DE HEL VAN HELMAND – interview met Armadillo-regisseur Janus Metz

door Serge van Duijnhoven – IFA-Amsterdam

Armadillo werd in Cannes afgelopen voorjaar bekroond met de Grand Prix van de Semaine de La Critique. – De documentaire zal komend najaar te zien zijn in VPRO Holland Doc (tv) en is geselecteerd voor IDFA 2010

Tijdens een interview met de maker dat IFA-verslaggever Serge van Duijnhoven afgelopen mei in Cannes mocht hebben op het balkon van het Scandinavische Filmpaviljoen aan de Croisette, vertelde regisseur Janus Metz – een gedrongen Viking met een rosse baard en dikke wallenonder de ogen – dat het hem bij het maken van zijn film niet gegaan was om het vertellen van een spannend verhaal, of het verkondigen van een boodschap. De grote doelstelling die hij voor ogen had bij aanvang van het filmen was het maken van een zo diepgaand mogelijke antropologische zoektocht naar de vraag wat een oorlog nu precies voor impact heeft op de geest van jonge mensen die er- ver weg van huis en haard – “de vrede dienen af te dwingen en een democratie mogelijk te maken”. De film van Janus Metz is bij momenten niet alleen ongehoord bruut en direct, hij is ook ongezien eerlijk en ontendentieus. Wat we zien is een ‘Werdegang’ van gewone Deense jongens die gaandeweg hun diensttijd in Afghanistan – of ze nu willen of niet – de oorlog onder hun vel voelen kruipen. “There’s the seduction, there’s thebrutalization, and there’s the struggle to remain somehow a human being afterthe battles, once the silence sets back in”, zo vatte Metz in het kort de lijnen van zijn drama samen.

© Copyright Laerke Posselt

Trailer (English subtitles):

AMSTERDAM – Een van de blikvangers van de komende editie van het IDFA, het vermaarde International Documentary Festival dat ieder najaar plaatsvindt in Amsterdam, vormt de bloedstollende docufilm Armadillo van de Deense regisseur Janus Metz. Over het wel en wee van een contingent jonge Deense soldaten die gedurende hun verblijf op de ISAF-legerbasis in de Afghaanse provincie Helmand, de oorlog die geen oorlog heten mag in toenemende mate onder hun huid voelen kruipen.

De documentaire van Janus Metz vormt passende munitie voor al wie zich in het publieke debat niet langer zomaar een oor wil laten aannaaien door bewindslieden van Defensie en hun ministeriële bataljon van voorliegers en oplichters die het conflict in Afghanistan als een oorlogje of opbouwmissie voor wensen te stellen. En voor al wie binnenkort eindelijk wel weer eens veilig op een oor zou willen slapen zonder bij het Late Avond Journaal eerst nog eens te worden geconfronteerd met het ondemocratische dédain van mensen als Emmanuel Jacob (afgevaardigde van de Belgische legervakbond) die op dinsdag 12 oktober jl. in Terzake doodleuk opmerkte – de dag dat de beelden van de in een hinderlaag gelokte Belgen in Kunduz werden vertoond: “Ik zie absoluut het nut niet in van zulke beelden te tonen aan de publieke opinie.”
gewonde Deense soldaat na toediening van een shot morfine in zijn heup

De verdienste van de documentaire die in november in de hoofdcompetitie van het IDFA zal worden vertoond, en die dit najaar ook te zien zal zijn in VPRO’s tv-programma Holland Doc, bestaat eruit dat het Janus Metz gelukt is wat tot nu toe vrijwel niemand in de Lage Landen zo onverbloemd en ongecensureerd gelukt is. De oorlog in Afghanistan en werkelijkheid van een ISAF missie anno nu in alle rauwheid voor het voetlicht te krijgen. No bullshit. This is what it is.

