YEREVAN WERELDBOEKENHOOFDSTAD

In het holst van de nacht arriveert het literaire gezelschap van de Literaire Ark in Hotel Ararat, waar de lobby overgaat in een BMW-showroom. De protserige uitstalesthetiek van de nieuwe elite. Die van het snelle geld, poen moet schreeuwen, glimmen, scheuren, en bovenal impressioneren. In alles moet de omgeving ervan vergewist worden, dat men niet meer arm is en boven de anderen uitsteekt. Zelf-elevatie langs materiële weg.

Het hotel bezit een piepklein zwembadje, dat deel uitmaakt van een compact fitness en sauna-complex. De sauna is 24 uur per dag opwarmbaar. De kamers zijn gelegen in nissen, die uitkomen op een booggalerij. Als je in die galerij loopt of staat, kijk je in een tropisch hete overdekte binnenplaats met zithoeken, een bar, een vijvertje met lianen en veel groen. Deze plek wordt door het hotel trots de “Garden of Eden” genoemd.

Als je bier bestelt aan het barretje in de tuin van Eden, komt een ober de flessen Kilikia op een zilveren dienblad je hotelkamer binnenbrengen, en elegant de doppen van de hals afwippen met een trekker die aan een touwtje aan zijn schort hangt. Het is een viersterrenhotel, de kamers kosten 140 euro per nacht. Een fortuin voor een gemiddelde Armeniër, gemiddeld een half maandloon.

Mijn geliefde en ik maken gebruik van de roomservice die ons elke dag stipt ontbijt op bed komen brengen. Alleen op de laatste dag blijkt dit niet meer mogelijk, als het hotel helemaal zit volgeboekt met “Post Mortem Russen” die na de val van het Sovjetimperium in de Baltische landen en overige streken van Oost-Europa en de Kaukasus zijn achtergebleven. Opmerkelijk is dat niet een van onze Estse gasten, een uitnodiging heeft ontvangen van deze Baltische boekenconferentie. De nogal dwangmatige afstand die wordt gehouden (door beide kampen) toont dat er nog veel oud zeer is. Parallelle werelden die binnen dezelfde landen ontstaan zijn, of zijn blijven voortbestaan.

Vahur Afanasjev met Serge van Duijnhoven en magische vis

Vahur Afanasjev met Serge van Duijnhoven en magische vis

Collega Vahur Afanasjev, een briljante Estse schrijver die vijf jaren in Brussel heeft doorgebracht en daar een literair dagboek over heeft geschreven dat “Mihi Bruessel – Mijn Brussel” heet, hoort vanuit het raam dat uitkomt op de Garden of Eden, in de avonduren een organisatrice van de Baltische Boekenconferentie in het Russisch kijven met een Est – niet een van onze gasten – die wordt uitgelegd waarom de organisatie hem niet welkom wil heten. “Het ging vooral over geld”, vertelt Vahur daags nadien laconiek.

Veel van die “Post Mortem”-gasten komen we gedurende de laatste dagen van ons festival geregeld tegen in de stad, in restaurant Marco Polo bijvoorbeeld. Het gemiddelde postuur van de PM’s is flink forser en boertiger dan dat van onze genodigden. Vrijwel alle mannelijke boekenlieden zijn regelrechte kleerkasten, Jerommekes. Vier vierkante meter gorilla’s in overhemd met felgekleurde das en glibberig pak. Ex-KGB’ers, zo karakteriseer ik ze fluisterend in David Matevosian’s oor. “Laat dat ex maar vallen”, antwoordt David. “Waarschijnlijk zijn er onder hen op ouderwetse wijze aardig nog wat actief voor moedertje Rusland.”

De Literair Ark volgens Filip "Hoedgekruid" Vanzandycke

De Literair Ark volgens Filip “Hoedgekruid” Vanzandycke

ECHMIATSIN

Wat Rome is voor katholieken, is  Echmiatsin (officiële naam: Vagharshapat) voor Armeniërs. Volgens de overlevering kreeg Gregorius de Verlichter (257-331), de grondlegger van de Armeens Apostolische Kerk, hier in 301 een visioen waarin Jezus Christus zélf hem opriep op deze plek een kerk te bouwen. In werkelijkheid werd, zoals zo vaak gebeurde, deze kerk gebouwd op de plek waar een voor-christelijke tempel had gestaan. Zij had eerst de traditionele vorm van een basilica (een rechthoekig schip – met al dan niet twee zijschepen – en een apsis aan het eind), maar werd in 483 vervangen door een in een vierkant gevatte kruisvormige kathedraal met apsiden en vier vrijstaande zuilen waarop een houten koepel rustte, de eerste en oudste ter wereld. In 618 werd het hout van de koepel verwisseld voor steen. Thans vormt de kathedraal van Echmiatsin het spirituele centrum van de Armeense Kerk, en is tevens zetel van de Katholikos, de Patriarch van zo’n negen miljoen Armeniërs wereldwijd.

De kathedraal heeft in de loop van de tijd aanzienlijke renovaties en uitbreidingen ondergaan. Veel van wat de bezoeker nu aantreft, stamt uit de zeventiende eeuw, zoals de tamboerschilderingen en de medaillons in de koepel, de klokkentoren, de ommuringen en de gesneden versieringen aan de buitenzijde. Het centrale grondplan van de kerk is echter altijd blijven bestaan. De kathedraal beschikt ook over een museum, waar Engelssprekende diakenen tekst en uitleg geven bij de overblijfselen van de oude heidense tempel onder de kerk. De schatkamer bevat enkele bijzondere relikwieën, waaronder de lans waarmee Christus werd doorboord; deze zou door de apostel Judas Taddeüs naar Armenië zijn gebracht. Daarnaast zijn nog een stuk hout van Noachs ark, de rechterhand van Gregorius de Verlichter, en enkele andere relieken te bezichtigen.

Koepel van kathedraal in Echmiadzin, foto door Arlette van Laar

Koepel van kathedraal in Echmiadzin, foto door Arlette van Laar

De Heilige Liturgie – de zgnmd. “baldarak” – neemt een belangrijke plaats in de eredienst van de Armeniërs in. Het is niet alleen een vast patroon van liedereren en ceremonieën, maar vormt ook de meest intieme ontmoeting van de gelovige met God. In de badarak komt Jezus Christus, ondersteund door muziek en rituelen, op twee manieren naar zijn volk toe: via het Woord, en via zijn Lichaam en Bloed – de Eucharistie. Dit zijn de twee pilaren van de liturgie in alle oude apostolische kerken. In het visioen dat Gregorius kreeg tijdens zijn missiewerk in Armenië, scheurde de hemel open en scheen een scherpe lichtstraal op aarde. Hierlangs kwam Jezus Christus, vergezeld door engelen, naar beneden. Met een gouden hamer sloeg Hij op de grond, waaruit een prachtige zuil verrees. Deze zuil veranderde terstond in een kerk. Toen het visioen was vervaagd, bouwde Gregorius een klooster en noemde het Echmiatsin, wat betekent: de plek waar de eniggeborene neerdaalde.

Katholikos Karenin II met schrijvers van de Literaire Ark

Katholikos Karenin II, de paus van de Armeens-apostolische Kerk, met schrijvers van de Literaire Ark

Een delegatie van literaire gasten uit hotel Ararat, uitgenodigd door David Matevossian en zijn team van de Literary Ark en Yerevan Wereldboekenhoofdstad, viel de eer te beurt in Echmiadzin zijn opwachting te mogen maken bij de Katholicos van alle Armeniërs, H.H. Karenin II.

De kerkvader verklaarde dat de kerk zich sedert 1991 eindelijk weer vrij heeft kunnen bewegen. En heeft kunnen herstellen van al die goddeloze jaren toen het communisme korte metten maakte met ieder restje religie dat de samenleving nog rijk was. Het was een verschrikkelijke eeuw, die twintigste, verzucht de Katholicos. Eerst waren er de slachtpartijen in het Ottomaanse Rijk, vervolgens was er de genocide tijdens de Eerste Wereldoorlog. Daarna begon het tijdperk van de vervolging- en vernietigingen door de bolsjewieken. “Telkens was onze kerk de klos. Telkens was onze kerk de rots waarop het volk zich terug kon trekken. Onze kerk was de schutsplaats voor gans de natie. Hier in Echmiadzin werd de Armeense cultuur bewaard, die door de talrijke tirannen werd uitgebannen.”

“Feitelijk gezien zijn wij allen collega’s in de bewerking der menselijke moraal. Zowel u als ik hebben een morele missie”, stelde de Katholicos in zijn lange monoloog, die zin voor zin vertaald werd door de tolk van Iraans-Armeense afkomst.

Ik vraag hoe Zijne Heiligheid het verklaart dat een volk als het Armeense, dat toch altijd zo devoot christelijk is gebleven en trouw aan zijn tradities en geboden, het toch zo extreem zwaar te verduren heeft gekregen in de geschiedenis. Kent God dan geen loon naar verdienste? Is dit een geval van beproeving, waarin de Heer wil zien hoe ver hij kan gaan voor het vertrouwen in Hem door zijn Armeense dienaren zal breken? Is het de parabel van Job die in de geschiedenis van het Armeense volk tot uitdrukking komt?

