BLAUWVERSCHUIVING, ROODVERSCHUIVING

In de lobby van Hotel Erebuni in Jerevan, worden de gasten begroet door hun koffers, die door kruiers in lange rechte rijen op de vloer zijn uitgestald, als bodybags. Op bankjes in de bar verdoen taxichauffeurs al kaartend hun tijd. De trappen in de ontvangsthal zijn van sfeerloos nepmarmer. Zelfs de gigantische lusters stralen een kil licht uit. Iets meer ambiance is er op de verdiepingen, waar rood tapijt ligt in eindeloos lange gangen, en waar sfinxachtige kamerjuffrouwen toezicht houden vanachter hun massief notenhouten bureaux.

Enige tijd nadat ik me op mijn kamer te rusten heb gelegd, gaat de telefoon. Ik schrik wakker, zonder meteen te weten waar ik ben. Het is twee uur ‘s nachts, ik ben nog altijd bekaf van het reizen in de stoffige en aftandse dieselrijtuigen die me vanuit Moskou in een slakkengang tot op deze verdorde Kaukasische Hoogvlakte hebben gebracht. Deze drooggekookte soeppan van vulkanische makelij. Dit koninkrijk van de schreeuwende stenen, zoals Osip Mandelstam Armenië noemde.

Intimitat Servis’, meldt een koele en zakelijke damesstem. ‘Wilt u misschien wat gezelschap in uw kamer?’

‘Bel morgen maar terug,’ antwoord ik even verbolgen als verbijsterd, en smijt de hoorn op de haak. In de ochtend meen ik dat ik dit alles heb gedroomd. Ware het niet dat ook andere mannelijke congresgangers bij het ontbijt vertellen over intimiderende telefoontjes die hen uit hun slaap hebben gehaald.

* * *

We laten de verroeste kabelbaan van Yerevan – die jaren geleden al uit gebruik werd genomen na een fataal ongeluk waarbij de cabine door een kabelbreuk te pletter stortte – achter ons, en ik hoor hoe de dieselmotor van de drukke minibus gierend zijn best doet om de berghelling op te klimmen. Op de route passeren we een curieuze wenteltrap die kaarsrecht langs een klif omhoog voert naar een hoger gelegen plateau dat is volgebouwd met troosteloze Sovjetflats. We passeren een nachtclub in de vorm van een Schots kasteel, een verlaten lunapark, de omwalling van een dierentuin, een industriele groeve waar rupsbulldozers in de weer zijn met het afgraven van greondstoffen. Gaandeweg zijn alle passagiers bij diverse haltes uitgestapt. Ik ben de enige overgebleven reiziger die zich door de chauffeur mee wil laten voeren naar de top van de berg die majestueus uitkijkt op de Garni kloof. Na een tunnel wordt het pas echt stijl en bochtig. Boven ons schitteren de laatste restjes lentesneeuw. Het landschap is dat van een rotsachtige, verlaten planeet die door een extreem samenspel van vorst en hitte van elk leven schijnt beroofd. Ik zie obsidiaan tussen de rotsen schitteren, een zwart kristal dat uit het contact van lava met water was gevormd. Nagels van de duivel worden die schilfers genoemd.Als de chauffeur me uit laat stappen, waarschuwt hij me voor Gyurza, een uiterst giftige addersoort, die hier in deze dorre woestenij in overvloede rond zou kruipen.

Tussen de spaarzame bomen die nog in de bochten van de weg overeind staan, schittert in de diepte het Meer van Sevan, dat net als het land zelf langzaam leeg schijnt te lopen. Het blijkt dat water uit het meer in grote hoeveelheden wordt afgetapt om er stroom mee op te wekken, sinds de ontbinding van de Sovjetunie begin jaren negentig, toen de geld- gas- en oliekraan vanuit Moskou naar de perifere deelrepublieken een voor een werden dichtgedraaid. Ondergrondse buizen verbinden het meer met een waterkrachtcentrale, die de stroom levert die noodzakelijk is voor het onder alle omstandigheden strikt op peil houden van het voltage in ziekenhuizen, fabrieken en laboratoria. Zo ook in het ruimte-obsevatorium waar we naar op weg zijn, hoog in de bergen van Gerhard (spreek uit: Gekhard), dat beroemd is vanwege het oude middeleeuwse rotsklooster waar Apostolische monniken de speerpunt bewaren waarmee een Romeinse bewaker Jezus Christus aan het kruis in zijn lendenen geprikt zou hebben om te zien of de heiland nog leefde.

