Dalida en Les amours imaginaires van wonderboy Xavier Dolan

Een van de plezierigste ontdekkingen op het recente Filmfestival van Cannes (2010), was de nieuwe film van wonderboy Xavier Dolan uit Montréal, Quebec. Eenentwintig lentes oud, maar toch al voor de tweede maal hier weer te gast, na het succes van zijn eersteling J’ai tué ma Mère – een film die hij schreef toen hij pas zeventien was. De film waarmee dit eigenzinnige Canadese genie ditmaal uitpakt heet Les Amours Imaginaires, naar het Engels misschien nog wel accurater vertaald als Heartbeats.

http://www.facebook.com/LesAmoursImag…

L’histoire de Francis et Marie, deux amis qui, épris de la même personne, se livrent à un duel malsain pour la conquérir. De rendez-vous en rendez-vous, la tension monte et, bientôt, chacun interprète de manière obsessionnelle les comportements ambigus et destructeurs de l’objet de leur désir.

Een somptueuze, volvette en hypergestyleerde liefdeskomedie over de driehoeksrelatie tussen een homosexuele jongeman met vele begeertes genaamd Francis (meesterlijk gespeeld door Dolan zelf), zijn immer in vintage geklede vriendin Marie (Monia Chokri), en een oogverblinde met Griekse krullen getooide Adonis (Niels Schneider) die door beide vrienden in duizelingwekkend klungelige, villeine of desperate liefdespirouettes vergeefs het hof wordt gemaakt.
De film bracht vooral het Franstalige publiek (dat in staat was de hyperactieve dialogen zonder ondertiteling direct te kunnen volgen) volledig in vervoering. Het applaus na afloop was ovationeel.
Knappe kitsch
Xavier Dolan slaagt erin zijn karakters even dik aan te zetten als de lagen make-up, lipstick en krulpruiken die ze dragen, zonder dat dat stoort. Integendeel. De sfeer die wordt opgeroepen is er één van een zinderende sensualiteit, die zelfs vanuit de zetel in de filmzaal op kwellend nabije wijze tastbaar wordt. De technieken die Dolan gebruikt zijn misschien niet helemaal nieuw: veel slow motion, hartverscheurende campy muziek, Dalida die haar Italiaanse versie zingt van Bang-Bang. Interview-achtige interludes met knotsgekke jongelieden uit Montréal die na hun stukgelopen amoureuze escapades rijp zijn voor het gesticht – en de kijker in plat Quebequois informeren over de intiemste en meest smakeloze details van hun hartenpijn en liefdeswedervaren…

Maar het geheel werkt zo verbluffend goed dat je niet anders kunt dan je mee te laten voeren op de schmierende rivier van tranen, imaginaire liefdes en gebroken dromen. Oeroude emoties als jaloezie, wanhoop en begeerte, worden door Dolan voorzien van een fris, veelkleurig vintage jasje. En het verdriet dat zich van binnen ophoopt als een ongezonde lading snot en slijm, wordt er – aan het eind van de film – op brakende wijze uitgeschreeuwd door Dolan’s karakter Francis (een lookalike van Christophe Vekeman, inclusief rockabilly kuif en nauwe witte broek met scherpgepunt schoeisel) in een oerkreet die tot lang na afloop van dit festival nog in het Palais des Festivals zal blijven resoneren.


(De 21-jarige regisseur Xavier Dolan uit Montreal. Courtesy of Ixion Communications.)

In zijn stijl van werken is Xavier Dolan ongetwijfeld schatplichtig aan Woody Allen (Husband and Wives), Almodovar en zelfs Benoît Poelvoorde (C’est arrivé près de chez vous). Toch moest ik zelf in eerste instantie vooral denken aan het heerlijk schmierende toneelwerk van Vlaanderen’s geniaalste drama-queen en meesterauteur Tom Lanoye. Het verhaaltje van deze doldraaiende liefdescarrousel mag dan zo dun zijn als een vintage poederdoosje van het Vossenplein, de dialogen zijn om van te smullen, de spanning die tussen de personages hangt is elektrificerend. En bij tal van scènes uit deze film zult ook u, waarde bezoeker van deze weblog van Cobra.be, gegarandeerd scheurbuik krijgen van het lachen.
Het knapste vind ik nog de wijze waarop Dolan erin geslaagd is de spanning die permanent tussen alle drie de personages hangt, zo tastbaar te maken dat je geregeld de neiging hebt om op te staan en het kijvende, kirrende en stuurloos rond elkaar heen tuimelende trio op zo bruut dan wel teder mogelijke wijze uit elkaar te trekken.
Jeune premier Xavier Dolan, onthoud die naam. Hij wordt, ik garandeer het u, een hele, hele grote in de wereld van de sublieme illusie. Moge uit zijn virtuoze losse vingertjes van vuur, nog vele van zulke drama’s vloeien, die de graviteit van ons bestaan voor einige momenten op heerlijke wijze relativeren!

Una version storica di Bang Bang interpretata in italinao da Dalida

Dit is Dalida’s versie van Nancy Sinatra’s zieleklapper Bang Bang, de opname dateert van een live optreden op de Italiaanse televisie ergens in de jaren zestig.

“-Personne n’a ton sourire.
-Ce n’est plus un sourire, c’est une cicatrice.”

“La mort fait partie de la vie, on ne devrait pas en avoir peur.
Je ne voudrais en aucun cas que l’on me vole ma mort.” Dalida.

© Serge van Duijnhoven

zie ook: http://www.cobra.be/cm/cobra/film/1.782518

Over DALIDA – Biografische schets

De pers in mei 1987 - de maand van Dalida's zelfverkozen dood

Dalida komt als Yolanda Gigliotti op 17 januari 1933 in Cairo ter wereld en groeit op in een van oorsprong Italiaanse familie die naar Egypte is geëmigreerd. Ze is het enige meisje tussen twee broers, Orlando en Bruno. Hun vader is eerste violist bij de opera van Cairo.
Eigenlijk is het de bedoeling dat ze secretaresse zal worden, in 1951 doet ze echter stiekem mee aan een schoonheidswedstrijd. Drie jaar later wordt ze Miss Egypte. Ondertussen heeft ze al diverse filmrolletjes gespeeld in Cairo, het Hollywood van het Midden-Oosten. Daar wordt ze opgemerkt door een Franse regisseur. Yolanda is inmiddels Dalila geworden en droomt van Parijs. Ondanks de bedenkingen van haar familie vliegt ze er 24 december 1954 naar toe.
Het worden moeilijke tijden, want in de Franse filmindustrie is geen plaats voor haar. Dus neemt ze zanglessen om in haar onderhoud te voorzien. Eerst krijgt ze een contract bij een cabaret op de Champs Élysées en later bij het betere Villa d’Este. Daar wordt ze aangekondigd als “de openbaring van het Franse chanson”.
Bruno Coquatrix heeft net Olympia, een oude bioscoop, gekocht om er een theater van te maken. Eén van de eerste programma’s heet “de nummers één van morgen”. Dalila wordt uitgenodigd en zingt “Étrangère au Paradis”. Tijdens dit optreden ontmoet ze twee heren: Lucien Morisse, artistiek directeur van Europe Radio 1 en Eddy Barclay, platenproducent. Ze zijn al een tijdje op zoek naar dé artiest die hun ondernemingen van de grond kan tillen en ze denken met Dalila deze parel gevonden te hebben. Dalila wordt nu definitief DALIDA.
Vervolgens neemt ze haar eerste singletje op bij Barclay: “Madonna”, maar met de volgende: “Bambino”, breekt ze pas echt door. Het wordt een enorm succes

1956 is voor Dalida een zeer succesvol jaar. Ze zet haar eerste stappen in Olympia in het voorprogramma van Charles Aznavour. “Bambino” is een hit en het publiek verwelkomt haar met groot enthousiasme. Men wil dat ze terugkomt en dat gebeurt in september, bij de entree van het theater ontstaat zelfs wat gedrang omdat iedereen tegelijk naar binnen wil. Dalida siert nu de covers van vrijwel alle tijdschriften.
Speciaal voor haar wordt de gouden plaat bedacht en deze wordt op 17 september 1957 aan haar uitgereikt. Lucien Morisse is ondertussen meer dan een vaderfiguur geworden voor de jonge zangeres. Er is iets moois opgebloeid tussen hen. In 1958 ontvangt ze de Oscar van Radio Monte Carlo en die krijgt ze vervolgens zeven jaar achter elkaar. Ze gaat op wereldtournee en het optreden in Bobino wordt een triomf. Onder leiding van Lucien Morisse neemt ze meerdere hits op. Zij is de favoriete zangeres van dat moment, ze staat zelfs boven vedetten als Edith Piaf en Jacques Brel. Haar huwelijk met Lucien Morisse laat echter op zich wachten. Na veel vertraging vindt de bruiloft plaats op 8 april 1961 in Parijs. Ze laat haar familie overkomen maar vertrekt meteen na de voltrekking op tournee. Geen huwelijksreis.

Lucien Morisse gunt haar nauwelijks tijd om adem te halen: werken, werken, werken, ten koste van hun privé-geluk. Dalida voelt zich in de steek gelaten. Enkele maanden later ontmoet ze in Cannes de schilder Jean Sobieski en het is van beide kanten liefde op het eerste gezicht. Tussen haar en Lucien Morisse begint de verwijdering op te treden. Hoewel ze beseft dat ze hem op artistiek gebied veel verschuldigd is verlangt ze ernaar haar vrijheid terug te krijgen, iets wat voor Lucien Morisse moeilijk te verkroppen is.
Ondanks haar nieuwe liefde verliest ze haar carrière niet uit het oog. De yeahyeah-golf waart over Frankrijk. In december 1961 staat ze in Olympia, alleen heeft ze nu niet meer het voordeel van de veelbelovende beginneling in de showbizz. Het wordt evenwel een triomf, wat zowel voor het publiek als voor de zangeres een opluchting is. Een maand lang staat ze in een uitverkocht huis met elke avond ruim 2000 mensen in de zaal. Daarna gaat ze op tournee, met name naar Hong Kong en Vietnam waar ze een idool is.

Dalida, 1962

In de zomer van 1962 zingt Dalida “Petit Gonzales” en scoort daarmee weer het succes dat haar al zo lang ten deel valt. Hetzelfde jaar koopt ze op Montmartre een kast van een herenhuis dat veel weg heeft van het kasteel van de Schone Slaapster.

Na de scheiding van Lucien Morisse en de verhuizing naar haar nieuwe onderkomen verbreekt Dalida ook haar relatie met Jean Sobieski. Ze neemt een beetje gas terug en besluit haar uiterlijk te veranderen. Ze wordt meer gesoigneerd en gaat als autodidacte steeds meer lezen.
4 augustus 1964 sluit ze haar metamorfose af met het blonderen van haar donkere haar.
3 september staat ze weer in Olympia; op dat moment is ze de meest geliefde zangeres van Frankrijk. Ze heeft de yeahyeah-golf overleefd en staat in het middelpunt van de Europese showbizz. In 1965 zingt ze op melodie van Théodorakis “La danse de Zorba” uit de film “Zorba de Griek”. Opnieuw een succes. Ondertussen droomt ze ervan om weer getrouwd te zijn, helaas dient zich geen kandidaat aan. Haar carrière vergt al haar tijd: optredens, gala’s, plaatopnamen. Eind 1966 wordt haar jongere broer Bruno haar rechterhand. Om carrière technische redenen gebruikt hij sinds die tijd de naam van zijn oudste broer: Orlando. Rosy, hun nichtje, wordt de secretaresse van de zangeres. Alles binnen de familie.

In oktober 1966 wordt ze via de Italiaanse platenmaatschappij RCA in contact gebracht met een talentvolle jonge schrijver/componist, Luigi Tenco. De jonge man, onstuimig en tegendraads, maakt diepe indruk op Dalida. In verband met een nieuwe Italiaanse campagne besluit de platenmaatschappij de zangeres af te vaardigen naar het Festival van San Remo. Luigi verklaart zich bereid het te vertolken lied te schrijven. Tussen de twee artiesten zullen vele ontmoetingen plaatsvinden en er ontwikkelt zich een ware passie tussen hen. Ze besluiten ieder voor zich, maar met hetzelfde nummer “Ciao amore ciao”, mee te doen aan het Festival van San Remo dat in januari 1967 wordt gehouden. De spanning is om te snijden, want Dalida is een ster in Italië en Luigi Tenco een jonge debutant. In familiekring maken zij bekend dat hun huwelijk gepland staat voor april. Helaas eindigt de avond in een vreselijke tragedie. Luigi Tenco, extreem zenuwachtig en onder invloed van kalmeringsmiddelen en alcohol, kan het niet verwerken dat de prijs hem ontgaan is. Hij beschuldigt de jury ervan een commercieel doel te dienen. Vervolgens pleegt hij vol walging en onbegrepen zelfmoord in zijn hotelkamer. Dalida is volkomen overstuur en uit het lood geslagen. Enkele maanden later probeert ze in haar uitzichtloze wanhoop eveneens de hand aan zichzelf te slaan door een grote hoeveelheid slaappillen in te nemen.

