIST
Hubertus van de Corput
obiit 02.03.1911 – † 15.06.2010

De Beeken, Vrilkhoven – Simeonshof, Boxtel

“Iemes mènde te moete beweerde dè vrueger alles beeter waar.
Mar wij ware toen zó èrm dè de wandluis bons de klok optrokke.
‘kha niks um mì te speule as ik nie toevallig ’n jungske waar!
’t Alderbeste van vrueger is, da’t gelukkig lang is vertrokke…”

I

De begraafplaats die tot eind jaren tachtig van de twintigste eeuw aan de siertuin van tehuis De Kampinase Heide grensde, bezorgde Hubertus geen schrik. Bij veel ouderen, die leefden boven de graven van diegenen die hen voor waren gegaan, was dit wel anders. Hubertus kon glunderend en ondeugend vertellen over zijn bijgelovige buurvrouwen die soms dachten dat de dood ’s nachts bij hen door het raam naar binnen zou klimmen. Een keer had hij bij een vrouwtje moeten komen om haar kastdeur te openen. Zelf durfde ze het niet, want ze verkeerde in de veronderstelling dat Hij erin gekropen was. De dood. Hubertus maakte er luchtige grapjes over, aangezien Hij al zoveel jaren over zijn schouders meekeek, zonder ook maar een vingerkootje naar hem uit te steken. ‘Ik hej het kastje geopend,’ vertelde hij nog nagenietend van de consternatie, ‘moar krek dat er niks van woar. Leeg! Helemaol leeg!’
Hubertus, die was niet bang voor de dood. ‘Voor niemand nie, dus ook veur de dooie doowt zelf nie’, verklaarde hij. ‘Hij moet er alleen geen duekskes om winden, de doowt. Hij moet snel komme, of nie komme.’
Met die ultieme vorm van verachting, en een hoestdikke walm van Willem II sigaren waar hij zich non-stop in hulde, wist hij de dood dag in dag uit, jaar in jaar uit, op afstand te houden. Niets kon Hubertus, de oude stamvader van vier generaties en een imposant oud-Testamentisch aantal nakomelingen waarmee een hele autobus zou kunnen worden gevuld, nog deren, en dus nam hij het ervan. Met een dagelijkse stevige borrel. Met een potje driebanden. Met een ondeugende grap tegen de verzorgsters die hem ’s ochtends in het tehuis hielpen douchen.
Aan het eind van de jaren tachtig werd de begraafplaats in de tuin van het voormalige Cisterzienser klooster ontruimd door een stel ruwe bouwvakkers met loeiende graafmachines. De graven werden op brute wijze geleegd, de botten zonder enig aplomb tot hopen gesprokkeld. Hubertus zag het gebeuren, de graven vergingen maar zelf bleef hij hardnekkig voortleven. ‘De duvel wil mij moar nie hoale’, zei hij toen hij er zelf niet helemaal meer zeker van was of het wel een goede zaak was dat de bloedhonden van Magere Hein ongevoelig bleven voor zijn lichaamsgeur. Als hij de honderd zou halen, deed hij dat enkel nog om zijn klein- en achterkleinkinderen een plezier te doen, die daarin een bevestiging zagen van de onverzettelijkheid van hun geslacht. Hij zou het niet voor zichzelf doen, en al helemaal niet voor zijn ongedurige vrouw die al meer dan twintig jaar daarboven op hem moest wachten. Maar over zijn leeftijd bleef hij nog wel altijd grappen maken.
Zo vroeg hij tijdens een zondagsbezoekje aan de nog zeer jonge vriendin die zijn kleinzoon Simon had meegenomen naar het bejaardentehuis, wat haar leeftijd was. ‘Twintig,’ antwoordde ze schuchter, ‘in september geworden.’ Opa Van de Corput knikte nadrukkelijk en riep ondeugend: ‘da’s oud!’
De vriendin vroeg daarop geamuseerd: ‘en u dan, meneer Van de Corput? Wat is uw leeftijd?’ Waarop Hubertus zei: ‘Ach, deurske toch. Ik zin zo jong, ik hej helemoal geen leeftijd mèr.’
Ik hej helemoal geen leeftijd mèr…

II

Zijn vel was te droog om te branden.
Een koeienring leek het wel, die ronde ijzeren pin aan het uiteinde van het brandtouw, dat zijn immer bezorgde en inmiddels ook al flink bejaarde zoon Dries – het vaake van Simon de kleinzoon die hem hier met zijn schon deurske de ogen uit was komen steken – hem voor zijn vijfennegentigste verjaardag kado had gedaan. Van het soort die ook in de muur waren geslagen van het café in het dorp. Het café waar Hubertus na afloop van de markten zijn verdiensten kon gaan verdrinken. Een heel koe dronk hij soms, een heel paard. Soms bleef hij drie, vier dagen weg. Zijn vrouw zat vittend thuis. Hij mocht niet roken in huis, hij mocht niet drinken buiten huis. Hij mocht zelfs niet meer naar de markten gaan. Zij was nu dood. Hij leefde nog. Ze was in pijn gegaan. Gegrief, dat maakte een mens kapot.
Als zij op hem wachtte, daar, ergens, had ze de klopper klaar. Hij had te lang al op zich laten wachten. Hij was blijven steken, zoals gebruikelijk. Maar och, er waren voor haar genoeg eenzame mannekes daarboven. En vrouwkes voor hem beneden.
Een keer was hij er dichtbij. Het vrat zich door zijn ingewanden, het schroeide in zijn maag. Hij bloedde van binnen. Allemaal waren ze geweest, om afscheid te nemen. Zijn weke zoon ook, en kleinzoon die nu hier aan het raam stond en demonstratief een ruk gaf aan dat bespottelijke brandtouw. Hoe oud was dit jochie toen hij aan zijn ziekenhuisbed stond? Acht, negen jaarkes misschien. Met sproetjes op zijn wipneus.
Hij was hersteld. Een boer een beer. De artsen hadden hem opengelegd, de wonde leeg geschraapt, de maag gestikt met vleesdraad. Die draad had vreselijk gejeukt. Hij had ’m er op een ochtend uitgetrokken. De zusters hadden gegild. Het gaf veel bloed, maar het was niet erg. Het was net als bij het veulen, vroeger op de boerderij. Nu was hij het, het veulen, het verschrompeld wezen van nieuw leven dat uit het rood tevoorschijn was gekropen. Uit het scheurtje in zijn buik.
Ik zin zo oud, ik hej helemoal gin leeftijd mir.
Het deurske glimlachte. Twintig lentes, had ze gezegd. Parmantig als een parelhoentje in ’t volle paarseizoen. Zo lang geleden. Twee levens had hij gehad, twee oorlogen meegemaakt. In de eerste had hij nog gediend als cavaleriesoldaat op de kazerne. Met de Duitsers en Belgen dreef hij handel. Hij smokkelde vlees over de grens. Een boer had geen ander vaderland dan zijn gewas, zijn veld. Ze hadden hem eens gesnapt. Hij was in het gevang geweest en had er leren lezen. Hij had er brieven geschreven aan zijn vrouw. De enige in zijn leven.
In de Tweede Oorlog was er een Canadees geland tussen het koren. Hij had de man verscholen in een stal, de parachute begraven. Het geweer had hij gehouden en later doorverkocht. Hij was nu vijftig jaren verder, woonde al tien jaar boven de nonnen van het verzorgingstehuis. Het ouwe beest was af. Hij had gewerkt, geslacht gebracht, hij had voldaan. Er was nu welvaart voor zijn kinderen, zijn zonen en dochters hadden het goed en alles werd overal en alsmaar meer en meer, zelfs voor wie nooit werk verzette. Het land was door en door rijp, het gistte en rotte van verzadiging. Zijn verstand zei dat dat nooit kon duren. Alles raakte verstopt, met auto’s en met mensen en met varkens en vee. De lucht raakte van het gas en de dampigheid, het land van de mest en het vuil verstikt.
Oorlog was het lang niet meer geweest, maar elders woekerde ze voort. Hij zag het op tv. Iedere dag. Ook hier, wist hij, zou de vrede eens gaan jeuken, als het stikdraad in zijn maagvel.
Nu waren het de zusters die hem verzorgden. Ze droegen geen strakke jurkjes zoals het deurske dat kleinzoon had binnengebracht om hem z’n ouwe ogen uit te steken. Maar het waren wel vrouwmensen. Hij liet zich iedere dag door hen douchen, de kleren wassen en het eten bezorgen. Fijngekookte en geprakte maaltijden, aardappelen en gaargestoofd vlees bezorgd op dienbladen met schone, glimmende, roestvrijstalen schalen. Op de boerderij hadden ze eerst één enkel bord gehad, voor hem en zijn vrouw. Ze hadden nooit afwas, het bord sopten ze schoon met een hompje brood.
Als het avond was en de bezoekuren voorbij, kwam de vrouw die naast hem woonde vaak binnen. Ze was bang voor de opengebroken graven onder het raam, voor de doodskisten en botten die een voor een in de containers werden gestapeld. ‘Kek ‘s hoe of da hullie daor smijten met die spullen, het deksel springt aan alle kanten van de kisten, nog even en de geraamtes raken met hun schedels al tot onze vensterbank, ze keumen ons haole, Hubertus, ze keume ons haole voor onze letste dans, en we jammerlijk in stukskes breke als we opstaan, we zullen verpulveren als krijtjes op een schoolbord, want onze vermolmde botten zijn nog brozer dan de hunne, ge kunt er nog geen soep van trekken.’
‘Van welke nie? Van die van ‘oe nie of van Pierlala nie?’
‘Van beijje nie…’
Brokstukken van geraamten, zo beeldde ze zich in, lagen nu ook al in het park met de herten, pauwen en de eendenvijver. ‘Laat ze daar dan soep van trekken,’ zei Hubertus droog. Al schuifelde hij wel met haar mee naar haar kamer, en suste hij haar angst door het licht pas uit te doen toen zij onder de lakens was gekropen.
Aan ploegaarde was Hubertus gewend. Hij wist al te goed wat er onder de grond kroop, wat verging en groeide. Alle vlees werd gras. Alle leven mest. Humus voor de eeuwigheid. Zestig jaren had hij voren in de aarde getrokken, aderen in het land. Dertig jaar met de ploeg, met honden, paarden en zijn kinderen. Dertig jaar met de trekker. Een bak zo groot als een locomotief.
Zie, het deurske stond nu op en kuste hem. Twintig lentes! Hubertus vervloekte zijn kromgetrokken lichaam. Hij voelde zijn maag trekken, de steek van een giftige vlam. De nooit te stillen honger die vals bleef kreunen.
Hij wees naar de televisie en pakte de afstandsbediening.‘Een pèrdefilm’, zei hij. ‘Die zie ‘k zo gère.’
Het kroost dat Hubertus zelf had voortgebracht op de boerderij, vertelde vol afschuw hoe de huidige barmhartige Franciscaan vroeger zijn tenen kromschopte op zijn beesten in de stallen die hij uit ongeduld of woede met zijn klompen lens placht te trappen. Zijn geiten castreerde hij door hun kloten tussen een riek te klemmen en ze eraf te knippen met een heggenschaar. Konijnen die hij met het stropen ving draaide hij de nek om. Van verstrikte vogels trok hij de kop er eigenhandig af.
Een vlakke hand maakte op de boerderij geen indruk. ‘Van mededogen’, preekte Hubertus vaak, ‘worden slechts heiligen vet’. Vuist en knokkels waren beter gereedschap. Met knokkels had Hubertus ook zijn vrouw voor zich gekregen. De mannen hadden gedanst in het café en op de maat van de accordeon de vuisten zo hard mogelijk tegen elkaar aangestoten. Hubertus had de dans het langste volgehouden. Aan de meisjes langs de kant had hij zijn bloedrode vuisten getoond.
Hubertus had zijn jongste zoon beproefd. Hij gaf hem als zevenjarige een riek en droeg hem op de schuchtere kat die bovenin de schuur het hooi vervuilde dood te maken. Victor van de Corput deed of hij de poes niet vinden kon. Toen Hubertus merkte dat de kat later nog altijd in de hooiberg zat riep hij zijn zoon bij zich. Met een koele grijns beklom hij de ladder en stak de kat met riek en al dwars door het rieten dak heen. ‘Zo doet ge dat, jungske’, had hij gezegd. ‘Aan lafbekken heeft niemand hier geen boodschap nieje.’ Het gespietste dier heeft aan de riek gehangen totdat de ogen door kraaien waren uitgepikt en het kadaver in stukken uiteen viel.
‘T’is een toffe vent, uw opa’, zei Simons vriendin welgemeend na afloop van het bezoekuur.
’s Avonds bij het kaartspel in de gemeenschapszaal, kon je Hubertus van de Corput horen zingen. Een rasperig keelgeluid, Hubertus’ gortdroge adem die in schorre halen uit zijn longen werd gestoten, als een oude afvoer die gorgelend leegliep. De fles graanjenever op de tafel binnen handbereik. Net als de pasmunten, oude Hollandse dubbeltjes, kwartjes en guldens, voor bij het toepen of rikken.
‘Zit m’ne kop er nog oan?,’ vroeg hij tussen het jolige geneurie door, toen hij zag hoe een zuster van het verzorgingstehuis hem bezorgd aanstaarde. Hij stak een arm joviaal naar haar uit, gaf haar een zoen vol op de mond, schraapte zijn keel en zong met een hesige, onvaste stem die ondanks alle haperingen duidelijk nog iets ongemeen triomfantelijks en spottends bezat:
’t Leeven is ’n hennekoi, ’t is en blef gedonder
d’n haon die zit ’t hogste en de rest die zit er onder’

III

Terug in Oirschot, vertelde Simon aan zijn vader dat opa Van de Corput hoegenaamd zonder sigaren zat, iets wat nog nooit was gebeurd. ‘Misschien moet je straks ’s langsgaan, en een kistje Willem II meenemen voor die ouwe beer,’ suggereerde Victor’s vrouw. ‘Sigaren zijn het enige waaraan die ouwe rotzak nog plezier beleeft, op zijn leeftijd…’
Victor van de Corput ging nog diezelfde avond gezwind langs bij sigarenboer Van Orsouw in Oirschot, en reed vervolgens direct door naar het bejaardentehuis in Liempde om er de doos met rookwaar af te leveren alvorens zijn 99-jarige vader helemaal droog was komen te zitten. Hubertus, die op de vierde verdieping nog altijd als een sperwer de wereld onder zijn raam in de gaten hield, deed zoals gewoonlijk of zijn zoon niet of zelfs nimmer had bestaan.
‘Dit zal m’ne letste kist sigaren zijn,’ verklaarde Hubertus tevreden tegen niemand in het bijzonder. ‘Neeje. M’n een-noa-letste. In de letste kist lig ik zovort zelf.’ Een typisch Hubertus-grapje, uiterst wrang en achteloos geplaatst in de ruimte om het effect van het beweerde te vergroten. Hij had de zweep nog steeds in handen, die ouwe, en nooit zou hij hem zomaar afgeven. Enkel een grapje was die opmerking over zijn ‘letste kist’ overigens niet, want Hubertus had het weldegelijk benauwd de laatste dagen. De bloedsomloop werd alsmaar trager, en het ademen werd merkbaar moeilijker. Zijn hoofd zag purper van het zuurstofgebrek.
‘Zit m’ne kop er nog oan?’, flapte hij er daarom toch nog uit toen z’n zoon stijf en horkerig als altijd opstond van het tafeltje om afscheid te nemen. Hubertus bracht een piepende, fluitende lach voort. Al bleef het onduidelijk of de lach een hoonlach was om de clowneske kop van zijn geschrokken zoon, of een blijk van voldoening om zijn nimmer getaande gevatheid. Hahaha, zit m’ne kop er nog oan…
‘Nou en of!’ had zijn zoon – na duidelijk even uit balans te zijn gebracht – dan maar geantwoord.

Een dag na dit door omstandigheden genoopte bezoek, was het stamvader Hubertus van de Corput daadwerkelijk gegeven om het tijdelijke voor het eeuwige te mogen verwisselen. De ouwe albedil en duvel-doet-al is, zoals dat zo mooi heet, in volstrekte vrede vertrokken. In de stille zegening van Morpheus’ armen. Zijn hoofd, zo constateerde de arts van verzorgingstehuis In de Kampinase Heide, vertoonde opvallend rode trekken ten teken van door de hoge ouderdom en een tomeloze sigarenconsumptie zo goed als dichtgeslibde hals- en kransslagaderen. Maar misschien dat zijn rode hoofd ook wel de opwinding verried, waarmee Hubertus, na een goede eeuw van geploeter, gewroet, gezever, gebazel, gekukel en gedonder, het tuinhek eindelijk achter zich mocht toedoen. De Dood had, na zijn vele omwegen en schijnbewegingen, dan toch zijn kamertje op vierhoog in het oude klooster gevonden en vereerd met een bezoek. Van een confrontatie was geen sprake. De dood was welkom, dat was hij al tientallen jaren, op voorwaarde dat het geen gênante vertoning zou worden. De deur van Hubertus’ kamer stond – zo constateerde de nachtzuster in de vroege ochtend – uitnodigend open, net als de kist sigaren op de tafel met het dikgeknoopte tapijt.

DEEL II

XIV

INVENTARISATIELIJST DOMMELDAL
(OP EXCURSIE NAAR DE BRONNEN VAN HET GROENE WOUD)

.I
BRABANTSE BLOMME – NAMEN VAN BLOEMEN
VOLGENS HUBERTUS VAN DE CORPUT

Frattekruid – Stinkende gouwe – Chelidonium majus
Girtje poep – Kruiskruid – Senecio vulgaris
Haoneklotje – Speenkruid – Ficaria
Hemdeknupke – Moederkruid – Chrysanthenum parthenium
Hommelehèij – Dophei – Erica tetralix
Leuwenbek – Vlasleeuwenbek – Linaria vulgaris
Lippelkes – Herderstasje -Capsella bursa pastoris
Mèijbluumke – Madeliefje – Bellis perennis
Mèlkstaars – Vogelmelk – Ornithogalum
Milt – Melde – Atriplex
Boerinneke – (Zinnia / Zinnia elegans)
Boerrereuske – (Rosa centifolia)
Donderbaard – (Sempervivum pectorum)
Bótterblom – (Ranunculus)
Blaow lis – (Iris germanica)
Haozegèrf – (Achillea millefolium)
Kattestaart – (Lythrum salicaria)
Keeskeskruid – (Malva)
Groote pispot – (Calystegia sepium/Convolvulus sepium)
Kètje – (Salix viminalis)
Lampepoetser – (Typha)

.II

HET EROTISCH VERGEET-ME-NIET-MOERAS
Olland, Boskant – Broekdijk, Schoor

Dommeldal 1-7-2010

gele lis geknikte vossenstaart gele plomp en waterkers
grasmuur raket akkerdistel haagwinde akkerkool
grauwe schietwilg heermoes gewone braam basterwederik
haagwinde hondsdraf hoornbloem hennepnetel
melkdistel hop bitterzoet vogelkers rolklaver hondsdraf
kardinaalsmuts weegbree brandnetel kattestaart braam
kleefkruid gewoon barberakruid dagkoekoeksbloem
kleefkruid bereklauw glad duizendblad knopkruid
kropaar guldenroede koninginnekruid kruipende boterbloem
haagwinde hoornbloem leeuwentand harig wilgeroosje lange ereprijs
liesgras ???? heermoes hedera lisdodde meidoorn
eenstijlige hennepnetel tweestijlig herderstasje melganzevoet
moerasandoorn spirea hondsdraf kattenstaart kamperfoelie
paardenbloem perzikkruid helmkruid kleefkruid pijlkruid
pitrus kruipende boterbloem reukgras ridderzuring reuzeberenklauw
koninginnekruid smeerwortel ooievaarsbek pijlkruid waterpeper
boterbloem speerdistel scherpe boterbloem paarse dovenetel
tandzaad smalle weegbree valse kamille varkensgras vogelwikke
kleine raket pijlkruid speer knopkruid grote raket kruiskruid
wolfsmelk leeuwentand springzaad wolfspoot raaigras vlasbek
ereprijs klimop gelderse roos gele lis groot streepzaad guldenroede
dagkoekoeksbloem harig wilgeroosje eenstijlige meidoorn
heermoes kardinaalsmuts kleine ooievaarsbek waternavel
knikkend tandzaad moeras vergeet-me-nietje rolklaver
sleedoorn schijfkamille penningkruid perzikkruid stinkende
gouwe pitrus teunisbloem varkensgras vogelmuur sleedoorn
vogelwikke zevenblad speerdistel akkerkool helmkruid
nachtschade zwarte geknikte vossenstaart barberakruid
gewone peen wilde watereppe kruipende dolle kervel
raaigras gewone raket gele wederik klaver kleine raket
smalle weegbree breedbladige krimpende wespenorchis
eenstijlige valeriaan haagwinde hedera melkdistel kruiskruid
smeerwortel harige wilgenroos egelskop witbol klimop lidrus
spurrie zevenblad ereprijs stinkende gouwe zuring fijnstraal
fluitekruid heermoes melkdistel akker heggenrank vlasbekje
robinia pseudo-acacia wilde bertram heermoes heggenrank
vlasbek vergeet-me-niet moeras

Voor het samenstellen van deze inventarisatie heeft de auteur de Jaarverslagen geraadpleegd van de Werkgroep ‘t Groene Woud, kring Liempde

Dommeldal, fotograaf Jan Zoetekouw

.III
ODE AAN DE DOMMEL

Ze is altijd ’n stuk van ons léve geweest
die Dommel, mee d’r kolke en draaië
mee d’r bedding van gras en d’r pluimkes van riet
die zu vrien’lijk in de weind nao oe zwaaië.

Van oorsprong is ze Bels, mèr wâ hindert dâ nou?
An de grens wordt ze gewoon Nederlandse
en zonder pepiere of geldig bewijs
kumt ze sierlijk ons land binnendanse!

Gènne komies die d’r vraog nao d’r pas of triptiek
gènne sluitbôm die houdt ‘r daor tege
gèn douane die in d’r begazie moet zien:
ze is vrij op d’r kronk’lige wege.

Ze kumt in ons dörp tussen waaie en bemd
en kannidasse in deftige rije
ze gee rustig d’r gang en mee anhauwend geduld
scheurt ze stukke van heel landerije!

Ze kumt nèffe ’t kestelleke, en ’t is zund dâ’k et zeg
’t is herbouwd: dur nen brand gong ’t verlorre!
en nèffe ne meule -urst hâ’n we er zo twee-
deur de jaore ruïne geworre.

Wâ wijer, bè de brug, daor kruist ze ne weg
gemaokt ons Lieve Vrouwke ter ere
want over dien dijk, dwèrs deur de moeras
trok me te béévert, wel duizende kere!

Dan kumt nog ’n stuk ongerepte natuur
ben d’r vrèmd, dan lopt ‘er verlorre
en ginds an de sluis, bè de mond van ’t kenaal
is ons Dommel wer’n “stadse” geworre.

Vort strômt ze dan, Den Bosch tegemoet
daor is ’t niemer Dommel, mèr Dieze
en kumt ze -zo gezeed- ongemerkt haost hier deur
we zalle ut ’t oog nie verlieze:

Dâ z’is ’n vurbild vur ons op d’r oerouwe tocht
want wâ lief en leed z’ók zag gebeure
ze trok er z’n eige van niemes niks an:
mèr bleef plichtgetrouw strome en scheure

.IV
ENKELE BIJZONDERE PLANTEN

De plantenwerkgroep van Het Groene Woud heeft recentelijk op intensieve wijze de fauna geïnventariseerd langs de oevers van de Dommel. Ger van den Oetelaar en zijn Liempdse kompanen met hart voor de natuur kozen het stuk Dommeldal tussen de vijvers in Rouwbeemd en de fietsbrug naar Olland. De inventarisatie was beperkt tot de oevers aan beide kanten met meestal een breedte van maximaal een tiental meters van de waterkant.

“Dit gedeelte van Liempde is, naast een populierenbos, vooral grasland, deels duidelijk in conditie gehouden door onderhoud en bemesting en deels half of helemaal overgelaten aan de natuur en aan een aantal koeien die redelijk zelfstandig opereren. In dit gebied liggen net als in Rouwbeemd de nodige moerasjes, oude min of meer verlandde Dommelarmen en stukken open water. En natuurlijk de Dommel zelf met de sloten die er op uit komen. Het leek ons een gebied met veel variatie in de biotopen en dus ook veel verschillende planten. Dat laatste viel een beetje tegen: grote stukken van de Dommel-oever bleken toch vooral uit riet, bramen en brandnetel te bestaan. Waarschijnlijk is de bemesting door het Dommelwater te hoog voor echte schraalland planten. Maar het is toch een mooi gebied.

