SREBRENICA: RILLING VAN DE WAARHEID

‘Kijk je slachtoffer niet in de ogen. Nooit. Neem hem desnoods zijn ogen uit.’

Toen Franz Stangl, de commandant van Treblinka, werd gevraagd: ‘waarom, als ze toch vermoord gingen worden, waarom dan alle vernedering, waarom de wreedheid?’, antwoordde hij: ‘om het makkerlijker te maken voor de mensen die de bevelen moesten uitvoeren.’

De premisse van tegenwoordig is, dat iets niet gebeurd is als het niet ook op tv is geweest. Maar alleen op de tv vertrouwen voor de nieuwsgaring, is als het donker aftasten met behulp van een stroboscoop. Op de buis krijg je flitsen van de werkelijkheid te zien, meer niet. De afgewogen blik vereist een meer precieze en doortastende aanpak.

Srebrenicagraves6
Er is nu eenmaal teveel dat aan de aandacht van zelfs de scherpste fotografen, cameralieden en verslaggevers kan ontsnappen. Er is zoveel dat we niet zien, omdat het blijft steken in de dode hoek van onze ogen – en van onss bewustzijn. De grootste massaslachting in Europa na de Tweede Wereldoorlog, gebeurde in het bijzijn van de voltallige wereldpers die op dat moment in Bosnie al vier jaar lang kwartier hield. De dames en heren fotoreporters, cameralieden en verslaggevers bivakkeerden vlakbij de enclave in Oost-Bosnie die onder de voet werd gelopen, maar stonden er net niet dicht genoeg op om te zien wat er gaande was. En dus leek het in de eerste dagen en weken na de ramp of de tragedie niet had plaatsgevonden. De journalisten geloofden de verhalen van de vele hysterische vrouwen in de opvangkampen niet. Het bloed dat enkeldiep in de greppels stond, de schuren die tot de nok toe vol lagen met lijken, de burgers die zich uit wanhoop hadden opgehangen voor generaal Mladic ze kwam halen, de duizenden mannen die de bergen in waren gerend en met artillerie en luchtafweergeschut waren beschoten… toen het er werkelijk op aankwam waren naast de Dutchbatters ook de verslaggevers – de ogen van de oorlog – blind. Ziende blind, precies als koning Oidipous uit Sophocles’ beroemdste tragediespel. Wij weten en wij weten niet…

In het boek Die Biologie des Krieges van de Duitse professor Archibald Nicolai, een traktaat dat ongelukkiger wijze verscheen vlak voordat de Nazi’s met brandende fakkels, banieren en gelakte laarzen een einde maakte aan de Weimar-Republiek, beweert de hooggeleerde wetenschapper: `Alles wat te groot wordt sterft uit. Zo is het ook met oorlog, die zichzelf sedert “14-18” in zijn eigen megalomanie heeft verslonden.’

De miskleun van de Duitse bioloog legt meer bloot over het menselijk tekort tout court, dan diens quasi-Darwinistische paradigma over de biologie van de strijd. In de decennia na het verschijnen van Die Biologie des Krieges werden er volgens voorzichtige schattingen minimaal zestig miljoen mensen over de kling gejaagd in gewapende conflicten. Er volgden genocides op de joden, zigeuners, tutsi’s en Bosnische moslims.Wat betekende dit? Dat de menselijke soort niet meer te bevatten is binnen de evolutie? Dat ze een anomalie is in de schepping, een uitzonderlijk geval (iets wat evangelisten al lang beweren)? Dat zou onzin zijn, want de menselijke soort is evengoed onderhevig aan natuurlijke wetten als alle andere levende – en dus sterfelijke – wezens. De bloederige werkelijkheid toont in ieder geval wel aan dat het menselijke handelen onvatbaar blijft voor academici die uitgaan van wetmatigheden en theorieën die op papier volstrekt logisch lijken. Wetenschappers als Nicolai zijn brave positivisten, maar zolang het wantrouwen ten opzichte van de denkbeelden die ze ontwikkelen tekortschiet is hun geleerdheid geen knip voor de neus waard.

De cijfers die ertoe doen (levensverwachting, kindersterfte, inkomen per hoofd) vertellen allemaal het verhaal van de vooruitgang. Toch kan geen weldenkend mens erin geloven, en niet alleen doordat die materiële vooruitgang verontrustende bijverschijnselen kent: ecologische vervuiling, uitputting van grondstoffen, massavernietigingswapens, blijvende conflicten…Nee, het ware probleem was dat we niet meer geloven dat materiële vooruitgang morele vooruitgang mogelijk maakt. We eisen volmaaktheid van onze auto’s, onze medicijnen, onze computers, maar van ons morele leven eisten we hoogstens dat het voldoet. We eten goed, we drinken goed, we leven goed, maar onze dromen zijn helaas niet goed. Onze driften blijven grommen, onze verlangens gekooid. De gruwelijkheid blijft keer op keer ons feest bederven. Telkens als we er even niet aan dachten, duiken de spookbeelden weer op van de gebrekkige mens die faliekant de fout in gaat, en zich laat leiden door nationalisme, fascisme, bloeddorst, moordlust, vernietigingsdrang, naijver, wraak. De voorbeelden zijn legio, ook na de Tweede Wereldoorlog en de holocaust: Korea, Vietnam, Colombia, Angola, Mozambique, Cambodja, Rwanda, Somalie, Burundi, Congo, Sierra Leone, Tsjetjenie…

Ook op de Balkan, in Bosnie, dit uitgerukt hart uit het Joegoslavie van weleer, had de oorlog zich ingevreten als een schimmel, een gezwel. Degenen die voor hun ethnische geestdrift wilden sterven, waren niet in de ruimte maar in de tijd verdwaald. Het Europa van de eenwording keek hulpeloos naar het Europa van de bloedige verbrokkeling. Juist omdat het om een anachronisme ging durfde Europa niet in te grijpen, dat hoort bij het vorige, hier heeft het zich al eens voor uit elkaar laten scheuren.

Maar de gevolgen van de stammenoorlogen wilde het ook niet op zich nemen, een oneindige rivier van vluchtelingen uit deze en volgende conflicten, die traag in de richting van het Westen stroomde. Er liepen kwaadaardige optochten door onze apotheotische dromen. We werden herinnerd aan alles wat we hadden willen vergeten. Ieder werd zo uit zijn eigen tijd gerukt. De Joegoslaven uit de hunne, en wij uit de onze. Iedereen zag een afgrond voor zich. En toch, wat was het uiteindelijk, deze uit de hand gelopen ruzie tussen voormalige landgenoten?

In de jaren tachtig was ik oprecht bevreesd voor het uitbreken van een atoomoorlog, zoals iedereen met een beetje voorstellingsvermogen. Ook ik achtte de mogelijkheid aanwezig dat eens de dag zou komen waarop kernraketten aan beide zijden van de Atlantische Oceaan hun opslagplaatsen zouden verlaten, om het ruimteschip aarde finaal tot zinken te brengen. Wat er over zou blijven van de planeet was niet meer dan een vlekje dat zich tijdens de grote verzengende atoomflits op Gods netvlies had gebrand. De cosmische hygiene zou, in een storm van vuur, zijn zelfreinigende werking vervullen.

De oorlog op de Balkan was van conventionele, onverwachts ouderwetse aard. Een oorlog zoals de mensheid die gedurende haar hele bestaan al had gevoerd. Een offervuur dat net als de Olympische vlam nooit schijnt te mogen worden gedoofd, en dat permanent wordt aangeblazen door een immense blaasbalg die zo oud is als de wereld. De verwoesting die zij aanricht blakert en bemest de aarde, volgens een haast ondoorgrondelijk principe. Leven is vetmest voor de dood, en het bloed en vlees zijn bouwstoffen voor nieuw leven. De grote slachtingen zijn rites ter ere van de krachten die hierover beschikten; krijgers die hun tooien geverfd hebben met het gapende zwart van de kosmos.

De val van Srebrenica werd een Europese nachtmerrie. Het einde van een precaire droom van eenheid en vrede die in de andere hoofdsteden enkel nog met de grootste moeite, met de cynische verachting van het stoïcisme kon worden gekoesterd. De genocide morste spetters over het blauwe blazoen met de triomfantelijke gele sterren. De illusie van het Verenigde Europa, verwapperde in de wind.

Ook de idealen van Joegoslavie hadden afgedaan. Eenheid en broederschap, vrijheid en menselijkheid waren verworden tot rottende kadavers. Hun lichamen werden ook na de val van Srebrenica nog maandenlang iedere dag beschoten op de Boulevards langs de frontlinie in Sarajevo. De val van Srebrenica maakte van Bosnie definitief de afvoerput waardoor de lieflijk bloemenplukkende deerne waarnaar ons continent vernoemd is, bruut ontvoerd werd naar de donkere, rokende onderwereld. Het rijk van Hades en Lucifer en zijn hedendaagse duivelszonen en drakenridders zoals Doktor Radovan Karadzic en zijn generaal Ratko (what’s in a name!) Mladic (Ratko Mladic betekent feitelijk: de jonge krijgheer).

Het Westen bleef zich almaar hoeden voor de finale ruggeprik, de injectie tussen haar wervels. De verwende burgerzonen in het Westen bleven liever thuis en keken hun journaal; een film zonder plot, zonder helden. Men was te druk met het opsouperen van het vredesdividend, zo vlak na het einde van de Koude Oorlog. We lieten het duister hart van het continent leegbloeden. We offerden het, zoals de Azteken deden met de harten van hun jongelingen. We wierpen het orgaan in het vuur en lieten het wegsudderen in het eigen kooknat. Kijk je slachtoffer nooit, nooit in de ogen. Neem hem desnoods zijn ogen uit

Een vraag die mij sinds Srebrenica en de algehele tragedie in Bosnie bezig is blijven houden, is: wat is toch die onuitroeibare neiging van de mens om te verwoesten wat zo moeizaam is opgebouwd? Wat is toch de oorzaak van de naijver, die de boer ertoe aanzette te wensen dat God hem een oog uit zou nemen? Kunnen wij slechts vrede hebben met ons eigen lot, door de levens van anderen te kleineren – tot vernietigens toe? Misschien is het stom toeval en zit het in de genen. Een vergissingkje van de grote monteur daarboven, een assemblagefout in het laboratorium van het Heel & Al, die het gevolg is van teveel stress of vermoeidheid bij de schepper die altijd wakker moet zijn en alles in de gaten moet houden? Misschien is het een vloek die de mensheid over zichzelf heeft afgeroepen, en waar we niet vanaf kunnen geraken.

In 1995 probeerde de aartsbisschop van de orthodoxe kerk van Macedonië, Mihael Gogov Metodija, me enige duidelijkheid te verschaffen over het gedrag van zijn mede-Balkanbewoners aan de hand van een parabel. Mihael was de grootvader van Sonya Mitrinovska, een jonge dichteres met prachtige groene ogen die ik had leren kennen op de Struga Poetry Evenings, aan het meer van Ohrid. Meestal ontmoetten we Mihael in zijn hoofdstedelijke residentie, een villa nabij de Vardar-rivier, naast een kapel die gewijd is aan Sint Joris de drakendoder. Een mooie man was het, met grote, ronde donkere ogen, een hoogopstaande zwarte odora op het voorhoofd en een imposante, spierwitte baard.

Mihael was vierentachtig. Als hij sprak, kwam zijn stem van diep. Zijn gezondheid was broos. Zes jaar had hij gevangen gezeten op Goli Otok, een steengroeve voor de kust waar de communistische en anti-kerkelijke maarschalk Josip Broz Tito hem dwangarbeid had laten verrichten. Op het eiland leerde hij in de avonduren Engels. En ’s nachts vertaalde hij boeken uit het Russisch, vooral Dostojevski, Tolstoj en Gogol. `Ik had het makkelijker dan veel van mijn medegevangenen,’ zei Mihael over zijn krijgsarbeid. `Ik wist tenminste waarom ik gevangen zat.’

De man was de mildheid zelve, maar de oorlogshandelingen van zijn voormalige landgenoten in Bosnië, Servië en Kroatië verbaasden hem geenszins. `De Balkan wordt bevolkt door volkeren die veel hebben geleden. De wraak lijkt op ons allen te rusten als een banvloek. Het kost moeite om die vloek te breken.’ De parabel die hij toen vertelde, over de oorsprong van de Balkan-vloek, schijnt in verschillende variaties onder de Zuidslavische bewoners voor te komen. Hij gaat over de aanleiding voor God om de mensen te verlaten.

Lang geleden, aldus het verhaal, toen God nog samen met de mensen de aarde bewoonde, zwierf Hij eens in de winter door de bergen van het land dat Hij geschapen had. De avond viel en het begon hevig te sneeuwen en er stak een storm op. God kreeg het koud en klopte aan bij een van de kleine boerderijen in het dal. Een man deed open en gaf God te eten en te drinken, en hij stookte de kachel extra hoog op om het zijn verkleumde gast gerieflijk te maken. God was de boer dankbaar voor zijn gastvrije ontvangst, en Hij wilde dat tonen door de man toe te staan een wens te doen. `Maar denk eraan,’ zei God, `alles wat je wenst, zal je buurman ontvangen in tweevoud. Wens je een baar goud, dan krijgt je buurman er twee, wens je drie koeien, dan krijgt je buurman er zes. Wens je vier zonen, dan krijgt je buurman er acht.’ De boer dacht diep na. Hij wist zo snel niet wat hij moest wensen, want hij wilde niet dat zijn buurman er beter van zou worden dan hijzelf. De boer stelde voor eerst te gaan slapen. In de ochtend zou hij God dan vertellen wat zijn wens was. ’s Ochtends vroeg God aan de boer of hij wist wat hij wilde wensen. `Ja,’ zei de man. `Ik wil dat U mij een oog uitneemt.’

Hierover zou God zo verbolgen zijn geweest, aldus de aartsbisschop, dat Hij besloot niet langer onder de mensen te blijven en de aarde te verlaten.

`Wat zou jij hebben gewenst, als je in de positie van de boer had verkeerd?’ wilde Sonya later weten. Ik antwoordde dat de boer volgens mij had moeten wensen dat hij iedere dag een comfortabele slaap zou mogen genieten van twaalf uren. De buurman zou dan zijn hele verdere leven in een vredige, comateuze toestand moeten doorbrengen, als een soort van snurkende, mannelijke Doornroosje die in zijn alkoof lag opgebaard.

Sonya lachte wat schamper.

`Het is te merken dat je niet van de Balkan komt,’ zei ze. `De buurman zou er je dankbaar om zijn. Hij zou een stuk minder hoeven te werken dan jij…’

`En jij?’

`Ik zou niet wensen dat er bij mij een oog zou worden afgenomen, maar een teelbal.’

