Afscheid van Brussel

Vandaag, 14 juli 2017, kwam de camion  voorrijden waaruit enige potige mannen stapten van het verhuisbedrijf Strang in Vught, die mijn huis aan de Kandelaarsstraat 23 in de Marollen, hartje Brussel, in no tempo leeg kwamen  ruimen. Ik heb er veertien jaar gewoond. Toen ik er introk, met mijn toenmalige echtgenote Anica Miloshevska, was het huis aan voor- en achtergevel van bodem tot dak bedekt met weelderige lagen klimop. Het huis dateert uit 1848, de straat is  veel en veel ouder, en staat al aangegeven op kaarten die dateren uit de veertiende eeuw. Het is een straat met denivele, hoogteverschil. Hij heeft een stevige helling, en het bovenste mondt uit in een stel stevige stenen traptreden. De straat is daarom niet alleen stil, hij oogt ook pittoresk en authentiek. Een beetje a la Montmartre.

Kandelaarsstraat Serge in de Kand Bart Azare1

Serge op de kasseien van de Kandelaarsstraat. Fotograaf: Bart Azare

Ik heb in dit huis veel meegemaakt. Veel beleefd. Ten faveure en ten detrimente. Ik heb er gelukkige jaren beleefd, en minder gelukkige. Ik vierde er de liefde, de vriendschap, het feest, het eten, zingen en pianospelen, de muziek en vooral  het Franse chanson.  Ik beleefde er jaren van delires en dronkenschap toen de schrijver Arthur van Amerongen in 2007 en 2008 mijn zolderverdieping huurde om er te werken aan zijn profetische boek Brussel Eurabia. Maar ik maakte er ook mijn scheiding mee, een periode van armoede en verval, van islamitische indoctrinatie, vereenzaming en uiteindelijk zelfs van een depressie die uitliep op een zelfmoordpoging. De stille kracht van deze stille straat, bleek  niet alleen maar een gunstige uitwerking op me te hebben. Ook mijn leven  kwam er stilletjes aan in tot stilstand. De optredens werden minder en minder in aantal, vrienden uit Holland kwamen steeds minder vaak langs, voor  de literaire beau monde uit  de  Grachtengordel was ik na zo´n twintig, eenentwintig jaren in Belgistan te hebben doorgebracht, op gegeven moment min of meer van de artistieke kaart verdwenen. Als er nog eens een artikel over me verscheen, werd ik steeds vaker een Vlaming of Belg genoemd. Dat ik niet uit Vlaams-Brabant maar uit Noord-Brabant (Oss) afkomstig was, scheen nergens meer opgemerkt. Ik begon honger te krijgen naar een mogelijkheid, om me weer wat meer naar het centrum van de literaire wereld toe te vechten. Terug terreinwinst te boeken. Mijn pittoreske stille straat, was wel een heel stille straat geworden.

Na de aanslagen van 22 maart 2016, waar ik  van nabij bij betrokken was toen ik  in de metro onder station Kunst/Wet op brute wijze tot stilstand werd gekatapulteerd en in het pikkedonker belandde, omdat een mohammedaanse zeloot gemeend had zich tot martelaar te  moeten maken door zoveel mogelijk burgers met zich mee de dood in te jagen, begon het me te dagen dat het wellicht niet onverstandig was om van woonst te veranderen. Hoofdstuk Brussel na achttien  jaren – met een lichte pijn in het hart – toe te doen. Een frisse start te maken, boven de open riolen die ik vroeger zo verguisde. Om als het ware Heim ins Reich te gaan dus.

Maar de verkoop van het huis liet op zich wachten. Ik leidde 150 gegadigden rond door mijn verdiepingen, die in 2011 nog op smaakvolle wijze waren ingericht door mijn toenmalige geliefde en designer Arlette van Laar. Lampen en gordijnen van Emmery & Company, een dromerige okerkleurige verf op de wanden, een bidbankje uit een protestantse kerk voor in de keuken, het hout vers gelakt, een parketvloer gelegd, het muffe jarenzeventig tapijt op de trap van de treden getrokken en de  vloeren  geboend. Het huis in de Kandelaarsstraat werd van een rommelig thuishonk voor een bohemien, een oogstrelend palazzo. Toch vond de ene gegadigde de trappen te steil, beklaagde een ander zich dat het huis geen garage had,  of geen kelder, of dat er een tuin miste. Anderen waren wel gecharmeerd van de sfeer die het huis ontegenzeggelijk bezat, maar ze waren toch ook een beetje beducht voor de leeftijd ervan. Een Italiaan die verliefd werd op mijn woning, liet zich finaal van de wijs brengen door een ingehuurde expert die het huis tot op de bodem begon af te breken. Dit en dat en zus en zo zouden hier niet deugen volgens de steeds strengere stadreglementen, er zat hier en daar wat vocht in de muren, de glazen annex van de benedenverdieping stond niet vermeld in het kadaster, dak moest node gerepareerd, en er waren wortelsporen van een berkenboom die zich in de loop der jaren in het cement van de schoorsteen had vermengd, etcetera. Weg liefde van de dolenthousiaste Italiaan, die niet de mankementen maar de ziel van het palazzo had ervaren. Magie verdwenen. Een nieuwe periode van wachten op mogelijke kopers begon. En in de tussentijd zat ik op de schopstoel, kreeg een duistere vorm van lethargie en somberte bezit over mijn ziel, en zakte ik gelijdelijk aan weg in een toestand die achteraf gezien enkel is te karakteriseren als een diepe, diepe depressie. Ik werd zelfs suicidair. Toen er eindelijk een jong koppel in de straat verscheen, dat net als de Italiaan amoureuze gevoelens voor rustieke palazzo scheen te voelen, was dat niet eens meer een mogelijkheid tot naderende verlichting of verlossing. Ik begon me in te beelden dat wat een Afscheid van Brussel moest worden, misschien ook wel meteen een Afscheid van het leven diende te betekenen. Toen ik werd geroepen bij de notaris, om er de voorlopige verkoopacte te ondertekenen in het bijzijn van het jonge Franse duo dat in mijn bibliotheek een praktijk wilde vestigen voor orthodontie,  voelde het alsof ik niets minder dan mijn eigen  doodsvonnis ondertekende.

Op 10 mei jl. was de innerlijke wanhoop tot zo een dieptepunt geraakt, dat ik geen andere uitweg meer zag dan de daad bij de al maanden steeds sterker wordende obsessieve gedachte te voegen. Ik nam een  overdosis slaappillen van het merk Nozinan, dronk twee flessen wijn leeg, schreef een afscheidsmail naar mijn uitgever en bezieler Vic van de Reijt van Nijgh & Van Ditmar, en legde me kalm en uitgeblust  op  bed, waar ik  nog een plastic zak van de Lidl over mijn hoofd trok. Mijn kat Kyra kwam ongerust kopjes geven en haar pootje tegen mijn gezicht wrijven. Ik probeerde haar gerust te stellen, door haar te aaien. Ik had vrede met de gedachte aan de dood, sterker nog: ik snakte ernaar. Verlossing van besognes, gedachten, schulden en de deprimerende gedachte dat het leven dat nog komen moest, toch niet anders zou worden dan een lange aftocht richting het lichamelijke, geestelijke en artistieke verval.

Het huis is leeg. Ook de bieb is leeg1

 

Het huis is leeg. Ook de bieb is leeg2

 

Het huis is leeg.Camion

 

Het huis is leeg.lift

 

Het huis is leeg.liftlight

 

Het huis is leeg.straatpatio

 

Huis is leeg.1

 

Huis is leeg2

 

Huis is leeg3

 

Huis is leeg4

 

Het huis is leeg. Kyra is wat verdwaasd

 

Het huis is leeg. Kyra is wat verdwaasd2

Brussel is een rivier die zijn monding en zijn debiet kwijt is. Wat er aanspoelt, resulteert in verloedering. Een verloedering, die in Brussel gedijdt als schimmel in een ruine en die alles verrot, alles bederft en aantast, en daardoor zijn eigen ondergang veroorzaakt. Deze stad staat geheel op zijn kop. De rechtvaardigen boeten voor de zondaars, de armen voor de rijken, de buitenlanders voor de inheemsen. De stad is geveld door de toekomst, die hier al aangebroken is als een doodsvonnis dat is volvoerd. Het kosmopolitisme heeft het provincialisme verpletterd.

Kandelaaarsstraat straatnaambord

Zo zag het huis eruit voor de verhuizers kwamen. Dit is een foto genomen door Theo Krijgsman:

Kandelaarsstraat zo zag het eruit foto Theo Krijgsman

In 2003 was de stad ons nog niet  beu. We waren nog steeds knap en geliefd : de mensen glimlachten op straat en keken om. In onze kamers was het kil, maar ze hadden de juiste verhoudingen, en er was meer dan een verwijzing naar een ander leven, vrij van de vertrouwde remmingen, een leven van een hogere orde, in dit grote laboratorium, dit merkwaardig surrealistische lustoord dat zich alleen voor jou ontvouwde.  We sprongen als vlooien van de ene tent naar de andere.

 

Kandelaarsstraat 19e eeuw laiterie

De Kandelaarstraat op het einde van de 19de eeuw. Vormt samen met de Tempelstraat, de Samaritanenstraat en de Duivenstraat een netwerk van straatjes dat reeds voorkomt op het plan van Deventer. Deze straten verraden door hun smalle breedte en hellend reliëf nog hun middeleeuwse oorsprong.

Kandelaarsstraat 19e eeuw vanaf beneden

Kandelaarsstraat 19e eeuw

Ik voelde me aangetrokken tot de surreeele, terloopse elegantie en het air van Brussel, aspecten die je meteen opvielen, de collage van statige, vervallen, grappige en mondaine dingen, het leven in de straten en het leven dat ontreddering en dood weerstaat.

De normale gang van zaken is dat je alles eerst van veraf ziet en dan van dichtbij. Brussel kun je echter  niet zo zien. Het is een nurksige, intieme stad, en daarmee bedoel ik privacy, gevuld met details van het leven, gevoelig voor stemmingen en verheven boven aanpassingen aan het individu. De stageaire, de parlementarier, de forens, de student, de immigrant : zij die Brussel bevolken zijn er heel vaak maar tijdelijk, op doorreis. Vrienden van me zijn hier op bezoek gekomen, verbleven enige dagen en nachten, maar konden geen vat krijgen op de stad. Een enkeling concludeerde boos bij zijn vertrek dat « Brussel hem had afgewezen ».

Brussel geeft zich niet gemakkelijk gewonnen. Het pronkt niet graag . Houdt zijn kaarten verborgen. Kijkt de kat uit  de boom. Het heeft een hekel aan pretentie en een grote bek. Het is allergisch voor ieder die het beter weet.

Haar kracht is verticaal, en dat wil zeggen diep.

Een stad die zo vaak van buitenaf is geregeerd, bezet, belegerd, gemeltraiteerd, verraden, kon geen sprankje illusie meer overhebben. Overdag was het er bedrijvig, als de zon scheen  was het er soms prachtig en lommerrijk. Na donker werd het sinister. Leeg, dreigend, verraderlijk.

 

Kandelaarsstraat boek over Marollen zw wt

Kandelaarsstraat brochure cover

Kandelaarsstraat Chez Jeanine jaren vijftig

 

Brussel was zo´n geweldige stad dat hij nooit op zou raken. In de Kandelaarsstraat waren we totaal in harmonie. Ons leven was als een enkel, welbesteed uur. Het geheim ervan was ons gebrek aan wroeging, aan zelfmedelijden, onze creativiteit en trots die maakten dat we onze armoede en ontberingen voor lief namen. We waren bereid de prijs te betalen van een bestaan in de groezelige boezem van de Brusselse boheme. De sleutel tot ons Brusselse geluk, was onze onstilbare honger naar de bronnen van het leven zelf. Onze souplesse, om ons aan te passen aan de vereisten en coutumes van een stad die politiek even verdeeld was als cultureel gefragmenteerd. We haalden de pin uit de granaat, en wachtten nieuwsgierig op de ontploffing. Verkneukelden ons bij het schouwspel, de felle lichtflits, de knal, het tafereel van de versplinterde explosie. We bezagen en bestudeerden het resultaat van onze handeling. De uiteengeworpen fragmenten van een tot ontploffing gebrachte leven dat net als het zonlicht in de rozetta van een kerk, op de vloer neerdaalde in multispectrale scherven van lich ten schaduw. Een betoverend arsenaal aan messcherpe kleuren. Wat we met volle teugen tot ons namen, in ons opsnoven, was de opwindende geur van vers tot ontploffing gebracht kruit. Het buskruit van het ware, grootse leven in een grenzeloos Hoofdstedelijk Gewest.

 

Kandelaarsstraat Chez Jeanine terrasje

 

Kandelaarsstraat arsons

 

 

De exquise geuren, de wanorde die mooi was, de nachten die nooit eindigden, je dagboek vol met ontmoetingen, diners, concerten, tentoonstellingen, voorstellingen, memorabele ervaringen en cruciale inzichten, dat alles creeerde in mij de warmte van een overrompelende liefdesnacht. Brussel. Dit waren uren, dagen, nachten, seizoenen dat je het leven letterlijk indrinkt. De kalme dagen, de camaraderie, de liefde die haar sporen nog verdiende en die je beleefde als een plechtig avontuur dat beantwoordde aan de verordeningen van een alleszins nobele ziel, de zon overdag en de belevenissen na valavond, dit alles loogde alle zorg uit ons. Liet ons tevreden achter. We waren personages in een toneelstuk dat we imiteerden en bewonderden. Het leven kon niet tegenvallen, de acteurs niet van het toneel verdwijnen. Het gezelschap kwijtte zich voorbeeldig van zijn taak. De voorstelling was in alle opzichten geslaagd, het theater van ons overprikkelde bestaan was echter en effectiever dan de rauwste vertoning op straat in de verarmde wijken van de binnensteden. We hielden stand, we floreerden, we genoten en leerden spelenderwijs wat het betekende om volwassene te zijn in een kosmopolitische stad met al haar scherpe randen, bittere schaduwen en talloze verlokkingen. The readiness is all, liet Shakespeare Hamlet verkondigen. En bereid waren we. Om tot het uiterste te profiteren van dit grenzeloze hedonistische bestaan, om tot in extremis tot dit opwindende grootstadse leven in te gaan. De drinkbeker tot de bodem leeg te slurpen. Dit waren uren, dagen, nachten, seizoenen dat je het leven letterlijk indrinkt. Dat we het leven letterlijk leegdronken. We voelden ons gepurifieerd. De dagen waren uitgehakt uit een steengroeve die nooit leeg zou raken. De vrijheid waar we gedurende onze jaren in Brussel op uit waren, was er een van zelfoverwinning. Het was geen  natuurlijke gesteldheid. Ze was alleen bedoeld voor diegenen die er alles voor over hadden, die zich realiseerden dat het leven daarzonder alleen maar bestond uit trek hebben tot je geen tanden meer had.

