EEN KWESTIE VAN GENADE. Een dichter op excursie naar ’t Eilandje in Antwerpen

geschreven voor DE GOD VAN NEDERLAND, embargo tot november 2012.

Laat er geen misverstand over bestaan: al ben ik er niet geboren, ik voel me allereerst een Brusselaar. Een Zinneke, zoals de bastaardzonen en dochters van gemengde origine zich in de hoofdstad van Europa, Belgie en Vlaanderen mogen noemen.  En ook al betreft het dan een term voor import-Brusselaars, het woord Zinneke is allerminst pejoratief van aard. Het is evenmin een Geuzennaam. Brussel is mij dierbaar. En al is ze geen probleemloos of gemakkelijk te peilen type, om met Geert van Instendael te spreken (Arm Brussel): ook haar fragmenten en haar wonden ben ik geneigd te beminnen. Ten aanzien van Antwerpen ontbreekt mij een dergelijke genegenheid ten enen male. De stad aan de Schelde – of zoals Vlamingen veelbetekenend zeggen ’t Stad – laat mij Siberisch koud. Dat is overigens altijd wederzijds gebleken.

't Eilandje anno 1960

’t Eilandje anno 1960

Alleen al die pretentie.  Andere steden kent de Antwerpenaar niet, of wil hij niet kennen. De rest van Vlaanderen is goed om je auto in te parkeren. Of om naar de kermis te gaan. Brussel is voor Antwerpenaren even ver weg als Rotterdam of Harlem, een bar oord vol vreemd, gekleurd en onfris volk waar de mensen weigeren om Vlaams te klappen. En waar je om de honderd meter moet voelen of je portemonnee nog in je kontzak zit. Doe mij dan maar Brussel, waar op de menukaart van nachtbar Archiduc in drie talen geschreven staat: “This bar is open every day/a partir de 16h/tot vijf uur ’s ochtends”.  En waar de bakker mij  in het Nederlands antwoordt, wanneer ik hem in het  Frans begroet.

Ik kan niet zeggen dat ik het niet geprobeerd heb. Tientallen keren heb ik me zo onbevooroordeeld mogelijk naar Antwerpen begeven, in de ijdele hoop de ban te breken en een band te smeden. Maar nee. Verdane tijd, vergeefse inspanning. Iedere keer kreeg ik er het deksel terug op mijn hardleerse neus geworpen. Vertrokken de laatste treinen voor mijn ogen. Mislukten optredens, crashten vriendschappen, werden afspraken niet nagekomen. Was het bezoek een grote teleurstelling, werd ik naar Brussel teruggejaagd met het scheldwoord “Ollander” natetterend in mijn oor.

Niets aan te doen. So wie es fällt so liegt es. Er kan nooit meer wijn uit een kruik geschonken worden dan er in zit. Ik had me hier eigenlijk al bij neergelegd, tot ik in 2006 een relatie kreeg met een dame genaamd Sanne. Een montere alleenstaande moeder uit de Sinjoorenstad met een voltijdse baan, aanstekelijke lach, lekker lichaam, loepzuiver hart en een immense levensappetijt.  Op haar dakterras beleefde ik een zalige zomer vol zoete dronken nachten en tedere momenten, die me ook de kans gaf mijn blik op Antwerpen waar mogelijk wat bij te stellen.

Het was Sanne die me, in  een kordate poging om me van mijn rabiate Antwerpen-afkeer te genezen, op een goede donderdag in juni op sleeptouw nam naar wat er op dat moment nog resteerde van het Eilandje bij de verlaten dokken. Hoewel ik er al vaker was geweest, om concerten te verslaan in de Kaaiman of omdat ik verkeerd was gereden vanaf de Singel of de Ring, voor het eerst viel daar en toen de spijker op zijn kop. De afgelegen lanen met hun kasseien, de desolate schoonheid van de kaaien aan de plotse bocht bij de Schelde, de rokerige zeemanscafé’s in de oude haven: ze bezorgden me een gevoel van geluk en euforie dat ik lang niet meer gekend had.

Zeemanscafe Het licht der dokken. Foto Griet Hendrickx

Ik was verrast. Op ’t Eilandje liet Antwerpen zich van een heel andere  kant zien dan ik was gewend. Aandoenlijker. Authentieker. Mysterieuzer. Een beetje weemoedig en onthecht. ‘t Eiland bleek ook in overdrachtelijke zin een eiland. Aan alle kanten klotste het  water; dat hield de stad op afstand. En zorgde intra muros voor een gevoel van verheven nonchalance. ’t  Eilandje was een plek midden in, maar raar genoeg ook buiten Antwerpen. Een exclave waar een handjevol bewoners iets bijzonders voor de vernieling had weten te behoeden.

