DE SERIAL CAT- AND DOG KILLERS VAN YEREVAN

Armenië bevond zich eeuwenlang in de voorste rangen van de menselijke cultuur en geschiedenis. Allereerst is er natuurlijk het apocriefe verhaal van Noach die met zijn ark des verbonds en dierentuin aan zoologische exempelen na de Zondvloed neerstreek op  de flanken van de hoge berg Ararat. Waaromheen al in oeroude tijden, lang voor de Grieken tot wasdom kwamen, er sprake was van een Armeens koninkrijk genaamd Urartu. Vervolgens was Armenië het eerste land op deze aardbol dat, in 301, het christendom als staatsgodsdienst omarmde.

Ook daarna stond Armenië nog lang symbool voor de avant-garde, en was het in de rest van de wereld du bon ton om zich met het gewijde land en zijn intricate coutumes in te laten. Er was een tijd dat Jean-Jacques Rousseau zich naar de Armeense mode kleedde, in turban en kaftan. Dat de Weense burgerij zich verlustigde aan Armeense koffie uit Erevaanse koffiefonteinen. En dat jonge avonturiers zoals Lord Byron het hip vonden om zich een tijdlang toe te leggen op beheersing van de exotisch aandoende en extreem moeilijk te beheersen Armeense taal en letterkunde; beide gebaseerd op een hardvochtig alfabet van 39 letters dat eerder van doen heeft met een unicodistisch spijkerschrift dan een moderne letterset.

Helaas, ook voor een land als Armenië, geldt de onder historici als onverbiddelijk ervaren Wet van de Remmende Voorsprong. Zij die vroeger de eersten waren, zullen later de laatsten zijn. Er treedt voor allen die ooit voorop liepen, op zeker moment vertraging op in de  beweging voorwaarts. Sleet op de raderen. Roest op de riemen. Vermoeidheid. Verstarring. En uiteindelijk achteruitgang.

In Armenië is die achteruitgang overal sociaal bespeurbaar, en zintuiglijk ook heel voelbaar. Je ziet het aan de kleur van de huizen, de gaten in en rond het asfalt, het afval met de miljoenen in de wind en tijd verwaaide plastic zakjes dat het ganse landschap omzwermt, je ruikt het aan de vuurtjes die worden gestookt om dat afval op te branden, de rot die intreedt in de gangen en het beton van de gebouwen.

Armenië is een land dat de prettig romantische staat van schemerend verval allang is gepasseerd. Het is een land in ontbinding. Maar iedere chemicus weet: al die ontbinding resulteert automatisch op een zeker moment weer in nieuwe verbindingen. Dus het is misschien iets om triest van te worden. Maar niet wanhopig. Er gloeit vast en zeker weer iets van nieuw en nobel leven op de bodem van deze eindeloos lijkende stortkoker, waarin het Kaukasische land momenteel nog steeds langzaam te pletter aan het vallen is.

Wat er momenteel echter vooral uit die stortkokers tevoorschijn komt, is te onsmakelijk voor woorden. Op de binnenplaats van het Sovjetcomplex waar mijn geliefde en ik resideren, vlak achter het centraal gelegen Sacharov Plein, stopt elke week een dieseltruck. Jongens en mannen beginnen dan de inhoud van de vuilkokers op straat te kieperen. Vervolgens scheppen ze het vuil dat zich in walmende bergen ophoopt voor de trappen van de flats, weer over in de laadbak van de aftandse vrachtwagen. Middels krachtige schepbewegingen, die bij een normaal mens de ellebogen uit de kom zouden doen springen. Het vuilnis dat overvloedig van de scheppen druipt en dwaalt, dwarrelt weg over de binnenplaats. Of blijft achter in de talrijke hoeken en gaten van het flatcomplex, op de binnenplaats waarvan er een speelplaats is voor de jeugd. En op het midden waarvan zich een smalle allee bevindt, vol neringkjes alwaar noodzakelijkheden voor de eerste levensbehoeften worden verkocht zoals fruit, brood, kaas en Coca dan wel Pepsi Cola. Bij iedere vuilnisopruiming, blijft er meer vuilnis dan voorheen achter op het pleintje. Het is, om het zo maar te zeggen, dweilen met een poepsmerige dweil en de kraan met het rioolwater wijd open.

