Bio

Serge R. van Duijnhoven (1970) is schrijver, dichter en historicus. Woonachtig te Brussel en Amsterdam, geboren in Oss (Noord-Brabant, NL). Oprichter van tijdboek MillenniuM. Verbleef in Sarajevo voor De Morgen en de Volkskrant. Debuteerde in 1993 met de dichtbundel Het paleis van de slaap (Prometheus) en een historisch portret van de laatste Ethiopische keizer Haile Selassie (Mets). Frontman van het muziekgezelschap Dichters dansen niet.

Serge van Duijnhoven was freelance medewerker van NRC-Handelsblad, De Groene Amsterdammer, Avro’s Opium en het International Feature Agency. Sinds 2008 brengt hij als “Man In Cannes” voor het door hemzelf opgerichte cinema-agentschap Cinema Redux verslag uit van de hedendaagse filmwereld voor uiteenlopende periodieke media in Nederland, Vlaanderen en Azië.

In het voorjaar van 2012 resideerde de auteur als writer-in-residence in Armenie, waar hij verhalen schreef voor het citybooks project van deBuren, alsmede voor Yerevan World Book Capital 2012. De auteur is als historicus verbonden aan het Hindenburgline-project, dat tussen 2016 en 2018 in diverse landen de Eerste Wereldoorlog gedenkt met artistieke exposities en literaire publicaties.

RECENTE PUBLICATIES van SvD:

Vuurproef – Dichters dansen niet (Nieuw Amsterdam 2014)

Avans200 Le Grand Tour 1812 – 2012 (Avans 2012)

Phil Bloom; leven en werk van een fenomeen (PB Foundation 2012)

Bitterzoet; een lyrische hommage aan Serge Gainsbourg (Nieuw Amsterdam 2011)

Wat ik zie kan ik niet zijn (Pels & Kemper 2011);  waarin de auteur als een literaire bioloog op expeditie gaat naar de bronnen van zijn Brabantse geboortestreek. Vervaardigd  in samenwerking met de bekende landschapsfotograaf L.J.A.D. Creyghton.

De zomer die nog komen moest (Nieuw Amsterdam 2007)

Klipdrift – Dichters dansen niet (Nieuw Amsterdam 2007)

Bloedtest – Dichters dansen niet (De Bezige Bij 2003)

Obiit in orbit; aan het andere einde van de nacht – Dichters dansen niet (De Bezige Bij/Djax Records 1999)

 

Serge van Duijnhoven gefotografeerd in de Kandelaarsstraat te Brussel, door Bart Azare

Serge van Duijnhoven gefotografeerd in de Kandelaarsstraat te Brussel, door Bart Azare

 

Websites:

http://www.dichtersdansenniet.eu

http://www.sergevanduijnhoven.wordpress.com

http://www.nieuwamsterdam.nl/sergevanduijnhoven

http://www.citybooks.eu/nl/artiest/p/serge-van-duijnhoven

http://www.reverbnation.com/dichtersdansenniet

http://www.hindenburgline.eu/1418.mobi/

 

foto: Igor Freeke

PERSSTEMMEN 

over Vuurproef (2014):

“Serge’s poetry progresses on the album in a kind of quest – questing for reflection in an excessively accelerated and largely lifeless world. Struggles through depression, addiction, meaninglessness and confusion, emergence into light through art, poetry, and deeper understanding. The orchestration of both music and voice in this album is fantastic – it’s seriously one of the best spoken word and music collaborations I’ve heard, in any language.”  – Lapkat (Australische radiopresentatrice) in haar radioprogramma La Danza Poetica – aflevering 019 getiteld “Northern Lights” d.d. 13.04.14

“Ik was sceptisch, maar uiteindelijk heeft het verhaal van de bundel me op eigen kracht overtuigd. De bijgeleverde cd bevat veertien nummers, slechts enkele op basis van teksten uit Vuurproef. Het blijft een moeilijk genre, die combinatie van voordracht en muzikale omlijsting, maar instrumentatie, timing, dictie en klankkleur (wat heeft Van Duijnhoven een mooie stem!) vormen hier een fraaie eenheid. Ook daar overwon ik mijn scepsis.” – Joop Leibbrand in Meander Magazine d.d. 11.04.14

“Het is goed om op gezette tijden even het oor te luisteren te leggen bij Serge van Duijnhoven, de Nederlandse dichter die ondertussen al jaren in Brussel woont. Met de gedrevenheid die hem kenmerkt, beschrijft en bezingt onze stadsdichter de honoris causa nog altijd de donkere en de verblindende kanten van stad en de wereld. » – Michaël Bellon in Brussel Deze Week, d.d. 20.03.14

“(…) deze CD laat zich beluisteren, niet vanuit bestaande ideeën maar vanuit een open staan voor nieuwe geluiden, teksten en belevenissen. Steeds als je denkt dat je dit trio doorhebt komen ze met iets volledig vreemds, zo anders dan het voorgaande en toch is het een geheel. De losse vellen geven inzicht in de mindset van de dichter, de CD geeft je een totaal beleving. Een die ik nog vele malen tot me ga laten komen, hier valt nog veel te ontdekken en te genieten!«   – Wouter van Heiningen in zijn poëzieblog  «Zichtbaar alleen », d.d. 24.02.14

 “Een losbladige dichtbundel met een cd: dat is óf volkomen gedateerd, óf zeer vooruitstrevend, maar het is in elk geval de vorm waarin het collectief Dichters Dansen Niet [5] de ‘bundel’ Vuurproef heeft uitgegeven. De teksten van Serge van Duijnhoven zijn belangrijk, maar de muziek is veel meer dan achtergrond en dat is maar goed ook. Het mengsel van jazz, dance en elektronische ambient muziek van Fred dB en Edwin Berg (met flink wat andere muzikanten) maakt van deze lastig te plaatsen ‘bundel’ een bijzonder ‘ding’ waar je – zeker met koptelefoon – wel even in kan verdwalen.” – Toef Jaeger in NRC-Handelsblad, d.d. 15.02.14

“Vuurproef aangekregen van mijn schrijfbroer Serge Van Duijnhoven, een cd van Dichters Dansen niet, een collectief mede opgericht door Serge, eindelijk de tijd gevonden om er naar te luisteren. prachtig geschenk…” – Jeroen Olyslaegers op Facebook

31e1bc8d3402ffe92dc57d07f78cafb6

over de auteur:

`Een belangwekkend schrijver.’ – Alfred Kossman in het Rotterdams Dagblad

‘ Als poëzie een tijdsbeeld moet schetsen, is Serge van Duijnhoven een Van Gogh die schildert met woorden. Het publiek moet geconfronteerd worden met de macabere werkelijkheid. Luister en huiver, zo wil hij het.’ – Jeroen Junte in Dance Update

 

‘De literaire duizendpoot Serge van Duijnhoven maakt als geen ander een groot avontuur van het gesproken woord. Zijn stem is een zwartgallige en  directe.  Hij spreekt zijn luisteraars aan alsof ze naar een preek luisteren. Met dit verschil dat Van Duijnhoven niet het evangelie predikt, maar het leven, rauw en zonder franje. […] De auteur schildert met woorden levensechte schilderijen over dood en liefde. In diens werk laat de dichter horen hoe hij met messcherpe teksten zijn verlies verwerkt.’ – Remco in ’t Hof in Nieuwsblad van het Noorden, 27 februari 1999.

‘Vergeleken met het bleke proza van auteurs als Grunberg en Giphart, is de beeldspraak van Van Duijnhoven ongemeen rijk, ik zou bijna zeggen: ouderwets artistiek.’ – Bart Vervaeck in De Morgen

`Serge van Duijnhoven is een van de mensen die hebben geholpen een literair klimaat te scheppen waarin meer mogelijk is dan voorheen. (…) Op hem moeten we zuinig zijn. Want zoveel getalenteerde, daadkrachtige en eigenzinnige kunstenaars zijn er niet.’ – Rob van Erkelens in De Groene Amsterdammer

‘Van Ostaijen, Schwitters, Marsman, Lucebert, Claus, K. Schippers, Diana Ozon, K. Michel en Serge van Duijnhoven vormen een kleine Pleïade van poëzievernieuwers.’  – Jaap Goedegebuure

Serge door Rens van Mierlo – De dichter ontdekt (Poethement Eindhoven 2011)

 

Waarom dichter Serge van Duijnhoven zich thuis voelt in het ballingsoord  Brussel…

 

Over diens werk :

BitterzoetO

Bitterzoet – een lyrische hommage aan Serge Gainsbourg (Nieuw Amsterdam):

‘Voor treffende bewoordingen kun je bij Van Duijnhoven altijd terecht.De veertig oorspronkelijke gedichten waarmee Van Duijnhoven uitpakt, zijn bijna allemaal zo goed […] dat we niet eigenlijk niet weten hoe de bundel accuraat te bespreken zonder hem in zijn volledigheid te citeren. Zelfs als we alleen de titels van onze favorieten zouden citeren wordt het rijtje te lang. […] Je had deze bundel gewoon Serge moeten noemen, Van Duijnhoven, dan kon de lezer zelf beslissen wie hier de hommage verdient.’ .’

–        Michaël Bellon in Brussel deze week, 10-17 maart 2011

‘Van Duijnhoven is erin geslaagd om de lyriek, de mystiek en ook de tragiek van deze grote Franse zanger in sterke gedichten te vangen.’

–        John Vervoort in De poëziekrant 5/11 p.58 – 61

De zomer die nog komen moest (Nw Amsterdam 2007):

vanduijnhovenserge_dezomerdienogkomenmoest_cover

‘Wat voortdurend terugkeert, is de aanraking met de dood. […] Knap dat Van Duijnhoven toch geen treurig boek heeft geschreven, hij weet zijn verhalen op het juiste moment te doseren met sentiment, humor en een Brabantse traan.’

–        Dirk Koppes in dagblad De Pers, 15 mei 2007, pag.17

‘Een beetje nostalgie, een prachtige manier van schrijven en een sterk maar ingewikkeld verhaal gebaseerd op je eigen leven. Meer had Serge van Duijnhoven niet nodig om ‘De zomer die nog komen moest’ te schrijven. Ik stond versteld van de manier van verwoorden en de sterkte van Serge’s schrijftaal. Wie kan houden van zware literatuur (in de zin van de harde werkelijkheid die uit het verhaal gesprongen komt) is met De zomer die nog komen moest niet stil te houden. Maar ook mensen die houden van eens iets anders kan ik dit boek aanraden. Het boek in één woord: subliem.’

–        Johan Van den Broeck, CJP Vlaanderen

‘Deze auteur wil geen autobiografische verhalen schrijven waar we een beetje over kunnen snotteren (‘allemaal echt gebeurd’), om dan weer over te kunnen gaan tot de orde van de dag. Het gaat hem om beelden, een sfeer, een toon. […] Ook in zijn langere verhalen slaagt deze laconieke en zorgvuldig beeldende en formulerende auteur erin een sfeer van rustige wanhoop op te roepen, zonder dat je het gevoel hebt dat hij ons wel even zal vertellen hoe alles in elkaar zit. Van Duijnhoven is gelukkig geen profeet, maar wel een originele schrijver van knappe literatuur.’

–        Kees ’t Hart, Leeuwarder Courant, 11 mei 2007, p.28

Klipdrift (Nieuw Amsterdam 2007) van Dichters dansen niet:

Klipdrift.cover‘Auf der Bühne ist “Klipdrift“ eine eindrucksvolle Performance: sie verbindet moderne Poesie mit experimentellen rhythmen und Klängen – Lyrik für alle Sinne.’ – Poetry On The Road, Bremen 2007

 

Bloedtest (De Bezige Bij 2003) van Dichters dansen niet:

bloedtest

‘Wie de vaak nogal bescheiden Nederlandse schrijvers van dit moment een beetje volgt, kan niet anders dan gelukkig zijn met iemand als Van Duijnhoven. Hij engageert zich met de wereld van jongeren van vandaag en hij durft tenminste te beweren dat er in zijn werk iets nieuws gebeurt. In dit boek met zijn cd (Küsskrott!!!) klinkt een zonder meer interessante, want naar serieuze poetische verwerking van het alleractueelste strevende, stem.’

–        Thomas Vaessens in Het Financieele Dagblad (HFD) en het Algemeen Dagblad (AD), 12 april 2003

‘Bevreemdend men indringend, dat is de term die ik voor deze dichtbundel zou willen gebruiken. Deze dichter heeft een talent waarmee hij de alledaagsheid van het hedendaagse leven timbre en passie kan geven. Het leven, de dood, de liefde… welke dichter heeft ze niet beschreven? Ook Serge van Duijnhoven doet dat maar wel op een manier waar je stil van wordt en elk gedicht enkele malen wil herlezen. Elk gedicht is een mooi verhaal dat de lezer telkens anders wil interpreteren. Deze bundel werd mij cadeau gedaan. Het is een prachtig geschenk want het betekent voor mij het begin van een zoektocht naar andere dichtbundels van hem.’

–     Andre Oyen in De Gelderlander

‘Het weerbarstige stemgeluid van Van Duijnhoven, die zich bij zijn performances bij voorkeur laat begeleiden door zijn gezelschap ‘Dichters dansen niet’, is onmiskenbaar een teken van vitaliteit. Dichten is stem geven aan het onzegbare, klank geven aan het onhoorbare, ritme geven aan het ondefinieerbare, maat geven aan het ondansbare. Meer en meer krijgt deze poëzie een soort profetisch, zelfs kosmisch-spiritueel karakter […]. In al zijn fragmentatie schrijft Van Duijnhoven een extraverte poëzie waarin onuitgesproken rebellie de middelpunt vliedende kracht is. Wie beweert dat deze poëzie een hype wil zijn of worden door er filmpjes bij te projecteren en er een techno beat bij te laten klinken, heeft het verkeerd voor. Deze gedichten gaan dieper. Er is sprake van een bindend organisch geheel. Het is geen cabaret van de te korte bocht,waarin zoveel performers blijven steken. Deze dichter is op zoek naar hedendaagse invullingen voor eeuwenoude rituelen. Deze poëzie is een ‘rite de passage’, een teder en wreed schouwtoneel, ‘theâtre de la cruauté’. Een loutering die ons niet echt reinigt, veeleer bezoedelt (wat ons dan weer aan Lucebert doet denken).’

–        Alain Delmotte in het tijdschrift Dighter

Het paleis van de slaap (Prometheus 1993):

A.signeren.MvdV

`Het paleis van de slaap is een origineel debuut.’

– Maarten Doorman in de Volkskrant

‘Toonvaste dichtbundel van debutant Serge van Duijnhoven (1970) over de slaap als hypnoticum. “huiver, sluit de ogen/ voor een nacht, volg/ de orders van de geest/ de orders van het donker/ maan, schijn, man/ slaap/ slaap’”

– Hans Warren in de PZC

’Een verrassend en heel mooi debuut.’

– Rob van Erkelens in De Groene Amsterdammer
`Deze poëzie bestaat uit korte, wat afstandelijke, maar merkwaardig genoeg toch intense verhalen, literaire schetsen, waarnemingen.’
– Rogie Wieg in Het Parool

*

 Dichters dansen niet (Prometheus 1995):

Dichters dansen niet.omslag
`Dichters dansen niet heeft alle grilligheid, en daarmee ook alle charme, van een tekst die `aus einem Guss’ neergeschreven moest worden; de roman heeft een meestal directe, soms ook pesterig omtrekkende toon, die geheel van deze tijd is.’

–        A.F.Th. van der Heijden

‘Vergeleken met het bleke proza van auteurs als Grunberg en Giphart, is de doorgedreven beeldspraak van Van Duijnhoven ongemeen rijk, ik zou bijna zeggen: ouderwets artistiek. Of misschien: bohémien.’

