Over het album BLOEDTEST van DDN (De Bezige Bij 2003)

BLOEDTEST

dichtbundel + CD

Serge van Duijnhoven - Bloedtest Toon volledige grootte
DICHTERS DANSEN NIET
Serge van Duijnhoven, Fred dB e.a.
Boek + CD “Kuesskrott!”

Dichtbundel + CD: met gedichten over begeerte, illusies, en de eeuwige zoektocht naar geborgenheid. Ontheemdheid, emigratie, liefde, vriendschap, voorspoed,  tegenslag en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie.Op de bijgesloten cd ‘Kueskrott!’ wisselen meeslepende muziek, sferische collages en klankexperimenten elkaar af, waarbij de stem van de dichter wordt begeleid door de accordeon, hoorn, doedelzak, cello, piano en contrabas van het gezelschap Dichters Dansen Niet – Fred de Backer, Gabriel Kousbroek, Bosz de Kler, Antonia Libert, Ali Haurand e.a. Ook Hugo Claus verleende aan dit album zijn medewerking en is op de cd te beluisteren met bewerkte stemfragmenten uit Het graf van Pernath.

Extra informatie

Prijs: € 19,50
ISBN:90-234-1081-5
Amsterdam 2003
lydia-lunch-poisonbloodtest

a1_poster_bloedtest_nl

.

PERSSTEMMEN:

‘Wie de vaak nogal bescheiden Nederlandse schrijvers van dit moment een beetje volgt, kan niet anders dan gelukkig zijn met iemand als Van Duijnhoven. Hij engageert zich met de wereld van jongeren van vandaag en hij durft tenminste te beweren dat er in zijn werk iets nieuws gebeurt. In dit boek met zijn cd (Küsskrott!!!) klinkt een zonder meer interessante, want naar serieuze poetische verwerking van het alleractueelste strevende, stem.’

–        Thomas Vaessens in Het Financieele Dagblad (HFD) en het Algemeen Dagblad (AD), 12 april 2003

‘Bevreemdend men indringend, dat is de term die ik voor deze dichtbundel zou willen gebruiken. Deze dichter heeft een talent waarmee hij de alledaagsheid van het hedendaagse leven timbre en passie kan geven. Het leven, de dood, de liefde… welke dichter heeft ze niet beschreven? Ook Serge van Duijnhoven doet dat maar wel op een manier waar je stil van wordt en elk gedicht enkele malen wil herlezen. Elk gedicht is een mooi verhaal dat de lezer telkens anders wil interpreteren. Deze bundel werd mij cadeau gedaan. Het is een prachtig geschenk want het betekent voor mij het begin van een zoektocht naar andere dichtbundels van hem.’

–     Andre Oyen in De Gelderlander

‘Het weerbarstige stemgeluid van Van Duijnhoven, die zich bij zijn performances bij voorkeur laat begeleiden door zijn gezelschap ‘Dichters dansen niet’, is onmiskenbaar een teken van vitaliteit. Dichten is stem geven aan het onzegbare, klank geven aan het onhoorbare, ritme geven aan het ondefinieerbare, maat geven aan het ondansbare. Meer en meer krijgt deze poëzie een soort profetisch, zelfs kosmisch-spiritueel karakter […]. In al zijn fragmentatie schrijft Van Duijnhoven een extraverte poëzie waarin onuitgesproken rebellie de middelpunt vliedende kracht is. Wie beweert dat deze poëzie een hype wil zijn of worden door er filmpjes bij te projecteren en er een techno beat bij te laten klinken, heeft het verkeerd voor. Deze gedichten gaan dieper. Er is sprake van een bindend organisch geheel. Het is geen cabaret van de te korte bocht,waarin zoveel performers blijven steken. Deze dichter is op zoek naar hedendaagse invullingen voor eeuwenoude rituelen. Deze poëzie is een ‘rite de passage’, een teder en wreed schouwtoneel, ‘theâtre de la cruauté’. Een loutering die ons niet echt reinigt, veeleer bezoedelt (wat ons dan weer aan Lucebert doet denken).’

–        Alain Delmotte in het tijdschrift Dighter

FractalsCannes.Arlette.van.Laar

 

Luister naar de titeltrack van de bijbehorende CD:

http://www.reverbnation.com/dichtersdansenniet/song/957347-kusskrottddn-2003

KUESSKROTT!!!

 

ALGEMEEN DAGBLAD

11/04/2003

Lokkende dichter

Serge van Duijnhoven is een dichter die een bijzonder breed en zelfs jong publiek naar de poezie kan lokken. Wat een intensiteit klinkt er op uit zijn nieuwe bundel Bloedtest! Van Duijnhoven (32) woont in Brussel: `(…) het ballingsoord/ waar ik mij thuisvoel als Hollandse barbaar/ tussen niet-bestaande Belgen’. In een nawoord zegt hij dat in deze poezie zoekt naar zijn identiteit, naar waar hij en anderen thuishoren: `wie vreemdeling is hier was elders kind aan huis’.
Hij draagt Bloedtest op aan de Weense dichter Christian Loidl die twee jaar geleden uit zijn raam viel. Hij dicht een ode aan de herontdekte dode Britse zanger Nick Drake, verplaatst zich in het hoofd van nazibeul Adolf Eichmann en bezingt vooral zijn vriendinnen, het leven en de liefde. Hij maakt leesbare gedichten, gebruikt soms mooie moeilijke woorden, maar steeds de taal van nu. Zijn poezie is soms net proza, dan weer is een gedicht ritmisch in steeds weer twee zinnen opgedeeld of leidt de herhaling van de woorden `ik wil’ tot
een duidelijke cadans.Bij Bloedtest zit een cd, waarop een aantal gedichten van Van Duijnhoven via het gezelschap Dichters dansen niet van geluid wordt voorzien. Fred de Backer, alias dj Fat, tekent voor de meeste composities. Zelfs Hugo Claus (74) doet mee.

Bloedtest – Serge van DuijnhovenBezige Bij, 104 blz., EUR19,50. Met cd Küsskrott!!! (Dichters dansen niet)

————————————————————————————–

beeld_bloedtest

De Groene Amsterdammer
22/04/2003

Serge van Duijnhoven, Bloedtest

Schepper, mag ik overvaren?

door Theodor Holman
Serge van Duijnhoven prikkelt in zijn nieuwe dichtbundel ‹Bloedtest› lezers en luisteraars. Een bijgevoegd essay dient als handleiding voor het werk. Theodor Holman neemt de vrijheid om zelf een sleutel te vinden, en met de gedichten te kleien. — door Theodor HolmanSommige acteurs zoeken in een toneelstuk een zin of een passage die als kapstok moet dienen om hun rol aan op te hangen. Door die zin of passage valt voor hen alles in elkaar. Pas dan weten ze hoe ze de rol moeten acteren. Ik ken twee acteurs die Richard III hebben gespeeld. De één liet zich leiden door «a horse, a horse, my kingdom for a horse» (uiteindelijk totale destructie, wanhoop), terwijl de ander de zin «zelden een vrouw zo makkelijk het hof gemaakt» had opgepikt («pure slechtheid, hij verneukt alles uiteindelijk»).

Het gevoel dat ik iets dergelijks moest vinden in de vele verzen in Serge van Duijnhovens nieuwste dichtbundel Bloedtest — een regel, een gedicht dat als sleutel zou kunnen dienen voor zijn werk — ontstond doordat Van Duijnhoven het de lezer niet gemakkelijk maakt. Niet dat hij ondoorzichtig is, of een taalgebruik heeft dat onverklaarbaar of onbegrijpelijk is. Integendeel. Hij maakt het je moeilijk doordat hij je een bepaalde richting probeert in te duwen. Bloedtest — je gaat lezen, je interpreteert, je probeert iets te formuleren, tot je aan het eind van de bundel komt. En dan lees je bijna als slot van het boek: Da capo (al fine), een essay waarin de dichter zijn eigen titel verklaart: «De titel van deze bundel is een metafoor voor de pogingen die we ondernemen om eigen of andermans identiteit vast te stellen, herkomst te traceren of lot te bepalen dan wel in de greep te krijgen.» Alles wat de dichter vervolgens schrijft is een verklaring van zijn poëtica.

Je durft er bijna geen andere mening op na te houden. Als je denkt dat je met de bundel klaar bent, volgt er nog een bijgevoegde cd die een niet te verwaarlozen onderdeel van het geheel is. Je krijgt dan een postmoderne klankvoorstelling voorgeschoteld, met verschillende citaten. Je kunt er Hugo Claus zelfs eventjes op horen. Dat klankgedicht begint met het begin van het lied: Schipper, mag ik overvaren. De «ja of nee» zijn weggefaded.Waar wil je me heen hebben, Serge, denk je. En wat wil je? En hoe wil je dat? Ik word gedwongen ergens naar te zoeken, om mijn eigen vrijheid te behouden, want Serge kan nog zoveel over bloed en bloedtesten zeggen — ik wil zelf met zijn gedichten kleien.
Uitgevers — die bang zijn dat de recensenten het belangrijkste wellicht ontgaat — doen daarom tegenwoordig bij de dichtbundel een soort brief over de bundel. De Bezige Bij schreef: «Bloedtest (…) met gedichten over begeerte, illusies, en de eeuwige zoektocht naar geborgenheid. Ontheemdheid, emigratie, de rusteloze zoektocht naar geborgenheid, en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie.» Geborgenheid in twee regels twee keer genoemd. Pff… Overrompelend is de bundel zeker, maar dat komt hoofdzakelijk door de hoeveelheid… En de kwaliteit? Die wil ik graag ook bepalen, maar dan heb ik wel eerst een sleutel nodig om het doosje te openen om te zien wat er in zit. «Schipper, mag ik overvaren…» Ik maak het lied even af. «Ja of nee? Moet ik dan een cent betalen, ja of nee? Ja… Hoe?» Wat komt er na dat hoe… daar gaat het om.