Dat is wel even schrikken en slikken. In het Theater van het Woord, op de zevende verdieping van de Openbare Bibliotheek aan het IJ te Amsterdam waar op 17 oktober vast een IDFA-voorvertoning plaatsvond, leken alle toeschouwers te vervallen tot een volmaakt gesynchroniseerd ademhalingsritme bij de steeds bloedstollendere scènes die hoofdpersonages Mads en Daniel in en rond het Deense legerkamp Armadillo in de Afghaanse provincie Helmand krijgen te verduren. Vergelijkingen met klappers in het genre als “The Hurt Locker”, “The Thin Red Line”, “Platoon” of “Saving Private Ryan” kan dit snoeiharde eén-op-één portret (geschoten met meestal slechts één camera in echte gevechtssituaties en met reële cadetten gedurende een drieënhalf maanden durend verblijf op en rond de Afghaanse frontlinie), moeiteloos doorstaan. De kogels zijn geen losse flodders. De soldaten geen ingehuurde acteurs. De doden geen figuranten. De Taliban met weggeslagen gezicht is geen ledenpop maar een echt mens met ongetwijfeld een familie, vrienden, ouders, kinderen.

Tijdens een interview met de maker dat ik afgelopen mei in Cannes mocht hebben op het balkon van het Scandinavische Filmpaviljoen aan de Croisette, vertelde regisseur Janus Metz – een gedrongen Viking met een rosse baard en dikke wallen onder de ogen – dat het hem bij het maken van zijn film niet gegaan was om het vertellen van een spannend verhaal, of het verkondigen van een boodschap. De grote doelstelling die hij voor ogen had bij aanvang van het filmen was het maken van een zo diepgaand mogelijke antropologische zoektocht naar de vraag wat een oorlog nu precies voor impact heeft op de geest van jonge mensen die er – ver weg van huis en haard – “de vrede dienen af te dwingen en een democratie mogelijk te maken”.

In de praktijk betekent dat: het uitschakelen van zoveel mogelijk Taliban-strijders. En dus: het legitiem verworden tot mannen die schieten om te moorden. Bij sommige van die confrontaties gaat het er ongemeen gruwelijk, ruig en eng aan toe. De gevechtshandelingen die Metz minitieus en met een prachtig stabiel camerawerk van Lars Skree letterlijk tot op de huid van de hoofdpersonages weet te volgen, spelen zich af op het randje van de oorlogsdaad en -misdaad. In het Deense parlement is er pandemonium over uitgebroken, en roepen tegenstanders van de oorlog op tot een onderzoek bij Defensie naar de toedracht van de door Metz gefilmde slachtpartij – en vooral de euforische ontlading van de Deense soldaten die levend en wel van de confrontatie met de Taliban in het basiskamp terugkeren. Het zijn taferelen die Nederlanders bekend voorkomen, denkend aan de hossende en Heineken zuipende militairen van Dutchbat die in Tuzla de beest uit gingen hangen terwijl er even verderop achtduizend moslimmannen uit Srebrenica als varkens waren afgeslacht door de Servische slagers van generaal Mladic.

De film van Janus Metz is bij momenten niet alleen ongehoord bruut en direct, hij is ook ongezien eerlijk en ontendentieus. Er zijn geen ‘good guys’ of ‘bad guys’, over de motieven van de strijd wordt niet geoordeeld, er zijn geen ingelaste drama’s om de personages en hun geliefden in het thuisfront Denemarken nog wat vetter in de verf te zetten. Wat we wel zien is een ‘Werdegang’ van gewone Deense jongens die gaandeweg hun diensttijd in Afghanistan – of ze nu willen of niet – de oorlog onder hun vel voelen kruipen. “There’s the seduction, there’s the brutalization, and there’s the struggle to remain somehow a human being after the battles, once the silence sets back in”, zo vatte Metz in het kort de lijnen van zijn drama samen.

