ZEMFIRA (Земфира) – VERTOLKSTER VAN DE RUSSISCHE ZIEL

Zemfira is de naam van een in 1998 opgerichte Russische rockband, vernoemd naar de voornaam van bandleidster en leadzangeres Zemfira Talgatovna Ramazanova (Russisch: Земфира Талгатовна Рамазанова). Zemfira kan zowel slaan op de groep als geheel of op de persoon. Zemfira Ramazanova werd op 26 Augustus 1976 geboren in Oefa, hoofdstad van de republiek Basjkir. Al vanaf haar vierde kwam ze met muziek in aanraking. Op haar negentiende verhuisde ze naar Moskou, met inmiddels een heel repertoire aan zelf gecomponeerde en in haar eentje uitgevoerde liederen in haar koffer. De andere bandleden waren twaalf jaar lang Rinat Achmadijev, Sergej Sozinov, Sergej Miroljoebov en Vadim Solovjov. Onlangs heeft de zangeres, in een bui van onberekenbare koppigheid, die haar vaak wordt aangewreven, de samenstelling van haar band volledig vernieuwd. Door de ene wordt haar koppigheid gezien als een vorm van sterallure. Voor anderen is het een teken van haar labiele en bipolaire maar ook geniale en onafhankelijke karakter. Zemfira werd meteen vanaf de oprichting immens populair, en is dat gebleven. Russen waar ook ter wereld, hebben deze dwarse zangeres, die in niets beantwoordt aan het stereotype van de schaarsgeklede seksbommen die de Russische MTV domineren, als hun totem omarmd. Tijdens demonstraties voor meer democratie, wordt Zemfira’s muziek luid gespeeld. De frêle zangeres is de stem geworden van een generatie Russen, die individualiteit belangrijker vindt dan het opgelegde collectivistische nationalisme van de clan Poetin.

Zemfira live in Petrol Antwerpen, 29.11 2011. Foto van Ernest Potters

Zemfira live in Petrol Antwerpen, 29.11 2011. Foto van Ernest Potters

“Ik verscheen in je leven, en jij draaide door.”  Met die zin begon twaalf jaar geleden de carrière van Zemfira. Het was 1999. Zemfira was 23 jaar. Een meisje uit de Oeral, geboren in 1976 in de provinciestad Oefa. Een Tataarse dus. Met verfomfaaid, jongensachtig uiterlijk. Piekachtig en haveloos ravenhaar. Wantrouwige, ietwat trieste ogen. Brede jukbeenderen. Een krijgster in de liefde. Strijdster voor democratie. Lesbienne ook. Maar bovenal: een atypische edoch evenzeer volmaakte vertolkster van het ultiem diffuse maar onomstotelijk bestaande verschijnsel van de “Russische ziel”. Die stem! Die melancholieke, strijdbare en tegelijkertijd uiterst breekbare stem, waarin een universum aan leed en baldadigheid ligt verscholen. Heel Rusland heeft haar – homofoob of niet – in de armen gesloten als een slavische Jeanne d’Arc. Een gevallen engel. Rokend, drugsverslaafd, oprecht, even aandoenlijk als levensgevaarlijk.

Geen journalisten, geen fotografen, dat is haar oekaze voor ieder met de strengste coutumes omgeven optreden. Dat betekent dat wij, fotograaf Ernest Potters en ik, onder valse voorwendselen ons toegang moesten verschaffen tot dit enige concert dat Zemfira ooit in de Lage Landen heeft gegeven. In Petrol, een even stemmige als smoezelige nachtclub aan de rafelrand van de stad Antwerpen. Niet toevallig een der grootste havensteden in Europa, waar zich sinds de jaren negentig een bont gemelangeerde Russische gemeenschap aan arbeiders en zakenlieden heeft samengeklonterd.

Zemfira in Petrol. Foto stiekem genomen door Ernest Potters

Aan de Herbouvillekaai, waar de vrachtschepen aanmeren aan de flanken van het parkeerterrein, werd Zemfira door haar Russische expat-publiek op handen gedragen. Bij bijna elk nummer wordt er luidop meegezongen. Oorpspronkelijk was het concert bedoeld als een promotietour rondom de nieuw te verschijnen cd “12” waar de groep al twee jaar lang aan schijnt te werken. Vorig jaar werd de verschijning van de cd een jaar uitgesteld. Nu het een jaar later is, maakte Zemfira bekend dat deze nog altijd niet verschenen cd haar allerlaatste gaat worden. Niet dat ze het maken van muziek beu is. Wel gaf ze aan “niet langer te willen zwichten voor de druk van platenbonzen, en de willekeur van mastodontiche producers”. De zangeres heeft besloten haar muziek voortaan zelf uit te brengen. Via internet, of enkel live. Tijdens relatief intieme concerten zoals in Antwerpen (1500 man), waar in kleine oplagen cd’s en DVD’s worden verkocht. De arbeid van haar top-producenten, die 24 maanden aan haar boreling hebben gesleuteld, heeft ze monter de prullenbak in geworpen.

“Twaalf” is dan ook een onafhankelijkheidsverklaring geworden. Het is of ze een last van zich heeft afgeworpen. De slang is uit haar oude huid gekropen. De 35 jarige zangeres, hoe mager en gecraqueleerd ook, heeft haar bandleden resoluut vervangen. Haar management ontslagen. Haar nieuwe harnas aangetrokken. En tegelijkertijd de hand gereikt naar haar alsmaar groeiende publiek. Dat heeft ze expliciet uitgenodigd om samen met haar muziek te produceren, via remixes van originele tracks die ze gratis ter beschikking stelt van de massa. Iedereen kan zijn eigen versie van haar nummers plaatsen op de website die ze daarvoor in het leven heeft geroepen.

Zo openhartig als Zemfira op het podium zingt over haar zielenroerselen, zo apèrt hult ze zich daarbuiten in stilzwijgen. Ze verkiest de volmaakte “silence and cunning” van de afzondering, boven het circus van de openbaarheid. Aan haar populariteit heeft dat niets afgedaan. Integendeel. Zemfira’s enigma heeft haar alleen maar onaanraakbaarder, ongenaakbaarder en serener gemaakt. Precies zoals die maagd uit Orléans, waar ze veel meer nog dan Mila Jovović uit de film van Luc Besson, de perfecte typecasting voor zou zijn geweest.

Natuurlijk is er ook de nodige bravoure in het spel. De épquipe van Club Petrol heeft het nooit eerder meegemaakt: niemand van de technici die bij de soundcheck aanwezig mocht zijn. En tijdens het concert een ploeg aan schorriemorrie, artistieke KGB-agenten met spierballen en vierkante schouders, die iedereen met een camera of GSM die foto’s maakt, het ziekenhuis in dreigen te slaan. Concertorganisator Alexander Solovov vat het sportief op. In het autoritaire Rusland, waar Zemfira populairder is dan Madonna in het Westen, en stadionconcerten de norm zijn, is zo’n ordemacht noodzakelijk om zaken in de hand te kunnen houden. Of het ook niet getuigt van een wat onvolwassen houding ten opzichte van de vergaarde roem? “Natuurlijk heeft het ook te maken met compensatiedrang”, aldus Alexander. “Ten diepste is Zemfira, hoe populair ook, een uiterst onzekere vrouw.”

Zemfira door Ernest Potters

Zemfira door Ernest Potters

Het publiek, ook in Club Petrol, lijkt daar allerminst om te malen. Er wordt twintig minuten lang geklapt om een toegift, die uiteindelijk dan toch komt met het prachtige nummer ‘Khochesh’ (Хочешь?) “Wil je dat we onder zeil gaan op volle zee? Wil je mijn nieuwste muziek horen, mijn lief? Wil je dat ik je buren om het leven breng, die je uit je slaap houden?” Met haar smekende, geloken Tataarse ogen die de bewerkelijking schijnen van de hoofdpersone uit Nabokov’s roman Masjenka, zingt ze haar publiek toe: “Vergeef me mijn liefde… Ik maak je kapot omdat ik van je houd.” Het publiek huivert en zingt met haar mee. Eenvoudige woorden, die ontregelende zinnen vormen. “Jij hebt Aids, maar we zullen zingend sterven!” Duizenden landgenoten die het luidkeels meezingen. Tot zoiets is alleen de Russische  ziel in staat.

Gezien: Zemfira. Concert in Club  Petro/AS-Art, Antwerpen

Dinsdagavond 29 november, 20u – 22u30

*

Zie zeker ook deze wat schokkerige opnamen van het nummer “Binnen in mij” ; het elegisch gezongen zelfportret van de zangeres, dat sinds 2009 circuleert op Youtube:

Vo Mne (Во Мне)

Сон
Странный сон
Я вижу отражение себя

Столько лет
Во мне
Все слова

Во мне
Тишина

Снова дождь
Стучит свои признания луне

Этот дождь
Наверное не знает обо мне

Во мне
Корабли
Во мне
Города
Во мне
Вся любовь
Во мне
Все что есть.

*

Inside of me

Sleep, strange sleep

I’m watching my reflection

For the many years

Inside of me formed craters

filled with muddy rain; drops

that tapped their declarations

of love from high above

against the surface of my crane

howls of wolves crying to the moon

Inside of me

tall ships have sailed

Inside of me

large towns were built

Inside of me

green gardens grew

But now, while longings last

and pain outlasts my love

Inside of me

the house is empty

Inside of me

lives nobody

*

(translation based on the original score: SvD 2011)

Advertenties

Ah-Pook Was Here – interview met kunstenaar DADARA

door Serge R. van Duijnhoven

Fool’s Ark of Dadara on Fire

Daniël Rozenberg, in binnen- en buitenland beter bekend als de ikonografische kunstenaar Dadara, opent met een forse ruk de deur van zijn “duikboot” in een volkse straat in Amsterdam. De duikboot is Daniël’s benaming voor het langwerpige atelier dat wel vijftig meter doorloopt op de begane grond van het pand in de Pijp. En waar je meteen op een prettige wijze gedesoriënteerd raakt. Het atelier heeft vanwege zijn tunnelachtige structuur zowel iets van een gerenoveerde kelder als van een loft op de bovenste verdieping van een oude fabriek. Wat boven is, kan ook onder zijn. Wat nieuw is, oud. En andersom. Precieze coördinaten zijn moeilijk te bepalen op het moment dat je je in Dadaland bevindt. Er schijnt zonlicht op vloer en zijwanden en boven onze hoofden pakken donderwolken zich samen. Het plafond is voorzien van dubbeldikke raamkozijnen. De werkruimte is op een geraffineerde wijze van de buitenwereld geisoleerd. Geen straatgeluid of buurtrumoer dat tot hier weet door te dringen. Nieuwe schilderwerken van anderhalf bij anderhalf meter staan achterin de ruimte rechtop opgesteld. De vele strekkende meters daarvoor worden ingenomen door een prettige chaos van objecten, speelgoed, memorabilia en een muziekinstallatie die samen met een grote werktafel het platform vormt vanwaar de kunstenaar (herkenbaar aan zijn verstrooide uiterlijk en verfomfaaide kledij, de warrige haartooi van rosse krullen, het ferme brilmontuur met de dikke glazen waarachter een paar droeve hondenogen. Einstein meets Austin Powers, Picabia meets professor Zonnebloem, Buddha meets Bohemia) op zijn dagdagelijks artistieke reizen vertrekt. Op expeditie naar de bronnen die verscholen liggen op de bodem van het beekdal tussen droom en nachtmerrie, mare en verlangen, angst en utopie…

Buiten waait een gure storm. De lucht is dreigend en geregeld stortregent het. Daniel heeft zich de dag voor het interview beschikbaar gesteld als levend masker voor een bevriende graffiti-kunstenaar uit Texas die met zijn familie op bezoek is in Amsterdam. Het masker als artistieke uitingsvorm is voor Dadara bekend terrein. Voor zijn project 404 File not Found – een titel die verwijst naar de melding op computerschermen wanneer een bepaalde website niet gevonden kan worden – uit 2006, maakte de kunstenaar een uitgebreide collectie aan maskers waarvoor hij ideeën opdeed in het Senegalese dorpje Jenne. Dadara: “Ik schilder maskers zoals anderen mensen portretteren. Op zichzelf bezit een masker geen persoonlijkheid. Dat persoonlijke breng ik er zelf in aan door toevoeging van diverse lagen, kleuren en details.”

File not Found verwees naar de boodschap die op het scherm van computers verschijnt, wanneer een webstek niet gevonden kan worden door de server op internet. 404 is niet toevallig ook het huisnummer van Dadara’s atelier nabij de Amstel. Gedurende het gesprek dat we op deze onheilspellende, broeierige maandagmiddag in het ruim van zijn duikboot voeren vormt het verhaal over de wijze waarop hij aan zijn atelier is gekomen, een rode draad die aangeeft dat Daniel Rozenberg niet alleen in parallelle universa van zijn totem-achtige werk contact lijkt te kunnen maken met de domeinen van surrealisme, magie en verbeelding.

The Art of Turning Art into Money

1.Art in the painters’ studio 2.Art in your living room 3. Money in your hands

…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..

During today’s financial crisis, art has been frequently cited as an advantageous alternative asset class. But do the millions of dollars that might buy you a Hirst, a Koons, or a Picasso speak about the social and artistic value? The potential for change?

Whatever your opinion, we are committed to serving Art: The Art of turning Art into Money.

…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..

……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
“Een jaar of vijf geleden liep ik hier op een keer midden in de nacht over straat. Ik woonde niet veel verderop in de Pijp, en gezien het feit dat ik nogal veel ruimte nodig heb om mijn werk te kunnen fabriceren was ik al een tijdje druk op zoek naar ruimere behuizing. Iets wat een gotspe is in Amsterdam, zodat ik me er eigenlijk al op had voorbereid naar Antwerpen of Berlijn te gaan verkassen. Op gegeven moment komt er vanuit het donker een onbekend heerschap op me af die me aanschiet met de vraag: `Zou jij niet over een groter huis willen beschikken?’ Deze oudere man bleek de toendertijd 74-jarige dichter en materie-kunstenaar Emmanuel Lorsch. Een joodse Amsterdammer die als enige van zijn familie de Tweede Wereldoorlog had overleefd en wiens leven en werk eigenlijk nooit meer van die katastrofe konden worden losgekoppeld. In een achttal pikdonkere kamers die achter de voordeur van nummer 404 waren gelegen, bleek Lorsch een collectionneurs-depot te hebben aangelegd voor de vreemdste verzamelingen. Lorsch nodigde me uit om binnen te komen, wat geen sinecure was omdat geen van de kamers die via een lange gang uitkwamen op dezelfde voordeur, van gas en licht waren voorzien. Met behulp van een zaklamp ontdekte ik dat de voltallige ruimte van bodem tot plafond en muur tot muur gebruikt werd als depositoir voor de vreemdste verzamelingen. Bij het flakkeren van een vlam uit mijn aansteker baande ik me een weg door manshoog opgestapelde dozen vol kapotte schoenzolen die op maat waren gesorteerd, lege kokers voor Pringles en chips die op kleur waren gesorteerd, jute postzakken, vermolmde boeken, doorgezaagde jerrycans, visgereedschap, bezems, emmers. Sommige kamers stonden vol met ready mades van stoelen en tafels waar bijvoorbeeld een strijkbout aan vast zat gemonteerd. Alle objecten waren voorzien van labels, naamplaatjes en krantenknipsels. De hele inboedel lag op zo’n onhandige wijze bijeengeschraapt, dat er tussen die honderden kubieke meters aan spullen nauwelijks plek was om te manoeuvreren. Ik stond versteld. Niet alleen van de eindeloze hoeveelheid snuisterijen, curiosa en prullaria die hutje mutje lagen opgetast. Maar ook van de lucide houding en de haast waarmee de bejaarde kunstenaar meteen terzake wilde komen en me voorstelde om per direct de rentmeester te worden van zowel zijn roerende als onroerende artistieke erfenis. Blijkbaar liep Lorsch al een tijd lang met het plan rond om zijn hele toko over te doen aan een jonger kunstenaar van joodse origine. In mij hoopte hij iemand te vinden die op zijn eigen manier een voortzetting zou weten te geven aan het particuliere universum vol alledaagse materie uit het naoorlogse Amsterdam dat Lorsch gedurende zes decennia achter de voordeur van nummer 404 bijeen had gesprokkeld, opgestapeld en uitgesorteerd. Het huis met inboedel was Lorsch’ persoonlijke
monument voor de straten van een stad waaruit het jodendom op rigoureuze wijze was gedecimeerd. Iets van die intentie hoopte Lorsch te kunnen behouden door met mij een overeenkomst te sluiten. Ik besloot zijn aanbod te aanvaarden, regelde een notaris en zorgde ervoor dat Lorsch met een som geld kon vertrekken naar een plek waar hij in rust zijn laatste dagen zou kunnen slijten zonder zich verder nog te hoeven bekommeren om het materiele residu aan memorabilia en curiosa uit het Amsterdam van na de oorlog.

