SREBRENICA: RILLING VAN DE WAARHEID

‘Kijk je slachtoffer niet in de ogen. Nooit. Neem hem desnoods zijn ogen uit.’

Toen Franz Stangl, de commandant van Treblinka, werd gevraagd: ‘waarom, als ze toch vermoord gingen worden, waarom dan alle vernedering, waarom de wreedheid?’, antwoordde hij: ‘om het makkerlijker te maken voor de mensen die de bevelen moesten uitvoeren.’

De premisse van tegenwoordig is, dat iets niet gebeurd is als het niet ook op tv is geweest. Maar alleen op de tv vertrouwen voor de nieuwsgaring, is als het donker aftasten met behulp van een stroboscoop. Op de buis krijg je flitsen van de werkelijkheid te zien, meer niet. De afgewogen blik vereist een meer precieze en doortastende aanpak.

Srebrenicagraves6
Er is nu eenmaal teveel dat aan de aandacht van zelfs de scherpste fotografen, cameralieden en verslaggevers kan ontsnappen. Er is zoveel dat we niet zien, omdat het blijft steken in de dode hoek van onze ogen – en van onss bewustzijn. De grootste massaslachting in Europa na de Tweede Wereldoorlog, gebeurde in het bijzijn van de voltallige wereldpers die op dat moment in Bosnie al vier jaar lang kwartier hield. De dames en heren fotoreporters, cameralieden en verslaggevers bivakkeerden vlakbij de enclave in Oost-Bosnie die onder de voet werd gelopen, maar stonden er net niet dicht genoeg op om te zien wat er gaande was. En dus leek het in de eerste dagen en weken na de ramp of de tragedie niet had plaatsgevonden. De journalisten geloofden de verhalen van de vele hysterische vrouwen in de opvangkampen niet. Het bloed dat enkeldiep in de greppels stond, de schuren die tot de nok toe vol lagen met lijken, de burgers die zich uit wanhoop hadden opgehangen voor generaal Mladic ze kwam halen, de duizenden mannen die de bergen in waren gerend en met artillerie en luchtafweergeschut waren beschoten… toen het er werkelijk op aankwam waren naast de Dutchbatters ook de verslaggevers – de ogen van de oorlog – blind. Ziende blind, precies als koning Oidipous uit Sophocles’ beroemdste tragediespel. Wij weten en wij weten niet…

In het boek Die Biologie des Krieges van de Duitse professor Archibald Nicolai, een traktaat dat ongelukkiger wijze verscheen vlak voordat de Nazi’s met brandende fakkels, banieren en gelakte laarzen een einde maakte aan de Weimar-Republiek, beweert de hooggeleerde wetenschapper: `Alles wat te groot wordt sterft uit. Zo is het ook met oorlog, die zichzelf sedert “14-18” in zijn eigen megalomanie heeft verslonden.’

De miskleun van de Duitse bioloog legt meer bloot over het menselijk tekort tout court, dan diens quasi-Darwinistische paradigma over de biologie van de strijd. In de decennia na het verschijnen van Die Biologie des Krieges werden er volgens voorzichtige schattingen minimaal zestig miljoen mensen over de kling gejaagd in gewapende conflicten. Er volgden genocides op de joden, zigeuners, tutsi’s en Bosnische moslims.Wat betekende dit? Dat de menselijke soort niet meer te bevatten is binnen de evolutie? Dat ze een anomalie is in de schepping, een uitzonderlijk geval (iets wat evangelisten al lang beweren)? Dat zou onzin zijn, want de menselijke soort is evengoed onderhevig aan natuurlijke wetten als alle andere levende – en dus sterfelijke – wezens. De bloederige werkelijkheid toont in ieder geval wel aan dat het menselijke handelen onvatbaar blijft voor academici die uitgaan van wetmatigheden en theorieën die op papier volstrekt logisch lijken. Wetenschappers als Nicolai zijn brave positivisten, maar zolang het wantrouwen ten opzichte van de denkbeelden die ze ontwikkelen tekortschiet is hun geleerdheid geen knip voor de neus waard.

