Dalida en Les amours imaginaires van wonderboy Xavier Dolan

Een van de plezierigste ontdekkingen op het recente Filmfestival van Cannes (2010), was de nieuwe film van wonderboy Xavier Dolan uit Montréal, Quebec. Eenentwintig lentes oud, maar toch al voor de tweede maal hier weer te gast, na het succes van zijn eersteling J’ai tué ma Mère – een film die hij schreef toen hij pas zeventien was. De film waarmee dit eigenzinnige Canadese genie ditmaal uitpakt heet Les Amours Imaginaires, naar het Engels misschien nog wel accurater vertaald als Heartbeats.

http://www.facebook.com/LesAmoursImag…

L’histoire de Francis et Marie, deux amis qui, épris de la même personne, se livrent à un duel malsain pour la conquérir. De rendez-vous en rendez-vous, la tension monte et, bientôt, chacun interprète de manière obsessionnelle les comportements ambigus et destructeurs de l’objet de leur désir.

Een somptueuze, volvette en hypergestyleerde liefdeskomedie over de driehoeksrelatie tussen een homosexuele jongeman met vele begeertes genaamd Francis (meesterlijk gespeeld door Dolan zelf), zijn immer in vintage geklede vriendin Marie (Monia Chokri), en een oogverblinde met Griekse krullen getooide Adonis (Niels Schneider) die door beide vrienden in duizelingwekkend klungelige, villeine of desperate liefdespirouettes vergeefs het hof wordt gemaakt.
De film bracht vooral het Franstalige publiek (dat in staat was de hyperactieve dialogen zonder ondertiteling direct te kunnen volgen) volledig in vervoering. Het applaus na afloop was ovationeel.
Knappe kitsch
Xavier Dolan slaagt erin zijn karakters even dik aan te zetten als de lagen make-up, lipstick en krulpruiken die ze dragen, zonder dat dat stoort. Integendeel. De sfeer die wordt opgeroepen is er één van een zinderende sensualiteit, die zelfs vanuit de zetel in de filmzaal op kwellend nabije wijze tastbaar wordt. De technieken die Dolan gebruikt zijn misschien niet helemaal nieuw: veel slow motion, hartverscheurende campy muziek, Dalida die haar Italiaanse versie zingt van Bang-Bang. Interview-achtige interludes met knotsgekke jongelieden uit Montréal die na hun stukgelopen amoureuze escapades rijp zijn voor het gesticht – en de kijker in plat Quebequois informeren over de intiemste en meest smakeloze details van hun hartenpijn en liefdeswedervaren…

Maar het geheel werkt zo verbluffend goed dat je niet anders kunt dan je mee te laten voeren op de schmierende rivier van tranen, imaginaire liefdes en gebroken dromen. Oeroude emoties als jaloezie, wanhoop en begeerte, worden door Dolan voorzien van een fris, veelkleurig vintage jasje. En het verdriet dat zich van binnen ophoopt als een ongezonde lading snot en slijm, wordt er – aan het eind van de film – op brakende wijze uitgeschreeuwd door Dolan’s karakter Francis (een lookalike van Christophe Vekeman, inclusief rockabilly kuif en nauwe witte broek met scherpgepunt schoeisel) in een oerkreet die tot lang na afloop van dit festival nog in het Palais des Festivals zal blijven resoneren.


(De 21-jarige regisseur Xavier Dolan uit Montreal. Courtesy of Ixion Communications.)

In zijn stijl van werken is Xavier Dolan ongetwijfeld schatplichtig aan Woody Allen (Husband and Wives), Almodovar en zelfs Benoît Poelvoorde (C’est arrivé près de chez vous). Toch moest ik zelf in eerste instantie vooral denken aan het heerlijk schmierende toneelwerk van Vlaanderen’s geniaalste drama-queen en meesterauteur Tom Lanoye. Het verhaaltje van deze doldraaiende liefdescarrousel mag dan zo dun zijn als een vintage poederdoosje van het Vossenplein, de dialogen zijn om van te smullen, de spanning die tussen de personages hangt is elektrificerend. En bij tal van scènes uit deze film zult ook u, waarde bezoeker van deze weblog van Cobra.be, gegarandeerd scheurbuik krijgen van het lachen.
Het knapste vind ik nog de wijze waarop Dolan erin geslaagd is de spanning die permanent tussen alle drie de personages hangt, zo tastbaar te maken dat je geregeld de neiging hebt om op te staan en het kijvende, kirrende en stuurloos rond elkaar heen tuimelende trio op zo bruut dan wel teder mogelijke wijze uit elkaar te trekken.
Jeune premier Xavier Dolan, onthoud die naam. Hij wordt, ik garandeer het u, een hele, hele grote in de wereld van de sublieme illusie. Moge uit zijn virtuoze losse vingertjes van vuur, nog vele van zulke drama’s vloeien, die de graviteit van ons bestaan voor einige momenten op heerlijke wijze relativeren!

Una version storica di Bang Bang interpretata in italinao da Dalida

Dit is Dalida’s versie van Nancy Sinatra’s zieleklapper Bang Bang, de opname dateert van een live optreden op de Italiaanse televisie ergens in de jaren zestig.

“-Personne n’a ton sourire.
-Ce n’est plus un sourire, c’est une cicatrice.”

“La mort fait partie de la vie, on ne devrait pas en avoir peur.
Je ne voudrais en aucun cas que l’on me vole ma mort.” Dalida.

© Serge van Duijnhoven

zie ook: http://www.cobra.be/cm/cobra/film/1.782518

Over DALIDA – Biografische schets

De pers in mei 1987 - de maand van Dalida's zelfverkozen dood

Dalida komt als Yolanda Gigliotti op 17 januari 1933 in Cairo ter wereld en groeit op in een van oorsprong Italiaanse familie die naar Egypte is geëmigreerd. Ze is het enige meisje tussen twee broers, Orlando en Bruno. Hun vader is eerste violist bij de opera van Cairo.
Eigenlijk is het de bedoeling dat ze secretaresse zal worden, in 1951 doet ze echter stiekem mee aan een schoonheidswedstrijd. Drie jaar later wordt ze Miss Egypte. Ondertussen heeft ze al diverse filmrolletjes gespeeld in Cairo, het Hollywood van het Midden-Oosten. Daar wordt ze opgemerkt door een Franse regisseur. Yolanda is inmiddels Dalila geworden en droomt van Parijs. Ondanks de bedenkingen van haar familie vliegt ze er 24 december 1954 naar toe.
Het worden moeilijke tijden, want in de Franse filmindustrie is geen plaats voor haar. Dus neemt ze zanglessen om in haar onderhoud te voorzien. Eerst krijgt ze een contract bij een cabaret op de Champs Élysées en later bij het betere Villa d’Este. Daar wordt ze aangekondigd als “de openbaring van het Franse chanson”.
Bruno Coquatrix heeft net Olympia, een oude bioscoop, gekocht om er een theater van te maken. Eén van de eerste programma’s heet “de nummers één van morgen”. Dalila wordt uitgenodigd en zingt “Étrangère au Paradis”. Tijdens dit optreden ontmoet ze twee heren: Lucien Morisse, artistiek directeur van Europe Radio 1 en Eddy Barclay, platenproducent. Ze zijn al een tijdje op zoek naar dé artiest die hun ondernemingen van de grond kan tillen en ze denken met Dalila deze parel gevonden te hebben. Dalila wordt nu definitief DALIDA.
Vervolgens neemt ze haar eerste singletje op bij Barclay: “Madonna”, maar met de volgende: “Bambino”, breekt ze pas echt door. Het wordt een enorm succes

1956 is voor Dalida een zeer succesvol jaar. Ze zet haar eerste stappen in Olympia in het voorprogramma van Charles Aznavour. “Bambino” is een hit en het publiek verwelkomt haar met groot enthousiasme. Men wil dat ze terugkomt en dat gebeurt in september, bij de entree van het theater ontstaat zelfs wat gedrang omdat iedereen tegelijk naar binnen wil. Dalida siert nu de covers van vrijwel alle tijdschriften.
Speciaal voor haar wordt de gouden plaat bedacht en deze wordt op 17 september 1957 aan haar uitgereikt. Lucien Morisse is ondertussen meer dan een vaderfiguur geworden voor de jonge zangeres. Er is iets moois opgebloeid tussen hen. In 1958 ontvangt ze de Oscar van Radio Monte Carlo en die krijgt ze vervolgens zeven jaar achter elkaar. Ze gaat op wereldtournee en het optreden in Bobino wordt een triomf. Onder leiding van Lucien Morisse neemt ze meerdere hits op. Zij is de favoriete zangeres van dat moment, ze staat zelfs boven vedetten als Edith Piaf en Jacques Brel. Haar huwelijk met Lucien Morisse laat echter op zich wachten. Na veel vertraging vindt de bruiloft plaats op 8 april 1961 in Parijs. Ze laat haar familie overkomen maar vertrekt meteen na de voltrekking op tournee. Geen huwelijksreis.

Lucien Morisse gunt haar nauwelijks tijd om adem te halen: werken, werken, werken, ten koste van hun privé-geluk. Dalida voelt zich in de steek gelaten. Enkele maanden later ontmoet ze in Cannes de schilder Jean Sobieski en het is van beide kanten liefde op het eerste gezicht. Tussen haar en Lucien Morisse begint de verwijdering op te treden. Hoewel ze beseft dat ze hem op artistiek gebied veel verschuldigd is verlangt ze ernaar haar vrijheid terug te krijgen, iets wat voor Lucien Morisse moeilijk te verkroppen is.
Ondanks haar nieuwe liefde verliest ze haar carrière niet uit het oog. De yeahyeah-golf waart over Frankrijk. In december 1961 staat ze in Olympia, alleen heeft ze nu niet meer het voordeel van de veelbelovende beginneling in de showbizz. Het wordt evenwel een triomf, wat zowel voor het publiek als voor de zangeres een opluchting is. Een maand lang staat ze in een uitverkocht huis met elke avond ruim 2000 mensen in de zaal. Daarna gaat ze op tournee, met name naar Hong Kong en Vietnam waar ze een idool is.

Dalida, 1962

In de zomer van 1962 zingt Dalida “Petit Gonzales” en scoort daarmee weer het succes dat haar al zo lang ten deel valt. Hetzelfde jaar koopt ze op Montmartre een kast van een herenhuis dat veel weg heeft van het kasteel van de Schone Slaapster.

Na de scheiding van Lucien Morisse en de verhuizing naar haar nieuwe onderkomen verbreekt Dalida ook haar relatie met Jean Sobieski. Ze neemt een beetje gas terug en besluit haar uiterlijk te veranderen. Ze wordt meer gesoigneerd en gaat als autodidacte steeds meer lezen.
4 augustus 1964 sluit ze haar metamorfose af met het blonderen van haar donkere haar.
3 september staat ze weer in Olympia; op dat moment is ze de meest geliefde zangeres van Frankrijk. Ze heeft de yeahyeah-golf overleefd en staat in het middelpunt van de Europese showbizz. In 1965 zingt ze op melodie van Théodorakis “La danse de Zorba” uit de film “Zorba de Griek”. Opnieuw een succes. Ondertussen droomt ze ervan om weer getrouwd te zijn, helaas dient zich geen kandidaat aan. Haar carrière vergt al haar tijd: optredens, gala’s, plaatopnamen. Eind 1966 wordt haar jongere broer Bruno haar rechterhand. Om carrière technische redenen gebruikt hij sinds die tijd de naam van zijn oudste broer: Orlando. Rosy, hun nichtje, wordt de secretaresse van de zangeres. Alles binnen de familie.

In oktober 1966 wordt ze via de Italiaanse platenmaatschappij RCA in contact gebracht met een talentvolle jonge schrijver/componist, Luigi Tenco. De jonge man, onstuimig en tegendraads, maakt diepe indruk op Dalida. In verband met een nieuwe Italiaanse campagne besluit de platenmaatschappij de zangeres af te vaardigen naar het Festival van San Remo. Luigi verklaart zich bereid het te vertolken lied te schrijven. Tussen de twee artiesten zullen vele ontmoetingen plaatsvinden en er ontwikkelt zich een ware passie tussen hen. Ze besluiten ieder voor zich, maar met hetzelfde nummer “Ciao amore ciao”, mee te doen aan het Festival van San Remo dat in januari 1967 wordt gehouden. De spanning is om te snijden, want Dalida is een ster in Italië en Luigi Tenco een jonge debutant. In familiekring maken zij bekend dat hun huwelijk gepland staat voor april. Helaas eindigt de avond in een vreselijke tragedie. Luigi Tenco, extreem zenuwachtig en onder invloed van kalmeringsmiddelen en alcohol, kan het niet verwerken dat de prijs hem ontgaan is. Hij beschuldigt de jury ervan een commercieel doel te dienen. Vervolgens pleegt hij vol walging en onbegrepen zelfmoord in zijn hotelkamer. Dalida is volkomen overstuur en uit het lood geslagen. Enkele maanden later probeert ze in haar uitzichtloze wanhoop eveneens de hand aan zichzelf te slaan door een grote hoeveelheid slaappillen in te nemen.

Deze ongelukkige periode is wel het begin van een nieuwe episode in de carrière van Dalida, de “periode madonna” waarbij ze gaat optreden gekleed in een lange witte jurk. De toewijding van het publiek is grenzeloos en in de pers krijgt ze de bijnaam Sint Dalida.
De tijd van “Bambino” is definitief voorbij. Ze is in de loop der jaren steeds meer gaan lezen en interesseert zich voor filosofie, de geschriften van Freud en yoga. De verheffing van de geest lijkt van nu af haar grootste levensvervulling. Haar carrière gaat echter gewoon door; ze gaat terug naar Italië om deel te nemen aan een beroemd televisieprogramma en 5 oktober 1967 staat ze weer op de planken van Olympia. Daar viert ze haar wedergeboorte en het wordt zoals altijd een triomf. In het voorjaar gaat ze in het buitenland op tournee en Italië eert haar met de grote prijs van het chanson de “Canzonissima”.
Nog steeds op zoek naar zichzelf onderneemt Dalida diverse reizen naar India om de lessen van een guru te volgen. In dezelfde tijd gaat ze in psycho-analyse. En dat allemaal naast haar zangcarrière die ze absoluut niet vergeet. In augustus 1970 scoort ze haar zoveelste succes met “Darladiladada”. In de herfst komt ze tijdens een televisieopname Léo Ferré tegen en bij terugkomst in Parijs neemt ze van hem het lied “Avec le temps” op.
Ze wil nu alleen nog teksten zingen die, in haar ogen, een diepere inhoud hebben en een poëtische inslag. Bruno Coquatrix, de directeur van Olympia, wilde haar boeken maar heeft geen vertrouwen in haar nieuwe repertoire. Geprikkeld door zijn aarzeling om een datum te plannen, besluit Dalida zelf de zaal af te huren en wel voor drie weken aan het eind van 1971. Lucien Morisse kan haar niet meer bijstaan daar hij in september 1970 zelfmoord gepleegd heeft. Dalida twijfelt enorm aan haar besluit om weer op te treden. Het succes is echter nog groter dan voorheen.

Ze komt Alain Delon weer tegen, een vriend voor het leven, met wie ze in de jaren ’60 een hartstochtelijke verhouding heeft gehad. Beiden zijn niets van deze relatie vergeten en hun onderlinge band is hechter dan ooit tevoren. In 1973 zingen ze samen “Paroles Paroles” en binnen een paar weken staat dit lied nummer 1 in de hitparades van Frankrijk, de rest van Europa en Japan.

Het begin van de jaren ’70 wordt zowel op zakelijk als op persoonlijk gebied een gelukkige periode. Ze lijkt daarbij te worden geholpen door haar nieuwe vriend, een galante ridder met een ietwat vreemd karakter, echter zeer toegewijd aan de zangeres: Richard Chanfray, hij laat zich “de Graaf van Saint Germain” noemen. Hij geeft haar haar levensvreugde terug en ze komt in de fase “hollywoodster” waarbij ze haar vrouwelijkheid benadrukt.
Aan het einde van ’73 neemt ze “Il venait d’avoir 18 ans” op, en scoort daarmee in negen landen een nummer 1 hit. In Duitsland verkoopt ze zelfs 3,5 miljoen exemplaren. Op 15 januari 1974 staat ze opnieuw op het podium van Olympia en aan het einde van haar optreden brengt ze een nieuw lied “Gigi l’Amoroso”. Dit gezongen en gesproken nummer met diverse koren dat 7½ minuut duurt wordt wereldwijd Dalida’s grootste succes: nummer 1 in 12 landen!
Aansluitend vertrekt ze voor een lange tournee door Japan en gaat eind 1974 naar Quebec. Enkele maanden later zal ze er terugkeren na een onderbreking voor concerten in Duitsland.
In februari 1975 ontvangt ze de prijs van de Académie du disque français.
Iets later duikt ze tot ieders verbazing, met alle kracht en in alle schoonheid, daar op waar niemand haar verwacht had: midden in het disco-gebeuren. Haar “J’attendrai version 75” is de eerste franse discohit en Dalida wordt de onbetwiste disco-koningin van Frankrijk.

In de jaren ’70 komt er steeds meer variété op de televisie en Dalida profiteert daar behoorlijk van, ze is een graag geziene gast in zowel binnen- als buitenlandse programma’s.
Ook in de Arabische wereld is ze zeer geliefd, niet in de laatste plaats omdat ze in Cairo geboren is. Dat versterkt ook de band die het publiek met haar heeft. Halverwege de jaren ’70 reist ze door Egypte en Libanon en dit brengt haar op het idee om eens in het Arabisch te gaan zingen. In 1977 is het zo ver, ze neemt een Egyptisch volksliedje op: “Salma Ya Salama”. Eerst wordt het alleen uitgebracht in Frankrijk en het Midden-Oosten. Het succes is echter enorm en uiteindelijk zal ze het in vijf talen op de plaat zetten.
Met “Generation 78” heeft ze zowel de eerste medley als de eerste videoclip op haar naam gezet en daarmee verslaat ze diverse artiesten op hun eigen terrein. Nu is ze de ware showdiva, gekleed in weelderige jurken met pailletten en splitten tot de heup.
Amerikanen zijn dol op dit soort artiesten: glamour en professionaliteit. Ze wordt gecontracteerd voor een show in New York en 29 november ’78 staat ze op het toneel van Carnegie Hall, de zaal gaat compleet uit zijn dak. Deze avond zingt ze voor het eerst “Lambeth Walk” een nummer met een jaren ’20 uitstraling dat meteen door het publiek wordt omarmt. Ook de pers is enthousiast en Dalida geniet van haar Amerikaanse succes.
Als ze terug is in Frankrijk neemt ze in 1979 “Monday Tuesday” op en surft met gemak mee op de disco-golf. In juni gaat ze weer naar Egypte om te zingen. Ze krijgt er een zeer warm welkom van het publiek en ze wordt zelfs persoonlijk ontvangen door president Sadat. Aansluitend gaat ze op tournee door de Arabische Emiraten.

De jaren ’80 beginnen met een waar vuurwerk. Dalida, op het toppunt van haar roem, zet van 5 tot 20 januari ’80 een echte Amerikaanse show neer op het podium van het Parijse Palais de Sport, inclusief 12 kostuumwissels, strass en veren. De ster wordt bijgestaan door 11 dansers en 30 musici. Voor dit grandioze spektakel van ruim twee uur is een choreografie à la Broadway in elkaar gezet; de zaal is laaiend enthousiast en alle 18 voorstellingen zijn tot de laatste plaats uitverkocht. Dalida is hiermee de eerste vrouwelijke ster die deze prestatie levert. Meteen daarna maakt ze tot de herfst een zeer geslaagde tournee door het land.
In 1981, na de zeer pijnlijke scheiding van Richard Chanfray, stort ze zich zoals gewoonlijk met hart en ziel op haar werk om haar chaotische privé-leven te vergeten, waarin ze uiteindelijk altijd weer alleen achterblijft. In maart ’81 herhaalt ze de show uit het Palais des Sports in Olympia. Tijdens de première krijgt ze de eerste diamanten plaat ooit uitgereikt, speciaal voor haar bedacht. Dit om te vieren dat ze meer dan 85 miljoen platen heeft verkocht en om haar te eren voor 55 gouden platen ontvangen voor vertolkingen in zeven verschillende talen, eigenlijk voor alles wat ze in haar loopbaan gepresteerd heeft.
Onvermoeibaar en professioneel gaat ze maar weer op tournee.
De twee volgende jaren worden gekenmerkt door haar stellingname voor de Franse president François Mitterand. Ze krijgt hier behoorlijk kritiek op hoewel haar betrekking meer vriendschappelijk dan politiek is; het schaadt evenwel haar carrière.
Op het album dat ze in 1983 opneemt vinden we de nummers: “Mourir sur scène” en “Lucas”. 20 juli datzelfde jaar krijgt de zangeres een nieuwe klap te verwerken die haar behoorlijk uit haar evenwicht brengt: Richard Chanfray heeft in Cannes een einde aan zijn leven gemaakt. Dalida is zeer aangedaan door de dood van haar vroegere levenspartner en dit beïnvloed ook haar professionele betrokkenheid. Haar naasten bemerken dat haar energie afneemt.
Op verzoek van haar fans gaat ze in 1984 toch weer op tournee en ze reist naar Saoedi Arabië voor een serie recitals. In 1985 moet ze twee zware oogoperaties ondergaan en deze brengen vreselijke herinneringen uit haar kindertijd naar boven.
Ondanks 37 jaar ononderbroken succes heeft ze toch nog tijd gevonden om in enkele films te spelen, ze moet echter tot 1986 wachten voor ze een echte karakterrol te vertolken krijgt. Ze aarzelt niet om zich ouder te laten schminken om de heldin te spelen in Youssef Chahine’s film “Le sixième jour”. Hiermee bewijst ze dat ze naast gelauwerd zangeres ook een zeer talentvol actrice is en ze krijgt een heel goede pers. Maar zelfs godinnen op hun voetstuk van porselein kunnen ten prooi vallen aan zielepijn en zwaarmoedigheid en Dalida vormt geen uitzondering op deze regel. Het begin van het einde van alle uitzonderlijk tragische verhalen heeft zich aangekondigd. Alle jaren van keihard werken hebben haar uitgeput, ze is aan het einde van haar Latijn. Ze voelt zich ook steeds eenzamer en komt tot de conclusie: mijn leven als artieste is dan wel zeer geslaagd, maar mijn leven als vrouw is mislukt. Ze heeft geen echtgenoot, geen kinderen en de jaren beginnen te tellen.

Eens zong ze: “Moi, je veux mourir sur scène…”. Maar overwegend dat het leven haar niets meer te bieden heeft besluit ze in de nacht van 2 op 3 mei 1987 voor eeuwig te gaan slapen.
Ze laat een laatste boodschap achter: “pardonnez moi, la vie m’est insupportable” (vergeef me, het leven is ondragelijk voor me).

Dalida Forever – Copyright © 2010

Avec le suicide on transforme les murs du destin en chemin de la liberté.

Cimetière de Montmartre le 7 mai 1987
Dalida lies in the high area of the Montmartre cimetry. The tomb overlooks Paris.

bron: http://www.dalida.com/us.htm

OH BRUSSEL – MY BRUSSELS!

Apologie voor een curieus misbaksel

‘Een Brussel met bruis/twee Brussels met liefde…’

NOTITIES OVER DE NAVEL VAN EUROPA

door Serge van Duijnhoven

Ivres - Boeken voor Dronkaards. In de etalage van dit immer overvolle antiquarische boekenzaakje in de Hoogstraat stond ook lange tijd de curieuze tekst vermeld, op een bord in de etalage:

Boeken voor Dronkaards. In de etalage van dit immer overvolle antiquarische boekenzaakje in de Hoogstraat stond ook lange tijd de curieuze tekst vermeld, op een bord in de etalage: “Lire c’est pas dangereux!”

‘Brussel, ik min haar fragmenten en haar wonden…’
– Geert van Istendael

deze serie is tot stand gekomen i.s.m. accordeonist en fotograaf Bosz de Kler




Bulletin TV

For her weekly article in the magazine Brussels Unlimited, Rumanian born journalist Ana-Maria Tolbaru spoke with Dutch writer Serge van Duijnhoven who is living as an expat and self declared outcast for twelve years already in Brussels. “Ugliness and beauty live side by side here…”

As Belgium takes on the EU Presidency, Ana-Maria Tolbaru meets 27 Europeans from 27 countries. Pick up the 8 July edition of Brussels Unlimited for more from her interview with Dutch poet Serge Van Duijnhoven.

© Ana-Maria Tolbaru 2010.

For writer, poet, historian and singer Serge van Duijnhoven, the question of when and why he took up his multifaceted career doesn’t make any sense. “It’s not a matter of when I began writing, but a question of when and why the other people stopped being the writers and painters and singers they were when they were children,” he says.

The 39-year-old Dutch author has already published fiction, history and poetry in several languages, as well as launched an art magazine in the Netherlands called MillenniuM. He is a philosopher and a journalist, too, but his overriding passion is, he maintains, music. But where does music fit into all of this?

Van Duijnhoven recites his poems accompanied either by his own band or a jazz artist. His band, Dichters Dansen Niet (Poets Don’t Dance), took off in the late ’90s in The Netherlands and, even though the music may only have a narrow appeal, is still going strong. A fifth album will be out this autumn and there’s no sign of their stopping. “It’s an ongoing process. Through perfect coordination, we manage to put a spell on our audience and captivate them.”

All of which comes very easily to Van Duijnhoven. He unpretentiously weighs his every word, because, just as in his poems, his ideas are loaded with meaning, experience and knowledge. He lives in a house in the Marolles, with a wild, almost exotic garden. He shows me his huge collection of books. “Here,” he says, picking out a volume. “This is one I wrote just after I came back from the Bosnian war [where he was embedded in the army as a war journalist].” He also owns a vast number of CDs and records, because for him, literature needs music to be complete. “I use music because I want to express myself. I realised that words have limits and feelings are deeper than words, because feelings are endless,” he says.

Although he gives concerts and writes as a journalist in both the Netherlands and Belgium, Van Duijnhoven says he lives a “secluded” life – a way of life which he prefers. “I live as an outcast, but the peacefulness that this gives me is essential for my writing.” When he wants to put his pen down and go out, he heads to Recyclart on Rue des Ursulines (www.recyclart.be), Café Lord Byron (8 Rue des Chartreux), whose owner has got “a great sense of aesthetics” or the South Station market, where he “smells all the fragrances of the Mediterranean”. His favourite place, however, is the Royal Museum for Central Africa, in Tervuren (www.africamuseum.be). “I take tram 44 to get there and feel like I’m in a short story by Emile Zola. It’s like stepping into a time machine.”

But these are Van Duijnhovens’s only distractions. He tries not to clutter up his life with humdrum routine. “In Amsterdam my diary was too packed, to the point that I needed to escape and gasp for air, I wanted some time to reflect.” He has now spent half his life in Brussels. “This city is wonderful, but there’s also plenty of grim poverty and there are many people who don’t care about anyone else except themselves. Ugliness and beauty live side by side here.”

However, he still prefers Brussels to The Netherlands, because here he can lose his identity and become just the writer and performing poet that he is. He also likes Brussels for its very individualistic kind of beauty: “If you agree with Lautréamont’s Surrealist definition of beauty as ‘the chance coming together of a sewing machine and an umbrella on an operating table’, then you will find Brussels a very fine city to live in.”

– source:

http://anamariameets.eu/?p=178

published July 9th 2010

also: the 8 July edition of Brussels Unlimited, p.7

the video with the interview can be viewed at the following sites:

http://www.xpats.com/home

http://www.anamariameets.eu

http://www.youtube.com/watch?v=J7uK21bEEwQ

ROOK DOET LEVEN!

(c’est la brume qui fait la musique)
Au Laboureur, 108 Vlaamsesteenweg Bruxelles
http://www.thefishcaravan.com/contact.html

Serge R. van Duijnhoven (1970) is Brabander, Brusselaar en Marollien. Insomniac, epicureër, nachtbraker. Voormalig oorlogsverslaggever, Hollander en nachtreceptionist. Debuteerde in 1993 met de dichtbundel Het paleis van de slaap (Prometheus). Frontman van het muziekgezelschap Dichters dansen niet. Serge is medewerker van Vrij Nederland. Tevens was hij “Onze Man in Cannes” voor de culturele website van de VRT: http://www.cobra.be. In café Kafka draaide Serge in 2006/7 een jaar lang – tussen het pinten tappen door – platen tot het ochtendgloren. Vlaamsgezinde Belgen met vooral veel dorst, hebben er naar het schijnt een trauma aan overgehouden. Philip van The Fishcaravan geeft Van Duijnhoven een eenmalige kans om zich te rehabiliteren binnen de Vijfhoek als muzikale schuinsmarcheerder met een ongeneeslijke voorliefde voor het Franse luisterlied.

Serge in de Kandelaarsstraat

Serge in de Kandelaarsstraat. Fotograaf: Krystof Ghyselinck


,,NE STAD Mè NE SMOEL!”