Metz: “Ik zie mezelf in de eerste plaats als een filmende anthropoloog. In Armadillo tracht ik de morele dilemma’s in beeld te brengen van de protagonisten die hun taakopdracht in de gevarenzone van de provincie Helmand tot een goed einde proberen te brengen. Ik ben me ervan bewust dat ik bij dit project gedwongen was een ambivalente positie in te nemen. Als filmmaker ben je een onderdeel van het conflict, en tegelijkertijd bewaar je afstand om het te kunnen filmen. Hoe vaker ik een uniform droeg, net als de soldaten waarmee ik op pad was, hoe meer ik me ook zelf als een soldaat begon te gedragen.”

“Ik was ook erg geinteresseerd in de interactie tussen onze soldaten en de Afghanen. Maar het was moeilijk om een helder beeld van die Afghanen te krijgen omdat we ze nooit op een normale manier konden benaderen. We kwamen altijd in zwaarbewapend konvooi hun akkers op rijden om de boel te inspecteren, wat heel intimiderend moet zijn overgekomen. Ik heb veel met onze tolken gesproken. Die hebben me zo goed als ze konden proberen duidelijk te maken hoe het is om momenteel in Afghanistan te leven. De vraag wat onze hele militaire aanwezigheid ginder eigenlijk teweeg brengt is natuurlijk heel cruciaal maar ook penibel. We proberen een soort van illusoire veiligheid te creeeren door zoveel mogelijk specimen van een grotendeels onzichtbare spookachtige vijand over de kling te jagen. Waarbij ook nogal wat burgers per ongeluk om het leven komen. De oorlog tegen het terrorisme is zo verdomd complex geworden.”

“Natuurlijk gaat er van het verschijnsel oorlog ook een bepaalde aantrekkingskracht uit. Dat mag je niet uit het oog verliezen. Mijn benadering van dit conflict in Afghanistan was een filmische, sommigen zouden zeggen een artistieke. Ik wilde proberen vast te leggen wat het betekende voor de soldaten om de dood van zo nabij te ervaren. Hoe de soldaten de werkelijkheid van de missie in Helmand ervaarden. Wat hun zelfbeeld was. Hoe ze hun positie als uitgezonden militairen precies opvatten binnen deze strijd die gaande is. Deze laatste aspecten van hyperrealiteit om met Baudrillard te spreken, en van het beeld dat de soldaten van zichzelf hadden, interesseerden me nog het meest. Kunnen we begrijpen van welk groter proces we deel uitmaken als we bezig zijn aan zo’n gewelddadige missie waarbij we de dood in de eerste graad in de ogen moeten kijken en misschien wel zelf moeten doden? En wat gebeurt er daarna? Hoe zien de soldatgen zichzelf als soldaten? Ze hebben allemaal talloze oorlogsfilms gezien, ze leven in een besloten gemeenschap waar je volgens een bepaalde viriele code geacht wordt jezelf sterk te houden en onder zware druk te presteren. Waar je geen doetje mag zijn, stand moet houden als je wordt aangevallen, en luid en duidelijk dient te communiceren. Wat doet dit met zulke jonge mensen?”

“Het is waar dat ik gedurende mijn verblijf op Armadillo, waar ik in zes maanden tijd vier keer naar toe ben gereisd en in totaal drie maanden heb doorgebracht, verplicht was om hetzelfde uniform te dragen als de soldaten van de platoon die ik volgde. En ook al is het me wel geleerd hoe ik een wapen diende te gebruiken, ik heb het gelukkig nooit in de praktijk gebruikt. De kwestie van identificatie met het subject van ons filmproject, is bijzonder gecompliceerd. Het heeft natuurlijk consequenties, maar is ook onvermijdelijk als je jezelf tot doel stelt zo dicht mogelijk op de huid te zitten van je onderwerp. Cameraman Lars Kree en ik hebben er hard voor moeten werken om door de anderen als een volwaardig onderdeel van de platoon in de groep te worden opgenomen. Er was sprake van een vertrouwensband. Maar hoe intenser je je met de soldaten inlaat, hoe moeilijker het wordt om afstand tot de oorlog te kunnen bewaren. Hoe vaker je een uniform aantrekt, hoe meer je dat uniform wordt. Ik ervaarde dat ik met een uniform aan ook echt anders ging staan, bewegen, praten, handelen. Hoe langer Lars en ik ons in de oorlogszone ophielden, hoe meer wij ook zelf verwerden tot soldaten.”

