“Het ideaal van de veelzijdigheid” ; ‘wanted interview’ verschijnt na vijftien jaar online

          WANTED INTERVIEW EINDELIJK BOVEN WATER

          VOOYS sprak met SERGE VAN DUIJNHOVEN

door Pieter Jeroense en Jeroen Kapteijns

   i.s.m.  DBNL vignet

Vooys. Jaargang 15  Utrecht 1997 pp.47-51

 

In de reeks interviews met jonge, veelbelovende auteurs, is het woord ditmaal aan Serge van Duijnhoven. Deze Amsterdammer blinkt uit in veelzijdigheid: naast zijn dichtwerk, heeft hij een roman en een verhalenbundel gepubliceerd. Bovendien is hij een van de drijvende krachten achter het tijdboek MillenniuM, waarin het naderende einde van het tweede millennium gethematiseerd wordt. Van Duijnhoven vertelt onder andere over zijn bewondering voor Leo Ferré, de doelstellingen van MillenniuM, zijn debuutroman Dichters dansen niet, zijn fascinaties, ervaringen met recensenten en zijn vernieuwende opvattingen over poëzie.

Hotel Winston in de Warmoesstraat

Hotel Winston in de Warmoesstraat

In 1993 overleed de Franse dichter / zanger Leo Ferré. Met Brassens en Brel behoorde hij tot de ‘Grote Drie’ van het Franse chanson. In Frankrijk werd om zijn dood gerouwd alsof hij een vorst was. In het tijdschrift MillenniuM (1993) wijdde Serge van Duijnhoven (Oss, 1970) enkele pagina’s aan het heengaan van deze excentriekeling. In dat artikel noemt hij Ferré de ‘dichterlijke advocaat van de amour anarchie’. De chansonnier streefde namelijk de absolute vrijheid na: ‘De mens is vrij, en zal zelf waarde moeten geven aan zijn leven. Geen kerk, geen koning, geen politieke partij, geen leger kan hem daarbij leiden.’ Van Duijnhoven staat verder stil bij de olympische wijze waarop Ferré zijn kunstenaarschap opvatte. ‘Geen gezeik, geen valse bescheidenheid, geen verontschuldigingen wat zijn poëzie betreft.’ Ferré vond dat de kunst niet in een ivoren toren thuis hoorde. Zo nam hij gedichten van Verlaine, Rimbaud, Apollinaire en Aragon – zijn broeders van de nacht – in zijn repertoire op en bracht op deze manier hun poëzie onder het grote publiek. Belangrijk voor Van Duijnhoven – al van jongsaf een groot bewonderaar van de man – is ook dat zijn chansons gedragen werden door grote ideeën op het gebied van de politiek, de vrede en solidariteit.

Van Duijnhoven en Ferré zijn geestverwanten; hun opvattingen over kunst en het kunstenaarschap zijn nauw verwant. Ook bij Van Duijnhoven zijn poëzie en muziek onlosmakelijk met elkaar verbonden. In het kleine wereldje van de Nederlandse letteren probeert hij zijn eigen plan te trekken en vreest de autoriteit van recensenten niet. Hij mag zijn publiek graag verrassen met nieuwe en experimentele vormen. Kunst hoeft voor hem niet per definitie verheven te zijn. En uit de stukken die hij voor het tijdboek MillenniuM schreef, maar ook uit zijn eigen poëzie, blijkt de betrokkenheid bij eigentijdse culturele en maatschappelijke vraagstukken.

MillenniuM11 cover

Van Duijnhoven was een van de oprichters van MillenniuM, het tijdschrift van de Kunstgroep Lage Landen. De zeer jonge kunstenaars die zich rond dit tijdboek hadden geschaard, streefden een grondige vernieuwing van het kunstklimaat in Nederland na. Met hun eclectische belangstelling, frisse ideeën, hun eigenzinnige projecten, hun engagement, maar vooral ook hun moed wisten ze het ingesufte wereldje van de Nederlandse letteren even wakker te schudden. Hoewel Van Duijnhoven duidelijk zijn stempel op dit blad heeft weten te drukken, treedt hij liever niet op als woordvoerder van MillenniuM. ‘Ik kan wel praten over wat we gedaan hebben, maar spreek dan niet namens anderen. Daar krijg je alleen maar sores mee. Uiteindelijk zijn het allemaal individueel opererende kunstenaars die MillenniuM als platform gebruiken en incidenteel samenwerken. Maar van gemeenschappelijke doelen of idealen is nooit sprake geweest.’

Toch wil hij wel wat dieper op het karakter van MillenniuM ingaan. ‘Wat MillenniuM zeker kenmerkt is dat het dingen in kaart heeft willen brengen. Het heeft een inventarisatie van bepaalde zaken willen maken. Zo hebben we bijvoorbeeld een bloemlezing van jonge Vlaamse en Nederlandse

[p. 48]

dichters [Aan iedere spijker een regel], een zogenaamd zap-nummer en een boek over v.j.-kunst gemaakt. Dat laatste nummer is overigens niet om aan te zien, maar dat gebeurt als je dingen probeert; dan ga je af en toe flink op je bek.’

‘MillenniuM heeft ook altijd geprobeerd bepaalde thema’s, waarvan wij dachten dat ze voor deze tijd relevant waren, te behandelen. En dan niet, zoals zo vaak gebeurt, op een columnachtige manier. Nee, we hebben in ons blad de ruimte genomen om bepaalde dingen uit te werken. Dat bleek in een tijd van vluchtige meningen en snelle columns heel verfrissend.’ Mede door deze serieuze benadering van ‘grote’ thema’s kreeg MillenniuM al snel het labeltje ‘geëngageerd’ opgeplakt. Van Duijnhoven moet daar weinig van hebben: ‘MillenniuM is niet per definitie geëngageerd. We hebben verschillende stemmen laten horen, bepaalde dingen aangedragen, en zaken geïnventariseerd. Maar dat is niet voldoende om ons het oormerk “geëngageerd” op te prikken. Dat is veel te gemakkelijk.’

MillenniuM10 gezelligste cover

Bijzonder aan MillenniuM is ook het interdisciplinaire karakter: kunstenaars van voorheen streng gescheiden kunstvormen grepen de mogelijkheid aan om samen te werken. MillenniuM is dan ook zeker geen letterkundig blad. Van Duijnhoven: ‘Die eclectische en openhartige geest hoorde bij de inzet van het blad. Daar kunnen hele mooie dingen uit voortkomen. Hoewel je moet oppassen niet zomaar alles met elkaar te gaan vermengen. Het moet wel een duidelijke functie hebben. Als ik samenwerk met een d.j. dan doe ik dat omdat ik mijn teksten op een bepaalde manier wil gebruiken, om ze een nieuwe impact te geven.’