“Het Armeense volk heeft dit alles niet moeten doorstaan OMDAT het christelijk was”, zo begint de Katholicos zijn antwoord. Ons lot is ten dele verklaarbaar uit het feit dat we altijd door vijandige moslimvolkeren zijn omgeven, onder de voet zijn gelopen en zijn ingesloten. Onze geografische ligging als christelijke enclave in het roerige Midden-Oosten, heeft voor een groot gedeelte de strijd en ontberingen veroorzaakt waaraan we zijn blootgesteld. We zijn altijd kop van jut geweest. Zowel ten oosten van ons, als ten westen werd er op ons gejaagd. Van de mongolen en moslims kun je dit verwachten. Maar ook de orthodoxe christelijke machthebbers in het oude Byzantium hebben ons gedurig naar het leven gestaan. Hoewel we, feitelijk gezien, min of meer toch tot de Oosterse Orthodoxe Kerk behoren. Er zelfs mede van aan de wieg hebben gestaan…”

De Kerkvader memoreert de grote bisschoppelijke conferenties van de middeleeuwen, die van Mitrea, Efeze en van Constantinopel, en het schisma dat optrad bij het kerkconcilie van Chalcedon aan de Bosporus (451), waar besproken werd of Jezus nu een duo-physische dan wel een mono-fysische kwaliteit moest worden toegeschreven. Met andere woorden: wat de aard van Gods zoon op aarde nu precies geweest moest zijn. Was hij geboren als mens van vlees en bloed die na zijn offer is opgestegen tot het goddelijke, of was hij al geheel en al God vanaf zijn geboorte.

Na een opsommend verslag van alle onenigheden die de verschillende geloofslieden op die oude middeleeuwse conferenties parten hebben gespeeld, eindigde de kerkvader zijn exposé nogal abrupt met de woorden: “Onze kerken hebben meer gemeen, dan wat hen scheidt. In onze kerk, kunnen alle gelovigen ter communie gaan. Bij jullie heet dat een uitwisselbare communie oftewel – de term is gemunt door anglicanen – een full communion. De realiteit van de Armeense diaspora, is voor onze tolerantie mede verantwoordelijk  geweest. Al die Armeniërs die naar andere landen vluchtten, waar ze opnieuw een minderheid vormden temidden van tientallen andere religies of sectarische geloven, moesten zich wel verdraagzaam opstellen als ze in die nieuwe omgeving wilden overleven.   Deze realiteit leerde het Armeense volk omgaan met het feit dat er op religieus gebied vele verschillende visies en geloven bestaan van sacrale en rituele aard. Het maakte ons vertrouwd met de realiteit dat we niet het enige geloof zijn. Onze Moederkerk heeft dit gegeven niet als een blasfemisch of ondermijnend gegeven leren zien, maar als een onomstotelijk feit. De Armeens-apostolische kerk staat open voor internationale invloeden. Bij ons kan iedereen die christelijk is, ter communie gaan.”

Dan, plotseling, na lange elliptische omwegen, keert de kerkvader weer terug bij mijn vraag over het lijden van de door-en-door vrome Armeniërs.  “Ons volk was in staat zijn lijden te verdragen omdat het gelooft in wederopstanding. We zijn altijd in staat gebleken om ons weer op te richten na geleden gruwel en miserie. Het christendom ontwikkelde zich tot de kleur van onze huid, om het zo maar te zeggen. We hebben sinds de vierde eeuw gecultiveerd. En zijn het trouw gebleven. Het is niet meer iets dat we kunnen of willen veranderen. Het zowel van onze identiteit als van ons innerlijk systeem geworden. Sinds het prille begin hebben we voor onze gewetensvrijheid moeten vechten. Die geven we niet zo  maar op. Voor niets ter wereld.”

De voorts immer hoffelijke vertaler liet na afloop merken, dat hij niet het minste respect kon opbrengen voor deze heilige kerkvader. De patriarch stond erom bekend twee gezichten te hebben, zich over te geven aan de zwakten van het vlees, de mammon van het geld, de verleidingen van de alcohol en van het casino.

VOETNOOT:

Het concilie van Chalcedon was een oecumenisch concilie dat werd gehouden in het jaar 451 (van 12 oktober tot 1 november) in Chalcedon, een oude Byzantijnse havenstad aan de Bosporus (tegenover Byzantium) in de provincie Pontus en Bitynia in Klein-Azië, tijdens het pontificaat van paus Leo I de Grote. Het was het vierde van de eerste zeven christelijke oecumenische concilies en wordt door de Rooms-katholieke en Oosters-orthodoxe Kerken erkend als onfeilbaar in haar vaststelling van nieuwe dogma’s. Op dit concilie werd de doctrine van het monofysitisme verworpen en de Chalcedosche geloofsbelijdenis aangenomen, waarin beschreven wordt dat Jezus, als tweede persoon in de Heilige Drie-eenheid, zowel volledig mens als volledig goddelijk was.

Het werk van het concilie werd voltooid met een serie van 28 disciplinaire kerkregels. Bisschoppen kregen autoriteit over de monniken in hun diocesen, met daarbij het recht hen het stichten van nieuwe kloosters toe te staan of te verbieden. Bisschoppen werden verder aangespoord om een pastoor aan te stellen die hun wereldse zaken regelde en om tweejaarlijks een diocesane synode te houden. Het werd de clerus verboden van diocees te wisselen of in militaire dienst te gaan. Monniken en monialen werd het verboden te huwen op straffe van excommunicatie. De laatste kerkregel verklaarde dat de Zetel van Constantinopel alleen lager was dan die van Rome. De pauselijke gezanten waren niet meer aanwezig voor de stemming over deze laatste kerkregel en protesteerden hier achteraf tegen.

Het vrijwel directe gevolg van het concilie was een groot schisma. De bisschoppen die zich niet konden vinden in de taal van de brief van Paus Leo aan Flavianus spraken het concilie tegen en zeiden dat het aanvaarden van twee “physes” neerkwam op Nestorianisme. Daarmee begon de Oriëntaalse Orthodoxie, die tot op de dag van vandaag de resultaten van dit concilie verwerpt. In de laatste jaren is een zekere mate van dialoog op gang gekomen tussen de Oriëntaals-orthodoxe Kerken en andere Christenen. Sommige Oriëntaals-orthodoxe bisschoppen hebben aangegeven dat het verschil in doctrine nooit méér is geweest dan een misverstand en hebben zich sindsdien weer verbonden met de Rooms-katholieke en Oosters-orthodoxe Kerken.

bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Concilie_van_Chalcedon

Kathedraal van Echmiadzin, foto door Leo Butnaru

Kathedraal van Echmiadzin, foto door Leo Butnaru

NORAVANK

“Armeniërs zijn slechte beheerders van hun land”, constateert David met gelaten stem in de bus die ons vlak langs de flanken van de Ararat voert. Zuidwaarts. Langs de Armeens-Turkse grens, die aan Armeense zijde mede bewaakt wordt door Russische soldaten. Op verzoek van de regering in Yerevan. “Ons volk maakt kapitale fouten, die het met wat meer inzicht en middelen makkelijk had kunnen voorkomen. Waterhuishouding, landbouw, zaken als milieu- energie- en irrigatiebeleid: we maken er een potje van.”  David memoreert de woorden van Sitting Bull, die zou hebben gezegd: “And what will you do, white man, once you have ravished the earth and killed all bizon? You cannot eat money!”

“De Ararax Vallei waar we nu doorheen rijden, en die verantwoordelijk is voor het meerendeel van de landbouwopbrengst in ons land, zal over dertig, veertig jaar in een dorre vlakte zijn veranderd”, is zijn ijzingwekkende voorspelling. “De Armeniers putten hun land uit, zonder na te denken over de consequenties. Zo ook bij het Meer van Sevan, waar in Sovjettijden decennialang hydro-electrische energie werd opgewekt met behulp van gigantische pompinstallaties die het meer steeds verder leeg hebben gepompt. Tot zelf de vissen op het droge kwamen te liggen. En de hele waterhuishouding was verruineerd.”

“Je praat over de Armeniërs, alsof je er zelf niet een bent. In de derde persoon.”

“Het is waar, ik voel me van hen vervreemd als het om dit soort dingen gaat.”

In 1945 was de Getar Rivier nog zo omvangrijk en woest dat hij in zijn kolkende bedding een deel van de stad Yerevan verwoestte. Nu  is die rivier een ranzig kreekje, dat grotendeels middels rioolbuizen onder het territorium van de stad door wordt geloodst. Een beetje zoals de Zenne in Brussel. Stel voor om een gedicht voor een verdwenen / verdwijnende rivier te schrijven.

De oligarchen bezitten vrijwel alle stranden rond het legendarische Meer van Sevan. Met het stijgen van het waterpeil, dreigen ook de dacia’s van de zeer gefortuneerden zo nu en dan onder waterspiegel te verdwijnen. De klasse van de Thieves of Law, die al onder de oude tsaren in het leven was geroepen voor het leveren van hand- en spandiensten en het aan het rollen krijgen van een tot op de kleinste raderen vastgeroeste feodale economie.

Gyurza, de gifadder van Noravank. Foto door Swantje Lichtenstein

Gyurza, de gifadder van Noravank. Foto door Swantje Lichtenstein

In de Noravank kloof, maken we kennis met een van de giftigste bewoners van Armenië: gyurza. Een uiterst giftige addersoort, die veel voorkomt in de diepe kloven van zuid-west Armenië, nabij  de Iraanse grens. Zo ook bij de Toech-Manok pas, waar zich het klooster bevindt waar Momik Vardpot (1260-1335) naam maakte als beeldhouwer en architect.

Noravank (lett: nieuw klooster) ligt 120 kilometer van Yerevan op een plateau in een nauwe, door de rivier Darichay uitgesleten kloof met rode rotsen. Het complex is vooral bekend door de aan de Moeder Gods gewijde kerk met twee verdiepingen.

Volgens de metropoliet en geschiedschrijver Stepanos Orbelian (1250-1305) werd het klooster in 1205 gesticht door een bisschop, Hovhannes, na toestemming te hebben gekregen van de Seltsjoekse sultan. Hij bouwde een aan Johannes de Doper gewijde kerk (waar nu slechts wat ruïneresten van over zijn; volgens historici dateren deze echter al uit de negende of tiende eeuw) en leidde er een heilig bestaan. Ook zou hij een aantal wonderen hebben verricht. Bekend is dat hij een strenge orde had, waar vrouwen noch leken welkom waren.