Teksten: Lex Kloosterman

© De Standaard – dinsdag 1 augustus 2006

BRUSSEL. ,,Ne stad mè ne
smoel!” Zo noemde de Nederlandse
dichter Serge Van
Duijnhoven onze hoofdstad op
de eerste pagina van zijn plakboek
over Brussel. Hij woont
er nu bijna zeven jaar en voelt
er zich thuis. Meer dan in Nederland,
meer dan in zijn geboorteplaats
Oss en veel meer
dan in Amsterdam, de stad
waar hij studeerde.
,,Ik woon in Brussel omdat ik
hier wil wonen”, benadrukt
Van Duijnhoven terwijl we in
de keuken van zijn huis in de
Marollen zitten. ,,De stad geeft
me een gigantische levensappetijt
en inspireert me alle dagen
— en nachten!”
,,Brussel is België in een notendop.
Maar dan wel een notendop
die ruim een miljoen bewoners
telt. Het is geen mooie
stad, ook niet zomaar een lelijke
stad, veeleer een prachtig en
weids misbaksel met negentien
geledingen, koppen en een oneindig
aantal harige poten.
Brussel is even artificieel, hybride,
gelaagd, contradictorisch,
problematisch en boeiend
als België. Het is geen makkelijke
stad, geen stad die haar
bewoners met open armen
ontvangt.”
Om te bewijzen dat hij het allemaal
meent, toont Van Duijnhoven
een gedicht dat hij lang
geleden schreef, ,,Een leven op
twee plaatsen’’. Het gaat over
Amsterdam en Brussel en staat
in zijn eerste dichtbundel, Het
paleis van de slaap, uit 1993.
Hij leest het plechtig voor. ,,Ik
was toen al gefascineerd door
Brussel”, vertelt hij erbij. ,,Ik
wilde naar België. Tien jaar geleden
kon ik via vrienden een
huis in Gent krijgen. Ik ben
drie jaar verliefd geweest op die
stad, maar toen was dat ook
over. Dingen worden gewoon
als je ergens te lang woont.”
,,Maar voor Brussel voel ik een
gedurige liefde. Ik kan van de
stad gewoonweg niet genoeg
krijgen, omdat ik weet hoeveel
straten, pleinen en personen er
zijn die ik nog altijd moet ontdekken.
Brussel heeft iets dat
me het gevoel geeft thuis te komen.”
Dat hij al is bestolen en zelfs is
neergeschoten met een luchtdrukpistool,
heeft zijn mening
over de stad niet veranderd.
,,Brussel heeft ook scherpe
randjes, er is sprake van gettovorming.”
Een bende van zestien
man viel hem aan, drie kogels
bezorgden de dichter een
schedelbreuk. ,,Maar daar
moet je niet over zeuren, je
kiest er zelf voor om in een stad
als Brussel te wonen. Het zoete
is mooi, het bittere krijg je erbij.”
Hij zegt geleerd te hebben
om alert te zijn. Zijn motto:
,,The readiness is all”, van Shakespeare.
Shakespeare bood hem troost
in de moeilijkste periode van
zijn leven. In 1998 werd Van
Duijnhoven slachtoffer van
een auto-ongeluk. Zijn beste
vriend, de journalist Joris Abeling,
overleed daarbij. ,,Ik heb
behoorlijk in de kreukels gezeten.
Ik heb lang moeten revalideren
en heb er een trauma aan
overgehouden. Financieel
raakte ik in de problemen, vorig
jaar heeft een deurwaarder
zelfs alles meegenomen. Gelukkig
heeft een goede vriend
toen mijn boeken opgekocht.
Het ging zeven jaar slecht met
me, maar nu heb ik eindelijk
het gevoel dat het weer goed
gaat.”
Hij laat een boek van Shakespeare
zien, met complete vertalingen
en inleidingen van
Willy Courteaux, volgens Van
Duijnhoven ,,een grootheid”.
,,Ik moest me opnieuw bezinnen
en Shakespeare gaf me
daarbij kracht. Zijn levenswijsheid
is schitterend. Het is het
mooiste boek dat ik bezit.”
We lopen in zijn werkkamer
langs de goedgevulde boekenkast,
terwijl hij vertelt over zijn
inspiratiebronnen. Over Shakespeare,
Arthur Rimbaud,
Léo Ferré, Hugo Claus. Allen
beïnvloedden ze zijn oeuvre.
Zijn eerste werk kwam uit toen
hij 23 jaar was. Kenmerkend is
zijn combinatie van muziek en
poëzie.
,,In de literaire wereld sta ik bekend
als degene die altijd de
poëzie naar de muziek wil trekken.
Voor mij zijn beide altijd
verbonden geweest. Ik vind dat
er een enorm braakland bestaat
tussen de elitecultuur en
de populaire cultuur. Het grote
probleem is eigenlijk dat literatoren
mijn albums al gauw te
populair vinden, terwijl ze
voor festivals soms weer te intellectueel
worden bevonden.
Maar voor mij zijn de muziek
en de poëzie twee natuurlijke
partners.”
We lopen door de Marollen, op
weg naar boekhandel Bolle en
café Kafka, twee geliefde plaatsen
van de dichter. De eigenaar
van de boekhandel is de eerder
genoemde vriend die de boeken
van Van Duijnhoven opkocht,
Joris De Bolle. Iedere
maand organiseert Van Duijnhoven
samen met hem een literaire
avond in de boekhandel,
waarop telkens twee schrijvers
te gast zijn.
Ook het café probeert de dichter
,,nieuw literair leven in te
blazen”. Hij staat er drie avonden
per week achter de bar en
draait er zoveel mogelijk de poezie
en muziek waar hij van
houdt. En hij organiseert er exposities
en optredens van dichters
en muzikanten. ,,Mijn corvee
in Kafka zie ik als een typisch
Brusselse queeste om het
onverzoenbare lelijke en schone
bij elkaar te brengen.”

Van Duijnhoven vindt het een
groot voordeel dat hij in Brussel
met zowel de Franstalige als
Nederlandstalige cultuur in
aanraking komt. ,,Het is een
frontlijn tussen beide culturen.
En ik wil me laten voeden door
allebei, dus daarom woon ik
hier graag. Brussel is het enige
stukje België in België.”

fotograaf: Bosz de Kler - september 2009 op het Vossenplein

Plekjes die Van Duijnhoven na aan het hart liggen: het Afrikamuseum…

■ Quote
,,Brussel is een surrealistische
mengeling
van het mooie en
het lelijke”

■ Wat is inspiratie?

1. Hugo Claus. ,,Een grote
bron van inspiratie. Voor mij is
hij de belangrijkste schrijver van
de Nederlandse letteren, omdat
hij ontzettend veelzijdig is. Het
benijdenswaardigste in zijn
boeken is het schijnbare gemak
waarmee dingen geschreven en
gemaakt zijn. Tussen neus en
lippen door. Je ziet altijd de
hand van de meester in zijn
werk. Hij is de Michelangelo
van de Nederlandstalige literatuur.”

2. Léo Ferré. ,,Op de middelbare
school bracht mijn docent
geschiedenis ooit een platenspeler
mee om een plaat te draaien
van een Franse zanger genaamd
Léo Ferré.

Een man met een
knarsende, bijtende stem, geen
zoetgevooisd gezever van een
Angelsaksisch popengeltje, maar
het rokende vitriool van een opstandige
Lucifer die zichzelf begeleidde
op de piano. Als ik die
plaat toen niet gehoord had, dan
was ik vermoedelijk geen schrijver
geworden. Met Ferré brak
het slot op mijn geharnaste bewustzijn.
Vanaf toen ontdekte ik
de literatuur en de dichters die
hij op muziek had gezet.”

3. Arthur Rimbaud. ,,Met
die dichter is het allemaal begonnen.
Ik ben op zijn spoor gebracht
door Ferré, die hem op
muziek had gezet. Rimbaud
heeft voor mij de horizon van
wat er allemaal mogelijk is in de
letteren, een heel eind verder geschopt.
Hij is vergelijkbaar met
de Nederlander Lucebert. Hij
kan taal loskoppelen van de werkelijkheid
en de syntaxis. Via
hem ben ik andere poëzie gaan
lezen. Zijn werk is als een berg
die je steeds opnieuw wilt beklimmen,
en die hoe dan ook
een raadsel blijft. Van Une saison
en enfer kan ik bijvoorbeeld
niet genoeg krijgen. ‘Il faut
comprendre une femme ou
l’aimer.’ Je kunt niet allebei. De
dingen waar je echt van houdt,
zul je nooit helemaal kunnen
begrijpen.”

4. William Shakespeare.
,,De grootste aller tijden. Vooral
Hamlet heeft me veel kracht en
troost geboden in tijden van
persoonlijke nood. Nadat mijn
beste vriend Joris was
overleden, heeft Shakespeare
me erdoor geholpen. De dood is
voor als je oud bent, dacht ik
toen. Maar je moet er klaar voor
zijn; als het komt, dan komt het.
The readiness is all.”

5. Ali Haurand. ,,Haurand is
een Duitse contrabassist, die
werkte met Jacques Brel.

Het
ontroerende lamento No more
chains klinkt zowel monter als
triest, schertsend als snikkend.
Het is een pure levenskreet en
jammerklacht ineen. Dit nummer
is voor mij een grote bron
van inspiratie geweest.” Van
Duijnhoven maakte ooit een
tour met de contrabassist door
Rijnland Westfalen en het klikte
goed tussen de twee. Op de nieuwe
cd van zijn formatie Dichters
Dansen Niet, Klipdrift, staat een
versie van No more chains,
waarvoor hij samenwerkte met
Haurand.

■ Bio

● 1970: Geboren in Oss,
Nederland.
● 1989: Gaat geschiedenis
studeren in Amsterdam.
● 1993: Debuteert als
dichter met Het paleis
van de slaap en richt het
tijdschrift Millenium op.
● 1995: Zijn eerste roman
wordt gepubliceerd, Dichters
dansen niet. Werkt als
verslaggever voor De
Morgen en De Volkskrant
in Sarajevo.
● 1997: Van Duijnhoven
is een van de oprichters
van de formatie Dichters
Dansen Niet, die poëzie
en muziek combineert.
Publiceert Eindhalte
fantoomstad en een jaar
later Obiit en Orbit – aan
het andere eind van de
nacht, poëziebundels met
een bijgevoegde cd.
● 1999: (Balkan) Wij
noemen het rozen komt
uit, een verzameling nonfictieverhalen
en reportages
over de Balkan. Het
boek komt op de longlist
van de Gouden Uil 2000.
● 2003: Bloedtest; dichtbundel
met cd.

■ De ultieme hallucinatie

Eén Brussel met bruis, twee
Brussels met liefde. Dat is de
voorlopige titel van het fotoboek
over Brussel waar Van
Duijnhoven aan werkt. De titel
verwijst naar ,,Bruxelles” van
Jacques Brel: ,,C’était au temps
où Bruxelles bruxellait”.
Een fragment: ,,Volgens velen
is Brussel een lelijke of ronduit
monsterlijke stad, het waterhoofd
van een Siamese tweeling.
Maar in plaats van als een
onooglijk samenraapsel, kan
men Brussel ook zien als een
soort surrealistische collage
van onwerkelijke combinaties
die in het dagelijks leven op elkaar
zijn geplakt. Wie zich kan
vinden in Lautréamonts omschrijving
van schoonheid —
de toevallige samenkomst van
een paraplu en een naaimachine
op een operatietafel — heeft
in deze stad niets te klagen.”
De ,,Brussels’’ in de titel verwijzen
volgens Van Duijnhoven
naar de pluriformiteit van
de Belgische hoofdstad, met
haar negentien deelgemeenten,
talloze nationaliteiten en
twee talen.
,,Brussels is a city of multitudes,
de multilinguïstische navel
van het voortvarende continent
Europa.‘Brussels’ verwijst
daarnaar, maar ook naar het
Engels, dat vanwege de diplomatieke
functie van de stad zo
alom aanwezig is. ‘Brussels’
dekt de lading beter dan ‘Brussel’.”

Guppie de Gek

Serge voor de etalage van nachtbar Goupil le Fol – Violettenstraat.

Bij deze schemerige nachtbar met jukebox vol Franse chansons van Brel, Ferre, Brassens en Gainsbourg, blijft SvD jaar in jaar uit, nacht na nacht terugkeren. De nurkse, gierige eigenaar met de baard en zijn gemene streken neemt hij er maar voor lief bij. Goupil le Fol heet het etablissement in de Violettenstraat om de hoek bij de Grand Place. Guppie de Gek. Het interieur binnen is een soort van rariteitenkabinet met talloos veel snuisterijen die uiting geven aan de patron’s liefde voor Belgie, de vrijheid en het chanson. Gecraaqueleerde vinylplaatjes bungelen in hun hoesjes omgekeerd aan touwtjes aan het plafond. Er zijn wel twintig hoekjes en plekjes waar bezoekers zich gerieflijk en desgewenst teder kunnen terugtrekken op zowel de begane grond als de eerste verdieping. Gegarandeerd dat er iedere keer dat u er komt een nieuwe jonge ranke dame de fruitwijnen van eigen makelij komt uitserveren. Blauwbaard Goupil heeft er een gewoonte van zijn vrouwelijk personeel sneller op te gebruiken dan ze naar het arbeidsbureau kunnen hollen. Gelukkig is er die zalige, heerlijke en nergens anders nog vindbare muziek die er voor een paar munten uit de Wurlitzer tevoorschijn getoverd kan worden. La Memoire et la Mer van Ferre, Nantes van Barbara (die om de hoek heeft gewoond), La decadanse van Gainsbourg, L’anniversaire van Aznavour, etc. etc.. Blauwbaard Goupil ziet vanuit zijn verstelbare leunfauteuil met ingebouwde transistortelevisie uit het koloniale tijdperk van Koning Boudewijn waarin alles nog geruststellend zwart-wit mocht zijn, uiterst streng en nauwlettend toe op de financiele transacties waarmee klanten bij de gratie van des patron’s humeur en achterdocht, aan het einde van de nacht hun vrijheid en wijsheid af dienen te kopen in deze mythische bistro de nuit. Zo niet: dan gaat hun kop eraf en bungelen de lokken de volgende avond in sombere krulfiguren naast de veelal gebarsten plaatjes die de hemel van dit schimmenrijk bevolken.
Fotograaf van deze foto is vanzelfsprekend Bosz de Kler – wiens in 2006 geboren zoontje niet voor niets luistert naar de naam Sjakie. Naar – u raadt het al – Jacques Brel.

Apologie voor een curieus misbaksel
‘Een Brussel met bruis/twee Brussels met liefde…’

‘Brussel, ik min haar fragmenten en haar wonden…’
– Geert van Istendael

als het regent in Parijs druppelt het
uit deze ooghoek van Europa, het ballingsoord
waar ik mij thuisvoel als Hollandse barbaar
tussen de niet-bestaande Belgen

een noordse Brabander wandelend
en slapend op de breuklijn
terwijl de aarde zachtjes trilt
en de lucht verschiet

oorlog, nee die komt hier niet
daarvoor is niemand bang
geen barricades, sluipschutters
en schuttersputjes, wel een notelaar

die in het vroege voorjaar al in bloei staat
achterin de Leekesgang, bloesems der
verscheidenheid voor wie verkiest
te wonen in een huis dat vluchtig is

en vreemd als het gefilterd licht
uit kinderdromen, is deze stad
geen sprookje of bestemming
maar vervolg van het bronzen ketje

dat pist naar de schrijn van verdriet
op de trap van het palais de justice
focus. inventie. artefact. c’est quoi
la Belgique! een prachtige faux pas

ontstaan tijdens een wals
in Weense balzalen. Lautréamont
omschreef schoonheid als de toevallige
samenkomst van een parapluie

en een naaimachine op een operatietafel.
op die manier behoort dit woonoord tot de knapste
concepten zijn, zegt men, mentale beelden
gevoel is een manier van kijken

Brussel een manier van leven

uit: Bloedtest (De Bezige Bij 2003) p.63

Liedje: ‘Le Marseillaise Marolienne’

Waaile zaain Maroliens gebaure
En van de doche giene schrik
Teghe ons zaain ze verlaure
Wemme ginn woupes, we smijte me ne chik
Haaft aale stil, ik uur ze ghinder komme
Sloug iene de kop
Me iene gooie staul
Oem den ander ne blous op zen smaul
Haaft aale stil, ik uur ze ghinder komme
Aux armes citoyens, formez vos bataillons
Marchons, marchons, blaave ne mi stoun
Mijn leek es gedoun

Ik keer terug thuis, na een lange buitenlandse reis, in pikkedonker. Het licht op straat is uitgevallen, en ook in het trappenhuis en de rest van mijn woning in de Marollen, laat de electriciteit het afweten. Buurtbewoners dragen kaarsen aan, en maken van de nood een deugd door er meteen maar een romantisch avondje van te maken en dicht bij elkaar te kruipen. Zachte gouden schijnsels flakkeren achter de ramen, en blijkbaar ben ik niet de enige die zijn goede humeur niet van slag laat brengen door een hapering in de voorzieningen van de firma Electrabel. Ik voel me goed. Ik voel me op mijn gemak. En meer: want ook al ben ik officieel een van die vele vreemdelingen met een buitenlands paspoort die niet in Brussel is opgegroeid en er zelfs geen familie heeft wonen, het is hier in Brussel dat ik me thuisvoel. Meer dan in mijn eigen land Nederland. Zelfs meer dan ik me ooit gevoeld heb in mijn geboortestreek aan de Maas in Noord-Brabant. Al moet ik toegeven dat het van Noord-Brabant naar Vlaams-Brabant nu ook weer niet zo’n grote stap is. Toch horen mensen het meteen aan mijn accent: ik ben een kesekop. Een ‘dikke nek’ uit het noorden. Maar mijn keuze om me in Brussel te vestigen is er een van vrije wil, en anders niets. Ik woon hier, omdat ik hier wil wonen. Omdat mijn beroep (schrijver) niet plaatsgebonden is en een schrijver (in de definitie van Gerard Reve) weinig anders is dan een kleine zelfstandige ondernemer ‘die zijn winkeltje op zijn rug draagt’, hoefde ik me ook niet te laten weerhouden door allerhande factoren die voor de meeste mensen toch als een soort onwrikbare parameters worden opgevat, als limieten die niet enkel door het onbetekenende toeval zijn bepaald maar door iets wat het arbitraire overstijgt. Een onverdraaglijke gedachte, het leven als iets dat van enige bestemming, nut of vooropgezet plan verstoken is! Vandaar dat de meeste mensen het verkiezen om hun bestaan in ieder geval de schijn mee te geven van een of ander doel en doen ze alles waarvan ze vinden dat het van hen verwacht wordt; zo springen ze efficient met hun tijd om en maken ze carriere en doen ze aan familieplanning en leven ze hun leven alsof er een alomvattend bestemmingsplan dient te worden gerealiseerd.

Pachecolaan Brussel

Volgens velen is Brussel een lelijke of ronduit monsterlijke stad, het waterhoofd van een Siamese tweeling. Maar in plaats van als onooglijk samenraapsel, kan men Brussel ook zien als een surrealistische collage van onwerkelijke combinaties die in het dagelijks leven op elkaar zijn geplakt. Wie zich kan vinden in Lautréamonts omschrijving van schoonheid (zie het gedicht aan het begin van deze apologie; ‘schoonheid als de toevallige samenkomst van een parapluie en een naaimachine op een operatietafel’), heeft in deze stad niets te klagen.

Brussel is Belgie ten voeten uit, op en top, en in een notendop – zogezegd – maar dan wel een notendop die ruim een miljoen bewoners telt. Geen mooie stad, evenmin enkel en alleen een lelijke stad, eerder een prachtig en wijds misbaksel met negentien geledingen, koppen en een oneindig aantal harige poten. Brussel is even artificieel, hybride, gelaagd, contradictorisch, lelijk, schitterend, chaotisch, problematisch en boeiend als het land waar het de hoofdstad van is. Geen makkelijke stad ook, geen wezen dat zich gemakkijk bloot geeft of haar bewoners met open armen ontvangt. Toch voel ik me hier meer dan elders op m’n gemak. ‘O Brussel ik min uw fragmenten en uw wonden’, schreef Geert van Istendael – eigenlijk de enige echte ‘Belg’ (dus niet Vlaming of Waal) die ik ken. En deze schrijver heeft dan ook een goed deel van zijn vroege jeugd als Belgisch emigrantenjong in Utrecht doorgebracht, om naar deze gespleten stad met zeven heuvels aan de gedempte Zenne terug te keren toen hij alweer bijna volgroeid adolescent was.
‘Brussel benadert de schoonheid van Praag niet eens, maar zou ik wel zonder de Brusselse lelijkheid kunnen leven?’ vraagt Van Istendael zich af zijn boek Arm Brussel dat onlangs bij uitgeverij Atlas is herdrukt, en dat ik deze zomer nietsvermoedend had gekocht en al lezende tot mijn eigen verbazing ontdekte dat ik zelf deel uitmaak van het specifieke stadsplan dat de schrijver bij zijn breed uitwaaierende vertelling hanteert… toch vreemd om je naam plotseling aan te treffen temidden van al die historische en architectonische wetenswaardigheden; in Gent woonde ik nog incognito, tot mijn genoegen overigens want incognito wonen geeft een heerlijk gevoel van ‘spijbelen’, van stiekem vrijaf nemen en verstoken zijn van al teveel verplichtingen. Het leven ‘incognito’ – ik stond bv. nergens officieel ingeschreven – was een leven dat bol stond van de mogelijkheden maar nog niet helemaal serieus was te nemen, minder definitief en ‘lichter’ op de wijze dat Kundera lichtheid beschrijft in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Als incognito in Gent had ik op de een of andere manier het gevoel dat de tijd er niet vol meetelde, en dat bij de eindbalans die ooit zou komen die gloedvolle jaren niet op het totaal in mindering hoefden te worden gebracht… een illusie natuurlijk, maar zo voelde het wel.
… hier (in Brussel) ben ik overal ingeschreven, ik ben officieel ingezetene, alles ‘zoals het hoort’, mijn situatie is ‘bestemd’ geworden, en ook gekend – zie de vermelding in het boek van Van I. waarin ik net als Oscar van den Bogaard sta aangeduid als ‘die uit Nederland verkaste schrijver’ die in de Belgische hoofdstad is neergestreken, meer specifiek de Marollen, de wijk van waaruit ‘de verzen uit Van Duijnhovens veder vloeien’ (het staat er echt!, p.204) …. En ook al moest ik smakelijk lachen toen ik die zin las met dat heerlijk oubollige woordje ‘veder’, tegelijkertijd besefte ik op dat moment pas echt dat die incoginito-periode behoort tot het verleden… en daarmee ook toch een petit peu ‘fini de rire’ en voorbij le temps de ma bohème, de tijd van het losvast, a l’improviste, het leven als een potloodschets met lijnen die te allen tijden kunnen worden weggegumd of overgekrast… de heerlijke vrijblijvendheid van dat gespijbelde leven in between – heeft plaatsgemaakt voor een bestaan dat serieuzer is, bestemder, getuige ook alle post en rompslomp wb belastingen, sociale lasten en statuten, notarisakten, verblijfs&werkvergunningen. het potlood is terzijde, het penseel is sedert ik in Brussel woon gedoopt in inkt, acryl, olieverf – dat zou je natuurlijk kunnen zien als een vooruitgang, zo van: in plaats van schetsen maak ik nu ‘echt werk’ waarvoor hogere tarieven gelden, maw ik ben opgeklommen naar een hogere schaal… maar meer inkomsten betekent ook meer tax, meer sores, het betekent dat het leven minder licht is, minder gemakkelijk en soepel en onbevangen, gerieflijker allicht maar uiteindelijk ook minder wendbaar en spannend dan toen niets nog vast leek te liggen en de klei nog lekker nat en kneedbaar was. Ook al ga ik mijn verantwoordelijkheden beslist niet uit de weg, alleen van een ‘vooruitgang’ kun je bij het verlies van al dat kostbaars, al dat jeugdigs en waardevols op immaterieel gebied, toch niet meer spreken? Het is een gemengd verhaal – en het valt te bezien of ik nu beter af ben dan toen. Het hangt ervan af waar je kijkt, welk aspect je beziet. Wat gemeente betreft ben ik er zeker op vooruit gegaan, ik geniet van elke dag dat ik hier woon, echt waar.
Mijn drie jaren in Gent (96-99) zijn me goed of zelfs heel goed bevallen; de stad is een wonder van pittoreske schoonheid en studentikoze knusheid, maar op gegeven moment begin je temidden van al die ‘schattige’, historische en goeddeels van autoverkeer ontdane steegjes toch echt de minder zoetsappige, ietwat gemene geest van een grootstad te missen. Bovendien is Gent in 1999 bij de verkiezingen van juni zo onaangenaam zwart geblakerd (het Vlaams Blok werd er nipt de grootste, ex aequo de socialisten), dat het er sindsdien alleen nog aangenaam toeven is voor wie politiek zijn kop in het zand steekt. ………………..
Dan is deze verhakkelde stad die zich bevallig de hoofdstad of zelfs ‘navel’ van Europa laat noemen (het ‘Delphi’ van de EU) maar dat zelf zelden of nooit doet, oneindig opener van geest, veelzijdiger, gelaagder, gecompliceerder, minder bekrompen, moeilijker en boeiender. Zo hybride als deze curieuze hoofdstad van dit surreele land – sommigen zullen zeggen: zo schizofreen; en vergelijken het met het waterhoofd van een Siamese tweeling – ken ik er geen. Brussel is in vele opzichten een lelijke opengebarsten puist van bijtende, schurende of vloekende contrasten (Art nouveau-monumenten en stinkende fabrieken, verlaten koninklijke paleizen en verpauperde wolkenkrabbers, krotwijken en villaparken, koppige Vlamingen en arrogante Franstaligen, verheven Eurocraten en proletarische Brusselaars wier wieg en bestemming allerminst Europa is, de broeierige facilitaire randgemeenten en de bruisende vitamine c-politiek van de federale overheid) maar de surreele schoonheid die ondanks of wellicht juist vanwege alle bacteriele vuiligheid hier en daar aan de oppervlakte komt, is zo overrompelend en uniek dat je de miserabele rest er graag bij neemt. In plaats van als onooglijk samenraapsel, kan men Brussel ook zien als een surrealistische collage van onwerkelijke, vreemde, gruwelijke combinaties die in het dagelijks leven op elkaar zijn geplakt. Wie zich kan vinden in Lautréamonts omschrijving van ‘schoonheid als de toevallige samenkomst van een parapluie en een naaimachine op een operatietafel’, heeft in deze stad in elk geval niets te klagen. Ik kijk hier iedere dag – en nacht – mijn ogen uit.
Neem vandaag, zelfs op deze dinsdag in februari; met een lucht van stralend blauw kristal, een koude winterdag en hemel met de kleur van lapis lazuli, die (als ik uit het raam kijk) zich dreigend verheft boven die met laken ingepakte, verbazingwekkend hoge koepel (ruim 200 meter boven het nulpunt van de stad) van het justitiepaleis; een verfrommeld cadeautje lijkt het wel die ingepakte koepel, een verfomfaaide kabouterpuntmuts op de kop van een tot steen betoverde reus; maar hoe verpak je in hemelsnaam het letterlijke toppunt van neoclassicistische, neobabylonische, neo-egyptische pompeusiteit uit het protserige Europa van weleer? De climax van dat buitenproportioneel volumineuze gebouw dat gewijd is aan Vrouwe Justitia, de megalomane kolos die bewust nog een kwartmaat groter is gebouwd dan het toch al onbevattelijke Vaticaan? Echt waar, geen geintje, een scheut van 25% groter dan het Vaticaan! zo opgeblazen is dus dat alle maten tartende palais de justice in de schaduw waarvan ik woon! Toenmalige bewindslieden, zoals minister van justitie Bara, had dan ook als doel voor ogen dat het justitiepaleis niet alleen het ‘mooiste’, nee – le seul du XIXsiecle moest worden. De architect van het gigantische monster, Poelaert, is tijdens de bouw nog vervloekt geweest door een ‘heks’ uit de Marollen – een alleenstaande vrouw vol haat die het niet verkroppen kon dat ze zo bruut uit haar huisje op de galgenberg werd gedreven, en plaats moest maken voor dat megalomane bouwprojekt dat de oude, schilderachtige volksstraatjes zonder pardon verpletterde als een nietig mierennest dat werd platgestampt onder de zolen van een ziedende olifant. De toverspreuken van het booswicht zijn niet zonder gevolg gebleven, want architect Poelaert werd krankzinnig verklaard nog voor het gebouw helemaal was opgeleverd en eindigde zijn dagen vastgeketend aan een bed in een gekkengesticht. De hoofdstad bleef opgescheept met de erfenis van zijn magalomane aandoening… en eerlijk is eerlijk, zo onverteerbaar is het overblijfsel van Poelaerts kwalen ook weer niet… veel grijze kantoorflats verstoren het stadsbeeld ziekelijker. Het paleis kun een mens gerust verdragen; ik ga altijd joggen op het versteende en geasfalteerde onderlichaam van de mastodont. zigzaggend de galgenheuvel op, en met zevenmijlspassen de heuvel af…. sprintjes trekkend langs het miserabele schrijn voor de vermiste kinderen op de grijze trappen bij de hoofdingang, dat onbeholpen monument van wanhoop en onbehagen, en een en al kleinmenselijk verdriet, aandoenlijke memorabilia, verregende papieren, vlekkerige bidprentjes, blijken van medeleven, familiekiekjes, kindertekeningen,verlepte bloemen van wanhoop en onbegrip… La Belgique de tous ces cotes… triste et fier et – silencieusement – dans un etat de rebellion plus ou moins permanente. Een land van geboren anarchisten, die face to face geen grote bek geven tegen de nazaten van de vele volken die hen met veel bombarie en dwang zijn komen onderdrukken, maar ondertussen precies doen wat ze zelf willen. Ritselaars, foemelaars, egoisten ook wel, en (helaas) koppige & boertige lieden die het overduidelijk niet op buitenlanders hebben begrepen; op Nederlanders evenmin als op Marokkanen, Koerden of ‘makakken’ (zwarten, lett: ‘apen’). Ik heb je ooit al verteld, geloof ik, hoe ik begin 1999 een telefoontje mocht ontvangen van Lukas H., producer van de Vlaamse Radiozender (toen nog VRT 3 geheten; nu KlaRa (klassieke en culturele zender), die meldde dat ik niet was aangenomen als filmrecensent voor het cultuurprogramma De Kunstberg omdat ik `te Hollands klonk’. L.H. voegde er de merkwaardige constatering aan toe `dat hij dit niet racistisch bedoelde’. Hoe dan wel? Toen ik het twee jaar later opnieuw probeerde kreeg ik hetzelfde te horen: ‘uw praatjes zijn mooi, maar u klinkt te Hollands…’ Vrienden raden me inmiddels aan, om een zacht soort van Vlaams accent te kweken, want zodra een Vlaming ‘Hollander’ bespeurt, gaan zijn nekharen recht overeind staan en klappen zijn flaporen dicht.
‘Maar allee, we meuge nie kloage’, om met de ouders van Louiske Hoeks te spreken – een jeugdvriend van me uit Berghem (bij Oss)… ‘we meuge nie kloage…’ Het gezin Hoeks bracht de zomer gewoontegetrouw door in een vakantiehuisje op de camping in Schaijk (12 km van Oss), en ook al regende het daar geregeld dagenlang of in een geval zelfs twee weken aan een stuk, iedere reden tot lamentatio werd bij voorbaat de kop ingedrukt met die deemoedige bezweringsformule uit het Oost-Brabantse heartland: ‘we meuge nie klaoge’ – soms ook verklankt met die typische dubbele ontkenning die zuiderlingen eigen is (net als Zuid-Afrikanen, ook zuiderlingen nietwaar): ‘we meuge nie klaoge nie…’ (Waarop de vader of moeder van Louis dan hoofdschuddend antwoordde: ‘klaoge? nej, da meuge we nie…’)

