BERICHT VAN DICHTERS DANSEN NIET – AGENDA 2011

BERICHT VAN DICHTERS DANSEN NIET – AGENDA 2011.

 

DICHTERS
DANSEN
NIET

 

nieuwsbrief december 2010

 

Serge van Duijnhoven   –   Fred dB

Brussel/Groot-Bijgaarden, december 2010,

beste vrienden, geinteresseerden, en concertbezoekers van Dichters Dansen Niet,

dank aan al wie zich recentelijk via onze Reverbnation webstek geabonneerd heeft op de tweemaandelijkse Dichters Dansen Niet- Nieuwsbrief. Fred de Backer en Serge van Duijnhoven kunnen melden dat de band begin november 2010 begonnen is met het verrichten van de eerste stemopnamen voor het nieuwe album (de opvolger van Obiit in orbit, Bloedtest en Klipdrift) dat VUUPROEF zal gaan heten.

De eerstkomende live-optredens zullen na nieuwjaar plaatsvinden oa. in Eindhoven, Amsterdam, Brussel en nog zo een aantal plaatsen met podia en theaters die nog immer een hart bezitten voor lyriek, muziek en cultuur. We houden u alleszins verder op de hoogte.

Op 2 maart 2011 wordt het nieuwe boek van Serge gepresenteerd in Club Biterzoet in de Spuistraat te Amsterdam. AIGRE AMER is de titel – net als de plek van presentatie: BITTERZOET. Het betreft een lyrische hommage aan zanger, liedjesschrijver, erotomaan en artistiek fenomeen Serge Gainsbourg. Op deze avond van de tweede maart, tevens de sterfdag van Gainsbourg (die dan precies twintig jaar dood zal zijn), geeft Dichters Dansen Niet i.s.m. Uitgeverij Nieuw Amsterdam een concert met uiterst zinnelijke lyriek en muziek die de Franse zanger op het lijf is geschreven. Daarna worden er geheel in stijl Franse plaatjes gedraaid door oa. Guuzbourg, zal singer-songwriter Rick Treffers een afscheidsoptreden verzorgen, en entameert De Groene-illustrator Gabriël Kousbroek een geanimeerde Karaoke-discoshow met chansons die van Gainsbarre-achtig commentaar worden voorzien door het Haagse no-nonsense duo Motortoaster.

Bosz de Kler neemt met accordeon de franse honneurs waar aan het begin van de avond, tijdens een lichtvoetige hommage aan Boris Vian en nachtclub Milord L’Arsouille. Entrée zal vijf euro bedragen. In de bijlage treft u nadere info aan uit de aanbiedingsfolder van Nieuw Amsterdam. De komende uitgave van DDN (Vuurproef), zal naar verwachting over een jaar het licht kunnen zien. We gaan er enthousiast en gedecideerd mee verder.

Mocht u vragen hebben omtrent boekingen, data, mogelijkheden voor optredens of anderszins: wees dan welkom om Fred of Serge te contacteren op onderstaande adressen. Gedichten, nummers en video’s van de band kunt u beluisteren of bekijken via onze website op Reverbnation. Ook live concerten van DDN incl. improvisaties van Fred , Sainkho Namtchylak (keelzang uit Tuva), Uli Sobotta (eufonium) en jazzlegende Ali Haurand (contrabas) zijn daarop gratis en gemakkelijk af te spelen.

Hopelijk zien we u op een van onze concerten in het nieuwe jaar, opgezweept – al dan niet op de dansvloer – door de bitterzoete en zinderende DDN-cocktail van Gainsbourgiaanse lyriek en muziek die we u graag met smaak en goesting willen bereiden. La classe, quoi!

Serge van Duijnhoven & Fred dB

Brussel                         Groot-Bijgaarden

http://www.reverbnation.com/dichtersdansenniet



still uit de videoclip ‘Zumi Pop’, Obiit in orbit (De Bezige Bij) © Vj Gabriel Kousbroek

 

 

A G E N D A                     D D N                             2 0 1 1

 

  • Zaterdag 15 januari, Serge leest Japanse poëzie voor (Tokyo Gagaga) van dichter-regisseur en bête noir Sono Sion, tijdens fest. Klara in het Paleis, Bozar Brussel B, 13u
  • Donderdag 27 januari, Gedichtendag concert DDN ‘t Trehuysch, Dorp 46, B-3920 Lommel www.ccdeadelberg.be , 22u
  • Woensdag 2 maart, DDN brengt lyrische en muzikale hommage aan Serge Gainsbourg in Club Bitterzoet, Spuistraat Amsterdam NL, 21u
  • Woensdag 16 maart, DDN in de Openbare Bibliotheek Eindhoven NL, aftrap van het lyrisch-fotografische kunstproject De Dichter Ontdekt door Stichting Poëthement, 20u

 

 

Dichters Dansen Niet –  Mailing list – 2010/2011

http://www.reverbnation.com/dichtersdansenniet

 

CONTACT

DICHTERS DANSEN NIET

Kandelaarsstraat 23

B-1000 Brussel België

t/f: 32 (0)2 511 1880

mob: 00 32 477 767 300

sergevanduijnhoven@skynet.be

Van Dichters Dansen Niet zijn de volgende titels verkrijgbaar:

 

Klipdrift dichtbundel met CD

NIEUW AMSTERDAM ISBN 9023410815


 

Klipdrift is een overrompelende ervaring: muziek, spoken word, sferische collages, klankexperimenten en messcherpe audiocollages wisselen elkaar in hoog tempo af.
De gedichten van Van Duijnhoven spelen zich vaak af in de onderbuik van Europese steden, aan de rafelranden van het gezichtsveld. En altijd gaan ze over de verlokkingen van de liefde, de slijtageslag van het hedendaagse leven en de onvermijdelijk naderende dood. Fred dB geeft met zijn intelligente en subtiele soundscapes de gedichten van Van Duijnhoven een wonderschone gelaagdheid.

 

Bloedtest dichtbundel met CD

DE BEZIGE BIJ 2003 ISBN 9023410815


 

Gedichten over begeerte, illusies, ontheemdheid, emigratie, identiteit, de rusteloze zoektocht naar geborgenheid, en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie. Op de cd wisselen meeslepende muziek, sferische collages en klankexperimenten elkaar af, waarbij de stem van de dichter wordt begeleid door de accordeon, hoorn, doedelzak, cello, piano en contrabas van het gezelschap Dichters Dansen Niet – Fred de Backer, Gabriel Kousbroek, Bosz de Kler, Ali Haurand, Walter Janssens, Antonia Libert, e.a. Ook Hugo Claus verleende aan dit album zijn medewerking en is op de cd te beluisteren met bewerkte stemfragmenten uit Het graf van Pernath.

 

Extra informatie: ingenaaid, 104 pagina’s, gewicht: 180 gram, formaat: 200 x 150 x 10 mm Uitgeverij De Bezige Bij 2003 Prijs Euro 19.50

Obiit in orbit – aan het andere einde van de nacht

dichtbundel met CD

DE BEZIGE BIJ 1999/2002 ISBN 9023447891


De pers over het album Obiit in Orbit:

‘Orbiit in Orbit is een stemmige, bij vlagen overrompelende cd die tot het beste behoort

wat muzikanten en dichters  in Nederland hebben bereikt.’

– Menno Wigman in Trajectum, januari 1999

Extra informatie: Ingenaaid – Met illustraties en stickers, Verschenen: 1999 (1) augustus 2002 (2), Gewicht: 240 gram, Formaat: 243 x 172 x 10 mm, De Bezige Bij Prijs Euro 22.46

 

 

DJ Fred db – Fred de backer

percussie, soundlab, frequency wizzard, live- en studiomixages


Fred de Backer (1967), (Dj) Fred dB, – voorheen vooral bekend onder zijn alias DJ Fat – heeft menige muzikale waters bevaren en heeft onder andere een carrière als drummer achter de rug bij de alternatieve Brusselse rockgroep Villa Basta en het dansgezelschap Everything Is Slow. Hij is producer en geluidsman van zijn eigen muziekstudio Fats Freds Akoestische Tuin, en draaide jarenlang als vaste dj in de Gentse house- en technoclub vooraanstaande dance club Decadance. Fred is gekend om zijn veelzijdige, subtiele muzikale benadering die hem gewild maakt zowel binnen het circuit van de danstempels als bij het (dans)theater dance circuit als voor de meest uiteenlopende artistieke projecten. In Brussel draaide deze allround soundlaborant in div. bars en clubs en gelegenheden zoals Pablo Discobar, l’Accrobat en Cinema Nova. In 2003 introduceerde hij onder de naam Permafrozzt als eerste de uit Rusland en de Oekraiene overgewaaide muziekstroming Lowbattery in de Benelux en Zuid-Afrika. Ook stelde hij de cd Shestipaly (= Russisch voor ‘zesde teen’) samen, een collectie van Lowbattery nummers die hij in zijn studio verzamelde, selecteerde en inblikte. Samen met dichter Serge van Duijnhoven en VJ Gabriel Kousbroek maakt hij deel uit van de vaste kern van vormt hij het gezelschap Dichters Dansen Niet. Voor Djax Records en uitgeverij De Bezige Bij produceerde hij de cd’s Obiit In Orbit en Bloedtest.

SERGE VAN DUIJNHOVEN

lyriek, teksten, voordracht



De afgelopen jaren bouwde de in het Noord-Brabantse Oss geboren schrijver, dichter en historicus (1970) een reputatie op als een eigenzinnig dichter en performer.Serge debuteerde in 1993 als dichter met de bundel Het paleis van de slaap, en richtte met een groep Nederlandse en Vlaamse beeldend kunstenaars en theatermakers het tijdschrift MillenniuM op alsmede de Kunstgroep Lage Landen. Verbleef in Sarajevo voor De Morgen en de Volkskrant. Recente publicaties: De zomer die nog komen moest (Nieuw Amsterdam), Klipdrift (Nieuw Amsterdam),{Balkan}Wij noemen het rozen (Podium), Fotografen in tijden van oorlog (Ludion), Bloedtest (De Bezige Bij) en Ossensia Brabantse gezangen (Jan Cunen). Serge van Duijnhoven is freelance medewerker van Vrij Nederland, http://www.cobra.be en het International Feature Agency. Sinds 2008 brengt hij als “Onze Man In Cannes” verslag uit van de hedendaagse filmwereld voor uiteenlopende nieuwe en periodieke media in Nederland, Vlaanderen, Amerika  en Azie.

DDN Live in the Night-theatre Sugarfactory Amsterdam 12th of May 2005

Stefan Robbers - Eevolute - Joining the Poets

Rick Treffers en Serge Live in de Kunstmaan Utrecht maart 2010

A1_poster_bloedtest_(nl)


  1. S E R G E V A N D U I J N H O V E N

 

DICHTERS
DANSEN
NIET

F R E D dB


WEBSITE

 

http://www.reverbnation.com/dichtersdansenniet

Fred dB

Advertenties

VAN EROS EN DE ROES – Doorheen de kieren van de Tijd

Lezing Avond vd Filosofie, SG St Ursula, Horn

vrijdag 19 november 2010

 

voor Aline d’Haese en haar leerlingen van het Sint Ursula te Horn (Limburg, NL)


‘Het is tijd om u te beroezen! Bedrink u, bedrink u telkens weer, zodat u geen slaaf wordt van de Tijd, die ons tot martelaren maakt! Word dronken van wijn, poëzie of deugd, wat u maar wilt.’

–       Charles Baudelaire, Le Spleen de Paris (Dronken van weemoed, vert. Nannie Nieland-Weits)

Harry Smith Interconnected

 

DE VOORSPOED IS EEN JUNK

het is de toon die de muziek

sneert zij en daarbij

of ik haar even in wil smeren

zij drukt puistjes uit op mijn rug

zij gilt als ik in haar vingertop bijt

zij doet voor hoe ik wel mijn tanden

in haar zetten mag, zij die mijn rug en

bovenarmen openrijt en gromt als ze klaarkomt

zij die het liefste op mij rijdt, bovenop mij

zij zegt `dan heb ik overzicht’

zij veldheer die neerkijkt op het slagveld

zij leest een boek dat heet `de voorspoed

is een junk’ – (nee, zegt zij, je kijkt

scheel als een rund. De voorspoed

is een juk. Iets waar je je aan vertilt

zij kan het weten)

. . .

Ceci n'est pas une orgie. Schilderij van Arianne Douws, BrusselSchilderij van Arianne Douws, Brussel: Ceci n’est pas une orgie

 

Mijn naam is Serge R. van Duijnhoven, geboren op de tiende dag van de negende maand in het jaar van de hond 1970. Met mercurius en venus in middelloodlijn boven de evenaar, en de maan vol. Geboren dus, zoals de Fransen zeggen, met het getijde in mijn hart (la maree dans le coeur). Actief op professioneel gebied in de wereld van de cinema, letteren en de muziek. Libertair van geest; heb een afkeer van bekrompenheid en dwang. ik verkies meer de tedere anarchie, de uitdaging van het moment. Eigenlijk ben ik vooral Leo Ferre erg toegenegen die zong: ‘Ni Dieu Ni Maitre’. we behoren alleen onszelf toe. Vanuit die belangeloze positie kan met een beetje geduld en inventiviteit wellicht iets tevoorschijn komen wat niet gebonden is aan het kortstondig schuimbekken van de al te grote verwachting en de kettingen der afhankelijkheid. Is dit te hoog ingezet? Integendeel denk ik, het is bewust van nul beginnen om zo geleidelijk aan steeds wat verder te kunnen geraken op het jaag- en klauterpad van liefde en van welbevinden: van het motto van Lord Byron (‘The great object of life is senstion – to feel that we exist, even though in pain.’) en van William Blake (energy is eternal delight) tot de spirituele onthechting van het leven waar Boeddhisten en Taoisten naar streven. Leve de intieme verbanden en verbintenissen; weg met onze kettingen! No More Chains! Tederheid, luciditeit en sensualiteit vind ik eigenlijk net zo belangrijk als het bereiken van een koele of verzengende extase. Maar misschien heb ook ik toch wel ergens het verlangen om me vroeg of laat helemaal over te kunnen geven aan die kloppende, sluimerende oerkracht binnenin. De draak van de passie die zovaak vanuit ons inwendige omhoog kruipt en zijn bek zover openspert dat je de geur van zweet, alsem en lichaamssappen kan ruiken die uit diens porien en neusgaten zich een weg naar buiten zoekt. Als hete stoom…  De diepe drang naar een even genadeloze als genadevolle versmelting van de Lust, de Liefde, de Rede en het Leven. A Marriage of Heaven and Hell, zoals beschreven door William Blake:

‘Zij die hun verlangen beteugelen, doen dat omdat het  hunne zwak genoeg is om beteugeld te worden; waarop de beteugelaar oftewel de rede zijn plaats inneemt & heerst over de on(wel)willenden. En aangezien het verlangen stapsgewijze wordt beteugeld, wordt het passief tot niet meer dan een schaduw van verlangen resteert…’

‘Those who restrain desire, do so because theirs is weak enough to be restrained; and the restrainer of reason usurps its place & governs the unwilling. And being restrain’d it by degrees becomes passive till it is only the shadow of desire.

(…)’

– William Blake, fragment from `The voice of the devil’ – as written in The Marriage of Heaven and Hell

Psychologen hebben de diepe behoefte aan – en lust tot – overgave en verschalking vaak in stelling gebracht bij de theorieen die de aantrekkelijkheid van de zo populaire transylvanische graaf Dracula en andere duistere ikonen van onze fantasiewereld moeten verklaren. Wellicht dat diep in ons bloed en merg nog de driften en behoeften bestaan van het primordiale wezen dat in groepen leefde en jaagde, de jagers-roedels met alfa mannetjes en vrouwtjes en anderen die zich in de pikorde omhoog probeerden te woelen, bijten, wroeten, stoten, schuren, schaven en likken. Een vriendin van me vertelde ooit droogjes waar de menselijke gewoonte van het zoenen volgens haar vandaan zou komen. ‘van prehistorische manieren,’ wist ze. ‘Van ouders die het eten van hun kinderen voorkauwden, en het doorgaven via de mond.’ Ze voegde daar nog aan toe, wijzend op haar jack russel terrier: ‘honden doen dat overigens nog steeds.’

En wij menshonden? wij spelen de liefde, sluiten onze begerige ogen als immer hongerige zuigelingen, proeven van de sappen van de ander, proberen bij momenten even de bevrijdende staat van voorwereldlijke regressie te bereiken, het ontstijgen aan de gravitatie van de natuur, de aarde, de Tijd en de geest. Bij felle onverhoedse passie bijten we in de lip of tong van de ander, tot we een druppel bloed op kunnen likken. hoe onze geest dit gedrag moet verantwoorden? Ons intellect hinkt vaak achter dat briesende dier in onze genen aan. uiteindelijk zal het rusteloze zoeken iets zijn waar we allemaal aan ten prooi blijven, denk ik. Eros, de lust, is per definitie onbevredigbaar. Het moet met de evolutie te maken hebben, want bij de mogelijkheid van het bereiken van totale bevrediging, zou geen enkel wezen nog de behoefte voelen om zich voor de liefde in te spannen en dus voort te planten. Een beetje als koala beertjes zouden we worden, de lieflijk pluizige beesten uit het oosten die lam en sloom en sexueel ongeinteresseerd hun dagen en nachten doorbrengen, hangend in de takken. En die je alleen nog in zoologische tuinen tegenkomt, vereenzaamd in een langzaam tot stolling gekomen, passief geworden verlangen. Zie Blake.

x x x

BIJ EEN SLAPEND LICHAAM

ik wil dat je mijn bedoelingen doorgrondt

ik wil dat je de prijs leert kennen van verlangen

de schaal van de dingen, ik wil dat je begrijpt

waarom men het aardige overwaardeert

ik wil je horen zeggen:

‘alles dient slechts om te winnen

alles is taktiek; wij spelen

allemaal’

ik wil dat men ons geheim zal bewaren

dat we elkaar geruisloos achtervolgen als jagers

ik wil dat we bereid zijn onze ziel in te zetten

zoals we een munt inwerpen bij een gokautomaat

ik wil de tijd terug dat ik wijs werd uit mijn dromen

ik wil de tekens terug die ik heb nagelaten op je huid

ik wil je kunnen voelen met mijn ogen in het donker

met mijn nagels nagaan waar je bent geweest

ik wil dat jouw handen me in koele lakens wikkelen

ik wil zien of jouw zijde van de mijne verschilt

ik wil dat je sterker zal zijn naar het einde

ik wil je laten denken dat je wint

ik wil dat je je zonder mij een vondelinge voelt

een zonderlinge in de leegte, ik wil je zien bibberen

in de kou. Ik wil je zwetend, warmgewreven

ik wil je hondsdol, biddend om berouw

ik wil dat je mijn gedachten kunt lezen

ik wil dat je mijn hart kunt raken

op de fatale plek. Het interesseert me niet

wie de wonden veroorzaakt. Het interesseert me niet

hoeveel het er zijn. Ik wil alleen belang stellen

in wat me beheerst. Ik wil op een prachtige plek zijn

als ik sterf. Ik wil kunnen verdrinken in een Rode Zee

me verwonden aan een giftig koraal, aanspoelen

op een hagelwit strand, met jouw smaak nog

op mijn lippen. Ik wil je niet kapotmaken

ik zou niet weten hoe. Kon ik maar zeggen:

ik zal je vergeten. Kon ik maar zeggen:

ik laat je met rust

maar liegen kan ik niet

ik denk altijd aan je, echt waar

ik zal voor altijd aan je denken

Harry Smith - Fractal

RILBIBBER

Als de mens al ergens een bewijs van is, dan is het wel van zijn onmacht om iets wezenlijks te bereiken in het licht van de naderende dood… Tegen zijn vriend Freddy de Vree verkondigde de even bewonderde als gevreesde romancier W.F. Hermans ooit: ‘Men zegt wel, het leven is een labyrint, in die zin dat het leven zou bestaan uit een zeer moeilijke som, waar je uiteindelijk bij de oplossing moet geraken. Maar in het centrum van dat labyrint, daar is naar mijn mening niks… niks… de juwelen van zo’n labyrint vindt men onderweg, soms aan de periferie, niet in de kern. Dat is wezenlijk voor het menselijk leven.’