Toch is Yerevan tevens een van de mooiste, lieflijkste en heerlijkste steden die ik in mijn leven totnogtoe heb mogen bezoeken. Er zijn tal van parken met vijvers, fonteintjes waar je bronwater uit kunt drinken, er bevindt zich een myriade aan terrasjes in de stad waar je 24 uur op alle dagen van de week bediend kunt worden voor een eenvoudige doch voedzame maaltijd en een verfrissend Kilikia bier. De vrouwen in de stad bewegen zich, zonder uitzondering, voort over straat in volle elegantie en splendeur. Zorgvuldig opgemaakt, in jurk of minirok en met panty, op hakken die even hoog als dun zijn. Het fijnst is Yerevan te beleven bij valavond. Als de zon valt over de Ararat en de Araks-vlakte, en je het warme licht in koperachtige kleuren langzaam achter de heuvels weg ziet trekken. En er een rumoerige schaduw overblijft waarin parmantig paraderende stadsbewoners, toeterende taxi’s, kwetterende kinderen en flirtende jongeren bezit nemen van de parken en de straten.

Het nachtleven in Yerevan is een non-stop aangelegenheid, voor wie de juiste uitspanningen onder de grond en plattegrond van de stad heeft weten te vinden. Het klimaat is hier continentaal, met barre eindeloos lijkende winters en snikhete zomers. De bewoners van Armenie hebben daarom zeer goed gebruik leren maken van de koelte en beschutting die de vele ondergrondse ruimten in het rotsachtige land te bieden hebben.

Een van die ondergrondse geheime oasen, is de nachtbar Calumet. Gelegen aan het einde van Pushkin-street.  Een uitspanning die het midden houdt tussen een rovershol, een Kuifje-in-China-achtige opiumkit, een concertzaaltje en een berghut in de Himalaya. Met zitzakken en houten Ganesh-tafeltjes op de vloer. Wandtapijten en cosmopolitische memorabilia aan de muren. Waterpijpen en vlaggen van het oude Cilicië in de hoeken. Een drankorgel achter de toonder, waar zelfs de gérant uit de IJsberg-bar in het Plaza-Athenée te Parijs zijn hoge hoed voor zou afnemen. Met dit verschil dat de oneindige varieteit aan dranken in Calumet, te verkrijgen is voor een appel en een ei. Op donderdagen vinden er live-concerten plaats op het geimproviseerde podium onder de klauwende Cilicische Leeuw. Ik heb er concerten meegemaakt van Room 118, Dogma en een op een fakir gelijkende sitarspeler die het publiek in een collectieve trance wist te krijgen met zijn chromatische elegieën.

Vanavond heb ik de eer om met mijn band Dichters Dansen Niet het podium van Calumet te mogen beklimmen. Fred dB en ik zullen er – samen met de fakir-achtige sitarspeler – een geimproviseerd concert gaan spelen dat op ethno-ritmische wijze een variatie poogt te geven op ons meest dansbare DDN-repertoire. Het bescheiden entreegeld dat bij de deur in de kelder zal worden geheven, zal geheel ten goede komen aan het stichten van een dierenasiel voor alle zwerfhonden en katten in Yerevan die momenteel nog met steun van de burgemeester door speciale doodseskaders uit het straatbeeld worden verwijderd. De eskaderleden krijgen betaald per honden- of kattenstaart. Alle nachten klinkt dan ook, in deze wonderlijke stad, het gehuil van honden en gejammer van katten, vermengd met het gefluit van kogels uit de buksen van serially killing animal cops… Een ware symphonie macabre.

Serge van Duijnhoven, Yerevan, 26 april 2012

Advertenties

“Vreet m’n kop op!”

