Bij de dood van Tonio van der Heijden 15.06.1988 – 23.05.2010

De laatste dagen volstrekt van slag door het nieuws van de brute dood van Tonio, enige zoon van de schrijvers Adri van der Heijden (A.F.Th.) en Mirjam Rotenstreich. Tonio is vorig weekeinde terwijl hij op de fiets zat, na een feest in Paradiso te Amsterdam, geschept door een auto. Op de hoek Stadhouderskade – Hobbemastraat. Van half vijf ’s ochtends tot half vijf ’s middags hebben artsen gevochten voor zijn leven. Uit de operatiekamer is hij in het bijzijn van zijn ouders gestorven.

Tonio was ambitieus en stond midden in het leven, hij had net te kennen gegeven een Masters te willen halen (hij studeerde media-techniek aan de Universiteit en was bovendien fotograaf). Hij was hun enige zoon en laat hen kapot achter. In een brief die Adri aan vrienden rondstuurde, zat een foto, een zelfportret van Tonio, waarin hij zichzelf heeft gekleed en poseert als het beroemde portret van Oscar Wilde.

Tonio\’s Picture of Oscar Wilde

Tonio is geboren op 15 juni 1988, ik ben de baby destijds als zeventienjarige rakker die Adri adoreerde en als Ossisch schoolkrant-jochie ook nog trots mocht frequenterenen, gaan bezoeken in de Jacob Obrechtstraat in Amsterdam. Heb een zilveren lepeltje laten graveren met zijn naam erin. En het boek Tonio Kröger gekocht, van Thomas Mann – naar wie Mirjam haar zoon verkoos te vernoemen.
In Adri’s nauwgezette dagboeknotities die de Arbeiderspers in 2003 onder de titel Engelenplaque uitbracht in de reeks Privédomein (d.d. 12 november 1998), staat geschreven: ‘Het is de oudste vorm van ruilhandel: Wij doden de tijd, de tijd doodt ons. Gelijk oversteken…’ Zaken als de verlossing van de menselijke ziel of de voltrekking van het Laatste Oordeel,  zo suggereert A.F.Th., zullen Leenheer Tijd een rotzorg zijn. Op meededogen hoeft geen mens te rekenen. Maar tegelijkertijd zal deze oerkracht van de pachters op aarde nimmer meer opeisen dan Hem toekomt.. Geen enkel wezen heeft de morele of godsdienstige verplichting om zorg te dragen voor het lenigen van een schuld die groter is dan zijn bestaan vanwege de collectieve last der ‘erfzonde’. De Natuur kent geen goed of kwaad, slechts overwinnaars en verliezers. Zij die omkomen, zij die overleven…

In de krant werd bericht dat de chauffeur een 23 jarige jongeman was. Naar alle waarschijnlijkheid niet dronken. Het ene leven dat tegen het andere werd weggestreept. Het is allemaal niet te geloven. Hoe dit soort calamiteiten te duiden?

Ik herinner me wat dit betreft die pikdonkere, grimmige Western van Clint Eastwood: Unforgiven (1995). Op het moment dat Clint de soevereine sherrif Little Bill (Gene Hackman) eindelijk in het stof doet bijten, vraagt die laatste vertwijfeld: Why do I deserve this? Waarop Clint doodkalm antwoordt, vlak voor hij de trekker overhaalt: Deservance’s got nothing to do with it, Little Bill. Het is een heel gangbare, maar veel minder sublieme illusie dan die bv. op het filmfestival in Cannes – waar ik de afgelopen weken vertoefde – jaarlijks gevierd wordt: dat we in dit leven uiteindelijk allemaal kunnen of moeten krijgen wat we verdienen. Ben je mal.

Shakespeare biedt als immer troost. Weg ouwe albedil, dood, weerhoudt uw schimmen!