Deze ongelukkige periode is wel het begin van een nieuwe episode in de carrière van Dalida, de “periode madonna” waarbij ze gaat optreden gekleed in een lange witte jurk. De toewijding van het publiek is grenzeloos en in de pers krijgt ze de bijnaam Sint Dalida.
De tijd van “Bambino” is definitief voorbij. Ze is in de loop der jaren steeds meer gaan lezen en interesseert zich voor filosofie, de geschriften van Freud en yoga. De verheffing van de geest lijkt van nu af haar grootste levensvervulling. Haar carrière gaat echter gewoon door; ze gaat terug naar Italië om deel te nemen aan een beroemd televisieprogramma en 5 oktober 1967 staat ze weer op de planken van Olympia. Daar viert ze haar wedergeboorte en het wordt zoals altijd een triomf. In het voorjaar gaat ze in het buitenland op tournee en Italië eert haar met de grote prijs van het chanson de “Canzonissima”.
Nog steeds op zoek naar zichzelf onderneemt Dalida diverse reizen naar India om de lessen van een guru te volgen. In dezelfde tijd gaat ze in psycho-analyse. En dat allemaal naast haar zangcarrière die ze absoluut niet vergeet. In augustus 1970 scoort ze haar zoveelste succes met “Darladiladada”. In de herfst komt ze tijdens een televisieopname Léo Ferré tegen en bij terugkomst in Parijs neemt ze van hem het lied “Avec le temps” op.
Ze wil nu alleen nog teksten zingen die, in haar ogen, een diepere inhoud hebben en een poëtische inslag. Bruno Coquatrix, de directeur van Olympia, wilde haar boeken maar heeft geen vertrouwen in haar nieuwe repertoire. Geprikkeld door zijn aarzeling om een datum te plannen, besluit Dalida zelf de zaal af te huren en wel voor drie weken aan het eind van 1971. Lucien Morisse kan haar niet meer bijstaan daar hij in september 1970 zelfmoord gepleegd heeft. Dalida twijfelt enorm aan haar besluit om weer op te treden. Het succes is echter nog groter dan voorheen.

Ze komt Alain Delon weer tegen, een vriend voor het leven, met wie ze in de jaren ’60 een hartstochtelijke verhouding heeft gehad. Beiden zijn niets van deze relatie vergeten en hun onderlinge band is hechter dan ooit tevoren. In 1973 zingen ze samen “Paroles Paroles” en binnen een paar weken staat dit lied nummer 1 in de hitparades van Frankrijk, de rest van Europa en Japan.

Het begin van de jaren ’70 wordt zowel op zakelijk als op persoonlijk gebied een gelukkige periode. Ze lijkt daarbij te worden geholpen door haar nieuwe vriend, een galante ridder met een ietwat vreemd karakter, echter zeer toegewijd aan de zangeres: Richard Chanfray, hij laat zich “de Graaf van Saint Germain” noemen. Hij geeft haar haar levensvreugde terug en ze komt in de fase “hollywoodster” waarbij ze haar vrouwelijkheid benadrukt.
Aan het einde van ’73 neemt ze “Il venait d’avoir 18 ans” op, en scoort daarmee in negen landen een nummer 1 hit. In Duitsland verkoopt ze zelfs 3,5 miljoen exemplaren. Op 15 januari 1974 staat ze opnieuw op het podium van Olympia en aan het einde van haar optreden brengt ze een nieuw lied “Gigi l’Amoroso”. Dit gezongen en gesproken nummer met diverse koren dat 7½ minuut duurt wordt wereldwijd Dalida’s grootste succes: nummer 1 in 12 landen!
Aansluitend vertrekt ze voor een lange tournee door Japan en gaat eind 1974 naar Quebec. Enkele maanden later zal ze er terugkeren na een onderbreking voor concerten in Duitsland.
In februari 1975 ontvangt ze de prijs van de Académie du disque français.
Iets later duikt ze tot ieders verbazing, met alle kracht en in alle schoonheid, daar op waar niemand haar verwacht had: midden in het disco-gebeuren. Haar “J’attendrai version 75” is de eerste franse discohit en Dalida wordt de onbetwiste disco-koningin van Frankrijk.

In de jaren ’70 komt er steeds meer variété op de televisie en Dalida profiteert daar behoorlijk van, ze is een graag geziene gast in zowel binnen- als buitenlandse programma’s.
Ook in de Arabische wereld is ze zeer geliefd, niet in de laatste plaats omdat ze in Cairo geboren is. Dat versterkt ook de band die het publiek met haar heeft. Halverwege de jaren ’70 reist ze door Egypte en Libanon en dit brengt haar op het idee om eens in het Arabisch te gaan zingen. In 1977 is het zo ver, ze neemt een Egyptisch volksliedje op: “Salma Ya Salama”. Eerst wordt het alleen uitgebracht in Frankrijk en het Midden-Oosten. Het succes is echter enorm en uiteindelijk zal ze het in vijf talen op de plaat zetten.
Met “Generation 78” heeft ze zowel de eerste medley als de eerste videoclip op haar naam gezet en daarmee verslaat ze diverse artiesten op hun eigen terrein. Nu is ze de ware showdiva, gekleed in weelderige jurken met pailletten en splitten tot de heup.
Amerikanen zijn dol op dit soort artiesten: glamour en professionaliteit. Ze wordt gecontracteerd voor een show in New York en 29 november ’78 staat ze op het toneel van Carnegie Hall, de zaal gaat compleet uit zijn dak. Deze avond zingt ze voor het eerst “Lambeth Walk” een nummer met een jaren ’20 uitstraling dat meteen door het publiek wordt omarmt. Ook de pers is enthousiast en Dalida geniet van haar Amerikaanse succes.
Als ze terug is in Frankrijk neemt ze in 1979 “Monday Tuesday” op en surft met gemak mee op de disco-golf. In juni gaat ze weer naar Egypte om te zingen. Ze krijgt er een zeer warm welkom van het publiek en ze wordt zelfs persoonlijk ontvangen door president Sadat. Aansluitend gaat ze op tournee door de Arabische Emiraten.

De jaren ’80 beginnen met een waar vuurwerk. Dalida, op het toppunt van haar roem, zet van 5 tot 20 januari ’80 een echte Amerikaanse show neer op het podium van het Parijse Palais de Sport, inclusief 12 kostuumwissels, strass en veren. De ster wordt bijgestaan door 11 dansers en 30 musici. Voor dit grandioze spektakel van ruim twee uur is een choreografie à la Broadway in elkaar gezet; de zaal is laaiend enthousiast en alle 18 voorstellingen zijn tot de laatste plaats uitverkocht. Dalida is hiermee de eerste vrouwelijke ster die deze prestatie levert. Meteen daarna maakt ze tot de herfst een zeer geslaagde tournee door het land.
In 1981, na de zeer pijnlijke scheiding van Richard Chanfray, stort ze zich zoals gewoonlijk met hart en ziel op haar werk om haar chaotische privé-leven te vergeten, waarin ze uiteindelijk altijd weer alleen achterblijft. In maart ’81 herhaalt ze de show uit het Palais des Sports in Olympia. Tijdens de première krijgt ze de eerste diamanten plaat ooit uitgereikt, speciaal voor haar bedacht. Dit om te vieren dat ze meer dan 85 miljoen platen heeft verkocht en om haar te eren voor 55 gouden platen ontvangen voor vertolkingen in zeven verschillende talen, eigenlijk voor alles wat ze in haar loopbaan gepresteerd heeft.
Onvermoeibaar en professioneel gaat ze maar weer op tournee.
De twee volgende jaren worden gekenmerkt door haar stellingname voor de Franse president François Mitterand. Ze krijgt hier behoorlijk kritiek op hoewel haar betrekking meer vriendschappelijk dan politiek is; het schaadt evenwel haar carrière.
Op het album dat ze in 1983 opneemt vinden we de nummers: “Mourir sur scène” en “Lucas”. 20 juli datzelfde jaar krijgt de zangeres een nieuwe klap te verwerken die haar behoorlijk uit haar evenwicht brengt: Richard Chanfray heeft in Cannes een einde aan zijn leven gemaakt. Dalida is zeer aangedaan door de dood van haar vroegere levenspartner en dit beïnvloed ook haar professionele betrokkenheid. Haar naasten bemerken dat haar energie afneemt.
Op verzoek van haar fans gaat ze in 1984 toch weer op tournee en ze reist naar Saoedi Arabië voor een serie recitals. In 1985 moet ze twee zware oogoperaties ondergaan en deze brengen vreselijke herinneringen uit haar kindertijd naar boven.
Ondanks 37 jaar ononderbroken succes heeft ze toch nog tijd gevonden om in enkele films te spelen, ze moet echter tot 1986 wachten voor ze een echte karakterrol te vertolken krijgt. Ze aarzelt niet om zich ouder te laten schminken om de heldin te spelen in Youssef Chahine’s film “Le sixième jour”. Hiermee bewijst ze dat ze naast gelauwerd zangeres ook een zeer talentvol actrice is en ze krijgt een heel goede pers. Maar zelfs godinnen op hun voetstuk van porselein kunnen ten prooi vallen aan zielepijn en zwaarmoedigheid en Dalida vormt geen uitzondering op deze regel. Het begin van het einde van alle uitzonderlijk tragische verhalen heeft zich aangekondigd. Alle jaren van keihard werken hebben haar uitgeput, ze is aan het einde van haar Latijn. Ze voelt zich ook steeds eenzamer en komt tot de conclusie: mijn leven als artieste is dan wel zeer geslaagd, maar mijn leven als vrouw is mislukt. Ze heeft geen echtgenoot, geen kinderen en de jaren beginnen te tellen.

Eens zong ze: “Moi, je veux mourir sur scène…”. Maar overwegend dat het leven haar niets meer te bieden heeft besluit ze in de nacht van 2 op 3 mei 1987 voor eeuwig te gaan slapen.
Ze laat een laatste boodschap achter: “pardonnez moi, la vie m’est insupportable” (vergeef me, het leven is ondragelijk voor me).

Dalida Forever – Copyright © 2010

Avec le suicide on transforme les murs du destin en chemin de la liberté.

Cimetière de Montmartre le 7 mai 1987
Dalida lies in the high area of the Montmartre cimetry. The tomb overlooks Paris.

bron: http://www.dalida.com/us.htm

Vishnu’s amuse gueule en Ah-Pook’s lekkernij

essay van Serge van Duijnhoven

over de hernieuwde angst voor een op handen zijnde nucleaire apocalyps, de kristallijnen traan van Robert “Doctor Atom” Oppenheimer, over Ah Pook de Vernietiger, de problematische betekenis van het getal nul in de Mayacultuur, over Lucy Walker’s langverwachte documentaire Countdown to Zero, het utopisme van de Global Zero Movement en de ultieme poging van de mens om zich te verlossen van het nucleaire kwaad. Is het twee voor twaalf? Een moment voor nul? Of is het al te laat?

een beschouwing n.a.v. de documentaire COUNTDOWN TO ZERO van Lucy Walker, Lawrence Bender en de Global Zero Movement, die vanaf 23 juli as. in de Verenigde Staten en Europa in de grote filmzalen te zien zal zijn.

trailer van de film Countdown to Zero:

http://www.festival-cannes.fr/en/mediaPlayer/10332.html

“It is perfectly obvious that the whole world is going to hell. The only possible chance that it might not is that we do not attempt to prevent it from doing so.”
– Robert Oppenheimer, citaat uit het boek Play to Live (1982) van filosoof Alan Watts.