Misschien geldt dit existentialistische principe ook ten aanzien van wat wij zo zoetgevooisd plegen te omschrijven als ‘de liefdesdaad’, meer specifiek het hengsten en kezen en wippen en rammen en doorboren of doorboord worden tot men erbij neervalt of leegloopt of doodbloedt – of in ieder geval tot men een climax bereikt of orgasme beleeft en de lust en ‘rilbibber’[1] in ons lijf voor even weet te bezweren. Het galopperen richting de eindspurt van bevrediging en de lome zaligheid van de metastase, betreft een tamelijk primaire en egocentrische bezigheid (zoals eten of slapen), waar de mens behalve tegemoet te komen aan een van zijn levensbehoeften toch nog een uitermate gecompliceerd en electrisch geladen intrige van verleiding, vervulling en misleiding (‘spel van naald en draad’) van heeft weten te maken.

De dwaal- en omwegen die we op onze verknipte en verneukeratieve strooptochten in het biologische liefdestraject afleggen, zijn menigmaal spannender en verrassender dan de plompe geestelijke en lichamelijke verrichtingen die recht op het doel afgaan en er allicht in slagen de sexuele onrust voor even tot bedaren te brengen. Dekhengst of dichter, tankgirl of bakvis – tijdens onze dwaaltochten in de liefde vervullen we allemaal een ambivalente rol: die van jager en opgejaagd wild. Ook de meest vrijpostige exploten van de foeragerende mens die op zoek is naar een prooi om te verschalken, gedragen zich alsof ze ergens voor op de vlucht zijn. Jakkeren voort alsof niet zij de geëxalteerde rovers zijn, maar de onzichtbare vijanden die hen op de hielen zitten.

Als de roes van het genot is binnengehaald en het ooft op de velden is geplukt, gegeten en verteerd  – neemt een leegte bezit zowel van de minnaars als van de ruimte. De hitsige cq. hectische keten van ‘actie en reactie’ mondt uit in een vacuum dat door de orgiastische mens merkwaardig genoeg niet als leegte of gemis wordt ervaren. Zelfs niet als een ongemak of ergernis. Verre van. Het vacuüm dat op ieder hoogtepunt volgt – zoals na een keer uitademen de longen onvermijdelijk weer beginnen met het inademen van verse lucht – vervult de verzadigde minnaar of minnares met een loom gevoel van welbehagen. Het gevoel van een  volle maag. Merkwaardig, aangezien hij of zij zich zojuist van een bijzonder energierijke hoeveelheid hunkering heeft ontdaan.

Het vacuüm dat volgt op het orgasme, stolt in de tollende cementmolen van de bloedbaan onvermijdelijk tot een stroperige brei van welbehagen, loomheid en voldoening. Een uitermate bedwelmende, verslavende en indoctrinerende cocktail van primaire sensaties die, hoe kortstondig het hoogtepunt ook moge zijn, lichaam en geest een pesterig voorproefje lijken te willen bieden van het ‘moment buiten de tijd’, de belofte van het nec plus ultra die de profeten der verlossing waar ook ter wereld hun volgelingen voorspiegelen –  een beetje zoals boeren hun ezels in beweging proberen te krijgen via de beroemde truc van de stok met de wortel die men voor de snoet van het muildier aan een touwtje laat bungelen. Ze hopen natuurlijk dat hun kwezeltjes net zo dom op de wortel af blijven happen, als de ezeltjes uit de overlevering. Tot de clerici de meute precies hebben waar ze haar hebben willen: voor de poorten van het paradijs, bij de ingang van het nirvana, het walhala, de hemel. Of welke tolbrug de stalmeesters ook in petto hebben voor hun balkende zieltjes waarmee ze – gezeten op hun rug – de eeuwigheid tegemoet denken te kunnen sjokken.

Natuurlijk snakken de koppigsten ernaar het ongewenste gezelschap van hun ruggen te slingeren. Ook zullen ze het hartgrondig zat zijn om als leeghoofdige muildieren nog langer achter een stupide peen die op en neer danst aan een touwtje, aan te moeten hobbelen. No More Chains – Please!!! Of men nu gewag maakt van mensen, dieren of mensdieren, geen van allen heeft de plicht zich voor de kar te laten spannen van de valse slavendrijvers.

RUILHANDEL

Geen enkel wezen heeft een schuld groter om te lenigen dan het kapitaal van zijn bestaan. A.F.Th. van der Heijden, de grote romancier, schrijft in zijn nauwgezette dagboeknotities die de Arbeiderspers in 2003 onder de titel Engelenplaque uitbracht in de reeks Privédomein (d.d. 12 november 1998): ‘Het is de oudste vorm van ruilhandel: Wij doden de tijd, de tijd doodt ons. Gelijk oversteken…’ Zaken als de verlossing van de menselijke ziel of de voltrekking van het Laatste Oordeel, zullen Leenheer Tijd een rotzorg zijn. Op meededogen hoeft geen mens te rekenen. Maar tegelijkertijd zal deze oerkracht van de pachters op aarde nimmer meer opeisen dan Hem toekomt.. Geen enkel wezen heeft de morele of godsdienstige verplichting om zorg te dragen voor het lenigen van een schuld die groter is dan zijn bestaan vanwege de collectieve last der ‘erfzonde’. De Natuur kent geen goed of kwaad, slechts overwinnaars en verliezers. Zij die omkomen, zij die overleven.

Geen wezen hoeft bang te zijn dat hij de zegen van het paradijs mis zal lopen, als hij niet alle dagen bij wil dragen aan het uithakken en stapelen van stenen in de groeve van het strafkamp waar boven de poort geschreven staat: ‘Arbeit macht Frei’. Het prikkeldraad rondom het kamp is onder stroom gezet met onze leugens over God en Orde en de economische heilsleren van Nut, Nijverheid en Vooruitgang.   Insubordinaat is degene die zich denkt te kunnen onttrekken aan de gangbare loop van de dingen en de orde van de Tijd. Op die manier is ook de liefdesdaad een daad van rebellie, omdat haar hoogtepunt zich afspeelt gedurende een moment suprême ‘buiten de tijd’. Wie eenmaal geproefd heeft van de geneugten die de ‘kleine dood’ (zoals Batailles het orgasme karakteristiek omschrijft) voor ons in petto heeft, weet diep van binnen dat hij eigenlijk niet meer anders wil. In hem knaagt voortdurend het verlangen om terug te keren naar de piekachtige plek in het bestaan ‘waar geen land meer achter ligt…’ De biologische bergtop van de metastase, zaligheid, stilstand van de tijd. Met deze ervaring voor ogen, wenst hij niet langer als de eerste de beste Zwartepiet achter de Goedheiligman aan te hollen en sjokken. Zijn eisenpakket is simpel: hij wil niet meer zo onhandig hunkeren als een loopse teef of kwijlende hond, niet meer zo plompverloren worden blootgesteld aan de nukken en grillen van het weerspannige instinct. En ook wenst hij een flink part van zijn verantwoordelijkheid af te schudden als het gaat om de schaamte en schade die worden toegebracht aan leeftijdgenoten (en derden) die te maken krijgen met de perikels, speldeprikken en strapatsen van de kwelduivel Eros (de lustvolle en plagerige sater van Aphrodite). Hij wil, kortom, bestendiging van de toestand buiten de tijd, de toestand van extase, het ultieme, hij wil een zo efficient en extreem mogelijke verlenging van de toestand van ‘de kleine dood’.

JIJ WORDT MIJN DOOD

`Jij wordt mijn dood’ had ze gefluisterd

ik zei: `zeg dat niet’

maar vond het het mooiste wat iemand mij ooit had gezegd

een tatoeage van kattenogen op haar schouder

Zumi Pop. Ze volgde lessen op de politieacademie

maar ik had nog nooit iemand ontmoet

die er zoveel drugs doorheen kon halen als zij

ze had de pillen uit mijn keel gezogen

de coke uit mijn neus gelikt

`ben je van Mediterrane afkomst?’

`wat zeg je dat chique. Ja,

ik ben van Mediterrane afkomst

een afstammeling van Julius Caesar

ik ben een krab uit de zee

speciaal voor jou aan land gekropen

van je trip-trip knipperdeknip

kom hier met die ET-oortjes van je

dan zet ik er mijn scharen in’

`zet die buitenboord motor van je dan eens aan

Caesar! Varen, man, varen. Volle kracht

de Mediterranee af, aiwiwfowwow’

ergens was ze nog, leefde ze nog, liep ze nog

tripte ze nog. Ergens zoog ze iemand af

dat meisje, dat meisje. Ze klopte, klopte, klopte

op de binnenwand van mijn ziel

`jij wordt mijn dood

zing! dans Zumi Pop

alsof je morgen Zumi Pop

in de vroege ochtend

sterven moest

–       +    –

Serotonin Sea

De moderne mens, onder biologen beter bekend als de homo sapiens sapiens, heeft altijd al gretig gezocht naar manieren en middelen om de schijn en het wezen van het zijn wat meer glans te geven, of op z’n minst draaglijker te maken. Niet voor niets riep de aan chloral verslaafde filosoof Friedrich Nietzsche in De vrolijke wetenschap op om ‘de volledige geschiedenis van de narcotica’ te beschrijven, want: “Het is bijna dezelfde geschiedenis als van de zogenaamde hogere beschaving.’’ Volgens de bioloog Terence McKenna zou het bewustzijn van de vroegste mens bij uitstek zelfs ontstaan zijn door het vermalen, brouwen, kauwen, koken, drinken en proeven van hallucinogene planten op de oervlakten. De dissidente orientalist John Allegro identificeerde de Joden en christenen uit de Bijbel als verslaafde paddenstoeleters.

In Sumerië – de zogenaamd eerste samenleving met alle kenmerken van wat we nu een beschaving noemen – zouden ze 5000 jaar voor onze tijdrekening al opium gebruikt hebben tijdens religieuze rituelen. De Peruvianen cultiveren de cocaplanten al 3000 jaar. Taoïstische Chinese teksten van 3000 VC bespreken het gebruik van hallucinogene paddenstoelen, terwijl Azteken Peyote als geneesmiddel gebruikten en als offerande tijdens religieuze ceremonies. En in Griekse teksten van 300 voor onze tijdrekening werd al gewaarschuwd voor opiumgebruik. Niet toevallig dat er in de aarde rond Delphi, waar het orakel zetelde, sporen van ethyleen, een hallucinogeen gas, zijn aangetroffen. In Homeros’ Odysseus geeft een Egyptische koningin aan Helena ‘Nepenthes Pharmakon’, een pijnstillend drankje dat volgens sommigen verdacht veel op laudanum lijkt.

Bewustzijn en de pogingen om eraan te onstnappen gaan altijd samen en zijn altijd samen gegaan sedert wij aan land zijn gekropen. Zowel bij mens als bij dier dus. Er is niets speciaal menselijks aan het gebruik van allerhande middelen en substanties, noch aan de drang zelve, om een bepaalde roes te bereiken. In zijn boek De ziel van de Aap liet Eugene Marais – zelf een morfineverslaafde – zien dat wilde chacmabavianen bedwelmende middelen (een zeldzame pluimachtige vrucht met psychotrope werking) gebruikten om de saaiheid van het gewone bewustzijn te onderbreken.

Het regelmatige of proefondervindelijke gebruik van bedwelmende middelen met het doel euforie of verdoving te veroorzaken – een gevoel van geestelijk welbevinden en geluk – is een universele remedie tegen de pijn van het bewustzijn. Het is een fundamentele gewoonte van alle wezens. Dierlijk en menselijk.

Het is geen toeval dat de kruistocht tegen de roesdrift vandaag de dag wordt geleid door een land dat gekoppeld is aan de jacht op geluk – de VS. Want het logische gevolg van die onwaarschijnlijke queeste is een puriteinse oorlog tegen plezier. Roesdrift is een stilzwijgend toegeven van een verboden waarheid. Voor de meeste mensen ligt het geluk buiten bereik. Vervulling wordt niet in het dagelijks leven gevonden, maar in het ontsnappen eraan. Aangezien geluk niet verkrijgbaar is, zoekt het meerendeel der mensheid plezier.  Een maatschappij die is gegrondvest op een geloof in vooruitgang (zoals het ‘land van de onbegrensde mogelijkheden’) kan niet toegeven dat er een gewone portie ongeluk bij het menselijk leven hoort. Als gevolg daarvan moeten zij wel strijd voeren tegen degenen die kunstmatig geluk in de roes zoeken.

Roesdrift – het moge duidelijk zijn – heeft sedert het begin onzer herinnering en beschaving een belangrijk onderdeel gevormd van het spirituele en sensuele leven. Om Voelen en Weten te kunnen verenigen in een kosmische omhelzing, is enige intoxicatie wellicht eerder een vereiste dan een overbodige luxe of decadente rariteit. Daar zijn schrijvers als De Quincey, Coleridge, Baudelaire, Gautier, Nerval, Proust, Rimbaud, Conan Doyle, Michaud, Huxley, Kerouac, Burroughs, Ginsberg, Vinkenoog, Hugo Claus (Schaamte) Irvine Welsh – ik doe maar een greep – de ‘bevoorrechte’ getuigen van.

De zogenaamd ‘moderne’ mens heeft allerlei drijfveren die zijn roesverlangens lijken te wettigen: Volgens de gemeenplaats is de drijfveer van het verlangen naar bedwelming escapisme, de drang naar vergetelheid, de suïcidale aantrekkingskracht van het zwarte gat, het wegwissen van het ik in een toestand van gewichteloosheid – en vaak bijna bewusteloosheid, ‘weg zijn’. Maar het menselijk verlangen naar roes is ook een verlangen naar geluk. Welbevinden. Inzicht. Licht. In de roes lukt het ons wellicht doorheen de kieren te gluren van de Tijd die in het dagelijkse leven door het snot van onze beslommeringen zijn dichtgeslibt. De wereld zonder verbanden en gelijkenissen, zonder verbondenheid met mensen en dingen, zonder een netwerk van betekenissen, is een ongelukkige, gemankeerde, gefragmenteerde wereld. In de roes wordt de wereld weer rooskleurig en compleet. Geheel doordrongen van mogelijkheden. Niet grijs en vervelend maar onuitputtelijk. Iets van de monadische eenheid worden we erdoor gewaar van de voorwereldse wereld van harmonie en eenheid die ooit in het oeratoom besloten heeft gelegen. We kunnen heel even een flits opvangen van het Geheim dat aan de oorsprong ligt van dit heelal. De sleutel die als Alpha en Omega het slot op de Tijd kan decoderen.

De factische, zinloze wereld wordt overspoeld door associaties, beelden, betekenissen. Alles kijkt terug.

Ik                     de

Open               deur

De                    opent

Deur                mij

De wereld raakt er weer door bezield. Deze ervaring van zinvolheid is er een van vervulling. Bij Baudelaire, Walter Benjamin, Aldous Huxley en Simon Vinkenoog vinden we heel duidelijk voorbeelden van dergelijke visionaire extase, die mogelijk gemaakt is door een overgave aan de roes. Uiteraard is het evenwicht precair. Het geluk van de verbeelding slaat snel om in een ingebeeld geluk, en het ingebeeld geluk in werkelijke ellende. De ervaring van ultieme harmonie en van nirvana of gelukzaligheid is niet voor dit heelal en leven weggelegd. Het is iets van hiervoor- of namaals.

De ‘correspondances’ die Baudelaire onder invloed zouden ‘vervuld’ hebben, maakten zijn verloren strijd tegen de Tijd niet goed. Zelfs zijn favoriete hulpmiddelen – cocaïne en alcohol – boden geen soelaas, al doet het beroemde fragment uit Le spleen de Paris (1869) misschien anders vermoeden: ‘Het is tijd om u te beroezen! Om niet de gemartelde slaaf van de Tijd te zijn, beroes u onophoudelijk! Met wijn, poëzie of deugd; aan u de keuze’.

In de 20ste en 21ste eeuw is roesdrift en de daarmee samenhangende zoektocht naar erotisch, lichamelijk en geestelijk genot en sensuele dan wel sensationele zaligheid – een constructie geworden die onophoudelijk door onze consumptiemaatschappij wordt gevoed. Bovendien is die drift al lang niet meer beperkt tot liefde, drank, drugs en seks alleen. Iedereen kan zien dat er in onze informationeel-kapitalistische consumptiesamenleving een obsessieve fixatie bestaat op genots-, verdovende en technologische middelen of instant-media: De consumptiesamenleving leeft bij gratie van het (re)creatief opstuwen van collectieve verlangens. Daarbinnen mag ieder zijn autonomie bepalen: ook deze wordt geconsumeerd. Als het fout gaat, gaan de discussies altijd over de excessen die tot verlies van controle leiden en daarmee de omgeving belasten. Het genot en de roesdrift zelf staan niet ter discussie. Excessief gebruik wordt niet op morele, maar op sociaal-medische gronden afgewezen.

Iedereen is ten prooi aan een of andere zo niet meervoudige vormen van zucht naar genot en een slaaf van zijn of haar streven naar een staat van welbehagen. We zijn – getuige ons koopgedrag en onze onstilbare consumptiedrift – met z’n allen verslaafd aan een manische zoektocht naar geluk.  Hedonisme is de motor van de economie. De roes is het middel. Geluk is het doel. Iedereen is junky in onze tijd, is de droge maar terechte conclusie; er is alleen een verschil in de maatschappelijke aanvaarding van de verschillende vormen van verslavingen. Dat geneesmiddelen, slaapmiddelen, suiker, tabak, koffie, thee, alcohol, seks, gokken, werk en shoppen geaccepteerde verslavingen zijn, heeft alles te maken met de functionele waarde van deze producten en activiteiten voor onze prestatiemaatschappij. Vanaf het moment dat de ‘extatische excessiviteit’ van de consumptie niet meer openbaar en beheersbaar is, en bijgevolg overlast veroorzaakt, wordt ze als contraproductief en subversief afgewezen, veroordeeld en desgewenst bestraft.