In de nakende nabijheid van de grijparmen der bulldozers die om de hoek klaar stonden om toe te slaan, wisten de oude Aalanders een waardig soort van onthechtheid te bewaren. In Lissabon en Porto had ik gezien hoe mensen samen trieste liederen konden zingen en beluisteren, die een rijk bezongen dat voorgoed van de kaart verdwenen was. En daarmee een plezierige avond konden beleven. In Antwerpen keek en luisterde ik naar Sinjoren die de historie van ’t Eilandje op verbale wijze levend hielden.

“Bellum transit / amor manet” is het motto voorin Dichtertje. De strijd gaat voort, de liefde blijft. Onze wegen scheidden zich. Als vanouds raakte ik weer afgesneden van de stad waarmee ik een voorzichtige band had opgebouwd. Soit. Antwerpen kan me opnieuw gestolen worden.. Maar ’t Eilandje mis ik zeker. Ook in Brussel.

Vijf jaren verstreken sinds onze laatste bezoeken. In de tussentijd stond het leven natuurlijk niet stil. In de oude haven bouwden de urbanisten, architecten en aannemers voort aan hun Masterplan. Met een ijver en ambitie die hun weerga niet kent. Wegen werden opnieuw aangelegd, kasseien vervangen, pakhuizen gerenoveerd, dijken opgehoogd, kaden verbreed, tramlijnen doorgestoken, woontorens uit de grond gestampt, bruggen en sluizen gerestaureerd. Roestige boten en zinkende vlotten werden weggesleept, de jachthaven werd getrimd en schoongespoten. De dokken werden als nieuw aangeleverd, het verkeer werd omgeleid.

Het Museum Aan de Stroom

Boven alles uit torent het Museum Aan De Stroom oftewel het MAS, een roodbruine kolos van tien verdiepingen die door een slordige kinderhand op elkaar gestapeld lijken. Het MAS is een publiekstrekker. Het peperdure restaurant op de negende verdieping behoort volgens de Lifestylebladen tot het nec plus ultra in Luilekkerland. Het summum van smulpaperij. Wie geen geld heeft, kan het dak op. De toegang is gratis, het uitzicht onbetaalbaar.

Ik vroeg me af hoeveel er van de authentieke havensfeer van ’t Eilandje bewaard kon zijn gebleven, temidden van al deze voortvarendheid. Zou het bestand zijn tegen het geweld van al die sloperskogels, de geldingsdrang van alle bouwpromotoren, de dwingelandij van de betweterige stadsvisionairen?

Zo nu en dan las ik er wat over in de kranten en de magazines. Dat beloofde niet veel goeds. Fase 2 van het Masterplan naderde zijn voltooiing. Fase 3 was op til. Alle raderen van de grote sprong voorwaartsmachine draaiden op volle toeren. Hoewel de laatste werkzaamheden pas voor 2050 (sic!) gepland zijn, scheen de transformatie van de wijk nu al “een verpletterend succes”. Planologen haalden opgelucht adem. Marketeers wreven in hun handen. Poolse bouwvakkers werkten zich uit de naad. In sommige landen heeft men geen oorlogen nodig om veldslagen te winnen. En landschappen te verwoesten.

Zelfs mijn moeder scheen een onweerstaanbare drang te voelen om – hoewel ze in Frankrijk woont – dat wonder van architectonisch vernuft op het ondersteboven gekeerde Eilandje van nabij te beleven. Ze regelde met haar nieuwe man een tweedaags City-arrangement, inclusief een diner in restaurant ’t Zilte van topchef Viki Geunes. “Twee sterren”, fluisterde ze veelbetekenend. “Honderd meter boven N.A.P.. Joseph trakteert om onze huwelijksdag te vieren.” Dat deden ze vaker. Beide echtelieden verloren hun eerdere partner aan kanker. “Op onze leeftijd resteren er niet meer zoveel jaren”, legde mijn stiefvader me uit. Zijn toon was verontschuldigend. “Als je gaat wachten tot er weer een jaar voorbij is, kun je net zo goed je hoofd in de muil van de leeuw steken. Daarom stelde ik voor de tijd een beetje naar onze hand te zetten. Niet eens per jaar maar maandelijks vieren je moeder en ik dat we samenzijn. Dat is elf keer winst per kalenderjaar.”

