Afscheid van Brussel

Vandaag, 14 juli 2017, kwam de camion  voorrijden waaruit enige potige mannen stapten van het verhuisbedrijf Strang in Vught, die mijn huis aan de Kandelaarsstraat 23 in de Marollen, hartje Brussel, in no tempo leeg kwamen  ruimen. Ik heb er veertien jaar gewoond. Toen ik er introk, met mijn toenmalige echtgenote Anica Miloshevska, was het huis aan voor- en achtergevel van bodem tot dak bedekt met weelderige lagen klimop. Het huis dateert uit 1848, de straat is  veel en veel ouder, en staat al aangegeven op kaarten die dateren uit de veertiende eeuw. Het is een straat met denivele, hoogteverschil. Hij heeft een stevige helling, en het bovenste mondt uit in een stel stevige stenen traptreden. De straat is daarom niet alleen stil, hij oogt ook pittoresk en authentiek. Een beetje a la Montmartre.

Kandelaarsstraat Serge in de Kand Bart Azare1

Serge op de kasseien van de Kandelaarsstraat. Fotograaf: Bart Azare

Ik heb in dit huis veel meegemaakt. Veel beleefd. Ten faveure en ten detrimente. Ik heb er gelukkige jaren beleefd, en minder gelukkige. Ik vierde er de liefde, de vriendschap, het feest, het eten, zingen en pianospelen, de muziek en vooral  het Franse chanson.  Ik beleefde er jaren van delires en dronkenschap toen de schrijver Arthur van Amerongen in 2007 en 2008 mijn zolderverdieping huurde om er te werken aan zijn profetische boek Brussel Eurabia. Maar ik maakte er ook mijn scheiding mee, een periode van armoede en verval, van islamitische indoctrinatie, vereenzaming en uiteindelijk zelfs van een depressie die uitliep op een zelfmoordpoging. De stille kracht van deze stille straat, bleek  niet alleen maar een gunstige uitwerking op me te hebben. Ook mijn leven  kwam er stilletjes aan in tot stilstand. De optredens werden minder en minder in aantal, vrienden uit Holland kwamen steeds minder vaak langs, voor  de literaire beau monde uit  de  Grachtengordel was ik na zo´n twintig, eenentwintig jaren in Belgistan te hebben doorgebracht, op gegeven moment min of meer van de artistieke kaart verdwenen. Als er nog eens een artikel over me verscheen, werd ik steeds vaker een Vlaming of Belg genoemd. Dat ik niet uit Vlaams-Brabant maar uit Noord-Brabant (Oss) afkomstig was, scheen nergens meer opgemerkt. Ik begon honger te krijgen naar een mogelijkheid, om me weer wat meer naar het centrum van de literaire wereld toe te vechten. Terug terreinwinst te boeken. Mijn pittoreske stille straat, was wel een heel stille straat geworden.

Na de aanslagen van 22 maart 2016, waar ik  van nabij bij betrokken was toen ik  in de metro onder station Kunst/Wet op brute wijze tot stilstand werd gekatapulteerd en in het pikkedonker belandde, omdat een mohammedaanse zeloot gemeend had zich tot martelaar te  moeten maken door zoveel mogelijk burgers met zich mee de dood in te jagen, begon het me te dagen dat het wellicht niet onverstandig was om van woonst te veranderen. Hoofdstuk Brussel na achttien  jaren – met een lichte pijn in het hart – toe te doen. Een frisse start te maken, boven de open riolen die ik vroeger zo verguisde. Om als het ware Heim ins Reich te gaan dus.

Maar de verkoop van het huis liet op zich wachten. Ik leidde 150 gegadigden rond door mijn verdiepingen, die in 2011 nog op smaakvolle wijze waren ingericht door mijn toenmalige geliefde en designer Arlette van Laar. Lampen en gordijnen van Emmery & Company, een dromerige okerkleurige verf op de wanden, een bidbankje uit een protestantse kerk voor in de keuken, het hout vers gelakt, een parketvloer gelegd, het muffe jarenzeventig tapijt op de trap van de treden getrokken en de  vloeren  geboend. Het huis in de Kandelaarsstraat werd van een rommelig thuishonk voor een bohemien, een oogstrelend palazzo. Toch vond de ene gegadigde de trappen te steil, beklaagde een ander zich dat het huis geen garage had,  of geen kelder, of dat er een tuin miste. Anderen waren wel gecharmeerd van de sfeer die het huis ontegenzeggelijk bezat, maar ze waren toch ook een beetje beducht voor de leeftijd ervan. Een Italiaan die verliefd werd op mijn woning, liet zich finaal van de wijs brengen door een ingehuurde expert die het huis tot op de bodem begon af te breken. Dit en dat en zus en zo zouden hier niet deugen volgens de steeds strengere stadreglementen, er zat hier en daar wat vocht in de muren, de glazen annex van de benedenverdieping stond niet vermeld in het kadaster, dak moest node gerepareerd, en er waren wortelsporen van een berkenboom die zich in de loop der jaren in het cement van de schoorsteen had vermengd, etcetera. Weg liefde van de dolenthousiaste Italiaan, die niet de mankementen maar de ziel van het palazzo had ervaren. Magie verdwenen. Een nieuwe periode van wachten op mogelijke kopers begon. En in de tussentijd zat ik op de schopstoel, kreeg een duistere vorm van lethargie en somberte bezit over mijn ziel, en zakte ik gelijdelijk aan weg in een toestand die achteraf gezien enkel is te karakteriseren als een diepe, diepe depressie. Ik werd zelfs suicidair. Toen er eindelijk een jong koppel in de straat verscheen, dat net als de Italiaan amoureuze gevoelens voor rustieke palazzo scheen te voelen, was dat niet eens meer een mogelijkheid tot naderende verlichting of verlossing. Ik begon me in te beelden dat wat een Afscheid van Brussel moest worden, misschien ook wel meteen een Afscheid van het leven diende te betekenen. Toen ik werd geroepen bij de notaris, om er de voorlopige verkoopacte te ondertekenen in het bijzijn van het jonge Franse duo dat in mijn bibliotheek een praktijk wilde vestigen voor orthodontie,  voelde het alsof ik niets minder dan mijn eigen  doodsvonnis ondertekende.

Op 10 mei jl. was de innerlijke wanhoop tot zo een dieptepunt geraakt, dat ik geen andere uitweg meer zag dan de daad bij de al maanden steeds sterker wordende obsessieve gedachte te voegen. Ik nam een  overdosis slaappillen van het merk Nozinan, dronk twee flessen wijn leeg, schreef een afscheidsmail naar mijn uitgever en bezieler Vic van de Reijt van Nijgh & Van Ditmar, en legde me kalm en uitgeblust  op  bed, waar ik  nog een plastic zak van de Lidl over mijn hoofd trok. Mijn kat Kyra kwam ongerust kopjes geven en haar pootje tegen mijn gezicht wrijven. Ik probeerde haar gerust te stellen, door haar te aaien. Ik had vrede met de gedachte aan de dood, sterker nog: ik snakte ernaar. Verlossing van besognes, gedachten, schulden en de deprimerende gedachte dat het leven dat nog komen moest, toch niet anders zou worden dan een lange aftocht richting het lichamelijke, geestelijke en artistieke verval.

Het huis is leeg. Ook de bieb is leeg1

 

Het huis is leeg. Ook de bieb is leeg2

 

Het huis is leeg.Camion

 

Het huis is leeg.lift

 

Het huis is leeg.liftlight

 

Het huis is leeg.straatpatio

 

Huis is leeg.1

 

Huis is leeg2

 

Huis is leeg3

 

Huis is leeg4

 

Het huis is leeg. Kyra is wat verdwaasd

 

Het huis is leeg. Kyra is wat verdwaasd2

Brussel is een rivier die zijn monding en zijn debiet kwijt is. Wat er aanspoelt, resulteert in verloedering. Een verloedering, die in Brussel gedijdt als schimmel in een ruine en die alles verrot, alles bederft en aantast, en daardoor zijn eigen ondergang veroorzaakt. Deze stad staat geheel op zijn kop. De rechtvaardigen boeten voor de zondaars, de armen voor de rijken, de buitenlanders voor de inheemsen. De stad is geveld door de toekomst, die hier al aangebroken is als een doodsvonnis dat is volvoerd. Het kosmopolitisme heeft het provincialisme verpletterd.

Kandelaaarsstraat straatnaambord

Zo zag het huis eruit voor de verhuizers kwamen. Dit is een foto genomen door Theo Krijgsman:

Kandelaarsstraat zo zag het eruit foto Theo Krijgsman

In 2003 was de stad ons nog niet  beu. We waren nog steeds knap en geliefd : de mensen glimlachten op straat en keken om. In onze kamers was het kil, maar ze hadden de juiste verhoudingen, en er was meer dan een verwijzing naar een ander leven, vrij van de vertrouwde remmingen, een leven van een hogere orde, in dit grote laboratorium, dit merkwaardig surrealistische lustoord dat zich alleen voor jou ontvouwde.  We sprongen als vlooien van de ene tent naar de andere.

 

Kandelaarsstraat 19e eeuw laiterie

De Kandelaarstraat op het einde van de 19de eeuw. Vormt samen met de Tempelstraat, de Samaritanenstraat en de Duivenstraat een netwerk van straatjes dat reeds voorkomt op het plan van Deventer. Deze straten verraden door hun smalle breedte en hellend reliëf nog hun middeleeuwse oorsprong.

Kandelaarsstraat 19e eeuw vanaf beneden

Kandelaarsstraat 19e eeuw

Ik voelde me aangetrokken tot de surreeele, terloopse elegantie en het air van Brussel, aspecten die je meteen opvielen, de collage van statige, vervallen, grappige en mondaine dingen, het leven in de straten en het leven dat ontreddering en dood weerstaat.

De normale gang van zaken is dat je alles eerst van veraf ziet en dan van dichtbij. Brussel kun je echter  niet zo zien. Het is een nurksige, intieme stad, en daarmee bedoel ik privacy, gevuld met details van het leven, gevoelig voor stemmingen en verheven boven aanpassingen aan het individu. De stageaire, de parlementarier, de forens, de student, de immigrant : zij die Brussel bevolken zijn er heel vaak maar tijdelijk, op doorreis. Vrienden van me zijn hier op bezoek gekomen, verbleven enige dagen en nachten, maar konden geen vat krijgen op de stad. Een enkeling concludeerde boos bij zijn vertrek dat « Brussel hem had afgewezen ».

Brussel geeft zich niet gemakkelijk gewonnen. Het pronkt niet graag . Houdt zijn kaarten verborgen. Kijkt de kat uit  de boom. Het heeft een hekel aan pretentie en een grote bek. Het is allergisch voor ieder die het beter weet.

Haar kracht is verticaal, en dat wil zeggen diep.

Een stad die zo vaak van buitenaf is geregeerd, bezet, belegerd, gemeltraiteerd, verraden, kon geen sprankje illusie meer overhebben. Overdag was het er bedrijvig, als de zon scheen  was het er soms prachtig en lommerrijk. Na donker werd het sinister. Leeg, dreigend, verraderlijk.

 

Kandelaarsstraat boek over Marollen zw wt

Kandelaarsstraat brochure cover

Kandelaarsstraat Chez Jeanine jaren vijftig

 

Brussel was zo´n geweldige stad dat hij nooit op zou raken. In de Kandelaarsstraat waren we totaal in harmonie. Ons leven was als een enkel, welbesteed uur. Het geheim ervan was ons gebrek aan wroeging, aan zelfmedelijden, onze creativiteit en trots die maakten dat we onze armoede en ontberingen voor lief namen. We waren bereid de prijs te betalen van een bestaan in de groezelige boezem van de Brusselse boheme. De sleutel tot ons Brusselse geluk, was onze onstilbare honger naar de bronnen van het leven zelf. Onze souplesse, om ons aan te passen aan de vereisten en coutumes van een stad die politiek even verdeeld was als cultureel gefragmenteerd. We haalden de pin uit de granaat, en wachtten nieuwsgierig op de ontploffing. Verkneukelden ons bij het schouwspel, de felle lichtflits, de knal, het tafereel van de versplinterde explosie. We bezagen en bestudeerden het resultaat van onze handeling. De uiteengeworpen fragmenten van een tot ontploffing gebrachte leven dat net als het zonlicht in de rozetta van een kerk, op de vloer neerdaalde in multispectrale scherven van lich ten schaduw. Een betoverend arsenaal aan messcherpe kleuren. Wat we met volle teugen tot ons namen, in ons opsnoven, was de opwindende geur van vers tot ontploffing gebracht kruit. Het buskruit van het ware, grootse leven in een grenzeloos Hoofdstedelijk Gewest.

 

Kandelaarsstraat Chez Jeanine terrasje

 

Kandelaarsstraat arsons

 

 

De exquise geuren, de wanorde die mooi was, de nachten die nooit eindigden, je dagboek vol met ontmoetingen, diners, concerten, tentoonstellingen, voorstellingen, memorabele ervaringen en cruciale inzichten, dat alles creeerde in mij de warmte van een overrompelende liefdesnacht. Brussel. Dit waren uren, dagen, nachten, seizoenen dat je het leven letterlijk indrinkt. De kalme dagen, de camaraderie, de liefde die haar sporen nog verdiende en die je beleefde als een plechtig avontuur dat beantwoordde aan de verordeningen van een alleszins nobele ziel, de zon overdag en de belevenissen na valavond, dit alles loogde alle zorg uit ons. Liet ons tevreden achter. We waren personages in een toneelstuk dat we imiteerden en bewonderden. Het leven kon niet tegenvallen, de acteurs niet van het toneel verdwijnen. Het gezelschap kwijtte zich voorbeeldig van zijn taak. De voorstelling was in alle opzichten geslaagd, het theater van ons overprikkelde bestaan was echter en effectiever dan de rauwste vertoning op straat in de verarmde wijken van de binnensteden. We hielden stand, we floreerden, we genoten en leerden spelenderwijs wat het betekende om volwassene te zijn in een kosmopolitische stad met al haar scherpe randen, bittere schaduwen en talloze verlokkingen. The readiness is all, liet Shakespeare Hamlet verkondigen. En bereid waren we. Om tot het uiterste te profiteren van dit grenzeloze hedonistische bestaan, om tot in extremis tot dit opwindende grootstadse leven in te gaan. De drinkbeker tot de bodem leeg te slurpen. Dit waren uren, dagen, nachten, seizoenen dat je het leven letterlijk indrinkt. Dat we het leven letterlijk leegdronken. We voelden ons gepurifieerd. De dagen waren uitgehakt uit een steengroeve die nooit leeg zou raken. De vrijheid waar we gedurende onze jaren in Brussel op uit waren, was er een van zelfoverwinning. Het was geen  natuurlijke gesteldheid. Ze was alleen bedoeld voor diegenen die er alles voor over hadden, die zich realiseerden dat het leven daarzonder alleen maar bestond uit trek hebben tot je geen tanden meer had.

 

Kandelaarsstraat graffiti Bruegel

 

Kandelaarsstraat graffiti terminoideologica.bord

 

Hoe vaak kun je in een en dezelfde tijdsspanne de liefde van je leven beleven? De romantische, mateloze ziel beziet en beleeft iedere grote liefde, als de ultieme kans op geluk. Maar ook als de ultieme beproeving. De klap waarmee mijn meest recente relatie op de klippen liep, kwam ik niet meer te boven. Ik en Medina. Ik, Medina en haar zoontje Jonathan. De vervulling die mijn leven de afgelopen jaren eindelijk weer glans had gegeven, ontviel me met een daverende klap. De ondraaglijke stilte en leegte die op die klap volgden. Het gevoel van mislukking, falen, altijd weer te eindigen aan de zijlijn van het bestaan. De implosive van mijn leven, dat ik als ledig en betekenisloos ervaarde. We waren verloofd. We hadden grootse plannen. We hielden onze toekomst in de palm van onze handen. Wanneer de verlovingsringen van de vingers worden getrokken, op de grond worden gesmeten en met de paraphernalia van de grootse liefde in de prullenbak belanden, wanneer een Koppel dat zo hecht was en geloofde in de kansen die de liefde hen nog een keer bood, uit elkaar gaat: dan is het of er een houtblok wordt gespleten met een bijl. De twee stukken zijn ongelijk. Een ervan bevat de kern. De andere het gemis. De ene vangt het licht, en slaat dat in zich op. Om de boeken vervolgens monter weer te sluiten. De ander vangt de schaduw, en ervaart hoe de splinter van het houtblok zijn ziel in stukken kerft. Voor de ene is de ervaring van die grootse liefde een verrijking, voor de ander is en blijft het vooral een open wonde. Medina is er met het heilige deel vandoor gegaan. Zij kon verder leven, gedijen, tot bloei geraken, opnieuw gelukkig zijn en een leven verderzetten vol betekenis en genoegens. Ik bleef achter op het altaar, gehavend, getekend, bloedend en gewond. Alsof een leeuwin mijn bortkas open had gescheurd, en er mijn ziel uit had opgepeuzeld. Ik moest niet zeuren. Had gekregen wat ik had gewild. Toen ik mijn geliefde voor het eerst had gezien, in een serie op TV, had ik uitgeroepen: deze soevereine dame is de panter waar ik door verslonden wil worden. Aldus geschiedde. Mijn bede is verhoord.

 

Kandelaarsstraat graffiti terminoideologica

 

Kandelaarsstraat graffiti terminoideologica.senzafranco

 

Ik was een nieuw tijdperk in gegaan. Al wat tot het oude behoorde, moest worden begraven, weggedaan. Mijn verwondingen leken me voortekens. Ze markeerden mijn eerste echte vrees voor het verdere leven, voor de kwaadaardigheid die deel was van de sappen ervan, die niet te verklaren was, niet te genezen. Ik wilde mijn huis verkopen. Er was iets gaande aan alle kanten van mijn bestaan, ik begon het te zien op straat, het was als het donker, ik was me er opeens van bewust, als het komt, dan komt het overal. Het makkelijke deel van het leven was voorbij.

Was het dan zo makkelijk?

Het leven veranderde van een bovengrondse stroom met vele vertakkingen en een gezonde doorstroming, in een ondergrondse rivier. De bovenkant wordt lager, wordt nat, het water spoelt het donker in. De lucht wordt vochtig en ijzig, de doortocht wordt nauw. Licht, geluid is hier niet meer. De stroming glijdt nu voort onder grote, onbewogen platen van steen. Het stinkt er. Het water is zwart als het graf. Ik kan alleen maar zeggen dat je daar, op die ondergrondse rivier, zelfs met moed niet veel opschiet.

 

Kandelaarsstraat Inkymouth leeg

 

Kandelaarsstraat jaren vijftig Marieke

 

Terwijl ik  op de hoek van de Kandelaarsstraat stond, met drommen toeristen die er in het weekend passeerden, langs me heen strekeen, terwijl er bussen voorbij denderden, zei ik tegen Luigi: Het is afgelopen. Waarmee ik alles bedoelde dat me had gevoed, bovenal de stad buiten wier uiterste boorden ik een toevlucht had gevonden, nog steeds gevoelig voor haar aantrekkingskracht, nog steeds onder een hemel waarvan een uiteinde gloeide van haar licht. Er zijn steeds meer stukjes van de oever weggevallen. Tegenslagen, mislukkingen, aanslagen, verelendung, verloedering, verkommering. Dat waren de kale bomen in het Brusselse bos die alleen stonden en aan de voet waarvan op gegeven moment niets meer leek te willen groeien. Je kunt het emotionele bankroet uiteindelijk net zo snel en grondig beleven als het materiele dat je al zolang met zoveel kunst en vliegwerk hebt proberen te voorkomen. Het is een misvatting te denken dat je het echec (onheil), net als de dood, altijd wel een stap voor zal weten te blijven. Ons vermogen tot gedurig welvaren is, als puntje bij paaltje komt, even gelimiteerd als ons incasseringsvermoogen. Het reservoir aan mogelijkheden waaruit we zo kwistig putten als we jong zijn, blijkt allerminst oneindig. Wie rekent op een rechtvaardige balans, een gelijkmatige spreiding van kosten en baten, van voorspoed en misfortuin, komt bedrogen uit. Plotseling blijken alle rekeningen tegelijk te moeten worden vereffend. Raken schilden beschadigd, reserves geplunderd. Kloppen er niet alleen deurwaarders, maar ook allerhande karmische crediteuren bij je aan, bonzen op de deuren van je ziel. Je ziel raakt erdoor opgejaagd, en belegerd, net zoals de stad overspoeld wordt door de bedelaars en apatriden. Je kunt langzaamaan wegzakken in een misere die van de stad op jezelf is overgeslagen. Je vrijwel letterlijk opnknopen aan een melancholie die behalve van het stille en doodlopende straatje waar je woont, ook van je inwendige bezit blijkt te hebben genomen. Wijn, verhalen, verre en overleden vrienden, mislukte kansen, het geluk dat ik in mijn handen had gehouden en dat ik had laten ontglippen: ik was een man die met al zijn kleren aan in de stroom der dagen lag.

 

Kandelaarsstraat Je taime mon petit chat

 

Kandelaarsstraat Kapellenkerk

 

Een leven gedompeld in stilte, gemarineerd in wanhoop. De hoop op een beter, die alle nieuwe dagen wordt gelogenstraft. Een nachtmerrie, waaruit niet meer valt te ontwaken. Je bent een kritiek reactiepunt voorbij, waarop je zintuigen nog op de prikkels van buiten reageren. Je reservoir aan krachten waarmee je je tegen de aanvallen kunt verdedigen, is weggesijpeld. Weggespoeld, alsof er een stop is gehaald uit de bodem van je ziel. Je bent er absoluut van overtuigd dat dit je laatste dagen zijn. Je zal ze nooit meer terugvinden.

 

Kandelaarsstraat quartier Breugel

 

Kandelaarsstraat Sablons Tower

 

Ik was een en al romp geworden. Ik had geen kiel meer. Het roer was klein, het kompas op drift. Mijn ogen waren glazig, de vonk van levensenergie was eruit weggetrokken, het vuur was gedoofd. Zelf mijn libido liet verstek gaan. Ik was als een verslagen bokser, wachtend in zijn hoek op de genadestoot. Ik kon alleen nog plichtmatig glimlachen en praten, meepraten met anderen door hun laatste woorden te herhalen. Ik, die het leven zozeer had omhelsd en doorleefd, ik had geen puf meer. Het leven liet me in de steek met een trage, onmerkbare motoriek, als het tij waar je met je rug naartoe staat. Alle verdriet en geluk verdween, vervaagde, werd uitgewist tot niet eens meer de herinnering eraan resteerde. Ik werd van binnen uitgehold, mijn leven werd dag in dag uit bepaald en vormgegeven door een steeds pregnantere leegte en een steeds grotere alomvattende paniek. Het lukte me niet meer uit de put van de eenzaamheid omhoog te klimmen. Ik zonderde me steeds meer af. Meed gezelschap. Voelde me nimmer op mijn gemak als mijn isolement bij uitzondering eens werd doorbroken. De eerste gedachte die me bekroop bij eender welke ontmoeting was: hoe kom ik zo snel mogelijk van hem of haar af. Hoe kan ik mijn schamele wezen zo snel mogelijk weer toedekken met de mantel van de eenzaamheid. Ik probeerde vrede te hebben met de ondergang, die immanent leek. Waaraan niet meer viel te ontkomen. Ik had een puinhoop van mijn leven gemaakt, en mijn ik was onder meters puin bedolven geraakt. Ik kon me geen weg meer naar het oppervlak toe graven. De enige uitweg uit deze allerneteligste situatie, was de ontsnapping van de dood. De ultieme verlossing. Het vinden van de poort die me eindelijk naar het niets-oord terug zou voeren. De gedachte hieraan, bracht me opmerkelijk genoeg een vorm van rust. Soelaas. Er was een einde mogelijk. Al zou dat einde enkel gestalte kunnen krijgen in het schenden van een oeroud sacraal gebod. Gij zult niet doden, of het nu een ander of uzelve betreft. Het voornemen om dat poortje van de nooit-uitgang uit eigen beweging open te wrikken (de deur waarop niet voor niets een afgeragd bordje was bevestigd met de tekst Sans Issue, Verboden Toegang voor Onbevoegden), droeg ik in stilte met mee. Het voelde als het brandtouw dat ik om mijn middle had gegord, en waarmee ik ten lange leste in ieder geval uit het brandende gebouw van mijn bestaan zou weten te ontkomen. Het touw verborg ik onder mijn kleren. Anderen hoefden, mochten het in geen geval gewaar worden. De gedachte aan zelfmoord gaat met een beslist bewustzijn gepaard, dat wat je voornemens bent te doen een misdaad betreft. Een ultieme vorm van verraad, zowel aan jezelf als aan je naasten. De gedachte wordt een dwanggedachte, en de dwanggedachte wordt een gruwelijk geheim dat je in de rottende, pikdonkere stilte van je eenzaamheid hebt weggestopt, als een radioactief stuk plutonium die door criminelen is achtergelaten in een kluis.

Het is onmogelijk, ondenkbaar om dit verraderlijke geheim met wie dan ook te delen. De de zelfmoordenaar in spe is ertoe veroordeeld, zijn giftige voornemen in de donkerte van zijn kluis te laten stralen. Het is het sluitstuk van zijn eenzaamheid. De kluis bevindt zich helemaal in de kelder van zijn totalitaire isolement. Alleen jij hebt de sleutel, weet van het bestaan van die kluis.

 

Kandelaarsstraat station Kapellekerk

 

Mijn lichaam was min of meer hetzelfde gebleven, al werd ik dan wat magerder vanwege alle zorgen en verdriet, de structuur die dat lijf bijeenhield was aan het oplossen. Al de oude en onderling verbonden kennis, al mijn eruditie en mijn aanspraken op enigerlei mate van geluk, de invulling van de belofte waarin ik mijn hele creatieve leven had geloofd en waar ik op had gerekend, het begon allemaal te verdwijnen. Het voelde alsof de grote kamers van mijn binnenste het een voor een begaven. De ruimten van mijn leven vielen weg als een gebouw dat werd gesloopt. Mijn lichaam had zich tegen me gekeerd, de harmonie die daarbinnen ooit had geheerst, was verdwenen. Ik bleef achter in het huis dat al te koop stond. Als een schipbreukeling in een wrak dat bezig was te zinken. Alles in huis, leek te delen in een verlies. Ik voelde me steeds meer gescheiden van mijn bestaan. De aanwezigheid die de leegheid van de kamers en verdiepingen vulde en lichter maakte, zin gaf, die aanwezigheid was er niet meer. De simple hebberigheid waarmee je je vastklampt aan een liefde, een vriendchap, een vol leven met arbeid en betekenis, maakte me plots wanhopig. Ik raakte verdoofd. Een fatale ruimte had zich geopend, zoals die tussen een lijnschip en de kade, plotseling te breed om overheen te springen. Alles is nog aanwezig, zichtbaar, maar je kan het niet meer terugkrijgen. De tijd raakte verzuurd, stonk in zijn zakken. Ik had plannen, een beetje vaag, een paar afspraken op de lange termijn, maar niets wezenlijks meer te doen. Mijn blik bleef niet aan dingen haken, maar gleed ervan af als een stervend insect. Ik wankelde, zwaaide heen en weer tussen momenten dat ik geen enkele kracht had, geen denkvermogen, geen drang tot vechten, waarop ik het gevoel had dat, ach, kon men zijn dood maar als een fanaticus, een gelovige, tegemoet rennen, koortsig, bedwelmd, op die versnelde voeten die achter liefde aan rennen – en dan, in de kalmte van een vroege middag als ik een boek probeerde te lezen, was ik juist verzadigd van een allesoverheersende lethargie. Een berusting, dat de ondergang toch  wel zou komen en niet eens hoefde te worden bespoedigd. Op dat soort dagen wentelde ik me in een gedurige slaap die zich over vele dagdelen en nachtelijke uren uitstrekte. Als een insect dat zich verpopte, verscholen voor de gang van de wereld, in een cocon van zelfgesponnen zijde. De tijd tot stilstand gebracht, die donkere nis in de ruimte opzoekend, waar je je alvast onzichtbaar kon wanen voor het Oog van het Al.

 

Kandelaarsstraat straatnaambord Sainktmalot

 

Kandelaarsstraat straatnaambord twee talen

 

Ik arriveerde in Brussel toen ik negenentwintig was.  Mijn eerste decennium in de stad beleefde ik als dertiger. Dat gloedvolle decennium in je leven waar nooit een eind aan zou komen en waarin je alles kon wagen. In de Marollen ging ik op gegeven moment mijn middelbare leeftijd in, mijn dertiger en veertiger jaren, en die periode was er een van bloei en beloften die gelijdelijk aan transformeerden in verdieping en bestendiging. Maar op zeker moment toch ook in herhaling, verstarring, vertraging, verval. Mijn leven veranderde van een snelstromende beek, in een uitgestrekt meer, donkerder en dieper dan ik had gedroomd. Het werd van onderen gevoed door bronnen van een nog jeugdige bravoure en de bijbehorende ambities, fris en zuiver en beloftevol. Aan de oppervlakte, bij het afvoerkanaal, was het water troebel en al lang niet onbezoedeld meer .  Wie een monster nam, mat de toxische resten van een bandeloos artistiek bestaan en de sporen van een jarenlang veronachtzaamde grootstedelijke vervuiling. Was dit waar het frisse begin op uitgelopen was ? Een vergiftigd riool, gelijk de Zenne, dat omdat het nauwelijks nog gezuiverd kon worden, beter aan het oog kon worden onttrokken ?

 

Kandelaarsstraat trappen boven

 

Kandelaarsstraat vanaf halfweg

 

Alles heeft een cyclus, en ik wist dat ik het beste deel van mijn geluk al achter me had. Ik probeerde wanhopig te zinnen op manieren om me uit de neerwaartse spiraal te wringen. Ik  opperde het plan om te vertrekken. Een nieuw leven te beginnen, terug op mijn geboortegrond. De plenipotentie van een frisse start! Maar het op een finale wijze afbreken van een genesteld bestaan in een geliefde stad, is net als het afbreken van een gevecht, naar verluid, een van de moeilijkste operaties die er bestaan, en sommigen zijn er bedrevener in dan anderen. Het betekent vlak langs de afgrond gaan, de rampspoed net weten te omzeilen en op een haarbreed overleven. In Brussel heb ik mijn geluk maar ook mijn tegenslagen op mijn pad gevonden, en gezien hoe de dingen waar ik zielsveel van hield en die betekenis gaven aan mijn bestaan, een voor een in duisternis en ongenade vielen. Net als andere grote steden stinkt het in deze hoofdstad van Europa, naar de eindeloze cyclus van leven en sterven. Je komt tot het besef – niet meteen, maar pas als je je eigen sterfelijkheid kunt accepteren – dat leven en dood hetzelfde zijn.

 

Kandelaarsstraat.grafitti2011

 

Kandelaarsstraat.zwwit

 

Gebeurtenissen hebben hun uitnodiging nodig, desintegratie haar begin. De aanslagen van maart 2016. 32 medeburgers, die de pech hadden twee metrostellen voor de jouwe uit te reizen,  komen om. Jij overleeft. En meer dan dat : hun levens zijn in de jouwe gegraveerd. Je klautert in het pikkedonker omhoog, ruikt de geur van electriciteit en schroeiend vlees. Als je eindelijk weer boven op straat staat, niet ver van metrohalte Maelbeek, hoor je medepassagiers die abusievelijk de verkeerde schacht in zijn gekropen, om hulp roepen. Terwijl de rookslierten uit de luchtkoker dwarrelen. Met hun handpalmen proberen ze deb ijzeren roosters op te tillen. Ze zitten klem. Hun gegil achtervolgt je tot aan je huis. Tot in je slaap. Het is alsof ze in de dichtgemetselde kelder onder je woning, nog steeds nog steeds hun smeekbeden tot je richten. Je kunt ze niet helpen. Het sousterrain is al een eeuw geleden volgestort met puin. De vloeren zijn met tegels bemetseld. Waar eens het trapgat zat, is nu een duister rommelhok. Je slaapt met oordopjes in. Ook omdat de boiler van de buurman, dag en nacht lawaai maakt. Een sonore brom, die niet meer uit je buizen van eustachius verdwijnt. Die in de boeken van je bibliotheek doorresoneert. Die in de stenen fundamenten van je huis omhoog trilt. Je raakt het geluid niet kwijt. Het is er altijd, als een soort achtergrondruis van het heelal. Je creeert lagen van stilte in de stilte, ongeschonden stilte waarmee je de geschonden vorm probeert te bedekken. Alsof je een gewond lichaam wikkelt in het ene na het andere schone laken. Het gebrom blijft hoorbaar, hoezeer je het ook probeert te negeren of maskeren. De buurman ontkent dat het geluid van bij hem komt. Of ik hem en zijn huurder, niet meer wil lastigvallen. De loodgieter is langsgeweest, die kon geen brom meer detecteren. het is genoeg zo. Het geluid zit in uw hoofd, u bent gek, zegt de buurman. Soms kom ik overeind uit bed, midden in de nacht, en leg ik mijn oor te luisteren tegen de muur om te bepalen of de brom er nog is. Als het geluid me niet gek maakt, dan de buurman wel. Die huisjesmelker, die zijn woning in vier, vijf krotruimten verdeeld heeft die hij aan armoedzaaiers heeft verhuurd. Het huis laat hij  verkommeren tot een schimmige bouwval, het kan hem niets schelen. Je hebt een hele verzameling gebruikte oordopjes aangelegd, die je in slagorde gesorteerd hebt bovenop de eikenhouten kast in de keuken. In het begin speelde je kat nog met de kleine wassen bolletjes. Nu zijn het er teveel om nog interessant te zijn. Om echte stilte te verkrijgen, zul je moeten verhuizen. Dat ga je doen. Eigenlijk gun je het je buurman niet. Jij trekt aan het kortste eind. Het voelt als een nederlaag. Buurman steekt geen vinger uit, maar wint. Je broer zegt dat het hoog tijd is, om eieren te kiezen voor je geld. Trek je plan, laat je niet opnaaien. Ik knik als ik het mijn broer hoor zeggen.

 

Kandelaarsstraat1.1

 

KandelaarsstraatRue des Chandeliers.photo2

 

De schaduw van verandering en neergang, lag over alles. Mijn blik op het huis gaf een gevoel van droefheid alsof het ten dode opgeschreven was. Het leek leeg, het leek stil. Mijn geest, blootgelegd door de aanslagen en het tot stilstand komen van het stromende leven, was levend maar machteloos. Als een oester die uit zijn schelp was gesneden. Het huis was af, klaar, net als mijn leven hier. En als het huis gereed is, zeiden de Chinezen, komt de dood. School er noodzaak, school er waarde in de impasse waarin ik was aanbeland? Betrof het een onvermijdelijk parours dat moest worden afgelegd? Een levensles die node diende te worden geleerd? Heel het verleden, hield ik me voor, alles wat zo moeilijk was geweest, waarmee ik geworsteld had al seen reiziger met te veel koffers – idealisme, loyaliteit, vrijheidsdrang, prestatiedrang, ambitie, de hang naar liefde, erkenning, vriendschap, al je deugden, hebbelijk- en onhebbelijkheden – ze waren nodig om het parcours van zelfverwerkelijking te volbrengen. Ze zouden me in stand houden, in leven houden, ze zouden blijvend van belang zijn. En dan, een dag later, sloeg de ziekte weer toe. Het was , iets dat ik niet van eerdere episoden herkende, niet begreep. Opeens was ik nog nooit zo nerveus geweest, zo wanhopig, zo bang en depressief. Ik realiseerde me wat een de  zenuwinzinking was: wat een leven deed dat alle beheersing had verloren. Mijn borst deed pijn, mijn benen waren koud, mijn geslacht was verschrompeld en gevoelloos, ik moest voortdurend slikken, mijn geest draafde doldwaas door. Mijn enige contact met de buitenwereld, afgezien van de vage geluiden van voorbijgangers in de stille straat voor mijn deur, was het internet. Ik had niet de kracht, niet de lust om uit te gaan. De gedachte aan mensen maakte me panisch. Hoe vriendelijk of betrokken ze ook waren, het was of ze konden zien dat ik een patient was, iemand die levend uit een wrak was gekropen.