 

Kandelaarsstraat graffiti Bruegel

 

Kandelaarsstraat graffiti terminoideologica.bord

 

Hoe vaak kun je in een en dezelfde tijdsspanne de liefde van je leven beleven? De romantische, mateloze ziel beziet en beleeft iedere grote liefde, als de ultieme kans op geluk. Maar ook als de ultieme beproeving. De klap waarmee mijn meest recente relatie op de klippen liep, kwam ik niet meer te boven. Ik en Medina. Ik, Medina en haar zoontje Jonathan. De vervulling die mijn leven de afgelopen jaren eindelijk weer glans had gegeven, ontviel me met een daverende klap. De ondraaglijke stilte en leegte die op die klap volgden. Het gevoel van mislukking, falen, altijd weer te eindigen aan de zijlijn van het bestaan. De implosive van mijn leven, dat ik als ledig en betekenisloos ervaarde. We waren verloofd. We hadden grootse plannen. We hielden onze toekomst in de palm van onze handen. Wanneer de verlovingsringen van de vingers worden getrokken, op de grond worden gesmeten en met de paraphernalia van de grootse liefde in de prullenbak belanden, wanneer een Koppel dat zo hecht was en geloofde in de kansen die de liefde hen nog een keer bood, uit elkaar gaat: dan is het of er een houtblok wordt gespleten met een bijl. De twee stukken zijn ongelijk. Een ervan bevat de kern. De andere het gemis. De ene vangt het licht, en slaat dat in zich op. Om de boeken vervolgens monter weer te sluiten. De ander vangt de schaduw, en ervaart hoe de splinter van het houtblok zijn ziel in stukken kerft. Voor de ene is de ervaring van die grootse liefde een verrijking, voor de ander is en blijft het vooral een open wonde. Medina is er met het heilige deel vandoor gegaan. Zij kon verder leven, gedijen, tot bloei geraken, opnieuw gelukkig zijn en een leven verderzetten vol betekenis en genoegens. Ik bleef achter op het altaar, gehavend, getekend, bloedend en gewond. Alsof een leeuwin mijn bortkas open had gescheurd, en er mijn ziel uit had opgepeuzeld. Ik moest niet zeuren. Had gekregen wat ik had gewild. Toen ik mijn geliefde voor het eerst had gezien, in een serie op TV, had ik uitgeroepen: deze soevereine dame is de panter waar ik door verslonden wil worden. Aldus geschiedde. Mijn bede is verhoord.

 

Kandelaarsstraat graffiti terminoideologica

 

Kandelaarsstraat graffiti terminoideologica.senzafranco

 

Ik was een nieuw tijdperk in gegaan. Al wat tot het oude behoorde, moest worden begraven, weggedaan. Mijn verwondingen leken me voortekens. Ze markeerden mijn eerste echte vrees voor het verdere leven, voor de kwaadaardigheid die deel was van de sappen ervan, die niet te verklaren was, niet te genezen. Ik wilde mijn huis verkopen. Er was iets gaande aan alle kanten van mijn bestaan, ik begon het te zien op straat, het was als het donker, ik was me er opeens van bewust, als het komt, dan komt het overal. Het makkelijke deel van het leven was voorbij.

Was het dan zo makkelijk?

Het leven veranderde van een bovengrondse stroom met vele vertakkingen en een gezonde doorstroming, in een ondergrondse rivier. De bovenkant wordt lager, wordt nat, het water spoelt het donker in. De lucht wordt vochtig en ijzig, de doortocht wordt nauw. Licht, geluid is hier niet meer. De stroming glijdt nu voort onder grote, onbewogen platen van steen. Het stinkt er. Het water is zwart als het graf. Ik kan alleen maar zeggen dat je daar, op die ondergrondse rivier, zelfs met moed niet veel opschiet.

 

Kandelaarsstraat Inkymouth leeg

 

Kandelaarsstraat jaren vijftig Marieke

 

Terwijl ik  op de hoek van de Kandelaarsstraat stond, met drommen toeristen die er in het weekend passeerden, langs me heen strekeen, terwijl er bussen voorbij denderden, zei ik tegen Luigi: Het is afgelopen. Waarmee ik alles bedoelde dat me had gevoed, bovenal de stad buiten wier uiterste boorden ik een toevlucht had gevonden, nog steeds gevoelig voor haar aantrekkingskracht, nog steeds onder een hemel waarvan een uiteinde gloeide van haar licht. Er zijn steeds meer stukjes van de oever weggevallen. Tegenslagen, mislukkingen, aanslagen, verelendung, verloedering, verkommering. Dat waren de kale bomen in het Brusselse bos die alleen stonden en aan de voet waarvan op gegeven moment niets meer leek te willen groeien. Je kunt het emotionele bankroet uiteindelijk net zo snel en grondig beleven als het materiele dat je al zolang met zoveel kunst en vliegwerk hebt proberen te voorkomen. Het is een misvatting te denken dat je het echec (onheil), net als de dood, altijd wel een stap voor zal weten te blijven. Ons vermogen tot gedurig welvaren is, als puntje bij paaltje komt, even gelimiteerd als ons incasseringsvermoogen. Het reservoir aan mogelijkheden waaruit we zo kwistig putten als we jong zijn, blijkt allerminst oneindig. Wie rekent op een rechtvaardige balans, een gelijkmatige spreiding van kosten en baten, van voorspoed en misfortuin, komt bedrogen uit. Plotseling blijken alle rekeningen tegelijk te moeten worden vereffend. Raken schilden beschadigd, reserves geplunderd. Kloppen er niet alleen deurwaarders, maar ook allerhande karmische crediteuren bij je aan, bonzen op de deuren van je ziel. Je ziel raakt erdoor opgejaagd, en belegerd, net zoals de stad overspoeld wordt door de bedelaars en apatriden. Je kunt langzaamaan wegzakken in een misere die van de stad op jezelf is overgeslagen. Je vrijwel letterlijk opnknopen aan een melancholie die behalve van het stille en doodlopende straatje waar je woont, ook van je inwendige bezit blijkt te hebben genomen. Wijn, verhalen, verre en overleden vrienden, mislukte kansen, het geluk dat ik in mijn handen had gehouden en dat ik had laten ontglippen: ik was een man die met al zijn kleren aan in de stroom der dagen lag.

 

Kandelaarsstraat Je taime mon petit chat

 

Kandelaarsstraat Kapellenkerk

 

Een leven gedompeld in stilte, gemarineerd in wanhoop. De hoop op een beter, die alle nieuwe dagen wordt gelogenstraft. Een nachtmerrie, waaruit niet meer valt te ontwaken. Je bent een kritiek reactiepunt voorbij, waarop je zintuigen nog op de prikkels van buiten reageren. Je reservoir aan krachten waarmee je je tegen de aanvallen kunt verdedigen, is weggesijpeld. Weggespoeld, alsof er een stop is gehaald uit de bodem van je ziel. Je bent er absoluut van overtuigd dat dit je laatste dagen zijn. Je zal ze nooit meer terugvinden.

 

Kandelaarsstraat quartier Breugel

 

Kandelaarsstraat Sablons Tower

 

Ik was een en al romp geworden. Ik had geen kiel meer. Het roer was klein, het kompas op drift. Mijn ogen waren glazig, de vonk van levensenergie was eruit weggetrokken, het vuur was gedoofd. Zelf mijn libido liet verstek gaan. Ik was als een verslagen bokser, wachtend in zijn hoek op de genadestoot. Ik kon alleen nog plichtmatig glimlachen en praten, meepraten met anderen door hun laatste woorden te herhalen. Ik, die het leven zozeer had omhelsd en doorleefd, ik had geen puf meer. Het leven liet me in de steek met een trage, onmerkbare motoriek, als het tij waar je met je rug naartoe staat. Alle verdriet en geluk verdween, vervaagde, werd uitgewist tot niet eens meer de herinnering eraan resteerde. Ik werd van binnen uitgehold, mijn leven werd dag in dag uit bepaald en vormgegeven door een steeds pregnantere leegte en een steeds grotere alomvattende paniek. Het lukte me niet meer uit de put van de eenzaamheid omhoog te klimmen. Ik zonderde me steeds meer af. Meed gezelschap. Voelde me nimmer op mijn gemak als mijn isolement bij uitzondering eens werd doorbroken. De eerste gedachte die me bekroop bij eender welke ontmoeting was: hoe kom ik zo snel mogelijk van hem of haar af. Hoe kan ik mijn schamele wezen zo snel mogelijk weer toedekken met de mantel van de eenzaamheid. Ik probeerde vrede te hebben met de ondergang, die immanent leek. Waaraan niet meer viel te ontkomen. Ik had een puinhoop van mijn leven gemaakt, en mijn ik was onder meters puin bedolven geraakt. Ik kon me geen weg meer naar het oppervlak toe graven. De enige uitweg uit deze allerneteligste situatie, was de ontsnapping van de dood. De ultieme verlossing. Het vinden van de poort die me eindelijk naar het niets-oord terug zou voeren. De gedachte hieraan, bracht me opmerkelijk genoeg een vorm van rust. Soelaas. Er was een einde mogelijk. Al zou dat einde enkel gestalte kunnen krijgen in het schenden van een oeroud sacraal gebod. Gij zult niet doden, of het nu een ander of uzelve betreft. Het voornemen om dat poortje van de nooit-uitgang uit eigen beweging open te wrikken (de deur waarop niet voor niets een afgeragd bordje was bevestigd met de tekst Sans Issue, Verboden Toegang voor Onbevoegden), droeg ik in stilte met mee. Het voelde als het brandtouw dat ik om mijn middle had gegord, en waarmee ik ten lange leste in ieder geval uit het brandende gebouw van mijn bestaan zou weten te ontkomen. Het touw verborg ik onder mijn kleren. Anderen hoefden, mochten het in geen geval gewaar worden. De gedachte aan zelfmoord gaat met een beslist bewustzijn gepaard, dat wat je voornemens bent te doen een misdaad betreft. Een ultieme vorm van verraad, zowel aan jezelf als aan je naasten. De gedachte wordt een dwanggedachte, en de dwanggedachte wordt een gruwelijk geheim dat je in de rottende, pikdonkere stilte van je eenzaamheid hebt weggestopt, als een radioactief stuk plutonium die door criminelen is achtergelaten in een kluis.

Het is onmogelijk, ondenkbaar om dit verraderlijke geheim met wie dan ook te delen. De de zelfmoordenaar in spe is ertoe veroordeeld, zijn giftige voornemen in de donkerte van zijn kluis te laten stralen. Het is het sluitstuk van zijn eenzaamheid. De kluis bevindt zich helemaal in de kelder van zijn totalitaire isolement. Alleen jij hebt de sleutel, weet van het bestaan van die kluis.

 

Kandelaarsstraat station Kapellekerk

 

Mijn lichaam was min of meer hetzelfde gebleven, al werd ik dan wat magerder vanwege alle zorgen en verdriet, de structuur die dat lijf bijeenhield was aan het oplossen. Al de oude en onderling verbonden kennis, al mijn eruditie en mijn aanspraken op enigerlei mate van geluk, de invulling van de belofte waarin ik mijn hele creatieve leven had geloofd en waar ik op had gerekend, het begon allemaal te verdwijnen. Het voelde alsof de grote kamers van mijn binnenste het een voor een begaven. De ruimten van mijn leven vielen weg als een gebouw dat werd gesloopt. Mijn lichaam had zich tegen me gekeerd, de harmonie die daarbinnen ooit had geheerst, was verdwenen. Ik bleef achter in het huis dat al te koop stond. Als een schipbreukeling in een wrak dat bezig was te zinken. Alles in huis, leek te delen in een verlies. Ik voelde me steeds meer gescheiden van mijn bestaan. De aanwezigheid die de leegheid van de kamers en verdiepingen vulde en lichter maakte, zin gaf, die aanwezigheid was er niet meer. De simple hebberigheid waarmee je je vastklampt aan een liefde, een vriendchap, een vol leven met arbeid en betekenis, maakte me plots wanhopig. Ik raakte verdoofd. Een fatale ruimte had zich geopend, zoals die tussen een lijnschip en de kade, plotseling te breed om overheen te springen. Alles is nog aanwezig, zichtbaar, maar je kan het niet meer terugkrijgen. De tijd raakte verzuurd, stonk in zijn zakken. Ik had plannen, een beetje vaag, een paar afspraken op de lange termijn, maar niets wezenlijks meer te doen. Mijn blik bleef niet aan dingen haken, maar gleed ervan af als een stervend insect. Ik wankelde, zwaaide heen en weer tussen momenten dat ik geen enkele kracht had, geen denkvermogen, geen drang tot vechten, waarop ik het gevoel had dat, ach, kon men zijn dood maar als een fanaticus, een gelovige, tegemoet rennen, koortsig, bedwelmd, op die versnelde voeten die achter liefde aan rennen – en dan, in de kalmte van een vroege middag als ik een boek probeerde te lezen, was ik juist verzadigd van een allesoverheersende lethargie. Een berusting, dat de ondergang toch  wel zou komen en niet eens hoefde te worden bespoedigd. Op dat soort dagen wentelde ik me in een gedurige slaap die zich over vele dagdelen en nachtelijke uren uitstrekte. Als een insect dat zich verpopte, verscholen voor de gang van de wereld, in een cocon van zelfgesponnen zijde. De tijd tot stilstand gebracht, die donkere nis in de ruimte opzoekend, waar je je alvast onzichtbaar kon wanen voor het Oog van het Al.