Mijn geschiedenisprofs op de Universiteit van Amsterdam, waar ik van 1989 tot 1995 studeerde aan de afdelingen culturele, sociale en contemporaine geschiedschrijving, doceerden dat iedere generatie vroeg of laat geconfronteerd wordt met het onvermijdelijke existentiele trauma ten aanzien van de mogelijkheid van de nucleaire vernietiging. Het zwaard van Damocles dat sinds de uitvinding van Robert Oppenheimer’s atoombom in de jaren veertig, over de nekken hangt van onze ganse en gedurende vele millennia tot stand gebrachte menselijke beschaving.  In de jaren tachtig – de slotfase van de Koude Oorlog – liep ik samen met mijn meestal al wat oudere leeftijdsgenoten van de middelbare school, alsmede talloze ongeruste tegenstanders van de volkomen uit de hand gelopen nucleaire wapenwedloop in Amsterdam, Brussel, Bonn, London en Den Haag, massaal te hoop in door de Vredesbeweging gecoördineerde marsen tegen de bom. We droegen slogans mee op spandoeken als “Alle kernwapens de wereld uit, te beginnen uit Nederland”, “Liever een Rus in mijn bed, dan in mijn tuin een kruisraket”, “Ban de Bom”, “Vrede Nu”, en talloze slogans van dien aard die allemaal een uiting waren van een reëel gevoelde angst dat de krankzinnige militaire strategie van Mutual Assured Destruction (toepasselijk afgekort tot MAD) met tienduizenden kernwapens aan beide zijden van het IJzeren Gordijn, tot een daadwerkelijk nucleair Armageddon zou kunnen leiden.

           

Het was de tijd dat Doe Maar zong “en als de bom valt…”, dat pubers zich ostentatief tooiden in het plunje van de No Future, dat de wereld werd geschokt door beelden van de film The Day After, en dat anchorman W.L. Brugsma in zijn boek Europa, Europa onze planeet vergeleek met “een zinkend ruimteschip in de sterrenzee van de melkweg”, waar de enkele in diepe en donkere holen verscholen groepjes homo sapiens sapiens die de derde wereldoorlog zouden weten te overleven, hun volgende oorlog zouden uitvechten met stokken en speren. Angst was een modewoord dat in brede sociologische zin werd gebruikt voor een existentiëel onbehagen, welke de westerse mens als een loden mantel over zijn eigen schouders gedrapeerd had gekregen. Er lag, in die tijd, een mooie toekomst achter ons…
           
Met het einde van de Koude Oorlog, verdampte ook het angstzweet dat ons zo lang op het voorhoofd had gepareld. Er werden verdragen gesloten tussen de grootmachten die de kernwapenarsenalen uiteindelijk halveerden.

Het aantal landen dat de beschikking had over kernwapens bleef echter groeien. De technieken van centrifuge om hoogwaardig uranium te verkrijgen dat nodig is voor het produceren van een atomaire bom, zijn steeds minder exclusief en – zoals ik een wetenschapper hoorde uitleggen -, de middelen om de basis te leggen voor het maken van een kernbom zijn sedert 1945 drastisch „gedemocratiseerd“.   
            Vijfentwintig jaar heeft de nucleaire koorts zich koest gehouden. Een kwarteeuw lang. De dreiging dat er toch nog een nucleaire catastrophe op de loer ligt is daarentegen – ondanks de reductieverdragen van de grootmachten – niet af- maar toegenomen. De computergestuurde veiligheidssystemen die ons moeten behoeden voor een onverhoopte lancering van raketten, zijn steeds ingewikkelder geworden. Er zijn raketten zoekgeraakt. Er is nucleair materiaal gesmokkeld. En er zijn naast belingerente naties als India, Israël en Pakistan, inmiddels ook onberekenbare terroristische organisaties die er alles voor over hebben om zo’n nucleair Doomsday-Machine in handen te kunnen krijgen. Osama Bin Laden heeft berekend dat er – op basis van al het kwaad dat de Verenigde Satan van Amerika in de afgelopen eeuw heeft aangericht – minimaal vier tot vijf miljoen Amerikanen over de kling gejaagd dienen te worden opdat de balans in Allah’s ondermaanse zielenbazaar weer enigszins zal zijn hersteld.
            De tijden voor een nieuwe nucleaire koorts lijken ophanden. De mogelijkheid dat een volgende bom op Times Square of in de metro van London, Parijs, Brussel of Berlijn wel eens van nucleaire aard zou kunnen zijn, bezorgt authoriteiten in alle grote wereldsteden steeds grotere kopzorgen. Tientallen, honderden, en inmiddels vele honderden meer of minder vooraanstaande wetenschappers, politici, activisten, zelfs legerofficieren en sympathisanten van over de hele wereld, hebben via onderling verbonden netwerken van think-tanks, lobbygroepen en vredes-organisaties, sedert enkele jaren het startsein gegeven voor een Global Zero beweging. Een soort 21ste-eeuwse variant op de Freeze, Vrede Nu! of Ban de Bom groeperingen die in de jaren tachtig het bloed onder de nagels vandaan haalden van rationale powerbrokers en communistenvreters. Met dien verschil dat het nu vaak juist de architecten en pleitbezorgers van de toenmalige Mutual Assured Destruction strategieën (Kissinger, McNamara, John McCain) zijn, die ijveren voor de nuloptie van „alle kernwapens de wereld uit“. Destijds een slogan die in Nederland was voorbehouden aan de alomtegenwoordige en immer strak in de plooi blijvende „geitenwollensokken redenaar in pullover en spijkerbroek“ Mient Jan Faber van het Interkerkelijk Vredesberaad IKV.
            Over precies deze problematiek heeft de jonge Engelse cineaste Lucy Walker nu een groots aangepakte shock-and-awe documentaire gemaakt, Countdown to Zero geheten. Een last warning genre-film, geheel in de trant van Al Gore’s An Inconvenient Truth uit 2006 over de opwarming van de aarde. „A fascinating and frightening exploration into the dangers of nuclear weapons, exposing a variety of present day threats and featuring insights from a host of international experts and world leaders who advocate total global disarmament.” Gesteund door een vijftigtal internationale organisaties en geproduceerd door Lawrence Bender, bekend als steunpilaar en geldschieter van Quintin Tarantino en de grote man achter – jawel – het educatieve docudrama van Al Gore.
Om de importantie van Walker’s film en de urgentie van het onderwerp te benadrukken, was er voor de recente wereldpremiere op het filmfestival van Cannes een indrukwekkende delegatie afgevaardigd naar de persconferentie, inclusief koningin Noor van Jordanië – voorzitster van de Global Zero beweging – en Valerie Plame Wilson – wier identiteit als CIA-agente vlak voor aanvang van de Irak-oorlog werd gelekt door wraakzuchtige Republikeinen uit het Bush kamp, die met haar wilden afrekenen omdat haar man, ambassadeur Wilson, in een krant had durven beweren dat het spindocter-verhaal van vanuit Niger naar Saddam Hussein gesmokkeld verrijkt iranium, tot het rijk der fabelen moest worden verwezen.
Drie jaar lang heeft Lucy Walker met een uitgebreide crew aan de documentaire gewerkt. En in die tijd heeft ze een schat aan overtuigend, verontrustend of ronduit ijzingwekkend beeldmateriaal weten te verzamelen. Bijvoorbeeld van atoomfysicus Robert Oppenheimer bij wie een traan in zijn linker ooghoek opwelt als hij voor een televisiecamera van NBC vertelt hoezeer zijn uitvinding van de atoombom al vanaf het begin (om precies te zijn vanaf het tenuitvoer brengen van de eerste proef in de woestijn van New Mexico (The Trinity Explosion, 16 juli 1945)) een verhaal uit de Bhagavad Gita bij hem in herinnering bracht. Oppenheimer refereert aan de sage waarin de Hindu-god Krisjna probeert zijn in sombere overpeinzingen weggezonken pupil Arjuna wakker te schudden door voor het eerst voor de prins te verschijnen in zijn huiveringwekkende, veelarmige gedaante Visjnu, pochend dat vanaf dat moment de krachten van Dood en Vernietiging een heersende centrale plek hebben gekregen in het universum. Oppenheimer: “We knew the world would not be the same after this. A few people laughed, a few people cried, most people were silent. I remembered the line from the Hindu scripture, the Bhagavad-Gita. Vishnu is trying to persuade the Prince that he should do his duty and to impress him takes on his multi-armed form and says, “Now I am become Death, the destroyer of worlds.” I suppose we all thought that, one way or another.” 1

The Trinity explosion, 0.016 seconds after detonation. The fireball is about 600 feet (200 m) wide. Trees may be seen as black objects in the foreground for comparison.2

Achtergrond van het verhaal uit de Bhagavad Gita, waarnaar door Robert Oppenheimer wordt verwezen in zijn beroemd geworden televisieinterview voor NBC in 1965:

De oude wijsgeer Krishna heeft zich ontfermd over de jonge krijgsheer en troonpretendent Arjuna. De prins dient in korte tijd te worden klaargestoomd voor de troon, en ondergaat tal van beproevingen. Krishna maakt zich rond het slagveld van Kurukshetra dienstbaar als Arjuna’s mentor, magister en “wagenmenner”. Arunja moet kiezen of hij ten oorlog wil gaan of niet. De vorstenfamilie Kauravas weigert hem als hun soeverein te erkennen en gemaakte afspraken over een soepele machtsoverdracht worden niet nagekomen. Krishna staat de prins met raad en daad terzijde. Gedurende de avonden in het legerkamp, vermaakt hij zijn vazal door hem het volledige verhaal van de Bhagavad-Gita toe te vertrouwen Arjuna wordt van een jonge onstandvastige krijger tot een ingewijde in de geheimen van het universum. “Will it be worthwhile, he asked himself, to annihilate his own kindred for the sake of a kingdom? Arjuna falters as the war is about to begin; he resorts to Krishna for guidance. It is at this juncture that Lord Krishna reveals the Bhagavad Gita to Arjuna. In it, Krishna deems it Arjuna’s duty to struggle to uphold righteousness, without consideration of personal loss, consequence or reward; the discharge of one’s moral duty, he says, supersedes all other pursuits, both spiritual and material, in life.” Om de kroonprins wakker te schudden uit zijn mijmerende staat – besluit Krishna zijn pupil een cocktail te bereiden van witte en zwarte magie. Hij verandert voor Arjuna’s ogen in Vishnu. Zijn vreeswekkende veelarmige avatar. De onnavolgbare. Acteur en regisseur. Krijger en verzoener. Charlatan en wetenschapper. Bedenker en vernietiger. Met zijn talloze vliegensvlugge vingertoppen kan hij het uitspansel van dit universum overal waar hij wil ondersteunen. Of – al naar gelang zijn luimen – in duigen doen vallen. Hij is de god van dood en leven, creatie en vernieling.

Krishna toont Arjuna Zijn universele gedaante van Vishnu de Veelarmige

De scène van Oppenheimer en zijn kristallijne traan die opwelt in zijn ooghoek, levert in het korrelige zwart-wit van Lucy Walker’s pellicule, een portret op van een sad and wise geworden man met diepe groeven in gelaat en ziel. Bewegend beeld dat zich gedurende het inzoomen op Oppenheimer’s oog tot een soort van daguerrot-type fixeert. Een etsnaald die diepe krassen nalaat in het netvlies van de kijker. Even is – via de reflectie van Oppenheimer’s blik – het wankelen van de wereld voelbaar geworden. Een minuut van cinematografisce magie die sterk genoeg is om ook de verdere film te kunnen (ver)dragen.3

Klick hier om de scène te zien van Oppenheimer en zijn traan die opwelt in zijn ooghoek als hij zich rekenschap geeft van de apocalyptische atomaire erfenis waarmee hij zichzelf en de wereld heeft opgezadeld.

“Now I am become Death, the destroyer of worlds.” I suppose we all thought that, one way or another.”

Een korte video-weergave van de Trinity Test Explosion waar Oppenheimer in het stuk hierboven telkens naar verwijst:
http://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/9/9d/Trinity_test.ogg

Misschien dat Lucy Walker’s documentaire er inderdaad toe bij kan dragen dat de mensheid zich opnieuw bewust wordt van nucleaire gevaren die sedert het einde van de Koude Oorlog weliswaar van de radar van ons bewustzijn, maar nimmer van deze aardbol zijn verdwenen. Als deze documentaire ergens heel duidelijk en verhelderend over is, dan is het wel over de diverse keren dat de wereld, zonder het te beseffen, al op of zelfs over het randje van de vernietiging heeft gebalanceerd. Op een haar zo na aan een nucleaire apocalyps heeft weten te ontkomen, vanwege veelal stilgehouden ongelukken, aberraties, mis-interpretaties, verroeste chips in computersystemen en op hol geslagen lanceringsmechanieken. Totnutoe heeft de mensheid zich telkens weer voor de finale val weten te redden, als een stramme clown die wat jammerlijke toeren uithaalt op het hoge koord boven een circuspiste. In de gevallen die Walker laat zien, is de redding telkenmale veel meer kwestie van geluk geweest dan wijsheid. Of de clown ook werkelijk accrobaat is, dient – zo valt te vrezen – ook in onze nabije toekomst telkens weer opnieuw te worden bewezen. Een kleine misstap, vergissing of te trage of paniekerige reactie kan fatale gevolgen hebben.