De zoektocht naar die sleutel is een deel van het genot van het lezen van Van Duijnhoven. Hij gebruikt vaak halve citaten, die de lezer zelf moet afmaken, zodat het beeld, letterlijk zonder woorden, naresoneert. Niet alleen dat «Schipper, mag ik overvaren…» maar ook bijvoorbeeld: «each man kills… het oude lied» of: «het is de toon die de muziek/ sneert zij» of: «ik zie ik zie wat zij niet/ en wat ik zie is nimmer wat zij is». Soms is het bewust woordspelerig. Ik geef weer wat voorbeelden: «we spelen luister en vink», «geen speld valt daar nog tussen». Clichés als: «lik op stuk», «wat schoon is verloedert/ wat rein is bederft», en: «En dan vallen de schellen/ van het zelf…» naast ijzersterke beelden als: «Klokken in ons: beidt u tijd», of: «wanneer wordt er binnen in jou een slagboom opgehaald?/ daalt er een valbrug neer op de rand van de andere kade?» En soms ook al deze zaken in een paar regels, zoals in het gedicht keervers: «en als het schip dan zinkt/ zeg je, omdat het is geënterd/ laat het dan met mannen// en met muizen, laat het dan/ en ook met ons in godsnaam/ naar de kelder gaan// ‹jij hebt je best gedaan,›/ zeg je, ‹voor alles wat/ mislukt is›.»Maar waar is die ene regel die in het sleutelgat past, dat gedicht dat alles verklaart: van opbouw, tot Bezige Bij-folder, tot cd?

Die opbouw bestaat eigenlijk uit vijf delen. Vier delen poëzie met als titels: «Bloedtest», «vingerafdrukken der natuur», «nergens welkom, overal thuis» en «een man die alleen ik gekend heb…» en dan het laatste deel, de verantwoording van de schrijver en zijn Da capo (al fine), alsof zijn bundel een muziekstuk is dat nog een keer gelezen moet worden alvorens de lezing kan worden gestopt.
Maar waar gaat het over, behalve over die dingen die de uitgever en de dichter zelf naar voren schuiven als trotse ouders hun kinderen?
Op pagina 42, bij de tweede lezing, vind ik het gedicht waar het, volgens mij, om draait. Het is het gedicht vingerafdrukken der natuur. Het gaat als volgt:

voor een moordenaar is ieder lijk visitekaart
zoals ook onze lichamen de kaartjes zijn
van een schepper die ons één voor één
op tafel legtals bij een spel patience
hij wint alleen maar
van zichzelf en meent dat dit
genoeg bewijs moet zijngeen twijfel speelt hem parten
geen schaamte en geen spijt
dat er door hem zoveel
verloren is gegaan. Hij weet: (…)als hij opnieuw de stapel schudt
is alles weer van voor af aan.

Een knap, vol, mooi gedicht, waarin alles op zo’n manier gerangschikt is dat ik Van Duijnhovens poëzie de bloedtest kan afnemen.
Laten we het vers eens onder de loep leggen. Veertien regels, vier, vier, vier, twee — net als een sonnet van Shakespeare. Dit oogt als een vrij vers. Geen opzichtig rijm, wel veel taal- en woordspel. Visitekaart-kaartjes; patience-stapel. De drie puntjes tussen haakjes «(…)» — kan zowel «niets» betekenen als «hier is iets weggelaten». We kijken nog scherper: «lijk—lichamen», het verschil van dood en leven. En dan gaan we naar de inhoud. Onze schepper speelt met ons patience en wint alleen maar van zichzelf. Hij heeft dus geen geweten. En steeds speelt hij weer met ons patience… Anders gezegd: steeds is alles weer hetzelfde, en we voelen geen schuld of schaamte. Die «schepper» kan zowel God zijn, als wij, de mens. Met geduld maken we ons eigen spel, waarbij we denken dat we winnen als we verliezen… Misschien zit er meer in, maar meer zie ik niet onder mijn loep dan die hopeloze strijd, van dood, leven, winnen en verlies — een proces dat eindigt als het weer begint, en begint als het eindigt. Da capo (al fine). En kijk, dan valt opeens alles in elkaar.

«Bloedtest».

Een test of er wel leven is, of dat leven goed is, of besmet. Of er dood is. Als er leven is, is dat leven dan waardevol? Of wordt er een vreemd spel mee gespeeld? De eerste regels in deze bundel worden ineens minder clichématig en taalspelerig, maar krijgen een glans: «Ik leef alleen voor de zon/ en we zijn elkaars schaduw.» En die eerste regels blijken — eveneens ineens — in harmonie met de laatste regels: «(fall out)/ (exit).»
De holle woorden van de uitgever krijgen vorm: «Ontheemdheid, emigratie, de rusteloze zoektocht naar geborgenheid, en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie.»
Ontheemdheid (lijk, lichaam), emigratie (schepper, mens), rusteloze zoektocht (patience), geborgenheid (winnen van zichzelf), de dood (verloren). Dat ene gedicht maakt alles duidelijk. Eindelijk kunnen we zelf kleien met Van Duijnhovens poëzie. «had god een keuze/ bij de schepping/ of deed hij slechts alsof// zoals wij die altijd/ bluffen altijd leren/ door de leugens, (…)» Of het gedicht Berend Bot (meteen hoor je het liedje) met de regels: «begraven is verdrinken/ aan land/ cremeren is verzengen/ in lucht», en dat eindigt met: «uitvaren is de tocht maken van Berend Bot/ de zeeman die bodem zocht/ en ongezien in wat hij vond/ verdronk.»

Wéér dat patience spelen en alleen winnen van jezelf, wat misschien verlies is en steeds weer opnieuw de kaarten schudden. Schipper, mag ik overvaren… Steeds weer een test. Een bloedtest. Wie en wat ben je eigenlijk? Ben je gezond of ben je ziek? Wat is het verschil? «Each man kills…» We lezen de bundel nog eens als een cd die op repeat staat. Eerst weer de voorkant bekijken: het begin van een mens, zonder ogen, zonder neus, zonder mond, maar wel met een oor, gek genoeg. Dan alle gedichten nog eens snel.

Menno Wigman noemt, achter op de bundel, Van Duijnhoven «misschien wel de enige ware dubbelganger van deze tijd». Dubbelganger van deze tijd… Nee, dat klopt niet bij deze bundel. Hij stelt zich meer op als de dokter van deze samenleving. De patiënt kan hem niet zo veel schelen, hij wil weten wat er met hem is. Kom, we nemen een bloedtest af. Zo lees ik ook het moeizame essay aan het eind — dat wat mij betreft weggelaten had mogen worden — dat handelt over bloed. Het is de dokter die protserig zijn diploma in zijn spreekkamer heeft hangen, terwijl ik hem liever wil beoordelen op zijn anamnese.

Van Duijnhoven wil meer met zijn poëzie. Er spreekt een merkwaardig soort angst uit deze bundel. Angst niet begrepen te worden, omdat hij zelf de resultaten van zijn test niet goed kan interpreteren. Daarom dat essay, daarom die cd er ook nog bij geplakt.
Is het zo? Ja! Schipper mag ik overvaren? Ja of nee? Moet ik dan een cent betalen? Ja of nee?

Berend Botje Van Duijnhoven ging uit varen. Wat deed Berend Botje ook weer? Hij ging uit varen met zijn scheepje naar Zuid-Laren. Hij ging niet links, hij ging niet rechts, hij ging naar Amerika. De emigrant. Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, waar is Berend Botje gebleven? Dood waarschijnlijk. «(fall out)/ (exit.)» Om vervolgens, nadat het kaartenhuis is ingestort, weer het pak kaarten te schudden. Da capo (al fine).
Het is poëzie die misschien niet je hart raakt — dat wil Serge van Duijnhoven ook niet. Hij wil je bloedvaten pakken. Hij wil in je bloed gaan zitten.

Serge van Duijnhoven, Bloedtest Uitg. De Bezige Bij, 104 blz., € 19,50

© Theodor Holman / De Groene Amsterdammer, 30 april 2003

Bloedtest.kalm

Financieel Dagblad & Algemeen Dagblad

Poëzie buiten het boekje

over Bloedtest van Serge van Duijnhoven

door Thomas Vaessens

verbaasd door het verkleinwoord
(‘denk je wel aan ’t condoompje?’)
bekeek ik haar, mlle. mosquito
een muggenbeet op haar vanille vel
voor ik me met haar overgaf
aan de wisselingen van gedaante
de zinderingen van gemoed
de sidderingen van het bloed

‘in het praktisch liefdeslab’ (fragment)

Serge van Duijnhoven behoort tot een soort schrijvers waarvan er niet overdreven veel zijn in Nederland. Uit alles wat hij doet en maakt,  blijkt zijn grote verlangen als geëngageerd schrijver met de neus op de ontwikkelingen van vandaag te zitten. Dit verlangen uit zich zowel in de inhoud als in de vorm. Inhoudelijk past de term ‘geëngageerd’ op zijn schrijverschap. In 1999 verscheen zijn verzameling reportages Balkan. Wij noemen het rozen. Van Duijnhoven schreef niet alleen over het door oorlog geteisterde ‘duistere hart van Europa’, hij was er ook: als journalist voor verschillende media zocht hij de Bosnikrs, Kroaten, Albanezen en Macedonikrs ook daadwerkelijk op.Bij de verslaglegging van zijn betrokkenheid bij de actualiteit laat Van Duijnhoven zich aan de traditionele vormbeperkingen van de literatuur weinig gelegen liggen. Als multimediaal kunstenaar probeert hij de grenzen tussen genres en stijlen te laten vervagen. Zo is hij een actief pleitbezorger voor de podiumpoezie. Wie dacht dat er niets nieuws gebeurt in de poezie, kreeg een paar jaar geleden van hem te horen dat hij stekeblind was of de verkeerde kant uit keek: ‘Het nieuwe duikt niet op waar je het bekende ziet’, schreef hij. ‘Het rukt op van andere, onverwachte kanten. Voor nieuwe geluiden kun je de boeken beter terzijde leggen en de stad ingaan.’
Dat Van Duijnhoven hier in het vuur van de strijd tegen het poetisch conservatisme natuurlijk enigszins overdrijft, wordt nog maar weer eens duidelijk in zijn nieuwe bundel, die onlangs verscheen: Bloedtest. Hoezeer de poezie tegenwoordig ook buiten het boekje is gegaan, Bloedtest is toch weer een bundeltje gedrukt papier met keurig op elke bladzijde een nieuw gedicht.