 

Kandelaarsstraat straatnaambord Sainktmalot

 

Kandelaarsstraat straatnaambord twee talen

 

Ik arriveerde in Brussel toen ik negenentwintig was.  Mijn eerste decennium in de stad beleefde ik als dertiger. Dat gloedvolle decennium in je leven waar nooit een eind aan zou komen en waarin je alles kon wagen. In de Marollen ging ik op gegeven moment mijn middelbare leeftijd in, mijn dertiger en veertiger jaren, en die periode was er een van bloei en beloften die gelijdelijk aan transformeerden in verdieping en bestendiging. Maar op zeker moment toch ook in herhaling, verstarring, vertraging, verval. Mijn leven veranderde van een snelstromende beek, in een uitgestrekt meer, donkerder en dieper dan ik had gedroomd. Het werd van onderen gevoed door bronnen van een nog jeugdige bravoure en de bijbehorende ambities, fris en zuiver en beloftevol. Aan de oppervlakte, bij het afvoerkanaal, was het water troebel en al lang niet onbezoedeld meer .  Wie een monster nam, mat de toxische resten van een bandeloos artistiek bestaan en de sporen van een jarenlang veronachtzaamde grootstedelijke vervuiling. Was dit waar het frisse begin op uitgelopen was ? Een vergiftigd riool, gelijk de Zenne, dat omdat het nauwelijks nog gezuiverd kon worden, beter aan het oog kon worden onttrokken ?

 

Kandelaarsstraat trappen boven

 

Kandelaarsstraat vanaf halfweg

 

Alles heeft een cyclus, en ik wist dat ik het beste deel van mijn geluk al achter me had. Ik probeerde wanhopig te zinnen op manieren om me uit de neerwaartse spiraal te wringen. Ik  opperde het plan om te vertrekken. Een nieuw leven te beginnen, terug op mijn geboortegrond. De plenipotentie van een frisse start! Maar het op een finale wijze afbreken van een genesteld bestaan in een geliefde stad, is net als het afbreken van een gevecht, naar verluid, een van de moeilijkste operaties die er bestaan, en sommigen zijn er bedrevener in dan anderen. Het betekent vlak langs de afgrond gaan, de rampspoed net weten te omzeilen en op een haarbreed overleven. In Brussel heb ik mijn geluk maar ook mijn tegenslagen op mijn pad gevonden, en gezien hoe de dingen waar ik zielsveel van hield en die betekenis gaven aan mijn bestaan, een voor een in duisternis en ongenade vielen. Net als andere grote steden stinkt het in deze hoofdstad van Europa, naar de eindeloze cyclus van leven en sterven. Je komt tot het besef – niet meteen, maar pas als je je eigen sterfelijkheid kunt accepteren – dat leven en dood hetzelfde zijn.

 

Kandelaarsstraat.grafitti2011

 

Kandelaarsstraat.zwwit

 

Gebeurtenissen hebben hun uitnodiging nodig, desintegratie haar begin. De aanslagen van maart 2016. 32 medeburgers, die de pech hadden twee metrostellen voor de jouwe uit te reizen,  komen om. Jij overleeft. En meer dan dat : hun levens zijn in de jouwe gegraveerd. Je klautert in het pikkedonker omhoog, ruikt de geur van electriciteit en schroeiend vlees. Als je eindelijk weer boven op straat staat, niet ver van metrohalte Maelbeek, hoor je medepassagiers die abusievelijk de verkeerde schacht in zijn gekropen, om hulp roepen. Terwijl de rookslierten uit de luchtkoker dwarrelen. Met hun handpalmen proberen ze deb ijzeren roosters op te tillen. Ze zitten klem. Hun gegil achtervolgt je tot aan je huis. Tot in je slaap. Het is alsof ze in de dichtgemetselde kelder onder je woning, nog steeds nog steeds hun smeekbeden tot je richten. Je kunt ze niet helpen. Het sousterrain is al een eeuw geleden volgestort met puin. De vloeren zijn met tegels bemetseld. Waar eens het trapgat zat, is nu een duister rommelhok. Je slaapt met oordopjes in. Ook omdat de boiler van de buurman, dag en nacht lawaai maakt. Een sonore brom, die niet meer uit je buizen van eustachius verdwijnt. Die in de boeken van je bibliotheek doorresoneert. Die in de stenen fundamenten van je huis omhoog trilt. Je raakt het geluid niet kwijt. Het is er altijd, als een soort achtergrondruis van het heelal. Je creeert lagen van stilte in de stilte, ongeschonden stilte waarmee je de geschonden vorm probeert te bedekken. Alsof je een gewond lichaam wikkelt in het ene na het andere schone laken. Het gebrom blijft hoorbaar, hoezeer je het ook probeert te negeren of maskeren. De buurman ontkent dat het geluid van bij hem komt. Of ik hem en zijn huurder, niet meer wil lastigvallen. De loodgieter is langsgeweest, die kon geen brom meer detecteren. het is genoeg zo. Het geluid zit in uw hoofd, u bent gek, zegt de buurman. Soms kom ik overeind uit bed, midden in de nacht, en leg ik mijn oor te luisteren tegen de muur om te bepalen of de brom er nog is. Als het geluid me niet gek maakt, dan de buurman wel. Die huisjesmelker, die zijn woning in vier, vijf krotruimten verdeeld heeft die hij aan armoedzaaiers heeft verhuurd. Het huis laat hij  verkommeren tot een schimmige bouwval, het kan hem niets schelen. Je hebt een hele verzameling gebruikte oordopjes aangelegd, die je in slagorde gesorteerd hebt bovenop de eikenhouten kast in de keuken. In het begin speelde je kat nog met de kleine wassen bolletjes. Nu zijn het er teveel om nog interessant te zijn. Om echte stilte te verkrijgen, zul je moeten verhuizen. Dat ga je doen. Eigenlijk gun je het je buurman niet. Jij trekt aan het kortste eind. Het voelt als een nederlaag. Buurman steekt geen vinger uit, maar wint. Je broer zegt dat het hoog tijd is, om eieren te kiezen voor je geld. Trek je plan, laat je niet opnaaien. Ik knik als ik het mijn broer hoor zeggen.

 

Kandelaarsstraat1.1

 

KandelaarsstraatRue des Chandeliers.photo2

 

De schaduw van verandering en neergang, lag over alles. Mijn blik op het huis gaf een gevoel van droefheid alsof het ten dode opgeschreven was. Het leek leeg, het leek stil. Mijn geest, blootgelegd door de aanslagen en het tot stilstand komen van het stromende leven, was levend maar machteloos. Als een oester die uit zijn schelp was gesneden. Het huis was af, klaar, net als mijn leven hier. En als het huis gereed is, zeiden de Chinezen, komt de dood. School er noodzaak, school er waarde in de impasse waarin ik was aanbeland? Betrof het een onvermijdelijk parours dat moest worden afgelegd? Een levensles die node diende te worden geleerd? Heel het verleden, hield ik me voor, alles wat zo moeilijk was geweest, waarmee ik geworsteld had al seen reiziger met te veel koffers – idealisme, loyaliteit, vrijheidsdrang, prestatiedrang, ambitie, de hang naar liefde, erkenning, vriendschap, al je deugden, hebbelijk- en onhebbelijkheden – ze waren nodig om het parcours van zelfverwerkelijking te volbrengen. Ze zouden me in stand houden, in leven houden, ze zouden blijvend van belang zijn. En dan, een dag later, sloeg de ziekte weer toe. Het was , iets dat ik niet van eerdere episoden herkende, niet begreep. Opeens was ik nog nooit zo nerveus geweest, zo wanhopig, zo bang en depressief. Ik realiseerde me wat een de  zenuwinzinking was: wat een leven deed dat alle beheersing had verloren. Mijn borst deed pijn, mijn benen waren koud, mijn geslacht was verschrompeld en gevoelloos, ik moest voortdurend slikken, mijn geest draafde doldwaas door. Mijn enige contact met de buitenwereld, afgezien van de vage geluiden van voorbijgangers in de stille straat voor mijn deur, was het internet. Ik had niet de kracht, niet de lust om uit te gaan. De gedachte aan mensen maakte me panisch. Hoe vriendelijk of betrokken ze ook waren, het was of ze konden zien dat ik een patient was, iemand die levend uit een wrak was gekropen.

De verschrikkingen van de ballingschap, al was die dan vrijwillig. Van een bestaan in de coulissen. Wat in het begin nieuw was geweest, curieus, charmant, verhardt zich langwaam tot onhandelbaar leven, het lachen verflauwt, het is als een moeilijke school, een die nooit ophoudt. Ik herkende de dagen niet meer, ze waren zonder betekenis, gevreesd, alles gesloten als een boek. Ik was volkomen anders en alleen, een buitenstaander, een kreupele rekruut in de kazerne. Ik lag alleen in de lakens van het nog warme bed, de wil ontberend om op te staan en te douchen. De kou in, het leven. Alleen in deze stad, alleen op deze zee. De dagen waren uitgestrooid om me heen, ik had me eraan bedronken. Ik had niets gepresteerd. Hier leefde ik – veel waard was het niet. Niet zoals een leven dat was afgelopen maar echt iets had betekend. Als ik moed had gehad, als ik geloof had gehad, als ik toewijding had getoond in plaats van vluchtigheid en luiheid. Wij bewaren onszelf intact alsof dat van belang was, en altijd ten koste van anderen. We potten onszelf op. Wij slagen als zij mislukken, wij zijn wijs als zij dwaas zijn, en we gaan door, grijpen ons vast, totdat er niemand meer is – wij blijven achter zonder gezelfschap behalve God. In wie wij niet geloven. Van wie wij weten dat Hij niet bestaat.

De kalme stille lucht, het licht, vervulden me met een soort ontzetting, de vrees dingen te zullen zien die me te machtig waren. Ik had mezelf afgesneden van dit al, ik keek ernaar et een soort onverschilligheid, haat zelfs. Waarom moest wat ik had afgestoten zo´n pijn doen? Waarom zou ik er zelfs maar minachting voor voelen? Mijn geest raakte verdoofd. Ik probeerde nergens aan te denken, niets te zien. Alles was een bevestiging van dagen die waren voortgegaan, van onbeantwoord leven. Dat van mij was beland in een uitzichtloos bestaan, wanhoop.

 

 

KandelaarsstraatRUE_CHANDELIERS_PLAQ_660x660metlantaarn

 

KandelaarsstraatSuzanne

Mijn leven was bezig weg te spoelen, het viel uiteen, het dreef als papier op de stroom; ik had uren nodig die nuttig waren, werk, verantwoordelijkheid, een vrouw om van te houden en een kind om voor te zorgen. Ik had hoogdringend nood aan betekenis in mijn bestaan. Aan warmte, een vlot gesprek, intimiteit, lichtvaardigheid. Het brood des levens. Gedachten aan de ondergrondse rivier gingen door mijn hoofd, de tocht waaraan weinig mensen durfden beginnen, waarbij je alles op het spel zette. Tijd om het schip te verlaten. Het zinkt. Ziet niemand, dat het zinkt ? Red jezelf, nu je nog kan. Ga vlot van boord, verkoop de boel en laat je leven in Brussel waardig achter je. Kijk niet langer om, kijk vooruit. Je bent al aan de late kant. Het is bijna je ondergang geworden.

 

De verhuiswagen is net volgeladen weer weggereden. Het waren er zelfs twee. Een grote en een kleinere. Daarnaast was er nog een voertuig gehuurd, waarop  een ingenieuze lift was geconstrueerd, waarmee de piano, het grote houten bed en  de kasten via het raam naar beneden konden zoeven. Toen ik vanmiddag op straat stond en omhoog keek, zag ik de brokstukken van mijn voorbije bestaan die op het laaddek van de lift werden getakeld, schitteren in het zonlicht. Het huis werd geplunderd, in mijn eigen naam nog wel. Wat achter bleef was een leeggevreten karkas. Wow, dacht ik, de daimon van Medina was hier. En je hebt het weer zelf allemaal gewild en in werking gesteld.

 

Temidden van de verlatenheid van het  huis , waar de stilte nu voorzien is van een vreemd soort schallende echo, knipoog ik naar de Phoenix in keramiek, die is aangebracht op de achterste muur van mijn patio-terras. De rijk geornamenteerde Arabische voorstelling die is vervaardigd door ene Said uit Tunesie. De mythische vogel fladdert omhoog uit een kelk, rondom krioelt het leven, oleanders, hyacinthen, dahlia´s staan in bloei. De bloemen rijzen geopend ten hemel, de stengels krioelen tezamen rond de vogel en de kelk, en vormen de contouren van een sleutelgat-vormig schild dat met een vernuftig mozaiek vol klavertjes-vijf is omkaderd. De Phoenix blijft waken over het huis, dat ik nu verlaat. Ik kan deze kamers, deze verdiepingen en dit terras, die zoveel jaren mijn materiele fundament hebben gevormd, de grond van mijn bestaan, met een gerust hart achter me laten. Ik verlaat mijn stille straat, in het hart van de Marollen, niet horizontaal als een lijk op een draagbaar. Maar verticaal, als een mens met benen en voeten die hem verder dragen. Een andere stad en een nieuw leven tegemoet.

 

Kandelaarsstraatsvddoorbartazarebxl

Serge in de Kandelaarsstraat. Fotograaf: Bart Azare

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

IN HET OOG VAN DE STORM – Brussel in greep van angst en terreur

Brussel, 24.11.2015. Druilerig, triest en verlaten. Bruxelles la morte.