fotograaf: Philou

Elke keer weer, sta ik ervan versteld hoeveel Vlamingen bang zijn voor Brussel of er ronduit een hekel aan hebben. Zelfs progressieve theatervrienden vinden deze stad te min, goor en gevaarlijk om er hun kinderen op te voeden. De Vlaming woont eigenlijk alleen graag ‘op de buiten’, in het verkavelde landschap tussen koeienweide, asfalt en meubelboulevard, en in de beschermende nabijheid van een kerktoren.
Brussel heeft vele minder leuke kanten, dat zie ik ook wel – en heb ik afgelopen voorjaar aan den lijve ervaren toen ik door een bende Marokkanen hier in de Hoogstraat het ziekenhuis in geslagen en geschoten ben – met een schedelfraktuur en hevig bloedend uit diverse wonden. maar dat is een ander verhaal, dat niet zozeer met Brussel als wel met het probleem van Marokkaanse schoffies & de Marokkaanse gemeenschap tout court, te maken heeft.
Ook voor de lelijkheid van de stad kan niemand blind blijven. Brussel is in vele opzichten een lelijke opengebarsten puist van bijtende contrasten (Art nouveau-monumenten en stinkende fabrieken, verlaten koninklijke paleizen en verpauperde wolkenkrabbers, krotwijken en villaparken, koppige Vlamingen en arrogante Franstaligen, verheven Eurocraten en proletarische Brusselaars wier wieg en bestemming allerminst Europa zijn, de broeierige facilitaire randgemeenten en de bruisende vitamine c-politiek van de federale overheid) maar de schoonheid die ondanks alles door alle bacteriele vuiligheid heen schemert is zo overtuigend en vooral ontwapenend dat je de rest er zonder meer bij neemt.
Wat ik wel mis in het centrum van Brussel dat is natuur, groen, bomen. Zelfs de parken bestaan uit weinig meer dan rillerige staken, kortgemaaide gazons en brede grintpaden. Daar staat tegenover dat Brussel omzoomd wordt door een heus ‘woud’, een oerbos zelfs, waar naar verluid zelfs roedels wilde honden voorkomen die af en toe wat schapen en lammeren soldaat maken.
Maar ook de curieuze details zoals de blauwe poort van FEDIEX* met de twee stenen adelaren, die ik hier laatst ontdekte in de Troonstraat (zie hieronder), maken het tekort meer dan verdraaglijk. En zeg nou zelf, alleen die domme Italianen en Amerikanen zweren toch bij het cliche van de klassieke, smet- en karakterloze schoonheid zonder rimpels?
Het Verbond van Ontginnings- en Verdelingsbedrijven van Onbrandbare Gesteenten FEDIEX

Op weg naar de Europawijk, die is gelegen op de grens van het centrum en de Brusselse deelgemeente Etterbeek, passeer ik in de Troonstraat – niet zo heel ver van het Warandepark – een opvallende blauwe poort die tussen de kantoorgebouwen staat ingeklemd. Een statige toegang van wel vier meter hoog met aan iedere zijde een adelaarskop. FEDIEX staat er op een plakkaat naast de ouderwetse bel die bestaat uit een glimmend knopje op een koperen plaat, Verbond van Ontginnings- en Verdelingsbedrijven van Onbrandbare Gesteenten.
De merkwaardige naam van dit Verbond roept onmiddellijk associaties op met vervlogen koloniale tijden van Leopold II en de Zijnen, toen Belgie zich vrijwel onbeperkt rijk roofde in de binnenlanden van Kongo en Centraal Afrika. De poort met het tot de verbeelding sprekende opschrift, zou perfect hebben gepast in een van de boeken en verhalen van de schrijver W.F. Hermans. Zijn werk staat vol met dit soort aan ertsen, aardkluiten en vulkanisme ontleende aanduidingen en eigennamen. Fysische geologie en literatuur zijn twee verschillende disciplines, maar de scheidingswand tussen beide was voor Hermans alleminst impermeabel. De auteur doceerde als lector aan de universiteit, en schreef tegelijkertijd ontluisterende boeken over (en dit zijn diens eigen woorden): ‘het geologisch tijdperk dat bepaald wordt door het gidsfossiel mens.’ De hoofdpersonen uit zijn romans en verhalen zijn meestal een soort van magneten die niet bewegen, en toch onverbiddelijk vijanden aantrekken;
Zijn collega’s aan de Rijksuniversiteit van Groningen hadden er weinig begrip voor dat Hermans beide disciplines tegelijkertijd beoefende, vooral toen zijn boeken eind jaren zestig goed begonnen te verkopen. Hermans, zo werd gezegd, ‘moest nu maar eens uitmaken waar zijn prioriteit lag: bij zijn boeken of studenten’. Hermans liet de eer aan zichzelf en pakte zijn biezen. Als vrijwillige balling streek hij in 1974 neer in Parijs, de laatste jaren van zijn leven bracht hij door hier in Brussel. Zijn huis stond niet eens zo ver van deze poort vandaan, in de Atrebatenstraat (nr.61). Dit maakt het dus niet ondenkbeeldig, dat Hermans tussen 1991 en 1995 wel eens aan deze wonderlijke plek zal zijn gepasseerd. Op weg naar of komend van de vlooienmarkt in de Marollen bijvoorbeeld, waar hij graag rondsnuffelde op zoek naar ontbrekende delen uit de Larousse Medische Encyclopedie of naar een interessante, afgedankte typemachine die hij nog van de schroothoop kon redden, repareren en toevoegen aan zijn verzameling van tweehonderd stuks.
Wat frappeert aan de poort met de adelaarskoppen (naast de grimmigheid waarmee de roofvogels over de brede en drukke kantoorstraat uitkijken, als bewaakten ze een schat of een graftombe), dat is het contrast met de amechtig karakterloos gebleven blokkendozen ernaast. Op elkaar gestapelde verdiepingen met getint glas tussen egaal grijze stroken, dat als een soort verbandgaas alle wonden moet bedekken. Sickbuildings met beduidend meer volume dan betekenis, meer functie dan vorm, meer verdiepingen dan diepgang. Plompe drillpuddingen die op het punt staan het portaal voorgoed aan het straatbeeld te onttrekken door het te bedelven onder een laag blubber van zestien etages. Recht-toe-recht-aan architectuur van de decennia na de Tweede Wereldoorlog, getekend op tafels van grote architectenbureau’s in opdracht van de Brusselse nomenklatuur die grote visioenen hadden over het geld dat ze konden verdienen aan het bouwen van een zakendistrict vervaardigd uit glas, baksteen, beton en een nog een paar grijze allesbehalve ‘Ontbrandbare Gesteenten’. De typische bouwstijl van de ‘global village maffia’, de wereldwijde societeit van louche mannen met een overdadig ontwikkeld zakeninstinct hun gebrek aan fantasie probeerden te compenseren. Die geen principieel verschil konden zien tussen het leggen van een kamerbreed tapijtje in een bungalow, en het aanleggen van een strook gebouwen door het centrum van Brusselse. Speculanten, aannemers, projectontwikkelaars, mannen met invloed in de politiek. Men kan ook zeggen: vandalen, plunderaars en brandschatters die de voorbije eeuw in alle historische steden en op deze planeet een spoor van vernieling hebben aangericht en (erger nog) ons tot in lengte van dagen hebben ogezadeld met de gevolgen van hun hebzucht en smakeloosheid. Er zou, post mortem desnoods, een tribunaal opgericht moeten worden om dit soort criminelen te berechten voor het plegen van urbicide en andere kapitale misdaden tegen de menselijkheid en de beschaving.
Ze zullen er zelf geen nachtje van wakker hebben gelegen, vermoed ik, de lieden die voor deze wanstaltige architectuur verantwoordelijk zijn. Ze zullen zelf geen centje pijn hebben ondervonden van de talloze onteigeningen, ze zullen vast geen traan hebben gelaten om de gruwel die door hen is aangericht. Ze zullen geen greintje spijt hebben gevoeld om de splendeur die door hun werklieden meedogenloos aan splinters is gehakt en tegen de vlakte gesmeten. En toch moet het ook hen zijn opgevallen dat het straatbeeld er in de loop der jaren zoveel schraler en monotoner op geworden is. Edoch: spijt is niet hun stiel. Hun leven is er bepaald niet slechter op of minder door geworden. Los daarvan. Wat zouden ze zich schuldig voelen? Ieder zijn zaken. Zij doen en deden de hunne. Daarbij: ze gaven ‘gestalte aan de toekomst’. Hielpen de stad inrichten. Ze hebben haar behoed voor de leegte en stilstand. Ze hebben, kortom, meer dan wie ook hun steentje bijgedragen aan de maatschappij.
Wat zijn eigenlijk de ‘Ontbrandbare Gesteenten’ die door de bedrijven van het Verbond van Ontginnings- en Verdelingsbedrijven van Onbrandbare Gesteenten worden ontgonnen en verdeeld? Fosfor? Bauxiet? Uranium? Plutonium? het mythische Kryptoniet wellicht waarmee schurken uit de superman stripreeks keer op keer de aarde dreigen te vernietigen? Ik wil aanbellen om te informeren, gewoon uit nieuwsgierigheid, maar aarzel of het geen al te wereldvreemde of verdachte indruk zal maken. Het is tenslotte een serieus kantoor van een Federation en geen kruidenierszaak met lekkernijen in de aanbieding. Mijn vinger haal ik van de bel, en ik loop door. Toch kan ik het niet laten om na enkele passen alweer om te kijken naar de helblauwe poort met de statige adelaarskoppen. Ik begrijp waarom ze zo grimmig kijken. Als ik hier de volgende keer langsloop, zijn ook zij misschien verdwenen, platgedrukt door de kantoren aan weerszijden, met toegangspoort en al onder het tapis plain gemoffeld, weggeschoffeld tussen de onderaardse schatten die ze al die tijd hebben bewaakt. De diepe, donkere schachten der ontbrandbare gesteenten. De nazaten van Leopold zullen het winnen van de Majesteit. Wie vuur steelt uit de hel / kan heersen op de aarde…

Brussel is zowel een gemeentelijk en regionaal, als een federaal en pan-Europees machtscentrum en conglomeraat. Het is het federale waterhoofd van het Siamese Koninkrijk, en de trotse, vaak ook hooghartige kapitool van een continent dat zich verschillende malen op de rand van de afgrond had gebracht, en dat zich na WO II plechtig heeft voorgenomen om ons aller bestemming voorgoed los te trekken uit de klauwen van het nationalisme, de volkerenhaat en de niet meer in toom te houden economische wedijver tussen buurlanden die altijd van de stelling zijn uitgegaan dat ‘landen geen vrienden kunnen hebben, enkel belangen’.
Brussel is belast met de haast onmogelijke taak, om een brug te slaan tussen het oude Verdeelde Europa (met haar historie van oorlog, revolutie, armoede, uitbuiting, kolonialisme, imperialisme, humanisme, Verlichting, Romantiek, modernisme) en het Verenigde Europa dat zich moet zien te grondvesten in de weinig solide bodem van veel goede voornemens, voorname ideeen, maar nog veel meer wantrouwen en bureaucratie. Wordt het een Unie van Eenheid door verscheidenheid? Of wordt het een Unie van uniformering en de macht van de sterksten, waarbij het zo bijzonder rijk geschakeerde en bloeiende boeket aan talen en culturen, dialecten en gewoonten, wellicht komt te verdorren? Hoe kan het beide belangen dienen, zonder daarbij aan haar eigen geschiedenis te verzaken en komaf te maken met haar specifieke meertalige karakter (condition d’etat). Moet men kiezen tussen la Belgitude en Europa, of zijn beide weldegelijk met elkaar in overeenstemming te brengen; kunnen ze elkaar zelfs tot inspiratie dienen omdat juist in Brussel de principes van meertaligheid en respect voor de minderheid, decennialang in de praktijk zijn gebracht. Europa kan veel leren van de ervaring die Brussel heeft te bieden, en Brussel kan zich ongetwijfeld optrekken aan haar taak om deze kennis verder uit te bouwen en ook in de machtscentra van de andere lidstaten om te zetten in praktische regelgeving en toezicht op de naleving daarvan.
Brussel is een puzzel waarvan de stukken nooit helemaal in elkaar passen. Meer dan andere steden lijkt deze stad op een archipel, met tal van eilandjes die van elkaar gescheiden zijn door de elementen en die toch op de een of andere manier bij elkaar horen.


Nederlands in Brussel

Het gaat goed met het Nederlands in Brussel. De Nederlandstalige evenementen volgen elkaar in hoog tempo op, er zijn steeds minder eentalig Franse initiatieven en Vlamingen kunnen op steeds meer plaatsen in hun eigen taal terecht. De Vlaamse Brusselaars, of Brusselse Vlamingen zo u wilt, staan erop om in hun contacten met de overheden Nederlands te spreken. In hun contacten met anderstalige Brusselaars tonen ze zich daarentegen veel toleranter: Frans, Engels, Duits, Portugees, het maakt niet uit. Zolang iedereen elkaar maar verstaat in de toren van Babel die Brussel heet.
Ondertussen staan de anderstaligen niet stil. Die zijn zich massaal aan het inwerken in de Nederlandse taal. Hun drijfveren zijn niet uitsluitend socio-economisch, maar ook cultureel. Ze sturen hun kinderen naar het Nederlandstalig onderwijs, of nemen deel aan een van de talrijke bijscholingen.
Waarom sturen steeds meer anderstalige ouders hun kinderen naar Nederlandstalige scholen? Werner Schrauwen, coordinator van het Nascholingscentrum Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zet een aantal verklaringen op een rijtje: ‘Steeds meer mensen beseffen dat eentaligheid in het Brussel van de 21ste eeuw een ernstige handicap vormt. Voor steeds meer banen is twee- of drietaligheid vereist. Wie geen Nederlands kent, dreigt uit de boot te vallen.’
‘Maar er is meer. Vanaf de jaren zestig hebben de Vlamingen fors geinvesteerd in de uitbouw van hun onderwijs in Brussel. De klassen zijn er kleiner, zodat de leerkrachten de kinderen veel intensiever kunnen begeleiden. Er kwam een net van peutertuinen en kinderdagverblijven en veel schoolgebouwen werden gerenoveerd. Die investeringen hebben het Nederlandstalig onderwijs een kwaliteitslabel bezorgd, ook bij anderstaligen.’

Brussel is een hybride en veeltalige stad. Dat heeft natuurlijk ook gevolgen voor het onderwijs. De taalvariatie die de dagelijkse leefwereld kleurt, tref je ook binnen de schoolpoorten aan. Het Nederlandstalig onderwijs evolueerde mee: van homogeen Vlaams naar meertalig en multicultureel. Schrauwen: ‘In onze scholen zitten de kinderen van een Finse diplomaat, een Vlaamse ambtenaar, een Turkse winkelier, een Franstalig Brusselse bedrijfsleider in een klas samen. Dat is toch enorm verrijkend? Zo’n school legt de basis voor een gezonde meertaligheid. De kinderen leren er ook respect, openheid, tolerantie – waarden die we in een multiculturele wereld broodnodig hebben.’

Dat betekent natuurlijk niet dat er helemaal geen problemen zijn. De Brusselse situatie is uitzonderlijk. Pedagogen en sociologen hebben er een hele kluif aan. Ga maar na: in een gemiddelde klas zitten eenderde Nederlandstalige leerlingen, eenderde kinderen uit taalgemengde gezinnen en eenderde leerlingen die thuis alleen hun moedertaal spreken – Turks, Italiaans, Frans, Albanees, Engels, enzovoort. Toch krijgt de hele groep les in het Nederlands. Met die diversiteit moet je als leerkracht natuurlijk rekening houden. In de bibliotheek kunnen zowel kinderen als ouders boeken, cassettes of video’s in het Nederlands vinden die het taalonderwijs ondersteunen. Meertalige en multiculturele klasjes zijn niet alleen verrijkend voor de kinderen zelf. Ze prikkelen ook de creativiteit van leerkrachten en onderwijsdeskundigen. Schrauwen: ‘De evolutie heeft ons gedwongen grondig na te denken over onze onderwijsmethodes. Hoe kunnen we taalverwerking stimuleren? Hoe gaan we om met cultuurverschillen? Hoe kunnen we de lerarenopleiding beter toesnijden op de Brusselse situatie?’
Onderwijsdeskundigen kwamen met vernieuwende taalmethoden voor meertalige klasjes op de proppen. En in samenwerking met schoolteams zette de Vlaams Gemeenschapscommissie een hele resem ondersteuningsprojecten op. Ze zette logopedisten aan het werk om in kleuterklasjes en lagere scholen de taalontwikkeling van anderstalige leerlingen te stimuleren. Scholen kregen financiele armslag om leerlingen ook individueel te begeleiden. Een nagelnieuw Nascholingscentrum moet leerkrachten helpen om zo goed mogelijk op hun multiculturele omgeving in te spelen. Veel scholen komen bovendien met eigen projecten aanzetten. Ooit gehoord van de Boekenbende? Studenten in de lerarenopleiding gaan bij allochtone gezinnen thuis boeken voorlezen. Zo maken ze van dichtbij kennis met het thuismilieu van allochtone kinderen. En die worden samen met hun ouders nauwer bij het onderwijs betrokken.’

On est tous des étrangers

Belg of buitenlander, Waal of Vlaming, op de keper beschouwd is iedereen gedurende de loop van zijn of haar leven een ‘vreemdeling op doorreis’ die niet weet wat de toekomst en het lot voor hem in petto heeft. En dit geldt eens temeer in de stad van de Zinnekes; de bastaarden en mensen van gemengde origine.
Het is de taak van burgers en overheid samen om een plek te creeeren waar men zich ongeacht alle verschillen, toch als vanzelfsprekend thuis kan voelen. Want: ‘wie vreemdeling is hier/was elders kind aan huis/on est tous des etrangers…(…)’

‘wie vreemdeling is hier
was elders kind aan huis
on est tous des étrangers
reizigers met retourbewijs
op dooltocht door een ruimte
die een ieder zich moet eigenmaken
eigenwijs is wilskracht die ons drijft
ons leven als het nieuwe land
de grond waarin het graan
nog met de hand wordt uitgezaaid
de haren op ons hoofd
zijn als het riet op de daken
onze huid is als het barstig leem
van onze stulp, ons vel schuurt
over opgejaagde botten
onze stem roept op zijn mooist
om hulp, wat we zoeken is rust
asiel in eeuwigheid, wat we zijn
is waar we zijn gevallen: gewervelde
dieren en waaraan ten prooi
als wild in het vizier
een kudde in de muil van de natuur
we zijn horig en futiel
stofdeeltjes die opgedreven
krijgen een naam toegewezen
ook dat wij leven was niet ónze keus
alles wat wij zijn is bruikleen
toebehoren aan Tijd alleen
die malicieuze makelaar en miljardair
die onze lijven willens en wetens laat
verkrotten, over onze hoofden speculeert
die ons plukt en uitperst als olijven
uitspuugt als de pit; met avondval
vertrekken we, sluipen ervandoor
ons uitreisvisum is de dood’

uit: Bloedtest (De Bezige Bij 2003) p.58


Ezili en andere spoken

Op dit moment marcheren de tamboers onder mijn raam
voorbij. Ik woon in de marollen; een middeleeuwse volkswijk aan de zuidkant van het Brusselse centrum, waar de kasseien op de heuvelstraatjes volgens sommige bronnen nog uit de dertiende eeuw dateren. Vanavond wordt hier Ezili opgelaten, een opblaasbaar vreemdsoortig creatuur, half-vrouw en half-vogel, de grootte van vijf mannen hoog.
Een Brusselse fenix die eens in de vierenveertig jaren voor een zomer en een herfst oprijst uit de gedempte geestgronden van en rond de Zenne.
Er was vuurwerk te zien, schuintamboers die onder mijn raam doormarcheerden, en die mysterieuze pop – vijf mannen groot – die op een draagbaar door de straten werd gedragen Het deed allemaal nogal pagaans aan. Middeleeuws. De folklore is in Belgie nooit ver weg. Het blijft wel een heerlijk land om in te wonen. Vergeleken bij het kille, geordende Holland waar alles op en top efficient moet zijn en overzichtelijk.
(…)
Vandaag is het rustdag, de marktgangers van het Vossenplein zijn naar huis. Alleen nog wat toeristen banjeren hier rond, gapend naar de (al gesloten) broccante zaakjes. Voor Cafe Chez Alex wordt ruzie gemaakt door zatlappen.
(…)

‘De enige kracht van de hedendaagse West-Europese man is zijn koopkracht’,
hoorde ik vandaag een boze Belgische vakbondsleidster – een soort Vlaamse Thersites – op het VRT Radio1-journaal verkondigen. De eerste mei (socialistische gedachte) leeft nog duidelijk in dit land waar in alle steden arbeidersoptochten door de straten trekken. De boze vakbondsleidster waarschuwde haar achterban en eigenlijk het hele Belgische volk voor De Nieuwe Economie, die een inflatie van morele en humane waarden met zich mee zou brengen. Zulke geluiden zul je in Holland niet snel horen, denk ik.
L’Orient (of: hoe men in de navel van Europa onverhoeds het Oosten binnenstapt)

Aan Adri van der Heijden
1071 MT Amsterdam NL

Brussel, 6/XI/99

Beste Adri,

je vraagt me waarom ik naar Brussel ben verhuisd. Het feit dat het Vlaams Blok sinds 13 juni de (op een haar na) grootste partij in Gent is geworden, heeft er veel mee te maken. In De Morgen heb ik er een artikel over geschreven, afgelopen zomer. Het heet: `Afscheid van Gent’ (zie de kopie). Mijn Macedonische vriendin verblijft voorlopig nog illegaal in het land. De grond werd ons in Gent enigszins te heet onder de voeten, met een buurman (ex-Rijkswachter) die ons gaan-en-staan steevast in de smiezen hield en mijn Ford laadwagen met Hollandse gele nummerplaat meer dan eens weg heeft laten slepen als de tweewekelijkse parkeerrochade plaats moest vinden in de straat (in België mag je op veel plekken gedurende de ene helft van de maand slechts links parkeren, gedurende de andere helft enkel rechts).
Gent was een prachtige stad. Een `ghoede stede’ waar ik tweeënhalf jaar echt verliefd op ben geweest. Maar Brussel heeft de gemeenheid (en charmes) van een echte grootstad. Er leven hier twee miljoen man. In de Marollen, waar Anica en ik wonen, zijn vrijwel alle culturen van deze aardbodem wel vertegenwoordigd. Geen beton-ghetto’s zoals in de Bijlmer, waar de multiculturele samenleving in de kerker is geslagen van Fantoomstad. Wel: een warme, karakteristieke middeleeuwse wijk op een heuvel midden in het centrum waaruit de rijkere blanke Belgen zijn weggetrokken ten faveure van een leven `op de buiten’.
Het leven, na het crimsonzwarte annus horribilis 1998, lijkt zich ten goede te hebben gekeerd. Afgelopen voorjaar heb ik in Macedonië een prachtig, intelligent meisje ontmoet met wie ik sindsdien het leven deel. Ik ben uit het emotionele en financiële dal geklouterd waar ik na de crash in Hongarije en de dood van m’n vader in terecht was gekomen. Op aandringen van uitgeverij Podium heb ik afgelopen zomer Wij noemen het rozen geschreven, een boek met persoonlijke impressies die ik gedurende diverse reizen naar de Balkan in de afgelopen jaren heb opgetekend. Vorige week heb ik mijn roman, Boulevard Oktoberrevolutie, bij de Bezige Bij in eerste versie ingeleverd.
Aan de waaghalzerij rond MillenniuM komt weldra, zoals destijds beloofd, definitief een einde. We vieren het einde, zowel in België als in Nederland, met een slotmanifestatie getiteld Reset. De nullen van 2000 zullen we met de redactie van ons Tijdboek, zoals destijds beloofd, daadwerkelijk tot een strop aaneen knopen. MillenniuM zal de boeken sluiten met een heuse millenniumbug. Ik weet niet of er bij Mirjam, naast de woede (begrijpelijk en terecht) tav het verscheiden van Maatstaf ook een gevoel resteert van melancholie. Ik had dat gevoel heel sterk toen ik gisteren bij het schrijven van een slotwoord voor MillenniuM weer even de prachtige laatste woorden van cineast Guy Debord teruglas, die hij neerschreef bij het opheffen van de Situationistische Internationale in 1972: `We zijn gekomen als het water, verdwenen als de wind. Onze jeugd is gestorven, evenals onze liefdes.’