Het complex werd daarna ontwikkeld door de oorspronkelijk uit Georgië afkomstige, adellijke dynastie Orbelian. Zij liet meerdere kerken in Armenië bouwen, die als begraafplaatsen voor de familie dienden. Noravank werd de zetel van de bisschoppen van het bisdom Syunik.

Het klooster van Noravank. Foto door Swantje Lichtenstein

Het klooster van Noravank. Foto door Swantje Lichtenstein

Khachkar betekent letterlijk “kruissteen”. Gebeeldhouwd gedenkmonument van steen met een rijk geornamenteerd kruis in het midden. Vaak vervlochten met een Tree of Life die omhoogkronkelt en in het middelpunt van de stelos uitkomt in een zoroastrisch zonnesymbool. Een Stelos voor Helios, dat t een centraal kruis combineert met een Tree of Life (Assyrisch, Sumerisch symbool) met allerhande geometrische patronen. Aan de linker achterzijde van de kerk, sta ik plotseling oog in oog met het graf van een heilige of althans een vereerde adellijke figuur wiens naam ik draag. Sint Sergius van Orbelian, oftewel Sargis. De grafsteen bestaat uit een liggende leewin die haar poten beschermend over het lijk heeft uitgestrekt. Heel vertederend. Het is of de leeuwin glimlacht. Zaligheid op een ietwat naieve, maar toch ook overtuigende wijze afgebeeld. De tekst op de grafsteen luidt, vertaald:

“Hier rust Sargis, als een heersende leeuw in de strijd

de zoon van Palkan. Moge hij herinnerd worden in

in mijn gebeden.”

Het graf van Sargis. Foto SvD

Het graf van Sargis. Foto SvD

Temidden van de Getnatun wijncoöperatie, worden we rondgeleid door familiehoofd en sommelier Nairi Baghdasaryan. Ik word aangeraden een “anapak” wijn te kopen, eentje die geen toegevoegde middelen bevat. Geen chemicaliën, noch suikers. We proeven tal van wijnen, maar ze smaken allemaal ofwel te zoet (naar mijn smaak) ofwel te zuur. Geen enkele wijn lijkt de grond in het sap te laten uitmonden. Het blijven met glucose en gist bewerkte fruitsappen, die men voor de goede sier in eikenhouten vaten nog verder laat verzuren. Enfin. Ik koop een fles die is gevat in keramisch materiaal, en er mooi uitziet.

Het familiehoofd is gastvrij, goedlachs, trots maar ook bescheiden. Het duurt en duurt maar voordat ik de kans krijg mijn fles af te rekenen. Uiteindelijk moet er zoveel haast gemaakt worden om  de bus weer binnen te gaan en verder te rijden, dat niemand van het gezelschap schrijvers nog tijd heeft om de kas van het wijnkantoortje te spekken door middel van het inkopen van een lading flessen. Ik ben de enige die een fles gekocht blijft te hebben. En dan nog na lang aandringen, en het kantoortje zelf dan maar binnenstappen. Alwaar men de fles die ik wilde kopen alweer had weggezet. Of verborgen. Was het een zeldzaam exemplaar dat ze eigenlijk wilden houden voor hun eigen collectie? Wie weet. Mijn god. Als men zo beleefd en terughoudend is, weet je nooit waar je als vreemdeling precies aan toe bent. En of je de Armeniers wellicht bruskeert of niet door hun afwachtende houding en lethargie te doorbreken. Is dat lomp? Is het verstandig? Is het beleefd? In elk geval is het soms erg noodzakelijk om ueberhaupt iets gedaan te krijgen, zo is me inmiddels gebleken. Over de interpretatie van bepaald gedrag kan altijd na afloop nog worden gediscussieerd…

JERMUK

Aankomst in Jermuk, het is al donker. We rijden het thermale kuuroord binnen over een brede boulevard, met links en rechts sanatoria die duidelijk nog uit de Sovjettijd dateren. De organisatie heeft ervoor gekozen ons te laten verblijven in Olympia. Een okerkleurig sanatorium met Paleis-Soestdijk achtige vleugels, dat de schoonheid van schemeren vervallen en in ere gehouden grandeur vertegenwoordigt waar Arlette en ik zo verzot op zijn.

Een ouderwetse receptie en lobby  met bar. Lange gangen met marmeren tegels en een hoogpolige loper die de gasten naar hun kamers voert en naar de benedenverdieping waar in  de diverse vleugels de zogenaamde “procedures” genoten kunnen worden. Kamers met naamplaatjes in cyrillisch schrift van het medisch en overig personeel. Op een van die plaatjes staat het woord: pruikenmaker. Oftewel: kapper. Door het hele hotel heen kom je dokters en verplegers in witte jassen tegen. Die geven massages, en begeleiden de gasten (of patienten?) bij het uitvoeren van de procedures: mondspoelingen met een slang waaruit warm bronwater stroomt, onderwatermassages met hoge drukmiddelen in gigantische badkuipen waarvan de turbines gieren als een straalvliegtuig. Veel werknemers in witte jassen hangen er ook maar een beetje bij, of lopen de kantjes ervan af. In Armenie leeft het fenomeen van de verborgen werkeloosheid, dat zo kenmerkend was voor de Sovjetstaten, ongehinderd (of moet je zeggen noodgedwongen?) voort.

Aan het ontbijt in een van de eetzalen die de noordelijke vleugel van het hotel rijk is, vertelt David Matevossian ons zaterdagochtend een indrukwekkend en triest verhaal over de toestand van zijn land. En de moeizame zo niet hopeloze strijd om dingen in Armenië gedaan te krijgen, of te veranderen. Lethargie, corruptie, brain-drain, een algeheel cynisme, egoisme en simplisme dat het land in een rampzalige kramp doet verstarren. DM: “Last time I told you we were a nation tired of history. Now, ten  years later, we are a disappearing nation.  Soon, we will have no history anymore. We will have nothing left here. Turkey is likely to wipe us away. But before it does, we will wipe out ourselves. We are stupid enough.”

Een van de grootste problemen, aldus David, die veranderingen ten goede in de weg staan, is het feit dat Armenië er maar niet in slaagt zich van zijn  clan-mentaliteit te ontdoen. De dorpsgeest van de oude stempel, de mentaliteit van een boeren bergvolk, is er niet uit te krijgen. “We hebben geen staats-mentaliteit, en ik ben bang dat we die ook nooit zullen verkrijgen.”

Probleem is verder dat vrijwel alle getalenteerde Armeniërs elders, in het buitenland, een heenkomen gezocht hebben. Wat in Armenië aan residu achterblijft, is zelden veel soeps. De minister van cultuur, aan wie we deze reis en dit festival te danken hebben (Hasmik Poghosyan), zei onlangs in een vlaag van woede tegen David: “Er komt een moment dat we ons moeten afvragen of er in dit land nog wel genoeg mentaal gezonde en snuggere mensen over zijn om van een cultuur te kunnen spreken.  Ik ben minister van een steeds fictiever wordend departement.”

Veel van de clanhoofden en hun achterban hebben in 1991 en de jaren daarna volop van het momentum geprofiteerd om zaken te doen, geld binnen te graaien of oude rekeningen te vereffenen. Vastgoedprofeten allerhande hebben Yerevan volgeplant met de meest wanstaltige bouwsels van abominabele kwaliteit en afzichtelijke esthetiek. De oorspronkelijke bewoners hebben ze massaal op straat gesodemieterd, zonder een fatsoenlijke compensatieregeling natuurlijk. Alles van waarde dat ze konden verhandelen, hebben ze doorverkocht aan de Russen. Het hele land is in tien jaar tijd in de uitverkoop gedaan. Feitelijk zijn Armeniërs nauwelijks nog de eigenaren van hun land. Althans niet van de inboedel.

“Na die eerste kapitalisatiegolf van de jaren negentig, kwam natuurlijk de stagnering. Het snelle geld was verdiend, de boel liep vast. Armenie is straatarm, de bewoners leven grotendeels van de giften van familieleden die in het buitenland verblijven. We zijn bedelaars geworden, het is te gênant voor woorden. De huidige president, Sergik Sargsian, plukt nu de rotte vruchten van het katastrofale en kortzichtige beleid van zijn voorgangers. Het mismanagement van de jaren negentig. De vruchten van die vette jaren, zijn allerminst zoet te noemen.”

De zus van David, Soghir Matevossian, is hoofdredactrice van “De Vierde Macht”. Een van de weinige, zo niet het enige, dagblad van Armenie dat openlijk ongezouden kritiek durft te geven op het beleid van de regering en de clans van de machthebbers en zakenlieden. Het blad wordt gehaat door de huidige potentaten, en geregeld wordt Davids zus gearresteerd, voor het gerecht gesleept, geintimideerd of zelfs gekidnapt om haar klein te krijgen. Bij de demonstraties van maart 2008 werd ze – hier zijn videobeelden van – op uiterst hardhandige wijze door een zwaargewapende cohorte MP’s aan haar haren uit het kantoor van haar krant gesleurd, en in een arrestantenwagen gesmeten. Op het politiekantoor is ze urenlang ondervraagd en gevangen gezet.

Er zijn al aanslagen op Soghir gepleegd. En ook op David. In 2007 nog. Lieden hadden de remkabels van zijn auto doorgeknipt, na talrijke bedreigingen. David is er met kleerscheuren vanaf gekomen, nadat hij zijn op hol geslagen auto tegen een stellage op een berghelling tot stilstand had weten te brengen. De auto was total loss. Het wrak is van het sloopterrein verdwenen, voor de politie er onderzoek naar kon doen. Spoorloos. De zaak werd geclasseerd.