MillenniuM#12Fake cover

In het prozadebuut van Van Duijnhoven, Dichters dansen niet (1995), komen de achtergronden van MillenniuM aan bod. De oprichting van het blad vormt in dit boek een rode draad. De eerste regels luiden: ‘We waren met een man of tien, twintig. Jonge enthousiastelingen, kleine ridders van de kunst die vonden dat er dingen aan het veranderen waren en dat het tijd was voor nieuwe ideeën, een nieuwe groep, een nieuw blad. We waren allen zeer jong en hadden een grote mond en nog grotere plannen en dat was wat ons bijeenhield. We vonden dat er nog heel wat was om over te schrijven, om te proberen en om voor in te staan, en te oordelen naar alles wat er om ons heen gebeurde was dat ook zo.’ Dichters dansen niet laat zich lezen als een heuse sleutelroman. Millenaar is MillenniuM, Mark Moors is Van Duijnhoven zelf, de X-ray verbeeldt de Amsterdamse discotheek de Roxy, terwijl de lezer in Gerrit Krijt de niet-dansende dichter Gerrit Komrij kan herkennen.

Dichters dansen niet.omslag

Toch is het reilen en zeilen van MillenniuM niet meer dan een dun verhaallijntje. Van Duijnhoven: ‘Van een sleutelroman in de ware zin van het woord kan nog geen sprake zijn. Daarvoor zat ik er toen nog veel te dicht op. Pas over tien, twintig jaar kunnen we de geschiedenis van MillenniuM optekenen.’ Dichters dansen niet geeft in tien korte schetsen een indruk van het leven van hoofdpersoon Mark Moors en de Amsterdamse house-scene, die eind jaren tachtig opkwam. Het onrustige en vrij oppervlakkige bestaan van de jonge Amsterdamse kunstenaar die net als zijn kunstbroeders een sterke drang heeft tot het nachtleven en genot staat centraal. Zijn ietwat lege dagen, die vooral in beslag genomen worden door allerlei praktische beslommeringen – aangebrande groentejasjes, gestolen fiets en enveloppen plakken – eindigen meestal op de dansvloer. Daar, temidden van de kolkende en zwetende massa, laat hij de oorverdovende beat van de hallucinerende muziek zijn lichaam intrekken.

Slotfeest  MM en Doel zonder oorzaak - in Paradiso - 31 dec. 1999 / 1 jan. 2000

Slotfeest MM en Doel zonder oorzaak – in Paradiso – 31 dec. 1999 / 1 jan. 2000

De housemuziek en houseparty’s betekenen voor Mark en zijn vrienden meer dan zomaar een avondje uit. ‘De houseparty’s waren de beeldenstorm van deze tijd. De beelden moesten om, de banken aan de kant, er moest gedanst worden. Geen gemeente kon eraan ontkomen. Op een gegeven moment gingen ze allemaal voor de bijl. De angst van de burgerij was terecht. De jeugd was bezig vreselijk wraak te nemen op de ouderen, op het volwassen leven, op de grenzen die zij zichzelf gesteld had, de morele aflaten waarmee zij haar dagelijkse rust afkocht. En iel en betekenisloos stierf, in de handpalm van een reusachtige God, door wiens vinger ze als een insekt op een goede dag zouden worden doodgedrukt.’ (p. 52). Op de houseparty’s kan de jeugd zichzelf zijn. Daarbij heeft voor Mark Moors het nachtleven nog een andere functie; hij probeert zijn geliefde Lot te vergeten. Hoewel soms onbevredigend, verkiest hij de beweging, de herrie en de nacht boven de stilstand, de rust en het bed. Voortdurend is de jonge held in de weer om zijn Lot te ontlopen.

Van Duijnhoven noemt de nacht één van zijn fascinaties. ‘Ik ben geïnteresseerd in de nacht. Ik houd ervan. Dat komt, omdat ik geboeid word door juist datgene, waarin de mens zich kan verliezen. De mens heeft dat nodig, de donkerte of de nacht, om zich over te kunnen geven aan of zich te verliezen in de roes. Blijkbaar kan men op die manier een ander

[p. 49]

register in zichzelf aanslaan. De hedonistische danscultuur is een mogelijkheid waaraan men zich volledig kan overgeven.’

Maar het is niet de enige manier. Van Duijnhoven legt een direct verband tussen de roes van het nachtleven en het oorlogsgeweld zoals hij dat zelf als oorlogscorrespondent in Bosnië heeft aanschouwd. ‘Voor het feest en de oorlog wordt dezelfde poel van lusten aangeboord. Voedsel, vlees, begeerte, oorlog en vernietigingsdrang; die dingen hebben met elkaar te maken.’

Copycat.omslag

In zijn jongste dichtbundel Copycat (1996) heeft hij verbanden proberen te leggen tussen deze menselijke driften. Het motto van de Engelse dichter en zanger Peter Hammill wijst daarop: During sex we are timelocked as in war. De verbanden tussen begeerte en vernietigingsdrang komen expliciet naar voren in de gedichten over Bosnië uit de afdeling ‘De stad als kadaver’. ‘Ik heb niets, zei de vrouw, behalve honger’ luidt het schrijnende refrein van deze verzen. Van Duijnhoven over de bijzondere vorm van deze gedichten: ‘Het is prozaïsche poëzie. Ik heb gekozen voor flarden of bewust brokkelige stukken tekst zonder dat ik in eerste instantie schoonheid heb nagestreefd. Natuurlijk heb ik ze gevijld en bewerkt, maar ik heb ze zo rauw mogelijk proberen te houden. Ze moesten worden zoals de stad zelf.’ Van Duijnhoven heeft met Copycat geprobeerd bepaalde grenzen te overschrijden: ‘Wat mij betreft hoef je het geen poëzie te noemen. Net zoals Dichters dansen niet eigenlijk geen roman mag heten; het zijn tien korte scènes uit het leven van Mark Moors, geschreven op de dreun van de housemuziek.’

In Trouw ontstond onlangs een discussie naar aanleiding van Van Duijnhovens Bosniëgedichten. Centraal stond de aloude vraag of poëzie wel zou kunnen en / of mogen functioneren als drager van politieke ideeën. Recensent Peter de Boer noemde het engagement uit Copycat sympathiek, maar met poëzie had het naar zijn mening weinig van doen: de dichter zou met zijn protest zichzelf overschreeuwen. Volgens Bert van Weenen – redacteur van het literaire bulletin Chroom – leent poëzie zich niet voor politiek, omdat er geen afstand met het onderwerp is en de taal vaak te kaal en afgezaagd is. Hij pleit in zijn stuk voor diepzinnige op theologie en filosofie gefundeerde poëzie. Zelf zou Van Duijnhoven zijn Bosniëgedichten niet geëngageerd noemen. ‘De mensen in deze gedichten voeren een oorlog tegen hun lichaam of tegen zichzelf. Ik vind het onzin om