De verschrikkingen van de ballingschap, al was die dan vrijwillig. Van een bestaan in de coulissen. Wat in het begin nieuw was geweest, curieus, charmant, verhardt zich langwaam tot onhandelbaar leven, het lachen verflauwt, het is als een moeilijke school, een die nooit ophoudt. Ik herkende de dagen niet meer, ze waren zonder betekenis, gevreesd, alles gesloten als een boek. Ik was volkomen anders en alleen, een buitenstaander, een kreupele rekruut in de kazerne. Ik lag alleen in de lakens van het nog warme bed, de wil ontberend om op te staan en te douchen. De kou in, het leven. Alleen in deze stad, alleen op deze zee. De dagen waren uitgestrooid om me heen, ik had me eraan bedronken. Ik had niets gepresteerd. Hier leefde ik – veel waard was het niet. Niet zoals een leven dat was afgelopen maar echt iets had betekend. Als ik moed had gehad, als ik geloof had gehad, als ik toewijding had getoond in plaats van vluchtigheid en luiheid. Wij bewaren onszelf intact alsof dat van belang was, en altijd ten koste van anderen. We potten onszelf op. Wij slagen als zij mislukken, wij zijn wijs als zij dwaas zijn, en we gaan door, grijpen ons vast, totdat er niemand meer is – wij blijven achter zonder gezelfschap behalve God. In wie wij niet geloven. Van wie wij weten dat Hij niet bestaat.

De kalme stille lucht, het licht, vervulden me met een soort ontzetting, de vrees dingen te zullen zien die me te machtig waren. Ik had mezelf afgesneden van dit al, ik keek ernaar et een soort onverschilligheid, haat zelfs. Waarom moest wat ik had afgestoten zo´n pijn doen? Waarom zou ik er zelfs maar minachting voor voelen? Mijn geest raakte verdoofd. Ik probeerde nergens aan te denken, niets te zien. Alles was een bevestiging van dagen die waren voortgegaan, van onbeantwoord leven. Dat van mij was beland in een uitzichtloos bestaan, wanhoop.

 

 

KandelaarsstraatRUE_CHANDELIERS_PLAQ_660x660metlantaarn

 

KandelaarsstraatSuzanne

Mijn leven was bezig weg te spoelen, het viel uiteen, het dreef als papier op de stroom; ik had uren nodig die nuttig waren, werk, verantwoordelijkheid, een vrouw om van te houden en een kind om voor te zorgen. Ik had hoogdringend nood aan betekenis in mijn bestaan. Aan warmte, een vlot gesprek, intimiteit, lichtvaardigheid. Het brood des levens. Gedachten aan de ondergrondse rivier gingen door mijn hoofd, de tocht waaraan weinig mensen durfden beginnen, waarbij je alles op het spel zette. Tijd om het schip te verlaten. Het zinkt. Ziet niemand, dat het zinkt ? Red jezelf, nu je nog kan. Ga vlot van boord, verkoop de boel en laat je leven in Brussel waardig achter je. Kijk niet langer om, kijk vooruit. Je bent al aan de late kant. Het is bijna je ondergang geworden.

 

De verhuiswagen is net volgeladen weer weggereden. Het waren er zelfs twee. Een grote en een kleinere. Daarnaast was er nog een voertuig gehuurd, waarop  een ingenieuze lift was geconstrueerd, waarmee de piano, het grote houten bed en  de kasten via het raam naar beneden konden zoeven. Toen ik vanmiddag op straat stond en omhoog keek, zag ik de brokstukken van mijn voorbije bestaan die op het laaddek van de lift werden getakeld, schitteren in het zonlicht. Het huis werd geplunderd, in mijn eigen naam nog wel. Wat achter bleef was een leeggevreten karkas. Wow, dacht ik, de daimon van Medina was hier. En je hebt het weer zelf allemaal gewild en in werking gesteld.

 

Temidden van de verlatenheid van het  huis , waar de stilte nu voorzien is van een vreemd soort schallende echo, knipoog ik naar de Phoenix in keramiek, die is aangebracht op de achterste muur van mijn patio-terras. De rijk geornamenteerde Arabische voorstelling die is vervaardigd door ene Said uit Tunesie. De mythische vogel fladdert omhoog uit een kelk, rondom krioelt het leven, oleanders, hyacinthen, dahlia´s staan in bloei. De bloemen rijzen geopend ten hemel, de stengels krioelen tezamen rond de vogel en de kelk, en vormen de contouren van een sleutelgat-vormig schild dat met een vernuftig mozaiek vol klavertjes-vijf is omkaderd. De Phoenix blijft waken over het huis, dat ik nu verlaat. Ik kan deze kamers, deze verdiepingen en dit terras, die zoveel jaren mijn materiele fundament hebben gevormd, de grond van mijn bestaan, met een gerust hart achter me laten. Ik verlaat mijn stille straat, in het hart van de Marollen, niet horizontaal als een lijk op een draagbaar. Maar verticaal, als een mens met benen en voeten die hem verder dragen. Een andere stad en een nieuw leven tegemoet.

 

Kandelaarsstraatsvddoorbartazarebxl

Serge in de Kandelaarsstraat. Fotograaf: Bart Azare

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IN HET OOG VAN DE STORM – Brussel in greep van angst en terreur

Brussel, 24.11.2015. Druilerig, triest en verlaten. Bruxelles la morte.

Maar toch komt het gewone leven heel aarzelend weer op gang…

foto van Serge Van Duijnhoven.

De Brusselse Gran’ Place, 24.11.15. Foto: Serge van Duijnhoven

Zo werd Molenbeek jihadgetto

Molenbeek kon de basis van islamitische terroristen worden door haar infrastructuur en door de onbestuurbaarheid en wegkijkcultuur van België.

Zaterdagmorgen stond ik in Parijs op de boulevard Voltaire bij de Bataclan naar een plas vers bloed te kijken en me af te vragen waar het met deze wereld naartoe ging. Ik hoorde geruchten over een auto met Belgische nummerplaten. ‘Waarschijnlijk Molenbeek’, dacht ik en richtte mijn camera weer op de gruwel. Ik heb negen jaar in Molenbeek gewoond, waar om de hoek de Thalysschutter bij zijn zus logeerde en enkele verdachten van het Parijse bloedbad vandaan kwamen.

Islamofascistisch addergebroed

Teun Voeten
Teun Voeten © –

Ik heb gezien hoe de jihadi dresscode in Molenbeek opmars maakte, alcohol nagenoeg verbannen werd, er steeds meer islamitische boekhandeltjes kwamen en het onmogelijk werd een fatsoenlijke krant te kopen.

Later die zaterdag werd de rol van Molenbeek bevestigd. Ik was niet verbaasd. Het was alleen maar verbazend hoe geschokt België was dat de terroristen uitgerekend Molenbeek als uitvalsbasis hadden. Hoe heeft het daar kunnen verworden tot uitvalsbasis van islamofascistisch addergebroed? Grofweg heeft het te maken met de fysieke infrastructuur van de gemeente, de onbestuurbaarheid van België en de wegkijk- en ontkencultuur die het Belgische debat beheerst.

Qua infrastructuur is Molenbeek ideaal voor ondernemende terroristen. In tegenstelling tot de kale en lege banlieue in Parijs, is Molenbeek een dynamische gemeenschap met smalle straatjes en veel bedrijvigheid. Thee- en koffiehuizen alom, en schimmige moskeetjes waar men ongestoord samen kan komen en buitenstaanders niet welkom zijn. Goedkope woonruimte in overvloed, vragen worden niet gesteld. Zoals de guerrilla onderduikt in de jungle, zo voelen jihadi’s zich als een vis in het water thuis in de rommelige kashba die Molenbeek is. En een paar minuten verderop het Gare de Midi en de snelweg. De perfecte logistieke basis.

Ontkencultuur

Totale vernietiging van de vijand en zijn gedachtengoed is niet mogelijk in dit soort oorlogen

De onbestuurbaarheid van België is nog belangrijker. België is een land met zes regeringen, Brussel een stad met negentien burgemeesters. Statistisch is het onmogelijk al deze staatsorganen te vullen met competente lieden. Verantwoordelijkheden afschuiven is tot tweede natuur van bestuurders geworden. Versnipperde veiligheidsdiensten die elkaar het licht in de ogen niet gunnen is een ander gevolg. Het ontbreken van een sterk centraal gezag is voor velen een charme van dat ‘heerlijke chaotische België’. Dat heeft niet alleen de bende van Nijvel en Dutroux opgeleverd, maar ook een vruchtbaar klimaat voor potentiële terroristen.

De belangrijkste reden is de wegkijk- en ontkencultuur die er heerst in België. Het politieke discours is gegijzeld door een zelfingenomen progressieve elite die heilig overtuigd is van de maakbaarheid van de samenleving. Observaties over minder fraaie kanten van migranten en totalitaire elementen in de islam worden onder het tapijt geschoven of als rechts-extremistische stemmingmakerij geklasseerd. En met rechts-extremisten praat je niet.

Gewelddadige radicale moslimjongeren worden uitsluitend gezien als slachtoffers van sociale uitsluiting. Natuurlijk hebben de jongeren dit betoog geïnternaliseerd, omdat dit een perfect referentiekader is waarmee ze ontslagen zijn van eigen verantwoordelijkheid. Voormalig Molenbeeks burgemeester Moureaux heeft deze ontkenpolitiek meesterlijk gecultiveerd en is een van de hoofdverantwoordelijken voor de verloedering van zijn gemeente.

‘Bataafse fascist’

Zo werd Molenbeek jihadgetto
© ANP

Twee journalisten signaleerden al vrij vroeg dat er veel extremistisch gespuis rondliep in Molenbeek. Op beiden is karaktermoord gepleegd. De dappere journaliste Hind Fraihi die in 2006 Undercover in Klein-Marokko publiceerde, werd afgedaan als een sensatiezoeker. Zowel de Marokkaanse als de linkse goegemeente zei dat ze het eigen nest bevuilde, een ‘spionne’ en zelfs een ‘meisje met persoonlijke problemen’ was.

Arthur van Amerongen schreef in 2008 Brussel Eurabia. Hij werd als botte ‘Bataafse fascist’ bestempeld en met pek en veren de stad uitgejaagd. Toen ik met Van Amerongen dit jaar in Molenbeek een vervolgreportage op zijn boek maakte en ik de wijk hekelde als ‘een etnische religieuze enclave van een gesloten en bekrompen gemeenschap’, viel ook mij de furie van weldenkend Vlaanderen ten deel.

Door de aanslagen in Parijs brokkelen de muren af van de comfortzone waarin politiek correct België zich verschanst heeft. Het is nu van het allerhoogste belang dat het debat hard, open en eerlijk wordt gevoerd en dat de dingen bij naam genoemd worden, iets dat contra-instinctief is voor een land dat zich beroemt op zijn foefel- en compromiscultuur.

Hybride oorlog

IS heeft ons en onze manier van lezen de oorlog verklaard. Het is geen klassieke oorlog – tussen staten en legers, uitgevochten op een slagveld – het is geen ‘Nieuwe Oorlog’ – waar warlords en criminelen strijden uit puur eigenbelang. Het is een hybride oorlog, uitgevochten door een soms ongrijpbare vijand met onconventionele doeleinden, met onvoorspelbare tactieken, met alle wapens die maar voorhanden zijn: kromzwaarden, tweets, kalasjnikovs, zelfmoordvesten, op reguliere legers buitgemaakte houwitsers.

Ons antwoord zal even flexibel, creatief en vooral vastberaden moeten zijn. Totale vernietiging van de vijand en zijn gedachtengoed is niet mogelijk in dit soort oorlogen. Maar we kunnen hem wel tot beheersbare proporties terugbrengen. Decennialang heeft Europa geleefd in vrede en rust. Nu zullen we moeten leren leven met een samenleving waar geweld een onlosmakelijk deel van is.

 

bron: de Volkskrant:

Moge de roze roos van DJ Koze vannacht bloeien op de mestvaalt van het electronisch verval

Vanavond treedt deze remarkabele dj met verlichte trekken uit Hamburg, op in die ouwe dansrammelkast van een FUSE hier in Brussel. Ooit de tempel van de technowereld, nu een afgebrand kerkhof van electronisch verval. Hopelijk zal er straks dan toch een wonderlijke roos gaan bloeien op die middernachtelijke mestvaalt in de rue Blaes.
.
https://www.facebook.com/djkoze
DJ Koze stretching
Looking forward to DJ Koze’s set tonight in the old-time technotemple of the Abendland called FUSE. Once a frontierpost of modern dancemusic, these last years more some sort of a burnt down cemetery for electronic carcasses. Anyway, I do hope that Koze will manage to plant a rose on the mount of midnight dung in la Rue Blaes. Make it blossom in its fully red splendour amidst the darkness of past glory and the clouds of coldice-smoke. And please please please – mister Koze – please play your wonderful remix of Hildegard Knef ICH LIEBE EUCH at some point during your set tonight. So that our sore and painful belgian techno-ears may find the proper oinctment for its healing and recovery. Let the magic find its way, and we our way with the music that you will play. With kind regards, pax and peace and inspiration.
30916_129584793723422_2534026_n
Serge van Duijnhoven, Brussels  13.07.13
DJ Koze mounting up the stairs towards

DJ KOZE (DE, Pampa)

Stefan Kozalla aka DJ Koze lives and works in Hamburg as a club DJ, musician (International PONY, Adolf Noise) and remixer for Chicks On Speed, Bob Sinclar, Justus Koehncke and more of the finest German bands and projects and successful producer and KOMPAKT recording artist.

Although DJ Koze has had a taste of pop success with Fischmob, he’s always been equally interested in experimenting with other forms of electronic music from ambient to break beats to wild sound collages from a myriad of musical genres.

djkoze
An especially notable voyage in to uncharted musical waters, Adolf Noise (produced and performed by DJ Koze and his buddy Marcnesium) turned many a head around. Taking the artist into a deeper Electronic direction, “Adolf Noise“ features a far more abstract and unusual use of samples and grooves while keeping the listener on his / her toes by incorporating liberal usage of football commentary, television show snippets, radio plays, and telephone terror with drug-delinquents.
DJ Koze Amygdala foto coverIt was this record, that made people, that were normally more into Techno or Electronica, sit up and take notice and it is now these people who are his biggest fans on dance floors between Tokyo and Hamburg – a development of successfully melting a world of musical styles with the power-blending strength of Club Culture.The year 2002 made DJ Koze the deck wizard of Hamburg trio International Pony, whose debut album ‘We Love Music’ (Skint/Sony) was received to critical acclaim.www.residentadvisor.net/dj/djkoze
www.facebook.com/djkoze
www.last.fm/music/DJ+Koze

Dj Koze at dinnertable

EEN EXISTENTIEEL GEBREK AAN AMOUR PROPRE

Temidden van alle gekrakeel over de onveiligheid in de Brusselse metro, zou men haast vergeten dat dit ondergrondse net eigenlijk op vele plaatsen tot het mooiste en in elk geval meest pittoreske behoort wat deze aardbol aan ondergronds- en bovengronds vervoer te bieden heeft. Neem het station Montgoméry, waar de fameuze tram 44 aanmeert in een prachtige halfronde bocht onder de grond. Alvorens op te klimmen naar de beboste heuvels van de Tervurenselaan, alwaar de reiziger een uitzicht kan bekomen zoals dat nergens anders is te vinden. Of bezie de stad eens – met liefde – tussen Zwarte Vijvers en het Heyzel stadion. Het uitzicht – links en rechts – is alleszins te vergelijken met dat van Parijs rondom halte Stalingrad en de Sacré-Coeur.

Volgens velen is Brussel een lelijke of ronduit monsterlijke stad, het waterhoofd van een Siamese tweeling. Of drieling wellicht, als men het Europese district wil meetellen als een soort DC. Maar in plaats van als onooglijk samenraapsel, kan men Brussel ook zien als een surrealistische collage van onwerkelijke combinaties die in het dagelijks leven op elkaar zijn geplakt. Wie zich kan vinden in Lautréamonts omschrijving van schoonheid als ‘de toevallige samenkomst van een parapluie en een naaimachine op een operatietafel’, heeft in deze stad niets te klagen.  Brussel is even artificieel, hybride, gelaagd, contradictorisch, lelijk, schitterend, chaotisch, problematisch en boeiend als het land waar het de hoofdstad van is. Geen makkelijke stad, geen wezen dat zich gemakkijk bloot geeft of haar bewoners met open armen ontvangt. Toch voel ik me hier meer dan elders op m’n gemak. ‘O Brussel ik min uw fragmenten en uw wonden’, schreef Geert van Istendael in zijn vele malen herdrukte meesterwerkje Arm Brussel (uitgeverij Atlas). ‘Brussel benadert de schoonheid van Praag niet eens, maar zou ik wel zonder de Brusselse lelijkheid kunnen leven?’ vraagt Van Istendael zich af. Ik in elk geval niet.

Toch sta ik er elke keer weer van versteld, hoeveel Vlamingen bang zijn voor Brussel of er ronduit een hekel aan hebben. Zelfs progressieve theatervrienden vinden deze stad te min, goor en gevaarlijk om er hun kinderen op te voeden. De Vlaming woont eigenlijk alleen graag ‘op de buiten’, in het verkavelde landschap tussen koeienweide, asfalt en meubelboulevard, en in de beschermende nabijheid van een kerktoren. Brussel heeft vele minder leuke kanten, dat zie ik ook wel – en heb ik  aan den lijve ondervonden toen ik door een bende Marokkanen in de Hoogstraat het ziekenhuis in geslagen en geschoten ben – met een schedelfraktuur en hevig bloedend uit diverse wonden. Maar dat is een ander verhaal, dat niet zozeer enkel met Brussel als wel met het probleem van Marokkaanse schoffies & de Marokkaanse gemeenschap tout court, te maken heeft.

Voor de lelijkheid van de stad kan niemand blind blijven. Brussel is in vele opzichten een lelijke opengebarsten puist van bijtende contrasten. Art nouveau-monumenten en stinkende fabrieken, verlaten koninklijke paleizen en verpauperde wolkenkrabbers, krotwijken en villaparken: alles bevindt er zich zij aan zij. Maar de schoonheid die ondanks alles door alle bacteriële vuiligheid heen schemert is zo ontwapenend dat je de rest er zonder meer bij neemt. Als  je tenminste geneigd bent de stad het respect te geven die het verdient.

De onveiligheid en smerigheid van de stad, zijn problemen die de reizigers in Brussel terug in het gezicht geslingerd krijgen ten gevolge van een algeheel gebrek aan beide ten aanzien van de metropool. Het arme Brussel is, zowel in Europa als in gans België, vele malen minder geliefd dan gehaat. In deze navel van het continent, gebruikt men het tram- en metrostelsel zoals men elders het riool of de stortkoker gebruikt. Men stort zich als menselijke fecalieën of afvalresten door het ondergrondse en bovengrondse buizenstelsel, om de stad zo snel mogelijk binnen te geraken dan wel te verlaten. In andere steden, zoals Parijs, Londen, Moskou, Tokyo of New York, is het nog altijd een avontuur om van de metro gebruik te maken. Men kan er voor zich uit staren om de medemens niet te dicht op de huid te zitten en wat privacy te bedingen, maar de ervaring op zich is allerminst een onplezierige.

Brussel daarentegen, blijft voor de meeste mensen die er doorheen reizen, een unheimische strafkolonie. Waar je naast je werk zo min mogelijk tijd wenst door te brengen. Een oord van verderf, herrie en onveiligheid waar men hooguit komt om geld te verdienen of carrière te maken. Maar nimmer wenst te wonen. Kijk naar al die gespannen gezichten van het forensisch gespuis dat zich des ochtends en des avonds door de wormgaten spoedt rondom de Brusselse stations.  Altijd op weg van huis naar kantoor en van kantoor naar huis. Zonder oog voor de medemens of de omgeving. Met een van ergernis en lijden vertrokken gelaat. Als de stortkoker zich na spitsuur weer geledigd heeft, wordt het in Brussel ondergronds afgrijselijk stil en ledig. Een ledigheid waar de duivel maar al te gretig zijn ogen de kost geeft en oren te luisteren legt. Tegen zo’n faliekant getijde, is geen metronetwerk ter wereld bestand.

Neem die prachtige Ravenstein Galerij, die in navolging van Horta’s Centraal Station de heuvelrug doorklieft tussen de treinsporen van CS en Bozar. Geen winkel die het er, op een paar louche barretjes na waar de Vlaamse en Waalse ambtenarij buiten of tijdens kantoortijd aan haar alcoholische taks geraakt,  lang volhoudt. De ene na de andere nering is er het afgelopen decennium failliet gegaan. De tienduizenden die er dagelijks passeren, weten niet hoe snel ze met hun chagerijnige koppen de galerij weer moeten verlaten. Op weg naar “d’n buiten”: zuurstof, lucht, leven.

Om ons aan de problemen van de Brusselse metro teweer te kunnen stellen, voldoet het niet om de gewraakte metrostations op te vullen met nog meer winkelgalerijen, wafelbakkers of ordehandhavers. Het probleem rijkt letterlijk dieper en verder dan dat van de architectuur of de stadsplanning. Wat Brussel in de allereerste plaats nodig heeft, is een levensvatbare en dus noodzakelijke dosis amour propre. Respect en – jazeker – liefde. Zowel van hen die er verblijven als van hen die er werken. Zolang deze primaire levensbehoefte ontbreekt, zal de stad zowel boven als onder de grond zienderogen blijven verloederen.

"Ingekeerd" ; forensen bij metro Bckstael te Brussel. Door Bosz de Kler

"Ingekeerd" ; forensen bij metro Bckstael te Brussel. Door Bosz de Kler

Post Scriptum:

Overigens beleefde ik onlangs nog een mooie scène toen ik op CS Brussel in de metro stapte richting Simonis op weg naar onze muziekstudio, en plaatsnam in de voorste coupé van het vehikel samen met twee ouders en hun piepjonge kroost – een peuter met een tuut in z’n mondje en een kleuter van nauwelijks drie jaar. Beide kinderen waren op schoot genomen door hun ouders. Toen de trein begon te rijden, riep de mama naar het kleutertje dat op schoot zat bij papa: “tu vois Amelie, le train a démarré!” Het wichtje, veel wijzer dan het aantal jaren dat ze oud was, knikte met haar hoofdje – en bevestigde toen de uitroep van haar moeder door hardop te neuriën; haar gezicht op de ruit van de coupé gedrukt: “Oui maman, le train du bonheur a bien démarré!” Waarop ze dit merkwaardige refrein nog enkele malen zachtjes zingend herhaalde, terwijl de metrotrein zich door het pikkedonker een weg voorwaarts beet in de onderaardse tunnels tussen Brussel Centraal en Brouckère.

SvD BXL 16.11.11

“OUR BRUSSELS”; 25th Nov Mare Sabolotny and Vahur Afanasjev will speak in Passaporta about the city they once loved

“ONS BRUSSEL”

 

volgens het jonge Estse schrijverskoppel

Mare Sabolotny and Vahur Afanasjev

“Vodka Drinking Cowboys”

.

Vrijdag 25 november, 20u – Passaporta, Antoine Dansaertstraat 46 B1000 Brussel

Literaire avond over het leven in Brussel, gezien door de eigenzinnige  ogen van twee Estse auteurs  

Met medewerking van Geert van Istendael (B) en Serge van Duijnhoven (NL)

Vrije toegang

 

Mare Sabolotny (21) en Vahur Afanasjev (32) besloten vorig jaar om, na een verblijf van jaren in de hoofdstad van Europa, terug te keren naar hun thuisland in het Balticum. Het luxeleven dat ze hier leidden, gaven ze op voor een hard maar eerlijk leven in Tallinn. Vahur Afanasjev stelde zijn Brusselse jaren te boek in “Mii Brussel” – een soort hybride reisgids annex roman die zich afspeelt in het donkere hart van de Marollen. Het boek is in Estland nu al een bestseller.

Mare zal een fragment voorlezen uit haar onlangs verschenen roman „Peaaegu inimene“ („Bijna mens“). Vahur op zijn beurt, wil een geimproviseerde soundtrack ten gehore te brengen van gedichten over Brussel, als klankbeeld bij een korte film over een desastreus verlopen liefdesavontuur tijdens een van zijn laatste dienstjaren bij het European Economic and Social Committee in Brussels.

Brusselaar, dichter en essayist Geert van Istendael, zal aan deze avond zijn medewerking verlenen d.m.v. een voordracht waarin hij met liefde en gloed de “wonden en fragmenten” van zijn getourmenteerde geboortestad bezingt.

De Nederlandse schrijver Serge van Duijnhoven, die sinds 1999 in Brussel woonachtig is, zal de avond  modereren.  Estse versnaperingen en hartversterkingen zullen ruimhartig voorhanden zijn.

Toegang gratis.

*

“OUR BRUSSELS”

 

The Belgian Life Experience of Estonian Writers

Mare Sabolotny and Vahur Afanasjev

literary testimonies by two gifted “Vodka Drinking Cowboys” 

.

Friday Nov 25th, 20h – Passaporta, 46 Rue Dansaert B1000 Brussels

Literary evening about life in Brussels, witnessed from an Estonian perspective  

With the friendly participation of writers Geert van Istendael (B) and Serge van Duijnhoven (NL)

Free admittance

 

Mare Sabolotny (21) and Vahur Afanasjev (32) are two gifted, unclassical writers from Estonia, who lived for quite some time in Brussels. Last year, however, they decided to move back to Tallinn, deliberately giving up the high quality life they  lived in the capital of Europe. In his last book, My Brussels – a bestseller in Estonia – Vahur writes witfully and bluntly about his life experiences and endeavours during his years as a EU-administrator in Belgium. A literary chronicle about a love that came to an end, but also was refound in a completely different way.

Mare will read a fragment from her new and second novel Peaaegu inimene (Almost a human), while Vahur promised to sing some of his revealing poetry by means of soundscape to a defiant and lyrical short film he made while working as assistant for the European Economic and Social Committee in Brussels.

One of the great chroniqueurs of Brussels, Flemish writer Geert van Istendael  (Poor Brussels, The Belgian Labyrinth), will read some apt fragments about his ever-bleeding, split and splendid homecity “with its raffled ends and open wounds”. A song of love and wonders, joy and lamentation.

Dutch-born writer Serge van Duijnhoven – living in Brussels since 1999 – will moderate the evening. Estonian drinks and fruits will be provided.

The entrance is free.

*

“Bruxelles, on ne t’aime plus”

 

 témoinages littéraires des jeunes Estoniens

Mare Sabolotny and Vahur Afanasjev

“Vodka Drinking Cowboys”

 

.

Vendredi le 25 novembre, 20h – Passaporta, 46 Rue Dansaert B1000 Bruxelles

Soirée littéraire sur la ville de Bruxelles, vue par les yeux d’un jeune couple d’auteurs estoniens

Avec la participation amicale de Geert van Istendael (B) et Serge van Duijnhoven (NL)

Entrée libre

 

Mare Sabolotny (21) et Vahur Afanasjev (32) décidaient, après avoir passé des années dans la capitale de l’Europe, à retourner dans leur patrie dans la Baltique. La vie luxueuse qu’ils mènaient ici, est remplacé par une vie dûr mais honnête à Tallinn. Vahur Afanasjev a décrit ses années de malin à Bruxelles dans son nouveau livre “Mii Bruxelles” – une sorte d’hybride roman-cum-guide-de-voyage, qui se situe dans le cœur sombre des Marolles. Le livre est déjà un best-seller en Estonie.

Mare récitera un extrait de son deuxième roman «Peaaegu inim” (“Presque humain”). Vahur prévoit de chanter ses poemes de « Vodka drinking cowboy » dont il a déjà établit une certaine reputation internationale. Ses chansons improvisées sur Bruxelles et Tallinn, serviront comme une sorte de bande sonore pour le court métrage réalisé par lui-même, sur ses aventures de désastre, pendant sa dernière année de service au sein du Comité économique et social européen à Bruxelles.

Le grand chroniqueur-essayiste du royaume de la Belgique et la ville de Bruxelles, Geert van Istendael (auteur du Labyrinthe belge et Arm Brussel), va coopérer ce soir par reciter quelques de ses textes en hommage de sa ville natale, «pauvre, splendide, saignante et tourmentée ».

L’écrivain néerlandais Serge van Duijnhoven, qui réside à Bruxelles depuis 1999, animera la soirée. Des rafraîchissements d’Estonie seront généreusement disponibles.

L’entrée est gratuite.

*

GERED UIT DE HEL VAN HET CONRAD HOTEL

(آل نهيان – Āl Nahyān)

with royal virtue


DE KONINKLIJKE ARABISCHE SLAVENDRIJVERS

VAN DE BRUSSELSE LOUIZALAAN

Bij een inval in het vijfsterrenverblijf Hotel Conrad op de Brusselse Louisalaan werden in de zomer van 2008 zeventien dienstmeisjes uit verschillende moslimlanden door het Arbeidsauditoraat meegenomen. Acht maanden lang werden ze per gemiddelde rotatie vastgehouden in het hotel door de steenrijke familie van een overleden emir uit Abu Dhabi, die hen als werkslaven behandelde. De Belgische Justitie is een onderzoek naar mensenhandel, uitbuiting en hedendaagse slavernij gestart, omdat de meisjes geronseld zijn uit verschillende landen en hun paspoort in de Verenigde Arabische Emiraten hebben moeten achterlaten.

Het parket van Brussel zal dinsdag 9 november 2010 aan de raadkamer vragen om Hamda El Nahyan, de 64-jarige weduwe van sjeik Muhammed bin Khalid El Nahyan, en haar dochters voor de correctionele rechtbank te brengen. Samen met de Pakistaanse slavendrijver die als kamenier voor de koninklijke familie steeds weer nieuwe ladingen personeel wist te ronselen uit tal van arme moslimlanden, zal het fraaie gezelschap vervolgd worden voor  opsluiting, onmenselijke en vernederende behandeling, en mensenhandel. In haar requisitoir stelt het openbaar ministerie dat de familie-El Nahyan 23 vrouwen van 8 verschillende nationaliteiten uitbuitte.

De Directie van het sjiekste Hotel van de Europese hoofdstad , die gedurende jaren miljoenen euro’s aan de Arabische royals verdiende door vanaf 2005 tot 2008 de gehele vierde verdieping (54 kamers waaronder verschillende royal suites) te verhuren aan de sheikha’s en  hun talrijke gevolg van werkslavinnen, lakeien, koks, kamermeiden en veiligheidspersoneel, blijft haar handen wassen in onschuld. Hoteldirecteur Mark de Beer: ‘Wij waren absoluut niet op de hoogte van die zogezegde wanpraktijken. Wij hebben daar op zich ook niets mee te maken. Het is niet ons personeel, maar dat van onze client.’ Bladen die over de affaire durfden te rapporteren, zoals The Bulletin dat de international gemeenschap in  Brussel wekelijks van nieuws voorziet, werden uit het media-assortiment van het hotel verwijderd.

 "Op de grond, daar was hun plaats"
Conrad Hotel © belga

De eminente hotelgasten uit de emiraten, de familie El Nahyan, huurde ook in het verleden al verschillende seizoenen lang de vierde verdieping af van het luxehotel. Een van de dochters van weduwe Hamza, die getrouwd is met de minister van Defensie van de Verenigde Arabische Emiraten, probeerde met behulp van gerenommeerde Belgische dokters zwanger te worden via een uitgebreide IVF-therapie, om zo het gigantische familiekapitaal veilig te kunnen stellen. Om de eer van de jongste dochter niet in het gedrang te brengen, besloot weduwe Hamza destijds om met de hele familie zo lang als nodig was naar Brussel te verhuizen. Schrijver Serge van Duijnhoven, die in 2005 en 2006 enige maanden in het Conrad-Hotel werkzaam was als night-auditor (nachtreceptionist en boekhouder), doet verslag van zijn ervaringen met de familie, die toen ook al merkbaar over de schreef ging met het behandelen van haar talrijke personeel.

Brussel, 30.12.05,

Geachte Heer Ivan Hiel,

sedert een goede week ben ik in dienst bij uw hotel als nachtreceptionist. Aangezien u in het sollicitatiegesprek van afgelopen najaar reeds had laten uitschijnen dat mijn haar korter moest worden geknipt, ben ik de dag voor mijn indiensttreding naar de kapper gegaan. In navolging van een volgende suggestie, vorige week donderdag, ben ik ten tweede male naar de kapper getogen. Hedennacht sommeerde u mij per email wederom mijn haar te laten knippen. Ondanks mijn getoonde goede wil, is het voor mij blijkbaar niet mogelijk aan uw strenge “standards” te voldoen. Dit spijt me ten zeerste, maar ik vermoed dat ook een derde gang naar de kapper uw scepsis t.a.v. mij niet zal kunnen wegnemen. Daarom lijkt het mij het beste dat ik per onmiddellijke ingang mijn ontslag bij u indien, zodat u niet verder nodeloos in mij hoeft te investeren en op zoek kunt gaan naar een andere, meer geschikte – of moet ik zeggen “geknipte” – kandidaat.

Met de meeste hoogachting,

S.R. van Duijnhoven

Het was geen gemakkelijke start, mijn tewerkstelling in het luxueuze Hotel Conrad. De directeur, Ivan Hiel, een man die zelf getooid ging met een ver over zijn voorhoofd hangende vette blonde kuif, wikte en beschikte over zijn personeel zoals een generaal over zijn troepen. In het hogere hotelwezen heerst, geheel anders dan enkele recente series op tv doen vermoeden, een strikte hierarchie die eerder aan het leger dan aan docusoaps a la Millennium-Hotel doen denken. In de houding, mars! Het ontslag dat ik plompverloren had ingediend na een week werken op de nachtreceptie van het hotel aan de Louisalaan, werd niet gehonoreerd. Ik moest blijven werken. Mijn haar heb ik sindsdien laten groeien, tot ik in april alsnog ontslag mocht nemen. Wat zeg ik? Ik werd de laan uitgestuurd, want ik had het vertrouwen van het management beschaamd door te klagen over de erbarmelijke werkomstandigheden van het personeel van de familie El Nahyan op de vierde verdieping.

De Vlaamse ritmeester die mij, bij wijze van kennismaking, een rondleiding verschafte door het labyrintische complex van het art nouveau hotel, voerde me in 2005 al met onverholen genoegen langs de vele ondergrondse en bovengrondse verdiepingen. De vierde verdieping konden we enkel betreden via de lift met een speciale sleutel. Daar werden we vervolgens gemonsterd door gewapende wachters van de private veiligheidsdienst van de familie El Nahyan, die op norse toon vroegen wat we in dit afgeschermde domein van het hotel te zoeken hadden. Wat me vooral opviel, tijdens die rondleiding langs de 53 afgehuurde kamers, suites en opslagruimtes op de vierde, was de geur. Koks waren aan de slag om oosterse gerechten te bereiden, er hing de geur van versgebrande koffie, van saffraan, koriander, maniok, en iets wat leek op kamelenhaar. Die laatste geur was afkomstig van kamelenharen ruwe zakken die per tientallen in de gangen opgestapeld waren, vol met kruiden en etenswaren. Tussen de zakken en het talrijke speelgoed van de kinderen van de sjeika’s, lagen onfortuinlijke vrouwelijke Oosterse of Aziatische werkkrachten met hoofddoeken om, uitgestrekt op het tapijt. Ze stonden op zodra wij de gang in kwamen, verontschuldigden zich, maakten een buiging, en verdwenen uit ons zicht. “Deze dienstmeisjes moeten 24 uur op 24 beschikbaar zijn”, verduidelijkte Yves Vandekerckhove. “Ze doen even een tukje.”

