Bij een slapend lichaam

De mooiste gedichten

Gedichten van alle bekende dichters

Bij een slapend lichaam

Serge R. van Duijnhoven

ik wil dat je mijn bedoelingen doorgrondt
ik wil dat je de prijs leert kennen van verlangen
de schaal van de dingen, ik wil dat je begrijpt
waarom men het aardige overwaardeert

ik wil je horen zeggen:
‘alles dient slechts om te winnen
alles is tactiek; wij spelen
allemaal’

ik wil dat men ons geheim zal bewaren
dat we elkaar geruisloos achtervolgen als jagers
ik wil dat we bereid zijn onze ziel in te zetten
zoals we een munt inwerpen bij een gokautomaat

ik wil de tijd terug dat ik wijs werd uit mijn dromen
ik wil de tekens terug die ik heb nagelaten op je huid
ik wil je kunnen voelen met mijn ogen in het donker
met mijn nagels nagaan waar je bent geweest

ik wil dat jouw handen me in koele lakens wikkelen
ik wil zien of jouw zijde van de mijne verschilt
ik wil dat je sterker zal zijn naar het einde
ik wil je laten denken dat je wint

ik wil dat je je zonder mij een vondelinge voelt
een zonderlinge in de leegte, ik wil je zien bibberen
in de kou. Ik wil je zwetend, warmgewreven
ik wil je hondsdol, biddend om berouw

ik wil dat je mijn gedachten kunt lezen
ik wil dat je mijn hart kunt raken
of de fatale plek. Het interesseert met niet
wie de wonden veroorzaakt. Het interesseert me niet

hoeveel het er zijn. Ik wil alleen belang stellen
in wat me beheerst. Ik wil op een prachtige plek zijn
als ik sterf. Ik wil kunnen verdrinken in een Rode Zee
me verwonden aan een giftig koraal, aanspoelen

op een hagelwit strand, met jouw smaak nog
op mijn lippen. Ik wil je niet kapotmaken
ik zou niet weten hoe. Kon ik maar zeggen:
ik zal je vergeten. Kon ik maar zeggen:

ik laat je met rust
maar liegen kan ik niet
ik denk altijd aan je, echt waar
ik zal voor altijd aan je denken

Geplaatst op januari 18, 2012

CM-Capture-81

Bekijk en beluister ook het filmpje “Zomaar goed” dat Henk Hofstede maakte voor de Nederlandse singer-songerwriter Rick Treffers. Als tekstuele toevoeging aan dit knappe en gelaagde symfonische lied, dat te horen is op Treffer’s album “Prettige vooruitzichten” (2011),  leest de dichter vanuit de coulissen bovenstaand gedicht voor.  Als ware het een  laatste groet aan een geliefde die achterblijft in bed. Op de drempel tussen nacht en dag, verleden en heden, wanhoop en begeerte, liefde en bezitsdrang.

Oorspronkelijk ontstond “Bij een slapend lichaam” als het resultaat van een soort gedachtenexperiment. Een vraag die ik in een gedicht verder uit wilde zoeken:

wat als de driften van een minnaar niet meer beteugeld kunnen worden.  En hij in een onbezonnen vlaag van passie, razernij en bezitsdrang het object van zijn begeerte letterlijk laat stikken? Wat zou deze excessieve minnaar denken, doen en willen zeggen terwijl hij neerknielt bij het lichaam van zijn geliefde? Schiet hij in de kramp der ontkenning, wat ik vermoed, of breken de sluizen van zijn emotie en het zelfinzicht alsnog open? Wat zouden zijn laatste woorden tot haar zijn, alvorens hij de deur van haar slaapkamer zal vergrendelen? En hij met onbegrijplijk kalme tred van de trap in haar  studentenhuis afdaalt?

Over het algemeen reageren toehoerders teleurgesteld of zelfs  gebeten wanneer ze van deze ontstaansgeschiedenis horen. Degenen  die het gedicht  dierbaar is, voelen zich bedrogen.  Terwijl ik van mening ben dat ik de luisteraar pas echt zou bedotten als ik hier niets over zou vertellen. Ik neem het publiek, zo kun je wel stellen, dus juist in vertrouwen in plaats van het te bedriegen. En al is dituitgangspunt niet iets wat de meeste mensen perse willen of hoeven te weten, waar is het wel.

Advertenties

Over het album BLOEDTEST van DDN (De Bezige Bij 2003)

BLOEDTEST

dichtbundel + CD

Serge van Duijnhoven - Bloedtest Toon volledige grootte
DICHTERS DANSEN NIET
Serge van Duijnhoven, Fred dB e.a.
Boek + CD “Kuesskrott!”

Dichtbundel + CD: met gedichten over begeerte, illusies, en de eeuwige zoektocht naar geborgenheid. Ontheemdheid, emigratie, liefde, vriendschap, voorspoed,  tegenslag en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie.Op de bijgesloten cd ‘Kueskrott!’ wisselen meeslepende muziek, sferische collages en klankexperimenten elkaar af, waarbij de stem van de dichter wordt begeleid door de accordeon, hoorn, doedelzak, cello, piano en contrabas van het gezelschap Dichters Dansen Niet – Fred de Backer, Gabriel Kousbroek, Bosz de Kler, Antonia Libert, Ali Haurand e.a. Ook Hugo Claus verleende aan dit album zijn medewerking en is op de cd te beluisteren met bewerkte stemfragmenten uit Het graf van Pernath.

Extra informatie

Prijs: € 19,50
ISBN:90-234-1081-5
Amsterdam 2003
lydia-lunch-poisonbloodtest

a1_poster_bloedtest_nl

.

PERSSTEMMEN:

‘Wie de vaak nogal bescheiden Nederlandse schrijvers van dit moment een beetje volgt, kan niet anders dan gelukkig zijn met iemand als Van Duijnhoven. Hij engageert zich met de wereld van jongeren van vandaag en hij durft tenminste te beweren dat er in zijn werk iets nieuws gebeurt. In dit boek met zijn cd (Küsskrott!!!) klinkt een zonder meer interessante, want naar serieuze poetische verwerking van het alleractueelste strevende, stem.’

–        Thomas Vaessens in Het Financieele Dagblad (HFD) en het Algemeen Dagblad (AD), 12 april 2003

‘Bevreemdend men indringend, dat is de term die ik voor deze dichtbundel zou willen gebruiken. Deze dichter heeft een talent waarmee hij de alledaagsheid van het hedendaagse leven timbre en passie kan geven. Het leven, de dood, de liefde… welke dichter heeft ze niet beschreven? Ook Serge van Duijnhoven doet dat maar wel op een manier waar je stil van wordt en elk gedicht enkele malen wil herlezen. Elk gedicht is een mooi verhaal dat de lezer telkens anders wil interpreteren. Deze bundel werd mij cadeau gedaan. Het is een prachtig geschenk want het betekent voor mij het begin van een zoektocht naar andere dichtbundels van hem.’

–     Andre Oyen in De Gelderlander

‘Het weerbarstige stemgeluid van Van Duijnhoven, die zich bij zijn performances bij voorkeur laat begeleiden door zijn gezelschap ‘Dichters dansen niet’, is onmiskenbaar een teken van vitaliteit. Dichten is stem geven aan het onzegbare, klank geven aan het onhoorbare, ritme geven aan het ondefinieerbare, maat geven aan het ondansbare. Meer en meer krijgt deze poëzie een soort profetisch, zelfs kosmisch-spiritueel karakter […]. In al zijn fragmentatie schrijft Van Duijnhoven een extraverte poëzie waarin onuitgesproken rebellie de middelpunt vliedende kracht is. Wie beweert dat deze poëzie een hype wil zijn of worden door er filmpjes bij te projecteren en er een techno beat bij te laten klinken, heeft het verkeerd voor. Deze gedichten gaan dieper. Er is sprake van een bindend organisch geheel. Het is geen cabaret van de te korte bocht,waarin zoveel performers blijven steken. Deze dichter is op zoek naar hedendaagse invullingen voor eeuwenoude rituelen. Deze poëzie is een ‘rite de passage’, een teder en wreed schouwtoneel, ‘theâtre de la cruauté’. Een loutering die ons niet echt reinigt, veeleer bezoedelt (wat ons dan weer aan Lucebert doet denken).’

–        Alain Delmotte in het tijdschrift Dighter

FractalsCannes.Arlette.van.Laar

 

Luister naar de titeltrack van de bijbehorende CD:

http://www.reverbnation.com/dichtersdansenniet/song/957347-kusskrottddn-2003

KUESSKROTT!!!

 

ALGEMEEN DAGBLAD

11/04/2003

Lokkende dichter

Serge van Duijnhoven is een dichter die een bijzonder breed en zelfs jong publiek naar de poezie kan lokken. Wat een intensiteit klinkt er op uit zijn nieuwe bundel Bloedtest! Van Duijnhoven (32) woont in Brussel: `(…) het ballingsoord/ waar ik mij thuisvoel als Hollandse barbaar/ tussen niet-bestaande Belgen’. In een nawoord zegt hij dat in deze poezie zoekt naar zijn identiteit, naar waar hij en anderen thuishoren: `wie vreemdeling is hier was elders kind aan huis’.
Hij draagt Bloedtest op aan de Weense dichter Christian Loidl die twee jaar geleden uit zijn raam viel. Hij dicht een ode aan de herontdekte dode Britse zanger Nick Drake, verplaatst zich in het hoofd van nazibeul Adolf Eichmann en bezingt vooral zijn vriendinnen, het leven en de liefde. Hij maakt leesbare gedichten, gebruikt soms mooie moeilijke woorden, maar steeds de taal van nu. Zijn poezie is soms net proza, dan weer is een gedicht ritmisch in steeds weer twee zinnen opgedeeld of leidt de herhaling van de woorden `ik wil’ tot
een duidelijke cadans.Bij Bloedtest zit een cd, waarop een aantal gedichten van Van Duijnhoven via het gezelschap Dichters dansen niet van geluid wordt voorzien. Fred de Backer, alias dj Fat, tekent voor de meeste composities. Zelfs Hugo Claus (74) doet mee.

Bloedtest – Serge van DuijnhovenBezige Bij, 104 blz., EUR19,50. Met cd Küsskrott!!! (Dichters dansen niet)

————————————————————————————–

beeld_bloedtest

De Groene Amsterdammer
22/04/2003

Serge van Duijnhoven, Bloedtest

Schepper, mag ik overvaren?

door Theodor Holman
Serge van Duijnhoven prikkelt in zijn nieuwe dichtbundel ‹Bloedtest› lezers en luisteraars. Een bijgevoegd essay dient als handleiding voor het werk. Theodor Holman neemt de vrijheid om zelf een sleutel te vinden, en met de gedichten te kleien. — door Theodor HolmanSommige acteurs zoeken in een toneelstuk een zin of een passage die als kapstok moet dienen om hun rol aan op te hangen. Door die zin of passage valt voor hen alles in elkaar. Pas dan weten ze hoe ze de rol moeten acteren. Ik ken twee acteurs die Richard III hebben gespeeld. De één liet zich leiden door «a horse, a horse, my kingdom for a horse» (uiteindelijk totale destructie, wanhoop), terwijl de ander de zin «zelden een vrouw zo makkelijk het hof gemaakt» had opgepikt («pure slechtheid, hij verneukt alles uiteindelijk»).

Het gevoel dat ik iets dergelijks moest vinden in de vele verzen in Serge van Duijnhovens nieuwste dichtbundel Bloedtest — een regel, een gedicht dat als sleutel zou kunnen dienen voor zijn werk — ontstond doordat Van Duijnhoven het de lezer niet gemakkelijk maakt. Niet dat hij ondoorzichtig is, of een taalgebruik heeft dat onverklaarbaar of onbegrijpelijk is. Integendeel. Hij maakt het je moeilijk doordat hij je een bepaalde richting probeert in te duwen. Bloedtest — je gaat lezen, je interpreteert, je probeert iets te formuleren, tot je aan het eind van de bundel komt. En dan lees je bijna als slot van het boek: Da capo (al fine), een essay waarin de dichter zijn eigen titel verklaart: «De titel van deze bundel is een metafoor voor de pogingen die we ondernemen om eigen of andermans identiteit vast te stellen, herkomst te traceren of lot te bepalen dan wel in de greep te krijgen.» Alles wat de dichter vervolgens schrijft is een verklaring van zijn poëtica.

Je durft er bijna geen andere mening op na te houden. Als je denkt dat je met de bundel klaar bent, volgt er nog een bijgevoegde cd die een niet te verwaarlozen onderdeel van het geheel is. Je krijgt dan een postmoderne klankvoorstelling voorgeschoteld, met verschillende citaten. Je kunt er Hugo Claus zelfs eventjes op horen. Dat klankgedicht begint met het begin van het lied: Schipper, mag ik overvaren. De «ja of nee» zijn weggefaded.Waar wil je me heen hebben, Serge, denk je. En wat wil je? En hoe wil je dat? Ik word gedwongen ergens naar te zoeken, om mijn eigen vrijheid te behouden, want Serge kan nog zoveel over bloed en bloedtesten zeggen — ik wil zelf met zijn gedichten kleien.
Uitgevers — die bang zijn dat de recensenten het belangrijkste wellicht ontgaat — doen daarom tegenwoordig bij de dichtbundel een soort brief over de bundel. De Bezige Bij schreef: «Bloedtest (…) met gedichten over begeerte, illusies, en de eeuwige zoektocht naar geborgenheid. Ontheemdheid, emigratie, de rusteloze zoektocht naar geborgenheid, en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie.» Geborgenheid in twee regels twee keer genoemd. Pff… Overrompelend is de bundel zeker, maar dat komt hoofdzakelijk door de hoeveelheid… En de kwaliteit? Die wil ik graag ook bepalen, maar dan heb ik wel eerst een sleutel nodig om het doosje te openen om te zien wat er in zit. «Schipper, mag ik overvaren…» Ik maak het lied even af. «Ja of nee? Moet ik dan een cent betalen, ja of nee? Ja… Hoe?» Wat komt er na dat hoe… daar gaat het om.

De zoektocht naar die sleutel is een deel van het genot van het lezen van Van Duijnhoven. Hij gebruikt vaak halve citaten, die de lezer zelf moet afmaken, zodat het beeld, letterlijk zonder woorden, naresoneert. Niet alleen dat «Schipper, mag ik overvaren…» maar ook bijvoorbeeld: «each man kills… het oude lied» of: «het is de toon die de muziek/ sneert zij» of: «ik zie ik zie wat zij niet/ en wat ik zie is nimmer wat zij is». Soms is het bewust woordspelerig. Ik geef weer wat voorbeelden: «we spelen luister en vink», «geen speld valt daar nog tussen». Clichés als: «lik op stuk», «wat schoon is verloedert/ wat rein is bederft», en: «En dan vallen de schellen/ van het zelf…» naast ijzersterke beelden als: «Klokken in ons: beidt u tijd», of: «wanneer wordt er binnen in jou een slagboom opgehaald?/ daalt er een valbrug neer op de rand van de andere kade?» En soms ook al deze zaken in een paar regels, zoals in het gedicht keervers: «en als het schip dan zinkt/ zeg je, omdat het is geënterd/ laat het dan met mannen// en met muizen, laat het dan/ en ook met ons in godsnaam/ naar de kelder gaan// ‹jij hebt je best gedaan,›/ zeg je, ‹voor alles wat/ mislukt is›.»Maar waar is die ene regel die in het sleutelgat past, dat gedicht dat alles verklaart: van opbouw, tot Bezige Bij-folder, tot cd?

Die opbouw bestaat eigenlijk uit vijf delen. Vier delen poëzie met als titels: «Bloedtest», «vingerafdrukken der natuur», «nergens welkom, overal thuis» en «een man die alleen ik gekend heb…» en dan het laatste deel, de verantwoording van de schrijver en zijn Da capo (al fine), alsof zijn bundel een muziekstuk is dat nog een keer gelezen moet worden alvorens de lezing kan worden gestopt.
Maar waar gaat het over, behalve over die dingen die de uitgever en de dichter zelf naar voren schuiven als trotse ouders hun kinderen?
Op pagina 42, bij de tweede lezing, vind ik het gedicht waar het, volgens mij, om draait. Het is het gedicht vingerafdrukken der natuur. Het gaat als volgt:

voor een moordenaar is ieder lijk visitekaart
zoals ook onze lichamen de kaartjes zijn
van een schepper die ons één voor één
op tafel legtals bij een spel patience
hij wint alleen maar
van zichzelf en meent dat dit
genoeg bewijs moet zijngeen twijfel speelt hem parten
geen schaamte en geen spijt
dat er door hem zoveel
verloren is gegaan. Hij weet: (…)als hij opnieuw de stapel schudt
is alles weer van voor af aan.