Vanaf het Centraal Station slenter ik via de studentenwijk en het Schipperskwartier richting de Schelde. Het is zo warm dat zelfs de hoeren in hun sexy lingerie buiten zijn gaan zitten. Lusteloos bungelen ze met hun gladgeschoren benen voor de ramen van hun peeshokken. . Het is opvallend rustig in de kolossale hoerentil. Vandaag wordt het vast meer zweten dan pezen geblazen.

Via het grondig schoongeveegde Falconplein, ooit de anus van de stad en het thuishonk van de Georgische maffia, benader ik de jachthaven aan het Willemdok. De stapeltoren van het Nederlandse bureau Neutelings Riedijk Architecten, staat te fonkelen in de zon. Op dezelfde plek schijnt ooit het Oosterhuis te hebben gestaan. Het werd opgetrokken tussen 1564 en 1568 en fungeerde als zetel van de Duitse Hanze in Antwerpen.

Medaillon met tekst van Tom Lanoye. Ontwerp Hautekiet.

De inrichting van het MAS is een merkwaardige mengeling van leegte en overdaad. Van verspilling en verkwisting. Zeventig procent van de ruimte lijkt onbenut. De vloeren daarentegen zijn dan weer op manische wijze bezaaid met telkens dezelfde stervormige struikelsteen. Het schijnen er 3000 te zijn, allemaal voorzien van dezelfde regel: ‘WAAR WATER WAAKT EN WAT ER WAARD WAS LATER WERD BEWAARD ALS (WAAR WATER WAAKT EN…)’ De woorden zijn van Tom Lanoye, het ontwerp van het medaillon is van Tom Hautekiet. Na de eerste duizend medaillons schoot ik in de lach, na het tweede duizendtal moest ik denken aan Jack Nicholson in The Shining van Stanley Kubrick, die honderden pagina’s lang dezelfde regel had uitgetikt: (All Work And No Play Makes Jack A Dull Boy). En na het derde duizendtal was ik benieuwd hoe het huis eruit zou zien van de mensen die met het voorstel kwamen om meteen maar 3000 stuks van het ontwerp te bestellen. Ook de decoratie van de wanden is op iedere verdieping nogal monomaan aangepakt. Op elke etage is het thema: reuzen, reuzen en nog eens reuzen. Op zich niks mis mee, want reuzen zijn sinds de middeleeuwen al de maskotte van de Antwerpen. Maar waarom zijn ze allemaal zo klungelig  en kinderachtig afgebeeld, als in een Suske en Wiske album?  Alsof een klas kleuters zich met potlood en kwast op de muren uit heeft mogen leven. De reus van ’t Eilandje heet Tuur de Slijkschepper. Hij  heeft een krulsnor, en een neus die dronkenschap verraadt. Op de zesde verdieping staat hij de bezoekers op te wachten. Zijn reuzenrug gekeerd naar de Schelde.

Vanaf het MAS is goed te zien hoe ’t Eilandje is overgeleverd aan de  graafmachines en bulldozers van de werklieden. De Montevideostraat is over de ganse lengte opgengebroken, onder het plaveisel kruipt het voorwereldse moeras tevoorschijn. Geelbruin zand bestuift gevels en straten in de hele wijk. De excavaties en bouwputten lijken op bomkraters in een oorlogslandschap. Houten pallets doen dienst als voorlopig trottoir. Als het regent is het daarbeneden vast geen pretje, en moeten de modderlaarzen aan. Recht onder mijn kin kijk ik in de schoorsteen van lichtschip de West-Hinder, dat als enige ligt aangemeerd in het Bonapartedok. Aan de westflank van het MAS steekt de grijparm van een  antieke takelkraan wat hulpeloos de lucht in. Kunstenaars hebben er een educatief platform van gemaakt: circus Welvaert. Het is opvallend hoe het oude in deze wijk overal nieuw leven ingeblazen krijgt.

Ik blader door het Masterplan dat sinds 2000 de leidraad is van alle werkzaamheden. Het verval dat optrad in de jaren zeventig en tachtig wordt erin betreurd, het nieuwe eiland wordt ons  voorgespiegeld als een prettig en rustiek paradijsje aan het water. Het jubeltoontje doet vermoeden wat de eigenlijke beweegreden is achter de meeste van de huidige werkzaamheden. Het publiek wordt aangesproken als ware iedereen een “prospect”, een mogelijke nieuwe bewoner. En dus een mogelijke koper van onroerend goed.