Egelboterbloem

Egelboterbloem is geen opvallende plant, op het eerste gezicht is het “gewoon een boterbloem” en eerlijk gezegd op het tweede gezicht ook. Maar ook de “gewone” boterbloemen (Ranunculus) zijn wel interessant. In Nederland hebben we een tiental soorten boterbloemen die bijna allemaal in Liempde voorkomen en daarnaast hebben we nog een aantal planten die wel officieel Ranunculus heten maar die wij niet boterbloem noemen zoals het speenkruid en de waterranonkels. Een grote familie dus en zoals vaker met grote families: het is soms moeilijk om alle familieleden uit elkaar te houden.

Egelboterbloem is een vrij zeldzame plant aan het worden in Nederland maar in Liempde komt deze nog vrij vaak voor. Je moet zoeken op vochtige plekken die nog wel eens onder water lopen en die niet of nauwelijks begraasd worden. Voor het onderscheid met andere boterbloemen moet je kijken naar de bladeren: als de randen niet ingesneden maar gaaf zijn is het óf egelboterbloem óf grote boterbloem. En het verschil tussen die twee is gemakkelijk want de grote boterbloem is veel groter; de bloem is gemakkelijk twee keer zo groot als die van alle andere “gewone” boterbloemen. Grote boterbloem is trouwens zeldzaam in onze omgeving.
Alle boterbloemen doen hun best om het “schoteltje” van de bloem horizontaal te houden. De reden is dat boterbloemen niet helemaal afhankelijk willen zijn van insecten voor de bestuiving. Bij regen blijven de bloemen open en bedoeling is om daar in druppel in op te vangen. In die druppel gaan de stuifmeelkorrels drijven en als de druppel verdampt kunnen die de stamper bevruchten. Dit is zelfbestuiving en planten moeten de voorkeur geven aan kruisbestuiving maar boterbloemen bloeien al vrij vroeg als er nog weinig insecten zijn en bovendien hebben boterbloemen maar weinig nectar. Men heeft ook wel gedacht dat het schoteltje van de boterbloem met zijn glanzende binnenkant werkte als een holle spiegel. Het hart van de boterbloem zou daardoor warmer zijn dan de omgeving en zo insecten aantrekken. Of het waar is weet ik niet, maar de spiegel werkt wel. Als je een foto maakt meet de camera de hoeveelheid licht en past daarop sluitertijd en diafragma aan, maar als je de boterbloem probeert te fotograferen “spiegelt” het glanzende schoteltje. De camera houdt daar blijkbaar onvoldoende rekening mee en op zeker de helft van de foto’s is de binnenkant van de bloem overbelicht!

Paardenbloem

Paardenbloem ja, ook een bijzondere bloem. Het valt niet op maar soms is de paardenbloem een van de zeldzaamste planten van ons land. Er staan wel enkele paardenbloemen op de rode lijst, maar er zijn veel zeldzamere soorten die er niet op staan.Het is dus duidelijk dat de paardenbloem de botanici voor problemen zet.In Zuid-Europa gedragen de paardenbloemen zich normaal: ze hebben gewoon stampers en meeldraden, vormen stuifmeel en de insecten zorgen voor kruisbestuiving. Zo hoort het, volgens Darwin. Maar in ons land en in de rest van Noord-Europa, doen de paardenbloemen dat niet. Bijna alle paardenbloemen hier hebben drie sets chromosomen terwijl normale planten er twee hebben en een enkele keer vier of zes. In stuifmeel en in het vruchtbeginsel zit maar de helft van het aantal chromosomen, meestal dus maar één set en na bevruchting weer twee. Zuid-Europese paardenbloemen doen het ook keurig zo. Maar een aantal van drie sets chromosomen kun je moeilijk netjes splitsen en dat lukt onze paardenbloemen dan ook maar heel zelden. Maar niet getreurd, onze paardenbloemen doen het gewoon zonder bevruchting!
Dat betekent dat alle nakomelingen van één paardenbloem exact hetzelfde zijn en dat ze niet kruisen met andere paardenbloemen! Voor botanici is dit zo ongeveer de definitie van een soort en dat kan eigenlijk niet zo. Op deze manier hebben we minstens honderd soorten paardenbloemen in ons land en er komen er nog steeds bij. Een enkele keer lukt het namelijk een van “onze” paardenbloemen om fatsoenlijk stuifmeel te maken met daarin 2 sets chromosomen. Als dat stuifmeel er in slaagt een “gewone” paardenbloem te bevruchten (langs de rivieren komen die nog voor) ontstaat er een nieuwe paardenbloem met 3 sets chromosomen en die doet het weer zonder bevruchting! Volgens Darwin moet kruisbestuiving veel beter werken. Nog beter, verzucht de boer misschien, onze paardenbloemen zijn misschien bijzonder en soms zeldzaam, maar we hebben er in ieder geval genoeg…”

.V
STEENMARTERS IN HET GROENE WOUD

Vanuit de Nieuwstraat in Liempde kreeg Natuurmonumenten een melding dat de bewoners overlast
zouden hebben van steenmarters. Tussen het plafond van de aanbouw zouden ze ‘s nachts veel lawaai maken. De bewoner had het dier tegen de muur van zijn schuurtje zien klimmen. De eigenaar wilde op een diervriendelijke manier van de marters af. Maar nadat medewerkers van Natuurmonumenten er hun gezicht hadden laten zien is er daar nooit meer iets van de beestjes vernomen. (Ben ik zo lelijk?, vroeg een van hen zich gekscherend af in het jaarverslag. De man wenste zich enkel onder pseudoniem (als “de genieter”) te uiten. Enkele fragmenten: “

17-01
Vanmorgen eerste grote lijster van dit jaar horen zingen. Vannacht is er een mooi laagje sneeuw gevallen. Dus vlug naar de natuurbrug over de A2 om enkele winterse plaatjes te schieten. ‘s Middags is de sneeuw alweer verdwenen.

Hier in Rooi wordt vaak een gele kwikstaart waargenomen bij de nieuwe vistrappen die bij de Hambrug zijn aangelegd. Hopelijk gaat hij hier ook nog broeden. Boven de weilanden van boer Wim Jennissen aan de Herscheweg was vandaag een vrouwtje van de blauwe kiekendief aan het jagen. Aan de overzijde van het fietspad had een paartje roodborsttapuiten alleen maar oog voor elkaar. Stralend weer. ‘s Nachts rond het vriespunt en over dag 15°C. De vogelwereld is helemaal losgekomen. Heggenmussen, mezen en spechten, allemaal hebben ze het voorjaar in de bol.

12-02

De eerste bloempjes van de slanke sleutelbloem staan al in bloei aan de
door de zon beschenen slootkant van de Kasterensestraat. Eerste vink van dit jaar hoorde ik slaan aan
de Roderweg. Enkele geelgorzen zaten hun deuntje al te neuriën langs het Duits lijntje. Bij de Moerkuilen in Rooi zag ik vanmiddag tot mijn verassing een roerdomp staan. Doodstil met zijn kop recht naar boven
stond hij naast een pol pijpenstrootje en had in de morgenzon precies dezelfde kleur. Toen ik mijn fototoestel wilde pakken kwamen er juist een stel jongelui met veel kabaal aan. De vogel zette enkele stappen achterwaarts en was verdwenen in het struikgewas.

Ik heb bij Karel Voets een keutel opgehaald. We denken van een steenmarter. Deze lag bovenop de kerkuilenkast bij Ger v.d. Oetelaar. Ik ga er effen mee naar Annemarie v. Diepenbroek, de dierenspoor specialiste. Annemarie bevestigde ons vermoeden. Vanmiddag even naar Ger geweest voor wat
foto’s van de keutels. Er bleek een grote steenmarterlatrine bovenop de kerkuilenkast te zijn. Het dier had een flinke slachting aangericht onder het pluimvee. De zeldzame raskippen van Ger en Engelie zaten zonder hoofd klem tussen de ontluchting onder de stalraampjes. Ook zijn sierduifjes waren geroofd. Op de Liempdseweg hoorde ik de eerste tjiftjaf van dit jaar. De grutto’s zijn weer terug in de Schijndelse heide. In de Geelders zagen we 10 levendbarende hagedissen. Op ’t heike vonden we massaal de landelijk zeer
zeldzame lenteknotszwam. Bruine kikkers waren in de sloten van de Geelders massaal eieren aan het afzetten. Eerste pinksterbloemen in bloei langs de Kasterensestraat. Bij Bert Schellekens heb ik vanmiddag een albino mol opgehaald die hij had gevangen bij Rien v.d. Laar aan de Kasterensestraat. Bert vertelde dat hij er ieder jaar ca. 40 mollen ving en er toch regelmatig wel een witte tussen zat. Vandaag 2e paasdag, dus “dag van het landschap”. Maar de wandelaars moeten vandaag bij hun bezoek aan de Brabantse natuurgebieden de winterse sneeuwbuien trotseren. De blauwborsten zijn weer terug in de beemden langs het fietspad.

05-04
Eerste boerenzwaluwen zien vliegen.

07-04
Fitis en zwartkop zijn ook terug. Er is een paartje ooievaars neergestreken op een paalnest langs de Boskantseweg. Ze zijn al met takken aan het slepen en staan soms te klepperen. Dus nu maar hopen dat ze blijven. Mijn eerste oranjetip zag ik vliegen aan de oevers van de visvijvers bij de Schutskuil. Toch
enkele weken later als andere jaren. Koekkoek is weer te horen. In de buurt van het fietspad naar Olland en bij de Maaistraat zijn de laatste dagen ooievaars aan het foerageren. Gierzwaluwen vliegen weer boven de wijk. Er zat een nachtegaal te fluiten aan de Liempdse kant van de Natuurbrug over de A2. Ook de zomertortel laat zich daar weer zien in de populieren. De ooievaars zitten te broeden op het paalnest in Rooi. Het vrouwtje draagt een ring. Ze blijkt geringd te zijn bij een ooievaarscentrum in Duitsland.

In de buurt van het fietspad naar Olland en bij de Maaistraat zijn de laatste dagen ooievaars aan het foerageren.Gierzwaluwen vliegen weer boven de wijk. Er zat een nachtegaal te fluiten aan de Liempdse kant van de Natuurbrug over de A2. Ook de zomertortel laat zich daar weer zien in de populieren. De ooievaars zitten te broeden op het paalnest in Rooi. Het vrouwtje draagt een ring.

Tijdens de ochtendfietstocht naar mijn werk kruiste een wezel mijn pad. Dan kan de dag al niet meer stuk. We hebben weer een geweldig mooi Pinksterweekend gehad met de N.W.G. Liempde in het Limburgse Ransdaal. Bij de jaarlijkse blauwe reigersnesten telling vind ik op ’t Hoefje – Duitslijntje: 4 nesten
Park Kienehoef: 2 nesten, Wolfswinkel: 9 nesten.

In de Dommelbeemden in Rooi blijkt een orchidee te staan. Het is de gevlekte orchis. Er heeft een mevrouw uit Boskant naar Hein de Koning gebeld dat er vele orchideeën in de berm van de Boskanteseweg staan. Er blijken wel 50 rietorchissen te staan. In de Ollandse – Schijndelse heide zitten 2 jonge ransuiltjes. Ze hebben net hun eerste veertjes en fladderen al wat van boom naar boom. Bij de akkers aan de Dommelbeemden in Rooi hoorden we vanavond wel 10 kwartels. Met Marco Renes uit Best zijn we vannacht naar de Oirschotse heide gegaan om nachtzwaluwen te horen of te zien. Het heeft de hele dag geregend. Nu is het droog, maar koud en er vliegen niet veel nachtvlinders, het hoofdvoedsel van de nachtzwaluw. We vinden toch nog 5 nachtzwaluwen. Bij Dick en Marina aan de Past. Dobbeleinstraat zijn vandaag 4 jonge torenvalken uitgevlogen. Vanmorgen zaten ze met z’n vieren nog naast elkaar op de kast. Vanavond waren ze
gevlogen. Met het broedgeval van de ooievaars aan de Boskantseweg is het misgegaan. Een paar dagen geleden werd er door een fotografe gezien dat er een dood jong door de ouders werd opgegeten en vandaag is het 2e jong dood onder de nestpaal gevonden. Hopelijk komen ze in 2009 terug om hier op een van de nestpalen te broeden.

Vanmiddag is het Sint Jans pontje in gebruik genomen en het ommetje in de Maai geopend. Twee mooie initiatieven om de mensen in onze omgeving nog meer te laten genieten van cultuur en natuur.

Ik kreeg van de Fam. v.d. Waay uit Boxtel en lid van N.W.G. Liempde een mailtje dat er een zeer zeldzame plant stond in de Geelders. Het bleek om heidekartelblad te gaan. Ook zagen we tijdens de wandeling door de Geelders 3 hazelwormen. Twee jonge en een volwassen exemplaar.

Op het heideveldje in de Geelders telde ik dit jaar 8 plantjes van de klokjesgentiaan. Bij de Fam v. Zoggel aan de Hoogstraat in Rooi zitten nu ± 15 rupsen van de koninginnenpage. Tijdens het voorwandelen voor de paddenstoelen excursie voor zondag, vonden we het zeldzame oorlepelzwammetje. Dit paddestoeltje groeit op dennekegels die aan het vergaan zijn. In de Mortelen zijn enkele boommarters uitgezet. Ze hebben een zender aan hun nek, zodat men kan achterhalen hoe ze in deze omgeving kunnen wennen. Dus nu
steenmarters en boommarters in het Groene Woud.

Groetjes, de Genieter – bron: Jaarverslag Werkgroep Het Groene Woud 2008

.VI
BRAAKBALLEN – HET OVERZICHT VAN TIEN JAAR PLUIZEN

Sinds 1998 zijn er door verschillende mensen 1000 braakballen uitgepluisd. Maar liefst dertien verschillende soorten prooidieren zijn er de afgelopen tien jaar in de braakballen gevonden. Het aantal verschilt nogal per soort en varieert van vier woelratten tot 1168 veldmuizen. Van een aantal bijzonderheden zal onderzocht worden of er een verklaring voor te vinden is. De braakballen komen van twee locaties en er werden telkens per locatie 50 braakballen uitgepluisd. Dit uitpluizen is door verschillende personen uitgevoerd. Van de gevonden muizensoorten valt meteen het niet aanwezig zijn van de waterspitsmuis op. In allebei de partijen zijn naar verhouding veel bosmuizen gevonden.

Resultaten per soort

Woelrat Slechts vier exemplaren in tien jaar zegt helemaal niets. De woelrat komt in ruig begroeide oevers voor, is vooral overdag en in de schemering actief en daarom een toevallige prooi van de kerkuil.

Bruine rat Evenals de woelrat is de bruine rat een onregelmatige prooi van de kerkuil. Er zijn geen zwarte ratten in de braakballen aangetroffen, maar dat wil niet zeggen dat ze niet in het gebied voorkomen.

De volgende op de lijst van voorkomen is de Dwergmuis. Deze muis speelt als voedsel geen rol van betekenis voor de kerkuil, zeker als je weet dat het beestje maar vier gram weegt. Bij het uitpluizen van de braakballen is door zijn kleine afmetingen tijdens het pluizen oplettendheid geboden.

De Huismuis is een dier dat niet jaarlijks in de braakballen gevonden word, zij komen veel meer voor als de vondsten in de braakballen doet vermoeden. Dit heeft te maken met zijn leefwijze, vaak binnenshuis.

De Waterspitsmuis is een ander verhaal. Deze muis valt onder de categorie kritische soorten. Als deze muis gevonden wordt, dan zegt het iets over zijn leefgebied. Namelijk schoon helder stromend water (Dommel). Dat ze niet jaarlijks gevonden worden heeft ook te maken met hun levenswijze.

Zo is de Ondergrondse woelmuis ook een kritische soort. Komt vooral voor in kleinschalige cultuurlandschappen met een dichte gras/kruidenlaag waaronder gangen tot wel veertig centimeter diep gegraven worden. De leefwijze is voornamelijk ondergronds,en daardoor moeilijk te vangen. Komt ook niet elk jaar voor op onze lijst. Bekijken we de verspreiding van de ondergrondse woelmuis dan zien we dat hij
maar op een paar plaatsen in Brabant voorkomt. Daarom mag je best trots op zijn dat ze ook in Liempde voorkomen, een goede indicatie voor zijn leefgebied. Er staat een uitschieter met acht stuks ondergrondse woelmuizen in het Dommelgebied uit 2001. Alleen toen werden er vier stuks in één braakbal gevonden.

De Dwergspitsmuis is wel overal aanwezig, maar wordt niet elk jaar gevonden en is zeker met zijn kleinste gewicht van 4 gram niet belangrijk voor de kerkuil.

De volgen soorten komen elk jaar in de braakballen voor:

De Rosse woelmuis, met 151 stuks, voorkomend in loof en gemengd bos, houtwallen en bosranden .Wel met een grote schommelingen van een tot negentien stuks.
De Bosmuis , de naam zegt het al een soort van open bosgebieden en vrijwel alleen s’ nachts actief, komt in aantallen van 2 tot 48 voor.
De Aardmuis een forse muis die ca. veertig gram zwaar is komt elk jaar in redelijke stabiele aantalen voor. De Bosspitsmuis met 901 prooidieren, komt in een zeer gevarieerd biotoop met bodembedekkende vegetatie voor. Deze soort is als voedsel voor de kerkuil belangrijk. Niet door zijn gewicht, maar waarschijnlijk door het feit dat zij vrij gemakkelijk door de kerkuil te vangen zijn. Dit blijkt uit het feit dat je regelmatig braakballen tegenkomt waar vijf of soms meer bosspitsmuizen in voorkomen.
Uitschieter is de locatie Dommeldal van het jaar 2000 met 126 stuks prooidieren.
De Huisspitsmuis, nummer twee in aantallen, voorkomend in meer cultuurlandschappen, hagen, heggen en vaak in de omgeving van menselijke bebouwing is net zoals de bosspitsmuis belangrijk als stapelvoedsel, zeker in jaren als de veldmuis in kleinere aantallen voorkomt (daljaar). Dit valt in de jaren 1998,1999 en 2000 op. Wat verder opvalt van de huisspitsmuis is dat zijn aandeel ten opzichte van de bosspitsmuis in tien jaar tijd gemiddeld aan het teruglopen is.
De Veldmuis is met 1194 stuks met zijn aantallen en door zijn hoge gewicht van zeer belangrijk als prooidier voor een kerkuil. De veldmuis komt in niet te vochtig gras, wei, akkerland en voornamelijk open cultuurlandschap voor.

Conclusie

Tien jaar pluizen geeft een globaal beeld van de muizenpopulatie. Duidelijk is ook dat de kritische soorten wel aanwezig zijn , maar niet jaarlijks in de braakballen terug te vinden zijn. Tijdens het pluizen van een braakbal kan men vaak al zien wat voor een soort muizen erin zitten. Spitsmuizen hebben een karakteristieke vorm, ware muizen zijn bijna altijd behoorlijk door het maagzuur aangetast, waardoor de schedel vaak in stukjes aanwezig is. Komen we van de woelmuizen een mooie vaste bovenschedel
tegen dan is dat bijna altijd een aardmuis. Kortom braakballen pluizen blijft interessant en wordt voorlopig elk jaar voortgezet. Kunnen er over tien jaar nog meer conclusies getrokken worden?

Toon Ondersteijn
(uit het Jaarverslag 2008)

.VII
POPULIERENWERKGROEP HET GROENE WOUD

Populierenwerkgroep “Het Groene Woud” staat voor het behoud van het populierenlandschap van de gebieden die deel uitmaken van Het Groene Woud. De groep, een initiatief van de Natuurwerkgroep Liempde, ijvert voor het behoud van de biodiversiteit en cultuurhistorische waarden van deze teelt. Men streeft naar een gevarieerd, ecologisch en economisch bruikbaar landschap.

De populier is lange tijd een populaire boom geweest. Mensen op het platteland hebben de populier altijd graag aangeplant. Het is een boom die snel groeit, er fraai uitziet, beschutting biedt tegen zon en wind en zeerbruikbaar hout oplevert. De populier werd veel als rijbeplanting aangeplant en in kleine bosjes. Er zijn veel verschillende soortenpopulieren en die verschillende soorten kunnen verschillende vormen hebben. Ze kunnen kaarsrecht zijn, zodat een bos op een kathedraal gaat lijken. Maar je hebt ook oude populierenbossen waar de bomen allemaal wat krom en schilderachtig zijn.
De populier is niet alleen een karakteristieke boom die het landschap in en rond de Meijerij eeuwenlang zijn charme en cultuurhistorische meerwaarde heeft gegeven. Ook levert deze boom een cruciale bijdrage aan de rijkdom van flora en fauna. Voor insecten zoals vlinders, nachtvlinders en kevers vormt de populier een belangrijke voedselbron. Gezonde maar ook zieke en dode populieren leveren een zeer geschikt habitat en voedselbron voor vele vogelsoorten.
De laatste tijd is de populier als kenmerkend symbool voor en ijkpunt in het Nederlandse landschap, ook in Het Groene Woud, behoorlijk in de verdrukking gekomen. Er is namelijk sprake van een teruggang in zowel het areaal populierenbos als ook in het areaal populierenwegbeplantingen. De populierenpopulatie is de laatste decennia fors teruggelopen vanwege het verminderde aantal boeren dat traditiegetrouw populieren aanplantte bij de geboorte van een kind. Brabantse boeren hadden de gewoonte populieren te planten bij de geboorte van hun kinderen om die later als bruidschat mee te kunnen geven aan hun dochters of om simpelweg te dienen als noodzakelijke aanvulling in het inkomen van gans het boerengezin. Van het populierenhout werden klompen gemaakt. De Meijerij gold lange tijd als het klompencentrum van Nederland. Via Den Bosch werden de klompen over het hele land geexporteerd. Het hout was vroeger ook erg in trek omdat het gold als een goedkoper alternatief voor eikenhout. Met de terugloop van het aantal boeren en het uitblijven van nieuwe aanplant dreigt nu ook het landschappelijke karakter van de streek rond Boxtel, Haaren en Oisterwijk drastisch te veranderen en verarmen. Om het cultuurhistorisch waardevolle landschap van de Meierij, de Kampina etc. voor verder verval te behoeden hebben Rien van de Laar uit Liempde en enkele andere natuurliefhebbers uit de omgeving van Boxtel een populierenwerkgroep opgericht die met jaarlijkse plantacties een halt wil toeroepen aan de teruggang van de populierenpopulatie in gans het Groene Woud.
Ieder jaar worden er door de werkgroep in totaal zo’n vijfduizend tot zesduizend nieuwe populieren aangeplant. Met dank aan de Postcode-loterij en de provincie Noord-Brabant is de populierenwerkgroep in staat om tegen zeer gereduceerde tarieven (en soms zelfs gratis) bomen aan te bieden.

