Recensie: De heilige Rita – de nieuwe roman van Tommy Wieringa

Tommy Wieringa, De heilige Rita (De Bezige Bij 2017)

door Serge R. van Duijnhoven

 

Sinclair Lewis creëerde Gopher Prairie, een fictieve plek in het hart van Minnesota. James Faulkner plaatste vele verhalen in zijn verzonnen provincie Yoknapatawpha. En Tommy Wieringa schiep in zijn nagelnieuwe roman De heilige Rita (De Bezige Bij 2017) Mariënveen en de Waarmanslanden. Om alle drie de gevallen gaat het om mythische binnenlanden, even realistisch als gefabuleerd. Decors die de schrijvers baseren op de grond waar ze opgroeiden, maar die ze even soepel naar hun hand kunnen zetten als regisseurs het decor van een toneel. Mariënveen bevindt zich in het oosten van Nederland. Een grensgebied en desolate krimpregio aan het uiteinde van het koninkrijk, ver van zee. Waar iedereen die iets kan, vertrekt.

de-heilige-rita

Protagonist in deze hartverscheurende vertelling van Wieringa, is de negenenveertigjarige Paul Krüzen. Zoon van een flegmatieke leraar geschiedenis met een endemische vorm van heimwee, nazaat uit een roemloos ten onder gegaan geslacht van molenaars die toen er een sluis gebouwd werd in de Molenbeek, van lieverlee maar zijn gaan boeren. De woonst van Paul Krüzen is een verminkte boerderij waar twee van de drie gedeelten uit gesloopt zijn, en de rest nog amper overeind staat als een spookachtig staketsel op een winderige begraafplaats. “Zwaar rustte het pannendak op het huis… Schemerde het buiten, dan was het binnen al donker… Eens was het een trotse, driekappige Saksische boerenhoeve geweest, maar een voorvader die het slecht ging, had de kappen aan weerszijden laten slopen en alleen het middengedeelte laten staan… De deel had haar bestemming verloren en was geleidelijk aan vol komen te staan met in onbruik geraakte werktuigen. Vlak gesleten Bentheimer molenstenen, een hooischudder, een weidedrinkbak; het archief van mislukkingen van het geslacht Krüzen.”

 

Het Duitse plaatsje Stattau, dat een postkantoor en bordelen bezit, Kloosterzand, de Avermaten: de geografische pleisterplekken in het boek zijn volstrekt waarachtig beschreven, evenals het knauwende taaltje dat er gebezigd wordt. Geen zin teveel, galgenhumor, bitterheid en cynisme. De buren bestaan uit twee stokoude broers (Oude Wesselink), met een waterput op de deel en in de keuken een zoemende ketel op een komfoor. Wieringa:  “Ze waren zo oud als bomen, die broers, en even vriendelijk”. De andere spelers in het spel zijn twee maffiose figuren, Laurens Steggink en zijn enigmatische Russische secondant die op brute wijze rondrijdt in de Ferrari Testarossa van zijn baas. “Toen Steggink op een dag werd veroordeeld voor een wietplantage bij de ouders van zijn verloofde in de schuur en valse zaken op Marktplaats, was Paul niet verbaasd geweest. Niemand eigenlijk. Je zag het aankomen. Laurens Steggink had geen biografie maar een strafblad. Zijn ex deed het nog altijd in haar broek voor hem.”

