Een Junior-suite in het Plaza Athenee dankzij Charles Aznavour

Ontmoetingen met Charles Aznavour

Ontmoetingen met Charles Aznavour
Charles Aznavour is negentig jaar en hij blijft met plezier optreden: zaterdag komt hij bijvoorbeeld naar Antwerpen voor een concert. De ideale gelegenheid voor Monschau om Aznavour-anekdotes op te diepen met Patrick Riguelle en journalist Serge Van Duijnhoven.

Journalist en schrijver/dichter Serge Van Duijnhoven heeft Charles Aznavour tien jaar geleden ontmoet in Parijs. Zijn luxueuze hotelkamer werd zelfs door Aznavour persoonlijk betaald.

Serge kiest voor “Mon Ami, mon Judas”, een meerlagig nummer.

Charles Aznavour speelt op 22 november in de Lotto Arena in Antwerpen. Meer info via sportpaleis.be

foto Charles Aznavour ©: Wikipedia

Interview met Charles Aznavour – door Serge van Duijnhoven

From: Serge van Duijnhoven

To: dewerelddraaitdoor@vara.nl

Sent: Thursday, December 04, 2008 9:07 PM

Subject: Charles Aznavour

Aan Matthijs van Nieuwkerk

De Wereld Draait Door

Persoonlijk

Brussel, 04.12.08

Beste Matthijs,

vernam via via dat je een passioneel liefhebber van Charles Aznavour bent.

Enige tijd geleden had ik het grote genoegen, hem in Parijs te mogen interviewen, in het poepsjieke Hotel Plaza Athenee in de monaine Boulevard Montaigne – vlakbij de Champs Elysees. Ik had al jaren om een interview lopen zeuren, en ter gelegenheid van de nieuwe toernee die de toen al 80 jarige zanger (hij is nu 84) van plan was te maken, mocht ik hem een uur lang vragen stellen.

Ik was in die tijd helemaal down and out, rock bottom. Kocht met mijn laatste centen een Eurolines busticket naar Parijs, zette mijn hoed op, trok mijn lange leren jas aan, en hoopte maar dat de grote zanger geen duur drankje zou bestellen tijdens de high tea in het legendarische vijfsterrenhotel waar de grote vedette perse wenste af te spreken. Ik kwam er binnen met knikkende knieen, en jawel, de bedienden bij de receptie vroegen me meteen argwanend hoe ze mij konden helpen en wat ik van plan was.

“j’ai rendez-vous avec monsieur Charles Aznavour”, zei ik.

Ik zag de jongen van de receptie sceptisch kijken.

“La direction est au courant…”, probeerde ik nog.

Er werd gebeld. Gelukkig bleek Aznavour de directrice van het hotel vantevoren op de hoogte te hebben gebracht van zijn komst.

Ik mocht plaats nemen in de ontvangsthal, en nam zenuwachtig mijn vragen door.

Na een kwartier schreed de frele maar nog altijd kwieke zanger binnen samen met zijn gevolg; ik veerde op, maakte kennis, en volgde Aznavour en de directrice van het hotel naar een gerieflijke plek in de langwerpige tearoom-hallway waar een harp stond en waar mensen obers opdracht gaven om hen wagentjes op wielen met zilveren theeservies voor te rijden.

Ik had nog precies achttien euro in mijn portemonnee. Een thee kostte 34 euro. Ik had genoeg voor twee glazen water, of iets van dien aard.

Aznavour nam het voortouw, vroeg wat ik wilde drinken, en bestelde een uitgebreide high tea met four o’clock versnaperingen. “Don’t worry”, vertrouwde hij me toe, en hij legde zijn rechterhand even op mijn schouder.

Het gevolg van Aznavour keek me sceptisch aan, maar liet alles betijen. Het interview raakte meteen op dreef, toen ik hem vroeg naar de houten vaten Ararat cognac die hij in Yerevan in de Ararat fabriek permanent paraat had staan. En naar de goodwill-werken die hij in het land van zijn (ouderlijke) herkomst verricht. Ik ben enkele malen in Armenie geweest, en de betrokkenheid van Aznavour bij dit in 1988 door een zware aardbeving en overig onheil (de genocide door de Turken in de Eerste Wereldoorlog, de Sovjetoverheersing, de Turkse boycot etc.) bleek ook tussen ons een zekere sympathieke band te smeden.

Het interview, dat eigenlijk hooguit een uur had mogen duren, duurde bijna drie uur.

Tegen die tijd was het al avond, en Aznavour vroeg, toen het gesprek ten einde was, wat ik verder nog van plan was.

Ik, die nog maar een luttel aantal euro’s op zak had, antwoordde: “Ach meneer Aznavour, ik ga nog wat van de stad genieten. Ik neem aan dat het te laat is om nu nog naar Brussel terug te keren.”

Aznavour keek me een tijd doordringend aan, en vroeg me daarop of ik misschien gediend zou zijn met een kamer in het hotel waar we verbleven. Ik was duidelijk in verlegenheid gebracht.

“Eh…, ik vrees dat ik daarvoor de middelen niet kan opbrengen, meneer Aznavour.”

De zanger knipte daarop met zijn vingers, en vroeg de vrouwelijke manager van het hotel bij hem te komen. Hij fluisterde iets in haar oor, zij knikte, en daarna zei hij: “voila, c’e’st regle. Veronique s’en occupera. Je vous souhaite un tres bon weekend ici a Paris. Au revoir monsieur Van Duijnhoven, profitez-en. Il me semble que ca vous fera du bien…”

De zanger verdween met zijn gevolg door de langwerpige gang, en verliet het hotel, nagestaard door de talrijk aanwezige gasten die genoten van de kerstsfeer in het legendarische logement. Veronique de manager vroeg me haar te volgen naar de tweede verdieping, waar ze me naar een Junior Suite leidde – een immens vertrek van 190 vierkante meter met twee slaapkamers, een werkvertrek, twee badkamers en een vleugelpiano. “C’est la chambre que monsieur Aznavour vous a reserve”, meldde ze me met een uitgestreken gezicht. Om daaraan toe te voegen: “Et paye. Jusqu’a lundi matin. Je vous souhaite un tres agreable sejour, monsieur Van Duijnhoven.”

Ik was sprakeloos. De klaploper die ik op dat moment was, had het genoegen om op voorspraak van monsieur Charles Aznavour te mogen verblijven voor twee ganse nachten in een van de mooiste Junior Suites van het sjiekste hotel van Parijs – a raison de 1800 euro per nacht.

Ik voelde me op dat moment de meest bevoorrechte mens op aarde, dat kun je je wel voorstellen.

Bij terugkeer in Brussel, heb ik het interview uitgewerkt.

Het is verschenen, enkele maanden later, in De Groene Amsterdammer, alwaar de toenmalige hoofdredacteur Hubert Smeets en (de vader van) redacteur Sander Pleij ook fervente Charles Aznavour liefhebbers bleken te zijn.

Ik ben Aznavour nog enkele keren gaan beluisteren, in Brussel, Parijs en Luik. En elke keer is hij even hartelijk voor me geweest. Een hotelkamer heb ik niet meer cadeau gekregen, maar een glas champagne heb ik nog wel twee keer met hem mogen drinken. En dan te bedenken dat sommige kniesoren zoals Willem Duys Aznavour een onsympathieke vrek hebben genoemd. Als iemand weet wat de boheme betekent, en wat de prijs kan zijn van een armlastige jeugd, dan is het wel deze unieke persoonlijkheid en dit genereuze genie.

Hier encore, je caressais le temps…

Met vriendelijke groet en respect voor je onderhoudende programma,

Serge van Duijnhoven

Ils sont tombés pudiquement, sans bruit,
Par milliers, par millions, sans que le monde bouge,
Devenant un instant, minuscules fleurs rouges
Recouverts par un vent de sable et puis d’oubli.
(…)

“Ze zijn gevallen, stil, bij duizenden, miljoenen, in de bloei van hun leven
en zonder dat de wereld bewoog. Ze zijn van goed en have weggevoerd
Ze zijn, gelijk minuscule bloemzaadjes, door de woestijnwinden ontvoerd
En begraven in het zand van de vergetelheid.”
– uit: Ils sont tombés (Charles Aznavour, 1975)

De man van honderd levens en duizend liederen<

Door Serge van Duijnhoven

Terwijl mondain Parijs om hem heen wervelt, straalt de tweeentachtigjarige zanger en acteur Charles Aznavour een ontspannen sereniteit uit. Hij bestelt een thee infusion “Moroccon Ruby”, die hij gedurende het gesprek echter nauwelijks aanraakt. Zijn rechterarm hangt losjes over de lederen clubzetel van het luxueuze art-deco hotel Plaza Athenee aan de Boulevard Montaigne, alwaar het decor wordt bepaald door olieverfschilderijen van de hand van de zeventiende eeuwse meester Claude Gelee, beter bekend als “Le Lorrain”, ingebed in nissen zo diep dat mensen er werkelijk in kunnen gaan zitten. De zanger is hier merkbaar op zijn gemak, en ook het hotelpersoneel lijkt niet van zijn apropos gebracht door de aanwezigheid van de Franse vedette die door het blad Time enkele jaren geleden nog tot “entertainter van de eeuw” is verkozen.

Voor ons, in de langgerekte met somptueuze tapijten ingerichte Galerie des Gobelins, klinkt het getik van van porseleinen kopjes die voorzichtig van hun schoteltjes worden getild en teruggezet. Het beheerste geroezemoes van de clientele, vermengt zich met het sierlijke geluid van een harp.

(Zijden gordijnen temperen het middaglicht, dat in de vele kristallen kandelaars en zilveren theekannetjes weerspiegeld wordt. Een glazen wand, bestaande uit sierlijke hoge ramen met smalle kozijnen, biedt uitzicht op de tuin van het hotel.)

Aznavour gaat gekleed in een grijsgestreept pak en een purperrode bloes met oranje stropdas. Enige momenten bestudeert hij aandachtig de menukaart. Een leesbril op het puntje van zijn neus. Dan legt hij de kaart neer. De apetijt ontbreekt, zegt hij, omdat hij nogal in beslag is genomen door de opnames van een tv-film die zopas van start zijn gegaan in Puteaux, een stadje in de Hauts de Seine. Ennemi Public zal de film gaan heten, en Richard Bohringer is Anavours voornaamste tegenspeler. Het script is gebaseerd op een waar gebeurd verhaal, en gaat over de poging van een een ontsnapte delinquent om uit handen te blijven van de politie. “Maar meer kan ik u er op dit moment niet over vertellen.”

Is het acteren voor u even belangrijk als het zingen?

“Je zou het als volgt kunnen formuleren: met het chanson ben ik getrouwd, maar de film is mijn maitresse. Ik houd van allebei, maar in de eerste plaats ben ik een tekstdichter, die zijn verzen met muziek vertolkt. Pas daarna ben ik ook acteur. Toen ik klein was (de zanger grijnst) “wel, dat ben ik natuurlijk nog steeds, ik bedoel toen ik als jonge knaap lessen volgde op de Ecole du Spectacle, toen had ik maar een doel voor ogen, en dat was om acteur te worden bij een professioneel toneelgezelschap. Omdat er op het podium ook wel eens gedanst moest worden, volgde ik als bijvakken piano en solfege. Dat de bijvakken van toen uiteindelijk mijn hoofdberoep zijn geworden, zie ik als een ironische wenk van het lot. Natuurlijk maak ik als zanger tijdens mijn voordrachten gebruik van mijn ervaring als acteur. Sommige van mijn chansons zijn eigenlijk kleine toneelstukjes die het niet kunnen hebben van het zingen alleen.”

In uw memoires “Le temps des avants”, die vorig jaar zijn verschenen, haalt u prachtige herinneringen op aan uw familie, uw jarenlange oponthoud in de entourage van Edith Piaf, de moeizame weg naar de top, uw amoureuze veroveringen en gebroken huwelijken, de dood van uw aan pillen verslaafde zoon Patrick, uw banden met het Armeense volk. Maar over het ontstaan van uw talloze liedteksten en chansons komt de lezer bitter weinig te weten. Heeft u dit onderwerp bewust vermeden?

“Maar dat is toch ook nauwelijks interessant. Ik ga zitten aan mijn werktafel, neem een pen ter hand, wat papier, en begin te krabbelen. Dan probeer ik er passende muziek bij te verzinnen. Wat is daar nu poetisch of boeiend aan? Je suis un tâcheron, ik ben een schrijnwerker die met woorden hakt en melodieen in plaats van met steen. Het geheim van het vak, is gelegen in de arbeid zelf. De uren dat je aan de slag bent. Ik verbaas me altijd over diegenen die vertellen: “ik liep in die en die straat, zag een meisje lopen bij de metroingang, en plots kreeg ik toen de ingeving om dit bewuste lied te schrijven.” De muze is niet lui, maar werkt zich noodgedwongen in het zweet. Brassens sloot zich op in zijn kelder, waar zijn orgeltje voor hem klaar stond. Cocteau trok zich iedere middag na de lunch terug in zijn werkkamer. Trenet ging iedere ochtend zitten krabbelen aan zijn werktafel. Brel zei het zo: “Talent bestaat niet. Alleen luiheid bestaat…””

In uw boek komt u over als iemand die uiterst vastberaden te werk is gegaan en zo min mogelijk aan het toeval over heeft gelaten.

“Laat ik het zo zeggen: de successen die ik gekend heb, zijn me niet in de schoot geworpen. Er waren zoveel handicaps die ik moest zien te overwinnen, dat ik voor ieder stapje voorwaarts twee- of drie keer zo hard moest knokken als sommige van mijn collega’s zoals Gilbert Becaud of Yves Montand. Mijn doorbraak heeft lang op zich laten wachten. Het was vooral een kwestie van doorzettingsvermogen. Je kunt in dit vak niet gaan liggen wachten tot het lot je een juiste wind in de rug blaast.”

Wat verklaart uw gedrevenheid?”

“Ik heb altijd gedacht, vanaf het prille begin, dat ik, als immigrantenzoon, beter moest presteren dan de meesten om toch gewaardeerd te worden. En dat, als ik wilde slagen in het artiestenleven, ik ook echt een hoofdprijs in de wacht moest zien te slepen: alles of niets. Het zal ook wel te maken hebben met mijn ouders, die ook artistieke ambities koesterden maar nooit de kans hebben gekregen daar iets van te realiseren in die moeilijke jaren twintig en dertig, toen er keihard gewerkt moest worden om de mondjes van hun kinderen te voeden. Daarbij was er de handicap van de taal, die mijn ouders maar moeilijk onder de knie kregen. Hun zware accent maakte een fatsoenlijke loopbaan hoegenaamd onmpogelijk. Ik besef terdege dat ik als artiest een leven leid waar mijn ouders alleen maar van konden dromen. Mijn motivatie heeft beslist hiermee te maken. Alleen al jegens hen kan ik het me niet permitteren om het er in dit vak met de pet naar te gooien.”

Heeft u gedurende uw carriere veel hinder ondervonden van uw geringe lengte (1m61), of heeft deze beperking u wellicht gesterkt in uw ambitie?

Aznavour glimlacht, terwijl hij met een lepeltje in zijn infusion roert.

“Suggereert u nu dat ik beroemd wilde worden, vanuit de motivatie om aan mijn geringe postuur te ontstijgen? Dat lijkt me nu wel erg cru gesteld. Ik heb daar nooit zo bij stilgestaan, mijn lengte is geen bron van frustratie voor me geweest. Ik heb er wel altijd rekening mee gehouden, dat ik op allerlei gebieden een achterstand had goed te maken, en daarom ook extra kritisch door anderen zou worden beoordeeld. Vooral in het begin is het een harde leerschool geweest. Alles aan mij leek wel een sta in de weg voor wat ik wilde bereiken. Behalve dat ik klein was, bezat ik nog andere kenmerken die niet in mijn voordeel waren. Ik had een uitheemse Kaukasische kop met een kanjer van een neus, een stem die niet aan de mode van die tijd voldeed. Voorts had ik een naam die de Fransen maar moeilijk in de oren klonk en die dus ook voortdurend verkeerd werd gespeld. Allemaal zaken die het er voor een beginnend artiest die naamsbekendheid probeert te verwerven, niet makkelijker op hebben gemaakt. De twijfel, de ontmoediging, het gevoel niet begrepen te worden of niet de kans te krijgen die ik verdiende, hebben me vaker verslagen dan ik wel wilde. Zaaleigenaren verklaarden me voor gek dat ik door ben gegaan. Ik heb fluitconcerten over me heengekregen. Er zijn bierflesjes naar me gegooid, er is met geld naar me gesmeten om me te doen ophouden met zingen. Over mijn stem deden de wildste geruchten de ronde. Bruno Coquatrix, de directeur van de Olympia in Parijs, vermoedde dat ik keelkanker had. Gelukkig heb ik me nergens iets van aangetrokken. Ik ben gehard tevoorschijn gekomen uit de strijd. Men zegt wel: karakter is bestemming. In dat opzicht zijn mijn moeilijke en magere jaren (“ces premieres annees de vaches maigres”), geen vloek voor me geweest. Want ze hebben ervoor gezorgd dat ik er nu, als tachtigjarige, nog altijd sta. Je suis toujours la, en haut de l’affiche. Ik heb afgelopen jaar een nieuw album uitgebracht, en van de zomer begin ik aan een toernee door Canada en de Verenigde Staten.”

Bent u trots op wat u in uw leven hebt bereikt?

“Ja en nee. Ik ben een fier mens met een sterk gevoel voor eigenwaarde. Maar ik ben ook erg veeleisend voor mezelf. Ik ben eigenlijk nooit echt helemaal tevreden over wat ik doe. Er is altijd wel iets dat me niet bevalt, en waarin ik naar mijn eigen maatstaven tekortschiet. Ik heb het gevoel dat elk lied, elke uitvoering, elk album, altijd nog beter kan klinken. Of anders aangepakt moet worden. Ik blijf mijn liederen eindeloos arrangeren zoals u weet, en geen enkele versie is volmaakt. Ik ben misschien ijdel, maar ik zal nooit wegzinken in voldoening om wat ik gepresteerd heb. Het nadeel is dat ik wat nukkig of chagerijnig kan overkomen. Het voordeel is dat de machinerie nooit stilvalt.

In mijn geval zou ik, als ik op mijn lauweren ging rusten, al gauw creperen van verveling. Ulla (Aznavours Zweedse vrouw, Ulla Thursell – SvD) zou me beslist het huis uit jagen. Ik ben nu al niet te doen als ik een tijdje niet meer heb opgetreden.”

U zit nu ruim zestig jaar in het vak, en hebt zo’n duizend liederen op uw naam staan. Heeft u het gevoel dat uw chansons zich in de loop van de decennia in een bepaalde richting hebben geevolueerd? Tussen “Au creux de mon epaule” uit 1950 en “Mon ami, mon Judas” uit 1980 schuilt een wereld van verschil in melodische, ritmische en tekstuele complexiteit…

Charles Aznavour: “Ik denk eerlijk gezegd dat de muziek niet het cruciale element is in mijn artistieke werk. Ik gebruik de muziek als vehikel voor mijn teksten. Zoals ik ook mijn stem gebruik. Maar eigenlijk zijn het mijn verzen die moeten zingen, dat is de uitdaging waaraan ik elke keer weer opnieuw probeer te voldoen. Natuurlijk genereren gedichten of liedteksten vanuit zichzelf ook muziek, via het metrum, de herhaling, het rijm, de klank van de woorden etcetera. Het is dus logisch dat ik passende melodieen en muziek bij mijn verzen pleeg te bedenken. Een componst in de klassieke betekenis van het woord, ben ik zeker niet. Het gaat mij om het lied in de uitvoering, niet om de partituur. Irving Berlin was ook zo iemand als ik, die vooral liederen schreef. In tegenstelling tot Gershwin, die de wereld verbaasde met de complexiteit van zijn partituren, zoals bv. An American in Paris. Voor het publiek is dit alles niet van belang, want of een chanson nu vanuit de tekst of de partituur tot stand is gebracht: het resultaat is hetzelfde.”

U heeft nooit een geheim gemaakt van uw Armeense afkomst; in 1988 heeft u een stichting opgericht, Aznavour pour l’Armenie, die humanitair werk verricht in de door armoede, oorlog en aardbevingen getroffen regio. Ook heeft u zich openlijk solidair verklaard met de Armeense voorhoede die strijdt om erkenning van de genocide uit 1915 en 1916 door het Franse en Europese parlement. In Armenie wordt u daarom op handen gedragen, u geldt als een ikoon van de Armeense diaspora en vorig jaar is er in Jerevan zelfs een standbeeld voor u opgericht. Voelt u zich inmiddels meer Armenier dan Fransman?

Ik ben een Fransman van Armeense origine. En dus voel ik me zowel het een als het ander. Ik ben van top tot tenen Fransman, ik spreek en denk en eet Frans. Maar van huis uit ben ik Armeens, mijn vader was het, mijn moeder, mijn grootouders. Dat ik me inzet voor de erkenning van de genocide is logisch, want ik ben opgegroeid in de schaduw van die tragedie, waarbij de hele familie van mijn moeder is uitgemoord maar waar thuis nooit direct over werd gepraat. Ik denk dat atrapiden en hun kinderen, mensen die uit hun vaderland zijn gevlucht, altijd sterk verbonden blijven met hun land en cultuur van herkomst. We dragen een wonde met ons mee. Men heeft ons moedwillig weggerukt van onze bakermat, en wel tweemaal. Een keer tijdens de genocide in 1915, en vervolgens tijdens de Sovjetperiode. Ik vind het belangrijk om sterke banden te houden met de cultuur en taal van mijn ouders en voorouders, om dat niet verloren te laten gaan.

