Eerste reacties op het nieuwe album VUURPROEF van Dichters Dansen Niet

Dichter Serge van Duijnhoven (1970), dj Fred dB (Fred de Backer, 1967) en pianist Edwin Berg (1972) treden op, in binnen- en buitenland, onder de naam Dichters Dansen Niet. Zopas verscheen het vijfde album van dit gezelschap: Vuurproef (Nieuw Amsterdam). Hieronder enige reacties, vers van de pers…

Vuurproef.standaar.DBG12.03.14.FvZ

Vuurproef, een gecombineerde uitgave van dichtbundel en muziekalbum, begint waar Klipdrift ophield in 2007. In dit finale werk zet frontman en dichter Serge van Duijnhoven zijn zoektocht voort naar bezinning in een overmatig geaccelereerde en grotendeels ontzielde wereld. Op de bodem van de chaos en tussen de scherven der ontrafeling, rijpt stilaan inzicht. Licht breekt door tussen bijeengeveegde glasscherven. Alsof er een granaat geëxplodeerd is in een balzaal.

Liedzanger Alex Roeka merkte na het beluisteren van Vuurproef op: ‘niet eerder hoorde ik zo’n geslaagde combinatie van muziek en poëzie.’

IMG_2011w.soiree.bitterzoet1

 

Reacties – vers van de pers (2014):

“Serge’s poetry progresses on the album in a kind of quest – questing for reflection in an excessively accelerated and largely lifeless world. Struggles through depression, addiction, meaninglessness and confusion, emergence into light through art, poetry, and deeper understanding. The orchestration of both music and voice in this album is fantastic – it’s seriously one of the best spoken word and music collaborations I’ve heard, in any language.”  – Lapkat (Australische radiopresentatrice) in haar radioprogramma La Danza Poetica – aflevering 019 getiteld “Northern Lights” d.d. 13.04.14

“Ik was sceptisch, maar uiteindelijk heeft het verhaal van de bundel me op eigen kracht overtuigd. De bijgeleverde cd bevat veertien nummers, slechts enkele op basis van teksten uit Vuurproef. Het blijft een moeilijk genre, die combinatie van voordracht en muzikale omlijsting, maar instrumentatie, timing, dictie en klankkleur (wat heeft Van Duijnhoven een mooie stem!) vormen hier een fraaie eenheid. Ook daar overwon ik mijn scepsis.” – Joop Leibbrand in Meander Magazine d.d. 11.04.14

“Het is goed om op gezette tijden even het oor te luisteren te leggen bij Serge van Duijnhoven, de Nederlandse dichter die ondertussen al jaren in Brussel woont. Met de gedrevenheid die hem kenmerkt, beschrijft en bezingt onze stadsdichter de honoris causa nog altijd de donkere en de verblindende kanten van stad en de wereld. » – Michaël Bellon in Brussel Deze Week, d.d. 20.03.14

“(…) deze CD laat zich beluisteren, niet vanuit bestaande ideeën maar vanuit een open staan voor nieuwe geluiden, teksten en belevenissen. Steeds als je denkt dat je dit trio doorhebt komen ze met iets volledig vreemds, zo anders dan het voorgaande en toch is het een geheel. De losse vellen geven inzicht in de mindset van de dichter, de CD geeft je een totaal beleving. Een die ik nog vele malen tot me ga laten komen, hier valt nog veel te ontdekken en te genieten!«   – Wouter van Heiningen in zijn poëzieblog  «Zichtbaar alleen », d.d. 24.02.14

 “Een losbladige dichtbundel met een cd: dat is óf volkomen gedateerd, óf zeer vooruitstrevend, maar het is in elk geval de vorm waarin het collectief Dichters Dansen Niet [5] de ‘bundel’ Vuurproef heeft uitgegeven. De teksten van Serge van Duijnhoven zijn belangrijk, maar de muziek is veel meer dan achtergrond en dat is maar goed ook. Het mengsel van jazz, dance en elektronische ambient muziek van Fred dB en Edwin Berg (met flink wat andere muzikanten) maakt van deze lastig te plaatsen ‘bundel’ een bijzonder ‘ding’ waar je – zeker met koptelefoon – wel even in kan verdwalen.” – Toef Jaeger in NRC-Handelsblad, d.d. 15.02.14

“Vuurproef aangekregen van mijn schrijfbroer Serge Van Duijnhoven, een cd van Dichters Dansen niet, een collectief mede opgericht door Serge, eindelijk de tijd gevonden om er naar te luisteren. prachtig geschenk…” – Jeroen Olyslaegers op Facebook

31e1bc8d3402ffe92dc57d07f78cafb6

ea0ef1140e2c5c5e950de1f5c7f2f9e3

e68f4a525773acdc24005af5b408a7cb

c9ee3999008bd70277af8c8c33c9460c

6232827632f94aea15feb1c522b0e9e7

957c2a69897d835ef0ef05b0773de33d

88f083d7efe1edb33cf266970f545b68

84f0f34d7b77ad1024b5db7d672b2358

67b687ab03bb16621f019123e6d86785

26b9367d962700941e301575e0269444

9e4c70227ae290f58ec9474bbaae2daf

5e84e5915188951fb64323946c52e743

Advertenties

Moge de roze roos van DJ Koze vannacht bloeien op de mestvaalt van het electronisch verval

Vanavond treedt deze remarkabele dj met verlichte trekken uit Hamburg, op in die ouwe dansrammelkast van een FUSE hier in Brussel. Ooit de tempel van de technowereld, nu een afgebrand kerkhof van electronisch verval. Hopelijk zal er straks dan toch een wonderlijke roos gaan bloeien op die middernachtelijke mestvaalt in de rue Blaes.
.
https://www.facebook.com/djkoze
DJ Koze stretching
Looking forward to DJ Koze’s set tonight in the old-time technotemple of the Abendland called FUSE. Once a frontierpost of modern dancemusic, these last years more some sort of a burnt down cemetery for electronic carcasses. Anyway, I do hope that Koze will manage to plant a rose on the mount of midnight dung in la Rue Blaes. Make it blossom in its fully red splendour amidst the darkness of past glory and the clouds of coldice-smoke. And please please please – mister Koze – please play your wonderful remix of Hildegard Knef ICH LIEBE EUCH at some point during your set tonight. So that our sore and painful belgian techno-ears may find the proper oinctment for its healing and recovery. Let the magic find its way, and we our way with the music that you will play. With kind regards, pax and peace and inspiration.
30916_129584793723422_2534026_n
Serge van Duijnhoven, Brussels  13.07.13
DJ Koze mounting up the stairs towards

DJ KOZE (DE, Pampa)

Stefan Kozalla aka DJ Koze lives and works in Hamburg as a club DJ, musician (International PONY, Adolf Noise) and remixer for Chicks On Speed, Bob Sinclar, Justus Koehncke and more of the finest German bands and projects and successful producer and KOMPAKT recording artist.

Although DJ Koze has had a taste of pop success with Fischmob, he’s always been equally interested in experimenting with other forms of electronic music from ambient to break beats to wild sound collages from a myriad of musical genres.

djkoze
An especially notable voyage in to uncharted musical waters, Adolf Noise (produced and performed by DJ Koze and his buddy Marcnesium) turned many a head around. Taking the artist into a deeper Electronic direction, “Adolf Noise“ features a far more abstract and unusual use of samples and grooves while keeping the listener on his / her toes by incorporating liberal usage of football commentary, television show snippets, radio plays, and telephone terror with drug-delinquents.
DJ Koze Amygdala foto coverIt was this record, that made people, that were normally more into Techno or Electronica, sit up and take notice and it is now these people who are his biggest fans on dance floors between Tokyo and Hamburg – a development of successfully melting a world of musical styles with the power-blending strength of Club Culture.The year 2002 made DJ Koze the deck wizard of Hamburg trio International Pony, whose debut album ‘We Love Music’ (Skint/Sony) was received to critical acclaim.www.residentadvisor.net/dj/djkoze
www.facebook.com/djkoze
www.last.fm/music/DJ+Koze

Dj Koze at dinnertable

ZEMFIRA (Земфира) – VERTOLKSTER VAN DE RUSSISCHE ZIEL

Zemfira is de naam van een in 1998 opgerichte Russische rockband, vernoemd naar de voornaam van bandleidster en leadzangeres Zemfira Talgatovna Ramazanova (Russisch: Земфира Талгатовна Рамазанова). Zemfira kan zowel slaan op de groep als geheel of op de persoon. Zemfira Ramazanova werd op 26 Augustus 1976 geboren in Oefa, hoofdstad van de republiek Basjkir. Al vanaf haar vierde kwam ze met muziek in aanraking. Op haar negentiende verhuisde ze naar Moskou, met inmiddels een heel repertoire aan zelf gecomponeerde en in haar eentje uitgevoerde liederen in haar koffer. De andere bandleden waren twaalf jaar lang Rinat Achmadijev, Sergej Sozinov, Sergej Miroljoebov en Vadim Solovjov. Onlangs heeft de zangeres, in een bui van onberekenbare koppigheid, die haar vaak wordt aangewreven, de samenstelling van haar band volledig vernieuwd. Door de ene wordt haar koppigheid gezien als een vorm van sterallure. Voor anderen is het een teken van haar labiele en bipolaire maar ook geniale en onafhankelijke karakter. Zemfira werd meteen vanaf de oprichting immens populair, en is dat gebleven. Russen waar ook ter wereld, hebben deze dwarse zangeres, die in niets beantwoordt aan het stereotype van de schaarsgeklede seksbommen die de Russische MTV domineren, als hun totem omarmd. Tijdens demonstraties voor meer democratie, wordt Zemfira’s muziek luid gespeeld. De frêle zangeres is de stem geworden van een generatie Russen, die individualiteit belangrijker vindt dan het opgelegde collectivistische nationalisme van de clan Poetin.

