HEM ON WAR – Kolonel Cantwell in Sarajevo; essay over Ernest Hemingway en het verslaan van de oorlog

Kolonel Cantwell in Sarajevo

door Serge R. van Duijnhoven

Lezing door Serge R. van Duijnhoven voor Afscheid van de wapenen

Over Hemingway in WOI en schrijven in tijden van oorlog.

Dinsdag 2 december 2014 20:00
Academiegebouw, Senaatszaal
Domplein 29, Utrecht

“Na een oorlog, kom je nooit meer echt thuis. Er is altijd wel een uitweg, maar nooit meer een weg terug. De oorlog slorpt zich in je op. Na de krijg, is er de aftermath. En die blijft duren. Je raakt er hoe dan ook in verstrikt. Iedereen raakt erin verstrikt.” – Kolonel Cantwell in Ernest Hemingway’s Across the River and into the Trees (Charles Scribner’s Sons New York 1950)

Oorlogen zijn de rosse buurten van deze aarde. Ze wemelen, behalve van het viriel krijgsvolk, van de pottenkijkers; ruige of minder ruige lieden die zich op de hoogte komen stellen van het vlees in de kuip. Bovendien bezitten ze voor buitenstaanders, in al hun smerigheid, een schemerachtige aan­trek­kelijkheid.

Arthur van Amerongen, de Nederlandse journalist en Hemingway stand-in die ik in Sarajevo ontmoette, reed ’s avonds soms langs de frontlinie in de hoop dat hij wat kogelgaten kon opdoen in zijn oude Renault 25. Voor hem was de oorlog eigenlijk net als een bezoek aan de hoerenbuurt; real fucky fucky. Om te bewijzen dat hij er daadwerkelijk geweest was wilde hij met een trofee thuiskomen. Precies zoals een toerist die Amsterdam aandoet nog even een winkel in de Oude Hoogstraat bezoekt om daar een T-shirt aan te schaffen met het opschrift: I did it in the Red Light district.

Voor sommmigen is oorlog nog altijd het best denkbare afrodisiacum. Dat geldt zowel voor diegenen die verslaafd zijn aan de adrenaline-rush die een verblijf in een gevarenzone met zich meebrengt, als voor de warlords en zelfbenoemde politici die dankzij de oorlog carrière kunnen maken. Voor de bevolking die klem komt te zitten heeft de oorlog niets opwindends of aantrekkelijks. Voor haar is het een kwestie van overleven – of sterven. In de praktijk komt dat meestal neer op het trachten door te komen van de dagen; wachten dus. En het terugvallen op de meest elementaire dingen. Het sprokkelen van voedsel. Het vinden van een blok hout voor de kachel.

Overigens bedienen niet alleen journalisten, schrijvers, dichters, fotografen, mislukte wereldverbeteraars, freaks en oorlogsjunkies ter plekke zich van het afrodisiacum van de oorlog. Ook daarbuiten verlustigt men zich eraan, via de getuigenissen die via krant en tv de huiskamers bereiken. Voor diegenen die in vrede leven is de oorlog, daar, elders, weinig anders dan snuff. Butcher shop horror, splatter movie. Echter dan echt, en dus nauwelijks nog als zodanig herkenbaar. War in the Gulf! kondigde CNN begin 1991 in bloedrode letters aan op het tv-scherm, en het nieuwskanaal liet daarbij een donker tromgeroffel horen als betrof het een spannende bioscoopfilm. Een decennium later van hetzelfde laken een pak met de tot vervelens toe herhaalde nitwit-kretologie van het Shock and Awe.

Hemingway & Gellhorn

Bekijk deze film, over Hemingway en Gellhorn – met een magnifieke rol van Clive Owen maar een minder overtuigende van Nicole Kidman – gratis via de link: http://viooz.ac/movies/6459-hemingway-gellhorn-2012.html

Ernest Hemingway beschrijft in de door hem samengesteld anthologie Men at War: hoe mensen oorlogen altijd al hebben gevolgd met gevoelens die zowel bestonden uit afgrijzen als fascinatie. `Ik moet inderdaad vaststellen dat ik, eenmaal terug uit Italie en Turkije,  geobsedeerd was door de gruwelbeelden die ik voor mijn netvlies had zien afspelen. In mijn hoofd speelde bij mijn terugkeer in Oak Park voortdurend een film bestaande uit eindeloos herhaalde scenes waar ik vanuit de schaduw van mijn oogkassen verbijsterd naar bleef staren. Maar het was nooit zo eenduidig dat het alleen maar verbijstering en shock was. Ik was ook gefascineerd door de beelden van de gevechten en de gruwelen. Ik wilde weten: jezus, wat doen die mensen met elkaar. Het is heel voyeuristisch, denk ik. De oorlog is een soort magneet, je wordt ernaar toe gezogen. Het is voorbij aan termen als `vind je het dan erg?’ of `vind je het dan spannend?’

HemonWarpic1

De Sloveense filosoof Slavoj Zizek spreekt in dit verband over `jouissance’. Hij beweert dat de westerse media een soort horrorshow van de moderne oorlogen plegen te produceren. mdat het effect van al die journaalbeelden vergelijkbaar zou zijn met een gruwelfilm. Mensen vinden de beelden van het gruwelijke ook prikkelend. Van het afstotende gaat paradoxaal genoeg ook aantrekkingskracht uit. Oorlog laat de hunkering ontwaken naar ultiem drama.  Het is naar dit ultieme drama, dat Hemingway zijn hele schrijvende leven lang op zoek is geweest. Het was de biomassa waarmee hij de kachel in de kelder van zijn schrijverschap te allen tijde warm kon stoken.

`In ieder geval bezit iedere man of vrouw’, concludeerde Hemingway, `hoe beschaafd hij of zij ook is, een enorm verlangen om het barbaarse te aanschouwen, om te zien wat er nog allemaal meer kan gebeuren met dat mooie beheerste mensenlichaam dat we voortdurend maar disciplineren. Of de vernieling van dat lichaam nu gebeurt met martelwerktuigen, sluipschutterskogels of mortiergranaten die ontploffen, maakt misschien niet zo heel veel uit.’