illustratie

Serge van Duijnhoven foto: Roeland Fossen

dit geëngageerd te noemen. Ik neem toch nergens een stelling in? Wat er hoogstens uit naar voren komt, is de afschuw van de gruwelijkheid van de oorlog. Maar als dat tegenwoordig ook al geëngageerd is…’Van de negatieve reacties op zijn werk kan hij niet lang wakker liggen. Hij doet ze met een schouderophalen af, in de wetenschap dat hij met zijn eigengereide en rebelse optreden wel nooit in de smaak van de critici zal vallen. Cynisch: ‘Nee, dan zullen er eerst enkele recensenten moeten overlijden.’ Slechte recensies hebben zijn werkdrift nooit vergald. ‘Op een gegeven moment bepaal je gewoon waar je het voor doet. En bij mij geldt één hoofdregel: ik schrijf niet voor de recensenten. Gelukkig heb je altijd van die Don Quichottes gehad die zich nergens een fuck van aantrekken en solitair, zonder enige erkenning bezig zijn met iets te prutsen in de kunst en daar toch heilig in kunnen geloven. Een enkele keer wordt er een ontdekt en hebben we van doen met een genie à la Van Gogh. Meestal niet. Je kunt daar geen peil op trekken. Voor mij geldt dat ik m’n eigen dingen maak. Ik schrijf de boeken die ik wil schrijven, probeer mijn projecten en plannen af te maken en zie wel waar ik uitkom. Het is aan een ander om daarover te oordelen.’

‘Uit zo’n discussie in Trouw blijkt weer eens dat voor een aantal recensenten poëzie pas poëzie is als

[p. 50]

het over landschappen of eerbiedwaardige thema’s gaat. Men ziet het liefst bundels die geïllustreerd zijn of geschreven aan de hand van schilderijen. Het heeft te maken met die bibliofiele cultuur van het voorzichtige die in het poëziewereldje overheerst. Dat is rustgevend.’ Van Duijnhoven noemt de Nederlandse recensenten ‘herauten van een bastion’: ‘Het is een bolwerk van professoren, studenten en recensenten met een eigen bijna exegetische studiecultuur en een uitgesproken voorkeur voor klassieke, strenge vormen. Zij bepalen de wetten van de poëzie, waar ik tegen in ga.’

Klipdrift.cover_shade

‘In dat eliteraire wereldje zal weinig veranderen. Het is opmerkelijk hoe juist jonge recensenten alles wat modern is verwerpen. Voor mij heeft het desastreuze gevolgen gehad dat ik ben besproken door jonge recensenten als Onno Blom en Michel Maas. Zij nemen de normen van de oudere garde klakkeloos over. Zo komen zij in een goed blaadje te staan. Bovendien geeft het een gevoel van macht om af te kunnen geven op alles wat nieuw en modern is. Dat vinden ze lekker. Een goed voorbeeld hiervan is een recensie van Maas over het tijdschrift Zoetermeer. Hij vond het maar niets: het blad zou vol staan met braaksel en seks. In een van de meer traditionele tijdschriften stond een gedicht “Ode aan een landweg”, dat natuurlijk wel in de smaak viel.’ Van Duijnhoven is duidelijk geïrriteerd daarover: ‘Die pastorale poëzietraditie is een ziekte. Des te groter de behoefte er eens een flinke gabberbeat doorheen te gooien.’

De jonge dichter lapt de heersende normen van het bastion aan zijn laars. ‘Van mij kan alles poëzie zijn. Waarom zou je geen poëzie kunnen schrijven over Bosnië, over gokhallen of over Ayrton Senna die terugkeert op aarde in de gedaante van een flipperautomaat?’ Bij herhaling pleit hij voor een grotere openheid in de literaire wereld. ‘De laatste jaren is een ontwikkeling van verdergaande profanisering aanwijsbaar. Steeds meer kunstenaars ontdekken het braakliggende terrein tussen dat kleine elitaire clubje en de massacultuur.’

Van Duijnhoven experimenteert met house en discjockeys en verwerkt dit in eigen performances waarmee hij zijn poëzie presenteert. ‘Het gaat mij daarbij niet om het propageren van housemuziek. Ik ben geïnteresseerd in house en het werk van d.j.’s, omdat zij werken met moderne elektronische apparatuur. Ik vond in de manier waarop zij omgingen met geluiden, samples en stemfragmenten raakpunten met mijn eigen werk. Door die samenwerking heeft mijn werk er een nieuwe dimensie bij gekregen. Ik kan mijn gedichten in een bepaalde context plaatsen, fragmenten door elkaar presenteren en klankexperimenten uitvoeren.’

Inmiddels heeft Van Duijnhoven zijn grenzen al weer verlegd. Hij maakt nu ook gebruik van beeldmateriaal. ‘V.j. Gabriël Kousbroek – oprichter van Eyegasm [een v.j.-collectief] – heeft mijn teksten in de computer gezet en mixt er beelden doorheen. Bij mijn optredens – die momenteel Van Duijnhovens belangrijkste inkomstenbron vormen – heb je mijn teksten, de muziek van d.j. Dano en de beelden van Kousbroek; het is een totaalspektakel.’

SvD in Amsterdam 1994, fotograaf Harry Cock

SvD in Amsterdam 1994, fotograaf Harry Cock

Van Duijnhoven vraagt zich af waarom dit soort dingen toch niet mogelijk is op de traditionele poëziefestivals. ‘Is het dan geen poëzie meer? Kunnen we alleen maar van poëzie spreken als het in een boekje staat? Waarom mag het toch niet anders gebracht worden? De combinatie poëzie en muziek is trouwens niets nieuws. Wat te denken van de troubadours, de minstrelen of de Franse chansonniers. Je zou eerder kunnen zeggen dat ik in een traditie sta. Zelf ben ik via de muziek met poëzie in aanraking gekomen.’ Van Duijnhoven vertelt hoe hij via de liederen van Leo Ferré de poëzie heeft ontdekt. ‘Door hem ben ik Rimbaud, Baudelaire, Verlaine en Aragon gaan lezen en ben ik me bewust geworden van poëzie. De invloed van die man is enorm geweest.’

In de Nederlandstalige literatuur voelt hij zich vooral verwant met het werk van Hugo Claus. Superlatieven schieten tekort: ‘Claus is iemand die ik mateloos bewonder. Het is een gigant. Niet alleen zijn poëzie, ook zijn proza is meesterlijk. De geruchten, zijn laatste roman, was weer subliem. Claus is zo’n auteur die niet – zoals veel andere schrijvers – één eigen stijl heeft. Hij is een acteur; iemand die bij ieder boek dat hij schrijft een masker opzet.’ Volgens Van Duijnhoven is maskerspel onlosmakelijk verbonden met literatuur. Hij doet er zelf ijverig aan mee. Zo publiceerde hij gedichten onder de naam Remi Overman, een personage uit een van Van Duijnhovens verhalen. Hij verantwoordt die mystificatie als volgt: ‘Door te schrijven kan ik meerdere levens leiden. In Overman zit veel van mijzelf, maar ik heb het vermengd met andere levensverhalen. Het is een samenstelling. Overman is trouwens wel een geval apart. Hij ligt me zeer na aan het hart en ik hoop ooit de tijd te kunnen nemen om dat personage verder uit te werken. In welke vorm valt nog maar te bezien.’