Toch is het vooral de bijgeleverde cd die de aandacht trekt. Zestien gedichten, waarvan de meeste ook in de bundel staan, worden door de dichter voorgedragen. Componist Fred de Backer maakte er muziek bij.Van Duijnhoven experimenteerde eerder met voordracht-op-muziek (hij maakte, samen met verschillende anderen, de cd’s Eindhalte Fantoomstad en Orbiit in Orbit), maar de bij Bloedtest horende cd Küsskrott!!! is zonder meer de beste tot nu toe. Het is een overtuigende afrekening met het schaamteloze amateurisme dat de performances van dichters vaak aankleeft (niets zo gjnant als die dichter die op de Nacht van de Pokzie opeens meent te moeten gaan rappen). Van Duijnhoven swingt echt, hij doet niet alleen alsof. En de musici die hem begeleiden weten wat het is om een nummer in elkaar te zetten. Hier zijn vakmensen aan het werk, die de cd niet als grappig extraatje bij de bundel zien, maar als voldragen product. De nummers zijn opgenomen, gemixt en gemasterd in een professionele omgeving, ook in dat opzicht zijn geen concessies gedaan. Als je de gebaande paden van de poezie verlaten wil, zo moet Van Duijnhoven gedacht hebben, dan moet je het ook goed doen.

Een voor de hand liggende vraag is natuurlijk of de poezie die op de cd zo overtuigend tot leven wordt gebracht, het op papier ook uithoudt. Ik heb nogal met deze vraag geworsteld, omdat ik in eerste instantie geneigd ben er een kritisch antwoord op te geven. Nee, op papier overtuigt Van Duijnhoven minder dan op de cd. In de eerste plaats lijden veel van zijn gedichten aan de kwaal dat ze iets beweren willen. Dat het deze gekngageerde dichter ernst is, dat zagen we al, maar ernst hoeft natuurlijk niet altijd in geredeneer en gefilosofeer te verzanden. In pokzie zijn zulke zaken zelfs meestal dodelijk. Quasi-wijsgerige regels als ‘alleen door anderen krijgen we / idee van ons karakter’ of ‘weemoed is het braakland / tussen leedvermaak en zelfverwijt’ wekken de indruk dat zelfs deze eenentwintigste-eeuwse dichter de hoogromantische verleiding niet heeft kunnen weerstaan pokzie als een hogere vorm van Waarheid te zien.Het ziet er op papier allemaal opeens een stuk minder nieuw uit dan je zou verwachten op basis van de met zoveel elan gebrachte vernieuwingsretoriek van deze dichter. Traditionele beelden worden zeker niet geschuwd, zoals in het gedicht dat hierbij is afgedrukt – de liefdesdaad voorgesteld als zinderende, sidderende gedaanteverwisseling: het is niet de meest oorspronkelijke beeldspraak .Maar tegelijkertijd heb ik het gevoel dat het te gemakkelijk is in Bloedtest de dingen aan te wijzen die in het licht van de literaire traditie misschien minder nieuw zijn dan de hippe presence van deze dubbele uitgave ons wil doen geloven. Natuurlijk vindt ook deze dichter in sommige opzichten het wiel weer opnieuw uit. Toch is de overheersende indruk die zijn nieuwe werk maakt een andere. Wie de vaak nogal bescheiden Nederlandse schrijvers van dit moment een beetje volgt, kan niet anders dan gelukkig zijn met iemand als Van Duijnhoven. Hij engageert zich met de wereld van jongeren van vandaag en hij durft tenminste te beweren dat er in zijn werk iets nieuws gebeurt. Misschien niet in Bloedtest, maar dan toch in Küsskrott!!! klinkt een zonder meer interessante, want naar serieuze poetische verwerking van het alleractueelste strevende, stem. Een klein beetje onbeholpenheid en doorgedreven bombast op papier vergeef je zo’n prettig ambitieuze dichter met het grootste plezier.

Bloedtest – boek met cd (Küsskrott!!!) Serge van Duijnhoven, Bezige Bij, euro 17,50

Copyright (c) 2003 Het Financieel Dagblad.Auteur(s): Thomas Vaessens,  Artikelvolgorde: 90,  Paginanummer: 24,  Paginanaam: Boeken Uitgave: Het Financieele Dagblad(HFD) Descriptoren: literatuur(015),  Trefwoorden: boekbespreking, Recensie Publicatiedatum recensie: 12/4/2003

Bloedtest.impression


Alain Delmotte, in het tijdschrift Dighter voorjaar 2004:

BIJ ‘BLOEDTEST’ VAN SERGE VAN DUIJNHOVEN

Serge van Duijnhoven is geboren in Oss (Noord Brabant, Nederland) in 1970. Hij vloog vrij vroeg het huis uit richting Verenigde Staten waar
hij psychologie en dergelijke dingen studeerde. Maar zijn wegen brachten hem ook elders. Ondermeer in Bosnië. Een ervaring die hem
wellicht tekende, want in zijn gedichten refereert hij er vaak naar.

Hij debuteerde in 1988 maar de doorbraak kwam er halfweg de jaren negentig met de house-roman ‘Dichters dansen niet’ (wat meteen de naam werd van een collectief, bestaande uit enkele muzikanten, een kineast en Van Duijnhoven zelf) en de dichtbundel ‘Copycat’. Zijn recentste
werk bundelde hij in ‘Bloedtest’ en was ongetwijfeld een van de meest opvallende poëziepublicaties van het voorbije jaar (2003).

Van Duijnhoven oogt bijzonder mediatiek. Fotootjes doen ons een trendy boy vermoeden. Hij profileert zichzelf een beetje als een ongeschoren
‘schelm’, een sexy ‘enfant terrible’, een potentiële ‘poète maudit’. Op het eerste zicht zou je denken: ‘héla dat wordt gewoon maar een
ééndagsvlieg.’ Je haalt je schouders wat op bij het ‘fenomeen’ – je voelt je er te oud voor. Maar als je aandachtiger, zonder vooroordelen
en ‘forever young’, de bundel leest en ‘beluistert’ (er hoort een muziek-cd bij), ga je anders denken. Inderdaad: als Van Duijnhoven zich
laat voordoen als ‘een nieuwe Rimbaud’ dan is dat een reklametruukje en zegt in wezen niets over de ware motieven van Van Duijnhovens werk. Om Rimbaud te zijn, of liever, om een icoon als Rimbaud te zijn (tenslotte wie heeft ten gronde de dichter van ‘Une saison en enfer’ en
‘Illuminations’ gelezen en begrepen) is deze jongeman eigenlijk al te oud. Hoe het ook zij: dat mediatieke moet je er echt bijnemen en er als
lezer het jouwe over denken.

Strikt genomen is Van Duijnhoven in de kern een zwarte romanticus. Hij schrijft eeuwenoude poëzie. (En dit is geen verwijt maar een vaststelling). Alleen doet hij dat in een hedendaagse vorm (of vermomming) en met hedendaagse middelen. (In de spektakel- en entertainmentsfeer. Wint hij daar lezers mee?).Van Duijnhoven hoereert een heel klein beetje; zoals alle dichters, zoals alle poëzielezers dwepen met het woord. Hij houdt zich namelijkbezig met één van de oudste beroepen in – of is het ‘van’ – de wereld:spreken, zingen, verzinnen. Woorden vinden, absolute metaforen zoekenbezwerende formules voor het ongemak van het bestaan die hardopmoeten worden uitgesproken. Waar ligt de grens tussen spreken en zingen,bezingen en betoveren, bezeren en bezweren? Er kan veel verstilling stekenin een schreeuw. Er kan veel ‘monddood’ blijven steken in het spreken. Hij portretteert de dichter als een ontheemde, als een banneling, als een ‘vervreemdeling’, een enkeling zonder papieren – maar wel met een ongepubliceerde, onpubliceerbare dichtbundel op zak, en op zwaai in het ‘Waste land’ van een sophisticated high-postmodernistische wereld.

We zijn met z’n allen lotgenoten van die einzelganger… ‘on est tous des etrangers’zo luidt de cruciale regel in het gedicht ‘Met behoud van huis’. Ja, in de bundel ‘Bloedtest’ staan gedichten vol existentiële nausea, paronoia en moira.  In deze bundel wordt een wereld geanalyseerd die
letterlijk en figuurlijk uit de bol gaat en op springen staat. Gedichtengeschreven met de dreun van de zwartgalligheid: een harde bas, een scheur in de bast. Maar onderhuids en echt onderhuids hoor je iemand snakken naar warmte, tederheid, lieve woordjes, momenten van geluk, zaligheid, paradisium. Een broze jongen, Van Duijnhoven-tje.Echt het soort poëzie dat thuishoort in een eeuw waar vliegtuigen doorheen gigantische torens razen, live op televisie: je moet het zien, je moet het horen, je moet het je laten durven zeggen. Een wereld die dus wel wat verschilt met die van nog niet zo lang geleden. Formeel gesproken, welteverstaan, in de schijn. Inhoudelijk leven we nog volop in de negentiende eeuw. We leven in een tijdperk dat dialectiek links laat liggen. Een wereld met steeds minder verschillen. Een wereld die in potentie geen verschillen meer duldt (waar zal dat eindigen, waar gaan we naartoe, moedertje?). Misschien wordt dit het wel: een wereld
zonder verschil, zonder gezicht, zonder stem, globaal op maat gesneden van de onverbiddelijke wetten van vraag en aanbod. Als een leuk
perspectief ervaar ik dit niet (het is maar mijn bescheiden mening).

