Genius Loci: Gruûnderwald


Genius Loci:
Gruûnderwald

VERANTWOORDING

Nuvolgende teksten vormen een scherpe doch beperkte selectie uit het boek Op zoek naar de bronnen van het Groene Woud, dat ik heb geschreven in opdracht van het BKKC (Brabantse Kunst- en Kenniscentrum) in het kader van de Manifestatie Landkunt 2010. Margriet Kemper en haar collegae vroegen me een poging te wagen op literaire wijze uiting te geven aan de “Genius Loci” van Het Groene Woud. Op het moment dat dit me gevraagd werd (mei 2010), wist ik niet beter dan dat Het Groene Woud een truckersrestaurant was op de weg van Vught naar Tilburg. En dat er zich ergens in het landerige Liempde een horeca-gelegenheid van dezelfde naam bevond.

De grenzen van het Groene Woud (of Gruûnderwald)

Gedurende de voorbije zomermaanden heb ik deze schrijnende lacune uitgebreid teniet kunnen doen. Als een literair bioloog-anthropoloog ben ik, gewapend met niet meer dan een vulpen en een overdwars Moleskine aantekeningenboekje, op expeditie getogen naar de bronnen van Het Groene Woud. Heb monter en onbevooroordeeld veldwerk verricht. Gewandeld. Gespot. Geroken. Geluisterd. Gewroet. Vermoed. Geteld. Geraden. Genoteerd.
De teksten in dit boek zijn ruwweg onder te verdelen in drie afdelingen:

1. De stemmen/verhalen/sporen van de Mensen
2. De kleuren/klanken/geuren der Natuur
3. De geest/ziel/aard van de Plek

De bedoeling is dat de de lezer vanuit het breed uitgewaaierde palet aan verhalen en gedichten, teksten en verslagen, uiteindelijk toch een ietsie pietsie van de geur, de kleur, en de contouren gewaar zal kunnen worden van de schimmige gestalte (een bosnimf uit Keltische tijden?) die bij de koppige en kleurrijke bos- en heidebewoners van Het Groene Woud bekendstaat als “hun” Genius Loci Gruûnderwald.

In het Brabant van de vorige eeuw waren natuur en mens onverenigbaar. Niet alleen de projectontwikkelaars, planologen en stedelingen maar ook de boeren op het land waren in een blinde strijd met het landschap verwikkeld. Men zag wat er nog over was aan natuur als een hinderlijke, stinkende, vieze dan wel achterlijke factor die door de mens in zijn voorwaartse tred scrupulleus diende te worden bedwongen, bebouwd, bemest, bevuild, bespoten, bedolven. Brabant had geen oorlog nodig om zichzelf te verminken. Wat onze Brabantse grootouders en ouders destijds omschreven als “cultivatie en ontwikkeling van het platteland”, zal door toekomstige generaties ongetwijfeld op een dag toegevoegd worden aan het rijtje van eufemistische newspeak termen waarmee de mens in de twintigste eeuw zijn alomvattende vernietigingsdrang en bruutheid van een net jasje heeft proberen te voorzien.
Zoals er in de tijd van de grote ideologieen genociden hebben plaatsgevonden op soortgenoten die tot smet of vijand van het volk werden verklaard, zo is de moderne mens op even maniakale wijze tekeergegaan tegen alle wilde restjes flora en fauna die hem op weg naar de vooruitgang en de welvaart voor de voeten durfden te lopen of te groeien. De natuur is al te vaak de klos geweest. Tijd om haar weer met respect te bejegenen. En haar in het groene landschap – zolang het nog kan – de (adem)ruimte te geven die ze van nature verdient. De enige rol die haar op deze aarde toekomt is, zolang er leven is, die van protagoniste. Niet die van een onderknuppel of onzuiver element dat uit de weg moet worden geruimd voor het groter heil of kortzichtig gewin van de mensheid.
Mijn expeditie naar de bronnen van het Groene Woud leerde me dat het de natuur in deze contreien gegund is om die hoofdrol met verve te vervullen. Van de moerasweelde aan de oevers van het slapende rioolgemaal De Moerenburg tot aan de gevarieerde bloemenpracht in de beekdalen van de Dommel en de Voorste Stroom. Van de populier- en sterrenbossen rond de kwelders en de boerderijen bij Boxtel en Liempde tot aan de vennen en de heidegronden op het door zand verstoven land van venkraal, wilde betram, helleput en oude Kampinase donck…Dat alles en veel meer bevindt zich hier, op schootsafstand van de gekte en de drukte in de steden en het razen en het tieren van de wagens op de scheurbaan, in dit weelderige, broedende, bloeiende en boeiende wilde groenperk in het hartje van Noord-Brabant.
Dat het er is. En dat u het weet.