Moge Tonio van der Heijden – zoals de besten onder ons te vroeg vertrokken op zijn reis door de Tijd – rusten in Vrede. En moge Mirjam en Adri de kracht vinden om vanaf de bodem van dit verdriet, het verpletterende verlies van hun enige lieve zoon te
dragen. Etiam pro nobis…

Tonio fotografeert zichzelf als de artistieke fotograaf die hij was en verder wilde worden

 

 

Advertenties

Naast het praalgraf van Picornie (over Joris Abeling)

Joris Abeling (m)

Volledige naam: Joris Alexander Roverius Abeling
Joris werd op 13 september in het jaar 1971 in Amsterdam geboren.
Hij is op 16 februari in het jaar 1998 in Hongarije, tijdens een tragisch auto-ongeluk, overleden. Hij ligt begraven op begraafplaats De Nieuwe Ooster, pal naast Ajax-uebervandaal Carlos Picornie – over wie Joris bij leven nog een tv-documentaire probeerde te maken voor de VPRO.

Abeling,Joris19960118-29

  1. Royalty ’98
    (Redactie)
    Uitgeverij De Bezige Bij, ISBN 90-234-3755-1, 1998, geen informatie over leverbaarheid.
  2. Teloorgang en wederopstanding van de Nederlandse monarchie (1848-1898)
    (Auteur)
    Prometheus, ISBN 90-5333-372-X, 1996, geen informatie over leverbaarheid.
  3. Aan iedere spijker een regel
    (Redactie)
    Prometheus, ISBN 90-5333-388-6, 1995, geen informatie over leverbaarheid.
  4. Interviews uit Nederland
    (Inleiding, Samenstelling, Secundaire auteur)
    Prometheus, ISBN 90-5333-254-5, 1994, geen informatie over leverbaarheid.
  5. Willem III
    (Auteur)
    Mets/Passatempo, ISBN 90-5330-133-X, 1994, geen informatie over leverbaarheid.

Op 16 februari 1998 kwam Joris Abeling tijdens een verkeersongeluk in Hongarije om het leven. Joris was medeoprichter van MillenniuM, auteur van enkele historische werken over de Nederlandse monarchie, en al meer dan een decennium mijn beste vriend. Het einde kwam na een verblijf in de Bosnische heuvels, waar we samen op skivakantie waren gegaan in het roversnest van Radovan Karadzic. Joris stierf naast me in mijn Honda, zijn knie tegen de mijne, met op schoot een klassiek boek over voetbalvandalen, Among the thugs van Bill Buford. Hij las er uit voor toen het lot zijn smerige valstrik bereidde, in de buurt van dat onmogelijke kleine, vervloekte plaatsje Nemeskeresztur, waar een dronken onverlaat op een slechte maandag de fout maakte linksaf te slaan, een landweggetje op, zonder daarbij diens richtingaanwijzer te gebruiken.
Tijdens onze heenreis vroeg Joris aan de receptioniste van Hotel Dunav of de vrouw bang was dat er wellicht weer eens oorlog in het gebied kon uitbreken. Waarop de vrouw onbewogen riposteerde: `natuurlijk, zoiets kan altijd weer gebeuren.’ Joris vertelde daarop een grap uit de tv-serie Blackadder met Rowin Atkinson. Blackadder staat in de bewuste scene voor een doodspeloton, en de commandant vraagt aan Blackadder of hij nog een laatste wens heeft. Waarop Blackadder zegt: `Could you perhaps make me a little pause between ready and fire. Something like twentyfive years.’
Ik heb hier vaak aan terug moeten denken na het ongeluk. Joris heeft op een akelige manier zijn pauze gekregen tussen ready and fire. Hij werd zesentwintig.