Tot nader order lijkt me dit wel de zin van poëzie te zijn vandaag: een gevecht om het verschil. Een dichter droomt taal. Een dichter droomt
een bijzondere taal. Linguïstische idiosyncrasie.‘Een taal zonder grammatica’  roept Van  Duijnhoven uit. Een taal die louter expressief
zou zijn, meerduidig gelaagd, lichamelijk en cerebraal, objectief en subjectief, materieel en sentimenteel. Welke middelen hij hiervoor
gebruikt doet er eigenlijk weinig toe. Elburg: ‘Er moet niets in de poëzie. Je moet je wel steeds afvragen of de poëzie iets wil.’ Oraliteit?Varieteit? Intensiteit? Het weerbarstige stemgeluid van Van Duijnhoven, die zich bij zijn performances – net als bij deze uitgave via een cd (‘Kueskrott!’) –bij voorkeur laat begeleiden door zijn gezelschap ‘Dichters dansen niet’, is onmiskenbaar een teken van vitaliteit. Dichten is stem gevenaan het onzegbare, klank geven aan het onhoorbare, ritme gevenaan het ondefinieerbare, maat geven aan het ondansbare.Meer en meer krijgt deze poëzie een soort profetisch, zelfs kosmisch-spiritueel karakter (vandaar het o.m. het orale, het quasi sakrale – zij het dat dit aspect in zijn vorige bundel ‘Obiit in orbit’ sterker tot uiting kwam). Hier is een ‘poetas vates’ aan het woord. In het Da capo bij zijn bundel schrijft hij het zo: ‘Wij dienen ons in alle ernst, in alle gedrevenheid, zo radicaal mogelijk te onttrekken aan het ‘klassieke’ aardse leven. Dan, en alleen dan kunnen we beginnen… (blz 99)’. Het brengt hem in de omgeving van beat-dichters zoals Allen Ginsberg, die hij in een vorige bundel expliciet citeerde.In al zijn fragmentatie schrijft Van Duijnhoven een extraverte poëzie waarin onuitgesproken rebellie de middelpunt vliedende kracht is. Wie beweert dat deze poëzie een hype wil zijn of worden door er filmpjes bij te projecteren en er een techno beat bij te laten klinken, heeft het verkeerd voor. Deze gedichten gaan dieper. Er is sprake van een bindend organisch geheel. Het is geen cabaret van de te korte bocht,waarin zoveel performers blijven steken. Deze dichter is op zoek naar hedendaagse invullingen voor eeuwenoude rituelen. Deze poëzie is een ‘rite de passage’, een teder en wreed schouwtoneel, ‘theâtre de la cruauté’. Een loutering die ons niet echt reinigt, veeleer bezoedelt (wat ons dan weeraan Lucebert doet denken). Een neurotische dans om zelfbehoud. Dichters dansen niet? Charels Olson wist beter: ‘Poetry is dancing sitting down’.

a1_poster_bloedtest_nl

Bloedtest.heliotroop
Mike van Gaasbeek in gesprek met

Serge van Duijnhoven

n.a.v. het verschijnen van BLOEDTEST

KRAKATAU

tijdschrift voor breedspraak

nr.22 – sept./okt. 2003

Serge van Duijnhoven (1970) debuteerde in 1993 met de bundel ‘Paleis van de Slaap’. In de jaren daarna verschenen van zijn hand de dichtbundels ‘Copycat’ (1996), ‘Obiit in Orbit’ (1998), de verhalenbundel ‘De overkant en het geluk’ (1997) en {Balkan}Wij noemen het rozen (1999) over zijn ervaringen in het door oorlog geteisterde voormalige Joegoslavië. Tussen 1993 en 2000 was Van Duijnhoven één van de drijvende krachten achter het illustere blad MillenniuM. Zopas verscheen zijn nieuwe bundel met CD getiteld Bloedtest.

Zaterdag 21 juni 2003, 15:30 uur op het terras van Brasserie Verschueren in de Brusselse wijk Sint Gillis. Zeven uur daarvoor zat ik nog met een opplaksnor in een tietenbar in het Scheepmakerskwartier. Mon Chéri, ofzo. Omdat zijn Balkanese furie de nacht in wilde halen hebben we de buitenlucht opgezocht. Een Braziliaanse drumband met lillende billen fêteert de stralende zon. Samba op de kasseien overstemt het gesprek en vult de recorder. Op naar rustiger oorden, als de Brusselse binnenstad die al kent.Even later aan de ouzo van Restaurant Kriti op het Bethlehemplein, Klein Midden Oosten in de volksmond. Ondanks de schaduw schermt zijn zonnebril de blik af. Dat blijft zo, gedurende het hele interview; een spel van distantie en toenadering. Maar is het achterste van de tong wel zo mooi en veelzeggend als het puntje? Zeker als het puntje vlijmscherp is.

Verwatering voorkomen

Scherp is Van Duijnhovens tong zeker. En ook zijn pen is dat, getuige de schotschriften in landelijke dagbladen en tijdschriften, waarmee hij de ivoren toren waarin de kleine elitaire poëziekliek zich het vorige decennium ophield wilde laten schudden. Het pleidooi voor de omarming van de rap en de nieuwe generatie podiumdichters plaatste Van Duijnhoven in het centrum van de kritiek: “Guus Middag heeft destijds in het NRC als een giftige spin gereageerd op het essay dat Olaf Zwetsloot en ik in de Groene Amsterdammer hadden geschreven in zesennegentig. Er moest volgens ons meer ruimte komen voor jonge dichters en voor jong geluid. In zijn stuk poneerde Middag: Van Duijnhoven en de rappers mogen dan wel beweren dat het huis van de poëzie vele kamers kent, maar poëzie en muziek, beste lezers, moeten toch vooral van elkaar gescheiden te blijven om verwatering te voorkomen.Ik ben zelf met de poëzie in aanraking gekomen via de grote Franstalige zangers Leo Ferré, Brassens, Brel. Vooral Ferré heeft mij op het spoor gebracht toen ik een jaar of 16 was. Mijn leraar Geschiedenis nam een keer een platenspeler mee, zo’n ouwe waarop hij een plaat draaide om de sfeer van de jaren zestig een beetje te laten proeven. Ferré zong daarop onder andere ‘Ni dieu, ni maître’, een soort ‘anthem’ van het anarchisme zou je kunnen zeggen. En ook een nummer met tekst van Rimbaud: La chanson de la plus haute tour. Daar werd ik zo door gegrepen dat ik naar de boekhandel ben gerend om werken van Rimbaud op de kop te tikken. Toen gebeurde er iets wat mensen in België heel vaak hebben met Paul van Ostaijen(?). Dat de horizon van wat mogelijk is op taalgebied, op syntactisch gebied plotseling een heel stuk verderop geschopt wordt.De muziek heeft me op weg geholpen om Rimbaud te lezen. De drempel van de muziek is lager dan die van de poëzie, maar de muziek is voor mij ook een vanzelfsprekende manier om de poëzie over te dragen, een natuurlijk vehikel. Ik zie het helmaal niet als twee dingen die absoluut gescheiden moeten blijven om verwatering te voorkomen. Ik zie het als perfect mogelijk om het ene in dienst te laten staan van het andere en andersom.”Het huis van de poëzie met in sommige kamers een muzikaal tapijtje. Waarom niet? De laatste bundels van Van Duijnhoven worden vergezeld door de zilveren schijf met daarop een soms naar botergeilheid neigende dichter die zich croonend een weg baant door soundscapes. En achter op het podium tijdens optredens van de formatie Dichters Dansen Niet hangt ook nog een visueel behangetje. Zorgt dat niet voor wat teveel afleiding waardoor het bezoek niet verder dan de hal komt?“Dat gevaar is er. Maar tegenwoordig werken we vaak heel ingetogen en zetten we soms de beelden stop om iets gedecideerder en berekender te spelen, zodat je elkaar gaat versterken en het ene niet laat verzwelgen door het andere. Daar zijn we gaandeweg achtergekomen. We komen tegenwoordig enkele malen per jaar samen met een theaterregisseur die oog heeft voor wat wel en niet werkt, wat elkaar bijt en waarin we nog tekort schieten. Het is ook een lang traject. Daarom zet ik altijd vraagtekens bij de gemakzucht waarmee veel dichters af en toe een gelegenheidsprojectje doen met muzikanten, zoals bijvoorbeeld een Remco Campert die een keertje met een jazzmuzikant aan de slag gaat. Dat is allemaal wel heel erg gemeend en het komt uit een goed hart, maar daar kan volgens mij nooit iets beklijvends uit voort komen. Als je hiermee echt tot op de bodem, tot op het bot wil gaan, dan heb je het over een levensproject. De Cd van Bloedtest is weer een stap verder op weg en nog lang geen eindstation. Ik weet welke richting ik opga maar niet waar ik uitkom. Dat is namelijk een proces van trial and error, van zweten, van weggooien en van proberen, maar je moet wel weten waar je heen wilt gaan.”

Milder?