Een knap, vol, mooi gedicht, waarin alles op zo’n manier gerangschikt is dat ik Van Duijnhovens poëzie de bloedtest kan afnemen.
Laten we het vers eens onder de loep leggen. Veertien regels, vier, vier, vier, twee — net als een sonnet van Shakespeare. Dit oogt als een vrij vers. Geen opzichtig rijm, wel veel taal- en woordspel. Visitekaart-kaartjes; patience-stapel. De drie puntjes tussen haakjes «(…)» — kan zowel «niets» betekenen als «hier is iets weggelaten». We kijken nog scherper: «lijk—lichamen», het verschil van dood en leven. En dan gaan we naar de inhoud. Onze schepper speelt met ons patience en wint alleen maar van zichzelf. Hij heeft dus geen geweten. En steeds speelt hij weer met ons patience… Anders gezegd: steeds is alles weer hetzelfde, en we voelen geen schuld of schaamte. Die «schepper» kan zowel God zijn, als wij, de mens. Met geduld maken we ons eigen spel, waarbij we denken dat we winnen als we verliezen… Misschien zit er meer in, maar meer zie ik niet onder mijn loep dan die hopeloze strijd, van dood, leven, winnen en verlies — een proces dat eindigt als het weer begint, en begint als het eindigt. Da capo (al fine). En kijk, dan valt opeens alles in elkaar.

«Bloedtest».

Een test of er wel leven is, of dat leven goed is, of besmet. Of er dood is. Als er leven is, is dat leven dan waardevol? Of wordt er een vreemd spel mee gespeeld? De eerste regels in deze bundel worden ineens minder clichématig en taalspelerig, maar krijgen een glans: «Ik leef alleen voor de zon/ en we zijn elkaars schaduw.» En die eerste regels blijken — eveneens ineens — in harmonie met de laatste regels: «(fall out)/ (exit).»
De holle woorden van de uitgever krijgen vorm: «Ontheemdheid, emigratie, de rusteloze zoektocht naar geborgenheid, en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie.»
Ontheemdheid (lijk, lichaam), emigratie (schepper, mens), rusteloze zoektocht (patience), geborgenheid (winnen van zichzelf), de dood (verloren). Dat ene gedicht maakt alles duidelijk. Eindelijk kunnen we zelf kleien met Van Duijnhovens poëzie. «had god een keuze/ bij de schepping/ of deed hij slechts alsof// zoals wij die altijd/ bluffen altijd leren/ door de leugens, (…)» Of het gedicht Berend Bot (meteen hoor je het liedje) met de regels: «begraven is verdrinken/ aan land/ cremeren is verzengen/ in lucht», en dat eindigt met: «uitvaren is de tocht maken van Berend Bot/ de zeeman die bodem zocht/ en ongezien in wat hij vond/ verdronk.»

Wéér dat patience spelen en alleen winnen van jezelf, wat misschien verlies is en steeds weer opnieuw de kaarten schudden. Schipper, mag ik overvaren… Steeds weer een test. Een bloedtest. Wie en wat ben je eigenlijk? Ben je gezond of ben je ziek? Wat is het verschil? «Each man kills…» We lezen de bundel nog eens als een cd die op repeat staat. Eerst weer de voorkant bekijken: het begin van een mens, zonder ogen, zonder neus, zonder mond, maar wel met een oor, gek genoeg. Dan alle gedichten nog eens snel.

Menno Wigman noemt, achter op de bundel, Van Duijnhoven «misschien wel de enige ware dubbelganger van deze tijd». Dubbelganger van deze tijd… Nee, dat klopt niet bij deze bundel. Hij stelt zich meer op als de dokter van deze samenleving. De patiënt kan hem niet zo veel schelen, hij wil weten wat er met hem is. Kom, we nemen een bloedtest af. Zo lees ik ook het moeizame essay aan het eind — dat wat mij betreft weggelaten had mogen worden — dat handelt over bloed. Het is de dokter die protserig zijn diploma in zijn spreekkamer heeft hangen, terwijl ik hem liever wil beoordelen op zijn anamnese.

Van Duijnhoven wil meer met zijn poëzie. Er spreekt een merkwaardig soort angst uit deze bundel. Angst niet begrepen te worden, omdat hij zelf de resultaten van zijn test niet goed kan interpreteren. Daarom dat essay, daarom die cd er ook nog bij geplakt.
Is het zo? Ja! Schipper mag ik overvaren? Ja of nee? Moet ik dan een cent betalen? Ja of nee?

Berend Botje Van Duijnhoven ging uit varen. Wat deed Berend Botje ook weer? Hij ging uit varen met zijn scheepje naar Zuid-Laren. Hij ging niet links, hij ging niet rechts, hij ging naar Amerika. De emigrant. Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, waar is Berend Botje gebleven? Dood waarschijnlijk. «(fall out)/ (exit.)» Om vervolgens, nadat het kaartenhuis is ingestort, weer het pak kaarten te schudden. Da capo (al fine).
Het is poëzie die misschien niet je hart raakt — dat wil Serge van Duijnhoven ook niet. Hij wil je bloedvaten pakken. Hij wil in je bloed gaan zitten.

Serge van Duijnhoven, Bloedtest Uitg. De Bezige Bij, 104 blz., € 19,50

© Theodor Holman / De Groene Amsterdammer, 30 april 2003

Bloedtest.kalm

Financieel Dagblad & Algemeen Dagblad

Poëzie buiten het boekje

over Bloedtest van Serge van Duijnhoven

door Thomas Vaessens

verbaasd door het verkleinwoord
(‘denk je wel aan ’t condoompje?’)
bekeek ik haar, mlle. mosquito
een muggenbeet op haar vanille vel
voor ik me met haar overgaf
aan de wisselingen van gedaante
de zinderingen van gemoed
de sidderingen van het bloed

‘in het praktisch liefdeslab’ (fragment)

Serge van Duijnhoven behoort tot een soort schrijvers waarvan er niet overdreven veel zijn in Nederland. Uit alles wat hij doet en maakt,  blijkt zijn grote verlangen als geëngageerd schrijver met de neus op de ontwikkelingen van vandaag te zitten. Dit verlangen uit zich zowel in de inhoud als in de vorm. Inhoudelijk past de term ‘geëngageerd’ op zijn schrijverschap. In 1999 verscheen zijn verzameling reportages Balkan. Wij noemen het rozen. Van Duijnhoven schreef niet alleen over het door oorlog geteisterde ‘duistere hart van Europa’, hij was er ook: als journalist voor verschillende media zocht hij de Bosnikrs, Kroaten, Albanezen en Macedonikrs ook daadwerkelijk op.Bij de verslaglegging van zijn betrokkenheid bij de actualiteit laat Van Duijnhoven zich aan de traditionele vormbeperkingen van de literatuur weinig gelegen liggen. Als multimediaal kunstenaar probeert hij de grenzen tussen genres en stijlen te laten vervagen. Zo is hij een actief pleitbezorger voor de podiumpoezie. Wie dacht dat er niets nieuws gebeurt in de poezie, kreeg een paar jaar geleden van hem te horen dat hij stekeblind was of de verkeerde kant uit keek: ‘Het nieuwe duikt niet op waar je het bekende ziet’, schreef hij. ‘Het rukt op van andere, onverwachte kanten. Voor nieuwe geluiden kun je de boeken beter terzijde leggen en de stad ingaan.’
Dat Van Duijnhoven hier in het vuur van de strijd tegen het poetisch conservatisme natuurlijk enigszins overdrijft, wordt nog maar weer eens duidelijk in zijn nieuwe bundel, die onlangs verscheen: Bloedtest. Hoezeer de poezie tegenwoordig ook buiten het boekje is gegaan, Bloedtest is toch weer een bundeltje gedrukt papier met keurig op elke bladzijde een nieuw gedicht.

Toch is het vooral de bijgeleverde cd die de aandacht trekt. Zestien gedichten, waarvan de meeste ook in de bundel staan, worden door de dichter voorgedragen. Componist Fred de Backer maakte er muziek bij.Van Duijnhoven experimenteerde eerder met voordracht-op-muziek (hij maakte, samen met verschillende anderen, de cd’s Eindhalte Fantoomstad en Orbiit in Orbit), maar de bij Bloedtest horende cd Küsskrott!!! is zonder meer de beste tot nu toe. Het is een overtuigende afrekening met het schaamteloze amateurisme dat de performances van dichters vaak aankleeft (niets zo gjnant als die dichter die op de Nacht van de Pokzie opeens meent te moeten gaan rappen). Van Duijnhoven swingt echt, hij doet niet alleen alsof. En de musici die hem begeleiden weten wat het is om een nummer in elkaar te zetten. Hier zijn vakmensen aan het werk, die de cd niet als grappig extraatje bij de bundel zien, maar als voldragen product. De nummers zijn opgenomen, gemixt en gemasterd in een professionele omgeving, ook in dat opzicht zijn geen concessies gedaan. Als je de gebaande paden van de poezie verlaten wil, zo moet Van Duijnhoven gedacht hebben, dan moet je het ook goed doen.

Een voor de hand liggende vraag is natuurlijk of de poezie die op de cd zo overtuigend tot leven wordt gebracht, het op papier ook uithoudt. Ik heb nogal met deze vraag geworsteld, omdat ik in eerste instantie geneigd ben er een kritisch antwoord op te geven. Nee, op papier overtuigt Van Duijnhoven minder dan op de cd. In de eerste plaats lijden veel van zijn gedichten aan de kwaal dat ze iets beweren willen. Dat het deze gekngageerde dichter ernst is, dat zagen we al, maar ernst hoeft natuurlijk niet altijd in geredeneer en gefilosofeer te verzanden. In pokzie zijn zulke zaken zelfs meestal dodelijk. Quasi-wijsgerige regels als ‘alleen door anderen krijgen we / idee van ons karakter’ of ‘weemoed is het braakland / tussen leedvermaak en zelfverwijt’ wekken de indruk dat zelfs deze eenentwintigste-eeuwse dichter de hoogromantische verleiding niet heeft kunnen weerstaan pokzie als een hogere vorm van Waarheid te zien.Het ziet er op papier allemaal opeens een stuk minder nieuw uit dan je zou verwachten op basis van de met zoveel elan gebrachte vernieuwingsretoriek van deze dichter. Traditionele beelden worden zeker niet geschuwd, zoals in het gedicht dat hierbij is afgedrukt – de liefdesdaad voorgesteld als zinderende, sidderende gedaanteverwisseling: het is niet de meest oorspronkelijke beeldspraak .Maar tegelijkertijd heb ik het gevoel dat het te gemakkelijk is in Bloedtest de dingen aan te wijzen die in het licht van de literaire traditie misschien minder nieuw zijn dan de hippe presence van deze dubbele uitgave ons wil doen geloven. Natuurlijk vindt ook deze dichter in sommige opzichten het wiel weer opnieuw uit. Toch is de overheersende indruk die zijn nieuwe werk maakt een andere. Wie de vaak nogal bescheiden Nederlandse schrijvers van dit moment een beetje volgt, kan niet anders dan gelukkig zijn met iemand als Van Duijnhoven. Hij engageert zich met de wereld van jongeren van vandaag en hij durft tenminste te beweren dat er in zijn werk iets nieuws gebeurt. Misschien niet in Bloedtest, maar dan toch in Küsskrott!!! klinkt een zonder meer interessante, want naar serieuze poetische verwerking van het alleractueelste strevende, stem. Een klein beetje onbeholpenheid en doorgedreven bombast op papier vergeef je zo’n prettig ambitieuze dichter met het grootste plezier.

Bloedtest – boek met cd (Küsskrott!!!) Serge van Duijnhoven, Bezige Bij, euro 17,50

Copyright (c) 2003 Het Financieel Dagblad.Auteur(s): Thomas Vaessens,  Artikelvolgorde: 90,  Paginanummer: 24,  Paginanaam: Boeken Uitgave: Het Financieele Dagblad(HFD) Descriptoren: literatuur(015),  Trefwoorden: boekbespreking, Recensie Publicatiedatum recensie: 12/4/2003

Bloedtest.impression


Alain Delmotte, in het tijdschrift Dighter voorjaar 2004:

BIJ ‘BLOEDTEST’ VAN SERGE VAN DUIJNHOVEN

Serge van Duijnhoven is geboren in Oss (Noord Brabant, Nederland) in 1970. Hij vloog vrij vroeg het huis uit richting Verenigde Staten waar
hij psychologie en dergelijke dingen studeerde. Maar zijn wegen brachten hem ook elders. Ondermeer in Bosnië. Een ervaring die hem
wellicht tekende, want in zijn gedichten refereert hij er vaak naar.

Hij debuteerde in 1988 maar de doorbraak kwam er halfweg de jaren negentig met de house-roman ‘Dichters dansen niet’ (wat meteen de naam werd van een collectief, bestaande uit enkele muzikanten, een kineast en Van Duijnhoven zelf) en de dichtbundel ‘Copycat’. Zijn recentste
werk bundelde hij in ‘Bloedtest’ en was ongetwijfeld een van de meest opvallende poëziepublicaties van het voorbije jaar (2003).

Van Duijnhoven oogt bijzonder mediatiek. Fotootjes doen ons een trendy boy vermoeden. Hij profileert zichzelf een beetje als een ongeschoren
‘schelm’, een sexy ‘enfant terrible’, een potentiële ‘poète maudit’. Op het eerste zicht zou je denken: ‘héla dat wordt gewoon maar een
ééndagsvlieg.’ Je haalt je schouders wat op bij het ‘fenomeen’ – je voelt je er te oud voor. Maar als je aandachtiger, zonder vooroordelen
en ‘forever young’, de bundel leest en ‘beluistert’ (er hoort een muziek-cd bij), ga je anders denken. Inderdaad: als Van Duijnhoven zich
laat voordoen als ‘een nieuwe Rimbaud’ dan is dat een reklametruukje en zegt in wezen niets over de ware motieven van Van Duijnhovens werk. Om Rimbaud te zijn, of liever, om een icoon als Rimbaud te zijn (tenslotte wie heeft ten gronde de dichter van ‘Une saison en enfer’ en
‘Illuminations’ gelezen en begrepen) is deze jongeman eigenlijk al te oud. Hoe het ook zij: dat mediatieke moet je er echt bijnemen en er als
lezer het jouwe over denken.

Strikt genomen is Van Duijnhoven in de kern een zwarte romanticus. Hij schrijft eeuwenoude poëzie. (En dit is geen verwijt maar een vaststelling). Alleen doet hij dat in een hedendaagse vorm (of vermomming) en met hedendaagse middelen. (In de spektakel- en entertainmentsfeer. Wint hij daar lezers mee?).Van Duijnhoven hoereert een heel klein beetje; zoals alle dichters, zoals alle poëzielezers dwepen met het woord. Hij houdt zich namelijkbezig met één van de oudste beroepen in – of is het ‘van’ – de wereld:spreken, zingen, verzinnen. Woorden vinden, absolute metaforen zoekenbezwerende formules voor het ongemak van het bestaan die hardopmoeten worden uitgesproken. Waar ligt de grens tussen spreken en zingen,bezingen en betoveren, bezeren en bezweren? Er kan veel verstilling stekenin een schreeuw. Er kan veel ‘monddood’ blijven steken in het spreken. Hij portretteert de dichter als een ontheemde, als een banneling, als een ‘vervreemdeling’, een enkeling zonder papieren – maar wel met een ongepubliceerde, onpubliceerbare dichtbundel op zak, en op zwaai in het ‘Waste land’ van een sophisticated high-postmodernistische wereld.