Zemfira live in Petrol Antwerpen, 29.11 2011. Foto van Ernest Potters

Zemfira live in Petrol Antwerpen, 29.11 2011. Foto van Ernest Potters

“Ik verscheen in je leven, en jij draaide door.”  Met die zin begon twaalf jaar geleden de carrière van Zemfira. Het was 1999. Zemfira was 23 jaar. Een meisje uit de Oeral, geboren in 1976 in de provinciestad Oefa. Een Tataarse dus. Met verfomfaaid, jongensachtig uiterlijk. Piekachtig en haveloos ravenhaar. Wantrouwige, ietwat trieste ogen. Brede jukbeenderen. Een krijgster in de liefde. Strijdster voor democratie. Lesbienne ook. Maar bovenal: een atypische edoch evenzeer volmaakte vertolkster van het ultiem diffuse maar onomstotelijk bestaande verschijnsel van de “Russische ziel”. Die stem! Die melancholieke, strijdbare en tegelijkertijd uiterst breekbare stem, waarin een universum aan leed en baldadigheid ligt verscholen. Heel Rusland heeft haar – homofoob of niet – in de armen gesloten als een slavische Jeanne d’Arc. Een gevallen engel. Rokend, drugsverslaafd, oprecht, even aandoenlijk als levensgevaarlijk.

Geen journalisten, geen fotografen, dat is haar oekaze voor ieder met de strengste coutumes omgeven optreden. Dat betekent dat wij, fotograaf Ernest Potters en ik, onder valse voorwendselen ons toegang moesten verschaffen tot dit enige concert dat Zemfira ooit in de Lage Landen heeft gegeven. In Petrol, een even stemmige als smoezelige nachtclub aan de rafelrand van de stad Antwerpen. Niet toevallig een der grootste havensteden in Europa, waar zich sinds de jaren negentig een bont gemelangeerde Russische gemeenschap aan arbeiders en zakenlieden heeft samengeklonterd.

Zemfira in Petrol. Foto stiekem genomen door Ernest Potters

Aan de Herbouvillekaai, waar de vrachtschepen aanmeren aan de flanken van het parkeerterrein, werd Zemfira door haar Russische expat-publiek op handen gedragen. Bij bijna elk nummer wordt er luidop meegezongen. Oorpspronkelijk was het concert bedoeld als een promotietour rondom de nieuw te verschijnen cd “12” waar de groep al twee jaar lang aan schijnt te werken. Vorig jaar werd de verschijning van de cd een jaar uitgesteld. Nu het een jaar later is, maakte Zemfira bekend dat deze nog altijd niet verschenen cd haar allerlaatste gaat worden. Niet dat ze het maken van muziek beu is. Wel gaf ze aan “niet langer te willen zwichten voor de druk van platenbonzen, en de willekeur van mastodontiche producers”. De zangeres heeft besloten haar muziek voortaan zelf uit te brengen. Via internet, of enkel live. Tijdens relatief intieme concerten zoals in Antwerpen (1500 man), waar in kleine oplagen cd’s en DVD’s worden verkocht. De arbeid van haar top-producenten, die 24 maanden aan haar boreling hebben gesleuteld, heeft ze monter de prullenbak in geworpen.

“Twaalf” is dan ook een onafhankelijkheidsverklaring geworden. Het is of ze een last van zich heeft afgeworpen. De slang is uit haar oude huid gekropen. De 35 jarige zangeres, hoe mager en gecraqueleerd ook, heeft haar bandleden resoluut vervangen. Haar management ontslagen. Haar nieuwe harnas aangetrokken. En tegelijkertijd de hand gereikt naar haar alsmaar groeiende publiek. Dat heeft ze expliciet uitgenodigd om samen met haar muziek te produceren, via remixes van originele tracks die ze gratis ter beschikking stelt van de massa. Iedereen kan zijn eigen versie van haar nummers plaatsen op de website die ze daarvoor in het leven heeft geroepen.

Zo openhartig als Zemfira op het podium zingt over haar zielenroerselen, zo apèrt hult ze zich daarbuiten in stilzwijgen. Ze verkiest de volmaakte “silence and cunning” van de afzondering, boven het circus van de openbaarheid. Aan haar populariteit heeft dat niets afgedaan. Integendeel. Zemfira’s enigma heeft haar alleen maar onaanraakbaarder, ongenaakbaarder en serener gemaakt. Precies zoals die maagd uit Orléans, waar ze veel meer nog dan Mila Jovović uit de film van Luc Besson, de perfecte typecasting voor zou zijn geweest.

Natuurlijk is er ook de nodige bravoure in het spel. De épquipe van Club Petrol heeft het nooit eerder meegemaakt: niemand van de technici die bij de soundcheck aanwezig mocht zijn. En tijdens het concert een ploeg aan schorriemorrie, artistieke KGB-agenten met spierballen en vierkante schouders, die iedereen met een camera of GSM die foto’s maakt, het ziekenhuis in dreigen te slaan. Concertorganisator Alexander Solovov vat het sportief op. In het autoritaire Rusland, waar Zemfira populairder is dan Madonna in het Westen, en stadionconcerten de norm zijn, is zo’n ordemacht noodzakelijk om zaken in de hand te kunnen houden. Of het ook niet getuigt van een wat onvolwassen houding ten opzichte van de vergaarde roem? “Natuurlijk heeft het ook te maken met compensatiedrang”, aldus Alexander. “Ten diepste is Zemfira, hoe populair ook, een uiterst onzekere vrouw.”

Zemfira door Ernest Potters

Zemfira door Ernest Potters

Het publiek, ook in Club Petrol, lijkt daar allerminst om te malen. Er wordt twintig minuten lang geklapt om een toegift, die uiteindelijk dan toch komt met het prachtige nummer ‘Khochesh’ (Хочешь?) “Wil je dat we onder zeil gaan op volle zee? Wil je mijn nieuwste muziek horen, mijn lief? Wil je dat ik je buren om het leven breng, die je uit je slaap houden?” Met haar smekende, geloken Tataarse ogen die de bewerkelijking schijnen van de hoofdpersone uit Nabokov’s roman Masjenka, zingt ze haar publiek toe: “Vergeef me mijn liefde… Ik maak je kapot omdat ik van je houd.” Het publiek huivert en zingt met haar mee. Eenvoudige woorden, die ontregelende zinnen vormen. “Jij hebt Aids, maar we zullen zingend sterven!” Duizenden landgenoten die het luidkeels meezingen. Tot zoiets is alleen de Russische  ziel in staat.

Gezien: Zemfira. Concert in Club  Petro/AS-Art, Antwerpen

Dinsdagavond 29 november, 20u – 22u30

*

Zie zeker ook deze wat schokkerige opnamen van het nummer “Binnen in mij” ; het elegisch gezongen zelfportret van de zangeres, dat sinds 2009 circuleert op Youtube:

Vo Mne (Во Мне)

Сон
Странный сон
Я вижу отражение себя

Столько лет
Во мне
Все слова

Во мне
Тишина

Снова дождь
Стучит свои признания луне

Этот дождь
Наверное не знает обо мне

Во мне
Корабли
Во мне
Города
Во мне
Вся любовь
Во мне
Все что есть.

*

Inside of me

Sleep, strange sleep

I’m watching my reflection

For the many years

Inside of me formed craters

filled with muddy rain; drops

that tapped their declarations

of love from high above

against the surface of my crane

howls of wolves crying to the moon

Inside of me

tall ships have sailed

Inside of me

large towns were built

Inside of me

green gardens grew

But now, while longings last

and pain outlasts my love

Inside of me

the house is empty

Inside of me

lives nobody

*

(translation based on the original score: SvD 2011)

Recente videoclips uit het programma Gitanes & Jazz

Gitanes & Jazz

Heel mooie mixages van beelden, gemaakt door cineast Bastiaan Rombout Lips. Geluidsopname van Fred de Backer. Oprtreden: Soiree Gainsbourg, Petrol, Antwerpen 12 maart 2011. Aan de piano: Edwin Berg. Stem: Serge van Duijnhoven. Ook met beelden uit de Gainsbarre in Oostende. En met de uilen van Gainsbourg a.k.a. “l’hibou de la complaisance”.

Credits

Serge van Duijnhoven tekst/concept

Fred De Backer mixages/opnamen

Edwin Berg piano/melodika

Bastiaan Lips cinema/videomix

Helena Karsten camerawerk

Arlet van Laar vormgeving/foodperformance

Filip van Zandycke (vzw HoedGekruid) fotografie

ALLES IS INTACT GEBLEVEN – PORTRET VAN SERGE GAINSBOURG

Op 2 maart 1991 sloop de Franse zanger Serge Gainsbourg als een dief in de nacht weg uit dit leven.
Nauwelijks had hij in zijn laatste jaren het daglicht nog kunnen verdragen. Zelfs in het getemperde licht van zijn geblindeerde hôtel particulier aan de Rue de Verneuil in Parijs droeg hij een donkere zonnebril. Het overmatige alcoholgebruik en de 140 dagelijkse Gitanes mais sigaretten hadden zijn lever vergiftigd, zijn hart op springen gezet en zijn ogen met een zeldzaam virus aangetast. Toch bleef hij zich van televisieshow naar televisieshow slepen, slempend en paffend, om vervolgens achter de piano de tekst van zijn liederen te vergeten en met een afsluitend scheldwoord het podium te verlaten.

Inscriptie bij het graf van Gainsbourg


Het publiek kon geen genoeg van hem krijgen, al verstond het op gegeven moment geen woord van wat hij zei, en al braakte hij zijn minachting over iedereen uit. “Ik zal u beledigen tot u van me houdt”, had hij aan het begin van zijn carrière, in het schimmige Parijs van de jaren vijftig, al gewaarschuwd. Zijn formule heeft gewerkt. De erotomaan stierf als Frankrijks meest verguisde, minst begrepen, maar ook meest beminde zanger.

Gainsbourg mocht met zijn 62 jaren dan opgebrand zijn, het opmerkelijke is dat hij dat dertig jaar eerder ook al leek. Correspondent en Frankrijk-kenner Jan Brusse kenschetste de zanger in die tijd reeds als een sombere uil die iedere nacht van het ene Parijse cabaret naar het andere fladderde om er zijn troosteloze chansons te fluisteren. “Zo afgeleefd ziet hij er uit, zo door-en-door vermoeid zijn z’n bewegingen, dat je steeds vreest dat hij het volgende liedje niet meer zal halen. Zijn grote ogen, waarop zware oogleden steunen, schjinen zich alleen maar af te vragen waarom dit alles noodzakelijk is.” Ook in zijn jeugd was de nacht al zijn domein. “De nacht, de nacht”, zong hij, “die me verlost van het duister in mijn hersenen.”
Tot het einde toe is Gainsbourg eigenlijk een jongen gebleven, een kwajongen die zijn lelijkheid in een voordeel wist om te zetten. “Lelijkheid is aan schoonheid verre superieur”’, placht hij daar zelf over te zeggen. “Lelijkheid blijft duren, schoonheid niet…” Wat zich uitslovende macho’s vaak niet lukt, lukte Gainsbourg met zijn aflijvige nonchalance. Met zijn hulpeloze viriliteit wist hij aan de amoureuze sentimenten van de meest adorabele vrouwen te appelleren. Achter de ongeschoren, ongewassen look van de brutale mannenman met de diepe glaciale stem, de warrige lokken en de witte schoenen, herkenden zij een kwetsbare gevoeligheid.
Dit was ook het imago dat hij als ”gigolo youpin” bewust cultiveerde. Op zoek naar het erotisch zinnebeeld voor de man, is hij er zelf ironisch genoeg uiteindelijk een geworden voor de vrouw. Over zichzelf zei hij: “Ik ben een gosertje, dat de vuile waarheid van het leven tracht te achterhalen door kleine, precieze injecties van perversiteit. Ik ben slechts op zoek naar één ding: de puurheid van mijn jeugd. Ik wil kunnen zeggen: ik ben intact gebleven. Intact. Ziedaar mijn kracht.”