–        Bart Vervaeck in De Morgen

 

Obiit in orbit; aan het andere einde van de nacht (De Bezige Bij/Djax Records 1998):

Obiit in orbit

Obiit in orbit  Dichters dansen niet

Obiit in orbit is een stemmige, bij vlagen overrompelende cd die tot het beste behoort wat muzikanten en dichters samen tot op heden in Nederland hebben bereikt. (…) Een van de meest gewaagde poëzieprojecten van de afgelopen jaren.’
– Menno Wigman in Trajectum, 18 januari 1999

‘Mooi zijn de teksten. Heftig. Een bijzonder document. Dat is het.’
– Jos Jagers, in De Nieuwe Revu, januari 1999

[Balkan] Wij noemen het rozen (Podium 1999):

Wij noemen het rozen

‘Dit boek overdondert; het sleurt je mee op een manier die alleen aan de beste conflictverslaggeving is voorbehouden. En het mooie is: het boek gaat niet over kogels, maar over mensen.’

–    Wim T. Schippers, AT5 Boekenprogramma Max Pam, jan. 1999

‘Het is ijzersterk proza van een man die “deelnemer en observator in één” is geworden. Sfeer en invoelen bepalen de toon van het boek.’
– Willem Bouwman in Nederlands Dagblad, dec.1999

 ‘Een intrigerende bundel journalistieke impressies over het leven op de nasmeulende puinhopen van ex-Joegoslavië. (…) Zonder verward te raken in al te diepgravende analyses van de politieke situatie(…) ), loodst de dansende dichter de lezer door het verwoeste heart of darkness van Europa en registreert daarbij de stemmen van de bevolking. Die probeert langzaam te herstellen van ‘de afdaling naar de bronnen van het redeloze, de instincten, de roes’ die de oorlog is geweest. Anders dan in de vorig jaar verschenen dichtbundel-met-bijhorende-cd ‘Obiit in Orbit – aan het andere einde van de nacht’ – (…) mogen de overgordijnen in ‘Balkan’ af en toe eens op een kier. De duisternis die daar steevast op volgt, komt daardoor eens zo hard aan. (…)

Serge van Duijnhoven zorgt in ‘Balkan. Wij noemen het rozen’ voor vuurwerk, zoals in het knappe ‘Kolonel Kurtz in Sarajevo’ – een mediakritiek op de georchestreerde beeldenstroom, die voor de Westerse kijker tot onvervalst oorlogsentertainment wordt versneden. De hoogvlieger in de bundel is echter ‘Alles zwart’, een reportage over Van Duijnhovens bezoek aan een internationaal poëziefestival in Macedonië, waar de autochtone deelnemers de gruwel met behulp van woorden proberen te verzachten. Ook al is op die manier maar weinig zalf te strijken: it’s a dirty job and someone’s gotta do it.’

(kt) Humo ‘Boekenbal’ (H3098), 18/1/2000

WAT IK ZIE KAN IK NIET ZIJN

Een dichter op zoek naar de bronnen van Het Groene Woud

Teksten / Serge van Duijnhoven – Fotografie / L.J.A.D. Creyghton
Uitgeverij Pels & Kemper / ’s-Hertogenbosch / 2011
isbn: 9789079372102
nur: 306

Ossensia; Brabantse gezangen (Jan Cunen 2004):  Ossensia - Brabantse gezangenIn zijn in 2004 verschenen prozaboek Ossensia Brabantse Gezangen verhaalt Serge van Duijnhoven op boeiende en persoonlijke wijze van het leven, de legendes en de mythes die onomstotelijk horen bij zijn roemruchte geboortestad.Hij geeft stem aan een bonte stoet van schuinsmarcheerders, messentrekkers, woonwagenbewoners, voddenboeren, familieleden, helden en verschoppelingen. Robuuste Brabantse karakters die in de herinnering en verbeelding van de schrijver, maar soms ook in het geheugen van het Maasland, blijvend een plek hebben verworven.‘Oss is voor mij wat Gopher Prairie was voor de Amerikaanse schrijver Sinclair Lewis. Het is de onvolmaakte plaats die mij heeft gemaakt tot wat ik ben. Het is de plaats waar ik nooit meer helemaal naar terug kan keren, maar die ik ook niet kan vergeten. Het is de plaats van mijn jeugd. Een plek die onaanraakbaar is gebleven voor de verwoestende werking van de tijd.’

Eindhalte Fantoomstad (Prometheus/Djax Records ISBN 90-5333-541-2, 1997)

sprooksprekers.eindhalte fantoomstad

7. Copycat (Prometheus, ISBN 90-5333-432-7, 1996)

Copycat.omslag

8. De overkant en het geluk (Prometheus, ISBN 90-5333-360-6, 1995)

De overkant en het geluk

9. Dichters dansen niet (Prometheus, ISBN 90-5333-239-1, 1995)

10.  Haile Selassie (Mets/Passatempo, ISBN 90-5330-069-4, 1993)

11. Het paleis van de slaap (Prometheus, ISBN 90-5333-216-2, 1993

12. Cascade, ou L’eau qui tombe infiniment (eigen beheer, Oss 1988)

Cascade Oss 1988

Garenloos. (2), 194 p. Gedrukt ‘in een beperkte oplage’. 1e druk. € 32,-. Van Duijnhovens zeer zeldzame ‘pre-debuut’, op 17-jarige leeftijd in eigen beheer geproduceerd, vijf jaar voordat zijn officiële debuut, Het paleis van de slaap, bij Prometheus zou verschijnen. Slechts éénmaal in de NCC (UB Leiden). Bron: Antiquariaat Fokas Holthuis, Den Haag NL, Nieuwsbrief 470 (12 juni 2012): “vijftig nieuwe aanwinsten”. 

De vlucht van de magiër : for soprano, flute, mandolin, guitar and harp : 1995

compositie Robin de Raaff; tekst Serge van Duijnhoven, Donemus © 1995

Palatata na sonot

vertaling Suzana Rensburg-Dapčevska (Detska Radost  Skopje 1995)

Millennium 15/reset : alles weer op nul : 51 pagina’s literatuur en 48 pagina’s kunst van expositie Doel Zonder Oorzaak

Serge van Duijnhoven, Eric Wie e.a. red. (De Bezige Bij/Stichting Kunstgroep Lage Landen 1999)

MillenniuM Reset 2000 cover

SERGE R. VAN DUIJNHOVEN – lyriek, proza, performance poetry, literaire non-fictie

De afgelopen jaren bouwde de in het Noord-Brabantse Oss geboren dichter en historicus (1970) een reputatie op als een eigenzinnige stem in het literaire landschap van de Lage Landen. De auteur debuteerde in 1993 als dichter met de bundel Het paleis van de slaap, en richtte met een groep Nederlandse en Vlaamse beeldend kunstenaars en theatermakers het tijdschrift MillenniuM op alsmede de Kunstgroep Lage Landen. Hij verbleef in Sarajevo voor De Morgen en de Volkskrant en later in Kosovo en Macedonië voor RTL4. In zijn studententijd publiceerde hij als aankomend historicus een mini-biografie over de laatste Ethiopische keizer: Haile Selassie (Mets 1993) en werkte hij als muziekrecensent voor NRC-Handelsblad en medewerker van De Groene Amsterdammer. Zijn schelmenroman Dichters dansen niet uit 1995, werd door critici onthaald als `de eerste heuse house-roman’ (Rob van Erkelens in De Groene Amsterdammer).

Met dj Dano bijgenaamd De Gabberkoning, trad de dichter op in sporthallen en tijdens raveparty’s waar hij zijn teksten over razendsnelle hardcore beats heen rapte. Samen met rapper Def P en dichter/saxofonist Olaf Zwetsloot vormde hij het collectief De Sprooksprekers; hun cd Eindhalte Fantoomstad werd genomineerd voor de Heineken Cross Over Award 1997. Van Duijnhoven bestormde het podium van de Nacht van de Poëzie, ageerde tegen de `eliteraire aderverkalking’ van de Nederlandse poëzie en polemiseerde hierover met oa. Gerrit Komrij. Wat hem op een fikse oorvijg kwam te staan vanuit de Portugese heuvelen.

Ondertussen sleepte Van Duijnhoven de Nova Makedonia Award in de wacht op het internationale poëziefestival van Struga in Macedonië. En timmerde hij verder aan zijn reputatie als performer. De frequente samenwerking met muzikanten resulteerde in de oprichting van de formatie Dichters Dansen Niet, een knipoog naar zijn eigen roman. Over hun eerste gezamenlijke album Obiit In Orbit; aan het andere einde van de nacht (De Bezige Bij) schreef collega-dichter Menno Wigman in Trajectum van 18 januari 1999: ‘Obiit in orbit is een stemmige, bij vlagen overrompelende cd die tot het beste behoort wat muzikanten en dichters samen tot op heden in Nederland hebben bereikt. (…) Een van de meest gewaagde poëzieprojecten van de afgelopen jaren.’

Het boek [Balkan] Wij noemen het rozen (Podium 1999), leverde Van Duijnhoven een plek op in de longlist voor de Gouden Uil Literatuurprijs 2000. Gedurende zes weken kroop hij die zomer aan boord, samen met een honderdtal Europese schrijvers uit 43 verschillende landen, van de Literatuur Express. Een literaire karavaan met oude Oost-Duitse staatswagons, die van Lissabon naar Sint Petersburg spoorde via het klassieke traject van de Noord-Zuid Express. Aan boord schreef Van Duijnhoven stukken voor dagblad Die Welt en een theatertekst die later zou worden opgevoerd in een regie van de Duitse regisseur Hans Werner Kroesinger. TeleXpress Tilburg publiceerde het stuk  in beperkte oplage, en het Goethe Instituut haalde de opvoering een jaar later naar Rotterdam. Waar het werd opgevoerd als Journey through the Heart of Darkness .

In 2002 verscheen bij uitgeverij Ludion/Beaux Arts Fotografen in tijden van oorlog, een boek met foto’s van James Nachtwey, Tim Page, Tim Dirven, e.a., en een inleidend essay van Van Duijnhoven  over ‘de hondssoldaten’ van de conflictverslaggeving en de dilemma’s van hun netelige vak. Het boek verscheen behalve in het Nederlands ook in het Engels  als catalogus bij de tentoonstelling Dead.Lines in het Flanders Fields World War I Museum te Ieper.

Serge was tot 2005 werkzaam als stadsfilosoof in Oss, zijn geboortestad. In opdracht van het Museum Jan Cunen publiceerde hij een heuse stadsroman getiteld Ossensia: Brabantse gezangen . Parallel aan zijn literaire bezigheden introduceerde de auteur, samen met de voormalige Rusland-correspondent Frank Westerman, een dubieuze muziekstroming in de Benelux, Lowbattery geheten, een trage soort van electronische dansmuziek die op even schimmige wijze is ontstaan als weer verdwenen.

In 2011 en 2012 toerde de auteur met een bont gezelschap van muzikanten langs theaters met  de voorstelling Gitanes & Jazz. Een muzikale bewerking van zijn boek Bitterzoet (Nw Amsterdam 2011) waarin Van Duijnhoven in een bonte waaier aan pikante gedichten een vileine hommage brengt aan zijn grote Franse naamgenoot Serge Gainsbourg.

De meest recente publicaties van de auteur betreffen een onthullende biografische schets van kunstenares Phil Bloom (Leven en werk; Phil Bloom Foundation 2011), als ook een dichterlijke lofzang op het Brabantse natuurlandschap Het Groene Woud getiteld Wat ik zie kan ik niet zijn (Pels & Kemper 2011). Dit laatste werk is op bibliofiele wijze gedrukt en voorzien van landschapsportretten van fotograaf L.J.A.D. Creyghton; de 21ste eeuwse meester van het typisch Hollandse landschap in zijn leegte en zijn puurheid (aldus Hans den Hartog Jager).

Van 2010 tot 2012 werkte de auteur als hoofdredacteur van een team historici en schrijvers (waaronder  Ronald Giphart), aan het jubileumboek Avans200: Le Grand Tour 1812 – 2012. In dit werk wordt de geschiedenis onder de loep genomen van het kunstonderwijs in Noord-Brabant vanaf de oprichting van de Academie Impériale in de Napoleontische Tijd (12 jongens kregen les in tekenen en ‘doorzichtkunde’ op een bedompte zolder in Den Bosch), tot aan de hedendaagse historie van de onderwijskolos met 22.000 studenten verspreid over drie steden. Het boek bevat naast  geschiedkundige bijdragen ook enkele literaire verhalen (‘Exit Remington’, ‘Spervuur’), die tot het betere werk uit Van Duijnhovens oeuvre kunnen worden gerekend. Hare Majesteit Koningin Beatrix nam op 2 oktober 2012 het eerste exemplaar in ontvangst.

In het voorjaar van 2014 verscheen het vijfde album van Dichters dansen niet: Vuurproef (Nieuw Amsterdam). Het spectaculaire slotdeel van een trilogie die in 2003 van start was gegaan met het album Bloedtest (De Bezige Bij), in 2007 gevolgd door Klipdrift (Nieuw Amsterdam).  Het verschijnen van dit album, ging gepaard met een uitgebreide theater-tournee van het gezelschap langs podia in Nederland en Vlaanderen.  Voor een overzicht met speeldata zie: http://www.dichtersdansenniet.eu

 

fotografe: Saskia Vanderstichele

Serge van Duijnhoven:

‘Ik heb eindelijk mijn stem gevonden’

door Michaël Bellon © Brussel Deze Week  20/03/2014  

Bron: http://www.brusselnieuws.be/nl/nieuws/serge-van-duijnhoven-ik-heb-eindelijk-mijn-stem-gevonden

Het is goed om op gezette tijden even het oor te luisteren te leggen bij Serge van Duijnhoven, de Nederlandse dichter die ondertussen al jaren in Brussel woont. Met de gedrevenheid die hem kenmerkt, beschrijft en bezingt onze stadsdichter de honoris causa nog altijd de donkere en de verblindende kanten van stad en de wereld.

“Als het goed is, heb je niet eens in de gaten dat het ene nummer alweer vanzelf is overgegaan in het andere.”

N aar eigen zeggen heeft hij daarvoor nu ook de juiste stem gevonden. Onlangs ontving Serge Van Duijnhoven nog maar eens de Nederlandse televisie, die wilde dat hij hen deelachtig zou maken aan ‘het geheim van Brussel’, de stad die ze verder alleen maar kennen van de krijtstrepen pakken in de Europese wijk. Van Duijnhoven nam hen onder meer mee naar het bierrestaurant Restobières van zijn buurman chef Alain Fayt, met wie hij goed bevriend is. Alain heeft zelfs het zaaltje boven zijn restaurant heringericht zodat er kleine evenementen kunnen georganiseerd worden. Van Duijnhoven plant er voor de toekomst literaire avonden, en hield er in afwachting alvast zijn nieuwe creatie ten doop: Vuurproef, de cd annex dichtbundel met veertien nummers en nog meer gedichten van zichzelf en zijn groep en ‘levenswerk’Dichters dansen niet.

Als we hem spreken, staat Van Duijnhoven net voor de première in Amsterdam van de toernee tijdens dewelke hij de nummersVuurproef de zalen in zal slingeren of fluisteren. Hij praat al half in verzen en klinkt alsof hij zelf alvast de vuurproef doorstaan heeft. De bundel muzikale gedichten vormen dan ook het derde en laatste deel van een cyclus. Van Duijnhoven: “Dit is inderdaad het slotdeel van een tocht die begon met Bloedtest en Klipdrift. Die tocht voerde naar de rock bottom van de ziel, maar nu gaat de weg terug omhoog, op zoek naar een glimpje licht.”

Aangevreten
De uitgave van Vuurproef heeft het formaat van een oud vinyl-singeltje, en over de vormgeving is nagedacht. Er zit een cd in, maar het cd-boek bestaat uit een twintigtal kaarten die je naast elkaar kan leggen. “De kaarten vormen een universum dat parallel loopt met de cd,” legt Van Duijnhoven uit, “als je ze leest maak je een heel andere tocht dan wanneer je de cd beluistert. Het zijn kaarten met gedichten die allemaal draaien rond de basiselementen: aarde, water, licht en vuur. Ofwel leg je ze in volgorde, ofwel in een willekeurige volgorde. Zoals je met tarotkaarten doet en zoals het lot de kaarten uitdeelt. Vuurproef is een test of life. Hoe ga je om met tegenslagen? Breken ze je? Storten ze je in de afgrond? Kies je voor dat laatste – wat het thema was van Klipdrift – of kies je ervoor om iets van de spark, de esprit, de geest toch te laten overwinnen? Dat klinkt allemaal spiritueel en dat is het ook wel een beetje, maar wel op een concrete manier.”