In dit krimpgebied aan de Duitse grens heerst ledigheid en eenzaamheid. Paul Krüzen verdient zijn geld met de handel in curiosa en militaria. “Curosia”, staat er abusievelijk op het uithangbord geschilderd voor de oprit. De militaria zijn voornamelijk afkomstig uit de voormalige DDR. Uniformen, wapens, helmen, medailles, zendapparatuur, mortierhulzen. “Zelfs een Shermantank had hij gehad, maar met rijdend materieel was hij gestopt, op een Daimler Dingo na; te veel massa, te weinig marge;” In de schaduw van de bomen en zijn schuren vol ‘curosia’, houdt Paul zich onzichtbaar en bemoeit zich nergens mee. Naast het verzenden van paketten, bestaat zijn dagtaak uit het verzorgen van zijn aftakelende vader Aloïs. De mannen leven alleen, als achtergelaten strijders op een verlaten slagveld. De moeder van Paul en vrouw van Aloïs, heeft man en kind in de jaren zeventig pardoes in de steek gelaten. En alle contact verbroken. Ze is er met een Russische verstekeling vandoor gegaan, die op een avond in de zomer met zijn krakkemikkige sproeivliegtuigje in de maisvelden voor de boerderij was neergestort. Helemaal vanachter het IJzeren Gordijn was deze piloot aan komen vliegen. De scènes over deze sproeipiloot in zijn zelf opgetuigde Polikarnov die als een engel uit de lucht komt gevallen, en het huiselijk leven van de Krüzens voorgoed zal veranderen, behoren tot de  meest verbluffende in het boek. In deze passages is het of Wieringa een nieuw hoofdstuk toevoegt aan zijn succesroman Joe Speedboot. Wederom is het verhaal even mythisch als volstrekt waarachtig beschreven. Het levert schitterende stukken op van humor en tragiek, in minimaal afgebakende zinnen vol rake observaties. Wereldliteratuur, gegrondvest op gefabuleerde provinciale bodem. Wie het werk van de vroege Joseph Roth kent, of van Isaac Babel (De rode ruiterij), zal bewonderend smullen van de smartelijke scene waarin de carnavalsoptocht wordt beschreven waarin de dorpelingen een wagen bouwen met een replica van het sproeivliegtuigje waarmee de Rus uit de hemel kwam gevallen om neer te strijken tussen de noabers van Mariënveen. De Rus wordt bovenin de replica geplaatst en volgestopt met jenever en worst, tot hij bijna het leven laat. De optocht ontaardt als op een schilderij van Jeroen Bosch. Maar de Rus komt uit deze carnaveleske hellevaart tevoorschijn als een onvermoede overwinnaar: hij hinkelt weg van de boerderij, en wordt nagelopen door Paul´s moeder die haar gast huilend naloopt en om de armen vliegt. Vader en zoon blijven getraumatiseerd achter. Moeder verdwijnt uit hun leven, om nooit meer terug te keren.

Krüzens enige vriend is er een uit noodzaak en geboorte. Een armetierige kruidenier, die zichzelf verwaarloost en even lankmoedig is als in zichzelf gekeerd. Een jongen die niemand kwaad doet, maar zelf ook verstoken is van ambitie en karakter. Hedwiges Geerdink heet deze deerniswekkende man, op wie je niet kwaad kan worden. Zelfs al kan hij alleen nog maar aan je kop zeuren over wie er nu weer zijn overleden in de verre omgeving. Hedwiges en Paul vinden elkaar tijdens gezamenlijke vakanties en bezoekjes aan cafetaria Happytaria, die gerund wordt door een dorpeling die zijn liefdesgeluk heeft gezocht bij een geimporteerde Chinese vrouw en haar familie die hij er gratis bij kreeg. Als ook tijdens uitstapjes naar een louche bordeel net over de grens, dat uitgebaat wordt door die engerd van een Steggink en zijn Russische neanderthaler. Zoals Michel Houellebecq parenclubs en seksresorts beschrijft, schildert Wieringa ons de wereld van Club Pacha. Maar dan minder cynisch en claustrofobisch. Wieringa is subtieler en suggestiever. “In Club Pacha begon het leven elke avond opnieuw. Je hoefde je niet te verontschuldigen voor wat vorige keer was misgegaan. De score van gisteren was gewist.” Paul en Hedwiges vinden er verpozing en kortstondig geluk, tussen kwebbelende lellebellen uit Azie en Oost-Europa die tangaslipjes dragen waar de witte labels met wasvoorschriften nog aanzitten. Spil in het amoureuze web is de Filipijnse Rita, een hoer op leeftijd bij wie Paul zich beter op zijn gemak voelt dan bij wie ook. Hij heeft haar een kettinkje gegeven dat hij na een vakantiereis voor haar heeft meegenomen. Van de Heilige Rita van Cascia. Sta RITA ORA PRO NOBIS, staat er op het medaillon: Heilige Rita, bid voor ons. Rita was de patrones van de hopeloze gevallen, maar ook van onvruchtbare  vrouwen en vrouwen met een slecht huwelijk, slagers en vleeshandelaren. Paul Küzen overweegt om Rita bij zich in huis te nemen, ten huwelijk te vragen. Maar een onfortuinlijk verlopen geschiedenis met een andere Aziatische schone, staat hem in de weg. Twintigduizend Euro heeft die hem gekost, en ze ging vreemd bij het leven. “Zijn vader had haar aanwezigheid geduldig verdragen, en na haar vertrek alleen gezegd: ‘Daar kon je maar beter vanaf wezen. Die loog zoals de dag lang was.’ Met Rita zou het anders zijn. Ze was katholiek, net als hij, de nestgeur van de moederkerk. Hij vertrouwde haar, maar vroeg het haar niet; de eerste hoer in zijn huis had de toegang tot de tweede versperd.”