Serge Gainsbourg werd als Lucien Ginzburg op 2 april 1928 in Parijs geboren. Zijn jiddische ouders, Joseph en Oletchka, zijn tijdens de Bolsjewistische revolutie Rusland uitgevlucht en in Frankrijk neergestreken, waar vader Ginzburg als nachtpianist in bars en casino’s het gezin van een inkomen voorzag. Oletchka had eigenlijk tot een abortus over willen gaan, maar was op het laatste moment voor de zware ingreep teruggeschrokken. “Al voor mijn geboorte ben ik aan de dood ontsnapt”, zou Serge later zeggen, daarbij ook verwijzend naar zijn roekeloze levensstijl. Lucien (Lulu) Ginzburg ging snel in de leer bij zijn vader die vooral voor Gershwin een zwak had. Maar zijn grote passie bleek het schilderen te zijn. Op z’n twaalfde schilderde hij al de meisjes van Clichy, die hij vier jaar later uit sexuele nieuwsgierigheid voor het eerst zou frequenteren. In de oorlog leefden de Ginzburgs met hun valse papieren onder het regime van een dubbele identiteit.
De oorlog kan Lulu gestolen worden, tot het moment dat hij gedwongen wordt om zich, voorzien van valse documenten, samen met zijn ouders schuil te houden op het platteland. Vlak voor zijn vlucht uit Parijs staat de jonge Ginzburg voor dag en dauw op de stoep bij de prefect van Clichy om als allereerste een jodenster in ontvangst te nemen. “Een eer”, zo zegt hij wijsneuzerig, “die hij zich beslist niet wil laten ontgaan.” Als de prefect hem vraagt of hij die ster van hem dan echt zo graag wil dragen, antwoordt hij: “Het is niet mijn ster, meneer. Het is die van u.” De prefect voelt zich voor schut gezet, en schopt de piepjonge provocateur het gemeentehuis uit.
Of deze anekdote, die op expliciete wijze in beeld wordt gebracht in Sfarr’s film Gainsbourg: vie heroique, ook waar is? “Wat doet het ertoe”, zegt de regisseur hierover in een van zijn vele gesprekken bij het uitkomen van de prent, “als Gainsbourg hem gedurende zijn leven de moeite waard heeft gevonden om te vertellen.” Wat in elk geval waar is, dat is dat de zanger na de oorlog – zoals ook op amusante wijze in beeld wordt gebracht – uit geldgebrek twee jaar lang mandoline-leraar is geweest in een weeshuis te Champfleur dat vooral plaats bood aan kinderen van ouders die in de gaskamers waren omgekomen. Die kinderen, gewonde diertjes eigenlijk, waren zijn eerste publiek. Toen hij het weeshuis binnenging, was zijn naam nog Lucien Ginzburg. Na het te hebben verlaten, noemde hij zich voortaan Serge Gainsbourg. Serge was de voornaam van de directeur van het instituut.

Gainsbourg in Parijs, eind vijftiger jaren

Na de oorlog probeerde Lucien, die van de Ecole des Beaux Arts getrapt was, als jonge schilder in leven te blijven met het inkleuren van cinemaposters. Onderwijl ging hij tekeer als Byron in Ravenna of Casanova in Venezië. De lijst van de hem toegedichte veroveringen in de jaren vijftig en zestig is volgens biografen lang genoeg om de Gele Gids te vullen. Zijn vader regelde in 1957 voor de schuinsmarcheerder een baantje als barpianist van café-chantant ‘Milord l’Arsouille’, waar Léo Ferre, Jacques Brel en Boris Vian hun chansons ten gehore kwamen brengen. Serge (zo noemde hij zich nu, Lucien was teveel de naam van het “knaapje van de kapper”) mocht er de stiltes voor de voorstelling wegspelen, en als pianobegleider opereren van Michèle Arnaud en de dandyeske surrealist, thrillerschrijver en trompettist Boris Vian, auteur van een rits villeine liederen die bulken van de humor en de zelfspot. In het cabaret komt hij ook in contact met Denis Bourgeois en Jacques Canetti. Zij stellen hem in staat een aantal zelf gecomponeerde nummers op plaat uit te brengen.

Boris Vian (rol van Philippe Catherine) en Serge Gainsbourg (Eric Elmosnino) in de rolprent Gainsbourg Vie heroique (reg. Joann Sfarr 2010)

Gainsbourg werd hevig gegrepen door Boris Vian, de lijkbleke zanger met zijn verlammende teksten en de ijle piepstem, die de onzekere pianist onder zijn hoede nam en stimuleerde om solo te gaan zingen. Met moeizaam maar stijgend succes. De zelfverklaarde chanteur de nuit Gainsbourg besloot uiteindelijk de grote gok te wagen en ”le noble art de la peinture” vaarwel te zeggen ten gunste van ”le pauvre art mineur de la chanson”. “Le génie ou rien!”. In de sprookjesachtige film van Joan Sfarr Gainsbourg: Vie héroique (2010) is te zien hoe, tijdens een bedwelmende drankorgie, de brand schiet in zijn olieverfdoeken en zijn atelier vlam vat. Lucien Ginsburg’s schildersezel gaat aan stukken, Serge Gainsbourg de auteur-compositeur-interprête wordt geboren. Temidden van as, flarden van schilderijen en alcoholwalmen. Gainsbourg stort zich vol ijver op de liedkunst, maar Michèle Arnaud laat al gauw merken dat ze sommige liedjes te schunnig vindt om zelf te vertolken.

Serge kruipt mede hierom toch maar weer zelf achter de microfoon. In 1959 verschijnt Gainsbourg’s eerste 25 centimètres: Du chant à la une, met onder meer de liederen ‘Les femmes des uns sous les corps des autres’ en het na al die tijd nog even sterke als dubbelzinnige meesterwerkje ‘Le poinçonneur des Lilas’ . Boris Vian steekt in Le canard enchainé de loftrompet over het album, dat de Grand Prix de l’Académie Charles-Cros in de wacht weet te slepen, maar commercieel flopt. “Je fais une forte consommation de mentalités”, zou Boris Vian eens gezegd hebben; een aforisme dat Gainsbourg past als gegoten. Gainsbourg gaat zich kleden naar het voorbeeld van Vian, dandy-poëet, snob en jazzman, een tikje Trenet ook, zazou maar vooral existentialistisch haveloos chic. Een bohémien gedragscode die in de late jaren vijftig door de Parijse jeunesse dorée gecultiveerd wordt op het territorium van de Rive Gauche. De Gainsbourg-variante: bewust gerafeld streepjespak, te ruim zittend wit hemd met dagzomende mouwranden – dasloos, sluik haar, drie dagen oude barbe à l’italienne.
De bohème lijkt frivool, maar is evenzeer tragisch. “Il y a de la gravité dans le frivole”, schreef Charles Baudelaire, dichter en dandy die zijn haar groen liet verven, al in de negentiende eeuw. In de romaneske biografie Les derniers jours… (1988) laat Bernard-Henry Lévy de poète maudit in een van zijn brieven verzuchten: “Ach ik droom ervan ooit de zin, ooit het woord te vinden dat de mensheid tegen me opzet.” Wat dit laatste betreft, lijkt Gainsbourg in zijn leven verschillende malen briljant te zijn geslaagd.

Boris Vian roemde ‘de nachtuil met het immer trieste gelaat’ op typisch surrealistisch-ambivalente wijze als ”een anti-zanger”. Hij bedoelde dit weldegelijk als een compliment en voorspelde, vlak voor hij zelf het veld ruimde en op zijn 39ste stierf aan een hartaanval, dat het chanson met Serge Gainsbourg een nieuwe tijd tegemoet zou gaan. Als lied-leverancier van jonge zangeressen verwierf hij in korte tijd een reputatie als tekstschrijver en componist wier pikante chansons gegarandeerd goud opleverden. Het publiek van Milord l’Arsouille daarentegen was een andere mening toegedaan. Het vond hem een probleemgeval, een introverte mompelende zanger met veel te grote oren en gebrek aan stemkracht. Zijn uiterlijk en onzekere, voor arrogant versleten houding veroorzaakten onrust (Serge sprak over zichzelf als de grote leeuw met de varkenskop, Brigitte Bardot noemde hem een aandoenlijke Quasimodo en met zijn schurkenbek – zijn gueule – figureerde hij in meer dan twintig B-films). Zijn bittere en pikante teksten veroorzaakten ergernis. Wat wilde deze pionier van een nieuwe phallocratie die ten strijde trok tegen het vrouwelijke ras precies, de man die zei “van vrouwen te houden door ze te haten”? Wat was de inzet van deze moeilijk te plaatsen provocateur van de schoonheid en nog moeilijker te doorgronden “hibou de la complaisance’” die beweerde dat “de liefde nooit meer waard zal zijn dan de korte tijd die je nodig hebt om haar te bedrijven”, en die pochte diezelfde liefde te bedrijven “zoals anderen een inbraak plegen”?
Gainsbourg was zo gewend aan de vernederingen die hem in zijn jonge leven als joods jongetje en onbeholpen zanger van bedenkelijk allooi te beurt waren gevallen, dat hij als geen ander in de Franse cultuur de belediging als stijlmiddel heeft weten te cultiveren voor zijn alomvattende behoefte aan liefde en aandacht. Met zijn in vitriool en sigarettenas gedepte vingertoppen en zijn gedempte stem van de onzekere adolescent die zich schaamt voor zijn puisten en aarzelende snorhaartjes, wist hij eind jaren vijftig een nooit eerder gehoorde viscose smurrie om de mond te smeren van al het schone volk dat in het Parijse Quartier Latin de hippe café-chantants, jazzkelders en bistrots de nuits placht te frequenteren. De schunnige provocatie werd Gainsbourg’s handelsmerk, de ambivalente erotische boutades en dubbele bodems zijn specialiteiten. Dit alles gehuld in de schutkleuren van de spitsvondige woordgrap en originele literaire trouvaille om het publiek ongemerkt zo dicht mogelijk op de ziel te kunnen zitten en op onverwachte wijze toe te kunnen slaan met een perfect getimede coup de guele.
Gainsbourg’s hunkering en fragiliteit gaan verscholen achter een maskerade van hooghartig vernuft en een villeine vorm van hoffelijkheidsbetrachting en mysoginie. Psychologen hebben aan al deze vormen van sublimatie een vette kluif gehad die – eens van alle ruwe weefsel ontdaan – de inborst verried van een gevoelige ziel die geen mogelijkheid onbenut liet om via sluipwegen, omkeringen en provocaties te verkrijgen waar het lelijke joch in zijn jeugd bij om het even welke confrontatie en volte face immer weer verstoken bleef. Wie niet sterk is, moet slim zijn. En slim, dat is de kleine vurige en onverzadigbare Lucien met het Ashkenazische uiterlijk, de spiedende ogen van de geperverteerde fetishist en de wapperende flaporen van een onbehouwen olifantenjong. Een verfomfaaide getaande ziel in een verschrompeld jongenslichaam. Een ietwat wreed, stoutmoedig en ondeugend menneke van onbestemde leeftijd en komaf, dat zich gekleed in grijsgestreept driedelig pak vanachter de piano op het podium onbeteugeld verlustigde aan zijn kattenkwaad.