Al is de Koude Oorlog voorgoed verleden tijd, het risico dat er op een dag alsnog – al dan niet abusievelijk – atoombommen tot ontploffing zullen komen is helaas reëeler en de kwestie van het nucleaire gevaar is dus tevens acuter, dan ooit tevoren het geval is geweest.        
De „stirring cocktail of shivering truths about nuclear threats“ waarmee Lucy Walker en haar conglomeraat van opdrachtgevers het nucleaire issue onder de aandacht wil brengen van het grote publiek, wordt gecomplementeerd door statements van tientallen experts en wereldleiders die er op effectieve wijze de boodschap in weten te hameren dat er elk moment een tijdbom van jewelste af kan gaan als we niet snel drastische maatregelen nemen om het gevaar in te perken. Tony Blair, Frank von Hippel, Ahmed Rashid, Jimmy Carter,  Pervez Musharraf, ex-CIA agente Valerie Plame Wilson, Scott Sagan van Stanford University, Joe Crincione van het Ploughshares Fund… Maar ook een Georgische undercover-agent die smokkelaar Oleg Khintsagov betrapte op het proberen te verkopen van tientallen grammen verrijkt Plutonium aan Al Quaeda. Oleg zelf komt aan het woord („ik houd nou eenmaal van mooie auto’s en had wat centen nodig…“). Net als Mikhail Gorbachev, die verklaart hoe groot zijn spijt is dat hij er niet in is geslaagd om destijds in Reyckjavik (1986) met Ronald Reagan tot een deal te komen die de eliminering van kernwapens mogelijk had gemaakt voordat voortschrijdende proliferatie en versimpeling van de atomaire centrifugetechnieken dit doel zo goed als onmogelijk hebben gemaakt. En dan zwijgt Gorbi nog van de opkomst van steeds agressievere en gevaarlijker terroristische groepereringen en onverlaten die er sedert 1991 al in geslaagd zijn of nog in zullen slagen om gerede hoeveelheden hoogwaardig uranium en plutonium weggesmokkeld te krijgen uit de talrijke nucleaire kerkhoven en roesthavens in de voormalige Sovjetunie. Het asgrauwe en grimmige gelaat dat de laatste communistische oppervoorzitter van het Presidium hierbij trekt, laat ook uit het hart van de kijker alle licht verdwijnen. Gorbatchev valt stil. Hierover spreken valt hem te zwaar.

           Alle kernwapens de wereld uit! Wie had dat ooit gedacht, met die slogan een kwart eeuw later nogmaals de straat op te kunnen trekken?
           Indien de mensheid nog op tijd de touwtjes van zijn lot in handen wenst te nemen, en we onszelf en onze kinderen willen verlossen van het nucleaire kwaad, dan is er – aldus de makers van Countdown to Zero en het vijftigtal non-gouvernementele pleitbezorgers dat zich achter het project heeft geschaard – een heuse ommezwaai nodig in onze mentaliteit. A revolution of the nuclear mind, die net als destijds met het communisme door een kleine maar gezwind aangroeiende cohorte van voorlopers, met hun licht ontvlambare ideeen over een kernwapenvrije wereld, de maatschappij rijp dienen te maken voor de ommekeer. De mentale revolutie. Pioniers zijn het nu misschien opnieuw, net als destijds, maar renegaten straks beslist niet meer. Als de overtuiging eenmaal gemeengoed is geworden dat er geen andere mogelijkheid is om een nucleaire ramp te voorkomen dan door een volledige uitbanning van alle kernwapens wereldwijd. De mentale revolutie als conditio sine qua non voor des mensen collectieve voortbestaan, de geschiedenis lijkt hier met ironieen te strooien als ware het confetti…
            Het is juist hierin, in dit eigenlijk krankzinnige want tot gisteren totaal ondenkbaar geachte scenario van de “revolutie” als noodzakelijk breekijzer voor de toekomst van de mensheid, dat Lucy Walker zich gesterkt weet door een indrukwekkend defile van havikachtige architecten en gung-ho veteranen van de Mutual Assured Destruction, SALT en overige Atoombom-strategen dat haar – shoulder to shoulder – gewillig voorbij komt gemarcheerd.
             Walker weet aannemelijk te maken, met haar talloze getuigenissen die het apostatische karakter dragen van een bekentenis of bekering, dat vele haviken van vroeger heden ten dage fervente voorstanders geworden zijn van het in godsnaam zo snel en zo zorgvuldig mogelijk opbergen en vernietigen van alle nucleaire speelgoed dat nog ergens in de rommelhoeken van deze planeet mag rondslingeren.
In feite valt de essentie van hun Global Zero-overtuiging perfect te resumeren in dezelfde mantra’s die hen destijds de kast op joegen. De smeekbeden die van evenveel bezorgdheid als wanhoop getuigden. Zorgkreten om de toekomst van het kroost en van de hele bewoonde wereld. Die door de ijzervreters van toen als naief werden afgedaan, de vijand in de kaart zouden spelen en de Navo uiteen zouden drijven. In plaats van de vrede dichterbij te brengen, hielpen ze de precair berekende balans tussen de blokken te verstoren.
Zie hier de revolutie, de radicale ommekeer die in de tussentijd daadwerkelijk al heeft plaatsgevonden in de hoofden van – pak ‘m beet – Henry Kissinger, F. W. de Klerk, Rolf Mowatt-Larssen, Pervez Musharraf, Andrew Koch, Jeffrey Lewis, Roger Molander, Mikhail Gorbachev, Zbigniew Brzezinski, Frank von Hippel, vallende-domino-steen theoreticus  Robert McNamara, START I-onderhandelaar Richard Burt, de rechtse dominee Richard Cizik van de ultra-rechtse New Evangelical Partnership: allemaal protagonisten van het pro-nucleaire kamp die keihard van hun geloof – en daarmee eigenlijk ook van hun voetstuk – zijn gevallen.
            Een louterende gewaarwording. Dominee Cizik verwoordt het als volgt: “…I used to think that ‘Well, we possess nuclear weapons in order to prevent their usage.’ We now know we live in a world in which if we possess them – if anyone possesses them – they will be used….We have to change our way of thinking. And if we can’t change our way of thinking, we won’t survive.…”. En het is niemand minder dan de Texaanse no-nonsense olieboer James Baker III (minister van Buitenlandse Zaken van 1989-1992) die op gedecideerd knauwende toon verkondigt dat: “All countries in the world have to sign a legally binding intrusively verifiable agreement to rid the world of nuclear weapons.”
     Op de persconferentie in Cannes, afgelopen mei, verklaarde Hollywood-baas Lawrence Bender: “this documentary should not be seen as a partisan movie.” Het nucleaire gevaar is geen kwestie die zich laat inperken in termen van partijpolitiek of het spectrum links-rechts. “It is a global issue of the most drastic existential nature imaginable”.  De film moet ook nog verkocht en – in ieder geval – gezien worden. Door een zo groot mogelijk publiek natuurlijk. “Of course the movie also had to be, to some extent, entertainment…”  Wat heeft het voor zin om een film te maken die geen ruimte laat voor de hoop? Een film die zo deprimerend is, dat geen welwillend mens ‘m kan bekijken.  Misschien, zo besluit Bender zijn gesprek met journalisten, is het beter om ietwat naief te zijn en speling te laten voor de hoop. Hoe onwaarschijnlijk of onterecht die dan misschien ook is. “The world has changed, the threats have changed.
            Maar of ook de mensheid van nature kan veranderen? Hoorden we in de documentaire niet een kernfysicus verklaren dat „alles wat denkbaar is, ook werkelijk ooit wel zal gebeuren?“ Hoorden we studenten physica niet verklaren dat ze als eindexamenopdracht allemaal de opdracht kregen om met wat elementaire middelen een eigen kernbommetje in elkaar te knutselen (en dat bijna niemand in deze opdracht faalde)? En zullen de slechtwillenden onder ons – zelfs als de huidige arsenalen tot nul zullen zijn gereduceerd – echt geen pogingen meer ondernemen om de mogelijkheden van nucleaire energie ook voor andere doeleinden te gebruiken? Punten die aan het einde van de film ineens niet meer aan de orde lijken. Het laken met de kruimels wordt uitgeschud, en fluitend in de kosmos uitgehangen. Tatatie, tatata: the ultimate number is zero – de nul die aan het begin van de film de vorm krijgt van een schematische atomaire kern die na enig duwen en trekken in tweeën wordt gekliefd. Alle kernwapens de wereld uit, het is een nobel streven. Maar even onmogelijk als een terugkeer naar het moment van voor de oerknal. Want waarschijnlijk is het helaas zo dat om de aarde te verlossen van de Nemesis der nucleaire wapens, de aarde eerst toch echt zal moeten worden verlost van het woekerende plaagdier genaamd de mens.

De goedbedoelde nul-utopie van de Global Zero beweging, van veilig achter slot en grendel opgeborgen gevaren die het voortbestaan van de mensheid bedreigen, en waarin een gering aantal mensen een relatief vreedzaam of ongestoord bestaan leidt in evenwicht met het overige leven, is theoretisch en wetenschappelijk wellicht uitvoerbaar – maar menselijkerwijs ondenkbaar. Als zoiets ooit tot stand komt, zal het niet dankzij de wil van de sappelende, wraakzuchtige en steeds moorddadiger uitgeruste homo sapiens sapiens zijn.4
            De vernietiging van de mens door daden van een uit de hand gelopen destructiedrang of “klipdrift”, of substitutie van de mensheid door de inzet van technologische artefacten, is natuurlijk een deprimerend en – voor mensen met kinderen of kleinkinderen – schrikbarend vooruitzicht. Maar zou enig verder ontwikkeld kunstmatig nageslacht van de mens een vernietigender uitwerking op de andere levensvormen kunnen hebben dan de mens zelf? Zou het verdampen van de agressieve mensaap mens in een atomaire wervelstorm werkelijk een onherstelbaar verlies betekenen voor de rest van de planeet? Zou het Paaseiland ooit hebben getreurd om het verdwijnen van de hoogbeschaafde micro-polynesiers die er gedurende een millennium hebben huisgehouden tot er van de oorspronkelijke tropische flora en fauna niet meer dan een kale vulkanische rots in een onmetelijke Oceaan overschoot? “It’s cold out there, in universe”, hoorde ik Werner Herzog in Brussel eens verkondigen als commentaar op zijn film Grizzly Man. Wat hij bedoelde was: het is een typisch voorbeeld van overmoed en anthropocentrisme om te denken dat de natuur mededogen zou kunnen tonen – of begrip zou moeten opbrengen – voor het wel en wee van ons aardse wedervaren. Een hermeneutisch beleefde verbondenheid met grizzlyberen in de wildernis van Alaska, betekent niet dat een hongerige of humeurige beerin zijn trouwste menselijke sympathisant in een ommedraai kan en zal verscheuren wanneer haar dit behaagt. De gemiddelde temperatuur in de kosmos bedraagt – zo hebben we met dank aan onze astro- en kosmonauten proefondervindelijk kunnen vaststellen – een weinig meer dan ZERO Kelvin. Omgerekend naar onze Europese thermometer is dat om en nabij de minus tweehonderddrieenzeventig graden Celsius. Cold indeed. Daar valt weinig op af te dingen…

In zijn wonderschone bundeling novellen Einsteins monsters (Contact, 1987) schrijft de Engelse romancier Martin Amis: “Wanneer ik omhoogtuurde naar ons kleine schijfje sterren (…), bespeurde ik alleen de bedrieglijke rust van de zwarte nachtkaart, waarvan de schoonheid een dekmantel was voor grootscheeps en routinematig geweld: het voortijlende heelal, met de razendsnel uiteenwijkende materie, dat bezig was te exploderen tot aan de grenzen van ruimte en tijd, een en al krachtvelden en krommingen, een en al chaos en tumult, oneindig en eeuwig vijandig…” (p.46, halverwege het verhaal “Bujak en de sterke kracht of Gods dobbelstenen”).
Een uiterst interessant boek, dat Einsteins monsters, om nu – een kwart eeuw na verschijnen opnieuw ter hand te nemen. Al was het maar om te bepalen in hoeverre de nucleair apocalyptische angstdromen van de romancier van toen (geboren in 1949) verschillen – of overeenkomen – met die van Lucy Walker (geboren in 1970) en haar produktieteam van Countdown to Zero anno 2010. Amis: “We zijn zeven minuten van een kernoorlog verwijderd, en die kan in een middag voorbij zijn. Hoe ver zijn we van kernontwapening verwijderd? We wachten. En de wapens wachten.” Een uitspraak die evengoed uit Countdown to Zero had kunnen komen, en die helaas nog altijd even waar is als toen.