 

Het stuwmeer van Jermuk. Foto Filip 'Hoedgekruid' Vanzandycke

Het stuwmeer van Jermuk. Foto Filip ‘Hoedgekruid’ Vanzandycke

 

DEEP FRIED ICE CREM CACTUS

 

Deepfriedicecremcactus. Foto door Vahur Afanasjev

Deepfriedicecremcactus. Foto door Vahur Afanasjev

Wings of Tatev, zo heet de kabelbaan die ons de vallei over brengt, naar het hoog in de bergen gelegen middeleeuwse kloostercomplex genaamd Tatev. De bergketen die we op zien doemen voor onze ogen, als we de eerste pilaar van de kabelbaan zijn gepasseerd, heet de Aramast. Afgeleid van Ara-Mazda, de Zoroastrische godheid van het Licht. Het landschap is adembenemend, en met de machtige besneeuwde toppen die hoog boven ons uit torenen in de schaduw waarvan alle menselijke aanwezigheid wordt teruggebracht tot nietige proportie, heeft het veel weg van Tibet of Nepal. Enkele oude kloostergebouwen, een bergdorpje dat op een tegenover gelegen bergflank ligt verscholen achter de rotsen, het licht van de zon dat weerkaatst tegen de wanden van ijs en van sneeuw…  Een perspectivisch stilleven van alle tijden. Een archetypische plek om te komen tot gewijde bezinning. God voelt zo hoog in de bergen inderdaad op de een of andere manier dichterbij dan beneden op aarde. Logisch? Het klooster zou door een van de 72 apostelen gesticht zijn die er in de eerste eeuw op uit trokken om het evangelie te verkondigen.

Abt Michael van Tatev. Foto Swantje Lichtenstein

Abt Michael van Tatev. Foto Swantje Lichtenstein

Vader Michael is de abt van het klooster, dat niet meer bewoond wordt – er wordt gewacht op geld om de vertrekken van de resten om te bouwen tot een rudimentair museum. Vader Michael toont ons een bewegende zuil ter ere van de Heilige Drie-eenheid. De zuil, zo verkondigt de abt met een doodserieus gezicht, heeft de eigenschap de monniken te waarschuwen voor het naderen van vijandelijke troepen. Daarenboven heeft de zuil het miraculeuze vermogen aardbevingen aan te kunnen kondigen.  De abt duwt met beide handen tegen de zuil, en zowaar, de pilaar gaat heen en weer in de wolkenlucht. De zuil fungeert werkelijk als een soort seismische naald, die gaat trillen als er schokken worden opgewekt door de aarde. Michael toont ons trots de bronzen klok van Patriarch Stephanos, waar een inscriptie op gegaveerd staat uit Psalm 15. “Let it ring, let it ring…”

Jermuk. Foto door Swantje Lichtenstein

Jermuk. Foto door Swantje Lichtenstein

Eenmaal terug in Jermuk, toont Christiane Lange ons na het avondeten enkele winnende videoclips uit voorbije jaargangen van het Zebrafestival voor verfilmde gedichten. Het festival wordt om het jaar gehost door de LiteraturWERKstatt in Berlijn, waarvan Christiane een der leidende figuren is.  Er zitten schitterende werkjes tussen. Een film bijvoorbeeld over de laatste dag van het Palast der Republik. Een knotsgekke maar briljante uitvoering van John Giorno, die “Just say no to family values”  heet. En een meesterlijke clip uit 2003 die LOVE IS THE LAW heet, van de Noor Eivind Tolas. De vrouwelijke tolk, die bij de vertoningen aanwezig is, verzuimt het om enkele nogal pikante of opruiende passages van Giorno’s smakelijke tirade tegen familiewaarde, in het Armeens te vertalen. Armenie is al met al een uiterst traditioneel land, waar alle meiden nog als maagd het huwelijk in lijken te gaan. En de mannen het leven bestiren, zoals de vrouwen de keukens. Ondanks de krankzinnige overdaad aan vrouwen in verhouding tot de mannen (12:1), heeft dit not niet geleid tot drastische omwentelingen op maatschappelijk gebied. Het woord feminist is in Armenie ook voor vrouwen een scheldwoord.

Na de video-vertoning van Christiane, vraagt David bescheiden of hij het publiek misschien nog zijn korte feature mag tonen: The enemies (2007). Een parabel over twee vijandelijke soldaten, die aan het front tegenover elkaar komen te staan. Of te liggen eigenlijk, want allebei zijn ze gewond geraakt in een confrontatie tussen Armeniërs en Azeri’s. Alle kameraden zijn omgekomen, de twee vijanden zijn de enige overlevenden. In de uitputtingsslag om te overleven tot er hulp komt, zijn we geuigen van een merkwaardige transcendentie, waarbij de rollen tot de dood erop volgt voordurend van positie wisselen. Een spirituele film, die wel van een wat gebrekkige en te luide geluidsband is voorzien. David licht de achtergrond van zijn film toe: de tolerantie aan beide zijden van de frontlinies is schrikbarend achteruitgehold de laatste jaren. De spanning is te snijden, er is geen enkel zicht meer op enige verzoening. De zenuwen van soldaten en machthebbers zijn tot op het bot beschadigd. Iedereen is het vechten moe, dat nu al 24 jaar duurt. En tegelijkertijd is niemand nog bereid tot compromissen.”

Geert van Istendael laat weten dat de film hem doet denken aan de parabel van de barmhartigen uit het evangelie. Dichteres Swantje Lichtenstein uit Köln is drukker met haar I-Phone dan met het kijken naar de prent. Dit moet David toch een beetje pijn doen. De groep is moe, het is laat. Morgen weer een drukke dag. De zitting valt uiteen, de groep rafelt uiteen. In de bar krijg ik, op het moment dat ik een Kilikia bestel dat me bruut uit handen wordt getrokken door fotograaf Filip Vanzandycke, een woedeaanval op de onbehouwen gozer die ik meestal verdedig maar die soms ook het bloed onder onze nagels vandaan kan halen met zijn lompe en luidruchtige aanwezigheid. Het gaat er flink aan toe, maar we leggen het meteen weer bij. Als de woordenwisseling nog in volle gang is, en ik Arlette om haar visie op Filip vraag, past ze en gaat ostentatief naar de hotelkamer. Op die hotelkamer heerst een ijzige spanning. Die de hele nacht duurt, en nog versterkt wordt door onophoudelijk gesnuif van Arlette die om de minuut haar neus hard ophaalt. In de vroege ochtend knallende ruzie, Arlette die me een half uur lang de wind van voren geeft terwijl ik geen oog dicht heb kunnen doen. En dan de Rondetafelgesprekken die ons wachten, waar we geacht worden als moderatoren op te treden die de boel in goede banen moeten leiden en wat speelser en luchtiger moeten maken dan gevreesd. Dit laatste doet Arlette meesterlijk, door profiterolles rond te delen waar een kleine capsule in zit verborgen met daarin weer een opgerold stukje papier waarop een van de thema’s is uitgeprint. Chance operation. Filip en Geert slikken de capsule per ongeluk door. Nemen een tweede profiterolle. Vahur blijkt precies het onderwerp te hebben gekregen, dat hij heeft aangedragen en waar we per email de afgelopen week ook over gecorrespondeerd hebben. Een zeer gelukkige speling van het verder even eerlijke als onverschillige lot.


Arlette van Laar met haar hoed vol profiterolles waarin papiertjes zitten verstopt

Arlette van Laar met haar hoed vol profiterolles waarin papiertjes zitten verstopt

Davit Muradian, een schrijver die een hoofdrol speelt in een van Kamiel Vanhole’s verhalen uit De Spoorzoeker, neemt als eerste het woord. “Armenians very naturally found themselves to be part of European culture. We are different, but we are alike as well. This is a truth, that is beautiful. Armenia is an old spiritual culture, a nation with great history, and perhaps also a great future. Yerevan is 2843 years old. 27 years older than Rome. My fellow Europeans, I love in you, what is different inside of me…If Armenia is not complete without Europe, Europe is not complete without  Armenia.”

Armenië is sinds 2001 lid van de Raad van Europa. “We are a family of nations. We are cousins of Europe. And each European country is a cousin of Armenia. We are in a true sense, related to one another.”

De Italiaanse dichter en festivalorganisator Claudio Pozzani uit Genua, klaagt over zijn achterlijke Italiaanse regering, die op dit moment nogmaar 0,18 procent van het BNP aan cultuur schijnt uit te geven. De grote problemen voor schrijvers en uitgevers, komen grosso modo neer op twee wezensproblemen: de eerste is de circulatie en distributie van boeken en boekhandels. Het tweede punt is – finalemente – dat wat Claudio  noemt “la resistance”. De wil om – tegen de keer in – stand te houden. Het alternatief is finaal van de kaart te worden geveegd. Of het land uit gedreven, zoals Claudio wier boeken nu al een tijdje niet meer in Italie maar over de grens in Frankrijk en elders worden uitgegeven. Soms ook met een cd erbij, of enkel een cd met een wat dik uitgevallen tekstboekje, zoals zijn recente uitgave La Marcia Dell’Ombra, die in Berlijn is gemasterd en is verschenen bij CVT Records.

Claudio weigert om met uitgevers in zee te gaan, die gelieerd zijn aan het Berlusconi imperium. Een houding van “resistance”, die hij tegenover de hypocrisie plaatst van auteurs als Saviano (Gomorra), die zich geengageerd voordoet maar er geen been in ziet zijn zaken te laten behartigen door het ruecksichtloze uitgeversconcern van Il Cavielere.