De oorlog in Bosnie is – juist vanwege Srebrenica – een web waarin niet alleen de Bosniers maar ook wij West-Europeanen onszelf hebben gevangen. Een rapport als dat van het NIOD, alsmede de vele getuigenissen, documentaires en boeken, kunnen de draden van dat web niet breken, ze kunnen niet het perspectief van de hoogte bieden en hooguit dienen als geheugensteun, als bewijsstukje in het slepende proces dat de mensheid al sinds duizenden en duizenden jaren voert tegen zichzelf, en dat bekendstaat als de geschiedenis. Als we de schanddaden zoals die van Srebrenica uit het verleden in de toekomst willen voorkomen, moeten we weten wat er gebeurd is en hoe het heeft kunnen gebeuren. Het proces moet gevoerd worden, de feiten mogen niet zomaar verdwijnen onder het puin en de nieuwe gebouwen, het nieuwe asfalt dat met ontwikkelingsgelden over de verbrokkelde wegen en boulevards van het verscheurde land van de Zuidslaven wordt uitgestort. De verantwoordelijken mogen hun straf niet ontlopen. Maar ook dit is een dilemma; want juist omdat we onze geschiedenis zo conscientieus en zelfbewust met ons meedragen (als vaandels en banieren in een demonstratie of een plechtige optocht), zal ze heel moeilijk tot rust kunnen komen. Het is zoals met het slavische volksgeloof: de rust van de doden respecteer je. Erover spreken doe je beter niet, want de geest van de dode die naar jou op zoek is, heeft je gevonden op het moment dat je zijn naam uitspreekt. Zeker niet als het gaat over iemand die jij zelf hebt gedood of die je vlak onder je ogen vermoord hebt zien worden, in de dode hoek van je blikveld, zoals wij Nederlanders ten tijde van Srebrenica. Hoe dan ook; de wroeging over onrecht dat werd aangedaan zal blijven knagen, de botten van hen die op gruwelijke wijze zijn vermoord roepen om gerechtigheid.

Sommige vragen blijven urgenter dan ooit; wat is er gebeurd met al die mannen die verdwenen zijn? Kan vrede een kans krijgen na het bloedvergieten? Kan de eeuwenoude cyclus van de haat en bloedwraak doorbroken … en zo ja, hoe pakken we het aan? Kunnen we een overwinning boeken in het proces dat we in naam van de beschaving al sinds eeuwen voeren tegen de redeloosheid en de wreedheid? Zullen we erin slagen de banvloek te breken van de boer die wilde dat zijn buurman een oog zou worden uitgenomen? Of zullen we onszelf en ons nageslacht blijven teleurstellen en zullen kinderen in Tuzla en Rotterdam en Jeruzalem over honderd jaar nog altijd tegen hun ouders zeggen, zoals mijn grootvader in de jaren dertig tegen zijn vader en moeder: ‘wat voor een wereld laten jullie ons na?’

Het zijn kwesties waarin iedereen uiteindelijk stelling zal moeten nemen, waar niemand onverschillig of neutraal in kan blijven. De cynicus zal zeggen: de vooruitgang zal zo groot zijn als het aantal slachtoffers dat ze kost. Hoe geavanceerder de beschaving, hoe groter het aantal mensen dat door ons vernuft geruisloos zal worden vermalen. Hoe harder we voorthollen, hoe sneller we het einde naderen. Maar het hoeft niet zo te zijn. We hebben een keuze. Een keuze om de slachtoffers – en de waarheid – eindelijk in de ogen te kijken. En ze niet, bij wijze van spreken dit keer, nogmaals de ogen uit te steken. Door de andere kant op te kijken. Door te doen of er foto-rolletjes zijn mislukt, of verkeerde inschattingen niet hebben plaatsgevonden, door de werkelijkheid te ontkennen, de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen, door het er maar bij te laten zitten, door niet onder ogen te willen zien wat er is geschied. Nu de tragedie in Srebrenica is geschied, moet het recht zijn beloop hebben. Het gaat niet enkel om een paar politieke consequenties en repercussies, maar om wat Nabokov zo helder noemt, the shiver of truth. De rilling van de waarheid. Zolang we die voelen, is er nog hoop.

(c) Serge van Duijnhoven     2 april 2013

Advertenties

Over het boek [Balkan] Wij noemen het rozen

Wij noemen het rozen.cover schuin

titel [Balkan] Wij noemen het rozen
auteur Serge van Duijnhoven
ISBN 9057591235
jaar 1999
pagina’s 226
uitgeverij Podium

NU TE KOOP ALS E-BOOK VIA DE ONLINE UITGEVERIJ LAZARE VAN JERRY GOOSSENS:

http://www.lazare.nl/ebooks/detail/57/Balkan-Wij-noemen-het-rozen?t=0

[Balkan] Wij noemen het rozen

[Balkan] Wij noemen het rozen

225 pagina’s | 2013 | isbn: 9789462220164 |  eBooks”>eBooks- Boeken > Fictie > Literatuur”>literatuur
Deel dit boek: Delen op Twitter Delen op Facebook Delen op Google+

Omschrijving

[BALKAN] WIJ NOEMEN HET ROZEN is een indringend geschreven boek over “het duistere hart van Europa”. Weinigen uit de Nederlandse journalistiek en literatuur hebben zich in dit geplaagde gebied zo verdiept als Serge van Duijnhoven. Hij kroop er achter de linies en “de muren van verdriet”, onderzocht de oorsprong van de woeste schemerzone aan de rand van de Europese beschaving, verbleef in het belegerde Sarajevo, toog naar een Kroatisch eiland voor een schrijversfestival en nog veel meer. Gedreven verhaalt hij over zijn ontmoetingen met Bosniërs, Kroaten, Serviërs, Bulgaren, Albanezen en Macedoniërs, mensen die stand houden en zich verweren, overeind krabbelen en volharden-in oorlog en vrede. Aldus ontstaat een scherp en schrijnend beeld dat ook los van de actualiteit beklijft.

Zonder verward te raken in al te momentane analyses van de politieke situatie, loodst de dansende dichter de lezer door het verwoeste heart of darkness van Europa en registreert daarbij de stemmen van de bevolking. Die probeert langzaam te herstellen van ‘de afdaling naar de bronnen van het redeloze, de instincten, de roes’ die de oorlog is geweest. Anders dan in de vorig jaar verschenen dichtbundel-met-bijhorende-cd ‘Obiit in Orbit – aan het andere einde van de nacht’ – mogen de overgordijnen in ‘Balkan’ af en toe eens op een kier. De duisternis die daar steevast op volgt, komt daardoor eens zo hard aan.

Planet Sarajevo, by Sahin Sisic

kaartbalkan.anicamiloshevska.boekinfo_scan.php
Kaart van de Balkan met plekken uit het boek, getekend door Anica Milosevska

Serge van Duinhoven’s relaas over de Balkan is moeilijk te beschrijven in termen van bestaande genres. Het is een tijdsdocument, geschreven door een journalist, dichter, en meelevend individu, die probeert zijn ervaring tijdens zijn reizen door de Balkan (Macedonië, Kroatië, Bosnië) objectief vast te leggen. De rol van de westerse media, de discussies hier, in Amsterdam, en het echte leven daar, maar ook de corruptie, de misbruik van macht, de ontgoocheling, alle tegenstrijdigheden zijn uitgebeeld in dit uiteindelijk toch zeer verhelderend boek over een ten diepste verwarde, belingerente en nog altijd in mythen gehulde landstreek “ergens ver weg in Europa”.  Van Duijnhoven fungeert als gids die ons tussen zijn boeiende verhalen door, de weg wijst naar het diepe, donkere en onvermoede hart ervan.

Met de rozen uit de titel bedoelen de inwoners van Sarajevo de vormen, de gaten in de straat die de scherven van een uiteenspringende mortiergranaat achterlaten. “We call them roses, but they don’t smell like it”, vertelt een meisje hem met typische Bosnische zwarte humor. Het is een beetje dezelfde humor die in alle verhalen naar voren komt: “Oorlogen zijn de rosse buurten van deze aarde. Ze wemelen, behalve van het viriele krijgsvolk, van de pottenkijkers: ruige of minder ruige lieden die zich op de hoogte komen stellen van het vlees in de kuip. Bovendien bezitten ze voor buitenstaanders, in al hun smerigheid, een schemerachtige aantrekkelijkheid.” Aldus één van de reisverhalen, ‘Kolonel Kurtz in Sarajevo’. In dit hoofdstuk staat de auteur stil bij de oorlog en de manier waarop die bij ons wordt geconcipieerd. “Lopend door de stad heb ik me regelmatig gevoeld als een hoerenloper – spiedend naar de bevolking die in al haar misère ontbloot achter de kapotgeschoten ramen zat te wachten” (p.131)

Die “schemerachtige aantrekkelijkheid” in de reisreportages van Van Duijnhoven is prachtig opgeschreven en doet daardoor zeer literair aan. In de verhalen worden de clichés en vooroordelen die over de Balkan leven bevestigd noch ontkracht. Dat is alleen mogelijk als je, letterlijk van binnenuit, als een gretig waarnemer graaft naar de ware aard van een onder het juk van oorlog gebukt gaand Joegoslavische volk, dat sinds de jaren ’90 van de 20ste eeuw niet meer onder één noemer kan worden samengebald.

Prijzen, nominaties: in Vlaanderen werd het boek in het jaar 2000 genomineerd voor de longlist van de Gouden Uil Literatuurprijs.

wij-noemen-het-rozenTitel: [Balkan] Wij noemen het rozen, Auteur: Serge van Duijnhoven, Uitgeverij: Podium, Jaar van publicatie: 1999, Formaat (hoogte): 20 cm, Omvang: 225 pagina’s, Bindwijze: Ingenaaid

ISBN: 90-5759-123-5     EAN: 9789057591235

© Teun Voeten  Sarajevo, Bosnia, January 1994

© Teun Voeten Sarajevo, Bosnia, January 1994

Persstemmen:

‘Dit boek overdondert; het sleurt je mee op een manier die alleen aan de beste conflictverslaggeving is voorbehouden. En het mooie is: het boek gaat niet over kogels, maar over mensen.’ –    Wim T. Schippers, AT5 Boekenprogramma Max Pam, jan. 1999

‘Het is ijzersterk proza van een man die “deelnemer en observator in één” is geworden. Sfeer en invoelen bepalen de toon van het boek.’
– Willem Bouwman in Nederlands Dagblad, dec.1999

Serge van Duijnhoven zorgt in ‘Balkan. Wij noemen het rozen’ voor vuurwerk, zoals in het knappe ‘Kolonel Kurtz in Sarajevo’ – een mediakritiek op de georchestreerde beeldenstroom, die voor de Westerse kijker tot onvervalst oorlogsentertainment wordt versneden. De hoogvlieger in de bundel is echter ‘Alles zwart’, een reportage over Van Duijnhovens bezoek aan een internationaal poëziefestival in Macedonië, waar de autochtone deelnemers de gruwel met behulp van woorden proberen te verzachten. Ook al is op die manier maar weinig zalf te strijken: it’s a dirty job and someone’s gotta do it.’

(kt) Humo ‘Boekenbal’ (H3098), 18/1/2000

© Teun Voeten  Mostar, Bosnia, September 1992

© Teun Voeten Mostar, Bosnia, September 1992

Balkanquote (1):

“Oorlogen zijn de rosse buurten van deze aarde. Ze wemelen, behalve van het viriele krijgsvolk, van de pottenkijkers: ruige of minder ruige lieden die zich op de hoogte komen stellen van het vlees in de kuip. Bovendien bezitten ze voor buitenstaanders, in al hun smerigheid, een schemerachtige aantrekkelijkheid. Xander, de Nederlandse journalist die ik in Sarajevo ontmoette, reed ’s avonds langs de frontlinie in de hoop dat hij wat kogelgaten kon opdoen in zijn oude Renault. Voor hem was de oorlog eigenlijk net als een bezoek aan de hoerenbuurt, real fucky fucky.”

(uit: ‘Kolonel Kurtz in Sarajevo’, in: Balkan. Wij noemen het rozen. Podium, 1999.)

monasteries-Ohrid

Klooster in Ohrid

De auteur verwijst met Kolonel kurtz uiteraard naar de veelbesproken protagonist uit Joseph Conrad’s Heart of Darkness (en de adaptatie ervan, Apocalypse now). Conrad’s Kolonel Kurtz is een idealist, maar gecorumpeerd door macht en ivoor. Van Duijnhoven kon geen beter figuur gebruiken om de vergelijking met oorlogsjournalistiek te maken. De “schemerachtige aantrekkelijkheid” van zijn Sarajevo is dezelfde die Conrad’s Kurtz, in de nachtmerrie van een door België gekolonialiseerd Congo, doet losslaan van elk moreel gevoel. Dezelfde broeierige jungle uit Apocalypse Now : een plaats waar de morele natuur van de mens lijkt op te houden met bestaan. “The horror, the horror” zijn Kurtz laatste woorden in Heart of Darkness. Ook van Duijnhoven zal de dood in de ogen kijken.

Gracanica.KFOR

Italiaanse KFOR-soldaten bewaken het episcopale orthodoxe klooster van Gracanica in Kosovo, febr. 2007. Foto: Serge van Duijnhoven

Balkanquote (2):

De stad als kadaver

De Balkan is een Butcher Shop
De Balkan is vlees. Zoveel mogelijk vlees
Gebraden en geroosterd. Met name van bergtoppen
Worst, cevapi (kebab), spek, lamssoep, burek,
chutney. Brokken vlees waar het vlees sudderend
uitspuit als je je vork erin prikt. Brood met
varkensvet en paprikapoeder, gebraden biggekop
Doormidden gezaagde hoofden die je vanaf het bord
hun dode glimlach toewerpen. Runderfilet,
paardeschenkels, gebraden ingewanden
En dan het slachtvlees van de strijd
De mens opengereten in oorlog. Een sliert darmen
met half verteerde vleesbrokken erin. Gerookte
biggekop, kebab, spek chutney

Ik, zei de vrouw, heb niets, behalve honger

(uit de cyclus ‘De stad als kadaver’, in: Copycat. Gedichten. Prometheus, 1996)

Picassoposter.BatailleNeretva

Op de rand van de vulkaan; reportage over het dagelijks leven in Macedonië ten tijde van de Kosovo-oorlog

http://www.barendenvandorp.nl/uitzendingen/uitzending-20-04-1999

In deze aflevering van Barend & Van Dorp is de kleine videoreportage te zien die ik in maart en april 1999 maakte in Macedonie ten tijde van de Kosovo-oorlog. Vanaf de 15e minuut tot en met ong. de 23ste minuut.

wij-noemen-het-rozen
Gasten: Jan Gaasterland, directievoorzitter Amsterdam ArenA; Anne-Marie Munnik, beursspecialiste; Jan Golsteijn, voorzitter vakbond voor  beroepsmilitairen (VBM); Jan Mulder, tafelclown; zanger Frank Boeijen met band; Serge van Duijnhoven, dichter en journalist.

 

Bekeken: 688 keer
Lengte: 35min
Uitzenddatum: 20-04-1999
Omroep: RTL4

Aflevering Datumsorteerpictogram Gasten Waardering Bekeken
Uitzending 20-04-1999 20-04-1999 Serge van Duijnhoven, Jan Gaasterland, J.W.H. Golsteijn, Anne-Marie Munnik
5

5 (1)

690 Bekijk aflevering

Colonel Kurtz in Sarajevo

The motivation felt by war reporters may sound noble and altruistic – the world must know what is happening, politicians must be driven to action, etc. – but their true motives are often extremely idiosyncratic. A French female reporter for TF1 confessed to Marcel Ophuls, director of the magnificent four-hour documentary The Troubles We’ve Seen: A History of Journalism in Wartime, that she decided to go to Sarajevo in an attempt to forget her marital problems. Similarly, the Belgian biologist and war reporter Dirk Draulans, describes in his book Welkom in de hel how he is released temporarily from his painful feelings of love for the Scandinavian Anne Brit as he journeys along the Bosnian frontlines.

-	The troubles we've seen : a history of war-time journalism = Veillées d'armes : histoire du journalisme en temps de guerre.

