ALLES IS INTACT GEBLEVEN – PORTRET VAN SERGE GAINSBOURG

Op 2 maart 1991 sloop de Franse zanger Serge Gainsbourg als een dief in de nacht weg uit dit leven.
Nauwelijks had hij in zijn laatste jaren het daglicht nog kunnen verdragen. Zelfs in het getemperde licht van zijn geblindeerde hôtel particulier aan de Rue de Verneuil in Parijs droeg hij een donkere zonnebril. Het overmatige alcoholgebruik en de 140 dagelijkse Gitanes mais sigaretten hadden zijn lever vergiftigd, zijn hart op springen gezet en zijn ogen met een zeldzaam virus aangetast. Toch bleef hij zich van televisieshow naar televisieshow slepen, slempend en paffend, om vervolgens achter de piano de tekst van zijn liederen te vergeten en met een afsluitend scheldwoord het podium te verlaten.

Inscriptie bij het graf van Gainsbourg


Het publiek kon geen genoeg van hem krijgen, al verstond het op gegeven moment geen woord van wat hij zei, en al braakte hij zijn minachting over iedereen uit. “Ik zal u beledigen tot u van me houdt”, had hij aan het begin van zijn carrière, in het schimmige Parijs van de jaren vijftig, al gewaarschuwd. Zijn formule heeft gewerkt. De erotomaan stierf als Frankrijks meest verguisde, minst begrepen, maar ook meest beminde zanger.

Gainsbourg mocht met zijn 62 jaren dan opgebrand zijn, het opmerkelijke is dat hij dat dertig jaar eerder ook al leek. Correspondent en Frankrijk-kenner Jan Brusse kenschetste de zanger in die tijd reeds als een sombere uil die iedere nacht van het ene Parijse cabaret naar het andere fladderde om er zijn troosteloze chansons te fluisteren. “Zo afgeleefd ziet hij er uit, zo door-en-door vermoeid zijn z’n bewegingen, dat je steeds vreest dat hij het volgende liedje niet meer zal halen. Zijn grote ogen, waarop zware oogleden steunen, schjinen zich alleen maar af te vragen waarom dit alles noodzakelijk is.” Ook in zijn jeugd was de nacht al zijn domein. “De nacht, de nacht”, zong hij, “die me verlost van het duister in mijn hersenen.”
Tot het einde toe is Gainsbourg eigenlijk een jongen gebleven, een kwajongen die zijn lelijkheid in een voordeel wist om te zetten. “Lelijkheid is aan schoonheid verre superieur”’, placht hij daar zelf over te zeggen. “Lelijkheid blijft duren, schoonheid niet…” Wat zich uitslovende macho’s vaak niet lukt, lukte Gainsbourg met zijn aflijvige nonchalance. Met zijn hulpeloze viriliteit wist hij aan de amoureuze sentimenten van de meest adorabele vrouwen te appelleren. Achter de ongeschoren, ongewassen look van de brutale mannenman met de diepe glaciale stem, de warrige lokken en de witte schoenen, herkenden zij een kwetsbare gevoeligheid.
Dit was ook het imago dat hij als ”gigolo youpin” bewust cultiveerde. Op zoek naar het erotisch zinnebeeld voor de man, is hij er zelf ironisch genoeg uiteindelijk een geworden voor de vrouw. Over zichzelf zei hij: “Ik ben een gosertje, dat de vuile waarheid van het leven tracht te achterhalen door kleine, precieze injecties van perversiteit. Ik ben slechts op zoek naar één ding: de puurheid van mijn jeugd. Ik wil kunnen zeggen: ik ben intact gebleven. Intact. Ziedaar mijn kracht.”

Serge Gainsbourg werd als Lucien Ginzburg op 2 april 1928 in Parijs geboren. Zijn jiddische ouders, Joseph en Oletchka, zijn tijdens de Bolsjewistische revolutie Rusland uitgevlucht en in Frankrijk neergestreken, waar vader Ginzburg als nachtpianist in bars en casino’s het gezin van een inkomen voorzag. Oletchka had eigenlijk tot een abortus over willen gaan, maar was op het laatste moment voor de zware ingreep teruggeschrokken. “Al voor mijn geboorte ben ik aan de dood ontsnapt”, zou Serge later zeggen, daarbij ook verwijzend naar zijn roekeloze levensstijl. Lucien (Lulu) Ginzburg ging snel in de leer bij zijn vader die vooral voor Gershwin een zwak had. Maar zijn grote passie bleek het schilderen te zijn. Op z’n twaalfde schilderde hij al de meisjes van Clichy, die hij vier jaar later uit sexuele nieuwsgierigheid voor het eerst zou frequenteren. In de oorlog leefden de Ginzburgs met hun valse papieren onder het regime van een dubbele identiteit.
De oorlog kan Lulu gestolen worden, tot het moment dat hij gedwongen wordt om zich, voorzien van valse documenten, samen met zijn ouders schuil te houden op het platteland. Vlak voor zijn vlucht uit Parijs staat de jonge Ginzburg voor dag en dauw op de stoep bij de prefect van Clichy om als allereerste een jodenster in ontvangst te nemen. “Een eer”, zo zegt hij wijsneuzerig, “die hij zich beslist niet wil laten ontgaan.” Als de prefect hem vraagt of hij die ster van hem dan echt zo graag wil dragen, antwoordt hij: “Het is niet mijn ster, meneer. Het is die van u.” De prefect voelt zich voor schut gezet, en schopt de piepjonge provocateur het gemeentehuis uit.
Of deze anekdote, die op expliciete wijze in beeld wordt gebracht in Sfarr’s film Gainsbourg: vie heroique, ook waar is? “Wat doet het ertoe”, zegt de regisseur hierover in een van zijn vele gesprekken bij het uitkomen van de prent, “als Gainsbourg hem gedurende zijn leven de moeite waard heeft gevonden om te vertellen.” Wat in elk geval waar is, dat is dat de zanger na de oorlog – zoals ook op amusante wijze in beeld wordt gebracht – uit geldgebrek twee jaar lang mandoline-leraar is geweest in een weeshuis te Champfleur dat vooral plaats bood aan kinderen van ouders die in de gaskamers waren omgekomen. Die kinderen, gewonde diertjes eigenlijk, waren zijn eerste publiek. Toen hij het weeshuis binnenging, was zijn naam nog Lucien Ginzburg. Na het te hebben verlaten, noemde hij zich voortaan Serge Gainsbourg. Serge was de voornaam van de directeur van het instituut.

Gainsbourg in Parijs, eind vijftiger jaren

Na de oorlog probeerde Lucien, die van de Ecole des Beaux Arts getrapt was, als jonge schilder in leven te blijven met het inkleuren van cinemaposters. Onderwijl ging hij tekeer als Byron in Ravenna of Casanova in Venezië. De lijst van de hem toegedichte veroveringen in de jaren vijftig en zestig is volgens biografen lang genoeg om de Gele Gids te vullen. Zijn vader regelde in 1957 voor de schuinsmarcheerder een baantje als barpianist van café-chantant ‘Milord l’Arsouille’, waar Léo Ferre, Jacques Brel en Boris Vian hun chansons ten gehore kwamen brengen. Serge (zo noemde hij zich nu, Lucien was teveel de naam van het “knaapje van de kapper”) mocht er de stiltes voor de voorstelling wegspelen, en als pianobegleider opereren van Michèle Arnaud en de dandyeske surrealist, thrillerschrijver en trompettist Boris Vian, auteur van een rits villeine liederen die bulken van de humor en de zelfspot. In het cabaret komt hij ook in contact met Denis Bourgeois en Jacques Canetti. Zij stellen hem in staat een aantal zelf gecomponeerde nummers op plaat uit te brengen.

Boris Vian (rol van Philippe Catherine) en Serge Gainsbourg (Eric Elmosnino) in de rolprent Gainsbourg Vie heroique (reg. Joann Sfarr 2010)

Gainsbourg werd hevig gegrepen door Boris Vian, de lijkbleke zanger met zijn verlammende teksten en de ijle piepstem, die de onzekere pianist onder zijn hoede nam en stimuleerde om solo te gaan zingen. Met moeizaam maar stijgend succes. De zelfverklaarde chanteur de nuit Gainsbourg besloot uiteindelijk de grote gok te wagen en ”le noble art de la peinture” vaarwel te zeggen ten gunste van ”le pauvre art mineur de la chanson”. “Le génie ou rien!”. In de sprookjesachtige film van Joan Sfarr Gainsbourg: Vie héroique (2010) is te zien hoe, tijdens een bedwelmende drankorgie, de brand schiet in zijn olieverfdoeken en zijn atelier vlam vat. Lucien Ginsburg’s schildersezel gaat aan stukken, Serge Gainsbourg de auteur-compositeur-interprête wordt geboren. Temidden van as, flarden van schilderijen en alcoholwalmen. Gainsbourg stort zich vol ijver op de liedkunst, maar Michèle Arnaud laat al gauw merken dat ze sommige liedjes te schunnig vindt om zelf te vertolken.

Serge kruipt mede hierom toch maar weer zelf achter de microfoon. In 1959 verschijnt Gainsbourg’s eerste 25 centimètres: Du chant à la une, met onder meer de liederen ‘Les femmes des uns sous les corps des autres’ en het na al die tijd nog even sterke als dubbelzinnige meesterwerkje ‘Le poinçonneur des Lilas’ . Boris Vian steekt in Le canard enchainé de loftrompet over het album, dat de Grand Prix de l’Académie Charles-Cros in de wacht weet te slepen, maar commercieel flopt. “Je fais une forte consommation de mentalités”, zou Boris Vian eens gezegd hebben; een aforisme dat Gainsbourg past als gegoten. Gainsbourg gaat zich kleden naar het voorbeeld van Vian, dandy-poëet, snob en jazzman, een tikje Trenet ook, zazou maar vooral existentialistisch haveloos chic. Een bohémien gedragscode die in de late jaren vijftig door de Parijse jeunesse dorée gecultiveerd wordt op het territorium van de Rive Gauche. De Gainsbourg-variante: bewust gerafeld streepjespak, te ruim zittend wit hemd met dagzomende mouwranden – dasloos, sluik haar, drie dagen oude barbe à l’italienne.
De bohème lijkt frivool, maar is evenzeer tragisch. “Il y a de la gravité dans le frivole”, schreef Charles Baudelaire, dichter en dandy die zijn haar groen liet verven, al in de negentiende eeuw. In de romaneske biografie Les derniers jours… (1988) laat Bernard-Henry Lévy de poète maudit in een van zijn brieven verzuchten: “Ach ik droom ervan ooit de zin, ooit het woord te vinden dat de mensheid tegen me opzet.” Wat dit laatste betreft, lijkt Gainsbourg in zijn leven verschillende malen briljant te zijn geslaagd.