We gaan op bezoek bij filmregisseur David Matevossian, in een wat hoger gelegen maar nog altijd stofffige wijk van de Armeense hoofdstad Yerevan die niet ver van het genocide museum is gelegen. Het stenen huis is ruim, maar onaf op tal van plekken. Zoals de meeste huizen hier. Gebouwd wordt er wanneer er eindelijk weer wat geld binnenkomt van vrienden uit de diaspora. En dat is, helaas, zelden. Echtgenote Tina en haar moeder zijn in de keuken druk bezig met gebak, taart en fruitschalen.

Regisseur David Matevossian bij een creatie van Arlette van Laar voor YWBC2012

Er sluipt een Armeense kat door het huis, Pitchy. Een witte langharige poes, met nobele lichtgele vlagen die haar golvende vacht doorkruisen. Het specifieke van dit soort Armeense katten, is dat ze niet bang zijn voor water. Hun oorsprong zijn de meren van Van en Sevan en de beken daartussen, waarin ze gedurende de evolutie geleerd hebben om vis te vangen. Waardoor hun afkeer van water werd overwonnen. Door het huis loopt ook een Armeense bergherder die Bob heet. Een lieflijk kalf van een beest, dat de gewoonte heeft omhoog te springen als een basketbalspeler die punten wil scoren. David vertelt smakelijk over hun bejaarde West-Armeense buurvrouw, die bijgelovig is, en angst heeft voor Bob die kan huilen als een wolf. Ze past een toverformule toe, die ze nog van haar grootmoeder heeft geleerd, een dametje dat de genocide van 1915 heeft overleefd. Pas als ze roept: “Vreet m’n kop op! Vreet m’n kop op!’’, dan worden de vraatzuchtige krachten van de herdershond bezworen. En stopt Bob met zijn door merg en been gaande wolvengehuil.

SvD in Yerevan, april 2012. Foto van Arlette van Laar

Na een aantal succevolle animatiefilms, probeert David Matevossian al jaren om zijn speelfilm Alpine Violett gedraaid te krijgen. Het scenario voor dit project, dat hijzelf schreef, won verschillende internationale stimuleringsprijzen. Dit zorgde voor wat startkapitaal, dat onverhoeds geconfisceerd is door het Ministerie van Cultuur met de belofte dat het in later stadium gebruikt zou worden voor het maken van de film.

Aan tafel vertelt David Matevossian ons een indrukwekkend en triest verhaal over de toestand van zijn land. Een van de grootste problemen, aldus David, die veranderingen ten goede in de weg staat, is het feit dat Armenië  er maar niet in slaagt zich van zijn clan-mentaliteit te ontdoen. “De dorpsgeest van de oude stempel is er niet uit te krijgen. Er bestaat in Armenië geen werkzaam systeem dat ons land laat functioneren zoals het behoeft.”

Probleem is verder dat vrijwel alle getalenteerde Armenië rs in het buitenland een heenkomen hebben gezocht “Wat in Armenië  aan residu achterblijft, is zelden veel soeps. De minister van cultuur, Hasmik Poghosyan, zei onlangs in een vlaag van woede: ‘Er komt een moment dat we ons moeten afvragen of er in dit land nog wel genoeg mentaal gezonde mensen over zijn om van een cultuur te kunnen spreken.  Ik ben minister van een steeds fictiever wordend departement.’”

Veel van de clanhoofden en hun achterban – de zogenaamde oligarchen – hebben in 1991 en de jaren daarna volop van het momentum geprofiteerd om zaken te doen. Vastgoedproleten allerhande hebben Yerevan volgeplant met de meest wanstaltige bouwsels van abominabele kwaliteit en afzichtelijke esthetiek. De oorspronkelijke bewoners zijn massaal op straat gesodemieterd, zonder een fatsoenlijke compensatieregeling. Alles van waarde is doorverkocht aan de Russen. Het hele land is in tien jaar tijd in de uitverkoop gedaan. Feitelijk zijn Armeniërs nauwelijks nog de eigenaren van hun eigen natie.