Turkije ontkent nog altijd dat zij voor de genocide op de Armeniers verantwoordelijk is. Vindt u dat de EU de Turken hierop zou moeten aanspreken? En hoe staat u tegenover de wens van uw president om Turkije lid te laten worden van de Europese Unie?

Ik wil geen gezworen vijand zijn van het Turkse volk, mijn droom is juist alsnog eens het geboorteland van mijn moeder te bezoeken, maar… maar… maar… voorlopig kan daar kan geen sprake van zijn. De Turken zijn duidelijk nog altijd niet met hun imperialistische en nationalistische verleden in het reine gekomen, zoals de Duitsers dat wel is gelukt na de oorlog. Militaire en politieke massa-moordenaars als Enver en Talat van de Jonge Turken (die samen met Djamal pacha deel uitmaakten van het triumviraat van 1913), die de uitroeiing van de Armeniers op hun geweten hebben, worden in Turkije nog altijd gezien als nationale helden die grootse daden heben verricht. Kunt u zich voorstellen dat er in het Duitsland van vandaag nog esplanades of scholen zouden worden vernoemd naar Adolf Eichmann of Joseph Goebbels?

En wat betreft het standpunt van uw president?

Ik heb daar inderdaad gemengde gevoelens over. Wat me niet bevalt, is dat de president iedere kritiek op Turkije als niet opportuun bestempelt. De huidige Franse president is als de dood dat de Franse kiezers het referendum in mei over de Europese grondwet, wel eens zouden kunnen misbruiken om hun afkeuring uit te spreken over de vraag of Turkije wel of niet lid mag worden van de EU. Ik weet wel dat la raison d’etat in de politiek zwaarder doorweegt dan de grieven van deze of gene bevolkingsgroep – maar niemand kan de moord op anderhalf miljoen mensen als een bagatel van tafel vegen. Als Frans burger kan ik begrip hebben voor de toenaderingen tot Turkije, maar waarom de erkenning van de genocide niet evengoed een voorwaarde voor toetreding laten zijn als bv. de erkenning door Ankara van Cyprus?

In 2002 speelde u de hoofdrol in de speelfilm Ararat van de Canadees/Armeense cineast Atom Egoyan. U vertolkte het personnage van Edouard Saroyan, een cineast die probeert een film te maken over de sporen die de Turkse genocide in het heden hebben nagelaten. Uw personnage neemt is een politieke activist die een granaatappel meeneemt overal waar hij gaat, en er iedere dag op theatrale wijze een zaadje uitpulkt ter herinnering aan de talloze volksgenoten die zijn afgeslacht of uitgehongerd. Met dit vaste ritueel schoffeert de regisseur iedere dag opzettelijk de Turkse acteur, die in de film een van de gangmakers van de genocide moet spelen. Was dit uw idee?

“Het gaat om een cinemarol. De radicale regisseur van Armeense afkomst die ik speel in de film, lijkt niet op de persoon die ik in werkelijkheid ben. Ik ben geen politieke activist, en ook niet radicaal. Veeleer gematigd. Ik reken op de dialoog en niet op de harde confrontatie of de doelbewuste provocatie, om een erkenning van de genocide door Turkije te bewerkstelligen. Turkije heeft daar alles bij te winnen. De jongere generatie kan de morele plicht om de feiten te erkennen, niet voor eeuwig voor zich uit blijven schuiven. Eens zal ze met haar verleden in het reine moeten komen. Mijn hoop is niet op de oudere generaties gericht. Maar misschien dat de jeugd de moed zal hebben om het revisionistische beeld van de Turkse geschiedenis te corrigeren. En zich te distantieren van de misdaden die de oude machthebbers op hun geweten hebben. Zoals ook veel jeugdigen in Frankrijk zich openlijk distantieren van het racisme van Le Pen en het FN en soms ook van hun eigen ouders. Het is hoopvol dat zoveel jeugdigen de moeite nemen zich zo duidelijk tegen het virus van het ressentiment en de vreemdelingenhaat teweer stellen. Het is hoopvol dat ze beseffen hoezeer het gebinte van de Franse maatschappij wordt aangetast door al die angst- en haatgevoelens waar mensen zich aan overgeven.”

Het prestige van de zanger en acteur, als bekendste uithangbord van de Armeense tragedie en diaspora, verplicht hem tot gematigdheid. Aznavour zegt dat hij ook onder zijn Armeense vrienden tot gematigder denken probeert aan te zetten, en hij veegt de vloer aan met het idee van de financiele of materiele genoegdoening die Turkije aan de slachtoffers van de genocide en haar nakomelingen, zou moeten betalen.

“Wat hebben wij nu nog te claimen, het huis van onze grootouders? Om wat te doen? Om er te gaan wonen? Ik woon goed in Frankrijk. Om het meteen weer te verkopen? Dat is toch te gek voor woorden. Moeten we daarom de Turken extra tegen ons in het harnas jagen? Erkenning van de volkerenmoord gevolgd door een welgemeend mea culpa, dat is de grootste genoegdoening die Turkije de Armeniers kan bieden. Hardvochtig jegens Turken in het algemeen ben ik niet, nee. Ik praat net zo graag met Turkse journalisten, als met iemand uit Belgie zoals u. Uw land geniet al lang een vrije pers, maar in Turkije hebben de journalisten nog een hele calvarie te beklimmen. Door in hun artikelen mijn standpunten over de genocide te vermelden, kunnen de autoriteiten vast een beetje wennen aan de smaak van de vrijheid die ze in Ankara zo hoog in het vaandel hebben staan sinds ze lid willen worden van de club van Brussel.

De rol van diplomaat voor de Armeense zaak, ligt u goed. Ziet u het zelf ook als een roeping?

Het is een rol die ik nooit specifiek heb geambieerd, maar die mij vanwege mijn bekendheid in mijn schoenen is geschoven. Bij mij thuis praatte men nooit over de genocide, we spraken alleen wel eens over de martelaren. In vage termen. Ik vernam van de genocide via de tranen van mijn moeder, die haar hele familie in de slachtingen is kwijtgeraakt. Toen ik enigszins bekend begon te raken, mij een naam verwierf als artiest en acteur, begonnen steeds meer mensen – en niet alleen Armeniers – mij artikelen toe te sturen, getuigenissen, teksten, een gedicht van Max Jacob over de genocide. En nog steeds sturen mensen van over de hele wereld mij artikelen toe die op de volkerenmoord betrekking hebben. Ik ben een soort van aanspreekpunt geworden.

De Armeniers die de genocide hebben overleefd, hebben zich goed weten te integreren. Ze hoeven niet perse terug naar het land van hun herkomst. Ze hebben elders hun leven opgebouwd, vrienden gemaakt, cultuur verworven, zaken gedaan, kinderen gekregen, zonder dat ze aan hun wortels, hun afkomst, hebben verzaakt.

Armeniers zijn geliefde buren in de stad, omdat ze zo hartelijk en sociaal zijn, omdat ze de mensen uitnodigen om te komen eten, omdat ze trots zijn op hun keuken; Yves Montand, die in Marseille heeft gewoond, had daar zoveel contact met Armeniers dat hij de taal heeft leren spreken. Ik heb nog een kaart van hem bewaard, met een boodschap in het Armeens, fonetisch welteverstaan. Want het Armeense alfabet, dat was hem te cryptisch. De Armeniers zijn een van de vele volkeren die zich met succes in de Franse samenleving hebben weten te vermengen. De Franse samenleving heeft hen geaccepteerd. Dat absorptievermogen maakt van Frankrijk uiteindelijk toch een groot land.

Ik ben geen man van de haat of van op de spits gedreven tegenstellingen. Persoonlijk koester ik jegens niemand een afkeer. Zelfs niet jegens de heer Le Pen. Ik heb wel groot bezwaar tegen zijn politieke programma. Als ik hem tegen zou komen, zou ik hem niet in het gezicht spugen. Ik zou hem netjes de hand schudden, maar in het gesprek dat volgde ook mijn afkeuring kenbaar maken jegens zijn visie op migranten en hetze tegen vreemdelingen. Als Le Pen aan de macht zou zijn gekomen in de tijd dat mijn ouders vluchtelingen waren, zou ik vandaag de dag geen Fransman geweest zijn.

Mijn chansons gaan uiteindelijk altijd over wat de tijd met iemands leven doet. Hoe hij of zij zich teweer stelt of niet, en over de pogingen van mensen om ondanks alle miserie toch te profiteren van het leven. Ze gaan ook over de spijt die resteert als de dingen voorbijgaan. Vandaar die melancholie in zoveel nummers. Toch hoop ik ergens dat de tijd mij in essentie niet veranderd heeft. Dat ik ondanks alle succes, en ondanks alle jaren, toch nog voldoende trouw ben gebleven aan mezelf. Het is daarom ook dat ik geregeld oude interviews met journalisten teruglees. Ik wil weten wat ik destijds heb gezegd. Ik wil niet dat de man die ik nu ben, verzaakt aan de man die ik vroeger was.

Wat is de invloed die Edith Piaf op uw eigen professionele carriere heeft gehad?

Nou, haar invloed op mij was enorm. Voor mij heeft ze enorm veel betekend. Ik heb acht jaar lang in de entourage van Piaf doorgebracht, ben haar overal trouw mee naartoe gevolgd, en haar vriend gebleven tot het einde van haar leven.Voor een jonge zanger en tekstdichter zoals ik, was het een fantastische gelegenheid om haar iedere avond te zien optreden. Ik hielp met de instellingen van het licht, het testen van de microfoon,alles. Ik was niet echt haar prive-secretaris, maar wel een bevriende jongeling die haar hielp haar zaken waar te nemen. Edith Piaf heeft me helpen inzien dat ik op ieder podium mezelf moet proberen te blijven, dat ik tijdens het zingen niet moet pretenderen een ander te zijn dan ik in werkelijkheid ben. Dat ik gewoon mezelf moet zijn en moet blijven. Natuurlijk voer je een act op als je voor het voetlicht treedt, in een zaal met publiek. Maar door Piaf heb ik tenminste geleerd me vrij te voelen op een podium, zoals ook zij zich duidelijk vrijer en natuurlijker dan andere vakgenoten op de buehne uit kon drukken. Van haar heb ik geleerd dat ik niet moest proberen iemand anders te imiteren,maar mijn eigen persoonlijkheid zonder schroom of manierisme tot uitdrukking diende te brengen.

Is uw liefde voor het vak na al die jaren, al die albums en al die toernees, verminderd of veranderd?

“Het is en blijft een magnifiek beroep, zanger zijn, maar ook erg lastig omdat je er zo verdomd alleen voor staat. Je gaat moederziel alleen het podium op, en je komt na afloop van het concert altijd weer terecht in een kil zwart gat waarin je aan je eigen demonen bent overgeleverd. Een zanger moet een soort evenwichtskunstenaar zijn die te allen tijde zijn presence weet te bewaren, die zich nooit van zijn stuk laat brengen, nooit struikelt, en wiens stem nimmer faalt. Je staat constant onder druk, je succes wordt van dag tot dag op de hitparades gepeild en kritisch gemeten en vergeleken, en een hele equipe van belanghebbenden is voortdurend bezig om op allerlei suggestieve manieren je succes van gisteren te rekken tot morgen of overmorgen. Cinema is wat dat betreft een veel socialer beroep, je werkt een hele tijd hecht samen in een groot team dat lief en leed met je deelt.

Ik houd met heel mijn hart van de beroepen die ik uitoefen. Het tekstdichten, zingen en acteren. Als tekstdichter leef ik tussen de toetsen, de pennen en de tekstverwerkers. Ik blijf net zo lang zitten tot ik het juiste woord gevonden heb, tot het gewenste rijm zich aandient. En ook als acteur zoek ik naar de beste intonatie, naar dat ene treffende gebaar, die ene terloopse interpretatie die je spel de moeite waard kan maken. Als acteur, wil ik me elke keer weer als nieuw voelen, leeg, beschikbaar, als klei in de handen van de regisseur, met als enige zorg de wil om het beste van me te geven en om een gepaste interpretatie te geven van het woord “naturel”.

Als zanger, geniet ik ervan om honderd keer hetzelfde lied te zingen, er elke keer iets nieuws aan toe te voegen. Om het publiek en mezelf steeds weer opnieuw te verrassen. Ik hecht niet teveel waarde aan het oordeel van vakkritici of de commentaren van anderen, ik denk dat ik zelf de enige ben die werkelijk kan weten of ik naar behoren heb gepresteerd of niet.

Als tekstdichter voel ik me het best in mijn vel. Ik ben nog altijd verliefd op de Franse taal, zonder de pretentie te hebben dat ik haar tot in de perfectie beheers. Ondanks alle moeite die ik me getroost, bezit ik nog altijd tal van lacunes. Ik houd gewoonweg van woorden, van hun klank die allerlei onderhuidse betekenissen oproept, zoals het woord rond ook echt in de monholte blijft rondzingen en het woord puntig ook echt scherp en afgesneden klinkt zodra de adem aan de lippen ontsnapt. La porte qui claque et mon ame se perd… Als ik schrijf kies ik niet per definitie het meest juiste woord, maar wel het woord dat het beste resonneert. Een woord als torrrrnado bijvoorbeeld, dat beter rolt met de r’s en dus meer effect oplevert dan een woord als storm- of wervelwind of typhoon.

Het enige dat aan het eind van de dag werkelijk telt, is het gevoel dat je je werk zo goed mogelijk hebt gedaan, “le bel ouvrage” hebt afgeleverd zoals men vroeger zei. Als zanger heb ik na zestig jaar op de buehne te hebben gestaan, in ieder geval het gevoel dat ik voldaan heb aan het contract dat mij met mijn publiek – oftewel mijn baas – verbond.

Hoewel ik er vaak over zing, heb ik niet een scherp en precies gevoel van tijd die voorbijgaat. Als ik op de buehne sta, heb ik zowiezo het gevoel dat ik dertig jaar jonger ben dan ik werkelijk ben. Mijn gekerfde handen en de bril die ik moet dragen als ik wil lezen, herinneren me eraan dat ik werkelijk zo oud ben als ik ben. Als immigrantenzoon ben ik grootgebracht met het besef dat ook de dood deel uitmaakt van het leven; ik ben blij dat ik nog leef, maar de dood jaagt me op zich geen schrik meer aan. Ze is iets natuurlijks en organisch geworden, een beetje als een ver familielid die je kent van de verhalen en waarvan je weet dat ze bestaat, ook al heb jij ze nog niet ontmoet. Ik praat erover, en maak er grapjes over. Ik werp wel af en toe een blik over mijn schouder, en probeer dan het pad te zien dat ik tot heden heb afgelegd. Wonderen bestaan waarschijnlijk enkel in dit ondermaanse, maar fortuna is me in dit leven ondanks alles niet ongunstig gezind geweest. Ik wil best nog een hele tijd voort, maar ook met wat ik al gehad en bereikt heb ben ik meer dan gelukkig. Ik heb me ten volle gegeven, en het leven heeft me voor mijn inspanningen een flinke smak terugbetaald. Inspiratie, plezier, liefde, nageslacht, roem, geld. De laatste jaren heb ik geleerd om minder aan bepaalde dingen en mensen te hechten, om afstand te nemen van de zaken die me vroeger volledig in beslag namen. Ik lees minder kranten en tijdschriften, kijk minder naar de televisie. Alleen de radio blijft me echt bekoren, vooral de praatprogramma’s raar genoeg. Weet u, hoewel ik verschillende malen de wereld rond ben gereisd met mijn optredens, heb ik nog altijd het gevoel dat ik maar een fractie van deze planeet heb gezien. Ik ben nu tachtig, toch voel ik me niet oud of bejaard. Ik heb behoorlijk wat ringen verzameld rond de stam, dat is alles. De bast is uitgedijd, de boom is dezelfde. Klein maar fier, hij staat er nog. Dat is het belangrijkste. De rug recht, de kruin omhoog. De levenslust is nog dezelfde als toen ik aan de voet van de berg stond. Ik weet niet of het enkel mijn verdienste is, maar een feit is het wel: de Charles in deze kleine meneer Aznavour is intact gebleven. De man die ik nu ben, heeft aan de koppige ambitieuze artiest van toen niet verzaakt. Ik heb mijn artistieke missie naar beste vermogen volbracht, maar zonder het gevoel te hebben dat alles nu bereikt en achter de rug is. Het ligt nog steeds niet in mijn aard om tevreden te zijn over de dingen die ik doe. Ik blijf mijn liederen herschrijven, ik blijf optreden als zanger, nieuwe filmrollen accepteren, ik blijf hardnekkig proberen om bepaalde tekortkomingen te parerenen en mijn talenten te perfectioneren. Het is een even onontkoombaar als absurd gevecht, dat er niet om gaat als winnaar uit de bus te komen maar om stand te houden.

Naar de dood verlang ik niet, maar als hij komt zal ik hem hoffelijk bejegenen. Voorlopig heb ik hem met een stille grijns op afstand weten te houden. Ik sidder niet meer bij de gedachte dat ik er morgen wellicht niet meer zal zijn. The readiness is all, schrijft Shakespeare in Hamlet. Maar bedoelde hij bereid zijn of paraat zijn? Paraat ben ik wel, maar er is me nog teveel dierbaar om de handdoek zomaar in de ring te gooien. Waarom zou ik het Magere Hein zo gemakkelijk maken? Als hij me perse wil hebben, moet hij er wel wat moeite voor doen. Un homme debout ne se couche que pour mourir heeft mijn collega Leo Ferre eens gezegd. Wel, u kunt schrijven dat deze kleine oude meneer zich nog steeds niet te rusten heeft gelegd. Dat hij nog steeds weet hoe hij recht moet staan. En dat het voor hem weliswaar laat is geworden, maar nog steeds geen bedtijd is.

Charles Aznavour geeft aan dat het wat hem betreft genoeg is geweest, en steekt als afscheid zijn hand naar me uit.

interview werd gepubliceerd in de week van 2 april 2005 in De Groene Amsterdammer.

© Serge van Duijnhoven, Brussel

Bron1: https://sergevanduijnhoven.wordpress.com/2010/04/29/interview-met-charles-aznavour-door-serge-van-duijnhoven/

Bron 2: http://loorschrijft.web-log.nl/verwondering_is_het_begin/2010/06/man-van-honderd.html
Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie
Auguste Reyerslaan 52, 1043 Brussel

nv van publiek recht
BTW BE 0244.142.664
RPR Brussel
http://www.vrt.be/gebruiksvoorwaarden

1 / 2

Ontmoetingen met Charles Aznavour

Advertenties

DICHTERS DANSEN NIET – INFOSHEET SEIZOEN 2013/14

DICHTERS DANSEN NIET

*

fotograaf FvZ
Serge van Duijnhoven (1970) en dj Fred dB (Fred de Backer, 1967) treden sinds 1997 op, in binnen- en buitenland, onder de naam Dichters Dansen Niet. De avontuurlijke koers van dit eigenzinnige gezelschap is al zeventien jaar een opvallende constante aan het firmament van de literaire voordrachtskunst. Na enkele jaren van toeren, componeren en experimenteren, is er een nieuw album uit de studio gerold: Vuurproef. Het spectaculaire slotdeel van een trilogie die in 2003 begon met het album Bloedtest, in 2007 gevolgd door Klipdrift. Beide uitgaven kregen veel aandacht in de pers, de VPRO tipte het laatste album als favoriet in de Luisterpaal van 5voor12. Over DDN’s debuut Obiit in orbit schreef dichter Menno Wigman al in 1999: ‘Een stemmige, bij vlagen overrompelende cd die tot het beste behoort wat muzikanten en dichters in Nederland hebben bereikt.’

http://www.reverbnation.com/dichtersdansenniet

CONTACT DDN: 

00 32 477 767 300  

sergevanduijnhoven@skynet.be

Jungske, video op Youtube:

 

De pers over Dichters Dansen Niet:

“’Het beste wat muzikanten en dichters in Nederland hebben bereikt.’ ” – Menno Wigman in Trajectum

“‘Als poëzie een tijdsbeeld moet schetsen, is Serge van Duijnhoven een Van Gogh die schildert met woorden. Het publiek moet geconfronteerd worden met de macabere werkelijkheid. Luister en huiver, zo wil hij het.’ ” –  Jeroen Junte in Dance Update

“DDN is erin geslaagd om de lyriek, de mystiek en ook de tragiek van Serge Gainsbourg in sterke gedichten en nummers te vangen in hun show Gitanes & Jazz…” – John Schoorl in de Poeziekrant 5/11

“Fred dB geeft met zijn intelligente en subtiele frequency-soundscapes de gedichten van Van Duijnhoven een wonderschone gelaagdheid. DDN bewijst eens te meer dat de symbiose van poëzie en muziek meer dan werkt. ” – Jasper Henderson – Nieuw Amsterdam Publishers

“Auf der Bühne ist “Klipdrift“ eine eindrucksvolle Performance: sie verbindet moderne Poesie mit experimentellen Rhythmen und Klängen – Lyrik für alle Sinne.” – Poetry On The Road, Bremen

*


*

In de afgelopen periode maakte DDN nieuwe studio- en concertopnamen met een bont gezelschap van gerenommeerde artiesten, zoals de bassisten Ali Haurand (voormalig bassist van Jacques Brel) en Eric Surmenian, keelklankzangeres Sainkho Namtschylak uit Tuva, pianist Edwin Berg, saxofonist Olaf Zwetsloot en het Nairi-strijkkwartet uit Jerevan. Samen werkten zij aan een nieuw album. Vuurproef is het werk gaan heten. Een gecombineerde uitgave van boek, cd en DVD: vol vurige verzen, magische muziek, betoverende woordjazz, verbluffende klankpoëzie en ontregelende composities. Opnieuw een pareltje van dicht-, performance- en vormgeverskunst.