[p. 51]

Wie het nog betrekkelijk kleine oeuvre van Van Duijnhoven overziet, zal direct opmerken dat hij net als zijn Vlaamse voorbeeld bij elk werk een andere stijl hanteert. ‘Mijn stijl verschilt per boek. Daarom zijn ze voor de recensenten ook zo moeilijk te labelen.’ De vrij experimentele en gedurfde houseroman Dichters dansen niet en de rebellerende en schreeuwerige lyriek uit Copycat lijken in niets op de meer rustige, traditionele en klassieke gedichten uit Het paleis van de slaap (1993) – Van Duijnhovens eerste dichtbundel – en de sobere korte verhalen uit De overkant en het geluk (1995). ‘Er valt in mijn werk inderdaad een soort van tweedeling te zien. Twee soorten van literatuur die deel van mij uitmaken. Het aardige is dat ik op mijn zeventiende in eigen beheer een boekje heb uitgegeven, Cascade, waarin die verschillende stijlen al aan te wijzen zijn. In dat boekje stond poëzie die de wereld ingeschreeuwd werd, maar het bevatte ook korte verhalen, een novelle, een toneeltekst en essayerende artikelen. Die novelle heette De overkant en het geluk en was de eerste aanzet tot wat later een verhalenbundel is geworden. Het is een melancholisch relaas over liefde, religie, dood en vriendschap. Ook dat is een deel van mij net als die rebellerende, niet-lyrische poëziestijl. Het paleis van de slaap is net als De overkant en het geluk een voorbeeld van de wat klassiekere literaire stijl. Terwijl Copycat en Dichters dansen niet een andere kant van mij laten zien.’

De vorm in Het paleis van de slaap mag van zijn andere werk verschillen, het onderwerp van de gedichten, de slaap, is nauw verwant met die uit Dichters dansen niet en Copycat. Van Duijnhoven werkt vanuit een aantal fascinaties. Zouden we de slaap immers niet net als oorlog, geweld en de hedonistische danscultuur kunnen beschouwen als een soort van roes, als een mogelijkheid om tijdelijk een punt te zetten achter ons aardse bestaan? ‘Ik ben altijd gefascineerd geweest door de slaap en heb me verdiept in de verschillende facetten van slaap; als metafoor, als domein, maar ook vanuit medisch oogpunt. Slaap is een dubbelleven, dat we allemaal leiden. Het is iets waar je geen invloed op kunt uitoefenen. Je moet je eraan overgeven, hoezeer je er soms ook aan zou willen ontkomen. Maar slaap is ook een metafoor voor dingen die sluimeren, of dat nu de ouderdom is, die langzaam binnensluipt of een ziekte.’ De titel van de bundel heeft hij ontleend aan de paleizen van de Ethiopische keizer Haile Selassie, in wiens leven Van Duijnhoven zich verdiept heeft. Deze keizer had twaalf paleizen waar permanent personeel aanwezig moest zijn voor de eventuele komst van het staatshoofd. ‘In sommige paleizen is hij nooit geweest. Dit waren dan ook letterlijk paleizen van slaap.’

sprooksprekers.eindhalte fantoomstad

Van Duijnhoven is een veelzijdig kunstenaar die zich op verschillende gebieden heeft laten gelden. Hij verrichtte journalistiek werk voor De groene Amsterdammer, de Volkskrant, De morgen en NRC Handelsblad, was betrokken bij de oprichting van de Kunstgroep Lage Landen en het tijdboek MillenniuM, schreef twee dichtbundels, een kleine biografie, een novelle en een prozaboek. In maart is bovendien de cd Eindhalte Fantoomstad verschenen, waarop teksten van zijn hand, maar ook van Olaf Zwetsloot en Def P. van de Osdorp Posse te vinden zijn. Dit samenwerkingsverband reikt verder dan het maken van deze cd; samen met d.j. Dano en v.j. Gabriël Kousbroek verzorgen zij performances onder de naam ‘De sprooksprekers’. Ook voor de komende jaren heeft Van Duijnhoven al plannen. In Gent werkt hij momenteel aan zijn nieuwe prozaboek, dat als werktitel Boulevard Oktoberrevolutie heeft gekregen. Hij licht een tipje van de sluier op: ‘Het wordt weer iets geheel nieuws; een personale roman. Ik kruip onder meer in de hoofden van gekken die steeds verder wegzakken in het moeras van redeloosheid dat oorlog heet. Ook wordt het een relaas over hoe verschillende generaties met oorlog omgaan.’ En ook het volgende nummer van MillenniuM is op komst. Nadat uitgeverij Prometheus zich had teruggetrokken leek het erop dat het tijdschrift het einde van het millennium niet zou halen. Inmiddels heeft echter De Bezige Bij steun toegezegd. ‘Ook de projecten van Kunstgroep Lage Landen gaan gewoon door. We bewandelen allerlei artistieke wegen: muziek, theater, exposities, videovoorstellingen en houseparty’s.’ Gevraagd naar zijn drijfveer: ‘Ik ben iemand, die denkt dat het zal helpen als je ergens een vitale impuls aan toedient.’

 

©  [tijdschrift] Vooys

Advertenties

Recente videoclips uit het programma Gitanes & Jazz

Gitanes & Jazz

Heel mooie mixages van beelden, gemaakt door cineast Bastiaan Rombout Lips. Geluidsopname van Fred de Backer. Oprtreden: Soiree Gainsbourg, Petrol, Antwerpen 12 maart 2011. Aan de piano: Edwin Berg. Stem: Serge van Duijnhoven. Ook met beelden uit de Gainsbarre in Oostende. En met de uilen van Gainsbourg a.k.a. “l’hibou de la complaisance”.

Credits

Serge van Duijnhoven tekst/concept

Fred De Backer mixages/opnamen

Edwin Berg piano/melodika

Bastiaan Lips cinema/videomix

Helena Karsten camerawerk

Arlet van Laar vormgeving/foodperformance

Filip van Zandycke (vzw HoedGekruid) fotografie

AudioPlayerWidget



“Wij willen de jonge dichters!”

Ophefmakend essay, verschenen als onderdeel van een poezie-special

in weekblad De Groene Amsterdammer – 24.05.1996

Tevens grondslag voor de vorming van De Sprooksprekers – i.s.m. Def P van de Osdorp Posse.

http://www.groene.nl/1996/21/rve_dich.html

Het zal niet lang meer duren voor de poëzie definitief onzichtbaar zal zijn geworden. De oudere dichters sterven uit, de jongere dichters hangen hun lier in de wilgen, en de allerjongste dichters worden niet opgemerkt. Behalve in deze Groene. Een rondgang langs en een debat met Jonge Dichters. Maar eerst: twee jonge kathederbestormers uiten hun misnoegen HET IS ZATERDAGAVOND, 23 maart 1996. De zaal is tot de nok gevuld. Alles verloopt ordelijk en volgens plan. Sprekers volgen elkaar op met metronomische regelmaat. Na afloop van elke redevoering slaat de applausmachine aan. Ondertussen, niet ver daarvandaan, in de gangen van hetzelfde gebouw, smoezen twee jongens met elkaar in het halfdonker. ‘Oké, maar niet te lang.’