Dit  is geen voorlichting, dit is verkooppraat. Ons wordt een nieuw stukje Jeruzalem voorgehouden, dat op de plek van de oude haven en in de straten rondom dient te verrijzen. Een onroerende portie  luxe, calme et volupté. Heel gek is dat niet. Ook vroeger werden in deze wijk al tickets verkocht aan arme sloebers die hun geluk wel eens wilden beproeven in een land van miljonairs en onbegrensde mogelijkheden dat zich aan de overkant van de Oceaan zou bevinden. Tickets voor de overtocht kocht men bij het gebouw van de Red Star Line, op de dijk waar nu het begin is gemaakt van een museum. Tegenwoordig komt Amerika vooral naar ons toe. Maar gelukkig is er op ’t Eilandje nog geen McDonalds of Burgerking. Op de begane grond adverteert het verlaten immokantoor Anker met een bordje in de etalage waarop staat: “Al zeventig procent verkocht!”. Kantoor Belga aan de overkant is wat voorzichtiger, en meldt slechts dat “de verkoop van Toren 3 is gestart”.   Was de verkoopprijs per vierkante meter woonoppervlak op ’t Eilandje in 1996 minder dan vierhonderd euro, nu is dat het vijfvoudige.

Masterplan van ’t Eilandje

Ik besluit een kleine inventarisatie te maken van de cafe’s die ik tijdens mijn tocht over het Eiland tegenkom.  In mijn Moleskine noteer ik alle namen, te beginnen bij de buurt rond het Bonaparte- en Willemdok:’t Keravikske, De Konincklijke Snor, Het Duvels Genot (Sssst, hier drinkt men Duvel!),  Waanzee. De sfeer rond de jachthaven is er een van fantasieloze stijfheid en mercantilisme. Met glassex worden de tafeltjes op de terrassen schoongewreven. Hun eerste bekommernis lijkt te zijn: geld verdienen. Dat gaat vlot nu de zon schijnt. De cava wordt overal geserveerd in een emmertje met ijs. De cafe’s hebben namen als Oink Oink, Batavia, Burgerij, Le Bar du Port, Le Maritime en Au vieux Port. Origineel is het niet.

Om het authentieke elan van ’t Eilandje te beleven, moeten we weg van die pocherige haven met zijn terrassen. Dieper het “Aaland” in.  Richting de Amsterdam- en Londenstraat, de Cadixwijk, het Kattendijkdok. Tot mijn vreugde blijkt Cafe ’t Stille Water nog te bestaan. Evenals het knusse boulangerietje van bakker Kris, die net als vroeger vanaf vijf uur ’s ochtends zijn broodjes  verkoopt aan de havenarbeiders. Dat ook het oude vertrouwde havencafe ’t Licht der Dokken de tsunami aan veranderingen heeft doorstaan, mag een wonder heten. Het lijkt wel of het  op een nieuwe plek staat, want de straten eromheen zijn opnieuw aangelegd. Café Zonder Bier van pater Theo, vaste stek voor dokwerkers die geen alcohol mochten drinken maar wel aan de toog wilden wachten of de bazen die dag nog mannen uit de wervingsreserve nodig hadden, is nergens meer te bekennen.

Fase 2 van het Masterplan mag dan zijn voltooiing naderen, gelukkig is op ’t Eilandje nog lang niet alles tot de laatste centimeter volgebouwd, ingericht, ontsmet en schoongewreven zoals dat in Amsterdam al lang het geval zou zijn geweest. Vooralsnog beschikt het links en rechts nog over de nodige vergeten hoeken en rafelranden waar het stadsonkruid  ongestoord kan voortwoekeren. In de Braziliestraat bijvoorbeeld, waar zich tussen de pakhuizen, lofts en industriele architectuur warempel nog een hoerenkot bevindt. Een louche nachtclub eigenlijk, met animeermeiden. Voor de deur is een zwarte loper uitgerold die ligt bezaaid met peuken. Binnenin wordt Martini gedronken, en Laurent Perrier champagne. Voor de bewaking zorgt Blake. Zijn mobiele telefoonnummer staat vermeld op een papiertje dat tegen de patrijspoort is geplakt aan de ingang.