Ik schrik ervan hoe het eens zo gerenommeerde astrofysische instituut van de Garni kloof, waarvan Levon ondanks zijn zevenentachtigjarige leeftijd nog steeds directeur is, erbij ligt. De kantoorgebouwen zijn stuk voor stuk verlaten, overal ontbreken ramen of deurposten. Het lijkt wel of er een brand heeft gewoed, of een aardbeving is geweest die het interieur van de gebouwen door elkaar heeft geschud. Overal dwarrelen paperassen in het rond, zijn er kasten omgevallen, staan stoelen en tafels kriskras door elkaar.

Een spichtige secretaresse brengt me naar de eerste verdieping, waar de meester zich heeft teruggetrokken in zijn werkvertrekken. Daar, vanachter een torenhoge stapel boeken, zie ik hem zitten: Levon Zurabayan, de wetenschapper, astrophysicus, schilder en erelid van de schrijversvakbond van Armenië.  Een hoogbejaarde man, half doof, met een witte spikkelbaard. Als een eenzame achtergebleven koning resideert hij in zijn vervallen, tochtige en vochtige paleis dat, net als in het sprookje van Doornroosje, door de natuur en het verval wordt overwoekerd. Als hij me ziet komen, springt de oude geleerde horkerig overeind, voetschuifelt hij naar me toe en begroet me enthousiast.

‘Aha aha… Juist! Ik  verwachtte u al. Ik ben blij dat u er eindelijk bent.’

Ik vraag naar het waarom van de staat van verval waarin zijn instituut verkeert.

‘Geldgebrek. Sinds het vertrek van de Russen zijn wij aan ons lot overgelaten.’

Enthousiast toont hij me de laatste foto’s die hij van de door hem ontwikkelde Hubble telescoop heeft binnengekregen. Het zijn opnamen van Pluto, de verste der planeten uit ons zonnestelsel. ‘Wat ik vermoedde is waar: Pluto blijkt een dubbelplaneet. En in feite niet eens een planeet. Maar het blijft wonderlijk om de foto’s te zien die dit alles bewijzen…’

Zarubyan gaat me via een wenteltrap voor naar het observatorium, dat middels een koepelconstructie pal bovenop zijn werkvertrekken is geconstrueerd. Trots toont hij me de werking van de door hemzelf in elkaar geknutselde Mercator Telescoop, die kosmische straling opvangt met behulp van een heel arsenaal aan stroomgekoppelde apparaten. Het licht kan verder in extenso geanalyseerd worden op een aluminium plaat waar heel precieze gaatjes in geboord zijn op de plekken van sterren, stelsels en quasars. De aluminium plaat kan via 640 verschillende lichtbronnen via een indrukwekkend kluster aan fiber-optische kabels, op simultane wijze aan twee afzonderlijke spectrografen worden vastgekoppeld.

Het is moeilijk te geloven dat vanuit deze geimproviseerde kasteeltoren, het commando wordt gevoerd over het meest ambitieuze astronomische onderzoek dat ooit werd ondernomen: het Zarubyan Mercator Project. Bedoeld om de positie, scherpte, straling en kleur vast te stellen van meer dan een miljoen hemellichamen in een kwart van het hemelgewelf. En om de afstand te bepalen tussen meer dan een miljoen sterrenstelsels en quasars – de opflakkerende bakens die ontstaan op plekken waar zwarte gaten sterren en gas in zich op hebben gezogen. Als het werk geklaard is, moet het de eerste gestandaardiseerde universale atlas opleveren met vijfkleurenbeelden van de noordelijke sterrenhemel.

‘Welnu, mijn vriend, graag wil ik nu dan de reden onthullen voor mijn uitnodiging. Komt u verder. Ziet u deze capsule?’