N.B.: De topografische namen van de genoemde locaties, wijzen op de plekken die als oriëntatie voor de desbetreffende tekst hebben gediend. Ze zijn niet op te vatten als strikte coördinaten waarbinnen het gedicht of verhaal zich afspeelt, wel als bronnen van inspiratie. Goede reis!

© Serge van Duijnhoven, uitvoerder van de schrijfopdracht van het BKKC
in het kader van de manifestatie LANDKUNST

Dommeldal bij Nemerlaer

IN AMPLEXUS

De Moerenburg, rand Groene Woud
Groot Goorven & Groot Aderven, Oisterwijkse Heide

Mannetjeskikkers kruipen op de rug van de veel grotere vrouwtjes en houden die dagenlang in een paargreep, amplexus genoemd, totdat het vrouwtje kikkerdril (eieren) afzet dat het mannetje met zijn sperma bevrucht. Paardrift in combinatie met vasthoudendheid. In amplexus lijken de mannetjes in een soort trance te verkeren. Er is geen sprake van penetratie, wel van bevruchting van eitjes via het sperma van de mannetjes.

VERZAMELAAR VAN DROMEN
bij een foto van een poel met dikkopjes
van L.J.A.D. Creyghton
Boshuis Venkraai, Boschoord

slaap maar zacht, liefmanneke
droom maar zoet, mannekegoed

en met het moeizame piepen en schuren
de echo van zijn laatste avondgroet
verschijnen weer de schimmen en figuren
uit de kinderliedjes, de griezels
uit de huiversprookjes, doemen in het donker
weer demonen op die klieren, de miezers
die loeren door de kieren van de deur

verandert dit vertrek als destijds
voor mijn slapengaan, branden de ogen
van het staren naar de vlekken
op het sepiakleurig bloemenbehang
wordt de kamer donker woud, het dakraam
put van Vrouw Holle, het bed een hut
in de bomen, het kussen een schatkist

met een roestig oud slot en een inhoud
die geheel bestaat uit spinrag, licht
en goudflagon, het weefdraad
van mijn dromen; springt de angst
opnieuw uit de diepte waar ze sluimert
tot de mist dik genoeg is
kruipt ze tussen de krassen en barsten

in de muren, ritselt tussen blaadjes
onder het laken; speelt ze kil oktober-
poppenkast in de eenzame gangen op school
of op schoot bij de man met zijn tabberd
en gestikt in de haren van diens dodemansbaard
verschijnen ze weer met de regenvlagen
muf en stiekem in de kelder en stinkend

in de perenvijver tussen dikkopjes
en kikkerdril en gulpend met het water
in je rubberlaarzen verschijnen ze weer
tussen de mazen van het schepnet
of dieper op de drassige bodem van het ven
waar een glinsterend zwaard door een
doorzichtige hand word rondgezwaaid

en voor mijn vader mij weer toevertrouwt
aan het donker dat ons omringt
som ik het lijstje op met de bedreigingen
die voor ieder welterusten moeten afgewend
‘papa komen er vannacht heksen spoken
reuzen dwergen griezels enge beesten
en pierlala en Beerend Botje?’

en je wilt dat vader zijn verlossende woorden
zal spreken voor hij de deur zal sluiten
het enige dat geruststelt en waarna
je weer veilig en vredig slapen kunt:
‘nee die griezels en die spoken
komen niet die heksen en die reuzen
komen niet en Pierlala en Beerend Botje

nee vannacht komen die niet…’
‘en morgen?’
‘morgen ook niet’