Niet alleen Walker zelf kan tellen. Ook in sommige radicale kringen wordt de teller van door de VS geslachtofferde geloofsgenoten nauwgezet bijgehouden. Tientallen vaak welgestelde, populaire en schrandere moefti’s, immams en mujaheddins zijn al sinds de jaren negentig koortsachtig bezig om in een wrekende genadeklap die ergens in het Amerikaanse heartland plaats zou moeten vinden, genoegdoening te verschaffen aan de zielen van vier tot vijf miljoen gesneuvelde moslims. Tegenover deze mathematische optelsom verbleekt het goedbedoelde terugtellen tot nul van Lucy Walker c.s. tot een wat cerebraal opgedreund kleuterliedje.
Het hoopvolle activisme van Lucy Walker c.s betreft – net als dat van de meeste humanitaire organisaties, anti-globalisten platforms en milieubewegingen – de zoveelste hedendaagse variatie op de aloude joods-christelijke verlossingsleer; een uiting van het geloof dat de mensheid hoe dan ook zijn lot in handen heeft. En dat dus ook dient te nemen. Bij de Groenen en Socialisten is dit het streven: bij te kunnen dragen aan een wereld waarin de mensheid weer de wijze en respectvolle rentmeester wordt van de hulpbronnen op aarde. In het geval van Global Zero is het de gedachte dat de mens in staat is om het kwaad “af te schaffen” als we daar met z’n allen maar hard genoeg ons best voor doen. Voor iedereen die zijn hoop niet heeft gericht op zijn eigen soort en het antropocentrische perspectief verruimt tot dat van de (astro)fysica of geologie, is de gedachte dat menselijk handelen de planeet met haar bewoners kan behoeden voor ondergang, verderf en extinctie, ronduit absurd.
            Als mensen zich vastklampen aan de hoop op een kernwapenvrije wereld, is dat niet zozeer vanuit een zekerheid dat dit echt mogelijk is als wel vanuit angst voor wat er kan komen als zij die hoop opgeven. Net als de technologie heeft de wetenschap zich ontwikkeld om aan menselijke behoeften tegemoet te komen; de wetenschap ontsluit, net als de technologie, een wereld die mensen niet kunnen beheersen, of ooit volledig kunnen begrijpen. Het legaat van Socrates was om het najagen van waarheid te koppelen aan een mystiek ideaal van het goede. Toch stelde noch Socrates, noch enig ander denker uit oude tijden zich voor dat waarheid de mensheid vrij kon maken. Zij beschouwden het als vanzelfsprekend dat vrijheid altijd het voorrecht van slechts een paar mensen zou blijven: er was geen hoop voor de soort. De mensheid vormt een kudde die door een paar jankende honden al te gemakkelijk naar de hel kan worden gedreven.

Een ding is zeker: het geologische tijdperk dat voor enige millennia door een plaag van ambitieuze agressieve mensapen werd gedomineerd, zal niet eeuwig duren. Of de mens nu wel of niet zijn eigen vernietiging en dat van zijn habitat realiseert, doet niet terzake. Vroeg of laat zal ook onze dominante en oververtegenwoordigde zoogdiersoort van de kaart zijn geveegd.  Geen enkel organisme is volmaakt genoeg om resistent te blijven aan de voortdurende mutaties en fouten die garant staan voor het blijven tikken van de Tijd – het komen en gaan van alle wezens. En niemand zal de stelling kunnen logenstraffen dat ook de mensheid – als fossiel in de donkere aarde – zich vroeg of laat weer aan de oppervlakte van de evolutie zal onttrekken. Het imaginaire, smalle pad naar ‘verlossing van het kwaad’ of ‘afschaffing van het nucleaire gevaar’ is niet voor onze diersoort weggelegd. De homo sapiens sapiens zal eindigen waar hij begon: als kronkelende worm in de muil van de Tijd. Als Vishnu’s amuse gueule en Ah Pook’s lekkernij. Als hapje voor de eeuwigheid.

Post Scriptum  (voor de optimisten): wie zich niets wenst aan te trekken van deze pessimistische gedachte, putte troost uit de opmerking van W.F. Hermans dat ‘doemvoorspellingen toch nooit uitkomen’. (Om daar vervolgens meteen aan toe te voegen: ‘Andere voorspellingen ook niet.’ )
  
 
© Serge van Duijnhoven – Cannes/Brussel 2010
 

Ah Pook, of Ah Puch: God van de Vernietiging in de Maya Religie en Mythologie. Ah Pook is God van: Dood, Onderwereld, Vernietiging, Duisternis. “Ah Puch ruled Mitnal, the lowest level of the Mayan underworld. Because he ruled death, he was closely allied with the gods of war, disease, and sacrifice. Like the Aztecs, the Mayans associated death with dogs owls, so Ah Puch was generally accompanied by a dog or an owl. Ah Puch is also often described as working against the gods of fertility.” bron: Austin Cline, About.com. http://atheism.about.com/od/mayangodsgoddesses/p/AhPuchMayan.htm

Fragment uit “Ah Pook the Destroyer” van William S. Burroughs, zoals te horen is op het album Dead City Radio (Island Records 1990):

“Question: What are we here for?”
“Answer: We’re all here to go…”
“Question: Who really gave their order?”
“Answer: Control. The ugly American. The instrument of control.”
“Question: If control’s control is absolute, why does Control need to control?”
“Answer: control needs time.”
“Question: is control controlled by our need to control?”
“Answer: Yes.”
“Why does control need humans, as you call them?”
“Wait… wait! Time, or landing. Death needs Time, like a junky needs junk.”
“And what does Death need Time for?”
“The answer is so simple. Death needs Time for what it kills to grow in. For Ah Pook’s sake.”
“Death needs Time for what it kills to grow in. For Ah Pook’s sweet sake? You stupid vulgar greedy ugly American death-sucker!”

FROM HERE TO ETERNITY – FROM ZERO TO NOWHERE

Het ondenkbare getal nul – en het einde der tijden volgens de Maya cultuur van Midden Amerika

De Maya’s voerden een tijdrekening in die tot doel had het einde der tijden zo ver als ze maar konden voor zich uit te schuiven. Rond 300 na Christus construeerden ze een jaarkalender die uit 365 dagen bestond. Als het jaar zou eindigen zou volgens hun religie de tijd worden uitgeleverd aan de god van de dood. Oudejaarsavond zou dus uitlopen op een regelrechte catastrofe. Om dat te vermijden voerden ze een nieuwe jaarkalender in, nu één die een cyclus van 260 dagen beschreef. Als het ene jaar was afgelopen, zou het andere jaar nog voortduren, en zolang er in ieder geval één enkel klokje doortikte, zou de apocalyps uitblijven. Na 52 jaren van 365 dagen en 73 jaren van 260 dagen echter zouden beide jaren tegelijk eindigen. Immers: 52 x 365 = 73 x 260 = 18.980 dagen. Wat deden de Maya’s daaraan? Ze voerden weer een nieuwe kalender in. Meer cycli, nog grotere bewegingen in de tijd werden bedacht om de dood de baas te blijven. Begin en einde van elke cyclus werd in het schrift van de Maya’s weergegeven door een getatoeëerde man met het hoofd in de nek. Wat ziet hij daar in de lucht? Een blauwe hemel? Eerder onheil. Ze noemden hem Nul, deze man, en hij werd geregeerd door de god van de dood. Nul staat niet aan het begin, maar aan het einde van de geschiedenis van onze getallen. Het werd eerder beschouwd als een duivels, onheilspellend teken dan als een handig rekeninstrument. De anekdote van de Maya’s om te illustreren hoe nul op de wereld kwam, spreekt voor zich.
Het getal 1 staat voor één ding, het getal 2 voor twee dingen, maar waarvoor staat nul? Voor niets? Maar wat is niets? Er is eigenlijk geen fysieke voorstelling van de maken, hooguit een religieuze, zoals bij de Maya’s. Een symbool voor nul ontbrak dan ook in de meeste culturen. Slechts in drie culturen werd de nul uitgevonden. In navolging daarvan is elders in de wereld de nul vroeg of laat in het rekensysteem opgenomen.
Het waren de Soemeriërs, de oudste bewoners van Mesopotamië in het huidige Irak, die de nul het eerst bedachten. Ongeveer 4000 jaar geleden ontwikkelden zij een getallenstelsel dat uiteindelijk tot de invoering van nul zou leiden.

Zie ook: Nul, een omstreden getal, http://community.netscape.com/n/docs/docDownload.aspx?webtag=ws-nlnewage&guid=dd36d9d9-6cea-4922-b0f0-8d80aee4a870

http://www.cobra.be/cm/cobra/2.10514

Cobra.be > Serge Van Duijnhoven in Cannes

Onze man in Cannes

Met journalist en dichter Serge Van Duijnhoven stuurt Cobra.be een eigenwijze correspondent naar de Franse kuststad. Wie zijn de grote namen van morgen ? Dat is Serges leitmotiv terwijl hij als een dolle hamster meedraait in het Cannes circus aan de Croisette.

“Biutiful” Cannes

film – In “Biutiful”, de nieuwe film van Alejandro Gonzáles Iňárittu, schittert Beste Acteur Javier Bardem als de met schuld overladen en doodzieke Uxbal.

Tags: Serge Van Duijnhoven in Cannes Cannes 2010 festival film javier bardem acteur alejandro gonzález iñárritu regisseur

Serge sprak met de Gouden Palmwinnaar

film – Onze man in Cannes mocht eerder deze week samen met enkele andere journalisten aan tafel met regisseur Apichatpong Weerasethakul, de latere Gouden Palmwinnaar.

Tags: Serge Van Duijnhoven in Cannes Cannes 2010 gouden palm film festival cannes 2010 uncle boonmee who can recall his past lives uncle boonmee apichatpong weerasethakul regisseur jury tim burton

Bilan final – Cannes 2010

film – Iedere filmcriticus zal een persoonlijk en ernstig beperkt oordeel over zijn ervaring op het festival van Cannes geven. Dit is ieder jaar zo, ook in 2010.

Tags: Cannes 2010 Serge Van Duijnhoven in Cannes cannes filmfestival festival recensie recensent biutiful film gouden palm alejandro gonzales inarittu regisseur javier bardem acteur

De vele facetten van Cannes volgens Serge en Arlette

Film – Serge Van Duijnhoven blikt in de tent van ‘Alice in Wonderland’ terug op een dromerige editie van het Filmfestival in Cannes. Beelden gemaakt door Arlette van Laar.

Horrorgenre opnieuw uitgevonden

film – Onze man in Cannes interviewt de jonge Mexicaanse regisseur Jorge Michel Grau over diens film, het kannibalistische drama ‘We are what we are’.

Tags: Serge Van Duijnhoven in Cannes Cannes 2010 we are what we are somos lo que hay jorge michel grau mexico cannes la quinzaine de réalisateurs film serge van duijnhoven interview

Bommelding overschaduwt Cannes

film – Op dit moment wordt Cannes overspoeld door zwaarbewapende ordetroepen met kogelvrije vesten. Aanleiding is de nieuwe film van Rachid Bouchareb: “Hors la loi”.

Tags: Cannes 2010 Serge Van Duijnhoven in Cannes hors-la-loi cannes bomalarm rachid bouchareb doodsbedreiging algerije pieds noir geschiedenis franse kolonisten burgeroorlog serge van duijnhoven

De oorlog voelbaar in Cannes

film – The Bang Bang Club en Armadillo – of hoe de oorlog ook in Cannes onder de huid kruipt van het publiek.

Tags: Cannes 2010 Serge Van Duijnhoven in Cannes the bang bang club film cannes oorlog oorlogsfotograaf journalistiek steven silver greg marinovich joao silva armadillo janus metz antropologie afghanistan denemarken soldaten

Van zandkasteel tot harteklop

film – Het festival van Cannes is niet alleen een sterrenparade voor de gevestigde waarden, maar ook een platform voor jong en onbekend filmtalent.

Tags: Serge Van Duijnhoven in Cannes Cannes 2010 film festival jong talent xavier dolan boo jung feng

Dreigende wolken boven Cannes

film – Met haar documentaire “Countdown to Zero” wil Lucy Walker de realiteit van het nucleaire gevaar weer op de agenda zetten. Nodig of naïef?