Boris Vian roemde ‘de nachtuil met het immer trieste gelaat’ op typisch surrealistisch-ambivalente wijze als ”een anti-zanger”. Hij bedoelde dit weldegelijk als een compliment en voorspelde, vlak voor hij zelf het veld ruimde en op zijn 39ste stierf aan een hartaanval, dat het chanson met Serge Gainsbourg een nieuwe tijd tegemoet zou gaan. Als lied-leverancier van jonge zangeressen verwierf hij in korte tijd een reputatie als tekstschrijver en componist wier pikante chansons gegarandeerd goud opleverden. Het publiek van Milord l’Arsouille daarentegen was een andere mening toegedaan. Het vond hem een probleemgeval, een introverte mompelende zanger met veel te grote oren en gebrek aan stemkracht. Zijn uiterlijk en onzekere, voor arrogant versleten houding veroorzaakten onrust (Serge sprak over zichzelf als de grote leeuw met de varkenskop, Brigitte Bardot noemde hem een aandoenlijke Quasimodo en met zijn schurkenbek – zijn gueule – figureerde hij in meer dan twintig B-films). Zijn bittere en pikante teksten veroorzaakten ergernis. Wat wilde deze pionier van een nieuwe phallocratie die ten strijde trok tegen het vrouwelijke ras precies, de man die zei “van vrouwen te houden door ze te haten”? Wat was de inzet van deze moeilijk te plaatsen provocateur van de schoonheid en nog moeilijker te doorgronden “hibou de la complaisance’” die beweerde dat “de liefde nooit meer waard zal zijn dan de korte tijd die je nodig hebt om haar te bedrijven”, en die pochte diezelfde liefde te bedrijven “zoals anderen een inbraak plegen”?
Gainsbourg was zo gewend aan de vernederingen die hem in zijn jonge leven als joods jongetje en onbeholpen zanger van bedenkelijk allooi te beurt waren gevallen, dat hij als geen ander in de Franse cultuur de belediging als stijlmiddel heeft weten te cultiveren voor zijn alomvattende behoefte aan liefde en aandacht. Met zijn in vitriool en sigarettenas gedepte vingertoppen en zijn gedempte stem van de onzekere adolescent die zich schaamt voor zijn puisten en aarzelende snorhaartjes, wist hij eind jaren vijftig een nooit eerder gehoorde viscose smurrie om de mond te smeren van al het schone volk dat in het Parijse Quartier Latin de hippe café-chantants, jazzkelders en bistrots de nuits placht te frequenteren. De schunnige provocatie werd Gainsbourg’s handelsmerk, de ambivalente erotische boutades en dubbele bodems zijn specialiteiten. Dit alles gehuld in de schutkleuren van de spitsvondige woordgrap en originele literaire trouvaille om het publiek ongemerkt zo dicht mogelijk op de ziel te kunnen zitten en op onverwachte wijze toe te kunnen slaan met een perfect getimede coup de guele.
Gainsbourg’s hunkering en fragiliteit gaan verscholen achter een maskerade van hooghartig vernuft en een villeine vorm van hoffelijkheidsbetrachting en mysoginie. Psychologen hebben aan al deze vormen van sublimatie een vette kluif gehad die – eens van alle ruwe weefsel ontdaan – de inborst verried van een gevoelige ziel die geen mogelijkheid onbenut liet om via sluipwegen, omkeringen en provocaties te verkrijgen waar het lelijke joch in zijn jeugd bij om het even welke confrontatie en volte face immer weer verstoken bleef. Wie niet sterk is, moet slim zijn. En slim, dat is de kleine vurige en onverzadigbare Lucien met het Ashkenazische uiterlijk, de spiedende ogen van de geperverteerde fetishist en de wapperende flaporen van een onbehouwen olifantenjong. Een verfomfaaide getaande ziel in een verschrompeld jongenslichaam. Een ietwat wreed, stoutmoedig en ondeugend menneke van onbestemde leeftijd en komaf, dat zich gekleed in grijsgestreept driedelig pak vanachter de piano op het podium onbeteugeld verlustigde aan zijn kattenkwaad.

Het merk sigaretten dat Gainsbourg tot zijn dood trouw bleef

Zijn éducation sentimentale beleefde Lucien Ginzburg in de straten van woelig en robuust Pigalle. Zijn speeltuin was La Porte de Clichy. De hoeren van de buurt ontfermden zich als moederlijke juffen over hun snoezige wereldvreemde welpje dat ze gierend van het lachen tal van kunstjes leerden. Zoals: hoe je jarretels moest vast- of losknopen rond een welgevormd vrouwenbeen. Lillend vlees, de geur van vrouwen in nylon kousen, het ritueel van zo’n juf uit de buurt die haar toilet maakt voor het kwikzilveren oog van de opklapspiegel die ingenieus verborgen zit achter de ladenkastjes van een elegant en sierlijk notenhouten kabinet uit het tijdperk van de roccoco: het komt later allemaal terug in zijn oeuvre.
Gainsbourg slaagde er als geen ander in, op De Sade na wellicht, om de Franse maatschappij de daver aan te jagen met zijn erotische geschimpscheut, misogynie en publiekelijk geetaleerde lelijkheid. Waar zijn collega’s blijven steken in zoetgevooisde en wellevend geformuleerde liefdesballades, hebben Gainsbourg’s liedjes altijd wel iets schunnigs en scandaleus in petto. Gainsbourg spreidde zijn talenten graag over vele personen en personages. Zo annexeerde hij, eenmaal beroemd, de vrouwen die eerst niets van hem wilden weten. “Voor een vrouw te schrijven is de meest elegante manier om haar te dienen en tegelijkertijd te bezitten”, aldus Gainsbourg. In zijn misogynie nam hij wraak door zijn vertolksters de allerbitterste hatelijkheden over het eigen geslacht, de liefde en het leven te laten zingen. Als hij kon liet hij zelfs hun persoonlijke tekortkomingen in zijn teksten doorklinken. “Als ze zo stom zijn om mij hun chansons te laten schrijven zullen ze dat weten ook”, clameerde hij. Hij verleidde de vrouwen door ze aan te vallen. En de meesten lieten zich door zijn tegendraadse charme verleiden. Juliette Greco, Barbara, Isabelle Adjani, Isabelle Aubret, Petula Clark, Dalida, Regine, Mireille Darc, Anne Karina, Francoise Hardy, Chatherine Deneuve, France Gall, Brigitte Bardot, Jo Lemaire, Vanessa Paradis, Viktor Lazlo, vrouw Jane Birkin, dochter Charlotte… allemaal zongen ze het liefst Gainsbourg. Met reden overigens, want als tekstschrijver-componist was Gainsbourg goud waard, en dat wisten ze. Zijn stijl was uniek; een Pindarus-achtige lyriek gekoppeld aan een in klassiek repertoire gedoopte muziek die tegelijkertijd wonderlijk licht en melancholisch aandoet. Een minimum aan noten, een minimum aan woorden, alles exact getimed en op maat gesneden voor de zangeressen in kwestie. De gespletenheid die tot uiting kwam in zijn composities, als auteur-compositeur van provocerende schunnigheden en lyrische hoogstandjes met referenties aan Baudelaire en overige grote dichters die zich nog het meest verkneukelde als zijn liedjes door piepjonge deernen gezongen konden worden, is ook voor zijn latere periode als de aftandse Gainsbarre in de jaren zestig al volop aan de oppervlakte.

De beschuldiging dat hij zich prostitueerde en paarlen voor de zwijnen wierp bleef hij ontkennen. Serge besefte maar al te goed dat zijn genie nauw gelieerd was aan het talent van de vrouwen voor wie hij schreef. Zonder vrouwen aan wier stem hij zijn erotomane ziel kon doorgeven, zou hij niets geweest zijn. Zijn schildersoog was haarscherp en met grote zorg koos hij alleen die vrouwen waarvan hij zeker wist dat hij via hen naar de wortels van de passie, de noodzaak van de intimiteit kon graven. Voor wie hij ook schreef, zijn teksten bleven gekenmerkt door hun scherpe randen en diepe gelaagdheid. Hij weigerde concessies te doen aan het grote publiek, al was de zangeres nog zo jong of het genre zo uitgemolken. Zoals de vijftienjarige France Gall die met Gainsbourg’s ‘Poupée de cire, poupée de son’ in 1965 het Eurovisiesongfestival won. Aan de ene kant wist hij haar trieste inslag schitterend te bespelen, zoals in het lied Baby Bop: “Zing Dans Baby Pop, Alsof je morgen Baby Bop, In de vroege ochtend Baby Bop, sterven moest”.

Aan de andere kant maakte hij schaamteloos misbruik van haar onschuld in het dubbelzinnige ‘Les sucettes à l’anis’. Toen aan dit motorisch gestoorde vestaalse maagdje eindelijk uitgelegd werd wat er in het nummer over de aan anijslolly’s zuigende Lolita eigenlijk gesuggereerd werd, en ze het onderwerp werd van alomtegenwoordige spot, weigerde ze nog langer liedjes van zijn hand te zingen. In het blad Rock & Folk gaf ze te kennen dat Gainsbourg haar nooit echt gekend heeft, al wat hem interesseerde was wat hij zelf in haar projecteerde. Het is tekenend voor de wijze waarop Gainsbourg met zijn vertolksters omsprong. Vaak gebruikte hij ze tot op het schofterige af om zelf te schitteren. Zelfs van zijn naasten verwachtte hij dat ze met gedweee toeweiding in zijn eigen muzikale/sexuele freakshows zouden figureren. Jane Birkin, zijn derde vrouw, moest naakt met hem poseren om zijn nieuwverworven imago als coole playboy hoog te houden. Charlotte, zijn dochter, moest het beeld van Serge de incestueuze erotomaan bevestigen. En Bambou, zijn laatste gezellin, moest de longen uit haar lijfje schreeuwen terwijl ze deed of ze door sado Serge met zweepjes in extase werd geranseld. Tenenkrommend zijn ook de beelden die nog altijd op Internet circuleren, waarop te zien is hoe Bambou haar geliefde echtgenoot op zijn initiatief welwillend ondervraagt om vervolgens en plein public door haar “mec” te worden uitgescholen voor alles wat verrot is.

Bardot en Gainsbourg's bekokstoven Je t'aime moi non plus - volgens een scene in Sfar's film


Na een sporadische samenwerking met de Franse Demeter Brigitte Bardot (Bonnie & Clyde, Harley Davidson) nam hij in 1967 ‘Je t’aime, moi non plus’ met haar op. Tegen de achtergrond van een liturgische orgelmuziek hoorde je haar vergeefs kreunen om zijn liefde. En om zijn roede, die haar vanachter (entre les reins – tussen de nieren) moest doorboren. De werkelijkheid wilde het anders. De man van BB, Guenther Sachs, eiste dat de release onmiddellijk stop zou worden gezet. Serge gaf aan de eis gehoor, maar een jaar later nam hij wraak door zijn kersverse vrouw ‘la garçonne’ Jane Birkin het nummer opnieuw te laten inzingen. Het werd zowel een schandaal, als een commercieel monstersucces. Miljoenen exemplaren verkocht alleen al in de lange hete zomer van het jaar 1969. Philips distantieerde zich van het nummer, bigot Europa ergerde zich purperrood, het Vaticaan sprak haar banvloek uit over de plaat (zij zou natuurlijk de jeugd tot slechte en onnatuurlijke daden aanzetten), en de meeste radiostations boycotten het gehijg in e mineur. Maar de verkoop van de single stak die van elke Beatles-plaat naar de kroon.

De jaren zeventig werden jaren van decadentie, films, geen optredens maar veel studio-opnamen, zoals het monumentale ‘Un histoire de Melody Nelson’ in 1971; het eerste ultramoderne conceptalbum uit de geschiedenis van het Franse chanson. Histoire de Melody Nelson is een muzikaal meesterwek van perverse verleiding. Een liefdesbrief uit de donkere cellen van Sodom, een extatische pijnkreet uit de ondergrondse kerkers van Edgar Ellen Poe en het imaginarium van professor Vladimir Nabokov. Het album is tevens het voorwendsel voor enkele van de meest gedurfde lyrische exercities in het Franse taalgebied.
Het kapotgaan van zijn relatie met Jane Birkin aan het eind van de jaren zeventig is Serge Gainsbourg uiteindelijk nooit meer helemaal teboven gekomen. Uit de as van de 140 Gitanes en een liter whisky per dag verslindende Gainsbourg verrees de nog veel gruwelijker chimaere Gainsbarre (de “standvastige”, de ruwe), een sadistisch onbehouwen monster dat zijn veel lieflijker en onhandiger voorganger definitief van het podium wist te verdringen. In Nederland had je de vileine zanger Jaap Fischer, meester van het messscherpe chanson, die in de loop der tijd zijn hoekige masker af liet vallen en voortaan – triest maar wijs geworden – als Joop Visser door het leven wilde gaan. Serge maakt iets soortgelijks mee, maar dan in omgekeerde zin. Zoals hij in alles tegendraads prefereerde te zijn.
Gaandeweg zijn tweede carrière, werden minder zangeresjes bereid zijn steeds schunniger teksten te zingen. Wederom werd hij een outsider. Hij pastte niet in de wereld van het ‘nouvelle chanson’ zoals Maxime le Forestier en Alain Souchon dat brachten. Gainsbarre ging onverschrokken zelf door met zingen en epateren. De geest van Vian keerde in hem terug, getuige het surrealistische nazi-punk album ‘Rock around the Bunker’, waarin hij als jood met groteske galgenhumor de bunkerdagen van Adolf H. bezong. Frankrijk raakte opnieuw in een opstoot. Begreep het jonge publiek dit allemaal wel? Treffende vraag. Het jonge publiek begon hem steeds beter te begrijpen dan het vertrouwde publiek dat met hem meegroeide. “Het is mijn publiek dat ouder geworden is, niet ik” beet hij de pers toe.