Serge Venturini

Serge Venturini

Paul Valery: “Le forme c’est le fond, qui revient a la surface.” Serge Venturini haalt de Franse schrijver met zichtbaar genoegen aan, tijdens de Ronde Tafeldiscussies in Jermuk. Alwaar een stuk of tien Armeense schrijvers gemeenschappelijk aan zijn geschoven bij evenzoveel Europese collega’s. Of andersom wellicht. Hoewel, de Armeense culturati stellen zich uiterst bescheiden op, een beetje geintimideerd zelfs, lijken ze. Ten opzichte van hun vakbroeders uit verre, veelal rijkere streken op het continent dat er altijd weer prat op gaat het summum van kosmopolitisme, vooruitgang en welvaart – kortom van de moderne beschaving – te vertegenwoordigen. Venturini besluit met de wat bombastische woorden: “J’ai une montagne dans le coeur. Un Ararat.” Waarop een collega opmerkt: “Dat moet dan wel groot zijn, dat hart van jou.” Gelach alom. Maar het is gemeend, van die Venturini. Hij is getrouwd met een Armeense, en heeft zijn hart dus letterlijk en figuurlijk aan die cultuur rond de Ararat verpand. Het plan wordt geopperd een “Pan-Europees Vertalingsfonds” op te richten. Alsmede een website.

De Liechtensteinse romancier Stefan Sprenger karakteriseert Armenië als een zowel seismisch als politiek gevoelig gelegen hoogland op de Kaukasus: een plaats waar twee geschiedenissen en aardschollen, twee tectonische platen tegen elkaar opschuren en over elkaar heen schuiven. Dit is het overgangsgebied waar twee continenten (Europa en Azie) zowel geografisch als cultureel met elkaar in botsing komt, waar aardbevingen, godsdienstoorlogen en conflicten schering en inslag zijn. De woeste krachten van de mens en de natuur, die hier in volle omvang aan de oppervlakte komen. Sprenger formuleert het romantisch als: “De gesel van de onderwereld die op de bovenwereld wordt losgelaten.”

Ook op het moment zelve, als de tweede ronde van de tafeldiscussies plaatsvindt (na de lunch), zo rond 15u30 plaatselijke tijd, schokt en beeft de aarde onder onze voeten. Arlette, die boven even een dutje doet op onze slaapkamer, vertelt later dat ze de beving gewaar werd. Ze doezelde net weg, dacht dat het haar droom was die maakte dat het bed begon te schudden. De kamer heen en weer bewoog. Een surreële ervaring, een hallucinatie en bange droom. Die achteraf gezien wel eens heel werkelijk geweest kan zijn. Verderop, aan de Turkse kant van de Ararat, rondom het legendarische Van Meer (oude centrum van de Armeniers), richt  de beving waar wij in Jermuk nog maar een vage uitloper gewaar van worden, een katastrofe aan. Steden worden verwoest, gebouwen storten in, honderden mensen verliezen het leven en worden levend begraven. Duizenden burgers, veelal Koerden, worden dakloos, raken ontheemd.

Wrede ironie: zojuist heeft een van de schrijvers ietwat koket geopperd, dat de mensheid zo fervent huizen bouwt om ze eens even fervent weer te kunnen verlaten. “Of te verwoesten”, merkt een cynische collega kribbig op. De beving blijkt rondom Van, zo weet David Matevossian later door de microfoon te melden als we in de bus op weg zijn naar het reservoir van Jermuk, 7,9 op de schaal van Richter te hebben gehaald.

Maandagochtend na de beving

Maandagochtend 24 oktober trakteren Arlette en ik ons op een ingelaste sessie procedures, die alle in versneld tempo dienen te worden uitgevoerd omdat de bus klokke elf ons weer naar de volgende bestemming zal brengen: een visrestaurantje op het schiereiland in het Sevan Meer. De procedure doet aanvankelijk veel goeds voor het krakkemikkige lichaam dat mij voor straf (levenslang!) moet huizen. Maar in de komende dagen breekt er bij aardig wat van de festivalgangers die soortgelijke procedures gevolgd hebben, een ware diarree en buikgriep-epidemie op die zijn weerga niet kent. Een buikloop en buikkramp die in  golven van hevigheid het lichaam – inderdaad – rigoureus en van kop tot bodem (vooral bodem) schoongeselt.

We eten zalmforel aan de oever van het Sevan Meer, op het schiereiland genaamd Airivank.Het Sevanmeer is het grootste meer van Armenië en een van de hoogst gelegen meren ter wereld – ongeveer 1900 meter boven zeeniveau. Het wordt gevoed door 28 beekjes en riviertjes. Het overgrote deel van dat water (zo’n 90%) verdampt, de overige 10% bevloeit de Hrazdan, de enige rivier die het meer verlaat. Vóór 1933 was het meer 95 meter diep, en lag het wateroppervlak op een hoogte van 1915 meter. Na dat jaar werd besloten een groot deel van de watervoorraad te benutten voor irrigatie en elektriciteit, waardoor het meer in de loop der tijd ongeveer 20 meter lager kwam te liggen. Er dreigde een ecologische ramp (gelijk aan die van het Aralmeer) waardoor de autoriteiten maatregelen namen om het meer naar het oorspronkelijke niveau terug te brengen. Tot op heden heeft dat weinig resultaat gehad. Wel is de daling van het peil gestabiliseerd.

In het noordwesten van het meer ligt een schiereiland met daarop het kloostercomplex Sevanavank. Het schiereiland was ooit een eiland, maar is door het zakken van het waterpeil nu via een drooggevallen landtong te bereiken. Twee kerken (de Kerk van de Heilige Moeder Gods en de Kerk van de Apostelen) en de overblijfselen van een gavit zijn er te bezichtigen. Volgens inscripties is het klooster in 874 gesticht door prinses Miriam, de dochter van koning Ashot I uit de Bagratoeni-dynastie. De kerken waren daarmee een van de eerste godshuizen die gebouwd werden sinds de Arabische (islamitische) overheersing. Beide heiligdommen hebben een traditionele bouw met een kruisvormig grondplan en een achthoekige tamboer die de koepel steunt. Het is dan ook eerder de bijzondere locatie aan het meer dan de bouw van de kerken die een bezoek de moeite waard maakt.

’s Avonds, terug in Yerevan, wonen we de voorstelling bij getiteld “Tickets Please”. Een adaptatie van Davit Muradian nav de teksten die Jacek Pacocha, Peeter Sauter en Laszlo Garachi in 2000 schreven tijdens de literaire trein van de Litearature Express. De premier van Armenie, Tigran Sargsian (1960), woont de voorstelling bij, als huldeblijk aan Davit die vandaag ook nog eens jarig blijkt. Na afloop van de voorstelling en de huldeblijken aan de jarige, worden we geintroduceerd bij de premier.

Tigran Sargsian, premier van Armenie

Tigran Sargsian, premier van Armenie

Na afloop van de voorstelling “kidnapt” David Matevossian Arlet en mezelf, om samen met Tina – David’s lieflijke echtgenote – een goed Alexandropol bier te gaan drinken in de binnenstad. We belanden in een nogal Amerikaans aandoende uitspanning, waar Heinz ketchupflessen op ieder tafeltje staan. Buiten loeit harde dancemuziek. Een meisje dat aanschuift aan tafel, blijkt een nichtje van David te zijn dat haar ouders verloor negen jaar geleden tijdens een auto-ongeluk niet ver van Airivank (het schiereiland in het Meer van Sevan). Ze heeft een tijd in coma gelegen, en hersenbeschadiging opgelopen. Maar ze is overeind gekrabbeld, en begonnen aan een jarenlang proces van revalidatie. Momenteel is ze zelfs gaan studeren: webdesign. Ze praat iets trager dan anderen, maar verder is ze heel goed hersteld. Ze figureert ook in het filmpje dat David me woensdag laat zien over het gevecht voor democratie in Armenie, alwaar een demonstratie in maart 2008 op bloedige wijze uit elkaar is geslagen door de ordetroepen van de regering. En waarbij tien mensen het leven lieten.

DE SLANG IN HET PARADIJS

Een taxi komt Arlette om 03u00 ’s nachts ophalen, om naar het vliegveld te brengen. Ze is misselijk, heeft diarree. Ik breng haar naar de lobby. Zorg dat ze veilig en wel in de auto zit. Later vertelt ze dat ze toch best angstig was in die taxi. Niet wist of de chauffeur, die geen Engels sprak en in een noodtempo over de wegen scheurde, haar midden in de nacht zou ontvoeren. Het bleek goed af te lopen. Om half tien stuurt ze me een SMS’je vanuit Wenen dat ze haar aansluitende vlucht naar Amsterdam, net op tijd heeft weten te halen.

Bezoek aan Matanadaran, het Instituut voor Manuscripten. Perkament uit Damascus. Zie een, nee twee, originele exemplaren van Grigor Narekatsi’s Boek van Droefenis (Book of Sadness). Narekatsi leefde van 951 tot 1003. Het boek in de vitrine is vervaardigd in Kaffa, anno 1401. Ik zie een prachtig geillustreerd exemplaar van de History of Alexander the Great uit de vijfde eeuw. Het Vrijdag Boek, vervaardigd in Venezie anno 1512. Miniaturen van koperoxide, lapis lazuli, goudflagon en bladgoud.

De slang op de geëtaleerde pagina van een manuscript dat de zondeval verbeeldt, kronkelt buiten de bladspiegel van de pagina rond. Het serpent mag niet op de pagina, omdat het volgens de Armeense theologie ook niet thuishoort in de tuin van Eden, het Paradijs. Het kwaad, zo geloven de Armeniërs, is geen factum van God. Het is het werk van de duivel, niet van onze Lieve Heer.

Tijdens de lunch in het pocherige restaurant La Boheme, waar Charles Aznavour naar verluidt de eigenaar van is, praat ik een hele tijd met de uiterst beminnelijke Estse schrijver Peeter Sauter en zijn  vriendin Laura. Peeter vergelijkt mijn plechtige intentie tot het temmen van het ego, met een schilderij van de Japanse genre-kunstenaar Chitoku dat “How to tame an ox” zou heten. Džitoku, Zjitoku… drawings and texts. Peeter geeft me een compliment: “This is the first time, Serge is INSIDE the Ararat.”