Wie doorloopt in noordelijke richting, langs de gebouwen van de Red Star Line, belandt al snel in de ommelannden waar de natuur vrij spel heeft. Op en om de dijk krioelt het van de watervogels, rietkragen, braamstruiken, wilde bloemen, wilgentenen en notelaars. Het is er aangenaam toeven. Onder een boom staat een eenzaam blauw klapstoeltje te wachten op een visser. Als hij maar niet onderaan de oever is gaan staan, want dat ziet eruit als drijfzand. Het slib van de Schelde dat zich door de stroming in de bocht heeft opgehoopt. De blubber is in beweging, en ziet eruit als een geribbeld zandstrand.

Eenmaal bij het bruggenhoofd van de Royersweg aangekomen, kun je kiezen: rechtdoor over de Royersbrug, richting de Oosterweelssteenweg. Of rechtsaf in de richting van de ring, via de Siberiastraat. Als de hefbrug omhoog is getakeld, kan de wachttijd gemakkelijk oplopen tot een half uur. Ik besluit af te dalen van de dijk, en de Siberiastraat in te lopen. Een zee van kasseien ligt er voor me uitgespreid, maar nergens is een voetpad te bekennen.

In deze verloren hoek tussen Schelde en Kattendijkdok, ontdek ik iets waar ik bij aanvang van deze tocht op gehooopt had. De exotische en mysterieuze sporen van onduidelijke menselijke activiteit, die je met een beetje geluk in de meeste stedelijke rafelranden geregeld aan kunt treffen. Hier vind ik het in de vorm van een pittoresk emplacementskantoor, dat ligt ingeklemd tussen hekken, loodsgebouwen, electriciteitspalen en een opjager. En dat, aldus de tekst op de gevel, dienst doet als “Entreprise de Modes et Manières d’Aujourd’hui.” Wat het betekent, wordt niet duidelijk.  Een grap is het vermoedelijk niet. In Amsterdam trof ik ooit op het KNSM eiland een wachthokje met een slagboom en daarachter een fabrieksgebouwtje dat was omgedoopt tot “Fictief Depot voor Latex”. Alleen het woordje fictief moet daar een grap zijn geweest, want in het fabriekje werd weldegelijk Latex geproduceerd.

De hacienda-achtige brasserie Villa des Roses

Aan de overkant van de hefbrug ligt het kerkschip Sint Jozef (met vernieuwde keuken!). En een hacienda-achtige uitspanning (een soort Vlaamse hacienda voor de stiekeme genieter die niet herkend wil worden) die – dit zal de bezieler van dit blad beslist deugt doen – Villa des Roses is genoemd. Het gebouw ziet er nog net niet vervallen, maar wel verlaten uit. Dit in tegenstelling tot de wkade een stukje verderop, waar massa’s stadsvolk samendrommen om de nieuwste aanwinst van ’t Eilandje te bezoeken of van een afstandje te aanschouwen. De badboot. Een plat gevaarte met twee zwembaden, een cocktailbar, cafe, restaurant, en een overdekte peuterspeelzaal die spectaculair genoeg onder de waterspiegel is gelegen. Half Antwerpen lijkt uitgelopen om dit wonder van vernuft op deze bloedhete dag te komen aanschouwen. Jammer dat er niet net als in Berlijn, waar de badboot zelf haast een exacte kopie van is, tevens  een randgebied is gecreerd waar men in het zand kan luisteren naar concerten en kan kijken naar voorstellingen. Plek zat. Nu is de kade enkel parking, waarvoor  fiks betaald moet worden en waar stewards de nieuwsgierigen op norse wijze hun fuik binnenloodsen.

Badboot. Foto Walter Saenen

Iets voorbij het Houtdok, bevindt zich de Scaldis. Het archtypische hoekcafe aan de haven, dat net als ’t Licht der Dokken in de Amsterdamstraat de fakkel van het oude Eiland brandend houdt. Anno  1946 staat er trots boven de deur. Die voor mij helaas gesloten blijft, omdat Josse nog slechts op dinsdag, donderdag en vrijdag bier wenst te tappen. Voor de vooroorlogse prijs weliswaar, van dertig Belgische frank. Wie toch in pocherige euro’s wil betalen, telt 1,60 neer. Voor de ruiten hangen geborduurde haakkleedjes. Binnen ruikt het ongetwijfeld naar gebakken eieren met spek, verschaald bier, smeerolie en goedkoop reukwater.