Om me schoon te wassen van die even kleverige als beklijvende melancholie, ben ik gisternacht afgedaald naar de Schildknaapstraat 59 (naast Cinema Nova – een schimmig, vervallen underground bioscoopje waar veel Oost-Europese en Duitse films draaien, en waar zo’n Checkpoint-Charley wachthokje als ticketbooth dient) voor een Gothic Party in Spaceship @ Flannagans.
Mijn geliefde Anica, die zich zelf te moe voelde om me te vergezellen, had me thuis `gothisch’ opgemaakt, met oogpotlood, mascara en gezichtscrème. `Kijk serieus’, zei ze toen te m’n lange zwarte cape (in 1990 gekocht op de Porte Glignancourt in Parijs van een elegante neger-kleermaker die me een `bon prix’ beloofde) om m’n schouders sloeg.
De party bleek nogal goedkoop. Gratis entree, maar weinig donkere electro of bizarre gothiek, waar ik op gehoopt had. Wel was er de stereotiepe donkere jaren-tachtig muziek waar ik meestal hard voor wegloop omdat het me teveel herinnert aan mijn middelbare schooltijd (je weet wel, die donkere corridor de passage van een puistige tiener die geen raad weet met z’n ontluikende gevoelens en sluimerende sexualiteit), variërend van Engelse en Franse alternatieve bands tot bekende popbands als de Simple Minds, de Pet Shop Boys (In Suburbia), Franky Goes to Hollywood (Relax) en zelfs Madonna passeerde curieus genoeg de revue (met het maagdelijke quasi Dracula-achtige Like a Virgin).
Een sfeer van geblanket wit vlees, somber theater, schoonheid waar bewust het verval doorheen schmemert, veel donkere meisjes in het zwart met lang haar tot op de schouders. De onderpriesteressen van de new wave die hier net als ik in deze kelderachtige ruimte een nabij tijdperk weer tot leven wekken in de schemer van kaarslicht en sombere electronische bastonen. Ik voelde me weer die jongen in de gangen van de puberteit. Nog even radeloos, onhandig, maar toch rijper. Het voelde als een stoombad in het halfduister.
vuur van haar
vonken in het donker
Ik rook een Corona Especial sigaar op een stoel die in het donker staat verscholen, drink een Primus bier, en neem de sfeer eens goed in me op. Ik bekijk het hectische, energieke en theatrale gewurm op de dansvloer.Ik schrijf wat zinnen neer die in me opkomen, op blanco programmablaadjes die op de tafels liggen (ik mijmer over het woord dat een meisje me die middag toevertrouwde tijdens de lunch: mergpauze…).
Een blonde, magere witte ravin met een feeënhoed als een tooi op haar hoofd, buigt zich ineens naar me over en zegt tegen mij dat er boven iemand op me wacht. Ik kijk haar aan, geloof haar niet. Ik ben hier nooit eerder geweest. Wie zou er hier op me wachten? Wil ze dat ik opsta van de stoel waarop ik zit om plaats te maken voor vrienden van haar? Waarom zegt ze dat dan niet? `T’es sincère?’, vraag ik. Ze schrikt, twijfelt nu, wijkt met haar mooie hoofd weer iets naar achteren. Ze knijpt haar ogen tot spleetjes, waardoor ze me aantuurt. `Je ne sais pas…’, zegt ze bedeesd. `Comment, tu ne le sais pas?’, vraag ik. `Et c’est qui, celui qui m’attend là-haut?’ Weer: `Je ne sais pas…’ `T’es pas très claire. Je ne te crois pas…’ Ik draai me om en blijf gewoon zitten, op de stoel aan het tafeltje.
Even twijfel ik of ik niet te bot ben, of ze niet werkelijk iets duidelijk wilde maken, of ik me niet egoistisch opsluit in mijn eigen koppigheid…
Maar een vijftal minuten later tikt een magere blonde bitch met een bril me op de schouder. `Sorry, zou ik m’n stoel terug mogen alstublieft?’
Ik sta op en maak een elegante zwier-beweging. `Sorry dat ik de euvele moed had om op uw stoel te gaan zitten’, zeg ik, overdreven beleefd. Ik loop naar de bar. Een van de jongens van de tafel komt naar de barcounter gelopen. `We waren nogal brutaal, hè… Sorry.’
`Integendeel, jullie waren niet brutaal genoeg. Als je vanaf het begin had gezegd dat ik niet op de juiste plek zat, dan was ik meteen opgestaan. Maar die bullshit van die ene lange meid, werkte averechts.’
Hij gaf me een biertje voor de smart, en verdween met het dienblad weer in de duisternis, naar achteren. De nare fee met de lange haren kwam voor m’n neus met de blonde feeks dansen, als om me te jennen.
Ik deed of m’n neus bloedde.
Op gegeven moment zie ik dat mensen naar mij staren. Ik word van achter aangeroepen, er worden handen op mijn schouder geslagen. Ik kijk verbaasd om. Het blijkt dat mijn cape in de fik staat. Er komt rook uit mijn schouderkap en ik zie vonken. Ik smeul, als een broeiende halm hooi. Ik probeer zo kalm mogelijk mijn cape af te doen, en druk het smeulende kledingstuk langdurig tegen de barwand. Als het vuur gedoofd is, trek ik m’n cape weer aan. Weer word er naar me geroepen, krijg ik handen op m’n rug… De cape blijkt nog steeds te smeulen, aan de uiteinden van de kap pinken nog wat hardnekkige gensters, die neerdwarrelen als ik met de cape tegen de bar sla. Ik vraag wat water aan een van de barmeisjes. Die reikt me een natte spons aan, waarmee ik hardnekkig over mijn cape strijk. Tot ik er zeker van ben dat alle vonken gedoofd zijn. De vlam heeft flinke gaten in m’n cape gevreten. Ik brandde als een toorts op Halloween…
Ik loop Flannagans uit, op zoek naar een nachtshop om een sigaar te bemachtigen. Ik wandel terug omhoog door de Schildknaapstraat. Na de sigaar opgerookt te hebben, zak ik langs de kant in elkaar. Ik voel mijn maag opspelen, mijn hoofd tollen, ik zwalk overeind en strompel naar het toilet, waar ik drie keer overgeef. Ik zweet als een otter. Ik heb het zo heet, hier in deze hete hellekrocht, in vol gothisch ornaat, met mijn leren broek aan, een zwart soort acryl vestje, mijn cape. Mijn make-up loopt in tranen en zweetdruppels over mijn gezicht. Ik verlaat het Spaceship Flannagans en wankel de Rue de l’Ecuyer af…
Terug de tijd in… De jaren tachtig zijn me weer niet goed bekomen…
Om me alsnog ‘schoon te spoelen’ klop ik aan bij `L’orient’, een sleazy grot achter een gebarricadeerde deur, waarvan de entree me altijd al gefrappeerd heeft. Ook hier was ik nooit eerder binnen. De plek blijkt een donkere, morsige grot van Alibaba en de veertig rovers, waar wonderlijke moddervette of graatmagere Arabieren de scepter zwaaien. Aan de bar lurken uitgezakte donkere hoeren aan een glas rose of rode wijn. In het plafond zitten scheuren in de leren bedekking, waar het gele isolatieschuim uit tevoorschijn wolkt. Over de bar, bij de spiegels, lopen insecten. Kakkerlakken, die je nieuwsgierig aanstaren. De ober is een Arabische valse nicht met kuren, die aan zich laat pulken door een van de Oosterse hoeren (zonder dat hij echt sjoege geeft). De homoseksuele barman drinkt zelf meer mee met de gasten, gezeten op een kruk aan de bar, dan dat hij erachter staat om zijn publiek te serveren.
Er wordt uitbundig gedronken, gefoefeld, getjak-tjakt met de handen, geritseld. Er is de bedreivigheid van een bazar. Ik ben de enige `westerling’ en bestel een glas rode wijn. Rode wijn heeft de barman niet. Enkel rosé.
Op de dansvloer (er is geen dansvloer, er is enkel een entree met een paar tegels waar de grot iets breder is dan tussen de bar en de spiegels) danst de vetste onder de bezoekers met een vrouw op Rai muziek; de twee zijn perfect op elkaar ingesteld. Elke pas van het tweetal lijkt in elkaar te passen, een soepel, ritmisch kloppend, ingenieus dansspel. Verbluffend. Zo lichtjes, zo elegant. De papzak weet heel zijn lichaam in te zetten bij zijn dans. Ieder spatje, ieder rolletje vet, heel zijn lichaam, al zijn plooien worden in zijn dans betrokken. Hij danst met iedere vezel van zijn lichaam, zijn lichaam lilt en trilt en golft, en alles op maat en onder controle, beheerst, lichtjes en in de pas. De meesterschap over het vlees, de papzak zweeft, alsof hij helemaal geen gewicht meer heeft. Een schitterend gezicht. Misschien, bedenk ik, is deze man wel dik om zo te kunnen dansen.
Een man met een langgerekt, smal paardenhoofd (Splitface) spoort mij aan om ook te dansen. Vergeleken bij die dansende pasja en zijn hoer zou ik een flater slaan. Ik sla besmuikt de ogen neder, drink mijn tweede rosé, de aansporingen van een bevallige, goedlachse Arabische jonge vrouw ten spijt….
Als ik mijn twee rosé betaal (een tientje per glas, de barman moet lang denken voor hij de prijs heeft bepaald), laat Splitface me uit zijn grot.
Nog even de Sonic opgezocht, op weg naar huis. Waar bitter gemarcheerd wordt door een groep uitgeteerde lemmingen met malende kaken.
Een jong zwart gosertje sprak me aan en vroeg waar ik vandaan kwam. Brussel, jawel, maar oorspronkelijk. Guadeloupe, probeerde ik. Donc tu parles l’Espagnol? vroeg hij. Nee, zei ik. Waarom niet? vroeg hij. Omdat ik naar Holland verhuisde. Amsterdam. Waarom, wilde de goser weten. Omdat ik geen Spaans sprak in Guadeloupe, natuurlijk. De jongen knikte serieus, alsof het klopte wat ik zei. Wat doe je voor je werk, wilde de jongen daarop weten. Hij vroeg het in het Engels, vanaf nu. Ik zei: ik schrijf. Wat schrijf je? Verhalen, gedichten, artikelen, en meer van dat… De jongen knikte. `That means, your autograph is going to be worth some money, some day… like is the case with great painters… like… like…’ De jongen was niet in staat om een beroemde schilder te noemen… `Well… like…’ Hij veranderde van onderwerp. `If you are a writer’, stelde hij, `you’ll probably drive a Mercedes?’
Ik staarde naar de gozer. Die krabbelde daarop in een gul gebaar zijn telefoonnummer op een bierviltje. `If your Mercedes needs a good carcleaning, you can phone me and drive over to the Conrad-hotel. That’s where I’m working as a car-cleaner for the customers, on Monday and Thursday. I’ll help you for free…’
Ik beloofde dat ik de komende week eens langs zou rijden. Maandag zal ik Christophe (want zo heette hij; dat staat op het viltje) in het Hotel Conrad opzoeken.. Hij zal verbaasd zijn als hij me aan zal zien komen in mijn aftandse kanariegele, Brabantse Ford Escort Laadwagen. Een flitsende schrijver onwaardig.
Als ik buiten kom, schittert en flonkert de wereld. Aan het firmament brandt een ster die zo helder en groot is dat het een rozette lijkt in een kathedraal. Een rozette van gebrandschilderde engelen, een engelenkoor dat rood oplicht rondom een geelwit centrum. Is het Venus, de morgenster? Een super-nova voor het verdwijnen?
Thuis kijk ik nog een half uur naar de rozette-ster, vanuit de Chesterfield bank, met de Zeiss-verrekijker van m’n vader. Het is alsof de ster steeds meer naderbij komt, alsof de engelen neerdalen, alsof ik geviseerd word vanuit de hemel…
Ik val in slaap met een rozette van engelen op m’n netvlies, en droom een droom waarin vrienden een voor een aan mij passeren, zwevend, alsof ik audiëntie houd vanuit mijn vliegend bed. Naast mij ligt Anica, een blonde schone die zich in de golven van de slaap heeft geworpen. Ik word tien jaar jonger wakker. In een nieuwe huid.
Alle goeds Adri, & groeten aan Mirjam en aan je zoon Tonio. Ik zorg ervoor dat je een exemplaar van Wij noemen het rozen krijgt toegestuurd.

Serge van Duijnhoven


Three bullets over Highstreet
Zaterdag 29 maart 2003

Het is een milde, aangename zaterdagavond in het vroege voorjaar; deze nacht zal de zomertijd ingaan, en in de slachthallen van Cureghem zal het Brussels International Filmfestival for Fantastic Film na middernacht zijn jaarlijkse ‘vampierenbal’ vieren. Mijn ega Anica Milosevska drinken een glas met componiste Mariecke van der Linden – een jeugdvriendin uit mijn Osse tijd, in ‘Les Alexiens’, een uitspanning helemaal aan het begin van de Hoogstraat; daar waar het stadsgedeelte een beetje op Montmartre lijkt. We zijn de laatsten die het etablissement verlaten, iets voor elven ‘s avonds. Op straat lopen we gedrieeen aan de rechterkant van de Rue Haute over het troittoir. Halverwege, bij het huis van Breughel de Oude – dat met de gedenktsteen die suggereert dat d’oude meester hier kwartier hield van 1534 tot 1934, komen twee opgeschoten jongens ons luidruchtig toegemoet. De dunste zwaait met een luchtdrukpistool dat hij niet alleen in de lucht, maar ook in onze richting afschiet. Mijn vrouwelijk gezelschap duikt boos maar ook geschrokken weg achter de wagens die geparkeerd staan; ik spring woedend op de jongen af. Zijn wat meer gedrongen kompagnon kijkt me uitdagend aan, alsof hij wil zeggen: ‘haje wat?’. Zijn grimas glinstert in het lantaarnlicht. ‘Waarom schiet je op ons?’ roep ik uit. Arrogant doet de lange schutter of hij een wolkje wegblaast van de lange zwarte loop. ‘Neuk je moeder, sufkop!’ roept hij in het Frans. ‘Bemoei je met je eigen zaken!’ Hij houdt me op afstand door het pistool op me te richten. Ik probeer de jongen het pistool uit handen te rukken, er ontstaat een handgemeen. De jongen begint te schieten, mikt op mijn hoofd, en blijft schieten tot het magazijn leeg is. Zijn kameraad heeft intussen het deksel van een vuinisbak losgewrikt en valt me daarmee, het ding hoog boven zijn bakkes geheven, aan van opzij. Het deksel landt bovenop m’n schedel. Mijn gezicht raakt besmeurd met vuilnis en bloed. Er klinkt een roep en fluitsignaal, waarop van alle zijden Arabische jongeren toesnellen. Drie, zes, twaalft, twintig… een aantal valt op mij aan, trapt en mept en duwt en schopt tot ik op de grond ineenzak. Mariecke gilt vanachter een auto, en snelt me moedig te hulp. Anica, mijn vrouw, gooit haar GSM stuk in het gezicht van een van de straatvechters. De Turkse dame van de nachtwinkel slaat het tafereel verstard van schrik gade. ‘Doe wat!’ roept Anica. ‘Bel de politie! Een ambulance!’ De vrouw verroert zich niet. Ze blijft als aan de grond genageld staan. Misschien is ze bang voor repercussies van de straatschoften, die alle avonden op het Breughelplein om de hoek rondlummelen en er verzamelen blazen voor hun doelloze missies elders in de stad. Het hek is van de dam. Ze hebben het vertier waarop ze gehoopt hadden. ‘Mort a Bush!’ wordt er geroepen om de gemoederen nog wat extra op te poken; of om een rechtvaardiging te geven voor… ja ze weten zelf ook niet voor wat. Ze snellen twee kameraden te hulp die mot hebben; de reden van de onlust zal hun een ziel zijn. Wie aan hun kameraden komt, die komt aan hen. De hyena’s vallen me van achter aan, teckelen en schoppen me alsof ik een zak stro ben. Ik krabbel overeind, duw een aantal belagers van me af, deel in het wildeweg wat klappen uit, maar roep bovenal zo luid mogelijk de woorden die ik ooit een man hoorde schreeuwen op het perron van het station in Den Bosch waar vier hooligans een bezoekende supporter van FC Utrecht in elkaar aan het trappen waren: ‘zijn jullie nou mensen!?’ De man was de enige die tegen de blinde terreur van de hooligans in het geweer durfde te komen. Ook zelf had ik me destijds bang en lamlendig afzijdig gehouden. De kreet van de man had gewerkt: de hooligans staakten hun getrap en gebeuk en de Utrechtenaar maakte zich zo snel hij kon uit de voeten. ‘Est-ce que vous etes des humains? Les laches ! Les laches ! De lafaards ! Met z’n twintigen tegen een man en twee vrouwen ! Kunnen jullie wel? Lafaards zijn jullie, geen mensen maar onmensen!’ Het bloed hing in klodders in m’n haar. Ik strompelde verder, ondersteund door Mariecke en een huilende Anica. Ter hoogte van het plein gingen de verwensingen door, over en weer. Er werd gegooid met blikjes, stenen, een pallet vloog over het dak van een rijdende Mazda. Ik rukte me los uit de greep van de vrouwen, bukte me om de houten schraag op te rapen en liep met de pallet hoog boven me geheven in de richting van het donkere plein waarover de meute zich verspreid had, als schimmen terug de duisternis in. Klaar om op ieder gewenst moment weer tevoorschijn te springen, als chimaeren in het flakkerende toortslicht van de hel. ‘Tsss! Ca deviendra sa mort!’ hoorde ik een van hen sissen. Ik wierp het pallet voor me uit, het kaatste enkele meters voor mijn voeten doelloos op de kasseien. Het duizelde me, ik voelde dat de krachten met iedere seconde verder uit me wegvloeiden. Een van de chimaeren onttrok zich uit de duisternis en jogde recht op me af, zijn gebalde vuist in de aanslag. Hij mikte en raakte me vol op mijn rechteroog en – wenkbrauw. Ik deinsde achteruit, en viel tegen de motorkap van een tot stilstand gekomen wagen op straat. De chauffeur achter het stuur toeterde langdurig, verschrikt en boos tegelijk. Aan alle kanten stroomden mensen toe. De straatformatie van FC Arabia blies de aftocht, in afwachting van de politie die allicht zou worden ingeschakeld. ‘Mort a Bush!’ klonk opnieuw vanuit de duistere galerieen die grensden aan het plein. Het leger blies de aftocht voor er versterking kon arriveren, de slag was gestreden. Anica probeerde rennend een politiepost te bereiken, Mariecke begeleidde me naar mijn appartement, waar ik zelf de hulpdiensten verwittigde. Bloed aan de telefoon. ‘Je moet naar het ziekenhuis’, concludeerde mijn gaste bezorgd. Ze streelt door mijn bebloede haar en bekijkt de open wond. ‘Ze komen’, zei ik met een vreemde kalmte, terwijl ik mijn identiteitspapieren bijeen raapte. Met steeds lomer wordende benen daalde ik van de trap af, en liet me zakken tegen het traliehek bij de voordeur – dat kledingzaak Michiels tegen mogelijke diefstal moet beschermen. De rest heb ik van horen zeggen. De ambulance reed voor, ik werd op een brancard geladen, naar het Sint Pietersziekenhuis gebracht dat aan het andere einde van nog steeds dezelfde Hoogstraat was gelegen. Doktoren haalden daar met fijn pincet en priegelgereedschap ‘drie loodkogeltjes en een bloemblaadje’ uit twee afzonderlijke hoofdwonden; neurologen stelden met behulp van een scanopname een schedelbreuk vast. Twee politie-inspecteurs wachtten beleefd op de gang tot in bijgekomen was en de ingreep was gedaan, alvorens het proces verbaal op te maken van het gebeurde. Het hoofdeind van het operatiebed zat onder de spetters. Mijn haar stonk behalve naar geronnen bloed ook naar bedorven vlees. Tonijn uit blik en fruitafval. Mariecke vroeg of ze foto’s mocht nemen van de loodkogeltjes die uit de wonde waren verwijderd. De arts vloekte bij het verrichten van de hechtingen. Van huiswaarts keren, besmuikt en gelaten, kon voor mijzelf geen sprake zijn. Het hospitaal diende te voorkomen dat de wonde bovenop de schedelbreuk zou gaan ontsteken, en daarom moest ik ‘aan de baxter’. Intraveneuze toediening van antibiotica opgelost in aquadesinfect en een ionisatievloeistof bestaande uit calciumchloride, 270 mg. Ik beland op de zevende verdieping, afdeling 73, in hospitaalkamer nummer zeven. Op de kamer is er een tv, een toilet, twee wastafels, een tafeltje, luie stoelen, twee ziekenhuisbedden met electrisch verstelmechaniek. Ik vraag of ik de tv aan mag zetten, de verwikkelingen rond de oorlog in Irak mag volgen. De verpleegster zegt: ‘ik vrees van niet, menier. Slaap nu maar ’s efkes. Allee, ik stop u in, onder de lakens. Mooi zo. Tot zevves…’
Anica neemt verslagen afscheid van me. Ze is bang, zegt ze, om nog langs dat Breughelplein met de Arabische straatbrigade te lopen. Uitgerekend vanavond, voor we gingen dineren, had ze in Club Havana (gelegen aan het plein) geinformeerd naar een baan als serveerster… Ik probeer haar gerust te stellen. We waren gewoon op het verkeerde moment op de verkeerde plek. Het was geen gerichte aanval tegen ons persoonlijk. Ze werd kwaad dat ik op de jongen met de luchtbuks ben toegelopen en hem het schieten onmogelijk wilde maken.

Ik moet minimaal vier dagen in het ziekenhuis blijven, voor ik huiswaarts mag keren met een verband om mijn hoofd en een antibioticakuur om thuis te vervolgen.
Gedurende enkele maanden moet ik het voorzichtig aandoen, en vooral mijn hoofd en schedel moeten rust krijgen, zo verkondigt de neurologe in het hospitaal. Na anderhalve maand, in mei, kunnen de hechtingen uit de schedel worden verwijderd. Een bobbel blijft over op de plek van de verwondingen.

Bij de politie heb ik klacht ingediend tegen (voorlopig) onbekenden, de veroorzakers van mijn verwondingen en de bezitter van het luchtdrukpistool die ons beschoot op de bewuste zaterdagavond in maart.
Twee politiemensen bezoeken mij thuis in april, en geven het dossiernummer door.
Ze roepen me op om de veroorzakers van de straatagressie te identificeren via een fotoselectie op het politiebureau.

‘Het is vreemd’, zegt Chris van Camp van trendwatchersbureau http://www.kingkong.be, als ze in april op ziekenbezoek komt, en een fles Dom Perrier Champagne meebrengt. ‘Twee weken geleden trad je nog op in de Vooruit, op die benefiet tegen de oorlog in Irak. Nu word je beschoten door een stelletje Arabieren dat scandeert “Bush moet dood!”’ Er is geen klaarheid in de werkelijkheid, geen zin in redeloosheid. Moet ik boos zijn op Bush, die te stupide is om te begrijpen hoeveel haat hij wereldwijd zaait met zijn strijd in Irak? Of het verveelde uitschot wreken dat met een windbuks in de rondte schiet op straat, op jacht naar een trofee voor de zaterdagavond?
De volgende dag voel ik me solidair met de gewonden die omzwachteld liggen in de hostpitaals van Irak. ‘Vrijheid is God’s geschenk aan de mensheid’, hoor ik Bush in een tv-programma zeggen. Hij bedoelt te zeggen: de Pax Americana is een zegen voor de Irakezen en de wereld. De tv gaat uit. Ik maak van de gelegenheid gebruik om ‘Elementaire deeltjes’ te lezen van Michel Houellebecq, en voel sympathie voor de stelling die uit het werk van hoofdpersoon Michel Djerzinski voortvloeide: dat de mensheid beter maar kon verdwijnen. Dat was beter voor de wereld, de natuur, en zeker voor de mensheid zelf. Dona nobis pax aeternam.

Tekst op de gedenkplaat : aan Pieter Breughel 1524-1924 --- hulde van het Volk aan zijn Groot Schilder

De Hoogstraat.

Dit is de langste straat van de Brusselse vijfhoek (1.120 meter) en de hoofdader van de Marollen, vanouds een belangrijke invalsweg vanuit het Zuiden.

Het tracé zou opklimmen tot de Romeinse periode en meer bepaald teruggaan op het diverticulum uit de richting Edingen naar Elewijt, wat het meteen ook de oudste straat van Brussel maakt. In 1298 wordt de straat vermeld als alta strada en 1337 reeds als Hoogstrate. De straat liep van de eerste stadsomwalling, waar zij de oude stadskern bereikte via de Steenpoort ( gesloopt in 1760) tot de tweede stadsomwalling waar zij afgesloten werd door de Hallepoort, die er vandaag nog staat. Tot in de 17de eeuw werd de straat bewoond door arbeidersfamilies en bedelaars. Gedurende de 17de eeuw echter werd de straat gevoelig verbreed en werd ze stilaan bevolkt door een betere klasse van de bevolking. Een eeuw later staan er vele prachtige herenhuizen en wordt ze deze keer bevolkt door vele notabelen. Op het einde van de 18de eeuw keerden de Fransen echter alles ondersteboven en werden de grote tuinen stilaan bebouwd met kleine huisjes, verbonden met de straat via de legendarische Brusselse gangen. Op het einde van de 19de eeuw telde de straat niet minder dan 35 gangen, dé woonplaatsen van de Marolliens. Vandaag kan men er slechts hier en daar nog enkele restanten van terugvinden. Sinds de helft van de vorige eeuw is de Hoogstraat steeds een belangrijke winkelstraat geweest, ook vandaag nog, alhoewel er van de zeer vele café’s niet echt veel meer overblijven en de vele danszalen en bioscopen helemaal vergeten zijn.

Het Brusselse gordijn

Honger in Brussel. Foto: Bosz de Kler

`Wat weten burgers uit de Schengen-landen nu nog van grenzen? Vraag het aan een vluchteling, een Koerd of Kosovaar die zwemmend Italië tracht te bereiken…’ Deze bittere constatering maakt schrijfster Dubravka Ugrešić, die sinds 1991 in exil leeft in diverse landen, in haar essay Nice people don’t mention such things. Tegen een wantrouwige beambte die wilde weten wat haar nationaliteit was, zei Dubravka eens koppig: `geen’. Ze voelde zich statenloos. In Kroatië werd ze in academische kringen persona non grata vanwege haar kritische houding jegenshet opkomende nationalisme. In de rest van de wereld was ze gebrandmerkt als Kroatische. `Kan niet,’ zei de beambte. `Iedereen heeft een nationaliteit. Iemand zonder nationaliteit bestaat niet. Die is niemand. En iedereen is iemand…’
– fragment uit dagboek van de auteur

I

Boris Iljic leeft alleen, en zijn eenzaamheid kun je ruiken. Hij bezit geen huisdieren, krijgt geen vrienden of gasten over de vloer, geen mensen uit de straat die langskomen of andere asielzoekers die hij heeft leren kennen. De enige metgezel van Boris is de geur die hij met zich draagt – een kleffe, zurige geur van goedkope Van Nelle halfzware shag, zweet en gumpotlood – en die niet van hem wijken wil, als een soort zintuiglijke slagschaduw. Boris lacht weinig. Zijn lippen opent hij meestal maar een klein beetje, misschien om zijn verruïneerde gebit, of het afgebrande kerkhof dat er nog van over is, te maskeren. In de buitenlucht spuugt Boris uit gewoonte op de grond, flinke fluimen van dik speeksel met kleine rode veegjes bloed die in een scherpe hoek zijn mond verlaten.
Als ik vraag waarom hij zo overvloedig op de grond spuugt, antwoordt hij:
`I have to spit; my seamen is no good.’

Boris overhandigt me een koptelefoon die met plakband is gerepareerd en die veel te ruim om mijn hoofd sluit. De twee koppen glijden half in mijn nek.
`Well? What do you think?’
Ik luister. Een gebronsde Vlaamse vrouwenstem jeremieert onder mijn oorlellen: `blijf nog een nacht/voor je mij alleen laat/voor je van me weggaat/als was het weer de eerste keer/nog een keer/en daarna nooit meer.’
`I like this song so very much,’ verzucht Boris. `Wendy van Wanten. You know her? Is she a rich woman?’
Ik leun achterover tegen een van de brede open opbergkasten. Het huis waar Boris en ik wonen was in vroeger tijden een fourrure-zaak. De planken waarop de verse pelsen te drogen werden gelegd zijn in de kamers bewaard gebleven. De afgehuide vellen van pelsdieren hebben plaatsgemaakt voor boeken, vazen en foto’s. Of, zoals in Boris’ geval, voor glossy tijdschriften over computers en hifi-apparatuur, alsmede voor zijn indrukwekkende stapel Amerikaanse business magazines. Zijn kamer puilt ervan uit.
Op het tafeltje naast het tweepits kookfornuis, staat een aluminium bakje met onbestemd voedsel waaruit Boris met een plastic vork wat happen neemt. Aan het voeteneinde van zijn eenpersoonsbed staat een Pioneer tv. Het scherm vertoont onophoudelijk reclameboodschappen. Ik duik nog maar even onder in de smart van Wendy van Wanten.
`Ik heb met liefde gedaan/al wat een meisje kan doen/als er wat fout is gegaan/dan wil ik alles weerdoen/jij die mij zo graag zag/ga niet weg deze nacht/blijf bij mij.’
Tegen de wand boven zijn eenpersoonsbed heeft Boris met plakband twee grote A2 vellen naast elkaar opgehangen. Daarop heeft hij een grafiek uitgetekend waarin hij iedere dag met gumpotlood en ballpoint de veranderende koersen noteert van aandelen, opties en obligaties. De gegevens neemt hij over van de beursberichten op CNN en NBC. Uit eerdere gesprekken heb ik begrepen dat Boris staatsobligaties heeft aangeschaft `in een Europees land tegen een voordelige prijs.’ Een strategische investering, vindt hij, omdat hij als asielzoeker liever geen spaargeld op de bank bewaart vanwege de regelmatige controles van de Belgische sociale dienst. Waar hij het geld voor zijn obligaties vandaan heeft? Overgehouden van zijn uitkering door hardnekkig te sparen en maniakaal zuinig te zijn. Niet gemakkelijk voor iemand die leeft van een kleine achttienduizend Belgische frank per maand (vierhonderd Euro), en die voortdurend in geldnood zit.
Boris leeft zo zuinig als hij kan, zuiniger dan gezond voor hem is. De gehuurde kamer kost hem niet veel geld. Zijn kleren zijn van de katholieke bedeling. Eten scharrelt hij het liefste bij elkaar uit containers met overblijfsels van slagerijen, groentenzaken, supermarkten en andere voedingswinkels in het centrum van de stad. Een tandarts of arts bezoekt hij niet, want hij is niet verzekerd. Het meest trotse bezit van Boris is zijn Sony minidisc recorder, die samen met een Sony versterker en cd-speler prominent, als opengeslagen bijbel en kelk op een altaar, staan opgesteld op een plank aan het hoofdeind van zijn bed. De minidisc, eveneens het resultaat van onversaagd spaarwerk, geldt als het heilige der heilige in deze kleine zweetkapel, deze mansarde onder het beklemmende, lekkende dak van de sociale misère.
Boris straalt. Zijn bruine ogen glunderen vanachter zijn ovalen brillenglazen. Ik zie zijn lippen bewegen, haal de kanjer van een koptelefoon van mijn hoofd. Op de tv hoor ik een kelig, vals stemmetje dat aan Repelsteeltje doet denken op de cassettes met sprookjes die mijn ouders in de auto afspeelden als we op vakantie gingen: `bel nu voor de Fit ’n Fold Strider om centimeters en kilo’s kwijt te raken. Nu kunt u prachtig afvallen en een prachtig lichaam vormen. Bel nu voor de Fit ’n Fold Strider…’
Boris herhaalt zijn vraag, nog altijd even stralend.
`Well, what do you think of the sound?’