Een toeterende stoet Marokkaanse bruiloftsgasten onderbreekt het betoog dat als een slang uit zijn mond krult. De slang sist als de kritiek op zijn bundel Bloedtest ter sprake komt: “Pfeiffer’s exercitie om in het NRC Handelsblad te recenseren is een grote wraakoefening op al zijn concurrenten met als enige doel zichzelf een veer in de reet te steken. De man verdient het om eens een keertje tegen de vlakte geslagen te worden.” Na enkele seconden klinkt vergoelijkend “In overdrachtelijke zin dan”. Maar over het literaire klimaat in den lande is hij milder. “Er is heel veel veranderd in de Nederlandse literaire wereld, en ten goede. In die zin dat er meer mogelijk is en aandacht is voor jonge dichters en nieuwe vormen, zowel vanuit organisaties als vanuit festivals zoals bijv. Poetry International dat een slamfestival heeft tegenwoordig. Een aantal jaren geleden was dat helemaal nog niet zo. Ik moet niet de hele tijd een soort van ijsbreker proberen te zijn van een ‘mere à glace’ die niet meer bestaat.”Is de ivoren toren beklommen en heeft monsieur Van Duijnhoven goed zittend pluche tussen de coryfeeën verkozen boven de barricaden? Of heeft de tijd met haar zalvende werking ook vat gekregen op het karakter van de dichtende polemist? Allebei wel en allebei niet. De tijd tempert, maar een rat verliest zijn staart niet snel. Een tweeslachtig antwoord: “Ik aarzel een beetje om daar zo hard mee van stapel te lopen, maar wat mij tegenwoordig vooral irriteert is de poëziewereld zelf, die weinig peper in de reet lijkt te hebben. Het is een beetje gezapig. En dan kun je wel heel hard gaan roepen, maar daar bereik je verder weinig mee want het moet toch uit die mensen zelf komen. Het zou heel goed zijn als de dichters hun opvattingen over de poëzie wat Olympischer zouden opvatten. Als dichters wat hoger van de toren zouden blazen. Het is toch allemaal een beetje aan de bescheiden kant. Misschien heeft ‘de Vaderlandse poëet’ nu eenmaal vaak het karakter van de een beetje gekke huisman/vrouw. Daarom aarzel ik ook om het zo polemisch te stellen. Je kunt het namelijk niet iemand kwalijk nemen dat hij of zij zo is. En de beste kritiek is om het zelf beter te doen. Dat is maar de manier die ik nu prefereer en dat is ook de reden waarom ik hardnekkig weiger om poëziekritieken te schrijven. Moet ik anderen gaan beoordelen om te laten zien hoe goed ikzelf ben of bundels uitbrengen op de manier waarop ik vind dat het goed is. Bovendien is diversiteit in de kunsten een groot goed en dat moet je respecteren. Dat respect wens ik ook van anderen voor mijn poëzie. Aan mijn heetgebakerdheid is weinig veranderd, maar ik vraag me tegenwoordig wel af wat je ermee opschiet als je mensen gaat schofferen vanwege het feit dat zij wat burgerlijker zijn, wat huiselijker zijn, wat wereldvreemder zijn, wat mussenachtig zijn, wat grijzer zijn? Toch blijf ik ervoor pleiten dat de poëziewereld wat minder bescheten wordt. ‘Spooksprekers aan het woord. Gooi open die poort,’ zeiden we op Eindhalte Fantoomstad. Zo van ‘Laat eens een keertje wat frisse lucht binnen.’ Dat kan toch helemaal geen kwaad.”

Poststructuralistische azijnzeiker

Heeft het zin om de mus zout op de staart te leggen of moet – desnoods geforceerd – de cloaca ingepeperd worden? Daar hangt het een beetje om. En blijft het hangen. Misschien komt de dubbelheid ook voort uit de weerzin tegen de constante kritieken op zijn eigen werk en op de door hem voorgestane ‘emancipatie van de podiumdichters’. Wie het strijdtoneel van de openbare opinie betreedt moet immers incasseren. Onlangs nog hekelde publicist Jos Joosten in zijn boek ‘Onttachtiging’ met essays over eigentijdse poëzie en poëziekritiek die Van Duijnhoven met zijn vernieuwingsbeweging. Zo vernieuwend als men pretendeerde was die poëzie volgens Joosten helemaal niet. Op een of andere manier lijkt Van Duijnhoven opgelucht dat het onderwerp ter tafel komt. “Die kritiek heeft meer te maken met het billenknijperige karakter van Jos Joosten. Kijk, Jos Joosten is een soort van griezeldominee die iedereen die plezier beleeft aan poëzie bij voorbaat verdacht vindt omdat hij dat niet intellectueel genoeg vindt. Als je de schoolmeester Jos Joosten zou volgen moet je je al schuldig voelen als je van Annie MG Schmidt geniet. Dat is toch erg. Juist die mensen, die te weinig kloten hebben om creatief iets bij te dragen, worden zo ontzettend streng in hun oordelen dat ze het bijna onmogelijk maken voor mensen om ergens van te genieten. Je zult zelden of nooit een positieve recensie lezen van de hand van Jos Joosten. Ook niet van de boeken die hij goed vindt. En Nederland zit vol met dat soort mensen dat te weinig elan heeft om te strijden met dezelfde wapens als de artiesten over wiens werk een oordeel geveld wordt. In plaats daarvan verleggen ze het strijdperk en dwingen ze de kunstenaars zich te begeven op een terrein van een technisch wetenschappelijke discours. Vaak zijn het mensen die gesnoept hebben van de filosofische school van Derrida, poststructuralistische azijnzeikers die het spel te min te vinden.”Een non-argument. Ook billenknijperige schoolmeesters kunnen dingen zeggen die tegen de waarheid aanschurken. Joostens kritiek richt zich onder andere op het feit dat Van Duijnhoven cum suis het spel van de revolutionaire upcoming generation speelden, zonder radicaal nieuwe poëzie te schrijven. Dat vraagt om een reactie. Serge gaat verzitten, de recorder valt om en wordt om herhaling te voorkomen ingeklemd door de glazen ouzo. Drinken heeft geen prioriteit: “Het feit dat wij dat spel speelden was voor hem al ammunitie om mee te schieten. Daarnaast herkennen mensen het nieuwe nooit aan het nieuwe. Als je alleen maar naar de poëzie op papier wilt kijken, waar tot dan toe de poëzie zich toe beperkte, dan vind je het nieuwe al helemaal niet. De beweging die om wat meer openheid en frisse lucht smeekte was niet zozeer vernieuwend op papier. Het podium was de plek.”SchijthuisEen tweede speerpunt van de podiumdichters, de presentatie van de rap als nieuw zusje van de poëzie, kan bij Joosten op minder weestand rekenen. ‘Het is een goede zaak dat hij (Serge van Duijnhoven, MvG) bepleit de ruimte van de poëzie zo ver mogelijk uit te breiden,’ valt er te lezen in een hoofdstuk met de denigrerende titel ‘De jeugd van tegenwoordig’. Het lijkt er echter op dat het nieuwe zusje op zichzelf is gaan wonen en zich in mindere mate iets gelegen laat liggen aan de dichtkunst. De destijds nieuwe generatie podiumdichters heeft een prominente plek ingenomen op tal van literaire manifestaties, maar da hip hop? Hangt die er niet een beetje bij of wordt rap er soms zelfs niet met de haren bij gesleurd? Van Duijnhoven: “Is het hypocriet dat mensen in de poëziewereld geïnteresseerd zijn in de rap, omdat de rap op een originele manier gebruikmaakt van technieken die voortkomen uit de poëzie, van ritme, van palindromen, van spiegelingen? En in hoeverre is het hypocriet van rappers om geen interesse te tonen in alles wat maar buiten het kleinzielige hiphopwereldje gebeurt. Veel hip hoppers kijken ook niet verder dan het reclamewereldje van de juiste kleding, de juiste codes, van de juiste beweginkjes. Begrijp me goed, ik geniet gewoon als ik Def P hoor flowen, maar het tonen van interesse kan alleen maar goed zijn. Als de hip hop het medium waarvan ze gebruikmaakt in de volle breedte uit zou willen buiten, dan zouden rappers weldegelijk in poëzie geïnteresseerd zijn. Maar het is helaas niet hip om te zeggen dat je D.H. Auden op je nachtkastje hebt liggen. En in hoeverre is het niet een statement tegen dat blanke eliteraire gedoe om als hip hopper weg te lopen van een festival als de hip hop act klaar is? Van de kant van de festivals heeft het inpassen van hip hop vaak een soort effect van de ‘token nigger’, de excuus Truus. Erg opportuun. De hypocrisie komt gewoon van beide zijden.Het valt niet te ontkennen dat het toch twee verschillende werelden zijn gebleven en de conclusie die men ook kan trekken is dat mensen neiging hebben om zich op te sluiten in kleine groepen. The birds of the same feather, will always flock together. Om zich veilig te voelen, maar ook om zich verheven te voelen boven een ander. Dat geldt net zo goed voor hip hoppers die weglopen als de rest van het programma begint als voor mensen als Jos Joosten en consorten die zullen vinden dat Van Duijnhoven en andere figuren, als het huis van de poëzie dan toch zovele kamers heeft, beter naar het schijthuis van de letteren kunnen worden verwezen.”