Na die eerste kapitalisatiegolf van de jaren negentig, kwam de stagnering. Het snelle geld was verdiend, de boel liep vast. Armenië  is nu straatarm, de bewoners leven grotendeels van de giften van familieleden die in het buitenland verblijven. “We zijn bedelaars geworden”, zegt David, “het is te gênant voor woorden.”

De zus van David, Soghir Matevossian, is hoofdredactrice van “De Vierde Macht” (Chorrord Ishkhanutyan, in het Armeens). Een van de weinige, zo niet het enige, dagblad van Armenië  dat ongezouden kritiek durft te geven op het beleid van de regering en de clans van de machthebbers. Het blad wordt gehaat door de huidige potentaten, en geregeld wordt Davids zus gearresteerd, voor het gerecht gesleept en geintimideerd. Bij de demonstraties van maart 2008, toen er acht demonstranten werden doodgeschoten, werd ze – hier zijn videobeelden van – op uiterst hardhandige wijze door een zwaargewapende cohorte militaire politiemannen, aan haar haren uit het kantoor van haar krant gesleurd, en in een arrestantenwagen gesmeten. Er zijn al aanslagen op Soghir gepleegd. En ook op David. In 2007 hebben lieden van de geheime dienst  de remkabels van zijn auto doorgeknipt. David is er met kleerscheuren vanaf gekomen, nadat hij zijn op hol geslagen Opel tegen een stellage op een berghelling tot stilstand had weten te brengen.

Na het dessert maken we een wandeling door de stad, met Bob de Armeense herdershond strak aan een lijn. We doorkruisen het park rond de Katchaturian-opera, waar een gigantisch podium staat opgesteld ter gelegenheid van de openingsceremonie voor Yerevan Wereldboekenhoofdstad 2012. Andrea Bocelli is er bezig met een soundcheck. Terwijl de blinde tenor “Nessun dorma” inzet uit de opera Turandot, begint Bob luid te blaffen. Uit het publiek stapt een oud, verrimpeld besje naar voren – dat slist: “Vreet m’n kop op! Vreet m’n kop op!” En zowaar, Bob houdt z’n trouwe lobbesachtige herderskop. De tenor zingt onverstoord verder.

Serge van Duijnhoven, 21 april 2012

Yerevan, Armenië

Lees verder op https://sergevanduijnhoven.wordpress.com/2012/04/13/het-kerkhof-van-het-alfabet/

Serge van Duijnhoven (Oss, 1970) is schrijver, dichter, historicus en tevens frontman van de band Dichters Dansen Niet. In Yerevan is hij writer-in-residence en werkt hij voor deBuren aan een citybook.

 

 

 

Het kerkhof van het alfabet

Serge van Duijnhoven bevindt zich momenteel met zijn vriendin Arlette van Laar in Yerevan, de hoofdstad van Armenie, alwaar hij gastschrijver is in het kader van Yerevan Wereldboekenhoofdstad 2012. Voor deBuren schrijft hij er aan een citybook. Met zijn band DICHTERS DANSEN NIET zal hij er op 24 april een concert geven in het plaatselijke Genocidemuseum.

De stoffige stad Yerevan zindert in de nu al warme voorjaarszon. Op de achtergrond van de licht hellende vlakte, waarop de stad van 1,1 miljoen inwoners zijn krotten, krochten, flats en avenues heeft uitgespreid, glimmen de toppen van de Kleine en Grote Ararat. De ene bijna vier, de andere ruim vijf kilomter hoog, en bedekt met ijs en sneeuw die het licht in een fijnmazige waas weerkaatsen. De Ararat is het hart en de ziel van de Armeense natie. Maar dan wel een hart dat op brute wijze uit het lichaam is verwijderd. Door de Turken, die de grens met Armenië hermetisch hebben afgesloten sedert de Eerste Wereldoorlog. Het is een even zoete als bittere bron van emotie voor alle Armeniërs: de berg die hun ziel en zaligheid vertegenwoordigt, is alleen vanuit de verte te bewonderen. Daarginder strekt de oude en volgens sommigen nog steeds actieve vulkaan zijn hellingen en rotsflanken beschermend uit over de natie die zich sedert lengte van dagen rond haar beddingen en dalen heeft gegroepeerd. Maar die haar nimmer lijkt te mogen naderen noch beklimmen.