Laura vertelt dat ze eens in Reyckjavik (IJsland) in een dronken bui een weddenschap verloor, die ging over het gemiddeld inkomen van Esten. The average salary. Ze verloor de weddenschap, en hield woord door – zoals de inzet van de weddenschap betrof – de inititalen van haar geliefde op haar billen te laten tatoeren. PS – Peeter Sauter. PS. I Love You moest men er maar bij denken.  “We are fools and life is playing a game with us”, zo vatte Peeter de levensfilosofie van hemzelf en zijn geliefde samen. “We better learn to enjoy and to master the skills of the game that is being played with us, in a way that we can still laugh with ourselves and our fate.”

De oudste zoon van Peeter is afgelopen kerstmis om het leven gekomen, toen hij het slachtoffer werd van een open slagaderbreuk. De ambulancier die snel ter plaatse was, heeft zijn zoon waarschijnlijk de dood ingejaagd door heel intensief reanimatietechnieken op hem toe te passen. Waardoor er heel veel extra druk op het hart en de bloedvaten is ontstaan, en Peeter’s zoon is gestikt in zijn eigen bloed dat met iedere push uit zijn aorta werd gepompt.

Ik herinner met het tedere gebaar van Peeter, die zijn geliefde even heel peinzend, liefdevol over de bol aaide, terwijl hij begon te vertellen in Jermuk, tijdens de groepspresentatie, over zijn zoon Gustav. 21 jaar. Peeter vertelt me aan tafel, deze woensdagmiddag in restaurant La Boheme, van zijn droom die hij deze week in hotel Ararat heeft gehad. Waarin hij heel prettig aan het keuvelen was met een of ander persoon die naast hem zat. En die hij  alleen  en profil gewaar werd. Ze dronken, kletsten, er heerste en opgeruimde en gemoedelijke, warme sfeer. Toen hij even naar rechts keek, om te zien wie zijn prettige gesprekspartner was, keek hij recht in het gezicht van zijn bloedeigen, zopas overleden zoon Gustav. Hij schrok, herstelde zich, en vroeg aan Gustav: “Well, how is it over there? At least, I hope it is alright where you are…”  Waarop de geest van zijn zoon antwoordde: “Yes, but what does it help anyway…”

Na de lunch neemt David me mee naar zijn kantoortje aan Sacharov plein. Hij laat foto’s zien van het Bubble Festival in Yerevan, dat ieder jaar in april plaatsvindt. Het bellenblaas-festival. Hij  toont me ook de Armenian Chronicles. Powerful stuff. Clip die hij maakte over de aspiraties en strijd van jongeren in Armenie voor ware democratie. Over de demonstraties van maart 2008 die bloederig uiteen zijn geslagen. Zijn zus de hoofdredactrice die werd opgepakt door zwaarbewapende strijdkrachten, en aan haar haren in een arrestantenbus werd gesmeten. David had het filmpje ingestuurd naar de organisatie Democracy Challenge, waar Hillary Clinton de patroon van is. Daar verdween het na een dag alweer van de site, vanwege “technical problems”. Zara, Davids petekind dat we maandagavond nog even ontmoetten in die Heinz ketchupbar, zond het filmpje nogmaals naar de organisatie. Opnieuw verdween het daar, om onopgehelderde redenen. Ik haal – stomgeslagen van de gewelddadige beelden – de woorden aan van Remco Campert: “verzet begint niet met grote woorden, maar met kleine daden.” Met respect.

David rijdt me naar een staatsgalerij, waar we de opening bijwonen van Narek Avetissian’s Simulacri tentoonstelling. Serie verbluffende transformaties en variaties op Johannes Vermeers beroemde en tot ikoon verworden Girl With A Pearl Earring. Van Max Ernst en Malevitsj, tot Da Vinci en Hieronymus Bosch, van Chagall en Cézanne tot Salvador Dali en (de hekkensluiter) de Unknown Armenian Artist of the 21st Century: alle portretten zijn, met zichtbaar plezier dat van de doeken afspat, transformaties in stijl van Vermeers origineel. Multitudes and metamorfoses. Het voorlaatstse schilderij is een portret van Scarlett Johansson, in haar rol van meid met de parelmoeren oorbel uit de bekende gelijknamige film van enige jaren geleden. Dit is het enige portret dat Narek heeft ondertekend met zijn eigen naam. Het is knap gedaan. Als knipoog daar weer naartoe, heeft hij de  meid die hij  als Gioconde-achtig model heeft gebruikt voor de versie van Da Vinci’s Vermeer, geschilderd naar Uma Turman. Tenminste, ik meen haar gezicht – dat net als op dit doek enige asymmetrie vertoont – duidelijk te herkennen. Andere festivalgangers zijn daar minder zeker van. Anyhow. Er is ook een doek bij  met een simulacrum, dat het naamplaatje draagt van Minas Avetissian. De vader van de kunstenaar die deze tentoonstelling bij elkaar heeft geschilderd. Het is een van de beste doeken van de serie. En het meest origineel. Minas Avetissian blijkt in het staatsmuseum te hangen met aardig wat werken. Maar al in 1974 te zijn verongelukt tijdens een auto-ongeluk. Als overkopelend idee voor de tentoonstelling, oppert Narek de gedachte dat het enige schilderij dat op zijn tentoonstelling nog ontbreekt, het origineel is van alle doeken. Niet het doek van Vermeer, maar het overkoepelende idee van de meid met de parelmoeren oorbel. Zoals dat enkel in de hoofden van de mensen bestaat. Als abstractie.

Diner in het oligarchenrestaurant Marco Polo, op Abovianstreet. Swantje neemt afscheid, maar is te preuts om een afscheidsdronk te drinken uit hetzelfde glas. We begeven ons, en petite commitée, naar een bar chantant aan het eind van Pushkin Street (en dan links), waar een jonge jazz-zangeres zich onder begeleiding van twee muzikanten de longen uit haar lijf zingt. Krijgen een fles wijn aangeboden van de directie. Op de menukaart kun je een hamburger Lord Bayron krijgen. Lord Byron geschreven als Bayron. Naast me zit, opnieuw, Peeter Sauter. En Laura. Peeter is zichtbaar aangeschoten, maar op een milde manier. “What would be the road to heaven”, vraagt hij zich hardop af. “We all know, how the path towards heaven is paved with good intentions. So that this path may very well lead you  to the gates of hell.” Laura grinnikt, en stelt voor: “Eat heaven, and become it.” Ik opper: “Strip yourself of gravity and expectations. Accept time as a relative commodity.  Heaven not as a treasure to dig up, or a source to drink from, but a sphere one becomes part of anyway.” De hemel is een plek die het je vergund is te ervaren. Niet eentje die je kunt verkiezen.

Na een tijdje, dalen we af naar Calumet, de ondergrondse tent in Pushkin Street. Een orientaals spliff-hok met een dansvloertje, een bar en een ratjetoe aan midden-oosterse decoraties die grotendeels aan het plafond zijn opgehangen. Afghaanse spreien aan de muren, tapijten op de houten scheepsvloer. Een grote trom hangt boven ons hoofd aan het plafond. Uitgestrekt op kussens in het achtergedeelte van de uitspanning, luisteren we naar Depeche Mode (Your  Personal Jezus), Daft Punk, Kylile Minogue en allerhande retrograde rock-classics. Feestvierders, zegt Vahur, zijn hoeren die met elk lied meeheulen, wiegen en zingen. Anything goes, als men maar plezier beleeft. Vervolgens wordt Vahur door Mare mee de dansvloer op gezeuld. Om evengoed mee te dijnen op de muziek die uit de boxen knalt. Ik blijf vanop onze zitkussens rustig toekijken, terwijl Madonna (of is het Kylie Minogue) zingt: “Life is a paradox, and it does not make much sense…” Bij het refrein (“I’m never gonna stop!”), dat eindeloos herhaalt wordt, schreeuwt Vahur me in mijn oor: “This very much sounds like a threat…”

We  vertrekken in een taxi naar Hotel Ararat, voor een appel en een ei aan kosten. 200 Dram. Of iets van dien aard. In Hotel Ararat zetten we de sauna op 100 graden, nemen een duik in het ijskoude pierenbadje. En leven ons uit op de apparaten in de fitness-ruimte. Met de beschikbare radio keihard op Russische schlagermuziek. We zweten onze kuren uit. En gaan rond half vier slapen. Voldaan. Warm van de sauna-sessies. Rozig. Beneden in de Tuin van Eden, brengen Post-Morten Russen uit de Baltische landen luidruchtig de ene na de andere toast uit. Op het leven. Op de mooie vrouwen die aanwezig zijn. Op de mooie vrouwen die niet aanwezig zijn. Op de vrienden die niet meer in leven zijn. Op de hemel. Op de hel. “En de hel”, zegt een van hen, “dat is de plek waar flessen twee gaten hebben. En de vrouwen geen.”

Svd in Yerevan. Foto door Arlette van Laar

Svd in Yerevan. Foto door Arlette van Laar

Advertenties

BLAUWVERSCHUIVING, ROODVERSCHUIVING

In de lobby van Hotel Erebuni in Jerevan, worden de gasten begroet door hun koffers, die door kruiers in lange rechte rijen op de vloer zijn uitgestald, als bodybags. Op bankjes in de bar verdoen taxichauffeurs al kaartend hun tijd. De trappen in de ontvangsthal zijn van sfeerloos nepmarmer. Zelfs de gigantische lusters stralen een kil licht uit. Iets meer ambiance is er op de verdiepingen, waar rood tapijt ligt in eindeloos lange gangen, en waar sfinxachtige kamerjuffrouwen toezicht houden vanachter hun massief notenhouten bureaux.

Enige tijd nadat ik me op mijn kamer te rusten heb gelegd, gaat de telefoon. Ik schrik wakker, zonder meteen te weten waar ik ben. Het is twee uur ‘s nachts, ik ben nog altijd bekaf van het reizen in de stoffige en aftandse dieselrijtuigen die me vanuit Moskou in een slakkengang tot op deze verdorde Kaukasische Hoogvlakte hebben gebracht. Deze drooggekookte soeppan van vulkanische makelij. Dit koninkrijk van de schreeuwende stenen, zoals Osip Mandelstam Armenië noemde.