De cijfers die ertoe doen (levensverwachting, kindersterfte, inkomen per hoofd) vertellen allemaal het verhaal van de vooruitgang. Toch kan geen weldenkend mens erin geloven, en niet alleen doordat die materiële vooruitgang verontrustende bijverschijnselen kent: ecologische vervuiling, uitputting van grondstoffen, massavernietigingswapens, blijvende conflicten…Nee, het ware probleem was dat we niet meer geloven dat materiële vooruitgang morele vooruitgang mogelijk maakt. We eisen volmaaktheid van onze auto’s, onze medicijnen, onze computers, maar van ons morele leven eisten we hoogstens dat het voldoet. We eten goed, we drinken goed, we leven goed, maar onze dromen zijn helaas niet goed. Onze driften blijven grommen, onze verlangens gekooid. De gruwelijkheid blijft keer op keer ons feest bederven. Telkens als we er even niet aan dachten, duiken de spookbeelden weer op van de gebrekkige mens die faliekant de fout in gaat, en zich laat leiden door nationalisme, fascisme, bloeddorst, moordlust, vernietigingsdrang, naijver, wraak. De voorbeelden zijn legio, ook na de Tweede Wereldoorlog en de holocaust: Korea, Vietnam, Colombia, Angola, Mozambique, Cambodja, Rwanda, Somalie, Burundi, Congo, Sierra Leone, Tsjetjenie…

Ook op de Balkan, in Bosnie, dit uitgerukt hart uit het Joegoslavie van weleer, had de oorlog zich ingevreten als een schimmel, een gezwel. Degenen die voor hun ethnische geestdrift wilden sterven, waren niet in de ruimte maar in de tijd verdwaald. Het Europa van de eenwording keek hulpeloos naar het Europa van de bloedige verbrokkeling. Juist omdat het om een anachronisme ging durfde Europa niet in te grijpen, dat hoort bij het vorige, hier heeft het zich al eens voor uit elkaar laten scheuren.

Maar de gevolgen van de stammenoorlogen wilde het ook niet op zich nemen, een oneindige rivier van vluchtelingen uit deze en volgende conflicten, die traag in de richting van het Westen stroomde. Er liepen kwaadaardige optochten door onze apotheotische dromen. We werden herinnerd aan alles wat we hadden willen vergeten. Ieder werd zo uit zijn eigen tijd gerukt. De Joegoslaven uit de hunne, en wij uit de onze. Iedereen zag een afgrond voor zich. En toch, wat was het uiteindelijk, deze uit de hand gelopen ruzie tussen voormalige landgenoten?

In de jaren tachtig was ik oprecht bevreesd voor het uitbreken van een atoomoorlog, zoals iedereen met een beetje voorstellingsvermogen. Ook ik achtte de mogelijkheid aanwezig dat eens de dag zou komen waarop kernraketten aan beide zijden van de Atlantische Oceaan hun opslagplaatsen zouden verlaten, om het ruimteschip aarde finaal tot zinken te brengen. Wat er over zou blijven van de planeet was niet meer dan een vlekje dat zich tijdens de grote verzengende atoomflits op Gods netvlies had gebrand. De cosmische hygiene zou, in een storm van vuur, zijn zelfreinigende werking vervullen.

De oorlog op de Balkan was van conventionele, onverwachts ouderwetse aard. Een oorlog zoals de mensheid die gedurende haar hele bestaan al had gevoerd. Een offervuur dat net als de Olympische vlam nooit schijnt te mogen worden gedoofd, en dat permanent wordt aangeblazen door een immense blaasbalg die zo oud is als de wereld. De verwoesting die zij aanricht blakert en bemest de aarde, volgens een haast ondoorgrondelijk principe. Leven is vetmest voor de dood, en het bloed en vlees zijn bouwstoffen voor nieuw leven. De grote slachtingen zijn rites ter ere van de krachten die hierover beschikten; krijgers die hun tooien geverfd hebben met het gapende zwart van de kosmos.