Het meest wonderlijke aan Serge G. was de moeiteloosheid waarmee de auteur-compositeur-interprête gedurende alle decennia dat hij actief was niet alleen zichzelf maar de hele muziekscene rondom hem gedurig wist te vernieuwen. Terwijl zijn teksten en zijn fluisterende stem vanaf Melody Nelson uit 1971 niet meer wezenlijk veranderden, onderging zijn muziek de ene na de andere radicale revolutie. Jazz, rock, pop, reggae, punk, rap, er is geen stijl die de zanger ongebruikt heeft gelaten. Zijn drang tot verandering verklaarde hij zelf vanuit de dood van het Franse chanson. “Er is geen chanson in onze tijd. De Afrikaanse ritmes waarmee ik mijn muziek in leven houd zijn geen concessie aan de moderne tijd. Het is een vorm die de moderne tijd weerspiegelt. Een ritme dat haar karakteriseert.” Als eerste blanke artiest ging hij naar Jamaïca om daar een reggae-album te maken. In vijf dagen rolde er een parel van een plaat uit: ‘Aux Armes Et Caetera’, met de band van Peter Tosh en de I Three van Bob Marley. Gainsbourg beweerde de meeste nummers in het vliegtuig geschreven te hebben. De Figaro noemde het een ‘smerige ragoût’, maar binnen zes maanden was het platina en had de zanger een alternatief publiek aangeboord dat hem daarvoor nauwelijks had gepruimd. De reggae-versie van de Marseillaise (“bij een revolutionaire tekst hoort een revolutionair tempo”) schoot in het verkeerde keelgat van tweehonderd Oud Parachutisten in Straatsburg. “Als die Gainsbourg hier komt, blazen we de boel op!” Ondanks de dreigementen en de bommeldingen beklom Gainsbarre toch het podium. Un réfractaire pur sang. Gainsbourg blafte de para’s toe dat ook Rouget de Lisle de Marseillaise had geschreven als marslied van Republikeinse rebellen die af wilden van het ancien régime. “On est tous des Juifs, des nègres et des Français!” Daarop zette hij acapella, met geheven vuist, het Franse volkslied in. De para’s in verwarring achterlatend. Even later kwam Gainsbourg opnieuw in het nieuws toen hij het handgeschreven manuscript van La Marseillaise voor een astronomisch bedrag op de koop tikte tijdens een veiling bij Sotheby’s in Parijs. “Wel duur, voor zo’n velletje papier”, merkte een journalist op. Waarop de zanger repliceerde: “Man, ik zou me hiervoor hebben geruïneerd!”
Deze waargebeurde scène die nog steeds op Youtube is na te zien, markeert het hoogtepunt van Gainsbourg’s heroïsche levensloop. Van joods kereltje in bezet Parijs, tot pionier-provocateur van de vrijheid en eigenzinnige maskotte van het Franse patrimonium. Als het waar is dat de dichter-zanger dubbel en dwars zijn plaats verdiend heeft op de achtenswaardige toppen van de Franse Parnassus, dan heeft hij die plek veroverd door de berg op sluikse wijze te beklimmen. En stoemelings, zoals Brusselaars zo mooi zeggen. Over de rug heen van zijn eigen schaduw. “Mon univers est à l”envers”, verklaarde Gainsbourg zelf ooit in een interview met Libération. “Alleen dode vissen drijven met de stroom mee.” Serge de rebel.


Gainsbourg’s parcours heeft inderdaad altijd de weg gevolgd van de meeste weerstand, van het schandaal. Van Sodom ook. Zoals in het ultieme liefdeslied “Je t’aime, moi non plus”. Het beruchte hijgduet in 1967 gezongen met Brigitte Bardot, twee jaar later met Jane Birkin, waarvan er alleen al buiten Frankrijk miljoenen platen werden verkocht; zonder dat de meeste van die kopers ook maar enig benul hadden dat er de geneugten van de anale liefde in werden bezongen. “Ik vermaak de wereld met injecties van lichte perversiteit”, placht de zanger en componist zelf te zeggen. Op een manier waartoe alleen Gainsbourg in staat was. Met stijl, distinctie, in miraculeus mooie maar ook infecte poëzie. “Tu es la vague, moi l’île nu./L’amour physique est sans issue.” Waarna Eros zijn giftige pijl van koele geilheid afschiet tussen de nieren van zijn geliefde.
“Ik houd van je.”
“Ik al niet meer…”

Zelf bleef Gainsbourg zijn vakgebied omschrijven als “un certain art mineur”, en meer dan eens liet hij weten zichzelf in de eerste plaats te beschouwen als een mislukte kunstschilder. In een twistgesprek met Guy Béart, in het praatprogramma van Bernard Pivot, sprak hij zijn collega betuttelend toe: “Ach Guy, wat zijn onze liedjes meer dan “des petits cacas” die we uitscheiden op het podium?” Dat Serge Gainsbourg daarentegen weldegelijk een grote kunstenaar genoemd mag worden, een dichter, zanger en componist van Olympische categorie. Al in 1972, na het beluisteren van het monumentale album ‘Un histoire de Melody Nelson’, liet de grote dichter Louis Aragon zich ontvallen dat “die Gainsbourg zich eigenlijk geheel op het sonnet toe zou moeten leggen: zijn poëtische kwaliteiten zijn weergaloos en behoren tot het meest originele wat de Franse literatuur heeft voortgebracht sinds Les Chants de Maldoror van Lautréamont.”
En inderdaad: neem de proef gerust op de som door de bonte catalogus aan liedteksten van Gainsbourg er op na te slaan, zoals Mauvaises nouvelles des étoiles (éditions Seuil). Vrijwel elk willekeurig lied van Gainsbourg getuigt van uitzonderlijke poëtische soeplesse, syntactisch meesterschap en klinkklare woordvreugde. Zoals volgens Goethe een meesterhand zich vooral kan tonen in de beperking, zo openbaart het genie van Gainsbourg zich zelfs nog in het keurslijf van zijn meest kitscherige, hijgerige of populaire nummers. Regisseur Joan Sfar zei hierover: “Wat geweldig is bij Gainsbourg: hij noemt zichzelf een luxehoer, maar hij is nooit oprechter dan wanneer hij probeert zichzelf te verraden. Op een huppeldeuntje als “Baby Pop”, laat hij France Gall zingen “chante, danse Baby Pop, comme si demain tu devais mourir”. Hij kan het niet laten om overal de tragiek van in te zien. Bij momenten is hij even pathetisch geniaal als François Chateaubriand.”
Een lied dat mij voor altijd van Gainsbourg’s uitzonderlijke lyrische gaven overtuigd heeft, is het nummer Hôtel Particulier, op het epische album Melody Nelson. In prachtige, wulpse zinnen die in enkele bondige stanza’s een wufte paringsdans met elkaar aangaan, voert de zanger zijn piepjonge verovering mee naar een labyinthisch roccoco-complex met vele trappen en eindeloze gangen, waar beiden zich onder het toeziend oog van vergulde engelenbeelden, naakte ebbenhouten slavinnen, Aphrodites en Salomés, in de Cleopatra-kamer overgeven aan de somptueuze praktijken van de Ars amandi en Remedia amoris. Lees hoe Gainsbourg zijn Melody op de tonen van orgel, bas, piano en sublieme lyriek naar de toppen voert van het genot!
“(…)
Entre ces esclaves nus taillés dan l’ébène
Qui seront les témoins muets de cette scène
Tandis que là-haut un miroir nous réfléchit,
Lentement j’enlace Melody
…”


Histoire de Melody Nelson was de eerste conceptplaat uit de geschiedenis van het Franse chanson. De plaat laat zich het best omschrijven als een erotische raamvertelling in zeven puntige liederen, die in totaal nauwelijks dertig minuten in beslag neemt. Waarin een tedere nimfijn van “quatorze automnes et quinzes étés” zich overgeeft aan een gepassioneerd roofdier van veertig-plus. Histoire de Melody Nelson is een muzikaal meesterwek van perverse verleiding. Een liefdesbrief uit de donkere cellen van Sodom, een extatische pijnkreet uit de ondergrondse kerkers van Edgar Ellen Poe en Vladimir Nabokov. Op de cover van het album houdt Jane Birkin in de hoedanigheid van het titelpersonnage Melody – vroeggevallen nimfijn die zich openstelt voor het verderf -, met gekruiste armen een aangeklede pluchen aap koket tegen haar naakte bovenlichaam gedrukt. Niet alleen om uit te dagen, zo blijkt, maar ook om te verhullen dat ze op dat moment zwanger is van haar “enfant d’amour” Charlotte Gainsbourg.
De toon van het album is meteen gezet in het eerste nummer: een sombere hypnotiserende soundscape met een overstuurde, ietwat slepende bas, rockgitaren die bezwerend huilen, violen die het sonore stemgeluid van Gainsbourg’s fluisterstem omfloersen. Een Rolls Royce Silver Ghost 1910 rijdt langzaam door een niet bij naam genoemde stad. In gedachten verzonken, verstrooid, met een half oor luisterend naar de radio, zijn blik gericht op de gevleugelde Spirit of Ecstasy op de voorkap, raakt de verteller in aanrijding met een rossig tienermeisje op een fiets.
– Tu t’appelles comment ?
– Melody
– Melody comment ?
– Melody Nelson

De man achter het stuur van de Rolls vertelt ons in quasi-vrolijke balladen, opgesteld in de onvoltooid verleden tijd, zijn tragische verhaal over schoonheid en extase, liefde en dood. De gevoelens van gelukzaligheid en elegantie uit het begin, worden allengs duizelingwekkend. De licht-psychedelische muziek, die de wals uit haar voegen doet draaien, benadrukt dit. Na het gerommel op het liefdesbed is er het ontwaken uit de droom. Het laatste nummer op het album, Cargo Culte, laat zich verhalen als een epiloog vanuit het schimmenrijk. De geschiedenis eindigt zoals ze begon: met een ongeluk. Melody vindt de dood als haar Boeing 707 neerstort in zee. Haar malse lichaam komt terecht tussen de koralen van Melanesië, ergens op de bodem van de Grote Oceaan. De verteller blijft alleen achter, ten prooi aan zijn herinneringen. De muziek bereikt in dit nummer haar apotheose. Het bezwerende thema van het begin, met de overstuurde basgitaar, wordt herhaald en uitgebreid tot een koortsig requiem met een koraal van maar liefst zeventig stemmen. Het gefluister van Gainsbourg mondt uit in een magische incantatie van de “Cargo Culte” zoals bedreven door de Papoea’s op Nieuw Guinea. Ook Gainsbourg hoopt biddend op een vliegtuigcrash die hem de schim van zijn minderjaardige heldin tussen de wrakstukken opnieuw tevoorschijn kan toveren.
“N’ayant plus rien à perdre ni dieu en qui croire
Afin qu’il me rende mes amours dérisoires
Moi, comme eux, j’ai prié les cargos de la nuit.
Et je garde cette espérance d’un désastre
Aérien qui me ramènerait Melody
Mineure détournée de l’attraction des astres.”

Het niveau van Melody Nelson zal Gainsbourg in zijn latere carrière nooit meer helemaal kunnen evenaren. Het album is, vriend en vijand is het daar dertig jaar na verschijnen over eens, een meesterwerk dat zijn weerga nog altijd niet kent in de geschiedenis van de hedendaagse popmuziek.