foto van de kleine en grote Ararat door Filip van Zandycke

In 2001 wees schrijver Kamiel Vanhole me op het boeiende verhaal van Willem van Rubroek, franciscaner monnik uit Vlaanderen, die van 1253 – 1255 naar het Verre Oosten trok, met de bedoeling  Karakoroem – de hoofdstad van het Mongoolse rijk – te bereiken. In de hoofdstad van het heidense Mongoolse Rijk wilde Willem twee gevangengenomen (christelijke) Saxische zakenlieden vrij zien te krijgen, en er zo mogelijk een missiepost  stichten. Rubroek effende, achttien jaar voor Marco Polo, de weg voor latere predikers in China. Zijn reisweg liep via Cyprus naar Constantinopel,  over het Krimschiereiland richting Batoe, en zo steeds verder oostwaarts.

Van Rubroek was een taaie, want niet alleen slaagde hij er daadwerkelijk in het onmogelijk verre Karakoroum te bereiken, maar er ook nog van terug te keren. En er in geuren en kleuren over te vertellen in een verslag dat hij aan zijn beschermheer, de Franse koning Lodewijk IX, aanbood. Tijdens zijn terugtocht naar Vlaanderen,  verbleef de monnik-diplomaat in december 1254 in de stad ‘Naxus’, Nadjivan of Nachischervan, in het huidige Armenië.

In hoofdstuk XXXVIII, getiteld ‘De reis van Hircania naar Tripoli’, schreef Rubroek: ‘In de nabijheid van die stad liggen twee bergen, de ene wat hoger dan de andere. Daar heeft, naar ze zeggen, de ark van Noach op gerust. Aan hun voet vloeit de Araxes. En daar ligt een dorp dat Cemanium heet, dat betekent ‘acht’. Er wordt verteld dat die naam voortkomt van de acht personen die uit de ark gekomen zijn en die het dorp gebouwd hebben op de hoogste berg. Veel mensen hebben geprobeerd om de top te bereiken, maar dat is nog niemand gelukt. De bisschop vertelde me dat een monnik dat erg graag gewild had. Maar een engel was hem verschenen, had hem een stuk hout van de ark gegeven en gezegd dat hij niet langer hoefde te piekeren. Dat hout, beweerden ze, wordt nu nog in hun kerk bewaard. De berg lijkt me niet zo hoog dat de beklimming ervan onmogelijk zou zijn. Een oude man gaf mij een goede reden waarom niemand moest proberen om die berg te beklimmen. Deze berg heet ‘Massis’ en in hun taal is dat het woord voor het vrouwelijk geslacht. ‘Op de Massis,’ zei hij, ‘moet je niet klimmen, want die is de moeder van de wereld.’’ En een moeder, die beklim je niet…

Yerevan is dit jaar door de UNESCO uitverkoren om Wereldboekenhoofdstad te mogen zijn. De festiviteiten zullen eind april van start gaan en tot in 2013 duren.  Een van de redenen om Yerevan in 2012 deze eretitel toe te kennen, is het feit dat Armeniërs dit jaar het feit vieren, dat het eerste boek in de Armeense taal (een bijbel) precies 400 jaar geleden in druk verscheen. Bij een van de vele vrije drukkers in Amsterdam. Het Armeense alfabet, en de Armeens-apostolische kerk,  dateren al van lang daarvoor. Armenië was het eerste land in de wereld, waar het christendom, anno dominis 301, tot staatsgodsdienst verheven werd.