Gekrenktheid

“Zo behoort Joosten tot het groepje van de Preciezen en de Preciezen hebben een hekel aan de Rekkelijken. De precieze opvatting van de literatuur is dat literatuur zich dient te beperken tot het geschreven woord. Alsof het orale daar geen plaats in heeft. Nu vindt ik niet dat iedereen een hot podiumdichter moet zijn, maar wel dat er naast Eva Gerlach nog zo iemand als Ingmar Heytze mág bestaan waarvan je mág genieten. Mensen als Jos Joosten willen niets weten van het feit dat er nog een lichamelijke tak aan de poëzie zit. Voor hen is het alleen maar hoofd en – om met Derrida te spreken – ‘Il n’ y a rein dehors la texte.’ Het is een gemakkelijke kritiek om te zeggen: ‘Die Van Duijnhoven wil revolutionair zijn, maar zijn teksten zijn helemaal niet zo revolutionair.’ Zelf ben ik ook niet op een manier nieuw zoals Hans Faverey nieuw is geweest voor de poëzie op papier. Dat heb ik ook nooit beweerd. En dan is het natuurlijk makkelijk om dat element eruit te pikken waarin mijn gedichten misschien romantisch, klassiek zijn of binnen de traditie passen. Maar als je niet ziet wat er anders is vergeleken met de poëzie van Gerlach of Faverey, dan weet ik het ook niet meer. Misschien heeft het meer te maken met hun verwachting. Ze zien me toch als een soort revolutionair of popster ofzo en meten daar mijn poëzie aan af.”Klinkt hierin niet een beetje een gekrenktheid door? Of in de lederen stappers lange tenen steken, wil ik weten. En is de combinatie lange tenen en scherpe tong wel het juiste arsenaal voor een dichter? Antw.: “Absoluut. Gekrenktheid is een van de sublimaties die literatuur is. Als je niet gekrenkt zou zijn, als je niet een overtrokken ego zou hebben, als je niet op een of andere manier onder iets uit zou willen komen, als je niet gemankeerd zou zijn, zou je ook niet al die uren op een kamertje achter de computer gaan zitten zwoegen om dat terug te halen wat je in de normale werkelijkheid niet kan bereiken. Die gekrenktheid is er, en bij iedereen denk ik. De drang om erkend te worden. Je wilt erkenning voor wat je doet. En dat is op zich heel kinderlijk. Vrouwen hebben dat veel minder, die gespitstheid die grootheden als Harry Mulisch en W.F. Hermans wel hebben. Ze zeggen vaak dat mannen met een opgeblazen ego net kleine kindertjes zijn die op een zeepkist gaan staan om gehoord te  worden. Als ik dat hoor dan moet ik altijd lachen, want ze hebben wel gelijk. Maar het is een voorwaarde voor kunstenaarsschap. Waarom moet je het allemaal doen in de arena waar iedereen er last van heeft. Ik denk dat je een ontzettend opgeblazen en verkrampt ego moet hebben om dit soort dingen te doen.”De recorder gaat uit.

Bloedtest.Erasmucmc

 

Advertenties

OVER HET ALBUM KLIPDRIFT VAN DDN

KLIPDRIFT

DICHTERS DANSEN NIET

NIEUW AMSTERDAM  ISBN 9023410815

62 blz. € 19,90

Klipdrift is een overrompelende ervaring: muziek, spoken word, sferische collages, klankexperimenten en messcherpe audiocollages wisselen elkaar in hoog tempo af.

De gedichten van Van Duijnhoven spelen zich vaak af in de onderbuik van Europese steden, aan de rafelranden van het gezichtsveld. En altijd gaan ze over de verlokkingen van de liefde, de slijtageslag van het hedendaagse leven en de onvermijdelijk naderende dood. Fred dB geeft met zijn intelligente en subtiele soundscapes de gedichten van Van Duijnhoven een wonderschone gelaagdheid.

Klipdrift op rij

dichtbundel met CD

muziek en mixage Fred dB, tekst en stem Serge van Duijnhoven

De pers over KLIPDRIFT:

‘Gedichten lezen is nogal eens een saai tijdverdrijf, maar door de fenomenale soundscapes van dj Fred dB krijgen de woorden een nieuwe dimensie. Inventief, intrigerend en erg muzikaal. Aanrader – ook voor de ongeletterde luisteraar.’ – Menno Visser in VPRO’s 3voor12 (‘Luisterpaal’)

‘Auf der Bühne ist “Klipdrift“ eine eindrucksvolle Performance: sie verbindet moderne Poesie mit experimentellen Rhythmen und Klängen – Lyrik für alle Sinne.’ – Poetry On The Road, Bremen

Verzen in de branding

KLIPDRIFT – het dichten gaat door

Over de grenzen van de poëzie  |

http://www.jan-dejong.nl/recensieduijnhoven.htm

DOOR JAN DEJONG

Vader vertelt: “Nee, toen ík nog jong was, toen had je pas echt goeie muziek. Met teksten die zo op de literatuurlijst konden.” Typisch zo’n opmerking van een verzuurde bijna-bejaarde die het verleden verheerlijkt en de waarheid daarbij met aristocratische nonchalance met zijn eigen verbeelding laat optrekken? Niet helemaal. Want hoewel ik het oordeel over mijn eigen zuurgraad graag aan mijn critici overlaat, dat van die liedjes voor de lijst is toch heus waar. Voor mijn eindexamen Engels had ik in 1972 welgemoed alle teksten van het album Imagine van John Lennon laten noteren. De ex-Beatle stond met zijn poëzie broederlijk naast de gouwe ouwe van Robert Browning en W.H. Auden.

Het idee dat liedjes en poëzie niks met elkaar te maken hebben, dateert van het eerste kwart van de 17de eeuw. Al in 1623 bleek het Groot Liedboek van Bredero onverkoopbaar, terwijl de dichter na zijn dood, nog maar vijf jaar daarvóór, door zowat de gehele literaire elite bezongen en betreurd werd.

Daarna is het nooit meer goedgekomen. Ook in 1972 niet, toen mijn leraar Engels (waarschijnlijk uit nieuwsgierigheid) over zijn poëtische hart streek. Leraren Nederlands zijn doorgaans nog rechter in de leer. Of het nou om Boudewijn de Groot gaat, om De Dijk of om Acda en De Munnik, er komen géén liedjes op de lijst. En laat ik eerlijk zijn: daar hebben ze in veruit de meeste gevallen nog gelijk in ook. Zeker als ze, net als ik, poëzie beschouwen als een manier om je eigen grenzen te verleggen. Want als literatuur aan moet sluiten bij de “belevingswereld”, dan kun je er net zo goed meteen mee ophouden. Een beetje belevingswereld laat zich thuis, op straat, op het voetbalveld of in het café immers veel duidelijker zien dan in de schone letteren. Nee, die belevingswereld, dat is de dood in de pot. Dat is meteen ook de belangrijkste reden waarom liedjes niet op de lijst horen: veel te veel belevingswereld.

Maar het kan ook andersom. Dichters, goeie dichters vaak, die met hun gedichten langs prettig gevulde zalen trekken, alwaar gedichten, muziek en theater tot één mooi poëtisch werk samensmelten. Jules Deelder kan het. Remco Campert ook. Net als Simon Vinkenoog met Spinvis. En voor een hoop jongere dichters is optreden vaak de meest natuurlijke manier om met hun teksten een publiek te bereiken.

Voor Serge van Duijnhoven bijvoorbeeld. Samen dj Fred de Backer vormt hij al enkele jaren het succesvolle duo Dichters Dansen Niet. De teksten van Van Duijnhoven zijn soms ingetogen, soms expressief, soms beeldend, soms akelig rechtstreeks, soms lelijk, soms mooi. Maar altijd stemmen ze tot nadenken. Altijd wekken ze verwondering of verontrusten ze. En altijd zijn ze nog niet afgelopen als ze uit zijn (wat misschien wel het belangrijkste kenmerk van goede poëzie is). Een voorbeeld:

zelfportret zonder ik

de geheimagenten van mijn bewustzijn

schaduwen mijn brein

wie bepaalt er wie de vijand is?

degene die zich in mijn naam

verbasterd heeft van tegenpartij

(‘en-e-my’) tot die ene-in-mij

twee wezens uit hetzelfde nest

ontstaan; mijn lichaam blijkt

bestand. Mijn verstand

gaat kopje-onder

in het gistende moeras

van het handjevol verwanten

dat ik was

Deze tekst is het eerste deel van een langer gedicht, dat eindigt met de regels ‘mijn bloed / verdraagt mij / niet’. Een beetje poëzielezer weet hier natuurlijk wel weg mee. De uitvoering op de bijgevoegde cd, voegt echter nog iets toe. Geen interpretatie, dat zou te makkelijk zijn. Maar wel een soort van onrust, veroorzaakt door een jazzachtige bassolo die de tekst niet stuurt, maar ook niet volgt. Het effect is een beetje (een beetje!) te vergelijken met Remco Campert die zijn gedicht ‘Lamento’ voorleest op de cd Campert van saxofonist Benjamin Herman.

Maar Van Duijnhoven bewandelt met zijn gedichten ook andere muzikale wegen. Zoals in ‘Loop ik langsheen het leven’ (stevige beat), ‘Tot slot het einde’ (zwaar aangezette romantiek, net te fout om slecht te zijn) of ‘No more chains’ (gebaseerd op een thema van Ali Haurand). Zijn verleden als rapdichter (Eindhalte Fantoomstad, een samenwerkingsverband met ‘echte’ rapper Def P) heeft hij hiermee definitief achter zich gelaten. De gedichten uit Klipdrift zijn in de eerste plaats gedichten. Daarna is er de muziek die versterkt, buigt, of uit balans brengt. En daarmee de poëzie boven zichzelf doet uitstijgen, zodat geen literatuurlijst er zich meer voor hoeft te schamen. Zoals voor:

blanco

(in memoriam Freddy de Vree)

 

In mijn droom schrik ik wakker

onder een brug stroomt een borrelend

kwik. Ik hijg. Koel en zilver is je hand

die me bedreigt; je zwijgt. Streep

door mijn keel. Geel mijn gezicht

je trilt rondom mij zoals de hitte

aan monumenten kleeft

stuwt je adem door mijn longen

het is nooit kil nooit donker als je lacht

de sloepen varen met op de plecht

het oog van Osiris. Avond

je slaapt. Althans je adem

lijkt op slaap, en je slapen

op sneeuw. […]

‘Blanco’ gaat hierna nog twee bladzijden door. Maar het punt is gemaakt. Klipdrift geeft lezers en luisteraars de ruimte. Soms met stevige, eenduidige expressie (zoals in ‘Schelddicht’), maar vaker met teksten waarmee nog lekker wat te worstelen valt. Zeker voor mensen die druk bezig zijn hun weg te vinden.