‘Laat mij mogen hopen de ogenblikken opnieuw te beleven, waarin wij het geluk wisten vast te houden, zonder het aan illusies te ketenen, waarin wij de liefde de blinddoek van de ogen rukten en haar noodzaakten haar fakkel te laten schijnen over de verrukkingen waar zij jaloers op was.’

–          Choderlos de Laclos, Les liaisons dangereuses (Burggraaf de Valmont aan markiezin De Merteuil XV, Deel I)

Wie op zoek is naar lucide dromen, is bezig met een boeiende maar gevaarlijke sport; degene die haar beoefent moet er rekening mee houden dingen tegen te komen die hij zich niet had kunnen voorstellen. Of zij de sjamaan nu toestaan in het onbewuste te graven of hem in staat stellen werkelijkheden gewaar te worden die de rest van ons mensen onbekend is, de werelden die hij verkent zijn niet louter maaksels. Het zijn reizen naar onbekende landen, vreemder dan degene die we kennen door normaal gewaarworden, maar hetzelfde in hun verborgen beperkingen en plotselinge verrassingen. Ook onze droomwerelden bevatten spleten en kloven die ons naar het sterfelijke en onsterfelijke leven laten terugkeren.Voorstanders van waarden en normen, die fulmineren tegen de moderne losbandigheid, het hedonisme en de roesdrift van de jeugd, vergeten dat de deugd het niet kan stellen zonder de troost van de ondeugd. “Tout ce qui est bon, c’est mal – et tout ce qui est mal, c’est bon” (Leo Ferre). Ook sluiten zij de ogen voor de economische noodzaak van nieuwe ondeugden. Designerdrugs, vinexliefde en designerseks zijn de prototypen van het eenentwintigste eeuwse gebruiksartikel. De reden daarvoor is dat nieuwe ondeugden ons beschermen tegen het verlies van verlangens. Ecstasy, viagra, de SM-salons van de grote steden, zijn niet slechts voertuigen naar genot. Ze zijn tegengif voor verveling. In een tijd waarin verzadiging de welvaart bedreigt, zijn genoegens die in het verleden verboden waren het hoofdbestanddeel van de nieuwe economie aan het worden. Alleen de sensatie van het verbodene kan de last van een vrijetijdsleven verlichten. Activiteiten die ons wakker schudden en appelleren aan onze behoefte aan hevige emoties, die het zenuwstelsel prikkelen en de synapsen aanvuren die door vrije tijd en nietsdoen zijn verdoofd. De remedie voor een saai, welvarend en verzadigd leven is een geneeskrachtige kuur bestaande uit zorgvuldig afgepast geweld met een minieme dosis lust en waanzin, als het vleugje strichnine in een kalmerend middel.

De vraag blijft: wat bezielt mensen om zich over te geven aan de cultus van de roes? Vanwaar die immense behoefte om de redeloze dimensie in zichzelf aan te boren? Waar komt die tomeloze honger naar de roes en het exces vandaan, die hang naar de primitieve impuls die zovelen ook in het beschaafde ontwikkelde westen nog altijd voelen?

De Nederlandse antropoloog Mattijs van de Port sprak in Het einde van de wereld (Babylon/De Geus 1995), zijn monumentale studie naar ‘Beschaving, redeloosheid en zigeunercafé’s in Servie’, over de wildernis die de keerzijde vormt van iedere beschaving. De extatische gebeurtenissen in de Servische kaffana’s met zigeunerorkest moeten volgens Van de Port opgevat worden als vrijplaatsen – enclaves van theatrale wildheid – waar mensen zich voor de duur van enkele uren of een nacht even helemaal overgeven aan de roes, aan het ‘lumpavanje’-ritueel van dronkenschap en zigeunermuziek, obscene gezangen, verspilling en een algehele verwerping van het burgermansfatsoen. In het zigeunerkaffana is geen beheersing maar vervoering; geen matiging maar exces; geen spaarzaamheid maar verspilling; geen helderheid maar roes; geen rede maar gevoel; geen gehoorzaamheid aan regels, verboden en taboes maar een opzettelijke schending daarvan; geen eeuwig uitgestelde behoeftebevrediging in naam van een eeuwig opschuivende toekomst, maar een directe viering van het moment, van het hier en van het nu. De intentie van het ritueel is: een overrompelende duik in een nachtelijke poel waar rede, tijd, fatsoen zijn opgeheven, waar de wetten van het dagelijks leven even niet meer gelden, waar men volledig kan opgaan (verdwijnen!) in de muziek, in het nu, in de lichamen van een ander of van anderen of zelfs – zoals in het geval van de grote housefeesten van de jaren negentig of I Love Techno: in de massa. Waar men een andere wezenstoestand kan ervaren, en versmelten met de nacht. Een hyper-fysieke ervaring, die op een bepaalde manier een oerervaring is – om dat rotwoord toch maar te gebruiken, omdat ze sterker is dan wat ons is bijgebracht, krachtiger en van een andere orde dan onze kennis die we op school en in het dagelijks leven hebben vergaard, een ervaring die resoneert tot in de kernen van onze zenuwen en cellen. Een kennis die er merkwaardig genoeg altijd al geweest moet zijn, en waar we voor even naar terug kunnen keren, waar we ons aan kunnen laven, mee op kunnen laden. Kortom, het gaat om wat William Blake bedoelde met: “The path of excess leads to the palace of wisdom”.

Richard Kern

DER DUFT DER FRAUEN IN NYLON

O zalige geur van vrouwen in nylon

O verrukkelijk leer met een slag om de arm

O dampende dij, malse heup, vaar langszij

O weegbree en wei en het ziltgroen van zomers

Ach vloed spoel het ruig met je buik in het schuim

Ach eb voel het zand met je rug en ontluik

Ach nimf en beschimp in je niks hier het puik

Ach schim ik die lik het verraderlijk zout van jouw lippen

Wee mij die verzaakt moedwillig zijn plicht en verziek(t)

Wee mij die zijn plecht wendt halsstarrig naar jouw klippen

Wee mij die meer wilt schenken dan er zit in de kruik

Simon Vinkenoog tijdens LSD trip. Foto: Eddy Posthuma de Boer

Bevrijd de roesdriftigen, O ongenaakbare wulpse en wellustige Vrouwe van het Leven, van de last van het lichaam, van de ballast van het bewustzijn. Bevrijd hen van de tol van hard labeur en van de sleur van het bestaan. Laat hen de ervaring gewaar worden van volmaakte vrijheid, levitatie, ongenaakbaarheid. Een zegen die pas kan worden gegeven, als er een knetterende kortsluiting is ontstaan in het aaneengesloten circuit van zenuwbanen. Als de stroom uitvalt en het licht uitgaat, en het grote feest dan eindelijk een aanvang kan nemen omdat de vrijbuiters in spe pas in het pikdonker wis en waarachtig uit hun schulp durven kruipen. Bevrijd de roesdriftigen, Amors Schutsdame, jaag de bezem door hun jeukende leven (rigoureus, als betrof het stofmijt die men met een mattenklopper uit wat onfrisse kloffies dient te rammen). Geef de jankende honden en loopse teven de gezegende toestand terug van het allereerste orgasme, toen de opwinding hen heel even helemaal van de grond tilde en liet zweven. Geef hen het paradijs terug dat ze als verguld in hun geheugen hebben gegrift. Laat hen de gunst van het magnifieke moment dat zich uitstrekt in de diepte en breedte van de tijd en de ruimte (secula seculorum!)!

(…)

De roes, dat is de beloning die het lichaam zich bij stond en wijle mag getroosten, in ruil voor bewezen diensten aan moeder natuur… Het is het zoethoudertje van de baas die zijn beesten slim heeft afgericht.  Het zijn de suikerklontjes voor het getrouw dravende paard. Het is het zondagse verzetje dat de mijndirecteur zijn kompels toestaat, na een week van gezwoeg en geploeter onder de grond.  Het is de fooi die de filiaalmanager het winkelpersoneel laat opstrijken voor de uren, dagen, jaren dat ze de tent mee draaiende helpen houden. Het is het schamele knuffeldier onder de lakens,  het prullarium van anderhalve cent waarmee de louche baas zijn klanten afscheept in zijn schietkraam op de kermis. Het is de spreekwoordelijke scheet in het netje, het kwakje zaligheid van drie en een kwart tel. Het is het kluitje waarmee uiteindelijk iedereen het riet in wordt gejaagd.

Van de natuur kunnen we het niet winnen, maar we kunnen wel een beetje plezier beleven aan de pokertafel waar de Tijd speelt voor croupier. (…)

Eens zullen ook onze lichamen aanspoelen, ergens aan de andere oever van deze rivier…

Notoire (Nederlandse en Belgische) schrijver-gebruikers

J.M.H. Berckmans: alcohol, drugs   Gerard den Brabander: alcohol    Jan Eijkelboom: alcohol

Jotie ’t Hooft: heroïne, cocaine    Gerard Reve: alcohol    René Stoute: heroïne

Cornelis Bastiaan Vaandrager,: speed   Simon Vinkenoog: LSD, marihuana

Arie Visser: heroïne   August Willemsen: alcohol    Hafid Bouazza: absint

Herman Brusselmans: drugs, alcohol   Jules Deelder: speed    Jean Pierre Rawie: alcohol


Lydia Lunch. Poison


[1] Term waarmee Geert Lubberhuizen de liefdeskoorts omschreef waarover Peggy Lee zong in het nummer Fever; de enige keer dat Lubberhuizen zijn zoon Bas op seksueel gebied iets bij heeft trachten te brengen. Zie: Wim Wennekes, Het mysterie van de Van Miereveldstraat (De Bezige Bij 1994) p.244.

GERED UIT DE HEL VAN HET CONRAD HOTEL

(آل نهيان – Āl Nahyān)

with royal virtue


DE KONINKLIJKE ARABISCHE SLAVENDRIJVERS

VAN DE BRUSSELSE LOUIZALAAN

Bij een inval in het vijfsterrenverblijf Hotel Conrad op de Brusselse Louisalaan werden in de zomer van 2008 zeventien dienstmeisjes uit verschillende moslimlanden door het Arbeidsauditoraat meegenomen. Acht maanden lang werden ze per gemiddelde rotatie vastgehouden in het hotel door de steenrijke familie van een overleden emir uit Abu Dhabi, die hen als werkslaven behandelde. De Belgische Justitie is een onderzoek naar mensenhandel, uitbuiting en hedendaagse slavernij gestart, omdat de meisjes geronseld zijn uit verschillende landen en hun paspoort in de Verenigde Arabische Emiraten hebben moeten achterlaten.

Het parket van Brussel zal dinsdag 9 november 2010 aan de raadkamer vragen om Hamda El Nahyan, de 64-jarige weduwe van sjeik Muhammed bin Khalid El Nahyan, en haar dochters voor de correctionele rechtbank te brengen. Samen met de Pakistaanse slavendrijver die als kamenier voor de koninklijke familie steeds weer nieuwe ladingen personeel wist te ronselen uit tal van arme moslimlanden, zal het fraaie gezelschap vervolgd worden voor  opsluiting, onmenselijke en vernederende behandeling, en mensenhandel. In haar requisitoir stelt het openbaar ministerie dat de familie-El Nahyan 23 vrouwen van 8 verschillende nationaliteiten uitbuitte.

De Directie van het sjiekste Hotel van de Europese hoofdstad , die gedurende jaren miljoenen euro’s aan de Arabische royals verdiende door vanaf 2005 tot 2008 de gehele vierde verdieping (54 kamers waaronder verschillende royal suites) te verhuren aan de sheikha’s en  hun talrijke gevolg van werkslavinnen, lakeien, koks, kamermeiden en veiligheidspersoneel, blijft haar handen wassen in onschuld. Hoteldirecteur Mark de Beer: ‘Wij waren absoluut niet op de hoogte van die zogezegde wanpraktijken. Wij hebben daar op zich ook niets mee te maken. Het is niet ons personeel, maar dat van onze client.’ Bladen die over de affaire durfden te rapporteren, zoals The Bulletin dat de international gemeenschap in  Brussel wekelijks van nieuws voorziet, werden uit het media-assortiment van het hotel verwijderd.

 "Op de grond, daar was hun plaats"
Conrad Hotel © belga

De eminente hotelgasten uit de emiraten, de familie El Nahyan, huurde ook in het verleden al verschillende seizoenen lang de vierde verdieping af van het luxehotel. Een van de dochters van weduwe Hamza, die getrouwd is met de minister van Defensie van de Verenigde Arabische Emiraten, probeerde met behulp van gerenommeerde Belgische dokters zwanger te worden via een uitgebreide IVF-therapie, om zo het gigantische familiekapitaal veilig te kunnen stellen. Om de eer van de jongste dochter niet in het gedrang te brengen, besloot weduwe Hamza destijds om met de hele familie zo lang als nodig was naar Brussel te verhuizen. Schrijver Serge van Duijnhoven, die in 2005 en 2006 enige maanden in het Conrad-Hotel werkzaam was als night-auditor (nachtreceptionist en boekhouder), doet verslag van zijn ervaringen met de familie, die toen ook al merkbaar over de schreef ging met het behandelen van haar talrijke personeel.

Brussel, 30.12.05,

Geachte Heer Ivan Hiel,

sedert een goede week ben ik in dienst bij uw hotel als nachtreceptionist. Aangezien u in het sollicitatiegesprek van afgelopen najaar reeds had laten uitschijnen dat mijn haar korter moest worden geknipt, ben ik de dag voor mijn indiensttreding naar de kapper gegaan. In navolging van een volgende suggestie, vorige week donderdag, ben ik ten tweede male naar de kapper getogen. Hedennacht sommeerde u mij per email wederom mijn haar te laten knippen. Ondanks mijn getoonde goede wil, is het voor mij blijkbaar niet mogelijk aan uw strenge “standards” te voldoen. Dit spijt me ten zeerste, maar ik vermoed dat ook een derde gang naar de kapper uw scepsis t.a.v. mij niet zal kunnen wegnemen. Daarom lijkt het mij het beste dat ik per onmiddellijke ingang mijn ontslag bij u indien, zodat u niet verder nodeloos in mij hoeft te investeren en op zoek kunt gaan naar een andere, meer geschikte – of moet ik zeggen “geknipte” – kandidaat.

Met de meeste hoogachting,

S.R. van Duijnhoven

Het was geen gemakkelijke start, mijn tewerkstelling in het luxueuze Hotel Conrad. De directeur, Ivan Hiel, een man die zelf getooid ging met een ver over zijn voorhoofd hangende vette blonde kuif, wikte en beschikte over zijn personeel zoals een generaal over zijn troepen. In het hogere hotelwezen heerst, geheel anders dan enkele recente series op tv doen vermoeden, een strikte hierarchie die eerder aan het leger dan aan docusoaps a la Millennium-Hotel doen denken. In de houding, mars! Het ontslag dat ik plompverloren had ingediend na een week werken op de nachtreceptie van het hotel aan de Louisalaan, werd niet gehonoreerd. Ik moest blijven werken. Mijn haar heb ik sindsdien laten groeien, tot ik in april alsnog ontslag mocht nemen. Wat zeg ik? Ik werd de laan uitgestuurd, want ik had het vertrouwen van het management beschaamd door te klagen over de erbarmelijke werkomstandigheden van het personeel van de familie El Nahyan op de vierde verdieping.

De Vlaamse ritmeester die mij, bij wijze van kennismaking, een rondleiding verschafte door het labyrintische complex van het art nouveau hotel, voerde me in 2005 al met onverholen genoegen langs de vele ondergrondse en bovengrondse verdiepingen. De vierde verdieping konden we enkel betreden via de lift met een speciale sleutel. Daar werden we vervolgens gemonsterd door gewapende wachters van de private veiligheidsdienst van de familie El Nahyan, die op norse toon vroegen wat we in dit afgeschermde domein van het hotel te zoeken hadden. Wat me vooral opviel, tijdens die rondleiding langs de 53 afgehuurde kamers, suites en opslagruimtes op de vierde, was de geur. Koks waren aan de slag om oosterse gerechten te bereiden, er hing de geur van versgebrande koffie, van saffraan, koriander, maniok, en iets wat leek op kamelenhaar. Die laatste geur was afkomstig van kamelenharen ruwe zakken die per tientallen in de gangen opgestapeld waren, vol met kruiden en etenswaren. Tussen de zakken en het talrijke speelgoed van de kinderen van de sjeika’s, lagen onfortuinlijke vrouwelijke Oosterse of Aziatische werkkrachten met hoofddoeken om, uitgestrekt op het tapijt. Ze stonden op zodra wij de gang in kwamen, verontschuldigden zich, maakten een buiging, en verdwenen uit ons zicht. “Deze dienstmeisjes moeten 24 uur op 24 beschikbaar zijn”, verduidelijkte Yves Vandekerckhove. “Ze doen even een tukje.”

Seal of Excellence

Gedurende de nachtdiensten zou ik vaak telefoon krijgen van de vier prinsessen Shaima, Myriam, Maessa en Rawda. Telkens met de meest waanzinnige verzoeken die midden in de nacht werden geplaatst. Om vier Big Macs naar boven te brengen (05 uur ’s ochtends), Ben & Jerry’s Icecream in porceleinen potjes te bezorgen (om 04 uur), om een brief vanuit het Nederlands naar het Arabisch te vertalen, om zo snel mogelijk een of andere Arabische film op DVD te bezorgen, om de tv opnieuw af te stellen met alle Arabische kanalen op kop. Etcetera. Het meest vertederende, en ook wel hartverscheurende verzoek dat midden in de nacht tot mij werd gericht, betrof het in het diepste geheim vertalen en vervolgens per fax versturen van een in erbarmelijk Engels opgestelde liefdesbrief die de jongste sjeika aan haar stiekeme geliefde – een Engelstalige diplomaat die zojuist alweer vertrokken was op missie – wilde laten bezorgen. Terwijl mijn collega’s zich bezighielden met de File Daily Maintenance op het computerprogramma Fidelio, zette ik me aan het vertalen van zinnen als “oh honi sweat sweat savior of my hart, please come back so soon as possible. I already missed you before you levt me.”