‘welterusten dan, vader’
‘slaap zacht, liefmanneke
droom zoet, mannekelief’

nu is je vader bijna af en jij niet meer
dat manneke en ben jij het
die het wiegelied geruststellend neuriet

die je hand legt op diens voorhoofd
en uitklopt dat kussen
doorweekt van zijn zweet

slaap maar zacht liefmanneke
droom maar zoet mannekegoed
er is niemand die je nog zal lastigvallen

EXIT GENIUS
(BELLUM TRANSIT)

Kromvennen & Huisvennen, Kampinase Heide
Groot Goorven & Groot Aderven, Oisterwijkse Heide

koolmees? staartmees? kuifmees?
klauwier? kwikstaart? putter? sijs?
lijster? bosvink? goudvink? pimpelmees?
groenling? geelgors? roodborst?
boomklever! waterjuffer! pimpernel!

tierelier, kwinkeleer, tsjirp tsjirp
fuut fuut, sie-sie-truulluul-truulluul
daartussen de wind die door de bomen ruist
de onbesuisd nasale ademtochten
van een in slaap gevallen reus

de kalme branding van een denkbeeldige
zee. Het gezoem van libellen
het gekwaak van bronstige padden
het gebrul van de kikkers
het geplop van zuurstofbellen

die na hun amfibische sprong
op komen wellen in het mors-
stille water. En dan – ineens
de alles uit zijn hengsels knallende
hysterie van brullende en briesende

ondieren die in getrainde formaties
met hun vlammende staarten
het purperen gordijn van de hemel
aan flarden komen scheuren
een Gargantueske versie

van een vlucht alledaagse trekvogels
ganzen die tot draak zijn gemuteerd.
hun taak: het breken van barrières
werpen van bommen, spuwen
van vuur. Het zaaien van angst

en verderf. Dood en terreur
ook hier, temidden van het tere
oog. Dit mid-Brabantse hart
van wat er nog aan Woud en
aan het oude Hertogdom resteert

het in overdadig zomerzon- en strijklicht
gebalsemd overschot van een idyllische
natuur zoals die wordt geprojecteerd
op de vloertegels van café De Tijd
in Oisterwijk. Uitvergrote zwart-wit

kiekjes van een vroeger dat alleen
in onze verbeelding heeft bestaan
geen nazi’s. Geen auto’s. Geen ploeterende luyden
enkel fietsen. Een melkkar. Paard en wagen
de gezegende vreugde van een boerenbruiloft

Elyseese bloemenweelde. Een picknick
op het landjuweel van Bos en Ven
postkaarten uit een zongebleekt Arcadië
waar nimmer vuiltjes aan de lucht
en immer vrede. Maar nu, heel plots

vlak boven onze hoofden scheurt
de hemelkoepel open, tolt en woelt
de woede van de boze buitenwereld
trillen echo’s door uit Uruzgan, klinkt het
knarsen van de Hellepoort, geweeklaag

van de schimmen uit een Bosnisch massagraf
Bliksem. Donder. Dämmerung. Het is
de werkelijkheid die hier in deze splitsing
der seconden met een daverende klap
tot stilstand komt. Het is de horror

die zich voor ons oog ontrolt. Nog opgepookt
door Doppler’s paukenslag. De vonken
der Titanenstrijd. De natuur beleeft een angst-
infarct. Het landschap zet zich schrap. De horizon
verschrompelt. Een slachtershand rijt ruecksichtlos

de aarde open. Tremor. Terror. Ingewanden
gulpen uit de buik van het karkas. De piloot
kauwt kauwgom. Keuvelt met de basis
het zonlicht schittert in zijn cockpit. Bellum
transit. Terug naar Gilze. Plicht betracht