- The troubles we've seen : a history of war-time journalism = Veillées d'armes : histoire du journalisme en temps de guerre.

The Hungarian photographer Endre Friedmann, better known as Robert Capa, gave his reasons for landing with the very first American soldiers on the Normandy beaches on D-Day as follows: ‘I know that the war photographer gets more alcohol, more girls, more money and more freedom than the soldier does. At each stage, he can choose his own position in the bloody game and he can be a coward without being executed for it. That is his torment. The war correspondent holds his own input – his life – in his own hands and can stake his bets on different horses. I am a gambler. That’s why I decided to go along with the first wave.’

Wars are in fact the global simulacra to the shabby red light districts one finds in many of the greater cities with a harbour, docks and alleys, where apart from the clean and simple handlings reflected by the glass and steel towers of the mediocre powers, there is always also a lot of shady traffic and business going on. The comparison with such shady Red Light area where “foul is fair and fair is foul”, and life is celebrated and exposed in an explicit  choreography of repetitive bodily postures that are meant to arouse lust and to stir up the level of stimuli in the blood of most spectators.

Like most Red Light Districts in the magapoles, the war zones of our time are mostly frequented by a peculiar species of testosteron and adrenaline driven folk between twenty and fifty, that have become quite inventive and persistent in finding ways to ease the inner and outer tensions of their biochemically enduced unrest. The thugs of Eros gather around their climactic drive for reaching a blissfull moment of extasis that stands out of the regular order of time – little death as Bataille called it. The thugs of war are driven by not so unsimilar behavior. Given the level of adrenaline that usually pounds the heart in bellingerent circumstances. The gung-ho attitude of finding satisfaction in restraining ones emotions and calming ones nerves, in precisely those situations where panic looms at large and our behavior is ruled by fear. The tribe of war thugs is easily recognizable, even though it consists of mercenaries of the most diverse kind and calibre one can imagine. What unites them, is the ability and perhaps even urge to find peace, where battles are fought. To find some kind of private or professional satisfaction, where others, under the reign of terror and chaos, primarily see their daily lifes destroyed and their existence threatened at gunpoint.

Planet Sarajevo, by Sahin Sisic

Planet Sarajevo, by Sahin Sisic

All having a huge variety of different reasons to get involved in an area where most sane people would want to flee away from as soon and far as possible. Only sharing their grave commitment to the lure of what is undisputedly world news, betting on the chances that the war might offer them on the grim rouletta table of life and of death. In the slipstream of the conflict, various relief agencies, convois of smugglers, fixers, prostitutes, NGO-personnel, activists, reporters, cameramen, writers, and other specimen of paid or sponsored witnesses, moved to and from the city of Sarajevo during its three and a half year siege from April 1992 till November 1995.  All of us war zone thugs, tried to get as close as possible to the nudity of the situation and the population that was passing its days – by means of a shameful exposure – sitting behind the blown out window frames spalked with transparant plastic sheets flown in and distributed on behalf of the (UNPROFOR) refugee organisation of the United Nations.

The society of war zone thugs that gathered in the lobby’s and on the shedding lines in and around Sarajevo, heavily stood apart from the regular population they tried to live with, mingle with, picture, or sympathized with. The beleagered civilians of Sarajevo, such is my experience, felt betrayed by all the pietaille that visited them over the years. The more journalists, politicians, diplomats, relief-workers were flown in with MayBe Airlines at the beleagerd airstrip underneath Mount Igman, the heavier their bitterness grew over the fact that they were left as prey on the ground and that nothing was done to end the war.

The spectacle of war is a magnet for voyeurs. Slavoj Zizek speaks in this sense about the “jouissance” with which western media created some kind of Rocky Picture Horrorshow in Sarajevo during the nineties. The news moloch cynically played into people’s hunger for the ultimate drama. And while spectators from all over the world, watched events in the besieged city unfold with anger, awe and “jouissance” – the civilians who got stuck in the middle of it all, had to bear the very real and bitter consequences of the Butcher Shop and Splatter Movie they were forcefully playing in. For them, the war was far from a meta- or media-event. For them, the war in Sarajevo was a shere matter of life and death. Of survival. In practice, this meant it was basically busy to pass time in a zone that was literally Timelocked. With limited means, and nothing to do. But a few essential things, like finding a piece of wood for the heater. Or standing in line for water or a loaf of bread.

Holiday Inn, Sarajevo 1993. Photo by Teun Voeten

Holiday Inn, Sarajevo 1993. Photo by Teun Voeten

A selected group among the thugs, turned the conflict in Bosnia much to their adventage. It even provided them with a rare sense of nobility, because of all the privileges that could be enjoyed. They could travel freely with their accreditations, through areas where all civilians were trapped. They could show their chivilrous nature, as the generous westerner who made women happy with a cigarette, men with a sip of whiskey. They could stay in luxury hotels where – regardless of the starvation outside – every day three hot meals were served for a huge sum of money. They had a satellite phone or a laptop in the back of an armored car that could speed through areas where no ordinary citizen would dare to thread. I even heard Dutch reporter Harald Doornbos bragging about the `golden wheelchair” that awaited him if something bad should happen to him. After all, Harald was insured for eleven hundred Deutschmark per day while residing in danger zones.

Several of the diehards, over time, began to act like a sort of Lord Byron battling against the oppressor in Missolinghi, or as a colonel Kurtz in the grim heart of the Balcans.  They let themselves be seduced into buying weapons, abused their priviliged position over the local population in various manners. They partook in the black market and became friends (or feigned it) with the most shady and criminal of the protagonists. Some went so far as the Russian poet Eduard Limonov, back in 1992, who in the presence of Radovan Karadzic was seduced to take position behind a Browning machine gun, and to shoot a tray of bullets at the city in the valley underneath – by shere means of slavic solidarity.

Arthur van Amerongen, a Dutch writing journalist whom I met during my first weeks in Sarajevo in the early nineties, was driven by an unstoppable urge to drive along the frontline at nightfall in his car, a shabby Renault 25. He did not fear to get shot, but in fact he said he hoped the car would attract the attention and subsequently some bullets, of the enemy at guard. He was looking for what he considered to be a war trofee: a guirlande of bullet holes that would be clearly visible along the carrosserie and windows of his battered vehicle.    Real fucky fucky. The chauffeur he commanded to drive over the frontline, for the guy himself did not have a driving license, spent his most scary half hour on earth. Because the car was not targeted, the journalist ordered his driver to turn around and go the same route in opposite direction. Perhaps this provocative gesture was all too outrageous, even for the Serb forces of Mladic that were shelling the city at that time during the day. I still remember the disappointment with which the reporter returned in the restaurant of Hotel Bosna, after his Colonel Kurtz like exercise at the outskirts of the centre where the rounds are bumpy, dusty, hilly and on both sides flanked by ditches, cliffs and possibly landmines. His looney excursion, was not unsimilar to a tourist in Amsterdam who – before leaving the capital – is determined to buy a fluorescent T-shirt in one of the shops, as a matter of testimony: “I did it in the Red Light District”.

During the war, one could often be confused as to how real or staged reality  could be. Whether it was a B-film that we all had ended up playing in, or an amateur drama with a mediocre and provincial cast that had highjacked the theater for years in a row. Just take a look at the attitude with which Karadzic boasts about the visionary quality of his gloomy “Black Fairytale” verses, towards visiting Russian writer Eduard Limonov; just before inviting his guest to take a shot at the Browning machine gun with which the Serb forces used to terrorize the people trapped in the valley.

Eduard Limonov, now of “Other Russia” opposition, seen here on the hills above Sarajevo. Next to war criminal Radovan Karadzic. Limonov, now an “opposition activist”, together with chess master Garry Kasparov. Episode from “Serbian Epic”, by Pawel Pawlikowski and Lazar Stojanović, 1992. Evidence exhibit at the Hague International War Crimes Tribunal, ICTY. All clips remain the sole property of the respective copyright holders. No videos are for sale, nor do they imply challenge to ownerships. They are intended strictly for educational and historical purposes, and fall under the “Fair Use” guideline. http://mycentury.tv/component/content/article/44-front-page/282-russian-write…

And look at the gung-ho attitude of general Mladic, once the eyes of the camera’s were witnessing his attacks on the enclaves. Neither of these loonatics was eager to step off stage, whilst the media of the world was giving them the airplay they only could attain once in a lifetime.  This, ladies and gentlemen, is a dilemma we all face as journalists. Was our enduring coverage of the war in Sarajevo, in fact not prolonging and thus worsening the whole goddam pattarapoo? How could one seriously expect these farmers who achieved their finest hour, to voluntarily step down, as long as we were giving them the scope and importance they normally could only dream of? Were we not responsible, for having our share in the length and volume of this bloody, grand delusion with which  we kidnapped the attention of our readers and our viewers, made our income and safeguarded our careers?

BBC-reporter Martin  Bell, literally opened a book about the editing laws of the news desk, that were operated during his time as a correspondent in former Yugoslavia. In his In Harm’s Way. Reflections of a War Zone Thug (Hamish Hamilton 1995) he accounts of the absurd guidelines that were issued for him and his team while being based in Sarajevo (Martin Bell was prone to label Sarajevo during the war as “the media-manipulation capitol of the world”).  The rules for what could, and could not be shown before a certain time of day. “At a certain moment”, Bell writes, “I felt being more busy with matching up to all those rules, than I was actually reporting the news.” One example: before nine O’clock in the evening, no bodies with blood were allowed. A timeframe with which any grim massacre on the ground, of course, made an utter joke. The longer the war lasted, the more scared the BBC became, to picture the horrors of the conflict as they did take place. “In our fear to shock”, Bell writes, “we consequently risk to deceive the audience we want to serve, in a very dangerous way.”

“To filter the atrocities of the conflict”, argues Bell, “ultimately makes war acceptable as a phenomenon. And that is unforgivable. We show soldiers who shoot, bang-bang. But we fail to show the results of that action on the other side. This creates a false, more beautiful picture of the nature of the conflict. We beautified the war, instead of portraying it the way it really was. Not only morally, but also in reality war remains a matter of  bad taste, during which victims bleed to death ungraciously, regardless of what time or frame. Not showing this matter of bad taste, means falsifying the world as it is.”

This very issue, was raised in a broader sense in a stunning book written exactly in those years of the Bosnian conflict, by Mort Rosenblum:  Who Stole the News? (John Wiley & Sons, Inc., 1993). How do you get people to give relevant events the necessary attention in a society increasingly obsessed with fashion and lifestyle, entertainment and stardom? How do you prevent people from avoiding the big international issues, which are usually not appealing subjects, but, instead, get them ‘to be involved more deeply in their reality’? Companies prefer not to spend their money on magazines in which images of people’s suffering cast a freakish shadow over the wrinkle-free and clear-blue-sky advertising world of Peter Stuyvesant. They have the feeling that too much of the harsh news from war zones like Bosnia, damages the marketability and image of their products. Rosenblum thinks that publishers underestimate their readership: people wanting to know about current affairs and concerned about what happens elsewhere in the world.

The grim matter is, that tv is being overflooded with fictitious violence. Once images come in at the newsdesks of real carnages, all kind of rules and hesitations start playing a part. Then we censor the news, because it is too horrific or grose. A lady in Sarajevo, who was wounded in 1993 by shrapnell as the result of a mortar attack on a crowd waiting in line for loafs of bread, reproached the media they showed so little of the massacre. Instead of ten seconds, the news stations should have shown for twenty long minutes how things had been going for the victims standing in that line. In that way, viewers would have gotten a much more accurate image of the war in Bosnia.

Martin Bell also touched upon another significant shortcoming of war reporting in Bosnia. He discovered how much there is the media do NOT see, and do NOT cover.  Albeit their presence, thousands of citizens could vanish from the face of the Bosnian republic. When it mattered, regarding e.g. Srebrenica, the media were as blind as Oedipus in the tragedy of Sophocles. We witnessed and reported what we saw, without really seeing what went on.

The premise in journalism today is that something has not truly happened unless it has also been shown on television. Yet relying merely on television to gather news is like lighting the sky with a stroboscope. We get to see flashes of reality on the screen but no more than that. The considered gaze requires a more precise approach. Television imagery brings a situation to our attention but the image that ultimately stays in our minds almost always comes from a photograph; it sets a news event in a tableau that locks itself in our consciousness and, perhaps later, becomes part of a collective memory. This is why reporting journalism always remains essential to complete news coverage. We illuminate the blind spots of television journalism. We record what the tv-cameras don’t zoom in on.

Nevertheless, there is still much that can escape the attention of even the most hawk-eyed journalist in our rangs. There is so much that we don’t see. Srebrenica, the greatest massacre in Europe since the Second World War, happened under the noses of the entire world press which, by that time, had been billeted in Bosnia for four years. The ladies and gentlemen of photographic journalism were right by the scene when the events unfolded, yet not close enough. So it was that in the first days and weeks after the disaster, it appeared as if the tragedy had not taken place. The reporters did not believe the bloodcurdling stories told by the many hysterical women in the refugee camps. The blood that stood ankle-deep in the ditches; the barns filled to the rafters with corpses; the people who, out of desperation, had hanged themselves before Mladic came to get them; the thousands of men who had fled into the hills and had been fired upon by artillery and anti-aircraft guns. When it really came to it, all international journalists – the eyes of the war – were as blind as anyone else.

De Bosnian writer Nenad Velickovic

Nenad Velickovic

The many novinari (foreign journalists) who came to Bosnia to serve as Western Media’s unfullfilling eyes, never were very popular in Sarajevo. In the summer of 1999 I asked the young Bosnian writer Nenad Velickovic, author of the books Sexpressionismus and Sarajevi Gastronauti, whether he, after the war, felt abandoned  by the world press since Sarajevo fell out of the current span of attention due to the vague phenomenon of Balkan fatigue. The reaction of Nenad was extremely bitter. `Most of us saw the journalists who visited Sarajevo as people who did not know what they were doing. That is how they behaved. They walked around with their cameras and were mostly out to shoot spectacular images. They were hunters, people on safari. Blood, killings, grenade attacks, sniper fire, abandoned children, the great emotions, that is what they were after because that is the news they thought belonged to a war such as ours. The journalists did not show any interest in what really was going on. The war, we lived it very differently than the big channels like CNN wanted their viewers to believe. The journalists had their own reasons for going to war. I have never seen a story about the war in Sarajevo that was accurate. ”
I asked Nenad whether the journalists in his view, in fact by their shere presence and coverage, prolonged the war in Bosnia or aggravated it giving so much attention to the political agendas of figures like Karadzic, Mladic and Koljevic. Again, Nenad answered the question in an aggravated manner. ‘No press service is powerful enough to begin or end a conflict. Nor can they extend it. The media have no real power. They just manipulate. The press had very limited influence in Bosnia. Forty percent of the country is literate, and the rest only reads occasionally. Sixty percent of the people don’t read at all. The TV images were inadequate, but even the written press did a lousy job in framing the entire picture. Wat is an extremely complicated matter, with just as many levels of reality as there are angels of perception. When we saw the TV images from besieged Vukovar, we in Sarajevo  could not really understand what happened there one hundred kilometers up north. People from Yugoslavia came to our city to escape the conflict. Horrible. I am an avowed enemy of the TV, and can spend hours and hours talking about her bad influence. TV poisons people. Sarajevo has made that clear. A war is not about the pictures, but about the people. I’ve seen marriages break over the interpretation of TV footage, the device deprives people of their grip on reality, it sucks people full of hate or makes them apathetic and un-responsible at best and desperate or dangerous at worse.”