Vuurproef begint waar Klipdrift ophield: met een ontregelende bewerking van Ali Haurand’s in de jazz-wereld inmiddels klassiek geworden hartekreet “No More Chains!” Een credo dat DDN steeds op expliciete wijze heeft beleden. In het begin met vlijmende teksten die gerapt werden over de beats van gabber en house. Maar  gaandeweg subtieler, poetischer, avontuurlijker. De groep zocht toenadering tot de wereld van de cinema, het theater, de moderne dans. In de schemering van deze coulissen ontwikkelde zich een stemgeluid dat Menno Wigman kwalificeerde als “het beste wat muzikanten en dichters in Nederland hebben bereikt”.

Op Vuurproef treffen we lyrische exercities, complexe composities en jazzy improvisaties met  piano, bas en strijkers naast ingetogen klank- en stemcollages, Mongoolse keelgezangen en shamanistische drumsequenties. Het album laat zich beleven als een film, waarin de lezer en de luisteraar op zintuiglijke wijze mee wordt gevoerd naar een betoverende katharsis. De poëzie in Vuurproef bestaat uit filosofische gedichten, gevoellige balladen, erotische mijmeringen, een heidense psalm over lust en genade, een request van de wanhoop en (tot slot) een bede om de stilte en de rust, zoals men die gewaar kan worden tussen de uitgepuurde pianoklanken van Bach’s Praeludium in B mineur.

Een gedeelte van het album is gebaseerd op ervaringen van de band gedurende een verblijf in Armenië, waar DDN een openingsconcert mocht geven ter gelegenheid van Yerevan World Book Capital 2012. Een ander deel is voortgevloeid uit de Gitanes & Jazz voorstellingen waarin DDN in 2011 en 2012 een hommage bracht aan leven en werk van de ongrijpbare Franse cultzanger, erotomaan en dronkenlap Serge Gainsbourg. Maar bovenal beschrijft frontman en dichter Serge van Duijnhoven in Vuurproef een zoektocht naar bezinning in een rusteloze, overmatig geaccelereerde en grotendeels ontzielde wereld.

In de nieuwe uitgave wordt het publiek in staat gesteld om de auteur te vergezellen op een louterend traject. Een parcours dat omhoogvoert uit de nevelen van het innerlijk ravijn. Langzaam maar gestaag weet de auteur vat te krijgen op de krachten die hem belagen. De driften en demonen, de materiële en matrimoniale tegenslagen. De dorsten en verlangens die hem uitputten en verdorren. Maar op de bodem van de chaos en ontrafeling, ontstaat de wijnmoer van het inzicht. Een geestverruimend residu. Licht breekt door. “Genade is nakend, (en nu nog het naakt!)” Een schittering tussen bijeengeveegde glasscherven. “Lazer op, Lazarus! Sta op!” Met zijn blote voeten, schuifelt de niet-dansende-dichter over de beduimelde dansvloer die het fundament vormt van zijn ziel. Alsof er een granaat geexplodeerd is in een balzaal. “Zie, de dichter! Hoor /hem zingen van het gloren / op het ritme van de wijzer!”

In Vuurproef wordt het leven pakkend beschreven als een parcours vol voetangels en klemmen, waarin je gemakkelijk ten val kan komen. Maar ook als een Aufforderung zum Tanz. Een uitnodiging om de confrontatie aan te gaan met het zelf, en een kans om te ontwaken uit de morose wereld van de virtuele waan en de onverzadigbare roesdrift van het brein.

01DDN.Vuurproef.2013

‘Wie de vaak nogal bescheiden Nederlandse schrijvers van dit moment een beetje volgt, kan niet anders dan gelukkig zijn met iemand als Van Duijnhoven. Hij engageert zich met de wereld van jongeren van vandaag en hij durft tenminste te beweren dat er in zijn werk iets nieuws gebeurt. In zijn albums met cd […] klinkt een zonder meer interessante, want naar serieuze poëtische verwerking van het alleractueelste strevende, stem.’

–        Thomas Vaessens in Het Financieele Dagblad (HFD)

-0376 (2)

                  Edwin  Berg & Serge van Duijnhoven, live in Petrol Antwerpen 12 maart 2011

MUZIKALE AVONTUREN

Sinds ze in 2002 samen een tournee maakten langs diverse Duitse steden in Nordrein Westfalen, heeft de samenwerking tussen Serge van Duijnhoven en bassist en jazzlegende Ali Haurand voor een nieuwe mijlpaal gezorgd in demuzikale diepgang van de podium-optredens van DDN. Ook recente samenwerkingsprojecten met de bekende jazzvirtuoos Edwin Berg, keelklankkunstenares Sainkho Namtchylak uit Tuva, het Kamertrio Zéphyr uit Montélimar, singer/songwriter Rick Treffers, de Japanse filmregisseur/dichter Sono Sion (bekend van de film The Suicide Club en het dadaistisch-situationistische poëzieproject Tokio Gagaga), hebben het gezelschap van “niet dansende dichters” geholpen om ook minder geëffende paden te ontdekken binnen de domeinen van literatuur en muziek.

bekijk meer video’s van DDN op het videokanaal van de dichter: http://www.youtube.com/user/sergevanduijnhoven/videos

flyer.armeens.fromchaostohope.ddn.24.04.12

000.DDN.inDEMARKTENBXL.09.11.12.FvZ.EdwinBerg

FRED dB – percussie, compositie, productie

Fred de Backer (1967), (Dj) Fred dB, – voorheen vooral bekend onder zijn alias DJ Fat – heeft menige muzikale waters bevaren en heeft  onder andere een carrière    als drummer achter de rug bij de alternatieve Brusselse rockgroep Villa Basta en het dansgezelschap Everything Is Slow. Hij is producer en geluidsman van zijn eigen muziekstudio Fats Freds Akoestische Tuin, en  draaide jarenlang als vaste dj in de Gentse house- en technoclub vooraanstaande dance club Decadance. Fred is gekend om zijn veelzijdige, subtiele muzikale benadering die hem gewild maakt zowel binnen het circuit van de danstempels als bij het (dans)theater dance circuit als voor de meest uiteenlopende artistieke projecten. In Brussel draaide deze allround soundlaborantin div. bars en clubs en gelegenheden zoals Pablo Discobar, l’Accrobat en Cinema Nova. In 2003 introduceerde hij onder de naam Permafrozzt als eerste de uit Rusland en de Oekraiene overgewaaide muziekstroming Lowbattery in de Benelux en Zuid-Afrika. Ook stelde hij de cd Shestipaly (= Russisch voor ‘zesde teen’) samen, een collectie van Lowbattery nummers die hij in zijn studio verzamelde, selecteerde en inblikte. Samen met dichter Serge van Duijnhoven en VJ Gabriel Kousbroek maakt hij deel uit van de vaste kern van vormt hij het gezelschap Dichters Dansen Niet. Voor Djax Records en uitgeverij De Bezige Bij produceerde hij de cd’s Obiit In Orbit en Bloedtest. percussie soundlab live- & studiomixages

 

 

 

SERGE VAN DUIJNHOVEN – lyriek, teksten, voordracht

De afgelopen jaren bouwde de in het Noord-Brabantse Oss geboren schrijver, dichter en historicus (1970) een reputatie op als een eigenzinnig dichter en performer.Serge debuteerde in 1993 als dichter met de bundel Het paleis van de slaap, en richtte met een groep Nederlandse en Vlaamse beeldend kunstenaars en theatermakers het tijdschrift MillenniuM op alsmede de Kunstgroep Lage Landen. Verbleef in Sarajevo voor De Morgen en de Volkskrant. Recente publicaties: De zomer die nog komen moest (Nieuw Amsterdam), Klipdrift (Nieuw Amsterdam),{Balkan}Wij noemen het rozen (Podium), Fotografen in tijden van oorlog (Ludion), Bloedtest (De Bezige Bij) en Ossensia Brabantse gezangen (Jan Cunen). Serge van Duijnhoven is freelance medewerker van Vrij Nederland, http://www.cobra.be en het International Feature Agency. Sinds 2008 brengt hij als “Onze Man In Cannes” verslag uit van de hedendaagse filmwereld voor uiteenlopende nieuwe en periodieke media in Nederland, Vlaanderen, Amerika  en Azie.

fotograaf Igor Freeke

 

Van Dichters Dansen Niet zijn de volgende albums verkrijgbaar:

  1. Klipdrift (boek + cd, Nieuw Amsterdam)
  2. Bloedtest (boek + cd, De Bezige Bij)
  3. Obiit in orbit (boek + cd, De Bezige Bij/Djax Records)
  4. Eindhalte Fantoomstad (boek + cd, Prometheus/Djax Records)

 

 

 

DDN speelde tussen 1997 en 2012 oa. op de volgende festivals en podia:

Crossing Border, Lowlands, De Gentse Feesten, de Nachten, Poetry On The Rocks, Poetry International, De Nacht van de Poëzie, de poëziezomer van Watou, Beeldspraak, Pontes Festival of European Artists (Krk Kroatië), Faladura Festival of Spoken Word (Porto Portugal), Woordfees (Kaapstad Zuid Afrika), Lyrikfest (Berlijn), Paradiso (Amsterdam), Literaturhaus Wien (Oostenrijk), de Petrol (Antwerpen), Cinema Nova (Brussel), 013 (Tilburg), Tivoli (Utrecht), Wintertuin (Nijmegen), Vooruit (Gent), Live in the Living (Ardooie), Porgy & Bess (Terneuzen), Liefde tussen de Lijnen (Oostende), Raamvertelling (Den Haag), Yerevan World Book Capital (Armenië).

MODULES EN VOORSTELLINGEN – 2013

 

DDN (SvD & Fred dB)

Concert van twintig minuten tot drie kwartier

 

DDN + pianist Edwin Berg

Concert van dertig minuten tot een uur

 

DDN Gitanes & Jazz

Theaterconcert van ruim een uur, hommage aan Serge Gainsbourg. Met video, foodperformance, piano.

 

DDN Internationaal  

Concert in Engels, Duits of Frans van drie kwartier tot een uur

 

PRIJZEN / UITKOOPSOM in overleg te bepalen

NB: er bestaat steeds de mogelijkheid, voor organisatoren, om aanzienlijke subsidies te verkrijgen bij literaire en artistieke fondsen in NL en Vlaanderen. Deze subsidies dienen wel telkens ruim vantevoren aangevraagd te worden. DDN helpt u graag bij het tijdig indienen van de juiste formulieren!!!

 

CONTACT:

 

Serge van Duijnhoven

 

mob: 00 32 477 767 300

sergevanduijnhoven@skynet.be

 

DDN op YOUTUBE:

bekijk meer video’s van DDN op het videokanaal van Serge van Duijnhoven

http://www.youtube.com/user/sergevanduijnhoven/videos

zoals:

Concertregistratie Gitanes & Jazz Deel I, Brugge Concertgebouw 05.05.12:

Concertregistratie Gitanes & Jazz Deel II, Brugge Concertgebouw 05.05.12:

Concertregistratie Yerevan World Book Capital – From Chaos To Hope, final songs 24.04.12:

Concertregistratie Yerevan World Book Capital – From Chaos To Hope, Cosmic Control 24.04.12:

Concertregistratie Yerevan World Book Capital – From Chaos To Hope, with Nairi Ensemble 24.04.12:

 


LES POETES NE DANSENT PAS

Serge van Duijnhoven, écrivain et surtout poète (sur papier comme dans la vie!), Fred de Backer alias Fred dB ainsi que le pianiste connu Edwin Berg, sont les trois mousquétaires qui forment DDN, en français ‘Les poètes ne dansent pas’.

Dichters Dansen Niet ce n’est pas un groupe de musique à proprement parler, mais plutôt une expérience où se rencontrent poésie, musique et image. Leurs projets peuvent varier selon les occasions et les rencontres, en Europe ou alors plus loin (et ils sont d’ailleurs présents sur la plate-forme spoken word internationale), mais ont toujours pour point commun d’explorer une certaine forme de mise-en-scène du texte écrit en alliance avec une recherche literaire et sonore/ musicale. “KLIPDRIFT” (Suicidal Tendency, l’audace mortelle) est leur tout dernier album sorti comme livre + cd et surtout : spectacle. Spectacle? Happening? Nous opterons plutôt pour le ‘happening’, car avec Dichters Dansen Niet il y a souvent une gaieté pleine d’imprévus, surtout du côté des invités-surprise! Que les non-flamands ou non-néerlandophones n’aient pas peur de s’aventurer dans les concerts de cette bande Belge-Neérlandaise-Allemande. Elle sera trans-fontalière et trans-linguistique. Et elle sera surprenante!

Pour le spectacle de ‘KLIPDRIFT’, la groupe Dichters Dansen Niet va plus loin et surtout plus profond que jamais dans son expériment déregulaire et sonore. La formation de base, s’est renforcée avec des musiciens d’une experience et reputation formidables comme le pianiste Edwin Berg, le tromboniste Wolter Wierbos, la chanteuse chamane-nomadique Sainkho Namtchylak (venant de Tuva), le saxophoniste Olaf Zwetsloot. Après une periode d’enregistrements, mixages, remixages et d’autres procedures et raffinages sonores qui seront appliquees dans leur studio aux Grand-Bigards,heureusement on peut anticiper a l’arrivée du nouvel album : En Feu ! (Vuurproef).  Album de concepte, en forme du livre plus cd/dvd. Qui commence, là ou finissait leur dernier album Klipdrift en 2007. Avec le lamentatio bouleversant venant du fond de l’ame libertaire, ainsi que des ténebres de notre histoire collective : «No More Chains ».

Cette collaboration toute fraîche de 2012, marquera aussi le retour dans le groupe du contrebassiste Ali Haurand (Frontier Traffic, fondateur du European Jazz Ensemble, accompagnateur de Jacques Brel sur son dernier tour de chant en 1966). Sur leurs albums Obiit in Orbit, Bloedtest et Klipdrift, tous produit méticuleusement dans Fred’s studio de mixage au Grands-Bigards (« Le Jardin Acoustique »), vous pouvez, en effet, découvrir les traces d’une coopération originale entre ces Poètes musicales qui – soit disants – ne dansent pas, et le grand génie de la littérature flamande : Hugo Claus (« Intacte, comme un rocher… »).

Edwin Berg, pianiste de Bee-Jazz

DICHTER TANZEN NICHT

Portrait der niederländisch-belgischen Dichtergruppe

Jazz, Chanson, Lautpoesie, Ton-Collage, Klangexperiment, Poesiemusik. Dichters Dansen Niet ist ein Lyrisch/Musikalisches Gesellschaft, bei dem es richtig abgeht. “Ein Großteil der Stücke ist duester, shamanistisch und hypnotisch, oft  auch sehr energetisch und manchmahl sogar richtig tanzbar. Da merkt man sofort, dass Fred de Backer ein bekannter DJ ist und Van Duijnhoven ein Klang-Zauberer. Ein schönes Spiel ist es die beide auf die Buehne zusammen zu  sehen, die kennen einander durch und durch und formen ein sehr hechtes,  fast kompromissloses Paar.“ Auf der Bühne ist DDN  eine eindrucksvolle Performance: sie verbindet moderne Poesie mit experimentellen Rhythmen und Klängen – Lyrik für alle Sinne.

Fred dB mischt fuer Dichter Tanzen Nicht eine ganz eigene Klangwelt aus Chanson, Klassik, Jazz, Folk, Film, Theater, Dance und Tailand-Pop. Wie hört sich dies dann an? Als eine Mischung zwischen Leo Ferré und Leonard Cohen, zwischen Verlaine und Vissotski, Pink Floyd und Underworld. Die lyrischen Klänge des 38-jährigen Niederländers Serge van Duijnhoven haben eine Sogwirkung – wir werden buchstäblich hineingesogen in diese Lyrische Klangwelt die ist aufgebaut aus Lieder, Lautpoesie, Jazz, Cheesy Frequencies, Balkanbeats, sampled voices, sonar pictures, soundfragments; eine Welt die ist aufgebaut aus Kopf und Herz, Lyrik und Musik, Rythmus und Seele, Intellekt und Instinct.

Die DDN-Konzerte sind immer ein grosses Erlebnis. Serge ist ein ziemlich expressiver Typ, der rannt die Buehne herum, er fluestert, schreit und singt, alles ganz voll geladen von Energie, das ist richtig Klasse. Poesie und Musik so wie mann es leider sehr sehr seltsam erleben kann…“ Serge van Duijnhoven stellt seine Stimme gern gegen den hohen Kammerton der Literatur und arbeitet am liebsten mit nicht sehr Akademische Kuenstler und Musikern zusammen. Vier Romanen und drei historische Buchwerke hat er auch geschrieben. ”Dichters dansen niet“ heißt sein erster Roman aus 1995. Aber von wegen nicht tanzende Dichter: Inzwischen ist “Dichters Dansen Niet“ eine Art Lyrik-Pop-Band, mit dem belgischen DJ Fred de Backer und viele internationale Musiker (Uli Sobotta aus Bremen, Ali Haurand aus Viersen, Sainkho Namtchylak auf Tuva) die in ihrem Musik-Studio in Bruessel oder live auf die Buehne, die Klanglagen fuer die Worte und die Musik versorgen.

The International Press about KLIPDRIFT, the latest album of Dichters Dansen Niet:

Michael Bird, editor in chief of the Rumanian Economist Weekly Magazine, wrote about the album KLIPDRIFT of DICHTERS DANSEN NIET:

“I am listening to the last record of Poets Don’t Dance. There is the sound of bottles. A child is repeating a nursery rhyme. The city is busy. There is a bass guitar. Some military-style chants. Someone is suffering. From a throat disorder. I am concerned. It may be a terrible dream. The guitars are back. And a beat. It’s pop with Tom Waits. Wie gehts? Pop Waits.
I am in Istanbul. Are they calling to rouse the army or is the market about to begin? I hear someone trying to cough up a butterfly. There’s jazz. A choir. A black choir. There is gospel in Istanbul. Maybe we have passed into the clouds. But it is night again and we cannot be sure where we are. Except there is nothing under or over us but darkness. The beat brings us back to earth. Because we cannot dance without gravity.
Now the violins and a woman – she is Scottish and she speaks in a mysterious brogue.
Then it all goes Bowie. Low Bowie. Cold war jazz Bowie. Your voice is digging into the ground. It talks with a mouthful of dirt. The trumpets come back. We are in and out of audibility. A sick Ian Curtis locked in a toilet is making up a song as he goes along. It has been a bad night. His song is not pretty. Is this a man-woman or a woman-man with the crushed voice and the synthesised piano? Serge wants to speak about love. But he can only scream while rolling his Rs. Breaks.
It becomes hard and confused for a few minutes. I don’t know what’s going on. I can’t explain what’s going on.
Now it’s time for samba. I’m funking. I’m funking crazy. But you end the funk. You end the fun. With sad words and the violins. Those damned violins. They kill every party. But it comes back. You let the funk return. But it’s angry. It’s bad funk. It wants to hurt me. It dissipates. More strings. A quartet I think. You are speaking a memorial. Are you burying the funk? There is a smile in your voice. You are becoming more animated. As though Brel has gate-crashed the funeral. Let the strings speak now. The cello is brooding again. The violins let the Cello brood and then make fun of him. Drums beat. Into the Dutch jungle we go. Meat everywhere. Eyes in the trees. Snakes in the canal. A monkey in the windmill. But Serge is not afraid of the jungle. Even though the insects are under his skin, under every inch of skin, even though they are breaking out and will turn his skin inside out, so his hair will grow inside and his entire body will be covered with blood. The more he bleeds from every inch of his skin. The more the hair grows inside until every organ in his body is thick with beard. The jungle laughs at Serge.
It’s German. An elergy. A catchy elergy. It’s the hit on the album. It’s a lullaby now with trumpets. A cradlesong for demon children. Now we are moving into the torch song. But you allowed the child to sing. He likes to sing with Uncle Serge’s words. He is singing about a beautiful place he wants to live in. A place where every house has a football field and all the dogs speak baby language. Echochamber. This is where children talk to themselves. Serge talks of his own childhood with fondness. It was not something full of woe or happiness. But this makes his longing for the time before all the more depressing. Now I cannot remember anything but being in darkness. So how can I be sure that what is around me is darkness?
Double bass and concertina. French bistro music. You’re talking to the staff behind the bar, regaling them about a story from a far far place. They don’t believe you. You talk about Shakespeare and Eliot and Thomas Mann. All the wonderful mistakes they made. Don’t get in a fight, Serge, it’s not worth it. But there will be no arguments anymore. Let the bass play and play and play. And the trombone. You drink a pastis on the house. Then the barman whispers to you – he tells you never to come back. When his back is turned, you spit on his counter and swear at him in Dutch.”

Michael Bird, Bucharesti Rumania 22.02.08

* * *

 

YEREVAN WERELDBOEKENHOOFDSTAD

In het holst van de nacht arriveert het literaire gezelschap van de Literaire Ark in Hotel Ararat, waar de lobby overgaat in een BMW-showroom. De protserige uitstalesthetiek van de nieuwe elite. Die van het snelle geld, poen moet schreeuwen, glimmen, scheuren, en bovenal impressioneren. In alles moet de omgeving ervan vergewist worden, dat men niet meer arm is en boven de anderen uitsteekt. Zelf-elevatie langs materiële weg.