VOORPOOTRECHT

Degenen die bomen willen bestellen wordt gevraagd het aantal bomen, het adres waar de bomen geplant zullen gaan worden (incl. postcode) en hun telefoonnummer aan de werkgroep door te geven. De planning is dat de planters ieder voor- en najaar op een afgesproken datum hun bomen op kunnen komen halen. Er wordt zoveel mogelijk uitgegaan van eenjarig plantmateriaal.
Vooral eigenaren van gronden langs lanen en wegen en/of die er de voorpootrechten van bezitten, wordt gevraagd te reageren. De werkgroep probeert vooral ook aandacht te geven aan oude populierenklonen. Belangstellenden met een specifieke voorkeur voor een bepaalde kloon (bijv. Marlandica of Robusta) wordt verzocht dit te melden bij opgave.Hoewel de werkgroep niet kan garanderen dat de bomen kunnen worden geleverd, wil zij hier rekening mee houden. Het populierenlandschap van de Meierij is namelijk in gevaar. De aanplant is fors afgenomen waardoor populierenwegbeplantingen en populierenbosjes in rap tempo aan het verdwijnen zijn. De populierenlijnen in het landschap zijn zeer karakteristiek. Er is actie nodig om deze te behouden, te planten, te onderhouden en daardoor landschapsverarming te voorkomen.
Inwoners uit de gemeenten Sint Michielsgestel, Schijndel, Sint Oedenrode, Best en Boxtel die mee willen werken aan het planten van deze bomensoort kunnen zich melden bij:
rienvdlaar@concepts.nl
0411- 631332

RIEN VAN DE LAAR
populierenman van Het Groene Woud

Rien van de Laar (67) woont tussen Liempde en Boxtel, waar de Dommel door het landschap meandert. Van de Laar is melkveehouder, voormalig gemeenteraadslid, lid vande Landinrichtingscommissie, vice-voorzitter van de ZLTO en oprichter van de populierenwerkgroep “Het Groene Woud”. Hij is hartstochtelijk begaan met het Brabantse populierenlandschap en pleitbezorger van “groene diensten”.
“Ik vind dat ik een groene dienst bewijs door het feit dat ik boer wil blijven in zo’n moeilijk gebied, melkveehouder, gewoon zondre biologische achtergronden, want laat wel wezen, in zo’n gebied als dit doe je automatisch aan extensivering.(…) De populier is ongetwijfeld de meest aangeplante boomsoort in Nederland en Vlaanderen. Er bestaan verschillende soorten en rassen van de populier, maar het is vooral de Euramerikaanse of Canadapopulier (Populus x canadensis) die is veel aangeplant sinds het eind van de 19e eeuw. De inheemse populieren daarentegen zijn in aantal sterk achteruit gegaan. De Canadapopulier is een hybride kruising tussen de Europese zwarte populier (Populus nigra) en de Amerikaanse populier (Populus deltoides). Het is een boom die zeer snel groeit en in korte tijd waardevol hout oplevert voor de houtverwerkende industrie. Er zijn vele klonen van de Canadapopulier, waarvan sommigen tot zeer imposante bomen kunnen uitgroeien, mits ze de kans krijgen om oud te worden. Juist omdat ze zo gauw kaprijp worden, zijn oude exemplaren van de Canadapopulier uiterst zeldzaam. Van de zwarte populier komen er hier en daar nog wel monumentale bomen voor.
De inheemse zwarte populier, Populus nigra, is thans in Europa een zeldzame soort geworden. In Nederland komen er hier en daar langs de Maas, Waal, Rijn en IJssel, en langs enkele beken zoals de Dinkel in Overijssel en Dommel in Noord-Brabant nog exemplaren voor van de zwarte populier van lokale oorsprong, maar veel zijn het er niet. Hoogstens nog een paar honderd exemplaren. Het is een typische soort van het zachthoutooibos, dat overwegend langs de rivieren en grote beken voorkomt, op plaatsen die regelmatig door het rivierwater overstroomt worden, maar waar geen water stagneert. Naast de zwarte populier zijn ook de schietwilg, katwilg en amandelwilg kenmerkend voor dit type ooibos. Vanuit het natuurbeheer is er de laatste jaren veel belangstelling voor het zachthoutooibos, omdat op diverse plaatsen in de uiterwaarden ruimte wordt gemaakt voor spontane natuurontwikkeling. Voorbeelden zijn er te vinden bij Kekerdom en Millingen bij de Waal en op sommige plaatsen langs de Maas in Limburg. De belangrijkste reden dat ze zo zeldzaam zijn geworden, is dat de rivieroevers eeuwenlang in cultuur zijn gebracht door de landbouw. Door de vergaande beheersing van de waterdynamiek van onze rivieren zijn de ooibossen al meer dan 200 jaar nagenoeg verdwenen. Op de enkele plaatsen die nog geschikt waren voor ooibossen werden vaak grinden aangelegd. Door toekomstige natuurontwikkelingsprojecten langs de grote rivieren zal het ooibos met zwarte populier nieuwe kansen krijgen. Daarmee ziet het perspectief voor de toekomst er een stuk gunstiger uit. Echter, vanuit het oogpunt van veiligheid wordt in de uiterwaarden op veel plaatsen geen bos getolereerd, omdat die het zicht op de scheepvaart belemmert en omdat ze extra overstromingsweerstand veroorzaken waardoor het water hoger wordt opgestuwd, wat tot hogere waterstanden stroomopwaarts kan leiden. Zaden van de zwarte populier kiemen van nature vooral in de binnenbochten van meanderende rivieren op plaatsen waar grof sediment wordt afgezet. Door het verdwijnen van de natuurlijke waterdynamiek zijn de verjongingsmogelijkheden van de zwarte populier sterk afgenomen. Hertstel van het zachthoutooibos is slechts mogelijk als de omstandigheden voor de kieming van zaden aanwezig zijn. Een zekere mate van natuurlijke dynamiek van de rivieren is daarvoor noodzakelijk. Al in 1986 is Staatsbosbeheer begonnen met de herintroductie van de zwarte populier in de uiterwaarden van de Rijn, Waal en IJssel. Het is echter twijfelachtig of deze strategie van vermeerdering via klonen tot de gewenste, diverse genetische samenstelling van zwarte populierenbossen zal leiden. Als we voor de toekomst het vermogen tot aanpassen aan de lokale omstandigheden willen behouden, dan moet de diversiteit binnen populaties van zwarte populier op peil worden gehouden. Het eventueel aanplanten van een mengsel van verschillende klonen moet worden gezien als een tijdelijke noodmaatregel. Het resulteert in een beplanting met een zeer geringe diversiteit en dat heeft dus risico’s, zeker als de klonen ook nog eens afkomstig zijn van andere populaties of van en ander riviersysteem. Er is dan het risico dat de bomen niet goed aangepast zijn aan de omstandigheden ter plaatse waardoor vroeg of laat gezondheidsproblemen kunnen optreden.
Populieren zijn reeds zeer lang aanwezig in Nederland, hetgeen uit fossiele pollendata is gebleken. De zwarte populier was vermoedelijk één van de eerste populierensoorten, die deel uit maakte van de oorspronkelijke vegetatie in Zuid-Limburgse beekdalen, langs de grote rivieren en aan de binnenduinrand. De zwarte populier werd voor veel toepassingen gebruikt en boeren hebben hem waarschijnlijk al eeuwen lang aangeplant. Daarom is niet met zekerheid te zeggen of de nog voorkomende zwarte populieren werkelijk autochtoon zijn. Er zijn aanwijzingen dat er grote genetische verschillen bestaan tussen populaties van zwarte populier langs de verschillende riviersystemen. Deze differentie is het gevolg van het proces van natuurlijke selectie. Behalve bedreigingen vanuit het landbouwkundige en waterbouwkundige beheer van de uiterwaarden, zijn er ook bedreigingen voor het voortplantingssysteem van de zwarte populier. Populieren zijn windbestuivers en hebben aparte mannelijke en vrouwelijke bomen. De vrouwelijke bomen produceren massaal zaadpluis, hetgeen nogal eens overlast bezorgt voor omwonenden. De vrouwelijke bomen zijn om die reden op veel plaatsen systematisch verwijderd. Een te grote afstand tussen mannelijke en vrouwelijke exemplaren kan de reproductie natuurlijk ernstig verstoren. Bovendien kan het stuifmeel van de Canadapopulier en van de veel aangeplante mannelijke kloon van de Italiaanse populier (Populus nigra varieteit ‘Italica’) de bloemen van inheemse vrouwelijke zwarte populieren bestuiven en bevruchten. Dit vormt een extra bedreiging voor het natuurlijke herstel van de zwarte populier. Via onderzoek is aangetoond dat de genetische verschillen tussen de Nederlandse en Duitse populaties langs de Waal en Rijn zo groot waren, dat moet worden aangenomen dat stuifmeel en zaden niet erg grote afstanden afleggen. Er is daardoor slechts een beperkte uitwisseling van genetisch materiaal tussen lokale populaties. Dat onderstreept de noodzaak om langs een bepaald riviersysteem zo veel mogelijk populaties van zwarte populier te beschermen, die dan de basis kunnen vormen voor het herstel en beheer van het rivierbegeleidende zachthoutooibos.
De naam populier
Populus, peppel en popel zijn afgeleid van het Griekse ‘paipolos’, dat trillen betekent enbetrekking heeft op de bladeren van de populier die bij het geringste zuchtje wind bewegen.Ook zegt men wel dat de bladeren van de populier even gemakkelijk in beweging wordengebracht als het volk. De populier werd in het oude Rome veel aangeplant bij publieke plaatsen,vandaar de naam ‘arbor populi’. Ook het Spaanse ‘alamo’ voor populier lijkt verwant te zijn aan’alameda’, wat publieke wandelplaats betekent. De Romeinen associeerden het geluid van depeppel met het geroezemoes van het volk – populus – in de straten van Rome. De immerruisende bladeren van de populier worden ook wel vrouwentongen genoemd en ook debekende uitdrukking ‘Trillen als een espenblad’ houdt verband met het bewegende blad. Als men de koorts bij een patient uit wilde drijven, werd in Saksen aanbevolen om voorzonsopgang naar een populier te gaan, hem met beide armen te omvatten, daarbij uitsprekend:“Populier, jij oude,Mij schudt de koude,Ik breng de koude niet alleen,77-erlei koude zullen er zijn. Saters (bosgoden met horens enbokkenpoten) worden soms afgebeeld met een populierenkrans. In de Middeleeuwengeloofde men dat heksen de toverkracht van de populierbenutten voor het maken van heksenzalf en dat ze vergaderingen belegden in de kruinen. Mistels,toverplanten bij uitstek, groeiden vaak in populieren, wat de reputatie van de populier alstoverboom nog versterkte. In delen van Nederland is de populier al eeuwen verbonden met het landschap, getuige eengeschrift uit 1472,waarin staat dat er bij Aardenburg door de St. Baafsabdij bij een landgoed 217populieren werden aangeplant. Al in de 16e eeuw wordt witte populier en de’swerte’ of’ghemeyne’ populier door Dodoens beschreven. De oudste geregistreerde zwarte populier in Nederland staat aan de buitensingel achter MusisSacrum te Arnhem en zou geplant zijn tussen 1750 en 1800. Als populieren de kanskrijgen,groeien ze uit tot reuzen, zo ook een zwarte populier van 39 meter langs een wetering in Schalkhaar. De oudste Canada-populier van Nederland dateert van1830-1840 en staat aan de Heulenslag (nr. 40) te Bleskensgraaf. De dikste populier met een omtrek op borsthoog van 670cm staat in park Groenendaal in Heemstede. Het gaat om een zwarte populier…”

XIV

EEN WATERZUIVERING MET PENSIOEN
(OP EXCURSIE NAAR DE BRONNEN VAN HET GROENE WOUD)

.I

Een waterzuivering met pensioen
een doodlopende snelweg

een idyllisch beeklandschap
de avondsluimerkweepeer zet zich schrap

het land ligt volgestroomd met zomeravond
schemerlicht probeert een slaapplaats te vinden

op een procrustusbed dat in optrekkende mist
is opgemaakt tussen wriemelende wormen

kreupelhout en distels, bermroos, brem
de vogels zijn al neergestreken

de adem van het woud vertraagt
een trein ruist in de verte achter de heggen

dag vervlogen, vuur gedoofd
is dit vrede? De stille overgave

van het leven aan de nacht
met het landschap is het gesteld als met een oud

en eenzaam mens zonder visite
het kan zijn verhaal niet kwijt

.II

Hoor het fluitenkruid, de merels en de vinken
klaproos, klaverbladtriolen, wilde bosviolen

de mussen in de heggen
de hoornbloem

zwarte venkraaien houden jachtvluchten boven
insectenrijke hooilanden vol bloeiende

bonte weiden vol zuring (rood), pinkster- (wit)
boter- (geel) en koekoeksbloemen (roze)

overal rukt de brandnetel op
een reiger wiekt op bij het ven

we lopen over een zichtbaar
niet in gebruik zijnde autosnelweg

rechts allemaal plasjes, moerassen, rietpluimen
een prachtig en stil ommeland.

langs een slootje, wilgen met holle stammen
en halfvergane braamstruiken liggen

aan de ene kant natte weiden
aan de andere kant akkers bomen

in de verte twee mannen op een boerenkar
getrokken door een blond paardje

witte berkenstammen die afsteken
tegen het verse hout van geknotte wilgen

een kraai die over wietland wiekt
de stad is vlakbij, het is zaterdag

koopdag, jachtdag, jaagdag
en toch zie je hier (gelukkig)

helemaal geen mens

.III

op diverse plekken bouwen hele roekenkolonies
hun nesten in de bomen. Ook in de Tilburgse Lindeboom.

duizenden kauwen en roeken die komen slapen in het broekbos
wilgen die onderdak bieden aan holenduiven, ringmussen, ransuilen

en zelfs een enkele steenuil. De geknotte schietwilg
is beeldbepalend in het landschap

in de nattere delen groeien zijn grauwere
bruurkes en wat rillerige iepen

langs het oude pad achter het Grollegat (moerasbos)
groeien essen en zachte berken

op een hogere wal van aangespoeld zand
langs de beek zie ik voor cafe Zomerlust

een es die zich met stijve takken
lijkt schrap te zetten in de lucht

om zo zijn half weggevreten stam
net nog overeind te houden.

het weiland waar de es op uitkijkt
noemen oude boeren nog altijd het voetbalveld

vrueger werd daar boerenweidevoetbal gespeeld

.IV

Vlaamse gaai en ijsvogel bij Nemerlaer
Teun wijst me erop dat ijsvogels geen zanggeluid produceren

passeer de Warande: aangeplant bos of sterrebos waar
eiken en meekrap groeiden die kapitaal moesten opleveren

eiken leverden mutsaards voor het stoken van bakkersovens
kachels, wasketels etc. En via hun schors leverden eiken looizuur

aan leerlooierijen in de wijde omgeving
meekrap leverde kleurstof voor de Tilburgse textiel

en zaadjes voor de mussenkolonies
de moderne boeren lijken tegenwoordig

nauwelijks nog koeien te hebben
wel: dwerggeiten, hangbuikzwijnen, lama’s, struisvogels

en er is er zelfs een die een kameel houdt op zijn landerij
waar zijn de oude roggevelden met korenbloemen en klaprozen?

waarom zijn er vandaag geen vlasakkers meer
en wordt er geen boekweit, klaver, spurrie en meekrap meer verbouwd?

de mussen, de tortels en spreeuwen profiteren van het ingekuilde voer
als de koeien gevoerd worden vliegen die spreeuwen met hele troepen tegelijk

doodbrutaal het erf op of zelfs de stal in om vlak
voor de koeiensnuiten prompt hun buikjes vol te eten.

.V

van het Ommeland naar de Stalen Beek
naar het Grollegat naar het Helofytenfilterveld

rechts zie je de Korvelse waterloop die met zijn metalen met balken overspannen oeverwanden van de Rioolgemaal Moerenburg komt. Rioolgemaal Moerenburg is nu in gebruik als helofytenfilterveld – proef dat woord – riet en lisvelden die overtollig afvoerwater bij extreme watertoevoer moeten opvangen en zuiveren.

Ik loop langs een stalen beek, de resten van een open riool waardoor vroeger het afwalwater van de wolfabrieken van Tilburg de stad uit stroomde naar de oorspronkelijk schone en idyllische Leije, water dat destijds elke dag een andere kleur had al naar gelang de verf die werd gebruikt. Samenvloeiing van goed en kwaad. Natte moerassige zone.

Rechts in een bocht ligt oud boerencafe Mie Pieters

Grote gele kwikstaarten zie ik landen in de smerigste smurrie die een mens zich maar voor kan stellen, midden in een bezinkingsbassin voor rioolslib op het terrein van de oude waterzuiveringsinstallatie. De kwikstaarten lopen ijverig te pikken in het rioolslib en de blubber. Rioolwatar barst van de voedingsstoffen zoals muggenlarven. Mannen in grote waadpakken komen die larven oogsten als aas om mee te vissen. De Tilburgers noemden dat levende visvoer “versevaas” van het Franse “vers de vase” (worm van zand). Prima kwikstaartvoer. Lang leve het riool.

In het nabijgelegen moerasbos van de Moerenburg bloeien en groeien Gelderse rozen maar ook wilde zwarte bessen, hoplianen, dotterbloemen, gele lissen en watermuntplanten kriskras door elkaar en langs elkaar heen. Vanop het water klinkt een snotterig bububububububu – keelgeluiden van een verkouden bejaarde lijken het wel. In werkelijkheid is het de roep van baltsende watersnippen.

Maar: de kwartels, snippen, kemphanen, roerdompen, zomertalingen, zwarte sterns, die zijn er niet meer! Ook het gegil van het moerasvarken, de waterral, is hier nooit meer te horen. Evenmin als de spriet oftewel de kwartelkoning. Wie weet nog hoe ze eruit zien, hoe ze klinken? Het zijn slechts namen uit boeken geworden en uit oude kinderrijmpjes.

Echter niet getreurd. Want wat ging is gegaan en er is allerlei grut
dat ervoor in de plaats. Zoals tal van beekdieren:

ragfijne (bos- en weide)beekjuffers fladderen voorbij de samenvloeiing met de Korvelse waterloop weg over de Voorste Stroom. Ook beekloper, beekrombout, beekgrondel, beekprik zijn hier vertegenwoordigd. Die hebben allen redelijk helder stromend water nodig om er te kunnen overleven. Dus blijkbaar is het niet zo slecht met de natuur hier gesteld.

In het kwelwater en in sommige heldere slootjes zwemmen salamanders en krioelt het van de waterviolier oftewel hottonia: prachtige witte bloemtoortsen die op het water dobberen, steunend op fijn vertakte, lichtgroene bladerkransen. De waterviolier is een plant die je enkel vindt op plekken waar bronnen aan het oppervlak komen. Kwelwater.
Kikkers kruipen op de bodem van de kwelders weg om er in de modder te overwinteren.

In de diepe Trappistenplas achter Koningshoeven komt zoveel warm grondwater naar boven dat er ’s winters zelden meer dan een dun laagje ijs ligt. Veel heidevennen zijn te zuur, veel sloten overbemest, maar in deze plas en poel stikt het van het leven.

Er zwemmen voorns, karpers, baarzen, snoekbaarzen, pos, paling, grondels, zeelten en zelfs een roodwangschildpad. Achter de watergordijnen komt een hele wereld van kleine waterbeestjes tevoorschijn: waterkevers, waterwantsen, waterschorpioenen, larven van libellen, mugjes, haften, kokerjuffers.

In de Helleputten vingen vissers snoeken van wel dertig pond, soldaten vingen er vissendoor granaten te laten exploderen in de Lange Jan, de Leij, de Buunder.
Sloten en poelen. In het water dobberen futen in groepen, aalscholvers, ijsvogels, kuifeenden. Ganzen schrijven SOS signalen in de lucht.

Een grote groep sijsjes danst door de lucht en dwarrelt neer in de elzen langs de oude (of de vuile) Leij.
Ik verbaas me over het dichte bramenstruweel, de wilgenstruiken en de zingende grasmussen in het sporkehout. Grote kersenbomen herinneren aan alle wezens die hier ooit pitten hebben gedropt en uitgespuugd.
Tot slot zijn er de bodemdieren: ook onder de grond openbaart zich een wereld apart
bestaande uit schimmels, sporen, torren, kevers wormen en andere bodemdieren

de Roond: 1352
roond = boomstompje / boomstronkje

1736: 21 boerderijen
Kapel Heilige St Anna

St Anna, Moeder van Maria
Patrones van de huismoeders

kapel ter ere van de Moeder der Moeder Gods
en tot lof en dank aan al onze moeders

Esch – Kleine Aa
Luissel

XV

LIJKENFRETTERS
De boerderij op de Heukelomse Waard. Tussen Heukelom en Hondsberg
de Voorste Stroom/Kleine Aa en café Mie Pieters

Tussen Heukelom en Hondsberg hebben roofzuchtige roeken twaalf lammeren verslonden. (De boeren in de omgeving zijn radeloos) De roeken vallen lam met grote groep tegelijk aan, pikken het de ogen uit en eten het daarna vrijwel geheel op. Er blijft niet veel meer over dan wat wol en een handvol botjes.
Boerderij op de Heukelomse Waard. Met mijn vader ben ik naar het bos met de roeken gereden, aan de rand van de polder. Het was lente. Eind mei. Verdroogde opengesprongen bloesembladeren op de straten, op het land. Er zijn zo’n vierduizend roeken neergestreken, hebben een kolonie gebouwd.
Het rauwe gekrijs is niet om uit te houden, de rillingen lopen me over het lijf. Soms wel vier, vijf nesten in de hoogste toppen van de bomen. Onder de bomen graven vier verdwaasde Shetland ponies, hun manen in slierten langs hun starende ogen. Arme beesten, hoe houden ze het uit met dat hemeltergende gekrijs boven hun hoofd.
De roeken krijsen en strijken verderop op een omgeploegd erf neer, bij de massa’s. Ze hebben een gonzo-achtige roofvogelsnavel, maar hun spanwijdte is klein.
In onze schoorsteen in het ouderlijk huis huisden ook ooit twee kauwen. We hebben voor de zekerheid de schoorsteen een hele tijd maar niet meer aangestoken.

Eten in café Mie Pieters. De paling kronkelend tot op het bord. Tapijtjes op de tafels. Biljart. Bier en omelet.
Mario en Teun: vissers van paling. Lijkenfretters genoemd in Brabant. Teun: `Wilde paling is wit van binnen. De gekweekte is roze. De Saragossa Zee op de Balkan, dat is de paaiplaats waar de paling eitjes legt. Vandaar migreren de vissen naar de zoete waters in heel Europa waar ze opgroeien.
Sluizen, stuwen, dammen maken het voor de gladjakkers steeds moeilijker tot in het hart door te dringen, de zoete aderen in te zwemmen.
Het continent, Europa is een grote koeienkop waar palingen in huizen. Een dierenschedel.
Eten van paling bij Mie Pieters, de paling nog kronkelend tot op het bord. De gevangen palingen werden door Mario en Teun gewoonlijk opgehangen aan de boom voor het café. De vissen werden zo zichtbaar mogelijk tentoon gesteld, uitgebreid gemeten met een centimeterrol. Mario moest altijd winnen. Maar het was Teun die meestal won.