Als ik op een vrijdagmiddag de Oosterbegraafplaats bezoek in Amsterdam, zie ik dat op Joris’ graf een zin staat uitvergroot uit een van zijn brieven die hij naar huis schreef toen hij in Engeland studeerde.
`Zal zo mijn leven zijn…
dat ik, bang veel tijd verloren te hebben,
op een dag zie hoe vroeg het is?’
De woorden staan er in een nog brandschoon handschrift. Ik huiver als ik bedenk hoe Joris de regels als zeventienjarige moet hebben opgeschreven, zonder te kunnen vermoeden dat ze nu, tien jaar later, al op zijn graf zouden staan. Het gekopiëerde, uitvergrote fragment is met een kleurenfoto op een plankje geplakt dat rechtop in de aarde is gedrukt. Een echte grafsteen is nog in de maak. Joris’ rustplaats is vooralsnog een toonbeeld van ingetogenheid tussen de vele protserige monumenten waarmee nabestaanden hun dierbare doden voor de vergetelheid willen behoeden. De meeste graven schreeuwen om aandacht. Vergeleken daarbij is de plek waar Joris ligt een scheepje met wat aarde, bloemen en een rieten waakvlam-mandje, dat rustig wegdrijft in de tijd.
Twee stappen verder prijkt het praalgraf van de koning der vandalen, Carlo Picornie, de Ajax-supporter die met honkbalknuppels en metalen staven bij Beverwijk het hiernamaals in geslagen werd. Zijn forse lichaam was achtergebleven in een weiland nadat de stoottroepen van Feyenoord en Ajax er slag hadden geleverd. De Hotemetoten hadden collectief de aftocht geblazen toen de politie in zicht was maar het lijk van de gesneuvelde gladiator was te zwaar om tijdig te kunnen worden weggesleept.
De lokatie van Joris’ graf had ik mogen bepalen samen met zijn vriendin Yoline. Die had me destijds na de repatriëring in een rolstoel tussen de hagen door gemanoeuvreerd, en uiteindelijk waren we hier tot stilstand gekomen. De medewerker van de begraafplaats vroeg of we het niet erg vonden dat Picornies graf op steenworp afstand lag, `in verband met mogelijke Ajax-pelgrimmages’.
Yoline had me aangekeken. Allebei dachten we aan het boek van Bill Buford dat de brandweerlieden in Hongarije van Joris’ schoot hadden geplukt. Het King Size marmeren matras verderop was ons slechts half opgevallen. Noch Yoline noch ik had de moeite genomen om de naam te lezen die in krulletters gegraveerd stond in het opengeslagen boek dat als grafsteen op het familiegraf was gezet. De goeddeels lege pagina’s leken te smeken om nieuwe namen die konden worden toegevoegd. De familie Picornie had een behoorlijke wissel op de toekomst genomen; de weduwe die achterbleef was amper dertig. Wat er ook zou gebeuren in haar verdere leven, niemand zou vergeten dat hier een stenen bruidsbed voor haar lag gespreid. Ze hoefde er enkel nog in te gaan liggen.
Voor het VPRO-programma Lopende Zaken had Joris een uitzending willen maken over het verborgen leven van hotelbaas, huisvader en supervandaal Picornie, maar zijn plannen waren afgeketst op de onwil van deze en gene om voor de camera te verschijnen.
Yoline en ik konden het niet erg vinden dat Joris en Picornie buren werden. Es muss sein. De diepere bedoeling van dit `grapje van het toeval’ bleef onduidelijk, maar op zoek gaan naar een andere plek leek ons flauwekul. Boven onze hoofden klonk de gnuivende lach van Joris, blijkbaar kon hij het gezelschap van Picornie wel waarderen.

Het graf van Joris op de Nieuwe Ooster, naast Picornie. Het rugzakje is van brons.

Het graf van Joris op de Nieuwe Ooster, naast Picornie. Het rugzakje is van brons.

’s Avonds, na het bezoek aan de begraafplaats, heb ik even heel sterk het gevoel, als ik naar de laatste foto kijk die ik van Joris vriend heb genomen in het computerloze Internet-café van Sarajevo, dat er na de dood helemaal niks meer is. Dat het allemaal weg en over is, het lichaam en de geest die erin huisde enkel nog wat chemische restjes die allengs oplossen in de omgeving. En dat het hele gezever van `je een houding vinden’ ten opzichte van de dood en `het plek geven’ aan overleden dierbaren, enkel en alleen een probleem is van de overlevenden; de rust van de doden is dan pikzwart maar volledig.