De Pakistaans-Indische “Human Resource Manager” van de miljardairs-familie, die ik voor de goede orde maar even meneer Singh zal noemen, bezocht de receptie regelmatig om ons op de hoogte te stellen van de regels van zijn regime. Geen wens van de sjeika’s mocht onbeantwoord of onvervuld blijven, nooit en te nimmer mocht een van de prinsessen gecompromitteerd worden door hen (bijvoorbeeld wanneer we samen in de lift zouden staan) in de ogen te kijken, geen personeelslid mocht het in zijn hoofd halen om  het woord tot hen te richten. Over de rechten van het door hem aangestelde personeel was hij even stellig: op geen enkel moment zouden de werkkrachten van de sjeika’s het hotel mogen verlaten. En indien dit toch dreigde te gebeuren buiten de spiedende blik van de private bewakingsdienst om, dan zouden wij persoonlijk verantwoordelijk worden gesteld. In retributie voor onze diensten en discretie, kreeg onze receptiemanager geregeld een envelop in handen met een aanzienlijk aantal biljetten van honderd euro. Ten aanzien van zijn eigen personeel was de heer Singh beduidend minder genereus. De kokkinnen, serveersters, schoonmaaksters en overige bedienden kregen per maand 24 uur op 24 uur paraat zijn, tussen de 150 euro en 700 euro uitbetaald. Vrijheid om te bewegen of vrije tijd kenden geen van de meisjes, want hun paspoorten waren door de heer Singh in verzekerde bewaring gesteld.

Een van de Royal Suites op de vierde verdieping waar de familie El Nahyan tussen 2005 en 2008 vrijwel permanent gebruik van maakte

In maart 2006 werd het personeel van het Conrad Hotel opgeschrikt door een interne affaire, die behalve voor het personeel van de familie El Nahyan, ook voor ons rigoureuze repercussies dreigde te hebben. Een van de bewakingsagenten, die behalve op de vierde verdieping ook rondes deed door de rest van het hotel, bleek het aangelegd te hebben met een Philippijnse werkster van de nog ongetrouwde sjeika Shaima. Opzichter Singh was hier tot zijn woede achtergekomen, en om “de eer van de sjeika’s op geen enkele manier te compromitteren” werd besloten tot het ontslag van de volledige bediening. Alle meisjes uit de Philippijnen, Irak, Syrie, Soedan, Egypte, Tunesie, Marokko en Maleisie, konden onverwijld hun biezen pakken. Ook de bewaker werd ontslagen, en het liefst had meneer Singh gezien dat het voltallige personeel van het hotel per immediat zou worden vervangen. Op die manier kon tenminste nog iets van de eer van de familie terug in het reine worden gezet. De directie van Hotel Conrad weigerde aan deze laatste eis tegemoet te komen, maar ondertussen sloot ze gewillig de ogen toen het volledige personeelsbestand ondanks alle contracten en toezeggingen werd weggezonden onder begeleiding van ambassadepersoneel van de Verenigde Arabische Emiraten, en een nieuwe lading werkslaven haar intrek nam in het hotel. De heer Singh eiste voortaan inspraak in de screening van het personeel van het hotel. Of hem die gegund is, weet ik niet. Maar toen ik me bij de heer Hiel beklaagde over de erbarmelijke situtatie waarin vooral de Filippijnse meisjes op de vierde verdieping te werk werden gesteld, kreeg ook ik al gauw mijn ontslagbrief in de bus. Het personeelsbeleid van de familie die in haar eentje het faillisement van het toch al jaren pover draaiende luxehotel heeft weten af te wenden, was volgens de directeur een strikt private aangelegenheid waarvoor het reguliere personeel van het hotel de grootst mogelijke en vanzelfsprekende discretie aan de dag diende te leggen. De klant is koning, zeker in het geval van de mutanten van een koninklijke familie a la El Nahyan waarmee we hier te maken hadden.

 

Ruling Family of the Emirates

Flag of Dubai.svg
HH The Emir Sheikh HH Sheikha Hind 

Op de foto hieronder: de kroonprins van de familie – Sheikh Mohammed bin Zayed Al Nahyan – schudt handen met president Obama. De beoogde troonopvolger van de Verenigde Arabische Emiraten is de broer van Shaima, Myriam, Maessa en Rawda, die in Brussel vol overgave sheikha kwamen spelen in het Conrad Hotel aan de Avenue Louise.

Sheikh Mohamed bin Zayed Al Nahyan (AFP OUT) United States President Barack Obama welcomes Sheikh Mohamed bin Zayed Al Nahyan, Crown Prince of Abu Dhabi and Deputy Supreme Commander of the United Arab Emirates (UAE) Armed Forces to the Washington Convention Center April 12, 2010 in Washington, DC. President Obama was to hold bilateral meetings today with five leaders of the 47 nations gathering for the two-day Nuclear Security Summit.

Omdat ze geen pottenkijkers wilden, betaalden ze er al die tijd voor de hele vierde verdieping: goed voor 53 kamers. De meeste dienstmeisjes sliepen volgens rigide schema’s in korte shifts, en moesten 24 uur in principe in touw zijn. Vooral des nachts. Overdag kon je op de vierde verdieping het uitgeputte personeel opgekruld aantreffen in hoekjes van de gangen of in kamers waar ze even buiten zicht van de Pakistaans-Indische slavendrijver hoopten te kunnen blijven. Zelf sliep weduwe Hamda in de koninklijke suite. Kostprijs per nacht: 4.500 euro. Zij en haar dochters zijn het gewend de lakens uit te delen. Aan personeel geen gebrek: er waren dag en nacht tientallen dienstmeisjes en een  handvol met automatische machinepistolen gewapende lijfwachten aanwezig. Een greep uit de landen van herkomst: Filipijnen, Marokko, India, Egypte, Turkije, Irak en Syrië. Vooral de dienstmeisjes werden uitgebuit. Terwijl moeder Hamda, de prinsessen en hun kinderen in de mooiste kamers woonden, moesten de dienstmeisjes op de gang slapen. Nochtans stonden veel betaalde kamers intussen gewoon leeg. Maar dat was voor eventueel bezoek. Volgens een in juni 2008 ontsnapt Marokkaans kamermeisje was er van slapen niet veel sprake. Ze getuigde dat ze hoogstens drie uur per nacht sliep. Voor de rest van dag moest ze paraat staan voor de prinsessen. ‘Ze waren veeleisend. Hun koffieverslaving typeert hen. Ze waren verzot op hete koffie. Maar ze gruwelden van een schoteltje. Dan moest je die hete kop met je blote handen dragen. Gevolg: je raakte gemakkelijk verbrand. Maar naar de dokter kon ik niet. Daar kreeg ik geen verlof voor.’ Volgens de vrouw mocht ze ook het hotel niet uit zonder een bewaker. Ze kreeg 500 euro per maand. Andere dienstmeisjes verdienden nog minder: 150 euro. De beste verdiener kreeg 700 euro. De Marokkaanse solliciteerde in haar thuisland voor de baan. Maar ze draaiden haar daar een rad voor de ogen. Meteen na de inval in het hotel werd ze al gebeld door de rekruteringsdienst in Marokko. Ze wilden haar manipuleren. Ze kreeg schrik. Haar ouders wonen nog in Marokko. De directeur van het Conrad houdt vol dat zijn hotel noch op de hoogte was noch voor wandaden verantwoordelijk kan worden gesteld die door het eigen personeel van de koninklijke familie in het hotel werden gepleegd. Volgens de Marokkaanse wist gans het personeel van het Conrad nochtans goed dat hun islamitische collega’s op de vierde verdieping in erbarmelijke omstandigheden tewerkgesteld werden. In ruil voor medewerking aan het strafonderzoek, heeft de onderzoeksrechter besloten de aanklacht tegen het hotel in deze zaak te laten vallen.  Een ex-werknemer van het Conrad bevestigt dat het hotel een oogje dichtkneep voor hun topklanten. ‘Op hun verdieping werd het brandalarm uitgezet. Omdat de prinsessen dat lawaai vervelend vonden.’
Bron:  NIEUWS.MAROKKO (red.), “Brussel: Slaven bevrijd na tip van Marokkaanse vrouw”, internet, 02-07-2008 (http://nieuws.marokko.nl/index.php?nav=nieuws&nid=11006)

Dat nu, enkele jaren na de spectaculaire uitbraak van de werkslavinnen in juni 2008, de directie van het hotel het doet voorkomen alsof ze niets afwist van de wanpraktijken en de slavernij op haar vierde verdieping, getuigt niet alleen van cynisme maar van de grootst mogelijke hypocrisie. De familie huurt de verdieping nu al sedert 2005, en niet slechts gedurende de laatste acht maanden, zoals in de pers onterecht is gemeld en door de directie nimmer is gecorrigeerd. Iedereen die beroepshalve in het hotel zich wel eens toegang diende te verschaffen tot de vierde verdieping, heeft kunnen constateren onder wat voor een terreurregime het permanent uitgeputte personeel van de sjeika’s gebukt ging.

Het was slechts wachten op het moment van ontsnapping van een of meerdere wanhopige werkslavinnen. Iets wat gebeurde toen de Marokkaanse Jamilla twee maanden geleden in haar kokstenue de Avenue op rende, terwijl de bewakers boven aan het eten waren. De drie andere meisjes die ook probeerden te ontsnappen, werden door de via het personeel van Hotel Conrad gealarmeerde gewapende mannen, nog net op tijd in de kraag gegrepen voor ze konden passeren door de riante draaideur in de majesteuze opgang van het hotel.

Hotelmanager Mark de Beer, die in de eerste maanden van 2008 de blondgekuifde generaal Ivan Hiel heeft mogen vervangen, wast voorlopig als Pilatus zijn handen in onschuld. Hij zegt namens het ganse hotelpersoneel “diep geschokt” te zijn door de feiten, en nergens van op de hoogte te zijn geweest. Klinkklare onzin, zo weet iedereen die in de afgelopen jaren professioneel met Hotel Conrad te maken heeft gehad. En ook al zullen wij de resultaten van het juridische onderzoek naar mensenhandel en slavernij, dat nu in gang is gezet door het Arbeidsauditoraat en de Belgische politie met spanning afwachten, ook de heer De Beer zal er niet aan ontkomen om een pijnlijke keuze te moeten maken: het behoud van de noodzakelijke goede reputatie van zijn verliesgevende luxehotel. Of het behoud van zijn beste klant die hem in de afgelopen jaren voorlopig van het faillisement heeft kunnen redden.

Serge van Duijnhoven

(آل نهيان – Āl Nahyān)

without any virtue

fotograaf: Bosz de Kler. Lobby van het Conrad


NAWOORD:


Of het te maken had met het feit dat het Conrad Hotel in Brussel zijn lukratiefste klant is kwijtgeraakt sedert de familie El Nahyan geviseerd wordt door de Belgische justitie? Aan de Louisalaan doet iedereen er weer – discretie verzekerd – volgens de code van Conrad Hilton het zwijgen toe.  Feit is dat de hoteldirectie spoedig na het uitbreken van de slavendrijfsters-affaire ingrijpende maatregelen afkondigde waartoe de hoofdzetel zich helaas genoodzaakt zag. Zoals een drastische inkrimping van het personeelsbestand via gedwongen ontslagen. Een deel van het personeel is na die aankondiging in staking gegaan. Wat een unicum mag heten voor een symbolisch bastion van standing en luxe als het Hilton Conrad waar de rijken der aarden normaliter juist tegader komen om het hoogkapitalisme te vieren in ceremoniele jubelmissen.

De beslist niet als arbeideristisch te betitelen werknemers van het prestige-hotel, normaliter de minzaamheid en nederigheid zelve, voelden zich geschoffeerd door hun bazen.Waarnemers uit de wereld van de hogere  hotellerie spraken van “Amerikaanse toestanden om de aandeelhouders tevreden te stellen.” Het hotelpersoneel van het restaurant, de onderhoudsploeg en de receptie bleek – tot afgrijzen van de directie – zijn actiebereidheid door te zetten. Het Conrad staakte. Er werden geen kamers meer schoongemaakt, geen klanten meer ingeboekt, telefoon opgenomen of roomservice meer bezorgd.  Het restaurant bleef dicht, en klanten bevolkten de lobby om zich te komen beklagen.

Sinds het uitbreken van de affaire El Nahyan, is het personeel trouw zijn zwijgplicht nagekomen die het van hogerhand kreeg opgelegd en is het als een blok achter het Conrad blijven staan. Er was zeker zoiets als een code van beroepseer en loyaliteit die de werknemers van het hotel hebben nageleefd. Dat zal niet altijd makkelijk zijn geweest want de sjieke naam Conrad is danig besmet geraakt door de kwestie van mensenhandel, slavernij en uitbuiting waarmee de sheikha’s het hotel hebben opgezadeld.  Op feestjes hoefde je niet meer aan te komen als de onkreukbare hotelbediende van Brussels meest glamoureuze hotel. Wat heeft het voor zin elke dag je overhemd vers te laten stomen en je tiptop te verzorgen als vijfsterrenklerk met stropdas en gelakte schoenen, als je in feite op het dek blijkt te werken van een slavengaljoen of een louche uitbuitersschuit? Waar is je trots en moraal dan gebleven, je werkethiek van onberispelijkheid die je als Hilton Conrad werknemer alle dagen welgemeend uit diende te dragen zoals een predikant het evangelie? Hoe kun je nog strak in het pak als je in naam van de kreukloze reputatie van je baas in feite de grootste smeerlapperij en schanddaden faciliteert?

Een beetje respect in ruil voor de bereidwilligheid om pal te staan voor het Conrad in de tijden van nood die waren aangebroken, was toch niet teveel gevraagd? In plaats daarvan kregen tientallen personeelsleden in het najaar van 2008 te horen dat het hotel geen behoefte meer had aan hun dienstbaarheid. Zonder evaluatiegesprek of motivering werden medewerkers gedumpt tussen het vuilnis in de containers van het executieve toprestaurant Wiltcher’s, en de zakken vol uitgeperst fruit van de prestigieuze Louis-cocktailbar.

De sfeer in het somptueuze paleis voor hoogkaraats genot, is er danig verziekt door geraakt.  Rot als de geur van de putrefactie die je tijdens de staking in het fort gewaar kon worden. Een nare lucht die vanuit het sousterrain omhoog kringelde. Tussen de afvalbergen trachtte het personeel zich syndicaal te weren en organiseren. Er werd vergaderd en gedreigd met nieuwe acties als de directie niet zou inbinden.De machtsstrijd die volgde heeft geresulteerd in kleine en grote rochades op het schaakbord van de Human Resources.  Een bataljon verse uitzendkrachten kreeg de opdracht om de werkvloer schoon te spoelen van de garde die zich al te lang aan de reputatie van het hotel bleek te hebben vastgekoekt.

Of het geplaagde luxe-hotel een nieuwe golf van anti-reclame in de internationale pers zal kunnen doorstaan, is een interessante vraag. Met het begin van het Sheikha-proces op dinsdag 9 november, mag het bolwerk van waaruit de uitbuiting jarenlang plaats kon vinden (en oogluikend is toegestaan) zich verwachten aan een nieuwe tsunami van verontwaardiging die op de frontdesk van de monumentale lobby af komt gestevend. Directie en personeel zullen genoodzaakt zijn zich gezamenlijk schrap te zetten. Om, aaneengeklonken als een blok basalt, de golven te pareren. Het is te hopen voor de directie dat het overgebleven personeel daar ook dit keer weer toe bereid zal zijn.

Misschien dat de familie El Nahyan als goedmaker voor haar wandaden en de reputatieschade die ze het Conrad in Brussel heeft berzorgd,  de frontdesk van haar voormalige uitvalsbasis wat kan versterken door een paar cargo’s vol zandzakken uit de woestijn rond Abu Dhabi af te laten leveren aan het Place Stefanie. Naar het schijnt is het zand der Emiraten – qua korrel en cohesie – van een ongeëvenaard nobele en verfijnde structuur. Bovendien is het in royale hoeveelheden voorradig. Het zou een verrijkende spirituele ervaring voor de sheikha’s kunnen worden, als de rechter in Brussel hen voor de begane wandaden een taakstraf met gemeenschapszin op zou leggen. Zoals het vullen van zandzakken voor allerhande nooddruftigen (waaronder het Conrad Hotel in Brussel) die de komende tijd met zwaar weer en wassend water krijgen af te rekenen.

Zou het tot die verwende prinsessen van het mutantengeslacht El Nahyan eigenlijk ueberhaupt nog kunnen doordringen dat ze hier in Brussel niet zomaar in de beklaagdenbank terecht zijn gekomen? Hoe kwistig en geobsedeerd hun hang naar uiterlijke voornaamheid ook is geweest gedurende hun verblijf in Brussel, als mens hebben ze zichzelf op pijnlijke wijze ontmaskerd als een stelletje verwende narcisten met een naar het sadisme overhellende misconceptie van eerzame menselijke verhoudingen. Hun inzicht in menselijke waarden en verhoudingen – kortom hun ziel – lijkt jammerlijk te zijn verschrompeld tot de vrucht van een plant die zelden water heeft gehad en nooit in de buitenlucht heeft kunnen groeien.

Wat nobel is? De adellijke dames zouden het bij Allah niet weten want ze waarom zou je je nobel moeten gedragen als je denkt dat je van nature toch al koninklijk bent? Het is bijzonder triest maar ook verbijsterend om te moeten constateren dat een zandkuil in een peutertuin te Jette, waarschijnlijk meer noblesse en in elk geval meer diepgang in zich herbergt, dan deze exploten van een hoog-adellijke stamboom die zich op zulk een aberrante wijze heeft vertakt in de dorre woestijngrond van Abu Dhabi’s kalifaat.

(آل نهيان – Āl Nahyān)

71 Avenue Louise
Brussels
Belgium

HILTON GLOBAL PRIVACY POLICY

At Hilton, we strive to deliver outstanding products, services, and experiences around the world. We value your business and, more importantly, your loyalty. We recognize that privacy is an important issue. We have developed this Global Privacy Policy (this “Policy”) to explain our practices regarding the personal information we collect when you visit this site. Some jurisdictions also require notice concerning other means of collecting personal information; for those jurisdictions, this Policy also explains our practices regarding personal information obtained from sources other than our websites, such as written or verbal communications or information collected when you visit one of our properties.

Please read this Policy carefully before submitting personal information about you to us. Also, please note that this Policy does not apply to our processing of personal information on behalf of and subject to the instructions of third parties such as airlines, car rental companies and other service providers, companies that organize or offer packaged travel arrangements, marketing partners, or customers.