XVI

BOOM VAN LEVEN BOOM VAN DOOD

‘Er zijn grotweg twee soorten mensen. Mensen die van de aarde leven
en mensen die van andere mensen leven.
De ene groep kun je omschrijven als de wormen
De andere als de schimmels.’
– Henk Kuiper

.I
WERELDREIZIGERS TOT IN UW TUIN

“Dit jaar is door de VN uitgeroepen tot Internationaal Jaar van de Biodiversiteit. Een voor velen abstract begrip dat symbool staat voor de ongekende rijkdom aan levens-vormen en de samenhang daartussen op aarde. In dat enorme web van onderlinge relaties van eten en gegeten worden functioneert ook de mens. Behalve dat de mens zonder twijfel de grootste bedreiging voor de bio-diversiteit vormt is het waarschijnlijk ook het wezen dat er bewust het meest van kan genieten. Niet alleen op het bord, maar juist ook door te genieten van bijvoorbeeld vogels. Hun schitterende kleuren, unieke prestaties, prachtige zang en grappige gedragingen spreken ons aan. Het gescharrel in je tuin, de melancholieke klanken van een merel op het dak, het gegak van ganzen die de winter aankondigen of de acrobatische toeren van boerenzwaluwen net terug uit Afrika, dragen voor heel veel mensen bij aan levensvreugde. Vogels vormen vaker dan andere dieren onze schakel met de natuur en staan door al dat gereis voor de onderlinge verbondenheid van de wereldwijde natuur. Die fitis in uw tuin, grutto in het weiland is net zo afhankelijk van Nederland als van de omstandigheden in Afrika. En dus ook van wereldwijde bescherming van hun leefgebieden. Graag wil ik ‘oe meenemen op die indrukwekkende reizen van vogels, maar ook dicht bij huis wa da ge allemaol kunt doen om van ‘oew tuin een vogelparadijs te maken. Daarmee levert ge achter de achterdeur uw bijdrage aan het jaar van de biodiversiteit en zult ge nog meer dan voorheen van uw gevleugelde gezellen kunnen genieten…“Het kappen van die spechtenboom blijkt heel bewust te zijn gebeurd, maar was slechts onbeduidend onderdeeltje van de totale acties in het kader van de week van de biodiversiteit. De pas echt banale en brutale anti natuuractie in het Stadspark was de op het hoogtepunt van de biodiversiteitsweek daar uitgebrachte T brochure over dit park. Daarin ontbreekt zelfs het hele bos waar de spechten broedden, het hele leefgebied van de spechten. Daarin ontbreken zelfs alle vogels van het park. Een demonstratieve ontkenning van alle aanwezige natuurwaarden, de hele bestaande stadsnatuur. Als hoogtepunt van de biodiversiteitsweek een demonstratieve, totale ontkenning van de aanwezige biodiversiteit!”
– Henk Kuiper

“De mens en de boom hebben altijd al een bijzondere relatie gehad. De boom levert de mens bouwstoffen, warmte, veiligheid en vruchten, maar ook bepaalt de boom voor een groot deel ons uitzicht op de wereld. Probeer je voor te stellen hoe het er uit zou zien zonder bomen. Kaal, saai en onvriendelijk. Laten we vooral zuinig zijn op onze bomen. We leven in een gebied waar veel bomen zijn. Maar als je echt gaat zoeken naar bijzondere bomen blijkt het dat die in Brabant niet voor het oprapen liggen. En toch bezet onze provincie een mooie tweede plaats, na Gelderland, op de lijst van bijzondere bomen in Nederland. Laten we zuinig zijn op deze monumenten van de natuur. Door z’n ligging, ouderdom, dikte of hoogte is een bijzondere boom zeker een monument te noemen. U zult ook zien dat de meeste bijzondere bomen midden in de bewoonde wereld staan en bijna altijd door de mens geplant zijn. Het zijn geen spelingen der natuur, maar bewust geplante en gekoesterde monumenten. De mens heeft de boom ook vaak gekozen als plaats van bijzondere gebeurtenissen. Rechtspraak onder de lindeboom, een heilige eik of een leugenbank onder de boom. Elke week laat ik de lezers van Het Brabants Dagblad een boom zien die gekoesterd moet worden door de mens. Soms ga ik even de Brabantse grens over, de natuur kent geen grenzen.”
– Han van Meegeren

fotograaf Han van Meegeren

II

ik voel me slecht als ik opsta
ik voel me slecht tot in Hengelo
ik voel me slecht tot halverwege mijn tweede dichtoptreden aldaar
dan voel ik me alleen nog maar uitgeblust, een gapende gluiperd, stoffig hoopje kalk
ik rijd naar huis, waar ik mijn vader op de oprit zie, hij ziet me niet aankomen, de auto langs het trottoir parkeren, ineens hoort hij hoe ik m’n deur dichtsla, hij kijkt verrast, zegt traag met dikke tong: ‘heej, Serssss’
dan schuifelt hij naar binnen, ondersteund door mijn broer.

twee keer per dag infuus somatostatine (met tijdnaald)
een keer per dag gedurende vier uur infuus manitol

ik kijk met hem een WK-voetbalwestrijd die wordt uitgezonden op televisie. We horen namen als ‘Mc Bride…’, een zuiderse, mediterraan klinkende naam. We raden naar de landen van herkomst van deze twee teams, Schotland en Italië? Engeland en Kroatië?
het blijken de VS en Iran
mijn vader weet niet hoeveel het geworden is tussen Nederland en Korea. Toch heeft hij de match gisteren gezien
hij weet niet meer wie Nederland is, noch Korea
hij weet wel dat ik zijn zoon ben, al kan hij mijn naam niet meer uitspreken

ik geef mijn vader een gedicht voor vaderdag
het lukt hem niet de letters op het witte papier te lezen, hij zegt: ‘de letters dansen te rond door mijn twee ogen’

‘straks leest frouwke het wel voor mij hardop voor mij, straks leest, zij, wel…’

hij schuift met de blaadjes die op zijn bovenbenen liggen, kijkt naar wat daar ronddanst door zijn twee ogen, bestrijkt het papier, legt het terug in wat hij denkt dat de juiste volgorde is

ik leg de titelpagina terug op kop, zeg instemmend ‘zo ja’ alsof hij een kind terwijl ik, denk ik vertwijfeld, toch dat kind zijn kind en hij mijn papa, toch?, mijn grote vader die mij leert hoe ik moet tellen, rekenen, en die mij de tafels leert, nauwgezet en serieus want tafels waren van het allergrootste belang zei hij altijd, dat waar alle rekenkunde op stoelde, dat waar je voor altijd wat aan had
en hier zitten we nu, met iets verderop in de kamer de houten tafel waarop hij mij die tafels leerde, zijn verzilverde stopwatch destijds tikkend op het eikenhout van het tafelblad want ik moest zoveel mogelijk sommen af hebben in een minuut, zoveel mogelijk tafels in een ronde van zestig seconden…
‘zo, ja.’

als ik me in de ouderlijke slaapkamer bevind om de telefoon te gebruiken, hoor ik mijn moeder het gedicht voorlezen
ik hoor de woorden die ik heb geschreven (‘het staat geschreven’), ik hoor hoe ze zich goed probeert te houden, ik verstijf zittend op de rand van hun bed, op het laatst hoor ik allebei mijn ouders huilen, ik huil ook, vloek, ik bijt me op mijn lip, draai het nummer dat ik wilde draaien en probeer monter te spreken als er opgenomen wordt
wat lukt, ik bijt mijn tranen weg in het korte gesprek dat volgt

als ik weer in de woonkamer kom, ga ik op de leuning van de versmoezelde witlederen bank zitten
mijn vader leunt met z’n hoofd achterover, staart naar het plafond, mijn moeder zit ernaast, heeft diens rechterarm (die hij nauwelijks meer kan bewegen en die opgezwollen is van de oedeem) vast. Ik leg m’n hand in de nek van m’n vader, voorzichtig, besmuikt, teder maar niet goed raad wetend…
mijn vader stamelt iets, hij kan de woorden niet vinden, het lukt hem niet te zeggen wat hij wil zeggen, de woorden die hij zoekt zijn als letters van een dooreen gehusseld scrabblespel
hij zegt iets van: ‘misschien dat het door… dat het allemaal nog door, dat het straks toch zal… dat er helemaal nog wel… misschien dat het al bij al toch nog…’
ik zie hem denken, proberen te grijpen wat hij niet kan pakken hoewel hij het wel te helder voor zich ziet, alsof het doorzichtig is
ik zie hem tasten naar wat hem ontglipt
glibberig die taal als vis, aal in een stromende rivier…

de letters dansen te rond door mijn twee ogen

‘Misschien dat we dit opnieuw tot staan kunnen brengen’
‘Ja’
‘Het is al een keer gelukt’
‘Gelukt…’
‘We zijn al ver gekomen, heel ver’
‘Ja’

dan, duidelijk, heel helder, maar ook heel breekbaar, zijn stem als flinterdun kristal, een iel motet: ‘misschien dat we nog verder, dit jaar. Ik wil niet, ik wil dit jaar nog niet’

het woord dat hij niet uit kan spreken blijft onuitgesproken hangen in de lucht
het zwarte, onzichtbare maar klievende wapen uit Damocles’ smidse
het zwaard boven zijn nek

het woord dat hij niet uit kan spreken

dat hem op zal slokken

zoals eens ons allemaal

III

niet zo heel lang geleden
in stilte en zonder kapvergunning

werden in het Groenewoudpark een voor een
de 150 jaar oude lindebomen gekapt

van het voormalige cafe Het Groenewoud.
op de plaats van de oude gekapte lindeboom

op de Tilburgse heuvel – nog altijd het symbool van de stad –
staat nu een pisbak

IV
“Een oeroude reflex, een primitief instinct. Breng de mens een boom voor ogen, en zijn handen beginnen te jeuken. In Schoor bij het Dommeldal onlangs de Brabantse fermette bezocht waarop mijn vader vanaf 1992 zijn bouwlusten had losgelaten. De kleine boerderij staat nu te koop. Mijn vader overleed anderhalf jaar terug, en mijn moeder wil er liever niet meer alleen vertoeven. De orkaan van afgelopen december heeft ook in onze tuin een ware boomslachting aangericht. Gruwelijk aangezicht; een prachtige driehonderd jaar oude majesteit ontworteld en geknakt, de notelaar waarin de familie bosuil jaarlijks met haar krijsende jonkies neerstreek. Op het dak gevallen (dat mijn vader nog gerenoveerd had in het jaar voor hij ziek werd). De adem van de wraak die de natuur loslaat op de aarde. De echte gruwel zijn mensenhanden die het kapmes en de bijl in het edele hout van bomen zetten. Een oeroude bestiale reflex, een primitief instinct. Breng de mens een boom voor ogen, en zijn handen beginnen te jeuken.
Afgelopen maandag was ik voor het eerst sinds langere tijd in mijn geboortestad, in de Kampina in Midden-Brabant. Mijn moeder woont er niet meer – ook dat huis heeft ze op de markt gegooid – en verkocht. In de Brabantse gemeente rest mij eigenlijk niets meer, behalve een zeer dierbare oom die eigenlijk geen ‘echte’ oom is, maar veel meer dan dat. Ook op geografisch gebied ben ik inmiddels een beetje ontworteld geraakt, zou je kunnen zeggen. Dat besefte ik pas, toen ik maandag zag dat de nieuwe bewoners van het huis aan de Van Almondestraat de blauwe den die door mijn peetoom bij mijn geboorte in de voortuin werd geplant, hadden omgekapt. Het voelde toch een beetje alsof een deeltje van mijzelf daarmee was neergehaald. De boom in kwestie was minstens zeven meter groot, met aan alle takken glanzend-blauwe naalden; als de wimpers van ontelbare vrouwen die zich heel mooi hebben opgemaakt…toch altijd door mijzelf en mijn familie beschouwd als ‘Levensboom’. Mijn eerste reactie was er een van verontwaardiging: daar hebben die nieuwkomers het recht niet toe! Maar ja, de realiteit is dat die lui er wel het recht toe hebben, formeel dan. Moreel vind ik dat iedereen die om ongegronde redenen een boom velt of vernielt, zelf ook tegen de vlakte mag. Als je weet hoe standvastig we die blauwe den in het verleden nog hielpen groeien! Eens hebben we hem na een winterstorm nog rechtgetrokken door een touw aan de trekhaak van onze auto te bevestigen. Daarna stutten we de stam met een stuk ijzer dat aan de voorgevel van ons huis vastzat.
Alle inspanning voor niets?
Maar goed, de gruwelijke aanblik van die talloze ontwortelde bomen in het bos heb ik me bespaard. Ik koester geen hyper-larmoyante verlangens zoals de Franse romanticus Chateaubriand die zich het liefst van al ingroef in steenklompen, ruines, met de pen in de hand tussen de dorre spelonken van een verwoestende natuur. Ik hoop dat de bossen en bomen zich zullen herstellen, zoals na een bosbrand. Met mos en groen dat zachtjes over het kreupelwoud heengroeit. Eerst denk je dat er nooit meer iets zal groeien, en het volgend jaar word je verrast door de flora die veelkleurig opschiet uit de as. Und alle Fleisch es ist wie Grass…alle rot is humus voor de eeuwigheid. (…)”

XVII
ZOETE LIEVE, EZILI EN ANDERE SPOKEN

“Op dit moment marcheren de tamboers onder mijn raam voorbij. Ik woon in het centrum van de stad van Onze Lieve Gerritje waar de kasseien op de straatjes nog uit de dertiende eeuw dateren. Vanavond wordt hier Ezili opgelaten, een opblaasbaar vreemdsoortig creatuur, half-vrouw en half-vogel, de grootte van vijf mannen hoog. Een Brabantse fenix die eens in de vierenveertig jaren voor een zomer en een herfst oprijst uit de gedempte geestgronden van en rond de Dommel. Er is vuurwerk te zien, schuintamboers die onder mijn raam doormarcheren, en die mysterieuze pop – vijf mannen groot – op een draagbaar door de straten dragen. Het doet allemaal nogal pagaans en atavistisch aan. De folklore is in deze katholieke vestingstad nooit ver weg. Het blijft wel een heerlijke plek om in te wonen. Vergeleken bij het kille, geordende Holland waar alles op en top efficient moet zijn, gepland en overzichtelijk.
Vandaag is het rustdag, de marktgangers van het casinoplein zijn naar huis. Alleen nog wat toeristen banjeren hier rond, gapend naar de (al gesloten) broccante zaakjes. Voor Café De erwtenman wordt ruzie gemaakt door zatlappen. Officieel ben ik nog steeds ingezetene van een appartement in Amsterdam, maar ik verblijf er zelden. Mijn broer heeft de plek grotendeels ingenomen – en naar zijn gading verbouwd. Ten goede, moet ik zeggen. ‘De enige kracht van de hedendaagse West-Europese man is zijn koopkracht,’ hoorde ik vandaag een boze Bossche vakbondsleidster – een soort Brabantse Thersites – verkondigen. De eerste mei leeft nog duidelijk in dit land waar in alle steden arbeidersoptochten door de straten trekken. De vakbondsleidster waarschuwde haar achterban en eigenlijk het hele eerlijke volk voor De Nieuwe Economie, die een ‘inflatie van morele en humane waarden’ met zich mee zou brengen. Zulke geluiden zul je boven de grote rivieren in Holland niet snel meer horen. Die tijd is daar voorbij…”

Kasteel Nemerlaer, Haaren
fotograaf Melanie Rijkers

XVIII

WAT IK ZIE KAN IK NIET ZIJN
Hoog Heukelom, de Essche Stroom
Kasteel Nemerlaer, Haaren

‘zonder seizoen rechtvaardig ik de aarde
als geboren uit de weigering. Word wieg
weg naar Rome, vrouw die treurt’
 H.C. Pernath

beuken, berken, eiken
elzen, velden, kwelders

de kerktoren van Oisterwijk
in de verte

de hoogzwangere natuur
in de verzengende hitte

de Voorste en de Achterste Stroom
rond kasteel Nemerlaer

komen hier opnieuw bij elkaar
in een traagstromende laagland-beek

genaamd de Nemer
waar vissen in getrapte liftjes

het stuw omzeilen
waar ijsvogels naar hartelust

als geluidloze stucca’s over het water heen scheren
op het herstelde landgoed van Baron Donatus

van den Bogaerde van Terbrugge (1880)
eis in het Germaans betekende diep blauw

Nemer – waterstroom met nem als stam
net als in het Thais betekent nem (of nam):

water. De waterbodem is er grondig
gesaneerd. Van 1850 tot 1960

loosden leerlooierijen ongezuiverd
hun water op de Voorste Stroom

de bodem raakte verontreinigd met van chroom
doordrongen slib

en nu, zowaar, stroomt daar helder
water door de stroom

fladderen en scheren bos- en weide-
berkjuffers over het wateroppervlak

langs ranonkels, elzen, lissen
glijden glinsterende vissen

onder het baldakijn van wilgenloof
en moerasbomen naar de plek

waar Voorste- en Achterste
Stromen samenkomen
bevolken hoplianen, dotterbloemen
zwarte bessen, watermuntplanten

berm en boesem, beekkant
en oever, ritselen salamanders

door prachtige witte bloementoortsen
midden in het water, steunend

op fijn vertakte bladerkransen
van de waterviolier

fotograaf Melanie Rijkers

boven het haardvuur in het donkere
kasteel stijgt een scharlaken roofvogel

met brede vleugels
uit de schouw omhoog

de wereld hangt in de lucht
de hemel op aarde

wat ik zie kan ik niet zijn
en vroeger evenmin

in het huis van het geheugen
hangen geen spiegels

in de stromen van het paradijs
ligt er geen vergiftigd slib

op de chromatisch zwart-
gekleurde bodem

vandaag is een bijzondere dag
ik wil dat iedereen er is

de magische kasteelvrouwe
zal de klok met een dag terugzetten

voor de rest zal de tijd
apoplectisch stilstaan

we zullen leven in een
alomtegenwoordige dementie

die ons bewustzijn vertroebelt
en ontrafelt; klanken die nooit meer

woorden worden, seconden
die nooit meer dagen

alles al getracht en op de tast
zullen we nog blijven zoeken

tot in de neteligste gewassen
de dordste oevers en de verste kragen

zullen we nog blijven zoeken
zelfs als uit de avondmist dat ene

verlossende woord zal klinken
zullen we nog blijven zoeken

ook al kunnen we niet anders
dan het beramen van dwaalsporen

het herhalen van de paradigma’s
het beamen van de kennis

die sinds eeuwen al bestaat
toch zullen we blijven zoeken

nog zullen blijven we zoeken
(—)

DEEL III

XIX
De Jofra Hoeve, Liempde
Forwards Backwards van Wineke Gartz

Met een tempelachtige paviljoen en meditatiepaden heeft Wineke Gartz een plek gecreëerd waar men kan nadenken over afscheid, nieuwe levensfases of veranderingsprocessen en de complexiteit van het vooruitgangsprincipe. Op zondag 11 juli werd het tijdelijke paviljoen en de cirkelpaden opgeleverd en voor publiek opengesteld. Het landkunstwerk was gedurende de zomer van 2010 te zien op de Jofrahoeve. Met dit project onderzoekt Gartz het vooruitgangsprincipe en wil ze de verwevenheid van structuren blootleggen. Hoe zijn het platteland, schaalvergrotingen, ruilverkaveling, voedselketens, natuurgebieden en andere ontwikkelingen met elkaar en met de mens verbonden? Wat is vooruitgang en is stilstand achteruitgang?
Jofrahoeve, De Ruiting 4, 5296 KE Esch

Serge in actie onder het kunstwerk van Wineke Gartz: een omgekeerde mestverdeler uit de jaren vijftig, geplaatst op een vijfhoekig platform op vier palen dat als baldekijn dient voor een soort meditatiepunt zoals men die in Japan kan aantreffen in kleine open tempeltjes. Het meditatiepunt bevindt zich midden in de weide en is in rechte lijn verbonden met twee overige punten in het landschap die overlangs het begin- en eindpunt van het kunstwerk markeren.

.I
Op de Jofrahoeve beleefde Serge een bliksemachtig “moment of truth and recognition” toen hij recht in de intelligente, levendige en nieuwsgierige ogen schouwde van enige biggen die op dat moment verkoeling zochten in de moordende hitte van die zondag in het zand en de blubber van hun ruime buitenvertrekken op de biologische varkensboerderij. Zo’n blik was van een heel andere orde dan die van honden, katten of andere huisdieren. Er ging een complex en intelligent gevoelsleven achter die levendige ogen schuil. Het was of de auteur in een spiegel keek of de blik van een familielid gewaar werd in betoverde gedaante. De herkenning bracht een schok teweeg…

.II
ONS VERREKE

Ons verreke is gesteurve,
ons verreke is gesteurve
en wè hèt dè bist geschreit
om al dië naorigheid.
en wè hèt dè bist geschreit
om al dië naorigheid.

Waar is ie aan gesorven,
waar is ie aan gestorven?
Aan de vetzucht, beste man,
daar sterven die beestjes an.
Aan de vetzucht, beste man,
daar sterven die beestjes an.

Nou zunne we ‘m begraven,
nou zunne we ‘m begraven.
Al in ‘nne kist van hout,
te midden van ’t zout
Al in ‘nne kist van hout,
te midden van ’t zout.

Dan gaot ie naor d’n himmel,
dan gaot ie naor d’n himmel.
En d’n himmel is de pan,
waorin ie braoie kan.
En d’n himmel is de pan,
waorin ie braoie kan.

Nou zunne we gaon ete,
nou zunne we gaon ete.
Van de ribbekes, spek en ham
op onze boterham.
Van de ribbekes, spek en ham
op onze boterham.

Brabants boeren liederke. Het notenschrift is afkomstig uit het boek Liederen en dansen uit de Kempen, van Harrie Franken.

XX

DE MESTVERDELER: LEENHEER TIJD
enige overdenkingen bij Forward Backward van Wineke Gartz
en de vergankelijkheids-haiku’s in de kloostertuinen van ZIN

.I

LIKSTENEN

hoe de tijd is ontstaan
de dagen vergaan

de koeien malen daar niet om
de beesten boetseren geduldig
likken ogen in de steen met hun
lange malse grazerstongen

tot de grillige kei van zout
zijn uitgeteerde vorm overhoudt

.II

LEENHEER TIJD

ontbinding is accijns
die wordt geheven

op de tolweg van het Zijn
het is de opbrengst

die we af moeten staan
aan Leenheer Tijd

voor de plek die we innemen
op deze aarde

het is de pacht die we betalen
voor de duur van ons bestaan

(…)

Vroeg of laat komt de brute pachter van Heer Tijd zijn recht opeisen. Hij laadt ons lichaam op de mestkar, als aflossing voor de lening die wij bezitlozen bij Hem zijn aangegaan. Geen respijt. Alle rekeningen worden vereffend, alle interesten worden berekend en geincasseerd, alle leningen worden netjes terugbetaald, alle boeteclausules toegepast.
Ons lichaam geldt – samen met de ziel die erin huist – als onderpand. Als de lener in gebreke blijft, wordt zijn woonst verbeurd verklaard. Zijn lichaam per opbod verkocht aan de sjacheraar die handelt in verval, inboedels, erfenissen, pandjes, pakken, serviezen. De voddenman en schillenboer met zijn mestkar en laadwagen die naar lijken ruikt. De schroothandelaar die fortuin maakt met afgedankte karkassen, onttakelde lichamen, ontvliede zielen, gouden tanden, vullingen, rottend vlees, bedorven resten, slachtafval, knoken en knopen …

.III

‘Time is the slaughterhouse of the universe. (…) The price of every life is death.’
– Lydia Lunch

de woekering gaat voort
een schimmel die met verse stek

geplant is in vruchtbare grond
pootgoed dat besmet is ingezaaid

tweespalt perst en snijdt het leven
in pasklare, hapklare vorm

portie en proportie
fotolyse en synthese

het duwt organismen in een vruchtbare houding
het wurgt hen in een liefdevolle houdgreep

tweespalt heeft in wezen
heel en al tot in de kiem

gespleten, alles wat krioelt hier
in dit ondermaanse gebeten

met de giftand
der tweevuldigheid

und alle Fleisch
es ist wie Gras

de dood groeit als een foetus
en de cellen van het nieuwe leven

grijpen even ambitieus als gezwellen
om zich heen; wat te doen?

kans geven aan het kroost
of plaatsmaken voor de dood?

er is geen beginnen
geen eindigen aan

.IV

Transformatie

trans•for•ma•tie /trlnsfcrm’a(t)si/ de (v.)
na 1540 ‹Fr. transformation
1 Ÿ overbrenging in een andere vorm. synoniem: gedaanteverwisseling, omzetting (oneigenlijk) een radicale transformatie van de hele maatschappij (Wijsgerig Perspectief)
2 Ÿ (bij toneelspelers) het overgaan in een andere rol door eenzelfde speler
3 Ÿ (chemie) het omzetten van een verbinding in een andere
3 a (biochemie) genetische verandering van bacteriën door opname van vreemd DNA in het genoom 3 b gebruik van afvalstoffen voor de productie van andere stoffen
4 Ÿ (natuurkunde) omzetting van energie, b.v. van elektriciteit in licht
5 Ÿ (wiskunde) het vervangen van een coördinatenstelsel door een ander dat ermee in een algebraïsch of analytisch verband staat, resp. het aanpassen van een functie aan een ander coördinatenstelsel dan waarvoor de oorspr. vergelijkingen gegeven zijn
6 Ÿ (taalkunde) omzetting van de dieptestructuur van een taaluiting in een oppervlaktestructuur

vertaling vergadering
verhandeling verkaveling

vertoning verkondiging
verbeelding verwondering

verwachting verademing
verhitting verheviging

verleiding vertedering
verheerlijking verwikkeling

verhindering vermagering
verafgoding vertwijfeling

verschoning vergeving
verzoening verhoging

vernieuwing verklamping
verovering verkondiging

verklaring verklontering
versuikering verandering

verveling vertroebeling
verzanding verzadiging

verwording verwatering
verstrooiing verwaarlozing

verwijdering vereenzaming
verschraling verduistering

verbastering verhaspeling
verzaking verloedering

verkwanseling verkommering
verroesting vertekening

verarming verschoppeling
verbazing verbijstering

verkramping vervloeking
verzuring vergrijzing

vernieling vernietiging
verwoesting verpulvering

verbanning verbranding
verzekering vergoeding

vergelding verrijking
verhuizing verbetering

vertakking verinnerlijking
verwezenlijking verlichting

verlossing vergissing
(…)

XXI

Putrefactie. Parafrasen
vijf(tien) perpetuele variaties op een ontologisch thema*

1.putrefactie – I ontstaan en bestaan
2.melanosis – II ontwikkeling en bloei
3.paragoniet – III aftakeling en dood
4.parathion – IV ontbinding
5.parataxis – V osmose

6.parataxis – VI ontstaan en bestaan
7.parathion – VII ontwikkeling en bloei
8.paragoniet – VIII aftakeling en dood
9.melanosis – IX ontbinding
10.putrefactie – X osmose

11.putrefactie – XI ontstaan en bestaan
12.melanosis – XII ontwikkeling en bloei
13.paragoniet – XIII aftakeling en dood
14.parathion – XIV ontbinding
15.parataxis – XV osmose