Dat vormgeving is overigens het werk van ATTAK Powergestaltung, een duo uit Den Bosch. “Elk gedicht is ook letterlijk aangevreten door het vuur. De rookslierten slingeren over het design heen en ze hebben ook met houtskool gewerkt. Het radicaalst in het laatste gedicht, waarvan de eerste regels zwartgeblakerd zijn, en de woorden pas weer te voorschijn komen ‘zweer af de prietpraat’.”

Van Duijnhoven praat onverstoorbaar verder. Ook over de evolutie die hij en zijn groep zelf hebben doorgemaakt en die spreekt uit de gedichten. “In die twintig jaar hebben we met Dichters dansen niet ook rare dingen gedaan waarvan sommige misschien in de prullenbak horen. Maar ik denk dat Vuurproef wel zal blijven. Na lang dralen en verdwalen, zuipen en verzuipen, zijn de dingen in hun plooi gevallen. Toen ik voor de tournee Gitanes & jazz en de bundel Bitterzoet bezig was met het werk van Serge Gainsbourg, merkte ik dat Gainsbourg eigenlijk een grote angst had om in de spiegel te kijken, en net als ik voortdurend vluchtgedrag vertoonde. Zijn donkere en in alcohol gedrenkte bestaan eindigde best zielig in de eenzaamheid van de rue de Verneuil. Met dit album wilden we dat soort impasse doorbreken.

Er zit niets prekerigs in Vuurproef, maar veel mensen houden zich zoet met de opium van het dagelijkse leven in een grotendeels ontzielde, geglobaliseerde, gemercantiliseerde samenleving, waar heel veel dingen alleen maar draaien om instant gratification, en echte diepgang maar beperkt te vinden is. Die verlokkingen zijn ook mij niet vreemd, maar in Vuurproef spreekt de ik-figuur zichzelf soms streng toe: get a life. Ik denk dat je in het laatste gedicht wel zal lezen hoe ik nu eindelijk meen de stem gevonden te hebben waar ik zo lang naar heb gezocht. Ik durf nu voor het eerst eerlijk te zijn en mezelf te zijn. Al de tralala en de groteske ambitie ten spijt, gaat het daar uiteindelijk toch om. Een man met een stem is een mens met een ziel.”

Gelaagd
In De Markten speelt Van Duijnhoven de nummers met zijn kompanen Fred de Backer en Edwin Berg. “Dichters dansen niet is in de jaren 1990 begonnen als een gabberband in discotheken waar de mensen op en neer stuiterden van de drugs, en ik raps over de muziek heen gooide. Dat was heel stoer, maar toen ik in 1997 in Brussel kwam en met Fred begon samen te werken in zijn studio in Groot-Bijgaarden, zijn we een meer theatrale, filmachtige muziek gaan maken. Ook Edwin heeft met zijn piano ons geluid sterk bepaald. Deze cd is heel gelaagd (ook Ali Haurand, die bassist is geweest van Jacques Brel en Chet Baker, en de keelzangeres Sainkho Namtchylak zijn er op te horen, red.). Er is drie jaar aan gewerkt en ik hoop dat je dat eraan merkt. Als het goed is heb je niet eens in de gaten dat het ene nummer alweer vanzelf is overgegaan in het andere.”

‘Vuurproef’ van Dichters dansen niet: vrijdag 21/03 om 20 uur in De Markten, Oude Graanmarkt 5, Brussel, 02-512.34.25, 8/10 euro. Dichtbundel met cd, uitgeverij Nieuw Amsterdam, 19,95 euro.www.dichtersdansenniet.eu

 

6232827632f94aea15feb1c522b0e9e7

La Danza Poetica 019 Northern Lights

BY LAPKAT ON APRIL 13, 2014 • ( 3 COMMENTS )

A moody hour under the spell of Northern, Eastern Europe. Beats and poetics from Russia, Belgium, Denmark, Germany, Ukraine, Poland, Finland, Norway, Switzerland, the Nederlands. Podcast on Groovalizacion – click on the LAPKAT show link from here: http://groovalizacion.com. Also on Mixcloud:

“ASKED WHAT HE WOULD TAKE
WHEN HIS HOUSE WAS ON FIRE
JEAN COCTEAU ANSWERED
‘FIRE!’”

Dichters Dansen Niet – Vuurproef

Beginning La Danza Poetica number 19’s strange and wonderful journey – we’re guided through the show by the voice of poet Serge van Duijn Hoven of Dichters Dansen Niet (translated into English =”poets don’t dance”). From the album Vuurproef (Crucibles) the third in a trio of collaborations between two musicians and a poet from Belgium. The trio is poet Serge van Duijn Hoven, DJ Fred de Backer, and pianist Edwin Berg. They first released an album calledBlood Test in 2003, a follow-up album Klip Drift in 2007, and nowVuurproef, released this year in a really beautifully put together book/CD package. All these releases are also live performance events in Europe.

In this show, some selected tracks from this latest album. Serge’s poetry progresses on the album in a kind of quest – questing for reflection in an excessively accelerated and largely lifeless world. Struggles through depression, addiction, meaninglessness and confusion, emergence into light through art, poetry, and deeper understanding. The orchestration of both music and voice in this album is fantastic – it’s seriously one of the best spoken word and music collaborations I’ve heard, in any language.

88f083d7efe1edb33cf266970f545b68

DE CIVITATE DEI

Tekst: Serge van Duijnhoven
Animatie: Sander Alt
Project: Dicht/Vorm – Il Luster Utrecht 2002

DICHT/VORM is een multimediaal project bestaande uit twee series korte animatiefilms gebaseerd op Nederlandse gedichten. De films zijn  regelmatig te zien in de bioscoop als voorfilm of als speciaal programma waarbij een ‘making of’ documentaire inzicht geeft in het ontstaansproces van op lyriek gebaseerde animaties.

Serge van Duijnhoven in de Marollen, gefotografeerd door Krystof Ghyselinck

Literaire prijzen, nominaties:

– In 1995 winnaar van de Nova Makedonia Award op de 23ste editie van het internationale poëziefestival Struga Poetry Evenings, dat jaarlijks aan de oever van het Meer van Ohrid wordt gehouden.

– De poëziebundel + cd Eindhalte Fantoomstad (Prometheus + Djax Records) – gemaakt ism rapper Def P en dichter/saxofonist Olaf Zwetsloot – werd in 1997 genomineerd voor de Heineken Cross Over Award.


Op het perron van station Kapellenkerk. Fotograaf Krystof Ghyselinck

Serge van Duijnhoven, auteur, dichter, historicus en journalist

© Brussel Deze Week, Karel Van der Auwera – zaterdag 3 oktober 2009

“Een bestaan als schrijver, een mens doet het zichzelf aan. Als je zo jong begint als ik, dan denk je: vallen naar de hemel – zoals Nescio in Dichtertje. Maar het nagejaagde ideaal in overeenstemming brengen met de werkelijkheid is niet makkelijk. Het zorgt voor hoogte- én dieptepunten. Wie dat niet kan aanvaarden, wil ook het leven niet aanvaarden. Hoogtepunten en dieptepunten maken nu eenmaal deel uit van het leven.” De Nederlandse schrijver-dichter-historicus-journalist Serge van Duijnhoven is een man met een groot hart voor Brussel.

S chrijver worden: Serge van Duijnhoven heeft het altijd gewild. “Toch heb ik voor een studie geschiedenis gekozen. Geschiedenis was en is mijn passie, schrijven mijn ambitie. De geschiedenis is de ultieme bron voor een auteur, omdat het des mensen handelingen is, en de verhalen die eruit voortspruiten. En dat hoeven natuurlijk niet allemaal verhalen over geschiedenis te zijn.”

Zijn eerste boek, Cascade , schreef Van Duijnhoven toen hij zeventien was. “Vervolgens ben ik een jaartje naar Amerika geweest, vooraleer me op mijn passie te storten, aan de Universiteit van Amsterdam. Een passie die voor een groot deel een erfenis was van mijn mentor op de middelbare school, Paul Offermans. Een man met een ongelooflijke intellectuele bagage en een grote souplesse. Hij maakte abstracte kunst, was bevriend met Karel Appel en anderen van de Cobrabeweging, schreef boeken over de Nederlandse geschiedenis, zong als tenor in een koor en was de meest dwarse, linkse figuur die een mens zich maar kon voorstellen. En zo’n figuur wilde ik nou net zijn. Een magister als Offermans, op wiens schouder je kunt leunen, of over wie je kunt dromen – onbetaalbaar. Ik ben hem een aantal jaar geleden nog eens gaan opzoeken. Ja, dat is net alsof je door Hugo Claus wordt ontvangen.”

“Die passie voor geschiedenis leeft nog steeds, net zoals mijn ambitie als schrijver nog even fel brandt. Een schrijver moet ook het kind in zich wakker houden, door te blijven spelen. Anders houdt het op met de creativiteit.”

“Mijn hart ligt bij de poëzie, bij verhalen, romans. En dat heb ik altijd gewild, dus voor mij is het een heel natuurlijke keuze. Het woord onderzoeken, de diepte van de menselijke ziel naar boven brengen. Dat is waar ik het best in ben en dat is wat ik altijd heb gewild. Je moet ook blijven geloven in wat je doet, en dat moet natuurlijk zijn. Een collega, Bart FM Droog, heeft zich vorig jaar laten ontvallen niet langer te geloven in de poëzie. Dat is de dood. Dat is hetzelfde als dat een priester zou zeggen: God is dood.”

Schrijven betekent ook kiezen voor een kommervol bestaan. “Mijn ouders – vader was als ingenieur verantwoordelijk voor de waterstaat van Zuid-Nederland, moeder kwam uit een middenstands­familie – hebben altijd gevonden dat het de slechtste beslissing was die ik maar kon nemen. Het was bezorgdheid, die voortkwam uit liefde. ‘Hoe gaat onze geliefde zoon in godsnaam overleven?’ Ergens hadden ze wel gelijk. Je moet een beetje een masochist zijn om het pad van kunstenaar of schrijver op te gaan. Maar uiteindelijk waren ze wel trots als er weer een nieuw boek op de plank kwam.”

“Ik heb ook het voordeel dat ik vroeg begonnen ben en al vrij snel succes heb gekend. De uitgeverswereld is een soort van vampierenbusiness, en jong talent is het bloed. Publiciteit, talkshows, het kon niet op. Maar op een gegeven ogenblik vervlakt dat, dan word je gewoon een schrijver van middelbare leeftijd.”

Brel en Gainsbourg
Serge van Duijnhoven doet me zijn verhaal op de bovenste verdieping van het nieuwe café Kafka. Waar vroeger, in La Rose, oude Brusselse dames dansten, wordt nu de traditie voortgezet met betere muziek, toogdiscussies en stevige consumptie. De eerste verdieping is omgevormd tot een expositieruimte, waar nu Bosz de Kler, accordeonist-fotograaf, de spits mag afbijten. Met Brusselse myste­riën – Bruxelles mystères . Aan Van Duijnhoven is gevraagd om het allemaal in goede banen te leiden.

“Dat ik gevraagd ben om een en ander te coördineren, is mede het gevolg van het feit dat ik twee jaar geleden een tijdlang in de Kafka heb gewerkt. In een café de klanten bedienen, omdat de onzekerheid van het schrijversbestaan een mens al eens noodzaakt op een gewone manier aan de kost te komen. Ik ben trouwens een schrijver die niet alleen achter zijn bureautje wil zitten. Het houdt een mens scherp, net als mijn verslaggeving uit het voormalige Joegoslavië een aantal jaar geleden voor de Volkskrant en De Morgen . Of wat ik doe met mijn groep, Dichters Dansen Niet: literaire teksten brengen op elektronische muziek.”

Een draagbare cd-speler vult de ruimte met poëtische ontboezemingen van Jacques Brel en muziek van Serge Gainsbourg. Gepaste muziek voor de gelegenheid: de spitsbroeders Van Duijnhoven en De Kler hebben iets met Brel en Gainsbourg. “Jacques Brel is een van mijn voorbeelden, en Bosz heeft zijn zoontje Sjakie genoemd, naar Jacques.”

“Ik heb altijd een diepe liefde voor Brussel gevoeld, een liefde die ik heb kunnen ontwikkelen door de vriendschap van mijn ouders met een Franstalige familie in Anderlecht, de Masques. Well-to-do en gezegend met zes prachtige dochters. Mijn broer en ik gingen daar altijd met kloppend hart naartoe. Ik weet nog de laatste keer dat we er zijn geweest, Brel was net overleden. Meneer Masques, de regent over zes mooie dochters, heeft me toen ‘Marieke’ laten beluisteren omdat het half Nederlands, half Frans was. De oude Masques sprak een heel statig Vlaams, heel mooi, zijn dochters spraken geen woord Nederlands, wat ik heel vreemd vond. Pas later begrijp je een beetje beter hoe dat allemaal in elkaar zit.”

“Met Gainsbourg heb ik dan weer een band via mijn moeder. Zij heeft, toen ze in Parijs als model werkte, een verhouding met hem gehad en ze heeft haar eerste zoon Serge genoemd. Misschien daarom ook dat ik morgen in Amsterdam het Gainsbourgfestival mag openen. Met een gedicht over de man die mijn vader had kunnen zijn, maar het niet geworden is.”

“Vijftien jaar geleden heeft Bosz ontdekt dat fotografie zijn andere grote passie is, naast accordeon spelen. Hij is altijd al een voyeur geweest – niet in de pejoratieve zin van het woord -, en dan is fotografie de ideale uitlaatklep. De vlieg op de muur, primair ingesteld op de esthetiek van het oog. Ik ben anders: mijn drang is een vrijheidsdrang, plus een drang om te vertellen. De ziel van de dingen openbaren. Wat zijn camera voor Bosz is, is mijn aantekeningenboekje voor mij. Allebei geven we zo expressie aan die lava van de werkelijkheid die voortdurend borrelt en om je heen in beweging is.”

Onvoorwaardelijke liefde

Een werkelijkheid die voortdurend borrelt en in beweging is, dat is ook Brussel. Het Brussel waarvan Van Duijnhoven zo houdt, hoewel hij al eens het slachtoffer is geweest van de harde, gewelddadige kant van de stad. “Drie loodjes van een pis­tool in mijn hoofd, in coma geslagen met het deksel van een vuilnisbak. Toch blijft mijn liefde de plein cœur .”

“Op een bepaalde manier heb ik me hier altijd thuis gevoeld. Dat het een heel gecompliceerde stad is, heb ik van bij het begin begrepen. Gecompliceerd, maar mij op het lijf geschreven. Omdat iedereen hier tot een minderheid behoort.”

“Ik woon nog altijd in de Marollen, en met groot plezier. Heerlijk toch, een stad die als het ware op de frontlinie ligt tussen de Nederlandstalige en de Franstalige cultuur. En dan die verdoken schoonheid, die je op de meest onverwachte plekken aantreft. Schoonheid van schemerend verval.”

“In Brussel moet je dan ook achter de deuren gaan kijken om een beetje de stad te kunnen savoureren. Helemaal anders dan in Nederlandse steden, daar is het what you see is what you get . Helemaal geënt op de koopmansgeest van mijn landgenoten. Ik zeg landgenoten , want ik ben nog steeds Nederlander. Maar als er zoiets als een Brussels paspoort zou bestaan, dan zou ik het onmiddellijk aanvragen. Nederlandse vrienden die mij af en toe kwamen opzoeken in Brussel, werden fysiek onpasselijk van de onordelijkheid van die stad. Ik heb dat allerminst, ik hou van chaos, van hectische onregelmatigheid. Elke keer als ik terugkom, besef ik de juiste keuze te hebben gemaakt door hier te komen wonen, door een huis te kopen in de Marollen.”