Gainsbarre

In de laatste tien jaar van zijn leven werd Gainsbarre “de ruwe” steeds erotomaner, onhandelbaarder, maar raar genoeg ook steeds produktiever. In ‘Love on the Beat’ hoorden we hoe zijn nieuwe vrouw Bambou kirrend toegetakeld werd onder het mompelen van een fabuleus wreed gedicht dat de markies De Sade waardig zou zijn, in ‘Lemon Incest’ hoe Serge en dochter Charlotte – op de tonen van een etude van Chopin – de incestueuze liefde bezingen.

Met de geboorte van zijn zoontje Lulu in 1986 leek alles in zijn leven vervuld. Reden voor Serge om te zeggen: “Ik ben in alles geslaagd, behalve in het leven”. Het provoceren was een versleten mediaritueel geworden. De aanblik die de aflijvige nachtuil bood was treurig. Gainsbarre die Whitney Houston trachtte aan te randen, die zijn pik uit zijn broek liet hangen, die een bankbiljet van 200 francs “voor zeventig procent” op het podium in de fik stak met zijn aansteker (als hommage aan de Franse fiscus), die een liter whiskey wegzoop tot hij de toetsen op de piano niet meer vinden kon. Bij alles werd hij toegejuicht. Tot het bittere einde bleef hij de Fransen hun schandalen verschaffen. De schandalen die iedere maatschappij zo nodig lijkt te hebben om de eigen blaséheid te rechtvaardigen.

Het vijfhonderd francs billet dat Gainsbourg in de fik stak (voor zeventig procent) uit protest tegen de hebzucht van de Franse schatkist


Wellicht dat er voor Serge Gainsbourg nog een Johnny Cash-achtige wedergeboorte in had gezeten, gedurende de jaren negentig of daarna. We zullen het nooit weten. De zanger stierf op 2 maart 1991 in volstrekte eenzaamheid in zijn geblindeerde huis aan de rue de Verneuil in het zevende arrondissement van Parijs.

De finale beslechting van het Faustiaanse duel tussen Gainsbourg en Gainsbarre eindigde voor de aan een mysterieus oogvirus lijdende zanger die zelfs in zijn geblindeerde woning nooit zijn zonnebril meer afdeed, geloof het of niet, in een “natuurlijke dood”; een hartbreuk ten gevolge van een poreus geworden kransslagader. Wat zich daar in die gesloten ruimte af heeft gespeeld in die laatste momenten, niemand die ervan kan getuigen. Zeker is dat hij diezelfde dag vergeten was zijn hartpil te nemen. Net zoals Boris Vian, 32 jaar eerder.

Gainsbourg is bijgezet in een familiegraf op Cimetière Montparnasse – 60, Avenue Transversale te Parijs. De pluchen aap die Jane Birkin op de cover van het legendarische album Histoire de Melody Nelson voor haar ontblote zwangere buik houdt, is op die dag mee verdwenen in het graf.

De afscheidswoorden die Gainsbourg zijn eigen dood deed vergezellen, in het Libé interview dat hij pas na zijn dood gepubliceerd wilde hebben, waren 33 jaar eerder met ‘Le poinçonneur des Lilas’ zijn eerste woorden geweest. ‘Un p’tit trou, un p’tit trou, rien qu’un dernier petit trou’.
Zo is alles toch intact gebleven.

Bij het graf van Gainsbourg, Montparnasse Parijs

© Serge van Duijnhoven, Brussel 2010/2011
uitgeverij Nieuw Amsterdam

9224382_cover.Lulu.gainsbourg

Serge eert Serge in Club Bitterzoet, Amsterdam mrt 2010. Fotograaf: Igor Freeke

DE NACHTUIL VAN VERMAAK
 
 
‘La laideur, ma p’tite, tu le sais
est entièrement supérieure à la beauté.
La beauté se meurt un jour
la laideur d’ailleurs, c’est pour toujours.’’
 
.-. 
In gefilterd licht
streelt hij de zinnen
met de ogen van
een veroordeelde
.-.
drinkt hij whisky
uit een tandenborstelbeker
smelt het ijs in zijn keel
het mannelijke fluïdum
.-.
Het mooie wanhoopt
het lelijke speelt
om het malicieuze
te bezweren, Serge
.-.
In alcohol en nicotine
als een vogel zonder veren
seint hij ons de booschap
van het vlotte toeval
 
‘Bah oui, monsieur Gainsbourg, da’s al…’
.-.
(en een vreemd gevoel
van infernale gruizigheid)

Gainsbourg – (vie héroïque)
cinéma : 20 janvier 2010
Film déjà disponible en DVD depuis le : 1 juin 2010
Film déjà disponible en Blu-ray depuis le : 1 juin 2010

Réalisé par Joann Sfar
Avec Eric Elmosnino, Lucy Gordon, Laetitia Casta, plus

Long-métrage français . Genre : Biopic , Musical
Durée : 02h10min Année de production : 2010
Distributeur : Universal Pictures International France

Synopsis : La vie de Gainsbourg, du jeune Lucien Ginsburg dans le Paris occupé des années 1940, jusqu’au poète, compositeur et chanteur célébré dans le monde entier.
Le film explore son itinéraire artistique, du jeune homme épris de peinture à la consécration de sa musique dont l’avant-gardisme en a fait une véritable icône de la culture française. Mais aussi la complexité de sa vie adulte à travers ses amours tumultueuses.

cartoon gemaakt door Hanco Kolk voor de cover van Gainsnord (samenstelling Guuzbourg) - zie: http://www.hancokolk.nl


gainsnordcover-hi
Journalist, fan en deejay Guuzbourg, samensteller van de prachtige tribute-cd Gainsnord – Serge’s Songs Revisited By Bands From The Lowlands (met oa. Tom Barman, West Hell 5, Eddy de Clercq, Marine Boréale, Monsieur Dubois en Benjamin Herman), is hij “een van Europa’s meest invloedrijke songschrijvers, samen met de B’s van ABBA. Een man met een schat aan schitterende liedjes vol dubbele bodems en zelfverzonnen woorden. Die hij zelf zong, maar vaker nog schonk aan de prachtigste vrouwen.” De jaarlijks terugkerende Soirées Gainsbourg in Vlaanderen en Nederland bewijzen dat ook buiten Frankrijk de chansons van deze poète maudit nog steeds volop tot de verbeelding spreken.

Gainsnord – Serge’s Songs Revisited By Bands From The Lowlands (met oa. Tom Barman, Eddy de Clercq, Marine Boréale, Monsieur Dubois en Benjamin Herman). Samengesteld en ingeleid door Guuzbourg. Essential Music – Sonic Scenery. Son 708028, € 18,- www.fillessourires.com/gainsnord

zie hier de videoregistratie gemaakt door Gabriel Kousbroek van Serge van Duijnhoven die voorleest in Paradiso bij de presentatie van de cd Gainsnord, sept 2009:

Serge eert Serge in Paradiso - 18 sept 2009 - bij de presentatie van Gainsnord, cd samengesteld door Guuzbourg. Foto: Igor Freeke

journalist Guus Hoogaerts
(ook bekend als Guuzbourg)
organiseerde op vrijdagavond 18 september 2009 in Paradiso te Amsterdam een hommage aan Serge Gainsbourg ‘Gains Nord”
tevens de cd presentatie van “Gains Nord” een hommage aan Serge Gainsbourg, gezongen en gespeeld
door Nederlandse muzikanten,
en een optreden van dichter/schrijver
Serge van Duijnhoven

foto gemaakt door Igor Freeke

Categorie:

Muziek
Labels:

* Serge
* Gainsbourg
* Paradiso
* Guuzbourg
* van Duijnhoven

 

Advertenties

Afkeer. Byron’s laatste canto

AFKEER

portret van Lord Byron in Albanees tenue, zoals geschilderd tien jaar na des dichters dood door Thomas Phillips, c1835

George Gordon Lord Byron, Missolinghi 12 februari 1824:

Wapenschild van de familie Byron


‘(…)
Ik huil nog met een erectie
om wat ik niet bemind heb
zwerf ontzield; niets ontziend
en als ik uit het water klim
mijn verweekte spieren droog
(wijf dat ik geworden ben!)
mijn horrelvoet vervloek
vermoed ik waarom wat gevleugeld
simpel, goed was ooit geruisloos
in mij de ontsnapping verkoos
het is mij niet gelukt te leren
en bewaren, mijn hart is een
roestige schroef die zich in mijn borst
heeft aangedraaid, het vel om mijn
vraatzuchtig lichaam barst uiteen
als een kastanje uit zijn distelige hulst
het is me niet gelukt iets te vinden
wat mijn aandacht vast kon houden
wat ik kon behouden. Het is me niet gelukt
mijn ongerief – een leven op geschonden voet
te doen vergeten. Het is me niet gelukt
een splinter van geluk te nagelen of lijmen
mijn schaarse momenten uit te vouwen
tot een gerieflijk bed van rust
het is me niet gelukt bij leven
en bij licht noch in de nacht
en evenmin door neer te strijken
op vaste, geheiligde grond
ook hier niet, zeker niet, nog altijd niet
de oogst van oorlog, leven blijft vernietiging
het lot van heroiek is evengoed verdoemenis
ik bleef een wankel mens, een soldaat
verdwaald van zijn uiteengeslagen regiment
een geblesseerd strijder, een fantoom
opgestaan van een slagveld, op dooltocht
door de tijd. Een prototypisch geval
van Europese adel in verval
een relikwie, een oude versiering
een herinnering aan andere tijden
niet onknap, maar meer ook niet
woorden had ik nooit tekort, integendeel
het teveel krabbelde ik neer met inkt
en veer, iedere dag sinds mijn kindertijd
tot het gewoonte was, als vele andere
die ik me eigen heb gemaakt
nu ben ik stil. De mensen in dit huis
vragen waarom – sommigen doen dat althans
een minderheid die belang stelt in mij
al is het maar omdat ik hun salaris betaal –
geveins! van medeleven, vriendschap
zo niet mijn hulpje, mijn palfijn
Iannis Konstantinos, dat joch
negeert mij koud, weert mijn nukken
en mijn grillen, verwerpt ze met een
minachtend gebaar, een leipe grijns
mijn woorden laten hem onverschillig
hij is van marmer, een kouros, of
kouder nog, van staal, en daarom ook
zo mooi. Misschien stokken mijn woorden
mijn regels wel hierom, als ik zie
hoe weinig ik voor hem beteken
allicht met reden. Iannis zoekt het
leven niet op papier, niet in de letters
wat symbolen en wat inkt. Hij zoekt het
in lucht en aarde, water en vuur. Hij zoekt
het buiten, in ieder geval zoekt hij het
buiten mij. Verliefd ben ik toch niet;
niets verhevens dat ik voel. Niet zoals ik
vroeger opgetild kon worden door begeerte
niet zoals ik meegesleurd kon worden in gemis
het is leegte die ik hoor als ik aanklop
bij mijn hart. Het is slapheid die ik
voel als ik graai in mijn ziel
geen dingen die op springen staan
geen bloei meer. Geen gloed die alles verhit
in stekende vlammen doet ontbranden
geen bries, geen adem die mijn omgeving schroeit
niets daarvan, niets van dat al
vanwaar dan dit nu voor een man
die nog volop in zijn kracht moest zijn
in de jaren van zijn wasdom, zijn augustus
feitelijk niet eens aan de rand van het stil seizoen
alles om mij kwettert, leeft nog ver van koude
de gure stormen die mens en dier verstommen
die zelfs de bomen dekking doet zoeken
die straten, velden leegzwiept. Vanwaar dan dit?
De mensen hier vragen me dat – waarom mijn Lord
het is zo ongewoon, waarom bent u zo stil?
zij vragen het aan mij. Maar ik vraag het
mezelf nog meer. Ik weet het niet
mijn antwoord is een zwijgen
ik haal mijn schouders op