Hemingway bekent dat hij zichzelf wantrouwde toen hij merkte dat hij, telkens als er een bestand leek te worden gesloten of er een aftocht diende te worden geblazen zoals in het hoofdstuk “The Retreat From Caporetto” in A Farewell to Arms, op een bepaalde manier teleurgesteld was dat de grote slachting dreigde op te houden. `Ik schaamde me natuurlijk. Voor het eerst dacht ik echt te begrijpen hoe mensen het gevoel konden hebben door de duivel bezeten te zijn. Want; deze gedachte kan toch niet uit mij voortkomen? Je mag toch alleen eenduidig blij zijn dat er wellicht een einde aan die afschuwelijke ellende komt? Maar ik kon er niet aan voorbij dat er iets in me was dat zei: hè, jammer. Het toneelstuk is misschien wel snel voorbij.”

Oorlog is, hoe afschuwelijk ook, tevens blijkbaar iets geils. “War is part of the intercourse of the human race”, waren de woorden van de Pruissische denker/soldaat Generaal Karl von Clausewitz, die Hemingway vaak met instemming placht aan te halen. Ik vrees dat het zo plat is. We zijn gedonditioneerd, en terecht,  om te zeggen: oorlog is fout, het mag niet, het is slecht, het is zonde. It is a crime. Maar alleen al historisch gezien moet je vaststellen dat er meer over oorlog te vertellen valt. Het is ook opwindend. Het is een vorm van human intercouse. En als zodanig: geil. Opwindend.

De oorlog in voormalig Joegoslavië, die ik in de jaren negentig – van 1993/4 tot aan de Kosovaarse secessieoorlog in 1999 en de Macedonische twisten in 2001 – van nabij heb meegemaakt en verslagen voor oa. de Volkskrant, De Morgen en RTL Televisie, heeft zich, net als die in Koeweit, Afghanistan en later Irak, uitstekend geleend voor een Hemingway-achtige benadering – al was het dan bij vlagen. Voor een permanent tromgeroffel duurden de oorlogen telkens weer te lang. Maar hoe pittoresk en fotogeniek waren de decors – de prachtige, historische steden die zienderogen verwerden tot kadavers. Hoe huiveringwekkend de graatmagere lichamen achter het  prikkeldraad van Prijedor. Hoe ontroerend de champagnefles die ontkurkt werd in een Sarajeefs hotel toen het akkoord van Dayton eindelijk getekend werd. De rechtvaardigheid die alsnog zegeviert!

Het laatste voorbeeld, dat van de champagnefles, toont mooi aan hoe het nieuws in de oorlog haar eigen werkelijkheid kan creëren. Na vier jaar rampenverslaggeving was het, zo vond men op het CNN-hoofdkwartier in Atlanta, nu toch de beurt aan het goede nieuws. Dus filmde men hoe de eigenaar van een hotel (hetzelfde hotel Bosna waar toevallig ook de nieuwscrew bivakkeerde) een champagnefles ontkurkte. Beelden die, ook al wilde de champagne niet echt schuimen, wereldwijd dagenlang in eindeloze herhaling te zien waren. Dat in Sarajevo bijna niemand blij was met het gesloten akkoord – dat de agressors immers had beloond met een flinke hoeveelheid land en dat hun doelstelling van een etnisch opgedeeld Bosnië ook nog eens leek in te willigen – drong bijna nergens meer door. Het feit was weggedrukt door de beelden van de champagne.

Het onderscheid tussen fictie en werkelijkheid, tussen media-event en werkelijke gebeurtenis is in een oorlog, waar de waarheid als eerste sneuvelt, zelden nog expliciet duidelijk. Het meest extreme geweld dat ik in Sarajevo te zien heb gekregen trof ik niet aan op Snipers Avenue, in de loopgraven op de heuvels, of bovenop Mount Igman. Ik aanschouwde het in een morsige kleine bioscoop. Natural Born Killers draaide er, van Oliver Stone. De ratelende machinegeweren van deze bloederige film mengden zich met de werkelijkheid van doffe knallen die af en toe buiten nog te horen waren.

Toen de stadsbewoners in september 1995 de Navo-vliegtuigen hun bombardementen zagen uitvoeren op Servische doelen, was de reactie van velen dat het `precies zo was als in de film’. De werkelijkheid leek op iets wat men elders al eens had gezien. Het scenario was bekend, de voorstelling leek al vaker gespeeld. Een Bosnische producer van een onafhankelijk filmcollectief stelde dat de vele Amerikaanse films en tv-series waarmee iedereen in zijn stad was opgegroeid, mede van invloed zijn geweest op de manier waarop men er veel te lang van uitging dat de goede kant het vanzelf wel zou winnen. Dat was immers wat de films hadden geleerd. De Navo-vliegtuigen kwamen, na vier jaar, te laat om nog van een overwinning te kunnen spreken. Het land en de stad waren toen al finaal kapotgemaakt.

Inmiddels is Sarajevo na de oorlog verworden tot een permanent, gestadig filmdecor. In februari 1996 werd er de speelfilm Perfect Circle opgenomen van de Bosnische regisseur Ademir Kenovic. Daarna kwam Michael Winterbottom uit Amerika overgevlogen voor opnames van zijn tearjerker Welcome Sarajevo. En een paar jaar later was er Richard Gere die Karadzic speelde in een verfilming van een bounty-head journey into the darkness, gebaseerd op ervaringen van radioverslaggever Harald Doornbos en een paar kornuiten die hoopten de jackpot van 20 miljoen dollar te kunnen winnen die er op het hoofd van de maffe psychiater gezet was door de Amerikaanse autoriteiten. Drieentwintig featurefilms over de oorlog zijn er sinds de akkoorden van Dayton in Sarajevo gedraaid. Werk is er nauwelijks, maar de Sarajevi kunnen te allen tijden geld bijverdienen als figurant-slachtoffers door hun lichamen te besmeuren met nep-bloed. Ze kunnen een rol spelen in films die tot voor kort hun dagelijkse werkelijkheid waren.

Ook tijdens de oorlog kon je je afvragen of de werkelijkheid geen slecht geregisseerde en gespeelde film was. Kijk alleen al naar het air waarmee tweederangs acteurs als een geflipte neuroloog-dichter (Karadzic) of een paranoïde berenjager (Mladic) hun sprong op het toneel waagden! Het toneel waar ze, mede dankzij het strelende oog van de camera’s, niet meer vanaf waren te slaan. Hoe kon men verwachten dat ze hun eigen leugens zouden inslikken, zolang de internationale pers hun retoriek van wereldweide klank bleef voorzien?