Intimitat Servis’, meldt een koele en zakelijke damesstem. ‘Wilt u misschien wat gezelschap in uw kamer?’

‘Bel morgen maar terug,’ antwoord ik even verbolgen als verbijsterd, en smijt de hoorn op de haak. In de ochtend meen ik dat ik dit alles heb gedroomd. Ware het niet dat ook andere mannelijke congresgangers bij het ontbijt vertellen over intimiderende telefoontjes die hen uit hun slaap hebben gehaald.

* * *

We laten de verroeste kabelbaan van Yerevan – die jaren geleden al uit gebruik werd genomen na een fataal ongeluk waarbij de cabine door een kabelbreuk te pletter stortte – achter ons, en ik hoor hoe de dieselmotor van de drukke minibus gierend zijn best doet om de berghelling op te klimmen. Op de route passeren we een curieuze wenteltrap die kaarsrecht langs een klif omhoog voert naar een hoger gelegen plateau dat is volgebouwd met troosteloze Sovjetflats. We passeren een nachtclub in de vorm van een Schots kasteel, een verlaten lunapark, de omwalling van een dierentuin, een industriele groeve waar rupsbulldozers in de weer zijn met het afgraven van greondstoffen. Gaandeweg zijn alle passagiers bij diverse haltes uitgestapt. Ik ben de enige overgebleven reiziger die zich door de chauffeur mee wil laten voeren naar de top van de berg die majestueus uitkijkt op de Garni kloof. Na een tunnel wordt het pas echt stijl en bochtig. Boven ons schitteren de laatste restjes lentesneeuw. Het landschap is dat van een rotsachtige, verlaten planeet die door een extreem samenspel van vorst en hitte van elk leven schijnt beroofd. Ik zie obsidiaan tussen de rotsen schitteren, een zwart kristal dat uit het contact van lava met water was gevormd. Nagels van de duivel worden die schilfers genoemd.Als de chauffeur me uit laat stappen, waarschuwt hij me voor Gyurza, een uiterst giftige addersoort, die hier in deze dorre woestenij in overvloede rond zou kruipen.

Tussen de spaarzame bomen die nog in de bochten van de weg overeind staan, schittert in de diepte het Meer van Sevan, dat net als het land zelf langzaam leeg schijnt te lopen. Het blijkt dat water uit het meer in grote hoeveelheden wordt afgetapt om er stroom mee op te wekken, sinds de ontbinding van de Sovjetunie begin jaren negentig, toen de geld- gas- en oliekraan vanuit Moskou naar de perifere deelrepublieken een voor een werden dichtgedraaid. Ondergrondse buizen verbinden het meer met een waterkrachtcentrale, die de stroom levert die noodzakelijk is voor het onder alle omstandigheden strikt op peil houden van het voltage in ziekenhuizen, fabrieken en laboratoria. Zo ook in het ruimte-obsevatorium waar we naar op weg zijn, hoog in de bergen van Gerhard (spreek uit: Gekhard), dat beroemd is vanwege het oude middeleeuwse rotsklooster waar Apostolische monniken de speerpunt bewaren waarmee een Romeinse bewaker Jezus Christus aan het kruis in zijn lendenen geprikt zou hebben om te zien of de heiland nog leefde.

Ik schrik ervan hoe het eens zo gerenommeerde astrofysische instituut van de Garni kloof, waarvan Levon ondanks zijn zevenentachtigjarige leeftijd nog steeds directeur is, erbij ligt. De kantoorgebouwen zijn stuk voor stuk verlaten, overal ontbreken ramen of deurposten. Het lijkt wel of er een brand heeft gewoed, of een aardbeving is geweest die het interieur van de gebouwen door elkaar heeft geschud. Overal dwarrelen paperassen in het rond, zijn er kasten omgevallen, staan stoelen en tafels kriskras door elkaar.

Een spichtige secretaresse brengt me naar de eerste verdieping, waar de meester zich heeft teruggetrokken in zijn werkvertrekken. Daar, vanachter een torenhoge stapel boeken, zie ik hem zitten: Levon Zurabayan, de wetenschapper, astrophysicus, schilder en erelid van de schrijversvakbond van Armenië.  Een hoogbejaarde man, half doof, met een witte spikkelbaard. Als een eenzame achtergebleven koning resideert hij in zijn vervallen, tochtige en vochtige paleis dat, net als in het sprookje van Doornroosje, door de natuur en het verval wordt overwoekerd. Als hij me ziet komen, springt de oude geleerde horkerig overeind, voetschuifelt hij naar me toe en begroet me enthousiast.

‘Aha aha… Juist! Ik  verwachtte u al. Ik ben blij dat u er eindelijk bent.’

Ik vraag naar het waarom van de staat van verval waarin zijn instituut verkeert.

‘Geldgebrek. Sinds het vertrek van de Russen zijn wij aan ons lot overgelaten.’

Enthousiast toont hij me de laatste foto’s die hij van de door hem ontwikkelde Hubble telescoop heeft binnengekregen. Het zijn opnamen van Pluto, de verste der planeten uit ons zonnestelsel. ‘Wat ik vermoedde is waar: Pluto blijkt een dubbelplaneet. En in feite niet eens een planeet. Maar het blijft wonderlijk om de foto’s te zien die dit alles bewijzen…’

Zarubyan gaat me via een wenteltrap voor naar het observatorium, dat middels een koepelconstructie pal bovenop zijn werkvertrekken is geconstrueerd. Trots toont hij me de werking van de door hemzelf in elkaar geknutselde Mercator Telescoop, die kosmische straling opvangt met behulp van een heel arsenaal aan stroomgekoppelde apparaten. Het licht kan verder in extenso geanalyseerd worden op een aluminium plaat waar heel precieze gaatjes in geboord zijn op de plekken van sterren, stelsels en quasars. De aluminium plaat kan via 640 verschillende lichtbronnen via een indrukwekkend kluster aan fiber-optische kabels, op simultane wijze aan twee afzonderlijke spectrografen worden vastgekoppeld.

Het is moeilijk te geloven dat vanuit deze geimproviseerde kasteeltoren, het commando wordt gevoerd over het meest ambitieuze astronomische onderzoek dat ooit werd ondernomen: het Zarubyan Mercator Project. Bedoeld om de positie, scherpte, straling en kleur vast te stellen van meer dan een miljoen hemellichamen in een kwart van het hemelgewelf. En om de afstand te bepalen tussen meer dan een miljoen sterrenstelsels en quasars – de opflakkerende bakens die ontstaan op plekken waar zwarte gaten sterren en gas in zich op hebben gezogen. Als het werk geklaard is, moet het de eerste gestandaardiseerde universale atlas opleveren met vijfkleurenbeelden van de noordelijke sterrenhemel.

‘Welnu, mijn vriend, graag wil ik nu dan de reden onthullen voor mijn uitnodiging. Komt u verder. Ziet u deze capsule?’

Levon wijst me op een glazen stulp die midden in het observatorium staat opgesteld, waarop talloze draden zijn aangesloten. ‘In deze capsule wordt het spectogram bewaard dat ongetwijfeld ook uw speciale attentie verdient. Maar dat me ook veel zorgen baart. Omdat de UV- en Gammastraling die we vanuit het exacte middelpunt van de Melkweg hebben opgevangen, in de aluminium deklaag van de 8,4 meter grote honingraat-spiegel van de Binoculaire Telescoop, om een onverklaarbare reden bepaalde optische en uiteindelijk ook chemische reacties met elkaar zijn aangegaan.’

‘Hoe bedoelt u dat precies?’

‘Tja, ik kan het niet anders formuleren. Het spectogram is – en de hemel moge weten waarom – op een gegeven moment gaan reageren. Alsof de fotostrook die we van het astre occlus in onze Melkweg hebben kunnen nemen, in een beperkte vorm tot leven is gekomen. Ziet u, de weerslag heeft via de radiostraling die is waargenomen vanuit de gebieden rond het zwarte gat, de vorm aangenomen van een gesloten oog.’

‘Ongelooflijk.’

‘Dat kunt u wel zeggen. Maar dat is nog niet alles. Ook dat gesloten oog beweegt.’

‘Nee!’

‘Toch wel. Het reageert op bepaalde spectrale prikkels. Je zou kunnen zeggen dat het knipoogt.’

Ik keek de wetenschapper verbijsterd aan.

‘Je moet niet mij aanstaren, maar dat oog daar,’ sprak Levon me bestraffend toe. ‘Ik heb het oog in een transparante capsule laten plaatsen, waar de temperatuur constant op zeven Kelvin gehouden wordt. De ideale omstandigheid voor het Cosmisch Oculaire Organisme, of hoe we dit geval ook moeten noemen,  om zich in stand te kunnen houden.’

‘Dat moet onnoemelijk veel energie kosten. Waar haalt u die vandaan, in dit vervallen instituut?’

‘Ik heb een directe verbinding aan laten leggen met de waterkrachtcentrale uit het Meer van Sevan. Die zorgt voor een permanent verzekerde stroomtoevoer, zodat de basisomstandigheden in de capsule constant zijn. Voor de rest voed ik het organisme met alle mogelijke golven van het licht en alle mogelijke vormen van straling die vanuit het heelal tot bij ons doordringen.’

Nauwgezet bestudeer ik de ellipsvormige materie in de couveuse die een zacht trillende beweging lijkt te maken.

‘Blijft u rustig kijken. En kijkt u ook eens wat er gebeurt als ik het krachtveld van solaire Gammastraling of het radiografisch spectrum van wat achtergrondruis op de capsule loslaat. Kijkt u eens!’