zal niet zeggen dat ik zozeer verstom
omdat ik luisteren wil of iets in mij
of iets nog trilt. Of iets nog draait
of iets in mij nog anders klinken kan
dan het wee en ach van mijn gebeente
of iets in mij nog zingen, ontroeren
nog raken en niet enkel kraken kan
zoals mijn botgestel, mijn gewrichten
mijn lichaam dat me niet meer wil
wellicht is het daarom dat ik huil
als nu met een verdikte pik
niet uit verlangen of uit vrees
maar omdat het mijn vlees is
dat zich van mijzelf heeft afgekeerd
omdat het mijn lichaam is dat zich heeft bezeerd
aan die ontsteking in haar geest
aan die jarenlange aanstellerij
afkeer, dat is het! Het woord dat
andere belet. Afkeer! dat is het geworden
nu ik dit zo stel begin ik ook te zien
waarom wellicht ik mij tot zoveel reizen dwong
waarom ik altijd zo voortvluchtig bleef
en wat het was dat ik dan vreesde
waarvoor ik zo hard rende, zwom
beweging zocht. Mijn geest ging in galop
mijn lichaam hinkte, toch heeft de kreupele
de ruiter ingehaald, de schildpad heeft
de haas geklopt. Ik heb me op mijn hiel getrapt
in een poging mijn ziel ver achter me
te laten in een dwaze spookspurt voor mij uit
de strijd is nu ontaard. Mijn wil
dreigt door mijn lichaam hier verslonden
ik verdraag steeds slechter wat dagelijks
in mijn richting komt. Wat men mij bereidt
aan drank en spijs. Ik heb last van oprispingen
krampen in mijn maag, slapeloze nachten, koorts
de artsen wikkelden al doeken om mijn vel
tapten bloed, gaven mij thee van netels
gekarnde melk met honing van Peleponnesos
niets mocht baten, niets gaf klaarheid
over de aard van mijn kwaal. Was Polidor
er maar – mijn poppendok, mijn studiegezel
mijn zoete ouwe Polly, Pollydear
maar hij is dood, de lieve kwal – mijn kwelgeest
geen kus dus van die kakkerlak
geen lik meer van die vos
men zegt dat hij destijds een kogel
door zijn schedel joeg. Dat is wat men gelooft
Laat het zo blijven. Ik weet beter. Polly
hij bezweek aan een van zijn brouwsels
een fataal opiaat dat hij bezig was
te bereiden, een antidotum voor de kanker
die het leven heet. Polly, arme dwaas!
hij stierf in onbedoeld delirium, extase
de rigide consequentie van zijn queeste
hij was briljant, een kenner die geen grenzen
kende, een verkenner die verloren raakte
een waardig kompaan, een metgezel
hij mixte opium met in tabak
gefilterd cadmium en lood; een residu
dat gistte in het lichaam en de geest
via opborrelende visioenen van schepping
oude goden, geesten, dromen van demonen
en de dood. Het laatste dat in hem opwelde
was het virus dat hij te vuur en zwaard
bestreed. De krijger die het krachtigst is
die het langste door kan vechten en altijd wint
die zijn tegenstanders roostert en opeet
en toch nog onverzadigd blijft – op zoek
naar wat wellicht hém overwinnen zal voor eens
voor al, op zoek naar rust die hij zo vaak
aan anderen bracht maar zelf niet vinden zal
Polly was er dichtbij, zijn pogingen brachten
hem ver, heel ver, verder dan gehoopt
ik heb gezien hoe hij het leven liet
het bloed dat sissend van zijn lippen droop
pikzwart was het, de smurrie, en het rookte!
het kookte zowat, werkelijk! De derrie
brandde gaten in de vloer. Polidor!
Poppendok – zelfs de maden lustten je
waarschijnlijk niet. Je stierf als een borrelend
vat. Een kruik vol met vergif, een kolk
lava van vloeibare metalen, toxisch gruis
Polly dwaze poppendok,je hebt het ganse tranendal
het nakijken gegeven – deed dat trouwens
heel je leven. Zo extreem heb ik het nooit gewild
al ben ik daar nu minder zeker van
ik koester geen bewondering voor Pol –
die malle mens – maar heb nu wel begrip
voor zijn wens om volledig in het ledige
te verdwijnen. Ik begrijp nu zijn laatste roep
zijn weigering van verpleging, het gorgelen
toen wij te hulp snelden: `laat me! laat me!’
destijds vatte ik het niet, nu kan ik het
ten volle onderschrijven, hoewel, schrijven!
de gedachte daaraan alleen al maakt me onwel
al die gedeeltelijk geschreven stanza’s
die canto’s, die halve schriftuur, die borelingen
nog maar net of nog altijd niet in de wieg
gelegd, al die gedichten die nog wachten
die schreeuwen om voeding, de tepel
aan het einde van mijn pen, de melk
van inspiratie en volharding, de tiet
waaraan het papier zuigt tot het vol is
– en dan nog al die mismaakten, mijn zwakke
geesteskinderen die ik tekort deed, voor wie
ik er na de conceptie niet meer was
nooit meer, die ik in de steek liet
alle brieven die onbeantwoord zijn gebleven!
alle administratie, alle post. Koppijn zet op
in hevigheid als ik daaraan denk. Het fnuikt
zoveel papier als ik in mijn leven
heb volgeklad, zoveel brieven als ik
door gans Europa heb gezonden
over zoveel gebergten, door zoveel landen
koninkrijkjes, monarchieën, republieken
naties, langs zoveel wissels, via zoveel
paarden, boden, koetsiers…. zovelen als ik
heb laten lopen met mijn woorden
onder hun arm, zoveel boodschappers
met mijn epistels weggefrot in hun
rijlaarzen, tussen hun riem, onder hun kont
op het zadel of dieper nog, een plek
waar het uiteindelijk zeker droog zou zijn
zoveel pogingen gehoor te vinden
verzoeken om een werkelijk antwoord
oprecht begrip, roepen om vriendschap en
evenzoveel ijdeltuiterij als waar ik me
in verstrikte. Zo’n uitgebreid literair toilet
als ik me dagelijks permitteerde
zo’n visagie van gebleekt, gepoederd
geparfumeerd vel, zoveel opsmuk van gevoelens
parfum gedept uit de ziel, gesprenkeld
over de gladde huid van het papier
zoveel kunstig gepronk, zoveel sliertige
misbaksels als ik heb opgemaakt en
het continent over heb geblazen
naar mijn achterbakse eiland, Engeland!
zoveel krullen, sierlijke getuigenissen
eindeloos gepoch, gekwijl, gepruil
uit een voorbij epoch! Weinig mensen
schreven frequenter dan ik. Voerden
met meer ijver hun correspondentie
werden gretiger dan ik gevolgd door publiek
dat achterbleef, dat wilde horen van
mijn wedervaren, al was het maar om zich
bij de kliek van roddelaars te kunnen scharen
de club van speculanten. Zij die met
evenveel plezier schande spraken over
mijn laatste gedragingen als mijn
laatste pagina verschalkten, zovelen
die met mij zuiver voor de schone schijn
contact onderhielden! En zie! hoe ik
nu van al die brievenbroeders en zusters
hoe ik van al die trouwe vrienden, die
correspondenten, administrateurs, mijn
uitgever, familie, geliefden, zelfs mijn
allerliefste zus Augusta verstoken ben
hoe ik alleen ben, overgeleverd aan mezelf
ik die mezelf niet kan kan verdragen
die hier nu enkel en alleen met het masker
van mijzelf, Lord B., hier in de hand
en met mijn Trojaanse helm – een pronkveer
op het zilver – die ik nog nooit heb kunnen dragen
die voor mij staat op wat bedoeld was
als mijn schrijftafel, mijn helm die nu voor me
ligt als een organisme – dood en starend
de ogen groot. Gruwelijk! en stil
net als ik. Dit nu hier, deze verslagenheid
deze gekte, dat is dus alles wat ik heb bereikt
met al dat schrijven, al die canto’s
al die brieven, dat is dus wat ik overhoud
van al die blijken van vriendschap, hulde
liefde, van respect, van dierbaarheid
ik groef met ieder woord, iedere regel
ieder vers een put voor mijn laatste roep
mijn slotakkoord, mijn stokkend woord, mijn zin
van afscheid, de echo van ontknoping: afkeer

Deze schets werd in 1823 te Genua gemaakt door Graaf Alfred D'Orsay, een bekende Fransman die net als Byron zijn dagen sleet als een banneling die zijn vaderland voorgoed de rug had toegekeerd

afkeer was het. Afkeer! het gezwel
dat woekerde, dat in mijn cellen
en in mijn binnenste genesteld zat
een ziekte in de banen van mijn bloed
afkeer! Onzichtbaar voor het blote oog
afkeer! Die zich invrat in mijn weefsel
microscopisch gedrocht dat door mijn hele lijf
zijn draden, zijn vezels wroette – van kruin
tot voeten, dat zich omhoogvrat en liet zakken
langs ragfijn slijm. Ik heb weinig
kunnen hechten, mijn liefde voor de anderen
was meestal te snel opgebrand
de weg die liep van verschil naar onverschil
was vaak te kort, mijn passies regen beide
vaak direct aaneen. Niets dat nader bleef
wat het aanvankelijk scheen, geen genegenheid
die later ongenegen, niets dat resistent
dat uiteindelijk niet verbleekte
dat bestand was tegen de wisselingen
veranderingen van gemoed, de intensiteit
van het instinct, de drijfveren, de passies
het krachtig falen, de ziekten onder het vel
de leden. Geen pot in vuur gehard die
nimmer barsten zal. Is het dat? Dat allemaal?
of is het toch een andere kwaal
die mij zo neerslachtig maakt, iets toevalligers
simpelers, een verkeerde stofwisseling
een fout in de afstelling van het innerlijk
mechaniek. Mijn uurwerk tikte vast verkeerd
bij mijn geboorte. Alles berust vast op
een vergissing, een radertje dat ergens
een pin, een schroefje miste, een ander
dat niet goed werd aangedraaid. De wijzer
heeft sneller de plaat gerond dan wenselijk is
en gezond, ik heb teveel getold, teveel
verdaan, verbrand in korte tijd. Ik heb
mijn binnenste geblakerd, mijn vocht, mijn
levenssappen verdampt. Daarom ook
dat mijn gestel zo kraakt. Een afgefikte
schuur, een rokende stal ben ik. Een door
vlammen aangevreten balkenstelsel
dat op instorten staat, een gloeiende troep
die zich slechts blussen laat met het calcium
van mijn botten, het merg van mijn gestel
zo is het dat ik langzaam verteer, oplos
in mijn lijf, mijn vel, zo is het dat mijn
geraamte breekt, dat mijn kraakbeen en mijn
binnenste smelt als suiker en honing
in de thee. Is dat het dan? Of evenmin?
is het misschien dan enkel spinsel van mijn geest
mijn onwel zijn – misschien? Is het een demon
slechts die voost, die geil naar mij lacht
zijn spel met mij wil spelen, die verkleed
als kapitein zijn korps ontregelt met valse bevelen
die zijn hoogsteigen manschap met een kluit
het riet in jaagt. Die voor de strijd gestreden
is, voor er zelfs maar slag geleverd is
jammerlijk de aftocht blaast. Neerwaarts! Terug!
ingerukt mars! Die abusievelijk
de witte vlag omhoog laat houden, begeleid
door een trompetterend soldaat, zo’n vent!
een vals sujet genietend van de tonen
van een wanhoopsmars, het gehinnik van
een paard op hol, een leger in een laffe draf
al is er hulp in aantocht, genade
de nederlaag is te nabij, de vijand
te ver opgerukt in de schaduw van paniek
de linie barst onder diens bulderlach
dit alles spinsel van mijn geest? Best
mogelijk. Ik heb mezelf vaker bedrogen
hoe kan ik het weten? Hoe weet ik of
wat gedacht wordt niet een eigen leven
leidt. Iemands leven geheel en al
het graf in leidt? Wat denkbaar is kan eens
gebeuren, dat is de vloek. Nobelman
of heiligman, dwaas of niet, we zitten
opgesloten in een potdicht asiel
een grijze kerker, een cel ommuurd
door schedelbot, de kooi van onze
hoofden, onze kijkers, onze monden
zijn de luiken voor het wakend oog van de
cipier, onze neusgaten zijn de spleten
waardoor lucht naar binnen dringt. Allemaal
zijn we gevangenen van Chillon! Zo is het
onze geest is geketend, de wil is rebel
het leven speelt zich ergens daarbuiten af
daarom is het zaak te ontsnappen, uit te breken
een gang te graven naar het licht. Als die wil
en moed daartoe ontbreken is het over – allicht
ik heb niet het gevoel dat ik iets achterlaat
en als ik toch iets achterlaat deed ik dat elders
eerder, misschien wel in een andere tijd
mijn masker, mijn helm, alles lacht mij toe
en lacht mij uit! Eén wens heb ik nog wel
voor wat betreft die ziel van mij: zorg dat hij
niet loskomt. Nooit meer. Begraaf me, laat me
vergeef me, geef me wat ik nergens vond
behalve dan bij toeval – misschien – in
deze Griekse grond, hier in Missolinghi
in deze vochtige villa, hier temidden
van dit zompige malariamoeras
Missolinghi; mijn laatste gok. Tot zover
dan. Meer zeggen kan ik niet. Ik ben moe
al wat ik nu nog voel na dit leegstromen
deze lange, deze late groet, dit
avondlijk verhaal, deze praat voor het
te rusten gaan, dit toevertrouwen voor
de nacht, al wat ik nu nog voel is wat
dun en koel over mijn lijf trekt. Mijn hele
lijf, zelfs mijn gezicht, als een beddelaken
en dan, als heel mijn vel bedekt, als frot
naar binnen toe gewikkeld, een walging
die mijn inwendige vult, dor en droog
zoals een pop die met stro is opgevuld
bloedeloos en stijf. Dat is het gevoel
dat ik heb, dat is het wat ik opwek
in mijn nakende kippigheid, in deze
uitputting die mijn ademhaling ontregelt
en mijn aderen vult met een koel
metaal, dat is wat mijn laatste beetje
koppigheid bijeengeveegd houdt als een
hoopje stof op de rand van een blik. Dat
is het wat ik opwek in mijn afkeer
dat is het voor dit ogenblik. Afkeer!
en anders niets meer…”