Maar toch komt het gewone leven heel aarzelend weer op gang…

foto van Serge Van Duijnhoven.

De Brusselse Gran’ Place, 24.11.15. Foto: Serge van Duijnhoven

Zo werd Molenbeek jihadgetto

Molenbeek kon de basis van islamitische terroristen worden door haar infrastructuur en door de onbestuurbaarheid en wegkijkcultuur van België.

Zaterdagmorgen stond ik in Parijs op de boulevard Voltaire bij de Bataclan naar een plas vers bloed te kijken en me af te vragen waar het met deze wereld naartoe ging. Ik hoorde geruchten over een auto met Belgische nummerplaten. ‘Waarschijnlijk Molenbeek’, dacht ik en richtte mijn camera weer op de gruwel. Ik heb negen jaar in Molenbeek gewoond, waar om de hoek de Thalysschutter bij zijn zus logeerde en enkele verdachten van het Parijse bloedbad vandaan kwamen.

Islamofascistisch addergebroed

Teun Voeten
Teun Voeten © –

Ik heb gezien hoe de jihadi dresscode in Molenbeek opmars maakte, alcohol nagenoeg verbannen werd, er steeds meer islamitische boekhandeltjes kwamen en het onmogelijk werd een fatsoenlijke krant te kopen.

Later die zaterdag werd de rol van Molenbeek bevestigd. Ik was niet verbaasd. Het was alleen maar verbazend hoe geschokt België was dat de terroristen uitgerekend Molenbeek als uitvalsbasis hadden. Hoe heeft het daar kunnen verworden tot uitvalsbasis van islamofascistisch addergebroed? Grofweg heeft het te maken met de fysieke infrastructuur van de gemeente, de onbestuurbaarheid van België en de wegkijk- en ontkencultuur die het Belgische debat beheerst.

Qua infrastructuur is Molenbeek ideaal voor ondernemende terroristen. In tegenstelling tot de kale en lege banlieue in Parijs, is Molenbeek een dynamische gemeenschap met smalle straatjes en veel bedrijvigheid. Thee- en koffiehuizen alom, en schimmige moskeetjes waar men ongestoord samen kan komen en buitenstaanders niet welkom zijn. Goedkope woonruimte in overvloed, vragen worden niet gesteld. Zoals de guerrilla onderduikt in de jungle, zo voelen jihadi’s zich als een vis in het water thuis in de rommelige kashba die Molenbeek is. En een paar minuten verderop het Gare de Midi en de snelweg. De perfecte logistieke basis.

Ontkencultuur

Totale vernietiging van de vijand en zijn gedachtengoed is niet mogelijk in dit soort oorlogen

De onbestuurbaarheid van België is nog belangrijker. België is een land met zes regeringen, Brussel een stad met negentien burgemeesters. Statistisch is het onmogelijk al deze staatsorganen te vullen met competente lieden. Verantwoordelijkheden afschuiven is tot tweede natuur van bestuurders geworden. Versnipperde veiligheidsdiensten die elkaar het licht in de ogen niet gunnen is een ander gevolg. Het ontbreken van een sterk centraal gezag is voor velen een charme van dat ‘heerlijke chaotische België’. Dat heeft niet alleen de bende van Nijvel en Dutroux opgeleverd, maar ook een vruchtbaar klimaat voor potentiële terroristen.

De belangrijkste reden is de wegkijk- en ontkencultuur die er heerst in België. Het politieke discours is gegijzeld door een zelfingenomen progressieve elite die heilig overtuigd is van de maakbaarheid van de samenleving. Observaties over minder fraaie kanten van migranten en totalitaire elementen in de islam worden onder het tapijt geschoven of als rechts-extremistische stemmingmakerij geklasseerd. En met rechts-extremisten praat je niet.

Gewelddadige radicale moslimjongeren worden uitsluitend gezien als slachtoffers van sociale uitsluiting. Natuurlijk hebben de jongeren dit betoog geïnternaliseerd, omdat dit een perfect referentiekader is waarmee ze ontslagen zijn van eigen verantwoordelijkheid. Voormalig Molenbeeks burgemeester Moureaux heeft deze ontkenpolitiek meesterlijk gecultiveerd en is een van de hoofdverantwoordelijken voor de verloedering van zijn gemeente.

‘Bataafse fascist’

Zo werd Molenbeek jihadgetto
© ANP

Twee journalisten signaleerden al vrij vroeg dat er veel extremistisch gespuis rondliep in Molenbeek. Op beiden is karaktermoord gepleegd. De dappere journaliste Hind Fraihi die in 2006 Undercover in Klein-Marokko publiceerde, werd afgedaan als een sensatiezoeker. Zowel de Marokkaanse als de linkse goegemeente zei dat ze het eigen nest bevuilde, een ‘spionne’ en zelfs een ‘meisje met persoonlijke problemen’ was.

Arthur van Amerongen schreef in 2008 Brussel Eurabia. Hij werd als botte ‘Bataafse fascist’ bestempeld en met pek en veren de stad uitgejaagd. Toen ik met Van Amerongen dit jaar in Molenbeek een vervolgreportage op zijn boek maakte en ik de wijk hekelde als ‘een etnische religieuze enclave van een gesloten en bekrompen gemeenschap’, viel ook mij de furie van weldenkend Vlaanderen ten deel.

Door de aanslagen in Parijs brokkelen de muren af van de comfortzone waarin politiek correct België zich verschanst heeft. Het is nu van het allerhoogste belang dat het debat hard, open en eerlijk wordt gevoerd en dat de dingen bij naam genoemd worden, iets dat contra-instinctief is voor een land dat zich beroemt op zijn foefel- en compromiscultuur.

Hybride oorlog

IS heeft ons en onze manier van lezen de oorlog verklaard. Het is geen klassieke oorlog – tussen staten en legers, uitgevochten op een slagveld – het is geen ‘Nieuwe Oorlog’ – waar warlords en criminelen strijden uit puur eigenbelang. Het is een hybride oorlog, uitgevochten door een soms ongrijpbare vijand met onconventionele doeleinden, met onvoorspelbare tactieken, met alle wapens die maar voorhanden zijn: kromzwaarden, tweets, kalasjnikovs, zelfmoordvesten, op reguliere legers buitgemaakte houwitsers.

Ons antwoord zal even flexibel, creatief en vooral vastberaden moeten zijn. Totale vernietiging van de vijand en zijn gedachtengoed is niet mogelijk in dit soort oorlogen. Maar we kunnen hem wel tot beheersbare proporties terugbrengen. Decennialang heeft Europa geleefd in vrede en rust. Nu zullen we moeten leren leven met een samenleving waar geweld een onlosmakelijk deel van is.

 

bron: de Volkskrant:

Moge de roze roos van DJ Koze vannacht bloeien op de mestvaalt van het electronisch verval

Vanavond treedt deze remarkabele dj met verlichte trekken uit Hamburg, op in die ouwe dansrammelkast van een FUSE hier in Brussel. Ooit de tempel van de technowereld, nu een afgebrand kerkhof van electronisch verval. Hopelijk zal er straks dan toch een wonderlijke roos gaan bloeien op die middernachtelijke mestvaalt in de rue Blaes.
.
https://www.facebook.com/djkoze
DJ Koze stretching
Looking forward to DJ Koze’s set tonight in the old-time technotemple of the Abendland called FUSE. Once a frontierpost of modern dancemusic, these last years more some sort of a burnt down cemetery for electronic carcasses. Anyway, I do hope that Koze will manage to plant a rose on the mount of midnight dung in la Rue Blaes. Make it blossom in its fully red splendour amidst the darkness of past glory and the clouds of coldice-smoke. And please please please – mister Koze – please play your wonderful remix of Hildegard Knef ICH LIEBE EUCH at some point during your set tonight. So that our sore and painful belgian techno-ears may find the proper oinctment for its healing and recovery. Let the magic find its way, and we our way with the music that you will play. With kind regards, pax and peace and inspiration.
30916_129584793723422_2534026_n
Serge van Duijnhoven, Brussels  13.07.13
DJ Koze mounting up the stairs towards

DJ KOZE (DE, Pampa)

Stefan Kozalla aka DJ Koze lives and works in Hamburg as a club DJ, musician (International PONY, Adolf Noise) and remixer for Chicks On Speed, Bob Sinclar, Justus Koehncke and more of the finest German bands and projects and successful producer and KOMPAKT recording artist.

Although DJ Koze has had a taste of pop success with Fischmob, he’s always been equally interested in experimenting with other forms of electronic music from ambient to break beats to wild sound collages from a myriad of musical genres.

djkoze
An especially notable voyage in to uncharted musical waters, Adolf Noise (produced and performed by DJ Koze and his buddy Marcnesium) turned many a head around. Taking the artist into a deeper Electronic direction, “Adolf Noise“ features a far more abstract and unusual use of samples and grooves while keeping the listener on his / her toes by incorporating liberal usage of football commentary, television show snippets, radio plays, and telephone terror with drug-delinquents.
DJ Koze Amygdala foto coverIt was this record, that made people, that were normally more into Techno or Electronica, sit up and take notice and it is now these people who are his biggest fans on dance floors between Tokyo and Hamburg – a development of successfully melting a world of musical styles with the power-blending strength of Club Culture.The year 2002 made DJ Koze the deck wizard of Hamburg trio International Pony, whose debut album ‘We Love Music’ (Skint/Sony) was received to critical acclaim.www.residentadvisor.net/dj/djkoze
www.facebook.com/djkoze
www.last.fm/music/DJ+Koze

Dj Koze at dinnertable

EEN EXISTENTIEEL GEBREK AAN AMOUR PROPRE

Temidden van alle gekrakeel over de onveiligheid in de Brusselse metro, zou men haast vergeten dat dit ondergrondse net eigenlijk op vele plaatsen tot het mooiste en in elk geval meest pittoreske behoort wat deze aardbol aan ondergronds- en bovengronds vervoer te bieden heeft. Neem het station Montgoméry, waar de fameuze tram 44 aanmeert in een prachtige halfronde bocht onder de grond. Alvorens op te klimmen naar de beboste heuvels van de Tervurenselaan, alwaar de reiziger een uitzicht kan bekomen zoals dat nergens anders is te vinden. Of bezie de stad eens – met liefde – tussen Zwarte Vijvers en het Heyzel stadion. Het uitzicht – links en rechts – is alleszins te vergelijken met dat van Parijs rondom halte Stalingrad en de Sacré-Coeur.

Volgens velen is Brussel een lelijke of ronduit monsterlijke stad, het waterhoofd van een Siamese tweeling. Of drieling wellicht, als men het Europese district wil meetellen als een soort DC. Maar in plaats van als onooglijk samenraapsel, kan men Brussel ook zien als een surrealistische collage van onwerkelijke combinaties die in het dagelijks leven op elkaar zijn geplakt. Wie zich kan vinden in Lautréamonts omschrijving van schoonheid als ‘de toevallige samenkomst van een parapluie en een naaimachine op een operatietafel’, heeft in deze stad niets te klagen.  Brussel is even artificieel, hybride, gelaagd, contradictorisch, lelijk, schitterend, chaotisch, problematisch en boeiend als het land waar het de hoofdstad van is. Geen makkelijke stad, geen wezen dat zich gemakkijk bloot geeft of haar bewoners met open armen ontvangt. Toch voel ik me hier meer dan elders op m’n gemak. ‘O Brussel ik min uw fragmenten en uw wonden’, schreef Geert van Istendael in zijn vele malen herdrukte meesterwerkje Arm Brussel (uitgeverij Atlas). ‘Brussel benadert de schoonheid van Praag niet eens, maar zou ik wel zonder de Brusselse lelijkheid kunnen leven?’ vraagt Van Istendael zich af. Ik in elk geval niet.

Toch sta ik er elke keer weer van versteld, hoeveel Vlamingen bang zijn voor Brussel of er ronduit een hekel aan hebben. Zelfs progressieve theatervrienden vinden deze stad te min, goor en gevaarlijk om er hun kinderen op te voeden. De Vlaming woont eigenlijk alleen graag ‘op de buiten’, in het verkavelde landschap tussen koeienweide, asfalt en meubelboulevard, en in de beschermende nabijheid van een kerktoren. Brussel heeft vele minder leuke kanten, dat zie ik ook wel – en heb ik  aan den lijve ondervonden toen ik door een bende Marokkanen in de Hoogstraat het ziekenhuis in geslagen en geschoten ben – met een schedelfraktuur en hevig bloedend uit diverse wonden. Maar dat is een ander verhaal, dat niet zozeer enkel met Brussel als wel met het probleem van Marokkaanse schoffies & de Marokkaanse gemeenschap tout court, te maken heeft.

Voor de lelijkheid van de stad kan niemand blind blijven. Brussel is in vele opzichten een lelijke opengebarsten puist van bijtende contrasten. Art nouveau-monumenten en stinkende fabrieken, verlaten koninklijke paleizen en verpauperde wolkenkrabbers, krotwijken en villaparken: alles bevindt er zich zij aan zij. Maar de schoonheid die ondanks alles door alle bacteriële vuiligheid heen schemert is zo ontwapenend dat je de rest er zonder meer bij neemt. Als  je tenminste geneigd bent de stad het respect te geven die het verdient.

De onveiligheid en smerigheid van de stad, zijn problemen die de reizigers in Brussel terug in het gezicht geslingerd krijgen ten gevolge van een algeheel gebrek aan beide ten aanzien van de metropool. Het arme Brussel is, zowel in Europa als in gans België, vele malen minder geliefd dan gehaat. In deze navel van het continent, gebruikt men het tram- en metrostelsel zoals men elders het riool of de stortkoker gebruikt. Men stort zich als menselijke fecalieën of afvalresten door het ondergrondse en bovengrondse buizenstelsel, om de stad zo snel mogelijk binnen te geraken dan wel te verlaten. In andere steden, zoals Parijs, Londen, Moskou, Tokyo of New York, is het nog altijd een avontuur om van de metro gebruik te maken. Men kan er voor zich uit staren om de medemens niet te dicht op de huid te zitten en wat privacy te bedingen, maar de ervaring op zich is allerminst een onplezierige.