We zijn met z’n allen lotgenoten van die einzelganger… ‘on est tous des etrangers’zo luidt de cruciale regel in het gedicht ‘Met behoud van huis’. Ja, in de bundel ‘Bloedtest’ staan gedichten vol existentiële nausea, paronoia en moira.  In deze bundel wordt een wereld geanalyseerd die
letterlijk en figuurlijk uit de bol gaat en op springen staat. Gedichtengeschreven met de dreun van de zwartgalligheid: een harde bas, een scheur in de bast. Maar onderhuids en echt onderhuids hoor je iemand snakken naar warmte, tederheid, lieve woordjes, momenten van geluk, zaligheid, paradisium. Een broze jongen, Van Duijnhoven-tje.Echt het soort poëzie dat thuishoort in een eeuw waar vliegtuigen doorheen gigantische torens razen, live op televisie: je moet het zien, je moet het horen, je moet het je laten durven zeggen. Een wereld die dus wel wat verschilt met die van nog niet zo lang geleden. Formeel gesproken, welteverstaan, in de schijn. Inhoudelijk leven we nog volop in de negentiende eeuw. We leven in een tijdperk dat dialectiek links laat liggen. Een wereld met steeds minder verschillen. Een wereld die in potentie geen verschillen meer duldt (waar zal dat eindigen, waar gaan we naartoe, moedertje?). Misschien wordt dit het wel: een wereld
zonder verschil, zonder gezicht, zonder stem, globaal op maat gesneden van de onverbiddelijke wetten van vraag en aanbod. Als een leuk
perspectief ervaar ik dit niet (het is maar mijn bescheiden mening).

Tot nader order lijkt me dit wel de zin van poëzie te zijn vandaag: een gevecht om het verschil. Een dichter droomt taal. Een dichter droomt
een bijzondere taal. Linguïstische idiosyncrasie.‘Een taal zonder grammatica’  roept Van  Duijnhoven uit. Een taal die louter expressief
zou zijn, meerduidig gelaagd, lichamelijk en cerebraal, objectief en subjectief, materieel en sentimenteel. Welke middelen hij hiervoor
gebruikt doet er eigenlijk weinig toe. Elburg: ‘Er moet niets in de poëzie. Je moet je wel steeds afvragen of de poëzie iets wil.’ Oraliteit?Varieteit? Intensiteit? Het weerbarstige stemgeluid van Van Duijnhoven, die zich bij zijn performances – net als bij deze uitgave via een cd (‘Kueskrott!’) –bij voorkeur laat begeleiden door zijn gezelschap ‘Dichters dansen niet’, is onmiskenbaar een teken van vitaliteit. Dichten is stem gevenaan het onzegbare, klank geven aan het onhoorbare, ritme gevenaan het ondefinieerbare, maat geven aan het ondansbare.Meer en meer krijgt deze poëzie een soort profetisch, zelfs kosmisch-spiritueel karakter (vandaar het o.m. het orale, het quasi sakrale – zij het dat dit aspect in zijn vorige bundel ‘Obiit in orbit’ sterker tot uiting kwam). Hier is een ‘poetas vates’ aan het woord. In het Da capo bij zijn bundel schrijft hij het zo: ‘Wij dienen ons in alle ernst, in alle gedrevenheid, zo radicaal mogelijk te onttrekken aan het ‘klassieke’ aardse leven. Dan, en alleen dan kunnen we beginnen… (blz 99)’. Het brengt hem in de omgeving van beat-dichters zoals Allen Ginsberg, die hij in een vorige bundel expliciet citeerde.In al zijn fragmentatie schrijft Van Duijnhoven een extraverte poëzie waarin onuitgesproken rebellie de middelpunt vliedende kracht is. Wie beweert dat deze poëzie een hype wil zijn of worden door er filmpjes bij te projecteren en er een techno beat bij te laten klinken, heeft het verkeerd voor. Deze gedichten gaan dieper. Er is sprake van een bindend organisch geheel. Het is geen cabaret van de te korte bocht,waarin zoveel performers blijven steken. Deze dichter is op zoek naar hedendaagse invullingen voor eeuwenoude rituelen. Deze poëzie is een ‘rite de passage’, een teder en wreed schouwtoneel, ‘theâtre de la cruauté’. Een loutering die ons niet echt reinigt, veeleer bezoedelt (wat ons dan weeraan Lucebert doet denken). Een neurotische dans om zelfbehoud. Dichters dansen niet? Charels Olson wist beter: ‘Poetry is dancing sitting down’.

a1_poster_bloedtest_nl

Bloedtest.heliotroop
Mike van Gaasbeek in gesprek met

Serge van Duijnhoven

n.a.v. het verschijnen van BLOEDTEST

KRAKATAU

tijdschrift voor breedspraak

nr.22 – sept./okt. 2003

Serge van Duijnhoven (1970) debuteerde in 1993 met de bundel ‘Paleis van de Slaap’. In de jaren daarna verschenen van zijn hand de dichtbundels ‘Copycat’ (1996), ‘Obiit in Orbit’ (1998), de verhalenbundel ‘De overkant en het geluk’ (1997) en {Balkan}Wij noemen het rozen (1999) over zijn ervaringen in het door oorlog geteisterde voormalige Joegoslavië. Tussen 1993 en 2000 was Van Duijnhoven één van de drijvende krachten achter het illustere blad MillenniuM. Zopas verscheen zijn nieuwe bundel met CD getiteld Bloedtest.

Zaterdag 21 juni 2003, 15:30 uur op het terras van Brasserie Verschueren in de Brusselse wijk Sint Gillis. Zeven uur daarvoor zat ik nog met een opplaksnor in een tietenbar in het Scheepmakerskwartier. Mon Chéri, ofzo. Omdat zijn Balkanese furie de nacht in wilde halen hebben we de buitenlucht opgezocht. Een Braziliaanse drumband met lillende billen fêteert de stralende zon. Samba op de kasseien overstemt het gesprek en vult de recorder. Op naar rustiger oorden, als de Brusselse binnenstad die al kent.Even later aan de ouzo van Restaurant Kriti op het Bethlehemplein, Klein Midden Oosten in de volksmond. Ondanks de schaduw schermt zijn zonnebril de blik af. Dat blijft zo, gedurende het hele interview; een spel van distantie en toenadering. Maar is het achterste van de tong wel zo mooi en veelzeggend als het puntje? Zeker als het puntje vlijmscherp is.

Verwatering voorkomen

Scherp is Van Duijnhovens tong zeker. En ook zijn pen is dat, getuige de schotschriften in landelijke dagbladen en tijdschriften, waarmee hij de ivoren toren waarin de kleine elitaire poëziekliek zich het vorige decennium ophield wilde laten schudden. Het pleidooi voor de omarming van de rap en de nieuwe generatie podiumdichters plaatste Van Duijnhoven in het centrum van de kritiek: “Guus Middag heeft destijds in het NRC als een giftige spin gereageerd op het essay dat Olaf Zwetsloot en ik in de Groene Amsterdammer hadden geschreven in zesennegentig. Er moest volgens ons meer ruimte komen voor jonge dichters en voor jong geluid. In zijn stuk poneerde Middag: Van Duijnhoven en de rappers mogen dan wel beweren dat het huis van de poëzie vele kamers kent, maar poëzie en muziek, beste lezers, moeten toch vooral van elkaar gescheiden te blijven om verwatering te voorkomen.Ik ben zelf met de poëzie in aanraking gekomen via de grote Franstalige zangers Leo Ferré, Brassens, Brel. Vooral Ferré heeft mij op het spoor gebracht toen ik een jaar of 16 was. Mijn leraar Geschiedenis nam een keer een platenspeler mee, zo’n ouwe waarop hij een plaat draaide om de sfeer van de jaren zestig een beetje te laten proeven. Ferré zong daarop onder andere ‘Ni dieu, ni maître’, een soort ‘anthem’ van het anarchisme zou je kunnen zeggen. En ook een nummer met tekst van Rimbaud: La chanson de la plus haute tour. Daar werd ik zo door gegrepen dat ik naar de boekhandel ben gerend om werken van Rimbaud op de kop te tikken. Toen gebeurde er iets wat mensen in België heel vaak hebben met Paul van Ostaijen(?). Dat de horizon van wat mogelijk is op taalgebied, op syntactisch gebied plotseling een heel stuk verderop geschopt wordt.De muziek heeft me op weg geholpen om Rimbaud te lezen. De drempel van de muziek is lager dan die van de poëzie, maar de muziek is voor mij ook een vanzelfsprekende manier om de poëzie over te dragen, een natuurlijk vehikel. Ik zie het helmaal niet als twee dingen die absoluut gescheiden moeten blijven om verwatering te voorkomen. Ik zie het als perfect mogelijk om het ene in dienst te laten staan van het andere en andersom.”Het huis van de poëzie met in sommige kamers een muzikaal tapijtje. Waarom niet? De laatste bundels van Van Duijnhoven worden vergezeld door de zilveren schijf met daarop een soms naar botergeilheid neigende dichter die zich croonend een weg baant door soundscapes. En achter op het podium tijdens optredens van de formatie Dichters Dansen Niet hangt ook nog een visueel behangetje. Zorgt dat niet voor wat teveel afleiding waardoor het bezoek niet verder dan de hal komt?“Dat gevaar is er. Maar tegenwoordig werken we vaak heel ingetogen en zetten we soms de beelden stop om iets gedecideerder en berekender te spelen, zodat je elkaar gaat versterken en het ene niet laat verzwelgen door het andere. Daar zijn we gaandeweg achtergekomen. We komen tegenwoordig enkele malen per jaar samen met een theaterregisseur die oog heeft voor wat wel en niet werkt, wat elkaar bijt en waarin we nog tekort schieten. Het is ook een lang traject. Daarom zet ik altijd vraagtekens bij de gemakzucht waarmee veel dichters af en toe een gelegenheidsprojectje doen met muzikanten, zoals bijvoorbeeld een Remco Campert die een keertje met een jazzmuzikant aan de slag gaat. Dat is allemaal wel heel erg gemeend en het komt uit een goed hart, maar daar kan volgens mij nooit iets beklijvends uit voort komen. Als je hiermee echt tot op de bodem, tot op het bot wil gaan, dan heb je het over een levensproject. De Cd van Bloedtest is weer een stap verder op weg en nog lang geen eindstation. Ik weet welke richting ik opga maar niet waar ik uitkom. Dat is namelijk een proces van trial and error, van zweten, van weggooien en van proberen, maar je moet wel weten waar je heen wilt gaan.”

Milder?

Een toeterende stoet Marokkaanse bruiloftsgasten onderbreekt het betoog dat als een slang uit zijn mond krult. De slang sist als de kritiek op zijn bundel Bloedtest ter sprake komt: “Pfeiffer’s exercitie om in het NRC Handelsblad te recenseren is een grote wraakoefening op al zijn concurrenten met als enige doel zichzelf een veer in de reet te steken. De man verdient het om eens een keertje tegen de vlakte geslagen te worden.” Na enkele seconden klinkt vergoelijkend “In overdrachtelijke zin dan”. Maar over het literaire klimaat in den lande is hij milder. “Er is heel veel veranderd in de Nederlandse literaire wereld, en ten goede. In die zin dat er meer mogelijk is en aandacht is voor jonge dichters en nieuwe vormen, zowel vanuit organisaties als vanuit festivals zoals bijv. Poetry International dat een slamfestival heeft tegenwoordig. Een aantal jaren geleden was dat helemaal nog niet zo. Ik moet niet de hele tijd een soort van ijsbreker proberen te zijn van een ‘mere à glace’ die niet meer bestaat.”Is de ivoren toren beklommen en heeft monsieur Van Duijnhoven goed zittend pluche tussen de coryfeeën verkozen boven de barricaden? Of heeft de tijd met haar zalvende werking ook vat gekregen op het karakter van de dichtende polemist? Allebei wel en allebei niet. De tijd tempert, maar een rat verliest zijn staart niet snel. Een tweeslachtig antwoord: “Ik aarzel een beetje om daar zo hard mee van stapel te lopen, maar wat mij tegenwoordig vooral irriteert is de poëziewereld zelf, die weinig peper in de reet lijkt te hebben. Het is een beetje gezapig. En dan kun je wel heel hard gaan roepen, maar daar bereik je verder weinig mee want het moet toch uit die mensen zelf komen. Het zou heel goed zijn als de dichters hun opvattingen over de poëzie wat Olympischer zouden opvatten. Als dichters wat hoger van de toren zouden blazen. Het is toch allemaal een beetje aan de bescheiden kant. Misschien heeft ‘de Vaderlandse poëet’ nu eenmaal vaak het karakter van de een beetje gekke huisman/vrouw. Daarom aarzel ik ook om het zo polemisch te stellen. Je kunt het namelijk niet iemand kwalijk nemen dat hij of zij zo is. En de beste kritiek is om het zelf beter te doen. Dat is maar de manier die ik nu prefereer en dat is ook de reden waarom ik hardnekkig weiger om poëziekritieken te schrijven. Moet ik anderen gaan beoordelen om te laten zien hoe goed ikzelf ben of bundels uitbrengen op de manier waarop ik vind dat het goed is. Bovendien is diversiteit in de kunsten een groot goed en dat moet je respecteren. Dat respect wens ik ook van anderen voor mijn poëzie. Aan mijn heetgebakerdheid is weinig veranderd, maar ik vraag me tegenwoordig wel af wat je ermee opschiet als je mensen gaat schofferen vanwege het feit dat zij wat burgerlijker zijn, wat huiselijker zijn, wat wereldvreemder zijn, wat mussenachtig zijn, wat grijzer zijn? Toch blijf ik ervoor pleiten dat de poëziewereld wat minder bescheten wordt. ‘Spooksprekers aan het woord. Gooi open die poort,’ zeiden we op Eindhalte Fantoomstad. Zo van ‘Laat eens een keertje wat frisse lucht binnen.’ Dat kan toch helemaal geen kwaad.”