Most journalists however, meant well, and many of us have certainly been of help for the civilian population. Apart from our reports, we took and delivered letters, money, food, arranged fund raising events for sponsoring orphans or schools. Some went as far as to smuggle civilians out of the combat zone, by hiding them under a blanket in the trunk of our car. A lot of war journalists in the former Yugoslavia fell in love or married, just like me. Their commitment to the war grew with the years, until the war had swallowed them and they could do nothing more than to join the side of one’s loved one – by enduring the seige or sometimes by fighting. Or to leave the ground, because of one’s loss of proper distance that the job requires of us.

The well known war photographer James Nachtwey, was one of the reporters who found it necessary to come up with some kind of mission statement – in response to some harsh criticism that came his way. ‘If the war in Sarajevo was an attempt to ignore humanity’, he told in response to the fierce criticism of an art critic who labelled Nachtwey’s war images as a means of moral blackmail,  ‘then our reporting journalism can be seen as the opposite of that very war. If it is used well, our work can be a powerful ingredient in the antidote to warfare. I believe that if everyone could experience a war for themselves just once, that people would understand that there is nothing that can justify the terror war creates in people’s lives. But not everyone can go to a war and that is why reporters like me go there: to show what is going on and to ensure that someone puts it to an end. How? By making portraits of the situation that are powerful enough to break through the concealment and diversions of the mass media and to shake people awake from their indifference. To protest and by the strength of that protest, to make others protest.”

Marcel Ophuls behind camera

Marcel Ophuls behind camera

Contrary to the group of sincere reporters like Nachtwey, Voeten, etc., also a completely different sort of journalistic etnos emerged in Sarajevo during the siege. The one of the “lovers of hazard”,  who openly flirted with the hazards of death, drove in their cars along the front, sailed with ropes along the facades of the two deserted Energo Invest business tower, jogged through streets where snipers were lurking), that come into focus in the grandiose film of Marcel Ophuls Veillees d’armes.  Nobody is as sharp as Ophuls in showing how much the war in Sarajevo was the stage for an intricate play of pumped up ego’s, shooting devils, wounded souls and battered persona. A song of kicks, joys and sorrows.
Ophuls’ expedition consisted of a mission to look behind the scenes of those whose task is to look behind the scenes. In addition, he effectively pierced the image the Western media like to have of themselves. One of the points he makes, is the vanity of known television journalists, for whom the stand-up (appearing in front of the camera to tell the news in front of a specific scenery) is often more important than the news itself. Ophuls evokes this criticism in his film by word of French actor Philippe Noiret, who from the set of a film he was shooting, labeled television journalists as ‘un syndicat d’auto et d’entre promotion’. Noiret finds the vanity of journalists a disgusting thing. In sotto voce, he leaves no doubt that “Les stars, c’est nous.”
Patrick Chauvel, a French photographer with thirty years experience of war, told Ophuls: `Our narcissism is more perverse than that of the stars. We see ourselves through others. But their narcissism is total. Those men are all concerned about their make up before the plane even landed on the tarmac. ”
Ophuls brings the conversation to the images of war, that automatically become part of a media circus or information spectacle as the Situationists called it.
`I am against that kind of circus,” grumbles Chauvel.
`Of course you’re against,” answers Ophuls. `We are all against, and we are all part of it.”
Chauvel continues to deny. He will never agree to have his pictures of the war, being portrayed in a picture gallery, where visitors will stroll around with a glass of champagne in their hands while expressing their disgust about the misery of the war.

‘We must bear witness. That is the purpose of our presence here’, says Chauvel. He describes reporters, without the slightest shade of irony, as legionnaires and their task as a vocation. ‘We must bear witness. So that people can never say afterwards, as the Germans once did: we didn’t know what was going on.’

In Marcel Ophuls’s film, we see foreign journalists in the restaurant of the Holiday Inn in Sarajevo, explaining how easy it is to forget what the reality outside of the lobby looks like. John Burnes, a senior correspondent for the New York Times, describes – knife and fork in his hands –  the siege of Sarajevo as an experience that he would not want to have missed. `We have the time of our lives,” you hear him say enthusiastically. Burnes emerged from the war as a celebrated, Pullitzer prize-winning conflict reporter. For him Sarajevo was the circus  where he could perform his most daring act of rafter-accrobacy.
What the film painfully makes clear, is how journalism in wartime significantly differs for foreigners and natives. While in the heated restaurant of the Holiday Inn, international reporters were animatedly discussing the appeal of the war, the adrenaline rush and the ‘beautiful story to be told’, two floors below, in the freezing cold basement, journalists of Oslobodenje were working in 14 – hour shifts, despite a total lack of manpower and resources, to publish their newspaper. However much the war for the foreigners might have been or seemed to be some sort of rock ’n roll (as Paul Marchand from Belgium called it), for the local population in Sarajevo, the war was real. `We are trying to survive,” says an editor of Oslobodenje Ophuls’s film. `I do not fight, but I make a newspaper. Thus I try to keep my self-respect. ”
`We are not heroes,” said another of the same newspaper editor who leads the director around the ruins of the once imposing editorial office at Ilidza. ‘Courage is a matter we can only judge when the conflict is over.”

Morgue of Sarajevo. Photo by Teun Voeten

Morgue of Sarajevo. Photo by Teun Voeten

The war in former Yugoslavia, was a major testing lab for the development of journalistic crafts and skills. As well as it was a major test to the procurement of each and everyone’s morals and our conscience. In 1997 I read an article by acclaimed Bosnia-reporter Harald Doornbos (the one of the golden wheelchair) in a Dutch newspaper, in which he described how he had tears in his eyes when he finally left Sarajevo for another journalistic destination. Harald mentioned, in a very honest piece of testimony, that he owed everything he had achieved, privately and professionally, to the beseiged Bosnian city: his career, his exposure, his car, his girlfriend, his best memories. At his departure, Harald, apart from being grateful, also felt quite a profound feeling of guilt that bothered him.

While he had been chasing his desire to cover his very best Top Story, the Bosnian people he encountered were mainly longing for the small and banal. A hot shower. A candle to be lit in the dark. One teaspoon of salt that could flavour the tasteless dough of emergency food rations. A letter from a family member whom one had not seen or spoken to for months or years.
Doornbos described how his ‘arrogant choice for the large’ and ‘contempt for the little’ was punished when a Bosnian citizen told him his ultimate dream was to be able to peacefully walk his dog in the park on a sunny day, without having to be afraid for enemy fire or other  lethal perils.  `I do not remember exactly what I felt,” said Doornbos, ‘but I felt ashamed that I had come to Bosnia. ” The choice he had willfully made four years earlier to travel to the war, he now described as a ‘perverse’ one. He compared it to a married couple that is neatly bored with the familiar delights and breaks the routine by tying each other up, and the procurement of delight with the help of steeled or furry  tools.

Sooner or later, every journalist has to see how clean his hands and untainted his soul withstood the course of his work in the dirt and sleaze of the beleagered city.  Sooner or later, one has to assess the damage that is done during all those months or years we tried to work and live and keep it up amidst the etnically frozen tarpits of this ultimately vicious conflict among former neighbours.

You can’t get in focus with tears in your eyes, said Philip Jones Griffiths many years ago. Anyone allowing free reign to their emotions in a war zone would not last long and would either miss out at important moments or else put themselves and others in danger because of not reacting quickly enough to events. A clear-headed, cool spirit is more vital than a bulletproof vest. In Ernest Hemingway’s Across the River and into the Trees, the American colonel, in Venice after the Second World War, says: ‘It’s all as disheartening as you can imagine. But you’re not expected to have a heart in this job.’ Yet most of us were certainly not reporters devoid of conscience. We mused extensively, each of us in our own way, on the moral dilemmas attached to our profession: do I earn my money from other people’s suffering? Is their misery the source of my success? Am I a parasite, a bloodsucker, the vampire with the camera? One of my colleagues, told me honestly: ‘The worst thing is the feeling that I am exploiting another man’s suffering. This accusation keeps haunting my mind. It torments me, because I know that if I ever allow genuine compassion to be overshadowed by my personal ambition, I will have sold my soul to the devil.’

Don McCullin, the British war photographer, one of the trendsetting members of his profession in the 1960s and ’70s, once said: ‘You can’t just skim the surface of hunger, misery and death… You have to wade through them in order to capture them.’

Sooner or later, all Sarajevski zedi that had gathered in the besieged city at the beginning of the nineties, felt the urge to measure the effects of the conflict on their personal lives. All of us would at a certain time be confronted with our very private “moments decisifs”  – and I mean not in a technical Cartier Bresson manner –  during which we felt obliged to determine the parameters of the lines we crossed or moved around, by means of our professional slalom. If only one would stick around long enough, such moments of truth and critical self reflection would certainly pop up. A forced gaze in the mirror,  during which we inescapably determined what the effects of the war had been upon and below the battered surface of our selves. Had we remained as blank and neutral as we should have been? As invisible as the fly on the wall all theory taught us to be?

Some of us, were so honest as to write down their ponderings on paper. It happened with Doornbos, Martin Bell, Dirk Draulans, and many of my former colleagues, including myself, that were stationed for considerable amounts of time in or around that Bosnian Heart of Darkness in the middle of the Balcans. For all of us, there was a point at which we came to question our role in the play we were so seriously performing in the amphitheater of war. A point at which we unmistakingly pooped the party we were so vigourously living until then, by lifting up our proper masks. Some of us decided it was time to leave, or do things differently. Some of us continued as we did before. But all of us reflected on the losses we had suffered or endured, as a shadowy side-effect for the gains we made in our careers as young journalistic adventurors.

Thus it happened, that Martin Bell, at a given moment, found himself to be – at the height of his media fame at the BBC – a winding family man who was hit by shrapnell during a live stand up for the camera. And who, for the first time while finishing his report, felt the eyes of his loved ones piercing through towards his soul.

Thus it happened, that from an idealistic reporter working for Dutch and Flemisch media, reporters like Harald Doornbos and me,  started to feel more and more like some kind of a whore runner instead of a neutral “novinar”. A sleazy visitor of the rowdy Red Light District underneath mount Igman, alongside the Miljacka river.

`But then you discover death, and that life is beautiful, and that even you yourself must fight to preserve it.” Marcel Ophuls thus expresses the view that the war in Sarajevo brought him, at the end of his marvellous documentary. The director states this by means of voice over,  while we see him walking over the Piazza San Marco in Venice. It’s carnival, the people are wearing wondrous masks and outfits, the entire square is a stage for commedia dell’arte. At the end of the film, we see Ophuls actively mounting that stage. The director becomes commediant. Masked as Pantalone, he starts singing his sad, wise song “Nobody knows, the troubles I’ve seen. Nobody knows my troubles…”

Ophuls’ face is hidden behind his gigantic nosey outfit of papier mache. We can only recognize him by the thick lenses of his glasses,  the heavy frame that rests on the grotesque, downward curve of the mask. Those thick glasses leaning over that archetypal mask of carnaval, for me that is the one and singular image of the war in Bosnia I would like to preserve for the rest of my life. Nothing is what it seems to be, especially not on the stage of war that was called Sarajevo. Everything is theater.

SOURCES:

 

–          http://www.youtube.com/playlist?list=PL9828A89A57880299       Sarajevo – by sergevanduijnhoven’s channel  

–         [Balkan] Wij noemen het rozen, Serge van Duijnhoven, Uitgeverij Podium, ISBN 90-5759-123-5, 1999, prijs €15,90

 

–          Welkom in de hel. Oorlogsverhalen uit Sarajevo en Bosnië, Dirk Draulans, Roularta Books, 1993. ISBN9054660600, 9789054660606 Lengte210 pagina’s

–          Mirjana, Oorlogsverhalen uit ex-Joegoslavië, Dirk Draulans, Atlas, 1993.

 

–          In Harm’s Way. Reflections of a War Zone Thug, Martin Bell (Hamish Hamilton 1995)

–          ….”            De Brakke Hond Nr. 85[, 2004 (themanummer: Oorlogsliteratuur)]

–          –          –  Chris Keulemans, Van de zomer naar de werkelijkheid Amsterdam (De Balie, 1997). ISBN 9066171812

–          –          Serge van Duijnhoven, red. Photographers in Wartime (2002), Ludion-Beaux Arts collection in cooperation with the Flanders Fields World War I Museum in Ieper, Belgium. Editeur(s) : Gent ; Amsterdam : Ludion Beaux arts magazine, 2002, ill. ; 30 cm. Translation: Guy Schipton. ISBN : 90-5544-402-2

–         Teun Voeten, A Ticket To [Bosnië, Soedan, Rwanda, Afghanistan, Sierra Leone] Leiden 1999; uitgeverij H. Veenman & Zonen/Centrum Beeldende Kunst Leiden, ISBN 902781547X Nugi 922

 

–          Who Stole the News? Mort Rosenblum, (John Wiley & Sons, Inc., 1993)

–          –          The troubles he’s seen –  interview met Marcel Ophuls. Door Richard Porton & Lee Ellickson
Cineaste, Juli 1995

–          –          War Photographer (2001), documentair portret over conflictreporter James Nachtwey gemaakt door de Zwitserse cineast Christian Frei

 

 

Blommaert, Stefan, Warme oorlog, koude vrede. Verhalen uit Rusland en de Balkan, Van Halewyck, 1998.

Blommaert, Stefan, De ondergang van Slobodan Milošević, Atlas, 2003.

Carter, Bill, Toen de engelen vertrokken, Podium, 2004.

Cavelius, Alexandra, Leila. Het schokkende verhaal van een meisje uit Bosnië, Rainbow Pocketboeken, 2000.

Dulmers, Robert, Zwart, Meulenhoff 2003.

Falk, John, Hello to all that. A memoir of war, zoloft and peace, Henry Holt and Company, 2005.

Filipović, Zlata, Het dagboek van Zlata, Forum, 1994.

Gashi, Sadbera, Weg uit mijn land. Het dagboek van de 18-jarige Sadbera Gashi over de oorlog in Kosovo, Arena, 1999.

Giovanni, Janine di, Totale waanzin, Contact 2005.

Kalkan, Izet, Uit de hel, in de hel. Dagboek van een vluchteling, Saik, 2000.

Koff, Clea, De bottenvrouw. Mijn werk in de massagraven voor de oorlogstribunalen van de

VN, Sirene, 2004.

Novaković, Jelica, Gelukkig is wie bijtijds waanzinnig wordt, Contact, 1999.

Paemel, Monika van, Het verschil. Een geschiedenis, Meulenhoff, 2000.

Radojčić-Kane, Natasha, Terug naar huis. Roman, Wereldbibliotheek, 2004.

Radojčić, Natasha, Ik ben hier weg. Roman, Wereldbibliotheek, 2005.

 

http://www.teunvoeten.com

–          – http://www.war-photographer.com

–          – http://www.jamesnachtwey.com

RUSSIAN WRITER EDUARD LIMONOV SHOOTS WITH BROWNING MACHINE GUN FROM THE HILLTOPS AT SARAJEVO – ON TOUR WITH KARADZIC THROUGH CETNIK STRONGHOLDS. http://youtu.be/tH_v6aL1D84

Eduard Limonov, now of “Other Russia” opposition, seen here on the hills above Sarajevo. Next to war criminal Radovan Karadzic. Limonov, now an “opposition activist”, together with chess master Garry Kasparov. Episode from “Serbian Epic”, by Pawel Pawlikowski and Lazar Stojanović, 1992. Evidence exhibit at the Hague International War Crimes Tribunal, ICTY. All clips remain the sole property of the respective copyright holders. No videos are for sale, nor do they imply challenge to ownerships. They are intended strictly for educational and historical purposes, and fall under the “Fair Use” guideline. http://mycentury.tv/component/content/article/44-front-page/282-russian-write…

–          The troubles we’ve seen : a history of war-time journalism = Veillées d’armes : histoire du journalisme en temps de guerre. Documentary in two episodes, by Marcel Ophuls (1994). Runtime: 224 min  | France, Canada: 226 min. Color.  