Het hotel bezit een piepklein zwembadje, dat deel uitmaakt van een compact fitness en sauna-complex. De sauna is 24 uur per dag opwarmbaar. De kamers zijn gelegen in nissen, die uitkomen op een booggalerij. Als je in die galerij loopt of staat, kijk je in een tropisch hete overdekte binnenplaats met zithoeken, een bar, een vijvertje met lianen en veel groen. Deze plek wordt door het hotel trots de “Garden of Eden” genoemd.

Als je bier bestelt aan het barretje in de tuin van Eden, komt een ober de flessen Kilikia op een zilveren dienblad je hotelkamer binnenbrengen, en elegant de doppen van de hals afwippen met een trekker die aan een touwtje aan zijn schort hangt. Het is een viersterrenhotel, de kamers kosten 140 euro per nacht. Een fortuin voor een gemiddelde Armeniër, gemiddeld een half maandloon.

Mijn geliefde en ik maken gebruik van de roomservice die ons elke dag stipt ontbijt op bed komen brengen. Alleen op de laatste dag blijkt dit niet meer mogelijk, als het hotel helemaal zit volgeboekt met “Post Mortem Russen” die na de val van het Sovjetimperium in de Baltische landen en overige streken van Oost-Europa en de Kaukasus zijn achtergebleven. Opmerkelijk is dat niet een van onze Estse gasten, een uitnodiging heeft ontvangen van deze Baltische boekenconferentie. De nogal dwangmatige afstand die wordt gehouden (door beide kampen) toont dat er nog veel oud zeer is. Parallelle werelden die binnen dezelfde landen ontstaan zijn, of zijn blijven voortbestaan.

Vahur Afanasjev met Serge van Duijnhoven en magische vis

Vahur Afanasjev met Serge van Duijnhoven en magische vis

Collega Vahur Afanasjev, een briljante Estse schrijver die vijf jaren in Brussel heeft doorgebracht en daar een literair dagboek over heeft geschreven dat “Mihi Bruessel – Mijn Brussel” heet, hoort vanuit het raam dat uitkomt op de Garden of Eden, in de avonduren een organisatrice van de Baltische Boekenconferentie in het Russisch kijven met een Est – niet een van onze gasten – die wordt uitgelegd waarom de organisatie hem niet welkom wil heten. “Het ging vooral over geld”, vertelt Vahur daags nadien laconiek.

Veel van die “Post Mortem”-gasten komen we gedurende de laatste dagen van ons festival geregeld tegen in de stad, in restaurant Marco Polo bijvoorbeeld. Het gemiddelde postuur van de PM’s is flink forser en boertiger dan dat van onze genodigden. Vrijwel alle mannelijke boekenlieden zijn regelrechte kleerkasten, Jerommekes. Vier vierkante meter gorilla’s in overhemd met felgekleurde das en glibberig pak. Ex-KGB’ers, zo karakteriseer ik ze fluisterend in David Matevosian’s oor. “Laat dat ex maar vallen”, antwoordt David. “Waarschijnlijk zijn er onder hen op ouderwetse wijze aardig nog wat actief voor moedertje Rusland.”

De Literair Ark volgens Filip "Hoedgekruid" Vanzandycke

De Literair Ark volgens Filip “Hoedgekruid” Vanzandycke

ECHMIATSIN

Wat Rome is voor katholieken, is  Echmiatsin (officiële naam: Vagharshapat) voor Armeniërs. Volgens de overlevering kreeg Gregorius de Verlichter (257-331), de grondlegger van de Armeens Apostolische Kerk, hier in 301 een visioen waarin Jezus Christus zélf hem opriep op deze plek een kerk te bouwen. In werkelijkheid werd, zoals zo vaak gebeurde, deze kerk gebouwd op de plek waar een voor-christelijke tempel had gestaan. Zij had eerst de traditionele vorm van een basilica (een rechthoekig schip – met al dan niet twee zijschepen – en een apsis aan het eind), maar werd in 483 vervangen door een in een vierkant gevatte kruisvormige kathedraal met apsiden en vier vrijstaande zuilen waarop een houten koepel rustte, de eerste en oudste ter wereld. In 618 werd het hout van de koepel verwisseld voor steen. Thans vormt de kathedraal van Echmiatsin het spirituele centrum van de Armeense Kerk, en is tevens zetel van de Katholikos, de Patriarch van zo’n negen miljoen Armeniërs wereldwijd.

De kathedraal heeft in de loop van de tijd aanzienlijke renovaties en uitbreidingen ondergaan. Veel van wat de bezoeker nu aantreft, stamt uit de zeventiende eeuw, zoals de tamboerschilderingen en de medaillons in de koepel, de klokkentoren, de ommuringen en de gesneden versieringen aan de buitenzijde. Het centrale grondplan van de kerk is echter altijd blijven bestaan. De kathedraal beschikt ook over een museum, waar Engelssprekende diakenen tekst en uitleg geven bij de overblijfselen van de oude heidense tempel onder de kerk. De schatkamer bevat enkele bijzondere relikwieën, waaronder de lans waarmee Christus werd doorboord; deze zou door de apostel Judas Taddeüs naar Armenië zijn gebracht. Daarnaast zijn nog een stuk hout van Noachs ark, de rechterhand van Gregorius de Verlichter, en enkele andere relieken te bezichtigen.

Koepel van kathedraal in Echmiadzin, foto door Arlette van Laar

Koepel van kathedraal in Echmiadzin, foto door Arlette van Laar

De Heilige Liturgie – de zgnmd. “baldarak” – neemt een belangrijke plaats in de eredienst van de Armeniërs in. Het is niet alleen een vast patroon van liedereren en ceremonieën, maar vormt ook de meest intieme ontmoeting van de gelovige met God. In de badarak komt Jezus Christus, ondersteund door muziek en rituelen, op twee manieren naar zijn volk toe: via het Woord, en via zijn Lichaam en Bloed – de Eucharistie. Dit zijn de twee pilaren van de liturgie in alle oude apostolische kerken. In het visioen dat Gregorius kreeg tijdens zijn missiewerk in Armenië, scheurde de hemel open en scheen een scherpe lichtstraal op aarde. Hierlangs kwam Jezus Christus, vergezeld door engelen, naar beneden. Met een gouden hamer sloeg Hij op de grond, waaruit een prachtige zuil verrees. Deze zuil veranderde terstond in een kerk. Toen het visioen was vervaagd, bouwde Gregorius een klooster en noemde het Echmiatsin, wat betekent: de plek waar de eniggeborene neerdaalde.

Katholikos Karenin II met schrijvers van de Literaire Ark

Katholikos Karenin II, de paus van de Armeens-apostolische Kerk, met schrijvers van de Literaire Ark

Een delegatie van literaire gasten uit hotel Ararat, uitgenodigd door David Matevossian en zijn team van de Literary Ark en Yerevan Wereldboekenhoofdstad, viel de eer te beurt in Echmiadzin zijn opwachting te mogen maken bij de Katholicos van alle Armeniërs, H.H. Karenin II.

De kerkvader verklaarde dat de kerk zich sedert 1991 eindelijk weer vrij heeft kunnen bewegen. En heeft kunnen herstellen van al die goddeloze jaren toen het communisme korte metten maakte met ieder restje religie dat de samenleving nog rijk was. Het was een verschrikkelijke eeuw, die twintigste, verzucht de Katholicos. Eerst waren er de slachtpartijen in het Ottomaanse Rijk, vervolgens was er de genocide tijdens de Eerste Wereldoorlog. Daarna begon het tijdperk van de vervolging- en vernietigingen door de bolsjewieken. “Telkens was onze kerk de klos. Telkens was onze kerk de rots waarop het volk zich terug kon trekken. Onze kerk was de schutsplaats voor gans de natie. Hier in Echmiadzin werd de Armeense cultuur bewaard, die door de talrijke tirannen werd uitgebannen.”

“Feitelijk gezien zijn wij allen collega’s in de bewerking der menselijke moraal. Zowel u als ik hebben een morele missie”, stelde de Katholicos in zijn lange monoloog, die zin voor zin vertaald werd door de tolk van Iraans-Armeense afkomst.

Ik vraag hoe Zijne Heiligheid het verklaart dat een volk als het Armeense, dat toch altijd zo devoot christelijk is gebleven en trouw aan zijn tradities en geboden, het toch zo extreem zwaar te verduren heeft gekregen in de geschiedenis. Kent God dan geen loon naar verdienste? Is dit een geval van beproeving, waarin de Heer wil zien hoe ver hij kan gaan voor het vertrouwen in Hem door zijn Armeense dienaren zal breken? Is het de parabel van Job die in de geschiedenis van het Armeense volk tot uitdrukking komt?

“Het Armeense volk heeft dit alles niet moeten doorstaan OMDAT het christelijk was”, zo begint de Katholicos zijn antwoord. Ons lot is ten dele verklaarbaar uit het feit dat we altijd door vijandige moslimvolkeren zijn omgeven, onder de voet zijn gelopen en zijn ingesloten. Onze geografische ligging als christelijke enclave in het roerige Midden-Oosten, heeft voor een groot gedeelte de strijd en ontberingen veroorzaakt waaraan we zijn blootgesteld. We zijn altijd kop van jut geweest. Zowel ten oosten van ons, als ten westen werd er op ons gejaagd. Van de mongolen en moslims kun je dit verwachten. Maar ook de orthodoxe christelijke machthebbers in het oude Byzantium hebben ons gedurig naar het leven gestaan. Hoewel we, feitelijk gezien, min of meer toch tot de Oosterse Orthodoxe Kerk behoren. Er zelfs mede van aan de wieg hebben gestaan…”

De Kerkvader memoreert de grote bisschoppelijke conferenties van de middeleeuwen, die van Mitrea, Efeze en van Constantinopel, en het schisma dat optrad bij het kerkconcilie van Chalcedon aan de Bosporus (451), waar besproken werd of Jezus nu een duo-physische dan wel een mono-fysische kwaliteit moest worden toegeschreven. Met andere woorden: wat de aard van Gods zoon op aarde nu precies geweest moest zijn. Was hij geboren als mens van vlees en bloed die na zijn offer is opgestegen tot het goddelijke, of was hij al geheel en al God vanaf zijn geboorte.

Na een opsommend verslag van alle onenigheden die de verschillende geloofslieden op die oude middeleeuwse conferenties parten hebben gespeeld, eindigde de kerkvader zijn exposé nogal abrupt met de woorden: “Onze kerken hebben meer gemeen, dan wat hen scheidt. In onze kerk, kunnen alle gelovigen ter communie gaan. Bij jullie heet dat een uitwisselbare communie oftewel – de term is gemunt door anglicanen – een full communion. De realiteit van de Armeense diaspora, is voor onze tolerantie mede verantwoordelijk  geweest. Al die Armeniërs die naar andere landen vluchtten, waar ze opnieuw een minderheid vormden temidden van tientallen andere religies of sectarische geloven, moesten zich wel verdraagzaam opstellen als ze in die nieuwe omgeving wilden overleven.   Deze realiteit leerde het Armeense volk omgaan met het feit dat er op religieus gebied vele verschillende visies en geloven bestaan van sacrale en rituele aard. Het maakte ons vertrouwd met de realiteit dat we niet het enige geloof zijn. Onze Moederkerk heeft dit gegeven niet als een blasfemisch of ondermijnend gegeven leren zien, maar als een onomstotelijk feit. De Armeens-apostolische kerk staat open voor internationale invloeden. Bij ons kan iedereen die christelijk is, ter communie gaan.”

Dan, plotseling, na lange elliptische omwegen, keert de kerkvader weer terug bij mijn vraag over het lijden van de door-en-door vrome Armeniërs.  “Ons volk was in staat zijn lijden te verdragen omdat het gelooft in wederopstanding. We zijn altijd in staat gebleken om ons weer op te richten na geleden gruwel en miserie. Het christendom ontwikkelde zich tot de kleur van onze huid, om het zo maar te zeggen. We hebben sinds de vierde eeuw gecultiveerd. En zijn het trouw gebleven. Het is niet meer iets dat we kunnen of willen veranderen. Het zowel van onze identiteit als van ons innerlijk systeem geworden. Sinds het prille begin hebben we voor onze gewetensvrijheid moeten vechten. Die geven we niet zo  maar op. Voor niets ter wereld.”

De voorts immer hoffelijke vertaler liet na afloop merken, dat hij niet het minste respect kon opbrengen voor deze heilige kerkvader. De patriarch stond erom bekend twee gezichten te hebben, zich over te geven aan de zwakten van het vlees, de mammon van het geld, de verleidingen van de alcohol en van het casino.

VOETNOOT:

Het concilie van Chalcedon was een oecumenisch concilie dat werd gehouden in het jaar 451 (van 12 oktober tot 1 november) in Chalcedon, een oude Byzantijnse havenstad aan de Bosporus (tegenover Byzantium) in de provincie Pontus en Bitynia in Klein-Azië, tijdens het pontificaat van paus Leo I de Grote. Het was het vierde van de eerste zeven christelijke oecumenische concilies en wordt door de Rooms-katholieke en Oosters-orthodoxe Kerken erkend als onfeilbaar in haar vaststelling van nieuwe dogma’s. Op dit concilie werd de doctrine van het monofysitisme verworpen en de Chalcedosche geloofsbelijdenis aangenomen, waarin beschreven wordt dat Jezus, als tweede persoon in de Heilige Drie-eenheid, zowel volledig mens als volledig goddelijk was.

Het werk van het concilie werd voltooid met een serie van 28 disciplinaire kerkregels. Bisschoppen kregen autoriteit over de monniken in hun diocesen, met daarbij het recht hen het stichten van nieuwe kloosters toe te staan of te verbieden. Bisschoppen werden verder aangespoord om een pastoor aan te stellen die hun wereldse zaken regelde en om tweejaarlijks een diocesane synode te houden. Het werd de clerus verboden van diocees te wisselen of in militaire dienst te gaan. Monniken en monialen werd het verboden te huwen op straffe van excommunicatie. De laatste kerkregel verklaarde dat de Zetel van Constantinopel alleen lager was dan die van Rome. De pauselijke gezanten waren niet meer aanwezig voor de stemming over deze laatste kerkregel en protesteerden hier achteraf tegen.

Het vrijwel directe gevolg van het concilie was een groot schisma. De bisschoppen die zich niet konden vinden in de taal van de brief van Paus Leo aan Flavianus spraken het concilie tegen en zeiden dat het aanvaarden van twee “physes” neerkwam op Nestorianisme. Daarmee begon de Oriëntaalse Orthodoxie, die tot op de dag van vandaag de resultaten van dit concilie verwerpt. In de laatste jaren is een zekere mate van dialoog op gang gekomen tussen de Oriëntaals-orthodoxe Kerken en andere Christenen. Sommige Oriëntaals-orthodoxe bisschoppen hebben aangegeven dat het verschil in doctrine nooit méér is geweest dan een misverstand en hebben zich sindsdien weer verbonden met de Rooms-katholieke en Oosters-orthodoxe Kerken.

bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Concilie_van_Chalcedon

Kathedraal van Echmiadzin, foto door Leo Butnaru

Kathedraal van Echmiadzin, foto door Leo Butnaru

NORAVANK

“Armeniërs zijn slechte beheerders van hun land”, constateert David met gelaten stem in de bus die ons vlak langs de flanken van de Ararat voert. Zuidwaarts. Langs de Armeens-Turkse grens, die aan Armeense zijde mede bewaakt wordt door Russische soldaten. Op verzoek van de regering in Yerevan. “Ons volk maakt kapitale fouten, die het met wat meer inzicht en middelen makkelijk had kunnen voorkomen. Waterhuishouding, landbouw, zaken als milieu- energie- en irrigatiebeleid: we maken er een potje van.”  David memoreert de woorden van Sitting Bull, die zou hebben gezegd: “And what will you do, white man, once you have ravished the earth and killed all bizon? You cannot eat money!”

“De Ararax Vallei waar we nu doorheen rijden, en die verantwoordelijk is voor het meerendeel van de landbouwopbrengst in ons land, zal over dertig, veertig jaar in een dorre vlakte zijn veranderd”, is zijn ijzingwekkende voorspelling. “De Armeniers putten hun land uit, zonder na te denken over de consequenties. Zo ook bij het Meer van Sevan, waar in Sovjettijden decennialang hydro-electrische energie werd opgewekt met behulp van gigantische pompinstallaties die het meer steeds verder leeg hebben gepompt. Tot zelf de vissen op het droge kwamen te liggen. En de hele waterhuishouding was verruineerd.”

“Je praat over de Armeniërs, alsof je er zelf niet een bent. In de derde persoon.”

“Het is waar, ik voel me van hen vervreemd als het om dit soort dingen gaat.”

In 1945 was de Getar Rivier nog zo omvangrijk en woest dat hij in zijn kolkende bedding een deel van de stad Yerevan verwoestte. Nu  is die rivier een ranzig kreekje, dat grotendeels middels rioolbuizen onder het territorium van de stad door wordt geloodst. Een beetje zoals de Zenne in Brussel. Stel voor om een gedicht voor een verdwenen / verdwijnende rivier te schrijven.

De oligarchen bezitten vrijwel alle stranden rond het legendarische Meer van Sevan. Met het stijgen van het waterpeil, dreigen ook de dacia’s van de zeer gefortuneerden zo nu en dan onder waterspiegel te verdwijnen. De klasse van de Thieves of Law, die al onder de oude tsaren in het leven was geroepen voor het leveren van hand- en spandiensten en het aan het rollen krijgen van een tot op de kleinste raderen vastgeroeste feodale economie.

Gyurza, de gifadder van Noravank. Foto door Swantje Lichtenstein

Gyurza, de gifadder van Noravank. Foto door Swantje Lichtenstein

In de Noravank kloof, maken we kennis met een van de giftigste bewoners van Armenië: gyurza. Een uiterst giftige addersoort, die veel voorkomt in de diepe kloven van zuid-west Armenië, nabij  de Iraanse grens. Zo ook bij de Toech-Manok pas, waar zich het klooster bevindt waar Momik Vardpot (1260-1335) naam maakte als beeldhouwer en architect.

Noravank (lett: nieuw klooster) ligt 120 kilometer van Yerevan op een plateau in een nauwe, door de rivier Darichay uitgesleten kloof met rode rotsen. Het complex is vooral bekend door de aan de Moeder Gods gewijde kerk met twee verdiepingen.

Volgens de metropoliet en geschiedschrijver Stepanos Orbelian (1250-1305) werd het klooster in 1205 gesticht door een bisschop, Hovhannes, na toestemming te hebben gekregen van de Seltsjoekse sultan. Hij bouwde een aan Johannes de Doper gewijde kerk (waar nu slechts wat ruïneresten van over zijn; volgens historici dateren deze echter al uit de negende of tiende eeuw) en leidde er een heilig bestaan. Ook zou hij een aantal wonderen hebben verricht. Bekend is dat hij een strenge orde had, waar vrouwen noch leken welkom waren.

Het complex werd daarna ontwikkeld door de oorspronkelijk uit Georgië afkomstige, adellijke dynastie Orbelian. Zij liet meerdere kerken in Armenië bouwen, die als begraafplaatsen voor de familie dienden. Noravank werd de zetel van de bisschoppen van het bisdom Syunik.

Het klooster van Noravank. Foto door Swantje Lichtenstein

Het klooster van Noravank. Foto door Swantje Lichtenstein

Khachkar betekent letterlijk “kruissteen”. Gebeeldhouwd gedenkmonument van steen met een rijk geornamenteerd kruis in het midden. Vaak vervlochten met een Tree of Life die omhoogkronkelt en in het middelpunt van de stelos uitkomt in een zoroastrisch zonnesymbool. Een Stelos voor Helios, dat t een centraal kruis combineert met een Tree of Life (Assyrisch, Sumerisch symbool) met allerhande geometrische patronen. Aan de linker achterzijde van de kerk, sta ik plotseling oog in oog met het graf van een heilige of althans een vereerde adellijke figuur wiens naam ik draag. Sint Sergius van Orbelian, oftewel Sargis. De grafsteen bestaat uit een liggende leewin die haar poten beschermend over het lijk heeft uitgestrekt. Heel vertederend. Het is of de leeuwin glimlacht. Zaligheid op een ietwat naieve, maar toch ook overtuigende wijze afgebeeld. De tekst op de grafsteen luidt, vertaald:

“Hier rust Sargis, als een heersende leeuw in de strijd

de zoon van Palkan. Moge hij herinnerd worden in

in mijn gebeden.”

Het graf van Sargis. Foto SvD

Het graf van Sargis. Foto SvD

Temidden van de Getnatun wijncoöperatie, worden we rondgeleid door familiehoofd en sommelier Nairi Baghdasaryan. Ik word aangeraden een “anapak” wijn te kopen, eentje die geen toegevoegde middelen bevat. Geen chemicaliën, noch suikers. We proeven tal van wijnen, maar ze smaken allemaal ofwel te zoet (naar mijn smaak) ofwel te zuur. Geen enkele wijn lijkt de grond in het sap te laten uitmonden. Het blijven met glucose en gist bewerkte fruitsappen, die men voor de goede sier in eikenhouten vaten nog verder laat verzuren. Enfin. Ik koop een fles die is gevat in keramisch materiaal, en er mooi uitziet.