Ik wandel weer gebied binnen dat een beetje wordt bewoond. De Cadixwijk. Een prettig en halfleeg allegaartje, tussen ring en haven. Drie keer per dag bieden de dokwerkers zich aan bij het kot aan het Kempisch Dok-Westkaai, in de hoop er een opdracht in de wacht te slepen. Ook dat is niet veranderd.  Het gigantische Douanegebouw met zijn vele vleugels en verdiepingen, heeft twee jaar geleden zijn deuren gesloten. Het staat nu leeg en dient te worden gesloopt. De douaniers zijn verhuisd naar het gebouw op de kop van Park Spoor Noord, tegenover de Londen Tower. Het douanegebouw is zo groot, dat het alleen al een hele onderneming is om er een rondje omheen te maken. Dat duurt bijna twintig minuten. Een fascinerende wandeling, die me soms het gevoel geeft dat ik door een  jungle loop.

Het douanegebouw verkeert in zo’n haveloze staat, dat het lijkt of het niet twee maar tien jaar geleden al zijn deuren sloot. De natuur profiteert en neemt revanche. Bomen en struiken overwoekeren de plantsoenen rondom het gebouw. Op sommige plekken is er sprake van een echte wildgroei die zelfs de stoep en het gebouw zelf overwoekeren. Takken groeien door kapotgesprongen ramen naar binnen. Het Douanegebouw dat in gele en blauwe pasteltinten moet zijn geverfd, lijkt op een gigantische pakboot die is vastgelopen op het droge. Op een houten bord bij het krakkemikkige hek aan de voormalige ingang, staat vermeld dat er vorig jaar een inspraak-avond is georganiseerd  voor omliggende bewoners. Een teken dat binnenkort alles hier toch echt anders zal zijn. Met of zonder toestemming van Jefke en Josien die hun laatste jaren doorbrengen in hun appartement naast de feestzaal Bas-Île. Waar een zorgwekkende hoop schroot middenin de Biergarten is gemikkerd. Ook een schutting kan de troep niet verhullen.

“Hier komt het wijkplein Cadix”, belooft een bord in de Napelsstraat. Verderop klinkt alweer het bedempt geroezemoes van de beau-monde, die er zijn cava drinkt op de terrasjes. Ik besluit nog een keer een rondje te maken om het desolate Douanegebouw heen. De kolos fascineert me. En ontroert me. Vele mensen vinden dit het lelijkste gebouw dat ze kennen. De douaniers zijn blij dat ze hier wegkonden. Het gebouw was versleten, en met al die oranje deurtjes en terrassen en vleugels uit de jaren zeventig, deed het ze denken aan een psychiatrische kliniek. Ik heb er natuurlijk nooit hoeven te werken, maar ik vind het in al zijn onbeholpenheid juist een fascinerend en prachtig monster. Ik word er zelfs opgewonden van. Ook al klinkt dat misschien wat pathetisch. Als ik eromheen wandel, voel ik allerlei associaties in me omhoog borrelen. Het gebouw trekt aan me. Is het omdat ik besef dat het er zeer binnenkort niet meer zal staan?

Wandelend rond het douanegebouw komt het verleden op allerlei zintuiglijke manieren tot leven. Ik kan het ruiken, ik kan het proeven, ik kan het voelen, ik kan het als het ware aanraken. Ik wandel niet langer om het verleden heen, ik wandel er doorheen. En het verleden door mij. Is dit de ervaring waar ik bij het begin van mijn tocht naar op zoek was? Nee. Het is een heel andere. Maar hij brengt me wel waar ik moet wezen.

Het quasi-modernistische gebouw was ooit geschilderd in aandoenlijk blauw en geel. Beide zijn  vervaagd maar nog goed zichtbaar. Het gebouw straalt in alles de sfeer uit van de jaren zestig en zeventig. Toen men nog in de toekomst geloofde, en douaniers nog niet achter computerschermen hun werk deden. Op de een of andere manier doet het gebouw me ook sterk denken aan voormalig Joegoslavie. De Federale Socialistische Republiek van Tito stond vol met dit soort modernistische gebouwen. Het land waarin ze gebouwd zijn, hebben de meeste van die bouwwerken waarschijnlijk overleefd.  Voor zover ze natuurlijk niet kapotgeschoten zijn tijdens de burgeroorlog. Joegoslavie is als land inmiddels definitief van de kaarten verdwenen. Enkel in ons geheugen bestaat het nog.  Net als ’t Eilandje dat ik destijds met Sanne heb leren kennen. Ook dat, zo realiseer ik me nu, bestaat enkel in mijn geheugen. Elders niet.

Serge R. van Duijnhoven

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s