Ik staar met open mond naar de vlek in de kluis die zich, na een korte trilling, onweerlegbaar terugtrekt over het doorschijnende bolvormig oppervlak van een inwendig orgaan. Om het vervolgens weer te bedekken.

‘Ziet u? Het oog knippert. Of knipoogt.’

‘Naar ons? Denkt u dat het naar ons knipoogt?’

‘Ik denk, mijn beste, dat het knipoogt naar het heelal.’

Pal onder het observatorium rijzen kegels van puinsteen op, die wankel tegen de rotsen leunen en zich een paar maal per dag, zodra er weer een keitje losraakt, met een akelig geklepper herschikken. Soms zwelt het geluid van deze miniatuurlawines aan en overstemt dat van de gletsjerbeek die vanuit de bergen het dal in klatert en ter hoogte van het Instituut tot bedaren wordt gebracht in afzonderlijke bevloeiingskanaaltjes.

‘De vraag is natuurlijk, wat dit alles te betekenen heeft.’

‘En, wat denkt u?’

‘Ik denk eerlijk gezegd, dat het opnieuw een aanwijzing is voor mijn stelling dat alles in dit universum onderhevig is aan een zelf-organiserend principe. Het universum is haar eigen moeder. En het baart voortdurend kinderen.’

‘Maar wat is de kracht van een kind dat aan de complexe weerschijn van een zwart gat is ontsproten?’

‘Dat is een interessante vraag. Als u daar eens een nachtje over nadenkt. Misschien kunnen we daar morgen dan verder over discussieren.’ Zonder oogknipperen merkt Levon op, terwijl hij me amicaal op een van mijn schouders slaat: ‘Ik denk dat we het raadsel van het heelal uiteindelijk wel zullen doorgronden. Misschien dat het bestaan van dit oog, een belangrijke doorbraak kan betekenen. Nietwaar? Tot morgen, mijn vriend. Laat het allemaal eens rustig op u inwerken.’

* * *

Als ik het instituut verlaat, voel ik de behoefte om een wandeling te maken langs de door wildbraam, kreupelhout en onkruid overwoekerde hallen, gebouwen en kantoren van het vervallen instituut. De sfeer van desolaatheid en verlatenheid die over het terrein is neergedaald, doet denken aan de film Stalker van Tarkovski. Ik laat mijn stem weergalmen in een lege en bedompte assemblage-schuur waarin lichtstralen schijnen door gaten in het dak. Er ligt puin op de grond en ik hoor geritsel. Via de deels ingestorte montagehal waar ooit de Salyut-capsules zijn ontworpen en stukje voor beetje in elkaar gezet, loop ik een eind omhoog over een sintelpad om een overzicht te krijgen over het ganse terrein. Bovenop een helling klim ik in de traptreden van een pilon waarover de slaphangende kabels van een kraanlift bungelen. Vervolgens klim ik weer naar benden en ga op een beschaduwd plekje zitten in het gras. Ik kijk naar vlinders die voorbij dartelen, wiegend op de wind, en naar de koepels van het observatorium die schitteren in de zon. Rond het middaguur sta ik op, klop mijn broek af die geel is van het vulkanische stof, en loop terug naar beneden.

De opzichterswoning waarvoor ik eerder al een zwarte Volga had zien staan, ligt aan de rand van de heuvel, tegenover een transformatorhuisje met dikke, gebarsten ramen, waar leeuwerikken en kwikstaarten overheen cirkelen. Achter het chalet staat een houten stacaravan en liggen een tiental gerooide sparren. Ik houd halt als ik de oprit met de omhoogstaande slagboom nader. De zwarte lak van de Volga blikkert in de zon. Op het terras staat een man met een wilde haardos, zijn handen leunend op de ballustrade. Hij draagt een zwarte bodywarmer met veel ritsen en zakken, rubber laarzen en een camouflagebroek. De man staart naar mij. Boven hem, op het overhel­lende beteerde dak van zijn opzichterswoning, zitten zwarte vogels. Raven.

`Ik wilde hier eens rondkijken’, zeg ik. `Zoiets zie je niet vaak, een sterrendorp dat zo goed als intact lijkt, maar waar niemand meer te bekennen is.’

`Ik woon hier’, zegt de man in gebroken Engels met een slavisch accent.

Ik knik. Als ik verderloop, hoor ik meerstemmig gegrom. Ik zie een vijftal grijze viervoeters op het terras die met de staart omlaag, met spitse oren en vooruitgestoken kop gestresst op en neer lopen.

`Kom gerust verder,’ zegt de man.

Ik blijf staan.

`Mensen hebben niets van ze te vrezen.’

`Dat zijn uw woorden.’

Ik tuur naar de dieren, verroer me niet.

`Wil je dat ik ze naar achteren breng?’

De man maakt sissende geluiden, bukt zich en grijpt een van de beesten bij de vacht. Hij verdwijnt ermee het chalet in, daarbij gevolgd door de andere dieren. Een minuut later keert hij terug. Alleen.

`Omgaan met wolven maakte in mijn land van herkomst deel uit van de militaire training’, zegt hij.

‘En welk land was dat?’

De man laat een bulderlach horen.

`Het land van tsaren en huzaren.’

`Aha. U bent een Rus. Is het daarom dat u zo afgezonderd leeft van de rest van de bevolking?’ vraag ik.

`Het zijn de mensen die zich afzonderen’, zegt de oude huzaar. `Niet ik.’

`O. En waar zouden de mensen, als ik vragen mag, zich dan van afzonderen?’

`Van de natuur, de aarde. Je weet wel, de schepping.’

`U bent een gelovig mens.’

`Dat klopt, maar het is geen kwestie van geloof hebben.’ De huzaar kijkt omhoog, naar de toppen van de rotsformaties. `Het is een kwestie van… het opvangen van signalen.’

`U spreekt alsof er een ramp op komst is,’ zeg ik.

`Het is maar hoe je het bekijkt. Rampen kunnen zegeningen zijn.’

`Wat verwacht u dan dat er gaat gebeuren?’

De huzaar zwijgt.

`Wat verwacht u?’, vraag ik nogmaals.

`Kom verder’, zegt de huzaar.

Ik volg de man behoedzaam. Hij laat me plaatsnemen aan een tafel in de keuken. Ik kijk of ik de wolven zie, maar van hen geen spoor. Wel ruik ik een zurige, fecalische lucht en zie ik in een van de hoeken witte, afgekloven botjes. Horvath schenkt rode wijn in limonadeglazen. Wijn uit een plastic jerrycan. Er klinkt gefladder. Een van de raven neemt plaats op het aanrecht. De vogel staart me aan, schuifelt een paar pasjes tot zijn poten zich vastklauwen aan de rand, en laat dan een droge kras horen.

`Aan dieren kun je het het eerst merken. Ze groeperen zich, verliezen hun schuwheid, ze zoeken contact. Het zijn de bergdieren die de langste adem hebben. Andere dieren maken minder kans. Maar veel dieren uit het dal komen vanzelf hiernaartoe.’

Ik schuif het glas op tafel heen en weer.

`Eerst zal er droogte zijn’, legt de huzaar uit, `en hitte. Alle sneeuw en ijs zal smelten, de zeeën zullen stijgen, het water dat verdampt zal gaan condenseren. Het wachten is dan op de grote vloed. Het kan nog enige jaren droog zijn, maar op gegeven moment zal hij komen. Tot die tijd zal ik hier blijven. De dieren beginnen me te vertrouwen. Ze weten dat ik voor ze bezig ben. Je hebt de sparren gezien die ik in de tuin aan het rooien ben.’

`U gelooft dat de geschiedenis zich zal herhalen?’, vraag ik. `U gelooft dat er een nieuwe zondvloed zal komen en u bouwt een ark, zoals Noach uit het bijbelverhaal?’

`Wat in de bijbel staat’, zegt de huzaar, `dat heeft nooit plaatsge­vonden. Het moet allemaal nog gebeuren. De nieuwe wereld zal ontstaan uit brokstukken van de oude. Zoals de aarde uit de zon, de maan uit de aarde. Daar kan ik niets aan veranderen.’

`En de Armeense gendarmerie, heeft die niets in de gaten? Vindt die het niet vreemd dat u hier zo alleen woont, in een verlaten vleugel van een oude sterrenwacht, met een roedel wolven en een stel roofvogels?’

`De wolven schrikken plunderaars af. Dat komt die Armeense gendarmerie die de boel eigenlijk hier zou moeten bewaken zeer gelegen.’

Ik drink mijn wijn op zonder te proeven van de smaak, en wil de huzaar duidelijk maken dat ik op ga stappen omdat ik nog naar mijn hotel in Jerevan moet zien terug te keren, waarnaartoe de laatste minibus aan het begin van de avond zal vertrekken. Een van de wolven steekt zijn kop om de deur van de keuken en komt binnenlopen. De man heeft nog niets in de gaten, want de wolf staat achter hem. Ik voel me hees worden. De wolf spert zijn bek open en maakt een gapende beweging met zijn kaak. Voorzichtig zet ik het glas op de tafel neer. De huzaar vraagt me grommend om nog even te wachten. Hij staat op en rommelt wat in een ladekast. Tevoorschijn komt een klein op hout geschilderd icoon van Maria met de beeltenis van haar kind, de Mensenzoon, in de gedaante van een ouwelijk – bijna buitenaards wezen. De huzaar stoft het af met de mouw van zijn hemd. Hij kust de beeltenis en overhandigt me die met de woorden: “hier, pak aan. Zij zullen u geluk brengen. En hun geluk zal u redden.”

Ik neem het icoonprentje aan en sta er een tijdje wat bedremmeld naar te kijken. Net op het moment dat ik fluisterend gewag wil maken van mijn vertrek, begeleidt de huzaar me naar buiten en zegt: `wees voorzichtig, vriend, want overal er zijn wezens die ons gadeslaan.’

* *¨*

© Serge van Duijnhoven