ROYAL SUITE in het CONRAD HOTEL  BRUSSEL

Conrad Brussels’ Royal suite is unquestionably the hotel’s signature suite, with the large rooms combining to offer 365 square metres of regal luxury. A large entrance hall provides access to a spacious living room, dining room, private kitchen and corridor leading to the bedroom, indulgent bathroom and dressing room. Located on the fourth floor, the Royal suite offers an unobstructed view of Avenue Louise in a private and tranquil environment. Our Royal suite offers individually controlled air-conditioning, large work desks, two direct-dial phone lines with voicemail, as well as internet connectivity. Additional in-room amenities and services include a well-stocked mini-bar, coffee maker and snack basket, security safe, interactive television with more than 40 channels, hairdryer and ample storage space. The spacious bathrooms have a separate bath and shower, and are finished in a delicate marble with luxurious toiletries, indulgent bathrobes and comfortable slippers. Further connecting rooms can be added to extend the Royal suite to offer two or three bedrooms.   Amenities

Bovenkant formulier

Onderkant formulier

  • 25″ television
  • Alarm clock
  • Coffee machine and tea maker
  • Controlled Access Corridors
  • Digital interactive TV system with hundreds of on-demand movies and music
  • Dressing gown and slippers in finest cotton
  • Emergency call button on phone
  • Evening Manager’s Reception
  • Evening Room Service
  • Hairdryer
  • High-speed Internet connections
  • Mini Bar
  • On-Demand Movies
  • Safe
  • Seating Area with Sofa
  • Separate Bathtub and Shower
  • Superior bedding with 100% Egyptian cotton linen and oversized goose-down pillows
  • Two phones with dataport, speaker and voicemail

Lees ook in De Morgen van 06.11.2010:

http://www.demorgen.be/dm/nl/989/Binnenland/article/detail/1179433/2010/11/06/Vlaamse-werkte-tussen-slavinnen-van-Conrad-Hotel.dhtml

Het parket van Brussel zal nu dinsdag 9 november 2010 aan de raadkamer vragen om de weduwe van een Arabische sjeik en haar prinsessendochters voor de strafrechter te brengen wegens onmenselijke behandeling. In de zomer van 2008 bevrijdde de politie 17 van ‘hun slavinnen’ uit het Conrad Hotel. Ook de Vlaamse Caroline (nu 27) danste een half jaar naar de pijpen van de steenrijke El Nahyans. “De andere meisjes moesten zeven dagen per week, de klok rond, werken. Elk contact met de buitenwereld was verboden”, zegt Caroline. Ze deelde lief en leed met de slaven, zowel achter de dikke paleismuren in Abu Dhabi als op de vierde verdieping van het Conrad.

De dienstmeisjes mochten totaal geen contact hebben met de buitenwereld. Het was verboden om te telefoneren of om het internet te gebruiken. Ze moesten op bevelen wachten in kamers vol zachte fauteuils. Maar die mochten ze niet gebruiken

Het onderzoek werd geopend in de zomer van 2008, nadat de politie uit het Conrad Hotel in de Louizalaan in Brussel zeventien vrouwen haalde die als slavinnen zouden uitgebuit zijn.

Amper enkele maanden voor de inval werkte er nog een Vlaamse jonge vrouw voor de sjeika’s in het Conrad. Caroline uit Putte was 23, verpleegster van opleiding en ze had eerder voor de Arabische familie als au pair gewerkt in Abu Dhabi. Toen de 24-jarige prinses Maytha in september 2007 met haar zussen en moeder naar Brussel afzakte voor een ivf-behandeling, zat de prinses zonder kinderoppas. Via via werd Caroline gecontacteerd. En omdat ze toch net zonder werk zat, pakte Caroline haar koffers en trok ze in op de vierde verdieping van het luxehotel langs de Louizalaan. Ze wil vertellen wat ze er zag, net zoals ze deed aan de politie. Maar niet met haar volledige naam. Omdat ze geen problemen wil en omdat ze vindt dat ze zelf altijd correct werd behandeld.

Geen contact met buitenwereld

Toch wrong het bij Caroline, daar in het Conrad. Zelf sliep ze in een suite van 700 euro de nacht met Zayed, het 1 jaar oude zoontje van sjeika Maytha. De prinses zelf sliep in een nog duurdere kamer – een van de 53 die de steenrijke familie had gehuurd om pottenkijkers van de verdieping weg te houden. “Ik merkte snel dat de andere meisjes en vrouwen (onder andere uit de Filippijnen, Marokko, en Indonesië, bjm) er anders behandeld werden dan ik. Slechter. Zo kregen zij nooit een dag vrijaf. Dat betekende ook dat ze niet uit het hotel mochten.

Beetje per beetje gingen Carolines ogen open. Want de dienstmeisjes in het Conrad mochten wel nog meer dingen niet. “Ze mochten totaal geen contact hebben met de buitenwereld. Zo was het voor hen ook verboden om te telefoneren of om het internet te gebruiken. Dat wrong bij mij. Want ik mocht dat wel.Hoewel in die kamers lekkere zachte fauteuils stonden met kussens mochten ze daar niet in zitten. Hun plaats: dat was het tapijt op de grond.”

Dinsdag 9 november wordt de zaak behandeld voor de raadkamer in Brussel. Het parket zal er vragen de weduwe en haar zeven dochters te vervolgen voor onmenselijke behandeling, fiscale fraude en illegale tewerkstelling. (Bjorn Maeckelbergh)

Al Nahyan family

From Wikipedia, the free encyclopedia

Al Nahyan (آل نهيان Āl Nahyān) is one of the six ruling families of the United Arab Emirates, and are based in the capital Abu Dhabi, United Arab Emirates. Al Nahyan is a branch of the House of Al-Falahi (Āl Bū Falāḥ), a branch of the Bani Yas tribe, and are related to the House of Al-Falasi, from which the ruling family of Dubai, Al Maktoum, descends.

Members

Notable members of the Al Nahyan family include:

Modern

Offshoot

Het is niet de eerste keer dat de familie van slavendrijverij wordt beschuldigd en daarvoor in het buitenland voor het gerecht wordt gesleept. Getuige dit artikel uit de New York Sun anno 2007. Een kwestie van “culture” of van “nature”? Een kwestie van familietraditie, zo lijkt het. Zo geleerd, zo gedaan. Sheik Hamdan bin Rashid al-Maktoum, de neef uit Dubai van de sheikha’s die in het Conrad hun drijverij runden, blijkt er ook wat van te kunnen:

DE ZEEMEEUW VAN TITO – Het vlaggenschip van de laatste leider van De Derde Weg

Tijdens Tito’s leven bood de Galeb plaats aan ontmoetingen en conferenties. Nu ligt het voormalige vlaggenschip van de Joegoslavische marine te roesten aan een afgelegen kade op een scheepswerf in Rijeka. Van het luxe, luisterrijke jacht van maarschalk Josip Broz is weinig anders over dan een drijvende hoop schroot. Toch is dat velen nog teveel. Het schip blijft hoe dan ook een ankerpunt voor de geschiedenis van een natie die aan broederstrijd en etnische twisten teloor is gegaan.

door Serge van Duijnhoven

De Kroatische schipper en oorlogsveteraan Marko Maroje weet het zeker: het was Josip Broz Tito die in 1995, op een mistige Sint-Jozefsdag, voor de kust van San Vincenzo langszij kwam aangemeerd op zijn imposante vlaggenschip de Galeb (‘meeuw’ of ‘zeemeeuw’). Ten overstaan van de verzamelde pers in Zagreb hield Maroje het ijzerenheinig vol: ‘Tito zag er schitterend en sterk uit. Hij stond op de plecht van zijn schip, met een sigaar in zijn hand. We praatten een tijdje. Hij vroeg: “Hoe staat het er bij jullie nu voor?” Ik antwoordde: “Niet zo goed, maarschalk.”’ Later vertelt Maroje dat iedereen hem voor gek verklaarde: ‘En journalisten vroegen of ik ook Benito Mussolini of Ante Pavelic heb zien rondvaren. Die twee fascistische dwazen, die ons land verpachtten aan de Italianen en de Duitsers! Nee, het was Tito, en hij alleen, meester van zijn tijd.’

Regisseur Vinko Bresan gebruikte in 1999 deze Tito-verschijning als basis voor de komische speelfilm Marsal. Die was enkele jaren geleden ook op de Nederlandse televisie te zien.

Nog altijd verklaren de dorpsbewoners van San Vincenzo de man en zijn graatmagere vrouw geschift. Regisseur Bresan filmde op locatie en gebruikte Maroje’s okerkleurige villa als psychiatrische kliniek. Dorpsbewoners die het gekkenhuis passeren wijzen met een vinger gniffelend naar hun voorhoofd. ‘Ze lachen ons uit!’ verklaart Maroje’s vinnige vrouw met rasperige stem, ‘omdat die dwazen van de film verzuimden de verf van ons huis te halen waarin het woord “gekkenhuis” staat gespeld.’

Maroje heeft Tito één keer in het echt ontmoet, toen hij begin jaren zeventig als officier in opleiding dienst deed bij de Joegoslavische marine. Maroje wordt nog altijd lyrisch als hij de inrichting van het schip beschrijft: ‘Het was geen schip zoals andere oorlogsschepen. Het jacht had grandeur. Het was het paradepaardje van ons land. Perzische tapijten, gecapitonneerde plafonds, notenhouten meubilair, gouden schalen, zilveren bestek, porseleinen serviesgoed. In die tijd kon ik mijn ogen nauwelijks geloven. Een kamer was ingericht ter herinnering aan de staatsmannen die de boot hadden bezocht, net als acteurs, musici, kunstenaars, sportlieden en schaakgrootmeesters. Hun namen stonden op platen gegraveerd in de centrale ballroom op het tweede dek. Daar stond ook de vleugelpiano waarop Tito zelf af en toe speelde.’

Tito inspecteert de bemanningh van de Galeb

Een generatie geleden was de Galeb nog een van de meest luisterrijke en luxueuze jachten in de wereld. Tito verwelkomde er sterren en staatslieden als Gandhi, Nasser, Kadafi, Castro, Churchill, Chroesjtsjov en filmsterren als Elisabeth Taylor, Richard Burton, Sophia Loren en Marilyn Monroe. Vandaag de dag is het 1930 ton wegende en 117 meter lange luxejacht een drijvende, roestende schroothoop. Wat ooit de varende trots was van de federale staat Joegoslavië is allengs verworden tot een symbool voor de puinhopen van een verdeeld land. Het verlaten dek en de lekkende chartrooms vormen een even levendige als pijnlijke herinnering aan de dramatische wijze waarop het land sinds 1991 in enkele burgeroorlogen uiteen is gevallen in steeds kleinere snipperstaten en (schijn)republiekjes.

Tito poseert lezend op de Galeb

De geschiedenis van het in 1938 als bananencargo in gebruik genomen schip is net zo grillig als de levensloop van de communistische partizanenleider die na de Tweede Wereldoorlog het heft in handen nam. In de Tweede Wereldoorlog werd het schip door de nazi’s gebruikt als mijnenjager in de Adriatische Zee. Het werd verscheidene keren getorpedeerd en in 1944 werd het schip zelfs door de Engelse luchtmacht tot zinken gebracht voor de haven van Rijeka. Tito liet het enkele jaren later weer boven water takelen en bouwde het om tot het vlaggenschip van zijn vloot. Hij legde er staatsbezoeken mee af. In 1953 deed hij met de Galeb de havens van Londen en Den Helder aan. Tijdens een luxebanket met een aansluitende ballroomparty liet hij de Hertog van Edinburgh en prins Bernhard aan boord.

Het schip speelde ook een cruciale rol bij de vorming van de Beweging van de Derde Weg. Tito legde tijdens diverse internationale conferenties de fundamenten van de Liga van Ongebonden Landen, die een onafhankelijke koers wilde varen tussen het kapitalistische Westen en het communistische sovjetimperium. De entourage van zijn varende luxepaleis diende in internationale wateren als neutrale grond voor topontmoetingen van deze landen van de Derde Weg. Legio zijn de verhalen over deze in alcohol, muziek, gok- en schaakspelen gedrenkte conferenties.

Tito en Nasser gaan aan boord van de Galeb

Het schip dat nu in Rijeka’s haven ligt te roesten, wordt omgeven door een zweem van nostalgie naar de relatieve welvaart van een voorgoed voorbije periode. Een periode waarin Joegoslavië meer dan twintig miljoen inwoners telde en een rol van betekenis speelde in het perverse schaakspel tussen Oost en West. Zelfs een Kroatische nationalist als Marko Maroje moet erkennen: in de tijd van Tito was het goed leven in Joegoslavië.

Galeb verkommerend in de haven van Rijeka 26 augustus 2009

Elf jaar na de dood van Tito spatte de Federale Republiek van Joegoslavië uiteen als het kadaver van een aangespoelde walvis. En alsof het werd meegezogen in de slachtingen waarmee dat gepaard ging, onderging het schip sindsdien een schrijnende verwaarlozing. In de haven van Rijeka ligt het jacht er triest en kaalgeplunderd bij, net als de verpauperde rompstaatjes Macedonië, Servië, Montenegro en Kosovo, die openbare uitverkoop houden van grond, kapitaal en grondstoffen. De boot wacht op een nieuwe eigenaar die bereid is in het schip te investeren om het van de ondergang te redden. De republieken, op hun beurt, wachten vol spanning af, in fatalistische lethargie of opgeblazen trots, of de Europese Unie of de Navo ze uit hun ellendige isolement zal komen redden. Ook de roem van Josip Broz Tito, de oude oorlogsheld die uitgroeide tot een wereldwijd gerespecteerd staatshoofd, ligt in de haven van Rijeka te grabbel. Vanaf de pier vertrekken iedere dag excursies naar het strafeiland Goli Otok (letterlijk ‘het naakte eiland’), waar Tito zijn politieke vijanden in de blote zon stenen liet hakken tot ze erbij neervielen. Veel ouderen als Maroje voelen heimwee naar de tijden van de sluwe vos, maar worden door een ander deel van de voormalige republiek uitgemaakt voor ‘vuile Joego-nostalgist’. Door hem als bovennatuurlijk te portretteren steekt de website titoville.com (niet toevallig uit Slovenië, de enige deelrepubliek die het goed gaat sinds de boedelscheiding) de draak met de socialistische dictator. Tussen alle archaïsche vooruitgangsretoriek uit zijn tijd is op een van de foto’s op de site te zien hoe Tito in een speedboot op weg is naar zijn jacht voor een nieuwe wereldreis langs de continenten.

Terwijl hij in zijn jeep naar de mistroostige industriële werf Viktor Lenac rijdt, vertelt scheepsingenieur Branko Rankovic enthousiast over de roemrijke geschiedenis van het schip: ‘Het was een symbool voor vrede en ongebondenheid in de hele wereld. Het is een vredesboot; een brod za mir.’ De ingenieur is belast met de taak om van de afgedankte Galeb opnieuw een luxejacht te maken voor de rijken van deze aarde. Aanvankelijk gaf de Griekse zakenman John Paul Papanicolaou hem daartoe opdracht. Eerder al liet hij het oude jacht de Christina Onassis omkatten, om het daarna voor een tienvoudig bedrag aan een miljardair in Engeland te verkopen. Met de Galeb wilde hij hetzelfde doen. Wat er precies tussen is gekomen, blijft een raadsel. Inmiddels is de achterstallige havenbelasting opgelopen tot bijna zeshonderdduizend euro. De werf is daarom een procedure gestart, geholpen door de handelsrechtbank van Rijeka, die ertoe moet leiden dat het schip zal worden geveild. ‘Het ergste is als het schip op de schroothoop belandt’, zegt de scheepsingenieur. ‘Daar is het schip historisch gezien te relevant voor.’

Met de bergen rechts en metershoge kranen linksboven komt plotseling de Zeemeeuw in zicht, vastgeketend in helder water. Het grijsgroene schip ziet eruit alsof het zojuist van de bodem van de zee getakeld is. ‘Toch is alles in de boot nog intact’, verzekert ingenieur Rankovic, ‘en precies bewaard gebleven zoals 25 jaar geleden. De kajuit van Tito en Jovanka, de chartrooms en de ballroom, alles is onaangeraakt. Het schip is alleen van buiten vervallen. Nog maar zes jaar geleden is de boot op eigen kracht van Montenegro naar Rijeka gevaren. Dus het hoeft niet lang te duren om het schip ook nu weer zeewaardig te maken.’ Rankovic wijst op de Fiat twin diesel engine die het schip zijn stuwkracht geeft: ‘Het schip haalt nog altijd twintig knopen.’ In de grote vergaderzaal staat vandaag enkel nog een lange ovale tafel. Een vaalgrijs tapijtje bedekt de grond. In de andere vertrekken van de boot druppelt het regenwater langs de wanden, langs scheuren en vochtplekken, terwijl een zware vochtige lucht bezoekers op de keel slaat. In de ooit luxueuze kajuit van Tito en zijn eega Jovanka bevinden zich alleen nog twee ijzeren bedden en een houten kast met lege laden. ‘Het is alsof je in een tijdmachine terecht bent gekomen’, mijmert Rankovic.

Net als de burgemeester van Rijeka vindt Rankovic dat de Galeb een museum moet worden. Daarvoor hoeft hij ook niet zeewaardig worden gemaakt: ‘Een likje verf, wat nieuwe meubels en klaar is Kees.’ Ook Maroje, de man met het Tito-visioen, ziet zo’n museum wel zitten, net als andere veteranen uit het voormalige Joegoslavische leger. Maar het is allerminst zeker of het museum er zal komen. Drie jaar geleden werd de Galeb nog voor zes miljoen dollar te koop aangeboden, onder meer via de website yachtworld.com. Vorige maand is de basisprijs door de havenautoriteiten van Rijeka vastgesteld op 150.000 euro. Kroatische nationalisten en de oude gevangenen van Goli Otok zijn er op uit het schip voor een spotprijs te kopen en vervolgens naar de schroothoop te brengen, om museale Joego-nostalgie geen kans te geven.

De woordvoerder van het ministerie van Cultuur bevestigt dat het schip inmiddels tot nationaal cultureel erfgoed is verheven, maar zegt dat het ministerie het schip niet zal kopen: ‘De enige die het schip zal kunnen kopen is de stad Rijeka.’ In het gemeentehuis op de brede Korso-boulevard in het centrum van de stad verklaart de burgemeester met galmende stem dat het schip te belangrijk is voor de schroothoop: ‘Alleen al omdat zes brandweermannen van onze stad hun leven hebben gegeven bij het blussen van de Galeb, toen die tijdens beschietingen in de Tweede Wereldoorlog in brand vloog.’

De voormalige oppermachinist van de Galeb, de tachtigjarige kapitein Dusan Milic, zegt dat men het schip willens en wetens heeft laten verkommeren: ‘Het schip werd zestien jaar lang zelfs niet eens geverfd!’ Het is zijn droom om, vijftig jaar na zijn diensttijd op de Galeb, nog één keer terug te mogen keren naar de plecht van het jacht en de machinekamer opnieuw te betreden. ‘Tuzjno!’ mijmert hij. ‘Het is triest dat de Galeb er nu zo aan toe is. Maar het is niet te laat. We zouden gewoon met de oude crew samen moeten komen, dan zouden we de motoren in een vloek en een zucht weer aan de praat krijgen. Dan varen we met het schip direct de haven uit.’ Op weg naar het verleden.

Dit artikel kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Alsmede met steun van Vlatka Simac, die de auteur tijdens zijn onderzoek in Rijeka als researcher en vertaler terzijde stond. Zonder haar voortvarende hulp had ik dit verhaal nimmer kunnen optekenen (in weekblad De Groene Amsterdammer), noch op geluidsband kunnen vastleggen (voor het geschiedenisprogramma OVT van VPRO Radio).