Tags: Serge Van Duijnhoven in Cannes Cannes 2010 film festival documentaire countdown to zero lucy walker atoombom raket wapens wapendwedloop

“Russell ! Russell !” “Cate ! Cate !”

film – Journalist en dichter Serge Van Duijnhoven is onze man in Cannes. Zijn avonturen leest u exclusief op Cobra.be.

Tags: Serge Van Duijnhoven in Cannes Cannes 2010 film filmfestival cannes croisette glamour zuid-frankrijk nice

De kruisweg van de Croisette

film – Journalist en dichter Serge Van Duijnhoven is onze man in Cannes. Zijn eerste indrukken van het mondaine filmfestival leest u exclusief op Cobra.be.

Serge is aangekomen in Cannes

film – Met journalist en dichter Serge Van Duijnhoven stuurt Cobra.be een eigenwijze correspondent naar de Franse kuststad. Vandaag schrijft hij zijn eerste indrukken.

Tags: Cannes 2010 Serge Van Duijnhoven in Cannes serge van duijnhoven film filmfestival cannes 2010 jury tim burton opening verslag

Countdown to Zero – over Oppenheimer’s traan en de angst voor het gespleten atoom

Dreigende wolken boven Cannes.

Met haar documentaire “Countdown to Zero” wil Lucy Walker de realiteit van het nucleaire gevaar weer op de agenda zetten. Nodig of niet? Zeer nodig! Maar: hoe effectief is deze shock and awe documentaire, geproduceerd door Hollywood tycoon Lawrence Bender die ook Inglorious Basterds produceerde, nu eigenlijk? Schokkend zeker, terecht ook, uiterst urgent. De documentaire grijpt je bij de strot. Tot in het laatste kwartier de happy go lightly rocktunes van een of andere rockband hun hoopvolle boodschap de wereld in drummen. Volgens insiders wordt deze film in elk geval de grote klapper van het najaar in de Verenigde Staten. Misschien kan het voor een omslagpunt zorgen in de van de radar verdwenen zorgen om het nucleaire gevaar en de alleen maar groter geworden mogelijkheid van annihilatie der menselijke beschaving door het al dan niet abusievelijk tot ontploffing laten komen van atoombommen. Als deze documentaire ergens heel duidelijk en verhelderend over is, dan is het wel over de keren dat de wereld reeds langs de rand van de afgrond heeft bewogen vanwege veelal stilgehouden ongelukken, aberraties, verroeste chips in computersystemen en op hol geslagen lanceringsmechanieken.

The ultimate number is… zero! Zeker. GLOBAL ZERO.

Optocht van de Vredesbeweging in Belgie - 1983

Metafysica vanuit de magie Hoop vanuit de wanhoop

over “Biutiful”
de nieuwe film van Alejandro Gonzáles Iňárittu

door Serge van Duijnhoven

CANNES – Dat het soortelijk gewicht van vele Arthouse-films die dit jaar in Cannes vertoond werden, zwaarder is dan een flink aantal  spotters of belangenbehartigers van de entertainment-industrie lief is, dat is natuurlijk begrijpelijk. Ieder zijn belang, ieder zijn smaak, ieder zijn ding. Maar zonder respect voor de wetten der vertelkunst en goed geregisseerd vermaak, zou er ook voor voornoemde werken geen plek te vinden zijn geweest op het erepodium van het theater van de sublieme illusie dat hier aan de Croisette jaarlijks zijn tenten op mag komen zetten.

Hoe je het ook wendt of keert, veel films die op het 63ste filmfestival te zien zijn geweest, gingen ECHT ergens over. In de beste gevallen wisten ze hun relevantie nog te paren aan een poëtische, subtiele, gelaagde of metafysische cinematografie die de werken nog verschillende malen interessanter maakten dan de grote sociaal-realistische klappers uit voorgaande jaren die een Gouden Palm in de wacht hebben weten te slepen.

                        Ronduit Biutiful

Neem de film die de Mexicaanse regisseur Alejandro Gonzáles Iňárittu (bekend van Los amores perros, 21 Grams, Babel) kwam voorstellen, samen met hoofdrolspeler Javier Bardem. Biutiful heet de film, bewust   gemankeerd gespeld, want een verwijzing naar de spellingsfout die de dochter van protagonist Uxbal per ongeluk maakt bij het invullen van haar huiswerk. De bijna tweeënhalf uur lange vertelling volgt de loodzware maar ook louterende laatste dagen van de doodzieke jonge vader, sjacheraar en hedendaagse Job-figuur genaamd Uxbal (een majestueuze rol van Bardem) die uit allemacht probeert zijn uiteengeslagen gezin bijeen te houden terwijl de dood overal op de loer ligt, zijn vrouw kampt met een bipolaire persoonlijkheidsstoornis, en hij zich ook nog verantwoordelijk voelt voor een heel netwerk van illegale Chinese sweatshop arbeiders en Afrikaanse straathandelaren die namaakartikelen in de straten van Barcelona aan toeristen proberen te slijten. Uxbal verdient geld als koppelbaas die bemiddelt tussen de Chinezen en Afrikanen, en als ziener die op de een of andere manier in contact staat met geesten van zojuist gestorvenen. Bedroefde familieleden betalen hem om hen de laatste gedachten, gevoelens en ervaringen van hun geliefden gewaar te doen worden. Nadat de politie met een angstaanjagende razzia op de Ramblas het netwerk van Afrikaanse verkopers heeft opgerold, probeert Uxbal de monden van zijn familie te voeden door als middleman geld op te strijken voor het tewerkstellen van de groep werkloos geworden Chinezen op de werf van een louche bouwondernemer.
 

                        Een boetedoening van formaat

Uxbal is een protagonist van de klasse Hamlet of Oedipus, die via de zweepslagen van het Lot tot op de bodem van zijn menselijkheid wordt neergeworpen. Hij pist bloed, vanwege zijn inmiddels al volop uitgezaaide prostaatkanker die hij veel te lang heeft laten aanslepen. Voor zijn directe omgeving houdt hij zijn terminale status verborgen, waarschijnlijk omdat hij zijn dierbaren temidden van alle dagelijkse miserie, ruzies en ongemakken, niet met nog meer zorgen op wil zadelen. Hij bekommert zich oprecht om het lot van een jonge Afrikaanse moeder wier man gedeporteerd gaat worden, en om het welzijn van de Chinezen die als opeengepakte sardientjes hun nachtrust moeten zien te verkrijgen op de koude vloer van een ondergrondse fabrieksloods. Omdat de winter nadert, koopt Uxbal een serie gasverwarmers voor de Chinezen die door hun wrede koppelbaas als vee worden behandeld.
De bekommernis van Uxbal pakt helemaal verkeerd uit als de groep mannen, vrouwen en kinderen op een ochtend blijkt te zijn gestikt door koolmonoxidevergiftiging. De goedkope gasradiatoren, die in de aanbieding waren (we zien hoe Uxbal op zoek gaat naar het model met de beste prijs) veranderen de loods in een gaskamer en maken van hoofdpersoon Uxbal onbedoeld een massamoordenaar. De geesten van de vergaste Chinezen, drijven hem letterlijk en figuurlijk tot aan de poorten van de hel.
Een vertrouwenspersoon die Uxbal met handopleggingen soms verlichting weet te geven voor zijn infernale pijnen, meldt dat het uur gekomen is om zijn laatste zaakje te regelen (een wel heel ironische manier om te zeggen dat hij in het reine moet komen met zijn immanente dood) en “de omgekomen Chinezen om vergiffenis moet vragen”. Ze geeft hem als een geheime gift voor zijn kroost twee zwarte stenen mee  – verdwaalde objecten uit het universum dat na Uxbals dood zorg zal moeten dragen voor het lot van zijn kinderen.
 
Tijdens dit offensief van tegenslagen, lukt het Uxbal om zijn ondergang met geheven hoofd tegemoet te treden. Hij overwint zijn onwil – die een uiting is van zijn angst – om vergiffenis af te smeken bij de Chinezen, verzoent zich met zijn onberekenbare vrouw die ook nog eens vreemd blijkt te gaan met Uxbal’s broer, en treedt als benefactor op voor de achtergebleven Afrikaanse moeder die hij voorziet van geld en woonst. In een slotscène die voor mij persoonlijk tot de allermooiste en ontroerendste uit de filmgeschiedenis behoort, zien we hoe Uxbal in de compassievolle schaduw van zijn dochter zijn laatste momenten beleeft in de benarde slaapkamer van zijn donkere appartement, en uit zichzelf treedt. Het beeld verschuift naar een visioen dat we – typisch Iňárittu – vanuit een net iets ander perspectief ook aan het begin van de film al hebben kunnen ervaren, zonder het toen te kunnen duiden.
Twee mannen, leeftijdgenoten eigenlijk, die elkaar tussen de besneeuwde dennen van een bos tegemoet treden, helpen elkaar een filterloze sigaret aansteken. De linkerman blijkt Uxbals grootvader die op jonge leeftijd aan tyfus is overleden in Mexico, nadat hij kort daarvoor uit Spanje was verdreven door dictator Franco. De andere, Uxbal, ondergaat de hereniging, die in aardse perspectieven eigenlijk toch vooral een kennismaking heet te zijn, met een licht geamuseerde, licht verwonderde glimlach die zoveel gratie en compassie op weet te roepen, dat Bardem alleen al voor het tevoorschijn toveren van dit ene metafysische moment tijdens de slotceremonie volkomen terecht gelauwerd is geworden met de Prix d’interprétation masculine, voor de best vertolkte mannelijke hoofdrol.

Uit handen van jurypresident Tim Burton ontving hij een palmtak van diamant en handgeslepen kristal, een trofee ontworpen door Caroline Scheufele van het prestigieuze sieradenmerk Chopard. Die Bardem evenwel om nog onopgehelderde redenen bleek te moeten delen met zijn Italiaanse collega Elio Germano, die de hoofdrol speelt in Daniele Luchetti’s La Nostra Vita. Volgens een Italiaanse Gala-journalist die als chroniqueur van de Europese jetset nogal tuk is op roddel en achterklap, heeft deze half- of dubbelhartige beslissing van de jury te maken met het feit dat er dit jaar maar liefst twee Italianen tegelijk in de jury van de hoofdcompetitie zetelden.

Terug naar de slotscène in het besneeuwde bos. Het is alsof twee broers, voor het eerst sinds een lange periode van balling- of gevangenschap, elkaar nog wat bedeesd maar toch ontspannen en nieuwsgierig de maat nemen. Ze roken hun sigaret, genieten van het uitzicht, delen een herinnering aan vroeger tijden en een gezamenlijke neef, terwijl het beeld langzaam maar zeker als in een droom verbleekt. Het boslandschap wordt als in een vanuit de grond opkomende mistvlaag uitgewist. En beide broeders of beter gezegd verwanten uit twee volstrekt verschillende tijden, vestigen plotseling allebei hun blik op iets wat ze wat verderop gewaar worden. Ze wijzen naar iets dat buiten ons (maar niet hun) blikveld is gelegen. Een plek die Iňárittu niet toevallig precies in de dode hoek van iedere filmzaal – de ruimte rechtsonder tussen kijker en projectiescherm die om optische en technische redenen nimmer door de banen van het licht kan worden benut. “What´s there?” vraagt de een aan de ander. Ze zijn niet bang, en verdwijnen kalm naar een elders dat buiten de zichtbare parameters van onze aardse wereld is gelegen.
                       
Oproep aan de filmgoden

Met deze film heeft Iňárittu een werk afgeleverd, dat niet alleen de worsteling in beeld weet te brengen van een in wezen goedhartig, persisterend mens met de vicieuze strapatsen van het lot. Maar tevens – en dat is het knappe – slaagt de film erin om zijn kijkers een metafysische sensatie te bezorgen van de allerhoogste orde. Wie bereid of in staat is om zich werkelijk mee te laten voeren door deze pikzwarte parabel, wordt aan het eind een glimp gegund doorheen de kieren van de Tijd. Wat Iňárittu zichtbaar of bespeurbaar maakt, dat is niets minder dan een uitzicht op een spirituele ontsnapping – zelfs al is het einde nabij en lijkt de ganse fysieke wereld die rondom onze karkassen kolkt, van kop tot tenen te creperen. The Readyness is All, laat Shakespeare Hamlet zeggen als zijn roep om wraak uiteindelijk al vergeefs lijkt. Het gaat erom te allen tijden vast te houden aan dat laatste beetje menselijke waardigheid, om zo de ziel voor een morele putrefactie te bewaren. Waar deze hartverscheurende film over gaat, dat is het weer tot bloei brengen van de roos van de hoop. Temidden van de stinkende mestvaalt die Uxbal’s omgeving in de multiculturele buitenwijken van Barcelona is geworden.