Levon wijst me op een glazen stulp die midden in het observatorium staat opgesteld, waarop talloze draden zijn aangesloten. ‘In deze capsule wordt het spectogram bewaard dat ongetwijfeld ook uw speciale attentie verdient. Maar dat me ook veel zorgen baart. Omdat de UV- en Gammastraling die we vanuit het exacte middelpunt van de Melkweg hebben opgevangen, in de aluminium deklaag van de 8,4 meter grote honingraat-spiegel van de Binoculaire Telescoop, om een onverklaarbare reden bepaalde optische en uiteindelijk ook chemische reacties met elkaar zijn aangegaan.’

‘Hoe bedoelt u dat precies?’

‘Tja, ik kan het niet anders formuleren. Het spectogram is – en de hemel moge weten waarom – op een gegeven moment gaan reageren. Alsof de fotostrook die we van het astre occlus in onze Melkweg hebben kunnen nemen, in een beperkte vorm tot leven is gekomen. Ziet u, de weerslag heeft via de radiostraling die is waargenomen vanuit de gebieden rond het zwarte gat, de vorm aangenomen van een gesloten oog.’

‘Ongelooflijk.’

‘Dat kunt u wel zeggen. Maar dat is nog niet alles. Ook dat gesloten oog beweegt.’

‘Nee!’

‘Toch wel. Het reageert op bepaalde spectrale prikkels. Je zou kunnen zeggen dat het knipoogt.’

Ik keek de wetenschapper verbijsterd aan.

‘Je moet niet mij aanstaren, maar dat oog daar,’ sprak Levon me bestraffend toe. ‘Ik heb het oog in een transparante capsule laten plaatsen, waar de temperatuur constant op zeven Kelvin gehouden wordt. De ideale omstandigheid voor het Cosmisch Oculaire Organisme, of hoe we dit geval ook moeten noemen,  om zich in stand te kunnen houden.’

‘Dat moet onnoemelijk veel energie kosten. Waar haalt u die vandaan, in dit vervallen instituut?’

‘Ik heb een directe verbinding aan laten leggen met de waterkrachtcentrale uit het Meer van Sevan. Die zorgt voor een permanent verzekerde stroomtoevoer, zodat de basisomstandigheden in de capsule constant zijn. Voor de rest voed ik het organisme met alle mogelijke golven van het licht en alle mogelijke vormen van straling die vanuit het heelal tot bij ons doordringen.’

Nauwgezet bestudeer ik de ellipsvormige materie in de couveuse die een zacht trillende beweging lijkt te maken.

‘Blijft u rustig kijken. En kijkt u ook eens wat er gebeurt als ik het krachtveld van solaire Gammastraling of het radiografisch spectrum van wat achtergrondruis op de capsule loslaat. Kijkt u eens!’

Ik staar met open mond naar de vlek in de kluis die zich, na een korte trilling, onweerlegbaar terugtrekt over het doorschijnende bolvormig oppervlak van een inwendig orgaan. Om het vervolgens weer te bedekken.

‘Ziet u? Het oog knippert. Of knipoogt.’

‘Naar ons? Denkt u dat het naar ons knipoogt?’

‘Ik denk, mijn beste, dat het knipoogt naar het heelal.’

Pal onder het observatorium rijzen kegels van puinsteen op, die wankel tegen de rotsen leunen en zich een paar maal per dag, zodra er weer een keitje losraakt, met een akelig geklepper herschikken. Soms zwelt het geluid van deze miniatuurlawines aan en overstemt dat van de gletsjerbeek die vanuit de bergen het dal in klatert en ter hoogte van het Instituut tot bedaren wordt gebracht in afzonderlijke bevloeiingskanaaltjes.

‘De vraag is natuurlijk, wat dit alles te betekenen heeft.’

‘En, wat denkt u?’

‘Ik denk eerlijk gezegd, dat het opnieuw een aanwijzing is voor mijn stelling dat alles in dit universum onderhevig is aan een zelf-organiserend principe. Het universum is haar eigen moeder. En het baart voortdurend kinderen.’

‘Maar wat is de kracht van een kind dat aan de complexe weerschijn van een zwart gat is ontsproten?’