Ontzag voor boeken zit er bij Armeniërs van nature ingebakken. De bijbel en andere religieuze werken functioneren voor Armeniërs zoals iconen voor de Byzantijnse kerken:  als heilige en uiterst schaarse voorwerpen die volop verering verdienen. Vandaar ook dat de heilige boeken altijd zo rijkelijk werden en worden ‘verluchtigd’, voorzien van kleurrijke, beweeglijke, levendige miniaturen die taferelen uit de Heilige Schrift uitbeelden. Bij de krijg namen Armeniërs steevast het evangelie mee als talisman, en indien een nederlaag dreigde werden de boeken begraven om te voorkomen dat ze in vijandelijke handen zouden vallen.

In het centrum van Yerevan bevinden zich in het majestueuze Mesrop Mashtots’ Matenadaran Instituut meer dan 15.000 kostsbare manuscripten die de onbarmhartige geschiedenis van het Armeense volk hebben weten te overleven . Een wonder als je bedenkt hoe vaak de Armeniërs onder de voet zijn gelopen, verdreven of ronduit uitgemoord. De oude kopiisten herinneren hun lezers in de colofons expliciet aan het respect waarmee de boeken gelezen en behandeld dienen te worden. Een kopiist smeekt ‘Bij de Liefde van God, houd dit weg van kaarsen en olie en pak het alleen beet met een witte doek. Alstublieft.’ De schat aan rijkgeillustreerde boeken, vormt in zekere zin – naast de berg Ararat als algemeen symbool – het gematerialiseerde hart van de Armeense cultuur, geschreven in het alfabet dat een van hen, op verzoek van de kerkelijke autoriteiten, in 405 ontwierp.

Dat Armeense alfabet, met 36 letters, is net zo curieus en weerbarstig als de kerken en het landschap waarvan het de taal tracht te verbeelden. Spijkerschrift dat verticaal lijkt neergebeiteld, van boven naar beneden. Scherp en beheerst, maar ook grillig en mysterieus. Glad en scherp, helder en toch volstrekt onbegrijpelijk als hiëroglieven gehouwen uit steen. Je breekt er je hoofd over. Je snijdt er je ogen en gehemelte aan open. Maar als je het hoort spreken is het verrassend zacht, alsof de scherpe randjes er in de loop der tijd zijn afgevijld door de menselijke tong in ons gehemelte. Als keien die zijn rondgeslepen in een rivier.

Het kroonjuweel van het Matanadaran Instituut vormt de Msho Charentir – de verzamelde toespraken van Mush – een boek van 27 kilogram, 600 pagina’s dik, 75cm bij 55cm in omvang. Voor iedere pagina is een kalf geslacht.  Pal voor het Instituut staat het Mesrop Mashtots monument, met de eerste zin die uit het Armeens bekend is: ‘Wijsheid kennen en over goede raad beschikken is het realizeren van het woord van een genie.’ Aan dat genie in kwestie, Mesrop Mashtot, alsmede aan zijn alfabet, zijn een graftombe, kerk en kerhof gewijd in de buurt van Yerevan.  In het plaatsje Oshakan, aan de noordwestflank van de berg Ararat.

Ik bezoek de heilige plek in gezelschap van de Armeense filmregisseur David Matevossian, zoon van de in de ganse Sovjetunie gevenereerde auteur Hrant Matevossian. Gezeten in zijn witte Japanse wagen, met het stuur nog altijd rechts (wat me op de bijzit wild doet uitwijken op kritieke momenten als we trage voorliggers willen inhalen), omschrijft David de stichter van het Armeense alfabet als een soort Steve Jobs uit de vijfde eeuw na  Christus. Een man die hele generaties met elkaar heeft leren communiceren. En dat al meer dan zestien eeuwen lang… Het is afwachten of de Apple Macintosh even lang zijn diensten zal weten te bewijzen als Mashtot’s mysterieuze alfabet uit het jaar 405.