Dreamyourtopia Captains of Guard

Ik herinner me nog heel goed hoe Emmanuel Lorsch ook weer midden in de nacht bij me aanbelde enkele uren voor de overdracht bij de notaris plaats zou vinden. De oude man kon de slaap niet vatten en smeekte me alvast een papiertje te ondertekenen met daarop de belofte dat ik hem ‘s anderendaags daadwerkelijk van de hele mikmak zou verlossen. Eens de overdracht officieel was geschied, zette ik me aan het werk om de boel zo grondig mogelijk te renoveren. Ik installeerde gas en licht, brak muren uit en begon met het uitmesten van de Aegis-stal die Lorsch alhier had nagelaten. Pas na vele maanden ploeteren waarin talloze containers en aanhangwagens met puin en troep waren volgeladen en naar de vuilstort gereden, brak het stadium aan van wat een bevriende makelaar zo mooi omschreef als ‘casco-min’.
De buurman van hiernaast die geregeld gek was geworden van het aanhoudende gedril en gedrein van boormachines, beitels en hamers, vertelde me bij de housewarming party dat zijn ergernis toch nog werd overtroffen door zijn verbazing dat ik er blijkbaar in geslaagd was om de sinds mensenheugnis aan zijn woonst op 404 vastgekoekte kunstenaar Emmanuel Lorsch uit zijn sombere mausoleum te laten vertrekken. Wat deze hele geschiedenis me vooral leerde is dat er niet alleen in de woestijn van Nevada of aan de kust van Senegal magische ontdekkingen zijn te verrichten. Ook om de hoek ligt het avontuur op de loer. Mits je je ervoor openstelt.”

De kunstenaar toont me een fascinerend langgerekt boekje dat vol staat met tekeningen van totempalen die hij is gaan maken nadat hij in 1999 Kham Ai Dedjoungtae tegen het lijf was gelopen in zijn beeldhouwersparadijsje dat ligt weggedoken diep in het noorden van Thailand in de buurt van Chang Mai. Hij inviteerde de kunstenaar om samen met hem een houten totempaal te construeren in Amsterdam die op zijn tekeningen zou zijn gebaseerd. Uiteindelijk zijn paal en tekeningen als een grote verzameling tentoongesteld in de Reflex Art Gallery in Amterdam gedurende de expositie In Search of Better Planets.

Pregnant

Tijdens het vervolg van ons gesprek merk ik op dat in hoegenaamd al zijn werk – vanaf zijn periode eind jaren tachtig als cartoonist voor het Italiaanse blad Linus tot aan zijn recente project Dreamyourtopia dat in november 2009 in Berlijn werd afgesloten met een ceremoniele vernieling van zijn installatie in Stattbad Wedding – niet alleen het artistieke avontuur maar ook de vernietiging op pregnante wijze om de hoek loert. Immer klaar om toe te slaan. Ik confronteer hem met een citaat uit Play to Live een boek met lezingen van de Engelse filosoof Alan Watts (1919 – 1973): “It is perfectly obvious that the whole world is going to hell. The only possible chance that it might not is that we do not attempt to prevent it from doing so.”

Dadara knikt bedachtzaam.

“Het is waar dat er een sterk gevoel van urgentie van mijn werk uitgaat. Het besef dat alles van waarde daadwerkelijk weerloos is zoals Lucebert stelde. Ongetwijfeld zullen de wortels voor mijn occupatie met krachten van vernieling en gevaar die de status quo dreigen te verpletteren, gevonden kunnen worden in de periode van No Future en New Wave waarin ik als tiener opgroeide. Ik was toen nog heel pril maar allicht zal er iets van die sfeer van existentiele doom and gloom in mijn onderbewuste zijn blijven plakken. Time is ticking, en vooral sinds elf september heb ik sterk het gevoel gekregen dat we niets zomaar voor lief kunnen nemen. We balanceren als mensheid voortdurend op de rand van een afgrond waar we weldegelijk in kunnen kukelen. Dit dwingt tot meer nadenken, écht wat neerzetten en niet je dromen uitstellen tot overmorgen….”

Je bent in bepaalde Europese subculturen lange tijd gekend geweest als een soort creatief ikoon van de Rave generatie. Als een koning van de flyers en de platenhoezen.

“Dat is natuurlijk heel fijn, en ik ben ook wel dankbaar dat ik over bepaalde artistieke gaven beschik. Maar tegelijkertijd besef ik dat dit niet eens een eigen verdienste is maar het gevolg van een bepaalde conditie. Ik heb in feite geen keus en ben gewoon kunstenaar geworden zoals Philippe Petit, de hoofdpersoon in de documentaire Man on Wire, wel koorddanser móest worden die alles in zijn leven in het werk stelde om op een dag zijn meesterstuk te kunnen volvoeren. Een koorddans tussen de beide torens van het WTC in New York. De meeste mensen verklaarden hem krankzinnig. Maar voor Petit was het zo logisch als wat. Die torens stonden er, dus moest hij er wel mee aan de slag. Vraag aan een bergbeklimmer waarom hij perse die Mount Everest wil beklimmen, en hij zal zeggen: omdat die berg er nu eenmaal is. That’s all.”

Na een traject van vallen en opstaan – en een indrukwekkende mars langs talloze vrije bekende en minder bekende academies en hogescholen op het gebied van kunst en design in Nederland en Belgie – wist Dadara (een naam die hij al sinds zijn zestiende gebruikt) zich internationaal in the picture te werken als vaste cartoonist voor het toonaangevende Italiaanse stripmagazine Linus. Nog maar een jaar voordat zijn carriere razensnel een hoge vlucht begon te nemen, hadden zijn docenten op de Akademie voor Industriële Vormgeving in Eindhoven hun pupil dringend afgeraden om af te zien van een loopbaan als tekenaar en hem een begeleid traject tot boekhouder aangeboden. “Alles ging plotseling heel snel. Er kwamen zoveel elementen samen die me een push in de rug hebben gegeven. Ik heb volop gebruik kunnen maken van de enorme vitale energie die vrijkwam toen de eerste golven van de house en techno over de subculturen van het continent heen rolden. Maar ik heb op mijn manier ook die hele Beleef-Het-Nu! Beweging van wat Geert Mak “de periode van de grote feesten” heeft genoemd, van stuwkracht helpen voorzien. Het was een geweldige tijd van zowel individuele als collectief beleefde nieuwsgierig- en saamhorigheidsgevoelens die een bijna onstuitbare kinetische kracht wisten op te wekken. Hoewel ik erg dankbaar ben dat ik middenin de draaikolk en magie van het moment het ontstaan van een nieuwe muziek en jeugdcultuur mee heb mogen maken heb ik later soms ook wel – als ik eerlijk ben – een zeker gevoel van gemis ervaren over het gebrek aan diepgang van die hedonistische stromingen. Eigenlijk vond ik het jammer – stiekem dan – dat ik tien jaar te laat ben geboren voor de punk. En twintig jaar te laat voor de revolutie van de hippies in de jaren zestig. Toch heb ik er altijd voor gezorgd dat mijn werk is doorspekt met verwijzingen naar de grote boze buitenwereld die ook in de jaren negentig en daarna te maken had met oorlogen, honger, vervuiling, armoede en de uitwassen van het kapitalisme. Al deze gruwelen zijn in mijn werk uit die tijd in ruime mate terug te vinden. De humor die eveneens in mijn werk aanwezig is, heb ik altijd toch wel van een scherp randje willen voorzien waar je je als kijker lelijk aan kunt snijden. Van mijn werk word je misschien wel vrolijk, maar nooit alleen maar vrolijk.”

Heel wat van je projecten uit het verleden eindigden in een rituele vernietiging of ceremoniële verbranding van de werken,  zoals in het geval van de Fools Ark, de Burning Grey Man, de roze legertank van Love Peace Terror uit 2007 en recentelijk nog het Dreamyourtopia project uit 2009 dat met hamers en bijtels aan stukken kon worden geslagen in een verlaten zwembad in stadsdeel Wedding gedurende de festiviteiten rond 20 jaar val van de Berlijnse Muur. Is het verbranden of vernietigen van een project noodzakelijk om ruimte te kunnen maken in je geest voor nieuwe ideeën en projecten?

“Destructie en creatie grijpen inderdaad op intrigerende wijze in elkaar. Het feit dat je zo lang werkt aan iets en er zoveel bloed, zweet en tranen en geld in stopt om het uiteindelijk misschien een half uur te laten branden, is heel spannend en ook heel zwaar. Ik wist niet hoe ik op het moment suprême zou reageren. De seconde dat mijn Ark in de fik ging in 2002 in de woestijn van Nevada werkte dat als een klick in mijn bewustzijn. De nieuwsgierigheid hoe dat zou voelen was de reden het te doen. De brand zorgde echter niet voor de misschien verwachte en gevreesde harde klap of een zwart gat in mijn creatieve bewustzijn. Hoewel ik daar onbewust misschien wel naar op zoek was. Maar niets van dat alles dus. Geen zwart gat, slechts een grote lach die zich rond mijn lippen krulde toen de eerste vlammen uit het kunstwerk schoten. Een lach die heel lang niet meer weggegaan is. Zoiets heftigs en groots en bijzonders van mezelf vernietigen leidde tot een bevrijdend “Fuck You” gevoel, maar dan niet geworteld in het pessimisme van de No Future, maar in een optimisme van “alles is mogelijk”. Dat heeft er natuurlijk ook mee te maken dat ik die rituele verbrandingen en afbraak van mijn werken niet zie als een vernietiging tout court. Maar eerder als een aangezien het een inherent onderdeel was van die specifieke projecten zoals de Fools Ark. Zonder vernietiging zouden die werken niet compleet zijn geweest. Echte vernietiging zou bijvoorbeeld zijn als ik na twee flessen Absinth een mes zou pakken en in een vlaag  van verstandsverbijstering niet mijn oor zou afsnijden maar al die nieuwe doeken waar ik het afgelopen anderhalve jaar met zoveel liefde aan heb gewerkt zou kapotsnijden.

“De eerste keer dat ik getuige was van het Burning Man festival in de woestijn van Nevada, kwam ik vol ideeen inspiratie en gelouterd terug in Amsterdam. Ik was nauwelijks een dag terug of ik werd door een vriend opgebeld die me sommeerde de televisie aan te zetten. Ik zag nog net live op CNN hoe het tweede vliegtuig zich in de nog niet brandende Twin Tower boorde in New York. Het voelde of met die terroristische aanslagen van Al Quaeda op 11 september 2001 niet alleen die twee torens instortten maar ook mijn utopische gevoel van gelukzaligheid dat ik de weken en maanden daarvoor zo intens had gevoed op brute wijze werd verpulverd.  Een week lang heb ik volledig van de kaart op de grond gezeten en tv gekeken om te trachten tot me door te laten dringen wat er in hemelsnaam gebeurd was gedurende die paar uren in de ochtend van de elfde september. Na een week ben ik opgestaan en heb mijn TV deur uit gedaan. Een beslissing waarop ik nooit ben teruggekomen en waar ik nooit spijt van heb gehad. Integendeel. Waarom? TV staat uiteindelijk toch vooral voor Tijd Verlies, nietwaar? Het is de drug of the nation. The digital nanny. Het is het hypnotisch oog voor gans de Tired All The Time generatie.”

Heeft het feit dat je in Polen geboren bent (1969 in Lodz) als zoon van joodse ouders en wetenschappers – je werk en levensvisie beinvloed?

“Wat denk ik toch ergens zijn sporen heeft nagelaten, is het feit dat ik als paar maanden oude baby met mijn ouders in 1969 uit Polen naar Nederland gekomen ben, tijdens de grote uittocht die destijds plaatsvond gedurende een nieuwe golf van antisemitisme. Aan de ene kant heb ik zeker geluk door gehad, aan de andere kant heeft die geschiedenis ons gezin natuurlijk ook getekend. Wat je in ieder geval kunt zeggen is dat ik van huis uit een scherp ontwikkeld wantrouwen heb meegekregen jegens totalitaire regimes, alsmede een vrijheidsdrang die tegelijkertijd in een algemener soort van overlevingsdrang is ingebed. Het neerhalen van die muren uit mijn Dreamyourtopia project in Berlijn, in november 2009, was in dat opzicht heel symbolisch. Het vond niet alleen twintig jaar na de val van de echte muur plaats, maar ook precies veertig jaar nadat mijn ouders met mij als baby het IJzeren Gordijn waren overgestoken om een nieuw leven te beginnen in het Vrije Westen.”

tank op dak

Voel je je op je plek in Amsterdam als

a  – egopoliet

b     – duopoliet

c       – kosmopoliet?

“Alle drie – Ik voel me zeker een egopoliet die leeft in mijn eigen, grotendeels zelf gecreeerde wereld met een onderbewuste dat zich ook nog eens aan vier tot vijf dromen per nacht overgeeft. Ik vergelijk het altijd met een soort grote bubbel of cocon waarin ik me fysiek schijn te verplaatsen. Een cocon die zich fysiek gezien zowel in mijn atelier als in mjin hoofd kan bevinden. Tijdens mijn recente jaar in Dallas, Texas, waar ik als artist in residence verbleef, bevond de bubbel zich aan de andere kant van de oceaan. Die bubbel waarin ik mij bevind is wel altijd zeer nauw verbonden met de echte wereld. Dit zou je het duopolitische ascpect van mijn karakter kunnen noemen. Het feit dat ik die figuurlijke bubbel altijd met me meedraag betekent ook dat ik me altijd overal snel thuis kan voelen en zodoende is het kosmopolitische een logisch uitvloeisel daarvan. Natuurlijk voel ik me op sommige plekken meer op mijn gemak. Misschien ben ik eerder quattropoliet dan duopoliet. Amsterdam, Berlijn, Dallas, de woestijn in Nevada: dat zijn de plekken naar mijn hart. Amsterdam zit het diepst in mijn systeem verweven. Helaas is het door een gebrek aan letterlijke en figuurlijke ruimte hier steeds moeilijker om in vrijheid te kunnen werken. Een jaar vechten met ambtenaren voor een vergunning om een roze tank op te blazen en binnen een half uur horen dat je hem weg moet halen als je hem net op een dak hebt neergezet werkt stukken minder inspirerend dan een oud leeg zwembad aangeboden krijgen voor een project zoals me in Berlijn gebeurde. Waar niemand van de gemeente me een strobreed in de weg legde.”

Je nieuwste projecten die je zopas bent begonnen hebben met geld, banken en kunst te maken. Je ontwierp een zwembad vol met bankbiljetten, en daaraan gekoppeld een Exchanghibition Bank. Zijn deze projecten tot stand gekomen vanwege de crisis in de bankwereld en het belabberde subsidieklimaat sinds het nieuwe kabinet in Nederland zijn bezuinigingsplannen bekend heeft gemaakt?


 

De ideëen voor de Pool of Plenty en de Exchanghibition Bank zijn ontstaan heel kort na de vernietiging van Dreamyourtopia in Berlijn. Een paar dagen daarna zat ik alweer in het vliegtuig richting Texas, waar ik mijn bomvogel-sculptuur moest installeren op een dak voor de opening van een groepstentoonstelling in Dallas waar ook Atlier van Lieshout en Angel Cabrales aan deelnamen Daarna had ik voor het eerst een paar dagen vrij en rust in mijn hoofd, en kreeg ik het idee voor een zwembad vol geld dat bewaakt zou worden door veiligheidspersoneel zodat je dat geld (speciaal ontworpen kunstbiljetten met de uitstraling van gewoon geld)  niet mee zou kunnen nemen naar het zwembad maar wel kon kopen bij de bank. De spreekwoordelijke flits van inspiratie die kwam in een seconde. Daarna was het een  jaar lang keihard werken om dit idee te concretiseren in de vorm van een zwembad vol met kunstzinnige bankbiljetten waar mensen – als waren ze Dagobert Duck – letterlijk een duik in kunnen nemen als ze dat durven.