De Serviërs noemen retoriek ook wel `de taal van het circus’. Dat is wat de oorlog in Bosnië was; een circus. Ze moeten hebben genoten, daar in Pale, van alle kunstjes die ze konden flikken. De beren die ze konden laten dansen, en neerschieten. Tijdens een enkele dag in de piste konden Karadzic en Mladic op meer aandacht rekenen dan in alle dagen van hun carrières voor de oorlog bij elkaar.

De regisserende, sturende rol van de media raakt zelden bekend, omdat noch de media noch de hoofdrolspelers erbij gebaat zijn die te onthullen. Een enkele keer komt er iets aan het licht – zoals in het geval van de ikonische foto van de vallende Republikeinse gardist in de Spaanse Burgeroorlog. Gemaakt – in scene gezet door Hemingway’s boezemvriend Robert Capa. Of de prijswinnende foto van een haveloos uitziende Noord-Ierse vrouw die een Britse soldaat in het gezicht schreeuwt en spuugt. En daartoe nauwgezet geinstrueerd bleek door de fotograaf. Zulke foto’s vallen, vroeg of laat,  door de mand, en collega-reporters bijten hun tanden stevig op elkaar om niet te hoeven zeggen welke van hun foto’s of reportages op een soortgelijke manier tot stand zijn gekomen. Velen zullen zich er niet eens schuldig door voelen. Het lijden moet zo gepresenteerd worden dat het effectief wordt, dat mensen stil blijven staan. Wat heeft het anders voor zin om je hals te wagen voor een foto of reportage?

Berekening is een conditio sine qua non. Emotie is het doel, maar aan het front – in the line of the fire – is het taboe. Met tranen in je ogen kun je niet scherp stellen, zei Philip Jones Griffiths een eeuw geleden al. Wie in oorlogsgebied zijn emoties de vrije loop zou laten, werkt zichzelf in de nesten. Hij houdt het niet lang vol, loopt belangrijke momenten mis of brengt zichzelf en anderen  in gevaar omdat hij niet snel genoeg handelt. Een klare, koele geest is noodzakelijker dan een kogelvrij vest. Zoals Ernest Hemingway in Across the River and into the Trees zijn Amerikaanse kolonel Richard Cantwell in Venetië na de Tweede Wereldoorlog laat zeggen: ‘Het is allemaal zo ontmoedigend als de pest. Maar je wordt in dit vak niet verondersteld een hart te hebben.’

De bekende Britse oorlogsreporter Martin Bell heeft, letterlijk, een boek opengedaan over de regiewetten die zijn opdrachtgever, de BBC, hanteerde bij de verslaggeving van de oorlog in voormalig Joegoslavië. In zijn boek In Harm’s Way. Reflections of a War Zone Thug (Hamish Hamilton 1995) geeft hij aan hoe absurd streng de richtlijnen waren over wat wel vertoond mocht worden voor een bepaald tijdstip, en wat niet. Bell kreeg de indruk dat men op de redactie drukker bezig was met het handhaven van de richtlijnen dan met het verslaan van wat er werkelijk gebeurde. Zo mochten er voor negen uur bijvoorbeeld `geen lijken met bloed’ vertoond worden, iets wat in het geval van een slachting toch moeilijk kon worden voorkomen.

In Harm's Way.Bell.cover

Hoe langer de oorlog duurde, hoe banger de BBC werd om de verschrikkingen van de oorlog in beeld te brengen. `In onze angst mensen te shockeren,’ schrijft Bell, `lopen we het risico hen op zeer gevaarlijke manier te misleiden.’ Martin Bell noemde de Balkan niet voor niets `the media-manipulation capitol of the world.’

De beelden die ons uit de oorlog bereiken, zijn uiteindelijk altijd gefilterd door de blik van de verslaggever of zijn redactie. Ze zijn per definitie vertekend, gepolijst, geregisseerd of (wat op hetzelfde kan neerkomen) gecensureerd. Martin Bell betoogt dat alle richtlijnen en zelfcensuur de oorlog op tv een stuk minder afschuwelijk doen lijken dan ze werkelijk is. `Het weglaten van de verschrikkingen,’ betoogt Bell, `maakt de oorlog acceptabel en dat is onvergeeflijk. We tonen soldaten die schieten, bang bang. We tonen niet wat er aan de andere kant tegelijkertijd gebeurt. Dat maakt de oorlog mooier dan ze is. Oorlog is ook in werkelijkheid een zaak van slechte smaak, waarbij slachtoffers die doodbloeden dat niet gracieus buiten beeld doen. Wie dat niet laat zien, vervalst de wereld om ons heen.’

EH5408P

Hemingway met Joris Ivens tijdens de Spaanse Burgeroorlog in 1937

De oorlog, zoals die uiteindelijk in de huiskamers belandt, wordt geregisseerd. Wat telt is de uitvaart, die bepaalt de emotie. Niet de overledene. Mediageniek genoeg die oorlog, daar niet van, maar het leed moet gedoseerd, hier wat meer, daar wat minder. Belangrijkste criterium: het mag niet vervelen. Tegelijkertijd mag het ook weer niet teveel shockeren. De kijkers zouden de tv wel eens kunnen uitzetten, of weg kunnen zappen naar een ander programma.

De Belgische oorlogsreporter Dirk Draulans maakt zich bijzonder kwaad over alle hypocrisie in de media. `De tv wordt overstelpt met gewelddadige fictie,’ zei hij in een debat in de Balie in Amsterdam over oorlogsverslaggeving. `Dan komen er beelden binnen van gruwelijke gebeurtenissen die zich op dat moment reëel in Europa afspelen, en dan kan het niet. Dan is het te gruwelijk.’

Zelf had hij dit meegemaakt met een foto van een neergeschoten man die in zijn plas bloed lag. Draulans werd erop aangesproken door collega’s en zelfs door politici omdat hij de foto vol over twee pagina’s bij zijn artikel had laten publiceren in het weekblad Knack. Het paste niet, vond men, deze explicitering van het geweld in Bosnië. Draulans vertelde hen van de vrouw in Sarajevo die hij had ontmoet, die in de rij had gestaan bij de bakker op het moment dat daar, in 1993, een granaat neerkwam. Haar lichaam zat vol scherven. Zij verweet de westerse media dat ze zo weinig over de slachting hadden laten zien. Geen tien seconden maar tien minuten hadden de gruwelen op tv moeten worden getoond, volgens de vrouw. Dan had men een veel juister beeld gekregen van de werkelijkheid van de oorlog.