Wie iets bezit, wil meer. Wie niets bezit, wil veel meer. `Waar ik nu van droom,’ vertelt Boris, `is een computer met een software-programma waarmee ik al mijn muziek en opnames kan catalogiseren.’ Helaas blijft het bij dromen, watertanden, bladeren in computermagazines of reclamefolders en het tot in de puntjes bestuderen van vergelijkend warenonderzoek op het gebied van de allernieuwste electronicasystemen. Boris heeft er een heuse studie van gemaakt. Een levensopdracht. Hoe meer hij daarin op kan gaan, hoe minder hij het gevoel heeft dat een etalagewand hem gescheiden houdt van de luxe in de winkels die hij zo fanatiek afstruint. Boris is wat je zou kunnen noemen een consumptie-pelgrim. Hij reist stad en land af om audio-leveranciers, computergroothandels of nieuwe electronicazaken te bezoeken waarvan hij een folder heeft ontvangen of een advertentie heeft gezien. Hoe sjieker de showrooms, hoe onbetaalbaarder de opgestelde modellen, hoe flitsender de advertenties, hoe meer genoegen Boris beleeft aan het hulpeloos opzuigen van zijn eigen illusies. Zolang hij er vlakbij kan zijn en, schijnbaar of gedeeltelijk, kan participeren, slaagt hij er wonderwel in zich fictief te laven aan de nieuwste technische snufjes die hij in het echt ontberen moet. Boris is als de alcholist die dronken kan worden bij het zien van een goede fles whisky in het rek van de slijter, of als de junk die de roes voelt opkomen bij het vastpakken van een onschuldige lepel of aansteker. Zolang hij te arm is om te kopen wat hij wil, zijn zijn wensen zijn kapitaal. Geld voor trein- of bustickets heeft hij niet. Boris legt zijn winkelpromenades wandelend en liftend af.
II

Het is inmiddels oktober, tweeënhalve maand na onze kennismaking. Tijden van cholera en geen liefde. In het moederland van mijn bovenbuurman is de economische pleuritis uitgebroken. Mijn doodzieke vader ligt thuis in Noord Brabant op sterven. Mijn vriendin betrap ik op een zaterdagnacht met een ander in bed.
Boris heeft al mijn cd’s die hij de moeite waard vond uitvoerig gekopiëerd. Drie maal. De eerste keer heeft hij ze op cassette overgezet. De tweede keer op zijn nieuwverworven Sony minidisc. De derde keer geschiedde omdat er de tweede keer iets fout was gegaan. Boris had zijn geliefde apparaat te grondig gereinigd met een ethylachtig goedje. Beteuterd vertelde hij dat alle muziek `zwabberig en vals’ op zijn schijfjes terecht was gekomen.
Op mijn deur vind ik na een kort verblijf in Brabant, een noodkreet van Boris op mijn deur. De tekst is met dikke zwarte viltstift neergepend in grote hanepoten op een bladzijde die uit een computertijdschrift (What HiFi?) is gescheurd. Over de rubriek `Quality and Ergonomics’ lees ik een noodkreet.
Serge, pleaze knock on my door
I’ve been waiting you for too days now
Your help is desperutely of need
Boris
Ik haast me de trap op en klop aan in het bedompte gangetje op de tweede verdieping van het studentenhuis. Er klinkt gestommel. Een sleutel wordt omgedraaid. Ik zie een stukje van de bril van Boris. Hij zet een pas naar voren, de donkere gang in, en trekt de deur achter zich dicht. Met zijn rechterhand maakt hij een wapperende beweging, alsof hij stank wegwuift.
`No, please, don’t come in. It’s because of the mosquito’s. I don’t want them to come in…’
Buiten is het guur herfstweer, een paar graden boven nul. De laatste muggen zijn een maand geleden tegen de muur kapotgeslagen. Boris vraagt of hij over vijf minuten beneden bij mij kan aankloppen.
Hij arriveert met een brief in de hand van de Vaste Beroepscommissie van Vluchtelingen, North Gate II, E. Jacqmainlaan 152 Brussel, opgesteld in het Nederlands. Hij vraagt of ik de brief wil vertalen. `It is very, very important for me. Please.’
Zijn asielaanvraag is afgewezen, zo vertelt hij, omdat hij zichzelf bij diverse verhoren op enkele cruciale punten heeft tegengesproken. Hij geeft toe dat hij over enkele zaken `not quite the truth’ sprak, `but I had no choice.’ Na drie jaar geleden als illegaal bij een politiecontrole te zijn opgepakt heeft Boris de Belgische autoriteiten wijsgemaakt dat hij de omgeving van Sint Petersburg is uitgevlucht omdat hij als jood herhaalde malen werd bedreigd en zelfs mishandeld door antisemieten, zonder dat hij daarna op enige steun of bescherming van de plaatselijke politie kon rekenen. Ik vraag hem wat er `not quite true’ is aan dit verhaal. Met een klein stemmetje zegt hij: `I’m not jewish’.
Er kan beroep tegen het besluit worden ingediend, zo lees ik in de brief, binnen veertien dagen per aangetekende brief die is opgesteld in het Nederlands of Frans. Aangezien ik schrijver ben van beroep, zegt Boris, kan ik hem misschien helpen met het opstellen van dat bezwaarschrift. Zelf spreekt hij geen Nederlands. `You are my last hope!’
Tijdens het opstellen van de brief maakt Boris zich kwaad over `die Polen, die Letten, die Tsjechen’ die zich hier ongestoord een tijdje kunnen vestigen, terwijl mensen als hij hooguit een toeristenvisum voor een of twee weken kunnen bemachtigen. Als ze geluk hebben en een officiële uitnodiging kunnen regelen. Mensen uit Rusland worden overal met minachting bejegend in West-Europa, klaagt Boris. Voor de mensen hier zijn zij derderangs burgers. `Het Belgische systeem dwingt me ertoe soms dingen te vertellen die niet helemaal correct zijn. Mijn relaas is niet de volle waarheid, dat geef ik toe, maar het is evenmin volledig uit mijn duim gezogen. Als de autoriteiten in West-Europa me niet als derderangs Europeaan zouden behandelen, als ik me vrij zou kunnen bewegen zoals de andere Europeanen, dan zou dit leugentje om bestwil helemaal niet nodig zijn.’

De woorden van Boris doen me denken aan wat Guennadij Polischshuk, een Russische acteur uit Kaliningrad tegen me zei, op een braderie die aan de kust van het voormalige Rauschen werd georganiseerd ter gelegenheid van de komst van de Literatuur Express. Guannadij draaide een fles vodka open die hij zojuist bij een kraampje op de Svetlogorsk Pionersk Consumer Society had gekocht. Hij beweerde dat het gemiddelde maandloon in Kaliningrad ongeveer veertig dollar bedroeg, en dat zijn stad ‘op Grozny na’ de lelijkste was van Rusland. De acteur boog zich wat dichter naar me voorover en sprak: ‘de autoriteiten geven het niet toe, maar weet je dat er hier dagelijks zeven mensen aan Aids sterven!’ Hij bracht een toast uit op de verdoemenis en de vulgariteit. ‘Za nas s vami, i za huj s nimi’ For you and me the best, and all the others go to hell… Guennadij lachte zich een ongeluk, en zei dat de Russchische ziel ondanks alle armoede en ellende ‘gul, grootmoedig, ondoorgrondelijk’ was, en vooral ‘heel zwaar om te dragen’. ‘We hebben geen cent,’ sprak hij, ‘maar we zijn het rijkste volk ter aarde.’ Daar op de braderie van Svetlogorsk Consumer Society realiseerde ik me meer dan ooit hoezeer Europa altijd nog een mailboot is met vele verdiepingen en klassen, en hoeveel Europeanen nog genoegen moeten nemen met een plekje buiten op het dek. Het alternatief? Een plaatsje als verstekeling in de machinekamer, of een baantje als keukenhulp of bordenwasser. De joyeuse vrijheid om ongehinderd per luwe wagons door Europa te reizen, die ikzelf en mijn collega’s op de Literatuur Express genoten, steekt schrik af tegen het gebrek aan middelen en mobiliteit dat Guannadij en andere Europeanen ervaren.

Een eeuw geleden was het de ijzeren kanselier die er moeite mee had concessies af te staan aan een bankier uit Brussel, Georges Nagelmackers, die de droom koesterde van een continent dat ongestoord over de rails kon worden bereisd. Bismarck was beducht voor een trein die door aartsrivaal Frankrijk gebruikt zou kunnen worden voor ‘vijandelijke’ doeleinden. Nu de vete tussen Berlijn en Parijs is bijgelegd en beide steden de as vormen waar de wielen van de EU omheen draaien, zijn het de regeringen van de vijftien afzonderlijke lidstaten die zich schrapzetten tegen mede-Europeanen die om ‘verkeerde’ (?) doeleinden naar West-Europa willen gaan. Het IJzeren Gordijn is vervangen door het Brusselse Gordijn, dat even strengbewaakt en inhumaan kan zijn. Al is de Koude Oorlog beëindigd, de tweespalt op het continent blijft bestaan. Jerzy Lugowoj, de hoofdboswachter van het Poolse nationaal park van Bialowieza, ontdekte in juli 2000 per ongeluk een tunnel die mensen aan het graven waren onder de Wit-Russische grens. Een anachronisme, zou je zeggen, uit de tijd van het Oostblok, dat echter ook de realiteit blootlegt van een nieuwe frontlijn in Europa. De grensomheining tussen Polen (in de wachtkamer van de EU) en Witrusland (verbannen) omvat houten uitkijktorens, elektronische sensoren en geharkt gebied om voetafdrukken te onderscheiden. Mensen die via de tunnels of anderszins naar het Westen proberen te vluchten, worden gearresteerd. Niet alleen Witrussen, Russen of Poolse smokkelaars, maar ook Kaukasiërs, Afghanen en Viëtnamezen hebben zich onder deze barrière tussen Oost en West door gewurmd. De thermodynamiek van de migratiestromen is even verbazingwekkend en hardnekkig als de menselijke wil.
Gedurende de weken dat ik per culturele vrijbrief met de Literatuur Express door Europa hobbel, probeerden duizenden lieden ongezien binnen de muren te geraken van Fort Europa. Hoeveel mannen, vrouwen en kinderen in hun poging geslaagd zijn, valt niet te achterhalen. De statistieken spreken enkel over hen die in de kraag werden gegrepen langs de snelwegen en havens, en over de personen die hun uitreisvisum betaalden met de dood.
De cynische score van zes weken:
achtenvijftig Chinezen die in Dover levenloos in een Hollandse vrachtwagen werden aangetroffen tussen de flesjes Yakult, de pakken cornflakes en de dozen taco-ships; gestikt in hun eigen wasem.
achthonderd Afrikanen, Koerden, Afghanen en Kosovaren die als drenkeling aanspoelden op de rotsen en stranden in de Straat van Gibraltar en de Adriatische Zee omdat hun gammele bootjes vergingen of omdat ze overboord waren gesmeten door smokkelaars die liever op deze manier hun lading losten dan in handen te vallen van de kustwacht.
tientallen verminkte lichamen die in Italië en Frankrijk op de snelweg werden gevonden, vermoedelijk nadat ze door medepassagiers uit de truck zijn geduwd.
drie Russen die ondanks hun truien, mutsen en dubbele winterjassen zijn doodgevroren en geplet tussen het landingsgestel van het lijntoestel waarin ze zich hadden verborgen, in de hoop zo Schiphol, Heathrow of Zaventem te kunnen bereiken. Twee bereikten hun bestemming, zij het niet bij leven. De derde was er bijna: hij kwam als een ijsblok terecht in een weiland bij Oudekerk a/d Amstel, ongeveer tien kilometer verwijderd van de Nederlandse luchthaven.

De aanhoudende toevloed van economische migranten is de prijs die het Westen moet betalen voor haar eigen voortvarendheid. De EU heeft de naam van het continent botweg geconfisqueerd voor haar politieke Unie en haar Munteenheid, ze heeft Europa geschaakt – zonder om te kijken naar de mede-Europeanen die bij deze ontvoering uit de boot dreigen te vallen of al zijn gevallen. Dat velen nu weer aan boord willen klimmen valt niet te voorkomen zolang de vijftien Westerse lidstaten van de EU een fundamentele uitbreiding van de Unie op de lange baan blijft schuiven. Alle Oost-Europese landen kruipen zich krom om in de gunst te komen van de zittende lidstaten, en worden uiteindelijjk dubbel zo hard vernederd. Als een land het voorrecht verwerft om plaats te mogen nemen in de antichambre van de club voor leden met de Gold Card, dan begint Brussel altijd meteen heel streng en hooghartig te wapperen met een boek van tachtigduizend bladzijden vol regeltjes waaraan de nieuwe lidstaten moeten voldoen vooraleer de cake kan worden aangesneden.

Wie niet wil wachten tot de EU zich eindelijk zal openstellen voor Europeanen van buiten de Schengen-grenzen, zal zich voorlopig nog met ellebogen en leugentjes-om-bestwil een weg naar binnen moeten wringen. Boris Iljic is een van hen. In ieder geval wil hij nog acht maanden langer in België blijven. Tot mei. Wat moet hij in Rusland nu de winter voor de deur staat? Het is crisis, het is koud, er is geen werk, zijn ouders en broer hebben moeite rond te komen en overleven vooral dankzij de moestuin. De hele toestand, zegt Boris, is er ‘uitzichtloos en rampzalig’. Ik vraag of hij al heeft overwogen in de echt te treden met een Belgische dame, wat de kansen op een verblijfsvergunning allicht vergroot. Die mogelijkheid heeft hij wel overwogen, maar helaas is hij `niet echt van het huwelijkse type’. Besmuikt, met een onzekere grijns die zijn grafzerkengebit op pijnlijke wijze openbaart, lacht hij: `too many beautiful women, you know, ha ha.’
Tijdens het componeren van de brief raakt Boris geregeld in paniek. Telkens als ik concreet wil ingaan op de inconsequenties die de commissaris in de verhoren heeft aangetroffen en die in het attest van de Vluchtelingencommissie staan opgesomd, smeekt hij: `Oh no! Please, no details! Don’t be specific! Remain as vague as possible.’ Als er na drie uur puzzelen, formuleren en herformuleren dan toch eindelijk een brief uit de printer rolt, bekijkt hij die sipjes. Hij veronderschuldigt zich nederig. `Sorry I took so much of your time’, zegt hij. En hij sloft bezorgd weer naar boven, om iets later terug te keren met een hele stapel tijdschriften over de nieuwste audio-apparatuur, video’s, computers en spelletjes. ‘Die mag je lenen,’ zegt hij, ‘omdat je me geholpen hebt met de brief.’
III

De volgende dag wordt er opnieuw door Boris op de deur geklopt. Nee, binnenkomen wil hij liever niet. Hij heeft last van `a very embarrassing problem.’ Hij kijkt om zich heen of niemand meeluistert in het trappenhuis. Fluisterend zegt hij: `I have this terrible smell under my arms…’
Hij kijkt me hulpeloos aan.
`I need something to kill the smell. I really want to kill it, you know.’
Ik vraag of hij al gedacht heeft aan deodorant. Boris schudt zijn hoofd. Deodorant heeft geen zin. Het helpt niet.
Kan een apotheker hem niet van advies voorzien? Te duur, zegt Boris. En ze verkopen enkel dure troep.
Het ziekenhuis dan?
Boris knikt en vertelt dat er een verpleegster was in Oostende die hem vorig jaar iets effectiefs gegeven had. De naam van het medicijn wist hij echter niet. Het ging om poeder dat hij onder z’n voetzolen en oksels moest deppen met een speciaal gaasje. Dat werkte. De naam van het poeder wil hem echter maar niet te binnen schieten.
‘Er schijnt een zuur te bestaan dat alle kwalijke geuren kan elimineren,’ fluistert Boris. `Does the name Bohr ring a bell? Bohr. You know what I mean? How do you pronounce it, Booohhh, Borrrr?’
Doelt hij op Niels Bohr, de chemicus en opsteller van het periodiek systeem der elementen?
`Met zuur zou ik oppassen,’ zeg ik.

Enkele weken later, als ik Boris tegenkom in het trappenhuis, vraag ik hoe het staat met zijn hygiënisch ongemak. ‘Uierzalf,’ zegt hij tevreden. ‘Ik smeer me in met uierzalf. Dat ruikt lekker en ik zweet minder.’
Ik knik. ‘En je bezwaarschrift?’
`Dat lijkt in orde. Ik kan voorlopig nog blijven. Ze hebben mijn verzoek om asiel opnieuw in beraad genomen.’
Boris vraagt of hij een keer mee mag rijden naar Brugge. `Er is daar een nieuwe audio-winkel die ik graag een keer zou bezoeken.’
Ik doe Boris een voorstel: ik zal hem naar de audiowinkel in Brugge brengen, als hij me vergezelt naar parkeerplaats Jabbeke aan de snelweg van Brussel naar Oostende.
`Waarom?,’ vraagt hij achterdochtig.
`Om te fungeren als tolk,’ zeg ik. Het terrein rond het Fina Pompstation staat bekend als een brandpunt van allerhande mensensmokkelnetwerken. Het is een pleisterplaats voor Oost-Europese chauffeurs die er tanken voor ze het Kanaal oversteken. Last stop before England wordt de plek wel genoemd, of de transitstrook. ’s Nachts is de parkeerplaats behalve een rustplek voor truckers ook een opstappunt voor vluchtelingen die een laatste poging willen wagen het continent achter zich te laten. Ze wachten op het juiste moment, het afgesproken transport, of voegen zich bij andere familieleden of lotgenoten die zich in een truck hebben opgesloten.
‘Wil je naar Engeland?’ vraagt Boris met grote ogen. ‘Je hebt toch een Schengen-paspoort?’
‘Ik wil een artikel schrijven over de parkeerplaats.’
Boris knikt bedenkelijk en vraagt hoeveel geld ik met dat artikel ga verdienen. ‘Nu ja… misschien heb ik nog interessante informatie voor je,’ zegt hij dan. Naar Jabbeke wil hij wel, als hij maar niet met de Rijkswacht in aanraking hoeft te komen.

Jaarlijks lopen bij Rijkswachtcontroles op de parkeerplaats van Jabbeke vele honderden illegalen tegen de lamp. De Engelse Immigratieminister Mike O’Brien rekende voor dat er ieder jaar minimaal achtduizend vluchtelingen zonder toestemming zijn land worden binnengesmokkeld met vrachtwagens. Voor O’Brien is de maat meer dan vol. Hij kondigde aan zware geldboetes in te zullen voeren voor vrachtwagenchauffeurs in wiens truck illegalen worden aangetroffen. Ruim zesduizend gulden per verstekeling.
Engelse en Belgische beroepsverenigingen van de transportsector reageerden boos. `Het is alsof je moet betalen als er in je huis wordt ingebroken. De meeste chauffeurs weten niet dat er mensen tussen de lading verstopt zitten omdat de vluchtelingen ongezien in de truck proberen te geraken. De verstekelingen kruipen overal tussen, je vindt ze zelfs bij de wielen onderaan het chassis of op het dak, waar ze het dekzeil openscheuren. Soms levert dat levensgevaarlijke toestanden op. Illegalen worden vermorzeld tussen de wielen of de lading van de truck die hen vervoert, of ze stikken vanwege gebrek aan zuurstof.
`De verstekelingen snijden het canvas stuk,’ weet Boris. `Met een stanleymes. Dan naaien ze alles weer dicht met naald en draad, zo secuur mogelijk zodat de sporen van de ingreep nauwelijks nog te zien zijn. Het dichtnaaien van het canvas neemt ongeveer anderhalf uur in beslag.’
`Hoe weet je dat?’
`Ik heb in Oostende gewoond in een asielzoekerscentrum vlakbij de haven. Daar verdwenen voortdurend medebewoners op deze wijze naar Engeland. Ze overlegden op hun kamers over hun plannen voor de overtocht.’
Naast de chauffeurs die ongewild te maken krijgen met verstekelingen, zijn er ook vrachtwagenrijders die weldegelijk op de hoogte zijn van hun illegale lading mensenvlees. Mensensmokkel is een uiterst lucratieve handel, waar nog meer profijt uit te halen valt dan uit drugs. Steeds meer georganiseerde bendes beginnen zich er daarom op toe te leggen. Transporteurs kunnen met een transport tussen de duizend en zesduizend dollar ‘per kop’ verdienen. Dit laatste maakt de gewone truckchauffeurs alleen maar angstiger. Hoe bewijs je de politie dat je echt van niks wist? Sommige transportfirma’s in Belgie laten hun chauffeurs alleen nog via de shuttle in Calais rijden, waar de trucks automatisch gecontroleerd worden door middel van een warmtedetector. Vroeger werd die enkel gebruikt om te controleren of chauffeurs dieren bij zich hadden. Nu gebruiken ze die ook voor mensen.

IV

`Nothing going on,’ zegt Boris als ik mijn gele bestelwagen op het parkeerterrein heb geparkeerd. We zien de boel een tijdje aan, zonder dat er wat noemenwaardigs gebeurt. Boris wil vast door naar de audiozaak in Brugge. Hij weigert uit de auto te komen. `Er zijn hier geen Russen,’ zegt hij. `En Pools spreek ik niet.’
Ik probeer een praatje te maken met een Poolse cauffeur die bezig is zijn truck vol te tanken met Diesel. Hoewel ik op een meter afstand van hem sta, doet de man of ik niet besta. Hij kijkt dwars door me heen. Uit de cabine stapt een vrouw van middelbare leeftijd met een pannetje in de hand. Veel Oost-Europese chauffeurs reizen rond met hun echtgenotes. Omdat ze zo lang van huis zijn, maar ook omdat ze vaak geen huis hebben. Ze wonen in hun truck.
Ik stap opzij voor de vrouw, en ga vlak voor de pomp staan van de Pool. Als ik de man aanspreek schudt hij resoluut zijn hoofd.
De chauffeur van transportfirma Kadar Trans uit Budapest is spraakzamer. In rudimentair Duits maakt hij me duidelijk dat hij zijn vrachtwagen altijd nauwgezet controleert voor hij na een rust- of tankstop verder rijdt richting de haven van Oostende of Zeebrugge. Hij heeft zelf nooit illegalen aan boord gehad, daar is hij zeker van. `Bei mir keine Chance,’ zegt hij. De chauffeur leidt me rond zijn wagen en toont me de inhoud van zijn trailer. Leeg. Om er zeker van te zijn dat zijn wagen ongemoeid is gelaten, bevoelt de Hongaar gewoonlijk het blauwe canvas dat over de roosters van zijn laadwagen is gespannen. Oneffenheden kun je niet altijd zien, vooral als het donker is. Aan de rechterkant van de truck valt op dat het zeil op sommige plekken is gescheurd en gerepareerd. Die inkepingen, zegt de chauffeur, zijn veroorzaakt door slijtage of door scherpe houtsplinters van pallets die bij het laden of lossen het doek hebben beschadigd. De scheuren zijn te grillig om met mes te zijn veroorzaakt. De openingen zijn te klein voor een mens om er zich doorheen te wringen.
Ik rijd met Boris verder, de E40 op, naar de haven van Oostende, het gedeelte met de langgerekte kades en pakhuizen, waar de trawlers aanmeren en dat bekendstaat als `de vismijn’. Visgroothandels verwerken er de verse vangst en distrubueren de vis verder naar de detailhandel en supermarkten. Particulieren kunnen er terecht om tegen voordelige prijs oesters, kokkels, kreeft, krab, langoustine, kabeljauw, zalm en rog te kopen of geprepareerde stukken heilbot en zalm.
De vismijn maakt een vervallen indruk. Heel wat vissers laten hun vangsten tegenwoordig liever in buitenlandse havens veilen. Dat levert meer op en kost minder tijd. De schepen kloppen aan bij veilingen langs de Britse en Deense kust, dichter bij de wateren waar ze hun netten uitwerpen. Er komen minder en minder schepen terug naar de vismijn.
Ik parkeer mijn wagen voor zeevisgroothandel Hector Eerebout. Boris vertelt dat hij hier altijd vissenkoppen ging halen en restanten zalm en heilbot, voor de zwerfkatten van Oostende. ‘En voor mezelf.’ Boris instrueert: ‘De vissenkoppen waar nog behoorlijk wat vlees aanzit dompel je onder in een teil met lauw, gezouten water. De vis moet minimaal een halve dag in de pekel, liefst een etmaal. Dan eet je de koppen rauw met mosterd en bruin brood, of je trekt er soep van. Heerlijk en het kost niks.’
In Brussel is er helaas geen visafslag, zegt Boris, en de luxueuzee vistraiteurs in het centrum of de Marollen zijn een stuk minder gewillig in het laten rondscharrelen van een Russische asielzoeker in hun afvalbakken, dan de vissers en visverkopers in Oostende.
Op de overdekte afslag staan witte vriesdozen van piepschuim die volgeladen zijn met onbruikbare resten vis, vooral staarten, stukken graat en grijsblauwe koppen met uitpuilende, glazige ogen. Meeuwen zwermen over het water en blijven al krassend in de buurt van de kade cirkelen. Boris laadt wat zalmkoppen in een plastic tas. `I love that soup that I make from fish-head,’ mijmert hij. `It’s so tasty.’
We stappen weer in de wagen, rijden terug langs de kaden over de ophaalbruggen bij de ferryterminals, naar een onbewaakt parkeerterrein voor trailers dat toebehoort aan de Ostend Cargo Handling Services. Boris zegt dat vluchtelingen hier ’s nachts in de trailers proberen te geraken. De andere parkeerterreinen zijn te goed bewaakt en omheind met metershoge hekwerken en videocamera’s.
Ik knoop een gesprek aan met een trucker die bezig is een trailer te lossen. De man spreekt Westvlaams, heeft een ringbaardje, en verwijst me naar Zeebrugge: `Ginds krabbelen de meeste in de schuutse. Ga daar maar ‘ns gluren. Bij mij zulde gene vinden.’
We rijden naar zee, passeren een vuurtoren, een haventje waar plezierjachten liggen en waar ook een baggerschuit ligt aangemeerd. We parkeren de auto op een zandweggetje dat naar een oude militaire citadel leidt en waar zich nu een hondentrimschool bevindt. De bumper van de terreinwagen voor ons is beplakt met een sticker waarop staat: `Dieren hebben ook gevoel’. Baasjes met hun Bello, Lupo of Bruno achterin rijden voorbij. Links onder ons ligt het strand, rechts liggen de duinen met bunkers die door de Duitsers zijn gebouwd. Een houten paneel geeft op ouderwetse wijze aan wat er hier zoal aanspoelt. `Op het strand vind je schelpen, overblijfselen van dode vissen en kreeftachtigen. Maar ook: turfblok, drijfhout, eikapsel wulk, knotswier, eikapsel rog, bladachtig hoornwier, rugschild inktvis, noordzeekrab, oorkwal, flessen met eendenmossel, zwaardschede wulken.’ Wat niet vermeld staat: asielzoekers. Toch spoelen ook die hier aan in aanzienlijke getalen. Jutters betaald door de staat sprokkelden tot voor kort hele busladingen samen in een gebouw dat verderop aan de wering ligt verscholen tussen de duinpannen. Boris heeft er bijna twee jaar gewoond.
Fabiola heet het centrum; het heeft drie verdiepingen, balkongalerijen met uitzicht op zee, grote ramen, en het maakt deel uit van een desolaat complex met kazernes dat vroeger dienstdeed als militair hospitaal. Zowel het hospitaal als het asielzoekerscentrum zijn nu verlaten en staan te koop. Om de grauwe gebouwen staat een uitgestrekt hekwerk, met borden die waarschuwen dat er waakhonden en soldaten de wacht houden. Links van het centrum, half in de duinen, staat een houten uitkijktoren die uitziet over een groot deel van de kazernes. Het terrein krijgt hierdoor zowel iets van een leeg kuuroord als een concentratiekamp.
`Look, wasn’t it nice!’ Boris slaakt een diepe zucht. Hij arriveerde hier eind 1994 met een door de vreemdelingendienst gehuurde toeristenbus die wekelijks vanuit het Klein Kasteeltje, het centrale asielzoekerscentrum in Brussel, vertok richting de kust. De buslijn wordt door het personeel van het Klein Kasteeltje cynisch `the delivery-line’ genoemd; de bezorgdienst die asielzoekers aflevert, als pakjes of pizza’s, tot aan de deur van de centra. Fabiola was de eindhalte. `Het uitzicht op Engeland kreeg je er gratis bij,’ zegt Boris. `’s Morgens stond ik op, schoof de gordijnen open, knipoogde naar de meeuwen, en piste van het balkon. Woahhh, wat een tijd!’ De Rus schopt in het zand en spuugt, de handen in zijn zakken.`In het begin, toen ik hier kwam wonen, lette ik nooit zo erg op het uitzicht, op de uitvarende schepen, de contouren van de stad aan de overkant van de haven. Ik probeerde werk te vinden, had een oogje op een mede-azielzoekster, een Russin van mijn leeftijd. Ik dronk bier in café’s, voerde vissenkoppen aan de zwerfkatten. Het was een goede tijd.’
Ik vraag waarom hij er destijds is weggegaan. Boris zegt: `in het Russisch is er een gezegde dat luidt: in een mooi huis woon je mooi, maar aan de overkant woon je nog mooier.’
Later bekent hij: ‘het was vanwege de liefde.Toen het uit was met de Russin, wilde ik hier niet langer blijven.’ Boris spuugt een fluim op de grond. `Vrouwen willen vastigheid. Ik ben geen man voor lange relaties.’ Hij lacht wrang. `Eerder een man van problemen.’
Hij verhuisde naar een kleine voorstad in de provincie. `Als je in de modder leeft, word je vanzelf vuil,’ zegt Boris. `Ik wilde niet in de modder leven. De modder, dat is Antwerpen, een vrijhaven voor de Russische maffia. Ik zou er zeker aanbiedingen krijgen om wat bij te verdienen, aanbiedingen van landgenoten, en het zou veel te moeilijk zijn om nee te zeggen. Russen uit Antwerpen ga ik uit de weg. Ik mijd ze.’
Boris wil niet mee naar binnen klimmen. Hij heeft slechte ervaringen met de bewaker, die het niet kon hebben dat Boris zijn stinkende vissenkoppen in een koelbox in het centrum bewaarde. Staand op het achterterras van het gebouw, zie ik dat de trappen die leiden naar de balkongalerijen zijn afgezet met rollen prikkeldraad. Ik tuur door de vuile ruiten, zie een verlaten ruimte met witte kasten en een roestvrijstalen aanrecht, linoleum op de vloer, een hoop troep en stof. De deur van de keuken staat open en daarachter zijn de kazernes zichtbaar.
`Alles leeg,’ zeg ik tegen Boris, die is gaan zitten op de zeewering.
`Zelfs geen bedden? Er stonden metalen bedden! En lockers, er stonden lockers in de kamers!’
`Alles leeg.’
De wind blaast in onze haren. Boris vraagt of we nu dan eindelijk naar Brugge kunnen rijden. Hij spuugt op in het zand en neemt een van zijn kleverige, langwerpige zuurtjes in de mond.
‘Hier zou ik graag willen wonen,’ mijmert Boris als we door de statige, sombere lanen rijden van Brugge. Hij vraagt of hij even `voor privézaken’ langs kan gaan op een adres aan de rand van de binnenstad. Ik moet op hem wachten in de auto. ‘Privézaken zijn privézaken,’ zegt hij, en hij belt aan bij een herenhuis. Een kwartier later komt hij terneergeslagen weer naar buiten. Zijn Russische gevloek klinkt als het gesputter van een kapotte uitlaat. `De prijs van mijn obligaties is gekelderd,’ legt hij uit. ‘Een goeie investering, hadden ze beloofd. Pfff!’
We eten een bakje friet met sauce américaine op de Grote Markt, bij een houten kot. Jongeren draaien rondjes op de schaatsbaan. Een housebeat blaast ons tegemoet. Terug in de auto steekt Boris een tirade af tegen Amerika `where blacks are kings’. Vanwege de zwarten wil hij nooit naar Amerika. Zwarten zijn veel te uitbundig. `They are so rude, they behave like apes…’ Hij houdt van mensen die beheerst zijn. Mensen die het hoofd koel houden.
Wie er ook aan moeten geloven in Boris’ betoog, zijn de Finnen. Finland is eigenlijk altijd een provincie van Rusland geweest. Boris weet hoe het zit, want zijn familie heeft een dacia – een houten buitenhuisje – in Karelië aan de grens met Finland.
In de sjieke hifi-zaak kent Boris geen enkele gêne meer. Hij huppelt rond als een opgetogen kleuter en bestookt de verkoper in de showroom met gedetailleerde vragen. De man krabt zich achter de oren, vraagt of Boris plaats wil nemen in de zachte fauteuil, en komt even later aanzetten met allerlei folders en koffie. Gewillig laat Boris zich de ins and outs uitleggen van de allernieuwste Denon-geluidsdrager, knikt tevreden als hij zijn kopje op heeft en groet de verkopers die verbluft achterblijven in de glazen ruimte. `Kom Serge, laten we gaan. Deze zaak is niet wat ik me ervan voorstelde.’