De val van Srebrenica werd een Europese nachtmerrie. Het einde van een precaire droom van eenheid en vrede die in de andere hoofdsteden enkel nog met de grootste moeite, met de cynische verachting van het stoïcisme kon worden gekoesterd. De genocide morste spetters over het blauwe blazoen met de triomfantelijke gele sterren. De illusie van het Verenigde Europa, verwapperde in de wind.

Ook de idealen van Joegoslavie hadden afgedaan. Eenheid en broederschap, vrijheid en menselijkheid waren verworden tot rottende kadavers. Hun lichamen werden ook na de val van Srebrenica nog maandenlang iedere dag beschoten op de Boulevards langs de frontlinie in Sarajevo. De val van Srebrenica maakte van Bosnie definitief de afvoerput waardoor de lieflijk bloemenplukkende deerne waarnaar ons continent vernoemd is, bruut ontvoerd werd naar de donkere, rokende onderwereld. Het rijk van Hades en Lucifer en zijn hedendaagse duivelszonen en drakenridders zoals Doktor Radovan Karadzic en zijn generaal Ratko (what’s in a name!) Mladic (Ratko Mladic betekent feitelijk: de jonge krijgheer).

Het Westen bleef zich almaar hoeden voor de finale ruggeprik, de injectie tussen haar wervels. De verwende burgerzonen in het Westen bleven liever thuis en keken hun journaal; een film zonder plot, zonder helden. Men was te druk met het opsouperen van het vredesdividend, zo vlak na het einde van de Koude Oorlog. We lieten het duister hart van het continent leegbloeden. We offerden het, zoals de Azteken deden met de harten van hun jongelingen. We wierpen het orgaan in het vuur en lieten het wegsudderen in het eigen kooknat. Kijk je slachtoffer nooit, nooit in de ogen. Neem hem desnoods zijn ogen uit

Een vraag die mij sinds Srebrenica en de algehele tragedie in Bosnie bezig is blijven houden, is: wat is toch die onuitroeibare neiging van de mens om te verwoesten wat zo moeizaam is opgebouwd? Wat is toch de oorzaak van de naijver, die de boer ertoe aanzette te wensen dat God hem een oog uit zou nemen? Kunnen wij slechts vrede hebben met ons eigen lot, door de levens van anderen te kleineren – tot vernietigens toe? Misschien is het stom toeval en zit het in de genen. Een vergissingkje van de grote monteur daarboven, een assemblagefout in het laboratorium van het Heel & Al, die het gevolg is van teveel stress of vermoeidheid bij de schepper die altijd wakker moet zijn en alles in de gaten moet houden? Misschien is het een vloek die de mensheid over zichzelf heeft afgeroepen, en waar we niet vanaf kunnen geraken.

In 1995 probeerde de aartsbisschop van de orthodoxe kerk van Macedonië, Mihael Gogov Metodija, me enige duidelijkheid te verschaffen over het gedrag van zijn mede-Balkanbewoners aan de hand van een parabel. Mihael was de grootvader van Sonya Mitrinovska, een jonge dichteres met prachtige groene ogen die ik had leren kennen op de Struga Poetry Evenings, aan het meer van Ohrid. Meestal ontmoetten we Mihael in zijn hoofdstedelijke residentie, een villa nabij de Vardar-rivier, naast een kapel die gewijd is aan Sint Joris de drakendoder. Een mooie man was het, met grote, ronde donkere ogen, een hoogopstaande zwarte odora op het voorhoofd en een imposante, spierwitte baard.