Martin Bell stuitte in Bosnië op nog een ander fundamenteel tekort van de oorlogsverslaggeving. Hij kwam erachter hoeveel de media NIET zagen, hoe dicht ze overal met hun neus ook bovenop zaten. Massaal waren ze aanwezig, samengepakt in Sarajevo in het Holiday Inn. En ook elders in Bosnië zaten de hotels vol met wereldpers. Toch konden er ongemerkt duizenden en duizenden mensen verdwijnen. Toch vonden er dingen plaats die niet gezien en verslagen werden – ook omdat men de verhalen die doorsijpelden soms niet voor mogelijk hield. Als het er werkelijk op aankwam waren ook de verslaggevers blind. Ziende blind, als de hoofdfiguur uit Sophocles’ beroemdste tragedie.

De connectie met de maniakale doorzetter Oedipous – die zichzelf de ogen uitstak – is in het geval van tv-verslaggever Martin Bell niet gratuit. De Engelse oorlogscorrespondent (`Our eye on the war’ zoals de BBC hem trots noemde) was degene die, na in zijn onderbeen te zijn geraakt door een rondvliegende granaatscherf, zijn dagelijkse reportage achter de Holiday Inn per se wilde afmaken. Niet toevallig dat juist deze man die zo bezeten was van zijn taak om de oorlog – koste wat kost – te verslaan, zo openlijk het visuele tekort van de oorlogsjournalistiek aan de kaak heeft durven stellen. Verslaggever Peter Arnett, die in Sarajevo niet langer dan tien minuten zijn hotel uit mocht van zijn (voormalige) werkgever CNN voor commentaren op beelden die anderen voor hem schoten, heeft men niet op zulke ontboezemingen kunnen betrappen.

Eens zag ik een fascinerend interview op een Engels tv-kanaal met Martin Bell, waarin presentatrice Selina Scott wilde weten of Bell zich wel realiseerde hoe het voor zijn dochters moet zijn geweest toen ze de verwonding van hun vader op het journaal – live, in real time – zagen gebeuren. Die ervaring, bekende Bell, was voor hen zo afschuwelijk dat hij voortaan bij iedere reportage de ogen van zijn naasten op hem gericht voelde. Het maakte een einde aan zijn onbevangenheid als oorlogsverslaggever. Selina Scott vroeg hierna wat voor effect de oorlog uiteindelijk op Bells privé-leven had gehad. Beleefd antwoordde de verslaggever: `Ik denk dat u dat beter aan mijn twee voormalige echtgenotes kunt vragen.’

EH 2723P

In het licht van deze voorbeelden van de onvermijdelijke sturende, verstorende of participerende rol van de media in eender welk majeur gewapend conflict, is het goed om nog eens te beseffen dat Hemingway – zowel een gevierd conflictreporter als een gelauwerd schrijver van fictie – de fictie hoger aansloeg als middel om de waarheid – de diepere waarheid die onder de feiten ligt verscholen – te beschrijven en aldus te traceren. Kleinzoon Sean Hemingway schrijft in zijn heldere introductie tot het verzamelboek Hemingway on War:

“Hemingway did not believe that being a journalist was as important as writing fiction. In fact, he believed that a writer had only so much creative “juice” and that, after a certain point early in one’s career, one should not waste one’s talent writing journalism when one could be writing fiction instead. In his own words, “A writer’s job is to tell the truth. His standard of fidelity to the truth should be so high that his invention, out of his experience, should produce a truer account than anything factual can be. For facts can be observed badly; but when a good writer is creating something, he has time and scope to make it of an absolute truth.” (Ernest Hemingway ed., Men at War (first published 1942, Bramhall House edition New York 1979) p. xiv

Hemingway wilde waarachtig schrijven over alle onderwerpen, waaronder in het bijzonder het onderwerp van de oorlog en het effect ervan op zijn tijd. Hij wijdde de bloemlezing Men at War aan zijn drie zonen, zodat ze een boek zouden bezitten “dat de waarheid zal bevatten over oorlog zo dicht als we maar bij die waarheid kunnen komen. Het zal niet de ervaring zelf kunnen vervangen. Maar het kan lezers op de waarheid voorbereiden en die waar nodig aanvullen en preciseren. Het kan dienen als een correctie op de ervaring. ”

Hetzelfde kan gezegd worden van eigen werk Hemingway’s. Het kan niet de ervaringen vervangen van mensen die in de door oorlog verscheurde eerste helft van de vorige eeuw hebben geleefd. Maar zijn werk biedt ons wel de mogelijkheid om de waarheid omtrent die oorlogen zo dicht te naderen als maar mogelijk is.

Planet Sarajevo, by Sahin Sisic

Planet Sarajevo, by Sahin Sisic

De buitenlandse journalisten die naar Sarajevo kwamen om er te fungeren als onze even gretige als ook gebrekkige, halfblinde ogen zijn in Sarajevo nooit echt populair geweest. Ook ikzelf heb kunnen ervaren hoe moeilijk het was om het vertrouwen te winnen van mensen die zich ondanks alle gewurm van de internationale pers volledig in de steek gelaten voelden. Lopend door de stad heb ik me regelmatig gevoeld als een hoerenloper – spiedend naar de bevolking die in al haar misère als het ware naakt achter de kapotgeschoten ramen zat te wachten. `Jullie journalisten willen niets liever dan deze stad bezoeken,’ zei mijn buurvrouw in Sarajevo, `en jullie lopen hier opgewekt en nieuwsgierig rond, terwijl wij niets liever willen dan de stad verlaten.’