-0617-1 (2)

Heathcliff aka Serge Van Duijnhoven

De brief van Chris van Camp

Wilde maandag – http://www.klara.be/ramblasblog/

voorgelezen op VRT Radio Klara op maandag 28 april 2007

Het was mooi weer gisteren in het boekenvak. De parade door de Brusselse straten van literaire coryfeeën aangedreven door het Passa Porta programma deed een mens geloven dat schrijven één van de weinig zinnige bezigheden is.

Ook jij hield bij Boekhandel Bolle een nieuw boek “De zomer die nog komen moest‿ boven de doopvond. Goed geschreven verhalen, opgetrokken uit taal niet uit zinnetjes. En… er zijn de laatste tijd aardig wat boeken de hemel in geprezen, waarvan we ons bij lezing afvragen of we misschien een niet geredigeerde versie op de kop hebben getikt… of dat het aan ons ligt maar dat we niet meteen de reden tot heisa tussen de regels vinden. Jouw schrijverschap en  vertelkunde doen heel wat nieuwerwetse literaire fenomenen verbleken. Nieuw Amsterdam, , je nieuwe uitgever, ziet het helemaal zitten en kondigde alvast aan dat er heel wat te gebeuren staat voor jou in de zomer die nog komen moet.

Iedereen was er gisteren, inclusief Frank Westerman, Ann Meskens, Pat Donnez en een goedgeluimde A.F.Th. Van der Heijden. Je bent nu officieel terug van weggeweest. Ik ben blij voor je. Maar tegelijk hekel ik de lafheid en kortzichtigheid die vraagt om jou als herrezen te introduceren. Voor zover ik weet was jij nooit zoek in je biografie, maar waren de anderen significant afwezig in je weliswaar turbulente universum.

Jij bent voor mij de Heathcliff der Letteren. Je beheerst als geen ander de kunst te provoceren, zeven sloten tegelijk te bezeilen, en conflicten onder pennenbroeders te verzamelen die smeken om bij zonsopgang beslecht te worden met een lekker ouderwets duel met los kruid. Terwijl wij wel eens pech hebben, spurt jij bij tijden als kanonnenvlees door het leven. Dat levert natuurlijk straks mooiere, meer heroïsche  passages op dan die eeuwige verslaggeving van Brusselmans over de stoelgang van zijn hond Woody.

Je bent een levend anachronisme. Een jonker, en zo koester ik je ook. Een die pendelt tussen de artificiële geborgenheid van de salons en het ruwe leven op ontredderde oorlogsgrond. Soms verdenk ik je ervan een extra shot adrenaline te zoeken door jezelf in het nauw te drijven of conflictsituaties op te zoeken. Zeer gedreven zonder in verleiding te komen van nepzekerheden. Maar waar ik mateloze bewondering voor koester is dat je weer eens gearriveerd op de bodem van een zwart gat in je geschiedenis, toch het licht ziet om literaire pareltjes bij te schrijven.

Zoals nu… waar in het eerste verhaal al meteen een prachtzoon vol mededogen de maskerade van zijn aftakelende vader meespeelt. Subliem qua observatie, nobel van gevoel…

Zij die niet verder kijken dan de soms rondstuiterende Hollander die zijn woorden als stenen door ruiten smijt, wil ik hierbij verbieden nog langer te dwepen met de Lord Byrons, de Flauberts en de Hemingway’s die hun boekenkast bevolken. Mensen pas accepteren en adoreren als ze hun onschadelijke, kalme papieren zelf zijn geworden, hun syfilis en geldzorgen ingekapseld in de tijd, dat is te gemakkelijk.

Ik wil nu al genieten van jouw antwoord op een simpele hoe gaat het.

Liefst in tien boekdelen die nog het meest aan de avonturen van Baron von Münchenhausen doen denken, maar dan niet eens gelogen zijn.

Alle autistische trekjes van wiskundigen ten spijt… moet ik aanvoeren dat ‘het geheel soms de som der delen blijft overtreffen’. Dat we het spijt dat we onze klassiekers niet kunnen tegenkomen in hun tot musea getransformeerde huizen indachtig, moeten durven houden van de grilligheid van levende schrijvers in plaats van braaf af te wachten tot ze ons bordkartonnen helden serveren.

Ik ben verzot op biografieën, zelfs in de fase wanneer ze nog niet neergeschreven zijn maar nog volop geleefd worden.

Je bent niet weggeweest Serge, het boekenvolkje zat slechts verschanst in het gebladerte tot je storm wat ging liggen.

Lieve groet,

Chris Van Camp

Nederlandse dichter hunkert naar “Brussels paspoort”

Brussel – De Nederlandse auteur Serge Van Duijnhoven betaalt al tien jaar belastingen in België en zou na drie jaar Gent en zeven jaar Brussel voor het Belgisch staatsburgerschap kunnen kiezen. Maar doet die nationaliteit echt terzake? “Als er zoiets bestond als een Brabants paspoort, dan nam ik er een.”

Jaren geleden spraken we Serge Van Duijnhoven voor het eerst in zijn appartement in de Hoogstraat. Ondertussen is er heel wat gebeurd. In 2003, kort na het uitbreken van de oorlog in Irak, werd Van Duijnhoven het slachtoffer van brutaal geweld nabij het Bruegelplein. Een groep jongeren bezorgde hem een schedelbreuk, nadat ze eerder met een luchtkarabijn drie loden kogeltjes in zijn hoofd hadden geschoten. “Mort à Bush” was hun misplaatste boodschap.

Vervolgens gooide een scheiding het afbetalingsplan voor Van Duijnhovens charmante nieuwe huisje in een van de kleine straatjes van de Marollen in de war. De auteur van het Balkan-boek Wij noemen het rozen (1999), de oprichter van het literaire blad MillenniuM, de literaire performer van het gezelschap ‘Dichters dansen niet’, en de dichter van Bloedtest (2003) geraakte even in nauwe schoentjes, maar is ondertussen terug druk in de weer. Als organisator van literaire avonden in boekhandel Bolle in de Vlaamsesteenweg, als barman in café Kafka, als radiomedewerker bij de Nederlandse omroep VPRO en als verslaggever in het Belgische federale parlement. Bovendien liggen er voor 2007 twee nieuwe publicaties van hem klaar.

Serge Van Duijnhoven: “De zomer die nog komen moest is een bundel met kortverhalen die in maart verschijnt bij uitgeverij Nieuw Amsterdam. De verhalen spelen zich af in mijn geboortestad Oss in Brabant, maar ook in de Verenigde Staten, Sarajevo en Brussel. Bij dezelfde uitgever verschijnt ook een poëziebundel met een cd. Die heet Klipdrift – een Zuid-Afrikaans woord uit de scheepvaart om het gevaar te benoemen om bij zuidenwind op de klippen te lopen. Het woord drukt ook een suicidal tendency uit – een aandrang in jezelf die tegen je overlevingsinstinct ingaat. De bundel is dan ook de neerslag van een aantal jaren aan lager wal. De cd (met de muziek bij de teksten, mb) is een voortzetting van het project ‘Dichters dansen niet’, de band die ik al sinds 1995 heb. Ik heb hem samen met Fred De Backer opgenomen in zijn F.A.T. muziekstudio in Groot-Bijgaarden.”

Dichters Dansen Niet in actie. Links Fred de Backer. Fotograaf: Filip van Zandycke

Literaire avonden

Dat de uitgaven zullen gepresenteerd worden in boekhandel Bolle is geen toeval. “Joris Bolle is een hele goede vriend van me geworden. Hij heeft ook een en ander voor mij gedaan. Toen ik twee jaar geleden aan de grond zat, hebben deurwaarders de helft van mijn bibliotheek meegenomen en is Joris zo goed geweest een lot van die boeken te kopen. Daar zal ik hem altijd erkentelijk voor zijn. Zoals in Wij noemen het rozen te lezen staat, heette mijn voormalige beste vriend, die overleed tijdens het auto-ongeluk dat ik met hem heb gehad, ook Joris (Abeling, journalist, onder meer bij NRC Handelsblad, mb). En ze zijn ook allebei op dezelfde dag geboren. Een raar toeval waar je verder geen aandacht aan hoeft te besteden.”

bij Bolle Books – bar annex boekenzaak van Joris de Bolle

Samen met Joris Bolle organiseert Van Duijnhoven elke maand een literaire avond in de reeks ‘Babel in Bolle’, laatst nog met Geert van Istendael en Kamiel Vanhole over Brussel. “We proberen daar los van de gevestigde circuits een ongedwongen en intieme sfeer te creëren met een biertje en een whisky. Binnenkort komen Josse De Pauw en professor Luk Van Haute over Japan praten. Later hebben we nog Didi de Paris en Koen Peeters, en Yves Desmet van De Morgen en Pat Donnez van Radio 1. Die laatste twee zouden praten over de teloorgang van De Morgen, maar daar heeft Yves Desmet nog niet voor toegezegd.”

Chansons in Kafka

Laatst moest Van Duijnhoven een lezing geven voor de internationale schrijversvereniging PEN in Antwerpen. Over de vraag of je eerder in een land leeft of in een taal: “Mijn stelling was dat ik gewoon in een stad leef. Een tijdje geleden lieten ze me op het gemeentehuis weten dat ik binnenkort een keuze zou moeten maken tussen het Belgische en het Nederlandse staatsburgerschap omdat ik tien jaar in België woon. Ik denk dat ik Nederlander zal blijven omdat ik daar geboren ben, nog altijd langer heb gewoond en ook nog familie heb. Maar als er een paspoort voor Brusselaars of Brabanders bestond dan zou ik dat zeker nemen. Ik ben hier volkomen op mijn gemak en voel me hier meer thuis dan in Nederland of waar dan ook in de wereld. Eigenlijk ben ik altijd een Brabander gebleven, en Brussel is van oudsher de hoofdstad geweest van de middeleeuwse regio Brabant. Brussel is een melting pot van subcultuurtjes en kent geen meerderheid meer. Met de Nederlandse accordeonist en fotograaf Bosz de Kler, die heel veel van Brussel houdt, wil ik ook een fotoboek maken dat Eén Brussel met bruis, twee Brussels met liefde moet gaan heten. Dat meervoud verwijst naar de Engelse naam van Brussel, maar slaat natuurlijk ook op het feit dat het zo’n gediversifieerde stad is. Wat de taal betreft kan ik je wel vertellen dat het toch moeilijk is om met een Noord-Nederlands accent aan de bak te komen bij de VRT-radio. Mijn praatjes waren mooi, maar ik klonk te Hollands, zeiden ze. En dat was ‘niet racistische bedoeld’. Ik vraag me af hoe het dan wel bedoeld was. Ikzelf schrijf nog altijd in mijn eerste taal, met mijn vorige vrouw sprak ik voortdurend Engels en ik hou ook erg van het Frans. Elke woensdag en donderdag draai ik in Kafka platen met Franse chansons.”

Fotograaf Bosz de Kler in cafe Kafka

Proto-fascistisch

Van Duijnhoven komt ook nog regelmatig in Nederland waar de geroemde tolerantie volgens hem repressieve tolerantie of zelfs nultolerantie geworden is, waar een babbelcultuur heerst waarin iedereen even het woord wil gehad hebben – al was het maar om niets te zeggen. Hij staat erop om het cliché te ontkrachten dat Nederlanders gierig en Belgen gul zouden zijn, maar kan het cliché bevestigen dat Belgen binnenvetters zijn. ‘Geslagen honden’ noemt hij ze.

“Ik ben blij dat België bestaat, maar ik erger me wel aan twee dingen. Aan de bekrompenheid en de hooghartigheid van vele Franstaligen ten aanzien van de Nederlandse cultuur. En aan de min of meer stupide wijze waarop Vlaanderen met zijn nation-building bezig is. Het nepnieuws over het eind van België op de RTBf heeft toch getoond dat het Vlaamse separatisme en de navelstaarderij die daarbij hoort veel verder is voortgeschreden dan de Vlamingen zelf durven toe te geven.”

“Waar ik in Nederland eigenlijk het meest de tering aan heb, is de overmatige ordezucht en regelneverij. In de Tweede Wereldoorlog waren de Nederlanders al model-Duitsers. Vandaag krijgen Nederlandse soldaten een lintje omdat ze in Srebrenica netjes de regels hebben gevolgd en komt minister Rita Verdonck trots aan de kamer vertellen dat zij diezelfde avond nog de repatriëring van vluchtelingen zal hervatten. Dat maakt Nederland een onleefbaar en proto-fascistisch land. Het Belgische wantrouwen tegenover autoriteiten kan ontaarden in excessen maar zorgt er wel voor dat er meer ademruimte en vrijheid is. Dat er in Nederland om de haverklap criminelen zouden ontsnappen zoals in België, is ondenkbaar, maar tegelijk is het een geruststellende gedachte dat je nog kunt vluchten. ‘Vluchten kan niet meer’ is niet toevallig een Nederlands liedje.”

Of Nederland na de moorden op Pim Fortuyn en Theo Van Gogh echt veranderd is, durft Van Duijnhoven te betwijfelen. “Ik denk eerder dat een silent majority die er altijd is geweest, nu het woord heeft genomen. Vandaar de navelstaarderij, en vandaar ook de desinteresse in alles wat met Europa te maken heeft. Nederland is altijd een brave leerling geweest van de Verenigde Staten, maar de manier waarop het nu met de rug naar Europa staat, is echt bekrompen. Je moet kritiek hebben op de hooghartigheid van de Europese instellingen in sommige dossiers. Maar tegelijk ben ik dol op de Europese verscheidenheid en is er nood aan Europese regelgeving. Je zult sterke figuren nodig hebben om het publiek daarvan te kunnen overtuigen. En die zijn er voorlopig niet.”

Michaël Bellon © Agenda 2007

De Standaard van 1 augustus 2006

De Standaard, 1 augustus 2006

Tekst: Lex Kloosterman

,,Ne stad mè ne smoel!” Zo noemde de Nederlandse dichter Serge Van Duijnhoven onze hoofdstad op de eerste pagina van zijn plakboek over Brussel. Hij woont er nu bijna zeven jaar en voelt er zich thuis. Meer dan in Nederland, meer dan in zijn geboorteplaats Oss en veel meer dan in Amsterdam, de stad waar hij studeerde. ,,Ik woon in Brussel omdat ik hier wil wonen”, benadrukt Van Duijnhoven terwijl we in de keuken van zijn huis in de Marollen zitten. ,,De stad geeft me een gigantische levensappetijt en inspireert me alle dagen — en nachten!”

,,Brussel is België in een notendop. Maar dan wel een notendop die ruim een miljoen bewoners telt. Het is geen mooie stad, ook niet zomaar een lelijke stad, veeleer een prachtig en weids misbaksel met negentien geledingen, koppen en een oneindig aantal harige poten. Brussel is even artificieel, hybride, gelaagd, contradictorisch, problematisch en boeiend als België. Het is geen makkelijke stad, geen stad die haar bewoners met open armen ontvangt.”

Om te bewijzen dat hij het allemaal meent, toont Van Duijnhoven een gedicht dat hij lang geleden schreef, ,,Een leven op twee plaatsen’’. Het gaat over Amsterdam en Brussel en staat in zijn eerste dichtbundel, Het paleis van de slaap, uit 1993. Hij leest het plechtig voor. ,,Ik was toen al gefascineerd door Brussel”, vertelt hij erbij. ,,Ik wilde naar België. Tien jaar geleden kon ik via vrienden een huis in Gent krijgen. Ik ben drie jaar verliefd geweest op die stad, maar toen was dat ook over. Dingen worden gewoon als je ergens te lang woont.”

,,Maar voor Brussel voel ik een gedurige liefde. Ik kan van de stad gewoonweg niet genoeg krijgen, omdat ik weet hoeveel straten, pleinen en personen er zijn die ik nog altijd moet ontdekken. Brussel heeft iets dat me het gevoel geeft thuis te komen.”

Dat hij al is bestolen en zelfs is neergeschoten met een luchtdrukpistool, heeft zijn mening over de stad niet veranderd. ,,Brussel heeft ook scherpe randjes, er is sprake van gettovorming.”