© Serge van Duijnhoven

Der Lauf der Dinge – twee jaar na de dood van Kamiel Vanhole

Een brief aan de weduwe van schrijver Kamiel Vanhole, die op 12 juni 2008 overleed aan de gevolgen van longkanker.

In deze brief gaat het over Kamiel en zijn werk, maar ook over zijn strijd om een kernwapenvrije wereld, over het boek Einsteins Monsters van Martin Amis, de troostrijke effecten van een denkbeeldige omkering van de Tijd, en uiteindelijk over de film Der Lauf der Dinge van Peter Fischli & David Weiss.

Kamiel Vanhole, 25.05.1954 – 12.06.2008

Lieve Agnes,
 
mijn gedachten zijn vandaag natuurlijk bij jou en je dochters en jullie geliefde Kamiel. Twee jaar geleden. 12 juni. Heb gisteren – mede daarom – nogmaals t prachtige O Heer waar zijn uw zijstraten ter hand genomen. Op de een of andere manier vind ik het zijn mooiste werk. Ik denk dat het komt door die ontwapenende toon die hij erin heeft weten te vinden. Bij monde van het jochie dat stiekem meereist op die trein doorheen de Europese landkaart. Kamiel ten voeten uit en vol open en goedmoedige  – bijna des kindse – splendeur en verwondering:

 
“Als kind vond ik dat niet te vatten: dat de aarde met zo’n slordige 107.000 kilometer per uur rond de zon draait, terwijl je daar absoluut niks van voelt, van de omwenteling niet en ook niet van de baan die beschreven wordt. Mij verwarde dat, daarom lag ik zo graag op mijn buik, ik wou dat voelen. Het moet mogelijk zijn, dacht ik. Zoals je, wanneer je niet focuste, de dingen dubbel kon zien, zo wou ik scheel kunnen horen en het razen van de planeet opvangen, misschien net zo vaag als het geruis van een verkeersader onder een hotelraam, maar in ieder geval hoorbaar.”
Ik moest ook onlangs weer aan deze passage denken, toen ik in Cannes de première meemaakte van de mede door Hollywood-tycoons geproduceerde shock and awe documentaire Countdown to Zero van Lucy Walker en Lawrence Bender (tevens producent van Inglorious Basterds van Quinten Tarantino). De film gaat over het nucleaire gevaar dat ons nog steeds boven het hoofd hangt als een zwaard van Damocles, en is gemaakt vanuit een aansporing om via een secuur stappenplan te komen tot “Global Zero” – nul kernwapens. Oftewel: alle kernwapens de wereld uit. Klinkt bekend nietwaar.

zie ook mijn verslag op http://www.cobra.be: http://www.cobra.be/cm/cobra/film/100518-sa-sergecannes_countdowntozero

trailer film Countdown to Zero:

http://www.festival-cannes.fr/en/mediaPlayer/10332.html

In de film van Walker zag ik tot mijn verbazing zelfs sommige van de architecten van de tactieken der mutuele vernietiging zoals Kissinger en McNamara, pleiten voor een volledig kernwapenvrije wereld als enige mogelijke vorm van – god o god (en ik verzucht dit niet ironisch) – de hoop dat een atoomkataklysme niet alsnog de ganse menselijke beschaving (incl. zo’n beetje alle zoogdierlijk leven op aarde) van de kaart zal vegen. Ik weet dat Kamiel ook zeer betrokken was (jij ook?) bij het streven naar een kernwapenvrije wereld. Hij vertelde me in Lissabon ooit een sappig verhaal over zijn acties bij Kleine Brogel.. Jammer dat ik die docu niet samen met K. heb mogen bekijken om getuige te kunnen zijn van het feit dat de cowboys uit de stal van Reagan en Bush heden ten dage openlijk pleiten voor een slogan die in de jaren tachtig door diezelfde havikken nog categorisch als naieve en geitenwollensokken-achtige, maar soms zelfs als ronduit gevaarlijke en subversieve, wartaal werd afgedaan.
Als achtergrond voor dat artikel lees ik dezer dagen ook een bundeling frapante novellen van Martin Amis getiteld Einsteins monsters (Contact 1987). Adembenemend en hallucinant boek, dat alleen in zulke scherpe bewoordingen en metaforen kon zijn geschreven omdat het op het hoogtepunt van de nucleaire angsten en koortsen van de Koude Oorlog in de jaren tachtig is ontstaan – toen de wereld ook daadwerkelijk (zoals we inmiddels weten) enige malen op de rand van de afgrond heeft gebalanceerd. Bijvoorbeeld in november 1983, toen de Navo bij wijze van oefening op massieve schaal oorlogje wenste te spelen en de Russen meenden dat er echt voorbereidingen voor een aanval op de USSR werden getroffen. De kettingreactie van misverstanden die toen is ontstaan, heeft de wereld tussen acht en negen november door het oog van de naald doen kruipen.

Martin Amis schrijft in Einsteins Monsters: “We zijn zeven minuten van een kernoorlog verwijderd, en die kan in een middag voorbij zijn. Hoe ver zijn we van kernontwapening verwijderd? We wachten. En de wapens wachten. (…) Hoe lang zal het duren voor we tot het inzicht komen dat kernwapens geen wapens zijn, maar doorgesneden polsen, met gas gevulde kamers, wereldomspannende booby-traps? Wat valt er nog meer over te leren?”, p.26.

 In sommige passages uit het boek van Amis, herken ik ook discussies of onenigheden die bij ons thuis in de Van Almondestraat in Oss tot aan de keukentafel wisten door te dringen.
Zo was mijn vader er net als de tragische Poolse held en logge gigant uit het verhaal  “Bujak en de sterke kracht of Gods dobbelstenen”  – heilig van overtuigd dat een naderende nucleaire apocalyps helaas geen irreëel SF-scenario meer was, nu we ons met de komst van Reagan steeds verder op lieten jutten in de toch al krankzinnige wapenwedloop.

Mijn vaders sombere toekomstvisioen kwam ter sprake tijdens een van de zeldzame ruzies tussen mijn ouders. Die was ontketend door een potje met groenten waarop als land van herkomst USSR stond aangegeven. “Het rotste land ter wereld”, zo merkte mijn moeder kribbig op. Mijn vader ging daartegen in. Pa had vroeger nog flink rode en voor even zelfs communistische sympathieën gekoesterd. Begin jaren zeventig reed onze familie steevast rond in een Lada.
Mijn moeder vond die Pershings en kruisraketten een redelijke prijs die we bereid moesten zijn om te betalen wilden we bij ons in het Westen ook in de toekomst nog kunnen genieten van de verworvenheden van de vrijheid en de welvaart. Waarop mijn vader naar ons (mijn broer en ik) wees en de vraag opwierp hoe kernwapens zich in godsnaam ooit konden verhouden tot de toekomst.
Wat was er voor vrijheid en welvaart om te verdedigen, als de doemsdagmachines aan beide zijden van het IJzeren Gordijn gans Europa binnenkort in een nucleair slagveld gingen veranderen?

Mijn vaders bezorgdheid om de toekomst maakte flinke indruk. Ik was twaalf, mijn broer tien. Hij gebruikte bijna letterlijk dezelfde woorden als het karakter Bujak uit Amis’ novelle. M’n pa zei dat hij er “heilig van overtuigd was” dat de mens de kans die hem nu met zoveel geld en middelen gegeven werd om alles wat hij ooit had voortgebracht te vernietigen, vast niet onbenut zou laten. “Wat kan gebeuren, zal ooit gebeuren.” Zelfs de openbaringen van Johannes uit de bijbel werden erbij gehaald. Waardoor het woord “heilig” meteen een diepere betekenis leek te krijgen. Ik las die passages uit de bijbel meteen na afloop van de ruzie voor het eerst. Over de “tweede dood” en de dag der wrake – dies irae, dies illa. De ruiters van Apocalyps die uit de hemel zouden neerdalen en met hun tergende bliksemschichten hel en verdoemenis over de aarde uit zouden strooien. De planeet zouden veranderen in een poel van sulfur, vuur en zonnenwinden…
Amis schrijft over de Poolse gigant Bujak dat hij er – net als mijn vader destijds – “heilig” van overtuigd was dat het met de mensheid slecht moest aflopen.  “Hoe kon de mens (dat gevaarlijke wezen – ik bedoel, moet je zijn strafblad zien), hoe kon de mens weerstand bieden aan de verlokkingen van de Perfecte Misdaad, een misdaad waarbij elk bewijs, elke kans om gestraft te worden, elk verleden, elke toekomst wordt vernietigd?” Zowel in Amis’ verhaal als in de werkelijkheid is het onheil – zo weten we inmiddels – enkele jaren later in heel andere vorm over de vaders uitgestort. Minder massaal en crimineel, maar evengoed een doodstraf die vanuit het niets werd opgelegd (en ten uitvoer gebracht) voor nooit begane misdaden. Kamiel is het wat dit betreft net zo vergaan als mijn vader.