Heeft de bankencrisis je ook persoonlijk geraakt?

Het project is niet alleen ontketend door de bankencrisis maar heeft ook te maken met een ontwikkeling die al langer aan de gang is, waarbij alles in onze cultuur een financiele waarde moet krijgen. Kunst vind ik daarbij een metafoor voor juist datgene wat andere waarden uitdraagt dan het tastbare en financiele. Pas als spirituele, artistieke en sociale waarden een financieel etiket hebben gekregen, zijn ze inpasbaar in onze maatschappij. Ja, en door de bankencrisis zijn banken natuurlijk een symbool geworden voor het feit dat een maatschappij die alleen bezig is met hebzucht en geldelijk gewin, niet echt meer een solide basis heeft.

In het voorwoord van de catalogus bij de tentoonstelling 404 File Not Found uit 2006 schreef je: “Ik kan de tijd niet inplannen.” Misschien kun je vertellen wat je hiermee bedoelde.

“Tijd is een heel moeilijk begrip, volgens de alsmaar doortikkende wijzers van ons systeem met uren, minuten en seconden. Het begrip tijd kan een mens behoeden voor zijn neiging al tezeer te verdwalen. Tegelijkertijd kan het je als kunstenaar daardoor ook belemmeren om interessante zijpaden te bewandelen. Zo zijn mijn nieuwe schilderijen op te vatten als een gecompliceerde zoektocht naar die onverwachte zijwegen. Natuurlijk kom ik al schilderend soms vast te zitten in mijn werk. Maar dat punt verdwalen is voor mij juist ook een vertrekpunt. Vandaar moet ik proberen nieuwe oplossingen te vinden. Aangezien het geen concrete oplossingen zijn, weet je niet wanneer of hoe zo’n oplossing zich aandient. Soms beschouw ik een schilderij na weken schilderen als een hopeloos geval, zet het een maand omgekeerd neer, kijk er vervolgens weer weken intensief naar en dan in een keer zie ik wel de juiste weg. Heb ik dan in al die tijd niks doen, toch wat gedaan? Ook een deadline kan verlammend werken omdat het je kan dwingen al te rechtlijnig te werk te gaan. De drang om op zoek te gaan naar die interessante zijpaden krijgt zo geen kans. Wat ik nu maak zou nooit op die manier ontstaan kunnen zijn.”

Terror in Paradise

Valt het je moeilijker om te scheppen nu je ook vader bent van een zoon die je op geregelde tijden naar school moet brengen en afhalen en waarvoor je hoe dan ook in allerlei opzichten moet zorgen?

“Kinderen leven eigenlijk alleen maar in het Hier en het Nu. Voor een kind bestaat er geen straks en geen ergens. Mijn zoontje Mundo van vier kwam laatst met een heel frappante wijsheid aanzetten. Hij maakt een periode door waarin hij helemaal idolaat is van Michael Jackson. Op een keer kwam hij naar me toe en verkondigde dat Michael Jackson nooit volwassen wilde worden en dat hij dat heel goed begreep want als volwassene mag je niet meer spelen zoals kinderen. En ook ik wil blijven spelen papa – zei Mundo.”

Dadara vertelt me hoe hij na zijn Dreamyourtopia project in Berlijn besloot om de wereld van de conceptuele en ikonografische kunst en met tekstslogans doorspekte visuele locatietheater even vaarwel te zeggen. Om zich te herbronnen en herbezinnen vanuit de vorm en het onderbewuste. Hij is bezig aan een serie schilderijen die aan het einde van dit jaar voor het eerst tentoongesteld zal worden in Amsterdam en die als voorlopige titel “Last train to the inevitable beyond” heeft meegekregen. Vijfien werken zullen er uiteindelijk worden geselecteerd. De werken verschillen radicaal van Dadara’s vorige werk. Het picturale en ikonografische heeft plaatsgemaakt voor abstractere geometrische structeren in felle kleuren die zich in kronkelende dimensies in en om elkaar heen lijken te krullen. Toch is ook in deze werken, waarvan de inkt nog maar pas aan het opdrogen is, de hand van de meester nog altijd duidelijk zichtbaar. De weg naar het hierna ligt bezaaid met waarschuwingen. “Do not cross! Reality Line!” valt op een doek te lezen.

De intentie van deze laatste serie schilderijen op linnen is zowel privaat als publiek van aard. Als het goed is vallen beide samen. Dadara gebruikt de serie als meditatieve ankerpunten om terug te kunnen keren naar de bodem van zijn artistieke drijfveren. De kunstenaar laat zich leiden door impulsen die hij niet bedacht of voorzien heeft maar die zich quasi spontaan in hem openbaren. Sporen die hij volgt en details die hij uitwerkt tot hij in een staat van dérèglement de tous les sens kan komen en hij verdwaalt in de figuren dimensies vormen en kleuren – verdwalen is het doel zelf van deze serie schilderen. Het vereist een open geest en gewilligheid tot overgave van zowel de kunstenaar als de toeschouwer. Vanuit die staat van verdwalen of dérive kan dan hopelijk een deur gevonden worden naar aan uitgang. Een sleutel die past op het slot waarop de kijker stuit als hij zich verliest in het labyrinth dat het linnen doorkruist. Voor wie nieuwsgierig genoeg is – zal er altijd mogelijkheid zijn om via de kieren in de compositie en perspectivisch figuren een blik te werpen op een ruimte die achter die van ons verscholen ligt. A peeping eye towards the beyond.

Het doel van deze serie is het verdwalen en dan verder gaan. “Of misschien wel niet” zegt de kunstenaar met een mysterieuze grijns. “Misschien besluit je als kijker wel om daar te blijven waar je oog en brein je kunnen brengen.”

Utopia Small

Betreft deze nieuwe kunst een geval van wat William Burroughs noemde: chance operation?  De controle uit handen geven aan het toeval?

“Het toeval speelt hier eigenlijk geen rol in. Het is vooral een kwestie van intuïtie en fingerspitzengefühl welke weg je inslaat of voor welke oplossing je kiest. Van belang is het vertrouwen dat het allemaal wel goed komt. Wees niet bang, durf te ontdekken. Hoe kun je in je onderzeeboot afdalen naar onbekende diepten en worstelen om nieuwe werelden te bereiken als je weet dat de klok blijft doortikken en je over 23 minuten en 57 seconden bij wijze van spreken terug moet zijn op de plaats van afspraak. Uiteindelijk, zoals in dat ene schilderij van mij, is er in de werkelijkheid natuurlijk sprake van een “reality-line-do-not-cross” lint. De vraag is of je dan voor dat lint blijft staan, of er stiekem onderdoor kruipt. Dat die vrijheid om onder het lint door te duiken wordt beperkt, mag  geen beletsel zijn om er dan maar vanaf te zien.”

Daniël vertelt hoe hij ter voorbereiding van zijn Dreamyourtopia project opnieuw George Orwells 1984 ter hand genomen heeft. “Een geweldig boek”, bekent hij. “Zo profetisch. De hele cultuur van cameratoezicht computers en infobesitas wordt daar al in voorspeld. Ongelooflijk. En het wonderlijke is dat het boek alleen maar aan profetische kracht schijnt te winnen. Het boek wordt met het jaar genialer.”

Het nieuwe meesterwerk van Haruki Murakami IQ84 (een moderne Japanse variatie op of afgeleide van Orwells 1984), heeft hij nog niet gelezen. Hij is er wel erg nieuwsgierig naar want de boeken van Murakami zijn hem dierbaar. Vooral Kafka on the Beach.

Tijdens de rondleiding die Daniël me geeft  – mijn gloednieuwe digitale opame-apparaat Swis-sonic MDR-2 draagt hij mee in zijn hand; de microfoon is op de boord van zijn T-shirt vastgegespt – langs de reeds geconcipieerde doeken van Last Train To The Inevitable Beyond horen we plots een koele klik. We kijken naar het apparaatje met de knopjes en het LCD-scherm waarop we al meer dan twee uur lang nauwgezet controleren of de opnamen nog naar behoren doorlopen. Of het rode lampje van Record nog brandt. Of het aantal minuten en seconden op het schermpje nog steeds doorloopt. Ik krijg bijna een infarct als ik zie dat de SD Memory Card van SanDisk van 2 Gigabite plots naar buiten floept en in Daniels handpalm belandt. Daniel blijft volstrekt kalm en vertrekt geen spier. Hij zegt dat hij al merkte dat er zojuist iets veranderde aan het kastje. Ik hoop maar dat wat we tot nu toe hebben opgenomen is vastgelegd. Haal de microfoon van zijn boord en pak het apparaatje terug in in zijn gloednieuwe doos…

Ik laat, voor ik vertrek, een bundeling opstellen achter op de grote werktafel die grotendeels verslagen bevatten van kijkervaringen die ik tijdens het recente filmfestival van Cannes heb opgedaan. Magie, levenslust, hedonisme, vernietigingsdrang, utopisme vormen de rode draad doorheen deze opstellen. Al deze onderwerpen zijn gedurende dit bijna drie uur durende gesprek in de duikboot van Dadara op persoonlijke wijze ter sprake gekomen. Daniel’s oog valt op een fragment uit Dead City Radio van William Burroughs dat gaat over Ah Pook the Destroyer. De beeltenis van deze God der Destructie die is teruggevonden uit de schatten der Azteken – en die hieronder is te zien – lijkt bijna letterlijk weggelopen uit een van Dadara’s donkerdere exposities.

Daniel kijkt er gefascineerd naar.

Ah-Pook The Destroyer; Aztek mural painting ca. 1450

“De Azteekse God van de Destructie was dat? Mmmm….” Hij oppert: “Misschien is het bij ons ook eens tijd voor een Departement of Ministerie van Destructie. Niet in de zin van bommen en oorlog maar als manier om opnieuw op te bouwen en te creeeren op de figuurlijke puinhopen van voorgaande vastgeroeste meningen, ideeen, beelden en gewezen idealen. Kill Your Darlings en Search And Destroy samengevat in een totemdepartement van Vuur en nieuw Licht. Of klink ik nou te hippie-achtig?”

Mundo komt het atelier binnengelopen met aan zijn hand een schoolvriendje. Ze rollebollen wat in de ruimte en op gegeven moment laat Mundo zich in een box inpakken om door zijn vader rondgedragen te worden als pakketje in de ruimte. Het vriendje van Mundo bestiert het van het lachen en ook Mundo laat zijn instemmend gegrom horen vanuit de dichtgeritste box.

Ik bedank Daniel voor het gesprek – zeg dag tegen Mundo en diens vriendje en de moeder die genoeglijk toeziet op het spelen der kinderen.

Als Daniel de deur voor me opentrekt blijkt het buiten pikkedonker ook al is het pas kwart over zes ‘s avonds. Er is sprake van een wolkbreuk en het water gutst in verticale stralen uit de hemel en stuitert een eind terug van de tegels en het wegdek eenmaal deze zondvloed aan druppels de aarde heeft bereikt.

Met mijn parapluie doorkruis ik deze vloed en arriveer twintig minuten later tot op de draad doorweekt bij mijn vriendin in Amsterdam Oost– waar ik meteen check of het interview nog op de Memorystick van het Swissonic apparaat is terug te vinden. Ik was de opnamen begonnen op track 34 en 35, en heb voortdurend het rode lampje in de gaten gehouden. Maar – horror oh horror – op die tracks is geen sikkepitje terug te vinden van het gesprek dat Dadara en mezelf de afgelopen middag bezig heeft gehouden. Zelfs de eerder teruggespeelde testopname aan het begin van het interview blijkt nergens meer terug te vinden.

Met besmuikt gemoed bel ik Daniel om hem op de hoogte te stellen. Ik hoor zijn ademhaling aan de andere kant van mijn mobiele telefoon. Beken hem met besmuikt gemoed:

“dag Daniel. Ah Pook was here!…”

A new reality is only a Dream away”

dadara@xs4all.nl

 

 

Over de interviewer:

Serge R. van Duijnhoven (1970) is schrijver, dichter en historicus. Woonachtig te Brussel, geboren in Oss (Noord-Brabant, NL). Oprichter van tijdboek MillenniuM en de Stichting Kunstgroep Lage Landen. Verbleef in Sarajevo voor De Morgen en de Volkskrant. Debuteerde in 1993 met de dichtbundel Het paleis van de slaap (Prometheus). Frontman van het muziekgezelschap Dichters dansen niet. Recente publicaties: De zomer die nog komen moest (Nieuw Amsterdam), Klipdrift (Nieuw Amsterdam),{Balkan}Wij noemen het rozen (Podium), Fotografen in tijden van oorlog (Ludion), Obiit in orbit; aan het andere einde van de nacht (De Bezige Bij), Bloedtest (De Bezige Bij) en Ossensia Brabantse gezangen (Jan Cunen). Serge van Duijnhoven is freelance medewerker van Vrij Nederland, http://www.cobra.be en het International Feature Agency. Sinds 2008 brengt hij als “Onze Man In Cannes” verslag uit van de hedendaagse filmwereld voor uiteenlopende nieuwe en periodieke media in Nederland, Vlaanderen, Amerika  en Azië.

Websites:

http://cinemaredux.wordpress.com

DADARA PROJECT WEBSITES

Dadara’s nieuwste projecten zijn de Pool of Plenty (het zwembad vol met geld), en de daaraan gekoppelde Exchanghibition Bank:

http://artasmoney.com – blog als informatie- en discussieplatform over geld en kunst

http://blog.artasmoney.com – dit is van een blog over het project Pool of Plenty tot iets heel anders uitgegroeid

met een hoop stukjes over kunst en geld en o.a. bijdragen van Def P, King Adz maar ook

van economen en curatoren (bv. Ladybee, de art curator van Burning Man).

http://exchanghibitionbank.com/

Facebook pagina: http://www.facebook.com/ArtAsMoney

Fundraising pagina, (Dadara): “want deze bank heeft geld nodig, en de vraag is natuurlijk of de overheid dit kunstproject en/of deze bank overeind gaat houden…”
http://www.indiegogo.com/Exchanghibition-Bank

www.dreamyourtopia.com : website about Checkpoint Dreamyourtopia – a border control checkpoint to enter your own dreams, which could be experienced in Nevada during Burning Man, Texas, the Lowlands festival in the Netherlands and eventually was destroyed in Berlin.

www.lovepeaceterror.com : website about Love, Peace and Terror – a project of Aesthetic Visual Terrorism. A big pink tank with four barrels, built on a rooftop in the center of Amsterdam and blown to pieces with explosives.

www.dadara.nl/foolsark :  the Fools Ark, a wooden threemaster, built at the Over het IJ festival, then mainstage at Mysteryland, then shipped to the States and burnt in the Nevada desert.

www.dadara.nl/unknown : Embark on an interactive art adventure, based on Dadara’s Unknown Territories exhibition at Reflex.

http://www.dadara.nl/greenpeace/ : Dadara campaign for Greenpeace long time ago

http://www.foolsark.com : the “Fall and Rise of the Fools Ark” movie by Dadara and Jesse Limmen, with music by Lamb and mixed by Lamb’s Andy Barlow.

http://www.jesselimmen.com/vfx/ : for a few years Dadara and Jesse Limmen formed a veejaying duo and veejayed in various clubs, such as Mazzo, Now&Wow, Panama, Supperclub, and the Matrixx in the Netherlands and Cafe d’Anvers (Antwerp), La Mania (Rumania) and Zuhouse (Dortmund) abroad.

http://artasmoney.com – blog als informatie- en discussieplatform over geld en kunst

http://blog.artasmoney.com – dit is van blog over het project Pool of Plenty tot iets heel anders uitgegroeid

met een hoop stukjes over kunst en geld en o.a. bijdragen van Def P, King Adz maar ook

van economen en curatoren (bv. Ladybee, de art curator van Burning Man).

http://exchanghibitionbank.com/

Facebook pagina: http://www.facebook.com/ArtAsMoney

Fundraising pagina, (Dadara): “want deze bank heeft geld nodig, en de vraag is natuurlijk of de overheid dit kunstproject en/of deze bank overeind gaat houden…”
http://www.indiegogo.com/Exchanghibition-Bank

 

BIO

After completing studies at the Willem de Kooning Art Academy in Rotterdam, Dadara (Daniel Rozenberg,1969) started designing flyers, live-paintings and record covers for the then upcoming international electronic house music scene. The public recognition gained through this underground exposure led his paintings to be noticed by the prestigious Reflex Modern Art Gallery in Amsterdam, where till today he had ten solo-exhibitions, as well as exhibitions in Paris, Berlin, Stuttgart, Miami and New York

Commissions include an Absolut Vodka ad, a Greenpeace campaign, and a 70 metres long mural for Leiden University in the Netherlands.