De meeste novinari bedoelden het goed, en velen hebben de bevolking zeker vooruit geholpen. Door brieven mee te nemen, geld, voedsel, door mensen het land uit te krijgen. Een heel aantal oorlogsjournalisten is in voormalig Joegoslavië verliefd geworden of getrouwd. Hun betrokkenheid tot de oorlog groeide met de jaren, tot de oorlog hen in zich had opgeslokt en ze eigenlijk niets meer konden dan blijven (meevechten en lijden) of vertrekken. Zoals de oorlogsfotografe die in Mostar zes maanden lang met de bevolking doorbracht in de schuilkelders en daar de man van haar leven ontmoette. Toen de beschietingen ophielden heeft ze haar geliefde onder de bank van een auto van een bevriend journalist geduwd en de stad uit laten rijden. Zelf ging ze er direct achteraan. Het betekende het einde van haar beroep als verslaggever.

Fotografen in tijden van oorlog.cover

Anderen hebben zich openlijk a la de stoere Papa Hemingway opgegeild aan het gevaar. Ze reden in hun auto langs het front, zeilden met klimtouwen langs de gevels van kapotgeschoten gebouwen of jogden door straten waar sluipschutters op de loer lagen. Enkele van deze minnaars van het kwaad komen in beeld in de grandioze film die de Frans-Zwitserse cineast Marcel Ophuls in 1994 maakte over verslaggevers in Bosnië, Veillees d’armes, met als ondertitel: The Troubles We Have Seen (Histoire du journalisme en temps de guerre). Geen ander heeft zo scherp als Ophuls doorzien hoezeer de oorlog, ook voor de journalisten, het podium vormde voor een intricaat maskerspel. Een lied van schijn en wezen.

Ophuls’ expeditie bestond eruit achter de schermen te kijken bij degenen die tot taak hebben achter de schermen te kijken. Daarbij wist hij op een aantal punten op effectieve wijze het beeld te doorprikken dat de westerse media van zichzelf koesteren. Een van die punten deed hem belanden bij de ijdelheid van bekende tv-journalisten, voor wie de stand up (het zelf voor de camera verschijnen tijdens een reportage) vaak belangrijker is dan het nieuws zelf. Ophuls liet de kritiek op deze ijdeltuiterij in zijn film verwoorden door een acteur; Philippe Noiret, die vanaf de set van een film de tv-journalistiek `un syndicat d’autopromotion et d’entre promotion’ noemt. De journalisten, met hun gedrang voor de camera, moesten zich maar eens wat meer bij hun leest houden, zei hij. `Les stars, c’est nous.’

- The troubles we've seen : a history of war-time journalism = Veillées d'armes : histoire du journalisme en temps de guerre.

– The troubles we’ve seen : a history of war-time journalism = Veillées d’armes : histoire du journalisme en temps de guerre.

Patrick Chauvel, een Franse fotograaf met dertig jaar oorlogservaring, zegt tegen Ophuls: `Ons narcisme is perverser dan dat van de sterren. Wij zien onszelf door de anderen. Maar hun narcisme is totaal. Die mannen zijn al bezorgd over hun make up voordat het vliegtuig geland is.’

Ophuls brengt het gesprek op de beelden van de oorlog die om het publiek te bereiken automatisch deel gaan uitmaken van een mediacircus of `informatiespektakel’.

`Ik ben tegen dat spektakel,’ bromt Chauvel.

`Natuurlijk ben je tegen’, is het antwoord van Ophuls. `We zijn allemaal tegen, en we maken er allemaal deel van uit.’

Chauvel blijft ontkennen. Hij waakt ervoor, zegt hij, dat zijn foto’s tentoon worden gesteld op gelegenheden waar bezoekers met een glas champagne in de hand hun afschuw uitspreken over de ellende in de oorlog.

De regisseur confronteert Chauvel hierop met een uitspraak van de Amerikaanse oorlogsfotograaf Don MacCullin, die zei: `Ik ben van nature pessimistisch en zie eigenlijk nauwelijks meer toekomst voor de fotojournalistiek.’ Hij bedoelde, legt Ophuls uit, dat na enige tijd de mensen van alle ellende die journalisten over hen uitstorten volkomen afgestompt zouden raken.

`Daar zullen we dan eens wat aan gaan doen,’ is het koelklinkende antwoord van de Franse fotograaf. On va s’en occuper  En hij voegt er droogjes aan toe: `Voorlopig hoeven we nog niet te vrezen dat we werkeloos zullen worden.’

Ophuls hoeft van Chauvel niet te verwachten dat hij stopt met het schieten van gruwelijke beelden, zoals MacCullin, die zich op een gegeven moment `veroordeelde tot de vrede’ en alleen nog maar wijdde aan expressionistische landschapsfotografie. `Ik ben geen kunstfotograaf,’ zegt Chauvel. `Ik ben misschien zelfs wel geen goed fotograaf, technisch gezien. Maar ik ben wel een goede getuige. De camera is voor mij slechts een instrument. Just get it clear and sharp, dat is mijn taak. Ik maak er bewust geen kunst van.’

Morgue of Sarajevo. Photo by Teun Voeten

Morgue of Sarajevo. Photo by Teun Voeten

Misschien wel het indringendste portret in de documentaire betreft ene Paul Marchand, een Waalse radio-verslaggever en Hemingway lookalike die je aan een klimtouw door de tientallen meters hoge hotellobby van het Holiday Inn ziet zeilen. `Na een tijdje wordt ook Sarajevo saai,’ is het stoere commentaar van  de Belg voor de camera. Niet alleen de lobby, ook de twin towers van het Energoinvest-gebouw aan Snipers Avenue, ieder 23 verdiepingen hoog, werden door de onverschrokken Belg beklommen.

`Maar er zijn daar toch sluipschutters?’ vraagt de regisseur enigszins onnozel.

`C’est ça le jeu,’ antwoordt de journalist met een dikke Castro-sigaar tussen zijn lippen. `Als je met de Dood speelt, iedere dag, als je hem recht in z’n smoel kijkt en zegt: kijk me aan, ik ben er klaar voor, ik ben niet bang voor je; dan laat hij je alleen en zegt tegen zichzelf: “Ok, dat verslaggevertje daar is er klaar voor. Maar ik heb het momenteel te druk. Ik houd me eerst met wat anderen bezig.” Tot nu toe heeft die brutaliteit gewerkt. En als ik morgen geraakt word, dan hoop ik dat ik nog genoeg leven in me heb om de collega’s in het gezicht te spugen die zeggen: “deze jongen was dit, deze jongen was dat.” Nee, deze jongen was helemaal niets van wat dan ook. Hij gokte. Hij verloor. En basta cosi.’