Alle dorpelingen in de sage van Wieringa, delen met elkaar dezelfde vorm van lankmoedigheid, solitariteit en vooral: gebrek aan ruggegraat. Ook Paul, die zich overal afzijdig van wil houden, lijdt hieraan. Tot hij door het noodlot op de proef wordt gesteld. En boven zichzelf uitstijgt. Het boek is niet alleen  een vintage-Wieringa, met stijlvaste hand geschreven in drieendertig bijbels aandoende hoofdstukken. Het speelt ook in een exemplarische grensregio, waar natuur en cultuur zich tot diep in de eenzame, verkommerende harten met elkaar vervloeien. En de bewoners er ternauwernood in slagen “om de gebreken heen te leven”. Alles geschreven in even gemarmerde als tot in het merg doordringende zinnen van zowel poëtische als filosofische kwaliteit. Het boek zit vol psychologische diepgang en sociale, historische wijsheid. Over het leegschrapen van de DDR, over de natuur en het wezen van een krimpgebied, over zielen die zich tegen krachten van de teloorgang nauwelijks nog dapper teweer kunnen stellen. Over de lotgevallen van een plattelandsbevolking aan het uiteinde van het koninkrijk, die zich plotseling gesteld ziet voor de problemen van een zich tomeloos versnellende en globaliserende wereld.

Wat bovenal meesterlijk  gedaan is, in deze roman, is de impressionistische wijze waarop de verlatenheid en eenzaamheid van de personages voelbaar wordt gemaakt. Mensen die niets lijken te hebben, en toch alles op zekere dag verliezen. En die de rest van hun bestaan de omvang van hun verlies proberen te overzien. Mannen en vrouwen die “de afstand tot verdwenen sterren meten”. Het is de generatieve grammatica van de nakende ondergang, die door Wieringa in dit boek stap voor stap wordt blootgelegd. Eerst komen de Chinezen het dorp in, in de jaren zeventig. Aan het eind trekken ze weer weg, omdat de krimpregio ook  voor hen niets meer te bieden heeft. De vader van Paul kwijnt en rot letterlijk weg, met het verlies van zijn vrouw in zijn hart gegrift. Paul´s enige vriend wordt overvallen en toegetakeld door twee mannen met bivakmutsen, die Hedwiges hebben horen pochen dat hij met zijn kruidenierszaak fortuinen zou hebben verdiend. Er wordt tachtigduizend Euro buitgemaakt, Paul´s vriend wordt halfdood achtergelaten in de vervallende hoeve met het naburige magazijn vol afgeprijsde blikjes Unox smeervlees en slagroomspuiten. “Dit is mijn leven, dacht Paul, ik hou de stervenden gezelschap.”