Afbeelding

Dichters Dansen Niet live in Cafe Espirit Amsterdam, Boekennacht maart 2009. Opnamen: Gabriel Kousbroek – gaapmedia Amsterdam.

Luister ook:

http://www.reverbnation.com/dichtersdansenniet/song/825226-zelfportret-zonder-ik-ddn-2007

 

Live versie van de klassieker NO MORE CHAINS! van jazzlegende Ali Haurand, uitgevoerd in The Sugarfactory Amsterdam op 12 mei 2005 – met Ali Haurand op bas, Uli Sobotta op eufonium, Bosz de Kler op accordeon, Fred dB (mix) en Serge van Duijnhoven (stem). Te vinden als slotnummer op het album KLIPDRIFT (Nieuw Amsterdam 2007).

SREBRENICA: RILLING VAN DE WAARHEID

‘Kijk je slachtoffer niet in de ogen. Nooit. Neem hem desnoods zijn ogen uit.’

Toen Franz Stangl, de commandant van Treblinka, werd gevraagd: ‘waarom, als ze toch vermoord gingen worden, waarom dan alle vernedering, waarom de wreedheid?’, antwoordde hij: ‘om het makkerlijker te maken voor de mensen die de bevelen moesten uitvoeren.’

De premisse van tegenwoordig is, dat iets niet gebeurd is als het niet ook op tv is geweest. Maar alleen op de tv vertrouwen voor de nieuwsgaring, is als het donker aftasten met behulp van een stroboscoop. Op de buis krijg je flitsen van de werkelijkheid te zien, meer niet. De afgewogen blik vereist een meer precieze en doortastende aanpak.

Srebrenicagraves6
Er is nu eenmaal teveel dat aan de aandacht van zelfs de scherpste fotografen, cameralieden en verslaggevers kan ontsnappen. Er is zoveel dat we niet zien, omdat het blijft steken in de dode hoek van onze ogen – en van onss bewustzijn. De grootste massaslachting in Europa na de Tweede Wereldoorlog, gebeurde in het bijzijn van de voltallige wereldpers die op dat moment in Bosnie al vier jaar lang kwartier hield. De dames en heren fotoreporters, cameralieden en verslaggevers bivakkeerden vlakbij de enclave in Oost-Bosnie die onder de voet werd gelopen, maar stonden er net niet dicht genoeg op om te zien wat er gaande was. En dus leek het in de eerste dagen en weken na de ramp of de tragedie niet had plaatsgevonden. De journalisten geloofden de verhalen van de vele hysterische vrouwen in de opvangkampen niet. Het bloed dat enkeldiep in de greppels stond, de schuren die tot de nok toe vol lagen met lijken, de burgers die zich uit wanhoop hadden opgehangen voor generaal Mladic ze kwam halen, de duizenden mannen die de bergen in waren gerend en met artillerie en luchtafweergeschut waren beschoten… toen het er werkelijk op aankwam waren naast de Dutchbatters ook de verslaggevers – de ogen van de oorlog – blind. Ziende blind, precies als koning Oidipous uit Sophocles’ beroemdste tragediespel. Wij weten en wij weten niet…

In het boek Die Biologie des Krieges van de Duitse professor Archibald Nicolai, een traktaat dat ongelukkiger wijze verscheen vlak voordat de Nazi’s met brandende fakkels, banieren en gelakte laarzen een einde maakte aan de Weimar-Republiek, beweert de hooggeleerde wetenschapper: `Alles wat te groot wordt sterft uit. Zo is het ook met oorlog, die zichzelf sedert “14-18” in zijn eigen megalomanie heeft verslonden.’

De miskleun van de Duitse bioloog legt meer bloot over het menselijk tekort tout court, dan diens quasi-Darwinistische paradigma over de biologie van de strijd. In de decennia na het verschijnen van Die Biologie des Krieges werden er volgens voorzichtige schattingen minimaal zestig miljoen mensen over de kling gejaagd in gewapende conflicten. Er volgden genocides op de joden, zigeuners, tutsi’s en Bosnische moslims.Wat betekende dit? Dat de menselijke soort niet meer te bevatten is binnen de evolutie? Dat ze een anomalie is in de schepping, een uitzonderlijk geval (iets wat evangelisten al lang beweren)? Dat zou onzin zijn, want de menselijke soort is evengoed onderhevig aan natuurlijke wetten als alle andere levende – en dus sterfelijke – wezens. De bloederige werkelijkheid toont in ieder geval wel aan dat het menselijke handelen onvatbaar blijft voor academici die uitgaan van wetmatigheden en theorieën die op papier volstrekt logisch lijken. Wetenschappers als Nicolai zijn brave positivisten, maar zolang het wantrouwen ten opzichte van de denkbeelden die ze ontwikkelen tekortschiet is hun geleerdheid geen knip voor de neus waard.

De cijfers die ertoe doen (levensverwachting, kindersterfte, inkomen per hoofd) vertellen allemaal het verhaal van de vooruitgang. Toch kan geen weldenkend mens erin geloven, en niet alleen doordat die materiële vooruitgang verontrustende bijverschijnselen kent: ecologische vervuiling, uitputting van grondstoffen, massavernietigingswapens, blijvende conflicten…Nee, het ware probleem was dat we niet meer geloven dat materiële vooruitgang morele vooruitgang mogelijk maakt. We eisen volmaaktheid van onze auto’s, onze medicijnen, onze computers, maar van ons morele leven eisten we hoogstens dat het voldoet. We eten goed, we drinken goed, we leven goed, maar onze dromen zijn helaas niet goed. Onze driften blijven grommen, onze verlangens gekooid. De gruwelijkheid blijft keer op keer ons feest bederven. Telkens als we er even niet aan dachten, duiken de spookbeelden weer op van de gebrekkige mens die faliekant de fout in gaat, en zich laat leiden door nationalisme, fascisme, bloeddorst, moordlust, vernietigingsdrang, naijver, wraak. De voorbeelden zijn legio, ook na de Tweede Wereldoorlog en de holocaust: Korea, Vietnam, Colombia, Angola, Mozambique, Cambodja, Rwanda, Somalie, Burundi, Congo, Sierra Leone, Tsjetjenie…

Ook op de Balkan, in Bosnie, dit uitgerukt hart uit het Joegoslavie van weleer, had de oorlog zich ingevreten als een schimmel, een gezwel. Degenen die voor hun ethnische geestdrift wilden sterven, waren niet in de ruimte maar in de tijd verdwaald. Het Europa van de eenwording keek hulpeloos naar het Europa van de bloedige verbrokkeling. Juist omdat het om een anachronisme ging durfde Europa niet in te grijpen, dat hoort bij het vorige, hier heeft het zich al eens voor uit elkaar laten scheuren.

Maar de gevolgen van de stammenoorlogen wilde het ook niet op zich nemen, een oneindige rivier van vluchtelingen uit deze en volgende conflicten, die traag in de richting van het Westen stroomde. Er liepen kwaadaardige optochten door onze apotheotische dromen. We werden herinnerd aan alles wat we hadden willen vergeten. Ieder werd zo uit zijn eigen tijd gerukt. De Joegoslaven uit de hunne, en wij uit de onze. Iedereen zag een afgrond voor zich. En toch, wat was het uiteindelijk, deze uit de hand gelopen ruzie tussen voormalige landgenoten?

In de jaren tachtig was ik oprecht bevreesd voor het uitbreken van een atoomoorlog, zoals iedereen met een beetje voorstellingsvermogen. Ook ik achtte de mogelijkheid aanwezig dat eens de dag zou komen waarop kernraketten aan beide zijden van de Atlantische Oceaan hun opslagplaatsen zouden verlaten, om het ruimteschip aarde finaal tot zinken te brengen. Wat er over zou blijven van de planeet was niet meer dan een vlekje dat zich tijdens de grote verzengende atoomflits op Gods netvlies had gebrand. De cosmische hygiene zou, in een storm van vuur, zijn zelfreinigende werking vervullen.

De oorlog op de Balkan was van conventionele, onverwachts ouderwetse aard. Een oorlog zoals de mensheid die gedurende haar hele bestaan al had gevoerd. Een offervuur dat net als de Olympische vlam nooit schijnt te mogen worden gedoofd, en dat permanent wordt aangeblazen door een immense blaasbalg die zo oud is als de wereld. De verwoesting die zij aanricht blakert en bemest de aarde, volgens een haast ondoorgrondelijk principe. Leven is vetmest voor de dood, en het bloed en vlees zijn bouwstoffen voor nieuw leven. De grote slachtingen zijn rites ter ere van de krachten die hierover beschikten; krijgers die hun tooien geverfd hebben met het gapende zwart van de kosmos.

De val van Srebrenica werd een Europese nachtmerrie. Het einde van een precaire droom van eenheid en vrede die in de andere hoofdsteden enkel nog met de grootste moeite, met de cynische verachting van het stoïcisme kon worden gekoesterd. De genocide morste spetters over het blauwe blazoen met de triomfantelijke gele sterren. De illusie van het Verenigde Europa, verwapperde in de wind.

Ook de idealen van Joegoslavie hadden afgedaan. Eenheid en broederschap, vrijheid en menselijkheid waren verworden tot rottende kadavers. Hun lichamen werden ook na de val van Srebrenica nog maandenlang iedere dag beschoten op de Boulevards langs de frontlinie in Sarajevo. De val van Srebrenica maakte van Bosnie definitief de afvoerput waardoor de lieflijk bloemenplukkende deerne waarnaar ons continent vernoemd is, bruut ontvoerd werd naar de donkere, rokende onderwereld. Het rijk van Hades en Lucifer en zijn hedendaagse duivelszonen en drakenridders zoals Doktor Radovan Karadzic en zijn generaal Ratko (what’s in a name!) Mladic (Ratko Mladic betekent feitelijk: de jonge krijgheer).