Holiday Inn, Sarajevo 1993. Photo by Teun Voeten

Holiday Inn, Sarajevo 1993. Photo by Teun Voeten

Terwijl de woorden van de Belg nog nazinderen, zoomt Ophuls in op de manager van het Europees communicatiebureau in Sarajevo, die koel en onbewogen reageert; `Marchand,’ zegt hij, `ziet de oorlog meer als een spel dan als ellende. Het is typisch de attitude van een mannelijke reporter die meer Hemingway gelezen heeft dan goed voor hem is. Ik denk dat je nooit dezelfde uitlatingen krijgt met een vrouwelijke verslaggever.’

Martine Laroche-Joubert bestrijdt dit. `Er is niet zoiets als mannelijke oorlogsverslaggeving en vrouwelijke oorlogsverslaggeving. Er zijn enkel goede en slechte journalisten. Het is niet makkelijk de macho uit te hangen op Snipers Avenue. We zitten hier allemaal in dezelfde fuik.’

In 1993 werd Paul Marchand door een sluipschutter geraakt. Iets wat overigens niet in de documentaire wordt vermeld. Marchand verloor de gok, maar niet zijn leven. Op het ene been dat hem resteert, hobbelt hij vrolijk verder van oorlog naar oorlog over het oppervlak van onze oorlogszuchtige planeet.

Voor veel buitenlandse journalisten moet de oorlog bijna een gevoel van adel hebben gegeven, vanwege alle privileges die het korps (altijd zichtbaar onderscheiden met tal van accreditaties en pasjes) kon genieten. Ze konden vrij rondreizen in gebieden waar de bevolking crepeerde en in de val zat. Ze konden de reddende engel uithangen, de gulle westerling die vrouwen blijmaakte met een sigaret, mannen met een slok whisky. Ze konden verblijven in luxe Hotel Florida’s waar ongeacht de hongersnood iedere dag drie warme maaltijden werden geserveerd. Ze konden met een satelliettelefoon of een laptop op de achterbank in een al dan niet gepantserde wagen langs check­points rijden waar `gewone’ burgers nooit voorbij konden komen. Een Nederlandse verslaggever hoorde ik ooit pochen over `de gouden rolstoel’ die hem wachtte als hem iets zou overkomen. Hij was immers verzekerd voor zo’n elfhonderd gulden per dag.

De man liet zich bij voorkeur in een taxi naar het front rijden, kwam keurig voor etenstijd weer teruggekeerd. Na het diner zoop hij zich zat in de lobby `om zich beter te kunnen mengen met de omgeving’. De Nederlander noemde zichzelf `een impressionist, die zijn werk goed doet. En dan moet er ook niet gezeurd worden over poen. Je moet gewoon behoorlijk betaald worden, in een goed hotel kunnen bivakkeren. Ik vind dat ik daar recht op heb.’ In de negen dagen dat hij in Sarajevo verbleef, joeg hij er tienduizend Duitse Mark doorheen.

Sommige journalisten begonnen er werkelijk in te geloven, in hun adeldom. Ze begonnen zich na verloop van tijd te gedragen als een soort Lord Byron in Missolinghi, Hemingway in de velden rond Udine, of als een kolonel Kurtz in de rimboe of Cantwell in Venetie. Ze lieten zich verleiden tot de aanschaf van wapens, maakten misbruik van hun machtspositie door de plaatselijke bevolking te chanteren of seksueel te intimideren. Ze zonken steeds verder weg in het moeras van redeloosheid dat oorlog is. Ze lieten zich bedwelmen door de roesdampen die opstegen uit de arsenalen der veroveraars. Ze deelden in zwarte handel en raakten bevriend (of veinsden dit) met de meest louche en misdadige van de hoofdrolspelers. Sommigen gingen zover, zoals de Russische dichter Victor Limonov, dat ze vanuit de heuvels juichend granaten afschoten op de bevolking in het dal.

In de film van Ophuls zien we buitenlandse journalisten in het restaurant van de Holiday Inn in Sarajevo uitleggen hoe gemakkelijk het is om te vergeten hoe de werkelijkheid daarbuiten eruit ziet. John Burnes, correspondent voor de New York Times, vertelt met mes en vork in de hand dat de belegering van Sarajevo een ervaring is die hij voor geen goud had willen missen. `Wij hebben de tijd van ons leven,’ hoor je hem enthousiast zeggen. Burnes kwam uit de oorlog tevoorschijn als een gelauwerd verslaggever. Met zijn Bosnië-reportages won hij de Pullitzer Prize. Ook voor hem was Sarajevo het circus waarin hij aan een trapeze door de nok kon zweven.

De Fransen in de documentaire noemen zich, half gekscherend, half serieus `ambassadeurs’: `We vertegenwoordigen toch uiteindelijk de Franse cultuur,’ verduidelijkt Jean Jacques le Garreau van het net France 2. Le Garreau zegt hij dat nooit naar Bosnië vertrekt zonder wat potjes mosterd en enkele flessen champagne in zijn bagage. `Pour mettre au frais,‘ zegt hij doodleuk, `il ne faut qu’ouvrir la fenêtre, et le champagne est excellent.’ Le Garreau vertelt hoe zelfs de honden van Sarajevo in de gaten kregen dat er bij de Fransen in het tv-gebouw de beste kost te halen viel. Over twee van de beesten ontfermde hij zich. Hij noemde ze Mackenzie, naar de Canadese generaal, en Carrington, naar de bemiddelaar.

Wat in de film op pijnlijke wijze duidelijk wordt, is hoezeer journalistiek in oorlogstijd van betekenis verschilt voor buitenlandse en inheemse journalisten. Terwijl in het verwarmde restaurant van de Holiday Inn internationale verslaggevers geanimeerd discussiëren over de aantrekkingskracht van de oorlog, de adrenalinekick en het `prachtige verhaal’ dat voor het oprapen ligt, werken twee verdiepingen lager, in de vrieskoude kelder, journalisten van Oslobodenje in 14-uurs ploegendiensten om ondanks een totaal gebrek aan mankracht en middelen toch hun krant te kunnen laten verschijnen.

Hoezeer de oorlog voor de buitenlanders ook een spel mocht zijn (rock ’n roll, zoals Marchand het noemde), voor de plaatselijke bevolking was het allemaal echt. `We proberen te overleven,’ zegt een redactrice van Oslobodenje in de film van Ophuls. `Ik vecht niet, maar ik maak een krant. Zo behoud ik mijn zelfrespect.’