Vincit militans. Ik knipper
met mijn ogen. Haal de hand
van mijn oren. Exit geest.
Weg sprookjeswoud. De genius
loci heeft zich in die paar seconden

als bij toverslag – hocus pocus en pilatus pas! –
terug weten te trekken in het intricate
gangenstelsel dat ergens, tussen
de gepetrifieerde wortels van
het werkelijke Woud, nog moet kronkelen

diep verscholen onder de humuslagen van
de bossen en de blubber der moerassen


EEN GOEDE LIJSTENMAKER

De Lind, Oisterwijk

SvD vraagt zich af of de Spreuk van de Dag in café De Tijd in Oisterwijk een gigantische open deur betreft dan wel een diepere waarheid bevat: “Een goede lijstenmaker is nog geen goede lijstjesmaker”. Is dit een Brabantse arts & crafts-variant op het aloude Hollandse Albert Heijn-gezegde: “wie het kleine niet eert, het grote niet weerd”? Of enkel een grap van de eigenaar van de uitspanning, die ervan houdt een dikke neus te maken naar zijn klanten? Wellicht dat het hier een exemplarisch geval betreft van quasi-simpele maar juist daardoor niet meer als zodanig te herkennen diepzinnigheid. Wie contouren ziet in deze waarzegbol van ondoorzichtig matglas, mag het zeggen…

‘’T Gruûnderwald, jungske’, sprak de bosopzichter van ’t Stokske, ‘da overlèft us, allemoal.

CROY VAN ’t STOKSKE
De Bosfazant, Stokske – De Doesen, Oisterwijkse Heide

Wat weten wij over de onzekerheden
van veroveraars? Over mannen
die met brandend hart
dorsten naar de koelte
wat weten wij van veroveraars
die niet kunnen heersen
smeden die het vuur niet
beheersen, maar het doven

Croy was zo’n man, Croyke
van ’t Stoske, hij had een vrouw
vijf kinderen, die groeiden
als gewas in lentetijd, hij
had een baan bij de bosmij
een woonst temidden van het woud
hij fietste met zijn Raleigh iedere dag
van Ter Braakloop naar De Reebok

en terug over alleen door hem
gekende kronkelpaden dwars door
het rulle, mulle heidezand
na twintig jaar, met promotie
kreeg hij een streep erbij
op zijn pet. Met die pet
fietste hij op zondagen trots door het dorp

de pet ging ’s nachts pas af
men zou niet kunnen zeggen
wat hij ontbeerde. Toch
vervloekte hij zijn vrouw
schaamde zich voor zijn familie
zij waren wat hij was
niet minder, niet meer

zijn driften konden zij
niet bevredigen. Zijn wensen
wilden zij niet willigen
in ongenoegen mokte hij
hij reed langs Bleekven, Goorven, Aderven
Baksven, Kromven, Galgeven
hij liet zich gaan; eens

bleef hij drie dagen weg
hij keerde weer. Hij werd
uit huis gezet, de rechter
had beslist. Na drie maanden
levend in een pension, een kind
verwekkend bij zijn hospita
mocht hij opnieuw beschikken

’s Avonds toen zijn kinderen sliepen
sloeg hij zijn vrouw met een hamer
op haar hoofd. Hij heeft de liefde
met haar lichaam bedreven
zich aangekleed. En is met
zijn pet op ’t Groot Goorven ingereden
die pekzwarte, immer borrelende veen-

grond waaruit meedogenloze geesten
hem zijn leven lang tena
hadden gegrijnst

hier vist men de paling die uiteindelijk op het bord belandt in cafe Mie Pieters

LIJKENFRETTERS
De boerderij op de Heukelomse Waard. Tussen Heukelom en Hondsberg
de Voorste Stroom/Kleine Aa en café Mie Pieters