Seal of Excellence

Gedurende de nachtdiensten zou ik vaak telefoon krijgen van de vier prinsessen Shaima, Myriam, Maessa en Rawda. Telkens met de meest waanzinnige verzoeken die midden in de nacht werden geplaatst. Om vier Big Macs naar boven te brengen (05 uur ’s ochtends), Ben & Jerry’s Icecream in porceleinen potjes te bezorgen (om 04 uur), om een brief vanuit het Nederlands naar het Arabisch te vertalen, om zo snel mogelijk een of andere Arabische film op DVD te bezorgen, om de tv opnieuw af te stellen met alle Arabische kanalen op kop. Etcetera. Het meest vertederende, en ook wel hartverscheurende verzoek dat midden in de nacht tot mij werd gericht, betrof het in het diepste geheim vertalen en vervolgens per fax versturen van een in erbarmelijk Engels opgestelde liefdesbrief die de jongste sjeika aan haar stiekeme geliefde – een Engelstalige diplomaat die zojuist alweer vertrokken was op missie – wilde laten bezorgen. Terwijl mijn collega’s zich bezighielden met de File Daily Maintenance op het computerprogramma Fidelio, zette ik me aan het vertalen van zinnen als “oh honi sweat sweat savior of my hart, please come back so soon as possible. I already missed you before you levt me.”

De Pakistaans-Indische “Human Resource Manager” van de miljardairs-familie, die ik voor de goede orde maar even meneer Singh zal noemen, bezocht de receptie regelmatig om ons op de hoogte te stellen van de regels van zijn regime. Geen wens van de sjeika’s mocht onbeantwoord of onvervuld blijven, nooit en te nimmer mocht een van de prinsessen gecompromitteerd worden door hen (bijvoorbeeld wanneer we samen in de lift zouden staan) in de ogen te kijken, geen personeelslid mocht het in zijn hoofd halen om  het woord tot hen te richten. Over de rechten van het door hem aangestelde personeel was hij even stellig: op geen enkel moment zouden de werkkrachten van de sjeika’s het hotel mogen verlaten. En indien dit toch dreigde te gebeuren buiten de spiedende blik van de private bewakingsdienst om, dan zouden wij persoonlijk verantwoordelijk worden gesteld. In retributie voor onze diensten en discretie, kreeg onze receptiemanager geregeld een envelop in handen met een aanzienlijk aantal biljetten van honderd euro. Ten aanzien van zijn eigen personeel was de heer Singh beduidend minder genereus. De kokkinnen, serveersters, schoonmaaksters en overige bedienden kregen per maand 24 uur op 24 uur paraat zijn, tussen de 150 euro en 700 euro uitbetaald. Vrijheid om te bewegen of vrije tijd kenden geen van de meisjes, want hun paspoorten waren door de heer Singh in verzekerde bewaring gesteld.

Een van de Royal Suites op de vierde verdieping waar de familie El Nahyan tussen 2005 en 2008 vrijwel permanent gebruik van maakte

In maart 2006 werd het personeel van het Conrad Hotel opgeschrikt door een interne affaire, die behalve voor het personeel van de familie El Nahyan, ook voor ons rigoureuze repercussies dreigde te hebben. Een van de bewakingsagenten, die behalve op de vierde verdieping ook rondes deed door de rest van het hotel, bleek het aangelegd te hebben met een Philippijnse werkster van de nog ongetrouwde sjeika Shaima. Opzichter Singh was hier tot zijn woede achtergekomen, en om “de eer van de sjeika’s op geen enkele manier te compromitteren” werd besloten tot het ontslag van de volledige bediening. Alle meisjes uit de Philippijnen, Irak, Syrie, Soedan, Egypte, Tunesie, Marokko en Maleisie, konden onverwijld hun biezen pakken. Ook de bewaker werd ontslagen, en het liefst had meneer Singh gezien dat het voltallige personeel van het hotel per immediat zou worden vervangen. Op die manier kon tenminste nog iets van de eer van de familie terug in het reine worden gezet. De directie van Hotel Conrad weigerde aan deze laatste eis tegemoet te komen, maar ondertussen sloot ze gewillig de ogen toen het volledige personeelsbestand ondanks alle contracten en toezeggingen werd weggezonden onder begeleiding van ambassadepersoneel van de Verenigde Arabische Emiraten, en een nieuwe lading werkslaven haar intrek nam in het hotel. De heer Singh eiste voortaan inspraak in de screening van het personeel van het hotel. Of hem die gegund is, weet ik niet. Maar toen ik me bij de heer Hiel beklaagde over de erbarmelijke situtatie waarin vooral de Filippijnse meisjes op de vierde verdieping te werk werden gesteld, kreeg ook ik al gauw mijn ontslagbrief in de bus. Het personeelsbeleid van de familie die in haar eentje het faillisement van het toch al jaren pover draaiende luxehotel heeft weten af te wenden, was volgens de directeur een strikt private aangelegenheid waarvoor het reguliere personeel van het hotel de grootst mogelijke en vanzelfsprekende discretie aan de dag diende te leggen. De klant is koning, zeker in het geval van de mutanten van een koninklijke familie a la El Nahyan waarmee we hier te maken hadden.

 

Ruling Family of the Emirates

Flag of Dubai.svg
HH The Emir Sheikh HH Sheikha Hind 

Op de foto hieronder: de kroonprins van de familie – Sheikh Mohammed bin Zayed Al Nahyan – schudt handen met president Obama. De beoogde troonopvolger van de Verenigde Arabische Emiraten is de broer van Shaima, Myriam, Maessa en Rawda, die in Brussel vol overgave sheikha kwamen spelen in het Conrad Hotel aan de Avenue Louise.

Sheikh Mohamed bin Zayed Al Nahyan (AFP OUT) United States President Barack Obama welcomes Sheikh Mohamed bin Zayed Al Nahyan, Crown Prince of Abu Dhabi and Deputy Supreme Commander of the United Arab Emirates (UAE) Armed Forces to the Washington Convention Center April 12, 2010 in Washington, DC. President Obama was to hold bilateral meetings today with five leaders of the 47 nations gathering for the two-day Nuclear Security Summit.

Omdat ze geen pottenkijkers wilden, betaalden ze er al die tijd voor de hele vierde verdieping: goed voor 53 kamers. De meeste dienstmeisjes sliepen volgens rigide schema’s in korte shifts, en moesten 24 uur in principe in touw zijn. Vooral des nachts. Overdag kon je op de vierde verdieping het uitgeputte personeel opgekruld aantreffen in hoekjes van de gangen of in kamers waar ze even buiten zicht van de Pakistaans-Indische slavendrijver hoopten te kunnen blijven. Zelf sliep weduwe Hamda in de koninklijke suite. Kostprijs per nacht: 4.500 euro. Zij en haar dochters zijn het gewend de lakens uit te delen. Aan personeel geen gebrek: er waren dag en nacht tientallen dienstmeisjes en een  handvol met automatische machinepistolen gewapende lijfwachten aanwezig. Een greep uit de landen van herkomst: Filipijnen, Marokko, India, Egypte, Turkije, Irak en Syrië. Vooral de dienstmeisjes werden uitgebuit. Terwijl moeder Hamda, de prinsessen en hun kinderen in de mooiste kamers woonden, moesten de dienstmeisjes op de gang slapen. Nochtans stonden veel betaalde kamers intussen gewoon leeg. Maar dat was voor eventueel bezoek. Volgens een in juni 2008 ontsnapt Marokkaans kamermeisje was er van slapen niet veel sprake. Ze getuigde dat ze hoogstens drie uur per nacht sliep. Voor de rest van dag moest ze paraat staan voor de prinsessen. ‘Ze waren veeleisend. Hun koffieverslaving typeert hen. Ze waren verzot op hete koffie. Maar ze gruwelden van een schoteltje. Dan moest je die hete kop met je blote handen dragen. Gevolg: je raakte gemakkelijk verbrand. Maar naar de dokter kon ik niet. Daar kreeg ik geen verlof voor.’ Volgens de vrouw mocht ze ook het hotel niet uit zonder een bewaker. Ze kreeg 500 euro per maand. Andere dienstmeisjes verdienden nog minder: 150 euro. De beste verdiener kreeg 700 euro. De Marokkaanse solliciteerde in haar thuisland voor de baan. Maar ze draaiden haar daar een rad voor de ogen. Meteen na de inval in het hotel werd ze al gebeld door de rekruteringsdienst in Marokko. Ze wilden haar manipuleren. Ze kreeg schrik. Haar ouders wonen nog in Marokko. De directeur van het Conrad houdt vol dat zijn hotel noch op de hoogte was noch voor wandaden verantwoordelijk kan worden gesteld die door het eigen personeel van de koninklijke familie in het hotel werden gepleegd. Volgens de Marokkaanse wist gans het personeel van het Conrad nochtans goed dat hun islamitische collega’s op de vierde verdieping in erbarmelijke omstandigheden tewerkgesteld werden. In ruil voor medewerking aan het strafonderzoek, heeft de onderzoeksrechter besloten de aanklacht tegen het hotel in deze zaak te laten vallen.  Een ex-werknemer van het Conrad bevestigt dat het hotel een oogje dichtkneep voor hun topklanten. ‘Op hun verdieping werd het brandalarm uitgezet. Omdat de prinsessen dat lawaai vervelend vonden.’
Bron:  NIEUWS.MAROKKO (red.), “Brussel: Slaven bevrijd na tip van Marokkaanse vrouw”, internet, 02-07-2008 (http://nieuws.marokko.nl/index.php?nav=nieuws&nid=11006)

Dat nu, enkele jaren na de spectaculaire uitbraak van de werkslavinnen in juni 2008, de directie van het hotel het doet voorkomen alsof ze niets afwist van de wanpraktijken en de slavernij op haar vierde verdieping, getuigt niet alleen van cynisme maar van de grootst mogelijke hypocrisie. De familie huurt de verdieping nu al sedert 2005, en niet slechts gedurende de laatste acht maanden, zoals in de pers onterecht is gemeld en door de directie nimmer is gecorrigeerd. Iedereen die beroepshalve in het hotel zich wel eens toegang diende te verschaffen tot de vierde verdieping, heeft kunnen constateren onder wat voor een terreurregime het permanent uitgeputte personeel van de sjeika’s gebukt ging.

Het was slechts wachten op het moment van ontsnapping van een of meerdere wanhopige werkslavinnen. Iets wat gebeurde toen de Marokkaanse Jamilla twee maanden geleden in haar kokstenue de Avenue op rende, terwijl de bewakers boven aan het eten waren. De drie andere meisjes die ook probeerden te ontsnappen, werden door de via het personeel van Hotel Conrad gealarmeerde gewapende mannen, nog net op tijd in de kraag gegrepen voor ze konden passeren door de riante draaideur in de majesteuze opgang van het hotel.

Hotelmanager Mark de Beer, die in de eerste maanden van 2008 de blondgekuifde generaal Ivan Hiel heeft mogen vervangen, wast voorlopig als Pilatus zijn handen in onschuld. Hij zegt namens het ganse hotelpersoneel “diep geschokt” te zijn door de feiten, en nergens van op de hoogte te zijn geweest. Klinkklare onzin, zo weet iedereen die in de afgelopen jaren professioneel met Hotel Conrad te maken heeft gehad. En ook al zullen wij de resultaten van het juridische onderzoek naar mensenhandel en slavernij, dat nu in gang is gezet door het Arbeidsauditoraat en de Belgische politie met spanning afwachten, ook de heer De Beer zal er niet aan ontkomen om een pijnlijke keuze te moeten maken: het behoud van de noodzakelijke goede reputatie van zijn verliesgevende luxehotel. Of het behoud van zijn beste klant die hem in de afgelopen jaren voorlopig van het faillisement heeft kunnen redden.

Serge van Duijnhoven

(آل نهيان – Āl Nahyān)

without any virtue

fotograaf: Bosz de Kler. Lobby van het Conrad


NAWOORD:


Of het te maken had met het feit dat het Conrad Hotel in Brussel zijn lukratiefste klant is kwijtgeraakt sedert de familie El Nahyan geviseerd wordt door de Belgische justitie? Aan de Louisalaan doet iedereen er weer – discretie verzekerd – volgens de code van Conrad Hilton het zwijgen toe.  Feit is dat de hoteldirectie spoedig na het uitbreken van de slavendrijfsters-affaire ingrijpende maatregelen afkondigde waartoe de hoofdzetel zich helaas genoodzaakt zag. Zoals een drastische inkrimping van het personeelsbestand via gedwongen ontslagen. Een deel van het personeel is na die aankondiging in staking gegaan. Wat een unicum mag heten voor een symbolisch bastion van standing en luxe als het Hilton Conrad waar de rijken der aarden normaliter juist tegader komen om het hoogkapitalisme te vieren in ceremoniele jubelmissen.

De beslist niet als arbeideristisch te betitelen werknemers van het prestige-hotel, normaliter de minzaamheid en nederigheid zelve, voelden zich geschoffeerd door hun bazen.Waarnemers uit de wereld van de hogere  hotellerie spraken van “Amerikaanse toestanden om de aandeelhouders tevreden te stellen.” Het hotelpersoneel van het restaurant, de onderhoudsploeg en de receptie bleek – tot afgrijzen van de directie – zijn actiebereidheid door te zetten. Het Conrad staakte. Er werden geen kamers meer schoongemaakt, geen klanten meer ingeboekt, telefoon opgenomen of roomservice meer bezorgd.  Het restaurant bleef dicht, en klanten bevolkten de lobby om zich te komen beklagen.

Sinds het uitbreken van de affaire El Nahyan, is het personeel trouw zijn zwijgplicht nagekomen die het van hogerhand kreeg opgelegd en is het als een blok achter het Conrad blijven staan. Er was zeker zoiets als een code van beroepseer en loyaliteit die de werknemers van het hotel hebben nageleefd. Dat zal niet altijd makkelijk zijn geweest want de sjieke naam Conrad is danig besmet geraakt door de kwestie van mensenhandel, slavernij en uitbuiting waarmee de sheikha’s het hotel hebben opgezadeld.  Op feestjes hoefde je niet meer aan te komen als de onkreukbare hotelbediende van Brussels meest glamoureuze hotel. Wat heeft het voor zin elke dag je overhemd vers te laten stomen en je tiptop te verzorgen als vijfsterrenklerk met stropdas en gelakte schoenen, als je in feite op het dek blijkt te werken van een slavengaljoen of een louche uitbuitersschuit? Waar is je trots en moraal dan gebleven, je werkethiek van onberispelijkheid die je als Hilton Conrad werknemer alle dagen welgemeend uit diende te dragen zoals een predikant het evangelie? Hoe kun je nog strak in het pak als je in naam van de kreukloze reputatie van je baas in feite de grootste smeerlapperij en schanddaden faciliteert?

Een beetje respect in ruil voor de bereidwilligheid om pal te staan voor het Conrad in de tijden van nood die waren aangebroken, was toch niet teveel gevraagd? In plaats daarvan kregen tientallen personeelsleden in het najaar van 2008 te horen dat het hotel geen behoefte meer had aan hun dienstbaarheid. Zonder evaluatiegesprek of motivering werden medewerkers gedumpt tussen het vuilnis in de containers van het executieve toprestaurant Wiltcher’s, en de zakken vol uitgeperst fruit van de prestigieuze Louis-cocktailbar.

De sfeer in het somptueuze paleis voor hoogkaraats genot, is er danig verziekt door geraakt.  Rot als de geur van de putrefactie die je tijdens de staking in het fort gewaar kon worden. Een nare lucht die vanuit het sousterrain omhoog kringelde. Tussen de afvalbergen trachtte het personeel zich syndicaal te weren en organiseren. Er werd vergaderd en gedreigd met nieuwe acties als de directie niet zou inbinden.De machtsstrijd die volgde heeft geresulteerd in kleine en grote rochades op het schaakbord van de Human Resources.  Een bataljon verse uitzendkrachten kreeg de opdracht om de werkvloer schoon te spoelen van de garde die zich al te lang aan de reputatie van het hotel bleek te hebben vastgekoekt.

Of het geplaagde luxe-hotel een nieuwe golf van anti-reclame in de internationale pers zal kunnen doorstaan, is een interessante vraag. Met het begin van het Sheikha-proces op dinsdag 9 november, mag het bolwerk van waaruit de uitbuiting jarenlang plaats kon vinden (en oogluikend is toegestaan) zich verwachten aan een nieuwe tsunami van verontwaardiging die op de frontdesk van de monumentale lobby af komt gestevend. Directie en personeel zullen genoodzaakt zijn zich gezamenlijk schrap te zetten. Om, aaneengeklonken als een blok basalt, de golven te pareren. Het is te hopen voor de directie dat het overgebleven personeel daar ook dit keer weer toe bereid zal zijn.

Misschien dat de familie El Nahyan als goedmaker voor haar wandaden en de reputatieschade die ze het Conrad in Brussel heeft berzorgd,  de frontdesk van haar voormalige uitvalsbasis wat kan versterken door een paar cargo’s vol zandzakken uit de woestijn rond Abu Dhabi af te laten leveren aan het Place Stefanie. Naar het schijnt is het zand der Emiraten – qua korrel en cohesie – van een ongeëvenaard nobele en verfijnde structuur. Bovendien is het in royale hoeveelheden voorradig. Het zou een verrijkende spirituele ervaring voor de sheikha’s kunnen worden, als de rechter in Brussel hen voor de begane wandaden een taakstraf met gemeenschapszin op zou leggen. Zoals het vullen van zandzakken voor allerhande nooddruftigen (waaronder het Conrad Hotel in Brussel) die de komende tijd met zwaar weer en wassend water krijgen af te rekenen.

Zou het tot die verwende prinsessen van het mutantengeslacht El Nahyan eigenlijk ueberhaupt nog kunnen doordringen dat ze hier in Brussel niet zomaar in de beklaagdenbank terecht zijn gekomen? Hoe kwistig en geobsedeerd hun hang naar uiterlijke voornaamheid ook is geweest gedurende hun verblijf in Brussel, als mens hebben ze zichzelf op pijnlijke wijze ontmaskerd als een stelletje verwende narcisten met een naar het sadisme overhellende misconceptie van eerzame menselijke verhoudingen. Hun inzicht in menselijke waarden en verhoudingen – kortom hun ziel – lijkt jammerlijk te zijn verschrompeld tot de vrucht van een plant die zelden water heeft gehad en nooit in de buitenlucht heeft kunnen groeien.

Wat nobel is? De adellijke dames zouden het bij Allah niet weten want ze waarom zou je je nobel moeten gedragen als je denkt dat je van nature toch al koninklijk bent? Het is bijzonder triest maar ook verbijsterend om te moeten constateren dat een zandkuil in een peutertuin te Jette, waarschijnlijk meer noblesse en in elk geval meer diepgang in zich herbergt, dan deze exploten van een hoog-adellijke stamboom die zich op zulk een aberrante wijze heeft vertakt in de dorre woestijngrond van Abu Dhabi’s kalifaat.

(آل نهيان – Āl Nahyān)

71 Avenue Louise
Brussels
Belgium

HILTON GLOBAL PRIVACY POLICY

At Hilton, we strive to deliver outstanding products, services, and experiences around the world. We value your business and, more importantly, your loyalty. We recognize that privacy is an important issue. We have developed this Global Privacy Policy (this “Policy”) to explain our practices regarding the personal information we collect when you visit this site. Some jurisdictions also require notice concerning other means of collecting personal information; for those jurisdictions, this Policy also explains our practices regarding personal information obtained from sources other than our websites, such as written or verbal communications or information collected when you visit one of our properties.

Please read this Policy carefully before submitting personal information about you to us. Also, please note that this Policy does not apply to our processing of personal information on behalf of and subject to the instructions of third parties such as airlines, car rental companies and other service providers, companies that organize or offer packaged travel arrangements, marketing partners, or customers.

ROYAL SUITE in het CONRAD HOTEL  BRUSSEL

Conrad Brussels’ Royal suite is unquestionably the hotel’s signature suite, with the large rooms combining to offer 365 square metres of regal luxury. A large entrance hall provides access to a spacious living room, dining room, private kitchen and corridor leading to the bedroom, indulgent bathroom and dressing room. Located on the fourth floor, the Royal suite offers an unobstructed view of Avenue Louise in a private and tranquil environment. Our Royal suite offers individually controlled air-conditioning, large work desks, two direct-dial phone lines with voicemail, as well as internet connectivity. Additional in-room amenities and services include a well-stocked mini-bar, coffee maker and snack basket, security safe, interactive television with more than 40 channels, hairdryer and ample storage space. The spacious bathrooms have a separate bath and shower, and are finished in a delicate marble with luxurious toiletries, indulgent bathrobes and comfortable slippers. Further connecting rooms can be added to extend the Royal suite to offer two or three bedrooms.   Amenities

Bovenkant formulier

Onderkant formulier

  • 25″ television
  • Alarm clock
  • Coffee machine and tea maker
  • Controlled Access Corridors
  • Digital interactive TV system with hundreds of on-demand movies and music
  • Dressing gown and slippers in finest cotton
  • Emergency call button on phone
  • Evening Manager’s Reception
  • Evening Room Service
  • Hairdryer
  • High-speed Internet connections
  • Mini Bar
  • On-Demand Movies
  • Safe
  • Seating Area with Sofa
  • Separate Bathtub and Shower
  • Superior bedding with 100% Egyptian cotton linen and oversized goose-down pillows
  • Two phones with dataport, speaker and voicemail

Lees ook in De Morgen van 06.11.2010:

http://www.demorgen.be/dm/nl/989/Binnenland/article/detail/1179433/2010/11/06/Vlaamse-werkte-tussen-slavinnen-van-Conrad-Hotel.dhtml

Het parket van Brussel zal nu dinsdag 9 november 2010 aan de raadkamer vragen om de weduwe van een Arabische sjeik en haar prinsessendochters voor de strafrechter te brengen wegens onmenselijke behandeling. In de zomer van 2008 bevrijdde de politie 17 van ‘hun slavinnen’ uit het Conrad Hotel. Ook de Vlaamse Caroline (nu 27) danste een half jaar naar de pijpen van de steenrijke El Nahyans. “De andere meisjes moesten zeven dagen per week, de klok rond, werken. Elk contact met de buitenwereld was verboden”, zegt Caroline. Ze deelde lief en leed met de slaven, zowel achter de dikke paleismuren in Abu Dhabi als op de vierde verdieping van het Conrad.

De dienstmeisjes mochten totaal geen contact hebben met de buitenwereld. Het was verboden om te telefoneren of om het internet te gebruiken. Ze moesten op bevelen wachten in kamers vol zachte fauteuils. Maar die mochten ze niet gebruiken

Het onderzoek werd geopend in de zomer van 2008, nadat de politie uit het Conrad Hotel in de Louizalaan in Brussel zeventien vrouwen haalde die als slavinnen zouden uitgebuit zijn.

Amper enkele maanden voor de inval werkte er nog een Vlaamse jonge vrouw voor de sjeika’s in het Conrad. Caroline uit Putte was 23, verpleegster van opleiding en ze had eerder voor de Arabische familie als au pair gewerkt in Abu Dhabi. Toen de 24-jarige prinses Maytha in september 2007 met haar zussen en moeder naar Brussel afzakte voor een ivf-behandeling, zat de prinses zonder kinderoppas. Via via werd Caroline gecontacteerd. En omdat ze toch net zonder werk zat, pakte Caroline haar koffers en trok ze in op de vierde verdieping van het luxehotel langs de Louizalaan. Ze wil vertellen wat ze er zag, net zoals ze deed aan de politie. Maar niet met haar volledige naam. Omdat ze geen problemen wil en omdat ze vindt dat ze zelf altijd correct werd behandeld.

Geen contact met buitenwereld

Toch wrong het bij Caroline, daar in het Conrad. Zelf sliep ze in een suite van 700 euro de nacht met Zayed, het 1 jaar oude zoontje van sjeika Maytha. De prinses zelf sliep in een nog duurdere kamer – een van de 53 die de steenrijke familie had gehuurd om pottenkijkers van de verdieping weg te houden. “Ik merkte snel dat de andere meisjes en vrouwen (onder andere uit de Filippijnen, Marokko, en Indonesië, bjm) er anders behandeld werden dan ik. Slechter. Zo kregen zij nooit een dag vrijaf. Dat betekende ook dat ze niet uit het hotel mochten.

Beetje per beetje gingen Carolines ogen open. Want de dienstmeisjes in het Conrad mochten wel nog meer dingen niet. “Ze mochten totaal geen contact hebben met de buitenwereld. Zo was het voor hen ook verboden om te telefoneren of om het internet te gebruiken. Dat wrong bij mij. Want ik mocht dat wel.Hoewel in die kamers lekkere zachte fauteuils stonden met kussens mochten ze daar niet in zitten. Hun plaats: dat was het tapijt op de grond.”

Dinsdag 9 november wordt de zaak behandeld voor de raadkamer in Brussel. Het parket zal er vragen de weduwe en haar zeven dochters te vervolgen voor onmenselijke behandeling, fiscale fraude en illegale tewerkstelling. (Bjorn Maeckelbergh)

Al Nahyan family

From Wikipedia, the free encyclopedia

Al Nahyan (آل نهيان Āl Nahyān) is one of the six ruling families of the United Arab Emirates, and are based in the capital Abu Dhabi, United Arab Emirates. Al Nahyan is a branch of the House of Al-Falahi (Āl Bū Falāḥ), a branch of the Bani Yas tribe, and are related to the House of Al-Falasi, from which the ruling family of Dubai, Al Maktoum, descends.

Members

Notable members of the Al Nahyan family include:

Modern

Offshoot

Het is niet de eerste keer dat de familie van slavendrijverij wordt beschuldigd en daarvoor in het buitenland voor het gerecht wordt gesleept. Getuige dit artikel uit de New York Sun anno 2007. Een kwestie van “culture” of van “nature”? Een kwestie van familietraditie, zo lijkt het. Zo geleerd, zo gedaan. Sheik Hamdan bin Rashid al-Maktoum, de neef uit Dubai van de sheikha’s die in het Conrad hun drijverij runden, blijkt er ook wat van te kunnen:

EEN STEEN EN DUIZEND SCHERVEN

ONGEDULD EN MISVERSTAND

 

HET VERDRIET VAN BELGIE

ALS KRONIEK VAN EEN FAMILIEVETE

 

door Serge van Duijnhoven

België is een staat die sedert 1970 permanent in de renovatiestijgers is geplaatst. Waar kabinetten enkel tot stand komen als ze in het holst van de nacht worden gesloten na het tekenen van compromissen die zo ingewikkeld in elkaar steken dat geen kat de inhoud ervan nog werkelijk kan begrijpen. De huidige politieke crisis is in dit opzicht geen uitzonderlijke situatie maar een gedurige constante van een chronische bestuurlijke ziekte. Of de kanker ook terminale gevolgen zal hebben voor het bestaan van Belgium as we know it? Daarna wacht de totale bestuurlijke chaos met de strijd om Brussel en een afwikkeling van de boedelscheiding waarmee vergeleken het gekibbel over BHV “klein bier” heette te zijn.

Een serieus probleem waarvoor de Belgische democratie zich momenteel reeds gesteld ziet is het feit dat de Belgische bevolking na al die jaren van politieke impasse zijn interesse voor en vertrouwen in de politiek grondig is kwijtgespeeld. Regering of geen regering – het zal de gemiddelde Belg een ziel zijn. Crisis is de normale toestand geworden in het land. NVA-medewerker en voormalig Terzake-journalist Siegfried Bracke schreef eerder in De Morgen (DM 28.09 p.16): “De kloof tussen de Belgische democratieën is zo groot dat vrijwel niemand, zelfs niet de typische Walloniëkenner, echt helemaal kan begrijpen hoe de andere kant “voelt”. Met niet aflatende ijver voedt de Brusselse pers het vijandbeeld over Vlamingen die als Serviers-aan-de-Noordzee niets meer of minder aan het voorbereiden zijn dan de meest verschrikkelijke armoede en ellende voor al wie “Schild en vriend” niet deftig kan uitspreken.” Dave Sinardet, politoloog aan de Universiteit van Antwerpen, bevestigt dat het “blokdenken” momenteel eigenlijk het grootste probleem vormt om in België ueberhaupt nog tot oplossingen te kunnen komen die het regionale of provincialistische belang overstijgen.

Dave Sinardet

Sinardet voorziet dat het virulente “Wij-Zij denken” van de huidige politieke kaste op termijn wel eens katastrofale gevolgen kan hebben als men de eigen principes nimmer in een ruimhartiger perspectief zal weten om te buigen. De atmosfeer zal steeds meer verzadigd raken met onvrede en ongeduld. De mensen zullen – zoals altijd in het geval van historische omwentelingen die onafwendbaar lijken – krampachtig trachten de tijden te versnellen. Wie zal bij de boedelscheiding van het land – ook als het zogenaamde stapsgewijze confederalisme à la De Wever nog een aantal jaren kalmpjes voortgang vindt – aanspraak kunnen maken op de F-16′s en kernwapens van Kleine Brogel? Wat als er een paar heethoofden hun beheersing verliezen en gewapenderhand franstalige burgemeesters uit de rand rond Brussel gaan verdrijven om BHV na zestien jaar palaveren eindelijk kiesrechtelijk te splitsen zoals de grondwet het voorschrijft?



Gelukkig worden de Belgische conflicten uitgevochten met fietstochten in het ommeland, met IJzerwakes, barbecues, debatten, onderhandelingen en vooral veel geniepige plaagstoten. Niemand roept op tot bloedvergieten. Daar staat tegenover dat men daar in het voormalige Joegoslavië anno 1989 ook nog collectief van overtuigd was. Op de Balkan is er een gezegde dat luidt “dat er maar een steen nodig is om duizend scherven te maken”. We passen maar beter op dat die ene steen niet wordt geworpen. Voor je het weet wordt er echt bloed vergoten.

België zal pas werkelijk ophouden te bestaan op het moment dat het land geen premier meer vindt die deze ondankbare c.q. onmogelijke taak nog voor zijn rekening wil nemen. Het land zal niet exploderen maar imploderen oftwel oplossen. Dat is iets waar mijns inziens Bart de Wever ook bewust op uit is. De Wever droomt ervan om op de Belgische politiek de werking te mogen hebben van een  bruistablet. Je gooit een tablet in het glas – het begint te borrelen en bruisen en binnen afzienbare tijd resteert er van het tablet niets meer dan wat spetters aan het oppervlak. Het Belgische vraagstuk voor eens en altijd opgelost in een fris glas medicinaal bronwater. Iedereen wordt er gezonder van.

Bart de Wever: more than just a pound of flesh?                 Bart de Wever: More than just a pound of flesh? 

De Wever heeft de rechter flanken in het Vlaamse spectrum leeggezogen. Het belangrijkste programmapunt van de NVA – de oprichting van een Vlaamse natiestaat – is het minst populaire punt van de partij. Het separatisme is daarom omgekat in de ateliers De Wever tot confederalisme. Een term zo vaag dat die alles en niets kan betekenen. Tovenaarsleerling De Wever – in Vlaasmse kranten onlangs nog vergeleken met Mozes (Als Mozes spreekt luistert Zijn Volk) – is in het warme licht van spots en camera’s met zijn honderd kilo’s verworden tot het Vlaamse troeteldier par excellence. Intelligent welbespraakt recht voor zijn raap koppig boertig en vooral “ene van ons”. Een vadsige koning, dat wel, maar een die niet gespeend van zelfspot zijn persoonlijke défauts op gewiekste wijze in zijn voordeel heeft weten om te zetten.     Haat men of vreest men De Wever aan franstalige zijde?

Mij doet Bart de Wever nog het meest deed denken aan het karakter Shylock uit de komedie The Merchant of Venice van William Shakespeare. Ook de Wever is een ambitieuze man die in een wraakzuchtige obsessie zit opgesloten. We bewonderen zijn onverbiddelijke logica, maar komen erachter dat er al snel enkel onverbiddelijkheid overblijft. Terwijl de franstaligen smeken om solidariteit, slijpt De Wever zijn mes op zijn schoenzool. Hij is net als Shylock een figuur die de wet tot op de letter uitgevoerd wil hebben en die zich niet realiseert dat hij in zijn drammerigheid de grenzen van de wet zelf overschrijdt. In plaats van een testament-executair van een rechtsbeginsel, verwordt hij tot een slachter van de Belgische staat.

Laat het hem maar proberen, de boedel van het land te scheiden met zijn gewette slagersmes van de responsabiliteit en de constitutionele hervormingen – zoals Shylock koste wat kost het volle pond uit de borstkas van Gratiano meende te moeten snijden. Dewever eist, net als Shylock, dat het vonnis geschiedde. Het recht en de geschiedenis moeten hun beloop krijgen. Over de mogelijke gevolgen heeft hij minder nagedacht.

Portia: “Want daar u recht eist, mag u zeker zijn,

Dat u meer recht zult krijgen dan u lief is.”

Maak u dus klaar om ’t vlees eruit te snijden,

Maar stort geen bloed, en neem niet meer of minder

Dan juist een pond, want neemt u meer of minder,

(…), dan sterft u

En al uw goederen worden aangeslagen.

–         vert. Willy Courteaux

 

De heikele vraag dient opgeworpen of het seperatisme tussen noord en zuid in dit land inmiddels een onomkeerbaar momentum heeft weten te bereiken. En of er ueberhaupt nog politici zijn in het ganse spectrum die bereid en in staat zijn om over de eigen schaduw heen te stappen. En een hand te rijken naar de anderstalige medeburgers van Halfland België. Zijn de vershillen onoverkomelijk geworden? Of eigenlijk altijd al geweest?

Op het eerste gezicht is alles anders aan de overzijde van de taalgrens. Naast de verschillende talen die men spreekt bezitten de gemeenschappen geheel verschillende omroepen die programma’s maken waar de andere taalgemeenschappen nooit en te nimmer naar zullen kijken. Vlaamse prominenten zijn onbekenden in Wallonië. En andersom. De franstaligen hebben een heel andere muziekvoorkeur dan de Vlamingen. Voorts is ook het politieke landschap aan beide zijden van de taalgrens volkomen anders van aard. Behalve de Groenen die met Ecolo een front vormen in de federale politiek zijn alle partijen langs regionale en gewestelijke principes steeds verder van elkaar verwijderd geraakt. Toch ligt het er natuurlijk maar net aan welke ascpecten van de culturele beleving je naar voren wilt brengen.

Bestaat er eigenlijk nog wel zoiets als een “Belgitude” (proef dat woord voor het voorgoed van ons radar verdwijnt)? Een ziel die geheel naar de letter van Boontje op “gespleten en bescheten wijze” in verschillende kompartimenten van afzonderlijke Halflanden is verdeeld? Losse zielen die tot elkaar veroordeeld zijn bij de gratie van dat ene monstrueuze Brusselse waterhoofd van de Siamese tweeling- of drielingenstaat die sedert 1830 bekendstaat als le royaume de la Belgique. De presentatrice was nogal kort door de bocht met haar omschrijving van België als het land van bier, frieten én Suske & Wiske. Kuifje en pralines. Manneken Pis en dEUS. Eddy Merckx en Jacques Brel.

85 procent van de bevolking schijnt zich volgens academisch onderzoek allereerst nog steeds als Belg te willen afficheren. 22 procent voelt zich in de allereerste plaats een Vlaming. Hoogstwaarschijnlijk is er vooral sprake van een gelaagde (lasagne) identiteitsbeleving bij het gros van de bevolking. Men is zowel Hasseltenaar als Limburger als Vlaming als Belg als misschien afstammeling van een Italiaanse immigrantenfamilie die werkzaam was in de Waalse mijnbouwindustrie van (staats!)bedrijven als Union Minière. En die voor het pensioen van de oude stamhoofden dus afhankelijk is van federale (Brusselse) kassen.