Poststructuralistische azijnzeiker

Heeft het zin om de mus zout op de staart te leggen of moet – desnoods geforceerd – de cloaca ingepeperd worden? Daar hangt het een beetje om. En blijft het hangen. Misschien komt de dubbelheid ook voort uit de weerzin tegen de constante kritieken op zijn eigen werk en op de door hem voorgestane ‘emancipatie van de podiumdichters’. Wie het strijdtoneel van de openbare opinie betreedt moet immers incasseren. Onlangs nog hekelde publicist Jos Joosten in zijn boek ‘Onttachtiging’ met essays over eigentijdse poëzie en poëziekritiek die Van Duijnhoven met zijn vernieuwingsbeweging. Zo vernieuwend als men pretendeerde was die poëzie volgens Joosten helemaal niet. Op een of andere manier lijkt Van Duijnhoven opgelucht dat het onderwerp ter tafel komt. “Die kritiek heeft meer te maken met het billenknijperige karakter van Jos Joosten. Kijk, Jos Joosten is een soort van griezeldominee die iedereen die plezier beleeft aan poëzie bij voorbaat verdacht vindt omdat hij dat niet intellectueel genoeg vindt. Als je de schoolmeester Jos Joosten zou volgen moet je je al schuldig voelen als je van Annie MG Schmidt geniet. Dat is toch erg. Juist die mensen, die te weinig kloten hebben om creatief iets bij te dragen, worden zo ontzettend streng in hun oordelen dat ze het bijna onmogelijk maken voor mensen om ergens van te genieten. Je zult zelden of nooit een positieve recensie lezen van de hand van Jos Joosten. Ook niet van de boeken die hij goed vindt. En Nederland zit vol met dat soort mensen dat te weinig elan heeft om te strijden met dezelfde wapens als de artiesten over wiens werk een oordeel geveld wordt. In plaats daarvan verleggen ze het strijdperk en dwingen ze de kunstenaars zich te begeven op een terrein van een technisch wetenschappelijke discours. Vaak zijn het mensen die gesnoept hebben van de filosofische school van Derrida, poststructuralistische azijnzeikers die het spel te min te vinden.”Een non-argument. Ook billenknijperige schoolmeesters kunnen dingen zeggen die tegen de waarheid aanschurken. Joostens kritiek richt zich onder andere op het feit dat Van Duijnhoven cum suis het spel van de revolutionaire upcoming generation speelden, zonder radicaal nieuwe poëzie te schrijven. Dat vraagt om een reactie. Serge gaat verzitten, de recorder valt om en wordt om herhaling te voorkomen ingeklemd door de glazen ouzo. Drinken heeft geen prioriteit: “Het feit dat wij dat spel speelden was voor hem al ammunitie om mee te schieten. Daarnaast herkennen mensen het nieuwe nooit aan het nieuwe. Als je alleen maar naar de poëzie op papier wilt kijken, waar tot dan toe de poëzie zich toe beperkte, dan vind je het nieuwe al helemaal niet. De beweging die om wat meer openheid en frisse lucht smeekte was niet zozeer vernieuwend op papier. Het podium was de plek.”SchijthuisEen tweede speerpunt van de podiumdichters, de presentatie van de rap als nieuw zusje van de poëzie, kan bij Joosten op minder weestand rekenen. ‘Het is een goede zaak dat hij (Serge van Duijnhoven, MvG) bepleit de ruimte van de poëzie zo ver mogelijk uit te breiden,’ valt er te lezen in een hoofdstuk met de denigrerende titel ‘De jeugd van tegenwoordig’. Het lijkt er echter op dat het nieuwe zusje op zichzelf is gaan wonen en zich in mindere mate iets gelegen laat liggen aan de dichtkunst. De destijds nieuwe generatie podiumdichters heeft een prominente plek ingenomen op tal van literaire manifestaties, maar da hip hop? Hangt die er niet een beetje bij of wordt rap er soms zelfs niet met de haren bij gesleurd? Van Duijnhoven: “Is het hypocriet dat mensen in de poëziewereld geïnteresseerd zijn in de rap, omdat de rap op een originele manier gebruikmaakt van technieken die voortkomen uit de poëzie, van ritme, van palindromen, van spiegelingen? En in hoeverre is het hypocriet van rappers om geen interesse te tonen in alles wat maar buiten het kleinzielige hiphopwereldje gebeurt. Veel hip hoppers kijken ook niet verder dan het reclamewereldje van de juiste kleding, de juiste codes, van de juiste beweginkjes. Begrijp me goed, ik geniet gewoon als ik Def P hoor flowen, maar het tonen van interesse kan alleen maar goed zijn. Als de hip hop het medium waarvan ze gebruikmaakt in de volle breedte uit zou willen buiten, dan zouden rappers weldegelijk in poëzie geïnteresseerd zijn. Maar het is helaas niet hip om te zeggen dat je D.H. Auden op je nachtkastje hebt liggen. En in hoeverre is het niet een statement tegen dat blanke eliteraire gedoe om als hip hopper weg te lopen van een festival als de hip hop act klaar is? Van de kant van de festivals heeft het inpassen van hip hop vaak een soort effect van de ‘token nigger’, de excuus Truus. Erg opportuun. De hypocrisie komt gewoon van beide zijden.Het valt niet te ontkennen dat het toch twee verschillende werelden zijn gebleven en de conclusie die men ook kan trekken is dat mensen neiging hebben om zich op te sluiten in kleine groepen. The birds of the same feather, will always flock together. Om zich veilig te voelen, maar ook om zich verheven te voelen boven een ander. Dat geldt net zo goed voor hip hoppers die weglopen als de rest van het programma begint als voor mensen als Jos Joosten en consorten die zullen vinden dat Van Duijnhoven en andere figuren, als het huis van de poëzie dan toch zovele kamers heeft, beter naar het schijthuis van de letteren kunnen worden verwezen.”

Gekrenktheid

“Zo behoort Joosten tot het groepje van de Preciezen en de Preciezen hebben een hekel aan de Rekkelijken. De precieze opvatting van de literatuur is dat literatuur zich dient te beperken tot het geschreven woord. Alsof het orale daar geen plaats in heeft. Nu vindt ik niet dat iedereen een hot podiumdichter moet zijn, maar wel dat er naast Eva Gerlach nog zo iemand als Ingmar Heytze mág bestaan waarvan je mág genieten. Mensen als Jos Joosten willen niets weten van het feit dat er nog een lichamelijke tak aan de poëzie zit. Voor hen is het alleen maar hoofd en – om met Derrida te spreken – ‘Il n’ y a rein dehors la texte.’ Het is een gemakkelijke kritiek om te zeggen: ‘Die Van Duijnhoven wil revolutionair zijn, maar zijn teksten zijn helemaal niet zo revolutionair.’ Zelf ben ik ook niet op een manier nieuw zoals Hans Faverey nieuw is geweest voor de poëzie op papier. Dat heb ik ook nooit beweerd. En dan is het natuurlijk makkelijk om dat element eruit te pikken waarin mijn gedichten misschien romantisch, klassiek zijn of binnen de traditie passen. Maar als je niet ziet wat er anders is vergeleken met de poëzie van Gerlach of Faverey, dan weet ik het ook niet meer. Misschien heeft het meer te maken met hun verwachting. Ze zien me toch als een soort revolutionair of popster ofzo en meten daar mijn poëzie aan af.”Klinkt hierin niet een beetje een gekrenktheid door? Of in de lederen stappers lange tenen steken, wil ik weten. En is de combinatie lange tenen en scherpe tong wel het juiste arsenaal voor een dichter? Antw.: “Absoluut. Gekrenktheid is een van de sublimaties die literatuur is. Als je niet gekrenkt zou zijn, als je niet een overtrokken ego zou hebben, als je niet op een of andere manier onder iets uit zou willen komen, als je niet gemankeerd zou zijn, zou je ook niet al die uren op een kamertje achter de computer gaan zitten zwoegen om dat terug te halen wat je in de normale werkelijkheid niet kan bereiken. Die gekrenktheid is er, en bij iedereen denk ik. De drang om erkend te worden. Je wilt erkenning voor wat je doet. En dat is op zich heel kinderlijk. Vrouwen hebben dat veel minder, die gespitstheid die grootheden als Harry Mulisch en W.F. Hermans wel hebben. Ze zeggen vaak dat mannen met een opgeblazen ego net kleine kindertjes zijn die op een zeepkist gaan staan om gehoord te  worden. Als ik dat hoor dan moet ik altijd lachen, want ze hebben wel gelijk. Maar het is een voorwaarde voor kunstenaarsschap. Waarom moet je het allemaal doen in de arena waar iedereen er last van heeft. Ik denk dat je een ontzettend opgeblazen en verkrampt ego moet hebben om dit soort dingen te doen.”De recorder gaat uit.

Bloedtest.Erasmucmc

 

OVER HET ALBUM KLIPDRIFT VAN DDN

KLIPDRIFT

DICHTERS DANSEN NIET

NIEUW AMSTERDAM  ISBN 9023410815

62 blz. € 19,90

Klipdrift is een overrompelende ervaring: muziek, spoken word, sferische collages, klankexperimenten en messcherpe audiocollages wisselen elkaar in hoog tempo af.

De gedichten van Van Duijnhoven spelen zich vaak af in de onderbuik van Europese steden, aan de rafelranden van het gezichtsveld. En altijd gaan ze over de verlokkingen van de liefde, de slijtageslag van het hedendaagse leven en de onvermijdelijk naderende dood. Fred dB geeft met zijn intelligente en subtiele soundscapes de gedichten van Van Duijnhoven een wonderschone gelaagdheid.

Klipdrift op rij

dichtbundel met CD

muziek en mixage Fred dB, tekst en stem Serge van Duijnhoven

De pers over KLIPDRIFT:

‘Gedichten lezen is nogal eens een saai tijdverdrijf, maar door de fenomenale soundscapes van dj Fred dB krijgen de woorden een nieuwe dimensie. Inventief, intrigerend en erg muzikaal. Aanrader – ook voor de ongeletterde luisteraar.’ – Menno Visser in VPRO’s 3voor12 (‘Luisterpaal’)

‘Auf der Bühne ist “Klipdrift“ eine eindrucksvolle Performance: sie verbindet moderne Poesie mit experimentellen Rhythmen und Klängen – Lyrik für alle Sinne.’ – Poetry On The Road, Bremen

Verzen in de branding

KLIPDRIFT – het dichten gaat door

Over de grenzen van de poëzie  |

http://www.jan-dejong.nl/recensieduijnhoven.htm

DOOR JAN DEJONG

Vader vertelt: “Nee, toen ík nog jong was, toen had je pas echt goeie muziek. Met teksten die zo op de literatuurlijst konden.” Typisch zo’n opmerking van een verzuurde bijna-bejaarde die het verleden verheerlijkt en de waarheid daarbij met aristocratische nonchalance met zijn eigen verbeelding laat optrekken? Niet helemaal. Want hoewel ik het oordeel over mijn eigen zuurgraad graag aan mijn critici overlaat, dat van die liedjes voor de lijst is toch heus waar. Voor mijn eindexamen Engels had ik in 1972 welgemoed alle teksten van het album Imagine van John Lennon laten noteren. De ex-Beatle stond met zijn poëzie broederlijk naast de gouwe ouwe van Robert Browning en W.H. Auden.

Het idee dat liedjes en poëzie niks met elkaar te maken hebben, dateert van het eerste kwart van de 17de eeuw. Al in 1623 bleek het Groot Liedboek van Bredero onverkoopbaar, terwijl de dichter na zijn dood, nog maar vijf jaar daarvóór, door zowat de gehele literaire elite bezongen en betreurd werd.

Daarna is het nooit meer goedgekomen. Ook in 1972 niet, toen mijn leraar Engels (waarschijnlijk uit nieuwsgierigheid) over zijn poëtische hart streek. Leraren Nederlands zijn doorgaans nog rechter in de leer. Of het nou om Boudewijn de Groot gaat, om De Dijk of om Acda en De Munnik, er komen géén liedjes op de lijst. En laat ik eerlijk zijn: daar hebben ze in veruit de meeste gevallen nog gelijk in ook. Zeker als ze, net als ik, poëzie beschouwen als een manier om je eigen grenzen te verleggen. Want als literatuur aan moet sluiten bij de “belevingswereld”, dan kun je er net zo goed meteen mee ophouden. Een beetje belevingswereld laat zich thuis, op straat, op het voetbalveld of in het café immers veel duidelijker zien dan in de schone letteren. Nee, die belevingswereld, dat is de dood in de pot. Dat is meteen ook de belangrijkste reden waarom liedjes niet op de lijst horen: veel te veel belevingswereld.

Maar het kan ook andersom. Dichters, goeie dichters vaak, die met hun gedichten langs prettig gevulde zalen trekken, alwaar gedichten, muziek en theater tot één mooi poëtisch werk samensmelten. Jules Deelder kan het. Remco Campert ook. Net als Simon Vinkenoog met Spinvis. En voor een hoop jongere dichters is optreden vaak de meest natuurlijke manier om met hun teksten een publiek te bereiken.

Voor Serge van Duijnhoven bijvoorbeeld. Samen dj Fred de Backer vormt hij al enkele jaren het succesvolle duo Dichters Dansen Niet. De teksten van Van Duijnhoven zijn soms ingetogen, soms expressief, soms beeldend, soms akelig rechtstreeks, soms lelijk, soms mooi. Maar altijd stemmen ze tot nadenken. Altijd wekken ze verwondering of verontrusten ze. En altijd zijn ze nog niet afgelopen als ze uit zijn (wat misschien wel het belangrijkste kenmerk van goede poëzie is). Een voorbeeld:

zelfportret zonder ik

de geheimagenten van mijn bewustzijn

schaduwen mijn brein

wie bepaalt er wie de vijand is?

degene die zich in mijn naam

verbasterd heeft van tegenpartij

(‘en-e-my’) tot die ene-in-mij

twee wezens uit hetzelfde nest

ontstaan; mijn lichaam blijkt

bestand. Mijn verstand

gaat kopje-onder

in het gistende moeras

van het handjevol verwanten

dat ik was

Deze tekst is het eerste deel van een langer gedicht, dat eindigt met de regels ‘mijn bloed / verdraagt mij / niet’. Een beetje poëzielezer weet hier natuurlijk wel weg mee. De uitvoering op de bijgevoegde cd, voegt echter nog iets toe. Geen interpretatie, dat zou te makkelijk zijn. Maar wel een soort van onrust, veroorzaakt door een jazzachtige bassolo die de tekst niet stuurt, maar ook niet volgt. Het effect is een beetje (een beetje!) te vergelijken met Remco Campert die zijn gedicht ‘Lamento’ voorleest op de cd Campert van saxofonist Benjamin Herman.

Maar Van Duijnhoven bewandelt met zijn gedichten ook andere muzikale wegen. Zoals in ‘Loop ik langsheen het leven’ (stevige beat), ‘Tot slot het einde’ (zwaar aangezette romantiek, net te fout om slecht te zijn) of ‘No more chains’ (gebaseerd op een thema van Ali Haurand). Zijn verleden als rapdichter (Eindhalte Fantoomstad, een samenwerkingsverband met ‘echte’ rapper Def P) heeft hij hiermee definitief achter zich gelaten. De gedichten uit Klipdrift zijn in de eerste plaats gedichten. Daarna is er de muziek die versterkt, buigt, of uit balans brengt. En daarmee de poëzie boven zichzelf doet uitstijgen, zodat geen literatuurlijst er zich meer voor hoeft te schamen. Zoals voor:

blanco

(in memoriam Freddy de Vree)

 

In mijn droom schrik ik wakker

onder een brug stroomt een borrelend

kwik. Ik hijg. Koel en zilver is je hand

die me bedreigt; je zwijgt. Streep

door mijn keel. Geel mijn gezicht

je trilt rondom mij zoals de hitte

aan monumenten kleeft

stuwt je adem door mijn longen

het is nooit kil nooit donker als je lacht

de sloepen varen met op de plecht

het oog van Osiris. Avond

je slaapt. Althans je adem

lijkt op slaap, en je slapen

op sneeuw. […]

‘Blanco’ gaat hierna nog twee bladzijden door. Maar het punt is gemaakt. Klipdrift geeft lezers en luisteraars de ruimte. Soms met stevige, eenduidige expressie (zoals in ‘Schelddicht’), maar vaker met teksten waarmee nog lekker wat te worstelen valt. Zeker voor mensen die druk bezig zijn hun weg te vinden.

Afbeelding

Dichters Dansen Niet live in Cafe Espirit Amsterdam, Boekennacht maart 2009. Opnamen: Gabriel Kousbroek – gaapmedia Amsterdam.

Luister ook:

http://www.reverbnation.com/dichtersdansenniet/song/825226-zelfportret-zonder-ik-ddn-2007

 

Live versie van de klassieker NO MORE CHAINS! van jazzlegende Ali Haurand, uitgevoerd in The Sugarfactory Amsterdam op 12 mei 2005 – met Ali Haurand op bas, Uli Sobotta op eufonium, Bosz de Kler op accordeon, Fred dB (mix) en Serge van Duijnhoven (stem). Te vinden als slotnummer op het album KLIPDRIFT (Nieuw Amsterdam 2007).

“Het ideaal van de veelzijdigheid” ; ‘wanted interview’ verschijnt na vijftien jaar online

          WANTED INTERVIEW EINDELIJK BOVEN WATER

          VOOYS sprak met SERGE VAN DUIJNHOVEN

door Pieter Jeroense en Jeroen Kapteijns

   i.s.m.  DBNL vignet

Vooys. Jaargang 15  Utrecht 1997 pp.47-51

 

In de reeks interviews met jonge, veelbelovende auteurs, is het woord ditmaal aan Serge van Duijnhoven. Deze Amsterdammer blinkt uit in veelzijdigheid: naast zijn dichtwerk, heeft hij een roman en een verhalenbundel gepubliceerd. Bovendien is hij een van de drijvende krachten achter het tijdboek MillenniuM, waarin het naderende einde van het tweede millennium gethematiseerd wordt. Van Duijnhoven vertelt onder andere over zijn bewondering voor Leo Ferré, de doelstellingen van MillenniuM, zijn debuutroman Dichters dansen niet, zijn fascinaties, ervaringen met recensenten en zijn vernieuwende opvattingen over poëzie.