* Het thema waar in de titel naar verwezen wordt, betreft het begrip ‘Ontologische differentie’ zoals dat in tal van aspecten gedurende de jaren tachtig en negentig werd uitgewerkt door de inmiddels overleden Brabantse beeldend kunstenaar Rien Halters uit Etten-Leur. Zijn ontologische differentie betrof 32 studies naar verandering en ontbinding

De ‘parafrasen’ betreffen tekstbewerkingen van uitspraken en notities die oorspronkelijk werden gedaan of opgetekend door o.a.: W.F. Hermans, Freddy de Vree, Rien Halters, A.F.Th. van der Heijden, Kamiel Vanhole, J.G. Ballard, Picabia, Norbert Wiener, Empedokles legenda – verklarende woordenlijst
(bron = Van Dale Groot Woordenboek der Nederlanse Taal)

putrefactie –
pu•tre•fac•tie
/p’ytreflksi/
de (v.); -s
1633 ‹Fr. Putréfaction – verrotting, het verkleuren van de materie in ontbinding

melanosis –
= melanose
me•la•no•sis/ me•la•no•se/
/melan’ozf/
de (v.); g.mv.
1 Ÿ (medisch) verandering van de bloedkleurstoffen waardoor bep. organen een zwarte kleur aannemen
1 a abnormaal sterke pigmentatie

paragoniet –
pa•ra•go•niet
/paraqon’it/, /plraqon’it/
het; g.mv. (stofnaam)
1898 gevormd van Gr. paragˆn (misleiding) + -iet; men hield het aanvankelijk voor talk
1 Ÿ geelachtig of grauwachtig wit mineraal, tot de mica’s behorende (het is harder dan gips en heeft een fraaie paarlemoerglans)

parathion –
pa•ra•thi•on
/paratij’cn/, /plratij’cn/
het; g.mv. (stofnaam)
na 1950 gevormd van para + thiofosfaat + -on
1 Ÿ een vooral in de landbouw gebruikt insectendodend, zeer gevaarlijk, gif (diëthylnitrofenylthiofosfaat)

parataxis –
parataxis/parataxie
pa•ra•taxie (niet: parata•xie)
/paratlks’i/, /plratlks’i/
de (v.); -ën
1 Ÿ (psychologie) sociale onaangepastheid
2 Ÿ (psychologie) stoornis in de emotie waarbij verschillende emotiecomponenten los van elkaar staan en niet zijn geïntegreerd

ontologische differentie/ontologisch differentiëren
differentiëren = (wiskunde) de afgeleide bepalen van een functie
ontologisch differentiëren = de afgeleide bepalen van een specifieke wezenstoestand waarin een stof of organisme verkeert; de diverse fasen onderscheiden die verschijningsvormen doorlopen en die grofweg zijn te onderscheiden in: ontstaan en bestaan, ontwikkeling en bloei, aftakeling en dood, ontbinding en osmose

transformatie
trans•for•ma•tie /trlnsfcrm’a(t)si/ de (v.)
na 1540 ‹Fr. transformation
1 Ÿ overbrenging in een andere vorm. synoniem: gedaanteverwisseling, omzetting (oneigenlijk) een radicale transformatie van de hele maatschappij (Wijsgerig Perspectief)
2 Ÿ (bij toneelspelers) het overgaan in een andere rol door eenzelfde speler
3 Ÿ (chemie) het omzetten van een verbinding in een andere
3 a (biochemie) genetische verandering van bacteriën door opname van vreemd DNA in het genoom
3 b gebruik van afvalstoffen voor de productie van andere stoffen
4 Ÿ (natuurkunde) omzetting van energie, b.v. van elektriciteit in licht
5 Ÿ (wiskunde) het vervangen van een coördinatenstelsel door een ander dat ermee in een algebraïsch of analytisch verband staat, resp. het aanpassen van een functie aan een ander coördinatenstelsel dan waarvoor de oorspr. vergelijkingen gegeven zijn
6 Ÿ (taalkunde) omzetting van de dieptestructuur van een taaluiting in een oppervlaktestructuur

verlet ver•let /vfrl’et/ het; g.mv. 1337
van ver- + letten (vertragen)
1 Ÿ beletsel in de volvoering van een werk of taak door van de wil onafhankelijke omstandigheden synoniem: verhindering dat was een groot verlet vergelijk: vorstverlet
2 Ÿ verwaarlozing, uitstel, verschuiving
de zaak lijdt geen langer verlet
2 Ÿ zonder verlet
synoniem: onverwijld
3 Ÿ tijdverlies
ik heb vandaag veel verlet gehad
4 Ÿ vergoeding voor verhindering, b.v. bij vorst

detonatie
de•to•na•tie /deton’a(t)si/ de (v.)
1824 ‹Fr. détonation
1 Ÿ heftige heterogene explosie, synoniem: ontploffing
2 Ÿ (bij verbrandingsmotoren) explosie die het kloppen veroorzaakt
3 Ÿ (muziek) afwijking van de toon

ontmantelingen
ont•man•te•len /cntm’lntflf(n)/ overgank. werkw.; ontmantelde, h. ontmanteld
1Ÿ ontdoen van iets dat met een mantel kan worden vergeleken, m.n. een stad van de omwalling ontdoen, haar muren slechten hij deed Brugge ontmantelen en de grondslagen leggen voor een kasteel
1 a (m.betr.t. een decor) van gordijnen en rekwisieten ontdoen
na de voorstelling moet het decor ontmanteld en gedemonteerd worden
2 Ÿ ontdoen van essentiële delen, productiemiddelen, machines enz., buiten bedrijf stellen
epifanie
epi•fa•nie (niet: E•pifanie)
/epifan’i/
de (v.)
1668 ‹chr. Lat. epiphania ‹Gr. epiphaneia (verschijning)
1 Ÿ openbaring van de Heer, i.h.b. bij de aanbidding van de wijzen uit het Oosten, de doop in de Jordaan en de bruiloft van Kana
2 Ÿ Driekoningen

1. het verkleuren van de materie in ontbinding, verrotting (putrefactie)
2. dan het zwarte stadium (melanosis)
3. dan het witte stadium (paragoniet)
4. dan het rode stadium (parathion)
5. dan het stadium van de magnetische persoonlijkheid, die de aarde beheerst tot in de ondergrond (parataxis)

I. ontstaan en bestaan (bevruchting, ontkieming, bevalling, beweging)
II. ontwikkeling en bloei (groei, verwikkeling, verwezenlijking)
III. aftakeling en dood (veroudering, vergrijzing, verstilling, verstomming, vernieling, vernietiging)
IV. ontbinding (vergaan, vervlieden, uiteenvallen, oplossen) (stoffelijk overschot, residu, afval)
V. osmose (opgaan in de omgeving, aangaan van nieuwe moleculaire verbindingen)

XII

Kon ik maar leven in het vacuüm van de tijd
de klok stilzetten, de goede momenten laten duren

maar het leven kolkt verder en voorbij
zoals het vliedende water in de rivier

je kan de tijd niet beetpakken, je kunt hem niet vatten
als een kat bij de staart

zelfs niet bevatten, je kunt
hem hooguit loslaten

hoe krijgen we grip op de tijd? Hoe leven we er IN en niet er NAAST?
hoe besturen we het schip in plaats van erdoor te worden overvaren?

door ons nietig te maken, of juist zo groot en ijl
en ledig als de hemel die ons omringt?

De tijd is als een zwaard, zeggen de Arabieren;
wie hem niet aanvalt, wordt geveld

vandaar dat wij ons zo nijver
door het leven voortbewegen

het is geen luxe- maar een halszaak; het heft
is immer boven onze hoofden geheven

kop eraf voor wie zich al te ledig,
hoogmoedig of voorzichtig opstelt

wie de tijd niet zelf tegemoet treedt
komt onherroepelijk ten val

maar: hoelang kunnen we
de tijd een stap voor zijn?

wanneer breekt de analogie tussen lichaam
en geest; is de eenheid doorkliefd

door het tweespaltig zwaard?
de moslims zeggen:

‘de tijd is als een sabel
als jij hem niet velt, velt hij jou’

de essentie van the struggle for life
een gevecht dus op het scherp

van de snede waarin ieder
van ons ongevraagd

verzeild is geraakt…
‘ook dat wij leven was niet ónze keus’

het is te allen tijde eronder of erop
wij doden de tijd, de tijd doodt ons

katje min, katje weer
gelijk oversteken

XXIII
EEN KLOOSTERHOF
Catharina Visser:

‘Er is een kloosterhof die zich heeft gevestigd in mijn binnenste. Net zo goed heb ik mij onzichtbaar gevestigd in die kloosterhof. Het licht valt er rechtstreeks uit het vierkant van de hemel binnen en trekt dagelijkse over de bestrating van kleine keien en langs de zachtgrijze stenen muren van de kloostergangen, die de hof aan drie kanten insluiten. Aan de vierde kant rijst de kerk op met een toren waarin de klok elk half uur slaat, ook ’s-nachts. De kloosterhof is leeg. Het is haar leegte die alles samen- bindt en die adem geeft aan wat daarbinnen plaatsvindt. De kloosterhof heeft zich in mij gevestigd op de plaats, waar ik zelf leeg ben. Ik luister en kijk met de zintuigen van de kloosterhof. Het wordt herfst, het wordt winter, het wordt lente, het wordt zomer. En dit is wat de kloosterhof mij leert: dat vanuit de tijd langzaam het blijvende groeit, het Eeuwige. En in dat Eeuwige zink ik tenslotte steeds dieper binnen. Ik word één met het land en de lucht, ik word één met het graan en de druiven, het brood en de wijn en de onstuitbare kracht die mij heeft opgetild uit de oergrond. Ik word één met mijn geliefden en zij met mij. En ik word één met vrienden en vreemden die eerst buiten mijn kloosterhof leefden. Mijn hart raakt doortrokken voor de Meester die de wijn van de liefde heeft geschonken en die voor mij de muur heeft doorbroken tussen mijn ik en de gloed van de godheid. Dit alles vindt plaats in de hof van mijn hart, waarin de tranen van de bedroefde druppen en het lied van de liefde zichzelf zingt.’

ZOMERDAG

Tussen velden en volrijp koren
liep ik – tussen zonlichtflarden.
Zo licht geraakt werd ik herboren
dat ik de derde hemel zag.

Uit: Marieke van Baest ACCOLADE 2006

XXIV

ZIN – kloostertuinen Vught
enige overdenkingen bij Forward Backward van Wineke Gartz
en de vergankelijkheids-haiku’s in de kloostertuinen van ZIN (vervolg)
‘TOT NOSTE KI! MERCI’ (Brabants voor ‘Tot ziens!’)
.I
Ontbinding vóóronderstelt binding
in het hier en nu
de aarde lijkt overrijp, ‘consumptie’
is wellicht een kwestie van tijd

consumptie van het leven
de aarde die ons opvreet
en verteert at supper.
Zijn wij wel meer dan amuse-gueule

voor Vishnu, Ah-Pook’s lekkernij?
aan de einder strijkt het rijpe licht
de polsopen van de herfst
de goudader ligt bloot

is de hemel leeg?
spreekt alles hier beneden
wat zich aan mij en anderen openbaart
dan strikt genomen voor zichzelf?

ik hoop maar dat ik er niet tezeer
blind voor ben gebleven
ik hoop maar dat ik me op mijn
blikveld niet teveel heb verkeken

niet verkwanseld heb
waar het kwansuis
in dit ondermaanse
om gebleken

waar het om te doen was
is zal zijn waar het uit
voortkwam en voortkomt
het leven dat zich

voor even verheft:
van onder naar
boven de grond
en vice versa

.II

waar het uit voortkomt
waarheen het gaat
is er richting, rede, balans, bestemming
rechtvaardigheid in de natuur?

op last waarvan wordt deze last
gedragen
om de doem te verjagen
in kosmogene kaalslag

op last van de stilte
op last van de sterren
op last van de kilte

na het asiel hier op aarde
en het verblijf in bevreemding
na een nacht van wat uren
bij een zacht licht op aftocht

waarheen? vanwaar de vraag
als de route bekend is
het antwoord alles behalve:
een behouden vaart

.III

Wat het oog ziet, de ziel eist
het volume van mijn hart

de kern van mijn wezen
de spiegel van mijn geest

de zin van mijn leven
deemoed en devotie

het niet willen lijden
aan de liefde, maar beleven

het najagen van wind…
het onweert in het verre land

van het geheugen
die dwaze man, hij schiet tekort

zoals wij allemaal
hij loopt door de tuinen

als een van zijn macht beroofde god.
zie hoe zijn wereld niet van plan is

samen met hem te sterven

kerkhof van ZIN klooster te Vught

.IV

`Veel Brabanders hebben een tuin die eigenlijk een voortzetting van het kamerbreed tapijt in huis is
met planten die als soldaten in het gelid staan. Dat zijn tuinen met kerkhofallure.’

ik houd vooral van de vogels
kopje krauwen is de grootste blijk van liefde.

ze aanvaarden mijn aanwezigheid in hun midden
maar als ik hun activiteiten in de boomtoppen stoor

laten ze hun uitwerpselen ongeremd op mijn hoofd vallen
liefde en voorspel zijn heel belangrijk

vaak zitten tortelkauwtjes elkaar uitgebreid te knuffelen
het mannetje houdt zijn ogen dicht terwijl zijn geliefde zijn veren schoonmaakt

dan vliegen ze samen naar een hoge tak
en uiten vreugdekreten

frater Ad Mommers met de eenden

.V

Zal ik me parfumeren en de kaarsen aansteken?
Is verzet zinloos? Wordt onvoorzichtigheid
Altijd bestraft? Is het zinvol hardnekkig te wensen?
Helpt verlangen de pijn te verdragen?
Was ons leven slechts toeval? Wanneer wordt alles ons duidelijk?
Klaart de mist van het bewustzijn?
Zijn mensen als bloemen, schimmels als insecten?
Is de hemel oneindig? Is er orde in het zwerk?
Doemt er licht op in de nevel?
Is de aarde een schouwspel?
Is het leven een scherts?
Ben ik geknipt voor een filmrol?
Is de tijd onomkeerbaar?
Heeft alles een keerzij?
Kent het hart zijn getijde?
Is de hemel rechtvaardig?

ZIN is ontstaan uit de wens van de Fraters van Tilburg om aan hun klooster ‘Huize Steenwijk’ in Vught een nieuwe bestemming te geven, passend bij hun spirituele traditie. Barmhartigheid vormt de inspiratiebron van hun werken voor de hulpbehoevenden van toen en nu. De fraters zagen dat er een actuele nood speelde in de relatie tussen werk, zingeving en spiritualiteit. Hun observatie was dat door de overwaardering van de zakelijke oriëntatie op werk de ziel in het gedrang komt. In 1996 heeft het Generaal Kapittel besloten het klooster te ontwikkelen tot een plaats van bezinning en ontmoeting. ZIN, het klooster voor zingeving en werk, was in de kiem geboren.

Snel daarna vond er een bijzonder ontmoeting plaats tussen de fraters en Leendert Bikker (Branson & Guevara) en Henk-Jan Hoefman van het toenmalige bureau Bikker. Gedreven door maatschappelijke betrokkenheid richtten zij samen de stichting ‘ZIN in werk’ op. Daarop volgden enkele jaren van intensieve voorbereiding onder leiding van Henk-Jan Hoefman. In 1999 en 2000 werd het klooster grondig verbouwd naar een ontwerp van het Architectenbureau Marx & Steketee. Voor het gedurfde opdrachtgeverschap ontvingen de fraters de Welstandsprijs van de Provincie Noord-Brabant. Waardering was er vooral voor het behoud van de traditie van het voormalige klooster en de geïntegreerde toepassing van moderne architectuur. Vanaf eind 2000 ontvangt ZIN groepen. Op 27 januari 2001 opende ZIN onder massale belangstelling zijn deuren.

.VI

ONTKNOPING. ONTMANTELING. ONTEIGENING

Wrijf uit het vaak, God die niet luistert.
De mare is diep, de angst is een gotspe.
Wat je mist ben je zelf, wat je zegt tot je spijt.

Verschrompel het ego, gepekelde zonden.
Erken je tekort, sus je geweten.
Verzeker de liefde, vertraag je gedraaf.

Belazer de bazen, verpop van gedaante.
Vertaal de een-tweespraak, verzwijg al de rest.
Verkondig de dagen, verlaat wie niet waard.

Alleen is geen einde, twee net geen eenheid.
Drie is voor even, vier voor altijd.
Wantrouw de passie, betwijfel principes,

Wik je expressies, behoud wat je raakt.
Niemand weet waar, noch wat hem toekomt.
Niemand weet hoe, noch hoe het smaakt.

Vrees niet het vreemde, wel het bekende.
Wantrouw de waarheid, gis naar het raadsel.
Maal niet om heden, sluit af mettertijd.

.VII

CTRL ALT DELETE

de oersprong is het oor
& in den beginne was het woord

om van de eisprong maar te zwijgen
we krijgen het koud

zijn al oud in onze jongste dagen
vragen nergens om

behalve einde
of een koude start

een nieuw begin
cut the crap

stilte zal komen
avond zal vallen

er is geen weg meer heen
geen weg meer terug

het venster klapt de toekomst dicht
elke tak torst duizend bladeren

aaneen

XXV

KATJE MIN, KATJE WEER

« wij doden de tijd, de tijd doodt ons . Gelijk oversteken…»
– A.F.Th. van der Heijden

Als de mens al ergens een bewijs van is, dan is het wel van zijn onmacht om iets wezenlijks te bereiken in het licht van de naderende dood… Tegen zijn vriend Freddy de Vree verkondigde de even bewonderde als gevreesde romancier W.F. Hermans ooit: ‘Men zegt wel, het leven is een labyrint, in die zin dat het leven zou bestaan uit een zeer moeilijke som, waar je uiteindelijk bij de oplossing moet geraken. Maar in het centrum van dat labyrint, daar is naar mijn mening niks… niks… de juwelen van zo’n labyrint vindt men onderweg, soms aan de periferie, niet in de kern. Dat is wezenlijk voor het menselijk leven.’

RILBIBBER

Misschien geldt dit existentialistische principe ook ten aanzien van wat wij zo zoetgevooisd plegen te omschrijven als ‘de liefdesdaad’, meer specifiek het hengsten en kezen en wippen en rammen en doorboren of doorboord worden tot men erbij neervalt of leegloopt of doodbloedt – of in ieder geval tot men een climax bereikt of orgasme beleeft en de lust en ‘rilbibber’ in ons lijf voor even weet te bezweren . Het galopperen richting de eindspurt van bevrediging en metastase, betreft een tamelijk primaire en egocentrische bezigheid (zoals eten of slapen), waar de mens behalve tegemoet te komen aan een van zijn levensbehoeften toch nog een uitermate gecompliceerd en electrisch geladen intrige van verleiding, vervulling en misleiding (‘spel van naald en draad’) van heeft weten te maken.
De dwaal- en omwegen die we op onze verknipte en verneukeratieve strooptochten in het biologische liefdestraject afleggen, zijn menigmaal spannender en verrassender dan de plompe geestelijke en lichamelijke verrichtingen die recht op het doel afgaan en er allicht in slagen de sexuele onrust voor even tot bedaren te brengen. Dekhengst of dichter, tankgirl of bakvis – tijdens onze dwaaltochten in de liefde vervullen we allemaal een ambivalente rol: die van jager en opgejaagd wild. Ook de meest vrijpostige exploten van de foeragerende mens die op zoek is naar een prooi om te verschalken, gedragen zich alsof ze ergens voor op de vlucht zijn. Jakkeren voort alsof niet zij de geëxalteerde rovers zijn, maar de onzichtbare vijanden die hen op de hielen zitten. Alsof niet zij de boel op stang jagen, als wel een stalker die een stinkende bries in hun nekvel blaast. Aan het gehijg en gekreun kan men afleiden dat de schoft die hen hardnekkig lastigvalt en besluipt, vlakbij moet zijn – of wellicht al bezit van hen heeft genomen.
Als het genot is binnengehaald en het ooft op de velden is platgemaaid of kaalgeplukt zoals bij de augustusoogst – neemt een leegte bezit zowel van de minnaars als van de ruimte. De hitsige cq. hectische keten van ‘actie en reactie’ mondt uit in een vacuum dat door de orgiastische mens merkwaardig genoeg niet als leegte of gemis wordt ervaren. Zelfs niet als een ongemak of ergernis. Verre van. Het vacuüm dat op ieder hoogtepunt volgt – zoals na een keer uitademen de longen onvermijdelijk weer beginnen met het inademen van verse lucht – vervult de verzadigde minnaar met een loom gevoel van welbehagen. Het gevoel van een volle maag. Merkwaardig, aangezien hij zich zojuist van een bijzonder energierijke hoeveelheid zaad heeft ontdaan.
Het vacuüm dat volgt op het orgasme, stolt in de tollende cementmolen van de bloedbaan onvermijdelijk tot een stroperige brei van welbehagen, loomheid en voldoening. Een uitermate bedwelmende, verslavende en indoctrinerende cocktail van primaire sensaties die, hoe kortstondig het hoogtepunt ook moge zijn, lichaam en geest een pesterig voorproefje lijken te willen bieden van het ‘moment buiten de tijd’, de belofte van het nec plus ultra die de profeten der verlossing waar ook ter wereld hun volgelingen voorspiegelen – een beetje zoals boeren hun ezels in beweging proberen te krijgen via de beroemde truc van de stok met de wortel die men voor de snoet van het muildier aan een touwtje laat bungelen. Ze hopen natuurlijk dat hun kwezeltjes net zo dom op de wortel af blijven happen, als de ezeltjes uit de overlevering. Tot de clerici de meute precies hebben waar ze haar hebben willen: voor de poorten van het paradijs, bij de ingang van het nirvana, het walhala, de hemel (of welke tolbrug de stalmeesters ook in petto hebben voor hun balkende zieltjes waarmee ze – gezeten op hun rug – de eeuwigheid tegemoet denken te kunnen sjokken).
Natuurlijk snakken de koppigsten ernaar het ongewenste gezelschap van hun ruggen te slingeren. Ook zullen ze het hartgrondig zat zijn om als leeghoofdige muildieren nog langer achter een stupide peen die op en neer danst aan een touwtje, aan te moeten hobbelen. No More Chains – Please!!! Of men nu gewag maakt van mensen, dieren of mensdieren, geen van allen heeft de plicht zich voor de kar te laten spannen van de valse slavendrijvers.

RUILHANDEL

Geen enkel wezen heeft een schuld groter om te lenigen dan het kapitaal van zijn bestaan. A.F.Th., de grote romancier, schrijft in zijn nauwgezette dagboeknotities die de Arbeiderspers in 2003 onder de titel Engelenplaque uitbracht in hun reeks Privédomein (d.d. 12 november 1998): ‘Het is de oudste vorm van ruilhandel: Wij doden de tijd, de tijd doodt ons. Gelijk oversteken…’ Zaken als de verlossing van de menselijke ziel of de voltrekking van het Laatste Oordeel, zullen Leenheer Tijd een rotzorg zijn. Op meededogen hoeft geen mens te rekenen. Maar tegelijkertijd zal deze oerkracht van de pachters op aarde nimmer meer opeisen dan Hem toekomt.. Geen enkel wezen heeft de morele of godsdienstige verplichting om zorg te dragen voor het lenigen van een schuld die groter is dan zijn bestaan vanwege de collectieve last der ‘erfzonde’. De Natuur kent geen goed of kwaad, slechts overwinnaars en verliezers. Zij die omkomen, zij die overleven.