Het merk sigaretten dat Gainsbourg tot zijn dood trouw bleef

Zijn éducation sentimentale beleefde Lucien Ginzburg in de straten van woelig en robuust Pigalle. Zijn speeltuin was La Porte de Clichy. De hoeren van de buurt ontfermden zich als moederlijke juffen over hun snoezige wereldvreemde welpje dat ze gierend van het lachen tal van kunstjes leerden. Zoals: hoe je jarretels moest vast- of losknopen rond een welgevormd vrouwenbeen. Lillend vlees, de geur van vrouwen in nylon kousen, het ritueel van zo’n juf uit de buurt die haar toilet maakt voor het kwikzilveren oog van de opklapspiegel die ingenieus verborgen zit achter de ladenkastjes van een elegant en sierlijk notenhouten kabinet uit het tijdperk van de roccoco: het komt later allemaal terug in zijn oeuvre.
Gainsbourg slaagde er als geen ander in, op De Sade na wellicht, om de Franse maatschappij de daver aan te jagen met zijn erotische geschimpscheut, misogynie en publiekelijk geetaleerde lelijkheid. Waar zijn collega’s blijven steken in zoetgevooisde en wellevend geformuleerde liefdesballades, hebben Gainsbourg’s liedjes altijd wel iets schunnigs en scandaleus in petto. Gainsbourg spreidde zijn talenten graag over vele personen en personages. Zo annexeerde hij, eenmaal beroemd, de vrouwen die eerst niets van hem wilden weten. “Voor een vrouw te schrijven is de meest elegante manier om haar te dienen en tegelijkertijd te bezitten”, aldus Gainsbourg. In zijn misogynie nam hij wraak door zijn vertolksters de allerbitterste hatelijkheden over het eigen geslacht, de liefde en het leven te laten zingen. Als hij kon liet hij zelfs hun persoonlijke tekortkomingen in zijn teksten doorklinken. “Als ze zo stom zijn om mij hun chansons te laten schrijven zullen ze dat weten ook”, clameerde hij. Hij verleidde de vrouwen door ze aan te vallen. En de meesten lieten zich door zijn tegendraadse charme verleiden. Juliette Greco, Barbara, Isabelle Adjani, Isabelle Aubret, Petula Clark, Dalida, Regine, Mireille Darc, Anne Karina, Francoise Hardy, Chatherine Deneuve, France Gall, Brigitte Bardot, Jo Lemaire, Vanessa Paradis, Viktor Lazlo, vrouw Jane Birkin, dochter Charlotte… allemaal zongen ze het liefst Gainsbourg. Met reden overigens, want als tekstschrijver-componist was Gainsbourg goud waard, en dat wisten ze. Zijn stijl was uniek; een Pindarus-achtige lyriek gekoppeld aan een in klassiek repertoire gedoopte muziek die tegelijkertijd wonderlijk licht en melancholisch aandoet. Een minimum aan noten, een minimum aan woorden, alles exact getimed en op maat gesneden voor de zangeressen in kwestie. De gespletenheid die tot uiting kwam in zijn composities, als auteur-compositeur van provocerende schunnigheden en lyrische hoogstandjes met referenties aan Baudelaire en overige grote dichters die zich nog het meest verkneukelde als zijn liedjes door piepjonge deernen gezongen konden worden, is ook voor zijn latere periode als de aftandse Gainsbarre in de jaren zestig al volop aan de oppervlakte.

De beschuldiging dat hij zich prostitueerde en paarlen voor de zwijnen wierp bleef hij ontkennen. Serge besefte maar al te goed dat zijn genie nauw gelieerd was aan het talent van de vrouwen voor wie hij schreef. Zonder vrouwen aan wier stem hij zijn erotomane ziel kon doorgeven, zou hij niets geweest zijn. Zijn schildersoog was haarscherp en met grote zorg koos hij alleen die vrouwen waarvan hij zeker wist dat hij via hen naar de wortels van de passie, de noodzaak van de intimiteit kon graven. Voor wie hij ook schreef, zijn teksten bleven gekenmerkt door hun scherpe randen en diepe gelaagdheid. Hij weigerde concessies te doen aan het grote publiek, al was de zangeres nog zo jong of het genre zo uitgemolken. Zoals de vijftienjarige France Gall die met Gainsbourg’s ‘Poupée de cire, poupée de son’ in 1965 het Eurovisiesongfestival won. Aan de ene kant wist hij haar trieste inslag schitterend te bespelen, zoals in het lied Baby Bop: “Zing Dans Baby Pop, Alsof je morgen Baby Bop, In de vroege ochtend Baby Bop, sterven moest”.

Aan de andere kant maakte hij schaamteloos misbruik van haar onschuld in het dubbelzinnige ‘Les sucettes à l’anis’. Toen aan dit motorisch gestoorde vestaalse maagdje eindelijk uitgelegd werd wat er in het nummer over de aan anijslolly’s zuigende Lolita eigenlijk gesuggereerd werd, en ze het onderwerp werd van alomtegenwoordige spot, weigerde ze nog langer liedjes van zijn hand te zingen. In het blad Rock & Folk gaf ze te kennen dat Gainsbourg haar nooit echt gekend heeft, al wat hem interesseerde was wat hij zelf in haar projecteerde. Het is tekenend voor de wijze waarop Gainsbourg met zijn vertolksters omsprong. Vaak gebruikte hij ze tot op het schofterige af om zelf te schitteren. Zelfs van zijn naasten verwachtte hij dat ze met gedweee toeweiding in zijn eigen muzikale/sexuele freakshows zouden figureren. Jane Birkin, zijn derde vrouw, moest naakt met hem poseren om zijn nieuwverworven imago als coole playboy hoog te houden. Charlotte, zijn dochter, moest het beeld van Serge de incestueuze erotomaan bevestigen. En Bambou, zijn laatste gezellin, moest de longen uit haar lijfje schreeuwen terwijl ze deed of ze door sado Serge met zweepjes in extase werd geranseld. Tenenkrommend zijn ook de beelden die nog altijd op Internet circuleren, waarop te zien is hoe Bambou haar geliefde echtgenoot op zijn initiatief welwillend ondervraagt om vervolgens en plein public door haar “mec” te worden uitgescholen voor alles wat verrot is.

Bardot en Gainsbourg's bekokstoven Je t'aime moi non plus - volgens een scene in Sfar's film


Na een sporadische samenwerking met de Franse Demeter Brigitte Bardot (Bonnie & Clyde, Harley Davidson) nam hij in 1967 ‘Je t’aime, moi non plus’ met haar op. Tegen de achtergrond van een liturgische orgelmuziek hoorde je haar vergeefs kreunen om zijn liefde. En om zijn roede, die haar vanachter (entre les reins – tussen de nieren) moest doorboren. De werkelijkheid wilde het anders. De man van BB, Guenther Sachs, eiste dat de release onmiddellijk stop zou worden gezet. Serge gaf aan de eis gehoor, maar een jaar later nam hij wraak door zijn kersverse vrouw ‘la garçonne’ Jane Birkin het nummer opnieuw te laten inzingen. Het werd zowel een schandaal, als een commercieel monstersucces. Miljoenen exemplaren verkocht alleen al in de lange hete zomer van het jaar 1969. Philips distantieerde zich van het nummer, bigot Europa ergerde zich purperrood, het Vaticaan sprak haar banvloek uit over de plaat (zij zou natuurlijk de jeugd tot slechte en onnatuurlijke daden aanzetten), en de meeste radiostations boycotten het gehijg in e mineur. Maar de verkoop van de single stak die van elke Beatles-plaat naar de kroon.