De identiteitesbeleving van Belgische bewoners heeft de afgelopen decennia in elk geval radicale veranderingen ondergaan. Brussel is bijvoorbeeld een stad geworden waar letterlijk alle bevolkingsgroepen een minderheidsstatus bekleden. In dat opzicht is de hoofdstad van Belgie en Europa een geografisch en sociaal laboratorium van jewelste. Een levend experiment op een symbolische schaal van anderhalf-staat-tot-driehonderd miljoen. Brussel is de conditio sine qua non van het bestaan en voortbestaan van België. En van Europa als Unie met een agenda van vrede en gemeenschapszin. Maar Brussel is ook een podium van onverholen tweedracht en verachting. Brussel wordt nergens zo gehaat als in Belgie zelf. Zeker door hen die er iedere dag weer naartoe moeten om er te gaan werken in de sick buildings van de overheid. En die dagelijks de file trotseren om zich als loonslaaf te laten vernedereren in een of andere Kafkaeske nationale dan wel internationale instantie in wijken waar men zich uit vrije wil nimmer naartoe zou bewegen.

Brussel(s): het waterhoofd van de Siamese tweelingstaat Belgie

In de algehele stads-sceptische houding vinden Vlamingen en Walen elkaar weer uitstekend. Alleen de eigen klei is goed genoeg om ervan doortrokken te kunnen zijn. Brussel is en blijft het Sodom en Gomorra – het helse secreet waar je je enkel terugtrekt omdat je er fecalische zaken te verrichten hebt. Van een liefde voor Brussel is in gans België geen sprake. Ook niet – zeker niet – vanwege de Vlaamse en Waalse politici die er op en om de Wetstraat dagelijks met elkaar in de clinch gaan. In hun gezamenlijke haat jegens de bureaucratische internationale hoofdstad Brussel tonen zowel Vlamingen als Walen weldegelijk over een gemeenschappelijke volksziel te beschikken. Vlamingen en Walen zijn – of men het nu plezierig vindt of niet – weldegelijk familie van elkaar. Het wederzijdse onbegrip van onze landgenoten heeft het irrationele en allerminst ongevaarlijke karakter van een familievete. Of er bloed zal vloeien of de boel aan diggelen zal vliegen is een kwestie van tijd en – bijgevolg – vooral aan het vermeend gebrek daaraan. Die eerste steen-van-duizend-scherven zal niet eens uit haat of woede worden geworpen. Ongeduld volstaat. Men zal in dit land, zoals in alle tijden van omwenteling, de Tijd krampachtig willen versnellen. Wat er de precieze gevolgen van zijn, kan niemand voorspellen. Maar dat het zover zal komen, valt weldegelijk te voorzien.

©      Serge van Duijnhoven, Brussel

HET VERDRIET VAN BELGIE – IS BART DE WEVER DE SHYLOCK VAN BELGIE? – HOE LANG HEEFT BELGIE NOG TE LEVEN ALS NATIESTAAT?


IS BART DE WEVER DE SHYLOCK VAN BELGIE? – HOE LANG HEEFT BELGIE NOG TE LEVEN ALS NATIESTAAT?

Terwijl in Den Haag de spanningen rondom de formatie van het eerste kabinet Rutte met (of zonder) Wilders katatonische vormen aannamen, werd in de Nederlandse hoofdstad afgelopen week stevig gedebatteerd over “Het verdriet van België”. Waarmee bedoeld werd: het mogelijke einde van het “gespleten en bescheten landje” bezuiden de Open Riolen alwaar het separatistische momentum van Bart de Wever c.s. onomkeerbare vormen lijkt te hebben aangenomen.
Plaats van handeling was debatcentrum De Balie op het Leidseplein in Amsterdam – vlak naast de triomfboog die voert naar het Holland Casino waarop geschreven staat “homo sapiens non urinat in ventum”. Het werd een boeiende maar voor toehoorders vooral toch ook weinig hoopgevende avond vol colleges, analyses, gedachten-experimenten, satire en columns. De gasten die uitgenodigd waren om die dikke Ollandse nekjes eens fijntjes over de constitutionele misère bij hun immer querulante zuiderburen te instrueren waren Véronique Lamquin – chef politiek bij Le Soir, de grootste krant van Franstalig België, Liesbeth van Impe – politiek journaliste voor de Vlaamse krant Het Nieuwsblad, Dave Sinardet – politicoloog aan de Universiteit van Antwerpen, en tenslotte de Duitstalige Georg Weinand – dramaturg en werkzaam bij DasArts. Animatrice van dienst was de gevatte vernederlandste Belgin Sarah Meuleman. 

De knuppel werd bij aanvang kundig in het hoenderhok gegooid door Liesbeth van Impe, die het gehoor vergaste op een cynische crashcourse Belgium. Gedurende een powerpoint presentatie ontleedde ze in raketvaart het Belgische labyrinth waarin zes parlementen en zes regeringen nodig zijn om de boel vakkundig niet meer te kunnen besturen. Het Nederlandse gehoor krabde zich achter de oren toen de constitutionele verwevenheid van de drie Gewesten, Gemeenschappen en Taalgebieden uit de doeken werd gedaan. En de Daltoniaanse boevenbende van politieke protagonisten die het land naar de bestuurlijke afgrond voeren van een tronie werden voorzien. Driftig werden in de zaal door leergierigen aantekeningen gemaakt.
Onder de apocalyptische achtergrondtonen van instortende gebouwen schetste Van Impe een beeld van België als een staat die sedert 1970 permanent in de renovatiestijgers is geplaatst. Waar kabinetten enkel tot stand komen als ze in het holst van de nacht worden gesloten na het tekenen van compromissen die zo ingewikkeld in elkaar steken dat geen kat de inhoud ervan nog werkelijk kan begrijpen. De huidige politieke crisis is in dit opzicht geen uitzonderlijke situatie maar een gedurige constante van een chronische bestuurlijke ziekte. Of de kanker ook terminale gevolgen zal hebben voor het bestaan van Belgium as we know it waren de deskundigen van mening dat het land waarschijnlijk nog een jaar of tien te leven had. Daarna wacht ofwel de totale bestuurlijke chaos met de strijd om Brussel en een afwikkeling van de boedelscheiding waarmee vergeleken het gekibbel over BHV “klein bier” heette te zijn. Ofwel een geluidloos verglijden in de reddende muil van wallevis Jonas – maskotte van het Verenigde Europa van de toekomst zoals Guy Verhofstadt dat als een van de weinige visionairen in het Europese Parlement voor ogen staat.
Een serieus probleem waarvoor de Belgische democratie zich momenteel reeds gesteld ziet is het feit dat de Belgische bevolking na al die jaren van politieke impasse haar interesse voor en vertrouwen in de politiek tout court grondig is kwijtgespeeld. Regering of geen regering – het zal de gemiddelde Belg een ziel zijn. België is crisisresistent. Crisis is de normale toestand geworden in het land. En het leven gaat toch wel zijn gang. De duiven worden gemolken. De frieten gebakken. De treinen rijden nog. Er is nog melk in de schappen. En onder het matras liggen nog sokken vol biljetten die buiten het zicht van de fiscus om zijn opgepot als douceur “typiquement belge à côté de la côterie barbarique”. Bellum transit amor manet. Zo niet de liefde voor de communautaire wederhelft aan gene zijde van de taalgrens.
NVA-medewerker en voormalig Terzake-journalist Siegfried Bracke schreef eerder die dag in de krant De Morgen (DM 28.09 p.16)“De kloof tussen de Belgische democratieën is zo groot dat vrijwel niemand, zelfs niet de typische Walloniëkenner, echt helemaal kan begrijpen hoe de andere kant “voelt”. Met niet aflatende ijver voedt de Brusselse pers het vijandbeeld over Vlamingen die als Serviers-aan-de-Noordzee niets meer of minder aan het voorbereiden zijn dan de meest verschrikkelijke armoede en ellende voor al wie “Schild en vriend” niet deftig kan uitspreken.” Dave Sinardet van de Universiteit van Antwerpen bevestigde dat het “blokdenken” momenteel eigenlijk het grootste probleem vormt om in België ueberhaupt nog tot oplossingen te kunnen komen die het regionale of provincialistische belang overstijgen.
Senardet voorziet dat het virulente “Wij-Zij denken” van de huidige politieke kaste op termijn wel eens katastrofale gevolgen kan hebben als men de eigen principes nimmer in een ruimhartiger perspectief zal weten om te buigen. De atmosfeer zal steeds meer verzadigd raken met onvrede en ongeduld. De mensen zullen – zoals altijd in het geval van historische omwentelingen die onafwendbaar lijken – krampachtig trachten de tijden te versnellen. Wie zal bij de boedelscheiding van het land – ook als het zogenaamde stapsgewijze confederalisme à la De Wever nog een aantal jaren kalmpjes voortgang vindt – aanspraak kunnen maken op de F-16’s en kernwapens van Kleine Brogel? Wat als er een paar heethoofden hun beheersing verliezen en gewapenderhand franstalige burgemeesters uit de rand rond Brussel gaan verdrijven om BHV na zestien jaar palaveren eindelijk kiesrechtelijk te splitsen zoals de grondwet het voorschrijft?
Het panel van deskundigen wuifde de mogelijkheid van een nakende oorlog vlug van tafel. Zover zal het niet komen. Gelukkig worden de Belgische conflicten uitgevochten met fietstochten in het ommeland, met IJzerwakes, barbecues, debatten, onderhandelingen en vooral veel geniepige plaagstoten. Niemand roept op tot bloedvergieten. Een bezoekster uit het publiek wees er in een persoonlijk terzijde op dat men daar in het voormalige Joegoslavië anno 1989 ook nog collectief van overtuigd was. “Bij ons op de Balkan is er een gezegde dat luidt dat er maar een steen nodig is om duizend scherven te maken. Jullie passen maar beter op dat die ene steen niet wordt geworpen. Voor je het weet wordt er echt bloed vergoten.”
De achtergrondtune van instortende gebouwen begon in De Balie onrustbarend volume aan te nemen. Liesbeth van Impe haalde haar schouders op en poneerde: “België zal ophouden te bestaan op het moment dat het land geen premier meer vindt die deze ondankbare dan wel onmogelijke taak nog voor zijn rekening wil nemen. Het land zal niet exploderen maar imploderen oftwel oplossen. Dat is iets waar mijns inziens Bart de Wever ook bewust op uit is. De Wever droomt ervan om op de Belgische politiek de werking te mogen hebben van een bruistablet. Je gooit een tablet in het glas – het begint te borrelen en bruisen en binnen afzienbare tijd resteert er van het tablet niets meer dan wat spetters aan het oppervlak. Het Belgische vraagstuk voor eens en altijd opgelost in een fris glas medicinaal bronwater. Iedereen wordt er gezonder van.”
Dit bracht de moderatrice op de vraag hoe men het haast messianistische succes van Bart De Wever in Vlaanderen diende te verklaren?
Dave Sinardet: “De Wever heeft de rechter flanken in het Vlaamse spectrum leeggezogen. Het belangrijkste programmapunt van de NVA – de oprichting van een Vlaamse natiestaat – is het minst populaire punt van de partij. Het separatisme is daarom omgekat in de ateliers De Wever tot confederalisme. Een term zo vaag dat die alles en niets kan betekenen.” Véronique Lamquin van Le Soir wees erop dat tovenaarsleerling De Wever – in De Morgen van 29 september nog vergeleken met Mozes (Als Mozes spreekt luistert Zijn Volk, p.6) – zo alomtegenwoordig is geworden omdat de Vlaamse media hem in het warme licht van spots en camera’s in tot een van de graagst geziene BV’s hebben grootgekweekt. De Wever is met zijn honderd kilo’s verworden tot het Vlaamse troeteldier par excellence. Intelligent welbespraakt recht voor zijn raap koppig boertig en vooral “ene van ons”. Walter Pauli noemde hem in een redactioneel commmentaar in zijn krant “De ongekroonde koning van Vlaanderen” (DM 29.09 p.18) Een vadsige koning, dat wel, maar een die niet gespeend van zelfspot zijn persoonlijke défauts op gewiekste wijze in zijn voordeel heeft weten om te zetten. Dat de Vlaamse Mozes wekelijks een monsterbestelling plaatst voor zijn familie bij frietkot ’t Draakske in Deurne, dat deze Vlaamse aartsvader-in-spe vanuit zijn nieuwbetrokken dokterswoonst uitkijkt op café ’t Mestputteke: de media in Vlaanderen lusten er alle dagen pap van. Aan franstalige zijde is men met al deze kolderieke kwaliteiten van de gezette stokebrand niet vertrouwd omdat De Wever nu eenmaal niet wenst in te gaan op interview-verzoeken van journalisten aan de andere kant van de taalgrens. “Spijtig” verzucht Véronique Lamquin. “Maar het maakt onderdeel uit van zijn strategie om de boel uit elkaar te drijven. Hij is op geen enkele manier gebaat bij een voortbestaan van de status quo.”
Haat men of vreest men De Wever aan franstalige zijde?
Lamquin: “Er is bij ons plotseling heel veel interesse voor de man en dat is nieuw. Laurette Onkelinx noemde hem een jaar geleden nog een gevaarlijke vent. Een wolf in schaapskleren. Dat stadium is men bij ons nu wel gepasseerd. Ook wij weten dat de toekomst van België mede in zijn handen ligt. Maar misschien dat onze interesse te laat komt om de Vlamingen nog te kunnen paaien tot het voortzetten van ons verstandshuwelijk.”
Theatermaker Georg Weinand liet weten dat Bart de Wever hem nog het meest deed denken aan het karakter Shylock uit de komedie The Merchant of Venice van William Shakespeare. Ook de Wever is een ambitieuze man die in een wraakzuchtige obsessie zit opgesloten. We bewonderen zijn onverbiddelijke logica, maar komen erachter dat er al snel enkel onverbiddelijkheid overblijft. Terwijl de franstaligen smeken om solidariteit, slijpt De Wever zijn mes op zijn schoenzool. Hij is net als Shylock een figuur die de wet tot op de letter uitgevoerd wil hebben en die zich niet realiseert dat hij in zijn drammerigheid de grenzen van de wet zelf overschrijdt. In plaats van een testament-executair van een rechtsbeginsel, verwordt hij tot een slachter van de Belgische staat.
“Laat het hem maar proberen, de boedel van het land te scheiden met zijn gewette slagersmes van de responsabiliteit en de constitutionele hervormingen – zoals Shylock koste wat kost het volle pond uit de borstkas van Gratiano meende te moeten snijden. Dewever eist, net als Shylock, dat het vonnis geschiedde. Het recht en de geschiedenis moeten hun beloop krijgen. Over de mogelijke gevolgen heeft hij minder nagedacht.”

Portia: “Want daar u recht eist, mag u zeker zijn,
Dat u meer recht zult krijgen dan u lief is.”
Maak u dus klaar om ’t vlees eruit te snijden,
Maar stort geen bloed, en neem niet meer of minder
Dan juist een pond, want neemt u meer of minder,
(…), dan sterft u
En al uw goederen worden aangeslagen.

vert. Willy Courteaux

Veronique Lamquin, de journaliste van Le Soir, merkte op dat in haar ogen “Het verdriet van België” momenteel vooral “Het verdriet van Wallonië” genoemd mag worden. “Wie houdt nog van Wallonië? Bij een rondvraag zouden tegenwoordig waarschijnlijk de meeste Walen na een diepe zucht antwoorden: niemand, zeker de Vlamingen niet. De Walen raken er steeds meer van overtuigd: iedereen is Wallonië beu. Zelfs de Brusselaars kijken op Wallonië neer als een boertig achterland. Vroeger of later worden ze gewoon gedumpt. Zelfs de Duitstalige Gemeenschap, de best beschermde minderheid ter wereld, denkt eraan om haar lot in eigen handen te nemen. Steeds meer stemmen in de voormalige Oostkantons pleiten ervoor om een einde te maken aan de voogdij van het Waalse Gewest over hun grondgebied. Het Vlaamse model, het samenbrengen van Gemeenschappelijke en Gewestelijke bevoegdheden zien ze best zitten. Vaarwel Eupen en Sankt-Vith!”
Na al deze sombere geluiden zorgde stand-up comedian Merijn Scholten voor een grappige interventie door in een speech vanachter het katheder zijn sympathie te uiten voor die rumoerige onderburen die onderling altijd maar ruzie lijken te maken. Aan de hand van een phrase die hij uit een Canvas-documentaire over mores in China had gevist (“Over muzieksmaak valt te twisten maar de devosie is er niet minder om…”) deed hij een dringend linguistiek en politiek appel om het Vlaams – die schattige zoetzemige tongval waarin iedere harde t wordt verzacht tot een s zoals in dat woordje devotie – voortaan tot de standaardtaal van het ABN te verheffen. En het Haarlems-Hollands te verbannen naar de rangen van het onoirlijk dialect. Een stelling waarvoor de komediant op opvallend veel bijval kon rekenen uit de zaal.
De in België geboren vragenstelster die haar Vlaamse tongval grondig had opgeofferd voor een carriere bij de Hilversumse televisie – vroeg in bekakt Goois Nederlands of er een vergelijking mogelijk was tussen de populisten Wilders en De Wever. Beiden splijtzwam in de nationale politiek. Beiden intelligent. Heetgebakerd. Gedreven. Populair. Geliefd bij de een en verafschuwd door de ander. Maar daar houden de overeenkomsten toch wel op. “Verglijkingen met Philip De Winter zijn meer op z’n plaats”, meende Dave Sinardet. “De Wever wil bewijzen dat je Vlaams nationalist kunt zijn zonder ’t over kopvoddentaks of islamitisch gespuis te hebben. De politicus uit Deurne heeft er hard aan gewerkt zijn Flamingantisme salonfaehig te maken door een breder scala aan ideeen te hanteren dan de monomane maniak De Winter die altijd weer hetzelfde afgeleefde stokpaard meent te moeten berijden in de publieke arena. Het brede publiek trapt daar niet meer in. Het discours van De Wever echter spreekt brede lagen onder de Vlaamse bevolking aan.”
De meest heikele vraag werd opgeworpen door de moderatrice toen ze van de panelleden wilde weten of je nu wel of niet kon spreken van verschillende culturen aan Vlaamse en Waalse zijde in Halfland België. Geen van de leden wist hier goed raad mee. Op het eerste gezicht is alles anders aan de overzijde van de taalgrens. Naast de verschillende talen die men spreekt bezitten de gemeenschappen geheel verschillende omroepen die programma’s maken waar de andere taalgemeenschappen nooit en te nimmer naar zullen kijken. Vlaamse prominenten zijn onbekenden in Wallonië. En andersom. De franstaligen hebben een heel andere muziekvoorkeur dan de Vlamingen. Voorts is ook het politieke landschap aan beide zijden van de taalgrens volkomen anders van aard. Behalve de Groenen die met Ecolo een front vormen in de federale politiek zijn alle partijen langs regionale en gewestelijke principes steeds verder van elkaar verwijderd geraakt. Toch aarzelen alle crisisexperts er een definitieve uitspraak over te doen. “Het ligt er maar net aan welke ascpecten van de culturele beleving je naar voren wilt brengen”, mijmerde wetenschapper Sinardet.
Bestaat er eigenlijk nog wel zoiets als een “Belgitude” (proef dat woord voor het voorgoed van ons radar verdwijnt)? Een ziel die geheel naar de letter van Boontje op “gespleten en bescheten wijze” in verschillende kompartimenten van afzonderlijke Halflanden is verdeeld? En die tot elkaar veroordeeld zijn bij de gratie van dat ene monstrueuze Brusselse waterhoofd van de Siamese tweeling- of drielingenstaat die sedert 1830 bekendstaat als le royaume de la Belgique. De presentatrice was nogal kort door de bocht met haar omschrijving van België als het land van bier, frieten én Suske & Wiske. Kuifje en pralines. Manneke Pis en dEUS. Eddy Merckx en Jacques Brel.
85 procent van de bevolking schijnt zich volgens academisch onderzoek allereerst nog steeds als Belg te willen afficheren. 22 procent voelt zich in de allereerste plaats een Vlaming. Dave Sinardet stelde dat er sprake is van een gelaagde (lasagne) identiteitsbeleving bij het gros van de bevolking. Men is zowel Hasseltenaar als Limburger als Vlaming als Belg als misschien afstammeling van een Italiaanse immigrantenfamilie die werkzaam was in de mijnbouwindustrie van staatsbedrijven als Union Minière. En die voor het pensioen van de oude stamhoofden dus afhankelijk is van federale kassen.
Liesbeth van Impe merkte op dat de identiteitesbeleving van Belgische bewoners de afgelopen decennia radicale veranderingen heeft ondergaan. En dat Brussel bijvoorbeeld een stad is geworden waar letterlijk alle bevolkingsgroepen een minderheidsstatus bekleden. In dat opzicht is Brussel een geografisch en sociaal laboratorium van jewelste. Een levend experiment op een schaal van een tot anderhalf miljoen. En inderdaad de meest Europese der Europese steden. Brussel is de conditio sine qua non van het bestaan en voortbestaan van België. Maar Brussel is ook een strijdtoneel. Brussel wordt van alle kanten gehaat. Zeker door hen die er iedere dag weer naartoe moeten om er te gaan werken in de sick buildings van de overheid of van andere Kafkaeske instanties. En die dagelijks de file trotseren om zich na werktijd opnieuw frank en vrij in de eigen “koterie op de buiten” te kunnen installeren. Ver weg van stad en overheid en franskiljons en overig anderstalig gespuis. “In de algehele stads-sceptische houding vinden Vlamingen en Walen elkaar weer uitstekend”, merkte het panel aan het eind van het dedat opgelucht op. Alleen het eigen dorp is goed genoeg om ermee vertrouwd te kunnen zijn. Brussel is en blijft het Sodom en Gomorra – het helse secreet waar je je enkel terugtrekt omdat je er fecalische zaken te verrichten hebt. Van een liefde voor Brussel is in gans België geen sprake. Ook niet – zeker niet – vanwege de Vlaamse en Waalse politici die er op en om de Wetstraat dagelijks met elkaar in de clinch gaan. In hun gezamenlijke haat jegens de bureaucratische internationale hoofdstad Brussel tonen zowel Vlamingen als Walen weldegelijk over een gemeenschappelijke uit de klei getrokken volksziel te beschikken. Vlamingen en Walen zijn – of men het nu plezierig vindt of niet – weldegelijk familie van elkaar.

© Serge van Duijnhoven

FEDIEX Verbond van Ontginnings- en Verdelingsbedrijven van Onbrandbare Gesteenten

Op weg naar de Europawijk, die is gelegen in de Brusselse deelgemeente Etterbeek, passeer ik in de Troonstraat – niet zo heel ver van het Warandepark – een opvallende blauwe poort die tussen de kantoorgebouwen staat ingeklemd. Een statige toegang van wel vier meter hoog met aan iedere zijde een adelaarskop. FEDIEX staat er op een plakkaat naast de ouderwetse bel die bestaat uit een glimmend knopje op een koperen plaat, Verbond van Ontginnings- en Verdelingsbedrijven van Onbrandbare Gesteenten.

De merkwaardige naam van dit Verbond roept onmiddellijk associaties op met vervlogen koloniale tijden van Leopold II en de Zijnen, toen Belgie zich vrijwel onbeperkt rijk roofde in de binnenlanden van Kongo en Centraal Afrika. De poort met zijn tot de verbeelding sprekende opschrift (wat zijn dan die Onbrandbare Gesteenten? En zouden er ook Ontbrandbare Gesteenten bestaan? Vast wel. Ik moet bij dit laatste meteen denken aan steenkool, vuursteen, silex, bauxiet, uranium, plutonium, het mythische kryptoniet wellicht (waarmee schurken uit de Superman-reeks de aarde in een vuurzee dreigen te veranderen)? Het Verbond zou zowel wat naam als locatie betreft perfect hebben gepast in een van de boeken en verhalen van de schrijver W.F. Hermans. Zijn werk staat vol met dit soort aan ertsen, aardkluiten en vulkanisme ontleende aanduidingen en eigennamen. Fysische geologie en literatuur zijn twee verschillende disciplines, maar de scheidingswand tussen beide was voor Hermans alleminst impermeabel. De auteur doceerde als lector aan de universiteit, en schreef tegelijkertijd ontluisterende boeken over (en dit zijn diens eigen woorden): ‘het geologisch tijdperk dat bepaald wordt door het gidsfossiel mens.’ De hoofdpersonen uit zijn romans en verhalen zijn meestal een soort van magneten die niet bewegen, en toch onverbiddelijk vijanden aantrekken;

Zijn collega’s aan de Rijksuniversiteit van Groningen hadden er weinig begrip voor dat Hermans beide disciplines tegelijkertijd beoefende, vooral toen zijn boeken eind jaren zestig goed begonnen te verkopen. Hermans, zo werd gezegd, ‘moest nu maar eens uitmaken waar zijn prioriteit lag: bij zijn boeken of studenten’. Hermans liet de eer aan zichzelf en pakte zijn biezen. Als vrijwillige balling streek hij in 1974 neer in Parijs, de laatste jaren van zijn leven bracht hij door hier in Brussel. Zijn huis stond niet eens zo ver van deze poort vandaan, in de Atrebatenstraat (nr.61). Dit maakt het dus niet ondenkbeeldig, dat Hermans tussen 1991 en 1995 wel eens aan deze wonderlijke plek zal zijn gepasseerd. Op weg naar of komend van de vlooienmarkt in de Marollen bijvoorbeeld, waar hij graag rondsnuffelde op zoek naar ontbrekende delen uit de Larousse Medische Encyclopedie of naar een interessante, afgedankte typemachine die hij nog van de schroothoop kon redden, repareren en toevoegen aan zijn verzameling van tweehonderd stuks.

Wat frappeert aan de poort met de adelaarskoppen (naast de grimmigheid waarmee de roofvogels over de brede en drukke kantoorstraat uitkijken, als bewaakten ze een schat of een graftombe), dat is het contrast met de amechtig karakterloos gebleven blokkendozen ernaast. Op elkaar gestapelde verdiepingen met getint glas tussen egaal grijze stroken, dat als een soort verbandgaas alle wonden moet bedekken. Sickbuildings met beduidend meer volume dan betekenis, meer functie dan vorm, meer verdiepingen dan diepgang. Plompe drillpuddingen die op het punt staan het portaal voorgoed aan het straatbeeld te onttrekken door het te bedelven onder een laag blubber van zestien etages. Recht-toe-recht-aan architectuur van de decennia na de Tweede Wereldoorlog, getekend op tafels van grote architectenbureau’s in opdracht van de Brusselse nomenklatuur die grote visioenen hadden over het geld dat ze konden verdienen aan het bouwen van een zakendistrict vervaardigd uit glas, baksteen, beton en een nog een paar grijze allesbehalve ‘Ontbrandbare Gesteenten’. De typische bouwstijl van de ‘global village maffia’, de wereldwijde societeit van louche mannen met een overdadig ontwikkeld zakeninstinct hun gebrek aan fantasie probeerden te compenseren. Die geen principieel verschil konden zien tussen het leggen van een kamerbreed tapijtje in een bungalow, en het aanleggen van een strook gebouwen door het centrum van Brusselse. Speculanten, aannemers, projectontwikkelaars, mannen met invloed in de politiek. Men kan ook zeggen: vandalen, plunderaars en brandschatters die de voorbije eeuw in alle historische steden en op deze planeet een spoor van vernieling hebben aangericht en (erger nog) ons tot in lengte van dagen hebben ogezadeld met de gevolgen van hun hebzucht en smakeloosheid. Er zou, post mortem desnoods, een tribunaal opgericht moeten worden om dit soort criminelen te berechten voor het plegen van urbicide en andere kapitale misdaden tegen de menselijkheid en de beschaving.

Ze zullen er zelf geen nachtje van wakker hebben gelegen, vermoed ik, de lieden die voor deze wanstaltige architectuur verantwoordelijk zijn. Ze zullen zelf geen centje pijn hebben ondervonden van de talloze onteigeningen, ze zullen vast geen traan hebben gelaten om de gruwel die door hen is aangericht. Ze zullen geen greintje spijt hebben gevoeld om de splendeur die door hun werklieden meedogenloos aan splinters is gehakt en tegen de vlakte gesmeten. En toch moet het ook hen zijn opgevallen dat het straatbeeld er in de loop der jaren zoveel schraler en monotoner op geworden is. Edoch: spijt is niet hun stiel. Hun leven is er bepaald niet slechter op of minder door geworden. Los daarvan. Wat zouden ze zich schuldig voelen? Ieder zijn zaken. Zij doen en deden de hunne. Daarbij: ze gaven ‘gestalte aan de toekomst’. Hielpen de stad inrichten. Ze hebben haar behoed voor de leegte en stilstand. Ze hebben, kortom, meer dan wie ook hun steentje bijgedragen aan de maatschappij.

Wat zijn eigenlijk de ‘Onbrandbare Gesteenten’ die door de bedrijven van het Verbond van Ontginnings- en Verdelingsbedrijven van Onbrandbare Gesteenten worden ontgonnen en verdeeld? Beton? Lijmsteen? Asfalt? Mika wellicht (of is dat geen natuurlijk gesteente)? Ik wil aanbellen om te informeren, gewoon uit nieuwsgierigheid, maar aarzel of het geen wereldvreemde indruk zal maken. Het is tenslotte een serieus kantoor van een Federation en geen kruidenierszaak met lekkernijen in de aanbieding. Mijn vinger haal ik van de bel, en ik loop door. Toch kan ik het niet laten om na enkele passen alweer om te kijken naar de helblauwe poort met de statige adelaarskoppen. Ik begrijp waarom ze zo grimmig kijken. Als ik hier de volgende keer langsloop, zijn ook zij misschien verdwenen, platgedrukt door de kantoren aan weerszijden, met toegangspoort en al onder het tapis plain gemoffeld, weggeschoffeld tussen de onderaardse schatten die ze al die tijd hebben bewaakt. De diepe, donkere schachten der onbrandbare gesteenten. De nazaten van Leopold zullen het winnen van de Majesteit. Wie vuur steelt uit de hel / kan heersen op de aarde…

© Serge van Duijnhoven, Brussel 2010/2011

OH BRUSSEL – MY BRUSSELS!

Apologie voor een curieus misbaksel

‘Een Brussel met bruis/twee Brussels met liefde…’

NOTITIES OVER DE NAVEL VAN EUROPA

door Serge van Duijnhoven

Ivres - Boeken voor Dronkaards. In de etalage van dit immer overvolle antiquarische boekenzaakje in de Hoogstraat stond ook lange tijd de curieuze tekst vermeld, op een bord in de etalage:

Boeken voor Dronkaards. In de etalage van dit immer overvolle antiquarische boekenzaakje in de Hoogstraat stond ook lange tijd de curieuze tekst vermeld, op een bord in de etalage: “Lire c’est pas dangereux!”

‘Brussel, ik min haar fragmenten en haar wonden…’
– Geert van Istendael

deze serie is tot stand gekomen i.s.m. accordeonist en fotograaf Bosz de Kler




Bulletin TV

For her weekly article in the magazine Brussels Unlimited, Rumanian born journalist Ana-Maria Tolbaru spoke with Dutch writer Serge van Duijnhoven who is living as an expat and self declared outcast for twelve years already in Brussels. “Ugliness and beauty live side by side here…”

As Belgium takes on the EU Presidency, Ana-Maria Tolbaru meets 27 Europeans from 27 countries. Pick up the 8 July edition of Brussels Unlimited for more from her interview with Dutch poet Serge Van Duijnhoven.

© Ana-Maria Tolbaru 2010.

For writer, poet, historian and singer Serge van Duijnhoven, the question of when and why he took up his multifaceted career doesn’t make any sense. “It’s not a matter of when I began writing, but a question of when and why the other people stopped being the writers and painters and singers they were when they were children,” he says.

The 39-year-old Dutch author has already published fiction, history and poetry in several languages, as well as launched an art magazine in the Netherlands called MillenniuM. He is a philosopher and a journalist, too, but his overriding passion is, he maintains, music. But where does music fit into all of this?

Van Duijnhoven recites his poems accompanied either by his own band or a jazz artist. His band, Dichters Dansen Niet (Poets Don’t Dance), took off in the late ’90s in The Netherlands and, even though the music may only have a narrow appeal, is still going strong. A fifth album will be out this autumn and there’s no sign of their stopping. “It’s an ongoing process. Through perfect coordination, we manage to put a spell on our audience and captivate them.”

All of which comes very easily to Van Duijnhoven. He unpretentiously weighs his every word, because, just as in his poems, his ideas are loaded with meaning, experience and knowledge. He lives in a house in the Marolles, with a wild, almost exotic garden. He shows me his huge collection of books. “Here,” he says, picking out a volume. “This is one I wrote just after I came back from the Bosnian war [where he was embedded in the army as a war journalist].” He also owns a vast number of CDs and records, because for him, literature needs music to be complete. “I use music because I want to express myself. I realised that words have limits and feelings are deeper than words, because feelings are endless,” he says.

Although he gives concerts and writes as a journalist in both the Netherlands and Belgium, Van Duijnhoven says he lives a “secluded” life – a way of life which he prefers. “I live as an outcast, but the peacefulness that this gives me is essential for my writing.” When he wants to put his pen down and go out, he heads to Recyclart on Rue des Ursulines (www.recyclart.be), Café Lord Byron (8 Rue des Chartreux), whose owner has got “a great sense of aesthetics” or the South Station market, where he “smells all the fragrances of the Mediterranean”. His favourite place, however, is the Royal Museum for Central Africa, in Tervuren (www.africamuseum.be). “I take tram 44 to get there and feel like I’m in a short story by Emile Zola. It’s like stepping into a time machine.”

But these are Van Duijnhovens’s only distractions. He tries not to clutter up his life with humdrum routine. “In Amsterdam my diary was too packed, to the point that I needed to escape and gasp for air, I wanted some time to reflect.” He has now spent half his life in Brussels. “This city is wonderful, but there’s also plenty of grim poverty and there are many people who don’t care about anyone else except themselves. Ugliness and beauty live side by side here.”

However, he still prefers Brussels to The Netherlands, because here he can lose his identity and become just the writer and performing poet that he is. He also likes Brussels for its very individualistic kind of beauty: “If you agree with Lautréamont’s Surrealist definition of beauty as ‘the chance coming together of a sewing machine and an umbrella on an operating table’, then you will find Brussels a very fine city to live in.”

– source:

http://anamariameets.eu/?p=178

published July 9th 2010

also: the 8 July edition of Brussels Unlimited, p.7

the video with the interview can be viewed at the following sites:

http://www.xpats.com/home

http://www.anamariameets.eu

http://www.youtube.com/watch?v=J7uK21bEEwQ

ROOK DOET LEVEN!

(c’est la brume qui fait la musique)
Au Laboureur, 108 Vlaamsesteenweg Bruxelles
http://www.thefishcaravan.com/contact.html

Serge R. van Duijnhoven (1970) is Brabander, Brusselaar en Marollien. Insomniac, epicureër, nachtbraker. Voormalig oorlogsverslaggever, Hollander en nachtreceptionist. Debuteerde in 1993 met de dichtbundel Het paleis van de slaap (Prometheus). Frontman van het muziekgezelschap Dichters dansen niet. Serge is medewerker van Vrij Nederland. Tevens was hij “Onze Man in Cannes” voor de culturele website van de VRT: http://www.cobra.be. In café Kafka draaide Serge in 2006/7 een jaar lang – tussen het pinten tappen door – platen tot het ochtendgloren. Vlaamsgezinde Belgen met vooral veel dorst, hebben er naar het schijnt een trauma aan overgehouden. Philip van The Fishcaravan geeft Van Duijnhoven een eenmalige kans om zich te rehabiliteren binnen de Vijfhoek als muzikale schuinsmarcheerder met een ongeneeslijke voorliefde voor het Franse luisterlied.