 

        Director:     Marcel Ophuls.

       Cast:           Christiane Amanpour, Walter Cronkite, John Burns, Matha Gellhorn, Bernard Henri Lévy and          Slobodan Milosevic.    

Author:

Marcel OphulsBertrand TavernierFrédéric BourboulonLittle Bear Production.Studio Canal+All authors

Publisher:

[Paris] : Little Bear Production ; Harrington Park, NJ : Milestone [distributor], [2005].

Edition/Format:

 DVD video : NTSC color broadcast system : French

Summary:

The film follows Marcel Ophul’s two journeys to Sarajevo in 1993. He goes there to work on a documentary but ends up also learning about truth and life. The film contains many interviews with journalists and reporters including Christiane Amanpour, John Burns, and Martha Gelhorn.
 

 

 
   
   
   
   
 

 

 

 

 

 

–   © Serge van Duijnhoven, 2012

CINEMA KOMUNISTO – INTERVIEW WITH SERBIAN DIRECTOR MILA TURAJLIC


A THRILLING DOCUMENTARY BY MILA TURAJLIC

http://www.cinemakomunisto.com/trailer/

zie ook op cinemaredux.wordpress.com:

CINEMA KOMUNISTO – INTERVIEW WITH SERBIAN DIRECTOR MILA TURAJLIC.

                                     

 

January 29th Cinema Komunisto, the impressive documentary of young Serbian director Mila Turajlic , will premiere in Belgrade…

At the latest edition of the IDFA festival in Amsterdam, the movie was shown in avant-premiere, only four days after the final touches were made to the definite cut, to the international movie industry and press. By which it was received with a very warm welcome, given (e.g.) the fact that Brian Brooks from indieWIRE spotted the film as a candidate for the Sundance Festival, and Rivetingpicturtes from Chicago USA noting on her cinema blog: “Cinema Komunisto is a thoroughly and exhaustively researched film about Josip Broz Tito and his passion for movies. (…) Filmmaker Mila Turajlic spent 5 years researching archival films to put the doc together and it shows. (…). It’s an incredible piece of historical documentary filmmaking that is also an engaging and fascinating story.”

IFA-reporter Serge van Duijnhoven, a former war correspondent in ex-Yugoslavia during the violent nineties, interviewed the young and extremely gifted director during the avant-premiere in Amsterdam. It became a revealing talk about the meaning of cinema, the grand illusion of the communist filmstudios and the country they were made in, about the curse of not learning from one’s history and the envy for a former generation who had the privilige to live in the decors of this sublime illusion where still everything seemed possible and promising. Cinema Komunisto explores the myth that created Yugoslavia, President Tito, the man who directed this fictional story, and how the image and the reality diverged until it all collapsed, leaving behind rotting sets and film clips from a country that no longer exists.

After January 29th, the documentary will be shown at various major movie festivals around the world.

THE DIRECTOR

Mila Turajlic was born in Belgrade, Serbia in 1979. Bsc in Politics and International Relations, London School of Economics. BA in Film and TV Production, Faculty of Dramatics Arts in Belgrade. MSc  in Media and Communications at the London School of Economics

Interview took place at the IDFA 2010, Wednesday nov 25th – at Arti et Amicitiae Amsterdam and Pathé Cinema Muntplein16-17h

© Serge van Duijnhoven, IFA 2010/11 – all rights reserved

SvD: You were born one year before Tito died. Did it take somebody of your generation to make such an un-biased documentary about the legacy of cinema and culture that was produced during the communist era of Marshall Tito?

Mila T.: Well… in the first ten years after his death, Tito was still very much alive everywhere in the country where I grew up in. He was still on our classroom walls. We had to celebrate his birthday every year. The change was that after 1991, Tito was suddenly completely erased from everyday life. Almost overnight they took his pics of the wall, changed  them for Milosevic and Saint Sava. He became almost unrecognizable for people even younger than me. They did not know who Tito was anymore. Throughout the nineties and until 2007 you could not find out so much about life in Yugoslavia. And for me it was like when you grow up and you have a very distant memory of it from your childood, and you have a very strong wish to go back to that place and see it again. Because it is not very clear to you. You kind of smell it, but it is gone. And so I really wanted to go back to Yugoslavia. And the only way I could really go back to Yugoslavia, was by watching all those old Yugoslav films. Through them you could really feel the old Yugoslavia. It was a big motivation for me to try and find that country again.


Entrance Gate of Avala Studios in Belgrade

SvD: Did you do this with mainly a cinematographical or a historical interest?

Mila T.: Both. The real motivation for me to make this movie, was when I went to the Avala Movie Studios for the first time. It was during the 1999 Nato bombings, I was studying at Film School, I walked through the opening gate, and it was like walking into a secret garden. I looked behind a wall, and suddenly a whole world was revealed that I had never known existed. . It was immense, a ghost town of abandoned and rotting sets, out-of-date equipment, empty film lots and unemployed technicians. And nobody had ever told me anything about it. Everything was gone, and at the same time still there. The costumes, decors, everything was still in its place. Films had not been made there for almost twenty years. But there were still about a hundred people employed in the studios. Getting a salary. Doing  whatever they wanted to do. Smoking, drinking, talking, making objects of wood or clothes… It was incredible. It felt like a ghost town. I really got the urge right there, to further explore this forgetten Walhalla of film and of all those magnificent movies that were made there during communist Times. But when I started to do research I discovered that there was no proper book about Abala Films Studios. No film ever made. No study done into its meaning or history. No proper archive. There is nothing you can find about the films that were made there. One night I got to this point where I clearly realized that the filmstudios were a metaphore for how Yugoslavia was created and for how Yugoslavia collapsed. From the end of the Second World War the Story of Yugoslavia was given a visual form in the creation of Yugoslav cinema. In a sense the Avala Film studios are the birthplace of the Yugoslav illusion. For me they represent a promising point of departure – that collapsing film sets can reveal something about the collapse of the scenography we were living in. I realised that one could make a whole history of Yugoslavia through the story of these very filmstudios. Because the way they made films is kind of the same as the way they made the country. Yugoslavia ultimately was – as well as these magnificent films that were made there – one grand illusion.  A big story. With Tito as a storyteller.  That’s basically what he did. Tito told the Yugoslav people a really good story. A story people wanted to live in. And when the story-teller died, the country collapsed.


Private screening of movies at Tito’s residence. Jovanka, Tito. Left behind: Leka the personal projector of the marshall.

SvD: Everything connected to the period leading up to the secessional wars of former Yugoslavia, is charged with a heavy load of symbolism. Did it take somebody like you, from a younger generation, to value the things that were to be valued in a more unbiased way?

Mila T.: Indeed I enter this story as a member of a new generation of Yugoslav filmmakers, one that has hazy memories of a country that no longer exists. We come of age surrounded by the ruins of something that is nostalgically referred to as a golden era, but no one has yet offered me a satisfactory insight into how it was all thrown away. We were born too late, and missed that party, but we arrived in time to pay the bill for it. I dont have a stake in offending, accusing Tito or in defending Tito.  In that sense, I really have the liberty to step away and say hey this is a really good story. A funny story, a tragic story. And a story through which one can begin to understand some things better. I am less interested in how the older generations will perceive my movie – they are fucked up anyway. I am more interested in how my and even younger generations will perceive it. How we see it, who did not really get to go to the party. And when studying the archives, it is a proven fact that those older generations were definitely living much better than in other countries reckoned to be part of the Eastern Block or communist Europe. In Slovenia it is very probable that our documentary will be better or at least much differently received than in some other parts of the former Yugoslavia that suffered a lot in the nineties. In Slovenia Tito has grown to be some kind of Che Guevara or pop cultural icon than an austere historical figure. But in Bosnia or Croatia, I know we are going to get very devided opinions. And also in Serbia proper…Absolutely. It is going to be long, long journey with this film. No doubt about it.

Projector Leka at Tito’s statue: the marshall always at one’s right side

SvD: Tell me something about the esthetical point of view regarding your movie.  It is a very intricate working process that you used, with many layers.

Mila T.: One thing I decided very early on was that I wanted to try and use these filmclips of relevance in a way people dont usually use them.  I knew immediately that I wanted my main characters to communicate with the films. And the characters in the film to communicate between them. So I wanted to make this kind of dialogue between the present  and the filmclips and in between the different films, because it would help you see these films in a new light. It helps you to look through the image as well as at the image. And another thing I knew I wanted to do immediately, is use feature films to tell the history. So my whole idea was: can we tell the history of Yugoslavia only through scenes from feature films, without using archives. And for the most part we managed to do that. And when you really put together all these movies that were made in Yugoslavia, you actually get a really good time line of the history of Yugoslavia. Of how it was told on screen. So you get both the history and you get how they chose to tell the history. And once I started doing that, I started to collect films. I managed to find 300 of them that were relevant. Then I started to make a database with them. I watched the film, and then as I watched it I noted the timecode and what was happening. The dialogues, the scenes. Then I would choose the parts of the film that I found very interesting. I would rip them into a moviefile. And then I would make in a database a small card for it. Give the clips a name. Who you see in it. Close up or mass scene. If there is a dialogue.  Funny death. Love. Partisan-German theme Etc. I had about a thousand fivehundred clips in the end. And we used that a lot in the editing to find things. Cause my editor would say to me: now it would be great if we would have two partizans talking about the new Yugoslavia. I would enter New Yugoslavia, and I would find twenty or thirty clips where we would have that. This process of selection and categorization took about two to three years. The editing took one year. The whole movie took us four years to make.

What I focussed on in my documentary, were films that play a part in creating an official narative  of the former Yugoslavia. It was a very known fact that Tito loved cinema and watched a lot of movies. But I wanted to go beyond the anecdotes. I wanted to go down into the story or reality behind these anecdotes. That is why the process of making the documentary was like a detective story in itself. I had to find the traces and evidence of a myth that was once supposed to be real but that had evaporated into air. I found some very powerful and telling traces. Living and material. I found them in the archives. I found them in the people I portray in my movie as main characters of the plot. For example, the main private cinema-projector of Tito who was on standby for 24 hours during thirty years and each day had to choose and project interesting movies for the marshall and his wife in their residences or even during their travels on the Galeb. I found the proof that Tito was very much actively involved in the way Yugoslav epic movies were coming together. I found Tito’s handwriting on some of the scripts scribbling instructions to the directors: a little bit more of this, a little bit less of that. This scene is not accurate, this is how it really was… About 750 movies were shot and produced at the Abala studios during Tito’s regime. Of this huge amount about 300 covered the partizan genre of the second World War and the slavic people resisting the Italian and German occupation. Of those 300 films you only see Tito in one film in a very clever way through archive. And then you see him once again in 1971. Tito did not allow to be shown in these films, as a matter of principle. What is the reason of this? I have no idea.

SvD: In your movie there is a very interesting and revealing fragment of Tito in the company of Richard Burton, on the set of Sutjeska in 1972, talking in rudimentary English, and making a little joke about the airplanes flying over during an intricate movie-scene tip-toeing their wings (“The Germans did not greet us after the bombing, back then! “). And when the joke is made, Burton laughs and waves his head away – distracted by something or somebody else – even though we see Tito still wanting  to finish his joke or add some other comment to the Hollywood actor.

Mila T.: For me, this very scene is the most incredible moment of archive in the movie. At this very moment everything seems to tumble topsy turvy. Suddenly it is not the dictator who is the main star on the set. It is Burton who is the star. Tito becomes like a little shy boy who wants to say something else to the great actor who is standing in his vicinity.  A really incredible moment. And one of the rare if not only instances recorded on film in which we see Tito not as the president, Marshall, war hero or world leader. But as a humbled little child aspiring to be near the world of stardom and fame. It is a moment of revealing truth, almost transcendency. To all people who saw this scene, it sent shivers to their spine.

SvD: Another revealing moment is the one in which we see Orson Welles praising Marshall Tito in the most superlative way imaginable, saying: “If one chooses to determine greatness in a man by leadership, it is a self-evident fact that Tito is the greatest leader on earth.” Was this after Welles had drunk one or several bottles of stara srbska slivovica or croatian stock?

Mila T.: Not at all. Orson Welles had a longstanding relationship with Yugoslavia, which begins in 1924 when world traveler Welles was only nine years old and taken to Dubrovnik by his father, Richard Welles. During the war, Welles was one of the  very first public figures to argue that not the cetniks but the partizans deserved US support in their struggle against the fascists of Mussolini and Hitler. The country furthermore played an important part as well in Welles professional career as his private life, since it became the place where he would not only film The Trial and play in roles in David and Goliath, The Tartars, and Austerlitz (1959-1962), but would also meet his muse and longtime companion Oja Kodar. Between the years 1967 and 1970, Welles would again find himself based in Yugoslavia, (and welcomed by President Tito), while he was filming his own projects in that country, including The Deep and the The Merchant of Venice. Welles appeared as an actor in The Battle of Neretva, which was magnificently scored by his longtime friend, Bernard Herrmann.

Orson Welles came back to Yugoslavia in 1967 to picture Dead Reckoning starring Jeanne Moreau, he sincerely believed  that it was this left wing paradise, the exemple of how you could create a successfull socialist alternative to a capitalist state.

The other and foremost reason Welles favored Yugoslavia was that he had found out that directors could get money there to make films. That the state would support directors in inequivocal ways to realize bigger productions for which loads of material, actors, extra’s and props had to be mobilized, catered and furnished with lodging… Orson Welles came to Avala and offered to make two movies at the studios at the same time. To shoot one film in the morning and the other in the afternoon. I think Orson Welles had a very simplistic view of the hero-partizans and Yugoslav-communism embodied by Tito, but I also think it suited him. Let us not forget that Orson Welles was among the very first to publicly argue that the USA should offer support to the partizans instead of the cetniks in the battle against the fascist occupiers. The comment in honour of the Marshall is very genuine, in the sense that Welles probably really thought that of Tito. Furthermore he might have said it so explicitly, because it might help him realize some of his projects he could not get done elsewhere.

Orson Welles and Josip Broz Tito

SvD; one thing that is extraordinarily touching in your movie is the decay of the Avala studios that is reveiled to the viewer in all its monstrosity toward the end of the story. These shocking images of the rubbles to which this once so illustrous place of cinematographical devotion has fallen to, are the sad and unmistakable climax of the movie.

MilaT.: It is sad, isn’t it? Avala Films is now up for sale – and will most likely be torn down to build an elite business complex. As the studios disappear, I am not convinced that the best way to move forward is to pretend the past never happened.

SvD: “The house we were living in, was bound to explode”, one can hear the sad voice of one of the main characters whisper towards the end of the movie. Was this  confrontation with the ruins of one’s own childhood house, the sentimental focuspoint you were aiming for from the beginning of the movie?