In 1999 Dadara built his first big public sculpture: the 9 metres high Greyman Statue of No Liberty in front of the Rijksmuseum in Amsterdam. This marked the beginning of the production and design of more big public pieces, which over time became more interactive and performance orientated.

In 2002 Dadara built a wooden threemaster – the Fools Ark – during the Over het IJ festival n Amsterdam, after which it was used as the main stage for Mysteryland, before crossing the Atlantic Ocean to be burned at the Burning Man festival in Nevada. After its burn the Fools Ark rose like a Phoenix from its ashes to be burnt for good on the island of Terschelling, during the Oerol festival.

Footage of the Fools Ark and next years Burning Greymen project was intertwined into an audio-visual journey through forgotten worlds to tell the tale behind the project, resulting in the part documentary/ part animated movie “Fall and Rise of the Fools Ark”, with music by Brittish band Lamb and Lamb’s Andy Barlow.

In 2007 a big pink tank was built on a rooftop in the centre of Amsterdam, and later blown to pieces with explosives, as part of the Love, Peace and Terror project; an act of aesthetic visual terrorism.

During his artist in residence period in Dallas, Texas (2008-2009), Dadara worked on Checkpoint Dreamyourtopia, a border control checkpoint to enter your own Dreams, which could be experienced in Nevada and Texas before crossing borders itself, after which it was resurrected at the Lowlands Festival and destroyed in Berlin in an old swimming pool, where the walls between dreams and reality were smashed with sledgehammers and chainsaws, exactly twenty years after the Berlin Wall came crumbling down.

Ah Pook, of Ah Puch:

God van de Vernietiging in de Maya Religie en Mythologie. Ah Pook is God van: Dood, Onderwereld, Vernietiging, Duisternis.

 

Fragment uit “Ah Pook the Destroyer” van William S. Burroughs, zoals te horen is op het album Dead City Radio (Island Records 1990):

“Question: What are we here for?”
“Answer: We’re all here to go…”
“Question: Who really gave their order?”
“Answer: Control. The ugly American. The instrument of control.”
“Question: If control’s control is absolute, why does Control need to control?”
“Answer: control needs time.”
“Question: is control controlled by our need to control?”
“Answer: Yes.”
“Why does control need humans, as you call them?”
“Wait… wait! Time, or landing. Death needs Time, like a junky needs junk.”
“And what does Death need Time for?”
“The answer is so simple. Death needs Time for what it kills to grow in. For Ah Pook’s sake.”
“Death needs Time for what it kills to grow in. For Ah Pook’s sweet sake? You stupid vulgar greedy ugly American death-sucker!”

 

ALLES IS INTACT GEBLEVEN – PORTRET VAN SERGE GAINSBOURG

Op 2 maart 1991 sloop de Franse zanger Serge Gainsbourg als een dief in de nacht weg uit dit leven.
Nauwelijks had hij in zijn laatste jaren het daglicht nog kunnen verdragen. Zelfs in het getemperde licht van zijn geblindeerde hôtel particulier aan de Rue de Verneuil in Parijs droeg hij een donkere zonnebril. Het overmatige alcoholgebruik en de 140 dagelijkse Gitanes mais sigaretten hadden zijn lever vergiftigd, zijn hart op springen gezet en zijn ogen met een zeldzaam virus aangetast. Toch bleef hij zich van televisieshow naar televisieshow slepen, slempend en paffend, om vervolgens achter de piano de tekst van zijn liederen te vergeten en met een afsluitend scheldwoord het podium te verlaten.

Inscriptie bij het graf van Gainsbourg


Het publiek kon geen genoeg van hem krijgen, al verstond het op gegeven moment geen woord van wat hij zei, en al braakte hij zijn minachting over iedereen uit. “Ik zal u beledigen tot u van me houdt”, had hij aan het begin van zijn carrière, in het schimmige Parijs van de jaren vijftig, al gewaarschuwd. Zijn formule heeft gewerkt. De erotomaan stierf als Frankrijks meest verguisde, minst begrepen, maar ook meest beminde zanger.

Gainsbourg mocht met zijn 62 jaren dan opgebrand zijn, het opmerkelijke is dat hij dat dertig jaar eerder ook al leek. Correspondent en Frankrijk-kenner Jan Brusse kenschetste de zanger in die tijd reeds als een sombere uil die iedere nacht van het ene Parijse cabaret naar het andere fladderde om er zijn troosteloze chansons te fluisteren. “Zo afgeleefd ziet hij er uit, zo door-en-door vermoeid zijn z’n bewegingen, dat je steeds vreest dat hij het volgende liedje niet meer zal halen. Zijn grote ogen, waarop zware oogleden steunen, schjinen zich alleen maar af te vragen waarom dit alles noodzakelijk is.” Ook in zijn jeugd was de nacht al zijn domein. “De nacht, de nacht”, zong hij, “die me verlost van het duister in mijn hersenen.”
Tot het einde toe is Gainsbourg eigenlijk een jongen gebleven, een kwajongen die zijn lelijkheid in een voordeel wist om te zetten. “Lelijkheid is aan schoonheid verre superieur”’, placht hij daar zelf over te zeggen. “Lelijkheid blijft duren, schoonheid niet…” Wat zich uitslovende macho’s vaak niet lukt, lukte Gainsbourg met zijn aflijvige nonchalance. Met zijn hulpeloze viriliteit wist hij aan de amoureuze sentimenten van de meest adorabele vrouwen te appelleren. Achter de ongeschoren, ongewassen look van de brutale mannenman met de diepe glaciale stem, de warrige lokken en de witte schoenen, herkenden zij een kwetsbare gevoeligheid.
Dit was ook het imago dat hij als ”gigolo youpin” bewust cultiveerde. Op zoek naar het erotisch zinnebeeld voor de man, is hij er zelf ironisch genoeg uiteindelijk een geworden voor de vrouw. Over zichzelf zei hij: “Ik ben een gosertje, dat de vuile waarheid van het leven tracht te achterhalen door kleine, precieze injecties van perversiteit. Ik ben slechts op zoek naar één ding: de puurheid van mijn jeugd. Ik wil kunnen zeggen: ik ben intact gebleven. Intact. Ziedaar mijn kracht.”

Serge Gainsbourg werd als Lucien Ginzburg op 2 april 1928 in Parijs geboren. Zijn jiddische ouders, Joseph en Oletchka, zijn tijdens de Bolsjewistische revolutie Rusland uitgevlucht en in Frankrijk neergestreken, waar vader Ginzburg als nachtpianist in bars en casino’s het gezin van een inkomen voorzag. Oletchka had eigenlijk tot een abortus over willen gaan, maar was op het laatste moment voor de zware ingreep teruggeschrokken. “Al voor mijn geboorte ben ik aan de dood ontsnapt”, zou Serge later zeggen, daarbij ook verwijzend naar zijn roekeloze levensstijl. Lucien (Lulu) Ginzburg ging snel in de leer bij zijn vader die vooral voor Gershwin een zwak had. Maar zijn grote passie bleek het schilderen te zijn. Op z’n twaalfde schilderde hij al de meisjes van Clichy, die hij vier jaar later uit sexuele nieuwsgierigheid voor het eerst zou frequenteren. In de oorlog leefden de Ginzburgs met hun valse papieren onder het regime van een dubbele identiteit.
De oorlog kan Lulu gestolen worden, tot het moment dat hij gedwongen wordt om zich, voorzien van valse documenten, samen met zijn ouders schuil te houden op het platteland. Vlak voor zijn vlucht uit Parijs staat de jonge Ginzburg voor dag en dauw op de stoep bij de prefect van Clichy om als allereerste een jodenster in ontvangst te nemen. “Een eer”, zo zegt hij wijsneuzerig, “die hij zich beslist niet wil laten ontgaan.” Als de prefect hem vraagt of hij die ster van hem dan echt zo graag wil dragen, antwoordt hij: “Het is niet mijn ster, meneer. Het is die van u.” De prefect voelt zich voor schut gezet, en schopt de piepjonge provocateur het gemeentehuis uit.
Of deze anekdote, die op expliciete wijze in beeld wordt gebracht in Sfarr’s film Gainsbourg: vie heroique, ook waar is? “Wat doet het ertoe”, zegt de regisseur hierover in een van zijn vele gesprekken bij het uitkomen van de prent, “als Gainsbourg hem gedurende zijn leven de moeite waard heeft gevonden om te vertellen.” Wat in elk geval waar is, dat is dat de zanger na de oorlog – zoals ook op amusante wijze in beeld wordt gebracht – uit geldgebrek twee jaar lang mandoline-leraar is geweest in een weeshuis te Champfleur dat vooral plaats bood aan kinderen van ouders die in de gaskamers waren omgekomen. Die kinderen, gewonde diertjes eigenlijk, waren zijn eerste publiek. Toen hij het weeshuis binnenging, was zijn naam nog Lucien Ginzburg. Na het te hebben verlaten, noemde hij zich voortaan Serge Gainsbourg. Serge was de voornaam van de directeur van het instituut.

Gainsbourg in Parijs, eind vijftiger jaren

Na de oorlog probeerde Lucien, die van de Ecole des Beaux Arts getrapt was, als jonge schilder in leven te blijven met het inkleuren van cinemaposters. Onderwijl ging hij tekeer als Byron in Ravenna of Casanova in Venezië. De lijst van de hem toegedichte veroveringen in de jaren vijftig en zestig is volgens biografen lang genoeg om de Gele Gids te vullen. Zijn vader regelde in 1957 voor de schuinsmarcheerder een baantje als barpianist van café-chantant ‘Milord l’Arsouille’, waar Léo Ferre, Jacques Brel en Boris Vian hun chansons ten gehore kwamen brengen. Serge (zo noemde hij zich nu, Lucien was teveel de naam van het “knaapje van de kapper”) mocht er de stiltes voor de voorstelling wegspelen, en als pianobegleider opereren van Michèle Arnaud en de dandyeske surrealist, thrillerschrijver en trompettist Boris Vian, auteur van een rits villeine liederen die bulken van de humor en de zelfspot. In het cabaret komt hij ook in contact met Denis Bourgeois en Jacques Canetti. Zij stellen hem in staat een aantal zelf gecomponeerde nummers op plaat uit te brengen.

Boris Vian (rol van Philippe Catherine) en Serge Gainsbourg (Eric Elmosnino) in de rolprent Gainsbourg Vie heroique (reg. Joann Sfarr 2010)

Gainsbourg werd hevig gegrepen door Boris Vian, de lijkbleke zanger met zijn verlammende teksten en de ijle piepstem, die de onzekere pianist onder zijn hoede nam en stimuleerde om solo te gaan zingen. Met moeizaam maar stijgend succes. De zelfverklaarde chanteur de nuit Gainsbourg besloot uiteindelijk de grote gok te wagen en ”le noble art de la peinture” vaarwel te zeggen ten gunste van ”le pauvre art mineur de la chanson”. “Le génie ou rien!”. In de sprookjesachtige film van Joan Sfarr Gainsbourg: Vie héroique (2010) is te zien hoe, tijdens een bedwelmende drankorgie, de brand schiet in zijn olieverfdoeken en zijn atelier vlam vat. Lucien Ginsburg’s schildersezel gaat aan stukken, Serge Gainsbourg de auteur-compositeur-interprête wordt geboren. Temidden van as, flarden van schilderijen en alcoholwalmen. Gainsbourg stort zich vol ijver op de liedkunst, maar Michèle Arnaud laat al gauw merken dat ze sommige liedjes te schunnig vindt om zelf te vertolken.

Serge kruipt mede hierom toch maar weer zelf achter de microfoon. In 1959 verschijnt Gainsbourg’s eerste 25 centimètres: Du chant à la une, met onder meer de liederen ‘Les femmes des uns sous les corps des autres’ en het na al die tijd nog even sterke als dubbelzinnige meesterwerkje ‘Le poinçonneur des Lilas’ . Boris Vian steekt in Le canard enchainé de loftrompet over het album, dat de Grand Prix de l’Académie Charles-Cros in de wacht weet te slepen, maar commercieel flopt. “Je fais une forte consommation de mentalités”, zou Boris Vian eens gezegd hebben; een aforisme dat Gainsbourg past als gegoten. Gainsbourg gaat zich kleden naar het voorbeeld van Vian, dandy-poëet, snob en jazzman, een tikje Trenet ook, zazou maar vooral existentialistisch haveloos chic. Een bohémien gedragscode die in de late jaren vijftig door de Parijse jeunesse dorée gecultiveerd wordt op het territorium van de Rive Gauche. De Gainsbourg-variante: bewust gerafeld streepjespak, te ruim zittend wit hemd met dagzomende mouwranden – dasloos, sluik haar, drie dagen oude barbe à l’italienne.
De bohème lijkt frivool, maar is evenzeer tragisch. “Il y a de la gravité dans le frivole”, schreef Charles Baudelaire, dichter en dandy die zijn haar groen liet verven, al in de negentiende eeuw. In de romaneske biografie Les derniers jours… (1988) laat Bernard-Henry Lévy de poète maudit in een van zijn brieven verzuchten: “Ach ik droom ervan ooit de zin, ooit het woord te vinden dat de mensheid tegen me opzet.” Wat dit laatste betreft, lijkt Gainsbourg in zijn leven verschillende malen briljant te zijn geslaagd.

Boris Vian roemde ‘de nachtuil met het immer trieste gelaat’ op typisch surrealistisch-ambivalente wijze als ”een anti-zanger”. Hij bedoelde dit weldegelijk als een compliment en voorspelde, vlak voor hij zelf het veld ruimde en op zijn 39ste stierf aan een hartaanval, dat het chanson met Serge Gainsbourg een nieuwe tijd tegemoet zou gaan. Als lied-leverancier van jonge zangeressen verwierf hij in korte tijd een reputatie als tekstschrijver en componist wier pikante chansons gegarandeerd goud opleverden. Het publiek van Milord l’Arsouille daarentegen was een andere mening toegedaan. Het vond hem een probleemgeval, een introverte mompelende zanger met veel te grote oren en gebrek aan stemkracht. Zijn uiterlijk en onzekere, voor arrogant versleten houding veroorzaakten onrust (Serge sprak over zichzelf als de grote leeuw met de varkenskop, Brigitte Bardot noemde hem een aandoenlijke Quasimodo en met zijn schurkenbek – zijn gueule – figureerde hij in meer dan twintig B-films). Zijn bittere en pikante teksten veroorzaakten ergernis. Wat wilde deze pionier van een nieuwe phallocratie die ten strijde trok tegen het vrouwelijke ras precies, de man die zei “van vrouwen te houden door ze te haten”? Wat was de inzet van deze moeilijk te plaatsen provocateur van de schoonheid en nog moeilijker te doorgronden “hibou de la complaisance’” die beweerde dat “de liefde nooit meer waard zal zijn dan de korte tijd die je nodig hebt om haar te bedrijven”, en die pochte diezelfde liefde te bedrijven “zoals anderen een inbraak plegen”?
Gainsbourg was zo gewend aan de vernederingen die hem in zijn jonge leven als joods jongetje en onbeholpen zanger van bedenkelijk allooi te beurt waren gevallen, dat hij als geen ander in de Franse cultuur de belediging als stijlmiddel heeft weten te cultiveren voor zijn alomvattende behoefte aan liefde en aandacht. Met zijn in vitriool en sigarettenas gedepte vingertoppen en zijn gedempte stem van de onzekere adolescent die zich schaamt voor zijn puisten en aarzelende snorhaartjes, wist hij eind jaren vijftig een nooit eerder gehoorde viscose smurrie om de mond te smeren van al het schone volk dat in het Parijse Quartier Latin de hippe café-chantants, jazzkelders en bistrots de nuits placht te frequenteren. De schunnige provocatie werd Gainsbourg’s handelsmerk, de ambivalente erotische boutades en dubbele bodems zijn specialiteiten. Dit alles gehuld in de schutkleuren van de spitsvondige woordgrap en originele literaire trouvaille om het publiek ongemerkt zo dicht mogelijk op de ziel te kunnen zitten en op onverwachte wijze toe te kunnen slaan met een perfect getimede coup de guele.
Gainsbourg’s hunkering en fragiliteit gaan verscholen achter een maskerade van hooghartig vernuft en een villeine vorm van hoffelijkheidsbetrachting en mysoginie. Psychologen hebben aan al deze vormen van sublimatie een vette kluif gehad die – eens van alle ruwe weefsel ontdaan – de inborst verried van een gevoelige ziel die geen mogelijkheid onbenut liet om via sluipwegen, omkeringen en provocaties te verkrijgen waar het lelijke joch in zijn jeugd bij om het even welke confrontatie en volte face immer weer verstoken bleef. Wie niet sterk is, moet slim zijn. En slim, dat is de kleine vurige en onverzadigbare Lucien met het Ashkenazische uiterlijk, de spiedende ogen van de geperverteerde fetishist en de wapperende flaporen van een onbehouwen olifantenjong. Een verfomfaaide getaande ziel in een verschrompeld jongenslichaam. Een ietwat wreed, stoutmoedig en ondeugend menneke van onbestemde leeftijd en komaf, dat zich gekleed in grijsgestreept driedelig pak vanachter de piano op het podium onbeteugeld verlustigde aan zijn kattenkwaad.