Het Westen bleef zich almaar hoeden voor de finale ruggeprik, de injectie tussen haar wervels. De verwende burgerzonen in het Westen bleven liever thuis en keken hun journaal; een film zonder plot, zonder helden. Men was te druk met het opsouperen van het vredesdividend, zo vlak na het einde van de Koude Oorlog. We lieten het duister hart van het continent leegbloeden. We offerden het, zoals de Azteken deden met de harten van hun jongelingen. We wierpen het orgaan in het vuur en lieten het wegsudderen in het eigen kooknat. Kijk je slachtoffer nooit, nooit in de ogen. Neem hem desnoods zijn ogen uit

Een vraag die mij sinds Srebrenica en de algehele tragedie in Bosnie bezig is blijven houden, is: wat is toch die onuitroeibare neiging van de mens om te verwoesten wat zo moeizaam is opgebouwd? Wat is toch de oorzaak van de naijver, die de boer ertoe aanzette te wensen dat God hem een oog uit zou nemen? Kunnen wij slechts vrede hebben met ons eigen lot, door de levens van anderen te kleineren – tot vernietigens toe? Misschien is het stom toeval en zit het in de genen. Een vergissingkje van de grote monteur daarboven, een assemblagefout in het laboratorium van het Heel & Al, die het gevolg is van teveel stress of vermoeidheid bij de schepper die altijd wakker moet zijn en alles in de gaten moet houden? Misschien is het een vloek die de mensheid over zichzelf heeft afgeroepen, en waar we niet vanaf kunnen geraken.

In 1995 probeerde de aartsbisschop van de orthodoxe kerk van Macedonië, Mihael Gogov Metodija, me enige duidelijkheid te verschaffen over het gedrag van zijn mede-Balkanbewoners aan de hand van een parabel. Mihael was de grootvader van Sonya Mitrinovska, een jonge dichteres met prachtige groene ogen die ik had leren kennen op de Struga Poetry Evenings, aan het meer van Ohrid. Meestal ontmoetten we Mihael in zijn hoofdstedelijke residentie, een villa nabij de Vardar-rivier, naast een kapel die gewijd is aan Sint Joris de drakendoder. Een mooie man was het, met grote, ronde donkere ogen, een hoogopstaande zwarte odora op het voorhoofd en een imposante, spierwitte baard.

Mihael was vierentachtig. Als hij sprak, kwam zijn stem van diep. Zijn gezondheid was broos. Zes jaar had hij gevangen gezeten op Goli Otok, een steengroeve voor de kust waar de communistische en anti-kerkelijke maarschalk Josip Broz Tito hem dwangarbeid had laten verrichten. Op het eiland leerde hij in de avonduren Engels. En ’s nachts vertaalde hij boeken uit het Russisch, vooral Dostojevski, Tolstoj en Gogol. `Ik had het makkelijker dan veel van mijn medegevangenen,’ zei Mihael over zijn krijgsarbeid. `Ik wist tenminste waarom ik gevangen zat.’

De man was de mildheid zelve, maar de oorlogshandelingen van zijn voormalige landgenoten in Bosnië, Servië en Kroatië verbaasden hem geenszins. `De Balkan wordt bevolkt door volkeren die veel hebben geleden. De wraak lijkt op ons allen te rusten als een banvloek. Het kost moeite om die vloek te breken.’ De parabel die hij toen vertelde, over de oorsprong van de Balkan-vloek, schijnt in verschillende variaties onder de Zuidslavische bewoners voor te komen. Hij gaat over de aanleiding voor God om de mensen te verlaten.

Lang geleden, aldus het verhaal, toen God nog samen met de mensen de aarde bewoonde, zwierf Hij eens in de winter door de bergen van het land dat Hij geschapen had. De avond viel en het begon hevig te sneeuwen en er stak een storm op. God kreeg het koud en klopte aan bij een van de kleine boerderijen in het dal. Een man deed open en gaf God te eten en te drinken, en hij stookte de kachel extra hoog op om het zijn verkleumde gast gerieflijk te maken. God was de boer dankbaar voor zijn gastvrije ontvangst, en Hij wilde dat tonen door de man toe te staan een wens te doen. `Maar denk eraan,’ zei God, `alles wat je wenst, zal je buurman ontvangen in tweevoud. Wens je een baar goud, dan krijgt je buurman er twee, wens je drie koeien, dan krijgt je buurman er zes. Wens je vier zonen, dan krijgt je buurman er acht.’ De boer dacht diep na. Hij wist zo snel niet wat hij moest wensen, want hij wilde niet dat zijn buurman er beter van zou worden dan hijzelf. De boer stelde voor eerst te gaan slapen. In de ochtend zou hij God dan vertellen wat zijn wens was. ’s Ochtends vroeg God aan de boer of hij wist wat hij wilde wensen. `Ja,’ zei de man. `Ik wil dat U mij een oog uitneemt.’

Hierover zou God zo verbolgen zijn geweest, aldus de aartsbisschop, dat Hij besloot niet langer onder de mensen te blijven en de aarde te verlaten.

`Wat zou jij hebben gewenst, als je in de positie van de boer had verkeerd?’ wilde Sonya later weten. Ik antwoordde dat de boer volgens mij had moeten wensen dat hij iedere dag een comfortabele slaap zou mogen genieten van twaalf uren. De buurman zou dan zijn hele verdere leven in een vredige, comateuze toestand moeten doorbrengen, als een soort van snurkende, mannelijke Doornroosje die in zijn alkoof lag opgebaard.

Sonya lachte wat schamper.

`Het is te merken dat je niet van de Balkan komt,’ zei ze. `De buurman zou er je dankbaar om zijn. Hij zou een stuk minder hoeven te werken dan jij…’

`En jij?’

`Ik zou niet wensen dat er bij mij een oog zou worden afgenomen, maar een teelbal.’

De oorlog in Bosnie is – juist vanwege Srebrenica – een web waarin niet alleen de Bosniers maar ook wij West-Europeanen onszelf hebben gevangen. Een rapport als dat van het NIOD, alsmede de vele getuigenissen, documentaires en boeken, kunnen de draden van dat web niet breken, ze kunnen niet het perspectief van de hoogte bieden en hooguit dienen als geheugensteun, als bewijsstukje in het slepende proces dat de mensheid al sinds duizenden en duizenden jaren voert tegen zichzelf, en dat bekendstaat als de geschiedenis. Als we de schanddaden zoals die van Srebrenica uit het verleden in de toekomst willen voorkomen, moeten we weten wat er gebeurd is en hoe het heeft kunnen gebeuren. Het proces moet gevoerd worden, de feiten mogen niet zomaar verdwijnen onder het puin en de nieuwe gebouwen, het nieuwe asfalt dat met ontwikkelingsgelden over de verbrokkelde wegen en boulevards van het verscheurde land van de Zuidslaven wordt uitgestort. De verantwoordelijken mogen hun straf niet ontlopen. Maar ook dit is een dilemma; want juist omdat we onze geschiedenis zo conscientieus en zelfbewust met ons meedragen (als vaandels en banieren in een demonstratie of een plechtige optocht), zal ze heel moeilijk tot rust kunnen komen. Het is zoals met het slavische volksgeloof: de rust van de doden respecteer je. Erover spreken doe je beter niet, want de geest van de dode die naar jou op zoek is, heeft je gevonden op het moment dat je zijn naam uitspreekt. Zeker niet als het gaat over iemand die jij zelf hebt gedood of die je vlak onder je ogen vermoord hebt zien worden, in de dode hoek van je blikveld, zoals wij Nederlanders ten tijde van Srebrenica. Hoe dan ook; de wroeging over onrecht dat werd aangedaan zal blijven knagen, de botten van hen die op gruwelijke wijze zijn vermoord roepen om gerechtigheid.

Sommige vragen blijven urgenter dan ooit; wat is er gebeurd met al die mannen die verdwenen zijn? Kan vrede een kans krijgen na het bloedvergieten? Kan de eeuwenoude cyclus van de haat en bloedwraak doorbroken … en zo ja, hoe pakken we het aan? Kunnen we een overwinning boeken in het proces dat we in naam van de beschaving al sinds eeuwen voeren tegen de redeloosheid en de wreedheid? Zullen we erin slagen de banvloek te breken van de boer die wilde dat zijn buurman een oog zou worden uitgenomen? Of zullen we onszelf en ons nageslacht blijven teleurstellen en zullen kinderen in Tuzla en Rotterdam en Jeruzalem over honderd jaar nog altijd tegen hun ouders zeggen, zoals mijn grootvader in de jaren dertig tegen zijn vader en moeder: ‘wat voor een wereld laten jullie ons na?’

Het zijn kwesties waarin iedereen uiteindelijk stelling zal moeten nemen, waar niemand onverschillig of neutraal in kan blijven. De cynicus zal zeggen: de vooruitgang zal zo groot zijn als het aantal slachtoffers dat ze kost. Hoe geavanceerder de beschaving, hoe groter het aantal mensen dat door ons vernuft geruisloos zal worden vermalen. Hoe harder we voorthollen, hoe sneller we het einde naderen. Maar het hoeft niet zo te zijn. We hebben een keuze. Een keuze om de slachtoffers – en de waarheid – eindelijk in de ogen te kijken. En ze niet, bij wijze van spreken dit keer, nogmaals de ogen uit te steken. Door de andere kant op te kijken. Door te doen of er foto-rolletjes zijn mislukt, of verkeerde inschattingen niet hebben plaatsgevonden, door de werkelijkheid te ontkennen, de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen, door het er maar bij te laten zitten, door niet onder ogen te willen zien wat er is geschied. Nu de tragedie in Srebrenica is geschied, moet het recht zijn beloop hebben. Het gaat niet enkel om een paar politieke consequenties en repercussies, maar om wat Nabokov zo helder noemt, the shiver of truth. De rilling van de waarheid. Zolang we die voelen, is er nog hoop.

(c) Serge van Duijnhoven     2 april 2013