Een bende van zestien man viel hem aan, drie kogels bezorgden de dichter een schedelbreuk. ,,Maar daar moet je niet over zeuren, je kiest er zelf voor om in een stad als Brussel te wonen. Het zoete is mooi, het bittere krijg je erbij.” Hij zegt geleerd te hebben om alert te zijn. Zijn motto: ,,The readiness is all”, van Shakespeare.

Shakespeare bood hem troost in de moeilijkste periode van zijn leven. In 1998 werd Van Duijnhoven slachtoffer van een auto-ongeluk. Zijn beste vriend, de journalist Joris Abeling, overleed daarbij. ,,Ik heb behoorlijk in de kreukels gezeten. Ik heb lang moeten revalideren en heb er een trauma aan overgehouden. Financieel raakte ik in de problemen, vorig jaar heeft een deurwaarder zelfs alles meegenomen. Gelukkig heeft een goede vriend toen mijn boeken opgekocht. Het ging zeven jaar slecht met me, maar nu heb ik eindelijk het gevoel dat het weer goed gaat.” Hij laat een boek van Shakespeare zien, met complete vertalingen en inleidingen van Willy Courteaux, volgens Van Duijnhoven ,,een grootheid”. ,,Ik moest me opnieuw bezinnen en Shakespeare gaf me daarbij kracht. Zijn levenswijsheid is schitterend. Het is het mooiste boek dat ik bezit.” We lopen in zijn werkkamer langs de goedgevulde boekenkast, terwijl hij vertelt over zijn inspiratiebronnen. Over Shakespeare, Arthur Rimbaud, Léo Ferré, Hugo Claus. Allen beïnvloedden ze zijn oeuvre. Zijn eerste werk kwam uit toen hij 23 jaar was. Kenmerkend is zijn combinatie van muziek en poëzie. ,,In de literaire wereld sta ik bekend als degene die altijd de poëzie naar de muziek wil trekken. Voor mij zijn beide altijd verbonden geweest. Ik vind dat er een enorm braakland bestaat tussen de elitecultuur en de populaire cultuur. Het grote probleem is eigenlijk dat literatoren mijn albums al gauw te populair vinden, terwijl ze voor festivals soms weer te intellectueel worden bevonden. Maar voor mij zijn de muziek en de poëzie twee natuurlijke partners.”

Het lezen van de krant op het terras bij Waka Moon in de Rue des Eperonniers. We lopen door de Marollen, op weg naar boekhandel Bolle en café Kafka, twee geliefde plaatsen van de dichter. De eigenaar van de boekhandel is de eerder genoemde vriend die de boeken van Van Duijnhoven opkocht, Joris De Bolle. Iedere maand organiseert Van Duijnhoven samen met hem een literaire avond in de boekhandel, waarop telkens twee schrijvers te gast zijn. Ook het café probeert de dichter ,,nieuw literair leven in teblazen”. Hij staat er drie avonden per week achter de bar en draait er zoveel mogelijk de poezie en muziek waar hij van houdt. En hij organiseert er exposities en optredens van dichters en muzikanten. ,,Mijn corvee in Kafka zie ik als een typisch Brusselse queeste om het onverzoenbare lelijke en schone bij elkaar te brengen.”

Van Duijnhoven vindt het een groot voordeel dat hij in Brussel met zowel de Franstalige als Nederlandstalige cultuur in aanraking komt. ,,Het is een frontlijn tussen beide culturen. En ik wil me laten voeden door allebei, dus daarom woon ik hier graag. Brussel is het enige stukje België in België.”

 

Voor het hyper-Belgische rariteitenkabinet van Goupil le Fol, in de Violettenstraat te Brussel


■Wat biedt je inspiratie?

1. Hugo Claus. ,,Een grote

bron van inspiratie. Voor mij is

hij de belangrijkste schrijver van

de Nederlandse letteren, omdat

hij ontzettend veelzijdig is. Het

benijdenswaardigste in zijn

boeken is het schijnbare gemak

waarmee dingen geschreven en

gemaakt zijn. Tussen neus en

lippen door. Je ziet altijd de

hand van de meester in zijn

werk. Hij is de Michelangelo

van de Nederlandstalige literatuur.”

Bezige Bij-redactrice Suzanne Holtzer begeleidt Hugo Claus op weg naar de begrafenis van Gerard Reve

2. Léo Ferré. ,,Op de middelbare

school bracht mijn docent

geschiedenis ooit een platenspeler

mee om een plaat te draaien

van een Franse zanger genaamd

Léo Ferré. Een man met een

knarsende, bijtende stem, geen

zoetgevooisd gezever van een

Angelsaksisch popengeltje, maar

het rokende vitriool van een opstandige

Lucifer die zichzelf begeleidde

op de piano. Als ik die

plaat toen niet gehoord had, dan

was ik vermoedelijk geen schrijver

geworden. Met Ferré brak

het slot op mijn geharnaste bewustzijn.

Vanaf toen ontdekte ik

de literatuur en de dichters die

hij op muziek had gezet.”

Ferre chante Rimbaud et Verlaine

3. Arthur Rimbaud. ,,Met

die dichter is het allemaal begonnen.

Ik ben op zijn spoor gebracht

door Ferré, die hem op

muziek had gezet. Rimbaud

heeft voor mij de horizon van

wat er allemaal mogelijk is in de

letteren, een heel eind verder geschopt.

Hij is vergelijkbaar met

de Nederlander Lucebert. Hij

kan taal loskoppelen van de werkelijkheid

en de syntaxis. Via

hem ben ik andere poëzie gaan

lezen. Zijn werk is als een berg

die je steeds opnieuw wilt beklimmen,

en die hoe dan ook

een raadsel blijft. Van Une saison

en enfer kan ik bijvoorbeeld

niet genoeg krijgen. ‘Il faut

comprendre une femme ou

l’aimer.’ Je kunt niet allebei. De

dingen waar je echt van houdt,

zul je nooit helemaal kunnen

begrijpen.”

4. William Shakespeare.

,,De grootste aller tijden. Vooral

Hamlet heeft me veel kracht en

troost geboden in tijden van

persoonlijke nood. Nadat mijn

beste vriend Joris was

overleden, heeft Shakespeare

me erdoor geholpen. De dood is

voor als je oud bent, dacht ik

toen. Maar je moet er klaar voor

zijn; als het komt, dan komt het.

The readiness is all.

5. Ali Haurand. ,,Haurand is

een Duitse contrabassist, die

werkte met Jacques Brel. Het

ontroerende lamento No more

chains klinkt zowel monter als

triest, schertsend als snikkend.

Het is een pure levenskreet en

jammerklacht ineen. Dit nummer

is voor mij een grote bron

van inspiratie geweest.” Van

Duijnhoven maakte ooit een

tour met de contrabassist door

Rijnland Westfalen en het klikte

goed tussen de twee. Op de nieuwe

cd van zijn formatie Dichters

Dansen Niet, Klipdrift, staat een

versie van No more chains,

waarvoor hij samenwerkte met

Haurand.

Ali Haurand speelt No More Chains op zijn grande dame uit 1860

“No More Chains” played live by Dichters Dansen Niet with double bass legend and composer Ali Haurand. The Sugerfactory, Amsterdam, May 2005.
No More Chains – jazz lamento played live by Dichters Dansen Niet and Ali Haurand
http://www.reverbnation.com/play_now/son…

No More Chains! ‘Un homme debout ne se couche que pour mourir.’ – Léo Ferré Het ontroerende lamento ‘No More Chains’ van de in Duitsland geboren jazzcomponist en contrabassist Ali Haurand, is levenskreet en jammerklacht ineen. …

DDN speelt No More Chains live in The Sugarfactory Amsterdam, mei 2005

■Bio

●1970: Geboren in Oss,

Nederland.

●1989: Gaat geschiedenis

studeren in Amsterdam.

●1993: Debuteert als

dichter met Het paleis

van de slaap en richt het

tijdschrift Millenium op.

●1995: Zijn eerste roman

wordt gepubliceerd, Dichters

dansen niet. Werkt als

verslaggever voor De

Morgen en De Volkskrant

in Sarajevo.

●1997: Van Duijnhoven

is een van de oprichters

van de formatie Dichters

Dansen Niet, die poëzie

en muziek combineert.

Publiceert Eindhalte

fantoomstad en een jaar

later Obiit en Orbit – aan

het andere eind van de

nacht, poëziebundels met

een bijgevoegde cd.

●1999: (Balkan) Wij

noemen het rozen komt

uit, een verzameling nonfictieverhalen

en reportages

over de Balkan. Het

boek komt op de longlist

van de Gouden Uil 2000.

●2003: Bloedtest; dichtbundel

met cd.

Taverne du passage, Koninginnegalerij Brussel. Foto: Bosz de Kler

■De ultieme hallucinatie

Eén Brussel met bruis, twee

Brussels met liefde. Dat is de

voorlopige titel van het fotoboek

over Brussel waar Van

Duijnhoven aan werkt. De titel

verwijst naar ,,Bruxelles” van

Jacques Brel: ,,C’était au temps

où Bruxelles bruxellait”.

Een fragment: ,,Volgens velen

is Brussel een lelijke of ronduit

monsterlijke stad, het waterhoofd

van een Siamese tweeling.

Maar in plaats van als een

onooglijk samenraapsel, kan

men Brussel ook zien als een

soort surrealistische collage

van onwerkelijke combinaties

die in het dagelijks leven op elkaar

zijn geplakt. Wie zich kan

vinden in Lautréamonts omschrijving

van schoonheid —

de toevallige samenkomst van

een paraplu en een naaimachine

op een operatietafel — heeft

in deze stad niets te klagen.”

De ,,Brussels’’ in de titel verwijzen

volgens Van Duijnhoven

naar de pluriformiteit van

de Belgische hoofdstad, met

haar negentien deelgemeenten,

talloze nationaliteiten en

twee talen.

,,Brussels is a city of multitudes,

de multilinguïstische navel

van het voortvarende continent

Europa.‘Brussels’ verwijst

daarnaar, maar ook naar het

Engels, dat vanwege de diplomatieke

functie van de stad zo

alom aanwezig is. ‘Brussels’

dekt de lading beter dan ‘Brussel’.”

In de Kandelaarsstraat, tussen Zavel en Marollen. Foto: Krystof Ghyselinck

Brussel op z’ n frans

Filosoof Dieter Lesage, bête noir van de Vlaamse nationalisten, maakte furore met zijn boek ‘Zwarte gedachten over België’. In onderstaand rapgedicht bezingt de zelfverklaarde ‘nieuwe Belg’ zijn Brussel, stad van valse erotiek en dubbele tongen. Onze nationale rapdichter Serge van Duijnhoven, sinds enkele maanden woonachtig in Brussel, vertaalde het onvertaalbare gedicht.

DOOR Lesage, Dieter – vert. Serge van Duijnhoven

Op de wijze van een gedicht…:

Er was eens een stoere meid
die op een dag zei: ik ben de vleesgeworden
anonimiteit; een verlegen Brusselse
die bij voorkeur slentert door de nacht
omdat, naar het schijnt, iedereen
dan toch de straten mijdt
vanwege de onveiligheid
je moet echt een knappe kop wezen
om te zweren bij een dergelijke logica

ga maar na, maar goed, die meid
verschool zich bij gewoonte in een
portiek aan de Louisalaan
in de richting van Ter Kameren
Amber was haar naam
dat is tenminste wat ze zei
en ook dat het tweehonderd was
en dat dat tenminste echt waar was
De blondine beriep zich in haar beste Italiaans
op haar Griekse nationaliteit
en op haar twintig jaar, terwijl híj
liet weten dat hij, volbloed Belg,
een Tsjech van dertig was
(Was het niet Jean Monnet die zei
– aangaande de Europese Eenwording –
dat als hij het opnieuw mocht doen
hij zou beginnen met het geslacht?)
Zij geloofde niet dat hij pas dertig was
maar gaf de route van haar voorkeur aan
die voerde naar verblijfplaats
ze hadden geluk
er was een parkeerplaats
en er was een lift
een bed een kapotje een tissue
en daarna weer de lift, de wagen
die er nog steeds stond en de Louisalaan
in de richting van Stéphanie
ze heette Mélanie
dat is tenminste wat ze zei
en ook dat het honderdvijftig was
Zodra het zwarte meisje eenmaal plaatsgenomen had
in zijn rammelbak, beriep ze zich in haar beste Spaans
op haar Zweedse nationaliteit, haar twintig jaar
iets wat hij zich aanleunen liet
hij die een half uur geleden nog Tsjech was
maar nu niet. Nu kwam hij uit Luik
net als de wafels, zei hij, en hij
was nog altijd dertig. Zij geloofde niet
dat wafels oorspronkelijk uit Luik afkomstig zijn
maar toch gaf ze haar voorkeursroute aan
om via de Louisalaan tot bij haar thuis
te geraken; ze hadden geen geluk
er was geen parkeerplaats meer
dus stelde hij voor om naar zijn huis te gaan
wat evaarlijk was voor Mélanie
aangezien hij net als de meerderheid der Walen
wellicht een seriemoordenaar kon zijn
tenminste volgens Jef Vermassen
– koekoe de moordenaars zijn onder ons –
de grote specialist op dit gebied
die overal van op de hoogte was
bij de nauwe oprijlaan naar de Louisalaan
stond er een file, de Zweedse baalde
aangezien ze hier volop tijd en geld verloor
terwijl hij zich afvroeg sinds wanneer
er zwarten woonden in Zweden
Hij had een stijve nek
van het te veel zuipen bij de Beurs
maar ondanks zijn staat van geest
realiseerde hij zich dat Luik niet

naast de deur was, en dat hij
trouwens toch niet van daar was
zo kwam het dat hij de Belliardstraat uit reed
dat hij de tunnels meed
en stilhield bij het Jourdan Plein
waar hij aan haar vroeg of hij niet gewoon
daar in de auto of anders in een naburige wijk
met haar een rondje schaats mocht rijden
(een uitdrukking die hetzelfde is in het Vlaams
en waarmee hij in feite zeggen wil
dat hij met haar van bil wil
dat hij haar een flinke veeg wil geven
die schaats tussen haar dijen uit wil rijden
en dat hij zijn tong in haar mond
wil steken en omgekeerd, en dat hij
haar hof en gehemelte stimuleren wil
zo luidt de taal die men in Brussel
spreken moet; in Brussel is het altijd
de taal van de ander die men spreekt
wat een nogal omslachtige manier van zeggen is
om duidelijk te maken – zoals
men dat op z’n Engels zegt –
in Brussels always give french kisses
natuurlijk zijn er ook lieden die zich hier
niks van aantrekken en die zeggen dat men in Brussel
de tong van de ander beter onberoerd laat
vanwege het besmettingsgevaar,
vooral in een geval als het onze
waarin de dame in kwestie zwart, buitenlands en
Spaans-
talig is, en waarin de kansen dat er een virus
op haar tong leeft buitengewoon reëel zijn
zodat men er beter aan doet haar helemaal niet aan te raken
en zeker niet met de eigen tong
en zeker niet wanneer men het geluk heeft
een nog smetteloze tong te bezitten)
dus, om kort te gaan, vroeg hij
kan ik niet simpelweg een rondje met je
rijden gaan, en het meisje antwoordde hem
hoe weet ik of je geen ziektes hebt
want werkelijk, om mij heen
speelt zich de ene na de andere tragedie af
van collega’s die zich hebben laten berijden
en die nu zijn besmet – met mij zal het
u niet gebeuren, zei de Tsjech
die zich ter plekke had genaturaliseerd
ik ben de blanke ridder van de witte schaats
u gaat me misschien niet geloven
maar misschien gaat u me wel herkennen
ik ben de rechter Connerotte
ach zo, zei de Zweedse, in dat geval
moet ik eerst naar het toilet
maar daarna doe ik het gratis voor u
alles wat je wilt, en zelfs meer
sado, maso, ik sla en ik zuig
om het even welk deel van uw
gerechtelijk lichaam, ik ben een fan van u
gelijk mijn zus en mijn mama
wat een toeval en wat een misère
die spaghetti-affaire en die arme kindjes

ik heb alle artikelen daarover huilend gelezen
maar wacht even tot ik heb gepist bij Bernard
heb je zin in frites? Ja?
met mayonaise of met sauce tartare?
hola, voor Antoine staat er een file
rust even uit tijdens het wachten
ik pleeg nog even een telefoontje
en daarna gaan we all the way
net als in de film, en then again
zul je je voelen gelijk een man
na al je affaires met het hof van castratie
geloof ik dat je behoefte hebt aan een ware sensatie
een speciale een moordgave een wrede
en ik ben het Ophélie die je haar zal geven
en terwijl zij ging plassen
bedacht de rechter Connerotte
die in de hele wereld faam genoot
vanwege zijn scherpzinnigheid, dat die meid
daarstraks nog Mélanie heette
maar aangezien hij nog maar tien minuutjes
Connerotte was ontbrak het hem aan de ervaring
om dit onderzoek naar een goed einde
te leiden, dus liet hij het er maar
bij zitten. Hij liet zijn hoofd rusten
op het stuur en werd wakkergetikt door de
gemeentelijke
politie die het Jourdanplein ontruimde
voor de plaatselijke markt
Neemt u ons niet kwalijk, meneer Connerotte
maar straks zal hier op deze plek
de groenteman zijn kar gaan stallen
Ophélie, die de strategie had doorzien
van de seriemoordenaar die daarmee haar
vertrouwen had willen winnen, ging ervandoor
Zij blies aldus haar deeltje uit in dit verhaal
Wat een sof; eenmaal andermaal. Voor de tweede maal
in zijn carrière stond Connerotte met zijn
mond vol tanden. Zijn tong klakte onvoldaan
in zijn smoel. Wat een vuile boel
was alles weer. Wat een vuile boel
Men had nog maar net gedaan met het installeren
van luidsprekers op het marktplein
of een nogal banale en goedkope melodie
begon te flaneren over het verlaten plein

© Lesage, Dieter / Serge van Duijnhoven – De Groene Amsterdammer

still uit videoclip Zumi Pop (1998) – samenspel van SvD met componiste Mariecke van der Linden. Regisseur: Gabriel Kousbroek.