Het merk sigaretten dat Gainsbourg tot zijn dood trouw bleef

Zijn éducation sentimentale beleefde Lucien Ginzburg in de straten van woelig en robuust Pigalle. Zijn speeltuin was La Porte de Clichy. De hoeren van de buurt ontfermden zich als moederlijke juffen over hun snoezige wereldvreemde welpje dat ze gierend van het lachen tal van kunstjes leerden. Zoals: hoe je jarretels moest vast- of losknopen rond een welgevormd vrouwenbeen. Lillend vlees, de geur van vrouwen in nylon kousen, het ritueel van zo’n juf uit de buurt die haar toilet maakt voor het kwikzilveren oog van de opklapspiegel die ingenieus verborgen zit achter de ladenkastjes van een elegant en sierlijk notenhouten kabinet uit het tijdperk van de roccoco: het komt later allemaal terug in zijn oeuvre.
Gainsbourg slaagde er als geen ander in, op De Sade na wellicht, om de Franse maatschappij de daver aan te jagen met zijn erotische geschimpscheut, misogynie en publiekelijk geetaleerde lelijkheid. Waar zijn collega’s blijven steken in zoetgevooisde en wellevend geformuleerde liefdesballades, hebben Gainsbourg’s liedjes altijd wel iets schunnigs en scandaleus in petto. Gainsbourg spreidde zijn talenten graag over vele personen en personages. Zo annexeerde hij, eenmaal beroemd, de vrouwen die eerst niets van hem wilden weten. “Voor een vrouw te schrijven is de meest elegante manier om haar te dienen en tegelijkertijd te bezitten”, aldus Gainsbourg. In zijn misogynie nam hij wraak door zijn vertolksters de allerbitterste hatelijkheden over het eigen geslacht, de liefde en het leven te laten zingen. Als hij kon liet hij zelfs hun persoonlijke tekortkomingen in zijn teksten doorklinken. “Als ze zo stom zijn om mij hun chansons te laten schrijven zullen ze dat weten ook”, clameerde hij. Hij verleidde de vrouwen door ze aan te vallen. En de meesten lieten zich door zijn tegendraadse charme verleiden. Juliette Greco, Barbara, Isabelle Adjani, Isabelle Aubret, Petula Clark, Dalida, Regine, Mireille Darc, Anne Karina, Francoise Hardy, Chatherine Deneuve, France Gall, Brigitte Bardot, Jo Lemaire, Vanessa Paradis, Viktor Lazlo, vrouw Jane Birkin, dochter Charlotte… allemaal zongen ze het liefst Gainsbourg. Met reden overigens, want als tekstschrijver-componist was Gainsbourg goud waard, en dat wisten ze. Zijn stijl was uniek; een Pindarus-achtige lyriek gekoppeld aan een in klassiek repertoire gedoopte muziek die tegelijkertijd wonderlijk licht en melancholisch aandoet. Een minimum aan noten, een minimum aan woorden, alles exact getimed en op maat gesneden voor de zangeressen in kwestie. De gespletenheid die tot uiting kwam in zijn composities, als auteur-compositeur van provocerende schunnigheden en lyrische hoogstandjes met referenties aan Baudelaire en overige grote dichters die zich nog het meest verkneukelde als zijn liedjes door piepjonge deernen gezongen konden worden, is ook voor zijn latere periode als de aftandse Gainsbarre in de jaren zestig al volop aan de oppervlakte.

De beschuldiging dat hij zich prostitueerde en paarlen voor de zwijnen wierp bleef hij ontkennen. Serge besefte maar al te goed dat zijn genie nauw gelieerd was aan het talent van de vrouwen voor wie hij schreef. Zonder vrouwen aan wier stem hij zijn erotomane ziel kon doorgeven, zou hij niets geweest zijn. Zijn schildersoog was haarscherp en met grote zorg koos hij alleen die vrouwen waarvan hij zeker wist dat hij via hen naar de wortels van de passie, de noodzaak van de intimiteit kon graven. Voor wie hij ook schreef, zijn teksten bleven gekenmerkt door hun scherpe randen en diepe gelaagdheid. Hij weigerde concessies te doen aan het grote publiek, al was de zangeres nog zo jong of het genre zo uitgemolken. Zoals de vijftienjarige France Gall die met Gainsbourg’s ‘Poupée de cire, poupée de son’ in 1965 het Eurovisiesongfestival won. Aan de ene kant wist hij haar trieste inslag schitterend te bespelen, zoals in het lied Baby Bop: “Zing Dans Baby Pop, Alsof je morgen Baby Bop, In de vroege ochtend Baby Bop, sterven moest”.

Aan de andere kant maakte hij schaamteloos misbruik van haar onschuld in het dubbelzinnige ‘Les sucettes à l’anis’. Toen aan dit motorisch gestoorde vestaalse maagdje eindelijk uitgelegd werd wat er in het nummer over de aan anijslolly’s zuigende Lolita eigenlijk gesuggereerd werd, en ze het onderwerp werd van alomtegenwoordige spot, weigerde ze nog langer liedjes van zijn hand te zingen. In het blad Rock & Folk gaf ze te kennen dat Gainsbourg haar nooit echt gekend heeft, al wat hem interesseerde was wat hij zelf in haar projecteerde. Het is tekenend voor de wijze waarop Gainsbourg met zijn vertolksters omsprong. Vaak gebruikte hij ze tot op het schofterige af om zelf te schitteren. Zelfs van zijn naasten verwachtte hij dat ze met gedweee toeweiding in zijn eigen muzikale/sexuele freakshows zouden figureren. Jane Birkin, zijn derde vrouw, moest naakt met hem poseren om zijn nieuwverworven imago als coole playboy hoog te houden. Charlotte, zijn dochter, moest het beeld van Serge de incestueuze erotomaan bevestigen. En Bambou, zijn laatste gezellin, moest de longen uit haar lijfje schreeuwen terwijl ze deed of ze door sado Serge met zweepjes in extase werd geranseld. Tenenkrommend zijn ook de beelden die nog altijd op Internet circuleren, waarop te zien is hoe Bambou haar geliefde echtgenoot op zijn initiatief welwillend ondervraagt om vervolgens en plein public door haar “mec” te worden uitgescholen voor alles wat verrot is.

Bardot en Gainsbourg's bekokstoven Je t'aime moi non plus - volgens een scene in Sfar's film


Na een sporadische samenwerking met de Franse Demeter Brigitte Bardot (Bonnie & Clyde, Harley Davidson) nam hij in 1967 ‘Je t’aime, moi non plus’ met haar op. Tegen de achtergrond van een liturgische orgelmuziek hoorde je haar vergeefs kreunen om zijn liefde. En om zijn roede, die haar vanachter (entre les reins – tussen de nieren) moest doorboren. De werkelijkheid wilde het anders. De man van BB, Guenther Sachs, eiste dat de release onmiddellijk stop zou worden gezet. Serge gaf aan de eis gehoor, maar een jaar later nam hij wraak door zijn kersverse vrouw ‘la garçonne’ Jane Birkin het nummer opnieuw te laten inzingen. Het werd zowel een schandaal, als een commercieel monstersucces. Miljoenen exemplaren verkocht alleen al in de lange hete zomer van het jaar 1969. Philips distantieerde zich van het nummer, bigot Europa ergerde zich purperrood, het Vaticaan sprak haar banvloek uit over de plaat (zij zou natuurlijk de jeugd tot slechte en onnatuurlijke daden aanzetten), en de meeste radiostations boycotten het gehijg in e mineur. Maar de verkoop van de single stak die van elke Beatles-plaat naar de kroon.

De jaren zeventig werden jaren van decadentie, films, geen optredens maar veel studio-opnamen, zoals het monumentale ‘Un histoire de Melody Nelson’ in 1971; het eerste ultramoderne conceptalbum uit de geschiedenis van het Franse chanson. Histoire de Melody Nelson is een muzikaal meesterwek van perverse verleiding. Een liefdesbrief uit de donkere cellen van Sodom, een extatische pijnkreet uit de ondergrondse kerkers van Edgar Ellen Poe en het imaginarium van professor Vladimir Nabokov. Het album is tevens het voorwendsel voor enkele van de meest gedurfde lyrische exercities in het Franse taalgebied.
Het kapotgaan van zijn relatie met Jane Birkin aan het eind van de jaren zeventig is Serge Gainsbourg uiteindelijk nooit meer helemaal teboven gekomen. Uit de as van de 140 Gitanes en een liter whisky per dag verslindende Gainsbourg verrees de nog veel gruwelijker chimaere Gainsbarre (de “standvastige”, de ruwe), een sadistisch onbehouwen monster dat zijn veel lieflijker en onhandiger voorganger definitief van het podium wist te verdringen. In Nederland had je de vileine zanger Jaap Fischer, meester van het messscherpe chanson, die in de loop der tijd zijn hoekige masker af liet vallen en voortaan – triest maar wijs geworden – als Joop Visser door het leven wilde gaan. Serge maakt iets soortgelijks mee, maar dan in omgekeerde zin. Zoals hij in alles tegendraads prefereerde te zijn.
Gaandeweg zijn tweede carrière, werden minder zangeresjes bereid zijn steeds schunniger teksten te zingen. Wederom werd hij een outsider. Hij pastte niet in de wereld van het ‘nouvelle chanson’ zoals Maxime le Forestier en Alain Souchon dat brachten. Gainsbarre ging onverschrokken zelf door met zingen en epateren. De geest van Vian keerde in hem terug, getuige het surrealistische nazi-punk album ‘Rock around the Bunker’, waarin hij als jood met groteske galgenhumor de bunkerdagen van Adolf H. bezong. Frankrijk raakte opnieuw in een opstoot. Begreep het jonge publiek dit allemaal wel? Treffende vraag. Het jonge publiek begon hem steeds beter te begrijpen dan het vertrouwde publiek dat met hem meegroeide. “Het is mijn publiek dat ouder geworden is, niet ik” beet hij de pers toe.

Het meest wonderlijke aan Serge G. was de moeiteloosheid waarmee de auteur-compositeur-interprête gedurende alle decennia dat hij actief was niet alleen zichzelf maar de hele muziekscene rondom hem gedurig wist te vernieuwen. Terwijl zijn teksten en zijn fluisterende stem vanaf Melody Nelson uit 1971 niet meer wezenlijk veranderden, onderging zijn muziek de ene na de andere radicale revolutie. Jazz, rock, pop, reggae, punk, rap, er is geen stijl die de zanger ongebruikt heeft gelaten. Zijn drang tot verandering verklaarde hij zelf vanuit de dood van het Franse chanson. “Er is geen chanson in onze tijd. De Afrikaanse ritmes waarmee ik mijn muziek in leven houd zijn geen concessie aan de moderne tijd. Het is een vorm die de moderne tijd weerspiegelt. Een ritme dat haar karakteriseert.” Als eerste blanke artiest ging hij naar Jamaïca om daar een reggae-album te maken. In vijf dagen rolde er een parel van een plaat uit: ‘Aux Armes Et Caetera’, met de band van Peter Tosh en de I Three van Bob Marley. Gainsbourg beweerde de meeste nummers in het vliegtuig geschreven te hebben. De Figaro noemde het een ‘smerige ragoût’, maar binnen zes maanden was het platina en had de zanger een alternatief publiek aangeboord dat hem daarvoor nauwelijks had gepruimd. De reggae-versie van de Marseillaise (“bij een revolutionaire tekst hoort een revolutionair tempo”) schoot in het verkeerde keelgat van tweehonderd Oud Parachutisten in Straatsburg. “Als die Gainsbourg hier komt, blazen we de boel op!” Ondanks de dreigementen en de bommeldingen beklom Gainsbarre toch het podium. Un réfractaire pur sang. Gainsbourg blafte de para’s toe dat ook Rouget de Lisle de Marseillaise had geschreven als marslied van Republikeinse rebellen die af wilden van het ancien régime. “On est tous des Juifs, des nègres et des Français!” Daarop zette hij acapella, met geheven vuist, het Franse volkslied in. De para’s in verwarring achterlatend. Even later kwam Gainsbourg opnieuw in het nieuws toen hij het handgeschreven manuscript van La Marseillaise voor een astronomisch bedrag op de koop tikte tijdens een veiling bij Sotheby’s in Parijs. “Wel duur, voor zo’n velletje papier”, merkte een journalist op. Waarop de zanger repliceerde: “Man, ik zou me hiervoor hebben geruïneerd!”
Deze waargebeurde scène die nog steeds op Youtube is na te zien, markeert het hoogtepunt van Gainsbourg’s heroïsche levensloop. Van joods kereltje in bezet Parijs, tot pionier-provocateur van de vrijheid en eigenzinnige maskotte van het Franse patrimonium. Als het waar is dat de dichter-zanger dubbel en dwars zijn plaats verdiend heeft op de achtenswaardige toppen van de Franse Parnassus, dan heeft hij die plek veroverd door de berg op sluikse wijze te beklimmen. En stoemelings, zoals Brusselaars zo mooi zeggen. Over de rug heen van zijn eigen schaduw. “Mon univers est à l”envers”, verklaarde Gainsbourg zelf ooit in een interview met Libération. “Alleen dode vissen drijven met de stroom mee.” Serge de rebel.