Aan het eind van dat verhaal “Bujak en de Sterke Kracht”, komt een passage voor die mij veel troost verschafte en een ware eye-opener opleverde m.b.t. de lijn der dingen, het lot, bestemming. Songlines, timelines, de kruising van die twee. Dat soort dingen. Ik kan het hier niet allemaal overtikken, maar aan het einde van dat bloedstollend mooi opgeschreven en tragische verhaal over Bujak, karakteriseert Amis zijn tragische maar sympathieke protagonist – einsteiniaans tot aan het bittere eind – als een “oscillationist” : Bujak gelooft dat de Grote Finale altijd weer zal worden afgewisseld door de Oerknal, dat het heelal slechts zal uitdijen totdat het door de zwaartekracht weer wordt teruggehaald naar – of ingedamd tot – het beginpunt.
“Op dat moment, wanneer de kosmos ronddraait op zijn scharnieren, zal het licht zich in achterwaartse richting gaan bewegen, van onze ogen naar de sterren. Als, maar dat wil er bij mij niet in, de tijd dan ook zou teruglopen, zoals Bujak beweerde (gaan wij dan ook in achterwaartse richting? Hebben we daar nog iets over te zeggen?), dan is dit ogenblik waarop ik hem de hand schud het begin van mjn verhaal, zijn verhaal, ons verhaal, en dan zullen we terugglijden in de tijd en elkaar vier jaar na nu ontmoeten. Uit de afgrond van het verdriet zullen Bujaks verdwenen echtgenote, dochter, kleindochter en moeder herrijzen, geboren in bloed (en we zullen ook onze gesprekken voeren, waarin we terugredeneren vanuit dezelfde conclusie), todat kleindochter Boguslawa opgaat in haar moeder en Bujaks dochter Leokadia, en Leokadia opgaat in Monika (Bujaks overleden echtgenote), en Monika herenigd wordt met Bujak totdat het haar beurt is om terug te wijken, om met een kushand te verglijden in het verre meisje dat geen weet van hem heeft”.
“Zal dat gemakkelijker te verdragen zijn dan het omgekeerde?”, is de retorische tussenwerping van Amis hier. Hij bedoelt: zal dit terugwijken in de tijd en de zalige onwetendheid van ervoor, moeilijker zijn te verdragen dan dat gruwelijke afscheid van de door tufys gevelde vrouw – kort na hun beider aankomst in Amerika kort na de oorlog. Amis: “En dan krimpt de grote Bujak, dan wordt hij het zwakste ding dat er is, een hulpeloos, weerloos, naakt, blind klein wezentje, dat opgaat in Róża’s bloederige aangenaam warme gerieflijke en eeuwigdurende moederschoot…” Silence. Darkness. De lange omgekeerde weg naar de hereniging met het Al. Ik was diep door deze ontknoping geroerd. Plotseling – als je de loop der dingen bij wijze van denkexperiment ook voor jezelf eens helemaal de andere kant op kan laten wijzen – zou alles wat in een mensenleven is geschied geen wreed of onverteerbaar raadsel of ondraaglijke valstrik of speling van het lot meer zijn. Het was of ik voor het eerst over een sleutel beschikte die paste op de deur van het leven. Draai de loop van de tijd diametraal om, en in ieder mensenleven lossen de problemen, tegenslagen, ongelukken, ziektes, zich mettertijd vanzelf op. Als je maar ver genoeg terug gaat, zal je kunnen zien hoe alles en iedereen uiteindelijk uit elkaar is voortgekomen, zich dus als een soort kosmische familie tot elkaar verhoudt,. En hoe de mythe van het Een en Al inclusief de fabel over het hiernamaals c.q. het paradijs, zich op een voetboog afstand van ons huidige leven bevindt. Mochten we – en daar wringt de schoen natuurlijk – deze aardse carrousel de andere kant op kunnen laten draaien.

In de kantlijn van het boek schreef ik ietwat somber: “Zo koersen we voort… gedoemd – ieder van ons – ons pad in omgekeerde richting te volvoeren…” Toch voelde ik me geëxalteerd, verheugd, gepriviligieerd, dat me even deze blik op de andere richting gegund is geweest. Dat ik heel even de solide deurpost mocht openen waarop in vette letters Sans Issue staat geschreven. En een blik heb kunnen werpen achter de muren die ons aardse bestaan, gedurende ons alledaagse leven, zo categorisch van de universele werkelijkheid lijken te scheiden.

Wellicht dat Kamiel, met zijn scherp ontwikkelde en instinctieve gave voor synergetica en zintuiglijke openheid of traversie (“ik wou dat voelen. Het moet mogelijk zijn, dacht ik. Zoals je, wanneer je niet focuste, de dingen dubbel kon zien, zo wou ik scheel kunnen horen en het razen van de planeet opvangen…”), net als ik zijn portie troost of vreugde had kunnen beleven aan de hierboven beschreven lucide exercitie van Martin Amis. Ik weet het niet. Er is natuurlijk een goede mogelijkheid dat hij het boek heeft gelezen (wat denk jij Agnes?). Ik heb het Kamiel zelf nooit gevraagd.
Nu ik dit allemaal opschrijf realiseer ik me dat Kamiel me ooit – in mei 2003 ter gelegenheid van de literaire manifestatie rond de doop van m’n bundel Bloedtest (uitg. De Bezige Bij 2003) die ik in cinema Nova in de Arenbergstraat in Brussel organiseerde – een VHS videocassette heeft geleend die “Der Lauf der Dinge” heet. Registratie van een artistiek project uit 1987 van twee Zwitserse conceptuelen waarin elke kinetische beweging uit de vorige voortvloeit. En alle dingen gezamenlijk dus uit elkaar. Kamiel was erdoor gefascineerd, en heeft de film trots gepresenteerd op het grote projectiescherm in de cinemazaal van Nova. Waar verder nog optraden: Dichters Dansen Niet en Ali Haurand, Kamiel zelf natuurlijk, Jean Marie Berckmans (die Kamiel en ik nog met de auto zijn gaan ophalen die middag in Antwerpen), Bruce Geduldig, en nog zo wat lieden uit de wereld van de artistieke bohème en de vrije geest. De cassette heb ik een plek gegeven linksonder in mijn bibliotheek, in de hoek waar nog wat andere boeken of dingen staan die t.z.t. aan de rechtmatige eigenaar dienen te worden teruggegeven. Waarschijnlijk ben ik het vergeten, want Kamiel is na 2003 nog een paar keer hier bij me op bezoek geweest en zelfs blijven slapen. Zal ik de video naar Kessel Lo sturen?
Zo zie je maar waar deze mail me onbedoeld of onvermoed helemaal naar toe heeft gevoerd. Ik beschik helaas niet meer over een VHS recorder, anders had ik de videotape nu meteen afgespeeld. Als alternatief hef ik vandaag, 12 juni 2010 – plechtig het glas op Kamiel. Al is hij dan niet jarig, het is wel alweer de tweede verjaardag van zijn verscheiden.
“Zjivili, Kamiel!”, zoals ze op de Balkan zeggen wanneer er geklonken wordt. Wie proost zegt, eert het leven. Ook dat van hen die uit de Tijd verdreven zijn. Bij deze dus, waarde wapenbroeder. Leve het sensibele tijdloze joch met de glinsterende lovertjes van ogen en de zachtmoedige ziel, dat zich daarboven nu al twee jaar lang verstopt heeft weten te houden. Ergens. Nergens. Ginder. Jenseits. Zoals hij vroeger in Sterrebeek allicht al eens placht te doen wanneer hij aan de drukte in de rokerige living wilde ontkomen en een stille plek zocht om zich in alle rust voor te stellen hoe of dat ook alweer zat met die aarde “die met zo’n slordige 107.000 kilometer per uur rond de zon draait, terwijl je daar absoluut niks van voelt, van de omwenteling niet en ook niet van de baan die beschreven wordt…” Kamiels geheime schuiloord, waar hij leerde “hoe je door niet te focussen, de dingen dubbel kon zien”. Waar hij probeerde “scheel te kunnen horen en het razen van de planeet op te vangen”. Wellicht dat zijn vaardigheden van toen hem ginder nu meer dan ooit van pas komen. En dat het hem zelfs al is gelukt intricate verhalen te smeden uit de kosmische achtergrondruis van dit heelal. Luister maar….
Zijn tedere stem is, voor wie wil, ook hier nog volop hoorbaar.

Lieve groet,

S.

PS: “Does anybody know what we are living for?” hoorde ik vandaag de aan Aids gestorven Freddy Mercury blèren in zijn laatste lied uit 1992 The Show Must Go On, terwijl ik in bad zat en zoals gewoonlijk badderde met Radio Nostalgie keihard schallend door mijn huis in de Brusselse Marollen.
Waartoe zijn we op aarde? Why live, if we must die? What is the purpose of it all? What is the sense of this absurdity In which direction are we heading? Bladiablie bladabla, de grote Shakespeariaanse vragen van existentiële of misschien zelfs kosmische aard. Waar we niet omheen kunnen, als we ooit echt face tot face durven te komen met ons lot.

Willem Schinkel schreef over Der Lauf der Dinge
nav de uitzending van VPRO’s Zomergasten
op zondag 24 augustus 2008
 
http://www.vpro.nl/programma/zomergasten/afleveringen/39778002/items/39952516/

Lauf der Dinge
 
Peter Fischli & David Weiss, T&C Film AG 1987
 
Een beweging, die begint doordat een vuilniszak langzaam begint te draaien, loopt als een soort domino-effect langs allemaal alledaagse voorwerpen die op verschillende manieren in beweging komen: door zwaartekracht, water, vuur en chemische processen.
Fragment (4’) uit een 30 minuten durende film van het Zwitserse kunstenaarsduo Fischli & Weiss, van een doorlopende beweging van instabiele objecten langs een dertig meter lang traject. Alles begint doordat een opgehangen vuilniszak traag begint rond te draaien en dit veroorzaakt een niet ophoudend domino-effect waarin vuur, water, chemie en zwaartekracht een hoofdrol spelen. Ook al zijn de dingen door mensenhanden heel erg opgesteld en lijkt alles vaak ook in te gaan tegen bepaalde wetmatigheden, wat je nadien bijblijft is dat de dingen inderdaad hun eigen verloop hebben. Niet doelmatig maar omwille van hun eigenschappen.
(Bron: R.A.M)
 
Peter Fischli & David Weiss spelen met de werkelijkheid van alledag. Op een subtiele manier confronteren ze ons voortdurend met vragen als ‘wat is echt, wat is waar, wat is belangrijk?’
 
Mooi hoe vanuits niets alles in beweging komt, hoe ze vanuit niets iets maken. Geen doel. Dat is de definitie van kunst van Kant: doelmatigheid zonder doel.
 
Dit past in een tijd waarin kunst sterk op zichzelf reflecteerde. Kunst wordt filosofie. Tegenwoordig is kunst meer sociologie: het bevraagt het dagelijks leven, de democratie etc. en doet onderzoek. Het vanzelfsprekende wordt bevraagd, dat is wat een socioloog doet.

http://www.movie2movie.nl/r4418-Recensie-Der-Lauf-der-Dinge.html

Samenvatting

“In een warenhuis is een constructie gebouwd van verschillende voorwerpen. Als de constructie in beweging komt, ontstaat er een kettingreactie waarin vuur, water, zwaartekracht en chemie het verloop van de ontwikkelingen bepalen. Zo ontstaat er een verhaal over oorzaak en gevolg, mechanica en kunst, waarschijnlijkheid en precisie.
 

Een vuilniszak hangt aan een touw en draait langzaam rond. Met deze beweging begint de film, of beter gezegd de registratie van het Zwitserse duo Fischli en Weiss. Een half uur lang is de kijker getuige van voorwerpen die omvallen, uitbranden of oplossen en daarmee andere voorwerpen aansturen. Een schouwspel dat misschien wel het best te vergelijken is met het spel muizenval: wonderbaarlijk en altijd spannend.

Er is geen ontkomen aan en er is vooralsnog geen eindpunt. Een soort van perpetuum mobile is in gang gezet. Een enkele beweging (een god, zo je wil) bepaalt alles. Het lijkt alsof we weinig grip hebben op de loop der dingen. Het is een makkelijke filosofie, die van het noodloot. Ze ontneemt ons alle verantwoordelijkheid. We kunnen rustig achteroverleunen en hoeven slechts toe te kijken hoe de wonderbaarlijke natuur alles vorm geeft, en de kringloop van het leven bepaalt…

Maar niets is minder waar. In deze film komt immers haarscherp naar voren dat alles gemanipuleerd kan worden. Fischli en Weiss hebben ‘Der Lauf der Dinge’ letterlijk geregisseerd. Met uiterste precisie is een stellage gebouwd. Wekenlang, misschien wel maandenlang moet er zijn geëxperimenteerd met zwaartekracht en chemie, voordat deze film tot stand kon komen. Geen enkel detail mocht misgaan, want dan hield de kettingreactie op, en daarmee de film.