Mila T.:  My overall feeling that is portrayed in my movie, is not one of nostalgia but one of deep sadness. The decay in the filmstudios is a very visual and very physical manifestation of what I feel inside. Here lies something grand that is now literarally rotting away. Somehting glorious that nobody cares about. Those ruins are our tragedy. I mean it is a tragic urge to which us Serbs are enclined over and over again. The fact that we so stubbornly want to erase the past at a given moment, and that we destroy what was built up during years of work, in order to start from scratch all over again. The partizans erased the past to start carte blanche a new era in Yugoslav history from 1945. Milosevic erased the partizans and started from zero in 1991. The Democrats erased Milosevic and started again from zero in 2000.  We are never building on top of things. We are never reaping what we sawed in a positive way. We are always destroying to start again from zero point scratch.

SvD: Is it a Serbian curse, not to learn from its past?

Mila T.: A curse it is. As well as a compulsiveness. Absolutely, yes.  Destroying the past in the name of a new beginning has become the hallmark of our history, and each new break with the past requires it’s re-writing. I can’t say I feel nostalgia for Yusoslavia because I was born too late to see it. And I can’t really say I feel nostalgia for Tito and his communist dogmas. But there is a very strong feeling in me that our parents and grandparents were lucky because they lived in a country that really had an idea, a purpose and an urgency. An idea of whom they wanted to be and belong to as a society, as a country. It gave the Yugoslav people a great sense of direction and purpose of living. I envy them fort hat. Because we live in a country (Serbia) where fifty percent of the people think that Milosevic was a war hero. And fifty percent think he was a war criminal. Fifty percent would be willing to start a new war in order to gain back Kosovo, and fifty percent think we should face reality and work on our future, fifty percent of the people think the future of Serbia lies within the EU and fifty percent of the country believes the EU can fuck off because Europe bombed the hell out of Yugoslavia a decade ago. So we are a completely devided society that has no consensus. About who we are, where we came from, what we did in the nineties, and where we need to go. If there is one thing Serbia could learn and benefit from, it is from this “let’s-do-this” mentality of the Yugoslav era. If there is one thing Serbia would really need at the moment, it is a shared sense of hope and a common direction in which to proceed. So that we could finally overcome our  division and strive that make our country such a lethargic place of poverty and inefficiency. Even to build a highway, the famous corridor 10 which would connect Europe to Greece through Serbia, proved impossible for us.

© Serge van Duijnhoven, IFA 2010/2011. All rights reserved.

Filmposter La Bataille de Neretva, painted by Picasso

CINEMA KOMUNISTO

Bircaninova 20a
11000 Belgrade
Serbia
Tel/Fax: +381 11 3619 709

CONTACT:  mila@cinemakomunisto.com

EMAIL

film@cinemakomunisto.com
mila@cinemakomunisto.com

Technical notes

Country of origin: SERBIA
Year of production: 2010
Running time: 100 mins, 2 x 52 mins
Format: HDCam and DigiBETA, 16:9 aspect ratio, color
Language: in Serbian with English subtitles
Filming locations: Serbia, Croatia, Bosnia

Credits list

Written & Directed by MILA TURAJLIC

Produced by DRAGAN PEŠIKAN

Producers DRAGAN PEŠIKAN, MILA TURAJLIC, IVA PLEMIC, DEJAN PETROVIC, GORAN JEŠIC

Edited by ALEKSANDRA MILOVANOVIC

Director of Photography GORAN KOVACEVIC

Sound design ALEKSANDAR PROTIC

Original Music NEMANJA MOSUROVIC

Graphic designer JELENA SANADER

Sound recordists IVAN UZELAC, ZELJKO ĐORĐEVIC

Additional camera JELENA STANKOVIC

Archive research MILA TURAJLIC

Print design & site NIKOLA RADOJCIC, BRACA BURAZERI

Trailer editor ALEKSANDAR UHRIN

Produced in association DRIBBLING PICTURES, 3K PRODUCTIONS & INTERMEDIA NETWORK

With the financing support of

FILM CENTER SERBIA

CITY OF BELGRADE

JAN VRIJMAN FUND

ERT – GREECE

Developed within the framework of

DOCUMENTARY CAMPUS MASTERSCHOOL

IDFAcademy SUMMER SCHOOL

ARCHIDOC

EDN WORKSHOP – DOCS AT THESSALONIKI

DE ZEEMEEUW VAN TITO – Het vlaggenschip van de laatste leider van De Derde Weg

Tijdens Tito’s leven bood de Galeb plaats aan ontmoetingen en conferenties. Nu ligt het voormalige vlaggenschip van de Joegoslavische marine te roesten aan een afgelegen kade op een scheepswerf in Rijeka. Van het luxe, luisterrijke jacht van maarschalk Josip Broz is weinig anders over dan een drijvende hoop schroot. Toch is dat velen nog teveel. Het schip blijft hoe dan ook een ankerpunt voor de geschiedenis van een natie die aan broederstrijd en etnische twisten teloor is gegaan.

door Serge van Duijnhoven

De Kroatische schipper en oorlogsveteraan Marko Maroje weet het zeker: het was Josip Broz Tito die in 1995, op een mistige Sint-Jozefsdag, voor de kust van San Vincenzo langszij kwam aangemeerd op zijn imposante vlaggenschip de Galeb (‘meeuw’ of ‘zeemeeuw’). Ten overstaan van de verzamelde pers in Zagreb hield Maroje het ijzerenheinig vol: ‘Tito zag er schitterend en sterk uit. Hij stond op de plecht van zijn schip, met een sigaar in zijn hand. We praatten een tijdje. Hij vroeg: “Hoe staat het er bij jullie nu voor?” Ik antwoordde: “Niet zo goed, maarschalk.”’ Later vertelt Maroje dat iedereen hem voor gek verklaarde: ‘En journalisten vroegen of ik ook Benito Mussolini of Ante Pavelic heb zien rondvaren. Die twee fascistische dwazen, die ons land verpachtten aan de Italianen en de Duitsers! Nee, het was Tito, en hij alleen, meester van zijn tijd.’

Regisseur Vinko Bresan gebruikte in 1999 deze Tito-verschijning als basis voor de komische speelfilm Marsal. Die was enkele jaren geleden ook op de Nederlandse televisie te zien.

Nog altijd verklaren de dorpsbewoners van San Vincenzo de man en zijn graatmagere vrouw geschift. Regisseur Bresan filmde op locatie en gebruikte Maroje’s okerkleurige villa als psychiatrische kliniek. Dorpsbewoners die het gekkenhuis passeren wijzen met een vinger gniffelend naar hun voorhoofd. ‘Ze lachen ons uit!’ verklaart Maroje’s vinnige vrouw met rasperige stem, ‘omdat die dwazen van de film verzuimden de verf van ons huis te halen waarin het woord “gekkenhuis” staat gespeld.’

Maroje heeft Tito één keer in het echt ontmoet, toen hij begin jaren zeventig als officier in opleiding dienst deed bij de Joegoslavische marine. Maroje wordt nog altijd lyrisch als hij de inrichting van het schip beschrijft: ‘Het was geen schip zoals andere oorlogsschepen. Het jacht had grandeur. Het was het paradepaardje van ons land. Perzische tapijten, gecapitonneerde plafonds, notenhouten meubilair, gouden schalen, zilveren bestek, porseleinen serviesgoed. In die tijd kon ik mijn ogen nauwelijks geloven. Een kamer was ingericht ter herinnering aan de staatsmannen die de boot hadden bezocht, net als acteurs, musici, kunstenaars, sportlieden en schaakgrootmeesters. Hun namen stonden op platen gegraveerd in de centrale ballroom op het tweede dek. Daar stond ook de vleugelpiano waarop Tito zelf af en toe speelde.’

Tito inspecteert de bemanningh van de Galeb

Een generatie geleden was de Galeb nog een van de meest luisterrijke en luxueuze jachten in de wereld. Tito verwelkomde er sterren en staatslieden als Gandhi, Nasser, Kadafi, Castro, Churchill, Chroesjtsjov en filmsterren als Elisabeth Taylor, Richard Burton, Sophia Loren en Marilyn Monroe. Vandaag de dag is het 1930 ton wegende en 117 meter lange luxejacht een drijvende, roestende schroothoop. Wat ooit de varende trots was van de federale staat Joegoslavië is allengs verworden tot een symbool voor de puinhopen van een verdeeld land. Het verlaten dek en de lekkende chartrooms vormen een even levendige als pijnlijke herinnering aan de dramatische wijze waarop het land sinds 1991 in enkele burgeroorlogen uiteen is gevallen in steeds kleinere snipperstaten en (schijn)republiekjes.

Tito poseert lezend op de Galeb

De geschiedenis van het in 1938 als bananencargo in gebruik genomen schip is net zo grillig als de levensloop van de communistische partizanenleider die na de Tweede Wereldoorlog het heft in handen nam. In de Tweede Wereldoorlog werd het schip door de nazi’s gebruikt als mijnenjager in de Adriatische Zee. Het werd verscheidene keren getorpedeerd en in 1944 werd het schip zelfs door de Engelse luchtmacht tot zinken gebracht voor de haven van Rijeka. Tito liet het enkele jaren later weer boven water takelen en bouwde het om tot het vlaggenschip van zijn vloot. Hij legde er staatsbezoeken mee af. In 1953 deed hij met de Galeb de havens van Londen en Den Helder aan. Tijdens een luxebanket met een aansluitende ballroomparty liet hij de Hertog van Edinburgh en prins Bernhard aan boord.

Het schip speelde ook een cruciale rol bij de vorming van de Beweging van de Derde Weg. Tito legde tijdens diverse internationale conferenties de fundamenten van de Liga van Ongebonden Landen, die een onafhankelijke koers wilde varen tussen het kapitalistische Westen en het communistische sovjetimperium. De entourage van zijn varende luxepaleis diende in internationale wateren als neutrale grond voor topontmoetingen van deze landen van de Derde Weg. Legio zijn de verhalen over deze in alcohol, muziek, gok- en schaakspelen gedrenkte conferenties.

Tito en Nasser gaan aan boord van de Galeb

Het schip dat nu in Rijeka’s haven ligt te roesten, wordt omgeven door een zweem van nostalgie naar de relatieve welvaart van een voorgoed voorbije periode. Een periode waarin Joegoslavië meer dan twintig miljoen inwoners telde en een rol van betekenis speelde in het perverse schaakspel tussen Oost en West. Zelfs een Kroatische nationalist als Marko Maroje moet erkennen: in de tijd van Tito was het goed leven in Joegoslavië.

Galeb verkommerend in de haven van Rijeka 26 augustus 2009

Elf jaar na de dood van Tito spatte de Federale Republiek van Joegoslavië uiteen als het kadaver van een aangespoelde walvis. En alsof het werd meegezogen in de slachtingen waarmee dat gepaard ging, onderging het schip sindsdien een schrijnende verwaarlozing. In de haven van Rijeka ligt het jacht er triest en kaalgeplunderd bij, net als de verpauperde rompstaatjes Macedonië, Servië, Montenegro en Kosovo, die openbare uitverkoop houden van grond, kapitaal en grondstoffen. De boot wacht op een nieuwe eigenaar die bereid is in het schip te investeren om het van de ondergang te redden. De republieken, op hun beurt, wachten vol spanning af, in fatalistische lethargie of opgeblazen trots, of de Europese Unie of de Navo ze uit hun ellendige isolement zal komen redden. Ook de roem van Josip Broz Tito, de oude oorlogsheld die uitgroeide tot een wereldwijd gerespecteerd staatshoofd, ligt in de haven van Rijeka te grabbel. Vanaf de pier vertrekken iedere dag excursies naar het strafeiland Goli Otok (letterlijk ‘het naakte eiland’), waar Tito zijn politieke vijanden in de blote zon stenen liet hakken tot ze erbij neervielen. Veel ouderen als Maroje voelen heimwee naar de tijden van de sluwe vos, maar worden door een ander deel van de voormalige republiek uitgemaakt voor ‘vuile Joego-nostalgist’. Door hem als bovennatuurlijk te portretteren steekt de website titoville.com (niet toevallig uit Slovenië, de enige deelrepubliek die het goed gaat sinds de boedelscheiding) de draak met de socialistische dictator. Tussen alle archaïsche vooruitgangsretoriek uit zijn tijd is op een van de foto’s op de site te zien hoe Tito in een speedboot op weg is naar zijn jacht voor een nieuwe wereldreis langs de continenten.

Terwijl hij in zijn jeep naar de mistroostige industriële werf Viktor Lenac rijdt, vertelt scheepsingenieur Branko Rankovic enthousiast over de roemrijke geschiedenis van het schip: ‘Het was een symbool voor vrede en ongebondenheid in de hele wereld. Het is een vredesboot; een brod za mir.’ De ingenieur is belast met de taak om van de afgedankte Galeb opnieuw een luxejacht te maken voor de rijken van deze aarde. Aanvankelijk gaf de Griekse zakenman John Paul Papanicolaou hem daartoe opdracht. Eerder al liet hij het oude jacht de Christina Onassis omkatten, om het daarna voor een tienvoudig bedrag aan een miljardair in Engeland te verkopen. Met de Galeb wilde hij hetzelfde doen. Wat er precies tussen is gekomen, blijft een raadsel. Inmiddels is de achterstallige havenbelasting opgelopen tot bijna zeshonderdduizend euro. De werf is daarom een procedure gestart, geholpen door de handelsrechtbank van Rijeka, die ertoe moet leiden dat het schip zal worden geveild. ‘Het ergste is als het schip op de schroothoop belandt’, zegt de scheepsingenieur. ‘Daar is het schip historisch gezien te relevant voor.’

Met de bergen rechts en metershoge kranen linksboven komt plotseling de Zeemeeuw in zicht, vastgeketend in helder water. Het grijsgroene schip ziet eruit alsof het zojuist van de bodem van de zee getakeld is. ‘Toch is alles in de boot nog intact’, verzekert ingenieur Rankovic, ‘en precies bewaard gebleven zoals 25 jaar geleden. De kajuit van Tito en Jovanka, de chartrooms en de ballroom, alles is onaangeraakt. Het schip is alleen van buiten vervallen. Nog maar zes jaar geleden is de boot op eigen kracht van Montenegro naar Rijeka gevaren. Dus het hoeft niet lang te duren om het schip ook nu weer zeewaardig te maken.’ Rankovic wijst op de Fiat twin diesel engine die het schip zijn stuwkracht geeft: ‘Het schip haalt nog altijd twintig knopen.’ In de grote vergaderzaal staat vandaag enkel nog een lange ovale tafel. Een vaalgrijs tapijtje bedekt de grond. In de andere vertrekken van de boot druppelt het regenwater langs de wanden, langs scheuren en vochtplekken, terwijl een zware vochtige lucht bezoekers op de keel slaat. In de ooit luxueuze kajuit van Tito en zijn eega Jovanka bevinden zich alleen nog twee ijzeren bedden en een houten kast met lege laden. ‘Het is alsof je in een tijdmachine terecht bent gekomen’, mijmert Rankovic.

Net als de burgemeester van Rijeka vindt Rankovic dat de Galeb een museum moet worden. Daarvoor hoeft hij ook niet zeewaardig worden gemaakt: ‘Een likje verf, wat nieuwe meubels en klaar is Kees.’ Ook Maroje, de man met het Tito-visioen, ziet zo’n museum wel zitten, net als andere veteranen uit het voormalige Joegoslavische leger. Maar het is allerminst zeker of het museum er zal komen. Drie jaar geleden werd de Galeb nog voor zes miljoen dollar te koop aangeboden, onder meer via de website yachtworld.com. Vorige maand is de basisprijs door de havenautoriteiten van Rijeka vastgesteld op 150.000 euro. Kroatische nationalisten en de oude gevangenen van Goli Otok zijn er op uit het schip voor een spotprijs te kopen en vervolgens naar de schroothoop te brengen, om museale Joego-nostalgie geen kans te geven.