Photo courtesy

© 2010 Vladimir Tarnovski all rights reserved for the pictures as published in this article.

With courtesy also of Michael W. Pocock and MaritimeQuest.com.

President Josip Broz Tito seen in Morocco, Galeb is seen in the background.
(Photo courtesy of Vladimir Tarnovski) 

EEN STEEN EN DUIZEND SCHERVEN

ONGEDULD EN MISVERSTAND

 

HET VERDRIET VAN BELGIE

ALS KRONIEK VAN EEN FAMILIEVETE

 

door Serge van Duijnhoven

België is een staat die sedert 1970 permanent in de renovatiestijgers is geplaatst. Waar kabinetten enkel tot stand komen als ze in het holst van de nacht worden gesloten na het tekenen van compromissen die zo ingewikkeld in elkaar steken dat geen kat de inhoud ervan nog werkelijk kan begrijpen. De huidige politieke crisis is in dit opzicht geen uitzonderlijke situatie maar een gedurige constante van een chronische bestuurlijke ziekte. Of de kanker ook terminale gevolgen zal hebben voor het bestaan van Belgium as we know it? Daarna wacht de totale bestuurlijke chaos met de strijd om Brussel en een afwikkeling van de boedelscheiding waarmee vergeleken het gekibbel over BHV “klein bier” heette te zijn.

Een serieus probleem waarvoor de Belgische democratie zich momenteel reeds gesteld ziet is het feit dat de Belgische bevolking na al die jaren van politieke impasse zijn interesse voor en vertrouwen in de politiek grondig is kwijtgespeeld. Regering of geen regering – het zal de gemiddelde Belg een ziel zijn. Crisis is de normale toestand geworden in het land. NVA-medewerker en voormalig Terzake-journalist Siegfried Bracke schreef eerder in De Morgen (DM 28.09 p.16): “De kloof tussen de Belgische democratieën is zo groot dat vrijwel niemand, zelfs niet de typische Walloniëkenner, echt helemaal kan begrijpen hoe de andere kant “voelt”. Met niet aflatende ijver voedt de Brusselse pers het vijandbeeld over Vlamingen die als Serviers-aan-de-Noordzee niets meer of minder aan het voorbereiden zijn dan de meest verschrikkelijke armoede en ellende voor al wie “Schild en vriend” niet deftig kan uitspreken.” Dave Sinardet, politoloog aan de Universiteit van Antwerpen, bevestigt dat het “blokdenken” momenteel eigenlijk het grootste probleem vormt om in België ueberhaupt nog tot oplossingen te kunnen komen die het regionale of provincialistische belang overstijgen.

Dave Sinardet

Sinardet voorziet dat het virulente “Wij-Zij denken” van de huidige politieke kaste op termijn wel eens katastrofale gevolgen kan hebben als men de eigen principes nimmer in een ruimhartiger perspectief zal weten om te buigen. De atmosfeer zal steeds meer verzadigd raken met onvrede en ongeduld. De mensen zullen – zoals altijd in het geval van historische omwentelingen die onafwendbaar lijken – krampachtig trachten de tijden te versnellen. Wie zal bij de boedelscheiding van het land – ook als het zogenaamde stapsgewijze confederalisme à la De Wever nog een aantal jaren kalmpjes voortgang vindt – aanspraak kunnen maken op de F-16′s en kernwapens van Kleine Brogel? Wat als er een paar heethoofden hun beheersing verliezen en gewapenderhand franstalige burgemeesters uit de rand rond Brussel gaan verdrijven om BHV na zestien jaar palaveren eindelijk kiesrechtelijk te splitsen zoals de grondwet het voorschrijft?



Gelukkig worden de Belgische conflicten uitgevochten met fietstochten in het ommeland, met IJzerwakes, barbecues, debatten, onderhandelingen en vooral veel geniepige plaagstoten. Niemand roept op tot bloedvergieten. Daar staat tegenover dat men daar in het voormalige Joegoslavië anno 1989 ook nog collectief van overtuigd was. Op de Balkan is er een gezegde dat luidt “dat er maar een steen nodig is om duizend scherven te maken”. We passen maar beter op dat die ene steen niet wordt geworpen. Voor je het weet wordt er echt bloed vergoten.

België zal pas werkelijk ophouden te bestaan op het moment dat het land geen premier meer vindt die deze ondankbare c.q. onmogelijke taak nog voor zijn rekening wil nemen. Het land zal niet exploderen maar imploderen oftwel oplossen. Dat is iets waar mijns inziens Bart de Wever ook bewust op uit is. De Wever droomt ervan om op de Belgische politiek de werking te mogen hebben van een  bruistablet. Je gooit een tablet in het glas – het begint te borrelen en bruisen en binnen afzienbare tijd resteert er van het tablet niets meer dan wat spetters aan het oppervlak. Het Belgische vraagstuk voor eens en altijd opgelost in een fris glas medicinaal bronwater. Iedereen wordt er gezonder van.

Bart de Wever: more than just a pound of flesh?                 Bart de Wever: More than just a pound of flesh? 

De Wever heeft de rechter flanken in het Vlaamse spectrum leeggezogen. Het belangrijkste programmapunt van de NVA – de oprichting van een Vlaamse natiestaat – is het minst populaire punt van de partij. Het separatisme is daarom omgekat in de ateliers De Wever tot confederalisme. Een term zo vaag dat die alles en niets kan betekenen. Tovenaarsleerling De Wever – in Vlaasmse kranten onlangs nog vergeleken met Mozes (Als Mozes spreekt luistert Zijn Volk) – is in het warme licht van spots en camera’s met zijn honderd kilo’s verworden tot het Vlaamse troeteldier par excellence. Intelligent welbespraakt recht voor zijn raap koppig boertig en vooral “ene van ons”. Een vadsige koning, dat wel, maar een die niet gespeend van zelfspot zijn persoonlijke défauts op gewiekste wijze in zijn voordeel heeft weten om te zetten.     Haat men of vreest men De Wever aan franstalige zijde?

Mij doet Bart de Wever nog het meest deed denken aan het karakter Shylock uit de komedie The Merchant of Venice van William Shakespeare. Ook de Wever is een ambitieuze man die in een wraakzuchtige obsessie zit opgesloten. We bewonderen zijn onverbiddelijke logica, maar komen erachter dat er al snel enkel onverbiddelijkheid overblijft. Terwijl de franstaligen smeken om solidariteit, slijpt De Wever zijn mes op zijn schoenzool. Hij is net als Shylock een figuur die de wet tot op de letter uitgevoerd wil hebben en die zich niet realiseert dat hij in zijn drammerigheid de grenzen van de wet zelf overschrijdt. In plaats van een testament-executair van een rechtsbeginsel, verwordt hij tot een slachter van de Belgische staat.

Laat het hem maar proberen, de boedel van het land te scheiden met zijn gewette slagersmes van de responsabiliteit en de constitutionele hervormingen – zoals Shylock koste wat kost het volle pond uit de borstkas van Gratiano meende te moeten snijden. Dewever eist, net als Shylock, dat het vonnis geschiedde. Het recht en de geschiedenis moeten hun beloop krijgen. Over de mogelijke gevolgen heeft hij minder nagedacht.

Portia: “Want daar u recht eist, mag u zeker zijn,

Dat u meer recht zult krijgen dan u lief is.”

Maak u dus klaar om ’t vlees eruit te snijden,

Maar stort geen bloed, en neem niet meer of minder

Dan juist een pond, want neemt u meer of minder,

(…), dan sterft u

En al uw goederen worden aangeslagen.

–         vert. Willy Courteaux

 

De heikele vraag dient opgeworpen of het seperatisme tussen noord en zuid in dit land inmiddels een onomkeerbaar momentum heeft weten te bereiken. En of er ueberhaupt nog politici zijn in het ganse spectrum die bereid en in staat zijn om over de eigen schaduw heen te stappen. En een hand te rijken naar de anderstalige medeburgers van Halfland België. Zijn de vershillen onoverkomelijk geworden? Of eigenlijk altijd al geweest?

Op het eerste gezicht is alles anders aan de overzijde van de taalgrens. Naast de verschillende talen die men spreekt bezitten de gemeenschappen geheel verschillende omroepen die programma’s maken waar de andere taalgemeenschappen nooit en te nimmer naar zullen kijken. Vlaamse prominenten zijn onbekenden in Wallonië. En andersom. De franstaligen hebben een heel andere muziekvoorkeur dan de Vlamingen. Voorts is ook het politieke landschap aan beide zijden van de taalgrens volkomen anders van aard. Behalve de Groenen die met Ecolo een front vormen in de federale politiek zijn alle partijen langs regionale en gewestelijke principes steeds verder van elkaar verwijderd geraakt. Toch ligt het er natuurlijk maar net aan welke ascpecten van de culturele beleving je naar voren wilt brengen.

Bestaat er eigenlijk nog wel zoiets als een “Belgitude” (proef dat woord voor het voorgoed van ons radar verdwijnt)? Een ziel die geheel naar de letter van Boontje op “gespleten en bescheten wijze” in verschillende kompartimenten van afzonderlijke Halflanden is verdeeld? Losse zielen die tot elkaar veroordeeld zijn bij de gratie van dat ene monstrueuze Brusselse waterhoofd van de Siamese tweeling- of drielingenstaat die sedert 1830 bekendstaat als le royaume de la Belgique. De presentatrice was nogal kort door de bocht met haar omschrijving van België als het land van bier, frieten én Suske & Wiske. Kuifje en pralines. Manneken Pis en dEUS. Eddy Merckx en Jacques Brel.

85 procent van de bevolking schijnt zich volgens academisch onderzoek allereerst nog steeds als Belg te willen afficheren. 22 procent voelt zich in de allereerste plaats een Vlaming. Hoogstwaarschijnlijk is er vooral sprake van een gelaagde (lasagne) identiteitsbeleving bij het gros van de bevolking. Men is zowel Hasseltenaar als Limburger als Vlaming als Belg als misschien afstammeling van een Italiaanse immigrantenfamilie die werkzaam was in de Waalse mijnbouwindustrie van (staats!)bedrijven als Union Minière. En die voor het pensioen van de oude stamhoofden dus afhankelijk is van federale (Brusselse) kassen.

De identiteitesbeleving van Belgische bewoners heeft de afgelopen decennia in elk geval radicale veranderingen ondergaan. Brussel is bijvoorbeeld een stad geworden waar letterlijk alle bevolkingsgroepen een minderheidsstatus bekleden. In dat opzicht is de hoofdstad van Belgie en Europa een geografisch en sociaal laboratorium van jewelste. Een levend experiment op een symbolische schaal van anderhalf-staat-tot-driehonderd miljoen. Brussel is de conditio sine qua non van het bestaan en voortbestaan van België. En van Europa als Unie met een agenda van vrede en gemeenschapszin. Maar Brussel is ook een podium van onverholen tweedracht en verachting. Brussel wordt nergens zo gehaat als in Belgie zelf. Zeker door hen die er iedere dag weer naartoe moeten om er te gaan werken in de sick buildings van de overheid. En die dagelijks de file trotseren om zich als loonslaaf te laten vernedereren in een of andere Kafkaeske nationale dan wel internationale instantie in wijken waar men zich uit vrije wil nimmer naartoe zou bewegen.

Brussel(s): het waterhoofd van de Siamese tweelingstaat Belgie

In de algehele stads-sceptische houding vinden Vlamingen en Walen elkaar weer uitstekend. Alleen de eigen klei is goed genoeg om ervan doortrokken te kunnen zijn. Brussel is en blijft het Sodom en Gomorra – het helse secreet waar je je enkel terugtrekt omdat je er fecalische zaken te verrichten hebt. Van een liefde voor Brussel is in gans België geen sprake. Ook niet – zeker niet – vanwege de Vlaamse en Waalse politici die er op en om de Wetstraat dagelijks met elkaar in de clinch gaan. In hun gezamenlijke haat jegens de bureaucratische internationale hoofdstad Brussel tonen zowel Vlamingen als Walen weldegelijk over een gemeenschappelijke volksziel te beschikken. Vlamingen en Walen zijn – of men het nu plezierig vindt of niet – weldegelijk familie van elkaar. Het wederzijdse onbegrip van onze landgenoten heeft het irrationele en allerminst ongevaarlijke karakter van een familievete. Of er bloed zal vloeien of de boel aan diggelen zal vliegen is een kwestie van tijd en – bijgevolg – vooral aan het vermeend gebrek daaraan. Die eerste steen-van-duizend-scherven zal niet eens uit haat of woede worden geworpen. Ongeduld volstaat. Men zal in dit land, zoals in alle tijden van omwenteling, de Tijd krampachtig willen versnellen. Wat er de precieze gevolgen van zijn, kan niemand voorspellen. Maar dat het zover zal komen, valt weldegelijk te voorzien.

©      Serge van Duijnhoven, Brussel

OP ZOEK NAAR HARRY SMITH – MISTER MAGOO – In het voetspoor van een ontraceerbare legende

MISTER MAGOO

OP ZOEK NAAR HARRY SMITH

In het voetspoor van een ontraceerbare legende

http://cinemaredux.wordpress.com/2010/11/01/mister-magoo-op-zoek-naar-harry-smith-in-het-voetspoor-van-een-ontraceerbare-legende/

  • Harry Smith, 1923?-1991


`Ik heb Harry gevraagd, hoe ik hem het beste aan kan kondigen. Zijn antwoord was: “Als je maar niet zegt, dat ik een authoriteit ben op een of ander gebied.”  Harry is cineast, schilder, calligraaf, verzamelaar en archivaris van oorspronkelijke Indiaanse muziek en Folk en een componist van de allerbeste soort. Harry is een alchemist.’
(Steven Taylor, componist, zanger, dichter, acteur, muzikaal begeleider van Allen Ginsberg)
– uit `Der Webmeister des verlorenen Fadens: Harry Smith’, door Christian Loidl, in: Christian Loidl, Christian Ide Hinze und Winfried Gindl, Die Jack Kerouac School of Disembodied Poetics (Klagenfurt 1992), p.116.


Harry Smith

Zijn naam is even triviaal als zijn voorkomen enigmatisch. De kring rond de beat-poets beschouwde hem als leermeerster of `oudere broer’ die als een soort van levend orakel te pas en onpas kon worden geraadpleegd. Andy Warhol noemde hem een `geniaal filmer en schilder’. Allen Ginsberg plaatste een afbeelding van diens werk op het omslag van zijn Collected Poems 1947 – 1980 (Harper and Row) en nam hem een tijdlang persoonlijk onder zijn hoede. Ginsberg liet hem zelfs enige jaren intrekken in zijn eigen appartement in de Lower East Side in Manhattan; een cohabitatie die niet zonder spanningen verliep. De huisarts van Ginsberg stelde Harry Smith aansprakelijk voor de hartklachten van zijn patiënt. Smith verliet desgevraagd de woning, maar werd later uitgenodigd door de beat-dichter om zich te komen vestigen in Boulder Colorado, niet ver van Ginsbergs zomerresidentie in Denver, aan de voeten van de Rockies. Harry Smith kreeg een kleine, leegstaande houten barak toebedeeld in de tuin van het Naropa Instituut, een vrije alternatieve hogeschool waaraan Allen Ginsberg verbonden was als docent van een door hemzelf opgerichte vakgroep literatuur – de `Jack Kerouac School of Disembodied Poetics’.

In Boulder bracht Harry Smith zijn laatste jaren door als `shaman in residence’ en lector-hoogleraar op het gebied van de `curieuze anthropologie’, levend van een bescheiden wedde en een financiële toelage die jaarlijks beschikbaar werd gesteld door de bandleden van de legendarische psychedelische rockband The Grateful Dead.
In 1991, het jaar van zijn dood, ontving Harry Smith nog een Lifetime Achievement Award tijdens de Grammy Award uitreiking voor zijn uitgebreid geannoteerde anthologie van Amerikaanse Folkmuziek, waarin vele unieke opnamen te horen zijn van vroege blues, bayou-muziek, kinderballaden en cowboyliederen. Folkways Records heeft het werk in 1952 uitgebracht in een corpus van negen langspeelplaten, en speelde (volgens Bob Dylan en Ry Cooder) een cruciale rol bij de herontdekking en wederopleving van folkmuziek aan het begin van de jaren zestig.

Hoeveel grootheden hem ook bewonderden, prezen of steunden, voor het grote publiek bleef Harry Smith een onbekende. Maar ook voor de mensen die hem van zeer nabij hebben meegemaakt is Smith uitermate obscuur gebleven, een wereldvreemd heerschap, even geniaal als gestoord, fascinerend en afstotend tegelijk. Een orakel van onmenselijke lelijkheid en verbluffende eruditie, een sfinxachtig kunstenaar en archetypisch geleerde die leefde met het hoofd in de wolken, onmogelijk in de omgang, permanent berooid, maar in het bezit van een schat aan kostbare kennis en curiosa.
Behalve dat hij de eerste Amerikaanse kunstenaar is geweest wiens werk, samen met dat van Marcel Duchamps, te zien was in het Louvre in Parijs in 1951 en dat hij gezien wordt als de `grondlegger van de Amerikaanse onafhankelijke film’ (J. Hoberman in de Village Voice, 2 dec. 1991), wist hij naam te maken met een hele serie van unieke verzamelingen, varierend van Indiaanse heilige voorwerpen tot en met Oekraiense beschilderde paaseieren. Zijn collectie papieren vliegtuigjes (stuk voor stuk gedateerd en met vermelding van vindplaats) groeide uit tot de grootste op aarde en is overgedragen aan het Smithsonian Air Space Museum in Washington DC. Ongetwijfeld is het de combinatie geweest van dergelijke wapenfeiten alsmede zijn bizar-markante uiterlijk (bochel, baard, grote bril en geringe lengte) die van Harry Smith grotendeels een legende hebben gemaakt.
`Does Harry Smith really exist?’ vroeg filmkritikus Jonas Mekas zich in 1965 af in de Village Voice toen Harry’s langverwachte film Heaven and Earth Magic in omloop werd gebracht. `Jarenlang is Harry Smith een zwarte en omineuze legende gebleven en een bron van vreemde geruchten’, aldus Mekas. `Sommigen zeggen zelfs dat hij deze planeet lang geleden al heeft verlaten.’