DOOR Serge van Duijnhoven; Olaf Zwetsloot
sprookkop
Ze nemen beiden een ferme slok whisky, en begeven zich in de richting van de zaal waar op dat moment spreker A. v.d. B. zijn voordracht beëindigt en applaus in ontvangst neemt. Dan zien de jongens hun kans schoon en springen op het podium. Als een pijl schiet de eerste naar de microfoon. ‘Dames en heren, waar zijn vanavond de jonge dichters?’ roept hij. De zaal schrikt op, vermoeide ogen springen open, men bladert verward door de programmaboekjes. ‘Wij zijn tegen de gerontocratie’, vult de ander aan, ‘zowel in Peking als in Vredenburg!’
De eerste begint een gedicht voor te lezen dat ‘Psychopathia sexualis’ heet. ‘Hij legt zijn stethos op haar schouderbladen/ en stelt zich voor hoe hij haar/ billen opent met zijn nagels/ haar rug vilt en de wervels streelt.’ Er wordt steeds driftiger in programmaboekjes gebladerd. Toch blijft het verder nog stil. De presentator roept in de coulissen: ‘Wat is dit? Wie zijn dit?’ Hij overweegt het geluid uit te schakelen. Een collega van hem komt op dat moment al naar voren, vergezeld van een veiligheidsbeambte. De jonge dichters zien hem komen, maar de tweede besluit alsnog zijn futuristische gedicht ‘Nocturne 2000’ ten gehore te brengen.
Bij de katheder ontstaat een schermutseling. De veiligheidsbeambte en de presentator beginnen samen aan het voorlezende jonge heerschap te trekken. De eerste dichter werpt zich voor zijn kameraad in de strijd. ‘Kom op, laat hem zijn gedicht voorlezen!’ Het publiek joelt. Er wordt gefloten. Een meisje schreeuwt: ‘Wij willen de jonge dichters!’ De presentator sist de dissidenten verbeten toe: ‘Als ’t maar kort is!’
Als de tweede dichter spreekt over ‘een rhinoceros die aanhoudend wrikt tussen de kieren van een meisjesziel’, klinkt er gejuich en boegeroep. De dichter zet door. ‘Een glimlach valt in schilfers uiteen/ boven het stugge zwarte schaamhaar/ waarin een guerrillaorganisatie actief is.’ Het boegeloei zwelt aan en wint het van het gejuich. De dichter ziet zich genoodzaakt zijn stem te verheffen. Tenslotte is het rumoer zo sterk geworden dat de spreker zijn laatste regels inslikt en met een laatste uithaal naar het publiek (‘AJAX!’) zijn interruptie besluit. De veiligheidsbeambte sommeert de twee dichters met hem mee te komen. De twee kijken nog een keer om naar het publiek, en gaan dan af. De presentator kondigt aan: ‘Zo, en dan nu weer een echte dichter.’ De orde is hersteld.
ER WORDT GEZEGD dat het goed gaat met de poëzie in Nederland. Beter zelfs dan ooit tevoren. Kijk maar. Poëziemanifestaties worden druk bezocht. Komrij’s bloemlezingen verkopen druk na druk. Dode dichters worden plechtig herdacht en levenden worden geëerd of winnen prestigieuze prijzen. Kijk maar. Poëzie heeft, sinds de boekenweek van twee jaar geleden, haar glans volledig herwonnen. Maar gaat het werkelijk zo goed?
Over de positie die de poëzie in het boekenvak feitelijk inneemt behoeft niemand zich illusies te maken – die is en blijft volstrekt marginaal. Jaarlijks worden er in Nederland iets meer dan vijfennegentigduizend bundels van individuele dichters verkocht – op een totaal aantal boeken van ongeveer achtentwintig miljoen. In de boekenbusiness bedraagt poëzie dus niet meer dan zo’n halve procent van de totale omzet. De waarheid is cru maar onontkoombaar: de overgrote meerderheid van dit land zal nooit in haar leven een poeziëbundel aanschaffen, en heeft dat evenmin ooit gedaan. De kring van poëzieconsumenten (of moet men zeggen: liefhebbers) is klein en bestaat geheel en al uit dichters, professionele lezers, een klein clubje van bibliofielen en bibliothecaire klerken. Die laatste categorie vormde tot voor kort de grootste en zekerste bron van afname voor de twee- à driehonderd titels die er jaarlijks (gemiddelde 1985-1995) bij het Centraal Boekhuis in Culemborg binnenkomen. Maar ook die tijd is voorbij. Sinds bibliotheken met de invoering van de Welzijnswet van 1987 niet meer als ‘basisvoorziening’ erkend zijn en ze voor hun financiën volledig afhankelijk zijn van de goodwill van gemeente en provincie, wordt er drastisch op de inkoop van nieuwe bundels bezuinigd.
Dit leidde vorig jaar nog tot boze brieven van diverse uitgevers, die zich kwaad maakten over het feit dat er van het nieuwe werk van een voortreffelijk dichter uit hun fonds door de centrale bibliotheekinkoop slechts twee exemplaren waren besteld. Meer dan twee exemplaren waren niet nodig want met de algemeen ingevoerde automatisering zijn de gewenste bundels via de centrale computer in alle uithoeken des lands toch binnen enkele dagen opvraagbaar.
De inkopers van de bibliotheken zagen ook anderszins geen reden zich bezwaard te voelen door de geuite verontwaardiging van de uitgevers. ‘Ze willen kennelijk vooral het slecht lopende werk aan ons slijten’, was de laconieke reactie van een bibliothecaris in het zuiden des lands. Waarom zou men bundels aanschaffen als het publiek die toch niet leende? Gemiddeld passeert slechts één poëziebundel de uitleenbalie voor iedere tweehonderd boeken die worden uitgekozen. In de overgrote meerderheid van de gevallen betreft dat ene boek geen dichter waar de uitgevers een lans voor braken maar publieksbehagers als Toon Hermans, Gerrit Komrij (de bloemlezingen van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw) en de twee Van Veens: Herman de zanger en Jan van het populaire radioprogramma Candlelight.
Dat de poëziebloemlezingen van Komrij zo goed verkopen (van alle edities samen zijn er inmiddels zo’n honderdvijftigduizend exemplaren verkocht) betekent nog niet automatisch dat het goed gaat met de belangstelling voor poëzie in Nederland. Want tegelijkertijd gaat het steeds slechter met de verkoop van afzonderlijke bundels. Dichtbundels belanden steeds sneller in de ramsj, of worden soms zelfs na twee jaar ‘dood’ in de schappen te hebben gestaan bij het oud papier gemieterd. Aanzienlijke restvoorraden worden jaarlijks verpatst op uit- en vrijmarkten of in stilte vernietigd om nog verdere inflatie te voorkomen. Uitgevers laten hun oplagen zakken van 1500 exemplaren tien jaar geleden naar 600 heden ten dage, terwijl de gemiddelde prijs is gestegen van twintig naar dertig gulden. Ook het aantal bundels dat jaarlijks uitkomt is de afgelopen jaren sterk gedaald, van 356 in 1988 naar 238 in 1993 (waarvan negenenveertig herdrukken).
Met de algemeen verwachte verschraling van het aanbod in de boekhandels – als uitgevers volgens de wil van de heer Dreesman inderdaad moeten gaan betalen voor plek in de winkels – is de Nederlandse poëzie het eerste genre dat daarbij het loodje zal leggen. De Nederlandse situatie zou dan wel eens kunnen worden als die in Duitsland en Frankrijk, waar het publiceren van poëzie al jarenlang verdrongen is naar een secundair circuit, naar kleine uitgeverijen die vaak moeite hebben met de distributie en die geen geld hebben voor publiciteit. De gevolgen voor Frankrijk en Duitsland zijn aantoonbaar catastrofaal gebleken; de kwaliteit en het bereik van de in boekvorm gepubliceerde poëzie steken schril af tegen die van het proza, iets wat zo’n dertig jaar geleden beslist nog niet het geval was.