`Wij zijn geen helden,’ zegt een andere redacteur van dezelfde krant die de regisseur rondleidt door de ruïnes van het ooit zo imposante redactiekantoor bij Ilidza. `De moed is pas gekomen met het verstrijken van de tijd.’

Voor een niet gering aantal journalisten gold het conflict in Bosnië als een waarachtige therapie tegen de  blaséheid. Anderen gebruikten de oorlog als een doeltreffende kalmeringstherapie voor innerlijke conflicten. Een Franse verslaggeefster voor TF1 bekende aan Marcel Ophuls dat ze besloot naar Sarajevo te gaan in een poging haar echtelijke problemen te vergeten. Dirk Draulans beschrijft in zijn boek Welkom in de hel, hoe hij op zijn tocht langs de Bosnische frontlinies tijdelijk verlost is van zijn pijnlijke liefdesverdriet voor een Scandinavische `Anne Brit’.

De keuze om naar de oorlog te gaan komt natuurlijk lang niet altijd voort uit morsige motieven. NRC-Handelsblad journaliste Marion van Royen vertelde tegen een collega hoe zij enorm met de oorlog in voormalig Joegoslavië in haar maag zat. `Er gebeuren de vreselijkste dingen, zo ongeveer om de hoek. Als journalist heb ik de idiote illusie dat het wat helpt om erover te schrijven. La remise en question des choses. Daar geloof ik oprecht in. Ik heb een ontzettende hekel aan dat verschrikkelijke cynisme van die zogenaamde doorgewinterde oorlogsjournalisten. Dat Kuifje-in-Tibet gedoe. Alsof het ze allemaal niets doet, alsof het toch allemaal niets uithaalt.’

De oorlog in voormalig Joegoslavië knaagde aan het geweten van velen. `We moeten getuigen. Dat is het doel van onze aanwezigheid hier’, zegt een serieuze journalist in Ophuls’ film die verslaggevers omschrijft als `legionairs’, en hun taak als een `roeping’. `We moeten getuigen. Opdat men later nooit zal kunnen zeggen, zoals destijds de Duitsers: we hebben het niet geweten wat er gaande was.’

In de zomer van 1999 vroeg ik aan de jonge Bosnische schrijver Nenad Velickovic, auteur van de boeken Sexpressionismus en Sarajevi Gastronauti, of hij zich nu, na de oorlog, niet in de steek gelaten voelde door de wereldpers aangezien de mediaspots al enkele jaren nauwelijks meer op zijn stad gericht waren. De reactie van Nenad was uiterst bitter. `De meesten van ons zagen de journalisten die Sarajevo bezochten als mensen die niet wisten wat ze er kwamen doen. Zo gedroegen ze zich. Ze wandelden rond met hun camera’s en waren er vooral op uit om spectaculaire beelden te schieten. Het waren jagers, mensen op safari. Bloed, slachtpartijen, granaataanvallen, de grote emoties, daar was het ze om te doen. Als het niet bloederig genoeg was, dan kwam het niet op tv. De journalisten toonden zich niet geinteresseerd in wat er echt aan de hand was. De oorlog werd door ons heel anders beleefd dan de grote kanalen als CNN hun kijkers wilden doen geloven. De journalisten hadden hun eigen redenen om naar de oorlog te gaan. Ik heb zelf geen enkele goede reportage over de oorlog gezien.’

De Bosnian writer Nenad Velickovic

Nenad Velickovic

`Dus als er ergens een oorlog uitbreekt, moeten we voortaan maar geen journalisten meer naar het gebied toe sturen?’

`Denk je echt dat Clinton in het Witte Huis zich iets gelegen laat liggen aan wat de tv hem die dag voorschotelt?’

Ik vroeg aan Nenad of de de journalisten de oorlog in Bosnië zijns inziens verlengd of verergerd hebben, door onbeduidende figuren als Karadzic, Koljevic en Mladic zolang de volle aandacht te geven. Ook op deze vraag antwoordde Nenad even vastbesloten als gepikeerd: `De pers kan een oorlog beginnen noch beëindigen. Evenmin kan ze hem verlengen. De media hebben geen werkelijke macht. Ze manipuleren slechts. De schrijvende pers in Bosnië heeft zeer beperkte invloed. Veertig procent van het land is geletterd en leest wel eens iets. Zestig procent niet. Van de tv kun je geen adequaat beeld verwachten. Toen we op de tv beelden zagen uit het belegerde Vukovar, konden wij in Sarajevo niet echt begrijpen wat er gebeurde. Mensen vanuit Joegoslavië kwamen naar onze stad om aan het conflict te ontsnappen. Afschuwelijk. Ik ben een verklaarde vijand van de tv, en kan uren en uren over haar nefaste invloed praten. De tv vergiftigt mensen. Sarajevo heeft dat duidelijk gemaakt. In een oorlog gaat het niet om de beelden, maar om de mensen. Ik heb huwelijken zien breken door tv’s die constant aanstonden, ik heb mensen vergiftigd zien worden, het toestel ontneemt mensen hun grip op de werkelijkheid, het zuigt mensen vol met haat of maakt ze apathisch en moedeloos. Om te weten te komen wat het weer buiten is, zetten mensen tegenwoordig de tv aan in plaats van dat ze zelf naar buiten gaan. Het is krankzinnig. Met de radiozenders is het anders. Die spelen bij ons vooral muziek, en dat vergiftigt minder…’

In 1997 las ik een ontwapenend artikel van Harald Doornbos in een Nederlandse krant, waarin hij beschreef hoe hij met tranen in de ogen Sarajevo definitief had verlaten. Aan de oorlog had hij alles te danken: zijn carrière, zijn auto, zijn vriendin, zijn mooiste herinneringen. Toch had zijn verblijf hem ook achtergelaten met een soort schuldgevoel. Terwijl hij zich al die tijd had overgegeven aan zijn verlangen naar Iets Groots, had hij geleefd in een samenleving waar de bevolking juist hunkerde naar het kleine. Een warme douche. Een kaars om de duisternis van de nachten mee te verdrijven. Een theelepel zout om de smaakloze deeggerechten van noodrantsoenen mee te verrijken. Een brief van familieleden die men drie jaar niet had gezien of gesproken.