Misschien te mooi om waar te zijn. Meestal zijn mijn gedachten en vermoedens over de dood niet zo nihilistisch. Als ik de Michielshelling in Gent over ga, steek ik halverwege bij de bronzen beeltenis van de Drakendoder altijd even mijn rechter vuist op als saluut aan my brother out there.
En verder?
Het antwoord staat hier in Gent op de muur van een steeg geschreven: WIJ DOEN VERDER!
Wat anders?
Joris heeft zich niet voor niets aan zijn ribben laten rijgen.

fragmenten hierboven afkomstig uit: [Balkan] Wij noemen het rozen, (uitg. Podium 1999)

————————————————————————

Alleen de helden springen precies op tijd
(de rest sukkelt er maar een beetje achteraan…)

afgelopen maandag
een boottochtje met hele personeel van Broer, op een ouderwets en statig
jacht met verschillende deks, kajuiten & in het ruim een heuse salon met chesterfield bank,
een luxe keuken vanwaaruit roberto zijn zintuiglijke verrassingsaanvallen bereidde, bovendeks live muziek onder tenten of kazuivels leken het wel, van die puntvormige zeilen
lekkere lousy tunes door dj’s en jazzmuzikanten als edwin berg die nauwelijks
uitgeslapen waren van hun zondagnachtoptreden op
north sea jazz. en vreemd genoeg (dat verwacht je niet
van al die (ex)sportlieden en gedisciplineerde
burgermannen en stalen nonnen en zilverreigers
aan boord), een hele ferme dosis
geestelijke versnaperingen en alcohol die het schip
tegen de avond ets van Le Bateau Ivre gaven, dat
zachtjes in de donkerroze hemel ter sterre voer en in
een andere wereld aanmeerde. ik won
nog een zwemwedstrijdje, roberto mozarella die even
goed kan zwemmen als een vis zingen, kun je nagaan hoe
dronken en apestoned die sportjokers waren!
maar ja ik sprong dan ook een tel te vroeg in het
water van de vaporetto die de plas op was gevaren. ‘je
duikt te vroeg!’ zeiden de lapzwansen aan
dek, waarop ik natuurlijk antwoordde dat ze dat
verkeerd zagen omdat zij gewoon te laat doken. tja,
alleen rockjunken als brood of morrison of mijn beste
vriend daarboven springen precies op tijd; de rest
sukkelt er altijd maar een beetje achteraan.
de eeuwigheid is even gulzig als geduldig, even
onverzadigbaar als verzadigd, daar kunnen onrustige vliegen
zoals ik nog een voorbeeld aan nemen nietwaar?
chogyam trumpa – de oosterse vriend van allen
ginsberg die de beatpoet leerde mediteren op
voorwaarde dat ginsberg zijn vriend zou leren dichten
(uiteindelijk bakten ze van beide weinig, maar het is
de poging die telt)- sprak oog in oog met stervenden
altijd de troostende woorden: ‘you may live, you may
die – both are good’.maar ja, trumpa was dan ook
tibetaan en boedist in Amerikaans exil. vandaar dat hij zich zonder
teveelkommer dood kon drinken. net als de dierbare
veelkleurige pessoa, die dat ook heel best vond, zoals
een vorige vriendin van mij me keer op keer duidelijk
maakte (waarom vroeg ik me af, wil ze dat ik zijn
voorbeeld volg? of vond ze dat ik teveel aan het
leven hechtte? mijn vriend was amper enkele maanden dood,
dus ik was overgevoelig en paranoia, alles wat naar de
dood verwees zag ik als en directe of indirecte
aanval, de verwoester die onverstoorbaar voortging met
het leggen van zijn valstrikken. mja, als je lang
genoeg in bad gelegen hebt wordt het water vuil
en hijs je je vanzelf maar weer in je vertrouwde kloffie. Zoals ik nu…

Medewerker Joris Abeling verongelukt

Door een onzer redacteuren

artikel | Woensdag 18-02-1998 | Sectie: Binnenland | Pagina: 2

ROTTERDAM, 18 FEBR. Bij een verkeersongeluk in Hongarije is eergisteren Joris Abeling omgekomen. Hij was redacteur van het cultureel tijdschrift ‘MillenniuM’ en vaste medewerker van NRC Handelsblad. Hij is 26 jaar geworden.