David Matevossian met dochter Shaghik

Bij het heiligdom zie ik lange slierten jeugdig grut de kerk van het alfabet binnen trekken, en even gedisciplineerd het heiligdom weer uitmarcheren. Handje in handje, sommigen ook met balonnen en bloemen die bij de graftombe van de Heilige zullen worden neergevleid.  Gekleed in hun allernetste zondagse kledij. De meisjes in stijve jurkjes van kant, de jongetjes met stropdasjes over hun witte overhemdjes afgedekt met vestjes van fluweel. Net zoals toen ik mijn eerste communie deed, in de eucharistiekerk tegenover de Pius X school in Oss, Noord-Brabant, anno 1978. Het jonge grut dat in stoeten door de kerk van het alfabet trekt, legt stil en respectueus witte anjers neer op de graftombe van Mashtot die sedert het gereedkomen van de kerk, enkele jaren na diens dood, is bijgezet in de onderaadse cripte van de kerk.

Hun eerste, prille kennis van het ongrijpbare alfabet doen de koters op in de tuin die aan de kerk grenst. Daar is een Alice-in-Wonderland-achtig leger van in steen gehouwen letters opgesteld. Iedere leerling wordt erop uitgestuurd “zijn eigen letter”, d.w.z. de eerste letter van zijn of haar naam, te zoeken en te vinden. De stenen soldaten die in hun massieve uniformen het stille leger van Koning Alfabet moeten verbeelden, staan stram in de houding. Ze geven geen krimp als de kinderen ze gillend van opwinding en enthousiasme komen omarmen, bekloppen, bespringen, beklimmen en soms ook beschoppen. De jeugdigen proesten het uit. Didactisch is dit kerkhof een vondst van jewelste. Het is leuk, en het leert ze respect opbrengen voor iets waar de jeugd elders nog maar weinig aandacht voor op kan brengen, nu computerconsoles al voor peuters en kleuters in het verwende Westen beschikbaar zijn om het kroost mee koest te houden.

Het leger van stramme letters dat in de tuin staat opgesteld, heeft ook wel iets weg van een gothisch kerkhof met zesendertig stenen zerken. Kruisstenen met krullen en slingers, als slangen die zich telkens anders om een boomstronk krullen. Bijbels, oud-testamentisch, dat is het  allemaal zeker.  Vier stenen tafels met telkens negen letters zijn geinstalleerd boven de ingang van het heiligdom, op de plaats waar in katholieke kerken zich vaak het rozetraam bevindt. Ook hier in deze kerk van het alfabet, sijpelt er zonlicht van buiten door de lettertafelen heen naar binnen. De schaduw speelt een intricaat en lenig spel met de letters, net als de slang dat buiten op het kerkhof doet met de stronken van steen die het alfabet moeten verbeelden. Mijn geliefde en ik staren gefascineerd naar de heilige beschermfiguur bovenop  de letter A, die niet zo heet in het Armeens. Het betreft een U met rechtsonder een gekruld varkensstaartje. De heilige figuur met baard, heeft zijn rechterhand geheven in een gewijd gebaar, waarbij zijn duim op oogvormige wijze naar zijn handpalm terugbuigt. Drie vingers blijven waarschuwend ten hemel geheven. De verklaring van regisseur David Matevossian is dat het een zegenend gebaar betreft. Blessing, universal trinity (drie vingers), de aarde als symbolisch middelpunt van het heelal. In zijn linker hand houdt de figuur een wereldbol omhoog. Een symbool voor de gehele kosmos. Links van de figuur zijn Cherubijnen afgebeeld, gehouwen in de steen. Rechts een stel Serafijnen.

Serge van Duijnhoven met Swantje Lichtenstein bij de letter S in het Armeense Kerkhof van het Alfabet. Foto genomen door Arlette van Laar.

Het alfabet is een mirakel. En mirakels worden vereerd in een heiligdom. Vandaar dat het voor Armeniërs volstrekt logisch is dat de kerk waar de stichter van hun alfabet begraven ligt, bedevaartsoord is geworden voor al wie zich wil komen vergapen aan de bedenker van het schrift dat hun heilige kerkvader met Gods zegen tot stand heeft gebracht. En waar ze zelf nog iedere dag de vruchten van plukken. “Due to this miracle, we were able to survive through the centuries”, zo verwoordde de Katholicos – de Armeense paus – het eerder in het heiligdom Echmiadzin.