Mihael was vierentachtig. Als hij sprak, kwam zijn stem van diep. Zijn gezondheid was broos. Zes jaar had hij gevangen gezeten op Goli Otok, een steengroeve voor de kust waar de communistische en anti-kerkelijke maarschalk Josip Broz Tito hem dwangarbeid had laten verrichten. Op het eiland leerde hij in de avonduren Engels. En ’s nachts vertaalde hij boeken uit het Russisch, vooral Dostojevski, Tolstoj en Gogol. `Ik had het makkelijker dan veel van mijn medegevangenen,’ zei Mihael over zijn krijgsarbeid. `Ik wist tenminste waarom ik gevangen zat.’

De man was de mildheid zelve, maar de oorlogshandelingen van zijn voormalige landgenoten in Bosnië, Servië en Kroatië verbaasden hem geenszins. `De Balkan wordt bevolkt door volkeren die veel hebben geleden. De wraak lijkt op ons allen te rusten als een banvloek. Het kost moeite om die vloek te breken.’ De parabel die hij toen vertelde, over de oorsprong van de Balkan-vloek, schijnt in verschillende variaties onder de Zuidslavische bewoners voor te komen. Hij gaat over de aanleiding voor God om de mensen te verlaten.

Lang geleden, aldus het verhaal, toen God nog samen met de mensen de aarde bewoonde, zwierf Hij eens in de winter door de bergen van het land dat Hij geschapen had. De avond viel en het begon hevig te sneeuwen en er stak een storm op. God kreeg het koud en klopte aan bij een van de kleine boerderijen in het dal. Een man deed open en gaf God te eten en te drinken, en hij stookte de kachel extra hoog op om het zijn verkleumde gast gerieflijk te maken. God was de boer dankbaar voor zijn gastvrije ontvangst, en Hij wilde dat tonen door de man toe te staan een wens te doen. `Maar denk eraan,’ zei God, `alles wat je wenst, zal je buurman ontvangen in tweevoud. Wens je een baar goud, dan krijgt je buurman er twee, wens je drie koeien, dan krijgt je buurman er zes. Wens je vier zonen, dan krijgt je buurman er acht.’ De boer dacht diep na. Hij wist zo snel niet wat hij moest wensen, want hij wilde niet dat zijn buurman er beter van zou worden dan hijzelf. De boer stelde voor eerst te gaan slapen. In de ochtend zou hij God dan vertellen wat zijn wens was. ’s Ochtends vroeg God aan de boer of hij wist wat hij wilde wensen. `Ja,’ zei de man. `Ik wil dat U mij een oog uitneemt.’

Hierover zou God zo verbolgen zijn geweest, aldus de aartsbisschop, dat Hij besloot niet langer onder de mensen te blijven en de aarde te verlaten.

`Wat zou jij hebben gewenst, als je in de positie van de boer had verkeerd?’ wilde Sonya later weten. Ik antwoordde dat de boer volgens mij had moeten wensen dat hij iedere dag een comfortabele slaap zou mogen genieten van twaalf uren. De buurman zou dan zijn hele verdere leven in een vredige, comateuze toestand moeten doorbrengen, als een soort van snurkende, mannelijke Doornroosje die in zijn alkoof lag opgebaard.

Sonya lachte wat schamper.

`Het is te merken dat je niet van de Balkan komt,’ zei ze. `De buurman zou er je dankbaar om zijn. Hij zou een stuk minder hoeven te werken dan jij…’

`En jij?’

`Ik zou niet wensen dat er bij mij een oog zou worden afgenomen, maar een teelbal.’