Serge in de Kandelaarsstraat

Serge in de Kandelaarsstraat. Fotograaf: Krystof Ghyselinck


,,NE STAD Mè NE SMOEL!”

Teksten: Lex Kloosterman

© De Standaard – dinsdag 1 augustus 2006

BRUSSEL. ,,Ne stad mè ne
smoel!” Zo noemde de Nederlandse
dichter Serge Van
Duijnhoven onze hoofdstad op
de eerste pagina van zijn plakboek
over Brussel. Hij woont
er nu bijna zeven jaar en voelt
er zich thuis. Meer dan in Nederland,
meer dan in zijn geboorteplaats
Oss en veel meer
dan in Amsterdam, de stad
waar hij studeerde.
,,Ik woon in Brussel omdat ik
hier wil wonen”, benadrukt
Van Duijnhoven terwijl we in
de keuken van zijn huis in de
Marollen zitten. ,,De stad geeft
me een gigantische levensappetijt
en inspireert me alle dagen
— en nachten!”
,,Brussel is België in een notendop.
Maar dan wel een notendop
die ruim een miljoen bewoners
telt. Het is geen mooie
stad, ook niet zomaar een lelijke
stad, veeleer een prachtig en
weids misbaksel met negentien
geledingen, koppen en een oneindig
aantal harige poten.
Brussel is even artificieel, hybride,
gelaagd, contradictorisch,
problematisch en boeiend
als België. Het is geen makkelijke
stad, geen stad die haar
bewoners met open armen
ontvangt.”
Om te bewijzen dat hij het allemaal
meent, toont Van Duijnhoven
een gedicht dat hij lang
geleden schreef, ,,Een leven op
twee plaatsen’’. Het gaat over
Amsterdam en Brussel en staat
in zijn eerste dichtbundel, Het
paleis van de slaap, uit 1993.
Hij leest het plechtig voor. ,,Ik
was toen al gefascineerd door
Brussel”, vertelt hij erbij. ,,Ik
wilde naar België. Tien jaar geleden
kon ik via vrienden een
huis in Gent krijgen. Ik ben
drie jaar verliefd geweest op die
stad, maar toen was dat ook
over. Dingen worden gewoon
als je ergens te lang woont.”
,,Maar voor Brussel voel ik een
gedurige liefde. Ik kan van de
stad gewoonweg niet genoeg
krijgen, omdat ik weet hoeveel
straten, pleinen en personen er
zijn die ik nog altijd moet ontdekken.
Brussel heeft iets dat
me het gevoel geeft thuis te komen.”
Dat hij al is bestolen en zelfs is
neergeschoten met een luchtdrukpistool,
heeft zijn mening
over de stad niet veranderd.
,,Brussel heeft ook scherpe
randjes, er is sprake van gettovorming.”
Een bende van zestien
man viel hem aan, drie kogels
bezorgden de dichter een
schedelbreuk. ,,Maar daar
moet je niet over zeuren, je
kiest er zelf voor om in een stad
als Brussel te wonen. Het zoete
is mooi, het bittere krijg je erbij.”
Hij zegt geleerd te hebben
om alert te zijn. Zijn motto:
,,The readiness is all”, van Shakespeare.
Shakespeare bood hem troost
in de moeilijkste periode van
zijn leven. In 1998 werd Van
Duijnhoven slachtoffer van
een auto-ongeluk. Zijn beste
vriend, de journalist Joris Abeling,
overleed daarbij. ,,Ik heb
behoorlijk in de kreukels gezeten.
Ik heb lang moeten revalideren
en heb er een trauma aan
overgehouden. Financieel
raakte ik in de problemen, vorig
jaar heeft een deurwaarder
zelfs alles meegenomen. Gelukkig
heeft een goede vriend
toen mijn boeken opgekocht.
Het ging zeven jaar slecht met
me, maar nu heb ik eindelijk
het gevoel dat het weer goed
gaat.”
Hij laat een boek van Shakespeare
zien, met complete vertalingen
en inleidingen van
Willy Courteaux, volgens Van
Duijnhoven ,,een grootheid”.
,,Ik moest me opnieuw bezinnen
en Shakespeare gaf me
daarbij kracht. Zijn levenswijsheid
is schitterend. Het is het
mooiste boek dat ik bezit.”
We lopen in zijn werkkamer
langs de goedgevulde boekenkast,
terwijl hij vertelt over zijn
inspiratiebronnen. Over Shakespeare,
Arthur Rimbaud,
Léo Ferré, Hugo Claus. Allen
beïnvloedden ze zijn oeuvre.
Zijn eerste werk kwam uit toen
hij 23 jaar was. Kenmerkend is
zijn combinatie van muziek en
poëzie.
,,In de literaire wereld sta ik bekend
als degene die altijd de
poëzie naar de muziek wil trekken.
Voor mij zijn beide altijd
verbonden geweest. Ik vind dat
er een enorm braakland bestaat
tussen de elitecultuur en
de populaire cultuur. Het grote
probleem is eigenlijk dat literatoren
mijn albums al gauw te
populair vinden, terwijl ze
voor festivals soms weer te intellectueel
worden bevonden.
Maar voor mij zijn de muziek
en de poëzie twee natuurlijke
partners.”
We lopen door de Marollen, op
weg naar boekhandel Bolle en
café Kafka, twee geliefde plaatsen
van de dichter. De eigenaar
van de boekhandel is de eerder
genoemde vriend die de boeken
van Van Duijnhoven opkocht,
Joris De Bolle. Iedere
maand organiseert Van Duijnhoven
samen met hem een literaire
avond in de boekhandel,
waarop telkens twee schrijvers
te gast zijn.
Ook het café probeert de dichter
,,nieuw literair leven in te
blazen”. Hij staat er drie avonden
per week achter de bar en
draait er zoveel mogelijk de poezie
en muziek waar hij van
houdt. En hij organiseert er exposities
en optredens van dichters
en muzikanten. ,,Mijn corvee
in Kafka zie ik als een typisch
Brusselse queeste om het
onverzoenbare lelijke en schone
bij elkaar te brengen.”

Van Duijnhoven vindt het een
groot voordeel dat hij in Brussel
met zowel de Franstalige als
Nederlandstalige cultuur in
aanraking komt. ,,Het is een
frontlijn tussen beide culturen.
En ik wil me laten voeden door
allebei, dus daarom woon ik
hier graag. Brussel is het enige
stukje België in België.”

fotograaf: Bosz de Kler - september 2009 op het Vossenplein

Plekjes die Van Duijnhoven na aan het hart liggen: het Afrikamuseum…

■ Quote
,,Brussel is een surrealistische
mengeling
van het mooie en
het lelijke”

■ Wat is inspiratie?

1. Hugo Claus. ,,Een grote
bron van inspiratie. Voor mij is
hij de belangrijkste schrijver van
de Nederlandse letteren, omdat
hij ontzettend veelzijdig is. Het
benijdenswaardigste in zijn
boeken is het schijnbare gemak
waarmee dingen geschreven en
gemaakt zijn. Tussen neus en
lippen door. Je ziet altijd de
hand van de meester in zijn
werk. Hij is de Michelangelo
van de Nederlandstalige literatuur.”

2. Léo Ferré. ,,Op de middelbare
school bracht mijn docent
geschiedenis ooit een platenspeler
mee om een plaat te draaien
van een Franse zanger genaamd
Léo Ferré.

Een man met een
knarsende, bijtende stem, geen
zoetgevooisd gezever van een
Angelsaksisch popengeltje, maar
het rokende vitriool van een opstandige
Lucifer die zichzelf begeleidde
op de piano. Als ik die
plaat toen niet gehoord had, dan
was ik vermoedelijk geen schrijver
geworden. Met Ferré brak
het slot op mijn geharnaste bewustzijn.
Vanaf toen ontdekte ik
de literatuur en de dichters die
hij op muziek had gezet.”

3. Arthur Rimbaud. ,,Met
die dichter is het allemaal begonnen.
Ik ben op zijn spoor gebracht
door Ferré, die hem op
muziek had gezet. Rimbaud
heeft voor mij de horizon van
wat er allemaal mogelijk is in de
letteren, een heel eind verder geschopt.
Hij is vergelijkbaar met
de Nederlander Lucebert. Hij
kan taal loskoppelen van de werkelijkheid
en de syntaxis. Via
hem ben ik andere poëzie gaan
lezen. Zijn werk is als een berg
die je steeds opnieuw wilt beklimmen,
en die hoe dan ook
een raadsel blijft. Van Une saison
en enfer kan ik bijvoorbeeld
niet genoeg krijgen. ‘Il faut
comprendre une femme ou
l’aimer.’ Je kunt niet allebei. De
dingen waar je echt van houdt,
zul je nooit helemaal kunnen
begrijpen.”

4. William Shakespeare.
,,De grootste aller tijden. Vooral
Hamlet heeft me veel kracht en
troost geboden in tijden van
persoonlijke nood. Nadat mijn
beste vriend Joris was
overleden, heeft Shakespeare
me erdoor geholpen. De dood is
voor als je oud bent, dacht ik
toen. Maar je moet er klaar voor
zijn; als het komt, dan komt het.
The readiness is all.”

5. Ali Haurand. ,,Haurand is
een Duitse contrabassist, die
werkte met Jacques Brel.

Het
ontroerende lamento No more
chains klinkt zowel monter als
triest, schertsend als snikkend.
Het is een pure levenskreet en
jammerklacht ineen. Dit nummer
is voor mij een grote bron
van inspiratie geweest.” Van
Duijnhoven maakte ooit een
tour met de contrabassist door
Rijnland Westfalen en het klikte
goed tussen de twee. Op de nieuwe
cd van zijn formatie Dichters
Dansen Niet, Klipdrift, staat een
versie van No more chains,
waarvoor hij samenwerkte met
Haurand.

■ Bio

● 1970: Geboren in Oss,
Nederland.
● 1989: Gaat geschiedenis
studeren in Amsterdam.
● 1993: Debuteert als
dichter met Het paleis
van de slaap en richt het
tijdschrift Millenium op.
● 1995: Zijn eerste roman
wordt gepubliceerd, Dichters
dansen niet. Werkt als
verslaggever voor De
Morgen en De Volkskrant
in Sarajevo.
● 1997: Van Duijnhoven
is een van de oprichters
van de formatie Dichters
Dansen Niet, die poëzie
en muziek combineert.
Publiceert Eindhalte
fantoomstad en een jaar
later Obiit en Orbit – aan
het andere eind van de
nacht, poëziebundels met
een bijgevoegde cd.
● 1999: (Balkan) Wij
noemen het rozen komt
uit, een verzameling nonfictieverhalen
en reportages
over de Balkan. Het
boek komt op de longlist
van de Gouden Uil 2000.
● 2003: Bloedtest; dichtbundel
met cd.

■ De ultieme hallucinatie

Eén Brussel met bruis, twee
Brussels met liefde. Dat is de
voorlopige titel van het fotoboek
over Brussel waar Van
Duijnhoven aan werkt. De titel
verwijst naar ,,Bruxelles” van
Jacques Brel: ,,C’était au temps
où Bruxelles bruxellait”.
Een fragment: ,,Volgens velen
is Brussel een lelijke of ronduit
monsterlijke stad, het waterhoofd
van een Siamese tweeling.
Maar in plaats van als een
onooglijk samenraapsel, kan
men Brussel ook zien als een
soort surrealistische collage
van onwerkelijke combinaties
die in het dagelijks leven op elkaar
zijn geplakt. Wie zich kan
vinden in Lautréamonts omschrijving
van schoonheid —
de toevallige samenkomst van
een paraplu en een naaimachine
op een operatietafel — heeft
in deze stad niets te klagen.”
De ,,Brussels’’ in de titel verwijzen
volgens Van Duijnhoven
naar de pluriformiteit van
de Belgische hoofdstad, met
haar negentien deelgemeenten,
talloze nationaliteiten en
twee talen.
,,Brussels is a city of multitudes,
de multilinguïstische navel
van het voortvarende continent
Europa.‘Brussels’ verwijst
daarnaar, maar ook naar het
Engels, dat vanwege de diplomatieke
functie van de stad zo
alom aanwezig is. ‘Brussels’
dekt de lading beter dan ‘Brussel’.”

Guppie de Gek

Serge voor de etalage van nachtbar Goupil le Fol – Violettenstraat.

Bij deze schemerige nachtbar met jukebox vol Franse chansons van Brel, Ferre, Brassens en Gainsbourg, blijft SvD jaar in jaar uit, nacht na nacht terugkeren. De nurkse, gierige eigenaar met de baard en zijn gemene streken neemt hij er maar voor lief bij. Goupil le Fol heet het etablissement in de Violettenstraat om de hoek bij de Grand Place. Guppie de Gek. Het interieur binnen is een soort van rariteitenkabinet met talloos veel snuisterijen die uiting geven aan de patron’s liefde voor Belgie, de vrijheid en het chanson. Gecraaqueleerde vinylplaatjes bungelen in hun hoesjes omgekeerd aan touwtjes aan het plafond. Er zijn wel twintig hoekjes en plekjes waar bezoekers zich gerieflijk en desgewenst teder kunnen terugtrekken op zowel de begane grond als de eerste verdieping. Gegarandeerd dat er iedere keer dat u er komt een nieuwe jonge ranke dame de fruitwijnen van eigen makelij komt uitserveren. Blauwbaard Goupil heeft er een gewoonte van zijn vrouwelijk personeel sneller op te gebruiken dan ze naar het arbeidsbureau kunnen hollen. Gelukkig is er die zalige, heerlijke en nergens anders nog vindbare muziek die er voor een paar munten uit de Wurlitzer tevoorschijn getoverd kan worden. La Memoire et la Mer van Ferre, Nantes van Barbara (die om de hoek heeft gewoond), La decadanse van Gainsbourg, L’anniversaire van Aznavour, etc. etc.. Blauwbaard Goupil ziet vanuit zijn verstelbare leunfauteuil met ingebouwde transistortelevisie uit het koloniale tijdperk van Koning Boudewijn waarin alles nog geruststellend zwart-wit mocht zijn, uiterst streng en nauwlettend toe op de financiele transacties waarmee klanten bij de gratie van des patron’s humeur en achterdocht, aan het einde van de nacht hun vrijheid en wijsheid af dienen te kopen in deze mythische bistro de nuit. Zo niet: dan gaat hun kop eraf en bungelen de lokken de volgende avond in sombere krulfiguren naast de veelal gebarsten plaatjes die de hemel van dit schimmenrijk bevolken.
Fotograaf van deze foto is vanzelfsprekend Bosz de Kler – wiens in 2006 geboren zoontje niet voor niets luistert naar de naam Sjakie. Naar – u raadt het al – Jacques Brel.

Apologie voor een curieus misbaksel
‘Een Brussel met bruis/twee Brussels met liefde…’

‘Brussel, ik min haar fragmenten en haar wonden…’
– Geert van Istendael

als het regent in Parijs druppelt het
uit deze ooghoek van Europa, het ballingsoord
waar ik mij thuisvoel als Hollandse barbaar
tussen de niet-bestaande Belgen

een noordse Brabander wandelend
en slapend op de breuklijn
terwijl de aarde zachtjes trilt
en de lucht verschiet

oorlog, nee die komt hier niet
daarvoor is niemand bang
geen barricades, sluipschutters
en schuttersputjes, wel een notelaar

die in het vroege voorjaar al in bloei staat
achterin de Leekesgang, bloesems der
verscheidenheid voor wie verkiest
te wonen in een huis dat vluchtig is

en vreemd als het gefilterd licht
uit kinderdromen, is deze stad
geen sprookje of bestemming
maar vervolg van het bronzen ketje

dat pist naar de schrijn van verdriet
op de trap van het palais de justice
focus. inventie. artefact. c’est quoi
la Belgique! een prachtige faux pas

ontstaan tijdens een wals
in Weense balzalen. Lautréamont
omschreef schoonheid als de toevallige
samenkomst van een parapluie

en een naaimachine op een operatietafel.
op die manier behoort dit woonoord tot de knapste
concepten zijn, zegt men, mentale beelden
gevoel is een manier van kijken

Brussel een manier van leven

uit: Bloedtest (De Bezige Bij 2003) p.63

Liedje: ‘Le Marseillaise Marolienne’

Waaile zaain Maroliens gebaure
En van de doche giene schrik
Teghe ons zaain ze verlaure
Wemme ginn woupes, we smijte me ne chik
Haaft aale stil, ik uur ze ghinder komme
Sloug iene de kop
Me iene gooie staul
Oem den ander ne blous op zen smaul
Haaft aale stil, ik uur ze ghinder komme
Aux armes citoyens, formez vos bataillons
Marchons, marchons, blaave ne mi stoun
Mijn leek es gedoun

Ik keer terug thuis, na een lange buitenlandse reis, in pikkedonker. Het licht op straat is uitgevallen, en ook in het trappenhuis en de rest van mijn woning in de Marollen, laat de electriciteit het afweten. Buurtbewoners dragen kaarsen aan, en maken van de nood een deugd door er meteen maar een romantisch avondje van te maken en dicht bij elkaar te kruipen. Zachte gouden schijnsels flakkeren achter de ramen, en blijkbaar ben ik niet de enige die zijn goede humeur niet van slag laat brengen door een hapering in de voorzieningen van de firma Electrabel. Ik voel me goed. Ik voel me op mijn gemak. En meer: want ook al ben ik officieel een van die vele vreemdelingen met een buitenlands paspoort die niet in Brussel is opgegroeid en er zelfs geen familie heeft wonen, het is hier in Brussel dat ik me thuisvoel. Meer dan in mijn eigen land Nederland. Zelfs meer dan ik me ooit gevoeld heb in mijn geboortestreek aan de Maas in Noord-Brabant. Al moet ik toegeven dat het van Noord-Brabant naar Vlaams-Brabant nu ook weer niet zo’n grote stap is. Toch horen mensen het meteen aan mijn accent: ik ben een kesekop. Een ‘dikke nek’ uit het noorden. Maar mijn keuze om me in Brussel te vestigen is er een van vrije wil, en anders niets. Ik woon hier, omdat ik hier wil wonen. Omdat mijn beroep (schrijver) niet plaatsgebonden is en een schrijver (in de definitie van Gerard Reve) weinig anders is dan een kleine zelfstandige ondernemer ‘die zijn winkeltje op zijn rug draagt’, hoefde ik me ook niet te laten weerhouden door allerhande factoren die voor de meeste mensen toch als een soort onwrikbare parameters worden opgevat, als limieten die niet enkel door het onbetekenende toeval zijn bepaald maar door iets wat het arbitraire overstijgt. Een onverdraaglijke gedachte, het leven als iets dat van enige bestemming, nut of vooropgezet plan verstoken is! Vandaar dat de meeste mensen het verkiezen om hun bestaan in ieder geval de schijn mee te geven van een of ander doel en doen ze alles waarvan ze vinden dat het van hen verwacht wordt; zo springen ze efficient met hun tijd om en maken ze carriere en doen ze aan familieplanning en leven ze hun leven alsof er een alomvattend bestemmingsplan dient te worden gerealiseerd.

Pachecolaan Brussel

Volgens velen is Brussel een lelijke of ronduit monsterlijke stad, het waterhoofd van een Siamese tweeling. Maar in plaats van als onooglijk samenraapsel, kan men Brussel ook zien als een surrealistische collage van onwerkelijke combinaties die in het dagelijks leven op elkaar zijn geplakt. Wie zich kan vinden in Lautréamonts omschrijving van schoonheid (zie het gedicht aan het begin van deze apologie; ‘schoonheid als de toevallige samenkomst van een parapluie en een naaimachine op een operatietafel’), heeft in deze stad niets te klagen.

Brussel is Belgie ten voeten uit, op en top, en in een notendop – zogezegd – maar dan wel een notendop die ruim een miljoen bewoners telt. Geen mooie stad, evenmin enkel en alleen een lelijke stad, eerder een prachtig en wijds misbaksel met negentien geledingen, koppen en een oneindig aantal harige poten. Brussel is even artificieel, hybride, gelaagd, contradictorisch, lelijk, schitterend, chaotisch, problematisch en boeiend als het land waar het de hoofdstad van is. Geen makkelijke stad ook, geen wezen dat zich gemakkijk bloot geeft of haar bewoners met open armen ontvangt. Toch voel ik me hier meer dan elders op m’n gemak. ‘O Brussel ik min uw fragmenten en uw wonden’, schreef Geert van Istendael – eigenlijk de enige echte ‘Belg’ (dus niet Vlaming of Waal) die ik ken. En deze schrijver heeft dan ook een goed deel van zijn vroege jeugd als Belgisch emigrantenjong in Utrecht doorgebracht, om naar deze gespleten stad met zeven heuvels aan de gedempte Zenne terug te keren toen hij alweer bijna volgroeid adolescent was.
‘Brussel benadert de schoonheid van Praag niet eens, maar zou ik wel zonder de Brusselse lelijkheid kunnen leven?’ vraagt Van Istendael zich af zijn boek Arm Brussel dat onlangs bij uitgeverij Atlas is herdrukt, en dat ik deze zomer nietsvermoedend had gekocht en al lezende tot mijn eigen verbazing ontdekte dat ik zelf deel uitmaak van het specifieke stadsplan dat de schrijver bij zijn breed uitwaaierende vertelling hanteert… toch vreemd om je naam plotseling aan te treffen temidden van al die historische en architectonische wetenswaardigheden; in Gent woonde ik nog incognito, tot mijn genoegen overigens want incognito wonen geeft een heerlijk gevoel van ‘spijbelen’, van stiekem vrijaf nemen en verstoken zijn van al teveel verplichtingen. Het leven ‘incognito’ – ik stond bv. nergens officieel ingeschreven – was een leven dat bol stond van de mogelijkheden maar nog niet helemaal serieus was te nemen, minder definitief en ‘lichter’ op de wijze dat Kundera lichtheid beschrijft in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Als incognito in Gent had ik op de een of andere manier het gevoel dat de tijd er niet vol meetelde, en dat bij de eindbalans die ooit zou komen die gloedvolle jaren niet op het totaal in mindering hoefden te worden gebracht… een illusie natuurlijk, maar zo voelde het wel.
… hier (in Brussel) ben ik overal ingeschreven, ik ben officieel ingezetene, alles ‘zoals het hoort’, mijn situatie is ‘bestemd’ geworden, en ook gekend – zie de vermelding in het boek van Van I. waarin ik net als Oscar van den Bogaard sta aangeduid als ‘die uit Nederland verkaste schrijver’ die in de Belgische hoofdstad is neergestreken, meer specifiek de Marollen, de wijk van waaruit ‘de verzen uit Van Duijnhovens veder vloeien’ (het staat er echt!, p.204) …. En ook al moest ik smakelijk lachen toen ik die zin las met dat heerlijk oubollige woordje ‘veder’, tegelijkertijd besefte ik op dat moment pas echt dat die incoginito-periode behoort tot het verleden… en daarmee ook toch een petit peu ‘fini de rire’ en voorbij le temps de ma bohème, de tijd van het losvast, a l’improviste, het leven als een potloodschets met lijnen die te allen tijden kunnen worden weggegumd of overgekrast… de heerlijke vrijblijvendheid van dat gespijbelde leven in between – heeft plaatsgemaakt voor een bestaan dat serieuzer is, bestemder, getuige ook alle post en rompslomp wb belastingen, sociale lasten en statuten, notarisakten, verblijfs&werkvergunningen. het potlood is terzijde, het penseel is sedert ik in Brussel woon gedoopt in inkt, acryl, olieverf – dat zou je natuurlijk kunnen zien als een vooruitgang, zo van: in plaats van schetsen maak ik nu ‘echt werk’ waarvoor hogere tarieven gelden, maw ik ben opgeklommen naar een hogere schaal… maar meer inkomsten betekent ook meer tax, meer sores, het betekent dat het leven minder licht is, minder gemakkelijk en soepel en onbevangen, gerieflijker allicht maar uiteindelijk ook minder wendbaar en spannend dan toen niets nog vast leek te liggen en de klei nog lekker nat en kneedbaar was. Ook al ga ik mijn verantwoordelijkheden beslist niet uit de weg, alleen van een ‘vooruitgang’ kun je bij het verlies van al dat kostbaars, al dat jeugdigs en waardevols op immaterieel gebied, toch niet meer spreken? Het is een gemengd verhaal – en het valt te bezien of ik nu beter af ben dan toen. Het hangt ervan af waar je kijkt, welk aspect je beziet. Wat gemeente betreft ben ik er zeker op vooruit gegaan, ik geniet van elke dag dat ik hier woon, echt waar.
Mijn drie jaren in Gent (96-99) zijn me goed of zelfs heel goed bevallen; de stad is een wonder van pittoreske schoonheid en studentikoze knusheid, maar op gegeven moment begin je temidden van al die ‘schattige’, historische en goeddeels van autoverkeer ontdane steegjes toch echt de minder zoetsappige, ietwat gemene geest van een grootstad te missen. Bovendien is Gent in 1999 bij de verkiezingen van juni zo onaangenaam zwart geblakerd (het Vlaams Blok werd er nipt de grootste, ex aequo de socialisten), dat het er sindsdien alleen nog aangenaam toeven is voor wie politiek zijn kop in het zand steekt. ………………..
Dan is deze verhakkelde stad die zich bevallig de hoofdstad of zelfs ‘navel’ van Europa laat noemen (het ‘Delphi’ van de EU) maar dat zelf zelden of nooit doet, oneindig opener van geest, veelzijdiger, gelaagder, gecompliceerder, minder bekrompen, moeilijker en boeiender. Zo hybride als deze curieuze hoofdstad van dit surreele land – sommigen zullen zeggen: zo schizofreen; en vergelijken het met het waterhoofd van een Siamese tweeling – ken ik er geen. Brussel is in vele opzichten een lelijke opengebarsten puist van bijtende, schurende of vloekende contrasten (Art nouveau-monumenten en stinkende fabrieken, verlaten koninklijke paleizen en verpauperde wolkenkrabbers, krotwijken en villaparken, koppige Vlamingen en arrogante Franstaligen, verheven Eurocraten en proletarische Brusselaars wier wieg en bestemming allerminst Europa is, de broeierige facilitaire randgemeenten en de bruisende vitamine c-politiek van de federale overheid) maar de surreele schoonheid die ondanks of wellicht juist vanwege alle bacteriele vuiligheid hier en daar aan de oppervlakte komt, is zo overrompelend en uniek dat je de miserabele rest er graag bij neemt. In plaats van als onooglijk samenraapsel, kan men Brussel ook zien als een surrealistische collage van onwerkelijke, vreemde, gruwelijke combinaties die in het dagelijks leven op elkaar zijn geplakt. Wie zich kan vinden in Lautréamonts omschrijving van ‘schoonheid als de toevallige samenkomst van een parapluie en een naaimachine op een operatietafel’, heeft in deze stad in elk geval niets te klagen. Ik kijk hier iedere dag – en nacht – mijn ogen uit.
Neem vandaag, zelfs op deze dinsdag in februari; met een lucht van stralend blauw kristal, een koude winterdag en hemel met de kleur van lapis lazuli, die (als ik uit het raam kijk) zich dreigend verheft boven die met laken ingepakte, verbazingwekkend hoge koepel (ruim 200 meter boven het nulpunt van de stad) van het justitiepaleis; een verfrommeld cadeautje lijkt het wel die ingepakte koepel, een verfomfaaide kabouterpuntmuts op de kop van een tot steen betoverde reus; maar hoe verpak je in hemelsnaam het letterlijke toppunt van neoclassicistische, neobabylonische, neo-egyptische pompeusiteit uit het protserige Europa van weleer? De climax van dat buitenproportioneel volumineuze gebouw dat gewijd is aan Vrouwe Justitia, de megalomane kolos die bewust nog een kwartmaat groter is gebouwd dan het toch al onbevattelijke Vaticaan? Echt waar, geen geintje, een scheut van 25% groter dan het Vaticaan! zo opgeblazen is dus dat alle maten tartende palais de justice in de schaduw waarvan ik woon! Toenmalige bewindslieden, zoals minister van justitie Bara, had dan ook als doel voor ogen dat het justitiepaleis niet alleen het ‘mooiste’, nee – le seul du XIXsiecle moest worden. De architect van het gigantische monster, Poelaert, is tijdens de bouw nog vervloekt geweest door een ‘heks’ uit de Marollen – een alleenstaande vrouw vol haat die het niet verkroppen kon dat ze zo bruut uit haar huisje op de galgenberg werd gedreven, en plaats moest maken voor dat megalomane bouwprojekt dat de oude, schilderachtige volksstraatjes zonder pardon verpletterde als een nietig mierennest dat werd platgestampt onder de zolen van een ziedende olifant. De toverspreuken van het booswicht zijn niet zonder gevolg gebleven, want architect Poelaert werd krankzinnig verklaard nog voor het gebouw helemaal was opgeleverd en eindigde zijn dagen vastgeketend aan een bed in een gekkengesticht. De hoofdstad bleef opgescheept met de erfenis van zijn magalomane aandoening… en eerlijk is eerlijk, zo onverteerbaar is het overblijfsel van Poelaerts kwalen ook weer niet… veel grijze kantoorflats verstoren het stadsbeeld ziekelijker. Het paleis kun een mens gerust verdragen; ik ga altijd joggen op het versteende en geasfalteerde onderlichaam van de mastodont. zigzaggend de galgenheuvel op, en met zevenmijlspassen de heuvel af…. sprintjes trekkend langs het miserabele schrijn voor de vermiste kinderen op de grijze trappen bij de hoofdingang, dat onbeholpen monument van wanhoop en onbehagen, en een en al kleinmenselijk verdriet, aandoenlijke memorabilia, verregende papieren, vlekkerige bidprentjes, blijken van medeleven, familiekiekjes, kindertekeningen,verlepte bloemen van wanhoop en onbegrip… La Belgique de tous ces cotes… triste et fier et – silencieusement – dans un etat de rebellion plus ou moins permanente. Een land van geboren anarchisten, die face to face geen grote bek geven tegen de nazaten van de vele volken die hen met veel bombarie en dwang zijn komen onderdrukken, maar ondertussen precies doen wat ze zelf willen. Ritselaars, foemelaars, egoisten ook wel, en (helaas) koppige & boertige lieden die het overduidelijk niet op buitenlanders hebben begrepen; op Nederlanders evenmin als op Marokkanen, Koerden of ‘makakken’ (zwarten, lett: ‘apen’). Ik heb je ooit al verteld, geloof ik, hoe ik begin 1999 een telefoontje mocht ontvangen van Lukas H., producer van de Vlaamse Radiozender (toen nog VRT 3 geheten; nu KlaRa (klassieke en culturele zender), die meldde dat ik niet was aangenomen als filmrecensent voor het cultuurprogramma De Kunstberg omdat ik `te Hollands klonk’. L.H. voegde er de merkwaardige constatering aan toe `dat hij dit niet racistisch bedoelde’. Hoe dan wel? Toen ik het twee jaar later opnieuw probeerde kreeg ik hetzelfde te horen: ‘uw praatjes zijn mooi, maar u klinkt te Hollands…’ Vrienden raden me inmiddels aan, om een zacht soort van Vlaams accent te kweken, want zodra een Vlaming ‘Hollander’ bespeurt, gaan zijn nekharen recht overeind staan en klappen zijn flaporen dicht.
‘Maar allee, we meuge nie kloage’, om met de ouders van Louiske Hoeks te spreken – een jeugdvriend van me uit Berghem (bij Oss)… ‘we meuge nie kloage…’ Het gezin Hoeks bracht de zomer gewoontegetrouw door in een vakantiehuisje op de camping in Schaijk (12 km van Oss), en ook al regende het daar geregeld dagenlang of in een geval zelfs twee weken aan een stuk, iedere reden tot lamentatio werd bij voorbaat de kop ingedrukt met die deemoedige bezweringsformule uit het Oost-Brabantse heartland: ‘we meuge nie klaoge’ – soms ook verklankt met die typische dubbele ontkenning die zuiderlingen eigen is (net als Zuid-Afrikanen, ook zuiderlingen nietwaar): ‘we meuge nie klaoge nie…’ (Waarop de vader of moeder van Louis dan hoofdschuddend antwoordde: ‘klaoge? nej, da meuge we nie…’)

fotograaf: Philou

Elke keer weer, sta ik ervan versteld hoeveel Vlamingen bang zijn voor Brussel of er ronduit een hekel aan hebben. Zelfs progressieve theatervrienden vinden deze stad te min, goor en gevaarlijk om er hun kinderen op te voeden. De Vlaming woont eigenlijk alleen graag ‘op de buiten’, in het verkavelde landschap tussen koeienweide, asfalt en meubelboulevard, en in de beschermende nabijheid van een kerktoren.
Brussel heeft vele minder leuke kanten, dat zie ik ook wel – en heb ik afgelopen voorjaar aan den lijve ervaren toen ik door een bende Marokkanen hier in de Hoogstraat het ziekenhuis in geslagen en geschoten ben – met een schedelfraktuur en hevig bloedend uit diverse wonden. maar dat is een ander verhaal, dat niet zozeer met Brussel als wel met het probleem van Marokkaanse schoffies & de Marokkaanse gemeenschap tout court, te maken heeft.
Ook voor de lelijkheid van de stad kan niemand blind blijven. Brussel is in vele opzichten een lelijke opengebarsten puist van bijtende contrasten (Art nouveau-monumenten en stinkende fabrieken, verlaten koninklijke paleizen en verpauperde wolkenkrabbers, krotwijken en villaparken, koppige Vlamingen en arrogante Franstaligen, verheven Eurocraten en proletarische Brusselaars wier wieg en bestemming allerminst Europa zijn, de broeierige facilitaire randgemeenten en de bruisende vitamine c-politiek van de federale overheid) maar de schoonheid die ondanks alles door alle bacteriele vuiligheid heen schemert is zo overtuigend en vooral ontwapenend dat je de rest er zonder meer bij neemt.
Wat ik wel mis in het centrum van Brussel dat is natuur, groen, bomen. Zelfs de parken bestaan uit weinig meer dan rillerige staken, kortgemaaide gazons en brede grintpaden. Daar staat tegenover dat Brussel omzoomd wordt door een heus ‘woud’, een oerbos zelfs, waar naar verluid zelfs roedels wilde honden voorkomen die af en toe wat schapen en lammeren soldaat maken.
Maar ook de curieuze details zoals de blauwe poort van FEDIEX* met de twee stenen adelaren, die ik hier laatst ontdekte in de Troonstraat (zie hieronder), maken het tekort meer dan verdraaglijk. En zeg nou zelf, alleen die domme Italianen en Amerikanen zweren toch bij het cliche van de klassieke, smet- en karakterloze schoonheid zonder rimpels?
Het Verbond van Ontginnings- en Verdelingsbedrijven van Onbrandbare Gesteenten FEDIEX