Brussel daarentegen, blijft voor de meeste mensen die er doorheen reizen, een unheimische strafkolonie. Waar je naast je werk zo min mogelijk tijd wenst door te brengen. Een oord van verderf, herrie en onveiligheid waar men hooguit komt om geld te verdienen of carrière te maken. Maar nimmer wenst te wonen. Kijk naar al die gespannen gezichten van het forensisch gespuis dat zich des ochtends en des avonds door de wormgaten spoedt rondom de Brusselse stations.  Altijd op weg van huis naar kantoor en van kantoor naar huis. Zonder oog voor de medemens of de omgeving. Met een van ergernis en lijden vertrokken gelaat. Als de stortkoker zich na spitsuur weer geledigd heeft, wordt het in Brussel ondergronds afgrijselijk stil en ledig. Een ledigheid waar de duivel maar al te gretig zijn ogen de kost geeft en oren te luisteren legt. Tegen zo’n faliekant getijde, is geen metronetwerk ter wereld bestand.

Neem die prachtige Ravenstein Galerij, die in navolging van Horta’s Centraal Station de heuvelrug doorklieft tussen de treinsporen van CS en Bozar. Geen winkel die het er, op een paar louche barretjes na waar de Vlaamse en Waalse ambtenarij buiten of tijdens kantoortijd aan haar alcoholische taks geraakt,  lang volhoudt. De ene na de andere nering is er het afgelopen decennium failliet gegaan. De tienduizenden die er dagelijks passeren, weten niet hoe snel ze met hun chagerijnige koppen de galerij weer moeten verlaten. Op weg naar “d’n buiten”: zuurstof, lucht, leven.

Om ons aan de problemen van de Brusselse metro teweer te kunnen stellen, voldoet het niet om de gewraakte metrostations op te vullen met nog meer winkelgalerijen, wafelbakkers of ordehandhavers. Het probleem rijkt letterlijk dieper en verder dan dat van de architectuur of de stadsplanning. Wat Brussel in de allereerste plaats nodig heeft, is een levensvatbare en dus noodzakelijke dosis amour propre. Respect en – jazeker – liefde. Zowel van hen die er verblijven als van hen die er werken. Zolang deze primaire levensbehoefte ontbreekt, zal de stad zowel boven als onder de grond zienderogen blijven verloederen.

"Ingekeerd" ; forensen bij metro Bckstael te Brussel. Door Bosz de Kler

"Ingekeerd" ; forensen bij metro Bckstael te Brussel. Door Bosz de Kler

Post Scriptum:

Overigens beleefde ik onlangs nog een mooie scène toen ik op CS Brussel in de metro stapte richting Simonis op weg naar onze muziekstudio, en plaatsnam in de voorste coupé van het vehikel samen met twee ouders en hun piepjonge kroost – een peuter met een tuut in z’n mondje en een kleuter van nauwelijks drie jaar. Beide kinderen waren op schoot genomen door hun ouders. Toen de trein begon te rijden, riep de mama naar het kleutertje dat op schoot zat bij papa: “tu vois Amelie, le train a démarré!” Het wichtje, veel wijzer dan het aantal jaren dat ze oud was, knikte met haar hoofdje – en bevestigde toen de uitroep van haar moeder door hardop te neuriën; haar gezicht op de ruit van de coupé gedrukt: “Oui maman, le train du bonheur a bien démarré!” Waarop ze dit merkwaardige refrein nog enkele malen zachtjes zingend herhaalde, terwijl de metrotrein zich door het pikkedonker een weg voorwaarts beet in de onderaardse tunnels tussen Brussel Centraal en Brouckère.

SvD BXL 16.11.11

“OUR BRUSSELS”; 25th Nov Mare Sabolotny and Vahur Afanasjev will speak in Passaporta about the city they once loved

“ONS BRUSSEL”

 

volgens het jonge Estse schrijverskoppel

Mare Sabolotny and Vahur Afanasjev

“Vodka Drinking Cowboys”

.

Vrijdag 25 november, 20u – Passaporta, Antoine Dansaertstraat 46 B1000 Brussel

Literaire avond over het leven in Brussel, gezien door de eigenzinnige  ogen van twee Estse auteurs  

Met medewerking van Geert van Istendael (B) en Serge van Duijnhoven (NL)

Vrije toegang

 

Mare Sabolotny (21) en Vahur Afanasjev (32) besloten vorig jaar om, na een verblijf van jaren in de hoofdstad van Europa, terug te keren naar hun thuisland in het Balticum. Het luxeleven dat ze hier leidden, gaven ze op voor een hard maar eerlijk leven in Tallinn. Vahur Afanasjev stelde zijn Brusselse jaren te boek in “Mii Brussel” – een soort hybride reisgids annex roman die zich afspeelt in het donkere hart van de Marollen. Het boek is in Estland nu al een bestseller.

Mare zal een fragment voorlezen uit haar onlangs verschenen roman „Peaaegu inimene“ („Bijna mens“). Vahur op zijn beurt, wil een geimproviseerde soundtrack ten gehore te brengen van gedichten over Brussel, als klankbeeld bij een korte film over een desastreus verlopen liefdesavontuur tijdens een van zijn laatste dienstjaren bij het European Economic and Social Committee in Brussels.

Brusselaar, dichter en essayist Geert van Istendael, zal aan deze avond zijn medewerking verlenen d.m.v. een voordracht waarin hij met liefde en gloed de “wonden en fragmenten” van zijn getourmenteerde geboortestad bezingt.

De Nederlandse schrijver Serge van Duijnhoven, die sinds 1999 in Brussel woonachtig is, zal de avond  modereren.  Estse versnaperingen en hartversterkingen zullen ruimhartig voorhanden zijn.

Toegang gratis.

*

“OUR BRUSSELS”

 

The Belgian Life Experience of Estonian Writers

Mare Sabolotny and Vahur Afanasjev

literary testimonies by two gifted “Vodka Drinking Cowboys” 

.

Friday Nov 25th, 20h – Passaporta, 46 Rue Dansaert B1000 Brussels

Literary evening about life in Brussels, witnessed from an Estonian perspective  

With the friendly participation of writers Geert van Istendael (B) and Serge van Duijnhoven (NL)

Free admittance

 

Mare Sabolotny (21) and Vahur Afanasjev (32) are two gifted, unclassical writers from Estonia, who lived for quite some time in Brussels. Last year, however, they decided to move back to Tallinn, deliberately giving up the high quality life they  lived in the capital of Europe. In his last book, My Brussels – a bestseller in Estonia – Vahur writes witfully and bluntly about his life experiences and endeavours during his years as a EU-administrator in Belgium. A literary chronicle about a love that came to an end, but also was refound in a completely different way.

Mare will read a fragment from her new and second novel Peaaegu inimene (Almost a human), while Vahur promised to sing some of his revealing poetry by means of soundscape to a defiant and lyrical short film he made while working as assistant for the European Economic and Social Committee in Brussels.

One of the great chroniqueurs of Brussels, Flemish writer Geert van Istendael  (Poor Brussels, The Belgian Labyrinth), will read some apt fragments about his ever-bleeding, split and splendid homecity “with its raffled ends and open wounds”. A song of love and wonders, joy and lamentation.

Dutch-born writer Serge van Duijnhoven – living in Brussels since 1999 – will moderate the evening. Estonian drinks and fruits will be provided.

The entrance is free.

*

“Bruxelles, on ne t’aime plus”

 

 témoinages littéraires des jeunes Estoniens

Mare Sabolotny and Vahur Afanasjev

“Vodka Drinking Cowboys”

 

.

Vendredi le 25 novembre, 20h – Passaporta, 46 Rue Dansaert B1000 Bruxelles

Soirée littéraire sur la ville de Bruxelles, vue par les yeux d’un jeune couple d’auteurs estoniens

Avec la participation amicale de Geert van Istendael (B) et Serge van Duijnhoven (NL)

Entrée libre

 

Mare Sabolotny (21) et Vahur Afanasjev (32) décidaient, après avoir passé des années dans la capitale de l’Europe, à retourner dans leur patrie dans la Baltique. La vie luxueuse qu’ils mènaient ici, est remplacé par une vie dûr mais honnête à Tallinn. Vahur Afanasjev a décrit ses années de malin à Bruxelles dans son nouveau livre “Mii Bruxelles” – une sorte d’hybride roman-cum-guide-de-voyage, qui se situe dans le cœur sombre des Marolles. Le livre est déjà un best-seller en Estonie.

Mare récitera un extrait de son deuxième roman «Peaaegu inim” (“Presque humain”). Vahur prévoit de chanter ses poemes de « Vodka drinking cowboy » dont il a déjà établit une certaine reputation internationale. Ses chansons improvisées sur Bruxelles et Tallinn, serviront comme une sorte de bande sonore pour le court métrage réalisé par lui-même, sur ses aventures de désastre, pendant sa dernière année de service au sein du Comité économique et social européen à Bruxelles.

Le grand chroniqueur-essayiste du royaume de la Belgique et la ville de Bruxelles, Geert van Istendael (auteur du Labyrinthe belge et Arm Brussel), va coopérer ce soir par reciter quelques de ses textes en hommage de sa ville natale, «pauvre, splendide, saignante et tourmentée ».

L’écrivain néerlandais Serge van Duijnhoven, qui réside à Bruxelles depuis 1999, animera la soirée. Des rafraîchissements d’Estonie seront généreusement disponibles.

L’entrée est gratuite.

*

GERED UIT DE HEL VAN HET CONRAD HOTEL

(آل نهيان – Āl Nahyān)

with royal virtue


DE KONINKLIJKE ARABISCHE SLAVENDRIJVERS

VAN DE BRUSSELSE LOUIZALAAN

Bij een inval in het vijfsterrenverblijf Hotel Conrad op de Brusselse Louisalaan werden in de zomer van 2008 zeventien dienstmeisjes uit verschillende moslimlanden door het Arbeidsauditoraat meegenomen. Acht maanden lang werden ze per gemiddelde rotatie vastgehouden in het hotel door de steenrijke familie van een overleden emir uit Abu Dhabi, die hen als werkslaven behandelde. De Belgische Justitie is een onderzoek naar mensenhandel, uitbuiting en hedendaagse slavernij gestart, omdat de meisjes geronseld zijn uit verschillende landen en hun paspoort in de Verenigde Arabische Emiraten hebben moeten achterlaten.

Het parket van Brussel zal dinsdag 9 november 2010 aan de raadkamer vragen om Hamda El Nahyan, de 64-jarige weduwe van sjeik Muhammed bin Khalid El Nahyan, en haar dochters voor de correctionele rechtbank te brengen. Samen met de Pakistaanse slavendrijver die als kamenier voor de koninklijke familie steeds weer nieuwe ladingen personeel wist te ronselen uit tal van arme moslimlanden, zal het fraaie gezelschap vervolgd worden voor  opsluiting, onmenselijke en vernederende behandeling, en mensenhandel. In haar requisitoir stelt het openbaar ministerie dat de familie-El Nahyan 23 vrouwen van 8 verschillende nationaliteiten uitbuitte.

De Directie van het sjiekste Hotel van de Europese hoofdstad , die gedurende jaren miljoenen euro’s aan de Arabische royals verdiende door vanaf 2005 tot 2008 de gehele vierde verdieping (54 kamers waaronder verschillende royal suites) te verhuren aan de sheikha’s en  hun talrijke gevolg van werkslavinnen, lakeien, koks, kamermeiden en veiligheidspersoneel, blijft haar handen wassen in onschuld. Hoteldirecteur Mark de Beer: ‘Wij waren absoluut niet op de hoogte van die zogezegde wanpraktijken. Wij hebben daar op zich ook niets mee te maken. Het is niet ons personeel, maar dat van onze client.’ Bladen die over de affaire durfden te rapporteren, zoals The Bulletin dat de international gemeenschap in  Brussel wekelijks van nieuws voorziet, werden uit het media-assortiment van het hotel verwijderd.

 "Op de grond, daar was hun plaats"
Conrad Hotel © belga

De eminente hotelgasten uit de emiraten, de familie El Nahyan, huurde ook in het verleden al verschillende seizoenen lang de vierde verdieping af van het luxehotel. Een van de dochters van weduwe Hamza, die getrouwd is met de minister van Defensie van de Verenigde Arabische Emiraten, probeerde met behulp van gerenommeerde Belgische dokters zwanger te worden via een uitgebreide IVF-therapie, om zo het gigantische familiekapitaal veilig te kunnen stellen. Om de eer van de jongste dochter niet in het gedrang te brengen, besloot weduwe Hamza destijds om met de hele familie zo lang als nodig was naar Brussel te verhuizen. Schrijver Serge van Duijnhoven, die in 2005 en 2006 enige maanden in het Conrad-Hotel werkzaam was als night-auditor (nachtreceptionist en boekhouder), doet verslag van zijn ervaringen met de familie, die toen ook al merkbaar over de schreef ging met het behandelen van haar talrijke personeel.

Brussel, 30.12.05,

Geachte Heer Ivan Hiel,

sedert een goede week ben ik in dienst bij uw hotel als nachtreceptionist. Aangezien u in het sollicitatiegesprek van afgelopen najaar reeds had laten uitschijnen dat mijn haar korter moest worden geknipt, ben ik de dag voor mijn indiensttreding naar de kapper gegaan. In navolging van een volgende suggestie, vorige week donderdag, ben ik ten tweede male naar de kapper getogen. Hedennacht sommeerde u mij per email wederom mijn haar te laten knippen. Ondanks mijn getoonde goede wil, is het voor mij blijkbaar niet mogelijk aan uw strenge “standards” te voldoen. Dit spijt me ten zeerste, maar ik vermoed dat ook een derde gang naar de kapper uw scepsis t.a.v. mij niet zal kunnen wegnemen. Daarom lijkt het mij het beste dat ik per onmiddellijke ingang mijn ontslag bij u indien, zodat u niet verder nodeloos in mij hoeft te investeren en op zoek kunt gaan naar een andere, meer geschikte – of moet ik zeggen “geknipte” – kandidaat.