De jaren zeventig werden jaren van decadentie, films, geen optredens maar veel studio-opnamen, zoals het monumentale ‘Un histoire de Melody Nelson’ in 1971; het eerste ultramoderne conceptalbum uit de geschiedenis van het Franse chanson. Histoire de Melody Nelson is een muzikaal meesterwek van perverse verleiding. Een liefdesbrief uit de donkere cellen van Sodom, een extatische pijnkreet uit de ondergrondse kerkers van Edgar Ellen Poe en het imaginarium van professor Vladimir Nabokov. Het album is tevens het voorwendsel voor enkele van de meest gedurfde lyrische exercities in het Franse taalgebied.
Het kapotgaan van zijn relatie met Jane Birkin aan het eind van de jaren zeventig is Serge Gainsbourg uiteindelijk nooit meer helemaal teboven gekomen. Uit de as van de 140 Gitanes en een liter whisky per dag verslindende Gainsbourg verrees de nog veel gruwelijker chimaere Gainsbarre (de “standvastige”, de ruwe), een sadistisch onbehouwen monster dat zijn veel lieflijker en onhandiger voorganger definitief van het podium wist te verdringen. In Nederland had je de vileine zanger Jaap Fischer, meester van het messscherpe chanson, die in de loop der tijd zijn hoekige masker af liet vallen en voortaan – triest maar wijs geworden – als Joop Visser door het leven wilde gaan. Serge maakt iets soortgelijks mee, maar dan in omgekeerde zin. Zoals hij in alles tegendraads prefereerde te zijn.
Gaandeweg zijn tweede carrière, werden minder zangeresjes bereid zijn steeds schunniger teksten te zingen. Wederom werd hij een outsider. Hij pastte niet in de wereld van het ‘nouvelle chanson’ zoals Maxime le Forestier en Alain Souchon dat brachten. Gainsbarre ging onverschrokken zelf door met zingen en epateren. De geest van Vian keerde in hem terug, getuige het surrealistische nazi-punk album ‘Rock around the Bunker’, waarin hij als jood met groteske galgenhumor de bunkerdagen van Adolf H. bezong. Frankrijk raakte opnieuw in een opstoot. Begreep het jonge publiek dit allemaal wel? Treffende vraag. Het jonge publiek begon hem steeds beter te begrijpen dan het vertrouwde publiek dat met hem meegroeide. “Het is mijn publiek dat ouder geworden is, niet ik” beet hij de pers toe.

Het meest wonderlijke aan Serge G. was de moeiteloosheid waarmee de auteur-compositeur-interprête gedurende alle decennia dat hij actief was niet alleen zichzelf maar de hele muziekscene rondom hem gedurig wist te vernieuwen. Terwijl zijn teksten en zijn fluisterende stem vanaf Melody Nelson uit 1971 niet meer wezenlijk veranderden, onderging zijn muziek de ene na de andere radicale revolutie. Jazz, rock, pop, reggae, punk, rap, er is geen stijl die de zanger ongebruikt heeft gelaten. Zijn drang tot verandering verklaarde hij zelf vanuit de dood van het Franse chanson. “Er is geen chanson in onze tijd. De Afrikaanse ritmes waarmee ik mijn muziek in leven houd zijn geen concessie aan de moderne tijd. Het is een vorm die de moderne tijd weerspiegelt. Een ritme dat haar karakteriseert.” Als eerste blanke artiest ging hij naar Jamaïca om daar een reggae-album te maken. In vijf dagen rolde er een parel van een plaat uit: ‘Aux Armes Et Caetera’, met de band van Peter Tosh en de I Three van Bob Marley. Gainsbourg beweerde de meeste nummers in het vliegtuig geschreven te hebben. De Figaro noemde het een ‘smerige ragoût’, maar binnen zes maanden was het platina en had de zanger een alternatief publiek aangeboord dat hem daarvoor nauwelijks had gepruimd. De reggae-versie van de Marseillaise (“bij een revolutionaire tekst hoort een revolutionair tempo”) schoot in het verkeerde keelgat van tweehonderd Oud Parachutisten in Straatsburg. “Als die Gainsbourg hier komt, blazen we de boel op!” Ondanks de dreigementen en de bommeldingen beklom Gainsbarre toch het podium. Un réfractaire pur sang. Gainsbourg blafte de para’s toe dat ook Rouget de Lisle de Marseillaise had geschreven als marslied van Republikeinse rebellen die af wilden van het ancien régime. “On est tous des Juifs, des nègres et des Français!” Daarop zette hij acapella, met geheven vuist, het Franse volkslied in. De para’s in verwarring achterlatend. Even later kwam Gainsbourg opnieuw in het nieuws toen hij het handgeschreven manuscript van La Marseillaise voor een astronomisch bedrag op de koop tikte tijdens een veiling bij Sotheby’s in Parijs. “Wel duur, voor zo’n velletje papier”, merkte een journalist op. Waarop de zanger repliceerde: “Man, ik zou me hiervoor hebben geruïneerd!”
Deze waargebeurde scène die nog steeds op Youtube is na te zien, markeert het hoogtepunt van Gainsbourg’s heroïsche levensloop. Van joods kereltje in bezet Parijs, tot pionier-provocateur van de vrijheid en eigenzinnige maskotte van het Franse patrimonium. Als het waar is dat de dichter-zanger dubbel en dwars zijn plaats verdiend heeft op de achtenswaardige toppen van de Franse Parnassus, dan heeft hij die plek veroverd door de berg op sluikse wijze te beklimmen. En stoemelings, zoals Brusselaars zo mooi zeggen. Over de rug heen van zijn eigen schaduw. “Mon univers est à l”envers”, verklaarde Gainsbourg zelf ooit in een interview met Libération. “Alleen dode vissen drijven met de stroom mee.” Serge de rebel.


Gainsbourg’s parcours heeft inderdaad altijd de weg gevolgd van de meeste weerstand, van het schandaal. Van Sodom ook. Zoals in het ultieme liefdeslied “Je t’aime, moi non plus”. Het beruchte hijgduet in 1967 gezongen met Brigitte Bardot, twee jaar later met Jane Birkin, waarvan er alleen al buiten Frankrijk miljoenen platen werden verkocht; zonder dat de meeste van die kopers ook maar enig benul hadden dat er de geneugten van de anale liefde in werden bezongen. “Ik vermaak de wereld met injecties van lichte perversiteit”, placht de zanger en componist zelf te zeggen. Op een manier waartoe alleen Gainsbourg in staat was. Met stijl, distinctie, in miraculeus mooie maar ook infecte poëzie. “Tu es la vague, moi l’île nu./L’amour physique est sans issue.” Waarna Eros zijn giftige pijl van koele geilheid afschiet tussen de nieren van zijn geliefde.
“Ik houd van je.”
“Ik al niet meer…”

Zelf bleef Gainsbourg zijn vakgebied omschrijven als “un certain art mineur”, en meer dan eens liet hij weten zichzelf in de eerste plaats te beschouwen als een mislukte kunstschilder. In een twistgesprek met Guy Béart, in het praatprogramma van Bernard Pivot, sprak hij zijn collega betuttelend toe: “Ach Guy, wat zijn onze liedjes meer dan “des petits cacas” die we uitscheiden op het podium?” Dat Serge Gainsbourg daarentegen weldegelijk een grote kunstenaar genoemd mag worden, een dichter, zanger en componist van Olympische categorie. Al in 1972, na het beluisteren van het monumentale album ‘Un histoire de Melody Nelson’, liet de grote dichter Louis Aragon zich ontvallen dat “die Gainsbourg zich eigenlijk geheel op het sonnet toe zou moeten leggen: zijn poëtische kwaliteiten zijn weergaloos en behoren tot het meest originele wat de Franse literatuur heeft voortgebracht sinds Les Chants de Maldoror van Lautréamont.”
En inderdaad: neem de proef gerust op de som door de bonte catalogus aan liedteksten van Gainsbourg er op na te slaan, zoals Mauvaises nouvelles des étoiles (éditions Seuil). Vrijwel elk willekeurig lied van Gainsbourg getuigt van uitzonderlijke poëtische soeplesse, syntactisch meesterschap en klinkklare woordvreugde. Zoals volgens Goethe een meesterhand zich vooral kan tonen in de beperking, zo openbaart het genie van Gainsbourg zich zelfs nog in het keurslijf van zijn meest kitscherige, hijgerige of populaire nummers. Regisseur Joan Sfar zei hierover: “Wat geweldig is bij Gainsbourg: hij noemt zichzelf een luxehoer, maar hij is nooit oprechter dan wanneer hij probeert zichzelf te verraden. Op een huppeldeuntje als “Baby Pop”, laat hij France Gall zingen “chante, danse Baby Pop, comme si demain tu devais mourir”. Hij kan het niet laten om overal de tragiek van in te zien. Bij momenten is hij even pathetisch geniaal als François Chateaubriand.”
Een lied dat mij voor altijd van Gainsbourg’s uitzonderlijke lyrische gaven overtuigd heeft, is het nummer Hôtel Particulier, op het epische album Melody Nelson. In prachtige, wulpse zinnen die in enkele bondige stanza’s een wufte paringsdans met elkaar aangaan, voert de zanger zijn piepjonge verovering mee naar een labyinthisch roccoco-complex met vele trappen en eindeloze gangen, waar beiden zich onder het toeziend oog van vergulde engelenbeelden, naakte ebbenhouten slavinnen, Aphrodites en Salomés, in de Cleopatra-kamer overgeven aan de somptueuze praktijken van de Ars amandi en Remedia amoris. Lees hoe Gainsbourg zijn Melody op de tonen van orgel, bas, piano en sublieme lyriek naar de toppen voert van het genot!
“(…)
Entre ces esclaves nus taillés dan l’ébène
Qui seront les témoins muets de cette scène
Tandis que là-haut un miroir nous réfléchit,
Lentement j’enlace Melody
…”


Histoire de Melody Nelson was de eerste conceptplaat uit de geschiedenis van het Franse chanson. De plaat laat zich het best omschrijven als een erotische raamvertelling in zeven puntige liederen, die in totaal nauwelijks dertig minuten in beslag neemt. Waarin een tedere nimfijn van “quatorze automnes et quinzes étés” zich overgeeft aan een gepassioneerd roofdier van veertig-plus. Histoire de Melody Nelson is een muzikaal meesterwek van perverse verleiding. Een liefdesbrief uit de donkere cellen van Sodom, een extatische pijnkreet uit de ondergrondse kerkers van Edgar Ellen Poe en Vladimir Nabokov. Op de cover van het album houdt Jane Birkin in de hoedanigheid van het titelpersonnage Melody – vroeggevallen nimfijn die zich openstelt voor het verderf -, met gekruiste armen een aangeklede pluchen aap koket tegen haar naakte bovenlichaam gedrukt. Niet alleen om uit te dagen, zo blijkt, maar ook om te verhullen dat ze op dat moment zwanger is van haar “enfant d’amour” Charlotte Gainsbourg.
De toon van het album is meteen gezet in het eerste nummer: een sombere hypnotiserende soundscape met een overstuurde, ietwat slepende bas, rockgitaren die bezwerend huilen, violen die het sonore stemgeluid van Gainsbourg’s fluisterstem omfloersen. Een Rolls Royce Silver Ghost 1910 rijdt langzaam door een niet bij naam genoemde stad. In gedachten verzonken, verstrooid, met een half oor luisterend naar de radio, zijn blik gericht op de gevleugelde Spirit of Ecstasy op de voorkap, raakt de verteller in aanrijding met een rossig tienermeisje op een fiets.
– Tu t’appelles comment ?
– Melody
– Melody comment ?
– Melody Nelson