“De Deense soldaten waarmee ik verkeerde, hadden een heel sterk besef van urgentie. Ze wisten heel goed waarom ze in Afghanistan dienden. Ze waren daar – en ik gebruik nu hun eigen woorden – om de “voorwaarden te creeeren voor een veilige situatie in de provincie Hellmand”. In de praktijk betekende dat het uitschakelen van de opstandelingen. De Taliban moest worden uitgeschakeld opdat het opbouwwerk zou kunnen beginnen. Met dit soort redeneringen rechtvaardigde men de wrede praktijk van de missie. Natuurlijk is de vraag gerechtvaardigd of de aanwezigheid van zoveel westerse troepen in Afghanistan niet juist een averechts effect heeft. Of we met het proberen te creeeren van een veilige situatie niet juist de opstand aanwakkeren? Hoe intimiderender de troepenmacht is die in Afghanistan te werk gaat, hoe meer verzet er zal zijn tegen onze aanwezigheid.”

“De spelregels waaraan Lars en ik moesten voldoen, en die we vantevoren met de Krijgsmacht hadden doorgenomen, waren uitermate liberaal. Er werd ons weinig in de weg gelegd. We konden filmen wat we wilden zolang we de uitvoering van de operatie en veiligheid van de manschappen maar niet op het spel zouden zetten. Feitelijk hadden we carte blanche. Nogal opmerkelijk als je erbij stilstaat. Ook het leger was er blijkbaar mee gediend dat er een grondig en reeel beeld van de Deense ISAF-missie aan het publiek zou kunnen worden getoond. We hoefden de zaak niet vrediger of mooier voor te stellen dan die was. Ik weet niet of ons in enig ander land dan Denemarken zoveel privileges vergund zouden zijn geweest. Denemarken is vergeleken bij Nederland en de VS behoorlijk onschuldig door de recente geschiedenis heen gekomen. Wij hebben geen deel gehad aan Srebrenica of Abu Graib.”

“Er komen scenes voor in de film die erop wijzen dat ook de Denen niet helemaal schone handen kunnen houden in een oorlog. Opnamen van oorlogshandelingen die op of over het randje verkeren van een oorlogsmisdaad. Ik denk dat het publiek ook die beelden moet zien. Ik kan er niet over oordelen vanuit militair of krijgsrechtelijk perspectief. Mij gaat het om het menselijke aspect van die bewuste confrontaties. Wat ik wel kan zeggen is dat we – voor de liquidaties plaatsvonden – hevig onder vuur werden genomen door opstandelingen. De vijand was op gegeven moment minder dan vijf meter van ons verwijderd. De kogels vlogen ons om de oren. Een van onze jongens wierp een granaat in de greppel waar de Taliban zich verscholen hadden, en viel vervolgens met een ander aan. Of hierbij alles geschiedde volgens de Conventie van Geneve en de regels van het oorlogsrecht, durf ik niet te zeggen. Dat wordt opgengelaten in de film. Het is aan de kijker zelf om te oordelen. Die scenes van het gevecht vertonen we in hun geheel. Het is wat je noemt een real take. De camera liep door en we hebben er ook later niet meer in gesneden.”

