De grote rokade

De afgelopen dagen werd het ons van alle kanten ingepeperd: op het schaakbord van de werkelijkheid zijn links en rechts sinds mei ’68 van koning en toren gewisseld. Een grote rokade heeft er plaatsgevonden. Kritiek en non-conformisme, van oudsher eigenschappen van links, eigent rechts zich nu toe. Links was vroeger een collectief project, rechts ging over individuele vrijheid. Denk aan Ayn Rand. Nu eist rechts aandacht voor de Gemeenschap. Terwijl links zich veelal verliest in symboolpolitiek ten aanzien van de grondrechten van ieder individu. Denk aan gender neutrale toiletten en de discussies over Zwarte Piet en onze besmette helden van weleer.

Ayn Rand Fountainhead cover2.jpg

         Links had in de jaren zestig en zeventig het engagement gekaapt. Nu kan de woede op rechts gededuceerd worden tot een verlangen naar betrokkenheid. “Een democratisch geschenk verpakt in prikkeldraad”, aldus David van Reybroeck in de docu-serie Onbehagen van Bas Heijne, “want het legt het verlangen bloot om mee te mogen tellen.” Floor Rusman schrijft in een scherpe analyse in NRC-Handelsblad van 11 mei “De tegencultuur van nu is op rechts actief”: Dolle mina´s wilden baas in eigen buik zijn, nieuw rechts baas in eigen hoofd. Thierry Baudet roept net als Hans van Mierlo in de jaren zestig op tot een “mars door de instituties”. Wie vandaag de dag anti-establishment wil zijn, rekent af met de politiek correcte cultuur die links al decennia verdrinkt in een vat honing. Uit angst om racistisch of islamofoob over te komen.

Provo2.jpg

         Het protest van toen had vaak een ludieke vorm, bedoeld om te provoceren. De provocatie blijkt vijftig jaar later nog steeds een probaat middel voor escalatie: kijk naar GeenStijl, PowNed en alle uitdagende prietpraat op het Internet. Doel van alle uitdaging: het doorbreken van rolpatronen. “Wanneer verontwaardiging ontstaat, beroepen de provocateurs zich op ironie. (…) Net als Provo, dat na alle politierellen een Vereniging Vrienden van de Politie oprichtte.” Dixit Rusman. Hedendaags links meent te spreken namens burgerlijk fatsoen, rechts heeft lak aan fatsoen en claimt op te komen voor de underdog: de vermorzelden in de molens van de hedendaagse geschiedenis, de woelratten in de ondergrondse bedding van het globalisme dat ons in onze gekende identiteit bedreigt. 

         Maar er zijn ook klaarblijkelijke verschillen. De opstand van mei ´68 was er een van bevrijding, vrede en liefde die collectief werden gevierd op happenings, sit-ins en popfestivals. Collectieve gebeurtenissen, in groepen waar het spannend toeven was. De opstand van het ressentiment speelt zich af op de steeds smallere bandbreedte van de eigen internetbubbel. Al leven we in de 21ste eeuw, mensen zijn nog steeds tribale primaten, wier leven zich van oudsher afspeelt in groepen niet groter dan zo´n 150 leden. Het wij-zij denken, is inherent aan onze soort. Als we medeprimaten zien als onderdeel van onze eigen stam, dan zijn we tot de meest menslievende daden in staat. Als we diezelfde primaten als vijanden zien die ons in ons bestaan bedreigen, tot de meest barbaarse. Politici en spindoctors weten dat als geen ander. Om verkiezingen te winnen, moeten de tegenstanders zwart worden gemaakt. En die haatboodschap dient, waar of niet waar, onophoudelijk te worden herhaald. Resultaat gegarandeerd. 

Hate

Het probleem is, dat haat een sterkere motivator blijkt dan liefde. Hoe verhevener en universeler de idealen, hoe afgezaagder en abstracter ze op ons overkomen. Cliché´s die veel weg hebben van leugentjes om bestwil. Illusies waar we ons aan vastklampen, maar die de schaduwzijden van ons dierlijke wezen veronachtzamen. 

    Het punt is: er kan blijkbaar geen gemeenschapszin bestaan, zonder een gezamenlijke vijand om zich tegen af te zetten. Wie de vijand is, is arbitrair. En kan in een oogwenk veranderen. Het verlangen naar verlossing, gaat hand in hand met de behoefte aan een zondebok. In ons post-truth tijdperk, zijn niet vrede en liefde de motoren van de emancipatorische beweging. Het is ons sentiment. Het zijn onze emoties. En geen sterkere emoties dan woede en haat. Ik doe een voorspelling. Een halve eeuw geleden beleefde de westerse wereld een zinderende Summer of Love. Het wachten is nu op een even zinderende maar veel meedogenlozer Herfst van de Haat.

Serge R. van Duijnhoven

 

 

Advertenties

Over Arjen van Veelen´s “Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken”

Arjen van Veelen´s “Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken” (De Bezige Bij 2017), is een boek dat ik vele malen wil herlezen. Van Veelen is een begaafd, beschaafd en toch onscrupulleus mysticus die tot de ziel der dingen door weet te dringen. Zelden las ik zo´n haarscherpe en villeine maar bloedeerlijke analyse van vriendschap en rouwbeleving in tijden van Internet en alomtegenwoordige zelfprofilering.

Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken.jpg
Het verlies van Arjen´s hartsvriend Tomas (een verwijzing naar de Vlaamse schrijver Thomas Blondeau) weet de schrijver op meticuleuze wijze te vervlechten met zijn zoektocht naar de resten van Alexander de Grote in Alexandrië. Wat zowel zijn vriend als de Macedoniër met elkaar verbindt, is hun “pothos”. Graecus en Latinist Van Veelen omschrijft het als “hunkering naar iets wat onmogelijk is”. Hij baseert zich hierbij op de definitie van Arrianus. Alexander zocht onsterfelijkheid, en de veel te vroeg overleden vriend had er zijn missie van gemaakt de dood recht in de ogen te staren. De dood dood te staren, zoals hij schreef.
Raar genoeg zijn beiden op een bepaalde manier in hun onmogelijke missies geslaagd. Alexander is een onsterfelijke held geworden, en Tomas´ blik is er een van eeuwige staar. Hij heeft meegemaakt en gezien, wat de schrijver van dit boek bij leven nimmer weten noch kennen kan. Een betere omschrijving van de Pothos die beiden voortjoeg, is mijns inziens “het verlangen om te ver te gaan”. Niet het bereiken van het doel is het doel, maar het verlangen om te verdwalen in een gebied waar niemand ooit van wederkeerde.

Thomas Blondeau.jpg

Thomas Blondeau, copyright NRC-Handelsblad

Tegen het slot van het boek is dit eigenlijk ook de conclusie van Van Veelen zelf. Als hij het karakter tegen het licht houdt van een andere ikoon uit Alexandrië in wiens sporen de schrijver treedt, de bezeten amateurarcheoloog Stelios die op eigen houtje tot aan zijn dood putten bleef graven in de stad op zoek naar de overblijfselen van de Grote Alexander, schrijft hij: “(Stelios) ging nog verder. Hij bereikte het hoogste wat een mens bereiken kan. Want ik kan maar één goede verklaring bedenken voor het feit dat hij door bleef zoeken, ook toen de pers verdwenen was. Stelios ging zo op in zijn missie dat het zijn levenswerk werd, hij kon niet stoppen. Hij was zo goed in het begoochelen dat hij zichzelf had weten te begoochelen – hij had bereikt waar Alexander vergeefs op hoopte. Hij was allang vergeten waarom hij zocht, maar zocht door, omdat het zoeken zelf zo plezierig was, het graven, het scheppen, hij was een kind in een zandbak… Ik stel me hem voor als een gelukkig mens.”

Kavafis project.jpg
Er zijn nog twee karakters, die een sleutelrol spelen in deze literaire anatomie van de rouw en van de ziel tout court. De Griekse dichter Kavafis en de mythische hedendaagse Arabische kunstenares Halcia. De stukken over de dichter zijn lyrisch en melancholisch van aard, net als diens mediterrane poëzie. Het kortere verhaal over Halcia, is van heel ander kaliber. Halcia´s foto´s uit haar project Strandgeheugen, waarvoor ze al dan niet pikante strandkiekjes collectioneerde uit de gouden sexy tijden van voor de islamitische contrareformatie, hebben de dappere kunstenares behalve roem (via Arjen Van Veelen´s boek) ook de dood opgeleverd. “Door een verdwaalde of niet verdwaalde kogel is Halcia in januari 2013 om het leven gekomen”, schrijft de auteur zakelijk. Ook deze dame (het bezoek vormt maar een kort intermezzo in het verhaal) is op haar manier een slachtoffer van haar Pothos geworden.

Obelisk Austerlitz
Archetypische symbolen en bikkelharde realiteit raken tijdens de speurtochten van de schrijver op intrigerende wijze met elkaar vervlochten. Het knapst gedaan is dit in het hoofdstuk over het bezoek dat de schrijver in gezelschap van zijn later overleden vriend aflegt aan de obelisk van het plaatsje Austerlitz bij Zeist. “Met Tomas voelde elk tankstation als Parijs, maar zonder hem voelde alles als vastziten in de lift met de verkeerde mensen.” Wat het zien van die obelisk bij Austerlitz uiteindelijk bij de schrijver van dit magische boek teweegbrengt, moet u beslist zelf lezen. Eigenlijk leiden alle punten van de bezochte monumenten, huizen, gangen en uiteindelijk zelfs zowat alle punten van de gebeeldhouwde zinnen die de hyperstylist Van Veelen in schrander gemonteerd tempo op ons afvuurt, tot een verbijsterende conclusie: mijn beste vriend moest sterven, es muss sein. Maar pas nadat en misschien wel omdat hij stierf, heeft de schrijver via de beschreven speurtochten tot aan de rand van vriendschap en dood, op schuifelende weg zichzelf kunnen vinden. Et resurrexit! Etiam pro nobis.
Dat heeft niets met spijt of schuld te maken (die laffe en gratuite levenskunst, schrijft Van Veelen op p. 73), maar alles met liefde, wijsheid en het afwerpen van innerlijke kettingen. Dit boek, dat zowel een pad van doorklievende persoonlijke rouw als van historische hermeneutiek bewandelt, brengt je op plekken van inzicht en verheffing waar je als lezer eigenlijk niet meer weg wilt. Dit boek wil ik altijd in mijn nabijheid hebben.

Serge R. van Serge Van Duijnhoven
Arjen van Veelen, “Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken” (De Bezige Bij 2017
ISBN 978 90 234 4860 0

Arjen van Veelen Twitter

Arjen van Veelen on Twitter