Doornbos beschreef hoe zijn `arrogante keuze voor het grote’ en zijn `verachting van het kleine’ werd afgestraft toen een Bosniër tegen hem zei dat hij er al een jaar van droomde zijn hond gewoon te kunnen uitlaten zonder bang te zijn dat hij zou sterven. `Ik weet niet precies meer wat ik voelde,’ schreef Doornbos, `maar ik schaamde me dat ik naar Bosnië was gekomen.’

De keuze die hij vier jaar eerder had gemaakt om naar de oorlog te reizen omschreef hij nu als een `perverse’. Hij vergeleek het met een keurig getrouwd stel dat is uitgekeken op de bekende standjes en elkaar gaat vastbinden en met zwarte zweepjes gaat afranselen.

crutches-m

Vroeg of laat drukt de oorlog je met de neus op de feiten. Van toeschouwer word je tot betrokkene, van mediapersoonlijkheid tot een kronkelende huisvader, van een  idealistisch verslaggever word je tot een hoerenloper. `Maar dan ontdek je de dood, en dat het leven mooi is, en dat je zelf moet strijden om het te behouden.’ Zo citeert Marcel Ophuls onze held Ernest Hemingway (diens A Farewell to Arms) aan het einde van zijn documentaire.  “If

people bring so much courage to this world the world has to kill them to

break them, so of course it kills them. The world breaks everyone and

afterward many are strong at the broken places. But those that will not

break it kills. It kills the very good and the very gentle and the very brave

impartially. If you are none of these you can be sure it will kill you too but

there will be no special hurry.”

Ophuls spreekt deze woorden, terwijl we hem over de Piazza San Marco zien lopen in Venetië. Het is carnaval, de mensen dragen maskers en op het plein staat een podium voor commedia dell’arte. Aan het eind van de film stapt Ophuls op dat podium. De regisseur wordt commediant. Gemaskerd als Pantalone zingt hij een triest lied; `The Troubles You’ve Seen’. Aan de stem hoor je dat het Ophuls is die zingt. Maar je kunt hem ook herkennen aan zijn bril, het zware montuur dat rust op de groteske, naar beneden gekromde neus van het masker. Die dikke bril op dat masker, dat is het beeld dat ik van de oorlog in Bosnië zal behouden. Niets is wat het lijkt het te zijn, zeker in de duistere criminele wereld van de oorlog niet. Alles is theater. En alles zonde. Erfzonde, misschien wel.

Of zoals de meester zelf schreef in zijn farmhouse Finca Vigia op Cuba, in die augustusdagen in 1945 net na het droppen van de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki:  “We have waged war in the most ferocious and ruthless way that it has ever been waged. We waged it against fierce and ruthless enemies that it was necessary to destroy. Now we have destroyed one of our enemies and forced the capitulation of the other. For the moment we are the strongest power in the world. It is very important that we do not become the most hated. (…) An aggressive war is the great crime against everything good in the world. A defensive war, which must necessarily turn to aggressive at the earliest moment, is the necessary great counter-crime. But never think that war, no matter how necessary, nor how justified, is not a crime. Ask the infantry and the dead.

  • Hemingway’s foreword to a book entitled Treasury for the Free World

hemingwayquote.neverthinkthatwarisnotacrime

Lezing door Serge R. van Duijnhoven voor Afscheid van de wapenen

Over Hemingway in WOI en schrijven in tijden van oorlog.

Dinsdag 2 december 2014 20:00
Academiegebouw, Senaatszaal
Domplein 29, Utrecht

EH4369P

‘You know they say there isn’t anything funny about this war. And there isn’t’, schreef Hemingway op 18 augustus 1918 aan zijn familie. Hij lag toen al een dikke maand in een ziekenhuis in Milaan om te herstellen van de verwondingen die hij op 8 juli aan het front had opgelopen. Het voorval leek hem niet bepaald af te schrikken; de Grote Oorlog zou de eerste van in totaal drie grote oorlogen zijn waar hij met z’n neus bovenop zat.

A Farewell to Arms

http://viooz.ac/movies/25027-a-farewell-to-arms-1932.html

JASPER HENDERSON gaat in dit programma met Jan van Mersbergen, Serge van Duijnhoven en Geert Buelens in gesprek over de literaire verbeelding van de oorlog. Welk beeld geeft de schrijver Hemingway in zijn roman A farewell to arms? Hoe hebben anderen de Grote Oorlog verbeeld? Feit en fictie gingen bij Hemingway vaak hand in hand. En dat is bij de beeldvorming rond andere, meer recente oorlogen zoals in Vietnam of Irak niet anders. Journalistiek en literatuur bepalen in grote mate wat we over de oorlog te weten komen.

JAN VAN MERSBERGEN is schrijver en groot bewonderaar van Hemingways werk. Voor Morgen zijn we in Pamplona (2007), over een vluchtende bokser die bij de stierenrennen in Pamplona belandt, putte hij inspiratie uit The sun also rises.

SERGE VAN DUIJNHOVEN is dichter, schrijver en journalist. In de jaren negentig was Van Duijnhoven verslaggever in Sarajevo. Vanavond spreekt hij over het vak van oorlogscorrespondent met als leidraad Hemingway en A farewell to arms, een van zijn favoriete boeken.

Entree: €7,50 (incl. koffie/thee) / gratis (met Literatuurhuispas)
AFSCHEID VAN DE WAPENEN
Dé grote Amerikaanse roman over de Eerste Wereldoorlog

In zijn semi-autobiografische roman uit 1929 vertelt Ernest Hemingway het onvergetelijke verhaal van een Amerikaanse ambulancechauffeur aan het Italiaanse front en zijn liefde voor een Engelse verpleegster. Tegen de achtergrond van de onverbiddelijke oorlog schetst Hemingway een portret van hun onmogelijke liefde met een intensiteit die ongeëvenaard is in de moderne literatuur. Afscheid van de wapenen is een van de allermooiste anti-oorlogsromans ooit geschreven. Met deze herziene uitgave is Hemingways meesterwerk nu voor het eerst sinds 25 jaar weer verkrijgbaar in het Nederlands.

€15 | Atlas|Contact | tijdens het hele festival verkrijgbaar in de stand van boekhandel Savannah Bay

 

 

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s