“Wat mij vooral interesseert inzake dat gevecht en de liquidaties, dat is niet of er juridisch gezien sprake is van een misdaad maar wat er allemaal heenging door de hoofden van de jongens die erbij betrokken waren. Wat beleeft de soldaat die zo hevig wordt beschoten en op gegeven moment het bevel krijgt om aan te vallen en de greppel op te bestormen wetende dat daar de vijand op je wacht die het op je leven gemunt heeft en zopas twee van je kameraden met kogels heeft verwond. Hoe beleef je die werkelijkheid als je toch al een beeld van de vijand hebt als een godsdienstwaanzinnige moslimfundamtalist die bereid is zichzelf dood te vechten tegen een westerse overmacht om als martelaar in het paradijs te komen? Hoe houd je in zo’n geval je zenuwen in bedwang en doe je wat je geacht wordt te doen terwijl je tegelijkertijd ook geacht wordt mens te blijven? Hoe bewaar je in zo’n situatie een balans tussen ratio en handeling?”

Het vuurgevecht levert de heftigste scenes op uit de documentaire. Na het gevecht is te zien hoe de Denen nieuwsgierig hun dode vijand inspecteren. Hoe ze – als vissers die hun buit aan boord hijsen – een kluitje graatmagere Afghanen met baarden uit de sloot tevoorschijn trekken. Gehavende lichamen van met modder en klei en bloed besmeurde mannen in lange gewaden. De lijken worden op rudimentaire wijze ontdaan van hun wapengerei, het dode vlees wordt met ruwe halen gescheiden van de geweren en granaatwerpers. De dode Taliban worden met interesse en bekeken. In de woorden van sommigen is zelfs een vleugje medelijden te bespeuren. De soldaten verlaten het terrein in een euforische stemming. Eindelijk is het ze gelukt om enkele krijgshaftige kerels uit de doorgaans onzichtbare gelederen van de vijand te grazen te nemen. De Denen hebben ontzag voor de opstandelingen, die aan durven te vallen zelfs al zijn ze met een factor tien in de minderheid.

Metz: “De jongens die ik gevolgd heb in de strijd zijn geen van alle monsters. Maar de kijker kan zien dat ze ook de duistere kanten van de oorlog niet uit de weg gaan. Dat ze zich daar op een bepaalde manier juist toe aangetrokken voelen. Ze zijn benieuwd hoe het voelt om te vechten, om oog in oog te staan met de dood. Ze willen de bovenste laag van de werkelijkheid afschrapen en een nog diepere realiteit ervaren. Ik denk dat het volstaat om eens een lasergevecht of paintball wedstrijd op de kermis mee te maken om te begrijpen wat ik bedoel. Sociologen spreken van “jouissance”. De kick van de ultieme ervaring.”

“Ik heb het erg moeilijk gehad met sommige beslissingen die ik in deze film heb moeten nemen. Welke scenes ik wel en niet zou vertonen. Het moge duidelijk zijn dat de release van Armadillo niet voor alle soldaten uit de documentaire een pretje is geworden. Ook ik heb me het hoofd gebroken over mogelijke gevolgen die mijn film zou kunnen hebben voor de betrokkenen. Ik betreur dat het zover is gekomen, maar het dilemma waar ik voor stond was: wat voor film durf ik uiteindelijk te vertonen zonder ofwel de soldaten ofwel de werkelijkheid te compromitteren? Wat weegt zwaarder? Wanneer wordt het kunnen vertonen van een film belangrijker dan de problemen die het veroorzaakt voor een individu? In zekere zin is dit project me boven het hoofd gegroeid.”

Mads

“Ik kan niet precies aangeven waar mijn grenzen hebben gelegen tijdens het filmen. Misschien heb ik mijn eigen limieten bij dit project wel overschreden. Het was hard werken, we hebben risico’s genomen, zijn tot de bodem gegaan van ons kunnen. Net als de troepen hebben we ons eigen leven voor deze missie in Helmand in de waagschaal gelegd. Maar het is het waard geweest. Er komt een punt dat je je af begint te vragen wat het belang is van het materiaal dat je op film vast hebben weten te leggen. Of het belang van een vertoning van dat materiaal aan de buitenwacht uiteindelijk niet groter is dan de private besognes en belangen van de soldaten die zich door de documentaire benadeeld of verraden zouden kunnen voelen. Of die te maken krijgen met onvoorziene repercussies. Dat is een pijnlijke afweging. Het belang van de film overstijgt uiteindelijk dat van de makers en de protagonisten. De film gaat niet alleen een select groepje Denen aan. De film gaat miljoenen mensen aan. Het hele project is me in dat opzicht weldegelijk boven het hoofd gegroeid.”