Gainsbourg’s parcours heeft inderdaad altijd de weg gevolgd van de meeste weerstand, van het schandaal. Van Sodom ook. Zoals in het ultieme liefdeslied “Je t’aime, moi non plus”. Het beruchte hijgduet in 1967 gezongen met Brigitte Bardot, twee jaar later met Jane Birkin, waarvan er alleen al buiten Frankrijk miljoenen platen werden verkocht; zonder dat de meeste van die kopers ook maar enig benul hadden dat er de geneugten van de anale liefde in werden bezongen. “Ik vermaak de wereld met injecties van lichte perversiteit”, placht de zanger en componist zelf te zeggen. Op een manier waartoe alleen Gainsbourg in staat was. Met stijl, distinctie, in miraculeus mooie maar ook infecte poëzie. “Tu es la vague, moi l’île nu./L’amour physique est sans issue.” Waarna Eros zijn giftige pijl van koele geilheid afschiet tussen de nieren van zijn geliefde.
“Ik houd van je.”
“Ik al niet meer…”

Zelf bleef Gainsbourg zijn vakgebied omschrijven als “un certain art mineur”, en meer dan eens liet hij weten zichzelf in de eerste plaats te beschouwen als een mislukte kunstschilder. In een twistgesprek met Guy Béart, in het praatprogramma van Bernard Pivot, sprak hij zijn collega betuttelend toe: “Ach Guy, wat zijn onze liedjes meer dan “des petits cacas” die we uitscheiden op het podium?” Dat Serge Gainsbourg daarentegen weldegelijk een grote kunstenaar genoemd mag worden, een dichter, zanger en componist van Olympische categorie. Al in 1972, na het beluisteren van het monumentale album ‘Un histoire de Melody Nelson’, liet de grote dichter Louis Aragon zich ontvallen dat “die Gainsbourg zich eigenlijk geheel op het sonnet toe zou moeten leggen: zijn poëtische kwaliteiten zijn weergaloos en behoren tot het meest originele wat de Franse literatuur heeft voortgebracht sinds Les Chants de Maldoror van Lautréamont.”
En inderdaad: neem de proef gerust op de som door de bonte catalogus aan liedteksten van Gainsbourg er op na te slaan, zoals Mauvaises nouvelles des étoiles (éditions Seuil). Vrijwel elk willekeurig lied van Gainsbourg getuigt van uitzonderlijke poëtische soeplesse, syntactisch meesterschap en klinkklare woordvreugde. Zoals volgens Goethe een meesterhand zich vooral kan tonen in de beperking, zo openbaart het genie van Gainsbourg zich zelfs nog in het keurslijf van zijn meest kitscherige, hijgerige of populaire nummers. Regisseur Joan Sfar zei hierover: “Wat geweldig is bij Gainsbourg: hij noemt zichzelf een luxehoer, maar hij is nooit oprechter dan wanneer hij probeert zichzelf te verraden. Op een huppeldeuntje als “Baby Pop”, laat hij France Gall zingen “chante, danse Baby Pop, comme si demain tu devais mourir”. Hij kan het niet laten om overal de tragiek van in te zien. Bij momenten is hij even pathetisch geniaal als François Chateaubriand.”
Een lied dat mij voor altijd van Gainsbourg’s uitzonderlijke lyrische gaven overtuigd heeft, is het nummer Hôtel Particulier, op het epische album Melody Nelson. In prachtige, wulpse zinnen die in enkele bondige stanza’s een wufte paringsdans met elkaar aangaan, voert de zanger zijn piepjonge verovering mee naar een labyinthisch roccoco-complex met vele trappen en eindeloze gangen, waar beiden zich onder het toeziend oog van vergulde engelenbeelden, naakte ebbenhouten slavinnen, Aphrodites en Salomés, in de Cleopatra-kamer overgeven aan de somptueuze praktijken van de Ars amandi en Remedia amoris. Lees hoe Gainsbourg zijn Melody op de tonen van orgel, bas, piano en sublieme lyriek naar de toppen voert van het genot!
“(…)
Entre ces esclaves nus taillés dan l’ébène
Qui seront les témoins muets de cette scène
Tandis que là-haut un miroir nous réfléchit,
Lentement j’enlace Melody
…”


Histoire de Melody Nelson was de eerste conceptplaat uit de geschiedenis van het Franse chanson. De plaat laat zich het best omschrijven als een erotische raamvertelling in zeven puntige liederen, die in totaal nauwelijks dertig minuten in beslag neemt. Waarin een tedere nimfijn van “quatorze automnes et quinzes étés” zich overgeeft aan een gepassioneerd roofdier van veertig-plus. Histoire de Melody Nelson is een muzikaal meesterwek van perverse verleiding. Een liefdesbrief uit de donkere cellen van Sodom, een extatische pijnkreet uit de ondergrondse kerkers van Edgar Ellen Poe en Vladimir Nabokov. Op de cover van het album houdt Jane Birkin in de hoedanigheid van het titelpersonnage Melody – vroeggevallen nimfijn die zich openstelt voor het verderf -, met gekruiste armen een aangeklede pluchen aap koket tegen haar naakte bovenlichaam gedrukt. Niet alleen om uit te dagen, zo blijkt, maar ook om te verhullen dat ze op dat moment zwanger is van haar “enfant d’amour” Charlotte Gainsbourg.
De toon van het album is meteen gezet in het eerste nummer: een sombere hypnotiserende soundscape met een overstuurde, ietwat slepende bas, rockgitaren die bezwerend huilen, violen die het sonore stemgeluid van Gainsbourg’s fluisterstem omfloersen. Een Rolls Royce Silver Ghost 1910 rijdt langzaam door een niet bij naam genoemde stad. In gedachten verzonken, verstrooid, met een half oor luisterend naar de radio, zijn blik gericht op de gevleugelde Spirit of Ecstasy op de voorkap, raakt de verteller in aanrijding met een rossig tienermeisje op een fiets.
– Tu t’appelles comment ?
– Melody
– Melody comment ?
– Melody Nelson

De man achter het stuur van de Rolls vertelt ons in quasi-vrolijke balladen, opgesteld in de onvoltooid verleden tijd, zijn tragische verhaal over schoonheid en extase, liefde en dood. De gevoelens van gelukzaligheid en elegantie uit het begin, worden allengs duizelingwekkend. De licht-psychedelische muziek, die de wals uit haar voegen doet draaien, benadrukt dit. Na het gerommel op het liefdesbed is er het ontwaken uit de droom. Het laatste nummer op het album, Cargo Culte, laat zich verhalen als een epiloog vanuit het schimmenrijk. De geschiedenis eindigt zoals ze begon: met een ongeluk. Melody vindt de dood als haar Boeing 707 neerstort in zee. Haar malse lichaam komt terecht tussen de koralen van Melanesië, ergens op de bodem van de Grote Oceaan. De verteller blijft alleen achter, ten prooi aan zijn herinneringen. De muziek bereikt in dit nummer haar apotheose. Het bezwerende thema van het begin, met de overstuurde basgitaar, wordt herhaald en uitgebreid tot een koortsig requiem met een koraal van maar liefst zeventig stemmen. Het gefluister van Gainsbourg mondt uit in een magische incantatie van de “Cargo Culte” zoals bedreven door de Papoea’s op Nieuw Guinea. Ook Gainsbourg hoopt biddend op een vliegtuigcrash die hem de schim van zijn minderjaardige heldin tussen de wrakstukken opnieuw tevoorschijn kan toveren.
“N’ayant plus rien à perdre ni dieu en qui croire
Afin qu’il me rende mes amours dérisoires
Moi, comme eux, j’ai prié les cargos de la nuit.
Et je garde cette espérance d’un désastre
Aérien qui me ramènerait Melody
Mineure détournée de l’attraction des astres.”

Het niveau van Melody Nelson zal Gainsbourg in zijn latere carrière nooit meer helemaal kunnen evenaren. Het album is, vriend en vijand is het daar dertig jaar na verschijnen over eens, een meesterwerk dat zijn weerga nog altijd niet kent in de geschiedenis van de hedendaagse popmuziek.

Gainsbarre

In de laatste tien jaar van zijn leven werd Gainsbarre “de ruwe” steeds erotomaner, onhandelbaarder, maar raar genoeg ook steeds produktiever. In ‘Love on the Beat’ hoorden we hoe zijn nieuwe vrouw Bambou kirrend toegetakeld werd onder het mompelen van een fabuleus wreed gedicht dat de markies De Sade waardig zou zijn, in ‘Lemon Incest’ hoe Serge en dochter Charlotte – op de tonen van een etude van Chopin – de incestueuze liefde bezingen.

Met de geboorte van zijn zoontje Lulu in 1986 leek alles in zijn leven vervuld. Reden voor Serge om te zeggen: “Ik ben in alles geslaagd, behalve in het leven”. Het provoceren was een versleten mediaritueel geworden. De aanblik die de aflijvige nachtuil bood was treurig. Gainsbarre die Whitney Houston trachtte aan te randen, die zijn pik uit zijn broek liet hangen, die een bankbiljet van 200 francs “voor zeventig procent” op het podium in de fik stak met zijn aansteker (als hommage aan de Franse fiscus), die een liter whiskey wegzoop tot hij de toetsen op de piano niet meer vinden kon. Bij alles werd hij toegejuicht. Tot het bittere einde bleef hij de Fransen hun schandalen verschaffen. De schandalen die iedere maatschappij zo nodig lijkt te hebben om de eigen blaséheid te rechtvaardigen.

Het vijfhonderd francs billet dat Gainsbourg in de fik stak (voor zeventig procent) uit protest tegen de hebzucht van de Franse schatkist


Wellicht dat er voor Serge Gainsbourg nog een Johnny Cash-achtige wedergeboorte in had gezeten, gedurende de jaren negentig of daarna. We zullen het nooit weten. De zanger stierf op 2 maart 1991 in volstrekte eenzaamheid in zijn geblindeerde huis aan de rue de Verneuil in het zevende arrondissement van Parijs.

De finale beslechting van het Faustiaanse duel tussen Gainsbourg en Gainsbarre eindigde voor de aan een mysterieus oogvirus lijdende zanger die zelfs in zijn geblindeerde woning nooit zijn zonnebril meer afdeed, geloof het of niet, in een “natuurlijke dood”; een hartbreuk ten gevolge van een poreus geworden kransslagader. Wat zich daar in die gesloten ruimte af heeft gespeeld in die laatste momenten, niemand die ervan kan getuigen. Zeker is dat hij diezelfde dag vergeten was zijn hartpil te nemen. Net zoals Boris Vian, 32 jaar eerder.

Gainsbourg is bijgezet in een familiegraf op Cimetière Montparnasse – 60, Avenue Transversale te Parijs. De pluchen aap die Jane Birkin op de cover van het legendarische album Histoire de Melody Nelson voor haar ontblote zwangere buik houdt, is op die dag mee verdwenen in het graf.

De afscheidswoorden die Gainsbourg zijn eigen dood deed vergezellen, in het Libé interview dat hij pas na zijn dood gepubliceerd wilde hebben, waren 33 jaar eerder met ‘Le poinçonneur des Lilas’ zijn eerste woorden geweest. ‘Un p’tit trou, un p’tit trou, rien qu’un dernier petit trou’.
Zo is alles toch intact gebleven.

Bij het graf van Gainsbourg, Montparnasse Parijs

© Serge van Duijnhoven, Brussel 2010/2011
uitgeverij Nieuw Amsterdam

9224382_cover.Lulu.gainsbourg

Serge eert Serge in Club Bitterzoet, Amsterdam mrt 2010. Fotograaf: Igor Freeke

DE NACHTUIL VAN VERMAAK
 
 
‘La laideur, ma p’tite, tu le sais
est entièrement supérieure à la beauté.
La beauté se meurt un jour
la laideur d’ailleurs, c’est pour toujours.’’
 
.-. 
In gefilterd licht
streelt hij de zinnen
met de ogen van
een veroordeelde
.-.
drinkt hij whisky
uit een tandenborstelbeker
smelt het ijs in zijn keel
het mannelijke fluïdum
.-.
Het mooie wanhoopt
het lelijke speelt
om het malicieuze
te bezweren, Serge
.-.
In alcohol en nicotine
als een vogel zonder veren
seint hij ons de booschap
van het vlotte toeval
 
‘Bah oui, monsieur Gainsbourg, da’s al…’
.-.
(en een vreemd gevoel
van infernale gruizigheid)

Gainsbourg – (vie héroïque)
cinéma : 20 janvier 2010
Film déjà disponible en DVD depuis le : 1 juin 2010
Film déjà disponible en Blu-ray depuis le : 1 juin 2010

Réalisé par Joann Sfar
Avec Eric Elmosnino, Lucy Gordon, Laetitia Casta, plus

Long-métrage français . Genre : Biopic , Musical
Durée : 02h10min Année de production : 2010
Distributeur : Universal Pictures International France

Synopsis : La vie de Gainsbourg, du jeune Lucien Ginsburg dans le Paris occupé des années 1940, jusqu’au poète, compositeur et chanteur célébré dans le monde entier.
Le film explore son itinéraire artistique, du jeune homme épris de peinture à la consécration de sa musique dont l’avant-gardisme en a fait une véritable icône de la culture française. Mais aussi la complexité de sa vie adulte à travers ses amours tumultueuses.

cartoon gemaakt door Hanco Kolk voor de cover van Gainsnord (samenstelling Guuzbourg) - zie: http://www.hancokolk.nl


gainsnordcover-hi
Journalist, fan en deejay Guuzbourg, samensteller van de prachtige tribute-cd Gainsnord – Serge’s Songs Revisited By Bands From The Lowlands (met oa. Tom Barman, West Hell 5, Eddy de Clercq, Marine Boréale, Monsieur Dubois en Benjamin Herman), is hij “een van Europa’s meest invloedrijke songschrijvers, samen met de B’s van ABBA. Een man met een schat aan schitterende liedjes vol dubbele bodems en zelfverzonnen woorden. Die hij zelf zong, maar vaker nog schonk aan de prachtigste vrouwen.” De jaarlijks terugkerende Soirées Gainsbourg in Vlaanderen en Nederland bewijzen dat ook buiten Frankrijk de chansons van deze poète maudit nog steeds volop tot de verbeelding spreken.

Gainsnord – Serge’s Songs Revisited By Bands From The Lowlands (met oa. Tom Barman, Eddy de Clercq, Marine Boréale, Monsieur Dubois en Benjamin Herman). Samengesteld en ingeleid door Guuzbourg. Essential Music – Sonic Scenery. Son 708028, € 18,- www.fillessourires.com/gainsnord

zie hier de videoregistratie gemaakt door Gabriel Kousbroek van Serge van Duijnhoven die voorleest in Paradiso bij de presentatie van de cd Gainsnord, sept 2009:

Serge eert Serge in Paradiso - 18 sept 2009 - bij de presentatie van Gainsnord, cd samengesteld door Guuzbourg. Foto: Igor Freeke

journalist Guus Hoogaerts
(ook bekend als Guuzbourg)
organiseerde op vrijdagavond 18 september 2009 in Paradiso te Amsterdam een hommage aan Serge Gainsbourg ‘Gains Nord”
tevens de cd presentatie van “Gains Nord” een hommage aan Serge Gainsbourg, gezongen en gespeeld
door Nederlandse muzikanten,
en een optreden van dichter/schrijver
Serge van Duijnhoven

foto gemaakt door Igor Freeke

Categorie:

Muziek
Labels:

* Serge
* Gainsbourg
* Paradiso
* Guuzbourg
* van Duijnhoven

 

EEN GESPREK MET ACTRICE CHARLOTTE GAINSBOURG over haar hoofdrol in Julie Bertucelli’s nieuwe film THE TREE

Op de laatste dag van het voorbije Filmfestival van Cannes sprak dichter-verslaggever Serge van Duijnhoven met Charlotte Gainsbourg. Het werd een gesprek over Charlotte’s vervreemding ten aanzien van de natuur, haar ervaringen op de set in desolaat Australië en haar aankomende project met Lars von Trier.

“The Tree” is een sobere, magisch-realistische adaptatie van “Our Father Who Art In The Tree”, een roman van Judy Pascoe. Charlotte Gainsbourg speelt op ingetogen wijze de rol van Dawn, een Franse moeder die samen met haar man Peter en drie kinderen in een klein boerendorp woont in het droge en desolate binnenland van Australië. Naast hun huis staat een gigantische Moreton Bay vijgenboom, waarvan de takken ver de lucht in reiken en de wortels diep in de grond verdwijnen. Wanneer Peter een hartaanval krijgt en zich tegen de boom doodrijdt, zijn Dawn en haar kinderen in diepe rouw. Op een dag verklapt de achtjarige dochter Simone aan haar moeder een geheim. Ze is ervan overtuigd dat haar vader woordjes tot haar fluistert door de bladeren van de boom en dat hij terugkomt om hen te beschermen.

Trailer:
http://www.youtube.com/watch?v=bB-pUrRPFvQ&feature=player_embedded#!

Charlotte Gainsbourg is er sedert haar debuut in 1984 op indrukwekkende wijze in geslaagd de ene na de andere film van formaat toe te voegen aan haar artistieke palmarès. De rist producties waarin ze onder auspiciën van topregisseurs als Clauvan Miller, Bertrand Blier, Andrew Birkin, Dominik Moll, Alejandro Gonzáles Iňárittu en Lars von Trier heeft kunnen schitteren, bevat geen enkel niemendalletje. Als erfgename van Frankrijks bekendste glamourkoppel had ze natuurlijk ook de luxe dat het haar in haar carrière nimmer om het geld of de roem te doen was. Als kind walgde ze van alle publiciteit die haar beroemde ouders ten deel viel. In het zog waarvan haar jeugd, en daarmee de onbezonnenheid die het noodzakelijke speelterrein vormt voor ieder kind, door de jachthonden der paparazzi voortijdig le néant in werd gedreven. Wellicht is het hierom dat deze moeder van twee kinderen, la garçonne van 39 met haar frêle anorectische lichaam en onvolgroeide borsten, zich zo hardnekkig aan haar imago van eeuwig onwennige puber vast lijkt te hebben geklampt. Verder groeien zou verraad zijn aan het ideaal van haar te vroeggestorven jeugd.
Tijdens het interview is ze er open over. Wanneer ik haar vraag of haar vroege films, zoals “L’effrontée” en “La petite voleuse”, een speciale betekenis voor haar hebben, luidt haar antwoord: “O yes! Vooral die twee films. Dat was mijn favoriete tijd. Ik deed mijn eerste ervaringen op als actrice en was nog heerlijk naief. Ik denk er nog heel vaak aan terug.”