Even is er een opflikkering van hoop, als Paul bij de apotheek geholpen wordt door een vrouw die bij hem op de lagere school heeft gezeten. Ineke Wessels, een grijsgeworden deerne met borsten als kanonslopen. Hij herkent haar aanvankelijk niet, maar zij toont interesse in hem en belt hem op voor een afspraak. “Hij leunde achterover in de bank toen ze naar de keuken verdween. Praten vergde veel van je. Een mijnenveld was het. Toch vond hij het contact met Ineke Wessels onverwacht aangenaam. Ze had een dode man en kinderen die haar verlaten hadden. Ze droeg haar eenzaamheid waardig. Alleen aan de lichte hysterie onder haar stem hoorde je hoe het er met haar voor stond.” Paul heeft het bij haar naar zijn zin, en vraagt zich af of het huwelijk er ook zo uit zou zien, comfortabel en genoeglijk. “Voor zoiets was hij ook wel te porren, dacht hij als een autohandelaar die een kansje rook.” Maar als Paul de daad bij het woord of het verlangen moet voegen, gaat het mis. De machine hapert. “Van de kinderen die ze baarde en zoogde, van een dode man en het verstrijken van de tijd sprak het lichaam van Ineke Wessels, en grijs als as was haar schaamhaar. Naaktheid had een oude vrouw onthuld. Hij stootte toe maar zijn kracht vloeide uit hem weg, zijn hardheid, hij streed een verloren strijd. Een gelukkige dag ontsnapte hem, zijn deel van het geluk loste voor zijn ogen op.”

Wieringa is meedogenloos en empathisch tegelijk. Onder de oppervlakte van de krimpregio gromt en rommelt het noodlot. De ondergang is onontkoombaar, maar Paul Krüzen overwint de angst die zijn vader zijn leven lang parten heeft gespeeld. Hij stijgt bij de nadering van die ondergang, boven zichzelf uit. Tot hallucinerende proporties. Het einde doet denken aan het slot van de serie Breaking Bad, maar dan zonder de sproeiende kogelregen. We blijven achter in het gapende, dreinende hoofd van de hoofdpersoon. Hij staat gereed in een SS-uniform dat zijn eerste aankoop behelsde van zijn serie militaria, bereid de aloude Russische vijand mores te leren. Hij richt zijn Lueger op de nacht, vanwaar Iwan hem zal belagen. En is bereid de naderende crimineel de nachtmerrie van diens grootvader, te doen herleven. Om vervolgens te verdwijnen in de peilloze donkerte van de nacht. In de stilte van zijn eenzaamheid.

Een hartverscheurend en wijze roman van internationale allure, zoals alleen Wieringa die in Nederland kan schrijven.

 

Tommy Wieringa, De heilige Rita, De Bezige Bij, 284 p., 19,99 euro.

 

 

Advertenties

Vishnu’s amuse gueule en Ah-Pook’s lekkernij

De Nobelprijs voor de Vrede ging vandaag helemaal terecht naar de organistie ICAN. De internationale coalitie krijgt de prijs voor de inzet voor het beperken van de verspreiding van nucleaire wapens. Hier een essay dat ik schreef over de hernieuwde angst voor een op handen zijnde nucleaire apocalyps, de kristallijnen traan van Robert “Doctor Atom” Oppenheimer, over Ah Pook de Vernietiger, de problematische betekenis van het getal nul in de Mayacultuur, over Lucy Walker’s atoomdocumentaire Countdown to Zero, het utopisme van de Global Zero Movement en de ultieme poging van de mens om zich te verlossen van het nucleaire kwaad. Is het twee voor twaalf? Een moment voor nul? Of is het al te laat? Lees het hier:

Sergevanduijnhoven's Blog

essay van Serge van Duijnhoven

over de hernieuwde angst voor een op handen zijnde nucleaire apocalyps, de kristallijnen traan van Robert “Doctor Atom” Oppenheimer, over Ah Pook de Vernietiger, de problematische betekenis van het getal nul in de Mayacultuur, over Lucy Walker’s langverwachte documentaire Countdown to Zero, het utopisme van de Global Zero Movement en de ultieme poging van de mens om zich te verlossen van het nucleaire kwaad. Is het twee voor twaalf? Een moment voor nul? Of is het al te laat?

een beschouwing n.a.v. de documentaire COUNTDOWN TO ZERO van Lucy Walker, Lawrence Bender en de Global Zero Movement, die vanaf 23 juli as. in de Verenigde Staten en Europa in de grote filmzalen te zien zal zijn.

trailer van de film Countdown to Zero:

http://www.festival-cannes.fr/en/mediaPlayer/10332.html

“It is perfectly obvious that the whole world is going to hell. The only possible chance that it might not is…

View original post 5.168 woorden meer