Geen wezen hoeft bang te zijn dat hij de zegen van het paradijs mis zal lopen, als hij niet alle dagen bij wil dragen aan het uithakken en stapelen van stenen in de groeve van het strafkamp waar boven de poort geschreven staat: ‘Arbeit macht Frei’. Als hij insubordinaat is en recalcitrant en vastberaden genoeg om het werk neer te leggen en zich los te maken uit de maatschappij die net als in het dierenrijk haar ondergeschikten veroordeelt tot een levenslange dwangarbeid ten nutte van de alfa-baasjes. Het prikkeldraad rondom het kamp is onder stroom gezet met onze leugens over God en Orde en de economische heilsleren van Nut, Nijverheid en Vooruitgang.
Insubordinaat is degene die zich denkt te kunnen onttrekken aan de gangbare loop van de dingen en de orde van de Tijd. Op die manier is ook de liefdesdaad een daad van rebellie, omdat haar hoogtepunt zich afspeelt gedurende een moment suprême ‘buiten de tijd’. Wie eenmaal geproefd heeft van de geneugten die de ‘kleine dood’ (zoals Batailles het orgasme karakteristiek omschrijft) voor ons in petto heeft, weet diep van binnen dat hij eigenlijk niet meer anders wil. In hem knaagt voortdurend het verlangen om terug te keren naar de piekachtige plek in het bestaan ‘waar geen land meer achter ligt…’ De biologische bergtop van de metastase, zaligheid, stilstand van de tijd. Met deze ervaring voor ogen, wenst hij niet langer als de eerste de beste Zwartepiet achter de goedheiligman aan te hollen en sjokken. Zijn eisenpakket is simpel: hij wil niet meer zo onhandig hunkeren als een loopse teef of kwijlende hond, niet meer zo plompverloren worden blootgesteld aan de nukken en grillen van het weerspannige instinct. En ook wenst hij een flink part van zijn verantwoordelijkheid af te schudden als het gaat om de schaamte en schade die worden toegebracht aan leeftijdgenoten (en derden) die te maken krijgen met de perikels, speldeprikken en strapatsen van de kwelduivel Eros (de lustvolle en plagerige sater van Aphrodite). Hij wil, kortom, bestendiging van de toestand buiten de tijd, de toestand van extase, het ultieme, hij wil een zo efficient en extreem mogelijke verlenging van de toestand van ‘de kleine dood’.

‘Laat mij mogen hopen de ogenblikken opnieuw te beleven, waarin wij het geluk wisten vast te houden, zonder het aan illusies te ketenen, waarin wij de liefde de blinddoek van de ogen rukten en haar noodzaakten haar fakkel te laten schijnen over de verrukkingen waar zij jaloers op was.’
 Choderlos de Laclos, Les liaisons dangereuses (Burggraaf de Valmont aan markiezin De Merteuil XV, Deel I)

Bevrijd de libertijnen, O ongenaakbare wulpse en wellustige Vrouwe van het Leven, van de last van het lichaam, van de ballast van het bewustzijn. Bevrijd hen van de tol van hard labeur en van de sleur van het bestaan. Laat hen de ervaring gewaar worden van volmaakte vrijheid, levitatie, ongenaakbaarheid. Een zegen die pas kan worden gegeven, als er een knetterende kortsluiting is ontstaan in het aaneengesloten circuit van zenuwbanen. Als de stroom uitvalt en het licht uitgaat, en het grote feest dan eindelijk een aanvang kan nemen omdat de vrijbuiters in spe pas in het pikdonker wis en waarachtig uit hun schulp durven kruipen. Bevrijd de libertijnen, Amors Schutsdame, jaag de bezem door hun jeukende leven (rigoureus, als betrof het stofmijt die men met een mattenklopper uit wat onfrisse kloffies dient te rammen). Geef de jankende honden en loopse teven de gezegende toestand terug van het allereerste orgasme, toen de opwinding hen heel even helemaal van de grond tilde en liet zweven. Geef hen het paradijs terug van de metastase dat ze als verguld in hun geheugen hebben gegrift. Laat hen de gunst van het magnifieke moment dat zich uitstrekt in de diepte en breedte van de tijd en de ruimte (secula seculorum!)!
(…)
Plezier, dat is de beloning die het lichaam zich bij stond en wijle mag getroosten, in ruil voor bewezen diensten aan moeder natuur… Het is het zoethoudertje van de baas die zijn beesten slim heeft afgericht. Het zijn de suikerklontjes voor het getrouw dravende paard. Het is het zondagse verzetje dat de mijndirecteur zijn kompels toestaat, na een week van gezwoeg en geploeter onder de grond. Het is de fooi die de filiaalmanager het winkelpersoneel laat opstrijken voor de uren, dagen, jaren dat ze de tent mee draaiende helpen houden. Het is het schamele knuffeldier onder de lakens, het prullarium van anderhalve cent waarmee de louche baas zijn klanten afscheept in zijn schietkraam op de kermis. Het is de spreekwoordelijke scheet in het netje, het kwakje zaligheid van drie en een kwart tel. Het is het kluitje waarmee uiteindelijk iedereen het riet in wordt gejaagd.
Van de natuur kunnen we het niet winnen, maar we kunnen wel een beetje plezier beleven aan de pokertafel waar de Tijd speelt voor croupier. (…)
Eens zullen ook onze lichamen aanspoelen, ergens aan de andere oever van deze rivier…

EMPEDOKLES

Een citaat dat zeker in het gouden kastje mag om er op ieder gewenst moment opnieuw en opnieuw naar te kijken, betreft voor mij een fragment van de Griekse filosoof Empedokles, over de tegengestelde oerkrachten in onze kosmos waartussen de elementaire flux van het leven in dit universum zich in eindeloze cycli pleegt voort te bewegen: Tweespalt en Liefde.

‘Nu eens komt alles door de Liefde in eenheid tezamen, dan weer scheiden alle dingen zich van elkaar door de Tweespalt, die aan de haat, nijd en strijd ten grondslag ligt. In zoverre op deze wijze het ene uit het vele ontstaat en uit de splitsing van het ene weer het vele voortkomt, ontstaan de dingen en hebben zij geen eeuwig leven. In zoverre hun voortdurende wisseling niet ophoudt, zijn zij eeuwig en bevinden zij zich in een ongestoorde en rustige kringloop.’
– Empedokles, Over de natuur

Een diepe wijsheid even kompakt geformuleerd is als een universele natuurkundige formule. Een die behalve voor de kosmische krachten, beslist ook geldigheid heeft voor krachten op kleinere schaal. De onverzoenlijke machten waaraan ook wij mensen in ons alledaags bestaan vaak ten prooi zijn, het springtij waarin we – temidden van de deining van de liefde en de golven van de haat, geregeld kopje onder gaan. De wisselwerking tussen het Een en het Al die Empedokles in vier verschillende elementen ontleedde (Aarde, lucht, water en vuur waren volgens Empedokles de vier wortels of elementen van alles. Het bijeenbrengen van de elementen door Liefde leidde tot het ontstaan van de levende wezens. Het sterven was de door Haat veroorzaakte scheiding.) vertaalt zich voor onze quasi-intelligente zoogdiersoort in een cyclisch laveren tussen de tegengestelde polen van geboorte en dood, liefde en haat, bloei en neergang, putrefactie en osmose. Heen en weer, heen en weer, als was onze geest niet meer dan de pendule van een driftig tikkende antieke staande klok. Empedokles’ fragment beslaat het ganse domein gaande van de liefde, zowel in spirituele als biologische zin; het verlangen naar harmonie en de drang tot voortplanting. Maar het beslaat ook het tegendeel: de wrok, de haat, de oorlog, strijdlust, vernietigingsdrang. De verzen van de filosoof beschrijven niet alleen de theoretische grondslagen voor de werking der elementen, ze bieden tevens inzicht in de gedragingen van de ruwe en rauwe cohorte van tweebenige primaten die met mes en vork heeft leren eten, en ook verder meent te moeten excelleren in de wedijver der private organismen. Geestdriftig houden de plaagdieren zich onledig met intriges, rumoer, slinkse of achterbakse handelingen, snode plannen, pesterijen, kuiperijen, wrede streken, bloeddorst, machtswellust, gekonkelfoes.
Het is in deze laatste context dat ik het citaat van Empedokles heb gebruikt als motto voorin mijn dichtbundel Bloedtest (De Bezige Bij 2003):

“… ken ik de ziel niet
wil ik de ogen

ken ik de nek niet
wil ik de mond

wee wie ooit zinderend van ziel versmolt
wee wie ooit zoals de wereldzee verdroogde

schroomvallig geven we ons over
lopen met de ogen open in de val

drinken van het vocht
dat geen dorst lest

baden in de poel
die ons niet wast

niets is wat het lijkt
en niets blijft gelijk

de rivier niet die voorbijtrekt
noch het vleesnat in ons lijf

noch het water dat ons
nader tot de lippen

noch de hoop die
op de klippen slaat

de tederheid is ongenegen
de zuiverheid bevlekt zichzelf

en ook rechtschapenheid
liegt niet volmaakt

wat schoon is verloedert
wat rein is bederft

wat zoet is verbittert
wat goed is vergalt (…)”

(fragment uit het gedicht: “Luister en vink”, Bloedtest (De Bezige Bij 2003))

Empedokles (492-432 v. Chr.) leefde op Sicilië, in Agrigento. Zijn leven lang heeft de vulkaan de Etna in zijn blikveld gestaan, een stoere kegel met verweerde flanken waaruit vuurspranken laaiden. Op dat eiland werd Empedokles omringd door de elementen: het water van de zee, de lucht van het uitspansel, het vuur van de vulkaan en de vruchtbare aarde om hem heen. Omsloten door zoveel natuur, waar hij ook keek, waarheen hij ook ging, moest hij die natuur wel proberen te doorgronden. Hoe onstaat water? Waar komen de sterren in het uitspansel vandaan? Empedokles nam zich zijn geleerde leven te besluiten met een alchemistische meesterproeve van zijn geniale kunne; omdat hij wilde bewijzen dat zijn kennis niet slechts van menselijke maar bovenmenselijke aard was, trachtte hij zichzelf als een soort bovennatuurlijk wezen in rook te doen opgaan door zich met huid en haar in de vlammende krater te werpen. Een goddelijke verdwijntruc, die zijn effect niet miste. Helemaal spoorloos verdwijnen kon hij niet, want de vulkaan schijnt in een koppige bui Empedokles’ ijzeren sandaal weer uit te hebben gespuugd. God of geen god, geleerde of waanzinnige: Empedokles was vastbesloten terug te keren tot de elementen, die hem zijn filosofie hadden ingegeven. Hij wilde één worden met het hem omringende. De tijdloze majesteit van de natuur.
Dat laatste is hem gelukt. Empedokles is in rook opgestegen tot het domein van de onsterfelijken. Ontbinding in factoren.

XXVI
DE TREURESSEN VAN DE ZUSTERS VAN LIEFDE

“In 1832 besluit pastoor Zwijsen van parochie ’t Heike in Tilburg tot de oprichting van een kleine congregatie van zusters. De congregatie die officieel ‘de zusters van O.L. Vrouw Moeder van Barmhartigheid’ heet is in de volksmond bekend als ‘de Zusters van Liefde’. Deze congregatie groeide in korte tijd uit tot een wereldimperium. De Zusters van Liefde vestigden zich rond de hele wereld en zorgden overal waar zij kwamen voor onderwijs, ziekenzorg en armenzorg. Tilburg is steeds de hoofdzetel gebleven van de congregatie. Het gigantische kloostercomplex aan de Oude Dijk ligt midden in het centrum van de stad als een onneembaar bastion van stilte. Afgelopen zomer nam ik deel aan het Lindeboom-ontbijt georganiseerd door de Stichting Stadsbomen Tilburg. Een van de andere deelnemers was een lid van de congregatie van de Zusters van Liefde waarmee ik in gesprek kwam. Op mijn vraag of ik eens de oude kloostertuin zou mogen bekijken werd meteen positief geantwoord. Aldus gedaan. Nou, de bomenliefhebber kan hier zijn hart ophalen. Eigenlijk kwam ik voor een oude perenberceau maar vandaag laat ik een andere ontdekking zien, drie magnifieke treuressen in parapluvorm gesnoeid, ondersteund en geheel vergroeid met een ijzeren steunhekwerk. Werkelijk prachtexemplaren die een plaatsje verdienen op de landelijke ‘bomentophitlijst’. Henk Kuiper, Tilburgse ‘Bomenkenner’ vertelde mij dat vroeger onder de ene es steeds de novicen zaten, onder de tweede es de zusters die de tijdelijke gelofte hadden afgelegd en onder de derde es de zusters die de eeuwige gelofte hadden afgelegd. Kijk maar eens naar de foto’s, zo zie je ze niet vaak. Helaas is de tuin niet geopend voor bezoekers. De veelal oudere zusters zijn terecht gesteld op hun rust.”

De kern van het Groene Woud, is een wereld van schoonheid waar de vergankelijkheid doorheen schemert, waar Corke de bosman verdronken in zijn ven ligt en onze zielen zinken als stenen, waar we in de wuivende patronen van het korenveld en het pluppende wateroppervlak weerspiegeld zien wat we lief willen hebben en tegelijkertijd vrezen, omdat we altijd kwijtraken wat we liefhebben, waar de wereld overhelt, waar alles bloeit en geurt en omhoogschiet en voorbij trekt in splendeur, en zich voortdurend klaarmaakt voor de ondergrondse val. En toch is er een hoop dat dit verval buiten het blikveld blijft liggen. Een hoop dat de vernieling onzichtbaar blijft, hoezeer we ook de ogen openen. Een hoop die blijft verscholen bezijden het spectrum van ons blikveld. De put- en strontzwarte ondertonen die in de natuur zo nadrukkelijk aan de oppervlakte komen, zijn vermoedelijk niets anders dan pigmentresten van het noir fonce dat ooit als basisteint werd uitgesmeerd (en rondgespetterd) over de koepelwanden van het universum. Een egale basis die bij uitstek geschikt was voor het pointillistische proces dat daarna volgde: het versieren en bespikkelen van de wanden met talloze sterren, planeten, asteroiden, en andere vuurspatten die de koepel van licht en schaduw hielpen voorzien. Er is een diepe schaduw die vanuit de bodem en de aardse voren opdoemt, vanuit het koren in de velden en de kern van de natuur. Zoals wanneer plotseling de lucht betrekt en een onweer nadert. Het iets dat van binnen uitgehold wordt door het niets, de dood die zich heeft genesteld in de essentie van het leven. Als ‘thelomeren’ (begrenzers) die deel uitmaken van het standaardpakket aan erfelijk materiaal (DNA ) dat in iedere celkern ligt opgeslagen. De thelomeren bepalen dat er van een oneindige reproductie en regeneratie van de cellen geen sprake kan zijn. Er vindt slijtage plaats, en als die slijtage groter is dan de verjonging van de cellen is het organisme in rechte lijn: op weg naar het Einde.

XXVII

VAN DE GENEN ’T ZELFZUCHTIG SEIZOEN

‘de wingerd groeide, sap kwam terug, het land werd vertrouwd en groen
het was van de genen ‘t zelfzuchtig seizoen’
– James Fenton

het begin schiep de mens
wat we erven wie we zijn

het recombinant van onze geblinddoekte ouders
de misstappen van onze onzalige kroost
het gelaarsd eskader van het gehoorzame zaad

onze aard karakter
is bestemming ons lot

op welk moment word je een matador?
wanneer word er binnen in jou een slagboom opgehaald?
daalt er een valbrug neer op de rand van de andere kade?
op welk moment werp je de lans? de handdoek in de ring?

wanneer hef je je schild, leg je het van je af?
zal het dienen als draagbaar naar je graf?
wanneer schiet je op scherp, wanneer in de lucht?
verkies je preciezie, het odium van macht?

doorboor je de stier in de nek of recht in het hart?
hoe buig je twijfel om tot hoop?
leer je beminnen wat je verwart?
leg je recht wat niet past? verzoen je je

met de missers en miserie?
met de tijden van spijt en het hard gelag?
maak je een einde aan de vijandschap?
zou je kunnen zingen tijdens het verdwijnen?

de tralies breken van je kooi?
liederen opdragen aan koude en honger?
afscheid nemen met een klaar gemoed?

het begin herschiep de mens
wie we waren wat we zijn

estafettelopers in het stadion van de dood

XXVIII

VINGERAFDRUKKEN DER NATUUR

‘Als kind vond ik dat niet te vatten: dat de aarde met zo’n slordige 107.000 kilometer per uur rond de zon draait, terwijl je daar absoluut niks van voelt, van de omwenteling niet en ook niet van de baan die beschreven wordt. Mij verwart dat, daarom lag ik zo graag op mijn buik, ik wou dat voelen. Het moet mogelijk zijn, dacht ik. Zoals je, wanneer je niet focuste, de dingen dubbel kon zien, zo wou ik scheel kunnen horen en het razen van de planeet opvangen, misschien net zo vaag als het geruis van een verkeersader onder een hotelraam, maar in ieder geval hoorbaar.’
Kamiel Vanhole

voor een moordenaar is ieder lijk visitekaart
zoals ook onze lichamen de kaartjes zijn
van een schepper die ons één voor één
op tafel legt

als bij een spel patience
hij wint alleen maar
van zichzelf en meent dat dit
genoeg bewijs moet zijn

geen twijfel speelt hem parten
geen schaamte en geen spijt
dat er door hem zoveel
verloren is gegaan. Hij weet:

als hij opnieuw de stapel schudt
is alles weer van voor af aan

XXIX

BILATERALE AANTASTNIG
notities uit het periodiek van het laag-bij-de-grondse

‘In de struggle for life lijkt de dood een partijdige scherprechter, die op de meest ongepaste momenten kan toeslaan. Met het oog op het onvermijdelijke daarentegen en met uw beste been aan gene zijde vormt een naderende dood een discipline, waarin u zich ongetwijfeld oefenen kunt.’
– Rien Halters

.I

leven is als atletiek of gymnastiek
een even lenige als strenge discipline

het gaat erom grip te krijgen
op de balk van dood en verglijden

het verderf grijpt om zich heen
overal waar sprake is van

ademen en oxideren
lucht en roest

zuurstof en legering
base en zuur

‘Ontbinding is een continu-proces – vandaar dat men vergeefs zal zoeken
naar een afwikkeling…’

niets raakt voorgoed kwijt
of loopt verloren

niets is te geef
en niets vergeefs

niets blijft duren
alles blijft voortdurend

van gedaante wisselen, niets
vindt voor immer een plaats

alles wordt blijvend verplaatst
niets is kwijt, niets gaat verloren

alles wordt steeds in andere
verbindingen geboren

iedere differentiaalvergelijking heeft
doorgaans oneindig veel oplossingen (Gerrit Krol)

.II

en nooit is iets klaar
en nooit is iets volmaakt

of afgerond, hoe geslaagd ook
en hoe laag-ook-bij-de-grond

in het aardse Rijk van het slijk
waar alles vergaat

en niets blijft
belangrijk

lichaam wordt lijk
aas wordt humus

as wordt gras
gewas voedsel

wat groeit uit de grond
passeert mond en aars

in de aarde
alles mondt uit

in dezelfde dualiteit
dezelfde wormstekige keten

graf en doopvont
kruitvat en lont

mors en mortsel
dood en leven

XXX

ALLES OP AARDE IS SCHERTS

‘Tutto nel mondo è burla.
L’uom è nato burlone.’

‘Alles op aarde is scherts’, zo laat Giuseppe Verdi zijn Falstaff zingen, in een tekstbewerking van Arrigo Boito, aan het slot van de gelijknamige opera. ‘De mens wordt geboren als nar.’
En als het leven scherts is, waarom de dood dan niet?
Volgens Shakespeare was er maar een ding wat overbleef, als de tijd gekomen was om te gaan naar het ‘onontdekte land, van waar geen reiziger ooit weerkeert’: bereid zijn. Met opgeheven hoofd de dingen tegemoet zien, de wil in het gareel tot het land was bereikt van de eeuwige stilte, ‘the great silence’.
Bereid zijn…

Zolang er spel is, is er hoop; where there’s a will, there’s a play…
Maar niet iedereen is het gegeven om met kalm of opgeruimd gemoed het veelvormige monster van de doodsangst te overwinnen.
Ik heb gezien hoe mijn vader uit allemacht zijn kin omhoog probeerde te houden, en hem tegelijk alle mogelijke stadia van menselijke vernedering en lichamelijke onttakeling zien ondergaan. Het lot schiep er genoegen in hem ook de mogelijkheid nog waardig heen te gaan, bruut te ontzeggen. Als een jaloers en onhebbelijk kind dat anderen uit handen slaat wat hen dierbaar is; zo’n wreedaardig creatuur dat bij beestjes een voor een de vleugels, poten, voelsprieten uitrukt om te zien wat het effect is en hoe lang de rompjes nog spartelen of rondtollen. Hoe langer mijn vader weigerde om los te laten (uit vastberadenheid en trots!), hoe minder er uiteindelijk van die vastberaden waardigheid nog overschoot. Charon hoefde voor mijn vader nauwelijks echt meer uit te varen. Hij kwam zelf al kilometers diens donkere richting op gedobberd. Het was mijn vaders koppige ontkenning van de op handen zijnde dood, waardoor zijn erbarmelijke lot tot in het oneindige werd uitgerekt. Mijn vader heeft de desintegratie van zijn wezen tot in de meest perfide graad ten uitvoer helpen brengen. Hij bleef volharden, steeds krampachtiger, in het ontkennen van zijn ziekte, vanuit de illusie dat het de enige manier was om het lot te kunnen afwenden. De verbeten strijd die mijn vader eerst tegen de belegering van zijn lichaam, en later eigenlijk alleen nog tegen zichzelf en de werkelijkheid voerde, maakte dat hij naar de verste uithoek van onttakeling werd gedreven. Mijn vader had maanden eerder op waardige wijze kunnen gaan, maar door toedoen van zijn panische ontkenning van de dood was mijn vader best te vergelijken met een uitgemergelde hond die om niet te kreperen zijn eigen botten begon af te kluiven. Hoe meer hij tot het uiterste ging om zijn lot te ontvluchten, hoe dichter hij erdoor op de hielen werd gezeten. Toen mijn vader zijn laatste adem uitstiet was hij opgebrand tot in het merg, zijn verlamd lijf verweerd als tufsteen dat door bijtend zuur was aangevreten.
Eerlijk gezegd weet ik niet hoe ik het zou doen in geval ik oog in oog zou staan met Magere Hein. De dood is vast niet slechter dan het leven, zo luidt een overtuigende Tibetaanse wijsheid (‘We all die succesfully’, hoorde ik ooit de Tibetaanse monnik Chogyam Trumpa zeggen, de vriend van Allen Ginsberg die de dichter leerde mediteren en samen met hem de Jack Kerouac School of Disembodied Poetics oprichtte te Boulder Colorado).
W.F. Hermans, pessimist in hart en nieren, draaide deze wijsheid om. De mens is der ewig Betrogene des Universums, zegt Qvigstadt, die behoort tot het gezelschap dat in Nooit meer slapen met Alfred Issendorf door Lapland trekt. En de Noor voegt daar aan toe: ‘Op de school van de schepper zakt ook de knapste scholier altijd weer voor zijn eindexamen.’ Het is de bekende kwestie of een glas nu half vol dan wel half leeg is…

We all die succesfully.
Schrale troost!
Onthechting is een mooi streven, maar angst voor de dood en verdriet om onze geliefden bestaan niet zomaar. De natuur is meestal sterker dan de wetten van de rede. De koppigheid van mijn vader, is voor mij geen voorbeeld. Mijn verbetenheid zal minder zijn, neem ik mijzelf voor. Aan de andere kant staat er teveel op het spel om je mak en gelaten als een lammetje af te laten voeren, is er teveel moois om zonder slag of stoot gedaan te geven. Ik hoor veel mensen – in casu de dood – als troost bedoelde nonsens te berde brengen over ‘energie die niet verloren gaat’, ‘verdriet dat je een plek moet geven’, ‘gestorvenen die voortleven in het paradijs van de herinnering’. Zelf denk ik dat het na de laatste ademtocht toch vrij gauw zwart wordt. Het lichaam breekt af, chemische reacties vinden plaats, ontbinding, corrosie, putrefactie, aggregatie en uiteindelijk osmose met de nieuwe omgeving. Hebben de alchemisten gelijk, de gnostici of juist de atheisten? Feit is dat de reactie onomkeerbaar blijft. De dood is geen gebeurtenis meer in het leven. De dood beleeft men niet. De hypothese van de onsterfelijke ziel helpt ons niet een raadsel op te lossen. Het eeuwige leven, mocht dat al bestaan, is net zo raadselachtig als het tegenwoordige. ‘Niet hoe de wereld is, is het mystieke, maar dat zij is.’ Schreef Wittgenstein in 1922 in zijn Traktatus, die eindigt met de beroemde aanmaning tot zwijgen.