Heeft u, na het gigantische schandaal dat werd veroorzaakt door uw rol in Lars von Trier’s “Antichrist”, met uw rol in “The Tree” bewust gekozen voor samenwerking met een wat minder controversiële regisseur?

“Het was geen bewuste keuze of vorm van carrièreplanning. De mogelijkheid diende zich aan op een gunstig moment. Ik heb heel even getwijfeld of ik het wel moest doen. Ik was nogal bang dat ik in Australie wilde dieren zou tegenkomen: reptielen en insecten, de vliegende honden en rode muskieten. En ik vond het best ver. Ik vroeg me af of ik mijn kinderen zo lang zou kunnen missen. Ik herinner me nog dat ik de regisseuse op een avond radeloos opgebeld heb en zei: “dat gat waar we gaan filmen is niet eens te vinden op Google Earth! Waar voer je ons in godsnaam heen?”
Uiteindelijk heb ik pas bij aankomst begrepen waarom Julie deze film per se aan het andere einde van de wereld wilde draaien. Zodra ik oog in oog stond met het landschap, dat typische houten huis en die wonderlijke boom had ik het door. En begreep ik ook wat de essentie van de film zou worden. Het draait allemaal om die Moreton Bay vijgenboom die we in deze film tot leven hebben willen brengen. Een mysterieus schepsel dat zowel met leven als dood is verbonden. Een symbool voor de stille kracht van de natuur in het algemeen. En de natuur in Australie is zo overweldigend. Zo indrukwekkend. Heel anders dan in Europa. Veel magischer, intenser, dreigender ook. De krachten van de dood en wat daar allicht aan ontstijgt zijn overal voelbaar in het landschap. Ook zonder perse in reincarnatie te geloven, besef je dat. Julie Bertuccelli had dus gelijk. Australie was de perfecte setting voor dit verhaal.”

In de film wordt de natuur voorgesteld als een onbegrensde kracht, iets almachtigs. Hoe is uw eigen band met de natuur?

“Als stadsmens ben ik echt van de natuur vervreemd. Ik geniet natuurlijk wel van uitstapjes naar het bos of de bergen en vind het heerlijk om te wandelen. Maar doorgaans sta ik even onverschillig tegenover de natuur als Dawn aan het begin van de film. De mentale en spirituele ommekeer die mijn personage in de film ondergaat, de band met de vijgenboom die ze ontwikkelt, was ook voor mezelf een bijzondere ervaring. Het was een geruststelling om te ontdekken dat ook ik me nog steeds verbonden kan voelen met de natuur.
Daarom was het ook moeilijker dan andere keren om na de opnamen ineens alles achter te laten. Ik was oprecht gehecht geraakt aan die plek, het landschap, die boom. En aan de mensen met wie ik al die tijd zo nauw heb samengeleefd. Vooral de kinderen. Die waren fantastisch. De familieband uit de film bleek ook in werkelijkheid zo hecht geworden dat ik me zorgen begon te maken over eventuele mentale consequenties voor de jongsten, op het moment dat de set zou worden opgedoekt en alle dagelijkse banden weer verbroken. Ik weet van mezelf dat dit een emotioneel trauma op kan leveren. Verlatingsangst. Gemis. Verdriet.”

Uw vader werd geboren in Frankrijk, uw moeder in Engeland. Maakt het voor uzelf iets uit of u in een Engels- dan wel Franstalige film speelt?

“’Engels is de taal van mijn moeder, Jane Birkin. Maar het is niet mijn moedertaal. Het is mijn tweede taal. Als ik in het Engels acteer, zoals in The Tree, blijft er in mijn geest toch altijd een soort distantie bestaan tussen mezelf en mijn personage. Het rare is dat die distantie voor het oog van de camera juist een extra speelruimte kan creeren. Je hebt de ruimte om je karakter op minder evidente manieren te benaderen. Je kan je tekst op frisse wijze brengen. Ik voel me meer op mijn gemak als ik in het Engels acteer.”

Naast actrice bent u ook singer-songwriter. Wat bevalt u meer: het acteren in een film of zingen op een podium?

“Als muzikante heb ik mijn schroom op het podium nog altijd niet echt overwonnen. Toch doe ik het graag. Ik zal mijn tournee pas onderbreken op het moment dat Lars von Trier me uitnodigt om naar de set te komen van zijn nieuwe film “Melancholia”. Vanaf dan zal ik me weer een tijdje volledig richten op het acteren.”

Bent u klaar voor weer een nieuwe Lars-ervaring?

“Oh ja! Ik hoor inderdaad veel mensen die zeggen: ‘Mijn God, ga je opnieuw met die gek van een Lars in zee?’ Eerlijk gezegd verheug ik me op een hernieuwde samenwerking. Ik heb me voorgenomen dit keer gewoon in het diepe te springen. Met de ogen dicht, bij wijze van spreken. Natuurlijk heb ik het scenario al gelezen. Het is een heel erg Lars von Trier-achtig science fictionverhaal, maar wat ik precies op de set kan of moet verwachten blijft een raadsel.

Charlotte's notebook

Charlotte's notebook

Aan “Antichrist” bewaar ik louter de beste herinneringen. Onze samenwerking is destijds heel vlot verlopen. Lars was zo lief en begripvol! Maar wie weet wat me dit keer allemaal te wachten staat. Wellicht dat hij zich dan toch als monster zal gedragen! Nee, serieus. Ik wil niets liever dan verkeren in de buurt van dat genie. Door hem te worden geregisseerd was echt een heel bijzondere ervaring. Zoiets heb ik nooit eerder meegemaakt. Nu ik al in aardig wat films heb meegespeeld, merk ik dat ik me bij mijn keuzes en beslisingen in de eerste plaats laat leiden door mijn verhouding tot de regisseur. Julie Bertuccelli is een heel ander soort van regisseur dan Lars von Trier, natuurlijk. Ze is minder uit op effect. Voor haar is sensibiliteit het allerbelangrijkst. Toen ik met “The Tree” bezig was, waren Julie en ik heel close. Ik dacht geen moment meer aan Lars.”

[“The Tree” – Regie: Julie Bertuccelli. Met: Charlotte Gainsbourg. In de zalen vanaf 25.08.2010]

bron: http://www.cobra.be/cm/cobra/film/100825-sa-thetree_sergevanduyn

Mai 68 van Gilbert Becaud: opnamen Nederland AVRO 1980

desc

via Dichters Dansen Niet: Mai 68 van Gilbert Becaud: Becaud aux Pays-Bas (1980 – Avro).

Facebook | Video’s van Blog Gilbert Becaud: Becaud aux Pays-Bas (1980?)

http://www.facebook.com/video/video.php?v=1436656790192

Ik weetniet of het “Dank U!” van Becaud – na het abominabele “L’important c’est la Rose” gericht aan het klapvee van de Avro Tele BingoShow anno 1980 als Dans le Cul is bedoeld. Net zomin of Becaud in het prachtige lied Mai 68 dat daarop volgt de frase “Et Mai 68, c’est une chansond’un autre âge” de eerste keer als “Et Mai 68, c’est une chanson de notre âge” heeft uitgeschreven en ingezongen. Op de cd die ik beluisterde lijkt het hier wel op.
In elk geval is het pianospel van deze formidabele zanger met de guitige pretoogjes live en niet play back – getuige de bij wijlen even losse als valse touch op de vleugel. “Kijk telebingo volk! Met losse handjes!”Vermoedelijk waren er al een paar petit coups de rhum achter de kiezen toen Mies Bouwman haar gast eindelijk die zaterdagavond ten tonele mocht roepen.

Vraag me tot slot af wat er van le petit Pierre geworden is. 41 jaar oud zal hij nu zijn. Het kado van een stoeptegelrevolutie die onder het plaveisel van de vastgeroeste maatschappij een strand van verlangen bloot wilde leggen. La poesie logera la vie! De Rolls Royce in de Rue du Bac heeft gebrand als toorts. De straten van Parijs zijn opnieuw geplaveid. De stad heeft zichzelf in een badkuip vol geld goed en klatergoud verdronken. Het lied van Becaud is een treffende tedere tegenhanger van Leo Ferre’s intens bittere “Paris je ne t’aime plus”.
Bellum transit – amor manet.

Serge van Duijnhoven

Tekst van het chanson

“Mai 68”

van Monsieur 100 mille Volts Gilbert Becaud:

Tiens, 12 ans déjà

…Qu’on est ensemble, presque mariés

Et le petit Pierre,le beau cadeau

Le temps va vite,voyage

Et Mai 68,c’est une chanson de notre âge

Tiens, 12 ans déjà

On était fou,on se foutait

Du monde entier,des gens mariés

D’la républiquetrop tiède

Et Mai 68,pour moi c’est “Je t’aime”

Simplementun seul mot”Je t’aime”

Tiens, tu t’en souviens

La rue du Bac,une barricade

Et je t’emmène chez moi

Pendant qu’on s’aimait

Des gens criaient,couraient

Une jolie Rolls brûlait

A la radio cette musique-là passait

Tiens, 12 ans déjà

Qu’on est ensemble,presque mariés

Le petit Pierre est contestataire

Le temps va vite, voyage

Et Mai 68, c’est une chanson d’un autre âge

Tiens, 12 ans déjà

Pour fêter ça,je t’emmène dîner

C’est rue du Bac,un p’tit resto”A la barricade”,ballade

Et de ce temps-là pour toi et pour moi

Restera un seul mot

“Je t’aime”

(1980)

bron: http://www.facebook.com/video/video.php?v=1436656790192


Gilbert Bécaud (1927-2001)

De Franse zanger Gilbert Bécaud werd in 1927 geboren als François Silly in Toulon. Op zijn vijfde stuurde zijn moeder Gilbert naar pianoles. Later studeerde Gilbert Bécaud aan het conservatorium in Nice. Hij wilde echter niet de klassieke kant op, maar koos voor een loopbaan in de amusementsmuziek.

Edith Piaf

In Parijs raakte Gilbert Bécaud in contact met Edith Piaf. Voor haar componeerde Bécaud “Je t’ai dans la peau”. Het nummer werd later wereldberoemd gemaakt door de Everly Brothers als “Let it be me”. Op aanraden van Piaf koos François Silly de artiestennaam Gilbert Bécaud. Zij voorzag problemen als hij zich in het buitenland zou presenteren als “Silly”.
Chansontraditie

Gilbert Bécaud stond met beide benen in de Franse chansontraditie, maar verwerkte hierin ook Amerikaanse invloeden. Hierdoor werden een groot aantal nummers wereldhits. Een groot aantal buitenlandse sterren nam zijn nummers op het repertoire, zoals Shirley Bassey.
De bekendste nummers van Gilbert Bécaud zijn onder meer: “Et maintenant”, “Nathalie”, “l’Important c’est la rose”, “Il fait des bonds”, “Quand il est mort le poète”, “Le jour òu la pluie viendra”, “Pilou Pilou hé” en “Dimanche à Orly”.

Monsieur 100.000 Volt

Gilbert Bécaud bezocht Nederland voor het eerst in 1955. Dat was een sensatie. Meteen liet hij zien waarom hij later “Monsieur 100.000 Volt” werd genoemd. “Hij vreet zijn micro op, slaat zijn piano stuk en schreeuwt als een bezetene.” Toen Bécaud zijn eerste concerten gaf, geloofde niemand dat hij het lang zou uitzingen. Maar hij was een blijver. Tot kort voor zijn dood in 2001 bleef hij muziek opnemen en zelfs optreden.
Gilbert Bécaud overleed op 18 december 2001 op 74-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker.


Gilbert Bécaud, de Franse zanger met de bijnaam “Monsieur Cent Mille Volts”. Vanwaar die bijnaam? Bécaud beantwoordt de vraag in het programma “Tienerklanken” uit 1965.
zie opnamen van dit programma:
http://www.cobra.be/permalink/1.659745

Je t’appartiens

Musique: Gilbert Bécaud, Paroles: Pierre Delanoë, 1955

Comme l’argile
L’insecte fragile
L’esclave docile
Je t’appartiens

De tout mon être
Tu es le seul maître
Je dois me soumettre
Je t’appartiens

{v1:}
Si tu condamnes
Jetant mon âme
Au creux des flammes
Je n’y peux rien

{v2:}
Si tu condamnes
Si tu me damnes
Voici mon âme
Voici mes mains

Avec les peines
L’amour et la haine
Coulant dans mes veines
Je t’appartiens

Que puis-je faire
Pour te satisfaire
Patron de la terre
Sur mon chemin

Comme les anges
Chanter tes louanges
Mais je ne suis pas un ange
Tu le sais bien

Je ne suis qu’un homme
Rien qu’un pauvre homme
Je t’aime bien
Comme un copain

{v1:}
Souvent je pense
Que dans ton immense
Palais de silence
Tu dois être bien

{v2:}
Parfois je pense
Que dans ton immense
Palais de silence
On doit être bien

Charlotte Lucy Gainsbourg – on THE TREE

Charlotte Lucy Gainsbourg – on THE TREE
 
interview by Serge van Duijnhoven
 
On the last day of the Cannes Filmfestival 2010, French actress and singer-songwriter Charlotte Gainsbourg talked to IFA-moviecritic Serge van Duijnhoven about her new and slightly metaphysical movie The Tree (directed by Julie Bertuccelli), her disattachment from nature, the shootingperiod in Australia, her upcoming new project with Lars von Trier, about the parallell but seperate universes of music and movies, Charlotte’s recovery from her cerebral haemorrhage in 2006, her latest concept-album IRM (produced by Beck) that resulted from this ordeal, and the experience of living a life in the shadow of one’s father-genius.
 
© IFA-Amsterdam – Serge van Duijnhoven 2010

for publication of the complete article, please contact: ole@ifa-amsterdam.com


 
 
R E L E A S E      D A T E S      T H E    T R E E

 
COUNTRY                DATE
 
France                       11th of August 2010
Switzerland              18th of August 2010
Belgium                    25th of August 2010
Spain                         17th of December 2010
 
C O N C E R T S  

22/07/2010 – LONDON ENGLAND

Movietrailer The Tree:
http://www.facebook.com/video/video.php?v=398209969394&oid=125213514291

 

Charlotte Gainsbourg has established herself as a talented actress of international repute. Honoured in 2009 with the prestigious Best Actress prize at the Cannes Film Festival for her transcending role as a mourning mother going bezirk in Antichrist, Lars von Trier’s latest production, Charlotte has brought truth and originality to a diverse, and often challenging, array of roles.
               Actress, fashion-icon, singer-songwriter, in each of these fields Charlotte Gainsbourg managed to impose her sensibility as a defining trademark. She is not so much impressed by the estafette of successes , as that she finds it all remarkable and strange. Because she did it all “a rebours”’ – much against the drifting tide of her tempers and hesitations. She still is, in so many ways, the pale faced, frail and skinny bodied adolescent girl from L’effrontee. A role she played with so much natural devotion back in 1986.
 