Tussen Heukelom en Hondsberg hebben roofzuchtige roeken twaalf lammeren verslonden. De boeren in de omgeving zijn radeloos. De roeken vallen elk lam waar zij hun spiedende kralenblik op hebben laten vallen met grote groep tegelijk aan, pikken het de ogen uit en eten het daarna vrijwel geheel op. Er blijft niet veel meer over dan wat wol en een handvol botjes.
Boerderij op de Heukelomse Waard. Met mijn vader ben ik naar het bos met de roeken gereden, aan de rand van de polder. Het was lente. Eind mei. Verdroogde opengesprongen bloesembladeren op de straten, op het land. Er zijn zo’n vierduizend roeken neergestreken, hebben een kolonie gebouwd.
Het rauwe gekrijs is niet om uit te houden, de rillingen lopen me over het lijf. Soms wel vier, vijf nesten in de hoogste toppen van de bomen. Onder de bomen graven vier verdwaasde Shetland ponies, hun manen in slierten langs hun starende ogen. Arme beesten, hoe houden ze het uit met dat hemeltergende gekrijs boven hun hoofd.
De roeken krijsen en strijken verderop op een omgeploegd erf neer, bij de massa’s. Ze hebben een gonzo-achtige roofvogelsnavel, maar hun spanwijdte is klein.
In onze schoorsteen in het ouderlijk huis huisden ook ooit twee kauwen. We hebben voor de zekerheid de schoorsteen een hele tijd maar niet meer aangestoken.

Eten in café Mie Pieters. De paling kronkelend tot op het bord. Tapijtjes op de tafels. Biljart. Bier en omelet.
Mario en Teun: vissers van paling. Lijkenfretters genoemd in Brabant. Teun: `Wilde paling is wit van binnen. De gekweekte is roze. De Saragossa Zee op de Balkan, dat is de paaiplaats waar de paling eitjes legt. Vandaar migreren de vissen naar de zoete waters in heel Europa waar ze opgroeien.
Sluizen, stuwen, dammen maken het voor de gladjakkers steeds moeilijker tot in het hart door te dringen, de zoete aderen in te zwemmen.
Het continent, Europa is een grote koeienkop waar palingen in huizen. Een dierenschedel.
Eten van paling bij Mie Pieters, de paling nog kronkelend tot op het bord. De gevangen palingen werden door Mario en Teun gewoonlijk opgehangen aan de boom voor het café. De vissen werden zo zichtbaar mogelijk tentoon gesteld, uitgebreid gemeten met een centimeterrol. Mario moest altijd winnen. Maar het was Teun die meestal won.

WAT IK ZIE KAN IK NIET ZIJN
Hoog Heukelom, de Essche Stroom
Kasteel Nemerlaer, Haaren

zonder seizoen rechtvaardig ik de aarde
als geboren uit de weigering. Word wieg
weg naar Rome, vrouw die treurt

 – H.C. Pernath

I

beuken, berken, eiken
elzen, velden, kwelders

de kerktoren van Oisterwijk
in de verte

de hoogzwangere natuur
in de verzengende hitte

de Voorste en de Achterste Stroom
rond kasteel Nemerlaer

komen hier opnieuw bij elkaar
in een traagstromende laagland-beek

genaamd de Nemer
waar vissen in getrapte liftjes

het stuw omzeilen
waar ijsvogels naar hartelust

als geluidloze stucca’s over het water heen scheren
op het herstelde landgoed van Baron Donatus

van den Bogaerde van Terbrugge (1880)
eis in het Germaans betekende diep blauw

Nemer – waterstroom met nem als stam
net als in het Thais betekent nem (of nam):

water. De waterbodem is er grondig
gesaneerd. Van 1850 tot 1960

loosden leerlooierijen ongezuiverd
hun water op de Voorste Stroom

de bodem raakte verontreinigd met van chroom
doordrongen slib

en nu, zowaar, stroomt daar helder
water door de stroom

fladderen en scheren bos- en weide-
berkjuffers over het wateroppervlak

langs ranonkels, elzen, lissen
glijden glinsterende vissen

onder het baldakijn van wilgenloof
en moerasbomen naar de plek

waar Voorste- en Achterste
Stromen samenkomen
bevolken hoplianen, dotterbloemen
zwarte bessen, watermuntplanten