De regisseurs zijn geïntrigeerd door het thema orde en chaos. Ze proberen orde te scheppen in een chemische en mechanische chaos. Ze willen aantonen dat je met de juiste inspanning koning te rijk kunt zijn. Het is daarom van belang dat de constructie in een vloeiende beweging loopt. Met het monteren van losse scènes aan elkaar zou de loop der dingen worden onderbroken en de film aan kracht verliezen. Daarom moest de hele film in een enkel shot worden gefilmd.

Dat is niet helemaal gelukt. Een keer of drie gaat het ene shot, schijnbaar organisch, over in het ander en is er wel degelijk gemonteerd. Zelf Fischli en Weiss kunnen de loop der dingen niet helemaal naar hun hand zetten. Een enkele keer hebben ook zij filmische trucjes nodig om die suggestie te wekken. Dat geeft een heel veilig gevoel.”

Bron: Marl Pluijmen 

via

http://www.movie2movie.nl/r4418-Recensie-Der-Lauf-der-Dinge.html

trailer van de documentaire Countdown to Zero: http://www.festival-cannes.fr/en/mediaPlayer/10332.html

Bij de dood van Tonio van der Heijden 15.06.1988 – 23.05.2010

De laatste dagen volstrekt van slag door het nieuws van de brute dood van Tonio, enige zoon van de schrijvers Adri van der Heijden (A.F.Th.) en Mirjam Rotenstreich. Tonio is vorig weekeinde terwijl hij op de fiets zat, na een feest in Paradiso te Amsterdam, geschept door een auto. Op de hoek Stadhouderskade – Hobbemastraat. Van half vijf ’s ochtends tot half vijf ’s middags hebben artsen gevochten voor zijn leven. Uit de operatiekamer is hij in het bijzijn van zijn ouders gestorven.

Tonio was ambitieus en stond midden in het leven, hij had net te kennen gegeven een Masters te willen halen (hij studeerde media-techniek aan de Universiteit en was bovendien fotograaf). Hij was hun enige zoon en laat hen kapot achter. In een brief die Adri aan vrienden rondstuurde, zat een foto, een zelfportret van Tonio, waarin hij zichzelf heeft gekleed en poseert als het beroemde portret van Oscar Wilde.

Tonio\’s Picture of Oscar Wilde

Tonio is geboren op 15 juni 1988, ik ben de baby destijds als zeventienjarige rakker die Adri adoreerde en als Ossisch schoolkrant-jochie ook nog trots mocht frequenterenen, gaan bezoeken in de Jacob Obrechtstraat in Amsterdam. Heb een zilveren lepeltje laten graveren met zijn naam erin. En het boek Tonio Kröger gekocht, van Thomas Mann – naar wie Mirjam haar zoon verkoos te vernoemen.
In Adri’s nauwgezette dagboeknotities die de Arbeiderspers in 2003 onder de titel Engelenplaque uitbracht in de reeks Privédomein (d.d. 12 november 1998), staat geschreven: ‘Het is de oudste vorm van ruilhandel: Wij doden de tijd, de tijd doodt ons. Gelijk oversteken…’ Zaken als de verlossing van de menselijke ziel of de voltrekking van het Laatste Oordeel,  zo suggereert A.F.Th., zullen Leenheer Tijd een rotzorg zijn. Op meededogen hoeft geen mens te rekenen. Maar tegelijkertijd zal deze oerkracht van de pachters op aarde nimmer meer opeisen dan Hem toekomt.. Geen enkel wezen heeft de morele of godsdienstige verplichting om zorg te dragen voor het lenigen van een schuld die groter is dan zijn bestaan vanwege de collectieve last der ‘erfzonde’. De Natuur kent geen goed of kwaad, slechts overwinnaars en verliezers. Zij die omkomen, zij die overleven…

In de krant werd bericht dat de chauffeur een 23 jarige jongeman was. Naar alle waarschijnlijkheid niet dronken. Het ene leven dat tegen het andere werd weggestreept. Het is allemaal niet te geloven. Hoe dit soort calamiteiten te duiden?

Ik herinner me wat dit betreft die pikdonkere, grimmige Western van Clint Eastwood: Unforgiven (1995). Op het moment dat Clint de soevereine sherrif Little Bill (Gene Hackman) eindelijk in het stof doet bijten, vraagt die laatste vertwijfeld: Why do I deserve this? Waarop Clint doodkalm antwoordt, vlak voor hij de trekker overhaalt: Deservance’s got nothing to do with it, Little Bill. Het is een heel gangbare, maar veel minder sublieme illusie dan die bv. op het filmfestival in Cannes – waar ik de afgelopen weken vertoefde – jaarlijks gevierd wordt: dat we in dit leven uiteindelijk allemaal kunnen of moeten krijgen wat we verdienen. Ben je mal.

Shakespeare biedt als immer troost. Weg ouwe albedil, dood, weerhoudt uw schimmen!

Moge Tonio van der Heijden – zoals de besten onder ons te vroeg vertrokken op zijn reis door de Tijd – rusten in Vrede. En moge Mirjam en Adri de kracht vinden om vanaf de bodem van dit verdriet, het verpletterende verlies van hun enige lieve zoon te
dragen. Etiam pro nobis…

Tonio fotografeert zichzelf als de artistieke fotograaf die hij was en verder wilde worden

 

 

Bij het heengaan van Rudy Kousbroek – een gigant die ook tekortschoot

“Kousbroek: ook een grappige man” – kopte Claudia Kammer vandaag in NRC-Handelsblad. In haar sympathieke maar wat slordig geschreven karakteriserings-stukje, haalt ze oa. de schrijver/dichter K. Schippers aan, die “vindt dat er soms wat te ernstig over Kousbroek en zijn werk wordt gedaan. „Hij zei zelf, of misschien schreef hij het, dat weet ik niet meer: ‘In een goed stuk moet altijd iets te ginnegappen zijn.’
Schippers herinnert zich Kousbroek dan ook als „een hele grappige man”. „Er is in Amsterdam een volkstuinencomplex, Nieuw Vredelust, en dat heeft een eigen blad. Rudy Kousbroek en ik, maar ook anderen, zoals Adriaan van Dis en Maarten ’t Hart, vonden het wel een grappig idee om daar onder pseudoniem stukjes voor te gaan schrijven. Hij schreef onder de naam Jan Salie. Dat hebben we vijftien jaar gedaan. Een practical joke, wat schrijven in zekere zin ook is.””‘ (Tot zover het citaat uit NRC-H.)

Rudy Kousbroek stapelde als mens veel “ook” in zich op. Mopperaar en grapjas, ongelikte beer en heer van stand, een man die excelleerde in zowel ijdel- als nederigheid, emotionaliteit en rationaliteitl, felheid en beheersing, vijandschap en trouw… Het brievenboek “Machines en emoties” – de briefwisseling tussen W.F. Hermans, Kousbroek en zijn eerste vrouw Ethel Portnoy die ons vorig jaar bezorgd is door Willem Otterspeer – vormt hier een saillant bewijs van.
Ik denk dat Kousbroek vooral zichzelf in de weg heeft gezeten, en aan turbulente stemmingswisselingen geleden moet hebben. Behalve de breeduit geetaleerde jongenspraat over machines, meiden, katten en auto’s, valt in het boek vooral toch ook een onvergeeflijk grof exempel te noteren van verzuim aan liefde dat Kousbroek tentoon spreidt bij de geboorte van zijn zoon Gabriel, wiens komst hij maar matig op prijs kon stellen omdat het mormel (zo schrijft hij aan Hermans terwijl zijn vrouw nog naar adem hapt in het hospitaal – het was een gruwelijke bevalling) niet om aan te zien is – zo lelijk. Een belediging aan de natuur, en dat is dan uit het bloedeigen binnenste van de knappe estheet Koersbroek voortgekomen! Mijn God, ik benijd Gaapie K. – de zoon van – allerminst.
Het ergerlijke aan de toon in de bewuste brief geschreven op de dag van zijn zoons geboorte, is het kokette. Alles om stoer te doen naar ome Wim. Ik heb bewondering voor Gaap dat hij hier altijd zo rustig en vergevingsgezind onder is gebleven. Rudy zou in zijn plaats vast dromen hebben gekoesterd van wrede vadermoord als zijn pa zulk een vunzigheid over hem als zuigeling had verkondigd aan een bevriende heer van stand. Vraag me af wat er door Kousbroek heenging toen hij na al die jaren de bewuste passage tegenkwam bij het vergaren van de brieven voor Machines en emoties. Dat hij toestemde in publicatie pleit weer wel voor de oude Kous. Een gecompliceerde rare snuiter met schurkenstreken die hoge toppen scheerde op de evenwichtsbalk tussen deugen en niet deugen… Een man die zijn eigen vleugels zou kortwieken in een humeurige bui omdat er pluisjes neerdwarrelen op zijn pasgestoomde kleren. Een mensenpoes met aaibaarheidsfactor nul komma een pietsie peu. Zoals Grunberg schreef op de voorkant van de Volkskrant: “Een jaar voor zijn dood vertelt Kousbroek in een interview met Pieter Kottman een anekdote over zijn moeder. Kousbroek heeft de P.C. Hooftprijs gewonnen. Zijn moeder is bij de uitreiking, maar die dag staat er geen stuk van hem in de krant. Ze vraagt hem of hij niet bang is nu ontslagen te worden.
“Mijn ouders ( ) dachten dat ik een soort oplichter was,” zei Kousbroek.
Een leven lang vrezen voor en wachten op ontmaskering. Al het andere is tijdverspilling.”

Een saillante omissie aangaande het verder prachtige, diepgravende interview dat Pieter Kottman vorig jaar nog mocht hebben met vader Kousbroek, is de discrepantie tussen het pijnlijke gebrek aan liefde dat hij ten aanzien van zijn eigen verwekker heeft mogen ervaren (en dat een leven lang zijn psychologische sporen bij de schrijver heeft nagelaten, zo getuigt Kousbroek zelf in het gesprek), en het onvermogen om warmte en vaderschap te tonen jegens zijn eigen zoon Gabriel. Een Freudiaanse knoop die de mens Kousbroek in dit ondermaanse niet heeft weten te ontwarren? Anderhalf jaar voor zijn eigen dood stierf zijn oudste dochter. Iets wat je geen enkele ouder toewenst. Kousbroek’s genegenheid voor zijn dochter staat en stond ook lang voor haar heengaan gelukkig geboekstaafd, oa. In De aibaarheidsfactor – dat met tekeningen van Hepzibah is opgesierd. Maar ook in Machines en emoties is er ten aanzien van Hepzibah veel liefs en genegens te lezen. Ten aanzien van zijn zoon Gabriel is vader Kousbroek kil en koud als de donkere kosmos. Eventuele biografen zullen er hun tanden vast flink op stuk kunnen bijten – dit karakteriele sleuteltrekje van de homo universalis Herman Rudolph Kousbroek: om een gigant te zijn op het intellectuele vlak, maar als mens (vader, romanschrijver, dichter, wetenschapper) evengoed essentieel tekort te schieten. Een vlijmscherpe en pijnlijke paradox die met kunde en respect in lijvige studies ontrafelt dient te worden.

Serge van Duijnhoven, Brussel

Omslag van het brievenboek “Machines en emoties” – 2009.
Wim Hermans en Rudy Kousbroek op de automobielshow van Turijn midden jaren zestig. Quand l’huile n’etait pas encore battu. En ’s anderendaags in de Morgan met 170 km per uur terug naar het noorden gescheurd. Parijs bijkans gemist. Koubroek verhaalde later in een van zijn brieven hoe hij tijdens deze raketrit gedurig doodsangsten uitstond en de druppels uit zijn natte koersbroek voelde sijpelen. “Je wist het nooit met Wim; werd hij door de wereld op de hielen gezeten – of was hij het die de wereld op zijn hielen zat…”

fotograaf: Chris van Houts

  • Kalender

    • augustus 2018
      M D W D V Z Z
      « Jun    
       12345
      6789101112
      13141516171819
      20212223242526
      2728293031  
  • Zoeken