MORS STUPEBIT ET NATURA

Zumi Pop: `ik wijs de liefde niet af’

Serge: wat zij bedoelt is:

zij wijst mij ermee terecht

Zumi Pop: ik ben geen Narcissa

en ook geen appel waar jij

zomaar in bijten mag

Zumi Pop: ik wil met jou

in ballingschap

Serge: ik mag haar Adam zijn, die onvolgroeide

brok in haar keel, die mannenman

tussen het laken van madam

haar ogen groot, nog groter

dan waarzegbollen, pupillen

gezwollen, gespleten

tot ellipsen van planeten

alsof ik met haar

door de hemel schiet

in dat blauwgroen

dat bauxiet van haar, dat crimson

zwart van het niet. Ik zweef met haar

door de kosmos, de orbit die zij is

en die zij om mij strengelt en

verstrengeld houdt

zij tovert de lente en de zomer

in het lover, mijn lover

Zumi Pop: jij mag mijn minnaar blijven

Serge: ik mag – de zanger van de mis

die zingt van het gemis

ik mag – de plenger van de wijn

die zingt van het venijn

ik moet mij zo maken dat ik

van kop tot tenen in haar orbit pas

ze wil dat ik haar Heel & Al

prijs en bezing, haar verse

vrouwenlijf in verzen wring

zij wil dat ik haar prijs

maar ik zeg: van teveel complimenten

raakt een vrouw slechts

op zichzelf verliefd

zij is geen wezen van getij

van maan, stuurloos gevrij

wel van zee, het nat dat

uitgestrekt tussen ons twee

zeeziek is zij, als zij zegt:

Zumi Pop: ik heb zeetjes in m’n hoofd

Serge: het klutsen, klotsen van de liefde

migraine, angst, verliezen

als zij geneest is alles kwijt

Zumi Pop: `ik wilde een klein kusje maar’

Serge: Kat en hond blijven spelen

Zumi Pop: `ho! ho! ik heb nog geen keuze gemaakt’

Serge: `’kook niet’

Zumi Pop: `voor wie?’

Serge: zij belt vanuit mijn vertrekken

naar haar man:

Zumi Pop: `ja, ik ben bij hem.

kreeg je mijn brief niet, dan?’

Serge: zij fluistert donker

spijt en onmin

als zij ophangt is het of ik ben verplaatst

als toren en loper op een schaakbord

Zumi Pop: `laat hem maar lopen

en grommen de hond. Eindelijk,

al is het vermoedelijk al

te laat.’

(tegen Serge): `laat jij nu dan

mijn hond zijn. Mijn trouwe

kameraad’

Serge: gaat het om de trouw

het touwtrekken om `jou’?

of om het liefhebben, subtiel

inventief; inventionen

voor erotische zônen

rochade, klein of groot?

promotie in de rangen van het wrange

Zumi Pop: `het blijft natuurlijk spel’

Serge: `zeker, lief, tot in de dood!’

Serge: loper, toren, hond, geliefde, lijk

chinees gezegde: na de partij is alles

weer gelijk; koning en pion

verdwijnen na een poos

in dezelfde houten doos

Zumi Pop: `maar het moet wel spannend blijven…’

Zumi Pop (plots, nurks): `maak voort’

Serge: `maar…waarom?’

Zumi Pop: `daarom…

treinen wachten niet

treinen wachten nooit

het mooiste komt toch

altijd onverwachts

daden, woorden, alles is

onderbreking

de wereld is een beest

een roofdier, ongeduldig

en vlug, en altijd hongerig’

(fragment uit de dichtbundel + cd: Obiit in orbit – aan het andere einde van de nacht. De Bezige Bij 1998)

Zumi Pop

Mike van Gaasbeekin gesprek met

Serge van Duijnhoven

KRAKATAU

tijdschrift voor breedspraak

nr.22 – sept./okt. 2003

Serge van Duijnhoven (1970) debuteerde in 1993 met de bundel ‘Paleis van de Slaap’. In de jaren daarna verschenen van zijn hand de dichtbundels ‘Copycat’ (1996), ‘Obiit in Orbit’ (1998), de verhalenbundel ‘De overkant en het geluk’ (1997) en {Balkan}Wij noemen het rozen (1999) over zijn ervaringen in het door oorlog geteisterde voormalige Joegoslavië. Tussen 1993 en 2000 was Van Duijnhoven één van de drijvende krachten achter het illustere blad MillenniuM. Zopas verscheen zijn nieuwe bundel met CD getiteld Bloedtest

Zaterdag 21 juni 2003, 15:30 uur op het terras van Brasserie Verschuerenin de Brusselse wijkSint Gillis. Zeven uur daarvoor zat ik nog met een opplaksnor in een tietenbar in het Scheepmakerskwartier. Mon Chéri, ofzo. Omdat zijn Balkanese furie de nacht in wilde halen hebben we de buitenlucht opgezocht. Een Braziliaanse drumband met lillende billen fêteert de stralende zon. Samba op de kasseien overstemt het gesprek en vult de recorder. Op naar rustiger oorden, als de Brusselse binnenstad die al kent.

Even later aan de ouzo van Restaurant Kriti op het Bethlehemplein, Klein Midden Oosten in de volksmond. Ondanks de schaduw schermt zijn zonnebril de blik af. Dat blijft zo, gedurende het hele interview; een spel van distantie en toenadering. Maar is het achterste van de tong wel zo mooi en veelzeggend als het puntje? Zeker als het puntje vlijmscherp is.

Place Jeux de balles, fotograaf Bosz de Kler

Verwatering voorkomen

Scherp is Van Duijnhovens tong zeker. En ook zijn pen is dat, getuige de schotschriften in landelijke dagbladen en tijdschriften, waarmee hij de ivoren toren waarin de kleine elitaire poëziekliek zich het vorige decennium ophield wilde laten schudden. Het pleidooi voor de omarming van de rap en de nieuwe generatie podiumdichters plaatste Van Duijnhoven in het centrum van de kritiek: “Guus Middag heeft destijds in het NRC als een giftige spin gereageerd op het essay dat Olaf Zwetsloot en ik in de Groene Amsterdammer hadden geschreven in zesennegentig. Er moest volgens ons meer ruimte komen voor jonge dichters en voor jong geluid. In zijn stuk poneerde Middag: Van Duijnhoven en de rappers mogen dan wel beweren dat het huis van de poëzie vele kamers kent, maar poëzie en muziek, beste lezers, moeten toch vooral van elkaar gescheiden te blijven om verwatering te voorkomen.

Ik ben zelf met de poëzie in aanraking gekomen via de grote Franstalige zangers Leo Ferré, Brassens, Brel. Vooral Ferré heeft mij op het spoor gebracht toen ik een jaar of 16 was. Mijn leraar Geschiedenis nam een keer een platenspeler mee, zo’n ouwe waarop hij een plaat draaide om de sfeer van de jaren zestig een beetje te laten proeven. Ferré zong daarop onder andere ‘Ni dieu, ni maître’, een soort ‘anthem’ van het anarchisme zou je kunnen zeggen. En ook een nummer met tekst van Rimbaud: La chanson de la plus haute tour. Daar werd ik zo door gegrepen dat ik naar de boekhandel ben gerend om werken van Rimbaud op de kop te tikken. Toen gebeurde er iets wat mensen in België heel vaak hebben met Paul van Ostaijen(?). Dat de horizon van wat mogelijk is op taalgebied, op syntactisch gebied plotseling een heel stuk verderop geschopt wordt.

Léo Ferré – “Ni dieu, Ni maître”

De muziek heeft me op weg geholpen om Rimbaud te lezen. De drempel van de muziek is lager dan die van de poëzie, maar de muziek is voor mij ook een vanzelfsprekende manier om de poëzie over te dragen, een natuurlijk vehikel. Ik zie het helmaal niet als twee dingen die absoluut gescheiden moeten blijven om verwatering te voorkomen. Ik zie het als perfect mogelijk om het ene in dienst te laten staan van het andere en andersom.”

Het huis van de poëzie met in sommige kamers een muzikaal tapijtje. Waarom niet? De laatste bundels van Van Duijnhoven worden vergezeld door de zilveren schijf met daarop een soms naar botergeilheid neigende dichter die zich croonend een weg baant door soundscapes. En achter op het podium tijdens optredens van de formatie Dichters Dansen Niet hangt ook nog een visueel behangetje. Zorgt dat niet voor wat teveel afleiding waardoor het bezoek niet verder dan de hal komt?

“Dat gevaar is er. Maar tegenwoordig werken we vaak heel ingetogen en zetten we soms de beelden stop om iets gedecideerder en berekender te spelen, zodat je elkaar gaat versterken en het ene niet laat verzwelgen door het andere. Daar zijn we gaandeweg achtergekomen. We komen tegenwoordig enkele malen per jaar samen met een theaterregisseur die oog heeft voor wat wel en niet werkt, wat elkaar bijt en waarin we nog tekort schieten. Het is ook een lang traject. Daarom zet ik altijd vraagtekens bij de gemakzucht waarmee veel dichters af en toe een gelegenheidsprojectje doen met muzikanten, zoals bijvoorbeeld een Remco Campert die een keertje met een jazzmuzikant aan de slag gaat. Dat is allemaal wel heel erg gemeend en het komt uit een goed hart, maar daar kan volgens mij nooit iets beklijvends uit voort komen. Als je hiermee echt tot op de bodem, tot op het bot wil gaan, dan heb je het over een levensproject. De Cd van Bloedtest is weer een stap verder op weg en nog lang geen eindstation. Ik weet welke richting ik opga maar niet waar ik uitkom. Dat is namelijk een proces van trial and error, van zweten, van weggooien en van proberen, maar je moet wel weten waar je heen wilt gaan.”

Milder?

Een toeterende stoet Marokkaanse bruiloftsgasten onderbreekt het betoog dat als een slang uit zijn mond krult. De slang sist als de kritiek op zijn bundel Bloedtest ter sprake komt: “Pfeiffer’s exercitie om in het NRC Handelsblad te recenseren is een grote wraakoefening op al zijn concurrenten met als enige doel zichzelf een veer in de reet te steken. De man verdient het om eens een keertje tegen de vlakte geslagen te worden.” Na enkele seconden klinkt vergoelijkend “In overdrachtelijke zin dan”. Maar over het literaire klimaat in den lande is hij milder. “Er is heel veel veranderd in de Nederlandse literaire wereld, en ten goede. In die zin dat er meer mogelijk is en aandacht is voor jonge dichters en nieuwe vormen, zowel vanuit organisaties als vanuit festivals zoals bijv. Poetry International dat een slamfestival heeft tegenwoordig. Een aantal jaren geleden was dat helemaal nog niet zo. Ik moet niet de hele tijd een soort van ijsbreker proberen te zijn van een ‘mere à glace’ die niet meer bestaat.”

Is de ivoren toren beklommen en heeft monsieur Van Duijnhoven goed zittend pluche tussen de coryfeeën verkozen boven de barricaden? Of heeft de tijd met haar zalvende werking ook vat gekregen op het karakter van de dichtende polemist? Allebei wel en allebei niet. De tijd tempert, maar een rat verliest zijn staart niet snel. Een tweeslachtig antwoord: “Ik aarzel een beetje om daar zo hard mee van stapel te lopen, maar wat mij tegenwoordig vooral irriteert is de poëziewereld zelf, die weinig peper in de reet lijkt te hebben. Het is een beetje gezapig. En dan kun je wel heel hard gaan roepen, maar daar bereik je verder weinig mee want het moet toch uit die mensen zelf komen. Het zou heel goed zijn als de dichters hun opvattingen over de poëzie wat Olympischer zouden opvatten. Als dichters wat hoger van de toren zouden blazen. Het is toch allemaal een beetje aan de bescheiden kant. Misschien heeft ‘de Vaderlandse poëet’ nu eenmaal vaak het karakter van de een beetje gekke huisman/vrouw. Daarom aarzel ik ook om het zo polemisch te stellen. Je kunt het namelijk niet iemand kwalijk nemen dat hij of zij zo is. En de beste kritiek is om het zelf beter te doen. Dat is maar de manier die ik nu prefereer en dat is ook de reden waarom ik hardnekkig weiger om poëziekritieken te schrijven. Moet ik anderen gaan beoordelen om te laten zien hoe goed ikzelf ben of bundels uitbrengen op de manier waarop ik vind dat het goed is. Bovendien is diversiteit in de kunsten een groot goed en dat moet je respecteren. Dat respect wens ik ook van anderen voor mijn poëzie. Aan mijn heetgebakerdheid is weinig veranderd, maar ik vraag me tegenwoordig wel af wat je ermee opschiet als je mensen gaat schofferen vanwege het feit dat zij wat burgerlijker zijn, wat huiselijker zijn, wat wereldvreemder zijn, wat mussenachtig zijn, wat grijzer zijn? Toch blijf ik ervoor pleiten dat de poëziewereld wat minder bescheten wordt. ‘Spooksprekers aan het woord. Gooi open die poort,’ zeiden we op Eindhalte Fantoomstad. Zo van ‘Laat eens een keertje wat frisse lucht binnen.’ Dat kan toch helemaal geen kwaad.”