Na het gymnasium in Oss volgde Joris Abeling een jaar colleges in Cambridge en Oxford. Daarna studeerde hij geschiedenis in Amsterdam. Na zijn doctoraalexamen in 1994 liep Abeling stage bij de verslaggeverij van deze krant. Afgelopen zomer keerde hij, na een jaar gewerkt te hebben bij de VPRO-televisie, terug als medewerker. Voor de bijlage Boeken verzorgde hij sinds augustus 1997 de nieuwsrubriek ‘Ingenaaid , Gebonden’.

Tijdens zijn studie was hij redacteur van het Amsterdamse historische tijdschrift ‘Skript’. In 1993 richtte hij, samen met Serge van Duijnhoven, het culturele tijdschrift ‘MillenniuM’ op. Voor uitgeverij Prometheus stelde hij een bundel samen met interviews die in Nederland baanbrekend zijn geweest. Begin 1996 publiceerde hij het boek ‘Teloorgang en wederopstanding van de Nederlandse monarchie, 1848-1898’, het onderwerp waarop hij eerder was afgestudeerd. Bij uitgeverij Jan Mets was eerder zijn beknopte biografie van koning Willem III verschenen.

Persoon: Joris Abeling

Archief \ 1998 \ Februari \ 20 \ boeken \ 2

In memoriam Joris Abeling

Redactie Boeken NRC-Handelsblad

artikel | Vrijdag 20-02-1998 | Sectie: boeken | Pagina: 2

Afgelopen maandag is Joris Abeling, de redacteur van de wekelijkse rubriek ‘Ingenaaid , Gebonden’, bij een auto-ongeluk in Hongarije om het leven gekomen. Hij was, na een korte vakantie in voormalig Joegoslavië, op weg naar huis. Deze week zou hij weer aan het werk gaan. Joris Abeling is 26 jaar geworden.

De historicus Joris Abeling was een veelbelovend en energiek talent. Zijn journalistieke werk was nog maar net begonnen, maar zijn aanwezigheid leek al vanzelfsprekend. Hij wachtte niet af tot een opdracht langskwam, hij nam zelf het initiatief. Voor oudere redacteuren toonde hij respect, maar hij schrok niet voor hen terug. Dat leidde tot onverwachte, interessante en soms plagerige discussies. De rolverdeling lag daarbij vast: hij poneerde iets met aplomb, een ander weersprak dat brutaal, het idioom werd allengs eigenwijzer, waarna geconcludeerd werd dat er een stuk in zat, mits de feiten geverifieerd werden.

Joris Abeling was daarmee een representant van een nieuwe generatie in de journalistiek. De krant was voor hem meer dan het café, maar ook meer dan een dienstbetrekking. Wereldbeeld en mensbeeld schuurden langs elkaar.

Dat bleek ook buiten het journalistieke milieu. Joris Abeling was een drijvende kracht achter MillenniuM, een ambitieus tijdschrift dat de gevestigde literaire bladen wil uitdagen. Hij had drie boeken op zijn naam staan, waarvan er twee het Huis van Oranje tot onderwerp hadden. Vlak voor zijn vertrek naar Joegoslavië had hij het plan opgevat voor een derde publicatie over de monarchie in Nederland. Deze fascinatie voor koningin Beatrix en haar voorouders was geen toeval. Joris Abeling had radicale opvattingen over het establishment, maar hij was niet bang het op te zoeken.

De krant en de bijlage Boeken hebben daaraan veel te kort plezier mogen beleven.

Persoon: Joris Abeling

Joris abeling (1971-1998)

Naast Joris voelde je je vaak oud. Vergeleken bij hem was je overal te laat aan begonnen, had je overal te lang over gedaan. Hij had al zo’n groot palmares, terwijl hij nog niet eens zevenentwintig was. Vorige week kwam hij om, minstens een halve eeuw te vroeg. Auto-ongeluk in Hongarije.