Een bijzonder lucide en bevlogen Alejandro González Iňárittu verklaarde tijdens de persconferentie die hij met Javier Bardem na afloop van de allereerste persvertoning op maandag 17 mei belegde in een tot de nok toe gevulde conferentieruimte waar ik journalisten om een zitplaats heb zien vechten: “Even if darkness seems to be everywhere, Biutiful offers many touches of hope. I’d even say it’s my most optimistic film. Uxbal’s character is full of light. He puts a lot into organising his life, helping his children, loving other people.” En Uxbal, zo legt Iňárittu vol vuur aan zijn beoordelaars uit, is misschien geen simpel of onschuldig – maar wel een oprecht mens.
“Daar gaat mijn film over: Echte mensen. Niet over explosies, cynisme, moord of oppervlakkig geweld. De reis van Uxbal in Biutiful is een intieme ervaring. Intimiteit is als een nieuwe vorm van punk. Intimiteit is provocatief. Kijk om je heen, deze samenleving is ziek tot op het bot. We zijn met z’n allen zozeer verwijderd van elkaar geraakt, al ons contact verloopt langs electronische of virtuele weg of anders wel in een keiharde maatschappij waar mensen elkaar uitbuiten, bestelen of schrik aanjagen. Ik zeg het jullie: deze film, dit verhaal: het gaat om ons. Uxbal is vol licht, hij is bijna een boeddhist die op weg is naar verlichting, maar hij is ook simpel, een sjacheraar die zich met louche zaakjes bezighoudt. Hij is geen heilige, maar bezit wel een fundamenteel en nederig vermogen tot compassie. Hij leert zichzelf weg te cijferen ten behoeve van het lot van anderen, en hoewel zijn eigen lot bezegeld lijkt, merkt hij dat het hem juist helpt om zich van zijn loden last te bevrijden. Hij is een oude strijder die zich in het zicht van de nederlaag op weet te richten. En zich zo aan een veel groter echec weet te onttrekken. Zijn gesjacher en geploeter en zijn getourmenteerde leven, blijken uiteindelijk niet voor niets te zijn geweest.”

Op dit punt aangekomen, lijkt Iňárittu een deel van de talrijke bewonderaars uit zijn publiek van zich te vervreemden. Is de briljante regisseur soms een hippie geworden? Een softie? Iemand die eenmaal thuisgekomen, lurkt aan een hasjpijpje?

“Luister,” reageert Iňárittu. Hij ratelt voort, één brok bevlogenheid, hier en daar struikelend over zijn Engelse zinnen. “Uxbal ging voor lange tijd gebukt onder de lasten van het leven. Hij droeg, zo leek het wel, het lot van de wereld op zijn schouders. Hoe dat zo gekomen is, weet hij zelf ook niet. Hij vraagt uiteindelijk om vergiffenis. Of de omgekomen Chinezen hem die verlenen, en wat dat nu betekent voor Uxbal of voor ons, zal iedere bezoeker voor zichzelf uit moeten maken.”
Een essentiële bijdrage tot de magie van de film, levert het camerawerk van Rodrigo Prieto. Die weet het keiharde en troosteloze leven in de Santa Coloma enclave in Barcelona, waar het kolkt van de illegalen uit alle windstreken, in zon en schaduw, met felle en grove penseelstreken, een Goya-achtige kwaliteit te geven. De stad heeft niks meer van de pittoreske postkaart-charme die Woody Allen zo vrolijk bijeen trachtte te plakken in zijn comedy of errors “Vicky, Christina, Barcelona”’ die hier twee jaar geleden ook al zijn première beleefde. Met ook daarin trouwens een uiterst overtuigende rol van Javier Bardem, als kunstenaar en latin lover, die (onbedoeld of niet) het hart op hol doet slaan van twee Amerikaanse vriendinnen die een zomer lang de stad bezoeken.
Cameraman Prieto portretteert Santa Coloma als een slagveld, waar voortdurend culturen botsen, mensen jakkeren, illegalen zich als insecten in nissen verschuilen, en waar met de gierende komst van hele cordons vreemdelingenpolitie, de straten ook soms echt in een drijfjacht veranderen. Waarbij de Senegalezen doldriest worden klemgereden door ordetroepen die met hun wapenstok tekeer gaan als een op speed en red bull klaargestoomde cohorte troglodyten. De razzia levert een van de meest angstaanjagende taferelen op uit de hele film, waarbij nietsvermoedende toeristen tijdens de opnamen ongetwijfeld door een wat satanische regisseur moedwillig moeten zijn verrast door een dertigtal over tafels, stoelen en pafferige lijven heen vluchtende Afrikanen. Alsmede door de drijfhonden met hun wild in het rond meppende ritmeesters, die geen bot ongebroken wensen te laten. Een danse macabre die in de tiende versnelling wordt vooruitgespoeld, waarbij vergeleken de achtervolgings-scènes uit The Jason Bourne Trilogy lijken te zijn opgenomen in het tempo van een hangdans van The Scorpions op de vloeren van een Hardrock Café.
Het ontroerendst vind ik Prieto’s opnamen van een zwerm spreeuwen die – als een aankondiging van Uxbal’s op handen zijnde passage naar een andere wereld – hem tekenen lijken te geven in de stuurse najaarshemel van een afgekoeld azuur. Het is of de vogels letters schrijven in de hemel, die Uxbal op de een of andere manier in staat is te lezen. De overheersende toonkleuren in Biutiful zijn donker, grijs en grimmig. Er heerst een permanente dreiging in, boven en onder de stad. Die schudt, ronkt en rommelt als een vulkaan die zich rondom de krater in haar eigen brokken lava heeft verslikt.
De enige scène die zich afspeelt in een sfeer van felle kleuren, is er een waar een radeloos vertwijfelde Uxbal voor enige momenten troost zoekt bij het gezelschap van zijn coky broer, een nachtclubeigenaar die even onoprecht is als de glimmende extase van de partyladies waarmee hij zich in zijn leren hoekzetel pleegt te omringen. Het is hier, naast een Oost-Europees hoertje dat hem vraagt waarom hij niet vrolijk is en of hij niet nog een snuifje cocaïne wil of een dansje met haar wil wagen op de door stroboscooplicht en laserkanonnen geanimeerde discotheekvloer, dat hij voor het eerst aan iemand bekent dat hij leidt aan een terminale vorm van kanker die is uitgezaaid in bloed en lever. En dat hij dus waarschijnlijk niet meer lang te leven heeft. Het meisje blijft hem aangrijnzen met een stationaire glimlach, waarschijnlijk heeft ze geen woord verstaan van wat hij bekende.
Temidden van het bruisende leven in de disco, de met tepels versierde blote konten van de paaldanseressen, de drank, drugs en bonkende dance die door de ruimte schalt, is het alsof Uxbal er voor het eerst vrede mee kan krijgen dat het leven weldra zonder hem zijn voortgang hebben zal. Dat de wereld ook zonder hem wel als een dollemolen rond zal blijven spinnen rond zijn as. Er gaat een knop om in Uxbal’s bewustzijn. Hij besluit niet meer te sjacheren, maar met geheven hoofd en een gerust gemoed zijn immanente nederlaag in dit aardse strijdtoneel tegemoet te treden.


Leven en dood maken deel uit van dezelfde elementaire cyclus van generatie-degeneratie- putrefactie-regeneratie, waar de vredestichtende oude Griekse filosoof Empedokles al in de vijfde eeuw voor Christus over schreef in zijn leer over de vier elementen: vuur, water, aarde en lucht. Empedocles geloofde in zielsverhuizing en zei dat hij eerder zowel een jongen als een meisje, een struik, een vogel en een vis was geweest. Volgens mij pleegt Iňárittu een verwijzing naar Empedocles, als de handoplegster Uxbal twee stenen overhandigt met de opdracht om die voor zijn dood als een geschenk weer door te geven aan zijn zoon en dochter.
Voor het eerst begrijpt Uxbal, wat het is dat de handoplegster eigenlijk van hem vraagt. Of hem niet vraagt, maar hem voor de keus stelt. Iňárittu’s protagonist beseft dat hij zich op een drempel bevindt tussen lichamelijke ziekte en geestelijke verlossing. Tussen gravitatie en levitatie. Tussen het ik en het wij. Het Een en het Al. De kijker die zich door de Mexicaanse beeldmagiër mee laat voeren naar dit punt van inzicht en verlichting – dat in het gemoed van Uxbal helaas pas in wil treden na een jammerlijke dosis smart, pijn, conflict en levenslessen (Empedocles’ wet van Tweespalt en Hereniging), die merkt dat hij daarna ook zelf wordt aangespoord om een kijkje te nemen over de drempel die de regisseur zijn held laat oversteken. Een chilling experience, die bij mij de rillingen over mijn rug deed lopen. En bij vele anderen vrijelijk de tranen lieten opwellen. De Nederlandse tv-journaliste die tijdens de persconferentie bekende dat ze het laatste half uur van de film haar ogen geen seconde droog had weten te houden, kon rekenen op een instemmend en tevreden gegrom van de Mexicaanse regisseur.
Op de drempel tussen het toilet en de bedompte slaapkamer, ergens halverwege bed en vloer, zijgt Uxbal uiteindelijk ineen, al bloed pissend en kotsend, om – na een liefdevolle opmerking tot zijn dochter – geruisloos te voldoen aan wat de Chinezen (bij wie Uxbal vergiffenis moest vragen) noemen “Ai Zi” – het uitblazen van de laatste ademtocht. Ik ben verschillende keren getuige geweest van het verscheiden van een dierbare. Bij het sterven van mijn vader raakte ik zo in paniek toen ik het definitieve einde voelde naderen, dat ik besloot zijn laatste stoten lucht op te nemen op een cassetterecorder. Ik wilde plotseling perse iets tast- of hoorbaars van mijn vader overhouden, nu hij voor mijn ogen bezig was om te verdwijnen.
De blik die me na dit moment van laatste ademtocht alsnog door Alejandro González Iňárittu wordt gegund op Uxbal’s ziel die zich peinzend, verwonderd, kalm, vanaf de grond en het achtergelaten lichaam verheft tot op de radiator, was mij nimmer eerder zo gegund. De tranen die komen zijn er geen van verdriet, maar van het besef “wat nu eigenlijk de prijs is geweest” die Uxbal voor zijn offer heeft op moeten brengen. En tegelijkertijd tranen van voldoening voor de rust, het licht en de kalmte die onze held dan eindelijk gegund zijn. Gedaan met het gejakker, gesjacher, geploeter, gefoeter, gejaag, geplaag, gezever. Eindelijk is Uxbal in staat om zich te richten op de geheime songlines van de tijd waar het in dit universum ooit allemaal werkelijk om schijnt te zijn begonnen. Zie weer: Empedocles, in zijn traktaat Over de natuur:.
‘Nooit komt er een einde aan de voortdurende wisseling van de elementen, die nu eens door Liefde allemaal tot één samenkomen en dan weer, stuk voor stuk, door de vijandschap van de Tweespalt van elkaar wegvliegen. In zoverre op deze wijze het ene uit het vele ontstaat en uit de splitsing van het ene weer het vele voortkomt, ontstaan de dingen en hebben zij geen eeuwig leven. In zoverre hun voortdurende wisseling niet ophoudt, zijn zij eeuwig en bevinden zij zich in een ongestoorde en rustige kringloop.’

Nogmaals – voor de laatste maal beloof ik – keer ik terug naar die verbluffende slotscène uit Alejandro González Iňárittu’s film die de Gouden Palm van het 63ste Filmfestival in Cannes beslist had moeten winnen. Twee verwanten, broers of neven, vader of zoon, grootvader of kleinzoon, maar misschien ook wel twee boezemvrienden of strijdmakkers uit de tijd van Franco’s Falangisten en de anti-fascistische brigades… Daar staan zij, tussen de dennenbomen in het besneeuwde bos. Je ziet dat ze genoegen scheppen in elkaars gezelschap. Ze hebben geen haast. Ze nemen een trekje van hun sigaret, kijken wat rond. Halen een oude anekdote aan over een verre neef van hen die ooit iets doms deed. Ze lachen. Dan, ineens, wordt een van hen iets gewaar dat zich verderop bevindt. Ergens, elders… “opzij van het kijken”, zou Gwy Mandelinck zeggen – de oude bezieler van Watou en dichter van het rauwe West-Vlaamse land en de schorre emotie. Wat is het dat deze twee mannen van hooguit dertig, veertig jaar, daar plotseling in hun blikveld krijgen?
Wat is het dat ons tweetal ziet, daar in dat bos?
Tijdens de persconferentie suggereert Iňárittu zelf het antwoord. Wat ze zien, is een manifestatie van de Hoop.