Poststructuralistische azijnzeiker

Heeft het zin om de mus zout op de staart te leggen of moet – desnoods geforceerd – de cloaca ingepeperd worden? Daar hangt het een beetje om. En blijft het hangen. Misschien komt de dubbelheid ook voort uit de weerzin tegen de constante kritieken op zijn eigen werk en op de door hem voorgestane ‘emancipatie van de podiumdichters’. Wie het strijdtoneel van de openbare opinie betreedt moet immers incasseren. Onlangs nog hekelde publicist Jos Joosten in zijn boek ‘Onttachtiging’ met essays over eigentijdse poëzie en poëziekritiek die Van Duijnhoven met zijn vernieuwingsbeweging. Zo vernieuwend als men pretendeerde was die poëzie volgens Joosten helemaal niet. Op een of andere manier lijkt Van Duijnhoven opgelucht dat het onderwerp ter tafel komt. “Die kritiek heeft meer te maken met het billenknijperige karakter van Jos Joosten. Kijk, Jos Joosten is een soort van griezeldominee die iedereen die plezier beleeft aan poëzie bij voorbaat verdacht vindt omdat hij dat niet intellectueel genoeg vindt. Als je de schoolmeester Jos Joosten zou volgen moet je je al schuldig voelen als je van Annie MG Schmidt geniet. Dat is toch erg. Juist die mensen, die te weinig kloten hebben om creatief iets bij te dragen, worden zo ontzettend streng in hun oordelen dat ze het bijna onmogelijk maken voor mensen om ergens van te genieten. Je zult zelden of nooit een positieve recensie lezen van de hand van Jos Joosten. Ook niet van de boeken die hij goed vindt. En Nederland zit vol met dat soort mensen dat te weinig elan heeft om te strijden met dezelfde wapens als de artiesten over wiens werk een oordeel geveld wordt. In plaats daarvan verleggen ze het strijdperk en dwingen ze de kunstenaars zich te begeven op een terrein van een technisch wetenschappelijke discours. Vaak zijn het mensen die gesnoept hebben van de filosofische school van Derrida, poststructuralistische azijnzeikers die het spel te min te vinden.”

Een non-argument. Ook billenknijperige schoolmeesters kunnen dingen zeggen die tegen de waarheid aanschurken. Joostens kritiek richt zich onder andere op het feit dat Van Duijnhoven cum suis het spel van de revolutionaire upcoming generation speelden, zonder radicaal nieuwe poëzie te schrijven. Dat vraagt om een reactie. Serge gaat verzitten, de recorder valt om en wordt om herhaling te voorkomen ingeklemd door de glazen ouzo. Drinken heeft geen prioriteit: “Het feit dat wij dat spel speelden was voor hem al ammunitie om mee te schieten. Daarnaast herkennen mensen het nieuwe nooit aan het nieuwe. Als je alleen maar naar de poëzie op papier wilt kijken, waar tot dan toe de poëzie zich toe beperkte, dan vind je het nieuwe al helemaal niet. De beweging die om wat meer openheid en frisse lucht smeekte was niet zozeer vernieuwend op papier. Het podium was de plek.”

Schijthuis

Een tweede speerpunt van de podiumdichters, de presentatie van de rap als nieuw zusje van de poëzie, kan bij Joosten op minder weestand rekenen. ‘Het is een goede zaak dat hij (Serge van Duijnhoven, MvG) bepleit de ruimte van de poëzie zo ver mogelijk uit te breiden,’ valt er te lezen in een hoofdstuk met de denigrerende titel ‘De jeugd van tegenwoordig’. Het lijkt er echter op dat het nieuwe zusje op zichzelf is gaan wonen en zich in mindere mate iets gelegen laat liggen aan de dichtkunst. De destijds nieuwe generatie podiumdichters heeft een prominente plek ingenomen op tal van literaire manifestaties, maar da hip hop? Hangt die er niet een beetje bij of wordt rap er soms zelfs niet met de haren bij gesleurd? Van Duijnhoven: “Is het hypocriet dat mensen in de poëziewereld geïnteresseerd zijn in de rap, omdat de rap op een originele manier gebruikmaakt van technieken die voortkomen uit de poëzie, van ritme, van palindromen, van spiegelingen? En in hoeverre is het hypocriet van rappers om geen interesse te tonen in alles wat maar buiten het kleinzielige hiphopwereldje gebeurt. Veel hip hoppers kijken ook niet verder dan het reclamewereldje van de juiste kleding, de juiste codes, van de juiste beweginkjes. Begrijp me goed, ik geniet gewoon als ik Def P hoor flowen, maar het tonen van interesse kan alleen maar goed zijn. Als de hip hop het medium waarvan ze gebruikmaakt in de volle breedte uit zou willen buiten, dan zouden rappers weldegelijk in poëzie geïnteresseerd zijn. Maar het is helaas niet hip om te zeggen dat je D.H. Auden op je nachtkastje hebt liggen. En in hoeverre is het niet een statement tegen dat blanke eliteraire gedoe om als hip hopper weg te lopen van een festival als de hip hop act klaar is? Van de kant van de festivals heeft het inpassen van hip hop vaak een soort effect van de ‘token nigger’, de excuus Truus. Erg opportuun. De hypocrisie komt gewoon van beide zijden.

Het valt niet te ontkennen dat het toch twee verschillende werelden zijn gebleven en de conclusie die men ook kan trekken is dat mensen neiging hebben om zich op te sluiten in kleine groepen. The birds of the same feather, will always flock together. Om zich veilig te voelen, maar ook om zich verheven te voelen boven een ander. Dat geldt net zo goed voor hip hoppers die weglopen als de rest van het programma begint als voor mensen als Jos Joosten en consorten die zullen vinden dat Van Duijnhoven en andere figuren, als het huis van de poëzie dan toch zovele kamers heeft, beter naar het schijthuis van de letteren kunnen worden verwezen.”

Gekrenktheid

“Zo behoort Joosten tot het groepje van de Preciezen en de Preciezen hebben een hekel aan de Rekkelijken. De precieze opvatting van de literatuur is dat literatuur zich dient te beperken tot het geschreven woord. Alsof het orale daar geen plaats in heeft. Nu vindt ik niet dat iedereen een hot podiumdichter moet zijn, maar wel dat er naast Eva Gerlach nog zo iemand als Ingmar Heytze mág bestaan waarvan je mág genieten. Mensen als Jos Joosten willen niets weten van het feit dat er nog een lichamelijke tak aan de poëzie zit. Voor hen is het alleen maar hoofd en – om met Derrida te spreken – ‘Il n’ y a rein dehors la texte.’ Het is een gemakkelijke kritiek om te zeggen: ‘Die Van Duijnhoven wil revolutionair zijn, maar zijn teksten zijn helemaal niet zo revolutionair.’ Zelf ben ik ook niet op een manier nieuw zoals Hans Faverey nieuw is geweest voor de poëzie op papier. Dat heb ik ook nooit beweerd. En dan is het natuurlijk makkelijk om dat element eruit te pikken waarin mijn gedichten misschien romantisch, klassiek zijn of binnen de traditie passen. Maar als je niet ziet wat er anders is vergeleken met de poëzie van Gerlach of Faverey, dan weet ik het ook niet meer. Misschien heeft het meer te maken met hun verwachting. Ze zien me toch als een soort revolutionair of popster ofzo en meten daar mijn poëzie aan af.”

Klinkt hierin niet een beetje een gekrenktheid door? Of in de lederen stappers lange tenen steken, wil ik weten. En is de combinatie lange tenen en scherpe tong wel het juiste arsenaal voor een dichter? Antw.: “Absoluut. Gekrenktheid is een van de sublimaties die literatuur is. Als je niet gekrenkt zou zijn, als je niet een overtrokken ego zou hebben, als je niet op een of andere manier onder iets uit zou willen komen, als je niet gemankeerd zou zijn, zou je ook niet al die uren op een kamertje achter de computer gaan zitten zwoegen om dat terug te halen wat je in de normale werkelijkheid niet kan bereiken. Die gekrenktheid is er, en bij iedereen denk ik. De drang om erkend te worden. Je wilt erkenning voor wat je doet. En dat is op zich heel kinderlijk. Vrouwen hebben dat veel minder, die gespitstheid die grootheden als Harry Mulisch en W.F. Hermans wel hebben. Ze zeggen vaak dat mannen met een opgeblazen ego net kleine kindertjes zijn die op een zeepkist gaan staan om gehoord te worden. Als ik dat hoor dan moet ik altijd lachen, want ze hebben wel gelijk. Maar het is een voorwaarde voor kunstenaarsschap. Waarom moet je het allemaal doen in de arena waar iedereen er last van heeft. Ik denk dat je een ontzettend opgeblazen en verkrampt ego moet hebben om dit soort dingen te doen.”

De recorder gaat uit.

met poes Kyra (foto Saskia Vanderstichele)

interview in de Poëziekrant

november/december 2004
door Jan Haerynck

Een Hollander in Brussel. Een schrijver dan nog. De drieëndertigjarige Serge van Duijnhoven. Bekend en berucht om zijn kwantiteit, kwaliteit en balorigheid. Het is bloedheet in de binnenstad. De schrijver duikt een goedkoop winkeltje in op zoek naar drank. Met de handen vol drijft hij mij naar zijn werkkamer. ‘Een vriend van me heeft net een schitterende boekenkast getimmerd’, zegt Serge van Duijnhoven niet zonder trots. De zwerver is thuisgekomen. Hier zal wat afgeschreven worden, lijkt zo. Maar eerst het antwoord op de vraag hoe hij zichzelf het liefst zou omschrijven. Dichter, prozaïst, journalist, amokmaker, rapper?

“Ik bén Serge van Duynhoven. Mijn bron van dat alles is het dichterschap. Dààr ben ik nu achter gekomen. Ook op mijn zijpaden ervaar ik de poëzie als mijn motor. Ik ben geobsedeerd door een aantal zaken die heel duidelijk met schrijven en poëzie te maken hebben. Het ensemble “Dichters dansen niet.” zie ik niet als een zijpad maar als een onderdeel van mijn dichtersschap. Die groep heb ik in 1995 opgericht. Een van mijn romans kreeg ook die titel. Die groep bestaat uit muzikant Fred de Backer uit Groot-Bijgaarden -waar hij een muziekstudio heeft-, cineast Gabriel Kousbroek en een aantal gastmuzikanten. Met die groep opteer ik voor een symbiose tussen poëzie en muziek. Daarin hoor je de echo’s van twee disciplines. Toch verrassend mag je zeggen. Steeds over twee drempels heenstappen. Je moet weten dat ik kennis heb gemaakt met de poëzie via zangers zoals Leo Ferré of Serge Reggiani die de grote Franse dichters interpreteerden. Aanvankelijk wist ik nog niet precies waar ik zou uitkomen of wat ik dan deed wel in de lijn lag van het vooropgestelde eindresultaat. Ik begin nu dat resultaat te zien. Ik doe een uiterste inspanning om alles tot een geheel te breien, om de verwatering tussen kunstgenres te neutraliseren, om een imponerende mélange te bereiken.

Als je mijn recente CD beluistert, heb je zoals bij een film een begin dat je op vloeiende wijze naar een eind voert. Vroeger speelde ik allerlei kleine nummertjes na elkaar. Nu probeer ik één geheel te bereiken. Niet elke dichter brengt bij zijn bundels ook CD’s uit en dat hoeft ook niet. Voor mij is een dergelijke uitgave een heel natuurlijke manier van werken. Niet eens een zijstapje. Maar die dubbele uitgave maakt duidelijk deel uit van een project, van datgene waar je jezelf op de een of andere manier aan verpand hebt”.

Houdt Van Duijnhoven er rekening mee dat de gedichten songs kunnen worden? Hij ontkent heftig.

“Als je begint te schrijven, weet je niet meteen waarvoor dat gaat dienen. Het is elke keer weer een gevecht om vanuit dat niets een lijn, een kader, contouren te geven. Je moet je bijna in een staat van black-out weten te werken zodat er dingen naar bovenkomen die je later kan redigeren. Als je in de studio werkt, dan kun je teksten wel bijstellen om ze lekkerder te laten klinken, om ze meer to the point te brengen, om ze echt te laten passen. Alles heeft een geijkte vorm en soms zwalpen of springen hier en daar dingen uit de mal die je nou eenmaal hebt als je met muziek werkt. Die snijdt je dan zo goed mogelijk weg.”

Je zegt: ik schrijf vanuit een black-out? Opmerkelijk.

“Als je echt lekker schrijft, kan je je achteraf nauwelijks herinneren dat er tijd is gepasseerd. Dat zijn de meest ideale momenten, je moet niet wachten op inspiratie, die komt tijdens het werken.

Ik zal je laten zien hoe ik werk. Dit is het rek met plakboeken en aantekeningenboeken”. Geeft me een rondleiding in zijn werkkamer.’’Wat me altijd opvalt tijdens festivals, boekenbals en gesprekken met Serge van Duijnhoven is het feit dat hij alles wat hij hoort, ziet vlijtig noteert in een schrijfboekje. Is dat meer dan de dichter ‘spelen’? Van Duijnhoven beweert stellig van wel. Terwijl hij door zo’n schrijfboekje bladert, orakelt hij: “Dat zijn de zaadjes die je plant en dan kan je later oogsten”.

Die boekjes gaan altijd in de kontzak.

“Vanaf de middelbare school heb ik die boekjes bijgehouden. Het is een gewoonte geworden. Die staan vol met kleine dingetjes die me opvallen, citaatjes, iets wat ik op tv heb gezien, iets over zeg maar Hermann Göring. Soms vreemde dingen. Dit plakboek gaat over Gerrit Komrij. Ik heb van William Burroughs geleerd dat het leuk kan zijn om scrapbooks bij te houden. Toen ik in 1996 in Gent ging gaan wonen heb ik dat ook gedaan. Kijk, een scrapbook over poëzie dat ik heb bijgehouden. (wijst enthousiast naar krantenknipsels) Sporen van de actualiteit en dat vond ik zo mooi. Het lekkerst? Rommelen met schaar en lijm en zo een aanloop nemen om daarna met de pen aan de slag te gaan.”

Is zo dicht bij de actualiteit leven ook de bron van je frequente boosheid? Je kan je nogal opwinden over bepaalde situaties.

“Ik kan me nogal kwaad maken over futiliteiten, over bekrompenheden of vastgeroestheden. Het is meestal een mentaliteitskwestie. Heel veel mensen zien de kunst eigenlijk als een statusverheffend iets in plaats van een doel, een artistieke weg. Als een middel om je te onderscheiden van anderen. Dan komt het er vaak op aan de normen vast te leggen waarmee je je kan onderscheiden. Dat wordt dan vaak in een soort van jargonachtig discours gegoten. Soms zie je dat critici een zeikerige moraal hebben en nooit echt over iets enthousiast kunnen zijn, behalve over hun eigen vrienden. Gelukkig zijn het uitzonderingen maar ze hebben dan weer wel de pers aan hun kant”.

Dat is voor Serge van Duijnhoven een reden om te koken van woede:

“Ik kan heel kwaad worden over dit soort dingen. Dat is niet gespeeld. Ik had vroeger een leraar Latijn, de beroemde vertaler Frans van Dooren, hij zei: ‘De beste kritiek is het zelf beter doen’. Ik sta blijkbaar bekend als amokmaker maar dat is niet omdat ik zo van heibel maken hou. Ik ben erachter gekomen dat die wijsheid van Frans Van Dooren gewoon de waarheid is. Je moet je niet storen aan wat iemand vindt. Uiteindelijk zijn de meeste discussies ornithology for the birds. Vogels maken zich niet druk om het discours rondom hun rangorde. Ik kan ook relativeren door mij maximaal te concentreren op een conceptalbum zoals “Bloedtest”. Daarin laat ik zien dat ik het wél kan en hoe iets wél goed kan”.