V

Een maand later stroomt het water in stralen van het plafond. Boris heeft de douche laten overstromen. Hij komt van de trap af gestommeld met emmer en dweil en verontschuldigt zich in alle toonaarden. ‘I had a blackout,’ zegt hij. Het water druipt zelfs van de traptreden.
Een dag later klinkt weer het bekende geklop op de deur. Het is Boris die me een strijkbout toont. En een vaal schoudertasje. Hij vraagt of ik de spullen niet wil kopen. `Ik heb geld nodig, zie je…’
Boris zegt dat hij een gehoorapparaat wil aanschaffen voor zijn vader in Rusland.
Zijn meest geliefde bezit, de Sony minidisc, heeft hij daarom verkocht aan het studentenpaar op de overloop. `For quite a good price’. Hij was tot de verkoop overgegaan in de veronderstelling dat hij zijn apparaat bij tijd en wijle nog wel zou mogen lenen. De pech wilde echter dat de jongen de minidisc als verjaardagsgeschenk aan zijn vader cadeau deed. Het apparaat staat nu ergens in een huiskamer in een afgelegen dorp in West-Vlaanderen.
Voor ik de deur weer dicht doe vraagt Boris of ik misschien geïnteresseerd ben in zijn Pioneer tv. Hij heeft een vriendenprijsje in gedachten van tienduizend Belgische francs (tweehonderd Euro). Een buitenkansje, zegt hij, want zelf heeft hij er het dubbele voor betaald en het apparaat verkeert nog in perfecte staat.
`Zul je er geen spijt van krijgen?’
`Misschien dat ik nog af en toe de beursberichten bij je mag komen bekijken…’
Zeven dagen later heeft Boris zich op zijn kamer opgesloten met wat blikjes bier. Ik wil hem uitnodigen voor een avondmaaltijd, maar hij blijft liever binnen. `Ik kan niet alles verklappen, maar laat ik dit zeggen: die stomme ezel van een Bill Clinton is m’n beste vriend, ha ha ha! In zijn domheid is hij me zeer behulpzaam geweest, hi hi. Uitstekend! Meer kan ik niet zeggen, ik ben wat duizelig van het bier. De volgende keer als ik nuchter ben, leg ik het je wel uit… Trouwens, ga je nog naar Antwerpen binnenkort?’
Ook vraagt hij of hij zout kan lenen. Een heel potje graag, want hij heeft een voorraadje zalmkoppen bijeengescharreld en is bezig met het bereiden van de pekel. `Morgen kom ik je een portie brengen,’ belooft hij, `als de zalm voldoende heeft kunnen weken.’
Boris komt zijn belofte niet na, want de volgende dag blijkt de Rus met de noorderzon vertrokken. De zalmkop blijft me gespaard.

VI

In het houten postbakje stapelen de brieven van de Beroepscommissie, de Dienst Vreemdelingenzaken en van beleggingsbureau De Moor, De Perre & Van Mys zich op. Ook de huisbazin, mevrouw Jeanette, heeft geen flauw benul waar haar Russische huurder is gebleven. Is hij terug naar Sint Petersburg, op bezoek bij zijn sukkelende vader en zijn werkeloze broer? Is hij op de vlucht geslagen voor de ‘modder uit Antwerpen of Brussel’? Heeft hij onverwacht zijn slag geslagen op de optiebeurs?
Ongerust of ontdaan is ze niet. Boris is haar geen huurgeld verschuldigd, en ze heeft nog genoeg studenten om van te leven. Mocht er zich nu een nieuwe gegadigde voor het kamertje van twee bij anderhalf aandienen, dan heeft ze geluk. Zo niet, tant pis. De boel moet daarboven toch eens dringend in de verf. Het Pioneer tv-toestel dat ze in mijn werkkamer ziet staan, wil ze terug. Ze had het aan Boris uitgeleend omdat hij geen geld had en geen vrienden. ‘Een tv verdrijft de stilte,’ weet mevrouw Jeanette. ‘Die arme Russische mens was eenzaam, hè. Dat zag je er wel aan af. En je rook het, hè. Een geluk dat hij mijn toestel niet heeft meegenomen.’

 ‘What kind of beer is that Erdbeer?’

In de negentiende eeuw, ontsproten nationale culturen uit de verbeelding van de schrijvers, geleerden en historici. In de 21ste eeuw, staan we voor de uitdaging om Europa van top tot teen gestalte te geven. Hopelijk geschiedt dat niet alleen op institutioneel of administratief niveau. Het grondleggen van de veelvormige Europese cultuur, zal iets zijn waar de jongste en komende generaties zich mee bezig zullen houden. Ook de kunstenaars, schrijvers, filmmakers – en dus niet alleen de politici en zakenlieden – kunnen er niet omheen de vraag te stellen wat Europa voor hen betekent.
In de talloze extra bijlagen die de afgelopen weken aan de uitbreiding van de Europese Unie, kwamen tal van aspecten aan de orde: economie, demografie, immigratie, politiek, militair. Over cultuur werd met geen woord gerept. Een pijnlijke omissie van de redactie, of een teken aan de wand? Als het om de voortschrijdende eenwording van Europa gaat voeren merkantilistische -, economische en veiligheidsbeginselen de boventoon. De cultuur, meestal toch de grondslag voor iedere cohesie tussen volkeren, hobbelt er op z’n gunstigst een beetje achteraan. Of wordt, zoals in De Morgen, helemaal buiten beschouwing gelaten. ‘Erst kommt das Fressen, dan kommt die Moral’, schreef Bertold Brecht al.
Toch is dat wel eens anders geweest.

György Konrad

György Konrad, president van de Akademie van de Kunsten in Berlijn, sprak vorig jaar een rede uit in Berlijn, voor een gehoor van honderd Europese schrijvers uit 43 landen die gegrondvest zijn op het Europese erfgoed, van Armenie tot Spanje. ‘Als de EU u menens is, moet u ook bereid zijn af en toe in de huid van andere Europeanen te kruipen’, hield Konrad zijn publiek voor. ‘Bijvoorbeeld door middel van literaire boeken, die vertaald en verspreid moeten worden in heel Europa. Europa is een continent van woorden.’

Konrad zei dit op de Bebelplatz, voor de Von Humboldtuniversiteit, de plek waar de Nazi’s op 10 mei 1933 boeken van joodse schrijvers en entartete intellectuelen hebben verbrand. En waar de Israelische beeldhouwer Misha Ullman een ondergronds boekendepot heeft gemaakt met witte, lege boekenplanken, die zichtbaar zijn via een glazen plaat tussen de kasseien waarop een macabere voorspelling uit 1810 van Heinrich Heine te lezen staat: waar boeken worden verbrand, zullen ook eens mensen worden verbrand.

In de negentiende eeuw, ontsproten nationale culturen uit de verbeelding van de schrijvers, geleerden en historici. In de 21ste eeuw, staan we voor de uitdaging om Europa van top tot teen gestalte te geven. Hopelijk geschiedt dat niet alleen op institutioneel of administratief niveau. Het grondleggen van de Europese cultuur zal iets zijn waar de jongste en komende generaties zich mee bezig zullen houden. Ook de kunstenaars, schrijvers, filmmakers – en dus niet alleen de politici en zakenlieden – kunnen er niet omheen de vraag te stellen wat Europa voor hen betekent. ‘Voor mij betekent het, onder meer’, vertelde Konrad in Berlijn, ‘dat niemand er als enige over kan heersen. Velen hebben het geprobeerd, maar niemand is erin geslaagd. Geen van hen kon op tegen de Europese individuen.’
Het welvaren van Europa is onlosmakelijk verbonden met pluralisme. Het boeket bloeit als de bloemen zich openen, zonder dat het geheel uiteenvalt. Het Europese humanisme, dat het menselijk bestaan ziet als een streven naar vrijheid, kan als bindende kracht fungeren binnen dit pluralisme. De samenbindende rol van de EU is nog altijd zo oppervlakkig, dat niet meer dan een duizendste van het budget besteed wordt aan cultuur (dat is twintig keer zo weinig als op het gebied van defensie). Europa moet de vertalingen van boeken en de publicatie van boeken in de diverse landen stimuleren. Dit is iets dat vanzelfsprekend moet worden, omdat het wederzijdse begrip tussen de naties erdoor versterkt. Het zou er een principe van moeten maken om ook films en muziek uit andere Europese landen onder de aandacht te brengen, via beschikbaar stellen van fondsen en het organiseren van festivals waar Europeanen dat ‘kijkje in elkaars ziel’ kunnen krijgen waarover Konrad sprak. Van een Europese literatuur was al sprake lang voor het idee ontstond voor een Europese Kolen en Staal Gemeenschap. De Europese literatuur en cultuur zijn gelukkig niet afhankelijk van de Europese Unie, maar wanneer het omgekeerde het geval is (als de EU zich niets gelegen laat liggen aan de cultuur en literatuur van haar lidstaten) zal een groeiende onverschilligheid ten aanzien van de medeburgers de cohesie van de EU uiteindelijk zeker parten spelen. Dan blijkt de eenwording niet meer dan een lege huls, en de minste of geringste crisis het geheel uit elkaar doen vallen.

‘What kind of beer is that Erdbeer?,’ vroeg de Armeense cineast en scenarioschrijver David Matevossian, me onlangs op het terrasje van een ijssalon in Dortmund. De spraakverwarring tussen Europeanen zal er ondanks de nakende eenwording voorlopig wel niet minder op worden. Ondanks dat blijft verbroedering mogelijk, mits we niet met de rug naar de andere Europeanen gekeerd zullen blijven. De huidige balans is wat dat betreft weinig hoopgevend. Nederlanders kijken liever reikhalzend naar de andere zijde van de Atlantische Oceaan, dan dat ze zich oprecht interesseren voor de boeken van schrijvers of cineasten uit Estland of Bulgarije. En in Belgie is het nog curieuzer. Zelfs de meest toonaangevende schrijvers in het franstalige gedeelte (Nicolas Ancion, William Cliff) geven toe nog nooit ook maar een boek gelezen te hebben van pakweg Hugo Claus (zelfs niet in vertaling). Andersom is het overigens niet veel beter gesteld, zo leert een vragenrondje onder mijn literaire vrienden in Brussel. Op mijn vraag welke hun favoriete franstalige belgische schrijvers zijn, weten ze in het gunstigste geval alleen enkele dode kanonnen te noemen (Michaud, De Maeterlinck, De Coster). Amelie Nothomb categoriseerden sommigen als ‘een franse schrijfster’.
‘Europa is een continent van woorden,’ zei György Konrad op de Bebelplatz. En hij vertelde daarbij de anekdote van de Boeddhistische monnik uit Japan die terugkeert na een bezoek aan Europa. ‘En, hoe zijn de Europeanen?’ willen zijn collega’s weten. Zijn antwoord luidt: ‘aardige mensen. Alleen praten ze teveel…’. De eenheid in Europa is nog ver te zoeken, maar misschien is dat maar goed ook. Verscheidenheid vormt juist de kracht en schoonheid van ons continent. Culturele eenheid is stilstand, verstarring en monotonie. Het uitzicht vanaf de toren van Babel is veel adembenemender dan dat vanaf de begane grond. Maar om die verscheidenheid niet tenonder te laten gaan in merkantilistische uniformering, zal de moraal van de Europese burgers ergens toch bereid moeten zijn om in het geweer te komen, en is een interesse in de andere Europeanen geen luxe maar noodzaak.

Serge van Duijnhoven

Kruidtuinlaan


OPROEP VOOR EEN EUROPA GEGRONDVEST OP ZIJN CULTUUR

Bernard Foccroulle, Algemeen directeur van de Munt, werd vandaag ontvangen door ROMANO PRODI, Voorzitter van de Europese Commissie, vergezeld van een delegatie Belgische artiesten, meerbepaald Jan Fabre en François Schuiten, en van een afgevaardigde van het netwerk IETM (Informal European Theater Meeting).  Tijdens deze ontmoeting heeft hij een oproep ten bate van een Europa gegrondvest op zijn cultuur, overhandigd aan Dhr. Prodi.  Dit verzoekschrift werd door meer dan 100 artiesten uit 20 verschillende landen ondertekend.

Hierbij vindt u de oproep, evenals een selectie van artiesten die deze oproep hebben ondertekend:

Oproep van de artistieke wereld:

“Voor een Europa gegrondvest op zijn cultuur”

« Europa als een idee is bij de mens gerijpt lang voordat er een regeringssysteem in het leven geroepen werd » (Giorgio Strehler)

Op het ogenblik dat de Europese Unie tien nieuwe landen verwelkomt wensen wij, Europese kunstenaars en culturele verantwoordelijken, een oproep te richten aan de staats- en regeringshoofden en aan de Europese instellingen.

Onze wereld wordt op dit ogenblik met een zware crisis geconfronteerd: de kloof tussen arme en rijke landen wordt steeds groter, honderden miljoenen mensen leven in onaanvaardbare omstandigheden, binnen de ontwikkelde landen heerst grote ongelijkheid, de toekomst van ons leefmilieu is uiterst onzeker, de opmars van het terrorisme en de spiraal van geweld verhogen de onveiligheid. In vele landen smoort het fundamentalisme elke vrijheid van meningsuiting en van denken in de kiem. Oorlog lost dergelijke problemen niet op: oorlog gooit olie op het vuur.

De wereld heeft het recht te verwachten van de Europese Unie dat die krachtig en eensgezind zou reageren, dat de Unie zou gehoord worden als een morele autoriteit. Welnu, het is duidelijk dat Europa niet de rol vervult die het zou moeten. Europa koestert nog steeds de illusie dat de Unie eerst en vooral een economische en monetaire aangelegenheid is, het lijkt afgesneden van zijn verleden, een speelbal van blinde krachten, terwijl het zou moeten naar voren treden als een project dat gegrondvest is op een erfgoed.

Natuurlijk, binnenkort zal de Europese grondwet aangenomen worden, algemene verkiezingen zullen op Europees niveau gehouden worden, burgers kunnen zich verdedigen tegen de willekeur van hun eigen staat, iemand die aan één Europese universiteit begint te studeren kan zijn studies aan een andere voortzetten. Dit zijn allemaal belangrijke vernieuwingen. En toch stuiten ze op een zo goed als algemene onverschilligheid bij de burger. Het is alsof Europa er niet in slaagt zichzelf zinvol te maken of anders over te komen dan als een supranationale bureaucratie.

Als Europese burgers zijn we allemaal erfgenamen van Homeros en Vergilius, Van Eyck en Michelangelo, Shakespeare en Cervantes, Bach en Mozart, Chopin en Liszt, Flaubert en Kafka, Eisenstein en Bergman. Met hun kunst schiepen zij een cultuur die ons een gemeenschappelijk verleden en een herkenbaar referentiekader overlevert, een cultuur die heeft bijgedragen tot het ontstaan van de democratische waarden. Die Europese identiteit die we allemaal delen ontstond veel vroeger dan de politieke constructie van het moderne Europa. Al eeuwenlang hebben artistieke en culturele uitwisseling zich niet gestoord aan staats- of taalgrenzen. Die contacten hebben het mogelijk gemaakt te verenigen wat gescheiden was en de wonden te helen van zelfs de bloedigste conflicten.

Het is aan ons om vandaag dit erfgoed door te geven aan de komende generatie, van het in ere te houden en te verrijken. Democratie kan niet bestaan als louter instelling, zelfs niet als enkel maar een organisatievorm. Democratie kwijnt weg als ze niet bezielt wordt door de krachten van de geest, van kunst, van onderzoek. Mocht het Europa van de productie en de consumptie het halen van Europa als beschaving, mocht Europa als één reusachtige markt de plaats innemen van Europa als cultuur, dan zou de wereldwijde crisis kunnen culmineren in een botsing tussen de krachten van het fundamentalisme en die van het materialisme. Die botsing zou wel eens even pijnlijk en vernietigend kunnen zijn als de ergste rampen die de mens in de vorige eeuw getroffen hebben.

Daarom:

1° verzoeken wij de staats- en regeringshoofden van de 25 lidstaten een Europese grondwet te stemmen die een echt beschavingsproject is, gebaseerd op ons cultureel erfgoed en op onze gemeenschappelijke waarden van democratie, vrijheid, eerbiediging van de rechten van de mens en van de menselijke waardigheid. Doelstellingen van economische aard dienen in die optiek gezien te worden als middelen, eerder dan als doel op zich.

2° vragen wij aan de regeringen van de 25 lidstaten en aan de Europese instellingen dat ze blijk zouden geven van een echte gemeenschappelijke politieke wil, dat ze een ambitieus Europees project op stapel zouden zetten dat in staat zou moeten zijn een Europese culturele identiteit te smeden die bestaat uit eenheid en verscheidenheid. Heel Europa zou een bruisende ruimte moeten worden, vol dynamiek door uitwisseling en creativiteit, met een vrij verkeer van ideeën, van werken en van hun auteurs.

3° ons bewust van het feit dat sommige projecten die onontbeerlijk zijn voor het versterken van de Unie niet direct op de steun van alle lidstaten kan rekenen, vragen wij dat de landen die het meest betrokken zijn bij het eenmakingproces nieuwe, gedurfde, federale initiatieven zouden nemen om de Europese zaak te bevorderen, vooral dan wat cultuur betreft. We richten ook een oproep aan de kunstenaars en de culturele verantwoordelijken opdat zij een actieve en zichtbare rol zouden spelen in hun steun aan een cultureel Europa.

Dit verstevigen van de Europese eenheid staat geenszins de culturele verscheidenheid in de weg, maar moet die integendeel beschermen en versterken. Bovendien is er een oprecht gemeenschappelijk streven nodig om op ons continent de communautaire uitwassen en de opflakkeringen van nationalisme te bezweren. Hetzelfde geldt voor de rest van de wereld: in de dialoog tussen de culturen waar heel de planeet dringend nood aan heeft moet Europa die rol vervullen die het als enige spelen kan op dit ogenblik. Dit is een historische en morele plicht.

Lijst van ondertekenaars :
Claudio Abbado, dirigent ; Pierre Alechinsky, beeldend kunstenaar ; Oswaldas Balakauskas, componist ; Alessandro Baricco, schrijver ; Cecilia Bartoli, zangeres ; Henry Bauchau, schrijver ; George Benjamin, componist ; Maurice Béjart, choreograaf ; Luc Bondy, regisseur ; Pierre Boulez, componist, dirigent ; Darko Brlek, directeur van het festival van Ljubljana ; Peter Brook, regisseur ; Philip Catherine, muzikant ; Liliana Cavani, cineast ; Riccardo Chailly, dirigent ; Patrice Chéreau, regisseur, cineast ; Hugo Claus, schrijver ; Matteo D’Amico, componist ; Luc et Jean-Pierre Dardenne, cineasten ; Alain de Botton, schrijver ; Anne Teresa De Keersmaeker, choreografe ; Michel Del Castillo, schrijver ; Mary Ann De Vlieg, coordinatrice IETM (Informal European Theater Meeting) ; Roddy Doyle, schrijver ; Serge van Duijnhoven, schrijver ; Abdel Rahman El Bacha, muzikant ; Peter Eötvös, componist, dirigent ; Jan Fabre beeldend kunstenaar, regisseur ; Matjaz Faric, choreograaf; Montserrat Figuerras, zangeres ; Bernard Foccroulle, muzikant, directeur van de Munt (Brussel) ; William Forsythe, choreograaf ; Luca Francesconi, componist ; Raffaella Giordano,  choreografe ; Heiner Goebbels, componist ; Klaus Michael Grüber, regisseur ; Gavin Henderson, voorzitter van de EFA (European Festivals Association) ; Hanz Werner Henze, componist ; Ruy Horta, choreograaf ; Peter Jonas, directeur van de Bayerische Staatsoper (München) ; Jaan Kaplinski, voorzitter van de schrijversvereniging van Estland ; Gintautas Kevinas, festival van Vilnius ; Ilona Kish, voorzitster van de EFAH (European Forum for Arts and Heritage) ; Ivan Klima, schrijver ; Yannis Kokkos, regisseur ; Tvrtko Kulenović, schrijver ; Stéphane Lissner, directeur van het Festival d’Aix-en Provence ; Amin Maalouf, schrijver ; Gerard Mortier, directeur van de Ruhr-Triennale en de Opera van Parijs ; Antonio Muñoz Molina, Nobelprijs literatuur ; Riccardo Muti, dirigent, muzikaal directeur van de Scala van Milaan ; Anne-Sophie Mutter, muzikante ; Robert Palmer, voorzitter van de vereniging van culturele hoofdsteden van Europa ; Antonio Pappano, dirigent, artistiek directeur van het Royal Opera House (Covent Garden); Lluis Pasqual, regisseur ; Izabela Pazitkova, Muziekfestival van Bratislava ; Alain Platel, choreograaf ; Georges Prêtre, dirigent ; André Previn, dirigent ; Thomas Quasthoff, zanger ; Wolfgang Rihm, componist ; Luca Ronconi, regisseur ; Peter Ruzicka, componist, directeur van het Festival van Salzburg ; Kaija Saariaho, componist ; Jordi Savall, muzikant; Wolfgang Sawallisch, dirigent, François Schuiten, tekenaar, decorontwerper ; Andrei Serban, regisseur ; Eric-Emmanuel Schmitt, schrijver  ; Salvatore Sciarrino, componist ; Fiona Shaw, actrice ; Johan Simons, regisseur ; Ibrahim Spahic, directeur van het Winterfestival van Sarajevo ; Peter Stein, regisseur ; Wislawa Szymborska, Nobelprijs literatuur ; Ritsaert ten Cate, beelden kunstenaar ; Toots Thielemans, muzikant ; José van Dam, zanger ; Anne Sofie von Otter, zangeres ; Andrzej Wajda, cineast ; Krzystof Warlikowski, regisseur.

Charlotte Lucy Gainsbourg – on THE TREE

Charlotte Lucy Gainsbourg – on THE TREE
 
interview by Serge van Duijnhoven
 
On the last day of the Cannes Filmfestival 2010, French actress and singer-songwriter Charlotte Gainsbourg talked to IFA-moviecritic Serge van Duijnhoven about her new and slightly metaphysical movie The Tree (directed by Julie Bertuccelli), her disattachment from nature, the shootingperiod in Australia, her upcoming new project with Lars von Trier, about the parallell but seperate universes of music and movies, Charlotte’s recovery from her cerebral haemorrhage in 2006, her latest concept-album IRM (produced by Beck) that resulted from this ordeal, and the experience of living a life in the shadow of one’s father-genius.
 
© IFA-Amsterdam – Serge van Duijnhoven 2010

for publication of the complete article, please contact: ole@ifa-amsterdam.com


 
 
R E L E A S E      D A T E S      T H E    T R E E

 
COUNTRY                DATE
 
France                       11th of August 2010
Switzerland              18th of August 2010
Belgium                    25th of August 2010
Spain                         17th of December 2010
 
C O N C E R T S  

22/07/2010 – LONDON ENGLAND

Movietrailer The Tree:
http://www.facebook.com/video/video.php?v=398209969394&oid=125213514291

 

Charlotte Gainsbourg has established herself as a talented actress of international repute. Honoured in 2009 with the prestigious Best Actress prize at the Cannes Film Festival for her transcending role as a mourning mother going bezirk in Antichrist, Lars von Trier’s latest production, Charlotte has brought truth and originality to a diverse, and often challenging, array of roles.
               Actress, fashion-icon, singer-songwriter, in each of these fields Charlotte Gainsbourg managed to impose her sensibility as a defining trademark. She is not so much impressed by the estafette of successes , as that she finds it all remarkable and strange. Because she did it all “a rebours”’ – much against the drifting tide of her tempers and hesitations. She still is, in so many ways, the pale faced, frail and skinny bodied adolescent girl from L’effrontee. A role she played with so much natural devotion back in 1986.
 
Charlotte Gainsbourg is known and reknown for her perfectionism. Her in depth preperations of the scenes she needs to play in front of the camera. Her close reading of the script. The research she puts into the study of her character. She seems the kind of woman who is not able to fail, even though she never immediately deems herself high enough to succeed. This attitude is not based on some false humility. All the more, it is based on a character that has sharpened and deepened itself through the years by the shere force of its inherent persistence and the overwhelming drive to methodologically overcome its insecurities. She is a lady who is successfull against her odds, not because of them. Precisely this, gives her character its genuinity and even – the more she comes of age – a glance of heroism. She was able to carefully build an impressive international career as an actress who was lucky enough to have worked with some of the true cinematographical geniuses of the century like Sean Penn, Charlotte Rampling, Alejandro Gonzales Inarritu, Lars von Trier and John Hurt. 


in the studio with Beck, Los Angeles 2009

            As a singer-songwriter, hesitantly and reluctantly, Charlotte is – just like her father and mother – now proceeding her own path too. Not forgetting about the gravity and uniqueness of her father’s stardom in this field. But for the first time also by performing live on stage without being hampered by the shere force of Serge’s historical reputation. Charlotte Gainsbourg is  one of those truly original characters who is becoming more interesting, sincere and profound, the longer one is able to look at her on screen, listen to them on stage, or follow them from nearby. Such as I had the chance at the International Filmfestival in Cannes or at the stage of one of her concerts during her IMR 2010 tour.
          “I am not a singer for the masses”, affirms Charlotte Gainsbourg during a round table discussion I had with her together during the latest Cannes Festival with a few other chosen journalists from European, American and Australian origin. “Nor do I consider myself to be a singer or actress destined for obscurity. I am probably one of those people who cannot help but being themselves, whatever role they play or whatever song they sing. The only thing I can do, is to play that role and sing that song the best I can. With all my proper energy and dedication. Now this task, to be myself as much as I can, is not an easy thing at all. Actually, it is horror. I do not know exactly where my inhabitations find their origin. But I do know that, because they exist, I probably do the things I do. And the way I do them. It might be that by trying to master my impulses, I purely follow them. Now that, to me – being a control-freak – is quite a depressing thought, indeed. So I do not try to think about it at all. You know what I mean?”