Hotel Winston in de Warmoesstraat

Hotel Winston in de Warmoesstraat

In 1993 overleed de Franse dichter / zanger Leo Ferré. Met Brassens en Brel behoorde hij tot de ‘Grote Drie’ van het Franse chanson. In Frankrijk werd om zijn dood gerouwd alsof hij een vorst was. In het tijdschrift MillenniuM (1993) wijdde Serge van Duijnhoven (Oss, 1970) enkele pagina’s aan het heengaan van deze excentriekeling. In dat artikel noemt hij Ferré de ‘dichterlijke advocaat van de amour anarchie’. De chansonnier streefde namelijk de absolute vrijheid na: ‘De mens is vrij, en zal zelf waarde moeten geven aan zijn leven. Geen kerk, geen koning, geen politieke partij, geen leger kan hem daarbij leiden.’ Van Duijnhoven staat verder stil bij de olympische wijze waarop Ferré zijn kunstenaarschap opvatte. ‘Geen gezeik, geen valse bescheidenheid, geen verontschuldigingen wat zijn poëzie betreft.’ Ferré vond dat de kunst niet in een ivoren toren thuis hoorde. Zo nam hij gedichten van Verlaine, Rimbaud, Apollinaire en Aragon – zijn broeders van de nacht – in zijn repertoire op en bracht op deze manier hun poëzie onder het grote publiek. Belangrijk voor Van Duijnhoven – al van jongsaf een groot bewonderaar van de man – is ook dat zijn chansons gedragen werden door grote ideeën op het gebied van de politiek, de vrede en solidariteit.

Van Duijnhoven en Ferré zijn geestverwanten; hun opvattingen over kunst en het kunstenaarschap zijn nauw verwant. Ook bij Van Duijnhoven zijn poëzie en muziek onlosmakelijk met elkaar verbonden. In het kleine wereldje van de Nederlandse letteren probeert hij zijn eigen plan te trekken en vreest de autoriteit van recensenten niet. Hij mag zijn publiek graag verrassen met nieuwe en experimentele vormen. Kunst hoeft voor hem niet per definitie verheven te zijn. En uit de stukken die hij voor het tijdboek MillenniuM schreef, maar ook uit zijn eigen poëzie, blijkt de betrokkenheid bij eigentijdse culturele en maatschappelijke vraagstukken.

MillenniuM11 cover

Van Duijnhoven was een van de oprichters van MillenniuM, het tijdschrift van de Kunstgroep Lage Landen. De zeer jonge kunstenaars die zich rond dit tijdboek hadden geschaard, streefden een grondige vernieuwing van het kunstklimaat in Nederland na. Met hun eclectische belangstelling, frisse ideeën, hun eigenzinnige projecten, hun engagement, maar vooral ook hun moed wisten ze het ingesufte wereldje van de Nederlandse letteren even wakker te schudden. Hoewel Van Duijnhoven duidelijk zijn stempel op dit blad heeft weten te drukken, treedt hij liever niet op als woordvoerder van MillenniuM. ‘Ik kan wel praten over wat we gedaan hebben, maar spreek dan niet namens anderen. Daar krijg je alleen maar sores mee. Uiteindelijk zijn het allemaal individueel opererende kunstenaars die MillenniuM als platform gebruiken en incidenteel samenwerken. Maar van gemeenschappelijke doelen of idealen is nooit sprake geweest.’

Toch wil hij wel wat dieper op het karakter van MillenniuM ingaan. ‘Wat MillenniuM zeker kenmerkt is dat het dingen in kaart heeft willen brengen. Het heeft een inventarisatie van bepaalde zaken willen maken. Zo hebben we bijvoorbeeld een bloemlezing van jonge Vlaamse en Nederlandse

[p. 48]

dichters [Aan iedere spijker een regel], een zogenaamd zap-nummer en een boek over v.j.-kunst gemaakt. Dat laatste nummer is overigens niet om aan te zien, maar dat gebeurt als je dingen probeert; dan ga je af en toe flink op je bek.’

‘MillenniuM heeft ook altijd geprobeerd bepaalde thema’s, waarvan wij dachten dat ze voor deze tijd relevant waren, te behandelen. En dan niet, zoals zo vaak gebeurt, op een columnachtige manier. Nee, we hebben in ons blad de ruimte genomen om bepaalde dingen uit te werken. Dat bleek in een tijd van vluchtige meningen en snelle columns heel verfrissend.’ Mede door deze serieuze benadering van ‘grote’ thema’s kreeg MillenniuM al snel het labeltje ‘geëngageerd’ opgeplakt. Van Duijnhoven moet daar weinig van hebben: ‘MillenniuM is niet per definitie geëngageerd. We hebben verschillende stemmen laten horen, bepaalde dingen aangedragen, en zaken geïnventariseerd. Maar dat is niet voldoende om ons het oormerk “geëngageerd” op te prikken. Dat is veel te gemakkelijk.’

MillenniuM10 gezelligste cover

Bijzonder aan MillenniuM is ook het interdisciplinaire karakter: kunstenaars van voorheen streng gescheiden kunstvormen grepen de mogelijkheid aan om samen te werken. MillenniuM is dan ook zeker geen letterkundig blad. Van Duijnhoven: ‘Die eclectische en openhartige geest hoorde bij de inzet van het blad. Daar kunnen hele mooie dingen uit voortkomen. Hoewel je moet oppassen niet zomaar alles met elkaar te gaan vermengen. Het moet wel een duidelijke functie hebben. Als ik samenwerk met een d.j. dan doe ik dat omdat ik mijn teksten op een bepaalde manier wil gebruiken, om ze een nieuwe impact te geven.’

MillenniuM#12Fake cover

In het prozadebuut van Van Duijnhoven, Dichters dansen niet (1995), komen de achtergronden van MillenniuM aan bod. De oprichting van het blad vormt in dit boek een rode draad. De eerste regels luiden: ‘We waren met een man of tien, twintig. Jonge enthousiastelingen, kleine ridders van de kunst die vonden dat er dingen aan het veranderen waren en dat het tijd was voor nieuwe ideeën, een nieuwe groep, een nieuw blad. We waren allen zeer jong en hadden een grote mond en nog grotere plannen en dat was wat ons bijeenhield. We vonden dat er nog heel wat was om over te schrijven, om te proberen en om voor in te staan, en te oordelen naar alles wat er om ons heen gebeurde was dat ook zo.’ Dichters dansen niet laat zich lezen als een heuse sleutelroman. Millenaar is MillenniuM, Mark Moors is Van Duijnhoven zelf, de X-ray verbeeldt de Amsterdamse discotheek de Roxy, terwijl de lezer in Gerrit Krijt de niet-dansende dichter Gerrit Komrij kan herkennen.

Dichters dansen niet.omslag

Toch is het reilen en zeilen van MillenniuM niet meer dan een dun verhaallijntje. Van Duijnhoven: ‘Van een sleutelroman in de ware zin van het woord kan nog geen sprake zijn. Daarvoor zat ik er toen nog veel te dicht op. Pas over tien, twintig jaar kunnen we de geschiedenis van MillenniuM optekenen.’ Dichters dansen niet geeft in tien korte schetsen een indruk van het leven van hoofdpersoon Mark Moors en de Amsterdamse house-scene, die eind jaren tachtig opkwam. Het onrustige en vrij oppervlakkige bestaan van de jonge Amsterdamse kunstenaar die net als zijn kunstbroeders een sterke drang heeft tot het nachtleven en genot staat centraal. Zijn ietwat lege dagen, die vooral in beslag genomen worden door allerlei praktische beslommeringen – aangebrande groentejasjes, gestolen fiets en enveloppen plakken – eindigen meestal op de dansvloer. Daar, temidden van de kolkende en zwetende massa, laat hij de oorverdovende beat van de hallucinerende muziek zijn lichaam intrekken.

Slotfeest  MM en Doel zonder oorzaak - in Paradiso - 31 dec. 1999 / 1 jan. 2000

Slotfeest MM en Doel zonder oorzaak – in Paradiso – 31 dec. 1999 / 1 jan. 2000

De housemuziek en houseparty’s betekenen voor Mark en zijn vrienden meer dan zomaar een avondje uit. ‘De houseparty’s waren de beeldenstorm van deze tijd. De beelden moesten om, de banken aan de kant, er moest gedanst worden. Geen gemeente kon eraan ontkomen. Op een gegeven moment gingen ze allemaal voor de bijl. De angst van de burgerij was terecht. De jeugd was bezig vreselijk wraak te nemen op de ouderen, op het volwassen leven, op de grenzen die zij zichzelf gesteld had, de morele aflaten waarmee zij haar dagelijkse rust afkocht. En iel en betekenisloos stierf, in de handpalm van een reusachtige God, door wiens vinger ze als een insekt op een goede dag zouden worden doodgedrukt.’ (p. 52). Op de houseparty’s kan de jeugd zichzelf zijn. Daarbij heeft voor Mark Moors het nachtleven nog een andere functie; hij probeert zijn geliefde Lot te vergeten. Hoewel soms onbevredigend, verkiest hij de beweging, de herrie en de nacht boven de stilstand, de rust en het bed. Voortdurend is de jonge held in de weer om zijn Lot te ontlopen.

Van Duijnhoven noemt de nacht één van zijn fascinaties. ‘Ik ben geïnteresseerd in de nacht. Ik houd ervan. Dat komt, omdat ik geboeid word door juist datgene, waarin de mens zich kan verliezen. De mens heeft dat nodig, de donkerte of de nacht, om zich over te kunnen geven aan of zich te verliezen in de roes. Blijkbaar kan men op die manier een ander

[p. 49]

register in zichzelf aanslaan. De hedonistische danscultuur is een mogelijkheid waaraan men zich volledig kan overgeven.’

Maar het is niet de enige manier. Van Duijnhoven legt een direct verband tussen de roes van het nachtleven en het oorlogsgeweld zoals hij dat zelf als oorlogscorrespondent in Bosnië heeft aanschouwd. ‘Voor het feest en de oorlog wordt dezelfde poel van lusten aangeboord. Voedsel, vlees, begeerte, oorlog en vernietigingsdrang; die dingen hebben met elkaar te maken.’

Copycat.omslag

In zijn jongste dichtbundel Copycat (1996) heeft hij verbanden proberen te leggen tussen deze menselijke driften. Het motto van de Engelse dichter en zanger Peter Hammill wijst daarop: During sex we are timelocked as in war. De verbanden tussen begeerte en vernietigingsdrang komen expliciet naar voren in de gedichten over Bosnië uit de afdeling ‘De stad als kadaver’. ‘Ik heb niets, zei de vrouw, behalve honger’ luidt het schrijnende refrein van deze verzen. Van Duijnhoven over de bijzondere vorm van deze gedichten: ‘Het is prozaïsche poëzie. Ik heb gekozen voor flarden of bewust brokkelige stukken tekst zonder dat ik in eerste instantie schoonheid heb nagestreefd. Natuurlijk heb ik ze gevijld en bewerkt, maar ik heb ze zo rauw mogelijk proberen te houden. Ze moesten worden zoals de stad zelf.’ Van Duijnhoven heeft met Copycat geprobeerd bepaalde grenzen te overschrijden: ‘Wat mij betreft hoef je het geen poëzie te noemen. Net zoals Dichters dansen niet eigenlijk geen roman mag heten; het zijn tien korte scènes uit het leven van Mark Moors, geschreven op de dreun van de housemuziek.’

In Trouw ontstond onlangs een discussie naar aanleiding van Van Duijnhovens Bosniëgedichten. Centraal stond de aloude vraag of poëzie wel zou kunnen en / of mogen functioneren als drager van politieke ideeën. Recensent Peter de Boer noemde het engagement uit Copycat sympathiek, maar met poëzie had het naar zijn mening weinig van doen: de dichter zou met zijn protest zichzelf overschreeuwen. Volgens Bert van Weenen – redacteur van het literaire bulletin Chroom – leent poëzie zich niet voor politiek, omdat er geen afstand met het onderwerp is en de taal vaak te kaal en afgezaagd is. Hij pleit in zijn stuk voor diepzinnige op theologie en filosofie gefundeerde poëzie. Zelf zou Van Duijnhoven zijn Bosniëgedichten niet geëngageerd noemen. ‘De mensen in deze gedichten voeren een oorlog tegen hun lichaam of tegen zichzelf. Ik vind het onzin om

illustratie

Serge van Duijnhoven foto: Roeland Fossen

dit geëngageerd te noemen. Ik neem toch nergens een stelling in? Wat er hoogstens uit naar voren komt, is de afschuw van de gruwelijkheid van de oorlog. Maar als dat tegenwoordig ook al geëngageerd is…’Van de negatieve reacties op zijn werk kan hij niet lang wakker liggen. Hij doet ze met een schouderophalen af, in de wetenschap dat hij met zijn eigengereide en rebelse optreden wel nooit in de smaak van de critici zal vallen. Cynisch: ‘Nee, dan zullen er eerst enkele recensenten moeten overlijden.’ Slechte recensies hebben zijn werkdrift nooit vergald. ‘Op een gegeven moment bepaal je gewoon waar je het voor doet. En bij mij geldt één hoofdregel: ik schrijf niet voor de recensenten. Gelukkig heb je altijd van die Don Quichottes gehad die zich nergens een fuck van aantrekken en solitair, zonder enige erkenning bezig zijn met iets te prutsen in de kunst en daar toch heilig in kunnen geloven. Een enkele keer wordt er een ontdekt en hebben we van doen met een genie à la Van Gogh. Meestal niet. Je kunt daar geen peil op trekken. Voor mij geldt dat ik m’n eigen dingen maak. Ik schrijf de boeken die ik wil schrijven, probeer mijn projecten en plannen af te maken en zie wel waar ik uitkom. Het is aan een ander om daarover te oordelen.’

‘Uit zo’n discussie in Trouw blijkt weer eens dat voor een aantal recensenten poëzie pas poëzie is als

[p. 50]

het over landschappen of eerbiedwaardige thema’s gaat. Men ziet het liefst bundels die geïllustreerd zijn of geschreven aan de hand van schilderijen. Het heeft te maken met die bibliofiele cultuur van het voorzichtige die in het poëziewereldje overheerst. Dat is rustgevend.’ Van Duijnhoven noemt de Nederlandse recensenten ‘herauten van een bastion’: ‘Het is een bolwerk van professoren, studenten en recensenten met een eigen bijna exegetische studiecultuur en een uitgesproken voorkeur voor klassieke, strenge vormen. Zij bepalen de wetten van de poëzie, waar ik tegen in ga.’

Klipdrift.cover_shade

‘In dat eliteraire wereldje zal weinig veranderen. Het is opmerkelijk hoe juist jonge recensenten alles wat modern is verwerpen. Voor mij heeft het desastreuze gevolgen gehad dat ik ben besproken door jonge recensenten als Onno Blom en Michel Maas. Zij nemen de normen van de oudere garde klakkeloos over. Zo komen zij in een goed blaadje te staan. Bovendien geeft het een gevoel van macht om af te kunnen geven op alles wat nieuw en modern is. Dat vinden ze lekker. Een goed voorbeeld hiervan is een recensie van Maas over het tijdschrift Zoetermeer. Hij vond het maar niets: het blad zou vol staan met braaksel en seks. In een van de meer traditionele tijdschriften stond een gedicht “Ode aan een landweg”, dat natuurlijk wel in de smaak viel.’ Van Duijnhoven is duidelijk geïrriteerd daarover: ‘Die pastorale poëzietraditie is een ziekte. Des te groter de behoefte er eens een flinke gabberbeat doorheen te gooien.’

De jonge dichter lapt de heersende normen van het bastion aan zijn laars. ‘Van mij kan alles poëzie zijn. Waarom zou je geen poëzie kunnen schrijven over Bosnië, over gokhallen of over Ayrton Senna die terugkeert op aarde in de gedaante van een flipperautomaat?’ Bij herhaling pleit hij voor een grotere openheid in de literaire wereld. ‘De laatste jaren is een ontwikkeling van verdergaande profanisering aanwijsbaar. Steeds meer kunstenaars ontdekken het braakliggende terrein tussen dat kleine elitaire clubje en de massacultuur.’

Van Duijnhoven experimenteert met house en discjockeys en verwerkt dit in eigen performances waarmee hij zijn poëzie presenteert. ‘Het gaat mij daarbij niet om het propageren van housemuziek. Ik ben geïnteresseerd in house en het werk van d.j.’s, omdat zij werken met moderne elektronische apparatuur. Ik vond in de manier waarop zij omgingen met geluiden, samples en stemfragmenten raakpunten met mijn eigen werk. Door die samenwerking heeft mijn werk er een nieuwe dimensie bij gekregen. Ik kan mijn gedichten in een bepaalde context plaatsen, fragmenten door elkaar presenteren en klankexperimenten uitvoeren.’