Ik herinner hem fijntjes aan zijn debat in het NRC Handelblad met Gerrit Komrij en aan de bestorming van het podium van de Nacht van de Poëzie in Utrecht in de jaren negentig. Hij rept zich:

“Dààr heb ik ook geen spijt van! Ik had gelijk. Mijn punt was toen dat Komrij in ‘97 een stuk publiceerde waarin hij 5 jonge dichters besprak -ik behoorde daar ook toe- hij schreef: er gebeurt eigenlijk niets nieuws bij de horizon, dat rapgedoe hebben we al eens gehad, wat heeft rap nog meer opgeleverd dan die Willy Alfredo? Ik ergerde mij aan het badinerende toontje waarop dat werd gezegd. Als je niet weet waar je moet kijken, dan zul je het ook nooit zien. Als jij niet wil zien dat er ook op dit moment interessante dingen in de orale tak van de poëzie aan het gebeuren zijn, dan luister je niet goed! Als je de nieuwe garde niet hoort, dan luister je niet goed. Reactie van Komrij: ‘Tegen wie denk je dat je het hebt? Ik ben helemaal niet zo bekrompen als jij denkt’. Dat hij gelijk had heeft hij aangetoond door twee jaar later het voorwoord te schrijven van de bundel “Double Talk”. Intussen is er wel veel veranderd. Het is toch opvallend hoeveel dichters nu plotseling veel aandacht besteden aan hun podiumperformance, hoeveel dichters er via de podia zijn doorgebroken. De meeste van die mensen publiceerden ook al in die tijd maar blijkbaar was het voor velen moeilijk om die mensen te horen of wisten ze niet waar ze ze konden vinden. Je hebt de hele ontwikkeling van de slam poetry gehad. Er was iets aan het broeien in die tijd. Het is ook niet meer zo nodig dat ik hoog van de toren ga blazen om mensen erop te wijzen dat poëzie ook nog iets anders kan zijn! Poëzie hoeft niet alleen in papier besloten te liggen”.

Als je je jongste cd beluistert, heb je de indruk dat je je de rug toekeert naar die raptoestanden.

“Het is allemaal veel symfonischer geworden, meer sfeerbepalend en de teksten worden niet meer op een drammerige toon gezegd”.

Serge van Duijnhoven ontkent dat hij verraad heeft gepleegd.

“Ik heb mezelf ook nooit als een rapper geprofileerd maar ik heb wel samengewerkt met rappers. We deden niet alsof we één pot nat waren. We zijn altijd uitgegaan van het braakliggende terrein tussen massacultuur en elitecultuur dat best wel eens ontgonnen mocht worden. Als project best interessant; ik vind zelfs dat dat braakliggende terrein steeds meer ontgonnen wordt”.

Iedereen klaagt steen en been dat men poëzie niet aan de straatstenen kwijt kan.

“Ik heb gemerkt dat mijn laatste bundel wel liep en ik had veel optredens in mijn agenda vast te leggen. Het was niet de bedoeling om volle stadions te trekken. Het gaat om het traject dat wordt afgelegd, het avontuur op papier, op muziek en on stage. De boodschap is overigens niet zo heel verschillend alsvroeger. In Eindhalte Fantoomstad viel in ons eerste nummer te horen: “Sprooksprekers aan het woord. Gooi open die poort” Het was een pleidooi voor meer tolerantie en frisse doorstroming in de poezie. Op het album bij de bundel Bloedtest komt dit verlangen naar lucht en vrijheid op een meer boeddhistische manier aan de orde. Lucht moet men zijn. Dat is een boeddhistisch ideaal. Boeddha krijgt een ereplaats in een van de beste nummers. Leerlingen vragen aan Boeddha: “Bent u heilige? Nee. Bent u een engel? Nee. Wat bent u dan wel? Ik ben wakker”. Dat wakker-zijn, dat fascineert mij maar wel in de overdrachtelijke zin. Het gaat er mij niet om zolang mogelijk wakker te blijven, maar je moet je zintuigen scherp houden. De blaseheid van je af weten te houden. Dat is een mentaliteitskwestie en een wijsheid tegelijk.”

De Sprooksprekers: Serge van Duijnhoven, Def P en Olaf Zwetsloot

Je geeft op het einde van je bundel “Bloedtest” een hele verduidelijking over wat je schreef. Hoefde dat? Nogal belerend.

“Ik zie het als een da capo al fine. Hugo Claus heeft me ook afgeraden dat te doen. Ik heb het uiteindelijk in overleg met mijn hoofdredactrice van De Bezige Bij toch gedaan omdat ik het componeren van zo’n boek zie als het maken van een muziekstuk waarin bepaalde cycli zitten en bepaalde vormen worden gehanteerd. Da capo al fine! De meeste aria’s uit een opera bestaan uit verschillende delen die herhaald worden. Dan kun je ook zeggen: moet dat nou, die herhaling? Maar het is meer dan ornament. Het heeft te maken met een specifieke vorm van creëren. Vreemd, vreemd. Ik wil bepaalde prikkelende dingen zeggen en ik merk dat sommige mensen dat te belerend of te direct vinden. Ik concipieerde die slottekst als een schets. Denk niet aan een didactisch lesje. Noem het eerder een toegevoegde improvisatie rond Bloedtest, waarna de mensen alsnog met hun eigen interpretatie mogen knutselen”.

Van Duijnhoven lijkt geprikkeld door mijn kritiek.

“Er zijn tal van manieren waarop je een boek kunt lezen, een boek kunt afronden, een boek laat uitdeinen. Dat is volgens mij niet per definitie fout. Ik zie het meer als een alluderen, het thema een tijdje laten uitgolven. Ik hoopte dat het publiek mij even de vrijheid zou geven nog even een stukje te riedelen”.

Het gaat in “Bloedtest” vooral over de intimiteit tussen twee geliefden, maar ook over de waan en de waanzin, waartoe die kan leiden. Je visie op de liefde is nogal pessimistisch, niet? Het verdwijnpunt ligt dichtbij. Van Duijnhoven leunt gedreven op de tafel:

“Liefde is een biologisch vehikel en niet een garantie voor geluk. De liefde wordt bezongen zoals in het gedicht waarin de zee geëvoceerd wordt. Liefde is ook een spel. Toenadering, minnespel, en daarvoor gebruik ik vaak de dialoogvorm De titel “We zijn vandaag lichtvoetig” geeft toch aan dat ik het niet zo zwaar zie. Liefde heeft te maken met een zekere geëxalteerdheid die de natuur nodig heeft om zich voort te planten. Ik ben niet pessimistisch over de liefde. Het lichamelijke aspect is tamelijk expliciet uitgewerkt in al mijn bundels. Ook het spelevaren van verliefden, het lichamelijk spelevaren, dat vind je ook in die bundels. Ik geef toe: het is niet per definitie allemaal jolijt”.

Is liefde, meer bepaald grenzeloze verliefdheid, een gevaarlijk iets?

“Alles waar je jezelf in kan verliezen is levensgevaarlijk. Het is zo ambivalent als wat, maar liefde is ook de biologische redding. Een noodzaak. Anders zouden wij niet bestaan”.

Wat mij opvalt: je staat dicht bij de rap maar je bent geen rapdichter. Je gedichten zijn beeldend. Ze zijn niet makkelijk. Als ik een link mag leggen, ook met de fysieke liefde, dan zou ik aan Claus denken.

Serge van Duijnhoven springt op en roept: “Claus is mijn grote held! Ik wil hem voortdurend een hommage brengen”. Loodst mij naar zijn bibliotheek. “Kijk een hommage in vier uitverkoren hoekjes. Claus is voor mij de belangrijkste van de Nederlandse letteren, omdat hij zo veelzijdig is. Wat zo benijdenswaardig is als je Claus leest, en wat ook zo bijzonder is: het schijnbare gemak waarmee dingen geschreven en gemaakt zijn. Iets tussen neus en lippen door. Paul Claes, die het werk van Claus goed kent en hem af en toe ook parodieert, zegt: het is ongelooflijk hoe groot de creativiteit van Claus is vergeleken met iemand als Harry Mulisch maar ook hoe slordig hij is! Namen die verhaspeld zijn, dingen die niet kloppen… Picasso heeft ooit gezegd: A work of perfection is a mistake! Mooi! Denk ook aan Multatuli, de auteur van een boek (Max Havelaar) dat voor mij als iets ultiem overkomt, van een boek vol haken en ogen en losse randen maar toch is het uniek”. Van Duijnhoven grijpt naar een werk van Arthur Rimbaud.

“Met hem is het allemaal begonnen. Ik ben op het spoor van Rimbaud gebracht door de zanger Leo Ferré. Ik had het geluk dat ik een leraar geschiedenis had die naar de klas een oude platenspeler meebracht en die niet alleen platen over mei 68 oplegde maar ook een aantal gedichten van Rimbaud. Toen begon ik Rimbaud te lezen. Passioneel. Ik heb ook zijn graf bezocht. Ik ben op een Boudewijn Büch-achtige manier gefascineerd door auteurs maar uiteindelijk eindigt het altijd met het lezen van hun teksten. Met het herlezen, herlezen.

Ik ben een trage lezer. Het zijn altijd boeken die je niet zo makkelijk kunt vatten die me na aan het hart liggen. Il faut comprendre une femme ou l’aimer. Je kunt niet allebei. De dingen waar je écht van houdt, die zal je nooit helemaal begrijpen. Neem Serge Gainsbourg. Een groot muzikant. Maar die heeft zichzelf zelden of nooit een dichter genoemd. Hij was blijkbaar wars van een opgepept schrijvend ik”.

Serge Gainsbourg

Je ziet poëzie niet als een apart hokje? Van Duijnhoven beaamt:

“Het chanson is bij uitstek de plaats waar tekst en muziek samenkomen. In het Nederlandse taalgebied heb je geen traditie op het niveau van de Spanjaarden en Fransen. Poëzie is een tekst en als je muziek wil gebruiken om die naar de mensen te brengen dan creeër je niets nieuws onder de zon. De Grieken deden het al. Ze brachten het met een lier. Ik was eens op een poëziefestival en toen was daar ook de Franse dichter Julien Blaine, een klankdichter en ik had met hem een discussie over Gainsbourg. Hij verwees naar een grappig gesprek op de radio waarin Gainsbourg met een andere zanger, Guy Béart, aan het discussiëren was of ze nu met poëzie bezig waren of niet. “Mais non, Guy. Ce que l’on fait, ne sont que des petits cacas…“ schijnt Gainsbourg de hele tijd te hebben gerepliceerd. Tijdens een fundamenteel gesprek de lachspieren een kans geven. Een eigenschap van grote Meesters”.

Sommigen beweren dat je voor poëzie heel, heel strenge voorschriften moet bedenken.

“Er zijn mensen die vinden dat je nooit streng of liever serieus genoeg kunt zijn. Er zijn dichters die kritieken schrijven om een veer in eigen reet te kunnen steken. Is er iets walgelijkers? Het is heel gebruikelijk dat iemand niet advocaat en rechter tegelijk kan zijn, maar in de poëzie is dat net een gewoonte. Vanuit het standpunt van een politicus lijkt dat wel handig: dan kun je je macht en je status vergroten. De scribent moet een rigoureuze keuze maken: schrijf je gedichten of beoordeel je gedichten? Een kunstenaar is pas kunstenaar als hij vindt dat wat hij zelf creëert ook beter en anders is dan wat hij vaak leest. Dat is de olympische kant van kunst. Als de poëet-criticus zichzelf vaardig genoeg acht om te oordelen over wat door anderen gemaakt wordt, dan is het ook snel om te bewijzen dat wat je zelf maakt het beste is. Die poëet-criticus heeft een heel duidelijke mal en hij is daar ook expliciet in maar alles wat niet in zijn mal past is fluts en op de meest badinerende wijze wordt dat ook aangepakt. Vrouwen doorzien dat vaker dan mannen die het belangrijk vinden om gehoord te worden en dat heeft alles te maken met sublimatie. Vrouwen zien al snel dat het gaat om een kindje dat op een zeepkist gaat staan om aandacht te krijgen. Vrouwen vinden het belangrijk dat hun geliefde eens een keertje luistert; een man vindt het heel belangrijk dat de wereld naar hem luistert. Sublimatie is de bron van kunst. Als die drijfveer er niet is, waarom zou je dan zoveel tijd besteden achter je computer of op zoek gaan naar een gedroomde zin in je notitieboekje. Het is heel goed om je eigen drijfveren te koesteren. Je moet die niet plat redeneren of in therapie gaan om die plat te strijken. Willem Frederik Hermans, een andere held van mij, zei: “Men vraagt vaak: ‘Schrijft u nou om van uw kwalen af te komen?” Hermans repliceerde: ‘Ik schrijf niets van me af, ik schrijf me er juist in!’ Het is heel belangrijk om die vitaliteit te houden. Anders zou je genoegen kunnen nemen met een goeie maaltijd, lekker slapen, lekker neuken en dan is het leven heel snel fijn”.

Van Duijnhoven woont al lang in Vlaanderen. Is hij zijn Hollands accent kwijt?

“Ik ben getrouwd met een Macedonische vrouw. Geboren in Noord-Brabant en nu hokkend in Brussel voel ik mij Brabander pur sang. Ik schreef zelfs onlangs een boek met Brabantse gezangen: verhalen en gedichten. Het is niet zo’n grote stap van Noord-Brabant naar Vlaams-Brabant. Ik voel me hier in Brussel meer thuis dan ik me ooit in Amsterdam heb gevoeld. Brussel is mijn plek. Ik kan ook elders wonen, ik heb met veel plezier in Gent gewoond. Tot ik in 1999 mijn vrouw schaakte en “ontvoerde” uit Macedonië en het Vlaams Blok impact kreeg op de Gentse politiek: niet direct de plek om asiel aan te vragen voormijn vrouw. Brussel is een hybride stad, je kan er geen vat op krijgen. Vrienden uit Nederland worden echt fysiek onpasselijk van Brussel. Als je de rigide definitie van schoonheid hanteert, krijg je zoiets als Brugge. Het mooie schattige postkaartstadje uit de Middeleeuwen, maar dan krijg je het al gauw benauwd en hap je naar lucht. Daarom hou ik zo van Brussel: hier heb je de mengeling van vele dingen. Ik ben bezig met een essayboek over Brussel: “Een Brussel met bruis, twee Brussels met liefde“. De stad vind ik ontwapenend patethisch en die ervaring is bijna lijfelijk voelbaar”.

foto Krystof Ghyselinck

Wat ligt er nog op de tafel van Serge van Duynhoven? Méér dan één gedichtje, blijkt.

“Bloedtest is deel 1 van een trilogie. Deel 2 heet Klipdrift. Een Zuid-Afrikaans woord. Ik was in dat moeilijk te beschrijven land te gast op een festival genaamd Woordfees. Een van de drankjes die ze daar serveerden was cola met een beetje whisky erin en geserveerd in een mooie donkere fles. Klipdrift noemen ze dat drankje. Een woord uit de scheepvaart; bij Noordwaartse stroming op het Zuidelijk halfrond is die stroming naar de klippen toe voor de schepen uiterst gevaarlijk. Een mooi metaforisch woord waar je als schrijver of dichter eindeloos mee uit de voeten kunt.

Vanuit mijn heel persoonlijke besognes werk ik ook aan een ‘ongewone’ essaybundel. Een verlengstuk van het fotoboek dat ik gemaakt heb. Het heeft te maken met de esthetiek van de horror en met Ali Haurand, contrabassist die Jacques Brel begeleidde in de jaren zestig en die nog altijd optreedt in de ganse wereld, en met wie ik onlangs een tournee door Duitsland heb gemaakt. Fascinerende vent. Een anarchist, verwekt tijdens de oorlog. Zijn moeder zat in het Duitse verzet en zijn vader was een Fransman. Hij richtte het New Frontier Traffic Trio op, met Charlie Mariano en Daniel Humair. Meesterlijk is zijn nummer “No more Chains”. Op kettingen wil hij niet tokkelen die laat hij zelfs niet rinkelen. Maar hij slaat die aan scherven. Telkens ik dat lied hoor, heb ik de indruk dat de aarde een beetje tot stilstand komt”.
We gaan naar de bovenverdieping en luisteren naar Ali… De dichter staart me indringend aan en vraagt bij de laatste noten: ‘’Begrijp je nu wat ik bedoel?’’

– J H –

Ali Haurand – bassist

Secundaire literatuur over Serge van Duijnhoven in de dbnl

Pieter Jeroense en Jeroen Kapteijns, ‘Het ideaal van de veelzijdigheid Pieter Jeroense en Jeroen Kapteijns Interview met Serge van Duijnhoven’ In: Vooys. Jaargang 15 (1997)
Ronald Ohlsen, ‘Chroniqueurs van onze tijd Ronald Ohlsen’ In: Passionate. Jaargang 8 (2001)

 

 

.

Plaats een reactie

Nog geen reacties

Comments RSS TrackBack Identifier URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s