            “It’s strange. I don’t really identify myself with labels like “artist” or “musician.” What I do and the decisions I make – whether to make music or be in a film – are very instinctive and I only understand much later, in retrospect, my reasons for doing things. I try not to be too analytical and try to trust my instincts instead. To trust a bit in fate. The chance of trial and error, retreating and doing it once more in a slightly different way. There is no perfect way to proceed. Not one path towards progress. This is something I have to learn time and again. The only thing that counts, is the action itself. This may sound simple. But it is not. One has to find oneself. That is a huge if not impossible task. Because the self – infathomable as it is – may eventually not even exist. Now fathom that.” She laughs. Rolls her spoon through the plastic cup of her tea – that has cooled off since quite a while. She seems in a dreamy mood. Not very comfortable. Not very concentrated. Avec la tête dans la lune, as the French say so pointingly. With her thoughts somewhere else. To be precise: with her eyes gazing in her plastic cup of cooled off tea.
          In September 2006, Charlotte Gainsbourg sustained a head injury while waterskiing. Persistent headaches prompted her return to the doctors, who, after conducting neurological tests and an MRI, discovered a brain hemorrhage that was caused by the accident. The prognosis was serious, Gainsbourg explains: blood clots, and a small hematoma, had gathered around her brain. To save her, the doctors drilled a small hole into her skull in order to release the blood. The procedure worked, and in coping with the shock of it all, the singer learned that maybe those medieval doctors were on to something. “My realization wasn’t that dramatic as the surgery itself,” she qualifies, “but I was very, very close to death. I thought I was very courageous toward life and death, and I didn’t really care, but when it happened, I realized how scared I was.”
            “I don’t tend to analyse my behavior too much. After the waterski accident of 2006 and the following operation on my brain, I didn’t consciously go out and say, “I’m going to do an album and call it MRI and it will be cathartic.” It all happened randomly and it was only afterwards that everything made some sort of strange sense. I was thinking about the experience of the MRI, the sounds that surround you when you are in the machine and I wanted to experiment with those. I loved Beck and met with him and it just felt like a natural progression. He had written the lyrics “drill my brain full of holes” without having any idea of what I’d gone through. It was a total coincidence. It was through conversations with Beck and memories of that time in my life that the accident became the focus in some ways of my new music album.”
       Serendipity put her in the path of Beck Hansen, whom she met at a White Stripes concert in L.A. She and the singer-songwriter had a brief conversation, initiated by their common bond, producer Nigel Godrich (Radiohead, U2, R.E.M.), who had worked on Gainsbourg’s 2006 return to music, 5:55, and three of Beck’s most critically acclaimed records, including Sea Change. Gainsbourg and Beck met again, backstage at a Radiohead show in Paris, which prompted her to explore the possibility of making a new record. She called Beck and was soon working with him in his Silver Lake home studio. Casually, the two began to record, minus any concrete expectations.
            The sound, as with many of IRM’s string pieces, faintly resembles the sensual, warm string sections of Gainsbourg’s father’s. (Beck, in fact, sampled Serge’s “Cargo Culte” on his track “Paper Tiger,” on Sea Change.) “I think they use strings in an entirely different way,” she says of her father’s propensity to use arrangements as a punctuation, as opposed to the Beck family’s more atmospheric runs.
            “My creativity comes out with others,” Charlotte acknowledges. “That’s why it is such a pleasure to be involved with Beck. I can’t do anything on my own. I like the idea of entering someone else’s world. I find more freedom inside someone else’s work rather than being completely free, and able to create anything.”
            “I try to combine acting and singing. And not let the one being jeopordized by the other. I had to turn down films in order to do this IRM tour that I am doing now. I regret but that’s how it is. I only will stop my tour on demand of Lars von Trier, who asked me to do a new film with him – Melancholia. And that project I consider to be more important than my music at that time.”


Charlotte handing over the Palme d’Or to Thai director Apichatpong Weerasethakul – May 23rd 2010, Cannes
 

Are you ready for a second Lars experience?
 
“Oh yes! (laughter) Many people have said, “Oh my God, you’re working with Lars again?” but I’m actually very happy to work with Lars again. I am going into this new project in some ways with my eyes closed. I’ve read the script of course, it’s a very Lars version of science fiction, but I’m not sure what to expect, which is of course very exciting to me. I loved working with him, there were no negative aspects of any kind. He was very sweet. Although who knows what will happen with this next project, maybe he’ll become a monster! No really. His genius, that I want to be close to again. The experience of being directed by him was so special. I really had never experienced something like that before. Now that I’ve done quite a few movies, more than the script, its my relation towards the director that counts in the first place. July Bertuccelli is a very different director than Lars von Trier, of course. For her, sensibility comes up first. It was her I was working for, while doing The Tree. I was not thinking about Lars.”


Notebook of Charlotte, kept during her shooting period for The Tree

 
Was your role as a young but grieving mother in The Tree also a discovery into the realm of family, in some way?
 
“A discovery not, but exploration yes. I like that aspect of the character that’s she is not coping well with being a mother in the beginning. She can’t cope with that loss. The only thing that brings her to life, after a while, are her children. And that man. I liked that journey. I like the fact that she wasn’t a good mother. I like people’s faults. I got to grow very close to the children that are playing a role in this movie. And also with my own children coming over at a certain stage during the process, we all became like some sort of family as it were. A big group. In the beginning I was nervous that people were not going to believe that I am the mother of these children. These were very small children. But it all became very natural. They all have their own character. Of course we had a lot of rehearsals so that we could all make it work and make it happen. We had the time.”


 
Last year, when she received the prize for Best Actress in Cannes 2009 for her role in Antichrist, Charlotte Gainsbourg said, addressing her father and looking upwards: daddy, I hope that with this movie I have shocked you…
 
Do you remember having said this?
 
“Of course I remember.”  
 
Do you think now a new phase is coming up? You do not have to shock him anymore? You proved it. You can move on to the things you really want to do yourself?
 
“It was a small remark. I am not living my life mainly or only with that relationship, really. It is important for me, and I had to say this. But I’m not doing films thinking about him all the time. And I’m not doing music only thinking about him either.”
 
Last time I was in Paris, there were posters everywhere for Gainsbourg Vie heroique, the movie of Joann Sfarr about your father. Was that a difficult time for you to be around in your city?
 
“No, I wasn’t in Paris at that time, which was quite helpful. I didn’t see the film. I didn’t want to see it. In the beginning I had a lot of contact with director Joann Sfarr, yes. He even wanted me to play the main role. But than I decided not to. I could not be involved in all of this. It is too close to my blood, my own life, my mother. To me.”

 
Still, you are following in the footsteps of your father and mother, by performing live on stage with a band and making studio albums…
 
“It is something that is very exciting and that I have only discovered quite recently because I rarely did it in the past. I had little experiences in January in New York. But then we stopped and I started again in April, in Canada and the USA. It’s a whole discovery and so different from anything I have experienced before.
It is very very extreme. Just being in front of a crowd. I can’t even remember how it was like once it is done, because of the intensity one tends to forget. Or one thinks: was it but a dream? So I have to go back on stage to make it feel real. I am panicking a bit already. Because of the oblivion. That I cannot remember exactly what I did or how I did it last time. But it is fun – a lot of fun.”
 
With the huge palmares that you have at the moment of having made so many outstanding movies, do your very first movies – like L’effrontee – still mean something special to you.
 
“O yes! Well, specially those films. L’effrontēe and La petite voleuse. Because they were very important films to me. I suppose it is a bit like a novellist who thinks very tenderly of his debute, no? I like being that age I was in then. Experiencing shoots along with the naivity. I remember them very precisely, even they are the films I shot the longest ago.”


 
Charlotte Gainsbourg – “I understood why we went that far for filming The Tree all the way down in Australia, once we got there. Once I saw the landscape, that tree that July Bertucelli had looked for for so many months. And that house. Then I really got it. And I understood that part of the story that is so important. The tree that we pictured in the movie, is a real character for himself.”
 
The main character?
 
“No not the main character. A symbol of life and a symbol of death at the same time. The power of nature.
The nature over there is so powerful, so overwhelming. When it starts to rain, it is like heaven coming down. Not Europe rain. Everything is very intense. It did make sense. Because of the story. It was very helpful. I was reluctant to go there in the beginning, because it was so far away from everything. From my own children, their school. I am also a mother, you know. With her peculiar concerns.”
 
What is your own relationship to nature? In the movie there is a line: that there is a limit to nature.
 
“I feel quite distant. I am not that close to nature. I love being in the country side, taking holidays. I can very often be, like in the film, completely disconnected. So being forced to have this relationship with nature in the film, was very new. It was a discovery, a process I liked. Leaving all that behind, after the shooting, was also very strange. Also because of all the people I was leaving. Knowing that I would not come back very soon. And during the shoot, one became quite close attached to one another. Especially the children.  I like that idea of being in disbelief. And then the development of the tale. That she could have dialogue with her deceased husband through that tree. I liked the fact about not knowing whether to believe or not.”
 
So to you this is not a movie about reincarnation, or life after death?
 
“Not really. Well of course there’s this possibility of reincarnation. But to me, I find it more interesting to go with each character and what they want to believe. It was my first time in Australia. It was sort of a country shock. A nature shock. Because I live in Paris, I am always travelling to cities. For the first time I spent three months really in the middle of nowhere. Because that is where we were. It was very strong for that story. We needed that. The fact that I went there without my own children. Without my husband. We were three women, the producer and July the director. Three women without their children, no men around. Because of the story, it did make sense. I was very scared of the red bugs. The creatures all around in that Australian environment. Rattle snakes. The flying dogs. At one instant I even met a snake.”
 
What did he tell you?
 
“I will never tell you!”
 
 
 
–         end of the talk –

The Story

Dawn and Peter O’Neil live together with their children, on the outskirts of a small country town. Next to their rambling house stands the kids’ favorite playground: a giant Moreton Bay Fig tree, whose branches reach high towards the sky and roots stretch far into the ground. 
Everything seems perfect until Peter suffers a heart attack, crashing his car into the tree’s trunk. Dawn is devastated, left alone with her grief and four children to raise.
Until one day, 8-yearold Simone, reveals a secret to her mother. She’s convinced her father whispers to her through the leaves of the tree and he’s come back to project them.
Dawn takes comfort from Simone’s imagination, and the tree starts to dominate their physical and emotional landscape. But the close bond between mother and daughter, forged through a mutual sorrow and shared secret, is threatened by the arrival of George, the plumber, called in to remove the tree’s troublesome roots. 
As the relationship between Dawn and George blossoms, the tree continues to grow, with its branches infiltrating the house, its roots destroy the foundations.
Feeling increasingly isolated, Simone takes refuge in her beloved tree, refusing to come down.
Dawn is forced to make an agonising decision. But as the heavens open and nature takes over, she may have left it too late. 

SvD – IFA-Amsterdam
 

Interview met Charles Aznavour – door Serge van Duijnhoven

From: Serge van Duijnhoven

To: dewerelddraaitdoor@vara.nl

Sent: Thursday, December 04, 2008 9:07 PM

Subject: Charles Aznavour

Aan Matthijs van Nieuwkerk

De Wereld Draait Door

Persoonlijk

Brussel, 04.12.08

Beste Matthijs,

vernam via via dat je een passioneel liefhebber van Charles Aznavour bent.

Enige tijd geleden had ik het grote genoegen, hem in Parijs te mogen interviewen, in het poepsjieke Hotel Plaza Athenee in de monaine Boulevard Montaigne – vlakbij de Champs Elysees. Ik had al jaren om een interview lopen zeuren, en ter gelegenheid van de nieuwe toernee die de toen al 80 jarige zanger (hij is nu 84) van plan was te maken, mocht ik hem een uur lang vragen stellen.

Ik was in die tijd helemaal down and out, rock bottom. Kocht met mijn laatste centen een Eurolines busticket naar Parijs, zette mijn hoed op, trok mijn lange leren jas aan, en hoopte maar dat de grote zanger geen duur drankje zou bestellen tijdens de high tea in het legendarische vijfsterrenhotel waar de grote vedette perse wenste af te spreken. Ik kwam er binnen met knikkende knieen, en jawel, de bedienden bij de receptie vroegen me meteen argwanend hoe ze mij konden helpen en wat ik van plan was.

“j’ai rendez-vous avec monsieur Charles Aznavour”, zei ik.

Ik zag de jongen van de receptie sceptisch kijken.

“La direction est au courant…”, probeerde ik nog.

Er werd gebeld. Gelukkig bleek Aznavour de directrice van het hotel vantevoren op de hoogte te hebben gebracht van zijn komst.

Ik mocht plaats nemen in de ontvangsthal, en nam zenuwachtig mijn vragen door.

Na een kwartier schreed de frele maar nog altijd kwieke zanger binnen samen met zijn gevolg; ik veerde op, maakte kennis, en volgde Aznavour en de directrice van het hotel naar een gerieflijke plek in de langwerpige tearoom-hallway waar een harp stond en waar mensen obers opdracht gaven om hen wagentjes op wielen met zilveren theeservies voor te rijden.

Ik had nog precies achttien euro in mijn portemonnee. Een thee kostte 34 euro. Ik had genoeg voor twee glazen water, of iets van dien aard.

Aznavour nam het voortouw, vroeg wat ik wilde drinken, en bestelde een uitgebreide high tea met four o’clock versnaperingen. “Don’t worry”, vertrouwde hij me toe, en hij legde zijn rechterhand even op mijn schouder.

Het gevolg van Aznavour keek me sceptisch aan, maar liet alles betijen. Het interview raakte meteen op dreef, toen ik hem vroeg naar de houten vaten Ararat cognac die hij in Yerevan in de Ararat fabriek permanent paraat had staan. En naar de goodwill-werken die hij in het land van zijn (ouderlijke) herkomst verricht. Ik ben enkele malen in Armenie geweest, en de betrokkenheid van Aznavour bij dit in 1988 door een zware aardbeving en overig onheil (de genocide door de Turken in de Eerste Wereldoorlog, de Sovjetoverheersing, de Turkse boycot etc.) bleek ook tussen ons een zekere sympathieke band te smeden.

Het interview, dat eigenlijk hooguit een uur had mogen duren, duurde bijna drie uur.

Tegen die tijd was het al avond, en Aznavour vroeg, toen het gesprek ten einde was, wat ik verder nog van plan was.

Ik, die nog maar een luttel aantal euro’s op zak had, antwoordde: “Ach meneer Aznavour, ik ga nog wat van de stad genieten. Ik neem aan dat het te laat is om nu nog naar Brussel terug te keren.”

Aznavour keek me een tijd doordringend aan, en vroeg me daarop of ik misschien gediend zou zijn met een kamer in het hotel waar we verbleven. Ik was duidelijk in verlegenheid gebracht.

“Eh…, ik vrees dat ik daarvoor de middelen niet kan opbrengen, meneer Aznavour.”

De zanger knipte daarop met zijn vingers, en vroeg de vrouwelijke manager van het hotel bij hem te komen. Hij fluisterde iets in haar oor, zij knikte, en daarna zei hij: “voila, c’e’st regle. Veronique s’en occupera. Je vous souhaite un tres bon weekend ici a Paris. Au revoir monsieur Van Duijnhoven, profitez-en. Il me semble que ca vous fera du bien…”

De zanger verdween met zijn gevolg door de langwerpige gang, en verliet het hotel, nagestaard door de talrijk aanwezige gasten die genoten van de kerstsfeer in het legendarische logement. Veronique de manager vroeg me haar te volgen naar de tweede verdieping, waar ze me naar een Junior Suite leidde – een immens vertrek van 190 vierkante meter met twee slaapkamers, een werkvertrek, twee badkamers en een vleugelpiano. “C’est la chambre que monsieur Aznavour vous a reserve”, meldde ze me met een uitgestreken gezicht. Om daaraan toe te voegen: “Et paye. Jusqu’a lundi matin. Je vous souhaite un tres agreable sejour, monsieur Van Duijnhoven.”

Ik was sprakeloos. De klaploper die ik op dat moment was, had het genoegen om op voorspraak van monsieur Charles Aznavour te mogen verblijven voor twee ganse nachten in een van de mooiste Junior Suites van het sjiekste hotel van Parijs – a raison de 1800 euro per nacht.

Ik voelde me op dat moment de meest bevoorrechte mens op aarde, dat kun je je wel voorstellen.

Bij terugkeer in Brussel, heb ik het interview uitgewerkt.

Het is verschenen, enkele maanden later, in De Groene Amsterdammer, alwaar de toenmalige hoofdredacteur Hubert Smeets en (de vader van) redacteur Sander Pleij ook fervente Charles Aznavour liefhebbers bleken te zijn.

Ik ben Aznavour nog enkele keren gaan beluisteren, in Brussel, Parijs en Luik. En elke keer is hij even hartelijk voor me geweest. Een hotelkamer heb ik niet meer cadeau gekregen, maar een glas champagne heb ik nog wel twee keer met hem mogen drinken. En dan te bedenken dat sommige kniesoren zoals Willem Duys Aznavour een onsympathieke vrek hebben genoemd. Als iemand weet wat de boheme betekent, en wat de prijs kan zijn van een armlastige jeugd, dan is het wel deze unieke persoonlijkheid en dit genereuze genie.

Hier encore, je caressais le temps…

Met vriendelijke groet en respect voor je onderhoudende programma,

Serge van Duijnhoven

Ils sont tombés pudiquement, sans bruit,
Par milliers, par millions, sans que le monde bouge,
Devenant un instant, minuscules fleurs rouges
Recouverts par un vent de sable et puis d’oubli.
(…)

“Ze zijn gevallen, stil, bij duizenden, miljoenen, in de bloei van hun leven
en zonder dat de wereld bewoog. Ze zijn van goed en have weggevoerd
Ze zijn, gelijk minuscule bloemzaadjes, door de woestijnwinden ontvoerd
En begraven in het zand van de vergetelheid.”
– uit: Ils sont tombés (Charles Aznavour, 1975)

De man van honderd levens en duizend liederen<

Door Serge van Duijnhoven

Terwijl mondain Parijs om hem heen wervelt, straalt de tweeentachtigjarige zanger en acteur Charles Aznavour een ontspannen sereniteit uit. Hij bestelt een thee infusion “Moroccon Ruby”, die hij gedurende het gesprek echter nauwelijks aanraakt. Zijn rechterarm hangt losjes over de lederen clubzetel van het luxueuze art-deco hotel Plaza Athenee aan de Boulevard Montaigne, alwaar het decor wordt bepaald door olieverfschilderijen van de hand van de zeventiende eeuwse meester Claude Gelee, beter bekend als “Le Lorrain”, ingebed in nissen zo diep dat mensen er werkelijk in kunnen gaan zitten. De zanger is hier merkbaar op zijn gemak, en ook het hotelpersoneel lijkt niet van zijn apropos gebracht door de aanwezigheid van de Franse vedette die door het blad Time enkele jaren geleden nog tot “entertainter van de eeuw” is verkozen.

Voor ons, in de langgerekte met somptueuze tapijten ingerichte Galerie des Gobelins, klinkt het getik van van porseleinen kopjes die voorzichtig van hun schoteltjes worden getild en teruggezet. Het beheerste geroezemoes van de clientele, vermengt zich met het sierlijke geluid van een harp.

(Zijden gordijnen temperen het middaglicht, dat in de vele kristallen kandelaars en zilveren theekannetjes weerspiegeld wordt. Een glazen wand, bestaande uit sierlijke hoge ramen met smalle kozijnen, biedt uitzicht op de tuin van het hotel.)

Aznavour gaat gekleed in een grijsgestreept pak en een purperrode bloes met oranje stropdas. Enige momenten bestudeert hij aandachtig de menukaart. Een leesbril op het puntje van zijn neus. Dan legt hij de kaart neer. De apetijt ontbreekt, zegt hij, omdat hij nogal in beslag is genomen door de opnames van een tv-film die zopas van start zijn gegaan in Puteaux, een stadje in de Hauts de Seine. Ennemi Public zal de film gaan heten, en Richard Bohringer is Anavours voornaamste tegenspeler. Het script is gebaseerd op een waar gebeurd verhaal, en gaat over de poging van een een ontsnapte delinquent om uit handen te blijven van de politie. “Maar meer kan ik u er op dit moment niet over vertellen.”

Is het acteren voor u even belangrijk als het zingen?

Je zou het als volgt kunnen formuleren: met het chanson ben ik getrouwd, maar de film is mijn maitresse. Ik houd van allebei, maar in de eerste plaats ben ik een tekstdichter, die zijn verzen met muziek vertolkt. Pas daarna ben ik ook acteur. Toen ik klein was (de zanger grijnst) “wel, dat ben ik natuurlijk nog steeds, ik bedoel toen ik als jonge knaap lessen volgde op de Ecole du Spectacle, toen had ik maar een doel voor ogen, en dat was om acteur te worden bij een professioneel toneelgezelschap. Omdat er op het podium ook wel eens gedanst moest worden, volgde ik als bijvakken piano en solfege. Dat de bijvakken van toen uiteindelijk mijn hoofdberoep zijn geworden, zie ik als een ironische wenk van het lot. Natuurlijk maak ik als zanger tijdens mijn voordrachten gebruik van mijn ervaring als acteur. Sommige van mijn chansons zijn eigenlijk kleine toneelstukjes die het niet kunnen hebben van het zingen alleen.”

In uw memoires “Le temps des avants”, die vorig jaar zijn verschenen, haalt u prachtige herinneringen op aan uw familie, uw jarenlange oponthoud in de entourage van Edith Piaf, de moeizame weg naar de top, uw amoureuze veroveringen en gebroken huwelijken, de dood van uw aan pillen verslaafde zoon Patrick, uw banden met het Armeense volk. Maar over het ontstaan van uw talloze liedteksten en chansons komt de lezer bitter weinig te weten. Heeft u dit onderwerp bewust vermeden?

Maar dat is toch ook nauwelijks interessant. Ik ga zitten aan mijn werktafel, neem een pen ter hand, wat papier, en begin te krabbelen. Dan probeer ik er passende muziek bij te verzinnen. Wat is daar nu poetisch of boeiend aan? Je suis un tâcheron, ik ben een schrijnwerker die met woorden hakt en melodieen in plaats van met steen. Het geheim van het vak, is gelegen in de arbeid zelf. De uren dat je aan de slag bent. Ik verbaas me altijd over diegenen die vertellen: “ik liep in die en die straat, zag een meisje lopen bij de metroingang, en plots kreeg ik toen de ingeving om dit bewuste lied te schrijven.” De muze is niet lui, maar werkt zich noodgedwongen in het zweet. Brassens sloot zich op in zijn kelder, waar zijn orgeltje voor hem klaar stond. Cocteau trok zich iedere middag na de lunch terug in zijn werkkamer. Trenet ging iedere ochtend zitten krabbelen aan zijn werktafel. Brel zei het zo: “Talent bestaat niet. Alleen luiheid bestaat…””

In uw boek komt u over als iemand die uiterst vastberaden te werk is gegaan en zo min mogelijk aan het toeval over heeft gelaten.

Laat ik het zo zeggen: de successen die ik gekend heb, zijn me niet in de schoot geworpen. Er waren zoveel handicaps die ik moest zien te overwinnen, dat ik voor ieder stapje voorwaarts twee- of drie keer zo hard moest knokken als sommige van mijn collega’s zoals Gilbert Becaud of Yves Montand. Mijn doorbraak heeft lang op zich laten wachten. Het was vooral een kwestie van doorzettingsvermogen. Je kunt in dit vak niet gaan liggen wachten tot het lot je een juiste wind in de rug blaast.”

Wat verklaart uw gedrevenheid?”

Ik heb altijd gedacht, vanaf het prille begin, dat ik, als immigrantenzoon, beter moest presteren dan de meesten om toch gewaardeerd te worden. En dat, als ik wilde slagen in het artiestenleven, ik ook echt een hoofdprijs in de wacht moest zien te slepen: alles of niets. Het zal ook wel te maken hebben met mijn ouders, die ook artistieke ambities koesterden maar nooit de kans hebben gekregen daar iets van te realiseren in die moeilijke jaren twintig en dertig, toen er keihard gewerkt moest worden om de mondjes van hun kinderen te voeden. Daarbij was er de handicap van de taal, die mijn ouders maar moeilijk onder de knie kregen. Hun zware accent maakte een fatsoenlijke loopbaan hoegenaamd onmpogelijk. Ik besef terdege dat ik als artiest een leven leid waar mijn ouders alleen maar van konden dromen. Mijn motivatie heeft beslist hiermee te maken. Alleen al jegens hen kan ik het me niet permitteren om het er in dit vak met de pet naar te gooien.”

Heeft u gedurende uw carriere veel hinder ondervonden van uw geringe lengte (1m61), of heeft deze beperking u wellicht gesterkt in uw ambitie?

Aznavour glimlacht, terwijl hij met een lepeltje in zijn infusion roert.

Suggereert u nu dat ik beroemd wilde worden, vanuit de motivatie om aan mijn geringe postuur te ontstijgen? Dat lijkt me nu wel erg cru gesteld. Ik heb daar nooit zo bij stilgestaan, mijn lengte is geen bron van frustratie voor me geweest. Ik heb er wel altijd rekening mee gehouden, dat ik op allerlei gebieden een achterstand had goed te maken, en daarom ook extra kritisch door anderen zou worden beoordeeld. Vooral in het begin is het een harde leerschool geweest. Alles aan mij leek wel een sta in de weg voor wat ik wilde bereiken. Behalve dat ik klein was, bezat ik nog andere kenmerken die niet in mijn voordeel waren. Ik had een uitheemse Kaukasische kop met een kanjer van een neus, een stem die niet aan de mode van die tijd voldeed. Voorts had ik een naam die de Fransen maar moeilijk in de oren klonk en die dus ook voortdurend verkeerd werd gespeld. Allemaal zaken die het er voor een beginnend artiest die naamsbekendheid probeert te verwerven, niet makkelijker op hebben gemaakt. De twijfel, de ontmoediging, het gevoel niet begrepen te worden of niet de kans te krijgen die ik verdiende, hebben me vaker verslagen dan ik wel wilde. Zaaleigenaren verklaarden me voor gek dat ik door ben gegaan. Ik heb fluitconcerten over me heengekregen. Er zijn bierflesjes naar me gegooid, er is met geld naar me gesmeten om me te doen ophouden met zingen. Over mijn stem deden de wildste geruchten de ronde. Bruno Coquatrix, de directeur van de Olympia in Parijs, vermoedde dat ik keelkanker had. Gelukkig heb ik me nergens iets van aangetrokken. Ik ben gehard tevoorschijn gekomen uit de strijd. Men zegt wel: karakter is bestemming. In dat opzicht zijn mijn moeilijke en magere jaren (“ces premieres annees de vaches maigres”), geen vloek voor me geweest. Want ze hebben ervoor gezorgd dat ik er nu, als tachtigjarige, nog altijd sta. Je suis toujours la, en haut de l’affiche. Ik heb afgelopen jaar een nieuw album uitgebracht, en van de zomer begin ik aan een toernee door Canada en de Verenigde Staten.”

Bent u trots op wat u in uw leven hebt bereikt?

Ja en nee. Ik ben een fier mens met een sterk gevoel voor eigenwaarde. Maar ik ben ook erg veeleisend voor mezelf. Ik ben eigenlijk nooit echt helemaal tevreden over wat ik doe. Er is altijd wel iets dat me niet bevalt, en waarin ik naar mijn eigen maatstaven tekortschiet. Ik heb het gevoel dat elk lied, elke uitvoering, elk album, altijd nog beter kan klinken. Of anders aangepakt moet worden. Ik blijf mijn liederen eindeloos arrangeren zoals u weet, en geen enkele versie is volmaakt. Ik ben misschien ijdel, maar ik zal nooit wegzinken in voldoening om wat ik gepresteerd heb. Het nadeel is dat ik wat nukkig of chagerijnig kan overkomen. Het voordeel is dat de machinerie nooit stilvalt.

In mijn geval zou ik, als ik op mijn lauweren ging rusten, al gauw creperen van verveling. Ulla (Aznavours Zweedse vrouw, Ulla Thursell – SvD) zou me beslist het huis uit jagen. Ik ben nu al niet te doen als ik een tijdje niet meer heb opgetreden.”

U zit nu ruim zestig jaar in het vak, en hebt zo’n duizend liederen op uw naam staan. Heeft u het gevoel dat uw chansons zich in de loop van de decennia in een bepaalde richting hebben geevolueerd? Tussen “Au creux de mon epaule” uit 1950 en “Mon ami, mon Judas” uit 1980 schuilt een wereld van verschil in melodische, ritmische en tekstuele complexiteit…

Charles Aznavour: “Ik denk eerlijk gezegd dat de muziek niet het cruciale element is in mijn artistieke werk. Ik gebruik de muziek als vehikel voor mijn teksten. Zoals ik ook mijn stem gebruik. Maar eigenlijk zijn het mijn verzen die moeten zingen, dat is de uitdaging waaraan ik elke keer weer opnieuw probeer te voldoen. Natuurlijk genereren gedichten of liedteksten vanuit zichzelf ook muziek, via het metrum, de herhaling, het rijm, de klank van de woorden etcetera. Het is dus logisch dat ik passende melodieen en muziek bij mijn verzen pleeg te bedenken. Een componst in de klassieke betekenis van het woord, ben ik zeker niet. Het gaat mij om het lied in de uitvoering, niet om de partituur. Irving Berlin was ook zo iemand als ik, die vooral liederen schreef. In tegenstelling tot Gershwin, die de wereld verbaasde met de complexiteit van zijn partituren, zoals bv. An American in Paris. Voor het publiek is dit alles niet van belang, want of een chanson nu vanuit de tekst of de partituur tot stand is gebracht: het resultaat is hetzelfde.”

U heeft nooit een geheim gemaakt van uw Armeense afkomst; in 1988 heeft u een stichting opgericht, Aznavour pour l’Armenie, die humanitair werk verricht in de door armoede, oorlog en aardbevingen getroffen regio. Ook heeft u zich openlijk solidair verklaard met de Armeense voorhoede die strijdt om erkenning van de genocide uit 1915 en 1916 door het Franse en Europese parlement. In Armenie wordt u daarom op handen gedragen, u geldt als een ikoon van de Armeense diaspora en vorig jaar is er in Jerevan zelfs een standbeeld voor u opgericht. Voelt u zich inmiddels meer Armenier dan Fransman?