Het familiehoofd is gastvrij, goedlachs, trots maar ook bescheiden. Het duurt en duurt maar voordat ik de kans krijg mijn fles af te rekenen. Uiteindelijk moet er zoveel haast gemaakt worden om  de bus weer binnen te gaan en verder te rijden, dat niemand van het gezelschap schrijvers nog tijd heeft om de kas van het wijnkantoortje te spekken door middel van het inkopen van een lading flessen. Ik ben de enige die een fles gekocht blijft te hebben. En dan nog na lang aandringen, en het kantoortje zelf dan maar binnenstappen. Alwaar men de fles die ik wilde kopen alweer had weggezet. Of verborgen. Was het een zeldzaam exemplaar dat ze eigenlijk wilden houden voor hun eigen collectie? Wie weet. Mijn god. Als men zo beleefd en terughoudend is, weet je nooit waar je als vreemdeling precies aan toe bent. En of je de Armeniers wellicht bruskeert of niet door hun afwachtende houding en lethargie te doorbreken. Is dat lomp? Is het verstandig? Is het beleefd? In elk geval is het soms erg noodzakelijk om ueberhaupt iets gedaan te krijgen, zo is me inmiddels gebleken. Over de interpretatie van bepaald gedrag kan altijd na afloop nog worden gediscussieerd…

JERMUK

Aankomst in Jermuk, het is al donker. We rijden het thermale kuuroord binnen over een brede boulevard, met links en rechts sanatoria die duidelijk nog uit de Sovjettijd dateren. De organisatie heeft ervoor gekozen ons te laten verblijven in Olympia. Een okerkleurig sanatorium met Paleis-Soestdijk achtige vleugels, dat de schoonheid van schemeren vervallen en in ere gehouden grandeur vertegenwoordigt waar Arlette en ik zo verzot op zijn.

Een ouderwetse receptie en lobby  met bar. Lange gangen met marmeren tegels en een hoogpolige loper die de gasten naar hun kamers voert en naar de benedenverdieping waar in  de diverse vleugels de zogenaamde “procedures” genoten kunnen worden. Kamers met naamplaatjes in cyrillisch schrift van het medisch en overig personeel. Op een van die plaatjes staat het woord: pruikenmaker. Oftewel: kapper. Door het hele hotel heen kom je dokters en verplegers in witte jassen tegen. Die geven massages, en begeleiden de gasten (of patienten?) bij het uitvoeren van de procedures: mondspoelingen met een slang waaruit warm bronwater stroomt, onderwatermassages met hoge drukmiddelen in gigantische badkuipen waarvan de turbines gieren als een straalvliegtuig. Veel werknemers in witte jassen hangen er ook maar een beetje bij, of lopen de kantjes ervan af. In Armenie leeft het fenomeen van de verborgen werkeloosheid, dat zo kenmerkend was voor de Sovjetstaten, ongehinderd (of moet je zeggen noodgedwongen?) voort.

Aan het ontbijt in een van de eetzalen die de noordelijke vleugel van het hotel rijk is, vertelt David Matevossian ons zaterdagochtend een indrukwekkend en triest verhaal over de toestand van zijn land. En de moeizame zo niet hopeloze strijd om dingen in Armenië gedaan te krijgen, of te veranderen. Lethargie, corruptie, brain-drain, een algeheel cynisme, egoisme en simplisme dat het land in een rampzalige kramp doet verstarren. DM: “Last time I told you we were a nation tired of history. Now, ten  years later, we are a disappearing nation.  Soon, we will have no history anymore. We will have nothing left here. Turkey is likely to wipe us away. But before it does, we will wipe out ourselves. We are stupid enough.”

Een van de grootste problemen, aldus David, die veranderingen ten goede in de weg staan, is het feit dat Armenië er maar niet in slaagt zich van zijn  clan-mentaliteit te ontdoen. De dorpsgeest van de oude stempel, de mentaliteit van een boeren bergvolk, is er niet uit te krijgen. “We hebben geen staats-mentaliteit, en ik ben bang dat we die ook nooit zullen verkrijgen.”

Probleem is verder dat vrijwel alle getalenteerde Armeniërs elders, in het buitenland, een heenkomen gezocht hebben. Wat in Armenië aan residu achterblijft, is zelden veel soeps. De minister van cultuur, aan wie we deze reis en dit festival te danken hebben (Hasmik Poghosyan), zei onlangs in een vlaag van woede tegen David: “Er komt een moment dat we ons moeten afvragen of er in dit land nog wel genoeg mentaal gezonde en snuggere mensen over zijn om van een cultuur te kunnen spreken.  Ik ben minister van een steeds fictiever wordend departement.”

Veel van de clanhoofden en hun achterban hebben in 1991 en de jaren daarna volop van het momentum geprofiteerd om zaken te doen, geld binnen te graaien of oude rekeningen te vereffenen. Vastgoedprofeten allerhande hebben Yerevan volgeplant met de meest wanstaltige bouwsels van abominabele kwaliteit en afzichtelijke esthetiek. De oorspronkelijke bewoners hebben ze massaal op straat gesodemieterd, zonder een fatsoenlijke compensatieregeling natuurlijk. Alles van waarde dat ze konden verhandelen, hebben ze doorverkocht aan de Russen. Het hele land is in tien jaar tijd in de uitverkoop gedaan. Feitelijk zijn Armeniërs nauwelijks nog de eigenaren van hun land. Althans niet van de inboedel.

“Na die eerste kapitalisatiegolf van de jaren negentig, kwam natuurlijk de stagnering. Het snelle geld was verdiend, de boel liep vast. Armenie is straatarm, de bewoners leven grotendeels van de giften van familieleden die in het buitenland verblijven. We zijn bedelaars geworden, het is te gênant voor woorden. De huidige president, Sergik Sargsian, plukt nu de rotte vruchten van het katastrofale en kortzichtige beleid van zijn voorgangers. Het mismanagement van de jaren negentig. De vruchten van die vette jaren, zijn allerminst zoet te noemen.”

De zus van David, Soghir Matevossian, is hoofdredactrice van “De Vierde Macht”. Een van de weinige, zo niet het enige, dagblad van Armenie dat openlijk ongezouden kritiek durft te geven op het beleid van de regering en de clans van de machthebbers en zakenlieden. Het blad wordt gehaat door de huidige potentaten, en geregeld wordt Davids zus gearresteerd, voor het gerecht gesleept, geintimideerd of zelfs gekidnapt om haar klein te krijgen. Bij de demonstraties van maart 2008 werd ze – hier zijn videobeelden van – op uiterst hardhandige wijze door een zwaargewapende cohorte MP’s aan haar haren uit het kantoor van haar krant gesleurd, en in een arrestantenwagen gesmeten. Op het politiekantoor is ze urenlang ondervraagd en gevangen gezet.

Er zijn al aanslagen op Soghir gepleegd. En ook op David. In 2007 nog. Lieden hadden de remkabels van zijn auto doorgeknipt, na talrijke bedreigingen. David is er met kleerscheuren vanaf gekomen, nadat hij zijn op hol geslagen auto tegen een stellage op een berghelling tot stilstand had weten te brengen. De auto was total loss. Het wrak is van het sloopterrein verdwenen, voor de politie er onderzoek naar kon doen. Spoorloos. De zaak werd geclasseerd.

 

Het stuwmeer van Jermuk. Foto Filip 'Hoedgekruid' Vanzandycke

Het stuwmeer van Jermuk. Foto Filip ‘Hoedgekruid’ Vanzandycke

 

DEEP FRIED ICE CREM CACTUS

 

Deepfriedicecremcactus. Foto door Vahur Afanasjev

Deepfriedicecremcactus. Foto door Vahur Afanasjev

Wings of Tatev, zo heet de kabelbaan die ons de vallei over brengt, naar het hoog in de bergen gelegen middeleeuwse kloostercomplex genaamd Tatev. De bergketen die we op zien doemen voor onze ogen, als we de eerste pilaar van de kabelbaan zijn gepasseerd, heet de Aramast. Afgeleid van Ara-Mazda, de Zoroastrische godheid van het Licht. Het landschap is adembenemend, en met de machtige besneeuwde toppen die hoog boven ons uit torenen in de schaduw waarvan alle menselijke aanwezigheid wordt teruggebracht tot nietige proportie, heeft het veel weg van Tibet of Nepal. Enkele oude kloostergebouwen, een bergdorpje dat op een tegenover gelegen bergflank ligt verscholen achter de rotsen, het licht van de zon dat weerkaatst tegen de wanden van ijs en van sneeuw…  Een perspectivisch stilleven van alle tijden. Een archetypische plek om te komen tot gewijde bezinning. God voelt zo hoog in de bergen inderdaad op de een of andere manier dichterbij dan beneden op aarde. Logisch? Het klooster zou door een van de 72 apostelen gesticht zijn die er in de eerste eeuw op uit trokken om het evangelie te verkondigen.

Abt Michael van Tatev. Foto Swantje Lichtenstein

Abt Michael van Tatev. Foto Swantje Lichtenstein

Vader Michael is de abt van het klooster, dat niet meer bewoond wordt – er wordt gewacht op geld om de vertrekken van de resten om te bouwen tot een rudimentair museum. Vader Michael toont ons een bewegende zuil ter ere van de Heilige Drie-eenheid. De zuil, zo verkondigt de abt met een doodserieus gezicht, heeft de eigenschap de monniken te waarschuwen voor het naderen van vijandelijke troepen. Daarenboven heeft de zuil het miraculeuze vermogen aardbevingen aan te kunnen kondigen.  De abt duwt met beide handen tegen de zuil, en zowaar, de pilaar gaat heen en weer in de wolkenlucht. De zuil fungeert werkelijk als een soort seismische naald, die gaat trillen als er schokken worden opgewekt door de aarde. Michael toont ons trots de bronzen klok van Patriarch Stephanos, waar een inscriptie op gegaveerd staat uit Psalm 15. “Let it ring, let it ring…”

Jermuk. Foto door Swantje Lichtenstein

Jermuk. Foto door Swantje Lichtenstein

Eenmaal terug in Jermuk, toont Christiane Lange ons na het avondeten enkele winnende videoclips uit voorbije jaargangen van het Zebrafestival voor verfilmde gedichten. Het festival wordt om het jaar gehost door de LiteraturWERKstatt in Berlijn, waarvan Christiane een der leidende figuren is.  Er zitten schitterende werkjes tussen. Een film bijvoorbeeld over de laatste dag van het Palast der Republik. Een knotsgekke maar briljante uitvoering van John Giorno, die “Just say no to family values”  heet. En een meesterlijke clip uit 2003 die LOVE IS THE LAW heet, van de Noor Eivind Tolas. De vrouwelijke tolk, die bij de vertoningen aanwezig is, verzuimt het om enkele nogal pikante of opruiende passages van Giorno’s smakelijke tirade tegen familiewaarde, in het Armeens te vertalen. Armenie is al met al een uiterst traditioneel land, waar alle meiden nog als maagd het huwelijk in lijken te gaan. En de mannen het leven bestiren, zoals de vrouwen de keukens. Ondanks de krankzinnige overdaad aan vrouwen in verhouding tot de mannen (12:1), heeft dit not niet geleid tot drastische omwentelingen op maatschappelijk gebied. Het woord feminist is in Armenie ook voor vrouwen een scheldwoord.

Na de video-vertoning van Christiane, vraagt David bescheiden of hij het publiek misschien nog zijn korte feature mag tonen: The enemies (2007). Een parabel over twee vijandelijke soldaten, die aan het front tegenover elkaar komen te staan. Of te liggen eigenlijk, want allebei zijn ze gewond geraakt in een confrontatie tussen Armeniërs en Azeri’s. Alle kameraden zijn omgekomen, de twee vijanden zijn de enige overlevenden. In de uitputtingsslag om te overleven tot er hulp komt, zijn we geuigen van een merkwaardige transcendentie, waarbij de rollen tot de dood erop volgt voordurend van positie wisselen. Een spirituele film, die wel van een wat gebrekkige en te luide geluidsband is voorzien. David licht de achtergrond van zijn film toe: de tolerantie aan beide zijden van de frontlinies is schrikbarend achteruitgehold de laatste jaren. De spanning is te snijden, er is geen enkel zicht meer op enige verzoening. De zenuwen van soldaten en machthebbers zijn tot op het bot beschadigd. Iedereen is het vechten moe, dat nu al 24 jaar duurt. En tegelijkertijd is niemand nog bereid tot compromissen.”

Geert van Istendael laat weten dat de film hem doet denken aan de parabel van de barmhartigen uit het evangelie. Dichteres Swantje Lichtenstein uit Köln is drukker met haar I-Phone dan met het kijken naar de prent. Dit moet David toch een beetje pijn doen. De groep is moe, het is laat. Morgen weer een drukke dag. De zitting valt uiteen, de groep rafelt uiteen. In de bar krijg ik, op het moment dat ik een Kilikia bestel dat me bruut uit handen wordt getrokken door fotograaf Filip Vanzandycke, een woedeaanval op de onbehouwen gozer die ik meestal verdedig maar die soms ook het bloed onder onze nagels vandaan kan halen met zijn lompe en luidruchtige aanwezigheid. Het gaat er flink aan toe, maar we leggen het meteen weer bij. Als de woordenwisseling nog in volle gang is, en ik Arlette om haar visie op Filip vraag, past ze en gaat ostentatief naar de hotelkamer. Op die hotelkamer heerst een ijzige spanning. Die de hele nacht duurt, en nog versterkt wordt door onophoudelijk gesnuif van Arlette die om de minuut haar neus hard ophaalt. In de vroege ochtend knallende ruzie, Arlette die me een half uur lang de wind van voren geeft terwijl ik geen oog dicht heb kunnen doen. En dan de Rondetafelgesprekken die ons wachten, waar we geacht worden als moderatoren op te treden die de boel in goede banen moeten leiden en wat speelser en luchtiger moeten maken dan gevreesd. Dit laatste doet Arlette meesterlijk, door profiterolles rond te delen waar een kleine capsule in zit verborgen met daarin weer een opgerold stukje papier waarop een van de thema’s is uitgeprint. Chance operation. Filip en Geert slikken de capsule per ongeluk door. Nemen een tweede profiterolle. Vahur blijkt precies het onderwerp te hebben gekregen, dat hij heeft aangedragen en waar we per email de afgelopen week ook over gecorrespondeerd hebben. Een zeer gelukkige speling van het verder even eerlijke als onverschillige lot.


Arlette van Laar met haar hoed vol profiterolles waarin papiertjes zitten verstopt

Arlette van Laar met haar hoed vol profiterolles waarin papiertjes zitten verstopt

Davit Muradian, een schrijver die een hoofdrol speelt in een van Kamiel Vanhole’s verhalen uit De Spoorzoeker, neemt als eerste het woord. “Armenians very naturally found themselves to be part of European culture. We are different, but we are alike as well. This is a truth, that is beautiful. Armenia is an old spiritual culture, a nation with great history, and perhaps also a great future. Yerevan is 2843 years old. 27 years older than Rome. My fellow Europeans, I love in you, what is different inside of me…If Armenia is not complete without Europe, Europe is not complete without  Armenia.”

Armenië is sinds 2001 lid van de Raad van Europa. “We are a family of nations. We are cousins of Europe. And each European country is a cousin of Armenia. We are in a true sense, related to one another.”

De Italiaanse dichter en festivalorganisator Claudio Pozzani uit Genua, klaagt over zijn achterlijke Italiaanse regering, die op dit moment nogmaar 0,18 procent van het BNP aan cultuur schijnt uit te geven. De grote problemen voor schrijvers en uitgevers, komen grosso modo neer op twee wezensproblemen: de eerste is de circulatie en distributie van boeken en boekhandels. Het tweede punt is – finalemente – dat wat Claudio  noemt “la resistance”. De wil om – tegen de keer in – stand te houden. Het alternatief is finaal van de kaart te worden geveegd. Of het land uit gedreven, zoals Claudio wier boeken nu al een tijdje niet meer in Italie maar over de grens in Frankrijk en elders worden uitgegeven. Soms ook met een cd erbij, of enkel een cd met een wat dik uitgevallen tekstboekje, zoals zijn recente uitgave La Marcia Dell’Ombra, die in Berlijn is gemasterd en is verschenen bij CVT Records.

Claudio weigert om met uitgevers in zee te gaan, die gelieerd zijn aan het Berlusconi imperium. Een houding van “resistance”, die hij tegenover de hypocrisie plaatst van auteurs als Saviano (Gomorra), die zich geengageerd voordoet maar er geen been in ziet zijn zaken te laten behartigen door het ruecksichtloze uitgeversconcern van Il Cavielere.

Serge Venturini

Serge Venturini

Paul Valery: “Le forme c’est le fond, qui revient a la surface.” Serge Venturini haalt de Franse schrijver met zichtbaar genoegen aan, tijdens de Ronde Tafeldiscussies in Jermuk. Alwaar een stuk of tien Armeense schrijvers gemeenschappelijk aan zijn geschoven bij evenzoveel Europese collega’s. Of andersom wellicht. Hoewel, de Armeense culturati stellen zich uiterst bescheiden op, een beetje geintimideerd zelfs, lijken ze. Ten opzichte van hun vakbroeders uit verre, veelal rijkere streken op het continent dat er altijd weer prat op gaat het summum van kosmopolitisme, vooruitgang en welvaart – kortom van de moderne beschaving – te vertegenwoordigen. Venturini besluit met de wat bombastische woorden: “J’ai une montagne dans le coeur. Un Ararat.” Waarop een collega opmerkt: “Dat moet dan wel groot zijn, dat hart van jou.” Gelach alom. Maar het is gemeend, van die Venturini. Hij is getrouwd met een Armeense, en heeft zijn hart dus letterlijk en figuurlijk aan die cultuur rond de Ararat verpand. Het plan wordt geopperd een “Pan-Europees Vertalingsfonds” op te richten. Alsmede een website.

De Liechtensteinse romancier Stefan Sprenger karakteriseert Armenië als een zowel seismisch als politiek gevoelig gelegen hoogland op de Kaukasus: een plaats waar twee geschiedenissen en aardschollen, twee tectonische platen tegen elkaar opschuren en over elkaar heen schuiven. Dit is het overgangsgebied waar twee continenten (Europa en Azie) zowel geografisch als cultureel met elkaar in botsing komt, waar aardbevingen, godsdienstoorlogen en conflicten schering en inslag zijn. De woeste krachten van de mens en de natuur, die hier in volle omvang aan de oppervlakte komen. Sprenger formuleert het romantisch als: “De gesel van de onderwereld die op de bovenwereld wordt losgelaten.”

Ook op het moment zelve, als de tweede ronde van de tafeldiscussies plaatsvindt (na de lunch), zo rond 15u30 plaatselijke tijd, schokt en beeft de aarde onder onze voeten. Arlette, die boven even een dutje doet op onze slaapkamer, vertelt later dat ze de beving gewaar werd. Ze doezelde net weg, dacht dat het haar droom was die maakte dat het bed begon te schudden. De kamer heen en weer bewoog. Een surreële ervaring, een hallucinatie en bange droom. Die achteraf gezien wel eens heel werkelijk geweest kan zijn. Verderop, aan de Turkse kant van de Ararat, rondom het legendarische Van Meer (oude centrum van de Armeniers), richt  de beving waar wij in Jermuk nog maar een vage uitloper gewaar van worden, een katastrofe aan. Steden worden verwoest, gebouwen storten in, honderden mensen verliezen het leven en worden levend begraven. Duizenden burgers, veelal Koerden, worden dakloos, raken ontheemd.

Wrede ironie: zojuist heeft een van de schrijvers ietwat koket geopperd, dat de mensheid zo fervent huizen bouwt om ze eens even fervent weer te kunnen verlaten. “Of te verwoesten”, merkt een cynische collega kribbig op. De beving blijkt rondom Van, zo weet David Matevossian later door de microfoon te melden als we in de bus op weg zijn naar het reservoir van Jermuk, 7,9 op de schaal van Richter te hebben gehaald.

Maandagochtend na de beving

Maandagochtend 24 oktober trakteren Arlette en ik ons op een ingelaste sessie procedures, die alle in versneld tempo dienen te worden uitgevoerd omdat de bus klokke elf ons weer naar de volgende bestemming zal brengen: een visrestaurantje op het schiereiland in het Sevan Meer. De procedure doet aanvankelijk veel goeds voor het krakkemikkige lichaam dat mij voor straf (levenslang!) moet huizen. Maar in de komende dagen breekt er bij aardig wat van de festivalgangers die soortgelijke procedures gevolgd hebben, een ware diarree en buikgriep-epidemie op die zijn weerga niet kent. Een buikloop en buikkramp die in  golven van hevigheid het lichaam – inderdaad – rigoureus en van kop tot bodem (vooral bodem) schoongeselt.

We eten zalmforel aan de oever van het Sevan Meer, op het schiereiland genaamd Airivank.Het Sevanmeer is het grootste meer van Armenië en een van de hoogst gelegen meren ter wereld – ongeveer 1900 meter boven zeeniveau. Het wordt gevoed door 28 beekjes en riviertjes. Het overgrote deel van dat water (zo’n 90%) verdampt, de overige 10% bevloeit de Hrazdan, de enige rivier die het meer verlaat. Vóór 1933 was het meer 95 meter diep, en lag het wateroppervlak op een hoogte van 1915 meter. Na dat jaar werd besloten een groot deel van de watervoorraad te benutten voor irrigatie en elektriciteit, waardoor het meer in de loop der tijd ongeveer 20 meter lager kwam te liggen. Er dreigde een ecologische ramp (gelijk aan die van het Aralmeer) waardoor de autoriteiten maatregelen namen om het meer naar het oorspronkelijke niveau terug te brengen. Tot op heden heeft dat weinig resultaat gehad. Wel is de daling van het peil gestabiliseerd.