© Serge van Duijnhoven

Gesprek met regisseur Apichatpong Weerasethakul, de Gouden Palmwinnaar 2010

Cobra.be – 24/05/2010 – Arlet Van Laar

Onze man in Cannes mocht eerder deze week samen met enkele andere journalisten aan tafel met regisseur Apichatpong Weerasethakul, de latere Gouden Palmwinnaar.

De beelden zijn geschoten door en eigendom van Arlette van Laar, Amsterdam NL. Copyright should be respected.

Serge Van Duijnhoven in Cannes Cannes 2010 gouden palm film festival cannes 2010 uncle boonmee who can recall his past lives uncle boonmee apichatpong weerasethakul regisseur jury tim burton

Charlotte Gainsbourg reikt de Gouden Palm uit aan Joe, Cannes 2010

Bilan final – Cannes 2010

Bilan final – Cannes 2010.

Bilan final – Cannes 2010Auteur: Serge Van Duijnhoven

zo 23/05/2010 – 17:27 Iedere filmcriticus zal een persoonlijk en om tal van redenen ernstig beperkt oordeel over zijn of haar ervaring op het filmfestival van Cannes geven. Dit is ieder jaar zo, ook wat betreft de editie van 2010.

Cannes 2010 Serge Van Duijnhoven in Cannes cannes filmfestival festival recensie recensent biutiful film gouden palm alejandro gonzales inarittu regisseur javier bardem acteur

Meer van onze man in Cannes

Een gemotiveerde cinefiel zou aan drie lichamen en een ondersteunend team van vier assistenten nog niet genoeg hebben om alle films die op het festival een podium krijgen in de diverse competities, categorieën en sub(festivalletjes) te zien, te overdenken, doorgronden en van context te voorzien via afzonderlijke interviews of gesprekken met de regisseurs en de crew van de talloze producties.

Truth is in the eye of the beholder

Het is goed om te realiseren dat een mening van een recensent over het festival, enkel maar een gefragmenteerd en gebrekkig zichtpunt vertegenwoordigd ten aanzien van een immens geheel dat in zijn veelvormig- en veelkoppigheid ieder jaar weer de trekken vertoont van een nieuw galaxy of sterrenstelsel dat men vanuit de diepte van een immer uitdijend heelal heeft kunnen ontdekken en waar men met telescopen voor het eerst een glimp van heeft mogen opvangen.

Een behoorlijk aantal van mijn collega´s hier in de coulissen van het festival, hebben laten uitschijnen dat deze 63ste editie ze minder dan vorige keren heeft kunnen bekoren. Vaak zeggen hun teleurgestelde (Ben van Alboom), zuinige (Bor Beekman), snobistische of ronduit blasé commentaren – zo ben ik sterk geneigd te denken – meer over de personen in kwestie dan over het festival an sich. Ik heb het al vaker geschreven hier op deze weblog voor Cobra: Truth is in the eye of the beholder. Het ligt er maar net aan welke keuzes je gemaakt hebt, welke prioriteiten je gesteld hebt en vooral in welke richting je bereid bent te kijken, om te zien wat er in deze specifieke editie aan diepers te ontdekken en magisch te beleven valt.

Bloedstollende thrillers, epsche portretten en onthullende true stories

Voor al wie gepassioneerd is door geschiedenis en actualiteit, was dit festival een voltreffer. De beurs- en kredietcrisis werden in tal van films nauwgezet, dramatisch, fictief dan wel documentair, onder de loep genomen. Met vaak verbluffend resultaat. Zo was er het Shakespeariaanse Hollywood spektakel van Oliver Stone, Money never sleeps, het anthropologische Duitse dissectie-drama van een volstrekt amorele bankdirecteur in Unter dir die Stadt van Christoph Hochhäusler, er was het onthullende portret van gehaaide, dolgedraaide zakenlieden in Inside Job, het hyperreële The City of Cleveland versus Wall Street, en ga zo maar door.

Daarnaast waren er bloedstollende thrillers, van epische meesterwerken tot keiharde portretten en onthullende true stories over oorlog en vrede; over Irak (Doug Liman´s Fair Game), de brute en vuile onafhankelijkheidsstrijd der Algerijnen in het Frankrijk van de jaren vijftig (Bouchareb´s Hors la loi), Afghanistan (Armadillo), het zes uur durende, hyperspannende en gelaagde portret dat Olivier Essayas maakte van meesterterrorist Carlos de Jakhals. Er was de geheel uit historische beelden geresampelde “autobiografie” van Ciaucescu die de Roemeense maestro Andrej Ulica uit zijn intellectuele hoed wist te toveren, het intimistische “coming to terms with the past and the present” pareltje Sandcastle van de Singaporese regisseur Boo Jung Feng. En de door Hollywood geproduceerde Shock and Awe documentaire Countdown to Zero die ons opnieuw bewust wil maken van de mogelijkheid van een nucleaire Apocalyps die het voortbestaan van de mensheid nu meer dan ooit op het spel dreigt te zetten. Als dat geen indrukwekkende resem aan relevante, spannende, urgente en adembenemende films heeft opgeleverd, dan ben ik bereid – of zie ik mezelf genoodzaakt – me per immediat tot “stinkende paparazzo” te laten omscholen die zijn ogen strakker weet te focussen op waar het volgens sommigen op en rond de Rode Loper van het Palais des Festivals toch in de allereerste plaats behoort te gaan: het fonkelende gala van de glitter, glamour, kitsch en sterrendom.

Dat het soortelijk gewicht van bovengenoemde films zwaarder is, dan een heel aantal liefhebbers of belangenbehartigers van de entertainment-industrie lief is, dat is natuurlijk begrijpelijk. Ieder zijn smaak, maar zonder respect voor de wetten der vertelkunst en vermaak zou er ook voor voornoemde werken geen plek te vinden zijn geweest op het erepodium van het grote theater van de sublieme illusie dat hier jaarlijks aan de haven van Cannes zijn tenten op mag komen zetten. De films die er op het 63ste filmfestival te zien zijn geweest, gingen in vele gevallen ECHT ergens over. En in de beste gevallen wisten ze dit te paren aan een poëtische, subtiele, gelaagde, sexy of metafysische cinematografie die de werken wat mij betreft nog interessanter maakten dan sociaal-realistische klappers uit voorgaande jaren zoals de Gouden Palm winnaars Entre les murs uit 2008 en L´enfant uit 2005.

Ronduit Biutiful

Neem de film die de Mexicaanse regisseur Alejandro Gonzáles Iňárittu afgelopen week kwam voorstellen, samen met hoofdrolspeler Javier Bardem, in het Grand Palais Lumière. Biutiful heet de film, bewust fout gespeld, want een verwijzing naar de spellingsfout die de dochter van de protagonist per ongeluk maakt bij het invullen van haar huiswerk. De bijna tweeënhalf uur lange vertelling volgt de loodzware maar ook louterende laatste dagen van de doodzieke vader, sjacheraar en hedendaagse Job Uxbal (een majestueuze rol van Bardem) die uit allemacht probeert zijn uiteengeslagen gezin bijeen te houden terwijl de dood overal op de loer ligt, zijn vrouw kampt met een bipolaire persoonlijkheidsstoornis, en hij zich ook nog verantwoordelijk voelt voor een heel netwerk van illegale Chinese sweatshop arbeiders en Afrikaanse straathandelaren die namaakartikelen in de straten van Barcelona aan toeristen proberen te slijten. Uxbal verdient geld als koppelbaas die bemiddelt tussen de Chinezen en Afrikanen, en als ziener die op de een of andere manier in contact staat met geesten van zojuist gestorvenen. Bedroefde familieleden betalen hem om hen de laatste gedachten, gevoelens en ervaringen van hun geliefden gewaar te doen worden. Nadat de politie met een angstaanjagende razzia op de Ramblas het netwerk van Afrikaanse verkopers heeft opgerold, probeert Uxbal de monden van zijn familie dan maar te voeden door als middleman geld op te strijken voor het tewerkstellen van de groep werkloos geworden Chinezen op de werf van een louche bouwondernemer.

Een boetedoening van formaat

Uxbal is een protagonist van de klasse Hamlet, Job of Oedipus, die via de zweepslagen van het Lot tot op de bodem van zijn menselijkheid wordt neergeworpen. Hij pist bloed, vanwege zijn inmiddels al volop uitgezaaide prostaatkanker die hij veel te lang heeft laten aanslepen zonder hulp te zoeken. Voor zijn directe omgeving houdt hij zijn terminale status verborgen, waarschijnlijk omdat hij hen te midden van alle dagelijkse miserie, ruzies en ongemakken, niet met nog meer zorgen op wil zadelen. Hij bekommert zich oprecht om het lot van een jonge Afrikaanse moeder wier man gedeporteerd gaat worden, en om het welzijn van de Chinezen die als opeengepakte sardientjes in een blik hun nachtrust moeten zien te verkrijgen op de vloer van een ondergrondse fabrieksloods. Omdat de winter nadert, koopt Uxbal een serie gasverwarmers voor het comfort van de Chinezen die als vee worden behandeld door hun wrede Chinese koppelbaas. De bekommernis van Uxbal pakt helemaal verkeerd uit, als de Chinezen – mannen, vrouwen en kinderen – op een ochtend blijken te zijn gestikt door koolmonoxidevergiftiging. De goedkope gasradiatoren, die in de aanbieding waren (we zien hoe Uxbal op zoek gaat naar het model met de beste prijs) veranderen de loods in een gaskamer en maken van Uxbal onbedoeld een massamoordenaar. De geesten van de vergaste Chinezen, drijven Uxbal letterlijk en figuurlijk naar de poorten van de hel.

Een waarzegster en vertrouwenspersoon, die Uxbal met handopleggingen soms verlichting weet te geven voor zijn infernale pijnen, meldt dat zijn einde nadert, dat hij zijn laatste zaken moet zien te regelen (een wel heel ironische manier om te zeggen dat hij in het reine moet komen met zijn dood) en vergiffenis moet vragen aan de zielen van de omgekomen illegale Chinezen. Ze geeft hem twee donkere, glinsterende stenen mee – objecten uit het universum, dat na Uxbals dood zorg zal moeten dragen voor het welzijn en lot van zijn kinderen. Na een hele reeks van tegenslagen, lukt het Uxbal om zijn lot te aanvaarden, om vergiffenis af te smeken bij de Chinezen, vrede te sluiten met zijn gestoorde en gewelddadige vrouw, en als benefactor op te treden voor de achtergebleven Afrikaanse moed er. In een slotscène die tot de allermooiste en ontroerendste uit de filmgeschiedenis behoort, zien we hoe Uxbal troost zoekt bij zijn dochter, hoe hij zijn laatste momenten beleeft in de benarde slaapkamer van zijn donkere appartement, en uit zichzelf treedt. Het beeld verschuift naar een visioen dat we –typisch Inarritu – ook al aan het begin van de film hebben gezien, zonder het te kunnen duiden. Twee mannen, leeftijdgenoten eigenlijk, die elkaar tussen de besneeuwde dennen van een bos, een sigaret helpen aansteken. De linkerman blijkt Uxbals grootvader die op jonge leeftijd aan tyfus is overleden in Mexico, nadat hij uit Spanje was verdreven door dictator Franco. Het is of twee broers na lange tijd weer met elkaar herenigd zijn. De tijd sluit zich als een verwarmende omarming om het lot van beiden heen. Ze wijzen naar iets dat buiten beeld ligt, verderop in het bos. “What´s there?” vraagt de een aan de ander. Ze zijn niet bang, maar nieuwsgierig, en verdwijnen naar een elders dat buiten het leven in dit helse ondermaanse is gelegen.

Oproep aan de filmgoden

Met deze film heeft Iňárittu een meesterwerk afgeleverd, dat niet alleen op ongeëvenaarde wijze de ellende van armoede en de fatale valstrikken van het lot in beeld heeft weten te brengen, maar tevens de sensatie weet te geven van ware magie die ons een glimp gunt doorheen de kieren van de Tijd. Recht in dat gapende gat van ons kille, koude universum van waaruit ooit dit hele aardse tranendal tevoorschijn heeft kunnen kruipen. Ik krijg nog steeds de bibberingen als ik terugdenk aan deze film. Moge hij de filmgoden gunstig stemmen, en vanavond in Cannes de prijs winnen die hij dubbel, dik en dwars als geen andere film verdient.

Serge van Duijnhoven voor Cobra.be