Met de meeste hoogachting,

S.R. van Duijnhoven

Het was geen gemakkelijke start, mijn tewerkstelling in het luxueuze Hotel Conrad. De directeur, Ivan Hiel, een man die zelf getooid ging met een ver over zijn voorhoofd hangende vette blonde kuif, wikte en beschikte over zijn personeel zoals een generaal over zijn troepen. In het hogere hotelwezen heerst, geheel anders dan enkele recente series op tv doen vermoeden, een strikte hierarchie die eerder aan het leger dan aan docusoaps a la Millennium-Hotel doen denken. In de houding, mars! Het ontslag dat ik plompverloren had ingediend na een week werken op de nachtreceptie van het hotel aan de Louisalaan, werd niet gehonoreerd. Ik moest blijven werken. Mijn haar heb ik sindsdien laten groeien, tot ik in april alsnog ontslag mocht nemen. Wat zeg ik? Ik werd de laan uitgestuurd, want ik had het vertrouwen van het management beschaamd door te klagen over de erbarmelijke werkomstandigheden van het personeel van de familie El Nahyan op de vierde verdieping.

De Vlaamse ritmeester die mij, bij wijze van kennismaking, een rondleiding verschafte door het labyrintische complex van het art nouveau hotel, voerde me in 2005 al met onverholen genoegen langs de vele ondergrondse en bovengrondse verdiepingen. De vierde verdieping konden we enkel betreden via de lift met een speciale sleutel. Daar werden we vervolgens gemonsterd door gewapende wachters van de private veiligheidsdienst van de familie El Nahyan, die op norse toon vroegen wat we in dit afgeschermde domein van het hotel te zoeken hadden. Wat me vooral opviel, tijdens die rondleiding langs de 53 afgehuurde kamers, suites en opslagruimtes op de vierde, was de geur. Koks waren aan de slag om oosterse gerechten te bereiden, er hing de geur van versgebrande koffie, van saffraan, koriander, maniok, en iets wat leek op kamelenhaar. Die laatste geur was afkomstig van kamelenharen ruwe zakken die per tientallen in de gangen opgestapeld waren, vol met kruiden en etenswaren. Tussen de zakken en het talrijke speelgoed van de kinderen van de sjeika’s, lagen onfortuinlijke vrouwelijke Oosterse of Aziatische werkkrachten met hoofddoeken om, uitgestrekt op het tapijt. Ze stonden op zodra wij de gang in kwamen, verontschuldigden zich, maakten een buiging, en verdwenen uit ons zicht. “Deze dienstmeisjes moeten 24 uur op 24 beschikbaar zijn”, verduidelijkte Yves Vandekerckhove. “Ze doen even een tukje.”

Seal of Excellence

Gedurende de nachtdiensten zou ik vaak telefoon krijgen van de vier prinsessen Shaima, Myriam, Maessa en Rawda. Telkens met de meest waanzinnige verzoeken die midden in de nacht werden geplaatst. Om vier Big Macs naar boven te brengen (05 uur ’s ochtends), Ben & Jerry’s Icecream in porceleinen potjes te bezorgen (om 04 uur), om een brief vanuit het Nederlands naar het Arabisch te vertalen, om zo snel mogelijk een of andere Arabische film op DVD te bezorgen, om de tv opnieuw af te stellen met alle Arabische kanalen op kop. Etcetera. Het meest vertederende, en ook wel hartverscheurende verzoek dat midden in de nacht tot mij werd gericht, betrof het in het diepste geheim vertalen en vervolgens per fax versturen van een in erbarmelijk Engels opgestelde liefdesbrief die de jongste sjeika aan haar stiekeme geliefde – een Engelstalige diplomaat die zojuist alweer vertrokken was op missie – wilde laten bezorgen. Terwijl mijn collega’s zich bezighielden met de File Daily Maintenance op het computerprogramma Fidelio, zette ik me aan het vertalen van zinnen als “oh honi sweat sweat savior of my hart, please come back so soon as possible. I already missed you before you levt me.”

De Pakistaans-Indische “Human Resource Manager” van de miljardairs-familie, die ik voor de goede orde maar even meneer Singh zal noemen, bezocht de receptie regelmatig om ons op de hoogte te stellen van de regels van zijn regime. Geen wens van de sjeika’s mocht onbeantwoord of onvervuld blijven, nooit en te nimmer mocht een van de prinsessen gecompromitteerd worden door hen (bijvoorbeeld wanneer we samen in de lift zouden staan) in de ogen te kijken, geen personeelslid mocht het in zijn hoofd halen om  het woord tot hen te richten. Over de rechten van het door hem aangestelde personeel was hij even stellig: op geen enkel moment zouden de werkkrachten van de sjeika’s het hotel mogen verlaten. En indien dit toch dreigde te gebeuren buiten de spiedende blik van de private bewakingsdienst om, dan zouden wij persoonlijk verantwoordelijk worden gesteld. In retributie voor onze diensten en discretie, kreeg onze receptiemanager geregeld een envelop in handen met een aanzienlijk aantal biljetten van honderd euro. Ten aanzien van zijn eigen personeel was de heer Singh beduidend minder genereus. De kokkinnen, serveersters, schoonmaaksters en overige bedienden kregen per maand 24 uur op 24 uur paraat zijn, tussen de 150 euro en 700 euro uitbetaald. Vrijheid om te bewegen of vrije tijd kenden geen van de meisjes, want hun paspoorten waren door de heer Singh in verzekerde bewaring gesteld.

Een van de Royal Suites op de vierde verdieping waar de familie El Nahyan tussen 2005 en 2008 vrijwel permanent gebruik van maakte

In maart 2006 werd het personeel van het Conrad Hotel opgeschrikt door een interne affaire, die behalve voor het personeel van de familie El Nahyan, ook voor ons rigoureuze repercussies dreigde te hebben. Een van de bewakingsagenten, die behalve op de vierde verdieping ook rondes deed door de rest van het hotel, bleek het aangelegd te hebben met een Philippijnse werkster van de nog ongetrouwde sjeika Shaima. Opzichter Singh was hier tot zijn woede achtergekomen, en om “de eer van de sjeika’s op geen enkele manier te compromitteren” werd besloten tot het ontslag van de volledige bediening. Alle meisjes uit de Philippijnen, Irak, Syrie, Soedan, Egypte, Tunesie, Marokko en Maleisie, konden onverwijld hun biezen pakken. Ook de bewaker werd ontslagen, en het liefst had meneer Singh gezien dat het voltallige personeel van het hotel per immediat zou worden vervangen. Op die manier kon tenminste nog iets van de eer van de familie terug in het reine worden gezet. De directie van Hotel Conrad weigerde aan deze laatste eis tegemoet te komen, maar ondertussen sloot ze gewillig de ogen toen het volledige personeelsbestand ondanks alle contracten en toezeggingen werd weggezonden onder begeleiding van ambassadepersoneel van de Verenigde Arabische Emiraten, en een nieuwe lading werkslaven haar intrek nam in het hotel. De heer Singh eiste voortaan inspraak in de screening van het personeel van het hotel. Of hem die gegund is, weet ik niet. Maar toen ik me bij de heer Hiel beklaagde over de erbarmelijke situtatie waarin vooral de Filippijnse meisjes op de vierde verdieping te werk werden gesteld, kreeg ook ik al gauw mijn ontslagbrief in de bus. Het personeelsbeleid van de familie die in haar eentje het faillisement van het toch al jaren pover draaiende luxehotel heeft weten af te wenden, was volgens de directeur een strikt private aangelegenheid waarvoor het reguliere personeel van het hotel de grootst mogelijke en vanzelfsprekende discretie aan de dag diende te leggen. De klant is koning, zeker in het geval van de mutanten van een koninklijke familie a la El Nahyan waarmee we hier te maken hadden.

 

Ruling Family of the Emirates

Flag of Dubai.svg
HH The Emir Sheikh HH Sheikha Hind 

Op de foto hieronder: de kroonprins van de familie – Sheikh Mohammed bin Zayed Al Nahyan – schudt handen met president Obama. De beoogde troonopvolger van de Verenigde Arabische Emiraten is de broer van Shaima, Myriam, Maessa en Rawda, die in Brussel vol overgave sheikha kwamen spelen in het Conrad Hotel aan de Avenue Louise.

Sheikh Mohamed bin Zayed Al Nahyan (AFP OUT) United States President Barack Obama welcomes Sheikh Mohamed bin Zayed Al Nahyan, Crown Prince of Abu Dhabi and Deputy Supreme Commander of the United Arab Emirates (UAE) Armed Forces to the Washington Convention Center April 12, 2010 in Washington, DC. President Obama was to hold bilateral meetings today with five leaders of the 47 nations gathering for the two-day Nuclear Security Summit.

Omdat ze geen pottenkijkers wilden, betaalden ze er al die tijd voor de hele vierde verdieping: goed voor 53 kamers. De meeste dienstmeisjes sliepen volgens rigide schema’s in korte shifts, en moesten 24 uur in principe in touw zijn. Vooral des nachts. Overdag kon je op de vierde verdieping het uitgeputte personeel opgekruld aantreffen in hoekjes van de gangen of in kamers waar ze even buiten zicht van de Pakistaans-Indische slavendrijver hoopten te kunnen blijven. Zelf sliep weduwe Hamda in de koninklijke suite. Kostprijs per nacht: 4.500 euro. Zij en haar dochters zijn het gewend de lakens uit te delen. Aan personeel geen gebrek: er waren dag en nacht tientallen dienstmeisjes en een  handvol met automatische machinepistolen gewapende lijfwachten aanwezig. Een greep uit de landen van herkomst: Filipijnen, Marokko, India, Egypte, Turkije, Irak en Syrië. Vooral de dienstmeisjes werden uitgebuit. Terwijl moeder Hamda, de prinsessen en hun kinderen in de mooiste kamers woonden, moesten de dienstmeisjes op de gang slapen. Nochtans stonden veel betaalde kamers intussen gewoon leeg. Maar dat was voor eventueel bezoek. Volgens een in juni 2008 ontsnapt Marokkaans kamermeisje was er van slapen niet veel sprake. Ze getuigde dat ze hoogstens drie uur per nacht sliep. Voor de rest van dag moest ze paraat staan voor de prinsessen. ‘Ze waren veeleisend. Hun koffieverslaving typeert hen. Ze waren verzot op hete koffie. Maar ze gruwelden van een schoteltje. Dan moest je die hete kop met je blote handen dragen. Gevolg: je raakte gemakkelijk verbrand. Maar naar de dokter kon ik niet. Daar kreeg ik geen verlof voor.’ Volgens de vrouw mocht ze ook het hotel niet uit zonder een bewaker. Ze kreeg 500 euro per maand. Andere dienstmeisjes verdienden nog minder: 150 euro. De beste verdiener kreeg 700 euro. De Marokkaanse solliciteerde in haar thuisland voor de baan. Maar ze draaiden haar daar een rad voor de ogen. Meteen na de inval in het hotel werd ze al gebeld door de rekruteringsdienst in Marokko. Ze wilden haar manipuleren. Ze kreeg schrik. Haar ouders wonen nog in Marokko. De directeur van het Conrad houdt vol dat zijn hotel noch op de hoogte was noch voor wandaden verantwoordelijk kan worden gesteld die door het eigen personeel van de koninklijke familie in het hotel werden gepleegd. Volgens de Marokkaanse wist gans het personeel van het Conrad nochtans goed dat hun islamitische collega’s op de vierde verdieping in erbarmelijke omstandigheden tewerkgesteld werden. In ruil voor medewerking aan het strafonderzoek, heeft de onderzoeksrechter besloten de aanklacht tegen het hotel in deze zaak te laten vallen.  Een ex-werknemer van het Conrad bevestigt dat het hotel een oogje dichtkneep voor hun topklanten. ‘Op hun verdieping werd het brandalarm uitgezet. Omdat de prinsessen dat lawaai vervelend vonden.’
Bron:  NIEUWS.MAROKKO (red.), “Brussel: Slaven bevrijd na tip van Marokkaanse vrouw”, internet, 02-07-2008 (http://nieuws.marokko.nl/index.php?nav=nieuws&nid=11006)

Dat nu, enkele jaren na de spectaculaire uitbraak van de werkslavinnen in juni 2008, de directie van het hotel het doet voorkomen alsof ze niets afwist van de wanpraktijken en de slavernij op haar vierde verdieping, getuigt niet alleen van cynisme maar van de grootst mogelijke hypocrisie. De familie huurt de verdieping nu al sedert 2005, en niet slechts gedurende de laatste acht maanden, zoals in de pers onterecht is gemeld en door de directie nimmer is gecorrigeerd. Iedereen die beroepshalve in het hotel zich wel eens toegang diende te verschaffen tot de vierde verdieping, heeft kunnen constateren onder wat voor een terreurregime het permanent uitgeputte personeel van de sjeika’s gebukt ging.

Het was slechts wachten op het moment van ontsnapping van een of meerdere wanhopige werkslavinnen. Iets wat gebeurde toen de Marokkaanse Jamilla twee maanden geleden in haar kokstenue de Avenue op rende, terwijl de bewakers boven aan het eten waren. De drie andere meisjes die ook probeerden te ontsnappen, werden door de via het personeel van Hotel Conrad gealarmeerde gewapende mannen, nog net op tijd in de kraag gegrepen voor ze konden passeren door de riante draaideur in de majesteuze opgang van het hotel.