In het noordwesten van het meer ligt een schiereiland met daarop het kloostercomplex Sevanavank. Het schiereiland was ooit een eiland, maar is door het zakken van het waterpeil nu via een drooggevallen landtong te bereiken. Twee kerken (de Kerk van de Heilige Moeder Gods en de Kerk van de Apostelen) en de overblijfselen van een gavit zijn er te bezichtigen. Volgens inscripties is het klooster in 874 gesticht door prinses Miriam, de dochter van koning Ashot I uit de Bagratoeni-dynastie. De kerken waren daarmee een van de eerste godshuizen die gebouwd werden sinds de Arabische (islamitische) overheersing. Beide heiligdommen hebben een traditionele bouw met een kruisvormig grondplan en een achthoekige tamboer die de koepel steunt. Het is dan ook eerder de bijzondere locatie aan het meer dan de bouw van de kerken die een bezoek de moeite waard maakt.

’s Avonds, terug in Yerevan, wonen we de voorstelling bij getiteld “Tickets Please”. Een adaptatie van Davit Muradian nav de teksten die Jacek Pacocha, Peeter Sauter en Laszlo Garachi in 2000 schreven tijdens de literaire trein van de Litearature Express. De premier van Armenie, Tigran Sargsian (1960), woont de voorstelling bij, als huldeblijk aan Davit die vandaag ook nog eens jarig blijkt. Na afloop van de voorstelling en de huldeblijken aan de jarige, worden we geintroduceerd bij de premier.

Tigran Sargsian, premier van Armenie

Tigran Sargsian, premier van Armenie

Na afloop van de voorstelling “kidnapt” David Matevossian Arlet en mezelf, om samen met Tina – David’s lieflijke echtgenote – een goed Alexandropol bier te gaan drinken in de binnenstad. We belanden in een nogal Amerikaans aandoende uitspanning, waar Heinz ketchupflessen op ieder tafeltje staan. Buiten loeit harde dancemuziek. Een meisje dat aanschuift aan tafel, blijkt een nichtje van David te zijn dat haar ouders verloor negen jaar geleden tijdens een auto-ongeluk niet ver van Airivank (het schiereiland in het Meer van Sevan). Ze heeft een tijd in coma gelegen, en hersenbeschadiging opgelopen. Maar ze is overeind gekrabbeld, en begonnen aan een jarenlang proces van revalidatie. Momenteel is ze zelfs gaan studeren: webdesign. Ze praat iets trager dan anderen, maar verder is ze heel goed hersteld. Ze figureert ook in het filmpje dat David me woensdag laat zien over het gevecht voor democratie in Armenie, alwaar een demonstratie in maart 2008 op bloedige wijze uit elkaar is geslagen door de ordetroepen van de regering. En waarbij tien mensen het leven lieten.

DE SLANG IN HET PARADIJS

Een taxi komt Arlette om 03u00 ’s nachts ophalen, om naar het vliegveld te brengen. Ze is misselijk, heeft diarree. Ik breng haar naar de lobby. Zorg dat ze veilig en wel in de auto zit. Later vertelt ze dat ze toch best angstig was in die taxi. Niet wist of de chauffeur, die geen Engels sprak en in een noodtempo over de wegen scheurde, haar midden in de nacht zou ontvoeren. Het bleek goed af te lopen. Om half tien stuurt ze me een SMS’je vanuit Wenen dat ze haar aansluitende vlucht naar Amsterdam, net op tijd heeft weten te halen.

Bezoek aan Matanadaran, het Instituut voor Manuscripten. Perkament uit Damascus. Zie een, nee twee, originele exemplaren van Grigor Narekatsi’s Boek van Droefenis (Book of Sadness). Narekatsi leefde van 951 tot 1003. Het boek in de vitrine is vervaardigd in Kaffa, anno 1401. Ik zie een prachtig geillustreerd exemplaar van de History of Alexander the Great uit de vijfde eeuw. Het Vrijdag Boek, vervaardigd in Venezie anno 1512. Miniaturen van koperoxide, lapis lazuli, goudflagon en bladgoud.

De slang op de geëtaleerde pagina van een manuscript dat de zondeval verbeeldt, kronkelt buiten de bladspiegel van de pagina rond. Het serpent mag niet op de pagina, omdat het volgens de Armeense theologie ook niet thuishoort in de tuin van Eden, het Paradijs. Het kwaad, zo geloven de Armeniërs, is geen factum van God. Het is het werk van de duivel, niet van onze Lieve Heer.

Tijdens de lunch in het pocherige restaurant La Boheme, waar Charles Aznavour naar verluidt de eigenaar van is, praat ik een hele tijd met de uiterst beminnelijke Estse schrijver Peeter Sauter en zijn  vriendin Laura. Peeter vergelijkt mijn plechtige intentie tot het temmen van het ego, met een schilderij van de Japanse genre-kunstenaar Chitoku dat “How to tame an ox” zou heten. Džitoku, Zjitoku… drawings and texts. Peeter geeft me een compliment: “This is the first time, Serge is INSIDE the Ararat.”

Laura vertelt dat ze eens in Reyckjavik (IJsland) in een dronken bui een weddenschap verloor, die ging over het gemiddeld inkomen van Esten. The average salary. Ze verloor de weddenschap, en hield woord door – zoals de inzet van de weddenschap betrof – de inititalen van haar geliefde op haar billen te laten tatoeren. PS – Peeter Sauter. PS. I Love You moest men er maar bij denken.  “We are fools and life is playing a game with us”, zo vatte Peeter de levensfilosofie van hemzelf en zijn geliefde samen. “We better learn to enjoy and to master the skills of the game that is being played with us, in a way that we can still laugh with ourselves and our fate.”

De oudste zoon van Peeter is afgelopen kerstmis om het leven gekomen, toen hij het slachtoffer werd van een open slagaderbreuk. De ambulancier die snel ter plaatse was, heeft zijn zoon waarschijnlijk de dood ingejaagd door heel intensief reanimatietechnieken op hem toe te passen. Waardoor er heel veel extra druk op het hart en de bloedvaten is ontstaan, en Peeter’s zoon is gestikt in zijn eigen bloed dat met iedere push uit zijn aorta werd gepompt.

Ik herinner met het tedere gebaar van Peeter, die zijn geliefde even heel peinzend, liefdevol over de bol aaide, terwijl hij begon te vertellen in Jermuk, tijdens de groepspresentatie, over zijn zoon Gustav. 21 jaar. Peeter vertelt me aan tafel, deze woensdagmiddag in restaurant La Boheme, van zijn droom die hij deze week in hotel Ararat heeft gehad. Waarin hij heel prettig aan het keuvelen was met een of ander persoon die naast hem zat. En die hij  alleen  en profil gewaar werd. Ze dronken, kletsten, er heerste en opgeruimde en gemoedelijke, warme sfeer. Toen hij even naar rechts keek, om te zien wie zijn prettige gesprekspartner was, keek hij recht in het gezicht van zijn bloedeigen, zopas overleden zoon Gustav. Hij schrok, herstelde zich, en vroeg aan Gustav: “Well, how is it over there? At least, I hope it is alright where you are…”  Waarop de geest van zijn zoon antwoordde: “Yes, but what does it help anyway…”

Na de lunch neemt David me mee naar zijn kantoortje aan Sacharov plein. Hij laat foto’s zien van het Bubble Festival in Yerevan, dat ieder jaar in april plaatsvindt. Het bellenblaas-festival. Hij  toont me ook de Armenian Chronicles. Powerful stuff. Clip die hij maakte over de aspiraties en strijd van jongeren in Armenie voor ware democratie. Over de demonstraties van maart 2008 die bloederig uiteen zijn geslagen. Zijn zus de hoofdredactrice die werd opgepakt door zwaarbewapende strijdkrachten, en aan haar haren in een arrestantenbus werd gesmeten. David had het filmpje ingestuurd naar de organisatie Democracy Challenge, waar Hillary Clinton de patroon van is. Daar verdween het na een dag alweer van de site, vanwege “technical problems”. Zara, Davids petekind dat we maandagavond nog even ontmoetten in die Heinz ketchupbar, zond het filmpje nogmaals naar de organisatie. Opnieuw verdween het daar, om onopgehelderde redenen. Ik haal – stomgeslagen van de gewelddadige beelden – de woorden aan van Remco Campert: “verzet begint niet met grote woorden, maar met kleine daden.” Met respect.

David rijdt me naar een staatsgalerij, waar we de opening bijwonen van Narek Avetissian’s Simulacri tentoonstelling. Serie verbluffende transformaties en variaties op Johannes Vermeers beroemde en tot ikoon verworden Girl With A Pearl Earring. Van Max Ernst en Malevitsj, tot Da Vinci en Hieronymus Bosch, van Chagall en Cézanne tot Salvador Dali en (de hekkensluiter) de Unknown Armenian Artist of the 21st Century: alle portretten zijn, met zichtbaar plezier dat van de doeken afspat, transformaties in stijl van Vermeers origineel. Multitudes and metamorfoses. Het voorlaatstse schilderij is een portret van Scarlett Johansson, in haar rol van meid met de parelmoeren oorbel uit de bekende gelijknamige film van enige jaren geleden. Dit is het enige portret dat Narek heeft ondertekend met zijn eigen naam. Het is knap gedaan. Als knipoog daar weer naartoe, heeft hij de  meid die hij  als Gioconde-achtig model heeft gebruikt voor de versie van Da Vinci’s Vermeer, geschilderd naar Uma Turman. Tenminste, ik meen haar gezicht – dat net als op dit doek enige asymmetrie vertoont – duidelijk te herkennen. Andere festivalgangers zijn daar minder zeker van. Anyhow. Er is ook een doek bij  met een simulacrum, dat het naamplaatje draagt van Minas Avetissian. De vader van de kunstenaar die deze tentoonstelling bij elkaar heeft geschilderd. Het is een van de beste doeken van de serie. En het meest origineel. Minas Avetissian blijkt in het staatsmuseum te hangen met aardig wat werken. Maar al in 1974 te zijn verongelukt tijdens een auto-ongeluk. Als overkopelend idee voor de tentoonstelling, oppert Narek de gedachte dat het enige schilderij dat op zijn tentoonstelling nog ontbreekt, het origineel is van alle doeken. Niet het doek van Vermeer, maar het overkoepelende idee van de meid met de parelmoeren oorbel. Zoals dat enkel in de hoofden van de mensen bestaat. Als abstractie.

Diner in het oligarchenrestaurant Marco Polo, op Abovianstreet. Swantje neemt afscheid, maar is te preuts om een afscheidsdronk te drinken uit hetzelfde glas. We begeven ons, en petite commitée, naar een bar chantant aan het eind van Pushkin Street (en dan links), waar een jonge jazz-zangeres zich onder begeleiding van twee muzikanten de longen uit haar lijf zingt. Krijgen een fles wijn aangeboden van de directie. Op de menukaart kun je een hamburger Lord Bayron krijgen. Lord Byron geschreven als Bayron. Naast me zit, opnieuw, Peeter Sauter. En Laura. Peeter is zichtbaar aangeschoten, maar op een milde manier. “What would be the road to heaven”, vraagt hij zich hardop af. “We all know, how the path towards heaven is paved with good intentions. So that this path may very well lead you  to the gates of hell.” Laura grinnikt, en stelt voor: “Eat heaven, and become it.” Ik opper: “Strip yourself of gravity and expectations. Accept time as a relative commodity.  Heaven not as a treasure to dig up, or a source to drink from, but a sphere one becomes part of anyway.” De hemel is een plek die het je vergund is te ervaren. Niet eentje die je kunt verkiezen.

Na een tijdje, dalen we af naar Calumet, de ondergrondse tent in Pushkin Street. Een orientaals spliff-hok met een dansvloertje, een bar en een ratjetoe aan midden-oosterse decoraties die grotendeels aan het plafond zijn opgehangen. Afghaanse spreien aan de muren, tapijten op de houten scheepsvloer. Een grote trom hangt boven ons hoofd aan het plafond. Uitgestrekt op kussens in het achtergedeelte van de uitspanning, luisteren we naar Depeche Mode (Your  Personal Jezus), Daft Punk, Kylile Minogue en allerhande retrograde rock-classics. Feestvierders, zegt Vahur, zijn hoeren die met elk lied meeheulen, wiegen en zingen. Anything goes, als men maar plezier beleeft. Vervolgens wordt Vahur door Mare mee de dansvloer op gezeuld. Om evengoed mee te dijnen op de muziek die uit de boxen knalt. Ik blijf vanop onze zitkussens rustig toekijken, terwijl Madonna (of is het Kylie Minogue) zingt: “Life is a paradox, and it does not make much sense…” Bij het refrein (“I’m never gonna stop!”), dat eindeloos herhaalt wordt, schreeuwt Vahur me in mijn oor: “This very much sounds like a threat…”

We  vertrekken in een taxi naar Hotel Ararat, voor een appel en een ei aan kosten. 200 Dram. Of iets van dien aard. In Hotel Ararat zetten we de sauna op 100 graden, nemen een duik in het ijskoude pierenbadje. En leven ons uit op de apparaten in de fitness-ruimte. Met de beschikbare radio keihard op Russische schlagermuziek. We zweten onze kuren uit. En gaan rond half vier slapen. Voldaan. Warm van de sauna-sessies. Rozig. Beneden in de Tuin van Eden, brengen Post-Morten Russen uit de Baltische landen luidruchtig de ene na de andere toast uit. Op het leven. Op de mooie vrouwen die aanwezig zijn. Op de mooie vrouwen die niet aanwezig zijn. Op de vrienden die niet meer in leven zijn. Op de hemel. Op de hel. “En de hel”, zegt een van hen, “dat is de plek waar flessen twee gaten hebben. En de vrouwen geen.”

Svd in Yerevan. Foto door Arlette van Laar

Svd in Yerevan. Foto door Arlette van Laar

BLAUWVERSCHUIVING, ROODVERSCHUIVING

In de lobby van Hotel Erebuni in Jerevan, worden de gasten begroet door hun koffers, die door kruiers in lange rechte rijen op de vloer zijn uitgestald, als bodybags. Op bankjes in de bar verdoen taxichauffeurs al kaartend hun tijd. De trappen in de ontvangsthal zijn van sfeerloos nepmarmer. Zelfs de gigantische lusters stralen een kil licht uit. Iets meer ambiance is er op de verdiepingen, waar rood tapijt ligt in eindeloos lange gangen, en waar sfinxachtige kamerjuffrouwen toezicht houden vanachter hun massief notenhouten bureaux.

Enige tijd nadat ik me op mijn kamer te rusten heb gelegd, gaat de telefoon. Ik schrik wakker, zonder meteen te weten waar ik ben. Het is twee uur ‘s nachts, ik ben nog altijd bekaf van het reizen in de stoffige en aftandse dieselrijtuigen die me vanuit Moskou in een slakkengang tot op deze verdorde Kaukasische Hoogvlakte hebben gebracht. Deze drooggekookte soeppan van vulkanische makelij. Dit koninkrijk van de schreeuwende stenen, zoals Osip Mandelstam Armenië noemde.

Intimitat Servis’, meldt een koele en zakelijke damesstem. ‘Wilt u misschien wat gezelschap in uw kamer?’

‘Bel morgen maar terug,’ antwoord ik even verbolgen als verbijsterd, en smijt de hoorn op de haak. In de ochtend meen ik dat ik dit alles heb gedroomd. Ware het niet dat ook andere mannelijke congresgangers bij het ontbijt vertellen over intimiderende telefoontjes die hen uit hun slaap hebben gehaald.

* * *

We laten de verroeste kabelbaan van Yerevan – die jaren geleden al uit gebruik werd genomen na een fataal ongeluk waarbij de cabine door een kabelbreuk te pletter stortte – achter ons, en ik hoor hoe de dieselmotor van de drukke minibus gierend zijn best doet om de berghelling op te klimmen. Op de route passeren we een curieuze wenteltrap die kaarsrecht langs een klif omhoog voert naar een hoger gelegen plateau dat is volgebouwd met troosteloze Sovjetflats. We passeren een nachtclub in de vorm van een Schots kasteel, een verlaten lunapark, de omwalling van een dierentuin, een industriele groeve waar rupsbulldozers in de weer zijn met het afgraven van greondstoffen. Gaandeweg zijn alle passagiers bij diverse haltes uitgestapt. Ik ben de enige overgebleven reiziger die zich door de chauffeur mee wil laten voeren naar de top van de berg die majestueus uitkijkt op de Garni kloof. Na een tunnel wordt het pas echt stijl en bochtig. Boven ons schitteren de laatste restjes lentesneeuw. Het landschap is dat van een rotsachtige, verlaten planeet die door een extreem samenspel van vorst en hitte van elk leven schijnt beroofd. Ik zie obsidiaan tussen de rotsen schitteren, een zwart kristal dat uit het contact van lava met water was gevormd. Nagels van de duivel worden die schilfers genoemd.Als de chauffeur me uit laat stappen, waarschuwt hij me voor Gyurza, een uiterst giftige addersoort, die hier in deze dorre woestenij in overvloede rond zou kruipen.

Tussen de spaarzame bomen die nog in de bochten van de weg overeind staan, schittert in de diepte het Meer van Sevan, dat net als het land zelf langzaam leeg schijnt te lopen. Het blijkt dat water uit het meer in grote hoeveelheden wordt afgetapt om er stroom mee op te wekken, sinds de ontbinding van de Sovjetunie begin jaren negentig, toen de geld- gas- en oliekraan vanuit Moskou naar de perifere deelrepublieken een voor een werden dichtgedraaid. Ondergrondse buizen verbinden het meer met een waterkrachtcentrale, die de stroom levert die noodzakelijk is voor het onder alle omstandigheden strikt op peil houden van het voltage in ziekenhuizen, fabrieken en laboratoria. Zo ook in het ruimte-obsevatorium waar we naar op weg zijn, hoog in de bergen van Gerhard (spreek uit: Gekhard), dat beroemd is vanwege het oude middeleeuwse rotsklooster waar Apostolische monniken de speerpunt bewaren waarmee een Romeinse bewaker Jezus Christus aan het kruis in zijn lendenen geprikt zou hebben om te zien of de heiland nog leefde.

Ik schrik ervan hoe het eens zo gerenommeerde astrofysische instituut van de Garni kloof, waarvan Levon ondanks zijn zevenentachtigjarige leeftijd nog steeds directeur is, erbij ligt. De kantoorgebouwen zijn stuk voor stuk verlaten, overal ontbreken ramen of deurposten. Het lijkt wel of er een brand heeft gewoed, of een aardbeving is geweest die het interieur van de gebouwen door elkaar heeft geschud. Overal dwarrelen paperassen in het rond, zijn er kasten omgevallen, staan stoelen en tafels kriskras door elkaar.

Een spichtige secretaresse brengt me naar de eerste verdieping, waar de meester zich heeft teruggetrokken in zijn werkvertrekken. Daar, vanachter een torenhoge stapel boeken, zie ik hem zitten: Levon Zurabayan, de wetenschapper, astrophysicus, schilder en erelid van de schrijversvakbond van Armenië.  Een hoogbejaarde man, half doof, met een witte spikkelbaard. Als een eenzame achtergebleven koning resideert hij in zijn vervallen, tochtige en vochtige paleis dat, net als in het sprookje van Doornroosje, door de natuur en het verval wordt overwoekerd. Als hij me ziet komen, springt de oude geleerde horkerig overeind, voetschuifelt hij naar me toe en begroet me enthousiast.

‘Aha aha… Juist! Ik  verwachtte u al. Ik ben blij dat u er eindelijk bent.’

Ik vraag naar het waarom van de staat van verval waarin zijn instituut verkeert.

‘Geldgebrek. Sinds het vertrek van de Russen zijn wij aan ons lot overgelaten.’

Enthousiast toont hij me de laatste foto’s die hij van de door hem ontwikkelde Hubble telescoop heeft binnengekregen. Het zijn opnamen van Pluto, de verste der planeten uit ons zonnestelsel. ‘Wat ik vermoedde is waar: Pluto blijkt een dubbelplaneet. En in feite niet eens een planeet. Maar het blijft wonderlijk om de foto’s te zien die dit alles bewijzen…’

Zarubyan gaat me via een wenteltrap voor naar het observatorium, dat middels een koepelconstructie pal bovenop zijn werkvertrekken is geconstrueerd. Trots toont hij me de werking van de door hemzelf in elkaar geknutselde Mercator Telescoop, die kosmische straling opvangt met behulp van een heel arsenaal aan stroomgekoppelde apparaten. Het licht kan verder in extenso geanalyseerd worden op een aluminium plaat waar heel precieze gaatjes in geboord zijn op de plekken van sterren, stelsels en quasars. De aluminium plaat kan via 640 verschillende lichtbronnen via een indrukwekkend kluster aan fiber-optische kabels, op simultane wijze aan twee afzonderlijke spectrografen worden vastgekoppeld.

Het is moeilijk te geloven dat vanuit deze geimproviseerde kasteeltoren, het commando wordt gevoerd over het meest ambitieuze astronomische onderzoek dat ooit werd ondernomen: het Zarubyan Mercator Project. Bedoeld om de positie, scherpte, straling en kleur vast te stellen van meer dan een miljoen hemellichamen in een kwart van het hemelgewelf. En om de afstand te bepalen tussen meer dan een miljoen sterrenstelsels en quasars – de opflakkerende bakens die ontstaan op plekken waar zwarte gaten sterren en gas in zich op hebben gezogen. Als het werk geklaard is, moet het de eerste gestandaardiseerde universale atlas opleveren met vijfkleurenbeelden van de noordelijke sterrenhemel.

‘Welnu, mijn vriend, graag wil ik nu dan de reden onthullen voor mijn uitnodiging. Komt u verder. Ziet u deze capsule?’