De man achter het stuur van de Rolls vertelt ons in quasi-vrolijke balladen, opgesteld in de onvoltooid verleden tijd, zijn tragische verhaal over schoonheid en extase, liefde en dood. De gevoelens van gelukzaligheid en elegantie uit het begin, worden allengs duizelingwekkend. De licht-psychedelische muziek, die de wals uit haar voegen doet draaien, benadrukt dit. Na het gerommel op het liefdesbed is er het ontwaken uit de droom. Het laatste nummer op het album, Cargo Culte, laat zich verhalen als een epiloog vanuit het schimmenrijk. De geschiedenis eindigt zoals ze begon: met een ongeluk. Melody vindt de dood als haar Boeing 707 neerstort in zee. Haar malse lichaam komt terecht tussen de koralen van Melanesië, ergens op de bodem van de Grote Oceaan. De verteller blijft alleen achter, ten prooi aan zijn herinneringen. De muziek bereikt in dit nummer haar apotheose. Het bezwerende thema van het begin, met de overstuurde basgitaar, wordt herhaald en uitgebreid tot een koortsig requiem met een koraal van maar liefst zeventig stemmen. Het gefluister van Gainsbourg mondt uit in een magische incantatie van de “Cargo Culte” zoals bedreven door de Papoea’s op Nieuw Guinea. Ook Gainsbourg hoopt biddend op een vliegtuigcrash die hem de schim van zijn minderjaardige heldin tussen de wrakstukken opnieuw tevoorschijn kan toveren.
“N’ayant plus rien à perdre ni dieu en qui croire
Afin qu’il me rende mes amours dérisoires
Moi, comme eux, j’ai prié les cargos de la nuit.
Et je garde cette espérance d’un désastre
Aérien qui me ramènerait Melody
Mineure détournée de l’attraction des astres.”

Het niveau van Melody Nelson zal Gainsbourg in zijn latere carrière nooit meer helemaal kunnen evenaren. Het album is, vriend en vijand is het daar dertig jaar na verschijnen over eens, een meesterwerk dat zijn weerga nog altijd niet kent in de geschiedenis van de hedendaagse popmuziek.

Gainsbarre

In de laatste tien jaar van zijn leven werd Gainsbarre “de ruwe” steeds erotomaner, onhandelbaarder, maar raar genoeg ook steeds produktiever. In ‘Love on the Beat’ hoorden we hoe zijn nieuwe vrouw Bambou kirrend toegetakeld werd onder het mompelen van een fabuleus wreed gedicht dat de markies De Sade waardig zou zijn, in ‘Lemon Incest’ hoe Serge en dochter Charlotte – op de tonen van een etude van Chopin – de incestueuze liefde bezingen.

Met de geboorte van zijn zoontje Lulu in 1986 leek alles in zijn leven vervuld. Reden voor Serge om te zeggen: “Ik ben in alles geslaagd, behalve in het leven”. Het provoceren was een versleten mediaritueel geworden. De aanblik die de aflijvige nachtuil bood was treurig. Gainsbarre die Whitney Houston trachtte aan te randen, die zijn pik uit zijn broek liet hangen, die een bankbiljet van 200 francs “voor zeventig procent” op het podium in de fik stak met zijn aansteker (als hommage aan de Franse fiscus), die een liter whiskey wegzoop tot hij de toetsen op de piano niet meer vinden kon. Bij alles werd hij toegejuicht. Tot het bittere einde bleef hij de Fransen hun schandalen verschaffen. De schandalen die iedere maatschappij zo nodig lijkt te hebben om de eigen blaséheid te rechtvaardigen.

Het vijfhonderd francs billet dat Gainsbourg in de fik stak (voor zeventig procent) uit protest tegen de hebzucht van de Franse schatkist


Wellicht dat er voor Serge Gainsbourg nog een Johnny Cash-achtige wedergeboorte in had gezeten, gedurende de jaren negentig of daarna. We zullen het nooit weten. De zanger stierf op 2 maart 1991 in volstrekte eenzaamheid in zijn geblindeerde huis aan de rue de Verneuil in het zevende arrondissement van Parijs.

De finale beslechting van het Faustiaanse duel tussen Gainsbourg en Gainsbarre eindigde voor de aan een mysterieus oogvirus lijdende zanger die zelfs in zijn geblindeerde woning nooit zijn zonnebril meer afdeed, geloof het of niet, in een “natuurlijke dood”; een hartbreuk ten gevolge van een poreus geworden kransslagader. Wat zich daar in die gesloten ruimte af heeft gespeeld in die laatste momenten, niemand die ervan kan getuigen. Zeker is dat hij diezelfde dag vergeten was zijn hartpil te nemen. Net zoals Boris Vian, 32 jaar eerder.

Gainsbourg is bijgezet in een familiegraf op Cimetière Montparnasse – 60, Avenue Transversale te Parijs. De pluchen aap die Jane Birkin op de cover van het legendarische album Histoire de Melody Nelson voor haar ontblote zwangere buik houdt, is op die dag mee verdwenen in het graf.

De afscheidswoorden die Gainsbourg zijn eigen dood deed vergezellen, in het Libé interview dat hij pas na zijn dood gepubliceerd wilde hebben, waren 33 jaar eerder met ‘Le poinçonneur des Lilas’ zijn eerste woorden geweest. ‘Un p’tit trou, un p’tit trou, rien qu’un dernier petit trou’.
Zo is alles toch intact gebleven.

Bij het graf van Gainsbourg, Montparnasse Parijs

© Serge van Duijnhoven, Brussel 2010/2011
uitgeverij Nieuw Amsterdam

9224382_cover.Lulu.gainsbourg

Serge eert Serge in Club Bitterzoet, Amsterdam mrt 2010. Fotograaf: Igor Freeke

DE NACHTUIL VAN VERMAAK
 
 
‘La laideur, ma p’tite, tu le sais
est entièrement supérieure à la beauté.
La beauté se meurt un jour
la laideur d’ailleurs, c’est pour toujours.’’
 
.-. 
In gefilterd licht
streelt hij de zinnen
met de ogen van
een veroordeelde
.-.
drinkt hij whisky
uit een tandenborstelbeker
smelt het ijs in zijn keel
het mannelijke fluïdum
.-.
Het mooie wanhoopt
het lelijke speelt
om het malicieuze
te bezweren, Serge
.-.
In alcohol en nicotine
als een vogel zonder veren
seint hij ons de booschap
van het vlotte toeval
 
‘Bah oui, monsieur Gainsbourg, da’s al…’
.-.
(en een vreemd gevoel
van infernale gruizigheid)

Gainsbourg – (vie héroïque)
cinéma : 20 janvier 2010
Film déjà disponible en DVD depuis le : 1 juin 2010
Film déjà disponible en Blu-ray depuis le : 1 juin 2010

Réalisé par Joann Sfar
Avec Eric Elmosnino, Lucy Gordon, Laetitia Casta, plus

Long-métrage français . Genre : Biopic , Musical
Durée : 02h10min Année de production : 2010
Distributeur : Universal Pictures International France

Synopsis : La vie de Gainsbourg, du jeune Lucien Ginsburg dans le Paris occupé des années 1940, jusqu’au poète, compositeur et chanteur célébré dans le monde entier.
Le film explore son itinéraire artistique, du jeune homme épris de peinture à la consécration de sa musique dont l’avant-gardisme en a fait une véritable icône de la culture française. Mais aussi la complexité de sa vie adulte à travers ses amours tumultueuses.

cartoon gemaakt door Hanco Kolk voor de cover van Gainsnord (samenstelling Guuzbourg) - zie: http://www.hancokolk.nl


gainsnordcover-hi
Journalist, fan en deejay Guuzbourg, samensteller van de prachtige tribute-cd Gainsnord – Serge’s Songs Revisited By Bands From The Lowlands (met oa. Tom Barman, West Hell 5, Eddy de Clercq, Marine Boréale, Monsieur Dubois en Benjamin Herman), is hij “een van Europa’s meest invloedrijke songschrijvers, samen met de B’s van ABBA. Een man met een schat aan schitterende liedjes vol dubbele bodems en zelfverzonnen woorden. Die hij zelf zong, maar vaker nog schonk aan de prachtigste vrouwen.” De jaarlijks terugkerende Soirées Gainsbourg in Vlaanderen en Nederland bewijzen dat ook buiten Frankrijk de chansons van deze poète maudit nog steeds volop tot de verbeelding spreken.

Gainsnord – Serge’s Songs Revisited By Bands From The Lowlands (met oa. Tom Barman, Eddy de Clercq, Marine Boréale, Monsieur Dubois en Benjamin Herman). Samengesteld en ingeleid door Guuzbourg. Essential Music – Sonic Scenery. Son 708028, € 18,- www.fillessourires.com/gainsnord

zie hier de videoregistratie gemaakt door Gabriel Kousbroek van Serge van Duijnhoven die voorleest in Paradiso bij de presentatie van de cd Gainsnord, sept 2009:

Serge eert Serge in Paradiso - 18 sept 2009 - bij de presentatie van Gainsnord, cd samengesteld door Guuzbourg. Foto: Igor Freeke

journalist Guus Hoogaerts
(ook bekend als Guuzbourg)
organiseerde op vrijdagavond 18 september 2009 in Paradiso te Amsterdam een hommage aan Serge Gainsbourg ‘Gains Nord”
tevens de cd presentatie van “Gains Nord” een hommage aan Serge Gainsbourg, gezongen en gespeeld
door Nederlandse muzikanten,
en een optreden van dichter/schrijver
Serge van Duijnhoven

foto gemaakt door Igor Freeke

Categorie:

Muziek
Labels:

* Serge
* Gainsbourg
* Paradiso
* Guuzbourg
* van Duijnhoven

 

“Exodus” opus 36 – compositie van Jan Walraven voor alt-mezzo en piano

desc

via Dichters Dansen Niet: “Exodus” opus 36 – compositie van Jan Walraven voor alt-mezzo en piano.

Exodus” opus 36

compositie voor alt-mezzo en piano

compositie/piano: Jan Walraven

alt-mezzo: Loes van Langerak

libretto: Serge van Duijnhoven

première vond plaats op 13 juni 2010 in de Lambertuskerk te Vught

in het kader van het project “Zinnenbeelden Viermomenten”


Kunstwerk Jolande Traa – Lambertuskerk Vught


http://www.indenwouwdfluit.nl/cms!/index.php?option=com_content&task=view&id=14&Itemid=26

E X O D U S

Wie vreemdeling is hier was elders kind aan huis.