Inmiddels heeft Van Duijnhoven zijn grenzen al weer verlegd. Hij maakt nu ook gebruik van beeldmateriaal. ‘V.j. Gabriël Kousbroek – oprichter van Eyegasm [een v.j.-collectief] – heeft mijn teksten in de computer gezet en mixt er beelden doorheen. Bij mijn optredens – die momenteel Van Duijnhovens belangrijkste inkomstenbron vormen – heb je mijn teksten, de muziek van d.j. Dano en de beelden van Kousbroek; het is een totaalspektakel.’

SvD in Amsterdam 1994, fotograaf Harry Cock

SvD in Amsterdam 1994, fotograaf Harry Cock

Van Duijnhoven vraagt zich af waarom dit soort dingen toch niet mogelijk is op de traditionele poëziefestivals. ‘Is het dan geen poëzie meer? Kunnen we alleen maar van poëzie spreken als het in een boekje staat? Waarom mag het toch niet anders gebracht worden? De combinatie poëzie en muziek is trouwens niets nieuws. Wat te denken van de troubadours, de minstrelen of de Franse chansonniers. Je zou eerder kunnen zeggen dat ik in een traditie sta. Zelf ben ik via de muziek met poëzie in aanraking gekomen.’ Van Duijnhoven vertelt hoe hij via de liederen van Leo Ferré de poëzie heeft ontdekt. ‘Door hem ben ik Rimbaud, Baudelaire, Verlaine en Aragon gaan lezen en ben ik me bewust geworden van poëzie. De invloed van die man is enorm geweest.’

In de Nederlandstalige literatuur voelt hij zich vooral verwant met het werk van Hugo Claus. Superlatieven schieten tekort: ‘Claus is iemand die ik mateloos bewonder. Het is een gigant. Niet alleen zijn poëzie, ook zijn proza is meesterlijk. De geruchten, zijn laatste roman, was weer subliem. Claus is zo’n auteur die niet – zoals veel andere schrijvers – één eigen stijl heeft. Hij is een acteur; iemand die bij ieder boek dat hij schrijft een masker opzet.’ Volgens Van Duijnhoven is maskerspel onlosmakelijk verbonden met literatuur. Hij doet er zelf ijverig aan mee. Zo publiceerde hij gedichten onder de naam Remi Overman, een personage uit een van Van Duijnhovens verhalen. Hij verantwoordt die mystificatie als volgt: ‘Door te schrijven kan ik meerdere levens leiden. In Overman zit veel van mijzelf, maar ik heb het vermengd met andere levensverhalen. Het is een samenstelling. Overman is trouwens wel een geval apart. Hij ligt me zeer na aan het hart en ik hoop ooit de tijd te kunnen nemen om dat personage verder uit te werken. In welke vorm valt nog maar te bezien.’

[p. 51]

Wie het nog betrekkelijk kleine oeuvre van Van Duijnhoven overziet, zal direct opmerken dat hij net als zijn Vlaamse voorbeeld bij elk werk een andere stijl hanteert. ‘Mijn stijl verschilt per boek. Daarom zijn ze voor de recensenten ook zo moeilijk te labelen.’ De vrij experimentele en gedurfde houseroman Dichters dansen niet en de rebellerende en schreeuwerige lyriek uit Copycat lijken in niets op de meer rustige, traditionele en klassieke gedichten uit Het paleis van de slaap (1993) – Van Duijnhovens eerste dichtbundel – en de sobere korte verhalen uit De overkant en het geluk (1995). ‘Er valt in mijn werk inderdaad een soort van tweedeling te zien. Twee soorten van literatuur die deel van mij uitmaken. Het aardige is dat ik op mijn zeventiende in eigen beheer een boekje heb uitgegeven, Cascade, waarin die verschillende stijlen al aan te wijzen zijn. In dat boekje stond poëzie die de wereld ingeschreeuwd werd, maar het bevatte ook korte verhalen, een novelle, een toneeltekst en essayerende artikelen. Die novelle heette De overkant en het geluk en was de eerste aanzet tot wat later een verhalenbundel is geworden. Het is een melancholisch relaas over liefde, religie, dood en vriendschap. Ook dat is een deel van mij net als die rebellerende, niet-lyrische poëziestijl. Het paleis van de slaap is net als De overkant en het geluk een voorbeeld van de wat klassiekere literaire stijl. Terwijl Copycat en Dichters dansen niet een andere kant van mij laten zien.’

De vorm in Het paleis van de slaap mag van zijn andere werk verschillen, het onderwerp van de gedichten, de slaap, is nauw verwant met die uit Dichters dansen niet en Copycat. Van Duijnhoven werkt vanuit een aantal fascinaties. Zouden we de slaap immers niet net als oorlog, geweld en de hedonistische danscultuur kunnen beschouwen als een soort van roes, als een mogelijkheid om tijdelijk een punt te zetten achter ons aardse bestaan? ‘Ik ben altijd gefascineerd geweest door de slaap en heb me verdiept in de verschillende facetten van slaap; als metafoor, als domein, maar ook vanuit medisch oogpunt. Slaap is een dubbelleven, dat we allemaal leiden. Het is iets waar je geen invloed op kunt uitoefenen. Je moet je eraan overgeven, hoezeer je er soms ook aan zou willen ontkomen. Maar slaap is ook een metafoor voor dingen die sluimeren, of dat nu de ouderdom is, die langzaam binnensluipt of een ziekte.’ De titel van de bundel heeft hij ontleend aan de paleizen van de Ethiopische keizer Haile Selassie, in wiens leven Van Duijnhoven zich verdiept heeft. Deze keizer had twaalf paleizen waar permanent personeel aanwezig moest zijn voor de eventuele komst van het staatshoofd. ‘In sommige paleizen is hij nooit geweest. Dit waren dan ook letterlijk paleizen van slaap.’

sprooksprekers.eindhalte fantoomstad

Van Duijnhoven is een veelzijdig kunstenaar die zich op verschillende gebieden heeft laten gelden. Hij verrichtte journalistiek werk voor De groene Amsterdammer, de Volkskrant, De morgen en NRC Handelsblad, was betrokken bij de oprichting van de Kunstgroep Lage Landen en het tijdboek MillenniuM, schreef twee dichtbundels, een kleine biografie, een novelle en een prozaboek. In maart is bovendien de cd Eindhalte Fantoomstad verschenen, waarop teksten van zijn hand, maar ook van Olaf Zwetsloot en Def P. van de Osdorp Posse te vinden zijn. Dit samenwerkingsverband reikt verder dan het maken van deze cd; samen met d.j. Dano en v.j. Gabriël Kousbroek verzorgen zij performances onder de naam ‘De sprooksprekers’. Ook voor de komende jaren heeft Van Duijnhoven al plannen. In Gent werkt hij momenteel aan zijn nieuwe prozaboek, dat als werktitel Boulevard Oktoberrevolutie heeft gekregen. Hij licht een tipje van de sluier op: ‘Het wordt weer iets geheel nieuws; een personale roman. Ik kruip onder meer in de hoofden van gekken die steeds verder wegzakken in het moeras van redeloosheid dat oorlog heet. Ook wordt het een relaas over hoe verschillende generaties met oorlog omgaan.’ En ook het volgende nummer van MillenniuM is op komst. Nadat uitgeverij Prometheus zich had teruggetrokken leek het erop dat het tijdschrift het einde van het millennium niet zou halen. Inmiddels heeft echter De Bezige Bij steun toegezegd. ‘Ook de projecten van Kunstgroep Lage Landen gaan gewoon door. We bewandelen allerlei artistieke wegen: muziek, theater, exposities, videovoorstellingen en houseparty’s.’ Gevraagd naar zijn drijfveer: ‘Ik ben iemand, die denkt dat het zal helpen als je ergens een vitale impuls aan toedient.’

 

©  [tijdschrift] Vooys

FUER DEM SCHAMAN DES FEUERS UND VERSCHWINDEN. In Memoriam Christian Loidl 1957 – 2001 – am 10en Todestag 16.12.11

Christian Loidl – Air Poet

Publikationen: Weisse Rede (1990), Wir mussen leise sein wie Pfirsiche (1990), Falsche Prophezeiungen (1994), Mortu Tombu Miyi (CD 1994), Wiener Mysterien (1995), Farnblute (1996), Zauberspruche (CD 1998), Pupille (1998), ICHT (1999). Kleinstkompetenzen (2001). Ubersetzungen: Radio Sermonettes von Hakim Bey (1996), ‘Skandal. Essays zur islamischen Haresie’ von Peter Lamborn Wilson (1997).

Christian Loidl

Biographie
Geboren 1957 in Linz/Oberösterreich.
Verstorben am 16.12.2001 in Wien.

“geboren. affenmütter reichen ihm ihre babies, damit
er sie wiegt und ihnen lieder beibringt. er hält sich
selbst für einen der nettesten und gemütlichsten
menschen, kann sich aber irren. er ist mehr gespenst
als legende. er ist der sternenbär der tiefsee. seine
großmutter bemerkte häufig, man müsse in seinem fall
das maul einmal extra erschlagen.” – Christian Loidl

Loidl-Kalligraphie von Nazar Honchar

SCHWŌR AB DEM GEWĀSCH

*

Taub dem hellen Licht in Deinem Kopf. Leg den Rest zur Seite.

Hör, was dann noch flüstert, stöbert, atmet in der Stille.

Was bleibt an Taubengurren, Fröschequaken

Sprudeln des Lebens. Schwör ab dem Gewäsch.

Lass den Wind fahren. Hör auf die Weise des Lebens.

Lass sein, was muss. Heiße den Abschied willkommen.

Sei langsam, schlau, Klang. Von Vögeln gesungen.

Gelange zum inneren Ich. Erinnere Dich was jeder vergisst.

Weiss was du werde, sei wer Du bist: singendes

durchdringendes. Ein Loidlisches (L)Icht.

 

Text: Serge van Duijnhoven 

 

aus dem holländischen übersetzt von Jaan Karl Klasmann

pic taken on 16th of December 2010 by Swantje Lichtenstein in Vienna


‘Mortu tombu miyi’  (the title of the following poem) = a vernacular saying in Haiti, meaning: all things burried and gone. It was the title of a specific cycle of poems from Falsche Prophezeiungen, a magnificent book written by the Austrian poet Christian Loidl, who died in December 2001 at the age of 44 after tragically falling out of a window in his Viennese appartment – a death similar to the one of Bohumil Hrabal, the Czech writer he highly respected. Hrabal seemingly fell down while trying to spot a blackbird that was singing underneath his hospital window. Chris – just before tumbling towards his death – also must have been enchanted by the luring song of some dark bird that waited to get out of its cage and ‘melt with the air’.

In some way, it feels as if Chris fulfilled the crystal-clear imperative uttered by the enlightened voice that enchantedly rises up at the end of his last book of poetry: Kleinstkompetenzen; Erinnerungen aus einer geheimen Kindheit : ‘Luft musst mann sein… Luft musst mann sein (…)’ – in English: ‘Air is what we should be… Air is what we should be’. The day before the accident, Chris had sent me a message that he had changed his email address into ‘airpoet@.gmx.at’ The symbolic meaning of this I only understood weeks later, when I visited Vienna to take part in the memorial-night organised by his close friends and allies. After having climbed up the sandstone stairs of the building in the Vereinsgasse (II Bezirk) where Christian lived, my eyes fell on a little blue metal plate that was attached to the frontdoor of the deserted apartment that I knew quite well, saying: ‘airpoet’. It was a souvenir Chris had taken home from one of his travels in Lithuania, where this magical word simply means ‘airport’. Suddenly, it all clicked and became clear, and I realised that my friend indeed must have melted with the air he aspired so wisely and enchanted so dearly.

Unique footage – shot by Arlette van Laar in the year of Christian’s death 2001. Irrwahn. Christian Loidl performing at the LiteraturWERKstatt Berlin, March 2001.

*

mortu tombu miyi

*

the laserbeam in front of the nightclub

touches the sky in search of God

all air blows away

the moon stands high

as a tiny fingerprint

in the stained window

of heaven

we see more

talk less

thunder in the far land

of our memory

water drops mudd

rain is still more clear

than blood

to live is to retreat

a ritual of goodyes

a wounding in slomotion

the ailment of addiction

our dreams fade away

like fog during the day

our beloved ones depart

what we cherish perishes

what we leave behind is the pain

to go beyond is to be healed

to bear the chain you said

one has to sing – because

air is the important thing

the air is always young

the air wears no grey hair

the air never ends up

in a wheelchair

Luft müsst mann sein

Luft müsst mann sein

 

Nicht mehr so mühd

Nicht mehr so mühd

 

Wach müsst mann sein

aus: Bloedtest (De Bezige Bij, album + cd 2003)

Harry Smith, Early Abstractions

 

After our first meeting, I invited Christian as a participating guest of poetry for our MILLENNIUM GOES SUBZERO party in the Dionyx-Studios underground cellars of the Posthoornkerk in the Haarlemmerstraat of Amsterdam, 22 nov 1995. MillenniuM was the cultural magazine of cross-over art that I had founded with a bunch of rebellious youngsters in 1993. The magazine closed ist books as planned at the eve oft he new Millennium – dec 31st 1999. Christian wrote an hilarious and sharply observed account of his experience at our festival in nov 95, that was co-organized by quite a reknown houseparty organization called HEALERS INC… The story of Christian has become a remarkably often downloaded and well read story of warning  fort he hub of well aware and beware travellers from the alternative scene planning to go to Amsterdam – once so belovedly labelled (also by Christian) as the city oft he MAD MASTER. Christian adored anagrams, as anybody who knew him well will certainly recall. The lighthearted, humourous and personal account radiates the undeniable feeling of deception and amazement that this peculiar experience left in Chris‘ his mind. The times are continuously changing of course, for better or worse. For the former HQ of the Mad Masters with a clear interest in peeping through the doors of perception that are believed to lead up to the palace of wisdom, a drastic turnarouund was taking place in these years. Amsterdam changed from a harbour of cultural open mindedness and drug related tolerance, to another gentrified mausoleum of business, pettiness, commerce, designer-neighbourhoods and classy taste. No more provo, no more squats, no more laboratories of alternative experiment and bohemian lifestyles. The age of advertisements, branding, fashion, trends and trendspotters, affluence and overall moral corruption of society in all possible ways, was already gaining an unstoppable momentum in the Amsterdam of 1995. I still find Chris his account as can be read hereunder, of a very sharp and sensible kind. It tells in a very accurate way the order of events of that very night at the festivities under the surface oft he city, but it also stands out as a powerful story of a myth unraveled. A story of a demasquee. The persona of Amsterdam as the chosen city for the Mad Master, was ripped off the face of the capital by the brute and empty-headed gatekeeper that stood at the gate of the ecclesiastical cellar where fresh air was declared to be an illegal commodity.  Quite a legendary character, this four square meter giant without any remorse or empathy, that would not misfit in one of those grim stories of Greek mythology:

Courtyard where the Air Poet landed harshly in 2001. Seen from the window he broke with his aluminium suitcase, gasping for air.

Illegale Frischluft

Ein Hinauswurf in Amsterdam

© by Christian Loidl

Erster Eindruck vor dem Bahnhof: reine Luft; die Beatmung durch den Regenhimmel und den unsichtbaren Hafen. Gehsteige und Glasscheiben sind sauberer und die Cof feeshops zahlreicher, als erwartet: HIGH LIGHT, THE GREENHOUSE EFFECT, PICK UP THE PIECES. GAY CINEMA, TOPLESS BAR, TAXFREE DIAMONDS, Auslagen, vollgerammelt mit fleischf arbenen Attrappen, GRAND HOTEL KRASNAPOLSKY CONGRES-CENTRUM, LET OP ZAKKENROLLERS.