berm en boesem, beekkant
en oever, ritselen salamanders

door prachtige witte bloementoortsen
midden in het water, steunend

op fijn vertakte bladerkransen
van de waterviolier

II

boven het haardvuur in het donkere
kasteel stijgt een scharlaken roofvogel

met brede vleugels
uit de schouw omhoog

de wereld hangt in de lucht
de hemel op aarde

wat ik zie kan ik niet zijn
en vroeger evenmin

in het huis van het geheugen
hangen geen spiegels

in de stromen van het paradijs
ligt er geen vergiftigd slib

op de chromatisch zwart-
gekleurde bodem

vandaag is een bijzondere dag
ik wil dat iedereen er is

de magische kasteelvrouwe
zal de klok met een dag terugzetten

voor de rest zal de tijd
apoplectisch stilstaan

we zullen leven in een
alomtegenwoordige dementie

die ons bewustzijn vertroebelt
en ontrafelt; klanken die nooit meer

woorden worden, seconden
die nooit meer dagen

alles al getracht en op de tast
zullen we nog blijven zoeken

tot in de neteligste gewassen
de dordste oevers en de verste kragen

zullen we nog blijven zoeken
zelfs als uit de avondmist dat ene

verlossende woord zal klinken
zullen we nog blijven zoeken

ook al kunnen we niet anders
dan het beramen van dwaalsporen

het herhalen van de paradigma’s
het beamen van de kennis

die sinds eeuwen al bestaat
toch zullen we blijven zoeken

nog zullen blijven we zoeken
(—)

Serge onder het Forwards-Backwards kunstwerk van Wineke Gartz

De Jofra Hoeve, Liempde
Forwards Backwards van Wineke Gartz

Serge in actie onder het kunstwerk van Wineke Gartz: een omgekeerde mestverdeler uit de jaren vijftig, geplaatst op een vijfhoekig platform op vier palen dat als baldekijn dient voor een soort meditatiepunt zoals men die in Japan kan aantreffen in kleine open tempeltjes. Het meditatiepunt bevindt zich midden in de weide en is in rechte lijn verbonden met twee overige punten in het landschap die overlangs het begin- en eindpunt van het kunstwerk markeren.

Op de Jofrahoeve beleefde Serge een bliksemachtig “moment of truth and recognition” toen hij recht in de intelligente, levendige en nieuwsgierige ogen schouwde van enige biggen die op dat moment verkoeling zochten in de moordende hitte van die zondag in het zand en de blubber van hun ruime buitenvertrekken op de biologische varkensboerderij. Zo’n blik was van een heel andere orde dan die van honden, katten of andere huisdieren. Er ging een complex en intelligent gevoelsleven achter die levendige ogen schuil. Het was of de auteur in een spiegel keek of de blik van een familielid gewaar werd in betoverde gedaante. De herkenning bracht een schok teweeg…

Zin - klooster en centrum voor bezinning, Vught

ONTKNOPING. ONTMANTELING. ONTEIGENING
ZIN – kloostertuinen Vught

overdenking bij Forward Backward van Wineke Gartz
en de vergankelijkheids-haiku’s in de kloostertuinen van ZIN

Wrijf uit het vaak, God die niet luistert.
De mare is diep, de angst is een gotspe.
Wat je mist ben je zelf, wat je zegt tot je spijt.

Verschrompel het ego, gepekelde zonden.
Erken je tekort, sus je geweten.
Verzeker de liefde, vertraag je gedraaf.

Belazer de bazen, verpop van gedaante.
Vertaal de een-tweespraak, verzwijg al de rest.
Verkondig de dagen, verlaat wie niet waard.

Alleen is geen einde, twee net geen eenheid.
Drie is voor even, vier voor altijd.
Wantrouw de passie, betwijfel principes,

Wik je expressies, behoud wat je raakt.
Niemand weet waar, noch wat hem toekomt.
Niemand weet hoe, noch hoe het smaakt.

Vrees niet het vreemde, wel het bekende.
Wantrouw de waarheid, gis naar het raadsel.
Maal niet om heden, sluit af mettertijd.

kerkhof met de graven van overleden broeders in de kloostertuin van Zin te Vught

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s