Levon wijst me op een glazen stulp die midden in het observatorium staat opgesteld, waarop talloze draden zijn aangesloten. ‘In deze capsule wordt het spectogram bewaard dat ongetwijfeld ook uw speciale attentie verdient. Maar dat me ook veel zorgen baart. Omdat de UV- en Gammastraling die we vanuit het exacte middelpunt van de Melkweg hebben opgevangen, in de aluminium deklaag van de 8,4 meter grote honingraat-spiegel van de Binoculaire Telescoop, om een onverklaarbare reden bepaalde optische en uiteindelijk ook chemische reacties met elkaar zijn aangegaan.’

‘Hoe bedoelt u dat precies?’

‘Tja, ik kan het niet anders formuleren. Het spectogram is – en de hemel moge weten waarom – op een gegeven moment gaan reageren. Alsof de fotostrook die we van het astre occlus in onze Melkweg hebben kunnen nemen, in een beperkte vorm tot leven is gekomen. Ziet u, de weerslag heeft via de radiostraling die is waargenomen vanuit de gebieden rond het zwarte gat, de vorm aangenomen van een gesloten oog.’

‘Ongelooflijk.’

‘Dat kunt u wel zeggen. Maar dat is nog niet alles. Ook dat gesloten oog beweegt.’

‘Nee!’

‘Toch wel. Het reageert op bepaalde spectrale prikkels. Je zou kunnen zeggen dat het knipoogt.’

Ik keek de wetenschapper verbijsterd aan.

‘Je moet niet mij aanstaren, maar dat oog daar,’ sprak Levon me bestraffend toe. ‘Ik heb het oog in een transparante capsule laten plaatsen, waar de temperatuur constant op zeven Kelvin gehouden wordt. De ideale omstandigheid voor het Cosmisch Oculaire Organisme, of hoe we dit geval ook moeten noemen,  om zich in stand te kunnen houden.’

‘Dat moet onnoemelijk veel energie kosten. Waar haalt u die vandaan, in dit vervallen instituut?’

‘Ik heb een directe verbinding aan laten leggen met de waterkrachtcentrale uit het Meer van Sevan. Die zorgt voor een permanent verzekerde stroomtoevoer, zodat de basisomstandigheden in de capsule constant zijn. Voor de rest voed ik het organisme met alle mogelijke golven van het licht en alle mogelijke vormen van straling die vanuit het heelal tot bij ons doordringen.’

Nauwgezet bestudeer ik de ellipsvormige materie in de couveuse die een zacht trillende beweging lijkt te maken.

‘Blijft u rustig kijken. En kijkt u ook eens wat er gebeurt als ik het krachtveld van solaire Gammastraling of het radiografisch spectrum van wat achtergrondruis op de capsule loslaat. Kijkt u eens!’

Ik staar met open mond naar de vlek in de kluis die zich, na een korte trilling, onweerlegbaar terugtrekt over het doorschijnende bolvormig oppervlak van een inwendig orgaan. Om het vervolgens weer te bedekken.

‘Ziet u? Het oog knippert. Of knipoogt.’

‘Naar ons? Denkt u dat het naar ons knipoogt?’

‘Ik denk, mijn beste, dat het knipoogt naar het heelal.’

Pal onder het observatorium rijzen kegels van puinsteen op, die wankel tegen de rotsen leunen en zich een paar maal per dag, zodra er weer een keitje losraakt, met een akelig geklepper herschikken. Soms zwelt het geluid van deze miniatuurlawines aan en overstemt dat van de gletsjerbeek die vanuit de bergen het dal in klatert en ter hoogte van het Instituut tot bedaren wordt gebracht in afzonderlijke bevloeiingskanaaltjes.

‘De vraag is natuurlijk, wat dit alles te betekenen heeft.’

‘En, wat denkt u?’

‘Ik denk eerlijk gezegd, dat het opnieuw een aanwijzing is voor mijn stelling dat alles in dit universum onderhevig is aan een zelf-organiserend principe. Het universum is haar eigen moeder. En het baart voortdurend kinderen.’

‘Maar wat is de kracht van een kind dat aan de complexe weerschijn van een zwart gat is ontsproten?’

‘Dat is een interessante vraag. Als u daar eens een nachtje over nadenkt. Misschien kunnen we daar morgen dan verder over discussieren.’ Zonder oogknipperen merkt Levon op, terwijl hij me amicaal op een van mijn schouders slaat: ‘Ik denk dat we het raadsel van het heelal uiteindelijk wel zullen doorgronden. Misschien dat het bestaan van dit oog, een belangrijke doorbraak kan betekenen. Nietwaar? Tot morgen, mijn vriend. Laat het allemaal eens rustig op u inwerken.’

* * *

Als ik het instituut verlaat, voel ik de behoefte om een wandeling te maken langs de door wildbraam, kreupelhout en onkruid overwoekerde hallen, gebouwen en kantoren van het vervallen instituut. De sfeer van desolaatheid en verlatenheid die over het terrein is neergedaald, doet denken aan de film Stalker van Tarkovski. Ik laat mijn stem weergalmen in een lege en bedompte assemblage-schuur waarin lichtstralen schijnen door gaten in het dak. Er ligt puin op de grond en ik hoor geritsel. Via de deels ingestorte montagehal waar ooit de Salyut-capsules zijn ontworpen en stukje voor beetje in elkaar gezet, loop ik een eind omhoog over een sintelpad om een overzicht te krijgen over het ganse terrein. Bovenop een helling klim ik in de traptreden van een pilon waarover de slaphangende kabels van een kraanlift bungelen. Vervolgens klim ik weer naar benden en ga op een beschaduwd plekje zitten in het gras. Ik kijk naar vlinders die voorbij dartelen, wiegend op de wind, en naar de koepels van het observatorium die schitteren in de zon. Rond het middaguur sta ik op, klop mijn broek af die geel is van het vulkanische stof, en loop terug naar beneden.

De opzichterswoning waarvoor ik eerder al een zwarte Volga had zien staan, ligt aan de rand van de heuvel, tegenover een transformatorhuisje met dikke, gebarsten ramen, waar leeuwerikken en kwikstaarten overheen cirkelen. Achter het chalet staat een houten stacaravan en liggen een tiental gerooide sparren. Ik houd halt als ik de oprit met de omhoogstaande slagboom nader. De zwarte lak van de Volga blikkert in de zon. Op het terras staat een man met een wilde haardos, zijn handen leunend op de ballustrade. Hij draagt een zwarte bodywarmer met veel ritsen en zakken, rubber laarzen en een camouflagebroek. De man staart naar mij. Boven hem, op het overhel­lende beteerde dak van zijn opzichterswoning, zitten zwarte vogels. Raven.

`Ik wilde hier eens rondkijken’, zeg ik. `Zoiets zie je niet vaak, een sterrendorp dat zo goed als intact lijkt, maar waar niemand meer te bekennen is.’

`Ik woon hier’, zegt de man in gebroken Engels met een slavisch accent.

Ik knik. Als ik verderloop, hoor ik meerstemmig gegrom. Ik zie een vijftal grijze viervoeters op het terras die met de staart omlaag, met spitse oren en vooruitgestoken kop gestresst op en neer lopen.

`Kom gerust verder,’ zegt de man.

Ik blijf staan.

`Mensen hebben niets van ze te vrezen.’

`Dat zijn uw woorden.’

Ik tuur naar de dieren, verroer me niet.

`Wil je dat ik ze naar achteren breng?’

De man maakt sissende geluiden, bukt zich en grijpt een van de beesten bij de vacht. Hij verdwijnt ermee het chalet in, daarbij gevolgd door de andere dieren. Een minuut later keert hij terug. Alleen.

`Omgaan met wolven maakte in mijn land van herkomst deel uit van de militaire training’, zegt hij.

‘En welk land was dat?’

De man laat een bulderlach horen.

`Het land van tsaren en huzaren.’

`Aha. U bent een Rus. Is het daarom dat u zo afgezonderd leeft van de rest van de bevolking?’ vraag ik.

`Het zijn de mensen die zich afzonderen’, zegt de oude huzaar. `Niet ik.’

`O. En waar zouden de mensen, als ik vragen mag, zich dan van afzonderen?’

`Van de natuur, de aarde. Je weet wel, de schepping.’

`U bent een gelovig mens.’

`Dat klopt, maar het is geen kwestie van geloof hebben.’ De huzaar kijkt omhoog, naar de toppen van de rotsformaties. `Het is een kwestie van… het opvangen van signalen.’

`U spreekt alsof er een ramp op komst is,’ zeg ik.

`Het is maar hoe je het bekijkt. Rampen kunnen zegeningen zijn.’

`Wat verwacht u dan dat er gaat gebeuren?’

De huzaar zwijgt.

`Wat verwacht u?’, vraag ik nogmaals.

`Kom verder’, zegt de huzaar.

Ik volg de man behoedzaam. Hij laat me plaatsnemen aan een tafel in de keuken. Ik kijk of ik de wolven zie, maar van hen geen spoor. Wel ruik ik een zurige, fecalische lucht en zie ik in een van de hoeken witte, afgekloven botjes. Horvath schenkt rode wijn in limonadeglazen. Wijn uit een plastic jerrycan. Er klinkt gefladder. Een van de raven neemt plaats op het aanrecht. De vogel staart me aan, schuifelt een paar pasjes tot zijn poten zich vastklauwen aan de rand, en laat dan een droge kras horen.

`Aan dieren kun je het het eerst merken. Ze groeperen zich, verliezen hun schuwheid, ze zoeken contact. Het zijn de bergdieren die de langste adem hebben. Andere dieren maken minder kans. Maar veel dieren uit het dal komen vanzelf hiernaartoe.’

Ik schuif het glas op tafel heen en weer.

`Eerst zal er droogte zijn’, legt de huzaar uit, `en hitte. Alle sneeuw en ijs zal smelten, de zeeën zullen stijgen, het water dat verdampt zal gaan condenseren. Het wachten is dan op de grote vloed. Het kan nog enige jaren droog zijn, maar op gegeven moment zal hij komen. Tot die tijd zal ik hier blijven. De dieren beginnen me te vertrouwen. Ze weten dat ik voor ze bezig ben. Je hebt de sparren gezien die ik in de tuin aan het rooien ben.’

`U gelooft dat de geschiedenis zich zal herhalen?’, vraag ik. `U gelooft dat er een nieuwe zondvloed zal komen en u bouwt een ark, zoals Noach uit het bijbelverhaal?’

`Wat in de bijbel staat’, zegt de huzaar, `dat heeft nooit plaatsge­vonden. Het moet allemaal nog gebeuren. De nieuwe wereld zal ontstaan uit brokstukken van de oude. Zoals de aarde uit de zon, de maan uit de aarde. Daar kan ik niets aan veranderen.’

`En de Armeense gendarmerie, heeft die niets in de gaten? Vindt die het niet vreemd dat u hier zo alleen woont, in een verlaten vleugel van een oude sterrenwacht, met een roedel wolven en een stel roofvogels?’

`De wolven schrikken plunderaars af. Dat komt die Armeense gendarmerie die de boel eigenlijk hier zou moeten bewaken zeer gelegen.’

Ik drink mijn wijn op zonder te proeven van de smaak, en wil de huzaar duidelijk maken dat ik op ga stappen omdat ik nog naar mijn hotel in Jerevan moet zien terug te keren, waarnaartoe de laatste minibus aan het begin van de avond zal vertrekken. Een van de wolven steekt zijn kop om de deur van de keuken en komt binnenlopen. De man heeft nog niets in de gaten, want de wolf staat achter hem. Ik voel me hees worden. De wolf spert zijn bek open en maakt een gapende beweging met zijn kaak. Voorzichtig zet ik het glas op de tafel neer. De huzaar vraagt me grommend om nog even te wachten. Hij staat op en rommelt wat in een ladekast. Tevoorschijn komt een klein op hout geschilderd icoon van Maria met de beeltenis van haar kind, de Mensenzoon, in de gedaante van een ouwelijk – bijna buitenaards wezen. De huzaar stoft het af met de mouw van zijn hemd. Hij kust de beeltenis en overhandigt me die met de woorden: “hier, pak aan. Zij zullen u geluk brengen. En hun geluk zal u redden.”

Ik neem het icoonprentje aan en sta er een tijdje wat bedremmeld naar te kijken. Net op het moment dat ik fluisterend gewag wil maken van mijn vertrek, begeleidt de huzaar me naar buiten en zegt: `wees voorzichtig, vriend, want overal er zijn wezens die ons gadeslaan.’

* *¨*

© Serge van Duijnhoven

DE SERIAL CAT- AND DOG KILLERS VAN YEREVAN

Armenië bevond zich eeuwenlang in de voorste rangen van de menselijke cultuur en geschiedenis. Allereerst is er natuurlijk het apocriefe verhaal van Noach die met zijn ark des verbonds en dierentuin aan zoologische exempelen na de Zondvloed neerstreek op  de flanken van de hoge berg Ararat. Waaromheen al in oeroude tijden, lang voor de Grieken tot wasdom kwamen, er sprake was van een Armeens koninkrijk genaamd Urartu. Vervolgens was Armenië het eerste land op deze aardbol dat, in 301, het christendom als staatsgodsdienst omarmde.

Ook daarna stond Armenië nog lang symbool voor de avant-garde, en was het in de rest van de wereld du bon ton om zich met het gewijde land en zijn intricate coutumes in te laten. Er was een tijd dat Jean-Jacques Rousseau zich naar de Armeense mode kleedde, in turban en kaftan. Dat de Weense burgerij zich verlustigde aan Armeense koffie uit Erevaanse koffiefonteinen. En dat jonge avonturiers zoals Lord Byron het hip vonden om zich een tijdlang toe te leggen op beheersing van de exotisch aandoende en extreem moeilijk te beheersen Armeense taal en letterkunde; beide gebaseerd op een hardvochtig alfabet van 39 letters dat eerder van doen heeft met een unicodistisch spijkerschrift dan een moderne letterset.

Helaas, ook voor een land als Armenië, geldt de onder historici als onverbiddelijk ervaren Wet van de Remmende Voorsprong. Zij die vroeger de eersten waren, zullen later de laatsten zijn. Er treedt voor allen die ooit voorop liepen, op zeker moment vertraging op in de  beweging voorwaarts. Sleet op de raderen. Roest op de riemen. Vermoeidheid. Verstarring. En uiteindelijk achteruitgang.

In Armenië is die achteruitgang overal sociaal bespeurbaar, en zintuiglijk ook heel voelbaar. Je ziet het aan de kleur van de huizen, de gaten in en rond het asfalt, het afval met de miljoenen in de wind en tijd verwaaide plastic zakjes dat het ganse landschap omzwermt, je ruikt het aan de vuurtjes die worden gestookt om dat afval op te branden, de rot die intreedt in de gangen en het beton van de gebouwen.

Armenië is een land dat de prettig romantische staat van schemerend verval allang is gepasseerd. Het is een land in ontbinding. Maar iedere chemicus weet: al die ontbinding resulteert automatisch op een zeker moment weer in nieuwe verbindingen. Dus het is misschien iets om triest van te worden. Maar niet wanhopig. Er gloeit vast en zeker weer iets van nieuw en nobel leven op de bodem van deze eindeloos lijkende stortkoker, waarin het Kaukasische land momenteel nog steeds langzaam te pletter aan het vallen is.

Wat er momenteel echter vooral uit die stortkokers tevoorschijn komt, is te onsmakelijk voor woorden. Op de binnenplaats van het Sovjetcomplex waar mijn geliefde en ik resideren, vlak achter het centraal gelegen Sacharov Plein, stopt elke week een dieseltruck. Jongens en mannen beginnen dan de inhoud van de vuilkokers op straat te kieperen. Vervolgens scheppen ze het vuil dat zich in walmende bergen ophoopt voor de trappen van de flats, weer over in de laadbak van de aftandse vrachtwagen. Middels krachtige schepbewegingen, die bij een normaal mens de ellebogen uit de kom zouden doen springen. Het vuilnis dat overvloedig van de scheppen druipt en dwaalt, dwarrelt weg over de binnenplaats. Of blijft achter in de talrijke hoeken en gaten van het flatcomplex, op de binnenplaats waarvan er een speelplaats is voor de jeugd. En op het midden waarvan zich een smalle allee bevindt, vol neringkjes alwaar noodzakelijkheden voor de eerste levensbehoeften worden verkocht zoals fruit, brood, kaas en Coca dan wel Pepsi Cola. Bij iedere vuilnisopruiming, blijft er meer vuilnis dan voorheen achter op het pleintje. Het is, om het zo maar te zeggen, dweilen met een poepsmerige dweil en de kraan met het rioolwater wijd open.

Toch is Yerevan tevens een van de mooiste, lieflijkste en heerlijkste steden die ik in mijn leven totnogtoe heb mogen bezoeken. Er zijn tal van parken met vijvers, fonteintjes waar je bronwater uit kunt drinken, er bevindt zich een myriade aan terrasjes in de stad waar je 24 uur op alle dagen van de week bediend kunt worden voor een eenvoudige doch voedzame maaltijd en een verfrissend Kilikia bier. De vrouwen in de stad bewegen zich, zonder uitzondering, voort over straat in volle elegantie en splendeur. Zorgvuldig opgemaakt, in jurk of minirok en met panty, op hakken die even hoog als dun zijn. Het fijnst is Yerevan te beleven bij valavond. Als de zon valt over de Ararat en de Araks-vlakte, en je het warme licht in koperachtige kleuren langzaam achter de heuvels weg ziet trekken. En er een rumoerige schaduw overblijft waarin parmantig paraderende stadsbewoners, toeterende taxi’s, kwetterende kinderen en flirtende jongeren bezit nemen van de parken en de straten.

Het nachtleven in Yerevan is een non-stop aangelegenheid, voor wie de juiste uitspanningen onder de grond en plattegrond van de stad heeft weten te vinden. Het klimaat is hier continentaal, met barre eindeloos lijkende winters en snikhete zomers. De bewoners van Armenie hebben daarom zeer goed gebruik leren maken van de koelte en beschutting die de vele ondergrondse ruimten in het rotsachtige land te bieden hebben.

Een van die ondergrondse geheime oasen, is de nachtbar Calumet. Gelegen aan het einde van Pushkin-street.  Een uitspanning die het midden houdt tussen een rovershol, een Kuifje-in-China-achtige opiumkit, een concertzaaltje en een berghut in de Himalaya. Met zitzakken en houten Ganesh-tafeltjes op de vloer. Wandtapijten en cosmopolitische memorabilia aan de muren. Waterpijpen en vlaggen van het oude Cilicië in de hoeken. Een drankorgel achter de toonder, waar zelfs de gérant uit de IJsberg-bar in het Plaza-Athenée te Parijs zijn hoge hoed voor zou afnemen. Met dit verschil dat de oneindige varieteit aan dranken in Calumet, te verkrijgen is voor een appel en een ei. Op donderdagen vinden er live-concerten plaats op het geimproviseerde podium onder de klauwende Cilicische Leeuw. Ik heb er concerten meegemaakt van Room 118, Dogma en een op een fakir gelijkende sitarspeler die het publiek in een collectieve trance wist te krijgen met zijn chromatische elegieën.

Vanavond heb ik de eer om met mijn band Dichters Dansen Niet het podium van Calumet te mogen beklimmen. Fred dB en ik zullen er – samen met de fakir-achtige sitarspeler – een geimproviseerd concert gaan spelen dat op ethno-ritmische wijze een variatie poogt te geven op ons meest dansbare DDN-repertoire. Het bescheiden entreegeld dat bij de deur in de kelder zal worden geheven, zal geheel ten goede komen aan het stichten van een dierenasiel voor alle zwerfhonden en katten in Yerevan die momenteel nog met steun van de burgemeester door speciale doodseskaders uit het straatbeeld worden verwijderd. De eskaderleden krijgen betaald per honden- of kattenstaart. Alle nachten klinkt dan ook, in deze wonderlijke stad, het gehuil van honden en gejammer van katten, vermengd met het gefluit van kogels uit de buksen van serially killing animal cops… Een ware symphonie macabre.

Serge van Duijnhoven, Yerevan, 26 april 2012

“Vreet m’n kop op!”

We gaan op bezoek bij filmregisseur David Matevossian, in een wat hoger gelegen maar nog altijd stofffige wijk van de Armeense hoofdstad Yerevan die niet ver van het genocide museum is gelegen. Het stenen huis is ruim, maar onaf op tal van plekken. Zoals de meeste huizen hier. Gebouwd wordt er wanneer er eindelijk weer wat geld binnenkomt van vrienden uit de diaspora. En dat is, helaas, zelden. Echtgenote Tina en haar moeder zijn in de keuken druk bezig met gebak, taart en fruitschalen.

Regisseur David Matevossian bij een creatie van Arlette van Laar voor YWBC2012

Er sluipt een Armeense kat door het huis, Pitchy. Een witte langharige poes, met nobele lichtgele vlagen die haar golvende vacht doorkruisen. Het specifieke van dit soort Armeense katten, is dat ze niet bang zijn voor water. Hun oorsprong zijn de meren van Van en Sevan en de beken daartussen, waarin ze gedurende de evolutie geleerd hebben om vis te vangen. Waardoor hun afkeer van water werd overwonnen. Door het huis loopt ook een Armeense bergherder die Bob heet. Een lieflijk kalf van een beest, dat de gewoonte heeft omhoog te springen als een basketbalspeler die punten wil scoren. David vertelt smakelijk over hun bejaarde West-Armeense buurvrouw, die bijgelovig is, en angst heeft voor Bob die kan huilen als een wolf. Ze past een toverformule toe, die ze nog van haar grootmoeder heeft geleerd, een dametje dat de genocide van 1915 heeft overleefd. Pas als ze roept: “Vreet m’n kop op! Vreet m’n kop op!’’, dan worden de vraatzuchtige krachten van de herdershond bezworen. En stopt Bob met zijn door merg en been gaande wolvengehuil.