Bij het verlaten van het heiligdom dat in 433 – drie jaar na Mesrops dood – gereed is gekomen, kijkt de berg Ararat streng en machtig op ons neer. Ter rechter zijde van de poort met het hek vol spijlers, hebben zich allerlei kleine winkeltjes – de meeste op wielen – opgesteld. Houten kraampjes, karretjes, tafels met een regenscherm eroverheen. De waar die verkocht wordt, is grotendeels religieus van aard. Goedkope prullaria van plastic, rozenkransen, de verlosser in plastic aan een kruis van fluorescerend hout. Kralen, maansteen, obsidiaan, onyx, bidprentjes, piepkleine ikoontjes die in een fabriek  in China in elkaar lijken gestoken en machinaal beschilderd. Om schrijver Adriaan van Dis te citeren: “bij al het zoete, word je aan het bittere herinnerd”.

Op de terugweg naar Yerevan, passeren we de contouren van de mythische berg Ara, waar ooit het lijk van een oeroude gelijknamige Armeense vorst naartoe werd gesleept. In de hoop dat de hellehonden het lijk van de overleden koning weer schoon konden likken, van zijn wonden doen genezen, en aldus terug zouden kunnen laten keren uit het dodenrijk. Vergeefs. De overleden vorst kwam niet weer tot leven. De Assyrische vorstin Semiramis, die met haar leger de Armeense vorst gewapenderhand aan zich had willen onderwerpen, was ontroostbaar.

Zicht vanuit de kraterkloof van de Berg Arar, door Trygve Utstumo

De berg Ara, is nog altijd een vervloekte berg, zo vertelt ons David Matevossian. Er woelen daarboven mystieke wervelwinden. Zeven jaar geleden is er een schooljuf van de berg af geblazen, terwijl ze met de kinderen uit haar klas een bergwandeling aan het maken was. De juf is van een rots, hups, zo de diepte in gezogen door de onberekenbare kracht van een valwind. De kloof waarin ze tuimelde was zo grillig en diep en zat zo vol verraderlijke spleten, dat het David en zijn reddingsteam vijf dagen gekost heeft voor ze het lijk hebben kunnen vinden. Het lichaam was terecht gekomen tussen twee rotsspleten. Uiteindelijk heeft een helicopterpiloot het lijk uit de kloof opgetakeld. De juf was een bekende van David, ze was de lerares van zijn oudste dochter Sotchi. Die nu in Sofia, Bulgarije, internationale politiek studeert en zich volop inzet voor de democratisering van haar geboorteland. En de parlementaire verkiezingen, die plaats zullen vinden op zes mei aanstaande. Net als naar Yerevan World Book Capital 2012, wordt er naar die verkiezingen in de hoofdstad met veel spanning en onrust uitgekeken.  In vele opzichten verkeert Armenië in een staat van nerveuze avant-propos. Waarover later meer, in mijn volgend verslag vanuit Yerevan…

Serge van Duijnhoven (Oss, 1970) is schrijver, dichter, historicus en tevens frontman van de band Dichters Dansen Niet. In 2011 verschenen van hem: Bitterzoet (Nieuw Amsterdam), Wat ik zie kan ik niet zijn (Pels & Kemper), alsmede een biografie van Phil Bloom. Serge van Duijnhoven bevindt zich momenteel met zijn vriendin Arlette van Laar in Yerevan, de hoofdstad van Armenie, alwaar hij gastschrijver is in het kader van Yerevan Wereldboekenhoofdstad 2012. Voor deBuren schrijft hij er aan een citybook. Met zijn band DICHTERS DANSEN NIET zal hij er op 24 april een concert geven in het plaatselijke Genocidemuseum.