Christian Loidl (1957 – 2001)

Met Harry Smith maakte ik kennis in november 1995 in Hotel Winston in de binnenstad van Amsterdam. Of beter gezegd, ik maakte kennis met zijn geestverschijning. Harry zelf was al enige tijd dood. Hij stierf op 27 november 1991 in het Chelsea hotel in New York, naar verluid op 68-jarige leeftijd. De Harry Smith die ik leerde kennen was een incantatie opgewekt uit restjes lysergisch zuur en marihuana-dampen die geanimeerd het café werden ingeblazen door de Oostenrijkse dichter-performer Christian Loidl (auteur van oa. de dichtbundel/cd Kammermusik für Feuer und Verschwinden), destijds te gast op het New Rage festival van MillenniuM.
Loidl gaf niet zomaar een imitatie ten beste. Er werd iets over hem vaardig, anderhalf uur lang werd hij iemand anders. Zijn stem werd krakerig, oud, gebarsten, Amerikaans. Zijn motoriek werd traag. Zijn oogopslag vernauwde zich tot dunne streepjes waardoor hij gluurde als een jongen door een spleet in de schutting. `Ik ben Harry Smith’, verklaarde hij, `en het is me opgevallen dat paddestoelen en zeker de soorten die groeien in dit vochtige land van windmolens en ingepolderde weilanden nauwer verwant zijn aan insecten dan aan planten…’

Harry the Alchemist pouring milk into milk. Picture taken by Allen Ginsberg 

Korte tijd later, op nieuwjaarsochtend 1996 in Wenen, vertelde Christian Loidl me hoe hij zelf met Harry Smith was geconfronteerd tijdens een symposium over experimentele film in Boulder. `Ik dacht: deze gnoom is beslist de oudste man van de wereld, op z’n minst honderdtachtig’, aldus Loidl. `De man was nauwelijks groter dan een dwerg, liep uiterst langzaam en voorover gebogen vanwege een bochel, had haren die als spinnenwebben tot op de schouders hingen, een witte spaghettibaard vol schilfers, basaltzwarte tanden en een bril met buitenproportioneel grote glazen. Vanachter zijn baard en reusachtige bril leek hij als hij sprak te glimlachen. Van dichtbij zag ik dat zijn ogen dichtgekoekt zaten tussen dikke gele wallen van verhoornde huid. Harry sprak kwakend en begon zijn lezing met de vraag of iemand in de zaal een cassetterecorder mee liet lopen. Toen iemand dat bevestigde zei hij: “in dat geval mag ik niet vergeten zodadelijk een minuut of wat te hoesten; een hoest is zeer moeilijk te imiteren, zeker niet als je bijzondere woorden in het hoesten verwerkt zoals de familienamen van mensen; de kunst is het om tijdens het hoesten de klankkleur van die namen intact te laten…”
`Harry was niet bepaald een innemend heerschap’, vertelde Christian Loidl in Wenen. `Eerder een onvriendelijk, nooit volwassen geworden kind. Iemand die ongastvrij was, gierig op het boosaardige af, en die de mensen om hem heen bij voorkeur beledigde. Je wist nooit of hij je in de maling nam of dat hij het meende. Ik ben een keer bij hem thuis geweest, in zijn kleine houten woning in de tuin van het Naropa Instituut, een afspraak die tot stand kwam na bemiddeling van een docent aan de Jack Kerouac School. Harry bood me druivensap aan in het smerigste glas dat hij temidden van zijn beschimmelde bende kon vinden. Zijn huisje zag er van binnen uit als een boomhut, met tussen de hoge stapels boeken overal stenen en dikke takken, en boomstronken die dienden als zetel. Ook herinner ik me een geknoopt tapijtje met de beeltenis van Marcus Garvey als admiraal op het schip van de Black Star. Toen ik recorder en microfoon uit mijn tas tevoorschijn haalde, vroeg Harry die tegenover me wiet plukte uit een grote plastic zak argwanend of ik het gesprek wilde gaan opnemen. Ik zei: ja, als u er geen bezwaar tegen heeft. Vervolgens nam me de kleine zwarte Sony recorder uit de hand en onderzocht het apparaatje minutieus. Uiteindelijk zei hij: “Vanochtend vroeg heb ik nog vogelgezang opgenomen met een soortgelijk apparaat. Toen ik daarmee bezig was, hoorde ik plots iemand saxofoon spelen. Grappig nietwaar. Ik neem vogelgeluiden op, en ineens klinkt er een saxofoon… Zeer grappig – zeker als je weet dat Charlie Parker `Bird’ werd genoemd.”

Harry on Second Avenue

 

Toen ik dacht dat daarmee het ijs eindelijk gebroken was, murmelde Harry dat er op dat moment vreemde stemmen in de lucht zaten en dat hij niet graag had dat die stemmen op band verschenen. Onverrichter zake nam ik afscheid, waarbij Harry me bij de deur van woning nariep: “Als je nog eens problemen zoekt, klop dan gerust weer bij me aan…”

The Kavyayantra Press is the imprint for chapbooks and broadsides published through the Department of Writing and Poetics. The press is housed in the cottage where filmmaker, scholar and musicologist Harry Smith resided. Printers Brad O’Sullivan and Julie Seko teach letterpress printing courses, which are offered every semester.

In Boulder Colorado moesten volgens Christian nog heel wat mensen te vinden zijn die me wat meer duidelijkheid zouden kunnen verschaffen omtrent het fenomeen Harry Smith. Harry was een publiek figuur op het Naropa Instituut, en in de vier jaar dat hij daar had doorgebracht had hij zeker zijn sporen nagelaten. Tijdens een reis die ik in de zomer van 1996 door de Verenigde Staten ondernam was ik dan ook vastbesloten dit universiteitsstadje aan te doen om meer over hem te weten te komen.

(foto van Harry Smith in 1988, gemaakt door Allen Ginsberg. Voedsel: meeneemchinees. Harry is geradbraakt, dakloos, blut en zit met kapotgereden knieen na een aanrijding door een auto)

Boulder is sinds de jaren zeventig dé centrale ontmoetingsplek voor de On the road-generatie en haar nazaten. Het als uiterst vrijzinnig bekend staande stadje ligt centraal in de VS en vormt letterlijk een crossroad tussen de Oost- en de Westkust, het Noorden en Zuiden.
De geest van de beats, levend en dood, is in Boulder nog volop aanwezig. Op main-street bevindt zich een Beat Bookshop die wordt gerund door een betrekkelijk jonge dichter-alcoholicus genaamd Tom Peters. En op een veldje buiten de stad staat nog het karkas van de beschilderde bus van de Merry Pranksters, die daar na een decennialange trip van mondiale geestverruiming door Ken – de chauffeur – is geparkeerd. Op de terrasjes van de café’s in Boulder zie je mannen met baarden die schaakspelen, studenten die Indiase sigaretjes roken, moeders met baby’s in draagzakken, meisjes met piercings. Boulder is Woodstock Forever, het tot leven gewekte decor van een Beatle-song, met magische paddestoelen die groeien in de bergen, wilde aardbeivelden rond de buitenwijken en café’s met namen als Pennylane en Helter Skelter. Beat oppergod Allen Ginsberg wist welke plek hij uitkoos toen hij samen met de Tibetaanse monnik Chögyam Trumpa aan het Naropa Instituut in Boulder zijn hogeschool oprichtte voor Poëzie, Dans en Meditatie.

Het Naropa Instituut (School for Continued Education) bestaat uit een landelijk complex van Victoriaanse houten huizen met veranda’s, prefab barakken, een moderne bibliotheek van steen en glas en een ruim gazon met bosschages en loofbomen waaronder behalve het huisje van Harry ook twee Japanse theehuisjes op palen schuilgaan.
De theehuisjes zijn het leslokaal voor de studenten Japanse theeceremonies. In Boulder kun je daar op afstuderen. De keuze is uit winter- en zomerceremonies. Een greep uit het overige lessenpakket (in de keuzevakkengids staat nadrukkelijk: `Bring your imagination to class’) Je kunt sjamanisme en ecopsychologie bestuderen, macrobiotische shiatsu en de kunst van het Japanse bloemschikken.
In de boekenwinkel van het Naropa Instituut worden (naast volkorenmuffins) boeken verkocht met titels als: True hallucinations, Narrow Road to the Interior, Getting our bodies back, The Social Face of Buddhism, Gateway to the miraculous.
Een Gateway to the miraculous; dat is wat Boulder in vele opzichten is. In de Boulder Weekly las ik de curieuze mededeling dat `de lucht in Boulder een te laag gehalte aan realiteit bezit.’[1] En in de bibliotheek van het Naropa Instituut, vernoemd naar Allen Ginsberg en in 1993 ingewijd door een groep zoemzingende Tibetaanse lama’s, hangt in de hal een bord met de tekst: `de werkelijkheid is voor mensen die het aan fantasie ontbreekt.’

– Tom Peters’ Beat Book Shop: 1713 Pearl Str., Boulder Co 80302, # 303 444 7111.

(* Onder de kop Reality check in de Boulder Weekly stond die week te lezen: `”De lucht in Boulder bevat een zeer laag gehalte aan realiteit”, zegt hoofd ingenieur Hugh Jorgen van het National Centre of Atmospheric Research. “In sommige buurten is het realiteitsgehalte lager dan veilig kan worden geacht. Soms zo laag als vijftig partikels per miljard. Als de concentratie in de atmosfeer dit soort niveau’s bedraagt, zien we een toename in vreemd gedrag.”)

In de bibliotheek vraag ik een film op van Harry Smith die op video is overgezet: Heaven and Earth Magic, het magnum opus waar de alchemist-cineast twintig jaar aan zou hebben gewerkt, veelal liggend in bad. De badkuip was Harry’s favoriete werkplek voor toepassing van een procédé waarbij hij filmframes met de hand beschilderde en bewerkte.
Smith heeft in zijn leven in totaal 23 films gemaakt in een stijl die door filmkritici is omschreven als `picturaal, hallucinant en hermetisch.’ Zelf noemde Harry zijn filmwerk een vorm van `magisch illusionisme’. De uitvinder van de cinema zou volgens Harry de legendarische monnik, filosoof en wiskundig-geleerde Giordano Bruno zijn geweest die op de brandstapel belandde omdat hij zich met zijn lumineuze geest de wrok van de kerkelijke authoriteiten op de hals had gehaald.

Nadat ik de videoband van Heaven and Earth Magic in de recorder heb gestopt en een koptelefoon om mijn hoofd heb geklemd, hoor ik geluiden van vogels en van kletsende mensen, een bel, klokken, stoomlocomotieven, brommers, verkeer, een roeispaan in water, het klotsen van golven tegen de boeg van een schip, koegeloei, machinegeluiden en kikkergekwaak. Ik zie bewegende poppetjes, fantasierijke contouren, voortdurende transformaties van getekende figuren en kleurvlakken. Erg psychedelisch van aard, een beetje in de stijl van de collage-filmpjes uit Monty Python’s Flying Circus. De filmbeelden zijn over het algemeen nogal wreed en elementair. Ik zie een injectienaald die in een oogbal wordt gestoken, krioelende insecten, rondtollende reptielen en een feest van dansende skeletten. De film duurt pakweg een half uur.
Op de videofilm na is er verder weinig van of over Harry Smith te vinden in de bibliotheek. Zelfs in de dikke biografie over Allen Ginsberg is de moderne Prospero alleen traceerbeer in een minuscuul voetnootje, en dan nog zonder verdere uitleg. Na lang zoeken in kaartenbakken en registers kom ik op naam van Harry Smith dan toch een soort kaartje tegen, waarop behalve een nummer en een stempel van het Naropa Instituut de volgende tekst staat:

En met de zonden van de kinderen moeten de ouders gekweld worden
– levensloop van Harry Smith, door hemzelf geschreven:

`Geboren in Portland, Oregon, als kind van ouders wier dwaasheid wat betreft hun geslacht tot een cyclische sociale en religieuze manie voerde. Deze dwong hem om zijn eigen dualiteit met groot enthousiasme te omarmen en een huwelijk met het dualistische principe aan te gaan: `Breng de mensen zover tot ze denken dat ze denken, en ze houden van je. Breng ze tot denken, en ze haten je.’ Natuurlijk leverden de omvang van zijn oneindige ellende en zijn welbekende begeerte hem menig private en publieke mecenas zodat hij zijn uitstapjes naar de afgestompte honger aan de grens van stem en visioen kon financieren. Hij heeft ongeveer 1500 opnames gemaakt voor beperkt wetenschappelijk gebruik en zo’n 120 commerciële filmpjes. Hij heeft 23 films geproduceerd, waarvan ongeveer de helft gemakkelijk te verkrijgen is.Hij is naar Boulder gegaan om te ontdekken waarom hij zo’n verdomde zot is, en hij had gehoord dat Boulder de beste plaats is om dit te doen.’

Ook vond ik een wit briefje waarop met een typemachine de titels stonden getikt van colleges die Smith in de vier jaren van zijn aanwezigheid in Boulder heeft gegeven:

1. de rationaliteit van het naamloze
2. is zelfreflectie mogelijk?
3. communicatie, quotatie en creatie
4. de grammatica van het bewustzijn

(foto van Allen Ginsberg en Harry Smith, genomen in Ginsbergs appartement in New York, met als onderschrift: ‘Clowning Around…’)

Harry Smith verbleef een viertal jaren in een kleine houten barak op het terrein van het Naropa instituut, temidden van zijn curiosa: zijn kasten vol geluidsbanden, papieren vliegtuigjes en speelgoed, zijn prullaria, boeken en katten. Het gebouwtje – een soort schuur eigenlijk – doet nu dienst als atelier voor studenten die op bibliofiele wijze dichtbundels willen leren drukken. In het huisje staat de Kavyantra Press oftewel de `poëziemachine’, een handmatig te bedienen drukpers gebouwd door Vandercook Chicago aan het einde van de vorige eeuw.
In het huisje ontmoet ik Neil Gil, een vriendelijk ogende kerel met een ringbaardje, een rond brilletje en een wat opdringerig buikje dat zich strakspant onder een donker T-shirt met het opschrift Grease. `Dit gebouwtje is een klein heiligdom’, zegt Neil. `Harry’s geest hangt hier nog altijd.’ Hij leidt me rond door de diverse vertrekken. `Dit is waar hij sliep, dit was de living, hier was de keuken en hier was de badkamer… Er is flink uitgemest toen Harry was overleden. Containers vol met spul, takken, boomstronken, boeken, keien, speelgoed, papieren vliegtuigjes, dagboeken en geluidsbanden hebben we uit het huisje geruimd. Gelukkig is vrijwel niets zomaar weggegooid of beland op de vuilnisbelt. Door sommigen is letterlijk gevochten om de nalatenschap.’
‘Alles in zijn woning, zijn leven, zijn omgeving was onderwerp van een voortdurend experiment. Harry maakte hele geluidscomposities van een druppelende kraan, een fluitende theeketel, een aanslaande koelkast. Hij maakte ook opnamen van de footballwedstrijden, van het geluid dat opsteeg uit het stadion, hij probeerde zelfs het geluid vast te leggen van sneeuw die smolt. Van al zijn verrichtingen hield hij een logboek bij.’
`Hier’, zegt Neil, `op de plek waar nu de drukpers staat stond destijds de bedbank waarop Harry sliep. Midden op het bed lag de uitgedroogde placenta van een van zijn katten die in dit huisje was bevallen. De placenta zag eruit als een ster. Niemand mocht de vlek verwijderen.
De kinderen van Boulder kenden Harry als Mr. Magoo. Ze vonden dat hij leek op een kabouter. Hij had meestal veel bekijks als hij ‘s zomers door de tuin dwaalde met zijn koptelefoons om en een microfoon in de hand, bezig als hij was om geluidsopnamen te maken van de eekhoorntjes of vogels of van zijn jeugdige toeschouwers.
Hier op deze tafel stond altijd zijn grote oude Philips magnetofoon met twee spoelen. Onder de tafel lag een stapel zwarte dunne dozen waarin hij zijn metaalbanden bewaarde, stuk voor stuk nauwkeurig gedateerd. Harry zei dat hij werkte voor het Smithsonian Instituut, dat hem betaalde om opnames te maken van situaties die blinde mensen in het dagelijks leven nogal onzeker maakten. De bedoeling was dat Harry’s tapes gedraaid zouden worden in auditoria waar blinden vertrouwd konden raken met chaos en rumoer.’
Na de rondleiding door Harry’s Place zet Neil zich weer aan het werk achter de zwartglimmende en goedgeoliede Kavyantra Press. Het boekje dat hij bezig is te drukken heet `Passing Freaks & Graces’. De poëzie is van een vriendin, de pentekeningen zijn van Arthur Still, de zoon van het gelijknamige bandlid uit Crosby’s, Still, Nash & Young.

Early Abstractions by Harry Smith 

De weefmeester van de verloren draad

(voor Harry Smith, 1923?-1991)

de heer die ik probeer te zijn
toont zich als primaat:
`Is het niet schrikken hoe vaak
ik uw geachte neef was?’

wie kan hier de laars-
zwarte koffie uit Marokko
wat schelen? Breek een vlam
en je bent een klotegenie!

massagenezingen zullen spoedig volgen
de artsen zullen ontiegelijke
tovertrucs ondergaan

hij, die de maan viert
kan de sneeuwval hem verwonden?

lik, jullie politieheren,
lik de tranen van mijn haren!

bevrijd mijn betaling in munten!
alles strikt cash, wij allen
vertrouwen in god
van augustus tot april.

(het rookhol stal koren-
veldwijs van het brandpunt der rede-)

regen
is reiner dan bloed

gevorderden, zieken en slechten:
allen eindigen in dezelfde
etensrestenbak

hoe ernstig we zijn:
onze borsten
zijn groter dan
hoofdjes van baby’s!

het touw krijgt weer kleur en
beweging door trilling

heeft iemand een mes, opdat ik
mijn koffie kan snijden en
hem een douche aanbieden?

hang me op, alsjeblieft,
na de dood!

gedicht van: Christian Loidl

Oorspronkelijke titel: `Der Webmeister des verlorenen Fadens’, uit: Christian Loidl, Christian Ide Hinze und Winfried Gindl, Die Jack Kerouac School of Disembodied Poetics (Klagenfurt 1992), p.116- vertaling Ludo Blok.