DE VRAAG IS NATUURLIJK in hoeverre de Nederlandse poëzie, ondanks het feit dat zij voorlopig nog onder de hoede valt van de gerenommeerde uitgevershuizen, feitelijk al naar zo’n tweede plan is gedegradeerd. De kwaliteitsbladen hebben doorgaans nog wel een kolommetje waar nieuwe bundels zo nu en dan besproken worden, maar maatschappelijk en artistiek neemt poëzie in de samenleving een even marginale plaats in als je op grond van haar geringe verkoopcijfers mag verwachten. Gerrit Kouwenaar verzuchtte twee jaar geleden in een interview met Elseviers Weekblad (over ‘de economie van de poëzie’) dat poëzie in de jaren vijftig, zestig nog belangrijk was voor veel jongeren. ‘Nu telt ze niet meer mee’, aldus Kouwenaar, ‘ook niet in de pers.’ Prozaboeken willen in Nederland nogal eens maatschappelijke discussies uitlokken (zie Kellendonks Mystiek lichaam). Poëziebundels daarentegen lijken enkel nog te worden losgelaten in een steriel luchtledige, ver buiten de dampkring die het vrijblijvende scheidt van het relevante.
Er lijken maar weinig mensen als Gerrit Kouwenaar te zijn die zich hieraan storen. Vorig jaar juni schreef de poëzierecensent Guus Middag in NRC Handelsblad nog: ‘De afwezigheid van polemiek lijkt mij historisch heel goed te verklaren en in een behoefte te voorzien, een postmodernistische behoefte aan vrijheid dan wel een posttraditionele behoefte aan terreinverkenning.’ Historisch verklaarbaar of niet, na het rumoer van de Maximalen en de Nieuwe Wilden eind jaren tachtig is het poëziewereldje in Nederland verworden tot een kikkervijver aan het einde van de zomer. Wie dichterbij komt, hoort wel kikkers kwaken, maar ruikt vooral de stank van drabbig, stilstaand water.
Het grootste probleem van de Nederlandse poëzie is niet haar almaar miserabeler positie op de literaire markt. Hieraan is men immers al tijden gewend. Dichters ontlenen aan de marginaliteit van hun werk doorgaans hun trots; het sterkt hen in de overtuiging dat zij een kunstvorm bedrijven die voorbehouden is aan ‘enkle fijne luyden’. Nee, het grootste probleem voor de poëzie blijven de dichters zelf: hun ontbrekende wil om werkelijk tegen de misère te vechten en hun zelfgenoegzame neiging om zich steeds verder terug te trekken in een kleine, elitaire kring. Terwijl andere kunstvormen, en zeker ook het literair proza, de afgelopen jaren in tal van opzichten een ontwikkeling hebben doorgemaakt van profanisering (de scheiding tussen intellectuele kunst en volkskunst die aanmerkelijk is verkleind of opgeheven), is de poëzie in Nederland steeds hoger gekropen in haar sjieke ivoren toren.
Aldus heeft de poëzie het voor zichzelf uiterst moeilijk gemaakt om nog aansluiting te vinden bij een jonger publiek dat poëzie toch al zag als een Gestalttherapie voor stoffige intellectuelen. Niet voor niets was er vorig jaar op het grootste en door jongeren drukbezochte literaire festival van Nederland, het Crossing Border Festival in Den Haag, niet één representant te vinden uit het gevestigde Hollandse dichterscircuit. De dichters waren er niet rouwig om. Zij hebben hun eigen festivals; De Nacht van de Poëzie en Poetry International, waar in betonnen Stalin-taarten als Vredenburg en De Doelen de bedwelmende pestdampen van het gewijde je tegemoet slaan.
In Utrecht waande men zich afgelopen maart tijdens de Nacht van de Poëzie op een partijcongres van de Russische of Chinese communistische partij. De gemiddelde leeftijd van het Poëtisch Presidium in Utrecht bedroeg, zo heeft een journalist berekend, zestig jaar. Jeugdige dichters, gaf ook presentator Piet Piryns na afloop in Het Parool toe, vielen automatisch buiten de boot. Dat is kwalijk, want in plaats van enige verantwoordelijkheid voor de vitaliteit van de cultuur te nemen, heeft de directie van de Nacht zich ontpopt als een wachter van stagnatie, die vanaf haar balkon het défilé der poëten afneemt: machtsvertoon in sovjetstijl, waarbij Gerrit Komrij, Anna Enquist, Hanny Michaelis, Michel Van der Plas, Georgine Sanders en Leo Vroman als kernkoppen over het Rode Plein rollen.
HET IS ZORGWEKKEND en ridicuul dat een gebeurtenis als de Nacht van de Poëzie, met het budget en de bekendheid die het heeft, niet ook maar de geringste millimeter heeft willen inruimen voor jonge dichters. Alles wijst erop dat de directie van de Nacht gewoonweg te belazerd is om eens op te veren uit het pluche en zich te oriënteren, eens te kijken wat er rondloopt aan talent. Haar impliciete boodschap is dat mensen onder de dertig er niet toe doen en derhalve gescheiden dienen te blijven van de ouderen, die in hun pantheon met elkaar de verrukkingen van de ‘ware’ poëzie beleven. Daarvoor bestaat in het Nederlands een mooi woord: segregatie. Kameraad Anneke van Dijk, programmeur en organisator van de Nacht, in het Utrechts Nieuwsblad van 25 maart: ‘Niet genoeg jonge dichters? Kom nou. En niet genoeg homoseksuelen en niet genoeg gekleurde vrouwen zeker.’ Het is een verongelijkt en retorisch antwoord, zonder enige argumentatieve waarde. Maar van een Opperste Sovjet kan men nu eenmaal geen argumenten verwachten. Wat het belang is van een goede jeugdopleiding heeft men in het voetbal, maar ook in de klassieke muziekwereld, inmiddels begrepen. In de letteren is er nog altijd sprake van een doctrine van achterlijkheid en goedgelovigheid dat ‘alles vanzelf wel goed komt’.
Zijn er überhaupt nog jonge dichters in het Nederlandse taalgebied? zou men zich na de Nacht terecht kunnen afvragen. Die vraag is crucialer dan ze misschien op het eerste gezicht lijkt. Ze zijn er wel, maar het zijn er bitter weinig, en steeds minder. De Nederlandse poëzie is in hoog tempo aan het verknekelen. Jonge schrijvers wagen zich nauwelijks meer aan het dichten, of stoppen er voortijdig mee. Jong bloed dient zich (bijna) niet aan. Uitgevers eisen romans van hun jeugdige auteurs, geen versregels. Poëzie is daarmee definitief een ouwe-lullenbezigheid geworden.
Hoeveel kapitale talenten zijn er de afgelopen jaren niet geweest die na twee, drie of nog meer bundels de lier aan de wilgen hingen? Boudewijn Büch, Joost Zwagerman, Tom Lanoye, Rogi Wieg, en binnenkort ook Peter Verhelst. Hun redenen? Teleurstelling over de respons (Wieg), frustratie over het kleine, elitaire wereldje waartoe de poëzie beperkt bleef (Büch en Verhelst), en de koele berekening van het geld en het gebrek daaraan in de poëzie (Zwagerman en Lanoye). De gemiddelde leeftijd op evenementen als de Nacht van de Poëzie zal de komende jaren alleen maar toenemen, zo valt te vrezen. De doorstroming binnen de Nederlandse poëzie, toch cruciaal voor haar diversiteit, haar continuïteit en haar toekomst, is in het geding.