© fotografie & grafisch ontwerp: l.j.a.d. creyghton, haaren [nl]

On est tous des étrangers.

Reizigers met retourbewijs op dooltocht door een ruimte die een
ieder zich moet eigenmaken.
Eigenwijs is wilskracht die ons drijft.
Ons leven als het nieuwe land, de grond waarin het graan
nog met de hand wordt uitgezaaid.
De haren op ons hoofd zijn als het riet op de daken.
Onze huid is als het barstig leem van onze stulp.
Ons vel schuurt over opgejaagde botten.
Onze stem roept op zijn mooist om hulp.

On est tous des étrangers.

Wat we zoeken is rust, asiel in eeuwigheid.
Wat we zijn is waar we zijn gevallen: gewervelde dieren en waaraan ten prooi als wild in het vizier. Een kudde in de muil van de natuur.
We zijn horig en futiel. Stofdeeltjes die opgedreven.
Kregen een naam toegewezen.
Ook dat wij leven was niet ónze keus.

On est tous des étrangers.

Ook dat wij leven was niet ónze keus.
Alles wat wij zijn is bruikleen toebehoren aan Tijd alleen;
die malicieuze makelaar en miljardair.
Die onze lijven willens en wetens laat verkrotten.
Over onze hoofden speculeert.
Die ons plukt en uitperst als olijven, uitspuugt als de pit.
Met avondval vertrekken we.
Sluipen ervandoor. Ons uitreisvisum is de dood.


concept en uitvoering: L.J.A.D. Creyghton

Dichters en beeldend kunstenaars uit Noord-Brabant en voorgangers van 12 kerken rondom ‘s-Hertogenbosch ontmoetten en inspireerden elkaar in 2009 en 2010 gedurende het artistieke project “Zinnenbeelden Viermomenten”.

Ze verdiepten zich samen in een vantevoren bepaald kerkelijk feest en brachten dit tot uitdrukking in hun “in elkaar gewikkelde polyfone versmelting” van poëzie en beeldend werk.

Zinnebeelden_A5_voor

L.J.A.D. Creyghton en Serge van Duijnhoven kregen de 40-dagen tijd toegewezen. Wat uiteindelijk resulteerde in hun EXODUS project, dat van 26 februari tm 11 april 2010 een meditatieve plek vond aan weerszijden van het altaar in het monumentale stokoude (tegenwoordig protestantse) kerkje van de “Samen Op Weg Gemeente” aan het Raadhuisplein te
Berlicum. Daarnaast liet L.J.A.D. op sjiek formaat een postkaart drukken met aan de ene kant een foto van een in het wad en het water weggezonken voetstap van voorbijgetrokken wadlopers. Aan de andere kant was de imprint te lezen van de tekst van Serge’s gedicht. Deze postkaart was als aandenken aan de manifestatie vrijelijk te verkrijgen in de kerk.

ZINNEBEELDEN_A5_achter

“Met avondval vertrekken we.
Sluipen ervandoor. Ons uitreisvisum is de dood…”
– uit: Exodus

OVER DE ARTIESTEN

Jan Walraven studeerde Kerkmuziek aan het Nederlands Instituut voor Kerkmuziek te Utrecht. Albert de Klerk, Herman Strategier, Wouter Paap, Bernard Bartelink en Maurice Pirenne gaven de lessen. Hij vervolgde zijn studies aan het Rotterdams conservatorium bij Arie Keijzer.
 
Ook nam hij actief deel aan de Haarlemse orgelmaand bij Ewald Kooiman.
Wegens zijn grote belangstelling voor de menselijke stem is hij een ideale begeleider voor zangers. Samen met zijn echtgenote Loes van Langerak – altzangeres – organiseert hij sinds 1978 kamermuziekconcerten in hun eigen concertzaal In den Wouwdfluit. In 1995 is zijn eerste CD verschenen met 10 eigen composities voor piano en in een transcriptie voor orgel. Deze CD is opgenomen in Schouwburg De Kring Roosendaal en in de Lambertuskerk te Wouw. Het zijn 10 muzikale gedichten, geschreven bij de gelijknamige gedichtenbundel Linguisticum van Albert Hagenaars uit Bergen op Zoom. Bij de première in 1995 danste Madeleine Benjert solo bij deze muziek in Bergen op Zoom en Luxemburg. Jan is mede initiator van de bouw van het Hollandse Verschueren orgel in de Lambertuskerk te Wouw.
 
Voor het derde Millennium schreef Jan Walraven de Kerkopera We Wouwen Licht op tekst van Sabine Keijzer. Jan Walraven componeerde ook twee kleine opera’s voor kinderkoor eveneens op tekst van Sabine Keijzer. Het Lelijke Eendje – voor 5 instrumenten, koor en piano en De Markies van Karabas voor koor en piano.
 
Jan Walraven is als Kerkmusicus bijna 40 jaar verbonden geweest aan de Lambertuskerk te Wouw.

Loes van Langerak, zangeres en beeldend kunstenaar, heeft veel Lied programma’s gezongen. Op het gebied van Oratoria, Passionen en Kerkcantates is ze als soliste werkzaam geweest. Samen met haar man Jan Walraven, gaf zij veel Kerkconcerten in binnen- en buitenland. Er is een verzamel CD gemaakt van haar live optredens.
Op deze CD staan werken van Liszt, Diepenbrock, Borodin, Monnikendam, Händel, Bach en Hans Kox. De kunstmoestuin speelt een grote rol in het dagelijks leven van de artiesten Loes van Langerak en Jan Walraven. Zij werden geïnspireerd door de “potager d’ornement” te Villandry: het schone verenigen met ons dagelijkse eten. Groentebedden worden omringd door guirlandes van buxushaagjes. Enkele kunstwerken maken deze moestuin tot een lust voor het oog en de smaakpapillen. De titel van de CD is Loes van Langerak en Jan Walraven live. Fragment-1: Lied van Borodin voor Alt, Violoncello, en piano met aftiteling.
Contact:
loesvanlangerak@gmail.com

Serge R. van Duijnhoven (1970) is schrijver, dichter en historicus. Frontman van het muziekgezelschap Dichters dansen niet. Woonachtig te Brussel, geboren in Oss (Noord-Brabant, NL). Oprichter van tijdboek MillenniuM en de Stichting Kunstgroep Lage Landen. Verbleef in Sarajevo voor De Morgen en de Volkskrant. Debuteerde in 1993 met de dichtbundel Het paleis van de slaap (Prometheus) en een kleine biografie over Haile Selassie; de laatste Ethiopische keizer (Jan Mets). Recente publicaties: De zomer die nog komen moest (Nieuw Amsterdam), Klipdrift (Nieuw Amsterdam),{Balkan}Wij noemen het rozen (Podium), Fotografen in tijden van oorlog (Ludion), Obiit in orbit; aan het andere einde van de nacht (De Bezige Bij), Bloedtest (De Bezige Bij) en Ossensia Brabantse gezangen (Jan Cunen). Serge van Duijnhoven is freelance medewerker van Vrij Nederland, De Groene Amsterdammer, alsmede van De Morgen en http://www.cobra.be. Tevens werkt hij jaarlijks in Cannes als filmverslaggever voor het International Feature Agency en de VRT.

WEBSITES/WEBLOGS:

http://www.reverbnation.com/dichtersdansenniet
– https://sergevanduijnhoven.wordpress.com
– http://sergevanduijnhoven.blogspot.com
– http://www.nieuwamsterdam.nl/sergevanduijnhoven

fotograaf: Igor Freeke

Concertzaal In den Wouwdfluit – Jan Walraven

In den Wouwdfluit
Jan en Loes Walraven van Langerak

Omgang 10 – 4724 EP – Wouw Nederland

Verscholen achter een markant woonhuis uit 1932, Amsterdamse School, ligt het theater 
In den Wouwdfluit”. Dit idee, dit concept, is van het echtpaar Walraven van Langerak. 
Loes heeft veel concerten gegeven als altzangeres en Jan Walraven treedt op als organist.
Het publiek weet de weg te vinden naar dit zeer intieme theater in Wouw.
Men is altijd verrast door de aangename sfeer die dit vestzaktheater ademt.
Op het podium staan een Pleyel vleugel en twee mechanische pijporgels (door BAG).
De akoestiek is uitstekend, mede door het gebruik van natuurlijke materialen als stuc, 
hout en travertijn.
De concertserie gaat de 36e jaargang in.
Er is veel gedaan om niet alleen het oor maar ook het oog te strelen.
In de zaal en de tuin is werk te zien van kunstenaars als Kees Keijzer en Joost Keijzer, 
Grzegorz Bienias, Dariusz Wozniak uit Kraków,  Stan Linssen en Loes van Langerak.
Loes van Langerak heeft inmiddels een grote collectie beelden vervaardigd in keramiek 
en steen. Beelden voor buiten en binnen. Bezichtiging op afspraak. 

Jan en Loes weten met hun uitgebreide scala aan artistieke mogelijkheden zeer te boeien.
Jan Walraven is bijna 40 jaar als kerkmusicus verbonden geweest aan de Lambertuskerk te Wouw. Loes van Langerak heeft daar het Kinderkoor en het Jongerenensemble bijna 15 jaar geleid. De serene sfeer, de vaalwitte Cisterciënzerkleur en de mooie akoestiek maken deze kerk tot een ideale ruimte voor religieuze ontmoetingen, sfeervolle concerten en meditaties.
De bewogen geschiedenis van deze kerk en de affiniteit van Jan Walraven en Loes van Langerak hiermee, rechtvaardigen de pagina Lambertuskerk. U vindt artikelen en foto’s van vóór 1944. Daarnaast foto’s na de glorierijke wederopstanding in 1951. Landschapfotograaf Willem Laros heeft veel foto’s in de kerk gemaakt die gebruikt worden bij concerten, Cisterciënzerlezingen, rondleidingen en schoolbezoeken.

VERANTWOORDING

Op 13 juni 2010 om 14.00 uur werden in de Lambertuskerk, Helvoirtseweg 5 te Vught, vier nieuwe werken van Brabantse componisten ten gehore gebracht. Het ging om toonzettingen van gedichten van Frans August Brocatus, Serge van Duijnhoven, Y. Né en Vrouwkje Tuinman. Hun gedichten zijn op muziek gezet door achtereenvolgens Jacques van den Dool, Jan Walraven, Danielle Sluijmers en Diederik van Essel.