‘Dat is een interessante vraag. Als u daar eens een nachtje over nadenkt. Misschien kunnen we daar morgen dan verder over discussieren.’ Zonder oogknipperen merkt Levon op, terwijl hij me amicaal op een van mijn schouders slaat: ‘Ik denk dat we het raadsel van het heelal uiteindelijk wel zullen doorgronden. Misschien dat het bestaan van dit oog, een belangrijke doorbraak kan betekenen. Nietwaar? Tot morgen, mijn vriend. Laat het allemaal eens rustig op u inwerken.’

* * *

Als ik het instituut verlaat, voel ik de behoefte om een wandeling te maken langs de door wildbraam, kreupelhout en onkruid overwoekerde hallen, gebouwen en kantoren van het vervallen instituut. De sfeer van desolaatheid en verlatenheid die over het terrein is neergedaald, doet denken aan de film Stalker van Tarkovski. Ik laat mijn stem weergalmen in een lege en bedompte assemblage-schuur waarin lichtstralen schijnen door gaten in het dak. Er ligt puin op de grond en ik hoor geritsel. Via de deels ingestorte montagehal waar ooit de Salyut-capsules zijn ontworpen en stukje voor beetje in elkaar gezet, loop ik een eind omhoog over een sintelpad om een overzicht te krijgen over het ganse terrein. Bovenop een helling klim ik in de traptreden van een pilon waarover de slaphangende kabels van een kraanlift bungelen. Vervolgens klim ik weer naar benden en ga op een beschaduwd plekje zitten in het gras. Ik kijk naar vlinders die voorbij dartelen, wiegend op de wind, en naar de koepels van het observatorium die schitteren in de zon. Rond het middaguur sta ik op, klop mijn broek af die geel is van het vulkanische stof, en loop terug naar beneden.

De opzichterswoning waarvoor ik eerder al een zwarte Volga had zien staan, ligt aan de rand van de heuvel, tegenover een transformatorhuisje met dikke, gebarsten ramen, waar leeuwerikken en kwikstaarten overheen cirkelen. Achter het chalet staat een houten stacaravan en liggen een tiental gerooide sparren. Ik houd halt als ik de oprit met de omhoogstaande slagboom nader. De zwarte lak van de Volga blikkert in de zon. Op het terras staat een man met een wilde haardos, zijn handen leunend op de ballustrade. Hij draagt een zwarte bodywarmer met veel ritsen en zakken, rubber laarzen en een camouflagebroek. De man staart naar mij. Boven hem, op het overhel­lende beteerde dak van zijn opzichterswoning, zitten zwarte vogels. Raven.

`Ik wilde hier eens rondkijken’, zeg ik. `Zoiets zie je niet vaak, een sterrendorp dat zo goed als intact lijkt, maar waar niemand meer te bekennen is.’

`Ik woon hier’, zegt de man in gebroken Engels met een slavisch accent.

Ik knik. Als ik verderloop, hoor ik meerstemmig gegrom. Ik zie een vijftal grijze viervoeters op het terras die met de staart omlaag, met spitse oren en vooruitgestoken kop gestresst op en neer lopen.

`Kom gerust verder,’ zegt de man.

Ik blijf staan.

`Mensen hebben niets van ze te vrezen.’

`Dat zijn uw woorden.’

Ik tuur naar de dieren, verroer me niet.

`Wil je dat ik ze naar achteren breng?’

De man maakt sissende geluiden, bukt zich en grijpt een van de beesten bij de vacht. Hij verdwijnt ermee het chalet in, daarbij gevolgd door de andere dieren. Een minuut later keert hij terug. Alleen.

`Omgaan met wolven maakte in mijn land van herkomst deel uit van de militaire training’, zegt hij.

‘En welk land was dat?’

De man laat een bulderlach horen.

`Het land van tsaren en huzaren.’

`Aha. U bent een Rus. Is het daarom dat u zo afgezonderd leeft van de rest van de bevolking?’ vraag ik.

`Het zijn de mensen die zich afzonderen’, zegt de oude huzaar. `Niet ik.’

`O. En waar zouden de mensen, als ik vragen mag, zich dan van afzonderen?’

`Van de natuur, de aarde. Je weet wel, de schepping.’

`U bent een gelovig mens.’

`Dat klopt, maar het is geen kwestie van geloof hebben.’ De huzaar kijkt omhoog, naar de toppen van de rotsformaties. `Het is een kwestie van… het opvangen van signalen.’