Toch is het niet alleen maar kommer en kwel in de Nederlandse poëzie. Het ligt er maar aan hoe en waar men wenst te kijken. Los van het ‘eliteraire’ circuit is er de laatste jaren een hele stroming op gang gekomen van jongens die de poëzie opnieuw naar de straat hebben gebracht, die in rauw en authentiek Nederlands, met behoud van regionaal accent of dialect, in snel tempo zelfgeschreven versvormen over hiphop-beats heen rappen. Def P en de Osdorp Posse, de Ouderkerk Kaffers, Westclan, Klaas Vaak, Extince, Zuid Oost, Vuurwerk, zij zijn ‘de goeien in het vloeien’, zij zijn de minstrelen van vandaag. Hun teksten hebben geen eeuwigheidswaarde, maar dichtkunst is het zeker. De cd’s van de Osdorp Posse en de Ouderkerk Kaffers verkopen beter dan alle Nederlandse dichtbundels samen. Toch heeft de Nacht van de Poëzie geen van deze rappers uitgenodigd. Met haar rituele ceremonie in Vredenburg bevestigde de directie van het poëziefestival nogmaals hoezeer de high brow- en low brow-circuits in Nederland gescheiden blijven. Een gemiste kans om de Nederlandse poëzie uit de verdrukking te halen en een groter publiek te bereiken!
Zolang men onder ‘hoog’ waardevol verstaat, en onder ‘laag’ waardeloos, zal men die kans blijven missen. Het wordt tijd de elitaire barrières te slechten en rapgroepen bij poëziefestivals te betrekken. Rappers horen er beslist thuis; ze zijn meesters in het ter plekke verzinnen van zinderende rijmvormen, waarmee ze elkaar in spitsvondigheid proberen te overtreffen, een soort sparring, waarin ze veel virtuozer zijn dan schrijvende dichters. Bovendien zijn zowel hun onderwerpkeuze als vocabulaire een verfrissend infuus voor de Nederlandse taal. Rappers dichten niet over stilte, het zwart, of over een indrukwekkend stilleven in een museum. Ze dichten in een modern straatstaccato op rauwe, directe manier over prostitutie, criminaliteit, over betonnen buitenwijken, over snollen, sletten, kutten en werkloosheid, over racisme, hypocrisie en al het andere waaruit hun leefwereld bestaat. Ze nemen je mee ‘door hun doolhof van woorden’ (Mach) naar een nog altijd braakliggend terrein in de Nederlandse letteren, waar het keurige dichtersvolk zich nauwelijks durft te vertonen.
De elitaire aderverkalking van de Nederlandse poëzie blijkt nog eens uit de oproep die NRC Handelsblad aan haar lezers deed om een essay te schrijven over de rol die poëzie heden ten dage vervult. ‘Citeert u wel eens een gedicht?’ luidde de kop boven de oproep. De kop spat uit elkaar van blaséheid. Een gedicht slaat men open, leest men in een bundel, citeert men. Maar een gedicht zingen of rappen? Bah. Bij dezelfde oproep drukte de redactie eveneens twee gedichten af ‘om onze gedachten te helpen bepalen’. Het ging om stervenspoëzie van een dode dichter, Faverey, en van een dichter die al honderd jaar dood had kunnen zijn, Rawie. Een Grote Dode en een Bijna-Dode, want guttegut, de Nederlandse poëzie leeft als nooit tevoren!
Waar Nederland in sociaal opzicht een grote egaliteit kent, waar althans de grenzen tussen rangen en standen niet zo duidelijk zijn afgebakend als in Engeland of Frankrijk, is er in de poëzie sprake van een ware klassenmaatschappij: een scheiding tussen ‘elite’ en ‘volk’, tussen de officiële literatuur en de orale traditie. Donald Gardner, een bekend uitvoerend dichter die al sinds begin jaren zeventig optreedt met dichtperformances waarin de voordracht centraal staat, zegt hierover: ‘Soms denk ik dat Nederland het laatste land is waar een dichter zou moeten wonen. Als je hier iemand vertelt dat je een uitvoerend dichter bent, tref je vaak een wantrouwige reactie, alsof je met je optreden het publiek tracht te manipuleren. Poëzie blijft in Nederland bovenal een zaak van snobisme en dode letters. De literaire kritiek beschouwt de uitvoerende dichtkunst als een non-genre, omdat men er geen toetssteen voor heeft. Deze vooringenomenheid herinnert je aan de calvinistische wortels van de Hollandse cultuur. Aan poëzie, zo is de gangbare opvatting, mag eigenlijk geen plezier worden beleefd. Veel van de grootste dichters van deze eeuw waren echter eveneens voordrachtskunstenaars. Majakovski, Dylan Thomas, Ezra Pound, Garcia Lorca – allen brachten zij met hun voordrachten de poëzie dichter bij het volk. Dat de poëzie hier zo’n klein bereik heeft, ligt voor een groot gedeelte aan de dichters zelf, die hun werk vaak presenteren op een manier die getuigt van minachting voor het gewone publiek.’
IN NEDERLAND HEEFT men geen rijke chansontraditie, zoals in Frankrijk, waar tekstdichters en zangers de poëzie beschikbaar hebben gemaakt voor het hele volk. Ook missen we talenten zoals Wannes van de Velde of Willem Vermandere, die er bij onze zuiderburen voor zorgen dat de Vlaamse liedkunst niet vergeten raakt. In Nederland zijn de invloedrijke dichter-zangers als Jaap Fischer en Boudewijn de Groot helaas veel te schaars gebleven en zijn er maar weinig musici die zich durven wagen aan het op muziek zetten van de grote dichters. Kwalijker nog is het dat de meeste Nederlandse dichters zich gewoon te goed vinden om teksten te schrijven voor hun musicerende collega’s. Hooghartigheid is troef bij de dichterskaste, die uit zichzelf geen toenaderingspoging zal wagen, omdat men ‘geen concessie wenst te doen aan de vorm van het eigen werk’.
Wat de minachting voor de orale tak van de poëzie bij ons teweeg heeft gebracht, blijkt bij een autorit over langere afstand. In Frankrijk, Spanje en Italië zingt men driehonderd kilometer moeiteloos vol, puttend uit een enorm repertoire aan populaire, bij menigeen bekende liederen; in Nederland komt men vaak niet verder dan het eerste couplet of, erger nog, de eerste regel, en anders schakelt men over op Engelstalige popteksten. Misschien dat er ergens in de Jordaan mensen zijn die urenlang lied na lied ten beste kunnen geven, maar daarbuiten houdt het al gauw op.
Het gebrek aan een populaire vocale Nederlandse dichttraditie is debet aan de beperkte reikwijdte van de poëzie hier te lande. Poëzie is er immers vooral om gelezen of ‘geciteerd’ te worden. De vorig jaar overleden dichter Lucebert pleitte in 1950 al (in School der poëzie ) voor een ‘democratisering van de taal en de dichtkunst’. Lucebert voorspelde dat ‘dichters van fluweel’, die zich schuilhouden in hun toren van beschaafd ivoor, ‘schuw en humanistisch dood gaan’. Die voorspelling lijkt nu, aan het eind van de twintigste eeuw, daadwerkelijk uit te komen.
Het is hoog tijd dat men de ruimte geeft aan een poëzie die minder beaat is, die meer is dan een suffe parade voor academische bibliofielen. De vijver met het drabbige water is immers hard bezig op te drogen. Over een jaar of vijftig, als de laatste levende dichters gestorven zijn, zal men kunnen afstuderen op de vraag waar het mis ging met de Nederlandse poëzie. Ondertussen houdt men in letterland braaf de schijn op, en is men net als de zelfmoordenaar waarover verteld wordt in de Franse film La haine. Tegen de mensen die hem langs hun raam voorbij zien vallen, roept hij: ‘Tot hier gaat alles goed.’