Hotelmanager Mark de Beer, die in de eerste maanden van 2008 de blondgekuifde generaal Ivan Hiel heeft mogen vervangen, wast voorlopig als Pilatus zijn handen in onschuld. Hij zegt namens het ganse hotelpersoneel “diep geschokt” te zijn door de feiten, en nergens van op de hoogte te zijn geweest. Klinkklare onzin, zo weet iedereen die in de afgelopen jaren professioneel met Hotel Conrad te maken heeft gehad. En ook al zullen wij de resultaten van het juridische onderzoek naar mensenhandel en slavernij, dat nu in gang is gezet door het Arbeidsauditoraat en de Belgische politie met spanning afwachten, ook de heer De Beer zal er niet aan ontkomen om een pijnlijke keuze te moeten maken: het behoud van de noodzakelijke goede reputatie van zijn verliesgevende luxehotel. Of het behoud van zijn beste klant die hem in de afgelopen jaren voorlopig van het faillisement heeft kunnen redden.

Serge van Duijnhoven

(آل نهيان – Āl Nahyān)

without any virtue

fotograaf: Bosz de Kler. Lobby van het Conrad


NAWOORD:


Of het te maken had met het feit dat het Conrad Hotel in Brussel zijn lukratiefste klant is kwijtgeraakt sedert de familie El Nahyan geviseerd wordt door de Belgische justitie? Aan de Louisalaan doet iedereen er weer – discretie verzekerd – volgens de code van Conrad Hilton het zwijgen toe.  Feit is dat de hoteldirectie spoedig na het uitbreken van de slavendrijfsters-affaire ingrijpende maatregelen afkondigde waartoe de hoofdzetel zich helaas genoodzaakt zag. Zoals een drastische inkrimping van het personeelsbestand via gedwongen ontslagen. Een deel van het personeel is na die aankondiging in staking gegaan. Wat een unicum mag heten voor een symbolisch bastion van standing en luxe als het Hilton Conrad waar de rijken der aarden normaliter juist tegader komen om het hoogkapitalisme te vieren in ceremoniele jubelmissen.

De beslist niet als arbeideristisch te betitelen werknemers van het prestige-hotel, normaliter de minzaamheid en nederigheid zelve, voelden zich geschoffeerd door hun bazen.Waarnemers uit de wereld van de hogere  hotellerie spraken van “Amerikaanse toestanden om de aandeelhouders tevreden te stellen.” Het hotelpersoneel van het restaurant, de onderhoudsploeg en de receptie bleek – tot afgrijzen van de directie – zijn actiebereidheid door te zetten. Het Conrad staakte. Er werden geen kamers meer schoongemaakt, geen klanten meer ingeboekt, telefoon opgenomen of roomservice meer bezorgd.  Het restaurant bleef dicht, en klanten bevolkten de lobby om zich te komen beklagen.

Sinds het uitbreken van de affaire El Nahyan, is het personeel trouw zijn zwijgplicht nagekomen die het van hogerhand kreeg opgelegd en is het als een blok achter het Conrad blijven staan. Er was zeker zoiets als een code van beroepseer en loyaliteit die de werknemers van het hotel hebben nageleefd. Dat zal niet altijd makkelijk zijn geweest want de sjieke naam Conrad is danig besmet geraakt door de kwestie van mensenhandel, slavernij en uitbuiting waarmee de sheikha’s het hotel hebben opgezadeld.  Op feestjes hoefde je niet meer aan te komen als de onkreukbare hotelbediende van Brussels meest glamoureuze hotel. Wat heeft het voor zin elke dag je overhemd vers te laten stomen en je tiptop te verzorgen als vijfsterrenklerk met stropdas en gelakte schoenen, als je in feite op het dek blijkt te werken van een slavengaljoen of een louche uitbuitersschuit? Waar is je trots en moraal dan gebleven, je werkethiek van onberispelijkheid die je als Hilton Conrad werknemer alle dagen welgemeend uit diende te dragen zoals een predikant het evangelie? Hoe kun je nog strak in het pak als je in naam van de kreukloze reputatie van je baas in feite de grootste smeerlapperij en schanddaden faciliteert?

Een beetje respect in ruil voor de bereidwilligheid om pal te staan voor het Conrad in de tijden van nood die waren aangebroken, was toch niet teveel gevraagd? In plaats daarvan kregen tientallen personeelsleden in het najaar van 2008 te horen dat het hotel geen behoefte meer had aan hun dienstbaarheid. Zonder evaluatiegesprek of motivering werden medewerkers gedumpt tussen het vuilnis in de containers van het executieve toprestaurant Wiltcher’s, en de zakken vol uitgeperst fruit van de prestigieuze Louis-cocktailbar.

De sfeer in het somptueuze paleis voor hoogkaraats genot, is er danig verziekt door geraakt.  Rot als de geur van de putrefactie die je tijdens de staking in het fort gewaar kon worden. Een nare lucht die vanuit het sousterrain omhoog kringelde. Tussen de afvalbergen trachtte het personeel zich syndicaal te weren en organiseren. Er werd vergaderd en gedreigd met nieuwe acties als de directie niet zou inbinden.De machtsstrijd die volgde heeft geresulteerd in kleine en grote rochades op het schaakbord van de Human Resources.  Een bataljon verse uitzendkrachten kreeg de opdracht om de werkvloer schoon te spoelen van de garde die zich al te lang aan de reputatie van het hotel bleek te hebben vastgekoekt.

Of het geplaagde luxe-hotel een nieuwe golf van anti-reclame in de internationale pers zal kunnen doorstaan, is een interessante vraag. Met het begin van het Sheikha-proces op dinsdag 9 november, mag het bolwerk van waaruit de uitbuiting jarenlang plaats kon vinden (en oogluikend is toegestaan) zich verwachten aan een nieuwe tsunami van verontwaardiging die op de frontdesk van de monumentale lobby af komt gestevend. Directie en personeel zullen genoodzaakt zijn zich gezamenlijk schrap te zetten. Om, aaneengeklonken als een blok basalt, de golven te pareren. Het is te hopen voor de directie dat het overgebleven personeel daar ook dit keer weer toe bereid zal zijn.

Misschien dat de familie El Nahyan als goedmaker voor haar wandaden en de reputatieschade die ze het Conrad in Brussel heeft berzorgd,  de frontdesk van haar voormalige uitvalsbasis wat kan versterken door een paar cargo’s vol zandzakken uit de woestijn rond Abu Dhabi af te laten leveren aan het Place Stefanie. Naar het schijnt is het zand der Emiraten – qua korrel en cohesie – van een ongeëvenaard nobele en verfijnde structuur. Bovendien is het in royale hoeveelheden voorradig. Het zou een verrijkende spirituele ervaring voor de sheikha’s kunnen worden, als de rechter in Brussel hen voor de begane wandaden een taakstraf met gemeenschapszin op zou leggen. Zoals het vullen van zandzakken voor allerhande nooddruftigen (waaronder het Conrad Hotel in Brussel) die de komende tijd met zwaar weer en wassend water krijgen af te rekenen.

Zou het tot die verwende prinsessen van het mutantengeslacht El Nahyan eigenlijk ueberhaupt nog kunnen doordringen dat ze hier in Brussel niet zomaar in de beklaagdenbank terecht zijn gekomen? Hoe kwistig en geobsedeerd hun hang naar uiterlijke voornaamheid ook is geweest gedurende hun verblijf in Brussel, als mens hebben ze zichzelf op pijnlijke wijze ontmaskerd als een stelletje verwende narcisten met een naar het sadisme overhellende misconceptie van eerzame menselijke verhoudingen. Hun inzicht in menselijke waarden en verhoudingen – kortom hun ziel – lijkt jammerlijk te zijn verschrompeld tot de vrucht van een plant die zelden water heeft gehad en nooit in de buitenlucht heeft kunnen groeien.

Wat nobel is? De adellijke dames zouden het bij Allah niet weten want ze waarom zou je je nobel moeten gedragen als je denkt dat je van nature toch al koninklijk bent? Het is bijzonder triest maar ook verbijsterend om te moeten constateren dat een zandkuil in een peutertuin te Jette, waarschijnlijk meer noblesse en in elk geval meer diepgang in zich herbergt, dan deze exploten van een hoog-adellijke stamboom die zich op zulk een aberrante wijze heeft vertakt in de dorre woestijngrond van Abu Dhabi’s kalifaat.

(آل نهيان – Āl Nahyān)

71 Avenue Louise
Brussels
Belgium

HILTON GLOBAL PRIVACY POLICY

At Hilton, we strive to deliver outstanding products, services, and experiences around the world. We value your business and, more importantly, your loyalty. We recognize that privacy is an important issue. We have developed this Global Privacy Policy (this “Policy”) to explain our practices regarding the personal information we collect when you visit this site. Some jurisdictions also require notice concerning other means of collecting personal information; for those jurisdictions, this Policy also explains our practices regarding personal information obtained from sources other than our websites, such as written or verbal communications or information collected when you visit one of our properties.

Please read this Policy carefully before submitting personal information about you to us. Also, please note that this Policy does not apply to our processing of personal information on behalf of and subject to the instructions of third parties such as airlines, car rental companies and other service providers, companies that organize or offer packaged travel arrangements, marketing partners, or customers.

ROYAL SUITE in het CONRAD HOTEL  BRUSSEL

Conrad Brussels’ Royal suite is unquestionably the hotel’s signature suite, with the large rooms combining to offer 365 square metres of regal luxury. A large entrance hall provides access to a spacious living room, dining room, private kitchen and corridor leading to the bedroom, indulgent bathroom and dressing room. Located on the fourth floor, the Royal suite offers an unobstructed view of Avenue Louise in a private and tranquil environment. Our Royal suite offers individually controlled air-conditioning, large work desks, two direct-dial phone lines with voicemail, as well as internet connectivity. Additional in-room amenities and services include a well-stocked mini-bar, coffee maker and snack basket, security safe, interactive television with more than 40 channels, hairdryer and ample storage space. The spacious bathrooms have a separate bath and shower, and are finished in a delicate marble with luxurious toiletries, indulgent bathrobes and comfortable slippers. Further connecting rooms can be added to extend the Royal suite to offer two or three bedrooms.   Amenities

Bovenkant formulier

Onderkant formulier

  • 25″ television
  • Alarm clock
  • Coffee machine and tea maker
  • Controlled Access Corridors
  • Digital interactive TV system with hundreds of on-demand movies and music
  • Dressing gown and slippers in finest cotton
  • Emergency call button on phone
  • Evening Manager’s Reception
  • Evening Room Service
  • Hairdryer
  • High-speed Internet connections
  • Mini Bar
  • On-Demand Movies
  • Safe
  • Seating Area with Sofa
  • Separate Bathtub and Shower
  • Superior bedding with 100% Egyptian cotton linen and oversized goose-down pillows
  • Two phones with dataport, speaker and voicemail

Lees ook in De Morgen van 06.11.2010:

http://www.demorgen.be/dm/nl/989/Binnenland/article/detail/1179433/2010/11/06/Vlaamse-werkte-tussen-slavinnen-van-Conrad-Hotel.dhtml

Het parket van Brussel zal nu dinsdag 9 november 2010 aan de raadkamer vragen om de weduwe van een Arabische sjeik en haar prinsessendochters voor de strafrechter te brengen wegens onmenselijke behandeling. In de zomer van 2008 bevrijdde de politie 17 van ‘hun slavinnen’ uit het Conrad Hotel. Ook de Vlaamse Caroline (nu 27) danste een half jaar naar de pijpen van de steenrijke El Nahyans. “De andere meisjes moesten zeven dagen per week, de klok rond, werken. Elk contact met de buitenwereld was verboden”, zegt Caroline. Ze deelde lief en leed met de slaven, zowel achter de dikke paleismuren in Abu Dhabi als op de vierde verdieping van het Conrad.

De dienstmeisjes mochten totaal geen contact hebben met de buitenwereld. Het was verboden om te telefoneren of om het internet te gebruiken. Ze moesten op bevelen wachten in kamers vol zachte fauteuils. Maar die mochten ze niet gebruiken

Het onderzoek werd geopend in de zomer van 2008, nadat de politie uit het Conrad Hotel in de Louizalaan in Brussel zeventien vrouwen haalde die als slavinnen zouden uitgebuit zijn.

Amper enkele maanden voor de inval werkte er nog een Vlaamse jonge vrouw voor de sjeika’s in het Conrad. Caroline uit Putte was 23, verpleegster van opleiding en ze had eerder voor de Arabische familie als au pair gewerkt in Abu Dhabi. Toen de 24-jarige prinses Maytha in september 2007 met haar zussen en moeder naar Brussel afzakte voor een ivf-behandeling, zat de prinses zonder kinderoppas. Via via werd Caroline gecontacteerd. En omdat ze toch net zonder werk zat, pakte Caroline haar koffers en trok ze in op de vierde verdieping van het luxehotel langs de Louizalaan. Ze wil vertellen wat ze er zag, net zoals ze deed aan de politie. Maar niet met haar volledige naam. Omdat ze geen problemen wil en omdat ze vindt dat ze zelf altijd correct werd behandeld.

Geen contact met buitenwereld

Toch wrong het bij Caroline, daar in het Conrad. Zelf sliep ze in een suite van 700 euro de nacht met Zayed, het 1 jaar oude zoontje van sjeika Maytha. De prinses zelf sliep in een nog duurdere kamer – een van de 53 die de steenrijke familie had gehuurd om pottenkijkers van de verdieping weg te houden. “Ik merkte snel dat de andere meisjes en vrouwen (onder andere uit de Filippijnen, Marokko, en Indonesië, bjm) er anders behandeld werden dan ik. Slechter. Zo kregen zij nooit een dag vrijaf. Dat betekende ook dat ze niet uit het hotel mochten.

Beetje per beetje gingen Carolines ogen open. Want de dienstmeisjes in het Conrad mochten wel nog meer dingen niet. “Ze mochten totaal geen contact hebben met de buitenwereld. Zo was het voor hen ook verboden om te telefoneren of om het internet te gebruiken. Dat wrong bij mij. Want ik mocht dat wel.Hoewel in die kamers lekkere zachte fauteuils stonden met kussens mochten ze daar niet in zitten. Hun plaats: dat was het tapijt op de grond.”