DOOR Rob van Erkelens

Op zijn zeventiende vertrok Joris naar Engeland, waar hij een half jaar in Oxford studeerde. Vervolgens nieuwe geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In 1994 studeerde hij af op de Nederlandse monarchie in de tweede helft van de negentiende eeuw. Zijn scriptie bewerkte hij later tot een boek, Teloorgang en Wederopstanding van de Nederlandse Monarchie.
Daar kon je Joris goed mee plagen, met dat saaie meesterwerk van hem. Terwijl wij zwoegden op die grote debuutroman, die definitieve po‰ziebundel, schreef Joris onverstoorbaar tientallen artikelen voor kranten en tijdschriften, over van alles. Hij hoefde geen schrijver te worden.
Ik leerde Joris Abeling kennen in de tijd dat hij met Serge van Duijnhoven, zijn boezemste boezemvriend, MillenniuM had opgericht, ‘detonatief tijdboek van de Kunstgroep Lage Landen’, en ik het literaire tijdschrift Zoetermeer. In een artikel van Jaap Goedegebuure in HP/De Tijd lazen we dat wij de messen moesten slijpen en de literaire strijd aangaan. Want wij waren zo verschillend, dat kon alleen maar oorlog worden.
Het werd geen oorlog. Er was geen strijd. We bleken veel waardering te hebben voor elkaar. Dat de toon verschilde, dat deed er niet toe.
Het ging altijd over deze, onze tijd. MillenniuM schreef in een van haar eerste nummers: ‘(“Nieuwe chaos” is een omschrijving die wel eens wordt gebruikt voor het tijdperk na de val van de Muur. De wereld wordt er alleen maar onoverzichtelijker op nu vaste scheidslijnen als ideologie en afkomst, levensovertuiging en leeftijd vervagen. Als nomaden reizen wij door de tijd. MillenniuM beschouwt de nieuwe chaos als een verademing.’
Hier beschreef Joris Abeling zichzelf en zijn houding tegenover de wereld. Die nieuwe chaos, waarin hij zich buitengewoon thuis voelde. Dat blijkt uit de diversiteit van zijn bezigheden. Tijdens zijn studie schreef hij voor De Groene en maakte hij interviews voor de lokale radio. Hij was redacteur van het historische tijdschrift Skript. Hij liep stage bij NRC Handelsblad, waarvoor hij zou blijven schrijven. En sinds augustus 1995 was Joris als researcher in dienst van VPRO’s Dummer en Lopende zaken. Hij hield nog tijd over om de bundel Interviews uit Nederland samen te stellen en een minibiografie van koning Willem III te schrijven.
Veelzijdigheid als levenshouding. Bij Joris was het op een of andere manier vanzelfsprekend dat hij een doortimmerd politiek NRC-stuk schreef na een nacht dansen op een ondergronds festival dat hij zelf organiseerde. Het fameuze New Rage-feest van MillenniuM was dat, in de sm-kelders van de Posthoornkerk. Detonerend. Veelzijdig. Mompelende dichters uit Macedoni‰, hysterische kunstenaars uit Groningen, verlegen performers uit Londen, en, naarmate de nacht vorderde, steeds meer wijdgepupilde, blootgebuikte dansmeisjes met de beat in hun benen.
En Joris was alles. En hij paste overal bij. Bij de dichters, bij de dansers. Ik denk dat hij dat kon omdat hij het zelf allemaal was. Joris was dichter en danser. En denker. Tegelijk.
Een open gezicht. Een innemend, mooi jongensgezicht. Overal op zijn plaats. Omdat hij overal paste. Joris was ervoor toegerust om, als volbloed postmodern mens, verscheidene levens tegelijk te leven. Dus leeft hij, na zijn tragisch ongeluk in Hongarije, voort. Dat kan niet anders.