`U spreekt alsof er een ramp op komst is,’ zeg ik.

`Het is maar hoe je het bekijkt. Rampen kunnen zegeningen zijn.’

`Wat verwacht u dan dat er gaat gebeuren?’

De huzaar zwijgt.

`Wat verwacht u?’, vraag ik nogmaals.

`Kom verder’, zegt de huzaar.

Ik volg de man behoedzaam. Hij laat me plaatsnemen aan een tafel in de keuken. Ik kijk of ik de wolven zie, maar van hen geen spoor. Wel ruik ik een zurige, fecalische lucht en zie ik in een van de hoeken witte, afgekloven botjes. Horvath schenkt rode wijn in limonadeglazen. Wijn uit een plastic jerrycan. Er klinkt gefladder. Een van de raven neemt plaats op het aanrecht. De vogel staart me aan, schuifelt een paar pasjes tot zijn poten zich vastklauwen aan de rand, en laat dan een droge kras horen.

`Aan dieren kun je het het eerst merken. Ze groeperen zich, verliezen hun schuwheid, ze zoeken contact. Het zijn de bergdieren die de langste adem hebben. Andere dieren maken minder kans. Maar veel dieren uit het dal komen vanzelf hiernaartoe.’

Ik schuif het glas op tafel heen en weer.

`Eerst zal er droogte zijn’, legt de huzaar uit, `en hitte. Alle sneeuw en ijs zal smelten, de zeeën zullen stijgen, het water dat verdampt zal gaan condenseren. Het wachten is dan op de grote vloed. Het kan nog enige jaren droog zijn, maar op gegeven moment zal hij komen. Tot die tijd zal ik hier blijven. De dieren beginnen me te vertrouwen. Ze weten dat ik voor ze bezig ben. Je hebt de sparren gezien die ik in de tuin aan het rooien ben.’

`U gelooft dat de geschiedenis zich zal herhalen?’, vraag ik. `U gelooft dat er een nieuwe zondvloed zal komen en u bouwt een ark, zoals Noach uit het bijbelverhaal?’

`Wat in de bijbel staat’, zegt de huzaar, `dat heeft nooit plaatsge­vonden. Het moet allemaal nog gebeuren. De nieuwe wereld zal ontstaan uit brokstukken van de oude. Zoals de aarde uit de zon, de maan uit de aarde. Daar kan ik niets aan veranderen.’

`En de Armeense gendarmerie, heeft die niets in de gaten? Vindt die het niet vreemd dat u hier zo alleen woont, in een verlaten vleugel van een oude sterrenwacht, met een roedel wolven en een stel roofvogels?’

`De wolven schrikken plunderaars af. Dat komt die Armeense gendarmerie die de boel eigenlijk hier zou moeten bewaken zeer gelegen.’

Ik drink mijn wijn op zonder te proeven van de smaak, en wil de huzaar duidelijk maken dat ik op ga stappen omdat ik nog naar mijn hotel in Jerevan moet zien terug te keren, waarnaartoe de laatste minibus aan het begin van de avond zal vertrekken. Een van de wolven steekt zijn kop om de deur van de keuken en komt binnenlopen. De man heeft nog niets in de gaten, want de wolf staat achter hem. Ik voel me hees worden. De wolf spert zijn bek open en maakt een gapende beweging met zijn kaak. Voorzichtig zet ik het glas op de tafel neer. De huzaar vraagt me grommend om nog even te wachten. Hij staat op en rommelt wat in een ladekast. Tevoorschijn komt een klein op hout geschilderd icoon van Maria met de beeltenis van haar kind, de Mensenzoon, in de gedaante van een ouwelijk – bijna buitenaards wezen. De huzaar stoft het af met de mouw van zijn hemd. Hij kust de beeltenis en overhandigt me die met de woorden: “hier, pak aan. Zij zullen u geluk brengen. En hun geluk zal u redden.”

Ik neem het icoonprentje aan en sta er een tijdje wat bedremmeld naar te kijken. Net op het moment dat ik fluisterend gewag wil maken van mijn vertrek, begeleidt de huzaar me naar buiten en zegt: `wees voorzichtig, vriend, want overal er zijn wezens die ons gadeslaan.’

* *¨*

© Serge van Duijnhoven

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s