Im Polizeigebäude, durch die Fassade ganz aus Glas, ist die Gestik von US-Filmcops zu verfolgen, schulterbreit, hellblaue Hemden. Hanfdampf an allen Grachten. Trotz Reisegepäck, bei Regen und zeitweisem Hagel, schwebe ich. Am Himmel hängen Wolken, aber keine faschistoide Faust. Kein Plakat redet vom Ausländer-Raus. Niemand trägt Doc Martens oder Nazi-Haarschnitt. vor ein paar Wochen, höre ich, hat die Polizei für ein besseres Sozialnetz und höhere Pensionen demonstriert und bei dieser Gelegenheit den Süchtigen und Obdachlosen warmes Essen serviert. Das Festival, zu dem ich eingeladen bin, hat den Titel THE NEW RAGE. Wo sich hier eine neue Wut verstecken soll, ist mir ein Rätsel. Rage made in Austria, das wäre schneller illustriert. Soll ich den Amsterdamern erzählen, wie die Skins im Fünfer in der Laudongasse lautstark beschließen, mir nichts zu tun, weil ich Inländer bin? oder, weniger gemütlich, wie meinem Freund in Linz, neben mir im Kaffeehaus von hinten, ohne die kleinste Eröffnung, ein BruceLee-Tritt ins Gesicht fliegt, daß das Jochbein splittert und in einem Auge sich die Netzhaut ablöst? Wir haben den Schläger nie vorher gesehen. Die Polizei erwischt ihn zwar, nimmt aber nur seine Daten auf und läßt ihn gehen. Uns sagen sie, es sei ihnen wurscht, wer wem den Schädel einhaut. Erst nach zwei Stunden ist ein Inspektor bereit, eine Rettung zu rufen. “Sans Ina sicha, daßs a Rettung brauchn? Se san eh ned schwea falezd.” Nach einem Jahr wird der Schläger zu zwei Wochen Haft verurteilt: nicht wegen Körperverletzung ( ein paar Zentimeter höher, der Tritt wäre tödlich gewesen) , sondern wegen fünf Gramm Haschisch in der Westentasche.

Serge van Duijnhoven, dem ich die Einladung verdanke, ist Techno-Dichter, fünfundzwanzig, mit einem Grinser wie der junge Herkules. Vor solchen Leuten würde mir peinlich zumut mit dem Österreichbild aus der Geisterbahn, das in Holland ohnehin Klischee ist. Lieber möchte ich beweisen, daß es auch bei uns freie Köpfe gibt und Rage nicht Ressentiment heißen muß, sondern, was mich betrifft, poetischer Furor. Veranstaltungsort sind die sogenannten Katakomben unter einer ehemaligen Kirche in der Haarlemmerstraat.

Das Festival, erklärt mir Serge, ist der Versuch, dem TechnoPublikum, in eine House-Party wie in ein Dragee verpackt, Performance-Kunst zuzuführen. Es wird meine erste HouseParty. Wörter wie House, Rave, Jungle, Chillout haben mir bisher nur vage Vorstellungen von Prozessen und Zonen vermittelt, für die ich mir eher seit langem zu dumm als seit kurzem zu gescheit vorkomme.

Das Publikum liegt, hockt, geht umher, schlürft, pafft, knutscht, quatscht, probt erste Zwischenrufe, und ich bin der erste Dichter auf der Bühne. Ich denke an Österreich als entrückten Erdteil: wo sich der halbe Saal umdreht, wenn jemand einmal mit einem Seidel hereinschleicht. Hier bin ich vorläuf ig nicht mehr als ein Stück Ambient-Geräusch, finde mich nach meinem Auftritt aber dann doch mehr gemocht als übersehen oder abgelehnt.

Wirklich zahlreich und manisch munter wird das Publikum erst, als die Performances vorbei sind und unter Hypno-Hänmern das Tanzen anfängt. Selber schon in Bewegung, die Brustmitte massiert von einem obstinaten Baßton, nehme ich mit Kameraaugen, schwingenden, das Bildergleiten auf, das die Körper verteilen, das Roboter-Stampfen und den Lächelverkehr, stürze mit dem Blick erstmals an Schlundpupillen vorbei (Extacy?) , einem Jungmännergesicht, hart und weiß wie ein Ziegel. Setze mich vor die Toilette, weil nur dort Ruhe und Platz ist, Notizen zu machen.

Vom Tanzen ausgetrocknet, erfinde ich ein Forschungsprojekt: Ist es möglich, jetzt, während die Party auf eine erste Klimax zuwogt, ein Glas Orangensaft von einem Labyrinth-Ende bis zum andern zu tragen? Die Antwort kommt, das Durchmäandern leichter ist als erwartet, doch als Überraschung:

Nein. Und zwar, weil mehrere Leute meinen Orangensaft wollen. Im Augenblick, als ich mein Glas einem vor einer Sekunde noch unbekannten Weltraumkrieger überlasse, treffen vor mir Sonja und Susanna zusammen, die zwei Mazedonierinnen, jede mit einem Bier für mich. Beiden ist unabhängig voneinander eingefallen, daß ich Durst haben könnte. Daß wir miteinander getanzt haben, ist vielleicht eine Stunde her. “Willst du mit mir”, Sonja brüllt es mir ins Ohr, “wo hingehen, wo es so weich und kuschelig ist wie in der Heiligen Jungfrau?”

Ihr Leder-Hüftschwung läßt von der Zigarettenspitze Glut abregnen. Susanna schließt sich an.

Die Chill-Out-Zone ist ein Betonbunker, vollgestopft mit Leuten, heiß und gebeizt mit Körperdunst und Rauch. Auf der Beton-Plattform in der Mitte lungern vom Bedürfnis nach Benebelt-Hinsinken und dabei noch irgendwen Zu-FassenKriegen Zusammengeschweißte: eine im Augenblick für mich wenig magnetische Szene. Ein am Boden abgestelltes Weinglas wird von einer schwarzen Schuhspitze zerstoßen. Ein schwerer Kerl, beim Sich-Hinplumpsen-Lassen neben mir, läßt sein Bier auf mein Hosenbein schwappen und wird spöttisch, als er merkt, daß ich seine Sprache nicht verstehe. Aus seiner Zigarette steigt mir die Rauchsäule industriell ins Gesicht. Inzwischen kann ich mir vorstellen, daß es mir woanders besser gefallen könnte. Sehr deutlich wächst mein Bedürfnis nach Luft.

Im Gang draußen hocken, angeordnet nach Codes sexueller Anziehung und bevorzugten Stimulantien, kleine Stammesgruppen, so mit sich selbst bekannt, daß ich nur vorbeigehen kann. Am Katakomben-Ausgang hängt ein Schild mit der Aufschrift 4-DIMENSIONAL HEALING. Darunter steht, breitschultrig, ganz in Schwarz, Bürstenfrisur und Vollbart, ein Wächter. Er verstellt mir in den Weg. “Wo willst du hin?” “Nur schnell einmal hinaus, luftschnappen gehen”. Ich mache eine Geste stiegenaufwärts. “Das geht nicht. Geh zurück auf die Party. ” “Es muß sein. Ich brauch Luft.” “Es geht nicht. Geh zurück, geh feiern.” “Stell dir vor”, sage ich, “du als Security läßt einen nicht hinaus und er kriegt einen Kollaps. Wär doch kein Wunder bei der Luft hier. Dann bist du schuld.” “Du hast recht”, sagt er, “ich würd selber lieber auch hinauf gehen. Aber bitte, bleib da. Mein Vorgesetzter macht mir sonst die ärgsten Schwierigkeiten.” “Sag das noch einmal: du kriegst Schwierigkeiten von deinem Vorgesetzten, wenn ich atme?” “So ist es. ” “Dann hat dein Boss Scheiße im Kopf statt dem Hirn. ” “Stimmt. ” Er lächelt. “Aber er ist mein Vorgesetzter. Er ist ein Idiot und außerdem brutal. Wenn ich dich hinauflasse, macht er mich fertig.”

Mein Luftbedarf , ich kann es nicht mehr ändern, ist im Moment dringender. “Wenn er dir Schwierigkeiten macht, sag einfach, ich bin schuld. Sag, ich hab dich physisch überwältigt.” Ich starte treppaufwärts, komme einen Schritt weit und f inde mich zurückgehalten, am Ärmel gepackt, während von oben langsam der Vorgesetzte herunterkommt. Ich fühle mich wie in der Hölle, wo die Verdammten die Kochtopfwand hinaufzuklettern versuchen und – “Hinein in den Kessel mit Siedegeschrei! ” – von ihren Wächtern mit den Stangen wieder hineingestoßen werden. Der Vorgesetzte ist noch ein Stück größer und stärker als sein Kollege herunten, sein Blick aus schwarzem Eis. Seine Begrüßung lautet: “Willst du Ärger?” “Nein”, sage ich, “Frische Luft. ” “Das ist nicht möglich. Geh hinunter.”

“Es ist sicher möglich. Ich muß hinauf.” “Es ist unmöglich. Geh hinunter.” Bin ich hier in Amsterdam (Anagrammiert: Mad Master) oder in Ostberlin, vor dem Mauerabbruch?

“Kann mir bitte”, sage ich, “jemand ein Visum ausstellen, für ein paar Minuten Frischluft?”

“Wenn du wirklich meinst”, sagt der von oben, “daß du da draußen was brauchst, was du hier nicht bekommst, dann muß dir eins klarsein: Einmal draußen ist für immer draußen. Und jetzt hau ab.” “Geht in Ordnung. Ich geh mich nur von ein paar Leuten verabschieden.”

Von den Organisatoren ist keiner zu finden. Olaf Zwetsloot, ein Dichter vom Typus Gigolo aus der Schnitzler-Zeit, Anzug und Krawatte, grüne Sonnenbrille auf den zurückfrisierten Locken, lacht zu meinem Bericht. “Haben wir gleich. ” Jetzt stehen wir zu zweit eingekeilt zwischen den Wächtern. Nach einem längeren Hin und Her, ich höre nicht mehr so genau zu, kommen wir auf die Stiege. Je höher ich steige, je näher ich, durch die unbeleuchtete Kirche im Galopp dem Ausgang komme, umso besser wird die Luft. “Luft, Luft! ” Der Wächter, mit einem Gesicht, als sei ich mit dem Flarmenwerfer unterwegs, rennt mir nach.

Wie wenn einem Mitte Juli zu Mittag in Süditalien die ersten Schlucke Eistee durch den Schlund rinnen, so trinke ich die Luft. Aus dem schwarzen Himmel fällt ein mit Hagel vermischter Regen.

Hinter mir klickt etwas: der Wächter läßt die Sicherheitstür zuschnappen. Für den Moment ist mir warm und das Nasse angenehm. Nach ein paar Minuten, jemand kommt heraus, schlüpfe ich wieder hinein. Nach keinen zehn Sekunden steht er wieder da: “Ich hab dich doch grade hinausgeworfen. Was willst du schon wieder?”

“Ich hab meinen Mantel da und einen Hut, einen Pullover, ein Sakko, ein Notizheft und ein Glas Weißwein.” “Du bist draußen. Hau ab. ” “Du bist doch hier die Security. Du sorgst dafür, daß ich mich sicher fühle. Aber mir kommt vor, du willst, daß die Leute Angst vor die haben.”

Er sagt nichts. Er stößt nur ein Grunzknurren aus, wie ein Monster in einem Zeichentrickfilm, dem zum ersten Mal ein völlig fremder Gedanke in den Schädel eingedrungen ist. Ich weiß nicht mehr wie, aber ich komme an ihm vorbei. Der Kollege unten sieht erstaunt und irgendwie erfreut aus, daß ich schon wieder da und unversehrt bin. Olaf und Susanna gehen mit hinauf. Ich lasse mir bei allem Zeit, trinke an der Garderobe gemächlich unter Plaudern meinen Wein aus, während der Wächter immer einen halben Meter neben mir steht, Drohung in den Augen. In Mantel und Hut, gebe ich ihm zum Abschied die Hand: “Guten Morgen. Es war mir ein vergnügen, Sie kennenzulernen.” Er geht gemessen bis zur Glastür mit, hält sie uns auf. “Das Vergnügen ist meinerseits, Sir. Ich wünsche Ihnen noch einen angenehmen Abend.”

                                                                                                        Olaf Zwetsloot with saxophone

Olaf, in die Pedale tretend, unterm Regengeprassel, dreht sich halb zu mir herum: “Du bist doch aus Wien! ” “Ja”, schreie ich, vorgebeugt, vom Gepäckträger vor. “Mein Vater”, schreit er, “hat dort gewohnt. Ein paar Jahrzehnte. Bis zur Arisierung. In der Vereinsgasse! ” “Vereinsgasse drei, da wohn ich! “Gibt’s nicht!”

http://ezines.onb.ac.at:8080/ejournal/pub/Vol1-97/Forum/Podium/loi.html

 

          THE VOICE WITHIN – THE VOICE WITHOUT

*

Leichnam Christian

Brave companion

Fall has softly sneaked into its crisp descendant

Today I took your voice with me

When I went for my December walk

“Pay attention!” you said

When anyone asked what to do

With their lives

So I looked around and made note of everything

Along the border of the frozen canal

In matrix abandon

Trying to see what people saw

As they walked. So many dead sights!

What are the rosebeds for in winter?

Who’s there to give your apple to?

Who is there to accept your gift?

When you were little, chere confrater,

Wind tailed you all over Linz.

In Vienna wind looked for you

In first one courtyard

Then another

It overturned fountains, it made your hair

Stand on end. It polished your head

smooth as Harry Smith’s Eastern Eggs

How can we ever go back

To that other life

We cannot. I am sorry

We cannot

Surely, we have strengthened

Not diminished one another

Thou Leichnam Christians

Blessed be all those

Who can warm themselves

Upon the vigour of your memory

I don’t understand the first thing about radio waves

But I think they travel better

When it snows and when it’s cold

Anyway, I can reach out now

And pick up programs of the Dead

And far away – interesting stations

For us here beneath – surrounded

By TVshows and Weihnachtsmaerkte

When I came out here I was trying

To get away from everything

Especially literature

Pump and circumstance

And what comes after

There is in the soul a desire

For not thinking

For being still, Coupled with this

A desire to be strict, yes

And rigorous. But the soul is

As you said Chris, also

A smooth son of bitch

Not always trustworthy like

A best friend should be

And I tend to forget that

I tend to forget

I listened when it said

Better to sing that which is gone

And will not return than that which is still

With us and will be with us tomorrow

Or not. And if not, that’s all right too

It didn’t much matter, the voice

Witin me said, if a man sang at all

One may live one may die

Both are good…

That’s the voice I listened to

Can you imagine somebody

Thinking like this? That it’s really

All one and the same?

What nonsense!

But I’d think these stupid thoughts

At night, as I sit on my desk

And listen to William Burrough’s

Dead City Radio

And did you get, what you wanted

from this life, even so

It ended all too soon?

I bet you did. Didn’t you?

Not all of us can call themselves beloved

Like the ones who suddenly departed

From this earth as by mistake

Life: is it a pointless joke

Or lethal plot?

The things that matter

Will always be substracted by

The things that matter not

And isn’t our fate inevitable

Now that we call the little

We remember of it

“the past’’?

Our whole life’s in switchbacks

Still ahead of us

Apart from all those things

That slipped away

Once you wrote to me, you watched a Rose

Breathe in the Prater Park

And this was not meant as a metaphore

It was after you offered a bright green Granny Smith apple

To a young woman sitting on top of her boyfriend

‘Thank you’, the lady said in plain disgust

‘We have eaten already’. You threw the apple

Over their heads into the splash

And walked on. Wondering why

The roses looked boring

And not what you would want to see

It is so easy, you wrote, to pick a rose

In a public park. You ripped off

A handful – heads of roses

And they still looked

Like yesterday’s leftovers

You ripped them up.

That’s when you saw the rose breathe.

Next time I would come

You would play me the record of Ustad Salamath Khan:

Breath of the Rose. But you never did.

You never did.

I open the door

=

The door opens me

The voice is silent

=

The voice is loud

The voice within

=

The voice without

Shall we look and meet – oh yes!

The line – YOUR line – of song:

Excess, restraint

Clarity and cunningness

The palace of wisdom

From the palm of Blake’s hand

The poignant texture of your voice

The complex radiance of light

The mysterious nature of a Schluckauf

The ravish depth of open eyes

Dear magic friend

Dear gentle wizzard

Lysergic pathfinder

Lyrical lieutenant

The gentle friend you were

The bright star is still shining

Inside = outside

= somewhere

Let us remain just who we were

And worship our kinship

Our togetherness

Let us be brave, let us be bright

Let us be neither out

of heart nor out of sight

But join again where thin air

Meets the thick of night

Let us go on – dear explorer

Let us quietly continue

To erase and rewrite the letters

On the chalkboard of our lifes

Give me some of your good company

Throughout this earthly cold adventure

Shine on, bright friendly star

Guide on, dear gentle knight

Let us all hereunder be

Just a somewhat more

Like thee:

Gentle, tender and polite

The very last words you wrote to me:

“May synchronicity always bless thee”

Young Buddha met Georg Trakl

In a Viennese courtyard

The inquisitive spirit

Of a shaman

And the temper of a

Wondrous child

Vereinsgasse 3

Ein Gast im mitten der Vergaser

Death, mosquito like,

Hovered and supped at the periphery

Time, like the light in our brown eyes

Is running out as we climb

Up the mountain

Out of sight

Christian Loidl – pic taken by Marcus Gindelhuber (copyright protected)

“Marcus Gindelhuber” is a professional photographer who took the above picture took the photo at an already famous mushroom session in a tree at Kautzen (Waldviertel).