“Ik denk nog vaak aan Mads en Daniel en de andere soldaten met wie we op patrouille zijn geweest en bijna op intieme voet zijn geraakt gedurende al die maanden. Ik ben benieuwd hoe het alledaagse leven voor hen nu voelt, na in Afghanistan te hebben gediend. Of de stilte van het gewone leven hen niet oorverdovend overkomt. Hun ervaringen in Afghanistan zullen altijd een deel van hen blijven. De meeste mensen slagen erin hun ervaring een bepaalde zin en kadering te geven. En gaan dan weer voort met hun leven. Ik bleek daar zelf ook toe in staat na alle opnamen in Afghanistan. Ik denk dat mensen een wonderbaarlijk incasseringsvermogen hebben.”

“Sinds Armadillo in roulatie is gekomen, heb ik de soldaten niet meer gesproken. Dat komt omdat ik veel weg ben voor promotie van de film. Maar ook omdat velen van hen niet meer met me willen praten. Het is duidelijk dat sommige cadetten heel nerveus geworden zijn van de nakende release, en zich door mij verraden voelen. Zeker nadat het gevecht met die Taliban een eigen leven is gaan leiden in de media en de politiek. Tegelijkertijd zijn er ook soldaten die van mening zijn dat dit een film is die echt gemaakt moest worden. Dit is hoe het is. Ze zijn blij dat er eindelijk een film is die geen bullshit verkoopt. De jongens die je in de film kunt volgen hebben de documentaire allemaal gezien. Sommigen van hen wel drie keer. Het spectrum aan emoties dat werd aangeboord bij de vertoning was voor iedereen dan ook behoorlijk groot. Sommigen waren tevreden, anderen hebben gehuild. Sommigen waren boos op mij, anderen waren me dankbaar. Maar verder wil ik hier niet over praten. Het ligt allemaal heel gevoelig. Ook voor mij.”

© Serge van Duijnhoven / IFA-Amsterdam 2010

Armadillo werd in Cannes afgelopen voorjaar bekroond met de Grand Prix van de Semaine de La Critique. De documentaire zal komend najaar te zien zijn in VPRO Holland Doc (tv) en is geselecteerd voor IDFA 2010

FILM CREDITS

Armadillo (2010)

Janus Metz, Denemarken, Zweden, 2010, kleur, 35mm, 100 minuten, Denemarken Documentaire

regisseur: Janus Metz , camera: Lars Skree , componist: Uno Helmersson , montage: Per K. Kirkegaard , produktie: Ronnie Fridthjof voor Fridthjof Film A/S, Sara Stockmann voor Fridthjof Film A/S
Co-production Auto Images , Commissioning Editor Sune Roland voor TV 2 Denmark

TRAILER via website Armadillo:

http://www.armadillothemovie.com/armadillo/TRAILER.html

TRAILER via website IDFA:

http://www.idfa.nl/nl/tags/project.aspx?id=6bb9c901-a1a5-4b60-9145-199a9809b819

zie ook het commentaar op de film van oorlogsreporter Joeri Boom nav de IDFA-voorvertoning:

http://www.cobra.be/cm/cobra/film/101022-sa-armadillo

http://cinemaredux.wordpress.com/2010/10/22/armadillo-als-een-nacht-met-duizend-sterren-pieter-de-crem/

© sergevanduijnhoven@skynet.be

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s