© Serge van Duijnhoven; Olaf Zwetsloot / De Groene Amsterdammer

Sprooksprekers – Eindhalte Fantoomstad

Sprooksprekers Eindhalte Fantoomstad

Dit project van de Sprooksprekers uit 1997 beoogde poezie aantrekkelijk te maken voor een groot en ook een jong publiek.Tevens beoogt het de kloof tussen de Nederlandse rapkunst en literaire dichtkunst te verkleinen. Uitgevers: Djax Records i.s.m. Prometheus.

De Sprooksprekers vlnr: Serge van Duijnhoven, Def P, Olaf Zwetsloot

De Sprooksprekers vlnr: Serge van Duijnhoven, Def P, Olaf Zwetsloot

http://www.djax.nl/djax/subdivisions/neder_sprooksprekers.html

Vorig jaar zorgden de dichters Serge van Duijnhoven en Olaf Zwetsloot voor groot rumoer tijdens de Nacht Van De Poezie in Utrecht door het podium te bestormen en publiekelijk een lans te breken voor het betrekken van de Nederlandse rapcultuur bij gevestigde literaire festivals.

In navolging van hun coup en een spraakmakend essay in De Groene Amsterdammer, namen zij het initiatief tot het vormen van De Sprooksprekers, een gelegenheids-collectief waar ook Nederlands bekendste rapper, Def P van de Osdorp Posse deel van uitmaakt, alsmede DJ The Prophet en DJ Dano (de gabberkoning).

sprooksprekers.eindhalte fantoomstad

Gezamenlijk brengt het collectief een fusie tussen poezie, rap en moderne dansmuziek die in Nederland vooralsnog volstrekt uniek is.

De raps, teksten en gedichten van de Sprooksprekers werden gebundeld en door Djax Records op de markt gebracht in een handig en mooi vormgegeven pocketboek waarbij tevens een CD verpakt werd, dat laat zien (en horen) dat de Nederlandse poezie een breder veld beslaat dan tot nu toe werd aangenomen.

Eindhalte Fantoomstad bevat een fraaie verzameling krachtige en rauwe poezie en muziek. De lezer/luisteraar wordt uitgenodigd voor een excursie naar Fantoomstad, een mythische plek die de schaduwzijde belichaamt van de eigentijdse metropool. In moderne, fascinerende “sprookspreken” bezingen deze jonge dichters de wereld van gokhallen, nachtgelegenheden, snelwegen, ziekenhuizen, metrolijnen en nieuwbouwwijken.
De naam Sprooksprekers werd naar voren bebracht door Sander Pleij (zoon van Herman Pleij) in De Groene van 22 mei 1996 (over: De jonge dichters).
Hij schreef: ‘rap en hiphop bouwen voort op een eeuwenoude traditie.

In de veertiende eeuw trokken beroepsvertellers langs abdijen, hoven en steden om er met hun sproken voor lering en vermaak zorg te dragen. De sproken bestonden uit korte, rijmende vertellingen met een meestal serieuze inhoud: een stichtelijke zedenles of een hoofse moraal. De sprooksprekers waren gewoon zich naar de geboorteplaats te noemen. Goeswijn van Ghelre, Jan van Vlaanderen, Bertelmees van Dordrecht. De technieken die werden gebruikt om het volk te boeien, waren simpel en doeltreffend.De sprookspreker hield het op eenvoudige zinnen met een sterk ritmisch verloop’

sprookkop

Korte bio’s:

Def P is oprichter en rapper van de Osdorp Posse, Nederlands meest succcesvolle hiphopband. Def P is de grondlegger van de Nederhop. Van zijn cd’s zijn tienduizenden exemplaren verkocht.

Serge van Duijnhoven is dichter, schrijver en oprichter van MillenniuM.
Hij schreef de dichtbundels Het paleis van de slaap (Prometheus 1993) en Copycat (1996), alsmede de roman Dichters dansen niet (1995) en de verhalenbundel De overkant en het geluk (1995). Samen met DJ Dano trad hij afgelopen jaar op tijdens Lowlands Paradise en het Crossing Border Festival.

Olaf Zwetsloot is dichter, saxofonist en componist.Winnaar van de CJP-poezie prijs 1996.

Dov Elkabas (The Prophet) is producer en DJ. Bekend van de Thunderdome cd’s(inmiddels in totaal meer dan een miljoen exemplaren verkocht) en van tientallen cd’s met oppeppende house.

Daan Leeflang (Dano), ook wel bekend als de gabberkoning. Veelzijdig DJ en producer van wereldfaam die altijd het experiment heeft gezocht, oa met de Oostenrijkse cybernaut Konrad Becker (Monoton).