Harry Smith stierf op 27 november 1991, tijdens een uitstapje naar New York waar hij in het Chelsea Hotel verbleef. Als reden van overlijden is opgegeven: een hartstilstand. De mythevorming rond zijn persoon is er alleen maar door verhevigd, zo merkte ik toen ik Boulder vorig jaar bezocht. Uit de verhalen die mensen me vertelden, kwam Harry nauwelijks als een mens naar voren. Iedereen die hem van nabij had meegemaakt, had wel een verhaal paraat over zijn, met geheimzinnige gebeurtenissen gepaard gaande, confrontatie met de magier annex hoogleraar en kunstenaar.
Het patroon van die verhalen vertoont sterke overeenkomsten. Meestal zijn er atmosferische merkwaardigheden die Harry’s verschijning begeleidden, kon de vreemdste taal uit zijn mond worden opgetekend en schijnt zijn curieuze verschijning een verlammende indruk te hebben gemaakt op de omgeving. Daarnaast zijn er de wonderlijkheden die meestal alleen zijn voorbehouden aan heiligenlevens, zoals Harry die zich nooit waste, maar toch niet stonk of smerig was. Harry die nooit at, maar toch stokoud werd (of die indruk maakte). Harry die een formule wist waarmee je jezelf onzichtbaar kon maken. Harry die kon communiceren met objecten en dieren. Harry die in contact stond met hogere machten. Tenslotte zijn er dan ook nog de geruchten als zou Harry hebben gewerkt voor de CIA.
Doug Thorburn, advocaat in Boulder, lokte me mee naar een Old England-achtige kroeg, met de belofte dat hij `hele verhalen’ over Harry had te vertellen. Ik was hem tegen het lijf gelopen in de Beat Bookshop van Tom Peters; een blonde, sympathieke man van middelbare leeftijd met heldere, ontwapenende blauwe ogen. Hij had zich uit eigen beweging in het gesprek gemengd toen hij hoorde dat ik op zoek was naar verhalen over Harry Smith. `Ik ben toehoorder geweest bij enkele van zijn colleges toen ik als aspirant dichter een zomercursus volgde aan de Jack Kerouac School of Disembodied Poetics’, zei hij.
In de Old England kroeg laat Doug de ene na de andere `sjneps’ aanrukken door een serveerstertje in cocktailkledij.
Hij dwaalt voortdurend af, maar uiteindelijk komen dan toch `some great interesting stories about Harry’ boven die Doug me niet wilde onthouden. `Harry leefde voortdurend op de pof. Hij was een professioneel uitvreter die van iedereen geld leende en zelf nooit geld had. Harry verkocht zelfs de boeken die hij cadeau kreeg of die hij van anderen had geleend. Ik weet dat hij op gegeven moment een film wilde maken en toen naar een vriend is gegaan die hij van zijn plannen vertelde. Harry zei dat hij geld nodig had voor zijn film, en vroeg of hij wat geld kon lenen om naar New Jersey te reizen waar hij iemand kende die hem verder kon helpen. Eenmaal in New Jersey vroeg hij aan diegene of hij niet wat geld kon lenen om in Washington DC te geraken, waar hij mogelijkheden zag om geld in te zamelen. Via de talloze mensen die hij benaderde op zijn omzwervingen, heeft hij honderdduizenden dollars bijeen gekregen. Toen hij eenmaal genoeg geld had voor de film, heeft hij het bedrag aan een of andere snoeshaan in San Francisco overgemaakt. Het geleende geld heeft hij nooit teruggegeven.’

vroeg schilderij van Harry Smith

Ook bij Tom Peters van de Beat Bookshop is de drank onontbeerlijk om meer over Harry Smith te weten te komen. In zijn boekwinkel reageerde Tom erg ontwijkend op mijn vragen. `Ik kende Harry niet echt goed’, zei hij. Van anderen had ik juist gehoord dat Harry nogal op Tom gesteld was.
`Ik zag hem niet regelmatig’, zei Tom. `Ik had niet genoeg boeken die hem interesseerden. Hij wilde dat ik alle boeken over eugenetica voor hem apart zou leggen. Maar ik bezit vooral een literaire boekhandel zoals je kunt zien, en geen medische. Achteraf gezien was dat misschien een geluk. Bij zijn dood was Harry me maar zeven dollar schuldig.’
Nadat ik een boek en wat briefkaarten heb aangeschaft is Tom iets toeschietelijker. Hij zegt: `kom maar terug na sluitingstijd, dan zal ik je een en ander vertellen.’
De dorst blijkt ‘s avonds echter sterker dan de belofte om verhalen over Harry uit de doeken te doen. Tom voert me mee van het ene naar het andere bierhol en giet aan de lopende band pitchers met Miller High Life bier naar binnen. We eindigen in de Sundown Bar, waar Tom een toast uitbrengt. Hij drinkt zijn glas leeg, veegt zijn mond af met de bovenkant van zijn hand en vraagt: `Ben je al in Harry’s Place geweest?’
Ik knik. `Was het daar destijds echt zo’n smeerboel als me verteld is?’
There was dirt in the bathtub, but it wasn’t dirty. You know the difference?’, zegt Tom.
`Wat is vies… sommige mensen vinden de natuur ook vies. Bij Harry thuis trof je stenen aan, zand, mos, takken. Maar geen stinkende berg afval. Het was er niet schoon maar ook niet smerig, weet je wel. Harry stonk niet. Hij was op een bepaalde manier zelfs erg netjes en goed geordend. Alles bij Harry had z’n plaats. Hij verzamelde en catalogiseerde alles wat hem interesseerde. Flyers van radioshows die hij had opgenomen. Papier, speelgoed, tarot-kaarten, lege potjes van zijn babyvoedsel-maaltijden, potjes van de pillen die hij slikte. Harry was verslaafd aan valium en hij rookte voortdurend wiet die hij op doktersrecept in grote hoeveelheden in huis had. Hij was nog maar pas afgekickt van zijn alcohol-verslaving toen hij naar Boulder kwam. Toch praatte hij nooit over zijn drankprobleem. Als mensen hem vroegen hoe hij er zo goed in slaagde sober te blijven, zei hij: valium werkt net zo goed.’
`Over het jaar van zijn geboorte bestaat onduidelijkheid.’
`Harry deed daar altijd heel geheimzinnig over. Hij wekte de indruk stokoud te zijn, veel ouder dan de leeftijd die in zijn documenten stond. Dat kwam vooral omdat hij zich zo langzaam voortbewoog. Harry hield rekening met de mogelijkheid dat hij een bastaardzoon was van Allister Crowley met wie zijn moeder in haar jeugdjaren contact had gehad. `Do As Thy Wilt Shall Be The Whole Of The Law’, de bekende frase van Crowley, was altijd een van Harry’s credo’s.
Voor zover ik weet groeide Harry op in een vrijmetselaarsfamilie in Oregon. De man die hem opvoedde, zijn officiële vader, zat in de zalmvishandel. Zijn moeder was lerares op een lagere school.’
Ik vraag Tom hoe het kan dat vrijwel iedereen die naar Harry Smith luisterde tijdens zijn lezingen een totaal andere versie van zijn vertoog reproduceerde. Zowel Christian Loidl als Doug Thorburn hadden me verteld dat niemand bij het overlezen van de aantekeningen dezelfde weergave had van de colleges.
Tom: `Harry had de gewoonte om geen enkele zin die hij begon af te maken, hij sprak volstrekt niet lineair. Allen Ginsberg zei soms tegen hem als hij weer halverwege een zin bleef steken: “maak je zin eens af, Harry!” Waarop Harry zei: “Ik heb m’n zin afgemaakt, eh eh… is een perfect legitieme manier om een zin te beëindigen.” Wat Harry zei was vaak even duister als geniaal. Tussen alle gekwaak en gegniffel kon je plotseling de prachtigste flarden tekst opvangen.’


(omslag van het vierde deel uit de omvangrijke collectie met historische opnamen uit de Amerikaanse bluesmuziek. Het omslag is afkomstig uit een boek over magie, uit de gigantische boekencollectie van Harry Smith, die volgens sommigen geheel en al ‘bij elkaar gejat’ zou zijn uit hebberigheid, volgens hemzelf ‘om in zijn levensonderhoud te voorzien’.)

Christian Loidl had me een lijst laten zien met quotes die hij en de dichter Jack Collom hadden opgetekend tijdens de colleges die ze in Boulder bij Harry hadden gevolgd. Enkele fragmenten:

`Regen is reiner dan bloed’
`Onze borsten zijn groter dan de hoofdjes van baby’s.’
`Chinezen hebben altijd gezocht naar het imperfecte.’
`Ik zou het nu graag gaan hebben over reincarnatie in de poolregio’s.’
`Als een baby veel huilt, zal het later in het leven juist veel zingen.’
`De Aurora Borealis wordt veroorzaakt door de doden die voetballen op de maan.’
`Ik heb bemerkt dat vliegtuigen, als ze in een bepaalde windstroom vliegen, precies zo klinken als lange tibetaanse woudhoorns.’
`Ik ontving mijn basisonderwijs in de baarmoeder van mijn moeder en ik leerde dat alle andere scholastische organisaties daaraan inferieur zijn.’

Tom: `Harry was tot bisschop benoemd in de orde van Thelemieten, een gnostisch gezelschap dat gezeteld was in New York. De mijter die bij zijn benoeming hoorde had Harry gevouwen en geplakt van krantenpapier en de omslagen van tweedehands paperbacks. In die mijter en mantel heeft hij eens een ceremonie geleid in het footballstadion, een soort lentehuwelijk waarbij iedereen met iedereen trouwde, mannen en vrouwen. Tot grote verontwaardiging van de goegemeente die hun eigen kerkdiensten bespot zagen en een proces tegen hem aanspanden wegens blasfemie. Tegen de rechter heeft Harry gezegd: “Edelachtbare, als iemand die al twee keer het laatste sacrament toegediend heeft gekregen, maar nog steeds leeft, kan het niet anders of ik ben door de goden bevoordeeld. De ceremonie is op hun voorspraak gebeurd en zou zonder hun toestemming ook nooit hebben plaatsgevonden…”‘
Tom klampt een van de serveerstertjes aan en kijkt haar diep in de ogen. `Can you bring me another beer please?’
Het bier wordt gebracht, en er volgen er meer. Tom begeeft zich in het gedruis, maakt een ronde langs zijn biljartende vrienden. Draaierig van de alcohol pak ik het opname-apparaat in, sta duizelig op om afscheid van Tom te nemen. Hij is verontwaardigd dat ik niet langer blijf en roept me na, als ik de trap oploop: `kom je niet mee om Harry’s mijter te bekijken, en zijn mantel? Ik heb ze beide thuis in mijn bezit. Een echte bezienswaardigheid!’

Met dank aan Ludo Blok en Christian Loidl, voor hun medewerking en toestemming tot publicatie

Alle illustraties bij dit artikel zijn eigendom en afkomstig van het:

HARRY SMITH ARCHIVES
PO BOX 1269
STUYVESANT STATION
NEW YORK, NY 10009

Geraadpleegde bronnen:

`A Rare Interview With Harry Smith’, door John Cohen in: Sing Out! – The Folk Song Magazine, volume 19/number 1 april/may 1969.

– Een beschrijving van Harry Smith – onder de naam Bill India – is te vinden in Sleeper van Bob Rosenthal. Weird & Evil.

– Notes by Jack Collom, 16 juli 1990 (Harry Smith speaks on creation myths) / archief Christian Loidl

– UPI – obituary Harry Smith/ telex: 28 november 1991 (nwp00023)

– Harry Smith, 1923 – 1991 door J. Hoberman in de Village Voice van 2 – 9 december 1991.

– `The Art of Alchemy; The incredible world of Harry Smith’, by John Feins

– `Ich bin vom C.I.A. …’; uitwerking van gesprek dat drie studentes van de Jack Kerouac School of Disembodied Poetics voerden met Harry Smith in zijn kleine barak bij het Naropa Instituut in Boulder. (in: Christian Loidl, Ide Hinze und Die Jack Kerouac School of Disembodied Poetics, Klagenfurt 1992, p.121)

– `Der Webmeister des verlorenen Fadens: Harry Smith’, door Christian Loidl, in: Christian Loidl, Christian Ide Hinze und Winfried Gindl, Die Jack Kerouac School of Disembodied Poetics (Klagenfurt 1992), p.116 – 119)

_ `Und die Sunden der Kinder sollen an den Eltern heimgesucht werden’ – Lebenslauf von Harry Smith, verfasst von ihm selbst. (in: Christian Loidl, Christian Ide Hinze und Winfried Gindl, Die Jack Kerouac School of Disembodied Poetics (Klagenfurt 1992)

– Boulder Weekly. `Reality check’, 14/VII/96.
De werken van Harry Smith:

De 

MORE WORK
Paintings

 

FILMOGRAPHY

    • Number 1-5, 7, 10 Early Abstractions (1939-1956, orig. 35mm, 16mm, color, 23 min., sound) The seven films that make up Early Abstractions are spliced together to be projected as a unit. *
    • Number 6 – 3-D film (ca. 1948-1951, 16mm, color, 1 1/2 min, silent)
    • Number 11 Mirror Animations (1957-1962, 16mm, color, 3 1/2 min., sound )
    • Number 12 Heaven and Earth Magic (1959-1961, 16mm, B&W, 66 min., sound) *
    • Number 13 OZ: The Approach to Emerald City (1962, 35mm, color, silent)
    • Number 14 Late Superimpositions (1964, 16mm, color, 31 min., sound) structured 122333221
    • Number 15 Seminole Patchwork Quilt Film (1965-66)
    • Number 16 The Tin Woodman’s Dream or Kaleidoscope (1967, 35mm, color, wide screen, 14 1/2 min., silent)
    • Number 17 Mirror Animations, Extended 1979 version (1962-79, 16mm, color, 11 min., sound)
    • Number 18 Mahagonny (1970-1980, 16mm, color, 4-screen process, 141 min. non-synchronized sound) Being a mathematical analysis of Duchamp’s “La Mariee Mise En Nu Par Les Celibataires” expressed in terms of Weill’s score for “The Fall of Mahagonny” with contrapuntal images (not necessarily in order) derived from Brecht’s libretto for the latter work.
    • Number 19 Excerpts from OZ: The Approach to Emerald City
    • Number 20 Fragments of a Faith Forgotten, #’s 13, 16 & 19 = #20, (1981, 35mm, color, 27 min., silent)


RECORD COLLECTIONS

    • Anthology of American Folk Music,1952, reissiued 1997 Smithsonian Folkways
    • Anthology of American Folk Music Volume 4, 2000.
      The Harry Smith Archives launches its new recording label with Smith’s secret volume in conjunction with Revenat Records.
    • The Fugs First Album,1965 Folkways Records
    • Kiowa Peyote Meeting, 1973 Folkways Records
    • My First Blues by Allen Ginsberg, 1976 Folkways Records


DESIGNS

    • Collected Poems 1947-1980 by Allen Ginsberg 1984 Harper and Row
    • White Shroud Poems 1980- 1985 by Allen Ginsberg 1986 Harper and Row
    • The Annotated Howl by Allen Ginsberg 1986 Harper and Row
    • Holy Books of Thelema by Aleister Crowley, 1986 Weiser Books
    • Book by Henry Miller, San Francisco, 1940′s


COLLECTIONS

    • Paper Airplane Collection – Air and Space Museum, Smithsonian Institution
    • Seminole Patchwork Quilts – Anthropology Department, Smithsonian Institution
    • String Figures – Office of Folklife Programs, Smithsonian Institution
    • Goteborg Ethnographic Museum, Stockholm Sweden


GRANTS AND AWARDS

    • Solomon R. Guggenheim Foundation 1949
    • Isabella Gardener 1971
    • American Film Institute 1975
    • CAPS 1975
    • Arthur Young 1973
    • Grammy Award for Contribution to American Folk Music 1991
    • Rex Foundation Grant 1989-1991


FILM COLLECTIONS (SELECTED)

    • The Museum of Modern Art, New York
    • Anthology Film Archives, New York
    • Oesterreichishes Filmmuseum, Vienna
    • The British Film Institute, London
    • The Cinematheque Francaise, Paris
    • The Australian Film Archives, Sydney
    • Svenska Filminstitutet, Stockholm
    • Moderna Museet, Stockholm


SELECTED SCREENINGS

    • 1947-1950 The Art in Cinema Society, San Francisco Museum of Art (Including “Five Instruments with Optical Solo” -one man show)
    • 1963-64 Film-Makers’ Showcase (Gramercy Arts Theater)
    • 1965-68 Film-Makers’ Cinematheque, New York City
    • 1966 New York Film Festival–”The Films of Harry Smith”
    • 1968 The Jewish Museum, New York City
    • 1971 The American Independent Film series, Museum of Fine Arts, Boston
    • 1972 New Forms in Film–Solomon R. Guggenheim Museum
    • 1974 New Forms in Film–Montreux, Switzerland
    • 1975 Centre Georges Pompidou, Paris
    • 1975 Kennedy Center for the Performing Arts, Washington, DC
    • 1975 Whitney Museum of Modern Art, New York
    • 1978 Biennale di Venezia (“Junggesellenmaschinen Le Machines Celibataires)
    • 1980 Anthology Film Archives, Premiere of No. 18, Mahagonny
    • 1981 Moderna Museet, Stockholm
    • 1983 Amos Carter Museum, Fort Worth, Texas (Experimental & Avant-Garde Films in America, From the Twenties through the Fifties)
    • 1993-94 Anthology Film Archives, Heaven & Earth Magic with original frame filters on Magic Lantern Projectors
    • 1995 Saint Mark’s Poetry Project, Premiere of Number 6, 3-D film


LECTURES AND TEACHING POSITIONS (SELECTED)

    • Naropa Institute Summer Writing Program, Boulder, CO 1988-1990
    • Bard College MFA Summer Arts Program, 1985
    • The Schreber Case:Contemporary Views, SUNY/Stony Brook, 1984
    • Yale University Film Department, 1965


INTERVIEWS (SELECTED)

    • Belile, Liz and Borrus, Beth. “Interview with Harry Smith.” Bombay Gin1989.
    • Cantrilles Filmnotes Australia, No 19 October 1974.
    • Cohen John.”A Rare Interview with Harry Smith” Sing Out!: The Folk Song Magazine, Volume 19 Nos. 1 & 2 1969.
    • Frakes, Clint. “Interview with Harry Smith.” Once and For Allmanac 1989.
    • Karlenzig, Warren. “The Art of Alchemy.” AS IS 1989.
    • Kolikitas, Dawn. “Film and the Occult.” Poetry Flash July 1988.
    • Sitney, P. Adams. “Harry Smith Interview.” Film Culture Reader, Praeger, New York, 1970 (reprinted from Film Culture, #37, 1965)


BIBLIOGRAPHY (SELECTED)

    • Berge, Carol. “Dialogue Without Words: The Work of Harry Smith.”, Film Culture #37, 1965.
    • Cantwell, Robert. When We Were Good “Smith’s Memory Theater” Harvard University Press, 1996
    • Carroll, Noel. “Mind, Medium and Metaphor in Harry Smith’s Heaven and Earth Magic.”, Film Quarterly, Winter 1977-78.
    • Hoberman, J. “Animators from Hell.” Premiere Magazine, April 1991.
    • Igliori , Paula. “American Magus Harry Smith: A Modern Alchemist” Inanout Press, May 1996.
    • Manvell, Roger. Experiment in the Film The Grey Walls Press Ltd, 1949.
    • Marcus, Greil. Invisible Republic: Bob Dylan’s Basement Tapes, Henry Holt, 1997 and Mystery Train E.P. Dutton, 1975, 2nd Ed. 1997
    • Nogues, Dominique. “Les 4000 Farces du Diable: Le Cinema de Harry Smith” L’Art Vivant 1977.
    • Renan, Sheldon. “An Introduction to the American Underground Film.” Dutton, New York 1968.
    • Singh, Rani. The Last Day in the Life of Harry Smith Film Culture # 76 June 1992.
    • Sitney, P. Adams. “Visionary Film: The American Avant-Garde ” Oxford University Press 1979.
    • Sitney, P. Adams. “The Avant-Garde Film “, Anthology Film Archives 1976.

http://www.harrysmitharchives.com/

Posted in Allen Ginsberg, Essays, Harry Smith, Naropa Institue Boulder Colorado | Leave a comment |