De oorlog in Bosnie is – juist vanwege Srebrenica – een web waarin niet alleen de Bosniers maar ook wij West-Europeanen onszelf hebben gevangen. Een rapport als dat van het NIOD, alsmede de vele getuigenissen, documentaires en boeken, kunnen de draden van dat web niet breken, ze kunnen niet het perspectief van de hoogte bieden en hooguit dienen als geheugensteun, als bewijsstukje in het slepende proces dat de mensheid al sinds duizenden en duizenden jaren voert tegen zichzelf, en dat bekendstaat als de geschiedenis. Als we de schanddaden zoals die van Srebrenica uit het verleden in de toekomst willen voorkomen, moeten we weten wat er gebeurd is en hoe het heeft kunnen gebeuren. Het proces moet gevoerd worden, de feiten mogen niet zomaar verdwijnen onder het puin en de nieuwe gebouwen, het nieuwe asfalt dat met ontwikkelingsgelden over de verbrokkelde wegen en boulevards van het verscheurde land van de Zuidslaven wordt uitgestort. De verantwoordelijken mogen hun straf niet ontlopen. Maar ook dit is een dilemma; want juist omdat we onze geschiedenis zo conscientieus en zelfbewust met ons meedragen (als vaandels en banieren in een demonstratie of een plechtige optocht), zal ze heel moeilijk tot rust kunnen komen. Het is zoals met het slavische volksgeloof: de rust van de doden respecteer je. Erover spreken doe je beter niet, want de geest van de dode die naar jou op zoek is, heeft je gevonden op het moment dat je zijn naam uitspreekt. Zeker niet als het gaat over iemand die jij zelf hebt gedood of die je vlak onder je ogen vermoord hebt zien worden, in de dode hoek van je blikveld, zoals wij Nederlanders ten tijde van Srebrenica. Hoe dan ook; de wroeging over onrecht dat werd aangedaan zal blijven knagen, de botten van hen die op gruwelijke wijze zijn vermoord roepen om gerechtigheid.

Sommige vragen blijven urgenter dan ooit; wat is er gebeurd met al die mannen die verdwenen zijn? Kan vrede een kans krijgen na het bloedvergieten? Kan de eeuwenoude cyclus van de haat en bloedwraak doorbroken … en zo ja, hoe pakken we het aan? Kunnen we een overwinning boeken in het proces dat we in naam van de beschaving al sinds eeuwen voeren tegen de redeloosheid en de wreedheid? Zullen we erin slagen de banvloek te breken van de boer die wilde dat zijn buurman een oog zou worden uitgenomen? Of zullen we onszelf en ons nageslacht blijven teleurstellen en zullen kinderen in Tuzla en Rotterdam en Jeruzalem over honderd jaar nog altijd tegen hun ouders zeggen, zoals mijn grootvader in de jaren dertig tegen zijn vader en moeder: ‘wat voor een wereld laten jullie ons na?’

Het zijn kwesties waarin iedereen uiteindelijk stelling zal moeten nemen, waar niemand onverschillig of neutraal in kan blijven. De cynicus zal zeggen: de vooruitgang zal zo groot zijn als het aantal slachtoffers dat ze kost. Hoe geavanceerder de beschaving, hoe groter het aantal mensen dat door ons vernuft geruisloos zal worden vermalen. Hoe harder we voorthollen, hoe sneller we het einde naderen. Maar het hoeft niet zo te zijn. We hebben een keuze. Een keuze om de slachtoffers – en de waarheid – eindelijk in de ogen te kijken. En ze niet, bij wijze van spreken dit keer, nogmaals de ogen uit te steken. Door de andere kant op te kijken. Door te doen of er foto-rolletjes zijn mislukt, of verkeerde inschattingen niet hebben plaatsgevonden, door de werkelijkheid te ontkennen, de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen, door het er maar bij te laten zitten, door niet onder ogen te willen zien wat er is geschied. Nu de tragedie in Srebrenica is geschied, moet het recht zijn beloop hebben. Het gaat niet enkel om een paar politieke consequenties en repercussies, maar om wat Nabokov zo helder noemt, the shiver of truth. De rilling van de waarheid. Zolang we die voelen, is er nog hoop.

(c) Serge van Duijnhoven     2 april 2013

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s