De woordvoerder van het ministerie van Cultuur bevestigt dat het schip inmiddels tot nationaal cultureel erfgoed is verheven, maar zegt dat het ministerie het schip niet zal kopen: ‘De enige die het schip zal kunnen kopen is de stad Rijeka.’ In het gemeentehuis op de brede Korso-boulevard in het centrum van de stad verklaart de burgemeester met galmende stem dat het schip te belangrijk is voor de schroothoop: ‘Alleen al omdat zes brandweermannen van onze stad hun leven hebben gegeven bij het blussen van de Galeb, toen die tijdens beschietingen in de Tweede Wereldoorlog in brand vloog.’

De voormalige oppermachinist van de Galeb, de tachtigjarige kapitein Dusan Milic, zegt dat men het schip willens en wetens heeft laten verkommeren: ‘Het schip werd zestien jaar lang zelfs niet eens geverfd!’ Het is zijn droom om, vijftig jaar na zijn diensttijd op de Galeb, nog één keer terug te mogen keren naar de plecht van het jacht en de machinekamer opnieuw te betreden. ‘Tuzjno!’ mijmert hij. ‘Het is triest dat de Galeb er nu zo aan toe is. Maar het is niet te laat. We zouden gewoon met de oude crew samen moeten komen, dan zouden we de motoren in een vloek en een zucht weer aan de praat krijgen. Dan varen we met het schip direct de haven uit.’ Op weg naar het verleden.

Dit artikel kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Alsmede met steun van Vlatka Simac, die de auteur tijdens zijn onderzoek in Rijeka als researcher en vertaler terzijde stond. Zonder haar voortvarende hulp had ik dit verhaal nimmer kunnen optekenen (in weekblad De Groene Amsterdammer), noch op geluidsband kunnen vastleggen (voor het geschiedenisprogramma OVT van VPRO Radio).

Photo courtesy

© 2010 Vladimir Tarnovski all rights reserved for the pictures as published in this article.

With courtesy also of Michael W. Pocock and MaritimeQuest.com.

President Josip Broz Tito seen in Morocco, Galeb is seen in the background.
(Photo courtesy of Vladimir Tarnovski) 

‘T’ga za jug’ – Zuidzucht. De Muzen van Struga

* * *

Het door drugsoorlogen en kidnappings geteisterde Colombia viert iedere zomer weer zijn Coppa del America . Sarajevo kende tijdens de belegering zijn jaarlijkse filmfestival. En in ogenschijnlijk rustig Macedonie vinden jaar in jaar uit – onder wisselend gesternte – steeds weer nieuwe edities plaats van het internationaal gere nommeerde poeziefestival de ‘Struga Poetry Evenings’. Eregast en nobelprijswinnaar Seamus Heaney, die tijdens het tweede bezoek van dichter Serge van Duijnhoven de ‘Gulden Lauwerkrans’ in ontvangst mocht nemen: ‘Eerlijk gezegd voel ik me met al die soldaten en wegversperringen hier wel op mijn gemak. Het doet me denken aan mijn jaren in Belfast…’

In plechtige processie trekt de stoet internationale dichters achter twaalf in het wit gestoken Macedonische bloemenmaagden aan, die asters strooien over de balustrade. Onder ons kolkt het water van de Zwarte Drim. Nobelprijswinnaar Seamus Heaney rijdt langzaam voorbij in een gepantserde Mercedes, begeleid door patrouillewagens van de zwaarbewapende Macedonische policija. Bij het bereiken van de overzijde worden vuurpijlen afgeschoten, tegelijk barst een ongenadig onweer los. Burgers zwaaien met hun parapluies. Geroffel klinkt vanuit de bergen. Of is het een militaire helicopter? Mannen in kogelvrije vesten kijken star voor zich uit, de loop van hun Zastava 7.62 pistoolmitrailleurs gericht naar de dikke spetters regen die kaatsen op de grond.

‘Eerlijk gezegd voel ik me met al die soldaten en wegversperringen hier wel op mijn gemak,’ vertelde Seamus Heaney (door zijn knappe tolk consequent ‘Mister Himus Sjini’ genoemd) wat lakoniek in de pianobar van het immense, lege hotel. ‘Een gevoel van homecoming. Het straatbeeld herinnert me aan mijn jonge jaren in Belfast.’ Drinkend van een bescheiden Skopsko Pivo, verzekerde de dichter dat hij er geen moment over gedacht had om af te zeggen voor het festival. Natuurlijk hebben mijn naasten me afgeraden om juist nu naar Macedonië te gaan, maar mensen die om je geven zijn altijd bezorgd. Wij Ieren zijn misschien al een beetje meer vertrouwd met de situatie dan anderen. Maar we weten ook dat het geweld in het buitenland vaak erg wordt overdreven.’ Een dichteres uit Israel knikt driftig. ‘Ik voel me pas onveilig als ik geen soldaten zie op straat,’ zegt ze stoer.

Afzeggingen zijn er nauwelijks. Naast eregast Seamus Heaney, die dit jaar de ‘Gulden Lauwerkrans’ in ontvangst mag komen nemen, is nog een dertigtal bekende en minder bekende dichters uit alle windstreken naar het trogdiepe Meer van Ohrid afgezakt. Gearriveerd zijn Thomas Shapcott uit Australië, de Amerikaan Claude Freeman, Anne Marie Dinesen uit Denemarken, Jean Laugier uit Frankrijk, Jorhe Justo Padron uit Spanje, Skënder Rusi uit Albanië, Mohammed Bennis uit Marokko, Sergej Glavyuk uit Rusland. De volharding waarmee de internationale gasten temidden van wapengekletter, bomaanslagen en nerveus ‘oogstende’ Navo-soldaten, hun verzen willen laten klinken op de brug over de Zwarte Drim, wordt door de organisatoren van het festival ervaren als bemoedigend. Het Macedonische publiek kan het weinig schelen, want dat heeft heel andere zaken aan het hoofd dan de verskunst.

Kaneo Klooster Ohrid

‘s Avonds trekken gure windvlagen geribbelde sporen over het donkere water van het Meer van Ohrid. De late zomerzon verdwijnt achter de bergtoppen als een steen die over de rand van een put wordt geduwd. Achter de ramen van de verlaten eetzalen in het hotel gaapt een koele duisternis die uit de diepte van het meer omhoog lijkt te stijgen. De leren schoenzolen van de obers maken langgerekte piepgeluiden op het glanzende travertin. Hotel Bicer heeft 500 bedden en zou moeiteloos een tienvoud van alle genodigde dichters kunnen herbergen.

Dichter en songwriter Jabir Derala (35), die ik in het centrum van Skopje ontmoette voor ik de bus nam naar het festival, is deze zomer niet van plan om naar Struga te reizen. Er staan dikke wallen onder zijn ogen, zijn adem ruikt naar drank. ‘Er is werk aan de winkel. Flyers rondbrengen, posters ophangen, lobbyen bij politici, gevangenissen bezoeken, het organiseren van popconcerten voor de vrede: daar is behoefte aan. Aan verheven woorden en fijnbesnaarde avonden met collega-dichters heb ik even geen boodschap.’ Jabir heeft de daad bij het woord gevoegd, en een mensenrechtenorganisatie opgericht (Civil) die moet toezien op de rechten van politieke gevangenen en het ontplooien van multi-etnische initiatieven.

Dat het poëziefestival uitgerekend Struga als bakermat heeft uitgekozen en niet het toeristische en historische Ohrid, waar nog maar kort geleden de vredesonderhandelingen hebben plaatsgevonden, is te danken aan de negentiende eeuwse dichter Konstantin Miladinov. In zijn gedicht `T’ga zajug’ (`Zuidzucht’) bezong de Mecedonische Byron, die net als zijn Engelse tijdgenoot gedwongen was om in exil te leven (de Turkse sultan had een prijs op zijn hoofd gezet), hoe hij terugverlangde naar het vissersdorp van zijn jeugd. `Had ik maar vleugels als een arend/om naar mijn Struga terug te vliegen’, dichtte Miladinov terwijl hij in Rusland wegkwijnde aan de tuberculosis. ‘Nog steeds zie ik en voel ik/hoe zij brandt, die vurige parel die in mij geplant/als kroonjuweel zal rusten/op Macedonië, mijn vaderland.’ Het vers is verplichte leerkost op scholen in Macedonië. Miladinovs hymne aan Struga verleende een stem aan een nationaal gevoel dat eeuwenlang door het Osmaanse gezag was onderdrukt. (Allen Ginsberg, ontvangt ‘Golden Wreath’ in 1986)

Tijdens de openingsceremonie van het festival klimt een jongen in een wijde kosjula (wit hemd) achter de microfoon en begint op statige wijze, begeleid door trieste Macedonische volksmuziek, Miladinovs gedicht ‘T’ga za jug’ voor te dragen. Hier en daar rolt een traan. Een partijfunctionaris van de nationalistische regeringspartij VMRO, Bratislav Tashkovski, nodigt de dichters uit om naar voren te komen. `In whose name should I greet you, dear poets, if not in the name of the destiny of the Macedonian land and the Macedonian people!’ De toon is gezet. Met veel stemverheffing en ‘ hoera voor Macedonië!’-geroep verklaart de politicus het internationale poëziefestival voor geopend.

De voordrachten lijken bijzaak. Er wordt nauwelijks geluisterd. Voortdurend piepen en sjierpen mobiele telefoons en ruisen de walkie talkies van de aanwezige soldaten. Het dondert in de bergen. Vanuit de verte klinkt een Macedonische smartlap. De microfoon galmt en zingt rond, of de versterking waait weg in het niets. Het publiek wiegt ongeduldig heen en weer, en raakt pas geboeid als Seamus Heaney achter de microfoon gaat staan en genoeglijk vertelt van zijn ‘utterly memorable days and nights at Struga in 1978′, toen hij voor het eerst in aanraking kwam met ‘de wonderbaarlijke vitaliteit van het Macedonische leven en de Macedonische cultuur.’ De laureaat oogst fors applaus, maar de boel komt pas echt los als de Spaanse dichter Jorhe Justo Padron de Macedonische toehoorders paait met een smartelijke elegie, door hemzelf in de landstaal voorgelezen, voor het ‘heroische, in doodsnood verkerende en in de steek gelaten Macedonië’. Het publiek joelt en klapt minutenlang; en daar lijkt het Padron ook vooral om te doen. Hij maakt wel vijf stijve buigingen. Tv-camera’s zoemen beschuldigend in op wie nog niet de handen op elkaar heeft.

Anna, een journaliste van het genuanceerde dagblad Dnevnik , zegt na afloop dat ik de zin van de nationalistische peptalk moet kunnen begrijpen. `We hebben het nodig, nu. Voor jou mogen die woorden gezwollen lijken, maar voor ons is het een kwestie van voortbestaan. Zonder patriottisme zal ons land verkruimelen, en dat is heus geen retoriek!’ Ik vraag me af hoeveel Albanezen de openingsceremonie hebben bijgewoond. Als er al geweest zijn, moeten ze hun tong stuk hebben gebeten van ergernis om alle Macedonische op-de-borst-klopperij. ‘Of er Albanezen waren?’ reageert Ana geprikkeld. ‘Iedereen is welkom, nema problema . Als er geen Albanezen zijn, dan is dat omdat het festival ze blijkbaar geen zier interesseert. De Albanese cultuur is volkomen op zichzelf gericht, uit een panische afkeer voor alles wat slavisch of anders is dan het eigene.’

In het ‘park van de poëzie’ mag de Ierse laureaat met de handen als kolenschoppen, een laurierboom planten, zoals alle winnaars van de ‘ Gulden Lauwerkrans’ voor hem. Het priëel staat vol met laurierbomen die veelal door inmiddels overleden dichters zijn geplant. Voor een rillerige dunne staak is een marmeren schrijn neergezet. ‘Behalve een dichter ben ik ook een plattelandskind, dus die boom plant ik met plezier,’ verklaart Heaney met een spade in zijn hand. De dichter leest, staand naast een hoopje aarde, het gedicht ‘Digging’ voor, een geserreerd portret van zijn boerende vader en turfstekende grootvader. ‘Between my finger and my thumb/The squat pen rests; snug as a gun ‘, zo begint het gedicht. ‘Under my window, a clean rasping sound/When the spade sinks into gravely ground:/My father, digging. I look down./(…)‘

Heaney steekt de spade in het zand. De handeling geschiedt gedecideerd, eerder stram dan soepel, maar heeft toch iets sacraals. Alsof je de dichter hier in de Macedonische aarde de grondlagen van zijn stoffelijke verleden bloot zich leggen. En alsof je, vanuit het zand, drie mannen elkaar de hand ziet reiken, drie boerenzonen hier ziet graven, opeenvolgende generaties die in verticale lijn een hele eeuw omvatten. ‘ By God, the old man could handle a spade./ Just like his old man.’

De spade die begon in de handen van de turfsteker, ging over als schop in de handen van de landarbeider, en werd uiteindelijk een ‘squat pen, snug as a gun’ tussen duim en wijsvinger van de schrijver. Met in zijn knuisten nu een echte spade, bevindt Heaney zich voor even bovenaan de ladder van de tijd – zijn handen overlappen die van zijn grootvader de turfsteker.

‘ My grandfather cut more turf in a day/Than any other man on Toner’s bog./Once I carried him milk in a bottle/Corked sloppily with paper./He straightened up/To drink it, then fell to right away/Nicking and slicing neatly, heaving sods// Over his shoulder, going down and down/For the good turf. Digging.’

Plotseling krijgt de opmerking over het ‘homecoming gevoel’ dat de dichter gisteren beschreef in de pianobar, een heel andere lading. De rijzige Ier met het knoestige postuur, blijkt niks teveel te hebben gezegd. Seamus Heaney is hier, aan het andere einde van Europa, volkomen in zijn element. Hij geeft de spade door met een plechtig gebaar aan zijn Macedonische collega’ s. En de overige dichters verdwijnen moeiteloos in de hoekige schaduw van een ferme Ier met drie paar handen. .

‘ (…) The cold smell of potato mould, the squelch and slap/Of soggy peat, the curt cuts of an edge/Through living roots awaken in my head./ But I’ve no spade to follow men like them.//Between my finger and my thumb/The squat pen rests./ I ‘ll dig with it.‘

Het handjevol journalisten dat de moeite heeft genomen om via de 300 kilometer lange omweg naar Struga te rijden (de normale weg via Tetovo is afgesneden door de rebellen) is alleen geinteresseerd in politieke issues. Dagenlang blijven ze hengelen naar een verlossend inzicht van de geletterden op het festival, een bemoedigend woord, een steun in de rug voor de nationale Macedonische zaak. Maar niemand van de dichters laat zich verleiden tot het betweterige engagement waarmee Franse filosofen als Bernard-Henry Levy en Alain ‘ Finkielkroat’ in eerdere Balkanconflicten het publieke debat domineerden. ‘Veel interessanter dan het geven van een obligate opinie of analyse,’ ; spreekt Seamus Heaney overtuigd, ‘is het juist om te bepalen in hoeverre dichters verschillen van geschiedkundigen of toekomstvoorspellers.’