Op weg naar de Europawijk, die is gelegen op de grens van het centrum en de Brusselse deelgemeente Etterbeek, passeer ik in de Troonstraat – niet zo heel ver van het Warandepark – een opvallende blauwe poort die tussen de kantoorgebouwen staat ingeklemd. Een statige toegang van wel vier meter hoog met aan iedere zijde een adelaarskop. FEDIEX staat er op een plakkaat naast de ouderwetse bel die bestaat uit een glimmend knopje op een koperen plaat, Verbond van Ontginnings- en Verdelingsbedrijven van Onbrandbare Gesteenten.
De merkwaardige naam van dit Verbond roept onmiddellijk associaties op met vervlogen koloniale tijden van Leopold II en de Zijnen, toen Belgie zich vrijwel onbeperkt rijk roofde in de binnenlanden van Kongo en Centraal Afrika. De poort met het tot de verbeelding sprekende opschrift, zou perfect hebben gepast in een van de boeken en verhalen van de schrijver W.F. Hermans. Zijn werk staat vol met dit soort aan ertsen, aardkluiten en vulkanisme ontleende aanduidingen en eigennamen. Fysische geologie en literatuur zijn twee verschillende disciplines, maar de scheidingswand tussen beide was voor Hermans alleminst impermeabel. De auteur doceerde als lector aan de universiteit, en schreef tegelijkertijd ontluisterende boeken over (en dit zijn diens eigen woorden): ‘het geologisch tijdperk dat bepaald wordt door het gidsfossiel mens.’ De hoofdpersonen uit zijn romans en verhalen zijn meestal een soort van magneten die niet bewegen, en toch onverbiddelijk vijanden aantrekken;
Zijn collega’s aan de Rijksuniversiteit van Groningen hadden er weinig begrip voor dat Hermans beide disciplines tegelijkertijd beoefende, vooral toen zijn boeken eind jaren zestig goed begonnen te verkopen. Hermans, zo werd gezegd, ‘moest nu maar eens uitmaken waar zijn prioriteit lag: bij zijn boeken of studenten’. Hermans liet de eer aan zichzelf en pakte zijn biezen. Als vrijwillige balling streek hij in 1974 neer in Parijs, de laatste jaren van zijn leven bracht hij door hier in Brussel. Zijn huis stond niet eens zo ver van deze poort vandaan, in de Atrebatenstraat (nr.61). Dit maakt het dus niet ondenkbeeldig, dat Hermans tussen 1991 en 1995 wel eens aan deze wonderlijke plek zal zijn gepasseerd. Op weg naar of komend van de vlooienmarkt in de Marollen bijvoorbeeld, waar hij graag rondsnuffelde op zoek naar ontbrekende delen uit de Larousse Medische Encyclopedie of naar een interessante, afgedankte typemachine die hij nog van de schroothoop kon redden, repareren en toevoegen aan zijn verzameling van tweehonderd stuks.
Wat frappeert aan de poort met de adelaarskoppen (naast de grimmigheid waarmee de roofvogels over de brede en drukke kantoorstraat uitkijken, als bewaakten ze een schat of een graftombe), dat is het contrast met de amechtig karakterloos gebleven blokkendozen ernaast. Op elkaar gestapelde verdiepingen met getint glas tussen egaal grijze stroken, dat als een soort verbandgaas alle wonden moet bedekken. Sickbuildings met beduidend meer volume dan betekenis, meer functie dan vorm, meer verdiepingen dan diepgang. Plompe drillpuddingen die op het punt staan het portaal voorgoed aan het straatbeeld te onttrekken door het te bedelven onder een laag blubber van zestien etages. Recht-toe-recht-aan architectuur van de decennia na de Tweede Wereldoorlog, getekend op tafels van grote architectenbureau’s in opdracht van de Brusselse nomenklatuur die grote visioenen hadden over het geld dat ze konden verdienen aan het bouwen van een zakendistrict vervaardigd uit glas, baksteen, beton en een nog een paar grijze allesbehalve ‘Ontbrandbare Gesteenten’. De typische bouwstijl van de ‘global village maffia’, de wereldwijde societeit van louche mannen met een overdadig ontwikkeld zakeninstinct hun gebrek aan fantasie probeerden te compenseren. Die geen principieel verschil konden zien tussen het leggen van een kamerbreed tapijtje in een bungalow, en het aanleggen van een strook gebouwen door het centrum van Brusselse. Speculanten, aannemers, projectontwikkelaars, mannen met invloed in de politiek. Men kan ook zeggen: vandalen, plunderaars en brandschatters die de voorbije eeuw in alle historische steden en op deze planeet een spoor van vernieling hebben aangericht en (erger nog) ons tot in lengte van dagen hebben ogezadeld met de gevolgen van hun hebzucht en smakeloosheid. Er zou, post mortem desnoods, een tribunaal opgericht moeten worden om dit soort criminelen te berechten voor het plegen van urbicide en andere kapitale misdaden tegen de menselijkheid en de beschaving.
Ze zullen er zelf geen nachtje van wakker hebben gelegen, vermoed ik, de lieden die voor deze wanstaltige architectuur verantwoordelijk zijn. Ze zullen zelf geen centje pijn hebben ondervonden van de talloze onteigeningen, ze zullen vast geen traan hebben gelaten om de gruwel die door hen is aangericht. Ze zullen geen greintje spijt hebben gevoeld om de splendeur die door hun werklieden meedogenloos aan splinters is gehakt en tegen de vlakte gesmeten. En toch moet het ook hen zijn opgevallen dat het straatbeeld er in de loop der jaren zoveel schraler en monotoner op geworden is. Edoch: spijt is niet hun stiel. Hun leven is er bepaald niet slechter op of minder door geworden. Los daarvan. Wat zouden ze zich schuldig voelen? Ieder zijn zaken. Zij doen en deden de hunne. Daarbij: ze gaven ‘gestalte aan de toekomst’. Hielpen de stad inrichten. Ze hebben haar behoed voor de leegte en stilstand. Ze hebben, kortom, meer dan wie ook hun steentje bijgedragen aan de maatschappij.
Wat zijn eigenlijk de ‘Ontbrandbare Gesteenten’ die door de bedrijven van het Verbond van Ontginnings- en Verdelingsbedrijven van Onbrandbare Gesteenten worden ontgonnen en verdeeld? Fosfor? Bauxiet? Uranium? Plutonium? het mythische Kryptoniet wellicht waarmee schurken uit de superman stripreeks keer op keer de aarde dreigen te vernietigen? Ik wil aanbellen om te informeren, gewoon uit nieuwsgierigheid, maar aarzel of het geen al te wereldvreemde of verdachte indruk zal maken. Het is tenslotte een serieus kantoor van een Federation en geen kruidenierszaak met lekkernijen in de aanbieding. Mijn vinger haal ik van de bel, en ik loop door. Toch kan ik het niet laten om na enkele passen alweer om te kijken naar de helblauwe poort met de statige adelaarskoppen. Ik begrijp waarom ze zo grimmig kijken. Als ik hier de volgende keer langsloop, zijn ook zij misschien verdwenen, platgedrukt door de kantoren aan weerszijden, met toegangspoort en al onder het tapis plain gemoffeld, weggeschoffeld tussen de onderaardse schatten die ze al die tijd hebben bewaakt. De diepe, donkere schachten der ontbrandbare gesteenten. De nazaten van Leopold zullen het winnen van de Majesteit. Wie vuur steelt uit de hel / kan heersen op de aarde…

Brussel is zowel een gemeentelijk en regionaal, als een federaal en pan-Europees machtscentrum en conglomeraat. Het is het federale waterhoofd van het Siamese Koninkrijk, en de trotse, vaak ook hooghartige kapitool van een continent dat zich verschillende malen op de rand van de afgrond had gebracht, en dat zich na WO II plechtig heeft voorgenomen om ons aller bestemming voorgoed los te trekken uit de klauwen van het nationalisme, de volkerenhaat en de niet meer in toom te houden economische wedijver tussen buurlanden die altijd van de stelling zijn uitgegaan dat ‘landen geen vrienden kunnen hebben, enkel belangen’.
Brussel is belast met de haast onmogelijke taak, om een brug te slaan tussen het oude Verdeelde Europa (met haar historie van oorlog, revolutie, armoede, uitbuiting, kolonialisme, imperialisme, humanisme, Verlichting, Romantiek, modernisme) en het Verenigde Europa dat zich moet zien te grondvesten in de weinig solide bodem van veel goede voornemens, voorname ideeen, maar nog veel meer wantrouwen en bureaucratie. Wordt het een Unie van Eenheid door verscheidenheid? Of wordt het een Unie van uniformering en de macht van de sterksten, waarbij het zo bijzonder rijk geschakeerde en bloeiende boeket aan talen en culturen, dialecten en gewoonten, wellicht komt te verdorren? Hoe kan het beide belangen dienen, zonder daarbij aan haar eigen geschiedenis te verzaken en komaf te maken met haar specifieke meertalige karakter (condition d’etat). Moet men kiezen tussen la Belgitude en Europa, of zijn beide weldegelijk met elkaar in overeenstemming te brengen; kunnen ze elkaar zelfs tot inspiratie dienen omdat juist in Brussel de principes van meertaligheid en respect voor de minderheid, decennialang in de praktijk zijn gebracht. Europa kan veel leren van de ervaring die Brussel heeft te bieden, en Brussel kan zich ongetwijfeld optrekken aan haar taak om deze kennis verder uit te bouwen en ook in de machtscentra van de andere lidstaten om te zetten in praktische regelgeving en toezicht op de naleving daarvan.
Brussel is een puzzel waarvan de stukken nooit helemaal in elkaar passen. Meer dan andere steden lijkt deze stad op een archipel, met tal van eilandjes die van elkaar gescheiden zijn door de elementen en die toch op de een of andere manier bij elkaar horen.


Nederlands in Brussel

Het gaat goed met het Nederlands in Brussel. De Nederlandstalige evenementen volgen elkaar in hoog tempo op, er zijn steeds minder eentalig Franse initiatieven en Vlamingen kunnen op steeds meer plaatsen in hun eigen taal terecht. De Vlaamse Brusselaars, of Brusselse Vlamingen zo u wilt, staan erop om in hun contacten met de overheden Nederlands te spreken. In hun contacten met anderstalige Brusselaars tonen ze zich daarentegen veel toleranter: Frans, Engels, Duits, Portugees, het maakt niet uit. Zolang iedereen elkaar maar verstaat in de toren van Babel die Brussel heet.
Ondertussen staan de anderstaligen niet stil. Die zijn zich massaal aan het inwerken in de Nederlandse taal. Hun drijfveren zijn niet uitsluitend socio-economisch, maar ook cultureel. Ze sturen hun kinderen naar het Nederlandstalig onderwijs, of nemen deel aan een van de talrijke bijscholingen.
Waarom sturen steeds meer anderstalige ouders hun kinderen naar Nederlandstalige scholen? Werner Schrauwen, coordinator van het Nascholingscentrum Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zet een aantal verklaringen op een rijtje: ‘Steeds meer mensen beseffen dat eentaligheid in het Brussel van de 21ste eeuw een ernstige handicap vormt. Voor steeds meer banen is twee- of drietaligheid vereist. Wie geen Nederlands kent, dreigt uit de boot te vallen.’
‘Maar er is meer. Vanaf de jaren zestig hebben de Vlamingen fors geinvesteerd in de uitbouw van hun onderwijs in Brussel. De klassen zijn er kleiner, zodat de leerkrachten de kinderen veel intensiever kunnen begeleiden. Er kwam een net van peutertuinen en kinderdagverblijven en veel schoolgebouwen werden gerenoveerd. Die investeringen hebben het Nederlandstalig onderwijs een kwaliteitslabel bezorgd, ook bij anderstaligen.’

Brussel is een hybride en veeltalige stad. Dat heeft natuurlijk ook gevolgen voor het onderwijs. De taalvariatie die de dagelijkse leefwereld kleurt, tref je ook binnen de schoolpoorten aan. Het Nederlandstalig onderwijs evolueerde mee: van homogeen Vlaams naar meertalig en multicultureel. Schrauwen: ‘In onze scholen zitten de kinderen van een Finse diplomaat, een Vlaamse ambtenaar, een Turkse winkelier, een Franstalig Brusselse bedrijfsleider in een klas samen. Dat is toch enorm verrijkend? Zo’n school legt de basis voor een gezonde meertaligheid. De kinderen leren er ook respect, openheid, tolerantie – waarden die we in een multiculturele wereld broodnodig hebben.’

Dat betekent natuurlijk niet dat er helemaal geen problemen zijn. De Brusselse situatie is uitzonderlijk. Pedagogen en sociologen hebben er een hele kluif aan. Ga maar na: in een gemiddelde klas zitten eenderde Nederlandstalige leerlingen, eenderde kinderen uit taalgemengde gezinnen en eenderde leerlingen die thuis alleen hun moedertaal spreken – Turks, Italiaans, Frans, Albanees, Engels, enzovoort. Toch krijgt de hele groep les in het Nederlands. Met die diversiteit moet je als leerkracht natuurlijk rekening houden. In de bibliotheek kunnen zowel kinderen als ouders boeken, cassettes of video’s in het Nederlands vinden die het taalonderwijs ondersteunen. Meertalige en multiculturele klasjes zijn niet alleen verrijkend voor de kinderen zelf. Ze prikkelen ook de creativiteit van leerkrachten en onderwijsdeskundigen. Schrauwen: ‘De evolutie heeft ons gedwongen grondig na te denken over onze onderwijsmethodes. Hoe kunnen we taalverwerking stimuleren? Hoe gaan we om met cultuurverschillen? Hoe kunnen we de lerarenopleiding beter toesnijden op de Brusselse situatie?’
Onderwijsdeskundigen kwamen met vernieuwende taalmethoden voor meertalige klasjes op de proppen. En in samenwerking met schoolteams zette de Vlaams Gemeenschapscommissie een hele resem ondersteuningsprojecten op. Ze zette logopedisten aan het werk om in kleuterklasjes en lagere scholen de taalontwikkeling van anderstalige leerlingen te stimuleren. Scholen kregen financiele armslag om leerlingen ook individueel te begeleiden. Een nagelnieuw Nascholingscentrum moet leerkrachten helpen om zo goed mogelijk op hun multiculturele omgeving in te spelen. Veel scholen komen bovendien met eigen projecten aanzetten. Ooit gehoord van de Boekenbende? Studenten in de lerarenopleiding gaan bij allochtone gezinnen thuis boeken voorlezen. Zo maken ze van dichtbij kennis met het thuismilieu van allochtone kinderen. En die worden samen met hun ouders nauwer bij het onderwijs betrokken.’

On est tous des étrangers

Belg of buitenlander, Waal of Vlaming, op de keper beschouwd is iedereen gedurende de loop van zijn of haar leven een ‘vreemdeling op doorreis’ die niet weet wat de toekomst en het lot voor hem in petto heeft. En dit geldt eens temeer in de stad van de Zinnekes; de bastaarden en mensen van gemengde origine.
Het is de taak van burgers en overheid samen om een plek te creeeren waar men zich ongeacht alle verschillen, toch als vanzelfsprekend thuis kan voelen. Want: ‘wie vreemdeling is hier/was elders kind aan huis/on est tous des etrangers…(…)’

‘wie vreemdeling is hier
was elders kind aan huis
on est tous des étrangers
reizigers met retourbewijs
op dooltocht door een ruimte
die een ieder zich moet eigenmaken
eigenwijs is wilskracht die ons drijft
ons leven als het nieuwe land
de grond waarin het graan
nog met de hand wordt uitgezaaid
de haren op ons hoofd
zijn als het riet op de daken
onze huid is als het barstig leem
van onze stulp, ons vel schuurt
over opgejaagde botten
onze stem roept op zijn mooist
om hulp, wat we zoeken is rust
asiel in eeuwigheid, wat we zijn
is waar we zijn gevallen: gewervelde
dieren en waaraan ten prooi
als wild in het vizier
een kudde in de muil van de natuur
we zijn horig en futiel
stofdeeltjes die opgedreven
krijgen een naam toegewezen
ook dat wij leven was niet ónze keus
alles wat wij zijn is bruikleen
toebehoren aan Tijd alleen
die malicieuze makelaar en miljardair
die onze lijven willens en wetens laat
verkrotten, over onze hoofden speculeert
die ons plukt en uitperst als olijven
uitspuugt als de pit; met avondval
vertrekken we, sluipen ervandoor
ons uitreisvisum is de dood’

uit: Bloedtest (De Bezige Bij 2003) p.58


Ezili en andere spoken

Op dit moment marcheren de tamboers onder mijn raam
voorbij. Ik woon in de marollen; een middeleeuwse volkswijk aan de zuidkant van het Brusselse centrum, waar de kasseien op de heuvelstraatjes volgens sommige bronnen nog uit de dertiende eeuw dateren. Vanavond wordt hier Ezili opgelaten, een opblaasbaar vreemdsoortig creatuur, half-vrouw en half-vogel, de grootte van vijf mannen hoog.
Een Brusselse fenix die eens in de vierenveertig jaren voor een zomer en een herfst oprijst uit de gedempte geestgronden van en rond de Zenne.
Er was vuurwerk te zien, schuintamboers die onder mijn raam doormarcheerden, en die mysterieuze pop – vijf mannen groot – die op een draagbaar door de straten werd gedragen Het deed allemaal nogal pagaans aan. Middeleeuws. De folklore is in Belgie nooit ver weg. Het blijft wel een heerlijk land om in te wonen. Vergeleken bij het kille, geordende Holland waar alles op en top efficient moet zijn en overzichtelijk.
(…)
Vandaag is het rustdag, de marktgangers van het Vossenplein zijn naar huis. Alleen nog wat toeristen banjeren hier rond, gapend naar de (al gesloten) broccante zaakjes. Voor Cafe Chez Alex wordt ruzie gemaakt door zatlappen.
(…)

‘De enige kracht van de hedendaagse West-Europese man is zijn koopkracht’,
hoorde ik vandaag een boze Belgische vakbondsleidster – een soort Vlaamse Thersites – op het VRT Radio1-journaal verkondigen. De eerste mei (socialistische gedachte) leeft nog duidelijk in dit land waar in alle steden arbeidersoptochten door de straten trekken. De boze vakbondsleidster waarschuwde haar achterban en eigenlijk het hele Belgische volk voor De Nieuwe Economie, die een inflatie van morele en humane waarden met zich mee zou brengen. Zulke geluiden zul je in Holland niet snel horen, denk ik.
L’Orient (of: hoe men in de navel van Europa onverhoeds het Oosten binnenstapt)

Aan Adri van der Heijden
1071 MT Amsterdam NL

Brussel, 6/XI/99

Beste Adri,

je vraagt me waarom ik naar Brussel ben verhuisd. Het feit dat het Vlaams Blok sinds 13 juni de (op een haar na) grootste partij in Gent is geworden, heeft er veel mee te maken. In De Morgen heb ik er een artikel over geschreven, afgelopen zomer. Het heet: `Afscheid van Gent’ (zie de kopie). Mijn Macedonische vriendin verblijft voorlopig nog illegaal in het land. De grond werd ons in Gent enigszins te heet onder de voeten, met een buurman (ex-Rijkswachter) die ons gaan-en-staan steevast in de smiezen hield en mijn Ford laadwagen met Hollandse gele nummerplaat meer dan eens weg heeft laten slepen als de tweewekelijkse parkeerrochade plaats moest vinden in de straat (in België mag je op veel plekken gedurende de ene helft van de maand slechts links parkeren, gedurende de andere helft enkel rechts).
Gent was een prachtige stad. Een `ghoede stede’ waar ik tweeënhalf jaar echt verliefd op ben geweest. Maar Brussel heeft de gemeenheid (en charmes) van een echte grootstad. Er leven hier twee miljoen man. In de Marollen, waar Anica en ik wonen, zijn vrijwel alle culturen van deze aardbodem wel vertegenwoordigd. Geen beton-ghetto’s zoals in de Bijlmer, waar de multiculturele samenleving in de kerker is geslagen van Fantoomstad. Wel: een warme, karakteristieke middeleeuwse wijk op een heuvel midden in het centrum waaruit de rijkere blanke Belgen zijn weggetrokken ten faveure van een leven `op de buiten’.
Het leven, na het crimsonzwarte annus horribilis 1998, lijkt zich ten goede te hebben gekeerd. Afgelopen voorjaar heb ik in Macedonië een prachtig, intelligent meisje ontmoet met wie ik sindsdien het leven deel. Ik ben uit het emotionele en financiële dal geklouterd waar ik na de crash in Hongarije en de dood van m’n vader in terecht was gekomen. Op aandringen van uitgeverij Podium heb ik afgelopen zomer Wij noemen het rozen geschreven, een boek met persoonlijke impressies die ik gedurende diverse reizen naar de Balkan in de afgelopen jaren heb opgetekend. Vorige week heb ik mijn roman, Boulevard Oktoberrevolutie, bij de Bezige Bij in eerste versie ingeleverd.
Aan de waaghalzerij rond MillenniuM komt weldra, zoals destijds beloofd, definitief een einde. We vieren het einde, zowel in België als in Nederland, met een slotmanifestatie getiteld Reset. De nullen van 2000 zullen we met de redactie van ons Tijdboek, zoals destijds beloofd, daadwerkelijk tot een strop aaneen knopen. MillenniuM zal de boeken sluiten met een heuse millenniumbug. Ik weet niet of er bij Mirjam, naast de woede (begrijpelijk en terecht) tav het verscheiden van Maatstaf ook een gevoel resteert van melancholie. Ik had dat gevoel heel sterk toen ik gisteren bij het schrijven van een slotwoord voor MillenniuM weer even de prachtige laatste woorden van cineast Guy Debord teruglas, die hij neerschreef bij het opheffen van de Situationistische Internationale in 1972: `We zijn gekomen als het water, verdwenen als de wind. Onze jeugd is gestorven, evenals onze liefdes.’

Om me schoon te wassen van die even kleverige als beklijvende melancholie, ben ik gisternacht afgedaald naar de Schildknaapstraat 59 (naast Cinema Nova – een schimmig, vervallen underground bioscoopje waar veel Oost-Europese en Duitse films draaien, en waar zo’n Checkpoint-Charley wachthokje als ticketbooth dient) voor een Gothic Party in Spaceship @ Flannagans.
Mijn geliefde Anica, die zich zelf te moe voelde om me te vergezellen, had me thuis `gothisch’ opgemaakt, met oogpotlood, mascara en gezichtscrème. `Kijk serieus’, zei ze toen te m’n lange zwarte cape (in 1990 gekocht op de Porte Glignancourt in Parijs van een elegante neger-kleermaker die me een `bon prix’ beloofde) om m’n schouders sloeg.
De party bleek nogal goedkoop. Gratis entree, maar weinig donkere electro of bizarre gothiek, waar ik op gehoopt had. Wel was er de stereotiepe donkere jaren-tachtig muziek waar ik meestal hard voor wegloop omdat het me teveel herinnert aan mijn middelbare schooltijd (je weet wel, die donkere corridor de passage van een puistige tiener die geen raad weet met z’n ontluikende gevoelens en sluimerende sexualiteit), variërend van Engelse en Franse alternatieve bands tot bekende popbands als de Simple Minds, de Pet Shop Boys (In Suburbia), Franky Goes to Hollywood (Relax) en zelfs Madonna passeerde curieus genoeg de revue (met het maagdelijke quasi Dracula-achtige Like a Virgin).
Een sfeer van geblanket wit vlees, somber theater, schoonheid waar bewust het verval doorheen schmemert, veel donkere meisjes in het zwart met lang haar tot op de schouders. De onderpriesteressen van de new wave die hier net als ik in deze kelderachtige ruimte een nabij tijdperk weer tot leven wekken in de schemer van kaarslicht en sombere electronische bastonen. Ik voelde me weer die jongen in de gangen van de puberteit. Nog even radeloos, onhandig, maar toch rijper. Het voelde als een stoombad in het halfduister.
vuur van haar
vonken in het donker
Ik rook een Corona Especial sigaar op een stoel die in het donker staat verscholen, drink een Primus bier, en neem de sfeer eens goed in me op. Ik bekijk het hectische, energieke en theatrale gewurm op de dansvloer.Ik schrijf wat zinnen neer die in me opkomen, op blanco programmablaadjes die op de tafels liggen (ik mijmer over het woord dat een meisje me die middag toevertrouwde tijdens de lunch: mergpauze…).
Een blonde, magere witte ravin met een feeënhoed als een tooi op haar hoofd, buigt zich ineens naar me over en zegt tegen mij dat er boven iemand op me wacht. Ik kijk haar aan, geloof haar niet. Ik ben hier nooit eerder geweest. Wie zou er hier op me wachten? Wil ze dat ik opsta van de stoel waarop ik zit om plaats te maken voor vrienden van haar? Waarom zegt ze dat dan niet? `T’es sincère?’, vraag ik. Ze schrikt, twijfelt nu, wijkt met haar mooie hoofd weer iets naar achteren. Ze knijpt haar ogen tot spleetjes, waardoor ze me aantuurt. `Je ne sais pas…’, zegt ze bedeesd. `Comment, tu ne le sais pas?’, vraag ik. `Et c’est qui, celui qui m’attend là-haut?’ Weer: `Je ne sais pas…’ `T’es pas très claire. Je ne te crois pas…’ Ik draai me om en blijf gewoon zitten, op de stoel aan het tafeltje.
Even twijfel ik of ik niet te bot ben, of ze niet werkelijk iets duidelijk wilde maken, of ik me niet egoistisch opsluit in mijn eigen koppigheid…
Maar een vijftal minuten later tikt een magere blonde bitch met een bril me op de schouder. `Sorry, zou ik m’n stoel terug mogen alstublieft?’
Ik sta op en maak een elegante zwier-beweging. `Sorry dat ik de euvele moed had om op uw stoel te gaan zitten’, zeg ik, overdreven beleefd. Ik loop naar de bar. Een van de jongens van de tafel komt naar de barcounter gelopen. `We waren nogal brutaal, hè… Sorry.’
`Integendeel, jullie waren niet brutaal genoeg. Als je vanaf het begin had gezegd dat ik niet op de juiste plek zat, dan was ik meteen opgestaan. Maar die bullshit van die ene lange meid, werkte averechts.’
Hij gaf me een biertje voor de smart, en verdween met het dienblad weer in de duisternis, naar achteren. De nare fee met de lange haren kwam voor m’n neus met de blonde feeks dansen, als om me te jennen.
Ik deed of m’n neus bloedde.
Op gegeven moment zie ik dat mensen naar mij staren. Ik word van achter aangeroepen, er worden handen op mijn schouder geslagen. Ik kijk verbaasd om. Het blijkt dat mijn cape in de fik staat. Er komt rook uit mijn schouderkap en ik zie vonken. Ik smeul, als een broeiende halm hooi. Ik probeer zo kalm mogelijk mijn cape af te doen, en druk het smeulende kledingstuk langdurig tegen de barwand. Als het vuur gedoofd is, trek ik m’n cape weer aan. Weer word er naar me geroepen, krijg ik handen op m’n rug… De cape blijkt nog steeds te smeulen, aan de uiteinden van de kap pinken nog wat hardnekkige gensters, die neerdwarrelen als ik met de cape tegen de bar sla. Ik vraag wat water aan een van de barmeisjes. Die reikt me een natte spons aan, waarmee ik hardnekkig over mijn cape strijk. Tot ik er zeker van ben dat alle vonken gedoofd zijn. De vlam heeft flinke gaten in m’n cape gevreten. Ik brandde als een toorts op Halloween…
Ik loop Flannagans uit, op zoek naar een nachtshop om een sigaar te bemachtigen. Ik wandel terug omhoog door de Schildknaapstraat. Na de sigaar opgerookt te hebben, zak ik langs de kant in elkaar. Ik voel mijn maag opspelen, mijn hoofd tollen, ik zwalk overeind en strompel naar het toilet, waar ik drie keer overgeef. Ik zweet als een otter. Ik heb het zo heet, hier in deze hete hellekrocht, in vol gothisch ornaat, met mijn leren broek aan, een zwart soort acryl vestje, mijn cape. Mijn make-up loopt in tranen en zweetdruppels over mijn gezicht. Ik verlaat het Spaceship Flannagans en wankel de Rue de l’Ecuyer af…
Terug de tijd in… De jaren tachtig zijn me weer niet goed bekomen…
Om me alsnog ‘schoon te spoelen’ klop ik aan bij `L’orient’, een sleazy grot achter een gebarricadeerde deur, waarvan de entree me altijd al gefrappeerd heeft. Ook hier was ik nooit eerder binnen. De plek blijkt een donkere, morsige grot van Alibaba en de veertig rovers, waar wonderlijke moddervette of graatmagere Arabieren de scepter zwaaien. Aan de bar lurken uitgezakte donkere hoeren aan een glas rose of rode wijn. In het plafond zitten scheuren in de leren bedekking, waar het gele isolatieschuim uit tevoorschijn wolkt. Over de bar, bij de spiegels, lopen insecten. Kakkerlakken, die je nieuwsgierig aanstaren. De ober is een Arabische valse nicht met kuren, die aan zich laat pulken door een van de Oosterse hoeren (zonder dat hij echt sjoege geeft). De homoseksuele barman drinkt zelf meer mee met de gasten, gezeten op een kruk aan de bar, dan dat hij erachter staat om zijn publiek te serveren.
Er wordt uitbundig gedronken, gefoefeld, getjak-tjakt met de handen, geritseld. Er is de bedreivigheid van een bazar. Ik ben de enige `westerling’ en bestel een glas rode wijn. Rode wijn heeft de barman niet. Enkel rosé.
Op de dansvloer (er is geen dansvloer, er is enkel een entree met een paar tegels waar de grot iets breder is dan tussen de bar en de spiegels) danst de vetste onder de bezoekers met een vrouw op Rai muziek; de twee zijn perfect op elkaar ingesteld. Elke pas van het tweetal lijkt in elkaar te passen, een soepel, ritmisch kloppend, ingenieus dansspel. Verbluffend. Zo lichtjes, zo elegant. De papzak weet heel zijn lichaam in te zetten bij zijn dans. Ieder spatje, ieder rolletje vet, heel zijn lichaam, al zijn plooien worden in zijn dans betrokken. Hij danst met iedere vezel van zijn lichaam, zijn lichaam lilt en trilt en golft, en alles op maat en onder controle, beheerst, lichtjes en in de pas. De meesterschap over het vlees, de papzak zweeft, alsof hij helemaal geen gewicht meer heeft. Een schitterend gezicht. Misschien, bedenk ik, is deze man wel dik om zo te kunnen dansen.
Een man met een langgerekt, smal paardenhoofd (Splitface) spoort mij aan om ook te dansen. Vergeleken bij die dansende pasja en zijn hoer zou ik een flater slaan. Ik sla besmuikt de ogen neder, drink mijn tweede rosé, de aansporingen van een bevallige, goedlachse Arabische jonge vrouw ten spijt….
Als ik mijn twee rosé betaal (een tientje per glas, de barman moet lang denken voor hij de prijs heeft bepaald), laat Splitface me uit zijn grot.
Nog even de Sonic opgezocht, op weg naar huis. Waar bitter gemarcheerd wordt door een groep uitgeteerde lemmingen met malende kaken.
Een jong zwart gosertje sprak me aan en vroeg waar ik vandaan kwam. Brussel, jawel, maar oorspronkelijk. Guadeloupe, probeerde ik. Donc tu parles l’Espagnol? vroeg hij. Nee, zei ik. Waarom niet? vroeg hij. Omdat ik naar Holland verhuisde. Amsterdam. Waarom, wilde de goser weten. Omdat ik geen Spaans sprak in Guadeloupe, natuurlijk. De jongen knikte serieus, alsof het klopte wat ik zei. Wat doe je voor je werk, wilde de jongen daarop weten. Hij vroeg het in het Engels, vanaf nu. Ik zei: ik schrijf. Wat schrijf je? Verhalen, gedichten, artikelen, en meer van dat… De jongen knikte. `That means, your autograph is going to be worth some money, some day… like is the case with great painters… like… like…’ De jongen was niet in staat om een beroemde schilder te noemen… `Well… like…’ Hij veranderde van onderwerp. `If you are a writer’, stelde hij, `you’ll probably drive a Mercedes?’
Ik staarde naar de gozer. Die krabbelde daarop in een gul gebaar zijn telefoonnummer op een bierviltje. `If your Mercedes needs a good carcleaning, you can phone me and drive over to the Conrad-hotel. That’s where I’m working as a car-cleaner for the customers, on Monday and Thursday. I’ll help you for free…’
Ik beloofde dat ik de komende week eens langs zou rijden. Maandag zal ik Christophe (want zo heette hij; dat staat op het viltje) in het Hotel Conrad opzoeken.. Hij zal verbaasd zijn als hij me aan zal zien komen in mijn aftandse kanariegele, Brabantse Ford Escort Laadwagen. Een flitsende schrijver onwaardig.
Als ik buiten kom, schittert en flonkert de wereld. Aan het firmament brandt een ster die zo helder en groot is dat het een rozette lijkt in een kathedraal. Een rozette van gebrandschilderde engelen, een engelenkoor dat rood oplicht rondom een geelwit centrum. Is het Venus, de morgenster? Een super-nova voor het verdwijnen?
Thuis kijk ik nog een half uur naar de rozette-ster, vanuit de Chesterfield bank, met de Zeiss-verrekijker van m’n vader. Het is alsof de ster steeds meer naderbij komt, alsof de engelen neerdalen, alsof ik geviseerd word vanuit de hemel…
Ik val in slaap met een rozette van engelen op m’n netvlies, en droom een droom waarin vrienden een voor een aan mij passeren, zwevend, alsof ik audiëntie houd vanuit mijn vliegend bed. Naast mij ligt Anica, een blonde schone die zich in de golven van de slaap heeft geworpen. Ik word tien jaar jonger wakker. In een nieuwe huid.
Alle goeds Adri, & groeten aan Mirjam en aan je zoon Tonio. Ik zorg ervoor dat je een exemplaar van Wij noemen het rozen krijgt toegestuurd.