De bijeenkomst was tevens de afsluiting van het kunstproject Zinnenbeelden Viermomenten, dat 31 oktober 2009 in ‘s-Hertogenbosch van start ging.

Exodus in woord en beeld

De S.O.W.-Gemeente in Berlicum deed mee aan het projekt “Zinnen Beelden Vier Momenten”: dichters en beeldend kunstenaars uit Noord-Brabant en voorgangers uit twaalf kerken in en rond ’s-Hertogenbosch, ontmoetten en inspireerden elkaar. Verdiepten zich samen in de achtergronden rond een vantevoren bepaald kerkelijk feest en brachten hun gedachten hierover tot uitdrukking in poëzie en beeldend werk.



©
L.J.A.D. CREYGHTON – (Westernieland I 03.VIII.2009 I N 53.26′ 44″ / O 6. 28′ 52″ I 43 x 227cm panorama)

In de periode rond Pasen (van zaterdag 6 maart tot zondag 11 april) was de kerk in Berlicum aan de beurt, samen met de abdij in Heeswijk en de protestantse kerk van Dinther. Al vanaf de 1e zondag van de veertigdagentijd (21 februari) hing er voorin de kerk ter linkerzijde vanaf de kerkgangers gezien, een prachtige langgerekte foto van L.J.A.D.Creyghton (Westernieland I 03.VIII.2009 I N 53.26′ 44″ / O 6. 28′ 52″ I 43 x 227cm panorama)

Daartegenover, als was het in een een-twee-spraak met de haast oud-testamentische compositie van de wadlopers die tussen lucht en horizon verwijnen in de (zie de gids met de lange houten wadden-peilstok) bedrukte ruimte, hing een gehandtekende afdruk van het gedicht van Serge van Duijnhoven waarin gesteld wordt: “vreemdelingen zijn wij allemaal, reizigers met retourbewijs…”

Beide kunstzinnige uitingen werden geexposeerd n.a.v. de 40dagentijd, daarbij in het bijzonder geïnspireerd door het verhaal van de uittocht uit Egypte. Piet Vliegenthart omschreef het op zijn weblog dominee Piet als volgt: “Wat te zien is (foto) en te lezen (gedicht) is, zal mee ademen in de tijd waarin we op weg zijn naar Pasen.”

bron: http://sites.google.com/site/domineepiet/enverder….

Exodus door de dichter zelf gelezen

Op zaterdagmiddag 6 maart 2010 las Serge van Duijnhoven zijn gedicht voor in de Samen Op Weg kerk in Berlicum. Het is hier te beluisteren:
http://sites.google.com/site/domineepiet/DVDVR-Title1_CUT.mp3?attredirects=0</

overige bronnen:

– sowberlicumrosmalen.nl

– vuur-en-vlam.nl

– indenwouwdfluit.nl

– sergevanduijnhoven.blogspot.com/2010/08/concertzaal-in-den-wouwdfluit-jan.html

– creyghton.com

– cbks-hertogenbosch.nl/index.cfm?art_id=655&chapter_id=2

Het boek bij de tentoonstelling:

Zinnen beelden – vier momenten
Prijs Euro 17.50
Bertram Westera (red.)
Ingenaaid: paperback,kaft slap, 240 pagina’s
Verschenen: november 2009
Gewicht: 740 gram
Formaat: 228 x 226 x 12 mm
SKANDALON nl
EAN 9789076564852
ISBN-13: 9789076564852

De auteur dankt Bert, Jan, Loes en Bertram, Dominee Piet en overige betrokkenen van de S.O.W. Berlicum-Rosmalen van harte voor hun verrassende samenwerking, steun en inspiratie gedurende de verschillende fasen van het project.

Mai 68 van Gilbert Becaud: opnamen Nederland AVRO 1980

desc

via Dichters Dansen Niet: Mai 68 van Gilbert Becaud: Becaud aux Pays-Bas (1980 – Avro).

Facebook | Video’s van Blog Gilbert Becaud: Becaud aux Pays-Bas (1980?)

http://www.facebook.com/video/video.php?v=1436656790192

Ik weetniet of het “Dank U!” van Becaud – na het abominabele “L’important c’est la Rose” gericht aan het klapvee van de Avro Tele BingoShow anno 1980 als Dans le Cul is bedoeld. Net zomin of Becaud in het prachtige lied Mai 68 dat daarop volgt de frase “Et Mai 68, c’est une chansond’un autre âge” de eerste keer als “Et Mai 68, c’est une chanson de notre âge” heeft uitgeschreven en ingezongen. Op de cd die ik beluisterde lijkt het hier wel op.
In elk geval is het pianospel van deze formidabele zanger met de guitige pretoogjes live en niet play back – getuige de bij wijlen even losse als valse touch op de vleugel. “Kijk telebingo volk! Met losse handjes!”Vermoedelijk waren er al een paar petit coups de rhum achter de kiezen toen Mies Bouwman haar gast eindelijk die zaterdagavond ten tonele mocht roepen.

Vraag me tot slot af wat er van le petit Pierre geworden is. 41 jaar oud zal hij nu zijn. Het kado van een stoeptegelrevolutie die onder het plaveisel van de vastgeroeste maatschappij een strand van verlangen bloot wilde leggen. La poesie logera la vie! De Rolls Royce in de Rue du Bac heeft gebrand als toorts. De straten van Parijs zijn opnieuw geplaveid. De stad heeft zichzelf in een badkuip vol geld goed en klatergoud verdronken. Het lied van Becaud is een treffende tedere tegenhanger van Leo Ferre’s intens bittere “Paris je ne t’aime plus”.
Bellum transit – amor manet.

Serge van Duijnhoven

Tekst van het chanson

“Mai 68”

van Monsieur 100 mille Volts Gilbert Becaud:

Tiens, 12 ans déjà

…Qu’on est ensemble, presque mariés

Et le petit Pierre,le beau cadeau

Le temps va vite,voyage

Et Mai 68,c’est une chanson de notre âge

Tiens, 12 ans déjà

On était fou,on se foutait

Du monde entier,des gens mariés

D’la républiquetrop tiède

Et Mai 68,pour moi c’est “Je t’aime”

Simplementun seul mot”Je t’aime”

Tiens, tu t’en souviens

La rue du Bac,une barricade

Et je t’emmène chez moi

Pendant qu’on s’aimait

Des gens criaient,couraient

Une jolie Rolls brûlait

A la radio cette musique-là passait

Tiens, 12 ans déjà

Qu’on est ensemble,presque mariés

Le petit Pierre est contestataire

Le temps va vite, voyage

Et Mai 68, c’est une chanson d’un autre âge

Tiens, 12 ans déjà

Pour fêter ça,je t’emmène dîner

C’est rue du Bac,un p’tit resto”A la barricade”,ballade

Et de ce temps-là pour toi et pour moi

Restera un seul mot

“Je t’aime”

(1980)

bron: http://www.facebook.com/video/video.php?v=1436656790192


Gilbert Bécaud (1927-2001)

De Franse zanger Gilbert Bécaud werd in 1927 geboren als François Silly in Toulon. Op zijn vijfde stuurde zijn moeder Gilbert naar pianoles. Later studeerde Gilbert Bécaud aan het conservatorium in Nice. Hij wilde echter niet de klassieke kant op, maar koos voor een loopbaan in de amusementsmuziek.

Edith Piaf

In Parijs raakte Gilbert Bécaud in contact met Edith Piaf. Voor haar componeerde Bécaud “Je t’ai dans la peau”. Het nummer werd later wereldberoemd gemaakt door de Everly Brothers als “Let it be me”. Op aanraden van Piaf koos François Silly de artiestennaam Gilbert Bécaud. Zij voorzag problemen als hij zich in het buitenland zou presenteren als “Silly”.
Chansontraditie

Gilbert Bécaud stond met beide benen in de Franse chansontraditie, maar verwerkte hierin ook Amerikaanse invloeden. Hierdoor werden een groot aantal nummers wereldhits. Een groot aantal buitenlandse sterren nam zijn nummers op het repertoire, zoals Shirley Bassey.
De bekendste nummers van Gilbert Bécaud zijn onder meer: “Et maintenant”, “Nathalie”, “l’Important c’est la rose”, “Il fait des bonds”, “Quand il est mort le poète”, “Le jour òu la pluie viendra”, “Pilou Pilou hé” en “Dimanche à Orly”.

Monsieur 100.000 Volt

Gilbert Bécaud bezocht Nederland voor het eerst in 1955. Dat was een sensatie. Meteen liet hij zien waarom hij later “Monsieur 100.000 Volt” werd genoemd. “Hij vreet zijn micro op, slaat zijn piano stuk en schreeuwt als een bezetene.” Toen Bécaud zijn eerste concerten gaf, geloofde niemand dat hij het lang zou uitzingen. Maar hij was een blijver. Tot kort voor zijn dood in 2001 bleef hij muziek opnemen en zelfs optreden.
Gilbert Bécaud overleed op 18 december 2001 op 74-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker.


Gilbert Bécaud, de Franse zanger met de bijnaam “Monsieur Cent Mille Volts”. Vanwaar die bijnaam? Bécaud beantwoordt de vraag in het programma “Tienerklanken” uit 1965.
zie opnamen van dit programma:
http://www.cobra.be/permalink/1.659745

Je t’appartiens

Musique: Gilbert Bécaud, Paroles: Pierre Delanoë, 1955

Comme l’argile
L’insecte fragile
L’esclave docile
Je t’appartiens

De tout mon être
Tu es le seul maître
Je dois me soumettre
Je t’appartiens

{v1:}
Si tu condamnes
Jetant mon âme
Au creux des flammes
Je n’y peux rien

{v2:}
Si tu condamnes
Si tu me damnes
Voici mon âme
Voici mes mains

Avec les peines
L’amour et la haine
Coulant dans mes veines
Je t’appartiens

Que puis-je faire
Pour te satisfaire
Patron de la terre
Sur mon chemin

Comme les anges
Chanter tes louanges
Mais je ne suis pas un ange
Tu le sais bien

Je ne suis qu’un homme
Rien qu’un pauvre homme
Je t’aime bien
Comme un copain

{v1:}
Souvent je pense
Que dans ton immense
Palais de silence
Tu dois être bien

{v2:}
Parfois je pense
Que dans ton immense
Palais de silence
On doit être bien