Toch probeert Heaney zijn Macedonische collega’s nog een beetje moed in te spreken. ‘Aan de huidige situatie kleven voor- en nadelen, moet u maar denken. Het slechte nieuws is dat Macedonië nu bekend raakt als een land waar burgeroorlog dreigt. Het goede nieuws is dat het conflict de Macedonische poezie een zekere glans zal verlenen, glamour . Het succes van de Ierse literatuur in de wereld, is deels te danken aan het geweld in Noord-Ierland. Persoonlijk sluit ik me aan bij Vaclav Havel, die zei: “ik geloof in hoop. Hoop verschilt van optimisme; hoop is ergens aan werken dat de moeite loont.” Ik denk dat u hier in Macedonië werkt aan een oplossing; daarom ziet het er naar mijn indruk toch lichtjes hoopvol uit. Meer kan ik er niet over zeggen…’

In het centrum van Struga, dat voor zestig procent uit Albanezen bestaat, heerst een gespannen rust. Avdi (24), een Albanese kappershulp, legt me uit dat zijn volk altijd heeft moeten leven met de minachting en afkeer van de slavische Macedoniërs. ‘Wij waren dat gewend en hebben ons lot altijd ondergaan. Nu, voor het eerst, is ónze haat aan de oppervlakte gekomen. Open en bloot. De Macedoniërs zijn dat niet gewend, en verkeren in paniek. Het meerendeel van mijn volk wil nog steeds met de Macedoniërs samenleven. Maar uit slavische mond komt alleen nog oorlogstaal. Erg onverstandig, want Albanezen uit alle windstreken zullen ons in geval van oorlog te hulp schieten. Zes miljoen Albanezen zullen over één miljoen slaven heen walsen. De Macedoniërs hebben geen schijn van kans.’

Visser Dimitar Ginovski (24), een stevige jongen met een donker ringbaardje, toegeknepen ogen en een zachte stem, neemt me mee het meer op in zijn houten schuit. Na een kwartier varen werpt hij zijn netten uit. De tijd heeft hier stilgestaan. De ouderdom van het bergmeer op de grens van Macedonie en Albanie blijkt uit de aanwezigheid van een vissoort (‘pastrumka’) die elders op aarde alleen nog als fossiele afdruk wordt teruggevonden. De vangst ervan is verboden voor toeristen, en zelfs voor beroepsvissers uit de dorpen gelden strikte quota. De zon komt op boven de donkere ruine van tsar Samoil. Mistflarden drijven langs de oever. De boot dobbert rustig op de kabbelende golven. ‘Macedonie is hoe dan ook een prachtig land,’ zeg ik. ‘ Wás een prachtig land,’ corrigeert Dimitar me. ‘We hebben liggen slapen, en worden wakker in een huis dat voor de helft is leeggeroofd. En wat een dief jat, geeft hij niet meer terug. De Albanezen zullen gek zijn. Met een paar strategische verrassingsaanvallen hebben ze in zes maanden bereikt, waar ze anders zestig jaar op hadden moeten wachten.’ Dimitar trekt aan zijn netten, en hijst de eerste forel en kleine ‘fossili’ -visjes aan boord. De pastrumka hebben uitpuilende ogen en lange blauwe vinnen. Ze smaken het lekkerst als ze gefrituurd zijn. De graat schijn je er met je tanden in een keer te moeten uittrekken. Vervolgens spuug je die op een bord en eet je de vis helemaal op.

Aristoteles heeft ooit geschreven dat de dichtkunst ‘verheven is boven wat de tijd zoal zal leren’. Een goede dichter is, met andere woorden, allerminst een notulist van de geschiedenis, en evenmin een ‘ziener’ of ‘verkondiger’. De muze die hij dient is Caliope, die met de schone stem. Of Erato, die met de lier. Zo niet op de Balkan, en zeker niet in Struga, waar het gros van de dichters elk jaar weer lijkt weggelopen onder de stijve hoepelrok van Polyhymnia. Op het gebied van orerende dichters die hun pastorale obsessie combineren met politieke ambities, heeft de regio een traditie hoog te houden. Nergens anders in Europa gaan de twee zo klef en desastreus hand in hand. Misschien heeft het ermee te maken dat de fase van het nationbuilding op de Balkan nog in volle bloei is. Misschien ook dat dichters zeker in de rurale gebieden nog echt op handen worden gedragen, terwijl politici bij het volk gehaat zijn en gezien worden als nepotisten en zakkenvullers. Radovan Karadzic, Nicolaj Koljevic, Vuk Draskovic, Vladimir Boskovski (de Macedonische minister van Binnenlandse Zaken), Ljupco Georgievski (de premier van Macedonië, net als Boskovski lid van de nationalistische partij VMRO)… ; allemaal beschouwden ze zich voor korte of langere tijd als uitverkoren door de muze van het ‘bloed en bodem’ – de schutsdame van de eigen ethnos die spreekt in lofzangen en hymnen. En allemaal stonden ze ooit op die vermaarde brug in Struga, tussen de bloemenmaagden die asters uitstrooien over het ijskoude water van de rivier; de plek waarover Seamus Heaney zei dat ‘ de poëzie in onze tijd nergens meer tot leven komt dan daar, aan de monding van de Zwarte Drim.’
Wat Radovan Karadzic heeft uitgespookt, is genoegzaam bekend. De vlammen die opstegen van Sarajevo stonden al beschreven in zijn versbundel voor kinderen getiteld Zwarte Sprookjes . En wie wil weten wat premier Ljupco Georgievski nog allemaal in petto heeft voor zijn land, leze zijn in broeierige seks en doem gedoopte debuut Apocalypse, of het megalomane vervolg daarop, De Stad , waarin de dichter beschrijft hoe hij het landerige plaatsje Delcevo verlaat om ‘het volk’ te redden van de chaos in de woelige hoofdstad Skopje. ‘Mijn bundels hebben één terugkerend thema,’ verklaarde Georgievski in 1994 aan Frank Westerman , destijds Balkan-correspondent voor de Volkskrant , ‘de wereld is slecht en lelijk. Er zit niets anders op dan haar te verwoesten en van de grond af aan weer op te bouwen.’

© Serge van Duijnhoven 2010

men leze in deze ook het even hilarische als verbluffende literaire verslag “Alles Zwart” in de non-fictie bundel Balkan – Wij noemen het rozen Uitgeverij Podium, ISBN 90-5759-123-5, 1999, prijs €15,90

de website van het festival

http://www.svp.org.mk/en/history.html

The Struga Poetry Evenings started in 1962 with a series of readings by a number of Macedonian poets in honor of the two brothers, Konstantin and Dimitar Miladinov, great intellectuals, teachers, and writers, born in Struga in the beginning of 19th century. Konstantin Miladinov has been considered the founder of modern Macedonian poetry and each year the festival officially opens with his memorable poem “Longing for the South” (“T’ga za jug”) written during his student days in Moscow.
As from 1963, when many poets from all Yugoslav republics also joined the festival, the “Miladinov Brothers” award was established for the best poetry book published in the Republic of Macedonia between two Struga poetry festivals. By 1966, the SPE turned into an international poetry event and, consequently, an international poetry award called “The Golden Wreath” was established, given to a world renowned living poet for his poetic oeuvre or life achievement in the field of poetry.
In 2003 the SPE and UNESCO established a close cooperation and jointly promoted a new award called “The Bridges of Struga” for the best first poetry book by young authors from all over the world.
Despite the tremendous difficulties and harsh realities that the festival has had to live with — the fall of Yugoslavia, the war in Bosnia, the Kosovo crisis, the political and ethnic clashes in Macedonia, the terrorist crisis after September 11th attacks, and the numerous political and economic embargos imposed on the region — the SPE has successfully flourished becoming one of the most important poetry festivals in the modern world. And that is a tribute to world poetry and its poets.
The Festival has offices in Struga and in Skopje (a director of office, an executive and a technical secretary) and is organized by a Festival Board, which consists of knowledgeable professionals in the field of poetry (poets, critics, translators, and professors in comparative literature and culture). The most attractive poetry events during the festival are “The Meridians” reading at the opening evening of the festival, and “The Bridges of Struga” reading at the closing of the festival. These are spectacular events that attract the citizens of Struga to come out in huge numbers and greet the poets from all over the world with their famous hospitality.
The festival also features two multimedia events (poetry, music and video) called “Nights without Punctuation”, will also be held, thus opening the festival for new, rather experimental forms of poetic presentations.
Every year, a day before its official opening, the festival also organizes a symposium on different and attractive topics. It attracts the attention of many literary experts from all over the world.
During all these years of its existence the festival has hosted about 4.000 poets, translators, essayists and literary critics from 95 countries of the world.
Every year the festival publishes a series of books in order to promote poetry by foreign authors to the Macedonian readership, as well as thematic anthologies of contemporary Macedonian poetry in English translation to readers abroad. These editions include the famous series “Pleiades”, featuring famous poets from all over the world and Macedonia. The thematic anthologies of Macedonian contemporary poetry include poets from all minorities in Macedonia published in their mother tongue, and in Macedonian and English translation. One of the most prestigiuos anthologies published every year is dedicated to a different national or regional poetry.
The Struga Poetry Evenings have also established an International Poetry Library. It contains books of all festival participants. Moreover, its International Poetic Archive contains significant materials (books, manuscripts, photographs, films etc.) available to any literary researcher or poetry lover. Therefore, all participants are asked in advance to donate copies to the Library before their arrival in Struga.

The Miladinov Brothers Award

The Miladinov Brothers Award is given for best book of poetry published between two editions of the International Struga Poetry Evenings Festival. The Miladinov brothers, Dimitar and Konstantin are renowned humanists and writers and educationists from the 19 century, born in the city of Struga. The older one, Dimitar Miladinov, was a teacher and collector of popular songs and stories, and the younger one, Konstantin, is more famous as a poet. During his studies in Moscow he wrote the most famous romantic poem in the Macedonian language, “Longing for the South”. This poem has become a symbol of the Festival, which traditionally opens with its verses read in several languages. The Miladinov brother ended their lives tragically in the Ottoman prisons, sentenced unjustly for their cultural and educational mission among their people.

The Miladinov Brothers Award was established in 1963, and the best book is selected after a publicly announced competition by the SPE Award Committee. The award is the most significant poetry prize in the Republic of Macedonia, recognized as a national poetry award.

Winners of the national poetry award the “Miladinov Brothers”

1963 Mateja Matevski
1964 Ante Popovski
1965 Radovan Pavlovski
1966 Bogomil Guzel
1967 Vlada Urosevik
1968 Petre M.Andreevski
1969 Mile Nedelkoski
1970 Petar T.Boskovski
1971 Petre M.Andreevski
1972 Bogomil Gjuzel
1973 Vlada Urosevik
1974 Blaze Koneski
1975 Gane Todorovski
1976 Aco Sopov
1977 Atanas Vangelov
1978 Milovan Stefanovski
1979 Slavko Janevski
1980 Eftim Kletnikov
1981 Mateja Matevski
1982 Mihail Rendzov
1983 Adem Gajtani
1984 Todor Chalovski
1985 Liljana Dirjan
1986 Vlada Urosevik
1987 Petko Dabeski
1988 Slavko Janevski
1989 Katica Kulafkova
1990 Rade Siljan
1991 Risto Vasilevski
1992 Jordan Danilovski
1993 Branko Cvetkosk
1994 Petre Bakevski
1995 Ante Popovski
1996 Svetlana Hristova-Jocik
1997 Gligor Stojkovski
1998 Gordana Mihajlova Bosnakovska
1999 Jovan Koteski
2000 Slave Gorgjo Dimoski
2001 Sande Stojchevski
2002 Radovan Pavlovski
2003 Eftim Kletnikov
2004 Petko Dabeski
2005 Petar T. Boskovski
2006 Bratislav Tashkovski
2007 Nikola Madzjirov
2008 Risto Lazarov
2009 Vesna Acevska

Bridges of Struga Award

As a result of the initiative rising from the communique signed in 2003 between the Ministry of Culture of the Republic of Macedonia and UNESCO, among other issues, a new award, “Bridges of Struga” was established. This award is given to a young poet from all over the world for a best first book of poetry, after a public competition issued by the Festival and the member states National Commission for UNESCO. A special selection, called “Bridges” is published, including the poetry of the award winner, and all the other competitors for the award. This selection includes poems in the mother tongue of the poets, and translations into Macedonian and into one of the major languages of the world.
Winners of the “Bridges of Struga” award for best first poetry book in the world
2004 Angelo V. Suarez (The Philippines)
2005 Andrea Cote (Colombia)
2006 Marianna Geide (Russian Federation)
2007 Manua Rime (Belgium)
2008 Antonija Novakovic (Croatia)
2009 Ousmane Sarr-Sarrouss (Senegal)
2010 Siim Kera (Estonia)

Golden wreath Award

In 1966, the Struga Poetry Evenings have grown into an international poetry manifestation. The same year the international poetry award the “Golden wreath” award was established. This prestigious award is given to a world famous live poet for his poetry and his deed. It’s an award made entirely by hand. It has the shape of a wreath with filligrans and it is made from gold.

Recepients of the Golden wreath Award

1966
Robert Rozdestvenski (Russia)

1967
Bulat
Okudzava (Russia)

1968
Laslo
Nadz
(Hungary)

1969
Mak Dizdar (Bosnia and Herzegovina)
1970
Miodrag
Pavlovic
(Yugoslavia)

1971
Wystan
Hugh Auden
(USA)

1972
Pablo
Neruda
(Chile)

1973
Eugenio
Montale
(Italy)

1974
Fazil Hisni
Daglarga
(Turkey)

1975
Leopold
Sedar Sengor
(Senegal)
1976

Eugene
Guillevic
(France)
1977
Arthur
Lundkvist
(Sweden)
1978
Rafael
Alberti
(Spain)
1979
Miroslav
Krleza
(Croatia)
1980
Hans Magnus Enzensberger (Germany)
1981
Blaze
Koneski (Macedonia)
1982
Nikita
Stanescu (Romania)
1983
Sachidanand H. Vatsjajn-Agjej (India)
1984
Andrej Voznesenski (Russia)
1985
Janis
Ritsos
(Greece)
1986
Allen
Ginsberg
(USA)
1987
Tadeus Ruzhevic (Poland)
1988
Desanka Maksimovic (Yugoslavia)
1989
Thomas Shapkott (Australia)
1990
Justo Horhe Padron
(Spain)
1991
Joseph
Brodsky
(USA)
1992
Ferenzs
Juhas (Hungary)
1993
Genadi Ajgi (Chuvash Republic, Russia)
1994
Ted
Hughes
(Great Britain)
1995
Jehuda
Amichai
(Israel)
1996
Makoto
Ooka
(Japan)
1997
Adonis
(Syria)
1998
Lu Juan
(China)
1998
Yves
Bonnfoy (France)
2000
Edoardo Sangvinetti (Italy)
2001
Seamus
Heaney
(Ireland)
2002
Slavko
Mihalic
(Croatia)
2003
Thomas Transtroemer
(Sweden)
2004
Vasço
Grassa Moura
(Portugal)
2005
William
S. Merwin
(USA)
2006
Nancy
Morejon
(Cuba)
2007
Mahmoud Darwish (Palestine)
2008
Fatos Arapi
(Albania))
2009
Tomaz Salamun
(Slovenia)
2010
Ljubomir Levcev
(Bulgaria)

  • Kalender

    • augustus 2018
      M D W D V Z Z
      « Jun    
       12345
      6789101112
      13141516171819
      20212223242526
      2728293031  
  • Zoeken