Serge van Duijnhoven


Three bullets over Highstreet
Zaterdag 29 maart 2003

Het is een milde, aangename zaterdagavond in het vroege voorjaar; deze nacht zal de zomertijd ingaan, en in de slachthallen van Cureghem zal het Brussels International Filmfestival for Fantastic Film na middernacht zijn jaarlijkse ‘vampierenbal’ vieren. Mijn ega Anica Milosevska drinken een glas met componiste Mariecke van der Linden – een jeugdvriendin uit mijn Osse tijd, in ‘Les Alexiens’, een uitspanning helemaal aan het begin van de Hoogstraat; daar waar het stadsgedeelte een beetje op Montmartre lijkt. We zijn de laatsten die het etablissement verlaten, iets voor elven ‘s avonds. Op straat lopen we gedrieeen aan de rechterkant van de Rue Haute over het troittoir. Halverwege, bij het huis van Breughel de Oude – dat met de gedenktsteen die suggereert dat d’oude meester hier kwartier hield van 1534 tot 1934, komen twee opgeschoten jongens ons luidruchtig toegemoet. De dunste zwaait met een luchtdrukpistool dat hij niet alleen in de lucht, maar ook in onze richting afschiet. Mijn vrouwelijk gezelschap duikt boos maar ook geschrokken weg achter de wagens die geparkeerd staan; ik spring woedend op de jongen af. Zijn wat meer gedrongen kompagnon kijkt me uitdagend aan, alsof hij wil zeggen: ‘haje wat?’. Zijn grimas glinstert in het lantaarnlicht. ‘Waarom schiet je op ons?’ roep ik uit. Arrogant doet de lange schutter of hij een wolkje wegblaast van de lange zwarte loop. ‘Neuk je moeder, sufkop!’ roept hij in het Frans. ‘Bemoei je met je eigen zaken!’ Hij houdt me op afstand door het pistool op me te richten. Ik probeer de jongen het pistool uit handen te rukken, er ontstaat een handgemeen. De jongen begint te schieten, mikt op mijn hoofd, en blijft schieten tot het magazijn leeg is. Zijn kameraad heeft intussen het deksel van een vuinisbak losgewrikt en valt me daarmee, het ding hoog boven zijn bakkes geheven, aan van opzij. Het deksel landt bovenop m’n schedel. Mijn gezicht raakt besmeurd met vuilnis en bloed. Er klinkt een roep en fluitsignaal, waarop van alle zijden Arabische jongeren toesnellen. Drie, zes, twaalft, twintig… een aantal valt op mij aan, trapt en mept en duwt en schopt tot ik op de grond ineenzak. Mariecke gilt vanachter een auto, en snelt me moedig te hulp. Anica, mijn vrouw, gooit haar GSM stuk in het gezicht van een van de straatvechters. De Turkse dame van de nachtwinkel slaat het tafereel verstard van schrik gade. ‘Doe wat!’ roept Anica. ‘Bel de politie! Een ambulance!’ De vrouw verroert zich niet. Ze blijft als aan de grond genageld staan. Misschien is ze bang voor repercussies van de straatschoften, die alle avonden op het Breughelplein om de hoek rondlummelen en er verzamelen blazen voor hun doelloze missies elders in de stad. Het hek is van de dam. Ze hebben het vertier waarop ze gehoopt hadden. ‘Mort a Bush!’ wordt er geroepen om de gemoederen nog wat extra op te poken; of om een rechtvaardiging te geven voor… ja ze weten zelf ook niet voor wat. Ze snellen twee kameraden te hulp die mot hebben; de reden van de onlust zal hun een ziel zijn. Wie aan hun kameraden komt, die komt aan hen. De hyena’s vallen me van achter aan, teckelen en schoppen me alsof ik een zak stro ben. Ik krabbel overeind, duw een aantal belagers van me af, deel in het wildeweg wat klappen uit, maar roep bovenal zo luid mogelijk de woorden die ik ooit een man hoorde schreeuwen op het perron van het station in Den Bosch waar vier hooligans een bezoekende supporter van FC Utrecht in elkaar aan het trappen waren: ‘zijn jullie nou mensen!?’ De man was de enige die tegen de blinde terreur van de hooligans in het geweer durfde te komen. Ook zelf had ik me destijds bang en lamlendig afzijdig gehouden. De kreet van de man had gewerkt: de hooligans staakten hun getrap en gebeuk en de Utrechtenaar maakte zich zo snel hij kon uit de voeten. ‘Est-ce que vous etes des humains? Les laches ! Les laches ! De lafaards ! Met z’n twintigen tegen een man en twee vrouwen ! Kunnen jullie wel? Lafaards zijn jullie, geen mensen maar onmensen!’ Het bloed hing in klodders in m’n haar. Ik strompelde verder, ondersteund door Mariecke en een huilende Anica. Ter hoogte van het plein gingen de verwensingen door, over en weer. Er werd gegooid met blikjes, stenen, een pallet vloog over het dak van een rijdende Mazda. Ik rukte me los uit de greep van de vrouwen, bukte me om de houten schraag op te rapen en liep met de pallet hoog boven me geheven in de richting van het donkere plein waarover de meute zich verspreid had, als schimmen terug de duisternis in. Klaar om op ieder gewenst moment weer tevoorschijn te springen, als chimaeren in het flakkerende toortslicht van de hel. ‘Tsss! Ca deviendra sa mort!’ hoorde ik een van hen sissen. Ik wierp het pallet voor me uit, het kaatste enkele meters voor mijn voeten doelloos op de kasseien. Het duizelde me, ik voelde dat de krachten met iedere seconde verder uit me wegvloeiden. Een van de chimaeren onttrok zich uit de duisternis en jogde recht op me af, zijn gebalde vuist in de aanslag. Hij mikte en raakte me vol op mijn rechteroog en – wenkbrauw. Ik deinsde achteruit, en viel tegen de motorkap van een tot stilstand gekomen wagen op straat. De chauffeur achter het stuur toeterde langdurig, verschrikt en boos tegelijk. Aan alle kanten stroomden mensen toe. De straatformatie van FC Arabia blies de aftocht, in afwachting van de politie die allicht zou worden ingeschakeld. ‘Mort a Bush!’ klonk opnieuw vanuit de duistere galerieen die grensden aan het plein. Het leger blies de aftocht voor er versterking kon arriveren, de slag was gestreden. Anica probeerde rennend een politiepost te bereiken, Mariecke begeleidde me naar mijn appartement, waar ik zelf de hulpdiensten verwittigde. Bloed aan de telefoon. ‘Je moet naar het ziekenhuis’, concludeerde mijn gaste bezorgd. Ze streelt door mijn bebloede haar en bekijkt de open wond. ‘Ze komen’, zei ik met een vreemde kalmte, terwijl ik mijn identiteitspapieren bijeen raapte. Met steeds lomer wordende benen daalde ik van de trap af, en liet me zakken tegen het traliehek bij de voordeur – dat kledingzaak Michiels tegen mogelijke diefstal moet beschermen. De rest heb ik van horen zeggen. De ambulance reed voor, ik werd op een brancard geladen, naar het Sint Pietersziekenhuis gebracht dat aan het andere einde van nog steeds dezelfde Hoogstraat was gelegen. Doktoren haalden daar met fijn pincet en priegelgereedschap ‘drie loodkogeltjes en een bloemblaadje’ uit twee afzonderlijke hoofdwonden; neurologen stelden met behulp van een scanopname een schedelbreuk vast. Twee politie-inspecteurs wachtten beleefd op de gang tot in bijgekomen was en de ingreep was gedaan, alvorens het proces verbaal op te maken van het gebeurde. Het hoofdeind van het operatiebed zat onder de spetters. Mijn haar stonk behalve naar geronnen bloed ook naar bedorven vlees. Tonijn uit blik en fruitafval. Mariecke vroeg of ze foto’s mocht nemen van de loodkogeltjes die uit de wonde waren verwijderd. De arts vloekte bij het verrichten van de hechtingen. Van huiswaarts keren, besmuikt en gelaten, kon voor mijzelf geen sprake zijn. Het hospitaal diende te voorkomen dat de wonde bovenop de schedelbreuk zou gaan ontsteken, en daarom moest ik ‘aan de baxter’. Intraveneuze toediening van antibiotica opgelost in aquadesinfect en een ionisatievloeistof bestaande uit calciumchloride, 270 mg. Ik beland op de zevende verdieping, afdeling 73, in hospitaalkamer nummer zeven. Op de kamer is er een tv, een toilet, twee wastafels, een tafeltje, luie stoelen, twee ziekenhuisbedden met electrisch verstelmechaniek. Ik vraag of ik de tv aan mag zetten, de verwikkelingen rond de oorlog in Irak mag volgen. De verpleegster zegt: ‘ik vrees van niet, menier. Slaap nu maar ’s efkes. Allee, ik stop u in, onder de lakens. Mooi zo. Tot zevves…’
Anica neemt verslagen afscheid van me. Ze is bang, zegt ze, om nog langs dat Breughelplein met de Arabische straatbrigade te lopen. Uitgerekend vanavond, voor we gingen dineren, had ze in Club Havana (gelegen aan het plein) geinformeerd naar een baan als serveerster… Ik probeer haar gerust te stellen. We waren gewoon op het verkeerde moment op de verkeerde plek. Het was geen gerichte aanval tegen ons persoonlijk. Ze werd kwaad dat ik op de jongen met de luchtbuks ben toegelopen en hem het schieten onmogelijk wilde maken.

Ik moet minimaal vier dagen in het ziekenhuis blijven, voor ik huiswaarts mag keren met een verband om mijn hoofd en een antibioticakuur om thuis te vervolgen.
Gedurende enkele maanden moet ik het voorzichtig aandoen, en vooral mijn hoofd en schedel moeten rust krijgen, zo verkondigt de neurologe in het hospitaal. Na anderhalve maand, in mei, kunnen de hechtingen uit de schedel worden verwijderd. Een bobbel blijft over op de plek van de verwondingen.

Bij de politie heb ik klacht ingediend tegen (voorlopig) onbekenden, de veroorzakers van mijn verwondingen en de bezitter van het luchtdrukpistool die ons beschoot op de bewuste zaterdagavond in maart.
Twee politiemensen bezoeken mij thuis in april, en geven het dossiernummer door.
Ze roepen me op om de veroorzakers van de straatagressie te identificeren via een fotoselectie op het politiebureau.

‘Het is vreemd’, zegt Chris van Camp van trendwatchersbureau http://www.kingkong.be, als ze in april op ziekenbezoek komt, en een fles Dom Perrier Champagne meebrengt. ‘Twee weken geleden trad je nog op in de Vooruit, op die benefiet tegen de oorlog in Irak. Nu word je beschoten door een stelletje Arabieren dat scandeert “Bush moet dood!”’ Er is geen klaarheid in de werkelijkheid, geen zin in redeloosheid. Moet ik boos zijn op Bush, die te stupide is om te begrijpen hoeveel haat hij wereldwijd zaait met zijn strijd in Irak? Of het verveelde uitschot wreken dat met een windbuks in de rondte schiet op straat, op jacht naar een trofee voor de zaterdagavond?
De volgende dag voel ik me solidair met de gewonden die omzwachteld liggen in de hostpitaals van Irak. ‘Vrijheid is God’s geschenk aan de mensheid’, hoor ik Bush in een tv-programma zeggen. Hij bedoelt te zeggen: de Pax Americana is een zegen voor de Irakezen en de wereld. De tv gaat uit. Ik maak van de gelegenheid gebruik om ‘Elementaire deeltjes’ te lezen van Michel Houellebecq, en voel sympathie voor de stelling die uit het werk van hoofdpersoon Michel Djerzinski voortvloeide: dat de mensheid beter maar kon verdwijnen. Dat was beter voor de wereld, de natuur, en zeker voor de mensheid zelf. Dona nobis pax aeternam.

Tekst op de gedenkplaat : aan Pieter Breughel 1524-1924 --- hulde van het Volk aan zijn Groot Schilder

De Hoogstraat.

Dit is de langste straat van de Brusselse vijfhoek (1.120 meter) en de hoofdader van de Marollen, vanouds een belangrijke invalsweg vanuit het Zuiden.

Het tracé zou opklimmen tot de Romeinse periode en meer bepaald teruggaan op het diverticulum uit de richting Edingen naar Elewijt, wat het meteen ook de oudste straat van Brussel maakt. In 1298 wordt de straat vermeld als alta strada en 1337 reeds als Hoogstrate. De straat liep van de eerste stadsomwalling, waar zij de oude stadskern bereikte via de Steenpoort ( gesloopt in 1760) tot de tweede stadsomwalling waar zij afgesloten werd door de Hallepoort, die er vandaag nog staat. Tot in de 17de eeuw werd de straat bewoond door arbeidersfamilies en bedelaars. Gedurende de 17de eeuw echter werd de straat gevoelig verbreed en werd ze stilaan bevolkt door een betere klasse van de bevolking. Een eeuw later staan er vele prachtige herenhuizen en wordt ze deze keer bevolkt door vele notabelen. Op het einde van de 18de eeuw keerden de Fransen echter alles ondersteboven en werden de grote tuinen stilaan bebouwd met kleine huisjes, verbonden met de straat via de legendarische Brusselse gangen. Op het einde van de 19de eeuw telde de straat niet minder dan 35 gangen, dé woonplaatsen van de Marolliens. Vandaag kan men er slechts hier en daar nog enkele restanten van terugvinden. Sinds de helft van de vorige eeuw is de Hoogstraat steeds een belangrijke winkelstraat geweest, ook vandaag nog, alhoewel er van de zeer vele café’s niet echt veel meer overblijven en de vele danszalen en bioscopen helemaal vergeten zijn.

Het Brusselse gordijn

Honger in Brussel. Foto: Bosz de Kler

`Wat weten burgers uit de Schengen-landen nu nog van grenzen? Vraag het aan een vluchteling, een Koerd of Kosovaar die zwemmend Italië tracht te bereiken…’ Deze bittere constatering maakt schrijfster Dubravka Ugrešić, die sinds 1991 in exil leeft in diverse landen, in haar essay Nice people don’t mention such things. Tegen een wantrouwige beambte die wilde weten wat haar nationaliteit was, zei Dubravka eens koppig: `geen’. Ze voelde zich statenloos. In Kroatië werd ze in academische kringen persona non grata vanwege haar kritische houding jegenshet opkomende nationalisme. In de rest van de wereld was ze gebrandmerkt als Kroatische. `Kan niet,’ zei de beambte. `Iedereen heeft een nationaliteit. Iemand zonder nationaliteit bestaat niet. Die is niemand. En iedereen is iemand…’
– fragment uit dagboek van de auteur

I

Boris Iljic leeft alleen, en zijn eenzaamheid kun je ruiken. Hij bezit geen huisdieren, krijgt geen vrienden of gasten over de vloer, geen mensen uit de straat die langskomen of andere asielzoekers die hij heeft leren kennen. De enige metgezel van Boris is de geur die hij met zich draagt – een kleffe, zurige geur van goedkope Van Nelle halfzware shag, zweet en gumpotlood – en die niet van hem wijken wil, als een soort zintuiglijke slagschaduw. Boris lacht weinig. Zijn lippen opent hij meestal maar een klein beetje, misschien om zijn verruïneerde gebit, of het afgebrande kerkhof dat er nog van over is, te maskeren. In de buitenlucht spuugt Boris uit gewoonte op de grond, flinke fluimen van dik speeksel met kleine rode veegjes bloed die in een scherpe hoek zijn mond verlaten.
Als ik vraag waarom hij zo overvloedig op de grond spuugt, antwoordt hij:
`I have to spit; my seamen is no good.’

Boris overhandigt me een koptelefoon die met plakband is gerepareerd en die veel te ruim om mijn hoofd sluit. De twee koppen glijden half in mijn nek.
`Well? What do you think?’
Ik luister. Een gebronsde Vlaamse vrouwenstem jeremieert onder mijn oorlellen: `blijf nog een nacht/voor je mij alleen laat/voor je van me weggaat/als was het weer de eerste keer/nog een keer/en daarna nooit meer.’
`I like this song so very much,’ verzucht Boris. `Wendy van Wanten. You know her? Is she a rich woman?’
Ik leun achterover tegen een van de brede open opbergkasten. Het huis waar Boris en ik wonen was in vroeger tijden een fourrure-zaak. De planken waarop de verse pelsen te drogen werden gelegd zijn in de kamers bewaard gebleven. De afgehuide vellen van pelsdieren hebben plaatsgemaakt voor boeken, vazen en foto’s. Of, zoals in Boris’ geval, voor glossy tijdschriften over computers en hifi-apparatuur, alsmede voor zijn indrukwekkende stapel Amerikaanse business magazines. Zijn kamer puilt ervan uit.
Op het tafeltje naast het tweepits kookfornuis, staat een aluminium bakje met onbestemd voedsel waaruit Boris met een plastic vork wat happen neemt. Aan het voeteneinde van zijn eenpersoonsbed staat een Pioneer tv. Het scherm vertoont onophoudelijk reclameboodschappen. Ik duik nog maar even onder in de smart van Wendy van Wanten.
`Ik heb met liefde gedaan/al wat een meisje kan doen/als er wat fout is gegaan/dan wil ik alles weerdoen/jij die mij zo graag zag/ga niet weg deze nacht/blijf bij mij.’
Tegen de wand boven zijn eenpersoonsbed heeft Boris met plakband twee grote A2 vellen naast elkaar opgehangen. Daarop heeft hij een grafiek uitgetekend waarin hij iedere dag met gumpotlood en ballpoint de veranderende koersen noteert van aandelen, opties en obligaties. De gegevens neemt hij over van de beursberichten op CNN en NBC. Uit eerdere gesprekken heb ik begrepen dat Boris staatsobligaties heeft aangeschaft `in een Europees land tegen een voordelige prijs.’ Een strategische investering, vindt hij, omdat hij als asielzoeker liever geen spaargeld op de bank bewaart vanwege de regelmatige controles van de Belgische sociale dienst. Waar hij het geld voor zijn obligaties vandaan heeft? Overgehouden van zijn uitkering door hardnekkig te sparen en maniakaal zuinig te zijn. Niet gemakkelijk voor iemand die leeft van een kleine achttienduizend Belgische frank per maand (vierhonderd Euro), en die voortdurend in geldnood zit.
Boris leeft zo zuinig als hij kan, zuiniger dan gezond voor hem is. De gehuurde kamer kost hem niet veel geld. Zijn kleren zijn van de katholieke bedeling. Eten scharrelt hij het liefste bij elkaar uit containers met overblijfsels van slagerijen, groentenzaken, supermarkten en andere voedingswinkels in het centrum van de stad. Een tandarts of arts bezoekt hij niet, want hij is niet verzekerd. Het meest trotse bezit van Boris is zijn Sony minidisc recorder, die samen met een Sony versterker en cd-speler prominent, als opengeslagen bijbel en kelk op een altaar, staan opgesteld op een plank aan het hoofdeind van zijn bed. De minidisc, eveneens het resultaat van onversaagd spaarwerk, geldt als het heilige der heilige in deze kleine zweetkapel, deze mansarde onder het beklemmende, lekkende dak van de sociale misère.
Boris straalt. Zijn bruine ogen glunderen vanachter zijn ovalen brillenglazen. Ik zie zijn lippen bewegen, haal de kanjer van een koptelefoon van mijn hoofd. Op de tv hoor ik een kelig, vals stemmetje dat aan Repelsteeltje doet denken op de cassettes met sprookjes die mijn ouders in de auto afspeelden als we op vakantie gingen: `bel nu voor de Fit ’n Fold Strider om centimeters en kilo’s kwijt te raken. Nu kunt u prachtig afvallen en een prachtig lichaam vormen. Bel nu voor de Fit ’n Fold Strider…’
Boris herhaalt zijn vraag, nog altijd even stralend.
`Well, what do you think of the sound?’

Wie iets bezit, wil meer. Wie niets bezit, wil veel meer. `Waar ik nu van droom,’ vertelt Boris, `is een computer met een software-programma waarmee ik al mijn muziek en opnames kan catalogiseren.’ Helaas blijft het bij dromen, watertanden, bladeren in computermagazines of reclamefolders en het tot in de puntjes bestuderen van vergelijkend warenonderzoek op het gebied van de allernieuwste electronicasystemen. Boris heeft er een heuse studie van gemaakt. Een levensopdracht. Hoe meer hij daarin op kan gaan, hoe minder hij het gevoel heeft dat een etalagewand hem gescheiden houdt van de luxe in de winkels die hij zo fanatiek afstruint. Boris is wat je zou kunnen noemen een consumptie-pelgrim. Hij reist stad en land af om audio-leveranciers, computergroothandels of nieuwe electronicazaken te bezoeken waarvan hij een folder heeft ontvangen of een advertentie heeft gezien. Hoe sjieker de showrooms, hoe onbetaalbaarder de opgestelde modellen, hoe flitsender de advertenties, hoe meer genoegen Boris beleeft aan het hulpeloos opzuigen van zijn eigen illusies. Zolang hij er vlakbij kan zijn en, schijnbaar of gedeeltelijk, kan participeren, slaagt hij er wonderwel in zich fictief te laven aan de nieuwste technische snufjes die hij in het echt ontberen moet. Boris is als de alcholist die dronken kan worden bij het zien van een goede fles whisky in het rek van de slijter, of als de junk die de roes voelt opkomen bij het vastpakken van een onschuldige lepel of aansteker. Zolang hij te arm is om te kopen wat hij wil, zijn zijn wensen zijn kapitaal. Geld voor trein- of bustickets heeft hij niet. Boris legt zijn winkelpromenades wandelend en liftend af.
II

Het is inmiddels oktober, tweeënhalve maand na onze kennismaking. Tijden van cholera en geen liefde. In het moederland van mijn bovenbuurman is de economische pleuritis uitgebroken. Mijn doodzieke vader ligt thuis in Noord Brabant op sterven. Mijn vriendin betrap ik op een zaterdagnacht met een ander in bed.
Boris heeft al mijn cd’s die hij de moeite waard vond uitvoerig gekopiëerd. Drie maal. De eerste keer heeft hij ze op cassette overgezet. De tweede keer op zijn nieuwverworven Sony minidisc. De derde keer geschiedde omdat er de tweede keer iets fout was gegaan. Boris had zijn geliefde apparaat te grondig gereinigd met een ethylachtig goedje. Beteuterd vertelde hij dat alle muziek `zwabberig en vals’ op zijn schijfjes terecht was gekomen.
Op mijn deur vind ik na een kort verblijf in Brabant, een noodkreet van Boris op mijn deur. De tekst is met dikke zwarte viltstift neergepend in grote hanepoten op een bladzijde die uit een computertijdschrift (What HiFi?) is gescheurd. Over de rubriek `Quality and Ergonomics’ lees ik een noodkreet.
Serge, pleaze knock on my door
I’ve been waiting you for too days now
Your help is desperutely of need
Boris
Ik haast me de trap op en klop aan in het bedompte gangetje op de tweede verdieping van het studentenhuis. Er klinkt gestommel. Een sleutel wordt omgedraaid. Ik zie een stukje van de bril van Boris. Hij zet een pas naar voren, de donkere gang in, en trekt de deur achter zich dicht. Met zijn rechterhand maakt hij een wapperende beweging, alsof hij stank wegwuift.
`No, please, don’t come in. It’s because of the mosquito’s. I don’t want them to come in…’
Buiten is het guur herfstweer, een paar graden boven nul. De laatste muggen zijn een maand geleden tegen de muur kapotgeslagen. Boris vraagt of hij over vijf minuten beneden bij mij kan aankloppen.
Hij arriveert met een brief in de hand van de Vaste Beroepscommissie van Vluchtelingen, North Gate II, E. Jacqmainlaan 152 Brussel, opgesteld in het Nederlands. Hij vraagt of ik de brief wil vertalen. `It is very, very important for me. Please.’
Zijn asielaanvraag is afgewezen, zo vertelt hij, omdat hij zichzelf bij diverse verhoren op enkele cruciale punten heeft tegengesproken. Hij geeft toe dat hij over enkele zaken `not quite the truth’ sprak, `but I had no choice.’ Na drie jaar geleden als illegaal bij een politiecontrole te zijn opgepakt heeft Boris de Belgische autoriteiten wijsgemaakt dat hij de omgeving van Sint Petersburg is uitgevlucht omdat hij als jood herhaalde malen werd bedreigd en zelfs mishandeld door antisemieten, zonder dat hij daarna op enige steun of bescherming van de plaatselijke politie kon rekenen. Ik vraag hem wat er `not quite true’ is aan dit verhaal. Met een klein stemmetje zegt hij: `I’m not jewish’.
Er kan beroep tegen het besluit worden ingediend, zo lees ik in de brief, binnen veertien dagen per aangetekende brief die is opgesteld in het Nederlands of Frans. Aangezien ik schrijver ben van beroep, zegt Boris, kan ik hem misschien helpen met het opstellen van dat bezwaarschrift. Zelf spreekt hij geen Nederlands. `You are my last hope!’
Tijdens het opstellen van de brief maakt Boris zich kwaad over `die Polen, die Letten, die Tsjechen’ die zich hier ongestoord een tijdje kunnen vestigen, terwijl mensen als hij hooguit een toeristenvisum voor een of twee weken kunnen bemachtigen. Als ze geluk hebben en een officiële uitnodiging kunnen regelen. Mensen uit Rusland worden overal met minachting bejegend in West-Europa, klaagt Boris. Voor de mensen hier zijn zij derderangs burgers. `Het Belgische systeem dwingt me ertoe soms dingen te vertellen die niet helemaal correct zijn. Mijn relaas is niet de volle waarheid, dat geef ik toe, maar het is evenmin volledig uit mijn duim gezogen. Als de autoriteiten in West-Europa me niet als derderangs Europeaan zouden behandelen, als ik me vrij zou kunnen bewegen zoals de andere Europeanen, dan zou dit leugentje om bestwil helemaal niet nodig zijn.’

De woorden van Boris doen me denken aan wat Guennadij Polischshuk, een Russische acteur uit Kaliningrad tegen me zei, op een braderie die aan de kust van het voormalige Rauschen werd georganiseerd ter gelegenheid van de komst van de Literatuur Express. Guannadij draaide een fles vodka open die hij zojuist bij een kraampje op de Svetlogorsk Pionersk Consumer Society had gekocht. Hij beweerde dat het gemiddelde maandloon in Kaliningrad ongeveer veertig dollar bedroeg, en dat zijn stad ‘op Grozny na’ de lelijkste was van Rusland. De acteur boog zich wat dichter naar me voorover en sprak: ‘de autoriteiten geven het niet toe, maar weet je dat er hier dagelijks zeven mensen aan Aids sterven!’ Hij bracht een toast uit op de verdoemenis en de vulgariteit. ‘Za nas s vami, i za huj s nimi’ For you and me the best, and all the others go to hell… Guennadij lachte zich een ongeluk, en zei dat de Russchische ziel ondanks alle armoede en ellende ‘gul, grootmoedig, ondoorgrondelijk’ was, en vooral ‘heel zwaar om te dragen’. ‘We hebben geen cent,’ sprak hij, ‘maar we zijn het rijkste volk ter aarde.’ Daar op de braderie van Svetlogorsk Consumer Society realiseerde ik me meer dan ooit hoezeer Europa altijd nog een mailboot is met vele verdiepingen en klassen, en hoeveel Europeanen nog genoegen moeten nemen met een plekje buiten op het dek. Het alternatief? Een plaatsje als verstekeling in de machinekamer, of een baantje als keukenhulp of bordenwasser. De joyeuse vrijheid om ongehinderd per luwe wagons door Europa te reizen, die ikzelf en mijn collega’s op de Literatuur Express genoten, steekt schrik af tegen het gebrek aan middelen en mobiliteit dat Guannadij en andere Europeanen ervaren.

Een eeuw geleden was het de ijzeren kanselier die er moeite mee had concessies af te staan aan een bankier uit Brussel, Georges Nagelmackers, die de droom koesterde van een continent dat ongestoord over de rails kon worden bereisd. Bismarck was beducht voor een trein die door aartsrivaal Frankrijk gebruikt zou kunnen worden voor ‘vijandelijke’ doeleinden. Nu de vete tussen Berlijn en Parijs is bijgelegd en beide steden de as vormen waar de wielen van de EU omheen draaien, zijn het de regeringen van de vijftien afzonderlijke lidstaten die zich schrapzetten tegen mede-Europeanen die om ‘verkeerde’ (?) doeleinden naar West-Europa willen gaan. Het IJzeren Gordijn is vervangen door het Brusselse Gordijn, dat even strengbewaakt en inhumaan kan zijn. Al is de Koude Oorlog beëindigd, de tweespalt op het continent blijft bestaan. Jerzy Lugowoj, de hoofdboswachter van het Poolse nationaal park van Bialowieza, ontdekte in juli 2000 per ongeluk een tunnel die mensen aan het graven waren onder de Wit-Russische grens. Een anachronisme, zou je zeggen, uit de tijd van het Oostblok, dat echter ook de realiteit blootlegt van een nieuwe frontlijn in Europa. De grensomheining tussen Polen (in de wachtkamer van de EU) en Witrusland (verbannen) omvat houten uitkijktorens, elektronische sensoren en geharkt gebied om voetafdrukken te onderscheiden. Mensen die via de tunnels of anderszins naar het Westen proberen te vluchten, worden gearresteerd. Niet alleen Witrussen, Russen of Poolse smokkelaars, maar ook Kaukasiërs, Afghanen en Viëtnamezen hebben zich onder deze barrière tussen Oost en West door gewurmd. De thermodynamiek van de migratiestromen is even verbazingwekkend en hardnekkig als de menselijke wil.
Gedurende de weken dat ik per culturele vrijbrief met de Literatuur Express door Europa hobbel, probeerden duizenden lieden ongezien binnen de muren te geraken van Fort Europa. Hoeveel mannen, vrouwen en kinderen in hun poging geslaagd zijn, valt niet te achterhalen. De statistieken spreken enkel over hen die in de kraag werden gegrepen langs de snelwegen en havens, en over de personen die hun uitreisvisum betaalden met de dood.
De cynische score van zes weken:
achtenvijftig Chinezen die in Dover levenloos in een Hollandse vrachtwagen werden aangetroffen tussen de flesjes Yakult, de pakken cornflakes en de dozen taco-ships; gestikt in hun eigen wasem.
achthonderd Afrikanen, Koerden, Afghanen en Kosovaren die als drenkeling aanspoelden op de rotsen en stranden in de Straat van Gibraltar en de Adriatische Zee omdat hun gammele bootjes vergingen of omdat ze overboord waren gesmeten door smokkelaars die liever op deze manier hun lading losten dan in handen te vallen van de kustwacht.
tientallen verminkte lichamen die in Italië en Frankrijk op de snelweg werden gevonden, vermoedelijk nadat ze door medepassagiers uit de truck zijn geduwd.
drie Russen die ondanks hun truien, mutsen en dubbele winterjassen zijn doodgevroren en geplet tussen het landingsgestel van het lijntoestel waarin ze zich hadden verborgen, in de hoop zo Schiphol, Heathrow of Zaventem te kunnen bereiken. Twee bereikten hun bestemming, zij het niet bij leven. De derde was er bijna: hij kwam als een ijsblok terecht in een weiland bij Oudekerk a/d Amstel, ongeveer tien kilometer verwijderd van de Nederlandse luchthaven.

De aanhoudende toevloed van economische migranten is de prijs die het Westen moet betalen voor haar eigen voortvarendheid. De EU heeft de naam van het continent botweg geconfisqueerd voor haar politieke Unie en haar Munteenheid, ze heeft Europa geschaakt – zonder om te kijken naar de mede-Europeanen die bij deze ontvoering uit de boot dreigen te vallen of al zijn gevallen. Dat velen nu weer aan boord willen klimmen valt niet te voorkomen zolang de vijftien Westerse lidstaten van de EU een fundamentele uitbreiding van de Unie op de lange baan blijft schuiven. Alle Oost-Europese landen kruipen zich krom om in de gunst te komen van de zittende lidstaten, en worden uiteindelijjk dubbel zo hard vernederd. Als een land het voorrecht verwerft om plaats te mogen nemen in de antichambre van de club voor leden met de Gold Card, dan begint Brussel altijd meteen heel streng en hooghartig te wapperen met een boek van tachtigduizend bladzijden vol regeltjes waaraan de nieuwe lidstaten moeten voldoen vooraleer de cake kan worden aangesneden.

Wie niet wil wachten tot de EU zich eindelijk zal openstellen voor Europeanen van buiten de Schengen-grenzen, zal zich voorlopig nog met ellebogen en leugentjes-om-bestwil een weg naar binnen moeten wringen. Boris Iljic is een van hen. In ieder geval wil hij nog acht maanden langer in België blijven. Tot mei. Wat moet hij in Rusland nu de winter voor de deur staat? Het is crisis, het is koud, er is geen werk, zijn ouders en broer hebben moeite rond te komen en overleven vooral dankzij de moestuin. De hele toestand, zegt Boris, is er ‘uitzichtloos en rampzalig’. Ik vraag of hij al heeft overwogen in de echt te treden met een Belgische dame, wat de kansen op een verblijfsvergunning allicht vergroot. Die mogelijkheid heeft hij wel overwogen, maar helaas is hij `niet echt van het huwelijkse type’. Besmuikt, met een onzekere grijns die zijn grafzerkengebit op pijnlijke wijze openbaart, lacht hij: `too many beautiful women, you know, ha ha.’
Tijdens het componeren van de brief raakt Boris geregeld in paniek. Telkens als ik concreet wil ingaan op de inconsequenties die de commissaris in de verhoren heeft aangetroffen en die in het attest van de Vluchtelingencommissie staan opgesomd, smeekt hij: `Oh no! Please, no details! Don’t be specific! Remain as vague as possible.’ Als er na drie uur puzzelen, formuleren en herformuleren dan toch eindelijk een brief uit de printer rolt, bekijkt hij die sipjes. Hij veronderschuldigt zich nederig. `Sorry I took so much of your time’, zegt hij. En hij sloft bezorgd weer naar boven, om iets later terug te keren met een hele stapel tijdschriften over de nieuwste audio-apparatuur, video’s, computers en spelletjes. ‘Die mag je lenen,’ zegt hij, ‘omdat je me geholpen hebt met de brief.’
III

De volgende dag wordt er opnieuw door Boris op de deur geklopt. Nee, binnenkomen wil hij liever niet. Hij heeft last van `a very embarrassing problem.’ Hij kijkt om zich heen of niemand meeluistert in het trappenhuis. Fluisterend zegt hij: `I have this terrible smell under my arms…’
Hij kijkt me hulpeloos aan.
`I need something to kill the smell. I really want to kill it, you know.’
Ik vraag of hij al gedacht heeft aan deodorant. Boris schudt zijn hoofd. Deodorant heeft geen zin. Het helpt niet.
Kan een apotheker hem niet van advies voorzien? Te duur, zegt Boris. En ze verkopen enkel dure troep.
Het ziekenhuis dan?
Boris knikt en vertelt dat er een verpleegster was in Oostende die hem vorig jaar iets effectiefs gegeven had. De naam van het medicijn wist hij echter niet. Het ging om poeder dat hij onder z’n voetzolen en oksels moest deppen met een speciaal gaasje. Dat werkte. De naam van het poeder wil hem echter maar niet te binnen schieten.
‘Er schijnt een zuur te bestaan dat alle kwalijke geuren kan elimineren,’ fluistert Boris. `Does the name Bohr ring a bell? Bohr. You know what I mean? How do you pronounce it, Booohhh, Borrrr?’
Doelt hij op Niels Bohr, de chemicus en opsteller van het periodiek systeem der elementen?
`Met zuur zou ik oppassen,’ zeg ik.

Enkele weken later, als ik Boris tegenkom in het trappenhuis, vraag ik hoe het staat met zijn hygiënisch ongemak. ‘Uierzalf,’ zegt hij tevreden. ‘Ik smeer me in met uierzalf. Dat ruikt lekker en ik zweet minder.’
Ik knik. ‘En je bezwaarschrift?’
`Dat lijkt in orde. Ik kan voorlopig nog blijven. Ze hebben mijn verzoek om asiel opnieuw in beraad genomen.’
Boris vraagt of hij een keer mee mag rijden naar Brugge. `Er is daar een nieuwe audio-winkel die ik graag een keer zou bezoeken.’
Ik doe Boris een voorstel: ik zal hem naar de audiowinkel in Brugge brengen, als hij me vergezelt naar parkeerplaats Jabbeke aan de snelweg van Brussel naar Oostende.
`Waarom?,’ vraagt hij achterdochtig.
`Om te fungeren als tolk,’ zeg ik. Het terrein rond het Fina Pompstation staat bekend als een brandpunt van allerhande mensensmokkelnetwerken. Het is een pleisterplaats voor Oost-Europese chauffeurs die er tanken voor ze het Kanaal oversteken. Last stop before England wordt de plek wel genoemd, of de transitstrook. ’s Nachts is de parkeerplaats behalve een rustplek voor truckers ook een opstappunt voor vluchtelingen die een laatste poging willen wagen het continent achter zich te laten. Ze wachten op het juiste moment, het afgesproken transport, of voegen zich bij andere familieleden of lotgenoten die zich in een truck hebben opgesloten.
‘Wil je naar Engeland?’ vraagt Boris met grote ogen. ‘Je hebt toch een Schengen-paspoort?’
‘Ik wil een artikel schrijven over de parkeerplaats.’
Boris knikt bedenkelijk en vraagt hoeveel geld ik met dat artikel ga verdienen. ‘Nu ja… misschien heb ik nog interessante informatie voor je,’ zegt hij dan. Naar Jabbeke wil hij wel, als hij maar niet met de Rijkswacht in aanraking hoeft te komen.