Een detail van het sterven van mijn vader – die laatste donderdagavond 29 oktober 1998, terwijl John Glenn bezig was aan zijn tweede ruimtereis (return to orbit, was de shuttle-reis gedoopt) dat me is blijven achtervolgen: mijn vader was de laatste twee, drie dagen min of meer in coma geraakt. Zijn ogen waren gesloten, hij was geestelijk en lichamelijk haast volledig verlamd – eten deed hij al weken niet meer, en vocht konden we hem enkel nog toedienen met in water gedrenkte wattenstaafjes – maar: vlak voor hij dood ging, in de laatste minuut, sperde hij zijn ogen wijd, wijd open. En niet heel even, geen contractie van de spieren, maar hij hield ze open, tot de eeuwigheid aan zijn netvlies was vastgevroren. De kilte die hem in de greep. De wurging bleef duren, de dood liet niet meer los – misschien vocht mijn vader nog ergens waar wij het niet zagen. Een uur na zijn overlijden was hij nog altijd gloedheet op zijn rug – een graatmagere marathonloper die de finish over was, een uitgeputte gevangene uit het concentratiekamp ontsnapt. De botten staken vlijmscherp uit zijn vel. Mijn omgekomen vriend Joris Abeling ging op totaal andere wijze, binnen een flits van een seconde, een botsing van twee auto’s in vliegende vaart, zijn leven vervliedend naast het mijne, onze knieën nog broederlijk tegen elkaar, onze lichamen daarboven gesplitst en voorgoed van elkaar gescheiden. De rest een vermangelde massa, verwrongen schroot, het magnetische tape van cassettebandjes dat verwaaide in de greppel, zo ver het oog reikte… Het sterven is voor Joris zo vlug en onverwachts gekomen is dat mijn kameraad – zo hoop ik toch, als een allerschraalste vorm van genade – het privilege te beurt is gevallen dat Woody Allen als volgt verwoordde: ‘ I don’t mind dying… I just don’t want to be there, when it happens.’
En voor ons? (Er) zijn of (er) niet zijn, is that still the question???De geest die vervliedt waarheen? `Daar sterven wij aan voor altijd,’ lees ik bij Allen Ginsburg in zijn ‘Kaddish for Naomi’ ‘als de paarden van Emily Dickinson / koersend naar het Einde. Zij kennen de weg /die Strijdrossen, rennen sneller dan wij denken /het is ons eigen leven dat zij doorkruisen /en met zich meenemen.’

Einde?
Stilte?
The Great Silence?

Als wij dromen rommelen onze hersenen nog altijd voort; sterker nog, er zijn goede redenen om aan te nemen dat droomactiviteit ontstaat omdat de hersenen zich tijdens de nachtrust op gegeven moment beginnen te vervelen. Ons brein leidt grotendeels een eigen leven, los van zon en maan en (hemel)lichaam. Zijn dimensie is een andere dan die van het omhulsel waarin het toevallig huist. Descartes heeft hier veel van zijn spinsels aan gewijd. Niets dat zo kenmerkend is voor de mens als zijn brein; en niets dat tegelijkertijd zo ongrijpbaar blijft. De Franse wijsgeer beschouwde de mens als een universiteit, bezocht door iemand die de leeszalen, de sportvelden, de bibliotheken, de laboratoria, de administratie langsgaat, maar dan vraagt: en waar is nu de universiteit? De menselijke geest (de naam zegt het al) is een spook dat zich nooit zal laten examineren om de doodeenvoudige reden dat hij nooit voor de dag kan komen. De dag is zijn domein niet. Wat wel? De nacht, de ruimte, de hersenen… overal waar het trafiek vrijgesteld is van de aardse gravitaties en schimmen ongelimiteerd hun werk kunnen doen. Wat weten wij van zijn signalen? Volgens Descartes slechts een ding: cogito ergo sum. Lichaam en geest zijn fundamenteel met elkaar verklonken. De homo sapiens heeft het zand en de modder van zich afgeveegd en zijn lot verpand aan de roerselen van een etherisch monstrum dat geacht wordt zich ergens in dat lugubere spookkasteel achter onze ogen te hebben genesteld. Zeker weten doet men het niet. We presume, that’s all… Een kwestie van vermoeden en vertrouwen. Maar in hoeverre kan men vertrouwen op het oordeel van een wezen dat zijn bestemming in handen legt van een dergelijk oncontroleerbaar en duister systeem van (hersen)schimmen en maskerades… Och arme. Het valt de homo sapiens sapiens niet te verwijten. Over het verloop der evolutie (en zijn eigen minieme rolletje daarin) is hem niets gevraagd. Zijn wil was van geen tel, en zowiezo: hij had geen keus. En onze Schepper? Had die dat wel toen de kosmos met een knal ontketend werd? Had Hij een keuze bij het al dan niet voltrekken van de big bang (voltrekken is het juiste woord, als een vonnis). Was het Zijn expliciete wil die destijds het licht ontstak in de ruimte? (und Gott sprach: es waere …!) Of volgt de schepping een eigen generiek? Is het allemaal per ongeluk ontstaan, in de kruitkamer van een morsig, alchemistisch bastion… een vonk die oversprong, en patsbang!!! kaboem!!! (und es war Licht… ). Als het per ongeluk ontstond, buiten Zijn wil om, is Hij vast van zijn troon geblazen van schrik. Maar als Hij wel een keuze had en medeplichtig is aan het Complot, dan is dit allemaal Zijn testament, Zijn wilsbeschikking, Zijn executie, Zijn nalatenschap. Bedacht en ten uitvoer gebracht toen stilletjesaan de tijd gekomen was om er vandoor te gaan? Had Nietzsche gelijk, met zijn constatering dat de oude Heer er op gegeven moment de brui aan heeft gegeven? Zo ja, valt het tijdstip van verscheiden dan nog vast te stellen? En hoe voltrok het zich, werd het volbracht? Zonk de Almacht neer met kalm gemoed, zoals Socrates die zich in Plato’s Phaedoon letterlijk te ruste legt…? Verdween Hij ongezien als een magier bij toverslag? Als een nachtelijk spook bij het krieken van de dag? Als een mythische vogel die opsteeg uit de rook? De feniks die zich volgens de legende om de zoveel tijd verbrandde op een nest van geurige kruiden, en dan verjongd uit zijn as verrees. Het oerwezen dat zich ritueel slachtofferde op het altaar van de Tijd? En dat de laatste kettingen brak rond de niet meer in bedwang te houden scheppingskracht. Het oeratoom spat uiteen. Ons universum kruipt meanderend tevoorschijn, als een slang uit een ei.
(de duivel knikt tevreden ,en zegt: ‘zo was het! Als een slang uit een ei…’)

<a href="http://sergevanduijnhoven.files.wordpress.com/2010/09/image018.jpg”>

ALLES IS INTACT GEBLEVEN – PORTRET VAN SERGE GAINSBOURG

Op 2 maart 1991 sloop de Franse zanger Serge Gainsbourg als een dief in de nacht weg uit dit leven.
Nauwelijks had hij in zijn laatste jaren het daglicht nog kunnen verdragen. Zelfs in het getemperde licht van zijn geblindeerde hôtel particulier aan de Rue de Verneuil in Parijs droeg hij een donkere zonnebril. Het overmatige alcoholgebruik en de 140 dagelijkse Gitanes mais sigaretten hadden zijn lever vergiftigd, zijn hart op springen gezet en zijn ogen met een zeldzaam virus aangetast. Toch bleef hij zich van televisieshow naar televisieshow slepen, slempend en paffend, om vervolgens achter de piano de tekst van zijn liederen te vergeten en met een afsluitend scheldwoord het podium te verlaten.

Inscriptie bij het graf van Gainsbourg


Het publiek kon geen genoeg van hem krijgen, al verstond het op gegeven moment geen woord van wat hij zei, en al braakte hij zijn minachting over iedereen uit. “Ik zal u beledigen tot u van me houdt”, had hij aan het begin van zijn carrière, in het schimmige Parijs van de jaren vijftig, al gewaarschuwd. Zijn formule heeft gewerkt. De erotomaan stierf als Frankrijks meest verguisde, minst begrepen, maar ook meest beminde zanger.

Gainsbourg mocht met zijn 62 jaren dan opgebrand zijn, het opmerkelijke is dat hij dat dertig jaar eerder ook al leek. Correspondent en Frankrijk-kenner Jan Brusse kenschetste de zanger in die tijd reeds als een sombere uil die iedere nacht van het ene Parijse cabaret naar het andere fladderde om er zijn troosteloze chansons te fluisteren. “Zo afgeleefd ziet hij er uit, zo door-en-door vermoeid zijn z’n bewegingen, dat je steeds vreest dat hij het volgende liedje niet meer zal halen. Zijn grote ogen, waarop zware oogleden steunen, schjinen zich alleen maar af te vragen waarom dit alles noodzakelijk is.” Ook in zijn jeugd was de nacht al zijn domein. “De nacht, de nacht”, zong hij, “die me verlost van het duister in mijn hersenen.”
Tot het einde toe is Gainsbourg eigenlijk een jongen gebleven, een kwajongen die zijn lelijkheid in een voordeel wist om te zetten. “Lelijkheid is aan schoonheid verre superieur”’, placht hij daar zelf over te zeggen. “Lelijkheid blijft duren, schoonheid niet…” Wat zich uitslovende macho’s vaak niet lukt, lukte Gainsbourg met zijn aflijvige nonchalance. Met zijn hulpeloze viriliteit wist hij aan de amoureuze sentimenten van de meest adorabele vrouwen te appelleren. Achter de ongeschoren, ongewassen look van de brutale mannenman met de diepe glaciale stem, de warrige lokken en de witte schoenen, herkenden zij een kwetsbare gevoeligheid.
Dit was ook het imago dat hij als ”gigolo youpin” bewust cultiveerde. Op zoek naar het erotisch zinnebeeld voor de man, is hij er zelf ironisch genoeg uiteindelijk een geworden voor de vrouw. Over zichzelf zei hij: “Ik ben een gosertje, dat de vuile waarheid van het leven tracht te achterhalen door kleine, precieze injecties van perversiteit. Ik ben slechts op zoek naar één ding: de puurheid van mijn jeugd. Ik wil kunnen zeggen: ik ben intact gebleven. Intact. Ziedaar mijn kracht.”

Serge Gainsbourg werd als Lucien Ginzburg op 2 april 1928 in Parijs geboren. Zijn jiddische ouders, Joseph en Oletchka, zijn tijdens de Bolsjewistische revolutie Rusland uitgevlucht en in Frankrijk neergestreken, waar vader Ginzburg als nachtpianist in bars en casino’s het gezin van een inkomen voorzag. Oletchka had eigenlijk tot een abortus over willen gaan, maar was op het laatste moment voor de zware ingreep teruggeschrokken. “Al voor mijn geboorte ben ik aan de dood ontsnapt”, zou Serge later zeggen, daarbij ook verwijzend naar zijn roekeloze levensstijl. Lucien (Lulu) Ginzburg ging snel in de leer bij zijn vader die vooral voor Gershwin een zwak had. Maar zijn grote passie bleek het schilderen te zijn. Op z’n twaalfde schilderde hij al de meisjes van Clichy, die hij vier jaar later uit sexuele nieuwsgierigheid voor het eerst zou frequenteren. In de oorlog leefden de Ginzburgs met hun valse papieren onder het regime van een dubbele identiteit.
De oorlog kan Lulu gestolen worden, tot het moment dat hij gedwongen wordt om zich, voorzien van valse documenten, samen met zijn ouders schuil te houden op het platteland. Vlak voor zijn vlucht uit Parijs staat de jonge Ginzburg voor dag en dauw op de stoep bij de prefect van Clichy om als allereerste een jodenster in ontvangst te nemen. “Een eer”, zo zegt hij wijsneuzerig, “die hij zich beslist niet wil laten ontgaan.” Als de prefect hem vraagt of hij die ster van hem dan echt zo graag wil dragen, antwoordt hij: “Het is niet mijn ster, meneer. Het is die van u.” De prefect voelt zich voor schut gezet, en schopt de piepjonge provocateur het gemeentehuis uit.
Of deze anekdote, die op expliciete wijze in beeld wordt gebracht in Sfarr’s film Gainsbourg: vie heroique, ook waar is? “Wat doet het ertoe”, zegt de regisseur hierover in een van zijn vele gesprekken bij het uitkomen van de prent, “als Gainsbourg hem gedurende zijn leven de moeite waard heeft gevonden om te vertellen.” Wat in elk geval waar is, dat is dat de zanger na de oorlog – zoals ook op amusante wijze in beeld wordt gebracht – uit geldgebrek twee jaar lang mandoline-leraar is geweest in een weeshuis te Champfleur dat vooral plaats bood aan kinderen van ouders die in de gaskamers waren omgekomen. Die kinderen, gewonde diertjes eigenlijk, waren zijn eerste publiek. Toen hij het weeshuis binnenging, was zijn naam nog Lucien Ginzburg. Na het te hebben verlaten, noemde hij zich voortaan Serge Gainsbourg. Serge was de voornaam van de directeur van het instituut.

Gainsbourg in Parijs, eind vijftiger jaren

Na de oorlog probeerde Lucien, die van de Ecole des Beaux Arts getrapt was, als jonge schilder in leven te blijven met het inkleuren van cinemaposters. Onderwijl ging hij tekeer als Byron in Ravenna of Casanova in Venezië. De lijst van de hem toegedichte veroveringen in de jaren vijftig en zestig is volgens biografen lang genoeg om de Gele Gids te vullen. Zijn vader regelde in 1957 voor de schuinsmarcheerder een baantje als barpianist van café-chantant ‘Milord l’Arsouille’, waar Léo Ferre, Jacques Brel en Boris Vian hun chansons ten gehore kwamen brengen. Serge (zo noemde hij zich nu, Lucien was teveel de naam van het “knaapje van de kapper”) mocht er de stiltes voor de voorstelling wegspelen, en als pianobegleider opereren van Michèle Arnaud en de dandyeske surrealist, thrillerschrijver en trompettist Boris Vian, auteur van een rits villeine liederen die bulken van de humor en de zelfspot. In het cabaret komt hij ook in contact met Denis Bourgeois en Jacques Canetti. Zij stellen hem in staat een aantal zelf gecomponeerde nummers op plaat uit te brengen.

Boris Vian (rol van Philippe Catherine) en Serge Gainsbourg (Eric Elmosnino) in de rolprent Gainsbourg Vie heroique (reg. Joann Sfarr 2010)

Gainsbourg werd hevig gegrepen door Boris Vian, de lijkbleke zanger met zijn verlammende teksten en de ijle piepstem, die de onzekere pianist onder zijn hoede nam en stimuleerde om solo te gaan zingen. Met moeizaam maar stijgend succes. De zelfverklaarde chanteur de nuit Gainsbourg besloot uiteindelijk de grote gok te wagen en ”le noble art de la peinture” vaarwel te zeggen ten gunste van ”le pauvre art mineur de la chanson”. “Le génie ou rien!”. In de sprookjesachtige film van Joan Sfarr Gainsbourg: Vie héroique (2010) is te zien hoe, tijdens een bedwelmende drankorgie, de brand schiet in zijn olieverfdoeken en zijn atelier vlam vat. Lucien Ginsburg’s schildersezel gaat aan stukken, Serge Gainsbourg de auteur-compositeur-interprête wordt geboren. Temidden van as, flarden van schilderijen en alcoholwalmen. Gainsbourg stort zich vol ijver op de liedkunst, maar Michèle Arnaud laat al gauw merken dat ze sommige liedjes te schunnig vindt om zelf te vertolken.

Serge kruipt mede hierom toch maar weer zelf achter de microfoon. In 1959 verschijnt Gainsbourg’s eerste 25 centimètres: Du chant à la une, met onder meer de liederen ‘Les femmes des uns sous les corps des autres’ en het na al die tijd nog even sterke als dubbelzinnige meesterwerkje ‘Le poinçonneur des Lilas’ . Boris Vian steekt in Le canard enchainé de loftrompet over het album, dat de Grand Prix de l’Académie Charles-Cros in de wacht weet te slepen, maar commercieel flopt. “Je fais une forte consommation de mentalités”, zou Boris Vian eens gezegd hebben; een aforisme dat Gainsbourg past als gegoten. Gainsbourg gaat zich kleden naar het voorbeeld van Vian, dandy-poëet, snob en jazzman, een tikje Trenet ook, zazou maar vooral existentialistisch haveloos chic. Een bohémien gedragscode die in de late jaren vijftig door de Parijse jeunesse dorée gecultiveerd wordt op het territorium van de Rive Gauche. De Gainsbourg-variante: bewust gerafeld streepjespak, te ruim zittend wit hemd met dagzomende mouwranden – dasloos, sluik haar, drie dagen oude barbe à l’italienne.
De bohème lijkt frivool, maar is evenzeer tragisch. “Il y a de la gravité dans le frivole”, schreef Charles Baudelaire, dichter en dandy die zijn haar groen liet verven, al in de negentiende eeuw. In de romaneske biografie Les derniers jours… (1988) laat Bernard-Henry Lévy de poète maudit in een van zijn brieven verzuchten: “Ach ik droom ervan ooit de zin, ooit het woord te vinden dat de mensheid tegen me opzet.” Wat dit laatste betreft, lijkt Gainsbourg in zijn leven verschillende malen briljant te zijn geslaagd.

Boris Vian roemde ‘de nachtuil met het immer trieste gelaat’ op typisch surrealistisch-ambivalente wijze als ”een anti-zanger”. Hij bedoelde dit weldegelijk als een compliment en voorspelde, vlak voor hij zelf het veld ruimde en op zijn 39ste stierf aan een hartaanval, dat het chanson met Serge Gainsbourg een nieuwe tijd tegemoet zou gaan. Als lied-leverancier van jonge zangeressen verwierf hij in korte tijd een reputatie als tekstschrijver en componist wier pikante chansons gegarandeerd goud opleverden. Het publiek van Milord l’Arsouille daarentegen was een andere mening toegedaan. Het vond hem een probleemgeval, een introverte mompelende zanger met veel te grote oren en gebrek aan stemkracht. Zijn uiterlijk en onzekere, voor arrogant versleten houding veroorzaakten onrust (Serge sprak over zichzelf als de grote leeuw met de varkenskop, Brigitte Bardot noemde hem een aandoenlijke Quasimodo en met zijn schurkenbek – zijn gueule – figureerde hij in meer dan twintig B-films). Zijn bittere en pikante teksten veroorzaakten ergernis. Wat wilde deze pionier van een nieuwe phallocratie die ten strijde trok tegen het vrouwelijke ras precies, de man die zei “van vrouwen te houden door ze te haten”? Wat was de inzet van deze moeilijk te plaatsen provocateur van de schoonheid en nog moeilijker te doorgronden “hibou de la complaisance’” die beweerde dat “de liefde nooit meer waard zal zijn dan de korte tijd die je nodig hebt om haar te bedrijven”, en die pochte diezelfde liefde te bedrijven “zoals anderen een inbraak plegen”?
Gainsbourg was zo gewend aan de vernederingen die hem in zijn jonge leven als joods jongetje en onbeholpen zanger van bedenkelijk allooi te beurt waren gevallen, dat hij als geen ander in de Franse cultuur de belediging als stijlmiddel heeft weten te cultiveren voor zijn alomvattende behoefte aan liefde en aandacht. Met zijn in vitriool en sigarettenas gedepte vingertoppen en zijn gedempte stem van de onzekere adolescent die zich schaamt voor zijn puisten en aarzelende snorhaartjes, wist hij eind jaren vijftig een nooit eerder gehoorde viscose smurrie om de mond te smeren van al het schone volk dat in het Parijse Quartier Latin de hippe café-chantants, jazzkelders en bistrots de nuits placht te frequenteren. De schunnige provocatie werd Gainsbourg’s handelsmerk, de ambivalente erotische boutades en dubbele bodems zijn specialiteiten. Dit alles gehuld in de schutkleuren van de spitsvondige woordgrap en originele literaire trouvaille om het publiek ongemerkt zo dicht mogelijk op de ziel te kunnen zitten en op onverwachte wijze toe te kunnen slaan met een perfect getimede coup de guele.
Gainsbourg’s hunkering en fragiliteit gaan verscholen achter een maskerade van hooghartig vernuft en een villeine vorm van hoffelijkheidsbetrachting en mysoginie. Psychologen hebben aan al deze vormen van sublimatie een vette kluif gehad die – eens van alle ruwe weefsel ontdaan – de inborst verried van een gevoelige ziel die geen mogelijkheid onbenut liet om via sluipwegen, omkeringen en provocaties te verkrijgen waar het lelijke joch in zijn jeugd bij om het even welke confrontatie en volte face immer weer verstoken bleef. Wie niet sterk is, moet slim zijn. En slim, dat is de kleine vurige en onverzadigbare Lucien met het Ashkenazische uiterlijk, de spiedende ogen van de geperverteerde fetishist en de wapperende flaporen van een onbehouwen olifantenjong. Een verfomfaaide getaande ziel in een verschrompeld jongenslichaam. Een ietwat wreed, stoutmoedig en ondeugend menneke van onbestemde leeftijd en komaf, dat zich gekleed in grijsgestreept driedelig pak vanachter de piano op het podium onbeteugeld verlustigde aan zijn kattenkwaad.

Het merk sigaretten dat Gainsbourg tot zijn dood trouw bleef

Zijn éducation sentimentale beleefde Lucien Ginzburg in de straten van woelig en robuust Pigalle. Zijn speeltuin was La Porte de Clichy. De hoeren van de buurt ontfermden zich als moederlijke juffen over hun snoezige wereldvreemde welpje dat ze gierend van het lachen tal van kunstjes leerden. Zoals: hoe je jarretels moest vast- of losknopen rond een welgevormd vrouwenbeen. Lillend vlees, de geur van vrouwen in nylon kousen, het ritueel van zo’n juf uit de buurt die haar toilet maakt voor het kwikzilveren oog van de opklapspiegel die ingenieus verborgen zit achter de ladenkastjes van een elegant en sierlijk notenhouten kabinet uit het tijdperk van de roccoco: het komt later allemaal terug in zijn oeuvre.
Gainsbourg slaagde er als geen ander in, op De Sade na wellicht, om de Franse maatschappij de daver aan te jagen met zijn erotische geschimpscheut, misogynie en publiekelijk geetaleerde lelijkheid. Waar zijn collega’s blijven steken in zoetgevooisde en wellevend geformuleerde liefdesballades, hebben Gainsbourg’s liedjes altijd wel iets schunnigs en scandaleus in petto. Gainsbourg spreidde zijn talenten graag over vele personen en personages. Zo annexeerde hij, eenmaal beroemd, de vrouwen die eerst niets van hem wilden weten. “Voor een vrouw te schrijven is de meest elegante manier om haar te dienen en tegelijkertijd te bezitten”, aldus Gainsbourg. In zijn misogynie nam hij wraak door zijn vertolksters de allerbitterste hatelijkheden over het eigen geslacht, de liefde en het leven te laten zingen. Als hij kon liet hij zelfs hun persoonlijke tekortkomingen in zijn teksten doorklinken. “Als ze zo stom zijn om mij hun chansons te laten schrijven zullen ze dat weten ook”, clameerde hij. Hij verleidde de vrouwen door ze aan te vallen. En de meesten lieten zich door zijn tegendraadse charme verleiden. Juliette Greco, Barbara, Isabelle Adjani, Isabelle Aubret, Petula Clark, Dalida, Regine, Mireille Darc, Anne Karina, Francoise Hardy, Chatherine Deneuve, France Gall, Brigitte Bardot, Jo Lemaire, Vanessa Paradis, Viktor Lazlo, vrouw Jane Birkin, dochter Charlotte… allemaal zongen ze het liefst Gainsbourg. Met reden overigens, want als tekstschrijver-componist was Gainsbourg goud waard, en dat wisten ze. Zijn stijl was uniek; een Pindarus-achtige lyriek gekoppeld aan een in klassiek repertoire gedoopte muziek die tegelijkertijd wonderlijk licht en melancholisch aandoet. Een minimum aan noten, een minimum aan woorden, alles exact getimed en op maat gesneden voor de zangeressen in kwestie. De gespletenheid die tot uiting kwam in zijn composities, als auteur-compositeur van provocerende schunnigheden en lyrische hoogstandjes met referenties aan Baudelaire en overige grote dichters die zich nog het meest verkneukelde als zijn liedjes door piepjonge deernen gezongen konden worden, is ook voor zijn latere periode als de aftandse Gainsbarre in de jaren zestig al volop aan de oppervlakte.

De beschuldiging dat hij zich prostitueerde en paarlen voor de zwijnen wierp bleef hij ontkennen. Serge besefte maar al te goed dat zijn genie nauw gelieerd was aan het talent van de vrouwen voor wie hij schreef. Zonder vrouwen aan wier stem hij zijn erotomane ziel kon doorgeven, zou hij niets geweest zijn. Zijn schildersoog was haarscherp en met grote zorg koos hij alleen die vrouwen waarvan hij zeker wist dat hij via hen naar de wortels van de passie, de noodzaak van de intimiteit kon graven. Voor wie hij ook schreef, zijn teksten bleven gekenmerkt door hun scherpe randen en diepe gelaagdheid. Hij weigerde concessies te doen aan het grote publiek, al was de zangeres nog zo jong of het genre zo uitgemolken. Zoals de vijftienjarige France Gall die met Gainsbourg’s ‘Poupée de cire, poupée de son’ in 1965 het Eurovisiesongfestival won. Aan de ene kant wist hij haar trieste inslag schitterend te bespelen, zoals in het lied Baby Bop: “Zing Dans Baby Pop, Alsof je morgen Baby Bop, In de vroege ochtend Baby Bop, sterven moest”.