Charlotte Gainsbourg is known and reknown for her perfectionism. Her in depth preperations of the scenes she needs to play in front of the camera. Her close reading of the script. The research she puts into the study of her character. She seems the kind of woman who is not able to fail, even though she never immediately deems herself high enough to succeed. This attitude is not based on some false humility. All the more, it is based on a character that has sharpened and deepened itself through the years by the shere force of its inherent persistence and the overwhelming drive to methodologically overcome its insecurities. She is a lady who is successfull against her odds, not because of them. Precisely this, gives her character its genuinity and even – the more she comes of age – a glance of heroism. She was able to carefully build an impressive international career as an actress who was lucky enough to have worked with some of the true cinematographical geniuses of the century like Sean Penn, Charlotte Rampling, Alejandro Gonzales Inarritu, Lars von Trier and John Hurt. 


in the studio with Beck, Los Angeles 2009

            As a singer-songwriter, hesitantly and reluctantly, Charlotte is – just like her father and mother – now proceeding her own path too. Not forgetting about the gravity and uniqueness of her father’s stardom in this field. But for the first time also by performing live on stage without being hampered by the shere force of Serge’s historical reputation. Charlotte Gainsbourg is  one of those truly original characters who is becoming more interesting, sincere and profound, the longer one is able to look at her on screen, listen to them on stage, or follow them from nearby. Such as I had the chance at the International Filmfestival in Cannes or at the stage of one of her concerts during her IMR 2010 tour.
          “I am not a singer for the masses”, affirms Charlotte Gainsbourg during a round table discussion I had with her together during the latest Cannes Festival with a few other chosen journalists from European, American and Australian origin. “Nor do I consider myself to be a singer or actress destined for obscurity. I am probably one of those people who cannot help but being themselves, whatever role they play or whatever song they sing. The only thing I can do, is to play that role and sing that song the best I can. With all my proper energy and dedication. Now this task, to be myself as much as I can, is not an easy thing at all. Actually, it is horror. I do not know exactly where my inhabitations find their origin. But I do know that, because they exist, I probably do the things I do. And the way I do them. It might be that by trying to master my impulses, I purely follow them. Now that, to me – being a control-freak – is quite a depressing thought, indeed. So I do not try to think about it at all. You know what I mean?”

            “It’s strange. I don’t really identify myself with labels like “artist” or “musician.” What I do and the decisions I make – whether to make music or be in a film – are very instinctive and I only understand much later, in retrospect, my reasons for doing things. I try not to be too analytical and try to trust my instincts instead. To trust a bit in fate. The chance of trial and error, retreating and doing it once more in a slightly different way. There is no perfect way to proceed. Not one path towards progress. This is something I have to learn time and again. The only thing that counts, is the action itself. This may sound simple. But it is not. One has to find oneself. That is a huge if not impossible task. Because the self – infathomable as it is – may eventually not even exist. Now fathom that.” She laughs. Rolls her spoon through the plastic cup of her tea – that has cooled off since quite a while. She seems in a dreamy mood. Not very comfortable. Not very concentrated. Avec la tête dans la lune, as the French say so pointingly. With her thoughts somewhere else. To be precise: with her eyes gazing in her plastic cup of cooled off tea.
          In September 2006, Charlotte Gainsbourg sustained a head injury while waterskiing. Persistent headaches prompted her return to the doctors, who, after conducting neurological tests and an MRI, discovered a brain hemorrhage that was caused by the accident. The prognosis was serious, Gainsbourg explains: blood clots, and a small hematoma, had gathered around her brain. To save her, the doctors drilled a small hole into her skull in order to release the blood. The procedure worked, and in coping with the shock of it all, the singer learned that maybe those medieval doctors were on to something. “My realization wasn’t that dramatic as the surgery itself,” she qualifies, “but I was very, very close to death. I thought I was very courageous toward life and death, and I didn’t really care, but when it happened, I realized how scared I was.”
            “I don’t tend to analyse my behavior too much. After the waterski accident of 2006 and the following operation on my brain, I didn’t consciously go out and say, “I’m going to do an album and call it MRI and it will be cathartic.” It all happened randomly and it was only afterwards that everything made some sort of strange sense. I was thinking about the experience of the MRI, the sounds that surround you when you are in the machine and I wanted to experiment with those. I loved Beck and met with him and it just felt like a natural progression. He had written the lyrics “drill my brain full of holes” without having any idea of what I’d gone through. It was a total coincidence. It was through conversations with Beck and memories of that time in my life that the accident became the focus in some ways of my new music album.”
       Serendipity put her in the path of Beck Hansen, whom she met at a White Stripes concert in L.A. She and the singer-songwriter had a brief conversation, initiated by their common bond, producer Nigel Godrich (Radiohead, U2, R.E.M.), who had worked on Gainsbourg’s 2006 return to music, 5:55, and three of Beck’s most critically acclaimed records, including Sea Change. Gainsbourg and Beck met again, backstage at a Radiohead show in Paris, which prompted her to explore the possibility of making a new record. She called Beck and was soon working with him in his Silver Lake home studio. Casually, the two began to record, minus any concrete expectations.
            The sound, as with many of IRM’s string pieces, faintly resembles the sensual, warm string sections of Gainsbourg’s father’s. (Beck, in fact, sampled Serge’s “Cargo Culte” on his track “Paper Tiger,” on Sea Change.) “I think they use strings in an entirely different way,” she says of her father’s propensity to use arrangements as a punctuation, as opposed to the Beck family’s more atmospheric runs.
            “My creativity comes out with others,” Charlotte acknowledges. “That’s why it is such a pleasure to be involved with Beck. I can’t do anything on my own. I like the idea of entering someone else’s world. I find more freedom inside someone else’s work rather than being completely free, and able to create anything.”
            “I try to combine acting and singing. And not let the one being jeopordized by the other. I had to turn down films in order to do this IRM tour that I am doing now. I regret but that’s how it is. I only will stop my tour on demand of Lars von Trier, who asked me to do a new film with him – Melancholia. And that project I consider to be more important than my music at that time.”


Charlotte handing over the Palme d’Or to Thai director Apichatpong Weerasethakul – May 23rd 2010, Cannes
 

Are you ready for a second Lars experience?
 
“Oh yes! (laughter) Many people have said, “Oh my God, you’re working with Lars again?” but I’m actually very happy to work with Lars again. I am going into this new project in some ways with my eyes closed. I’ve read the script of course, it’s a very Lars version of science fiction, but I’m not sure what to expect, which is of course very exciting to me. I loved working with him, there were no negative aspects of any kind. He was very sweet. Although who knows what will happen with this next project, maybe he’ll become a monster! No really. His genius, that I want to be close to again. The experience of being directed by him was so special. I really had never experienced something like that before. Now that I’ve done quite a few movies, more than the script, its my relation towards the director that counts in the first place. July Bertuccelli is a very different director than Lars von Trier, of course. For her, sensibility comes up first. It was her I was working for, while doing The Tree. I was not thinking about Lars.”


Notebook of Charlotte, kept during her shooting period for The Tree

 
Was your role as a young but grieving mother in The Tree also a discovery into the realm of family, in some way?
 
“A discovery not, but exploration yes. I like that aspect of the character that’s she is not coping well with being a mother in the beginning. She can’t cope with that loss. The only thing that brings her to life, after a while, are her children. And that man. I liked that journey. I like the fact that she wasn’t a good mother. I like people’s faults. I got to grow very close to the children that are playing a role in this movie. And also with my own children coming over at a certain stage during the process, we all became like some sort of family as it were. A big group. In the beginning I was nervous that people were not going to believe that I am the mother of these children. These were very small children. But it all became very natural. They all have their own character. Of course we had a lot of rehearsals so that we could all make it work and make it happen. We had the time.”


 
Last year, when she received the prize for Best Actress in Cannes 2009 for her role in Antichrist, Charlotte Gainsbourg said, addressing her father and looking upwards: daddy, I hope that with this movie I have shocked you…
 
Do you remember having said this?
 
“Of course I remember.”  
 
Do you think now a new phase is coming up? You do not have to shock him anymore? You proved it. You can move on to the things you really want to do yourself?
 
“It was a small remark. I am not living my life mainly or only with that relationship, really. It is important for me, and I had to say this. But I’m not doing films thinking about him all the time. And I’m not doing music only thinking about him either.”
 
Last time I was in Paris, there were posters everywhere for Gainsbourg Vie heroique, the movie of Joann Sfarr about your father. Was that a difficult time for you to be around in your city?
 
“No, I wasn’t in Paris at that time, which was quite helpful. I didn’t see the film. I didn’t want to see it. In the beginning I had a lot of contact with director Joann Sfarr, yes. He even wanted me to play the main role. But than I decided not to. I could not be involved in all of this. It is too close to my blood, my own life, my mother. To me.”

 
Still, you are following in the footsteps of your father and mother, by performing live on stage with a band and making studio albums…
 
“It is something that is very exciting and that I have only discovered quite recently because I rarely did it in the past. I had little experiences in January in New York. But then we stopped and I started again in April, in Canada and the USA. It’s a whole discovery and so different from anything I have experienced before.
It is very very extreme. Just being in front of a crowd. I can’t even remember how it was like once it is done, because of the intensity one tends to forget. Or one thinks: was it but a dream? So I have to go back on stage to make it feel real. I am panicking a bit already. Because of the oblivion. That I cannot remember exactly what I did or how I did it last time. But it is fun – a lot of fun.”
 
With the huge palmares that you have at the moment of having made so many outstanding movies, do your very first movies – like L’effrontee – still mean something special to you.
 
“O yes! Well, specially those films. L’effrontēe and La petite voleuse. Because they were very important films to me. I suppose it is a bit like a novellist who thinks very tenderly of his debute, no? I like being that age I was in then. Experiencing shoots along with the naivity. I remember them very precisely, even they are the films I shot the longest ago.”


 
Charlotte Gainsbourg – “I understood why we went that far for filming The Tree all the way down in Australia, once we got there. Once I saw the landscape, that tree that July Bertucelli had looked for for so many months. And that house. Then I really got it. And I understood that part of the story that is so important. The tree that we pictured in the movie, is a real character for himself.”
 
The main character?
 
“No not the main character. A symbol of life and a symbol of death at the same time. The power of nature.
The nature over there is so powerful, so overwhelming. When it starts to rain, it is like heaven coming down. Not Europe rain. Everything is very intense. It did make sense. Because of the story. It was very helpful. I was reluctant to go there in the beginning, because it was so far away from everything. From my own children, their school. I am also a mother, you know. With her peculiar concerns.”
 
What is your own relationship to nature? In the movie there is a line: that there is a limit to nature.
 
“I feel quite distant. I am not that close to nature. I love being in the country side, taking holidays. I can very often be, like in the film, completely disconnected. So being forced to have this relationship with nature in the film, was very new. It was a discovery, a process I liked. Leaving all that behind, after the shooting, was also very strange. Also because of all the people I was leaving. Knowing that I would not come back very soon. And during the shoot, one became quite close attached to one another. Especially the children.  I like that idea of being in disbelief. And then the development of the tale. That she could have dialogue with her deceased husband through that tree. I liked the fact about not knowing whether to believe or not.”
 
So to you this is not a movie about reincarnation, or life after death?
 
“Not really. Well of course there’s this possibility of reincarnation. But to me, I find it more interesting to go with each character and what they want to believe. It was my first time in Australia. It was sort of a country shock. A nature shock. Because I live in Paris, I am always travelling to cities. For the first time I spent three months really in the middle of nowhere. Because that is where we were. It was very strong for that story. We needed that. The fact that I went there without my own children. Without my husband. We were three women, the producer and July the director. Three women without their children, no men around. Because of the story, it did make sense. I was very scared of the red bugs. The creatures all around in that Australian environment. Rattle snakes. The flying dogs. At one instant I even met a snake.”
 
What did he tell you?
 
“I will never tell you!”
 
 
 
–         end of the talk –

The Story

Dawn and Peter O’Neil live together with their children, on the outskirts of a small country town. Next to their rambling house stands the kids’ favorite playground: a giant Moreton Bay Fig tree, whose branches reach high towards the sky and roots stretch far into the ground. 
Everything seems perfect until Peter suffers a heart attack, crashing his car into the tree’s trunk. Dawn is devastated, left alone with her grief and four children to raise.
Until one day, 8-yearold Simone, reveals a secret to her mother. She’s convinced her father whispers to her through the leaves of the tree and he’s come back to project them.
Dawn takes comfort from Simone’s imagination, and the tree starts to dominate their physical and emotional landscape. But the close bond between mother and daughter, forged through a mutual sorrow and shared secret, is threatened by the arrival of George, the plumber, called in to remove the tree’s troublesome roots. 
As the relationship between Dawn and George blossoms, the tree continues to grow, with its branches infiltrating the house, its roots destroy the foundations.
Feeling increasingly isolated, Simone takes refuge in her beloved tree, refusing to come down.
Dawn is forced to make an agonising decision. But as the heavens open and nature takes over, she may have left it too late. 

SvD – IFA-Amsterdam
 

Bij de dood van Tonio van der Heijden 15.06.1988 – 23.05.2010

De laatste dagen volstrekt van slag door het nieuws van de brute dood van Tonio, enige zoon van de schrijvers Adri van der Heijden (A.F.Th.) en Mirjam Rotenstreich. Tonio is vorig weekeinde terwijl hij op de fiets zat, na een feest in Paradiso te Amsterdam, geschept door een auto. Op de hoek Stadhouderskade – Hobbemastraat. Van half vijf ’s ochtends tot half vijf ’s middags hebben artsen gevochten voor zijn leven. Uit de operatiekamer is hij in het bijzijn van zijn ouders gestorven.

Tonio was ambitieus en stond midden in het leven, hij had net te kennen gegeven een Masters te willen halen (hij studeerde media-techniek aan de Universiteit en was bovendien fotograaf). Hij was hun enige zoon en laat hen kapot achter. In een brief die Adri aan vrienden rondstuurde, zat een foto, een zelfportret van Tonio, waarin hij zichzelf heeft gekleed en poseert als het beroemde portret van Oscar Wilde.

Tonio\’s Picture of Oscar Wilde

Tonio is geboren op 15 juni 1988, ik ben de baby destijds als zeventienjarige rakker die Adri adoreerde en als Ossisch schoolkrant-jochie ook nog trots mocht frequenterenen, gaan bezoeken in de Jacob Obrechtstraat in Amsterdam. Heb een zilveren lepeltje laten graveren met zijn naam erin. En het boek Tonio Kröger gekocht, van Thomas Mann – naar wie Mirjam haar zoon verkoos te vernoemen.
In Adri’s nauwgezette dagboeknotities die de Arbeiderspers in 2003 onder de titel Engelenplaque uitbracht in de reeks Privédomein (d.d. 12 november 1998), staat geschreven: ‘Het is de oudste vorm van ruilhandel: Wij doden de tijd, de tijd doodt ons. Gelijk oversteken…’ Zaken als de verlossing van de menselijke ziel of de voltrekking van het Laatste Oordeel,  zo suggereert A.F.Th., zullen Leenheer Tijd een rotzorg zijn. Op meededogen hoeft geen mens te rekenen. Maar tegelijkertijd zal deze oerkracht van de pachters op aarde nimmer meer opeisen dan Hem toekomt.. Geen enkel wezen heeft de morele of godsdienstige verplichting om zorg te dragen voor het lenigen van een schuld die groter is dan zijn bestaan vanwege de collectieve last der ‘erfzonde’. De Natuur kent geen goed of kwaad, slechts overwinnaars en verliezers. Zij die omkomen, zij die overleven…

In de krant werd bericht dat de chauffeur een 23 jarige jongeman was. Naar alle waarschijnlijkheid niet dronken. Het ene leven dat tegen het andere werd weggestreept. Het is allemaal niet te geloven. Hoe dit soort calamiteiten te duiden?

Ik herinner me wat dit betreft die pikdonkere, grimmige Western van Clint Eastwood: Unforgiven (1995). Op het moment dat Clint de soevereine sherrif Little Bill (Gene Hackman) eindelijk in het stof doet bijten, vraagt die laatste vertwijfeld: Why do I deserve this? Waarop Clint doodkalm antwoordt, vlak voor hij de trekker overhaalt: Deservance’s got nothing to do with it, Little Bill. Het is een heel gangbare, maar veel minder sublieme illusie dan die bv. op het filmfestival in Cannes – waar ik de afgelopen weken vertoefde – jaarlijks gevierd wordt: dat we in dit leven uiteindelijk allemaal kunnen of moeten krijgen wat we verdienen. Ben je mal.

Shakespeare biedt als immer troost. Weg ouwe albedil, dood, weerhoudt uw schimmen!

Moge Tonio van der Heijden – zoals de besten onder ons te vroeg vertrokken op zijn reis door de Tijd – rusten in Vrede. En moge Mirjam en Adri de kracht vinden om vanaf de bodem van dit verdriet, het verpletterende verlies van hun enige lieve zoon te
dragen. Etiam pro nobis…

Tonio fotografeert zichzelf als de artistieke fotograaf die hij was en verder wilde worden