Jaarlijks lopen bij Rijkswachtcontroles op de parkeerplaats van Jabbeke vele honderden illegalen tegen de lamp. De Engelse Immigratieminister Mike O’Brien rekende voor dat er ieder jaar minimaal achtduizend vluchtelingen zonder toestemming zijn land worden binnengesmokkeld met vrachtwagens. Voor O’Brien is de maat meer dan vol. Hij kondigde aan zware geldboetes in te zullen voeren voor vrachtwagenchauffeurs in wiens truck illegalen worden aangetroffen. Ruim zesduizend gulden per verstekeling.
Engelse en Belgische beroepsverenigingen van de transportsector reageerden boos. `Het is alsof je moet betalen als er in je huis wordt ingebroken. De meeste chauffeurs weten niet dat er mensen tussen de lading verstopt zitten omdat de vluchtelingen ongezien in de truck proberen te geraken. De verstekelingen kruipen overal tussen, je vindt ze zelfs bij de wielen onderaan het chassis of op het dak, waar ze het dekzeil openscheuren. Soms levert dat levensgevaarlijke toestanden op. Illegalen worden vermorzeld tussen de wielen of de lading van de truck die hen vervoert, of ze stikken vanwege gebrek aan zuurstof.
`De verstekelingen snijden het canvas stuk,’ weet Boris. `Met een stanleymes. Dan naaien ze alles weer dicht met naald en draad, zo secuur mogelijk zodat de sporen van de ingreep nauwelijks nog te zien zijn. Het dichtnaaien van het canvas neemt ongeveer anderhalf uur in beslag.’
`Hoe weet je dat?’
`Ik heb in Oostende gewoond in een asielzoekerscentrum vlakbij de haven. Daar verdwenen voortdurend medebewoners op deze wijze naar Engeland. Ze overlegden op hun kamers over hun plannen voor de overtocht.’
Naast de chauffeurs die ongewild te maken krijgen met verstekelingen, zijn er ook vrachtwagenrijders die weldegelijk op de hoogte zijn van hun illegale lading mensenvlees. Mensensmokkel is een uiterst lucratieve handel, waar nog meer profijt uit te halen valt dan uit drugs. Steeds meer georganiseerde bendes beginnen zich er daarom op toe te leggen. Transporteurs kunnen met een transport tussen de duizend en zesduizend dollar ‘per kop’ verdienen. Dit laatste maakt de gewone truckchauffeurs alleen maar angstiger. Hoe bewijs je de politie dat je echt van niks wist? Sommige transportfirma’s in Belgie laten hun chauffeurs alleen nog via de shuttle in Calais rijden, waar de trucks automatisch gecontroleerd worden door middel van een warmtedetector. Vroeger werd die enkel gebruikt om te controleren of chauffeurs dieren bij zich hadden. Nu gebruiken ze die ook voor mensen.

IV

`Nothing going on,’ zegt Boris als ik mijn gele bestelwagen op het parkeerterrein heb geparkeerd. We zien de boel een tijdje aan, zonder dat er wat noemenwaardigs gebeurt. Boris wil vast door naar de audiozaak in Brugge. Hij weigert uit de auto te komen. `Er zijn hier geen Russen,’ zegt hij. `En Pools spreek ik niet.’
Ik probeer een praatje te maken met een Poolse cauffeur die bezig is zijn truck vol te tanken met Diesel. Hoewel ik op een meter afstand van hem sta, doet de man of ik niet besta. Hij kijkt dwars door me heen. Uit de cabine stapt een vrouw van middelbare leeftijd met een pannetje in de hand. Veel Oost-Europese chauffeurs reizen rond met hun echtgenotes. Omdat ze zo lang van huis zijn, maar ook omdat ze vaak geen huis hebben. Ze wonen in hun truck.
Ik stap opzij voor de vrouw, en ga vlak voor de pomp staan van de Pool. Als ik de man aanspreek schudt hij resoluut zijn hoofd.
De chauffeur van transportfirma Kadar Trans uit Budapest is spraakzamer. In rudimentair Duits maakt hij me duidelijk dat hij zijn vrachtwagen altijd nauwgezet controleert voor hij na een rust- of tankstop verder rijdt richting de haven van Oostende of Zeebrugge. Hij heeft zelf nooit illegalen aan boord gehad, daar is hij zeker van. `Bei mir keine Chance,’ zegt hij. De chauffeur leidt me rond zijn wagen en toont me de inhoud van zijn trailer. Leeg. Om er zeker van te zijn dat zijn wagen ongemoeid is gelaten, bevoelt de Hongaar gewoonlijk het blauwe canvas dat over de roosters van zijn laadwagen is gespannen. Oneffenheden kun je niet altijd zien, vooral als het donker is. Aan de rechterkant van de truck valt op dat het zeil op sommige plekken is gescheurd en gerepareerd. Die inkepingen, zegt de chauffeur, zijn veroorzaakt door slijtage of door scherpe houtsplinters van pallets die bij het laden of lossen het doek hebben beschadigd. De scheuren zijn te grillig om met mes te zijn veroorzaakt. De openingen zijn te klein voor een mens om er zich doorheen te wringen.
Ik rijd met Boris verder, de E40 op, naar de haven van Oostende, het gedeelte met de langgerekte kades en pakhuizen, waar de trawlers aanmeren en dat bekendstaat als `de vismijn’. Visgroothandels verwerken er de verse vangst en distrubueren de vis verder naar de detailhandel en supermarkten. Particulieren kunnen er terecht om tegen voordelige prijs oesters, kokkels, kreeft, krab, langoustine, kabeljauw, zalm en rog te kopen of geprepareerde stukken heilbot en zalm.
De vismijn maakt een vervallen indruk. Heel wat vissers laten hun vangsten tegenwoordig liever in buitenlandse havens veilen. Dat levert meer op en kost minder tijd. De schepen kloppen aan bij veilingen langs de Britse en Deense kust, dichter bij de wateren waar ze hun netten uitwerpen. Er komen minder en minder schepen terug naar de vismijn.
Ik parkeer mijn wagen voor zeevisgroothandel Hector Eerebout. Boris vertelt dat hij hier altijd vissenkoppen ging halen en restanten zalm en heilbot, voor de zwerfkatten van Oostende. ‘En voor mezelf.’ Boris instrueert: ‘De vissenkoppen waar nog behoorlijk wat vlees aanzit dompel je onder in een teil met lauw, gezouten water. De vis moet minimaal een halve dag in de pekel, liefst een etmaal. Dan eet je de koppen rauw met mosterd en bruin brood, of je trekt er soep van. Heerlijk en het kost niks.’
In Brussel is er helaas geen visafslag, zegt Boris, en de luxueuzee vistraiteurs in het centrum of de Marollen zijn een stuk minder gewillig in het laten rondscharrelen van een Russische asielzoeker in hun afvalbakken, dan de vissers en visverkopers in Oostende.
Op de overdekte afslag staan witte vriesdozen van piepschuim die volgeladen zijn met onbruikbare resten vis, vooral staarten, stukken graat en grijsblauwe koppen met uitpuilende, glazige ogen. Meeuwen zwermen over het water en blijven al krassend in de buurt van de kade cirkelen. Boris laadt wat zalmkoppen in een plastic tas. `I love that soup that I make from fish-head,’ mijmert hij. `It’s so tasty.’
We stappen weer in de wagen, rijden terug langs de kaden over de ophaalbruggen bij de ferryterminals, naar een onbewaakt parkeerterrein voor trailers dat toebehoort aan de Ostend Cargo Handling Services. Boris zegt dat vluchtelingen hier ’s nachts in de trailers proberen te geraken. De andere parkeerterreinen zijn te goed bewaakt en omheind met metershoge hekwerken en videocamera’s.
Ik knoop een gesprek aan met een trucker die bezig is een trailer te lossen. De man spreekt Westvlaams, heeft een ringbaardje, en verwijst me naar Zeebrugge: `Ginds krabbelen de meeste in de schuutse. Ga daar maar ‘ns gluren. Bij mij zulde gene vinden.’
We rijden naar zee, passeren een vuurtoren, een haventje waar plezierjachten liggen en waar ook een baggerschuit ligt aangemeerd. We parkeren de auto op een zandweggetje dat naar een oude militaire citadel leidt en waar zich nu een hondentrimschool bevindt. De bumper van de terreinwagen voor ons is beplakt met een sticker waarop staat: `Dieren hebben ook gevoel’. Baasjes met hun Bello, Lupo of Bruno achterin rijden voorbij. Links onder ons ligt het strand, rechts liggen de duinen met bunkers die door de Duitsers zijn gebouwd. Een houten paneel geeft op ouderwetse wijze aan wat er hier zoal aanspoelt. `Op het strand vind je schelpen, overblijfselen van dode vissen en kreeftachtigen. Maar ook: turfblok, drijfhout, eikapsel wulk, knotswier, eikapsel rog, bladachtig hoornwier, rugschild inktvis, noordzeekrab, oorkwal, flessen met eendenmossel, zwaardschede wulken.’ Wat niet vermeld staat: asielzoekers. Toch spoelen ook die hier aan in aanzienlijke getalen. Jutters betaald door de staat sprokkelden tot voor kort hele busladingen samen in een gebouw dat verderop aan de wering ligt verscholen tussen de duinpannen. Boris heeft er bijna twee jaar gewoond.
Fabiola heet het centrum; het heeft drie verdiepingen, balkongalerijen met uitzicht op zee, grote ramen, en het maakt deel uit van een desolaat complex met kazernes dat vroeger dienstdeed als militair hospitaal. Zowel het hospitaal als het asielzoekerscentrum zijn nu verlaten en staan te koop. Om de grauwe gebouwen staat een uitgestrekt hekwerk, met borden die waarschuwen dat er waakhonden en soldaten de wacht houden. Links van het centrum, half in de duinen, staat een houten uitkijktoren die uitziet over een groot deel van de kazernes. Het terrein krijgt hierdoor zowel iets van een leeg kuuroord als een concentratiekamp.
`Look, wasn’t it nice!’ Boris slaakt een diepe zucht. Hij arriveerde hier eind 1994 met een door de vreemdelingendienst gehuurde toeristenbus die wekelijks vanuit het Klein Kasteeltje, het centrale asielzoekerscentrum in Brussel, vertok richting de kust. De buslijn wordt door het personeel van het Klein Kasteeltje cynisch `the delivery-line’ genoemd; de bezorgdienst die asielzoekers aflevert, als pakjes of pizza’s, tot aan de deur van de centra. Fabiola was de eindhalte. `Het uitzicht op Engeland kreeg je er gratis bij,’ zegt Boris. `’s Morgens stond ik op, schoof de gordijnen open, knipoogde naar de meeuwen, en piste van het balkon. Woahhh, wat een tijd!’ De Rus schopt in het zand en spuugt, de handen in zijn zakken.`In het begin, toen ik hier kwam wonen, lette ik nooit zo erg op het uitzicht, op de uitvarende schepen, de contouren van de stad aan de overkant van de haven. Ik probeerde werk te vinden, had een oogje op een mede-azielzoekster, een Russin van mijn leeftijd. Ik dronk bier in café’s, voerde vissenkoppen aan de zwerfkatten. Het was een goede tijd.’
Ik vraag waarom hij er destijds is weggegaan. Boris zegt: `in het Russisch is er een gezegde dat luidt: in een mooi huis woon je mooi, maar aan de overkant woon je nog mooier.’
Later bekent hij: ‘het was vanwege de liefde.Toen het uit was met de Russin, wilde ik hier niet langer blijven.’ Boris spuugt een fluim op de grond. `Vrouwen willen vastigheid. Ik ben geen man voor lange relaties.’ Hij lacht wrang. `Eerder een man van problemen.’
Hij verhuisde naar een kleine voorstad in de provincie. `Als je in de modder leeft, word je vanzelf vuil,’ zegt Boris. `Ik wilde niet in de modder leven. De modder, dat is Antwerpen, een vrijhaven voor de Russische maffia. Ik zou er zeker aanbiedingen krijgen om wat bij te verdienen, aanbiedingen van landgenoten, en het zou veel te moeilijk zijn om nee te zeggen. Russen uit Antwerpen ga ik uit de weg. Ik mijd ze.’
Boris wil niet mee naar binnen klimmen. Hij heeft slechte ervaringen met de bewaker, die het niet kon hebben dat Boris zijn stinkende vissenkoppen in een koelbox in het centrum bewaarde. Staand op het achterterras van het gebouw, zie ik dat de trappen die leiden naar de balkongalerijen zijn afgezet met rollen prikkeldraad. Ik tuur door de vuile ruiten, zie een verlaten ruimte met witte kasten en een roestvrijstalen aanrecht, linoleum op de vloer, een hoop troep en stof. De deur van de keuken staat open en daarachter zijn de kazernes zichtbaar.
`Alles leeg,’ zeg ik tegen Boris, die is gaan zitten op de zeewering.
`Zelfs geen bedden? Er stonden metalen bedden! En lockers, er stonden lockers in de kamers!’
`Alles leeg.’
De wind blaast in onze haren. Boris vraagt of we nu dan eindelijk naar Brugge kunnen rijden. Hij spuugt op in het zand en neemt een van zijn kleverige, langwerpige zuurtjes in de mond.
‘Hier zou ik graag willen wonen,’ mijmert Boris als we door de statige, sombere lanen rijden van Brugge. Hij vraagt of hij even `voor privézaken’ langs kan gaan op een adres aan de rand van de binnenstad. Ik moet op hem wachten in de auto. ‘Privézaken zijn privézaken,’ zegt hij, en hij belt aan bij een herenhuis. Een kwartier later komt hij terneergeslagen weer naar buiten. Zijn Russische gevloek klinkt als het gesputter van een kapotte uitlaat. `De prijs van mijn obligaties is gekelderd,’ legt hij uit. ‘Een goeie investering, hadden ze beloofd. Pfff!’
We eten een bakje friet met sauce américaine op de Grote Markt, bij een houten kot. Jongeren draaien rondjes op de schaatsbaan. Een housebeat blaast ons tegemoet. Terug in de auto steekt Boris een tirade af tegen Amerika `where blacks are kings’. Vanwege de zwarten wil hij nooit naar Amerika. Zwarten zijn veel te uitbundig. `They are so rude, they behave like apes…’ Hij houdt van mensen die beheerst zijn. Mensen die het hoofd koel houden.
Wie er ook aan moeten geloven in Boris’ betoog, zijn de Finnen. Finland is eigenlijk altijd een provincie van Rusland geweest. Boris weet hoe het zit, want zijn familie heeft een dacia – een houten buitenhuisje – in Karelië aan de grens met Finland.
In de sjieke hifi-zaak kent Boris geen enkele gêne meer. Hij huppelt rond als een opgetogen kleuter en bestookt de verkoper in de showroom met gedetailleerde vragen. De man krabt zich achter de oren, vraagt of Boris plaats wil nemen in de zachte fauteuil, en komt even later aanzetten met allerlei folders en koffie. Gewillig laat Boris zich de ins and outs uitleggen van de allernieuwste Denon-geluidsdrager, knikt tevreden als hij zijn kopje op heeft en groet de verkopers die verbluft achterblijven in de glazen ruimte. `Kom Serge, laten we gaan. Deze zaak is niet wat ik me ervan voorstelde.’

V

Een maand later stroomt het water in stralen van het plafond. Boris heeft de douche laten overstromen. Hij komt van de trap af gestommeld met emmer en dweil en verontschuldigt zich in alle toonaarden. ‘I had a blackout,’ zegt hij. Het water druipt zelfs van de traptreden.
Een dag later klinkt weer het bekende geklop op de deur. Het is Boris die me een strijkbout toont. En een vaal schoudertasje. Hij vraagt of ik de spullen niet wil kopen. `Ik heb geld nodig, zie je…’
Boris zegt dat hij een gehoorapparaat wil aanschaffen voor zijn vader in Rusland.
Zijn meest geliefde bezit, de Sony minidisc, heeft hij daarom verkocht aan het studentenpaar op de overloop. `For quite a good price’. Hij was tot de verkoop overgegaan in de veronderstelling dat hij zijn apparaat bij tijd en wijle nog wel zou mogen lenen. De pech wilde echter dat de jongen de minidisc als verjaardagsgeschenk aan zijn vader cadeau deed. Het apparaat staat nu ergens in een huiskamer in een afgelegen dorp in West-Vlaanderen.
Voor ik de deur weer dicht doe vraagt Boris of ik misschien geïnteresseerd ben in zijn Pioneer tv. Hij heeft een vriendenprijsje in gedachten van tienduizend Belgische francs (tweehonderd Euro). Een buitenkansje, zegt hij, want zelf heeft hij er het dubbele voor betaald en het apparaat verkeert nog in perfecte staat.
`Zul je er geen spijt van krijgen?’
`Misschien dat ik nog af en toe de beursberichten bij je mag komen bekijken…’
Zeven dagen later heeft Boris zich op zijn kamer opgesloten met wat blikjes bier. Ik wil hem uitnodigen voor een avondmaaltijd, maar hij blijft liever binnen. `Ik kan niet alles verklappen, maar laat ik dit zeggen: die stomme ezel van een Bill Clinton is m’n beste vriend, ha ha ha! In zijn domheid is hij me zeer behulpzaam geweest, hi hi. Uitstekend! Meer kan ik niet zeggen, ik ben wat duizelig van het bier. De volgende keer als ik nuchter ben, leg ik het je wel uit… Trouwens, ga je nog naar Antwerpen binnenkort?’
Ook vraagt hij of hij zout kan lenen. Een heel potje graag, want hij heeft een voorraadje zalmkoppen bijeengescharreld en is bezig met het bereiden van de pekel. `Morgen kom ik je een portie brengen,’ belooft hij, `als de zalm voldoende heeft kunnen weken.’
Boris komt zijn belofte niet na, want de volgende dag blijkt de Rus met de noorderzon vertrokken. De zalmkop blijft me gespaard.

VI

In het houten postbakje stapelen de brieven van de Beroepscommissie, de Dienst Vreemdelingenzaken en van beleggingsbureau De Moor, De Perre & Van Mys zich op. Ook de huisbazin, mevrouw Jeanette, heeft geen flauw benul waar haar Russische huurder is gebleven. Is hij terug naar Sint Petersburg, op bezoek bij zijn sukkelende vader en zijn werkeloze broer? Is hij op de vlucht geslagen voor de ‘modder uit Antwerpen of Brussel’? Heeft hij onverwacht zijn slag geslagen op de optiebeurs?
Ongerust of ontdaan is ze niet. Boris is haar geen huurgeld verschuldigd, en ze heeft nog genoeg studenten om van te leven. Mocht er zich nu een nieuwe gegadigde voor het kamertje van twee bij anderhalf aandienen, dan heeft ze geluk. Zo niet, tant pis. De boel moet daarboven toch eens dringend in de verf. Het Pioneer tv-toestel dat ze in mijn werkkamer ziet staan, wil ze terug. Ze had het aan Boris uitgeleend omdat hij geen geld had en geen vrienden. ‘Een tv verdrijft de stilte,’ weet mevrouw Jeanette. ‘Die arme Russische mens was eenzaam, hè. Dat zag je er wel aan af. En je rook het, hè. Een geluk dat hij mijn toestel niet heeft meegenomen.’

 ‘What kind of beer is that Erdbeer?’

In de negentiende eeuw, ontsproten nationale culturen uit de verbeelding van de schrijvers, geleerden en historici. In de 21ste eeuw, staan we voor de uitdaging om Europa van top tot teen gestalte te geven. Hopelijk geschiedt dat niet alleen op institutioneel of administratief niveau. Het grondleggen van de veelvormige Europese cultuur, zal iets zijn waar de jongste en komende generaties zich mee bezig zullen houden. Ook de kunstenaars, schrijvers, filmmakers – en dus niet alleen de politici en zakenlieden – kunnen er niet omheen de vraag te stellen wat Europa voor hen betekent.
In de talloze extra bijlagen die de afgelopen weken aan de uitbreiding van de Europese Unie, kwamen tal van aspecten aan de orde: economie, demografie, immigratie, politiek, militair. Over cultuur werd met geen woord gerept. Een pijnlijke omissie van de redactie, of een teken aan de wand? Als het om de voortschrijdende eenwording van Europa gaat voeren merkantilistische -, economische en veiligheidsbeginselen de boventoon. De cultuur, meestal toch de grondslag voor iedere cohesie tussen volkeren, hobbelt er op z’n gunstigst een beetje achteraan. Of wordt, zoals in De Morgen, helemaal buiten beschouwing gelaten. ‘Erst kommt das Fressen, dan kommt die Moral’, schreef Bertold Brecht al.
Toch is dat wel eens anders geweest.

György Konrad

György Konrad, president van de Akademie van de Kunsten in Berlijn, sprak vorig jaar een rede uit in Berlijn, voor een gehoor van honderd Europese schrijvers uit 43 landen die gegrondvest zijn op het Europese erfgoed, van Armenie tot Spanje. ‘Als de EU u menens is, moet u ook bereid zijn af en toe in de huid van andere Europeanen te kruipen’, hield Konrad zijn publiek voor. ‘Bijvoorbeeld door middel van literaire boeken, die vertaald en verspreid moeten worden in heel Europa. Europa is een continent van woorden.’

Konrad zei dit op de Bebelplatz, voor de Von Humboldtuniversiteit, de plek waar de Nazi’s op 10 mei 1933 boeken van joodse schrijvers en entartete intellectuelen hebben verbrand. En waar de Israelische beeldhouwer Misha Ullman een ondergronds boekendepot heeft gemaakt met witte, lege boekenplanken, die zichtbaar zijn via een glazen plaat tussen de kasseien waarop een macabere voorspelling uit 1810 van Heinrich Heine te lezen staat: waar boeken worden verbrand, zullen ook eens mensen worden verbrand.

In de negentiende eeuw, ontsproten nationale culturen uit de verbeelding van de schrijvers, geleerden en historici. In de 21ste eeuw, staan we voor de uitdaging om Europa van top tot teen gestalte te geven. Hopelijk geschiedt dat niet alleen op institutioneel of administratief niveau. Het grondleggen van de Europese cultuur zal iets zijn waar de jongste en komende generaties zich mee bezig zullen houden. Ook de kunstenaars, schrijvers, filmmakers – en dus niet alleen de politici en zakenlieden – kunnen er niet omheen de vraag te stellen wat Europa voor hen betekent. ‘Voor mij betekent het, onder meer’, vertelde Konrad in Berlijn, ‘dat niemand er als enige over kan heersen. Velen hebben het geprobeerd, maar niemand is erin geslaagd. Geen van hen kon op tegen de Europese individuen.’
Het welvaren van Europa is onlosmakelijk verbonden met pluralisme. Het boeket bloeit als de bloemen zich openen, zonder dat het geheel uiteenvalt. Het Europese humanisme, dat het menselijk bestaan ziet als een streven naar vrijheid, kan als bindende kracht fungeren binnen dit pluralisme. De samenbindende rol van de EU is nog altijd zo oppervlakkig, dat niet meer dan een duizendste van het budget besteed wordt aan cultuur (dat is twintig keer zo weinig als op het gebied van defensie). Europa moet de vertalingen van boeken en de publicatie van boeken in de diverse landen stimuleren. Dit is iets dat vanzelfsprekend moet worden, omdat het wederzijdse begrip tussen de naties erdoor versterkt. Het zou er een principe van moeten maken om ook films en muziek uit andere Europese landen onder de aandacht te brengen, via beschikbaar stellen van fondsen en het organiseren van festivals waar Europeanen dat ‘kijkje in elkaars ziel’ kunnen krijgen waarover Konrad sprak. Van een Europese literatuur was al sprake lang voor het idee ontstond voor een Europese Kolen en Staal Gemeenschap. De Europese literatuur en cultuur zijn gelukkig niet afhankelijk van de Europese Unie, maar wanneer het omgekeerde het geval is (als de EU zich niets gelegen laat liggen aan de cultuur en literatuur van haar lidstaten) zal een groeiende onverschilligheid ten aanzien van de medeburgers de cohesie van de EU uiteindelijk zeker parten spelen. Dan blijkt de eenwording niet meer dan een lege huls, en de minste of geringste crisis het geheel uit elkaar doen vallen.

‘What kind of beer is that Erdbeer?,’ vroeg de Armeense cineast en scenarioschrijver David Matevossian, me onlangs op het terrasje van een ijssalon in Dortmund. De spraakverwarring tussen Europeanen zal er ondanks de nakende eenwording voorlopig wel niet minder op worden. Ondanks dat blijft verbroedering mogelijk, mits we niet met de rug naar de andere Europeanen gekeerd zullen blijven. De huidige balans is wat dat betreft weinig hoopgevend. Nederlanders kijken liever reikhalzend naar de andere zijde van de Atlantische Oceaan, dan dat ze zich oprecht interesseren voor de boeken van schrijvers of cineasten uit Estland of Bulgarije. En in Belgie is het nog curieuzer. Zelfs de meest toonaangevende schrijvers in het franstalige gedeelte (Nicolas Ancion, William Cliff) geven toe nog nooit ook maar een boek gelezen te hebben van pakweg Hugo Claus (zelfs niet in vertaling). Andersom is het overigens niet veel beter gesteld, zo leert een vragenrondje onder mijn literaire vrienden in Brussel. Op mijn vraag welke hun favoriete franstalige belgische schrijvers zijn, weten ze in het gunstigste geval alleen enkele dode kanonnen te noemen (Michaud, De Maeterlinck, De Coster). Amelie Nothomb categoriseerden sommigen als ‘een franse schrijfster’.
‘Europa is een continent van woorden,’ zei György Konrad op de Bebelplatz. En hij vertelde daarbij de anekdote van de Boeddhistische monnik uit Japan die terugkeert na een bezoek aan Europa. ‘En, hoe zijn de Europeanen?’ willen zijn collega’s weten. Zijn antwoord luidt: ‘aardige mensen. Alleen praten ze teveel…’. De eenheid in Europa is nog ver te zoeken, maar misschien is dat maar goed ook. Verscheidenheid vormt juist de kracht en schoonheid van ons continent. Culturele eenheid is stilstand, verstarring en monotonie. Het uitzicht vanaf de toren van Babel is veel adembenemender dan dat vanaf de begane grond. Maar om die verscheidenheid niet tenonder te laten gaan in merkantilistische uniformering, zal de moraal van de Europese burgers ergens toch bereid moeten zijn om in het geweer te komen, en is een interesse in de andere Europeanen geen luxe maar noodzaak.

Serge van Duijnhoven

Kruidtuinlaan


OPROEP VOOR EEN EUROPA GEGRONDVEST OP ZIJN CULTUUR

Bernard Foccroulle, Algemeen directeur van de Munt, werd vandaag ontvangen door ROMANO PRODI, Voorzitter van de Europese Commissie, vergezeld van een delegatie Belgische artiesten, meerbepaald Jan Fabre en François Schuiten, en van een afgevaardigde van het netwerk IETM (Informal European Theater Meeting).  Tijdens deze ontmoeting heeft hij een oproep ten bate van een Europa gegrondvest op zijn cultuur, overhandigd aan Dhr. Prodi.  Dit verzoekschrift werd door meer dan 100 artiesten uit 20 verschillende landen ondertekend.

Hierbij vindt u de oproep, evenals een selectie van artiesten die deze oproep hebben ondertekend:

Oproep van de artistieke wereld:

“Voor een Europa gegrondvest op zijn cultuur”

« Europa als een idee is bij de mens gerijpt lang voordat er een regeringssysteem in het leven geroepen werd » (Giorgio Strehler)

Op het ogenblik dat de Europese Unie tien nieuwe landen verwelkomt wensen wij, Europese kunstenaars en culturele verantwoordelijken, een oproep te richten aan de staats- en regeringshoofden en aan de Europese instellingen.

Onze wereld wordt op dit ogenblik met een zware crisis geconfronteerd: de kloof tussen arme en rijke landen wordt steeds groter, honderden miljoenen mensen leven in onaanvaardbare omstandigheden, binnen de ontwikkelde landen heerst grote ongelijkheid, de toekomst van ons leefmilieu is uiterst onzeker, de opmars van het terrorisme en de spiraal van geweld verhogen de onveiligheid. In vele landen smoort het fundamentalisme elke vrijheid van meningsuiting en van denken in de kiem. Oorlog lost dergelijke problemen niet op: oorlog gooit olie op het vuur.

De wereld heeft het recht te verwachten van de Europese Unie dat die krachtig en eensgezind zou reageren, dat de Unie zou gehoord worden als een morele autoriteit. Welnu, het is duidelijk dat Europa niet de rol vervult die het zou moeten. Europa koestert nog steeds de illusie dat de Unie eerst en vooral een economische en monetaire aangelegenheid is, het lijkt afgesneden van zijn verleden, een speelbal van blinde krachten, terwijl het zou moeten naar voren treden als een project dat gegrondvest is op een erfgoed.

Natuurlijk, binnenkort zal de Europese grondwet aangenomen worden, algemene verkiezingen zullen op Europees niveau gehouden worden, burgers kunnen zich verdedigen tegen de willekeur van hun eigen staat, iemand die aan één Europese universiteit begint te studeren kan zijn studies aan een andere voortzetten. Dit zijn allemaal belangrijke vernieuwingen. En toch stuiten ze op een zo goed als algemene onverschilligheid bij de burger. Het is alsof Europa er niet in slaagt zichzelf zinvol te maken of anders over te komen dan als een supranationale bureaucratie.

Als Europese burgers zijn we allemaal erfgenamen van Homeros en Vergilius, Van Eyck en Michelangelo, Shakespeare en Cervantes, Bach en Mozart, Chopin en Liszt, Flaubert en Kafka, Eisenstein en Bergman. Met hun kunst schiepen zij een cultuur die ons een gemeenschappelijk verleden en een herkenbaar referentiekader overlevert, een cultuur die heeft bijgedragen tot het ontstaan van de democratische waarden. Die Europese identiteit die we allemaal delen ontstond veel vroeger dan de politieke constructie van het moderne Europa. Al eeuwenlang hebben artistieke en culturele uitwisseling zich niet gestoord aan staats- of taalgrenzen. Die contacten hebben het mogelijk gemaakt te verenigen wat gescheiden was en de wonden te helen van zelfs de bloedigste conflicten.

Het is aan ons om vandaag dit erfgoed door te geven aan de komende generatie, van het in ere te houden en te verrijken. Democratie kan niet bestaan als louter instelling, zelfs niet als enkel maar een organisatievorm. Democratie kwijnt weg als ze niet bezielt wordt door de krachten van de geest, van kunst, van onderzoek. Mocht het Europa van de productie en de consumptie het halen van Europa als beschaving, mocht Europa als één reusachtige markt de plaats innemen van Europa als cultuur, dan zou de wereldwijde crisis kunnen culmineren in een botsing tussen de krachten van het fundamentalisme en die van het materialisme. Die botsing zou wel eens even pijnlijk en vernietigend kunnen zijn als de ergste rampen die de mens in de vorige eeuw getroffen hebben.

Daarom:

1° verzoeken wij de staats- en regeringshoofden van de 25 lidstaten een Europese grondwet te stemmen die een echt beschavingsproject is, gebaseerd op ons cultureel erfgoed en op onze gemeenschappelijke waarden van democratie, vrijheid, eerbiediging van de rechten van de mens en van de menselijke waardigheid. Doelstellingen van economische aard dienen in die optiek gezien te worden als middelen, eerder dan als doel op zich.

2° vragen wij aan de regeringen van de 25 lidstaten en aan de Europese instellingen dat ze blijk zouden geven van een echte gemeenschappelijke politieke wil, dat ze een ambitieus Europees project op stapel zouden zetten dat in staat zou moeten zijn een Europese culturele identiteit te smeden die bestaat uit eenheid en verscheidenheid. Heel Europa zou een bruisende ruimte moeten worden, vol dynamiek door uitwisseling en creativiteit, met een vrij verkeer van ideeën, van werken en van hun auteurs.

3° ons bewust van het feit dat sommige projecten die onontbeerlijk zijn voor het versterken van de Unie niet direct op de steun van alle lidstaten kan rekenen, vragen wij dat de landen die het meest betrokken zijn bij het eenmakingproces nieuwe, gedurfde, federale initiatieven zouden nemen om de Europese zaak te bevorderen, vooral dan wat cultuur betreft. We richten ook een oproep aan de kunstenaars en de culturele verantwoordelijken opdat zij een actieve en zichtbare rol zouden spelen in hun steun aan een cultureel Europa.

Dit verstevigen van de Europese eenheid staat geenszins de culturele verscheidenheid in de weg, maar moet die integendeel beschermen en versterken. Bovendien is er een oprecht gemeenschappelijk streven nodig om op ons continent de communautaire uitwassen en de opflakkeringen van nationalisme te bezweren. Hetzelfde geldt voor de rest van de wereld: in de dialoog tussen de culturen waar heel de planeet dringend nood aan heeft moet Europa die rol vervullen die het als enige spelen kan op dit ogenblik. Dit is een historische en morele plicht.

Lijst van ondertekenaars :
Claudio Abbado, dirigent ; Pierre Alechinsky, beeldend kunstenaar ; Oswaldas Balakauskas, componist ; Alessandro Baricco, schrijver ; Cecilia Bartoli, zangeres ; Henry Bauchau, schrijver ; George Benjamin, componist ; Maurice Béjart, choreograaf ; Luc Bondy, regisseur ; Pierre Boulez, componist, dirigent ; Darko Brlek, directeur van het festival van Ljubljana ; Peter Brook, regisseur ; Philip Catherine, muzikant ; Liliana Cavani, cineast ; Riccardo Chailly, dirigent ; Patrice Chéreau, regisseur, cineast ; Hugo Claus, schrijver ; Matteo D’Amico, componist ; Luc et Jean-Pierre Dardenne, cineasten ; Alain de Botton, schrijver ; Anne Teresa De Keersmaeker, choreografe ; Michel Del Castillo, schrijver ; Mary Ann De Vlieg, coordinatrice IETM (Informal European Theater Meeting) ; Roddy Doyle, schrijver ; Serge van Duijnhoven, schrijver ; Abdel Rahman El Bacha, muzikant ; Peter Eötvös, componist, dirigent ; Jan Fabre beeldend kunstenaar, regisseur ; Matjaz Faric, choreograaf; Montserrat Figuerras, zangeres ; Bernard Foccroulle, muzikant, directeur van de Munt (Brussel) ; William Forsythe, choreograaf ; Luca Francesconi, componist ; Raffaella Giordano,  choreografe ; Heiner Goebbels, componist ; Klaus Michael Grüber, regisseur ; Gavin Henderson, voorzitter van de EFA (European Festivals Association) ; Hanz Werner Henze, componist ; Ruy Horta, choreograaf ; Peter Jonas, directeur van de Bayerische Staatsoper (München) ; Jaan Kaplinski, voorzitter van de schrijversvereniging van Estland ; Gintautas Kevinas, festival van Vilnius ; Ilona Kish, voorzitster van de EFAH (European Forum for Arts and Heritage) ; Ivan Klima, schrijver ; Yannis Kokkos, regisseur ; Tvrtko Kulenović, schrijver ; Stéphane Lissner, directeur van het Festival d’Aix-en Provence ; Amin Maalouf, schrijver ; Gerard Mortier, directeur van de Ruhr-Triennale en de Opera van Parijs ; Antonio Muñoz Molina, Nobelprijs literatuur ; Riccardo Muti, dirigent, muzikaal directeur van de Scala van Milaan ; Anne-Sophie Mutter, muzikante ; Robert Palmer, voorzitter van de vereniging van culturele hoofdsteden van Europa ; Antonio Pappano, dirigent, artistiek directeur van het Royal Opera House (Covent Garden); Lluis Pasqual, regisseur ; Izabela Pazitkova, Muziekfestival van Bratislava ; Alain Platel, choreograaf ; Georges Prêtre, dirigent ; André Previn, dirigent ; Thomas Quasthoff, zanger ; Wolfgang Rihm, componist ; Luca Ronconi, regisseur ; Peter Ruzicka, componist, directeur van het Festival van Salzburg ; Kaija Saariaho, componist ; Jordi Savall, muzikant; Wolfgang Sawallisch, dirigent, François Schuiten, tekenaar, decorontwerper ; Andrei Serban, regisseur ; Eric-Emmanuel Schmitt, schrijver  ; Salvatore Sciarrino, componist ; Fiona Shaw, actrice ; Johan Simons, regisseur ; Ibrahim Spahic, directeur van het Winterfestival van Sarajevo ; Peter Stein, regisseur ; Wislawa Szymborska, Nobelprijs literatuur ; Ritsaert ten Cate, beelden kunstenaar ; Toots Thielemans, muzikant ; José van Dam, zanger ; Anne Sofie von Otter, zangeres ; Andrzej Wajda, cineast ; Krzystof Warlikowski, regisseur.

  • Kalender

    • december 2020
      M D W D V Z Z
       123456
      78910111213
      14151617181920
      21222324252627
      28293031  
  • Zoeken