Aan de andere kant maakte hij schaamteloos misbruik van haar onschuld in het dubbelzinnige ‘Les sucettes à l’anis’. Toen aan dit motorisch gestoorde vestaalse maagdje eindelijk uitgelegd werd wat er in het nummer over de aan anijslolly’s zuigende Lolita eigenlijk gesuggereerd werd, en ze het onderwerp werd van alomtegenwoordige spot, weigerde ze nog langer liedjes van zijn hand te zingen. In het blad Rock & Folk gaf ze te kennen dat Gainsbourg haar nooit echt gekend heeft, al wat hem interesseerde was wat hij zelf in haar projecteerde. Het is tekenend voor de wijze waarop Gainsbourg met zijn vertolksters omsprong. Vaak gebruikte hij ze tot op het schofterige af om zelf te schitteren. Zelfs van zijn naasten verwachtte hij dat ze met gedweee toeweiding in zijn eigen muzikale/sexuele freakshows zouden figureren. Jane Birkin, zijn derde vrouw, moest naakt met hem poseren om zijn nieuwverworven imago als coole playboy hoog te houden. Charlotte, zijn dochter, moest het beeld van Serge de incestueuze erotomaan bevestigen. En Bambou, zijn laatste gezellin, moest de longen uit haar lijfje schreeuwen terwijl ze deed of ze door sado Serge met zweepjes in extase werd geranseld. Tenenkrommend zijn ook de beelden die nog altijd op Internet circuleren, waarop te zien is hoe Bambou haar geliefde echtgenoot op zijn initiatief welwillend ondervraagt om vervolgens en plein public door haar “mec” te worden uitgescholen voor alles wat verrot is.

Bardot en Gainsbourg's bekokstoven Je t'aime moi non plus - volgens een scene in Sfar's film


Na een sporadische samenwerking met de Franse Demeter Brigitte Bardot (Bonnie & Clyde, Harley Davidson) nam hij in 1967 ‘Je t’aime, moi non plus’ met haar op. Tegen de achtergrond van een liturgische orgelmuziek hoorde je haar vergeefs kreunen om zijn liefde. En om zijn roede, die haar vanachter (entre les reins – tussen de nieren) moest doorboren. De werkelijkheid wilde het anders. De man van BB, Guenther Sachs, eiste dat de release onmiddellijk stop zou worden gezet. Serge gaf aan de eis gehoor, maar een jaar later nam hij wraak door zijn kersverse vrouw ‘la garçonne’ Jane Birkin het nummer opnieuw te laten inzingen. Het werd zowel een schandaal, als een commercieel monstersucces. Miljoenen exemplaren verkocht alleen al in de lange hete zomer van het jaar 1969. Philips distantieerde zich van het nummer, bigot Europa ergerde zich purperrood, het Vaticaan sprak haar banvloek uit over de plaat (zij zou natuurlijk de jeugd tot slechte en onnatuurlijke daden aanzetten), en de meeste radiostations boycotten het gehijg in e mineur. Maar de verkoop van de single stak die van elke Beatles-plaat naar de kroon.

De jaren zeventig werden jaren van decadentie, films, geen optredens maar veel studio-opnamen, zoals het monumentale ‘Un histoire de Melody Nelson’ in 1971; het eerste ultramoderne conceptalbum uit de geschiedenis van het Franse chanson. Histoire de Melody Nelson is een muzikaal meesterwek van perverse verleiding. Een liefdesbrief uit de donkere cellen van Sodom, een extatische pijnkreet uit de ondergrondse kerkers van Edgar Ellen Poe en het imaginarium van professor Vladimir Nabokov. Het album is tevens het voorwendsel voor enkele van de meest gedurfde lyrische exercities in het Franse taalgebied.
Het kapotgaan van zijn relatie met Jane Birkin aan het eind van de jaren zeventig is Serge Gainsbourg uiteindelijk nooit meer helemaal teboven gekomen. Uit de as van de 140 Gitanes en een liter whisky per dag verslindende Gainsbourg verrees de nog veel gruwelijker chimaere Gainsbarre (de “standvastige”, de ruwe), een sadistisch onbehouwen monster dat zijn veel lieflijker en onhandiger voorganger definitief van het podium wist te verdringen. In Nederland had je de vileine zanger Jaap Fischer, meester van het messscherpe chanson, die in de loop der tijd zijn hoekige masker af liet vallen en voortaan – triest maar wijs geworden – als Joop Visser door het leven wilde gaan. Serge maakt iets soortgelijks mee, maar dan in omgekeerde zin. Zoals hij in alles tegendraads prefereerde te zijn.
Gaandeweg zijn tweede carrière, werden minder zangeresjes bereid zijn steeds schunniger teksten te zingen. Wederom werd hij een outsider. Hij pastte niet in de wereld van het ‘nouvelle chanson’ zoals Maxime le Forestier en Alain Souchon dat brachten. Gainsbarre ging onverschrokken zelf door met zingen en epateren. De geest van Vian keerde in hem terug, getuige het surrealistische nazi-punk album ‘Rock around the Bunker’, waarin hij als jood met groteske galgenhumor de bunkerdagen van Adolf H. bezong. Frankrijk raakte opnieuw in een opstoot. Begreep het jonge publiek dit allemaal wel? Treffende vraag. Het jonge publiek begon hem steeds beter te begrijpen dan het vertrouwde publiek dat met hem meegroeide. “Het is mijn publiek dat ouder geworden is, niet ik” beet hij de pers toe.

Het meest wonderlijke aan Serge G. was de moeiteloosheid waarmee de auteur-compositeur-interprête gedurende alle decennia dat hij actief was niet alleen zichzelf maar de hele muziekscene rondom hem gedurig wist te vernieuwen. Terwijl zijn teksten en zijn fluisterende stem vanaf Melody Nelson uit 1971 niet meer wezenlijk veranderden, onderging zijn muziek de ene na de andere radicale revolutie. Jazz, rock, pop, reggae, punk, rap, er is geen stijl die de zanger ongebruikt heeft gelaten. Zijn drang tot verandering verklaarde hij zelf vanuit de dood van het Franse chanson. “Er is geen chanson in onze tijd. De Afrikaanse ritmes waarmee ik mijn muziek in leven houd zijn geen concessie aan de moderne tijd. Het is een vorm die de moderne tijd weerspiegelt. Een ritme dat haar karakteriseert.” Als eerste blanke artiest ging hij naar Jamaïca om daar een reggae-album te maken. In vijf dagen rolde er een parel van een plaat uit: ‘Aux Armes Et Caetera’, met de band van Peter Tosh en de I Three van Bob Marley. Gainsbourg beweerde de meeste nummers in het vliegtuig geschreven te hebben. De Figaro noemde het een ‘smerige ragoût’, maar binnen zes maanden was het platina en had de zanger een alternatief publiek aangeboord dat hem daarvoor nauwelijks had gepruimd. De reggae-versie van de Marseillaise (“bij een revolutionaire tekst hoort een revolutionair tempo”) schoot in het verkeerde keelgat van tweehonderd Oud Parachutisten in Straatsburg. “Als die Gainsbourg hier komt, blazen we de boel op!” Ondanks de dreigementen en de bommeldingen beklom Gainsbarre toch het podium. Un réfractaire pur sang. Gainsbourg blafte de para’s toe dat ook Rouget de Lisle de Marseillaise had geschreven als marslied van Republikeinse rebellen die af wilden van het ancien régime. “On est tous des Juifs, des nègres et des Français!” Daarop zette hij acapella, met geheven vuist, het Franse volkslied in. De para’s in verwarring achterlatend. Even later kwam Gainsbourg opnieuw in het nieuws toen hij het handgeschreven manuscript van La Marseillaise voor een astronomisch bedrag op de koop tikte tijdens een veiling bij Sotheby’s in Parijs. “Wel duur, voor zo’n velletje papier”, merkte een journalist op. Waarop de zanger repliceerde: “Man, ik zou me hiervoor hebben geruïneerd!”
Deze waargebeurde scène die nog steeds op Youtube is na te zien, markeert het hoogtepunt van Gainsbourg’s heroïsche levensloop. Van joods kereltje in bezet Parijs, tot pionier-provocateur van de vrijheid en eigenzinnige maskotte van het Franse patrimonium. Als het waar is dat de dichter-zanger dubbel en dwars zijn plaats verdiend heeft op de achtenswaardige toppen van de Franse Parnassus, dan heeft hij die plek veroverd door de berg op sluikse wijze te beklimmen. En stoemelings, zoals Brusselaars zo mooi zeggen. Over de rug heen van zijn eigen schaduw. “Mon univers est à l”envers”, verklaarde Gainsbourg zelf ooit in een interview met Libération. “Alleen dode vissen drijven met de stroom mee.” Serge de rebel.


Gainsbourg’s parcours heeft inderdaad altijd de weg gevolgd van de meeste weerstand, van het schandaal. Van Sodom ook. Zoals in het ultieme liefdeslied “Je t’aime, moi non plus”. Het beruchte hijgduet in 1967 gezongen met Brigitte Bardot, twee jaar later met Jane Birkin, waarvan er alleen al buiten Frankrijk miljoenen platen werden verkocht; zonder dat de meeste van die kopers ook maar enig benul hadden dat er de geneugten van de anale liefde in werden bezongen. “Ik vermaak de wereld met injecties van lichte perversiteit”, placht de zanger en componist zelf te zeggen. Op een manier waartoe alleen Gainsbourg in staat was. Met stijl, distinctie, in miraculeus mooie maar ook infecte poëzie. “Tu es la vague, moi l’île nu./L’amour physique est sans issue.” Waarna Eros zijn giftige pijl van koele geilheid afschiet tussen de nieren van zijn geliefde.
“Ik houd van je.”
“Ik al niet meer…”

Zelf bleef Gainsbourg zijn vakgebied omschrijven als “un certain art mineur”, en meer dan eens liet hij weten zichzelf in de eerste plaats te beschouwen als een mislukte kunstschilder. In een twistgesprek met Guy Béart, in het praatprogramma van Bernard Pivot, sprak hij zijn collega betuttelend toe: “Ach Guy, wat zijn onze liedjes meer dan “des petits cacas” die we uitscheiden op het podium?” Dat Serge Gainsbourg daarentegen weldegelijk een grote kunstenaar genoemd mag worden, een dichter, zanger en componist van Olympische categorie. Al in 1972, na het beluisteren van het monumentale album ‘Un histoire de Melody Nelson’, liet de grote dichter Louis Aragon zich ontvallen dat “die Gainsbourg zich eigenlijk geheel op het sonnet toe zou moeten leggen: zijn poëtische kwaliteiten zijn weergaloos en behoren tot het meest originele wat de Franse literatuur heeft voortgebracht sinds Les Chants de Maldoror van Lautréamont.”
En inderdaad: neem de proef gerust op de som door de bonte catalogus aan liedteksten van Gainsbourg er op na te slaan, zoals Mauvaises nouvelles des étoiles (éditions Seuil). Vrijwel elk willekeurig lied van Gainsbourg getuigt van uitzonderlijke poëtische soeplesse, syntactisch meesterschap en klinkklare woordvreugde. Zoals volgens Goethe een meesterhand zich vooral kan tonen in de beperking, zo openbaart het genie van Gainsbourg zich zelfs nog in het keurslijf van zijn meest kitscherige, hijgerige of populaire nummers. Regisseur Joan Sfar zei hierover: “Wat geweldig is bij Gainsbourg: hij noemt zichzelf een luxehoer, maar hij is nooit oprechter dan wanneer hij probeert zichzelf te verraden. Op een huppeldeuntje als “Baby Pop”, laat hij France Gall zingen “chante, danse Baby Pop, comme si demain tu devais mourir”. Hij kan het niet laten om overal de tragiek van in te zien. Bij momenten is hij even pathetisch geniaal als François Chateaubriand.”
Een lied dat mij voor altijd van Gainsbourg’s uitzonderlijke lyrische gaven overtuigd heeft, is het nummer Hôtel Particulier, op het epische album Melody Nelson. In prachtige, wulpse zinnen die in enkele bondige stanza’s een wufte paringsdans met elkaar aangaan, voert de zanger zijn piepjonge verovering mee naar een labyinthisch roccoco-complex met vele trappen en eindeloze gangen, waar beiden zich onder het toeziend oog van vergulde engelenbeelden, naakte ebbenhouten slavinnen, Aphrodites en Salomés, in de Cleopatra-kamer overgeven aan de somptueuze praktijken van de Ars amandi en Remedia amoris. Lees hoe Gainsbourg zijn Melody op de tonen van orgel, bas, piano en sublieme lyriek naar de toppen voert van het genot!
“(…)
Entre ces esclaves nus taillés dan l’ébène
Qui seront les témoins muets de cette scène
Tandis que là-haut un miroir nous réfléchit,
Lentement j’enlace Melody
…”


Histoire de Melody Nelson was de eerste conceptplaat uit de geschiedenis van het Franse chanson. De plaat laat zich het best omschrijven als een erotische raamvertelling in zeven puntige liederen, die in totaal nauwelijks dertig minuten in beslag neemt. Waarin een tedere nimfijn van “quatorze automnes et quinzes étés” zich overgeeft aan een gepassioneerd roofdier van veertig-plus. Histoire de Melody Nelson is een muzikaal meesterwek van perverse verleiding. Een liefdesbrief uit de donkere cellen van Sodom, een extatische pijnkreet uit de ondergrondse kerkers van Edgar Ellen Poe en Vladimir Nabokov. Op de cover van het album houdt Jane Birkin in de hoedanigheid van het titelpersonnage Melody – vroeggevallen nimfijn die zich openstelt voor het verderf -, met gekruiste armen een aangeklede pluchen aap koket tegen haar naakte bovenlichaam gedrukt. Niet alleen om uit te dagen, zo blijkt, maar ook om te verhullen dat ze op dat moment zwanger is van haar “enfant d’amour” Charlotte Gainsbourg.
De toon van het album is meteen gezet in het eerste nummer: een sombere hypnotiserende soundscape met een overstuurde, ietwat slepende bas, rockgitaren die bezwerend huilen, violen die het sonore stemgeluid van Gainsbourg’s fluisterstem omfloersen. Een Rolls Royce Silver Ghost 1910 rijdt langzaam door een niet bij naam genoemde stad. In gedachten verzonken, verstrooid, met een half oor luisterend naar de radio, zijn blik gericht op de gevleugelde Spirit of Ecstasy op de voorkap, raakt de verteller in aanrijding met een rossig tienermeisje op een fiets.
– Tu t’appelles comment ?
– Melody
– Melody comment ?
– Melody Nelson

De man achter het stuur van de Rolls vertelt ons in quasi-vrolijke balladen, opgesteld in de onvoltooid verleden tijd, zijn tragische verhaal over schoonheid en extase, liefde en dood. De gevoelens van gelukzaligheid en elegantie uit het begin, worden allengs duizelingwekkend. De licht-psychedelische muziek, die de wals uit haar voegen doet draaien, benadrukt dit. Na het gerommel op het liefdesbed is er het ontwaken uit de droom. Het laatste nummer op het album, Cargo Culte, laat zich verhalen als een epiloog vanuit het schimmenrijk. De geschiedenis eindigt zoals ze begon: met een ongeluk. Melody vindt de dood als haar Boeing 707 neerstort in zee. Haar malse lichaam komt terecht tussen de koralen van Melanesië, ergens op de bodem van de Grote Oceaan. De verteller blijft alleen achter, ten prooi aan zijn herinneringen. De muziek bereikt in dit nummer haar apotheose. Het bezwerende thema van het begin, met de overstuurde basgitaar, wordt herhaald en uitgebreid tot een koortsig requiem met een koraal van maar liefst zeventig stemmen. Het gefluister van Gainsbourg mondt uit in een magische incantatie van de “Cargo Culte” zoals bedreven door de Papoea’s op Nieuw Guinea. Ook Gainsbourg hoopt biddend op een vliegtuigcrash die hem de schim van zijn minderjaardige heldin tussen de wrakstukken opnieuw tevoorschijn kan toveren.
“N’ayant plus rien à perdre ni dieu en qui croire
Afin qu’il me rende mes amours dérisoires
Moi, comme eux, j’ai prié les cargos de la nuit.
Et je garde cette espérance d’un désastre
Aérien qui me ramènerait Melody
Mineure détournée de l’attraction des astres.”

Het niveau van Melody Nelson zal Gainsbourg in zijn latere carrière nooit meer helemaal kunnen evenaren. Het album is, vriend en vijand is het daar dertig jaar na verschijnen over eens, een meesterwerk dat zijn weerga nog altijd niet kent in de geschiedenis van de hedendaagse popmuziek.

Gainsbarre

In de laatste tien jaar van zijn leven werd Gainsbarre “de ruwe” steeds erotomaner, onhandelbaarder, maar raar genoeg ook steeds produktiever. In ‘Love on the Beat’ hoorden we hoe zijn nieuwe vrouw Bambou kirrend toegetakeld werd onder het mompelen van een fabuleus wreed gedicht dat de markies De Sade waardig zou zijn, in ‘Lemon Incest’ hoe Serge en dochter Charlotte – op de tonen van een etude van Chopin – de incestueuze liefde bezingen.

Met de geboorte van zijn zoontje Lulu in 1986 leek alles in zijn leven vervuld. Reden voor Serge om te zeggen: “Ik ben in alles geslaagd, behalve in het leven”. Het provoceren was een versleten mediaritueel geworden. De aanblik die de aflijvige nachtuil bood was treurig. Gainsbarre die Whitney Houston trachtte aan te randen, die zijn pik uit zijn broek liet hangen, die een bankbiljet van 200 francs “voor zeventig procent” op het podium in de fik stak met zijn aansteker (als hommage aan de Franse fiscus), die een liter whiskey wegzoop tot hij de toetsen op de piano niet meer vinden kon. Bij alles werd hij toegejuicht. Tot het bittere einde bleef hij de Fransen hun schandalen verschaffen. De schandalen die iedere maatschappij zo nodig lijkt te hebben om de eigen blaséheid te rechtvaardigen.

Het vijfhonderd francs billet dat Gainsbourg in de fik stak (voor zeventig procent) uit protest tegen de hebzucht van de Franse schatkist


Wellicht dat er voor Serge Gainsbourg nog een Johnny Cash-achtige wedergeboorte in had gezeten, gedurende de jaren negentig of daarna. We zullen het nooit weten. De zanger stierf op 2 maart 1991 in volstrekte eenzaamheid in zijn geblindeerde huis aan de rue de Verneuil in het zevende arrondissement van Parijs.

De finale beslechting van het Faustiaanse duel tussen Gainsbourg en Gainsbarre eindigde voor de aan een mysterieus oogvirus lijdende zanger die zelfs in zijn geblindeerde woning nooit zijn zonnebril meer afdeed, geloof het of niet, in een “natuurlijke dood”; een hartbreuk ten gevolge van een poreus geworden kransslagader. Wat zich daar in die gesloten ruimte af heeft gespeeld in die laatste momenten, niemand die ervan kan getuigen. Zeker is dat hij diezelfde dag vergeten was zijn hartpil te nemen. Net zoals Boris Vian, 32 jaar eerder.

Gainsbourg is bijgezet in een familiegraf op Cimetière Montparnasse – 60, Avenue Transversale te Parijs. De pluchen aap die Jane Birkin op de cover van het legendarische album Histoire de Melody Nelson voor haar ontblote zwangere buik houdt, is op die dag mee verdwenen in het graf.

De afscheidswoorden die Gainsbourg zijn eigen dood deed vergezellen, in het Libé interview dat hij pas na zijn dood gepubliceerd wilde hebben, waren 33 jaar eerder met ‘Le poinçonneur des Lilas’ zijn eerste woorden geweest. ‘Un p’tit trou, un p’tit trou, rien qu’un dernier petit trou’.
Zo is alles toch intact gebleven.

Bij het graf van Gainsbourg, Montparnasse Parijs

© Serge van Duijnhoven, Brussel 2010/2011
uitgeverij Nieuw Amsterdam

9224382_cover.Lulu.gainsbourg

Serge eert Serge in Club Bitterzoet, Amsterdam mrt 2010. Fotograaf: Igor Freeke

DE NACHTUIL VAN VERMAAK
 
 
‘La laideur, ma p’tite, tu le sais
est entièrement supérieure à la beauté.
La beauté se meurt un jour
la laideur d’ailleurs, c’est pour toujours.’’
 
.-. 
In gefilterd licht
streelt hij de zinnen
met de ogen van
een veroordeelde
.-.
drinkt hij whisky
uit een tandenborstelbeker
smelt het ijs in zijn keel
het mannelijke fluïdum
.-.
Het mooie wanhoopt
het lelijke speelt
om het malicieuze
te bezweren, Serge
.-.
In alcohol en nicotine
als een vogel zonder veren
seint hij ons de booschap
van het vlotte toeval
 
‘Bah oui, monsieur Gainsbourg, da’s al…’
.-.
(en een vreemd gevoel
van infernale gruizigheid)

Gainsbourg – (vie héroïque)
cinéma : 20 janvier 2010
Film déjà disponible en DVD depuis le : 1 juin 2010
Film déjà disponible en Blu-ray depuis le : 1 juin 2010

Réalisé par Joann Sfar
Avec Eric Elmosnino, Lucy Gordon, Laetitia Casta, plus

Long-métrage français . Genre : Biopic , Musical
Durée : 02h10min Année de production : 2010
Distributeur : Universal Pictures International France

Synopsis : La vie de Gainsbourg, du jeune Lucien Ginsburg dans le Paris occupé des années 1940, jusqu’au poète, compositeur et chanteur célébré dans le monde entier.
Le film explore son itinéraire artistique, du jeune homme épris de peinture à la consécration de sa musique dont l’avant-gardisme en a fait une véritable icône de la culture française. Mais aussi la complexité de sa vie adulte à travers ses amours tumultueuses.

cartoon gemaakt door Hanco Kolk voor de cover van Gainsnord (samenstelling Guuzbourg) - zie: http://www.hancokolk.nl


gainsnordcover-hi
Journalist, fan en deejay Guuzbourg, samensteller van de prachtige tribute-cd Gainsnord – Serge’s Songs Revisited By Bands From The Lowlands (met oa. Tom Barman, West Hell 5, Eddy de Clercq, Marine Boréale, Monsieur Dubois en Benjamin Herman), is hij “een van Europa’s meest invloedrijke songschrijvers, samen met de B’s van ABBA. Een man met een schat aan schitterende liedjes vol dubbele bodems en zelfverzonnen woorden. Die hij zelf zong, maar vaker nog schonk aan de prachtigste vrouwen.” De jaarlijks terugkerende Soirées Gainsbourg in Vlaanderen en Nederland bewijzen dat ook buiten Frankrijk de chansons van deze poète maudit nog steeds volop tot de verbeelding spreken.

Gainsnord – Serge’s Songs Revisited By Bands From The Lowlands (met oa. Tom Barman, Eddy de Clercq, Marine Boréale, Monsieur Dubois en Benjamin Herman). Samengesteld en ingeleid door Guuzbourg. Essential Music – Sonic Scenery. Son 708028, € 18,- www.fillessourires.com/gainsnord

zie hier de videoregistratie gemaakt door Gabriel Kousbroek van Serge van Duijnhoven die voorleest in Paradiso bij de presentatie van de cd Gainsnord, sept 2009:

Serge eert Serge in Paradiso - 18 sept 2009 - bij de presentatie van Gainsnord, cd samengesteld door Guuzbourg. Foto: Igor Freeke

journalist Guus Hoogaerts
(ook bekend als Guuzbourg)
organiseerde op vrijdagavond 18 september 2009 in Paradiso te Amsterdam een hommage aan Serge Gainsbourg ‘Gains Nord”
tevens de cd presentatie van “Gains Nord” een hommage aan Serge Gainsbourg, gezongen en gespeeld
door Nederlandse muzikanten,
en een optreden van dichter/schrijver
Serge van Duijnhoven

foto gemaakt door Igor Freeke

Categorie:

Muziek
Labels:

* Serge
* Gainsbourg
* Paradiso
* Guuzbourg
* van Duijnhoven