SvD in Yerevan, april 2012. Foto van Arlette van Laar

Na een aantal succevolle animatiefilms, probeert David Matevossian al jaren om zijn speelfilm Alpine Violett gedraaid te krijgen. Het scenario voor dit project, dat hijzelf schreef, won verschillende internationale stimuleringsprijzen. Dit zorgde voor wat startkapitaal, dat onverhoeds geconfisceerd is door het Ministerie van Cultuur met de belofte dat het in later stadium gebruikt zou worden voor het maken van de film.

Aan tafel vertelt David Matevossian ons een indrukwekkend en triest verhaal over de toestand van zijn land. Een van de grootste problemen, aldus David, die veranderingen ten goede in de weg staat, is het feit dat Armenië  er maar niet in slaagt zich van zijn clan-mentaliteit te ontdoen. “De dorpsgeest van de oude stempel is er niet uit te krijgen. Er bestaat in Armenië geen werkzaam systeem dat ons land laat functioneren zoals het behoeft.”

Probleem is verder dat vrijwel alle getalenteerde Armenië rs in het buitenland een heenkomen hebben gezocht “Wat in Armenië  aan residu achterblijft, is zelden veel soeps. De minister van cultuur, Hasmik Poghosyan, zei onlangs in een vlaag van woede: ‘Er komt een moment dat we ons moeten afvragen of er in dit land nog wel genoeg mentaal gezonde mensen over zijn om van een cultuur te kunnen spreken.  Ik ben minister van een steeds fictiever wordend departement.’”

Veel van de clanhoofden en hun achterban – de zogenaamde oligarchen – hebben in 1991 en de jaren daarna volop van het momentum geprofiteerd om zaken te doen. Vastgoedproleten allerhande hebben Yerevan volgeplant met de meest wanstaltige bouwsels van abominabele kwaliteit en afzichtelijke esthetiek. De oorspronkelijke bewoners zijn massaal op straat gesodemieterd, zonder een fatsoenlijke compensatieregeling. Alles van waarde is doorverkocht aan de Russen. Het hele land is in tien jaar tijd in de uitverkoop gedaan. Feitelijk zijn Armeniërs nauwelijks nog de eigenaren van hun eigen natie.

Na die eerste kapitalisatiegolf van de jaren negentig, kwam de stagnering. Het snelle geld was verdiend, de boel liep vast. Armenië  is nu straatarm, de bewoners leven grotendeels van de giften van familieleden die in het buitenland verblijven. “We zijn bedelaars geworden”, zegt David, “het is te gênant voor woorden.”

De zus van David, Soghir Matevossian, is hoofdredactrice van “De Vierde Macht” (Chorrord Ishkhanutyan, in het Armeens). Een van de weinige, zo niet het enige, dagblad van Armenië  dat ongezouden kritiek durft te geven op het beleid van de regering en de clans van de machthebbers. Het blad wordt gehaat door de huidige potentaten, en geregeld wordt Davids zus gearresteerd, voor het gerecht gesleept en geintimideerd. Bij de demonstraties van maart 2008, toen er acht demonstranten werden doodgeschoten, werd ze – hier zijn videobeelden van – op uiterst hardhandige wijze door een zwaargewapende cohorte militaire politiemannen, aan haar haren uit het kantoor van haar krant gesleurd, en in een arrestantenwagen gesmeten. Er zijn al aanslagen op Soghir gepleegd. En ook op David. In 2007 hebben lieden van de geheime dienst  de remkabels van zijn auto doorgeknipt. David is er met kleerscheuren vanaf gekomen, nadat hij zijn op hol geslagen Opel tegen een stellage op een berghelling tot stilstand had weten te brengen.

Na het dessert maken we een wandeling door de stad, met Bob de Armeense herdershond strak aan een lijn. We doorkruisen het park rond de Katchaturian-opera, waar een gigantisch podium staat opgesteld ter gelegenheid van de openingsceremonie voor Yerevan Wereldboekenhoofdstad 2012. Andrea Bocelli is er bezig met een soundcheck. Terwijl de blinde tenor “Nessun dorma” inzet uit de opera Turandot, begint Bob luid te blaffen. Uit het publiek stapt een oud, verrimpeld besje naar voren – dat slist: “Vreet m’n kop op! Vreet m’n kop op!” En zowaar, Bob houdt z’n trouwe lobbesachtige herderskop. De tenor zingt onverstoord verder.

Serge van Duijnhoven, 21 april 2012

Yerevan, Armenië

Lees verder op https://sergevanduijnhoven.wordpress.com/2012/04/13/het-kerkhof-van-het-alfabet/

Serge van Duijnhoven (Oss, 1970) is schrijver, dichter, historicus en tevens frontman van de band Dichters Dansen Niet. In Yerevan is hij writer-in-residence en werkt hij voor deBuren aan een citybook.

 

 

 

Het kerkhof van het alfabet

Serge van Duijnhoven bevindt zich momenteel met zijn vriendin Arlette van Laar in Yerevan, de hoofdstad van Armenie, alwaar hij gastschrijver is in het kader van Yerevan Wereldboekenhoofdstad 2012. Voor deBuren schrijft hij er aan een citybook. Met zijn band DICHTERS DANSEN NIET zal hij er op 24 april een concert geven in het plaatselijke Genocidemuseum.

De stoffige stad Yerevan zindert in de nu al warme voorjaarszon. Op de achtergrond van de licht hellende vlakte, waarop de stad van 1,1 miljoen inwoners zijn krotten, krochten, flats en avenues heeft uitgespreid, glimmen de toppen van de Kleine en Grote Ararat. De ene bijna vier, de andere ruim vijf kilomter hoog, en bedekt met ijs en sneeuw die het licht in een fijnmazige waas weerkaatsen. De Ararat is het hart en de ziel van de Armeense natie. Maar dan wel een hart dat op brute wijze uit het lichaam is verwijderd. Door de Turken, die de grens met Armenië hermetisch hebben afgesloten sedert de Eerste Wereldoorlog. Het is een even zoete als bittere bron van emotie voor alle Armeniërs: de berg die hun ziel en zaligheid vertegenwoordigt, is alleen vanuit de verte te bewonderen. Daarginder strekt de oude en volgens sommigen nog steeds actieve vulkaan zijn hellingen en rotsflanken beschermend uit over de natie die zich sedert lengte van dagen rond haar beddingen en dalen heeft gegroepeerd. Maar die haar nimmer lijkt te mogen naderen noch beklimmen.

foto van de kleine en grote Ararat door Filip van Zandycke

In 2001 wees schrijver Kamiel Vanhole me op het boeiende verhaal van Willem van Rubroek, franciscaner monnik uit Vlaanderen, die van 1253 – 1255 naar het Verre Oosten trok, met de bedoeling  Karakoroem – de hoofdstad van het Mongoolse rijk – te bereiken. In de hoofdstad van het heidense Mongoolse Rijk wilde Willem twee gevangengenomen (christelijke) Saxische zakenlieden vrij zien te krijgen, en er zo mogelijk een missiepost  stichten. Rubroek effende, achttien jaar voor Marco Polo, de weg voor latere predikers in China. Zijn reisweg liep via Cyprus naar Constantinopel,  over het Krimschiereiland richting Batoe, en zo steeds verder oostwaarts.

Van Rubroek was een taaie, want niet alleen slaagde hij er daadwerkelijk in het onmogelijk verre Karakoroum te bereiken, maar er ook nog van terug te keren. En er in geuren en kleuren over te vertellen in een verslag dat hij aan zijn beschermheer, de Franse koning Lodewijk IX, aanbood. Tijdens zijn terugtocht naar Vlaanderen,  verbleef de monnik-diplomaat in december 1254 in de stad ‘Naxus’, Nadjivan of Nachischervan, in het huidige Armenië.

In hoofdstuk XXXVIII, getiteld ‘De reis van Hircania naar Tripoli’, schreef Rubroek: ‘In de nabijheid van die stad liggen twee bergen, de ene wat hoger dan de andere. Daar heeft, naar ze zeggen, de ark van Noach op gerust. Aan hun voet vloeit de Araxes. En daar ligt een dorp dat Cemanium heet, dat betekent ‘acht’. Er wordt verteld dat die naam voortkomt van de acht personen die uit de ark gekomen zijn en die het dorp gebouwd hebben op de hoogste berg. Veel mensen hebben geprobeerd om de top te bereiken, maar dat is nog niemand gelukt. De bisschop vertelde me dat een monnik dat erg graag gewild had. Maar een engel was hem verschenen, had hem een stuk hout van de ark gegeven en gezegd dat hij niet langer hoefde te piekeren. Dat hout, beweerden ze, wordt nu nog in hun kerk bewaard. De berg lijkt me niet zo hoog dat de beklimming ervan onmogelijk zou zijn. Een oude man gaf mij een goede reden waarom niemand moest proberen om die berg te beklimmen. Deze berg heet ‘Massis’ en in hun taal is dat het woord voor het vrouwelijk geslacht. ‘Op de Massis,’ zei hij, ‘moet je niet klimmen, want die is de moeder van de wereld.’’ En een moeder, die beklim je niet…

Yerevan is dit jaar door de UNESCO uitverkoren om Wereldboekenhoofdstad te mogen zijn. De festiviteiten zullen eind april van start gaan en tot in 2013 duren.  Een van de redenen om Yerevan in 2012 deze eretitel toe te kennen, is het feit dat Armeniërs dit jaar het feit vieren, dat het eerste boek in de Armeense taal (een bijbel) precies 400 jaar geleden in druk verscheen. Bij een van de vele vrije drukkers in Amsterdam. Het Armeense alfabet, en de Armeens-apostolische kerk,  dateren al van lang daarvoor. Armenië was het eerste land in de wereld, waar het christendom, anno dominis 301, tot staatsgodsdienst verheven werd.

Ontzag voor boeken zit er bij Armeniërs van nature ingebakken. De bijbel en andere religieuze werken functioneren voor Armeniërs zoals iconen voor de Byzantijnse kerken:  als heilige en uiterst schaarse voorwerpen die volop verering verdienen. Vandaar ook dat de heilige boeken altijd zo rijkelijk werden en worden ‘verluchtigd’, voorzien van kleurrijke, beweeglijke, levendige miniaturen die taferelen uit de Heilige Schrift uitbeelden. Bij de krijg namen Armeniërs steevast het evangelie mee als talisman, en indien een nederlaag dreigde werden de boeken begraven om te voorkomen dat ze in vijandelijke handen zouden vallen.

In het centrum van Yerevan bevinden zich in het majestueuze Mesrop Mashtots’ Matenadaran Instituut meer dan 15.000 kostsbare manuscripten die de onbarmhartige geschiedenis van het Armeense volk hebben weten te overleven . Een wonder als je bedenkt hoe vaak de Armeniërs onder de voet zijn gelopen, verdreven of ronduit uitgemoord. De oude kopiisten herinneren hun lezers in de colofons expliciet aan het respect waarmee de boeken gelezen en behandeld dienen te worden. Een kopiist smeekt ‘Bij de Liefde van God, houd dit weg van kaarsen en olie en pak het alleen beet met een witte doek. Alstublieft.’ De schat aan rijkgeillustreerde boeken, vormt in zekere zin – naast de berg Ararat als algemeen symbool – het gematerialiseerde hart van de Armeense cultuur, geschreven in het alfabet dat een van hen, op verzoek van de kerkelijke autoriteiten, in 405 ontwierp.

Dat Armeense alfabet, met 36 letters, is net zo curieus en weerbarstig als de kerken en het landschap waarvan het de taal tracht te verbeelden. Spijkerschrift dat verticaal lijkt neergebeiteld, van boven naar beneden. Scherp en beheerst, maar ook grillig en mysterieus. Glad en scherp, helder en toch volstrekt onbegrijpelijk als hiëroglieven gehouwen uit steen. Je breekt er je hoofd over. Je snijdt er je ogen en gehemelte aan open. Maar als je het hoort spreken is het verrassend zacht, alsof de scherpe randjes er in de loop der tijd zijn afgevijld door de menselijke tong in ons gehemelte. Als keien die zijn rondgeslepen in een rivier.

Het kroonjuweel van het Matanadaran Instituut vormt de Msho Charentir – de verzamelde toespraken van Mush – een boek van 27 kilogram, 600 pagina’s dik, 75cm bij 55cm in omvang. Voor iedere pagina is een kalf geslacht.  Pal voor het Instituut staat het Mesrop Mashtots monument, met de eerste zin die uit het Armeens bekend is: ‘Wijsheid kennen en over goede raad beschikken is het realizeren van het woord van een genie.’ Aan dat genie in kwestie, Mesrop Mashtot, alsmede aan zijn alfabet, zijn een graftombe, kerk en kerhof gewijd in de buurt van Yerevan.  In het plaatsje Oshakan, aan de noordwestflank van de berg Ararat.

Ik bezoek de heilige plek in gezelschap van de Armeense filmregisseur David Matevossian, zoon van de in de ganse Sovjetunie gevenereerde auteur Hrant Matevossian. Gezeten in zijn witte Japanse wagen, met het stuur nog altijd rechts (wat me op de bijzit wild doet uitwijken op kritieke momenten als we trage voorliggers willen inhalen), omschrijft David de stichter van het Armeense alfabet als een soort Steve Jobs uit de vijfde eeuw na  Christus. Een man die hele generaties met elkaar heeft leren communiceren. En dat al meer dan zestien eeuwen lang… Het is afwachten of de Apple Macintosh even lang zijn diensten zal weten te bewijzen als Mashtot’s mysterieuze alfabet uit het jaar 405.

David Matevossian met dochter Shaghik

Bij het heiligdom zie ik lange slierten jeugdig grut de kerk van het alfabet binnen trekken, en even gedisciplineerd het heiligdom weer uitmarcheren. Handje in handje, sommigen ook met balonnen en bloemen die bij de graftombe van de Heilige zullen worden neergevleid.  Gekleed in hun allernetste zondagse kledij. De meisjes in stijve jurkjes van kant, de jongetjes met stropdasjes over hun witte overhemdjes afgedekt met vestjes van fluweel. Net zoals toen ik mijn eerste communie deed, in de eucharistiekerk tegenover de Pius X school in Oss, Noord-Brabant, anno 1978. Het jonge grut dat in stoeten door de kerk van het alfabet trekt, legt stil en respectueus witte anjers neer op de graftombe van Mashtot die sedert het gereedkomen van de kerk, enkele jaren na diens dood, is bijgezet in de onderaadse cripte van de kerk.

Hun eerste, prille kennis van het ongrijpbare alfabet doen de koters op in de tuin die aan de kerk grenst. Daar is een Alice-in-Wonderland-achtig leger van in steen gehouwen letters opgesteld. Iedere leerling wordt erop uitgestuurd “zijn eigen letter”, d.w.z. de eerste letter van zijn of haar naam, te zoeken en te vinden. De stenen soldaten die in hun massieve uniformen het stille leger van Koning Alfabet moeten verbeelden, staan stram in de houding. Ze geven geen krimp als de kinderen ze gillend van opwinding en enthousiasme komen omarmen, bekloppen, bespringen, beklimmen en soms ook beschoppen. De jeugdigen proesten het uit. Didactisch is dit kerkhof een vondst van jewelste. Het is leuk, en het leert ze respect opbrengen voor iets waar de jeugd elders nog maar weinig aandacht voor op kan brengen, nu computerconsoles al voor peuters en kleuters in het verwende Westen beschikbaar zijn om het kroost mee koest te houden.

Het leger van stramme letters dat in de tuin staat opgesteld, heeft ook wel iets weg van een gothisch kerkhof met zesendertig stenen zerken. Kruisstenen met krullen en slingers, als slangen die zich telkens anders om een boomstronk krullen. Bijbels, oud-testamentisch, dat is het  allemaal zeker.  Vier stenen tafels met telkens negen letters zijn geinstalleerd boven de ingang van het heiligdom, op de plaats waar in katholieke kerken zich vaak het rozetraam bevindt. Ook hier in deze kerk van het alfabet, sijpelt er zonlicht van buiten door de lettertafelen heen naar binnen. De schaduw speelt een intricaat en lenig spel met de letters, net als de slang dat buiten op het kerkhof doet met de stronken van steen die het alfabet moeten verbeelden. Mijn geliefde en ik staren gefascineerd naar de heilige beschermfiguur bovenop  de letter A, die niet zo heet in het Armeens. Het betreft een U met rechtsonder een gekruld varkensstaartje. De heilige figuur met baard, heeft zijn rechterhand geheven in een gewijd gebaar, waarbij zijn duim op oogvormige wijze naar zijn handpalm terugbuigt. Drie vingers blijven waarschuwend ten hemel geheven. De verklaring van regisseur David Matevossian is dat het een zegenend gebaar betreft. Blessing, universal trinity (drie vingers), de aarde als symbolisch middelpunt van het heelal. In zijn linker hand houdt de figuur een wereldbol omhoog. Een symbool voor de gehele kosmos. Links van de figuur zijn Cherubijnen afgebeeld, gehouwen in de steen. Rechts een stel Serafijnen.

Serge van Duijnhoven met Swantje Lichtenstein bij de letter S in het Armeense Kerkhof van het Alfabet. Foto genomen door Arlette van Laar.

Het alfabet is een mirakel. En mirakels worden vereerd in een heiligdom. Vandaar dat het voor Armeniërs volstrekt logisch is dat de kerk waar de stichter van hun alfabet begraven ligt, bedevaartsoord is geworden voor al wie zich wil komen vergapen aan de bedenker van het schrift dat hun heilige kerkvader met Gods zegen tot stand heeft gebracht. En waar ze zelf nog iedere dag de vruchten van plukken. “Due to this miracle, we were able to survive through the centuries”, zo verwoordde de Katholicos – de Armeense paus – het eerder in het heiligdom Echmiadzin.

Bij het verlaten van het heiligdom dat in 433 – drie jaar na Mesrops dood – gereed is gekomen, kijkt de berg Ararat streng en machtig op ons neer. Ter rechter zijde van de poort met het hek vol spijlers, hebben zich allerlei kleine winkeltjes – de meeste op wielen – opgesteld. Houten kraampjes, karretjes, tafels met een regenscherm eroverheen. De waar die verkocht wordt, is grotendeels religieus van aard. Goedkope prullaria van plastic, rozenkransen, de verlosser in plastic aan een kruis van fluorescerend hout. Kralen, maansteen, obsidiaan, onyx, bidprentjes, piepkleine ikoontjes die in een fabriek  in China in elkaar lijken gestoken en machinaal beschilderd. Om schrijver Adriaan van Dis te citeren: “bij al het zoete, word je aan het bittere herinnerd”.

Op de terugweg naar Yerevan, passeren we de contouren van de mythische berg Ara, waar ooit het lijk van een oeroude gelijknamige Armeense vorst naartoe werd gesleept. In de hoop dat de hellehonden het lijk van de overleden koning weer schoon konden likken, van zijn wonden doen genezen, en aldus terug zouden kunnen laten keren uit het dodenrijk. Vergeefs. De overleden vorst kwam niet weer tot leven. De Assyrische vorstin Semiramis, die met haar leger de Armeense vorst gewapenderhand aan zich had willen onderwerpen, was ontroostbaar.

Zicht vanuit de kraterkloof van de Berg Arar, door Trygve Utstumo

De berg Ara, is nog altijd een vervloekte berg, zo vertelt ons David Matevossian. Er woelen daarboven mystieke wervelwinden. Zeven jaar geleden is er een schooljuf van de berg af geblazen, terwijl ze met de kinderen uit haar klas een bergwandeling aan het maken was. De juf is van een rots, hups, zo de diepte in gezogen door de onberekenbare kracht van een valwind. De kloof waarin ze tuimelde was zo grillig en diep en zat zo vol verraderlijke spleten, dat het David en zijn reddingsteam vijf dagen gekost heeft voor ze het lijk hebben kunnen vinden. Het lichaam was terecht gekomen tussen twee rotsspleten. Uiteindelijk heeft een helicopterpiloot het lijk uit de kloof opgetakeld. De juf was een bekende van David, ze was de lerares van zijn oudste dochter Sotchi. Die nu in Sofia, Bulgarije, internationale politiek studeert en zich volop inzet voor de democratisering van haar geboorteland. En de parlementaire verkiezingen, die plaats zullen vinden op zes mei aanstaande. Net als naar Yerevan World Book Capital 2012, wordt er naar die verkiezingen in de hoofdstad met veel spanning en onrust uitgekeken.  In vele opzichten verkeert Armenië in een staat van nerveuze avant-propos. Waarover later meer, in mijn volgend verslag vanuit Yerevan…

Serge van Duijnhoven (Oss, 1970) is schrijver, dichter, historicus en tevens frontman van de band Dichters Dansen Niet. In 2011 verschenen van hem: Bitterzoet (Nieuw Amsterdam), Wat ik zie kan ik niet zijn (Pels & Kemper), alsmede een biografie van Phil Bloom. Serge van Duijnhoven bevindt zich momenteel met zijn vriendin Arlette van Laar in Yerevan, de hoofdstad van Armenie, alwaar hij gastschrijver is in het kader van Yerevan Wereldboekenhoofdstad 2012. Voor deBuren schrijft hij er aan een citybook. Met zijn band DICHTERS DANSEN NIET zal hij er op 24 april een concert geven in het plaatselijke Genocidemuseum.

  • Kalender

    • oktober 2018
      M D W D V Z Z
      « Jun    
      1234567
      891011121314
      15161718192021
      22232425262728
      293031  
  • Zoeken