[ zum Gedenken an Christian Loidl 16 Dezember 2009 ]

 

Listen to the voice of Christian Loidl, towards the end of this Videoclip. “Luft musst man sein…”

*

Werfen die Schalen auf den Boden, sacken den Taumel in die Nuss

an der Pforte steht die Spinne mit dem erhoben Finger und erfragt

mit einer Unterschriftenliste die Namen der Anderen, hält eine Schüssel,

sammelt in Gier und Heuchelei ein, was fehlt. Nachsichtig ist er klein,

die Zeichen zu deuten nicht Mann, nicht Frau, befallen mit Blutschuld und

Wunden klaffen auf ihren Mündern, offen an öden Orten hausen sie und

fragen die Hexe aus Endor und kennen sie nicht, wissen um Seirim und seine

Schwestern, sagen die Sprüche nicht, auf den Knien rutschen sie auf die heiligen

Berge, an den letzten Gletschern saugen sie die Kälte ab,stürzen sich in

neue Fluten, Orkane und Seewehen, glauben nicht an Bocksgestalten

sie fürchten den eigenen Feind, ängstigen sich vorm Geist,

der im Mund seine Hausstatt hält und Kiesel türmt auf die Fragen der Welt,

setzen auf den Handel mit Purpurstoffen unter den Sklaven und herrschen

über die Herren, wenn die Sonne sich schwärzt und der Mond errötet,

wenn Gog und Magog an der Türe läuten und die Nackten mit dem gekrümmten

Rücken und den Häuptern, in Schlamm fallen sie, stecken bleiben sie,

vor den Augen ihrer Kinder lesen sie es, verdattert.

 

von Swantje Lichtenstein

 

 

Ah-Pook Maya God of Destruction


 

Remembering a discussion I had

some time ago with sister Swantje Lichtenstein in Duesseldorf

Am listening again – by shere accident I thought – to one of my old magnetic tapes from the nineties. Sticking my ear and mind into that magnificent piece of literary audio-junk called Dead City Radio by/with William S. Burroughs. One of my favorite albums ever. My dear friend and poet Christian Loidl – today is his Todestag, so I now realize this fact is not so accidental after all – introduced me to this wizzard for the first time in 1995 in his flat in Vienna, Vereinsgasse. Where he – today seven years ago – flew out of the window after having taken an overdose of a rare Siberian mushroom.

“Dead City Radio” is a true gem of cut up poetry put to music in a most sensitive and workable way.
Question: “What are we here for?”
Answer: “We’re all here to go…”
The old magician gives readings from a variety of sources including “Naked Lunch”, “Interzone”, and “The Western Lands”. He invokes his vision in the name of Pan, god of panic; Ah Pook, the destroyer; and even Jesu the Christ. “Invoke” is the proper word, for this is a work of magic – be it black or white. Burroughs is weaving a vision. He wants us to peek through the chinks and see the monsters that lie behind the machinery of control – behind the great shining lies and the bounds of the Prometheus called Homo Sapiens. His objective is no less than a basic disruption of reality itself.
Please try to see the video belonging to the Ah Pook The Destroyer prayer – about (cosmic?) control – you will love it I am sure:
http://digitalphilosophy.wordpress.com/2007/03/08/burroughs%E2%80%99-death-needs-time/

“Question: Who really gave their order?”
“Answer: Control. The ugly American. The instrument of control.”
“Question: If control’s control is absolute, why does Control need to control?”
“Answer: control needs time.”
“Question: is control controlled by our need to control?”
“Answer: Yes.”
“Why does control need humans, as you call them?”
“Wait… wait! Time, or landing. Death needs Time, like a junky needs junk.”
“And what does Death need Time for?”
“The answer is so simple. Death needs Time for what it kills to grow in. For Ah Pook’s sake.”
“Death needs Time for what it kills to grow in. For Ah Pook’s sweet sake? You stupid vulgar greedy ugly American death-sucker!”

Zjivili to brother Chris out there in the realm of Ah Pook’s universe of Time.

Serge

 

HOMEWARD BOUND

*

All strangers were born as children of their families

All strangers have played in houses they called home

On est tous des étrangers. Travellers coming round

wandering through a space that everybody

has to confisquate. But where there’s a will

there’s a way. Stubborness is what drives us all

and drives us crazy. To live fully from the land

the soil in which the seeds are spread with our hand.

The hair on our heads is as the cane on our roofs.

Our cracked skin is as the eroded walls of our shags.

Transparency is the scare of our bones. Our voice cries

at best for help. What we are seeking is rest.

Asilum in eternity. What we are is where we have been

falling: cerebral hunters and hunted prey.

We are game in the woods. A hungry flock in nature’s

hungry mouth. We are obedient and futile. Tiny particles

floating around. Our names have been assigned

and even the gift of life was not our choice.

Every single good we own and are is borrowed

shareware, bonds and loans. Property of Time

alone; that vicious, greedy stockbroker and billionaire

who having been born without a soul, supports no other’s

company. Who has no friends or relatives, and rules

the earth as if he were the master of the universe.

We owe him all – as he insists. His will is merciless.

Who prays for help, will be harrassed. Who disobeys

will disappear. He holds us hostage. Nobody is free

to stay. We have to leave and sneak out like thieves.

When evening comes we pack our bags. We cross the border

in the thick of night. Our exitpapers are called: death.

 

From: Eva Lavric

Sent: Sunday, December 11, 2011 10:03 PM

To: Undisclosed-Recipient:;

Subject: “zuerst verzaubere dich selbst” – zum 10. Todestag von Christian Loidl, 16.12.2011, 19.00h, Tachles (und zwei neue CDs von CL)

Liebe Freunde von Christian Loidl!

Heute gibt es gleich mehrere wichtige Ankündigungen:

– Zunächst möchte ich an die Veranstaltung im Linzer Stifterhaus morgen (Mo) abend um 19.30h erinnern, bei der die “Gesammelten Gedichte” von Christian Loidl vorgestellt werden, Es liest Harald Bodingbauer, Musik: Martina Cizek und Edith Lettner; Büchertisch wird es auch geben!

– Vor allem aber ist es jetzt wirklich Zeit, dass ich Euch die hochoffizielle Einladung zu der Veranstaltung am 16.12.2011 (also am nächsten Freitag) schicke, das ist genau der 10. Todestag von Christian Loidl. Wir beginnen um 19:00h im Tachles (Otto Lechner wird gleich am Anfang vorbeischauen, weil er dann noch eine andere Veranstaltung hat); um 22.00h gehen wir in Form eines Fackelzugs zur Christian-Wohnung (Vereinsgasse 3/12) und gedenken seiner zu seiner Todesstunde im Hof. Danach geht es in der Wohung weiter, das ist die allerletzte Gelegenheit, diese Wohnung noch im Originalzustand zu sehen, weil ich ja Ende Februar raus muss. Es wird ein Abend unter Freunden; die ganz offizielle Veranstaltung für ein breites Publikum ist dann am 30. Jänner im Literaturhaus. Jaan Klasmann und ich werden aus den “Gesammelten Gedichten” lesen (speziell die autobiographischen Texte von Christian), außerdem sind noch dabei: Serge Van Duijnhoven, Hillary Keel, Bernhard Widder, Christian Katt, Susanne Toth, Wolfgang Musil – und Ihr!

– Am 2. Dezember hat es ja schon im “salon” in der Praterstraße eine Buchpräsentation der “Gesammelten Gedichte” gegeben, und auch eine Präsentation der Ergebnisse der “schule für dichtung”-Klasse “farnblütenlese” (die läuft noch bis 16.12., bitte weiterhin mitmachen!). Hier nun der Link zu den Fotos von dieser Veranstaltung:

https://picasaweb.google.com/116014902443299309485/Salon2122011SfdKlasseUBuchprasentation#

– Auch von der “edition farnblüte” gibt es Neuigkeiten: Von 12. bis 14. Dezember (jeweils ab 19h. Leseprogramm ab 20h) nimmt sie teil an der Kleinverlagsmesse im Amerlinghaus “XXXXXXXSMALL”, in der Galerie im Amerlinghaus, Stiftgasse 8, 1070 Wien. Dort könnt Ihr Bücher und CDs von Christian Loidl als Weihnachtsgeschenke für Eure Freunde und für Euch selbst erwerben…

– Es gibt übrigens seit ganz kurzem zwei neue CDs von Christian Loidl bei der “edition farnblüte”: “wir müssen leise sein wie pfirsiche – zaubersprüche und wilder wort-jazz” und “bei uns dahoam – zaubersprüche und lieder”, (Neuauflagen von einer MC und einer CD, die beide seit vielen Jahren vergriffen waren) – beide sind bei allen Veranstaltungen am Büchertisch vorhanden und erhältlich.

Ich hoffe, Ihr habt Zeit und Muße, zu der einen oder anderen Veranstaltung zu kommen!

Weihnachtliche Grüße

Eva Lavric

Univ.-Prof. Mag. Dr. Eva Lavric
Leiterin des Instituts für Romanistik
Leiterin des Frankreich-Schwerpunkts
Universität Innsbruck
Innrain 52, A-6020 Innsbruck
Tel.: +43 512 507 4203
http://www.uibk.ac.at/romanistik/personal/lavric

Christian Loidl

“Air Poet”

© 16.12.11 – C.L. & SvD

Videos fuer dem Schaman des Feuers und Verschwinden

JUNGSKE – DDN-clip

Jungske
http://www.youtube.com
Opening Landkunst 2011: performance Dichters dansen niet Ontmoetingsplek Elmo Vermijs http://www.landkunst.nl
tekst en voordracht / Serge van Duijnhoven
muziek en geluid / Fred dB
clip gemaakt door Peter Heijen

fotograaf: Rens van Mierlo, Eindhoven Studio 040

nieuw boek van S.R. van Duijnhoven: Wat ik zie kan ik niet zijn

 het nieuwe boek van
Serge R. van Duijnhoven
Wat ik zie kan ik niet zijn
een dichter op zoek naar de bronnen van Het Groene Woud

fotograaf: L.J.A.D. Creyghton

In de zomer van 2010 kreeg Serge van Duijnhoven een schrijfopdracht van het bkkc in het kader van de Zomermanifestatie Landkunst in Het Groene Woud. Een selectie uit de vele gedichten en verhalen die hij schreef is in deze uitgave gebundeld. Fotograaf L.J.A.D. Creyghton verzorgde het fotowerk.
Gaarne nodigen wij u uit om, in gezelschap van de literaire band Dichters Dansen Niet, de feestelijke presentatie bij te wonen van dit Taoistisch werkje waarin de in Noord-Brabant geboren auteur op geheel eigen wijze stem heeft proberen te geven aan de genius loci van wat in de volksmond “Het Groene Woud” is gaan heten. Het natuurproject dat dankzij de nijvere inzet van talloze burgers, boeren en politici met vooruitziende en ruimdenkende blik, met succes weer ademruimte geeft aan de natuur in het door en door geindustrialiseerde en verkwanselde Brabantse streeklandschap tussen de steden Tilburg, Eindhoven en ‘s Hertogenbosch.
WAT IK ZIE KAN IK NIET ZIJN. Een dichter op zoek naar de bronnen van Het Groene Woud
Teksten / Serge van Duijnhoven – Fotografie / L.J.A.D. Creyghton
Uitgeverij Pels & Kemper / ’s-Hertogenbosch / 2011
isbn: 9789079372102
nur: 306
© 2011 Serge van Duijnhoven
© 2011 L.J.A.D.Creyghton

fotograaf: L.J.A.D. Creyghton

Serge van Duijnhoven in zijn verantwoording:
“Als een literair bioloog-anthropoloog ben ik, gewapend met niet meer dan een vulpen en Moleskine aantekeningenboekje, op expeditie getogen naar de bronnen van Het Groene Woud. Heb monter en onbevooroordeeld veldwerk verricht. Gewandeld. Gespot. Geroken. Geluisterd. Gewroet. Vermoed. Geteld. Geraden. Genoteerd. De bedoeling is dat de de lezer vanuit het breed uitgewaaierde palet aan verhalen en gedichten, teksten en verslagen, uiteindelijk toch een ietsie pietsie van de geur, de kleur, de contouren gewaar zal kunnen worden van de schimmige gestalte (een bosnimf uit Keltische tijden?) die bij de koppige en kleurrijke bos- en heidebewoners van Het Groene Woud bekend staat als “hun” Genius Loci Gruûnderwald.
In het Brabant van de vorige eeuw waren natuur en mens onverenigbaar. Niet alleen de projectontwikkelaars, planologen en stedelingen maar ook de boeren op het land waren in een blinde strijd met het landschap verwikkeld. Men zag wat er nog over was aan natuur als een hinderlijke, stinkende, vieze dan wel achterlijke factor die door de mens in zijn voorwaartse tred scrupuleus diende te worden bedwongen, bebouwd, bemest, bevuild, bespoten, bedolven. Brabant had geen oorlog nodig om zichzelf te verminken. Wat onze Brabantse grootouders en ouders destijds omschreven als “cultivatie en ontwikkeling van het platteland”, zal door toekomstige generaties ongetwijfeld op een dag toegevoegd worden aan het rijtje van newspeak termen waarmee de mens in de twintigste eeuw zijn alomvattende vernietigingsdrang van een net jasje heeft proberen te voorzien.
Zoals er in de tijd van de grote ideologieën genociden hebben plaatsgevonden op soortgenoten die tot smet of vijand van het volk werden verklaard, zo is de moderne mens op even brute en desastreuze wijze tekeergegaan tegen alle wilde restjes flora en fauna die hem op weg naar de vooruitgang en de welvaart voor de voeten durfden te lopen of te groeien. De natuur is al te vaak de klos geweest. Tijd om haar weer met respect te bejegenen. En haar in het groene landschap – zolang het nog kan – (adem)ruimte te geven die ze van nature verdient. De enige rol die haar op deze aarde toekomt is, zolang er leven is, die van protagoniste.
Mijn expeditie naar de bronnen van het Groene Woud leerde me dat het de natuur in deze contreien gegund is om die hoofdrol met verve te vervullen. Van de moerasweelde aan de oevers van het slapende rioolgemaal De Moerenburg tot aan de gevarieerde bloemenpracht in de beekdalen van de Dommel en de Voorste Stroom. Van de populier- en sterrenbossen rond de kwelders en de boerderijen bij Boxtel en Liempde tot aan de vennen en de heidegronden op het door zand verstoven land van venkraal, wilde betram, helleput en oude Kampinase donck…Dat alles en veel meer bevindt zich hier, op schootsafstand van de gekte en de drukte in de steden en het razen en het tieren van de wagens op de scheurbaan, in dit weelderige, broedende, bloeiende en boeiende wilde groenperk in het hartje van Noord-Brabant.
Dat het er is. En dat u het weet.”
Pels & Kemper / ’s-Hertogenbosch
Tekst: Serge van Duijnhoven – Fotografie: L.J.A.D. Creyghton
Ontwerp: Silke Oude Griep / ’s-Hertogenbosch
Binnenwerk: 115 grs Arctic Volume, 150 grs Munken Print White Omslag / 260 grs Eenzijdig gestreken sulfaatkarton
Drukwerk: Drukkerij Tielen / Boxtel
Bindwerk: Hexspoor / Boxtel
Oplage: 750
Deze publicatie werd mede mogelijk gemaakt door:
brabants kenniscentrum
kunst en cultuur / bkkc
Prins Bernard Cultuurfonds
Streekraad Het Groene Woud
Brabant 2018
Het Groene Woud / Euro Land Art Nederland