Dinsdag 9 november wordt de zaak behandeld voor de raadkamer in Brussel. Het parket zal er vragen de weduwe en haar zeven dochters te vervolgen voor onmenselijke behandeling, fiscale fraude en illegale tewerkstelling. (Bjorn Maeckelbergh)

Al Nahyan family

From Wikipedia, the free encyclopedia

Al Nahyan (آل نهيان Āl Nahyān) is one of the six ruling families of the United Arab Emirates, and are based in the capital Abu Dhabi, United Arab Emirates. Al Nahyan is a branch of the House of Al-Falahi (Āl Bū Falāḥ), a branch of the Bani Yas tribe, and are related to the House of Al-Falasi, from which the ruling family of Dubai, Al Maktoum, descends.

Members

Notable members of the Al Nahyan family include:

Modern

Offshoot

Het is niet de eerste keer dat de familie van slavendrijverij wordt beschuldigd en daarvoor in het buitenland voor het gerecht wordt gesleept. Getuige dit artikel uit de New York Sun anno 2007. Een kwestie van “culture” of van “nature”? Een kwestie van familietraditie, zo lijkt het. Zo geleerd, zo gedaan. Sheik Hamdan bin Rashid al-Maktoum, de neef uit Dubai van de sheikha’s die in het Conrad hun drijverij runden, blijkt er ook wat van te kunnen:

EEN STEEN EN DUIZEND SCHERVEN

ONGEDULD EN MISVERSTAND

 

HET VERDRIET VAN BELGIE

ALS KRONIEK VAN EEN FAMILIEVETE

 

door Serge van Duijnhoven

België is een staat die sedert 1970 permanent in de renovatiestijgers is geplaatst. Waar kabinetten enkel tot stand komen als ze in het holst van de nacht worden gesloten na het tekenen van compromissen die zo ingewikkeld in elkaar steken dat geen kat de inhoud ervan nog werkelijk kan begrijpen. De huidige politieke crisis is in dit opzicht geen uitzonderlijke situatie maar een gedurige constante van een chronische bestuurlijke ziekte. Of de kanker ook terminale gevolgen zal hebben voor het bestaan van Belgium as we know it? Daarna wacht de totale bestuurlijke chaos met de strijd om Brussel en een afwikkeling van de boedelscheiding waarmee vergeleken het gekibbel over BHV “klein bier” heette te zijn.

Een serieus probleem waarvoor de Belgische democratie zich momenteel reeds gesteld ziet is het feit dat de Belgische bevolking na al die jaren van politieke impasse zijn interesse voor en vertrouwen in de politiek grondig is kwijtgespeeld. Regering of geen regering – het zal de gemiddelde Belg een ziel zijn. Crisis is de normale toestand geworden in het land. NVA-medewerker en voormalig Terzake-journalist Siegfried Bracke schreef eerder in De Morgen (DM 28.09 p.16): “De kloof tussen de Belgische democratieën is zo groot dat vrijwel niemand, zelfs niet de typische Walloniëkenner, echt helemaal kan begrijpen hoe de andere kant “voelt”. Met niet aflatende ijver voedt de Brusselse pers het vijandbeeld over Vlamingen die als Serviers-aan-de-Noordzee niets meer of minder aan het voorbereiden zijn dan de meest verschrikkelijke armoede en ellende voor al wie “Schild en vriend” niet deftig kan uitspreken.” Dave Sinardet, politoloog aan de Universiteit van Antwerpen, bevestigt dat het “blokdenken” momenteel eigenlijk het grootste probleem vormt om in België ueberhaupt nog tot oplossingen te kunnen komen die het regionale of provincialistische belang overstijgen.

Dave Sinardet

Sinardet voorziet dat het virulente “Wij-Zij denken” van de huidige politieke kaste op termijn wel eens katastrofale gevolgen kan hebben als men de eigen principes nimmer in een ruimhartiger perspectief zal weten om te buigen. De atmosfeer zal steeds meer verzadigd raken met onvrede en ongeduld. De mensen zullen – zoals altijd in het geval van historische omwentelingen die onafwendbaar lijken – krampachtig trachten de tijden te versnellen. Wie zal bij de boedelscheiding van het land – ook als het zogenaamde stapsgewijze confederalisme à la De Wever nog een aantal jaren kalmpjes voortgang vindt – aanspraak kunnen maken op de F-16′s en kernwapens van Kleine Brogel? Wat als er een paar heethoofden hun beheersing verliezen en gewapenderhand franstalige burgemeesters uit de rand rond Brussel gaan verdrijven om BHV na zestien jaar palaveren eindelijk kiesrechtelijk te splitsen zoals de grondwet het voorschrijft?



Gelukkig worden de Belgische conflicten uitgevochten met fietstochten in het ommeland, met IJzerwakes, barbecues, debatten, onderhandelingen en vooral veel geniepige plaagstoten. Niemand roept op tot bloedvergieten. Daar staat tegenover dat men daar in het voormalige Joegoslavië anno 1989 ook nog collectief van overtuigd was. Op de Balkan is er een gezegde dat luidt “dat er maar een steen nodig is om duizend scherven te maken”. We passen maar beter op dat die ene steen niet wordt geworpen. Voor je het weet wordt er echt bloed vergoten.

België zal pas werkelijk ophouden te bestaan op het moment dat het land geen premier meer vindt die deze ondankbare c.q. onmogelijke taak nog voor zijn rekening wil nemen. Het land zal niet exploderen maar imploderen oftwel oplossen. Dat is iets waar mijns inziens Bart de Wever ook bewust op uit is. De Wever droomt ervan om op de Belgische politiek de werking te mogen hebben van een  bruistablet. Je gooit een tablet in het glas – het begint te borrelen en bruisen en binnen afzienbare tijd resteert er van het tablet niets meer dan wat spetters aan het oppervlak. Het Belgische vraagstuk voor eens en altijd opgelost in een fris glas medicinaal bronwater. Iedereen wordt er gezonder van.

Bart de Wever: more than just a pound of flesh?                 Bart de Wever: More than just a pound of flesh? 

De Wever heeft de rechter flanken in het Vlaamse spectrum leeggezogen. Het belangrijkste programmapunt van de NVA – de oprichting van een Vlaamse natiestaat – is het minst populaire punt van de partij. Het separatisme is daarom omgekat in de ateliers De Wever tot confederalisme. Een term zo vaag dat die alles en niets kan betekenen. Tovenaarsleerling De Wever – in Vlaasmse kranten onlangs nog vergeleken met Mozes (Als Mozes spreekt luistert Zijn Volk) – is in het warme licht van spots en camera’s met zijn honderd kilo’s verworden tot het Vlaamse troeteldier par excellence. Intelligent welbespraakt recht voor zijn raap koppig boertig en vooral “ene van ons”. Een vadsige koning, dat wel, maar een die niet gespeend van zelfspot zijn persoonlijke défauts op gewiekste wijze in zijn voordeel heeft weten om te zetten.     Haat men of vreest men De Wever aan franstalige zijde?

Mij doet Bart de Wever nog het meest deed denken aan het karakter Shylock uit de komedie The Merchant of Venice van William Shakespeare. Ook de Wever is een ambitieuze man die in een wraakzuchtige obsessie zit opgesloten. We bewonderen zijn onverbiddelijke logica, maar komen erachter dat er al snel enkel onverbiddelijkheid overblijft. Terwijl de franstaligen smeken om solidariteit, slijpt De Wever zijn mes op zijn schoenzool. Hij is net als Shylock een figuur die de wet tot op de letter uitgevoerd wil hebben en die zich niet realiseert dat hij in zijn drammerigheid de grenzen van de wet zelf overschrijdt. In plaats van een testament-executair van een rechtsbeginsel, verwordt hij tot een slachter van de Belgische staat.

Laat het hem maar proberen, de boedel van het land te scheiden met zijn gewette slagersmes van de responsabiliteit en de constitutionele hervormingen – zoals Shylock koste wat kost het volle pond uit de borstkas van Gratiano meende te moeten snijden. Dewever eist, net als Shylock, dat het vonnis geschiedde. Het recht en de geschiedenis moeten hun beloop krijgen. Over de mogelijke gevolgen heeft hij minder nagedacht.

Portia: “Want daar u recht eist, mag u zeker zijn,

Dat u meer recht zult krijgen dan u lief is.”

Maak u dus klaar om ’t vlees eruit te snijden,

Maar stort geen bloed, en neem niet meer of minder

Dan juist een pond, want neemt u meer of minder,

(…), dan sterft u

En al uw goederen worden aangeslagen.

–         vert. Willy Courteaux

 

De heikele vraag dient opgeworpen of het seperatisme tussen noord en zuid in dit land inmiddels een onomkeerbaar momentum heeft weten te bereiken. En of er ueberhaupt nog politici zijn in het ganse spectrum die bereid en in staat zijn om over de eigen schaduw heen te stappen. En een hand te rijken naar de anderstalige medeburgers van Halfland België. Zijn de vershillen onoverkomelijk geworden? Of eigenlijk altijd al geweest?

Op het eerste gezicht is alles anders aan de overzijde van de taalgrens. Naast de verschillende talen die men spreekt bezitten de gemeenschappen geheel verschillende omroepen die programma’s maken waar de andere taalgemeenschappen nooit en te nimmer naar zullen kijken. Vlaamse prominenten zijn onbekenden in Wallonië. En andersom. De franstaligen hebben een heel andere muziekvoorkeur dan de Vlamingen. Voorts is ook het politieke landschap aan beide zijden van de taalgrens volkomen anders van aard. Behalve de Groenen die met Ecolo een front vormen in de federale politiek zijn alle partijen langs regionale en gewestelijke principes steeds verder van elkaar verwijderd geraakt. Toch ligt het er natuurlijk maar net aan welke ascpecten van de culturele beleving je naar voren wilt brengen.

Bestaat er eigenlijk nog wel zoiets als een “Belgitude” (proef dat woord voor het voorgoed van ons radar verdwijnt)? Een ziel die geheel naar de letter van Boontje op “gespleten en bescheten wijze” in verschillende kompartimenten van afzonderlijke Halflanden is verdeeld? Losse zielen die tot elkaar veroordeeld zijn bij de gratie van dat ene monstrueuze Brusselse waterhoofd van de Siamese tweeling- of drielingenstaat die sedert 1830 bekendstaat als le royaume de la Belgique. De presentatrice was nogal kort door de bocht met haar omschrijving van België als het land van bier, frieten én Suske & Wiske. Kuifje en pralines. Manneken Pis en dEUS. Eddy Merckx en Jacques Brel.

85 procent van de bevolking schijnt zich volgens academisch onderzoek allereerst nog steeds als Belg te willen afficheren. 22 procent voelt zich in de allereerste plaats een Vlaming. Hoogstwaarschijnlijk is er vooral sprake van een gelaagde (lasagne) identiteitsbeleving bij het gros van de bevolking. Men is zowel Hasseltenaar als Limburger als Vlaming als Belg als misschien afstammeling van een Italiaanse immigrantenfamilie die werkzaam was in de Waalse mijnbouwindustrie van (staats!)bedrijven als Union Minière. En die voor het pensioen van de oude stamhoofden dus afhankelijk is van federale (Brusselse) kassen.

De identiteitesbeleving van Belgische bewoners heeft de afgelopen decennia in elk geval radicale veranderingen ondergaan. Brussel is bijvoorbeeld een stad geworden waar letterlijk alle bevolkingsgroepen een minderheidsstatus bekleden. In dat opzicht is de hoofdstad van Belgie en Europa een geografisch en sociaal laboratorium van jewelste. Een levend experiment op een symbolische schaal van anderhalf-staat-tot-driehonderd miljoen. Brussel is de conditio sine qua non van het bestaan en voortbestaan van België. En van Europa als Unie met een agenda van vrede en gemeenschapszin. Maar Brussel is ook een podium van onverholen tweedracht en verachting. Brussel wordt nergens zo gehaat als in Belgie zelf. Zeker door hen die er iedere dag weer naartoe moeten om er te gaan werken in de sick buildings van de overheid. En die dagelijks de file trotseren om zich als loonslaaf te laten vernedereren in een of andere Kafkaeske nationale dan wel internationale instantie in wijken waar men zich uit vrije wil nimmer naartoe zou bewegen.

Brussel(s): het waterhoofd van de Siamese tweelingstaat Belgie

In de algehele stads-sceptische houding vinden Vlamingen en Walen elkaar weer uitstekend. Alleen de eigen klei is goed genoeg om ervan doortrokken te kunnen zijn. Brussel is en blijft het Sodom en Gomorra – het helse secreet waar je je enkel terugtrekt omdat je er fecalische zaken te verrichten hebt. Van een liefde voor Brussel is in gans België geen sprake. Ook niet – zeker niet – vanwege de Vlaamse en Waalse politici die er op en om de Wetstraat dagelijks met elkaar in de clinch gaan. In hun gezamenlijke haat jegens de bureaucratische internationale hoofdstad Brussel tonen zowel Vlamingen als Walen weldegelijk over een gemeenschappelijke volksziel te beschikken. Vlamingen en Walen zijn – of men het nu plezierig vindt of niet – weldegelijk familie van elkaar. Het wederzijdse onbegrip van onze landgenoten heeft het irrationele en allerminst ongevaarlijke karakter van een familievete. Of er bloed zal vloeien of de boel aan diggelen zal vliegen is een kwestie van tijd en – bijgevolg – vooral aan het vermeend gebrek daaraan. Die eerste steen-van-duizend-scherven zal niet eens uit haat of woede worden geworpen. Ongeduld volstaat. Men zal in dit land, zoals in alle tijden van omwenteling, de Tijd krampachtig willen versnellen. Wat er de precieze gevolgen van zijn, kan niemand voorspellen. Maar dat het zover zal komen, valt weldegelijk te voorzien.

©      Serge van Duijnhoven, Brussel

  • Kalender

    • augustus 2018
      M D W D V Z Z
      « Jun    
       12345
      6789101112
      13141516171819
      20212223242526
      2728293031  
  • Zoeken