© Rob van Erkelens / De Groene Amsterdammer

T O M   R O O D U I J N

De column De Draad verschijnt vijf keer per week.
Reacties naar rooduijn@nrc.nl


20 februari 1998

Joris
‘Joris terug’ staat er in mijn agenda op woensdag 18 februari. Vorige week zaterdag was hij vertrokken, hij belde me die middag nog op.

We werkten samen aan een boek, ‘De Republiek der Nederlanden’, waarin artikelen staan over de wenselijkheid van een republikeins staatsmodel en de nadelen van de monarchie. Een idee van Joris, opgekomen nadat hij plannen voor een boek over het veranderende Nederlandse landschap had laten varen. Hij gaf mij een rijtje namen en telefoonnummers door van historici die hij vóór zijn vertrek niet meer te pakken had gekregen. Ik zou dat werk overnemen, meteen na zijn terugkomst zouden we weer contact opnemen.

Op de dag voor zijn vertrek naar Nederland overleed Joris Abeling bij een verkeersongeluk in Hongarije. Joris was een energiek, vindingrijk en veelzijdig journalist en een aimabel, vrolijk mens. Hij was iemand van wie nog veel kon worden verwacht; in de paar jaar dat 26-jarige Joris Abeling journalist was, schreef hij spraakmakende stukken in de Agenda-bijlage en het Zaterdags Bijvoegsel van NRC Handelsblad, hij publiceerde een paar historische boeken, hij was redactiecoördinator van het literaire tijdschrift MillenniuM en hij maakte een reeks reportages voor de VPRO-televisie. De laatste maanden hield hij zich intensief bezig met een wekelijkse rubriek over het boekenvak. Joris was prettig gezelschap, je kon onbedaarlijk met hem lachen. Hij was een perfect imitator; uit de manier waarop Joris Mai Spijkers nadeed, kwam een genadeloze maar ook liefdevolle karikatuur van deze uitgever tevoorschijn. Joris was consciëntieus, hield in zijn Literaire Agenda een enorme databank met namen, telefoonnummers en adressen bij.

Een paar weken geleden zag ik dat hij nog de agenda van het vorig jaar hanteerde, en zei daar wat van. ,,Die gebruik ik nog altijd, omdat het zo’n heidens karwij is om alles over te schrijven.”

Gisteravond zat een dertigtal vrienden, familieleden en collega’s in verslagenheid bijeen in het uitgevershuis waaraan Joris zich het afgelopen jaar had verbonden: De Bezige Bij. De bel ging en tot ieders verrassing kwam Serge van Duijnhoven, Joris’ boezemvriend en reisgezel in Hongarije, de trap op. Hij werd ondersteund door zijn broer; Van Duijnhoven liep bij het ongeluk een gebroken knieschijf en een lichte hersenschudding op. De ziekenwagen die hem op het vliegveld opwachtte had hij naar zijn vrienden gestuurd, alvorens zich in het Onze Lieve Vrouwengasthuis te laten onderzoeken.

Het verhaal van Van Duijnhoven, verteld op bewonderenswaardig rustige wijze, was een opsomming van feiten, maar ging over de broosheid van het menselijk bestaan. Een onverwachte manoeuvre van een voorligger (die dronken bleek te zijn), twee auto’s botsten frontaal op elkaar en een veelbelovend leven was ten einde. Van Duijnhoven haalde een dagblad te voorschijn dat ter plaatse was verschenen: de foto’s toonden twee verschrompelde wrakken; het was een mirakel, besefte iedereen toen de krant rondging, dat Serge hier nog zat. ,,Het had ook omgekeerd kunnen zijn”, zei hij. In zijn blik verborg zich een verstarring door de confrontatie met de dood, in zijn beheerste relaas een peilloos verdriet.

De zuster en vriendin van Joris kwamen binnen, ook net uit Hongarije teruggekeerd. Er moesten praktische zaken worden geregeld, zoals dat gaat bij sterfgevallen. Wie wilde er helpen bij het beschrijven van de enveloppen? Dat het veel werk was illustreerde Joris’ zuster met de lange adressenlijst die ze opsloeg, uit de Literaire Agenda van 1997.