Ik ben een Fransman van Armeense origine. En dus voel ik me zowel het een als het ander. Ik ben van top tot tenen Fransman, ik spreek en denk en eet Frans. Maar van huis uit ben ik Armeens, mijn vader was het, mijn moeder, mijn grootouders. Dat ik me inzet voor de erkenning van de genocide is logisch, want ik ben opgegroeid in de schaduw van die tragedie, waarbij de hele familie van mijn moeder is uitgemoord maar waar thuis nooit direct over werd gepraat. Ik denk dat atrapiden en hun kinderen, mensen die uit hun vaderland zijn gevlucht, altijd sterk verbonden blijven met hun land en cultuur van herkomst. We dragen een wonde met ons mee. Men heeft ons moedwillig weggerukt van onze bakermat, en wel tweemaal. Een keer tijdens de genocide in 1915, en vervolgens tijdens de Sovjetperiode. Ik vind het belangrijk om sterke banden te houden met de cultuur en taal van mijn ouders en voorouders, om dat niet verloren te laten gaan.

Turkije ontkent nog altijd dat zij voor de genocide op de Armeniers verantwoordelijk is. Vindt u dat de EU de Turken hierop zou moeten aanspreken? En hoe staat u tegenover de wens van uw president om Turkije lid te laten worden van de Europese Unie?

Ik wil geen gezworen vijand zijn van het Turkse volk, mijn droom is juist alsnog eens het geboorteland van mijn moeder te bezoeken, maar… maar… maar… voorlopig kan daar kan geen sprake van zijn. De Turken zijn duidelijk nog altijd niet met hun imperialistische en nationalistische verleden in het reine gekomen, zoals de Duitsers dat wel is gelukt na de oorlog. Militaire en politieke massa-moordenaars als Enver en Talat van de Jonge Turken (die samen met Djamal pacha deel uitmaakten van het triumviraat van 1913), die de uitroeiing van de Armeniers op hun geweten hebben, worden in Turkije nog altijd gezien als nationale helden die grootse daden heben verricht. Kunt u zich voorstellen dat er in het Duitsland van vandaag nog esplanades of scholen zouden worden vernoemd naar Adolf Eichmann of Joseph Goebbels?

En wat betreft het standpunt van uw president?

Ik heb daar inderdaad gemengde gevoelens over. Wat me niet bevalt, is dat de president iedere kritiek op Turkije als niet opportuun bestempelt. De huidige Franse president is als de dood dat de Franse kiezers het referendum in mei over de Europese grondwet, wel eens zouden kunnen misbruiken om hun afkeuring uit te spreken over de vraag of Turkije wel of niet lid mag worden van de EU. Ik weet wel dat la raison d’etat in de politiek zwaarder doorweegt dan de grieven van deze of gene bevolkingsgroep – maar niemand kan de moord op anderhalf miljoen mensen als een bagatel van tafel vegen. Als Frans burger kan ik begrip hebben voor de toenaderingen tot Turkije, maar waarom de erkenning van de genocide niet evengoed een voorwaarde voor toetreding laten zijn als bv. de erkenning door Ankara van Cyprus?

In 2002 speelde u de hoofdrol in de speelfilm Ararat van de Canadees/Armeense cineast Atom Egoyan. U vertolkte het personnage van Edouard Saroyan, een cineast die probeert een film te maken over de sporen die de Turkse genocide in het heden hebben nagelaten. Uw personnage neemt is een politieke activist die een granaatappel meeneemt overal waar hij gaat, en er iedere dag op theatrale wijze een zaadje uitpulkt ter herinnering aan de talloze volksgenoten die zijn afgeslacht of uitgehongerd. Met dit vaste ritueel schoffeert de regisseur iedere dag opzettelijk de Turkse acteur, die in de film een van de gangmakers van de genocide moet spelen. Was dit uw idee?

Het gaat om een cinemarol. De radicale regisseur van Armeense afkomst die ik speel in de film, lijkt niet op de persoon die ik in werkelijkheid ben. Ik ben geen politieke activist, en ook niet radicaal. Veeleer gematigd. Ik reken op de dialoog en niet op de harde confrontatie of de doelbewuste provocatie, om een erkenning van de genocide door Turkije te bewerkstelligen. Turkije heeft daar alles bij te winnen. De jongere generatie kan de morele plicht om de feiten te erkennen, niet voor eeuwig voor zich uit blijven schuiven. Eens zal ze met haar verleden in het reine moeten komen. Mijn hoop is niet op de oudere generaties gericht. Maar misschien dat de jeugd de moed zal hebben om het revisionistische beeld van de Turkse geschiedenis te corrigeren. En zich te distantieren van de misdaden die de oude machthebbers op hun geweten hebben. Zoals ook veel jeugdigen in Frankrijk zich openlijk distantieren van het racisme van Le Pen en het FN en soms ook van hun eigen ouders. Het is hoopvol dat zoveel jeugdigen de moeite nemen zich zo duidelijk tegen het virus van het ressentiment en de vreemdelingenhaat teweer stellen. Het is hoopvol dat ze beseffen hoezeer het gebinte van de Franse maatschappij wordt aangetast door al die angst- en haatgevoelens waar mensen zich aan overgeven.”

Het prestige van de zanger en acteur, als bekendste uithangbord van de Armeense tragedie en diaspora, verplicht hem tot gematigdheid. Aznavour zegt dat hij ook onder zijn Armeense vrienden tot gematigder denken probeert aan te zetten, en hij veegt de vloer aan met het idee van de financiele of materiele genoegdoening die Turkije aan de slachtoffers van de genocide en haar nakomelingen, zou moeten betalen.

Wat hebben wij nu nog te claimen, het huis van onze grootouders? Om wat te doen? Om er te gaan wonen? Ik woon goed in Frankrijk. Om het meteen weer te verkopen? Dat is toch te gek voor woorden. Moeten we daarom de Turken extra tegen ons in het harnas jagen? Erkenning van de volkerenmoord gevolgd door een welgemeend mea culpa, dat is de grootste genoegdoening die Turkije de Armeniers kan bieden. Hardvochtig jegens Turken in het algemeen ben ik niet, nee. Ik praat net zo graag met Turkse journalisten, als met iemand uit Belgie zoals u. Uw land geniet al lang een vrije pers, maar in Turkije hebben de journalisten nog een hele calvarie te beklimmen. Door in hun artikelen mijn standpunten over de genocide te vermelden, kunnen de autoriteiten vast een beetje wennen aan de smaak van de vrijheid die ze in Ankara zo hoog in het vaandel hebben staan sinds ze lid willen worden van de club van Brussel.

De rol van diplomaat voor de Armeense zaak, ligt u goed. Ziet u het zelf ook als een roeping?

Het is een rol die ik nooit specifiek heb geambieerd, maar die mij vanwege mijn bekendheid in mijn schoenen is geschoven. Bij mij thuis praatte men nooit over de genocide, we spraken alleen wel eens over de martelaren. In vage termen. Ik vernam van de genocide via de tranen van mijn moeder, die haar hele familie in de slachtingen is kwijtgeraakt. Toen ik enigszins bekend begon te raken, mij een naam verwierf als artiest en acteur, begonnen steeds meer mensen – en niet alleen Armeniers – mij artikelen toe te sturen, getuigenissen, teksten, een gedicht van Max Jacob over de genocide. En nog steeds sturen mensen van over de hele wereld mij artikelen toe die op de volkerenmoord betrekking hebben. Ik ben een soort van aanspreekpunt geworden.

De Armeniers die de genocide hebben overleefd, hebben zich goed weten te integreren. Ze hoeven niet perse terug naar het land van hun herkomst. Ze hebben elders hun leven opgebouwd, vrienden gemaakt, cultuur verworven, zaken gedaan, kinderen gekregen, zonder dat ze aan hun wortels, hun afkomst, hebben verzaakt.

Armeniers zijn geliefde buren in de stad, omdat ze zo hartelijk en sociaal zijn, omdat ze de mensen uitnodigen om te komen eten, omdat ze trots zijn op hun keuken; Yves Montand, die in Marseille heeft gewoond, had daar zoveel contact met Armeniers dat hij de taal heeft leren spreken. Ik heb nog een kaart van hem bewaard, met een boodschap in het Armeens, fonetisch welteverstaan. Want het Armeense alfabet, dat was hem te cryptisch. De Armeniers zijn een van de vele volkeren die zich met succes in de Franse samenleving hebben weten te vermengen. De Franse samenleving heeft hen geaccepteerd. Dat absorptievermogen maakt van Frankrijk uiteindelijk toch een groot land.

Ik ben geen man van de haat of van op de spits gedreven tegenstellingen. Persoonlijk koester ik jegens niemand een afkeer. Zelfs niet jegens de heer Le Pen. Ik heb wel groot bezwaar tegen zijn politieke programma. Als ik hem tegen zou komen, zou ik hem niet in het gezicht spugen. Ik zou hem netjes de hand schudden, maar in het gesprek dat volgde ook mijn afkeuring kenbaar maken jegens zijn visie op migranten en hetze tegen vreemdelingen. Als Le Pen aan de macht zou zijn gekomen in de tijd dat mijn ouders vluchtelingen waren, zou ik vandaag de dag geen Fransman geweest zijn.

Mijn chansons gaan uiteindelijk altijd over wat de tijd met iemands leven doet. Hoe hij of zij zich teweer stelt of niet, en over de pogingen van mensen om ondanks alle miserie toch te profiteren van het leven. Ze gaan ook over de spijt die resteert als de dingen voorbijgaan. Vandaar die melancholie in zoveel nummers. Toch hoop ik ergens dat de tijd mij in essentie niet veranderd heeft. Dat ik ondanks alle succes, en ondanks alle jaren, toch nog voldoende trouw ben gebleven aan mezelf. Het is daarom ook dat ik geregeld oude interviews met journalisten teruglees. Ik wil weten wat ik destijds heb gezegd. Ik wil niet dat de man die ik nu ben, verzaakt aan de man die ik vroeger was.

Wat is de invloed die Edith Piaf op uw eigen professionele carriere heeft gehad?

Nou, haar invloed op mij was enorm. Voor mij heeft ze enorm veel betekend. Ik heb acht jaar lang in de entourage van Piaf doorgebracht, ben haar overal trouw mee naartoe gevolgd, en haar vriend gebleven tot het einde van haar leven.Voor een jonge zanger en tekstdichter zoals ik, was het een fantastische gelegenheid om haar iedere avond te zien optreden. Ik hielp met de instellingen van het licht, het testen van de microfoon,alles. Ik was niet echt haar prive-secretaris, maar wel een bevriende jongeling die haar hielp haar zaken waar te nemen. Edith Piaf heeft me helpen inzien dat ik op ieder podium mezelf moet proberen te blijven, dat ik tijdens het zingen niet moet pretenderen een ander te zijn dan ik in werkelijkheid ben. Dat ik gewoon mezelf moet zijn en moet blijven. Natuurlijk voer je een act op als je voor het voetlicht treedt, in een zaal met publiek. Maar door Piaf heb ik tenminste geleerd me vrij te voelen op een podium, zoals ook zij zich duidelijk vrijer en natuurlijker dan andere vakgenoten op de buehne uit kon drukken. Van haar heb ik geleerd dat ik niet moest proberen iemand anders te imiteren,maar mijn eigen persoonlijkheid zonder schroom of manierisme tot uitdrukking diende te brengen.

Is uw liefde voor het vak na al die jaren, al die albums en al die toernees, verminderd of veranderd?

Het is en blijft een magnifiek beroep, zanger zijn, maar ook erg lastig omdat je er zo verdomd alleen voor staat. Je gaat moederziel alleen het podium op, en je komt na afloop van het concert altijd weer terecht in een kil zwart gat waarin je aan je eigen demonen bent overgeleverd. Een zanger moet een soort evenwichtskunstenaar zijn die te allen tijde zijn presence weet te bewaren, die zich nooit van zijn stuk laat brengen, nooit struikelt, en wiens stem nimmer faalt. Je staat constant onder druk, je succes wordt van dag tot dag op de hitparades gepeild en kritisch gemeten en vergeleken, en een hele equipe van belanghebbenden is voortdurend bezig om op allerlei suggestieve manieren je succes van gisteren te rekken tot morgen of overmorgen. Cinema is wat dat betreft een veel socialer beroep, je werkt een hele tijd hecht samen in een groot team dat lief en leed met je deelt.

Ik houd met heel mijn hart van de beroepen die ik uitoefen. Het tekstdichten, zingen en acteren. Als tekstdichter leef ik tussen de toetsen, de pennen en de tekstverwerkers. Ik blijf net zo lang zitten tot ik het juiste woord gevonden heb, tot het gewenste rijm zich aandient. En ook als acteur zoek ik naar de beste intonatie, naar dat ene treffende gebaar, die ene terloopse interpretatie die je spel de moeite waard kan maken. Als acteur, wil ik me elke keer weer als nieuw voelen, leeg, beschikbaar, als klei in de handen van de regisseur, met als enige zorg de wil om het beste van me te geven en om een gepaste interpretatie te geven van het woord “naturel”.

Als zanger, geniet ik ervan om honderd keer hetzelfde lied te zingen, er elke keer iets nieuws aan toe te voegen. Om het publiek en mezelf steeds weer opnieuw te verrassen. Ik hecht niet teveel waarde aan het oordeel van vakkritici of de commentaren van anderen, ik denk dat ik zelf de enige ben die werkelijk kan weten of ik naar behoren heb gepresteerd of niet.

Als tekstdichter voel ik me het best in mijn vel. Ik ben nog altijd verliefd op de Franse taal, zonder de pretentie te hebben dat ik haar tot in de perfectie beheers. Ondanks alle moeite die ik me getroost, bezit ik nog altijd tal van lacunes. Ik houd gewoonweg van woorden, van hun klank die allerlei onderhuidse betekenissen oproept, zoals het woord rond ook echt in de monholte blijft rondzingen en het woord puntig ook echt scherp en afgesneden klinkt zodra de adem aan de lippen ontsnapt. La porte qui claque et mon ame se perd… Als ik schrijf kies ik niet per definitie het meest juiste woord, maar wel het woord dat het beste resonneert. Een woord als torrrrnado bijvoorbeeld, dat beter rolt met de r’s en dus meer effect oplevert dan een woord als storm- of wervelwind of typhoon.

Het enige dat aan het eind van de dag werkelijk telt, is het gevoel dat je je werk zo goed mogelijk hebt gedaan, “le bel ouvrage” hebt afgeleverd zoals men vroeger zei. Als zanger heb ik na zestig jaar op de buehne te hebben gestaan, in ieder geval het gevoel dat ik voldaan heb aan het contract dat mij met mijn publiek – oftewel mijn baas – verbond.

Hoewel ik er vaak over zing, heb ik niet een scherp en precies gevoel van tijd die voorbijgaat. Als ik op de buehne sta, heb ik zowiezo het gevoel dat ik dertig jaar jonger ben dan ik werkelijk ben. Mijn gekerfde handen en de bril die ik moet dragen als ik wil lezen, herinneren me eraan dat ik werkelijk zo oud ben als ik ben. Als immigrantenzoon ben ik grootgebracht met het besef dat ook de dood deel uitmaakt van het leven; ik ben blij dat ik nog leef, maar de dood jaagt me op zich geen schrik meer aan. Ze is iets natuurlijks en organisch geworden, een beetje als een ver familielid die je kent van de verhalen en waarvan je weet dat ze bestaat, ook al heb jij ze nog niet ontmoet. Ik praat erover, en maak er grapjes over. Ik werp wel af en toe een blik over mijn schouder, en probeer dan het pad te zien dat ik tot heden heb afgelegd, het geluk te vatten dat ik (ondanks alles in dit leven) deelachtig ben geworden. Wonderen bestaan waarschijnlijk enkel in dit ondermaanse, maar fortuna is me in dit leven ondanks alles niet ongunstig gezind geweest. Ik wil best nog een hele tijd voort, maar ook met wat ik al gehad en bereikt heb ben ik meer dan gelukkig. Ik heb me ten volle gegeven, en het leven heeft me voor mijn inspanningen een flinke smak terugbetaald. Inspiratie, plezier, liefde, nageslacht, roem, geld. De laatste jaren heb ik geleerd om minder aan bepaalde dingen en mensen te hechten, om afstand te nemen van de zaken die me vroeger volledig in beslag namen. Ik lees minder kranten en tijdschriften, kijk minder naar de televisie. Alleen de radio blijft me echt bekoren, vooral de praatprogramma’s raar genoeg. Weet u, hoewel ik verschillende malen de wereld rond ben gereisd met mijn optredens, heb ik nog altijd het gevoel dat ik maar een fractie van deze planeet heb gezien. Ik ben nu tachtig, toch voel ik me niet oud of bejaard. Ik heb behoorlijk wat ringen verzameld rond de stam, dat is alles. De bast is uitgedijd, de boom is dezelfde. Klein maar fier, hij staat er nog. Dat is het belangrijkste. De rug recht, de kruin omhoog. De levenslust is nog dezelfde als toen ik aan de voet van de berg stond. Ik weet niet of het enkel mijn verdienste is, maar een feit is het wel: de Charles in deze kleine meneer Aznavour is intact gebleven. De man die ik nu ben, heeft aan de koppige ambitieuze artiest van toen niet verzaakt. Ik heb mijn artistieke missie naar beste vermogen volbracht, maar zonder het gevoel te hebben dat alles nu bereikt en achter de rug is. Het ligt nog steeds niet in mijn aard om tevreden te zijn over de dingen die ik doe. Ik blijf mijn liederen herschrijven, ik blijf optreden als zanger, nieuwe filmrollen accepteren, ik blijf hardnekkig proberen om bepaalde tekortkomingen te parerenen en mijn talenten te perfectioneren. Het is een even onontkoombaar als absurd gevecht, dat er niet om gaat als winnaar uit de bus te komen (de dood wint het uiteindelijk altijd van ons stervelingen die worstelen in de arena van de Tijd) maar om stand te houden.

Naar de dood verlang ik niet, maar als hij komt zal ik hem hoffelijk bejegenen. Voorlopig heb ik hem met een stille grijns op afstand weten te houden. Ik sidder niet meer bij de gedachte dat ik er morgen wellicht niet meer zal zijn. The readiness is all, schrijft Shakespeare in Hamlet. Maar bedoelde hij bereid zijn of paraat zijn? Paraat ben ik wel, maar er is me nog teveel dierbaar om de handdoek zomaar in de ring te gooien. Waarom zou ik het Magere Hein zo gemakkelijk maken? Als hij me perse wil hebben, moet hij er wel wat moeite voor doen. Un homme debout ne se couche que pour mourir heeft mijn collega Leo Ferre eens gezegd. Wel, u kunt schrijven dat deze kleine oude meneer zich nog steeds niet te rusten heeft gelegd. Dat hij nog steeds weet hoe hij recht moet staan. En dat het voor hem weliswaar laat is geworden, maar nog steeds geen bedtijd is.

Charles Aznavour geeft aan dat het wat hem betreft genoeg is geweest, en steekt als afscheid zijn hand naar me uit.

interview werd gepubliceerd in de week van 2 april 2005 in De Groene Amsterdammer.

© Serge van Duijnhoven, Brussel

Bron1: https://sergevanduijnhoven.wordpress.com/2010/04/29/interview-met-charles-aznavour-door-serge-van-duijnhoven/

Bron 2: http://loorschrijft.web-log.nl/verwondering_is_het_begin/2010/06/man-van-honderd.html

SERGE EERT SERGE

B I T T E R Z O E T

Serge eert Serge

een lyrische hommage

aan Serge Gainsbourg

© Guuznord

© 2010 Serge van Duijnhoven

Soirée Gainsbourg
Bitterzoet, Spuistraat 2, Amsterdam
Woensdag 17 maart 2010
Deur: 21u entree: 10 euro

Je kunt heel goed roken op de muziek van Serge Gainsbourg. Maar ja,
dat mag niet meer. Dus moeten we erop dansen. Op 17 maart, de dag
voordat de schitterende film over zijn heldenleven in première gaat
in Nederland, wordt Serges muzikale nalatenschap gevierd in
Bitterzoet met optredens van Flora Dolores (en wat leden van The
Spinshots), Serge van Duijnhoven (dichter en schrijver) La Secte
Citron (theatre en muziek) en Paris-Maastricht (muziek) en dj’s
Guuzbourg en Natashka. Alles wat Gainsbourg zo bijzonder maakte, zijn
erotisch geladen teksten, zijn jazzy nummers, de disco, de reggae, de
psychedelica, het komt allemaal aan bod. Twintig jaar na zijn dood is
Gainsbourg een ikoon geworden voor kunstenaars, modeontwerpers,
muzikanten, schrijvers en dj’s. Je t’aime…moi aussi!

DJs:
– Guuzbourg (samensteller van o.a. Gainsnord)
– Natashka (DJ/eventplanner van Oh La La)

Live acts:
– Flora Dolores (van The Spinshots) (muziek)
– La Secte Citron (theatre en muziek)
– Paris-Maastricht (muziek)
– Serge van Duijnhoven / Dichters Dansen Niet & DJ Celtric (lyrische interpretaties van Gainsbourg op muziek)

Meer info:
http://www.oh-la-la.nl
http://www.bitterzoet.com
http://www.fillessourires.com/

Op 2 maart 2011 is het twintig jaar geleden dat de Franse zanger, componist en aartsprovocateur Serge Gainsbourg (1928 – 1991) overleed in zijn Hôtel Particulier in de Rue de Verneuil te Parijs. Voor tal van internationale muzikanten blijft Gainsbourg een voortdurende inspiratiebron. Volgens de Nederlandse journalist, fan en deejay Guuzbourg, samensteller van de prachtige tribute-cd Gainsnord – Serge’s Songs Revisited By Bands From The Lowlands (met oa. Tom Barman, West Hell 5, Eddy de Clercq, Marine Boréale, Monsieur Dubois en Benjamin Herman), is hij “een van Europa’s meest invloedrijke songschrijvers, samen met de B’s van ABBA. Een man met een schat aan schitterende liedjes vol dubbele bodems en zelfverzonnen woorden. Die hij zelf zong, maar vaker nog schonk aan de prachtigste vrouwen.”

De jaarlijks terugkerende Soirées Gainsbourg in Vlaanderen en Nederland bewijzen dat ook buiten Frankrijk de chansons van deze poète maudit nog steeds volop tot de verbeelding spreken.

Gainsnord – Serge’s Songs Revisited By Bands From The Lowlands (met oa. Tom Barman, Eddy de Clercq, Marine Boréale, Monsieur Dubois en Benjamin Herman). Samengesteld en ingeleid door Guuzbourg. Essential Music – Sonic Scenery. Son 708028, 18,- www.fillessourires.com/gainsnord

DE NACHTUIL VAN VERMAAK

‘La laideur, mon p’tit, tu le sais

est entièrement supérieure à la beauté

La beauté se meurt un jour.

La laideur d’ailleurs, c’est pour toujours.’

  1. .-.

In gefilterd licht

streelt hij de zinnen

met de ogen van

een veroordeelde

.-.

drinkt hij whisky

uit een tandenborstelbeker

smelt het ijs in zijn keel

het mannelijke fluïdum

.-.

Het mooie wanhoopt

het lelijke speelt

om het malicieuze

te bezweren, Serge

.-.

In alcohol en nicotine

als een vogel zonder veren

seint hij ons de booschap

van het vlotte toeval

Bah oui, monsieur Gainsbourg, da’s al…’

.-.

(en een vreemd gevoel

van infernale gruizigheid)

ZELFPORTRET ZONDER IK

I

de geheimagenten van mijn bewustzijn

schaduwen mijn brein

wie bepaalt er wie de vijand is?

degene die zich in mijn naam

verbasterd heeft van tegenpartij

(`en-e-my’) tot die ene-in-mij

twee wezens uit hetzelfde nest

ontstaan; mijn lichaam blijkt

bestand. Mijn verstand

gaat kopje onder

in het gistende moeras

van het handjevol verwanten

dat ik was

II

en dan vallen de schellen

van het zelf

dak wordt bodem

droom gewelf

ik ben de magneet

zonder pool

de komeet die vlucht

voor zijn staart

er is een membraan dat ik

van mij gescheiden houdt

een impermeabele wand

die ons binnenstebuiten keert

een stemmetje dat kliert

haas kipjelekker,

haast je niet”

moet me vloeibaar maken

schoon genoeg en spoelen

dat gemoed, alleen:

mijn bloed

verdraagt mij

niet

BIJ EEN SLAPEND LICHAAM

ik wil dat je mijn bedoelingen doorgrondt

ik wil dat je de prijs leert kennen van verlangen

de schaal van de dingen, ik wil dat je begrijpt

waarom men het aardige overwaardeert

ik wil je horen zeggen:

‘alles dient slechts om te winnen

alles is taktiek; wij spelen

allemaal’

ik wil dat men ons geheim zal bewaren

dat we elkaar geruisloos achtervolgen als jagers

ik wil dat we bereid zijn onze ziel in te zetten

zoals we een munt inwerpen bij een gokautomaat

ik wil de tijd terug dat ik wijs werd uit mijn dromen

ik wil de tekens terug die ik heb nagelaten op je huid

ik wil je kunnen voelen met mijn ogen in het donker

met mijn nagels nagaan waar je bent geweest

ik wil dat jouw handen me in koele lakens wikkelen

ik wil zien of jouw zijde van de mijne verschilt

ik wil dat je sterker zal zijn naar het einde

ik wil je laten denken dat je wint

ik wil dat je je zonder mij een vondelinge voelt

een zonderlinge in de leegte, ik wil je zien bibberen

in de kou. Ik wil je zwetend, warmgewreven

ik wil je hondsdol, biddend om berouw

ik wil dat je mijn gedachten kunt lezen

ik wil dat je mijn hart kunt raken

op de fatale plek. Het interesseert me niet

wie de wonden veroorzaakt. Het interesseert me niet

hoeveel het er zijn. Ik wil alleen belang stellen

in wat me beheerst. Ik wil op een prachtige plek zijn

als ik sterf. Ik wil kunnen verdrinken in een Rode Zee

me verwonden aan een giftig koraal, aanspoelen

op een hagelwit strand, met jouw smaak nog

op mijn lippen. Ik wil je niet kapotmaken

ik zou niet weten hoe. Kon ik maar zeggen:

ik zal je vergeten. Kon ik maar zeggen:

ik laat je met rust

maar liegen kan ik niet

ik denk altijd aan je, echt waar

ik zal voor altijd aan je denken

DER DUFT DER FRAUEN IN NYLON

O zalige geur van vrouwen in nylon

O verrukkelijk leer met een slag om de arm

O dampende dij, malse heup, vaar langszij

O weegbree en wei en het ziltgroen van zomers

Ach vloed spoel het ruig met je buik in het schuim

Ach eb voel het zand met je rug en ontluik

Ach nimf en beschimp in je niks hier het puik

Ach schim ik die lik het verraderlijk zout van jouw lippen

Wee mij die verzaakt moedwillig zijn plicht en verziek(t)

Wee mij die zijn plecht wendt halsstarrig naar jouw klippen

Wee mij die meer wilt schenken dan er zit in de kruik

VERBETEN DE CREDO’S

Verbeten de credo’s, verwaterde passies.

Verworpen de dogma’s, verzwegen de schuld.

Vermoord is de onschuld, beschaamd het vertrouwen.

Verspild is het water, profaan de confessie.

Verzaakt de communie, ons eigenste bloed.

Verhaspeld de kavels, verschrompeld het land.

Verdorven het aanschijn, ons eigenste volk.

Verkorven de welvaart, voorzie in de droogte.

Drink van mijn woorden, graaf naar de bron.

Het ooft aan de bomen, het zout van de aarde.

Het paard voor de wagen, de schamele oogst.

Schraal is de troost, bitter het aanzicht.

Niets is zo zielig, en niets is bestand.

Vergeefs is de franje, en ijdel het leven.

Vermom je verlangens, kies wie je gade.

Weer af het onheil, spot met de waan.

De mens is een dier, het monster de mensen.

De hemel is eindig, de aarde is rond.

Bid de verwoester, smeek tot de Almacht.

Kus me mijn min, vergeef me de onmin.

Verzegel je lippen, verbrand al mijn brieven.

Vergeet wie ik liefhad, vertel wie ik was.

Dans op het altaar, kniel voor het toeval.

Niets is te dol, en niets is voorhanden.

Genade is nakend, en nu nog het naakt.

COPYCAT

« De twee sexen zullen ieder

aan hun eigen zijde sterven »

– Marcel Proust

Ik voel het vlees zich

om je botten krimpen

je huid als marmer

dat warmte vreet

en koude geeft

ik heb respect

voor de schrammen op je rug

een mug zei je die beet

zo wil ik je hebben

alleen tussen de druppels

je beeltenis maal honderd

verschrikt door het uiterlijk

dat nooit voor jou

kon zijn bedoeld

Heus niet,’ zeg je, je weet

dat het niet de leegte is

die aan zichzelf vreet

die geur,’ zeg je, ‘is het water

van de Amstel. Die schaduw

is de olm op de kant

ik vrees je eerlijkheid

hij maakt je transparant

zo rechtop in de boeg

ben je een statuur

met koudvuur in je knieën

zie je,’ roep je, ‘die spitse toren

die magere huizen, die zwermen

spreeuwen boven de stad?

die meeuwen boven het IJ?

en mij, zie je mij?’

wat wil je bewijzen

in je wijde jurkje

Luister,’ fluister je

snel.’ Met mijn oor

op je dij hoor ik de holte

en jij het gesis en geknor

van slangen en varkens

in je buik

ZUMI POP

`Jij wordt mijn dood’ had ze gefluisterd

ik zei: `zeg dat niet’

maar vond het het mooiste wat iemand mij ooit had gezegd

een tatoeage van kattenogen op haar schouder

Zumi Pop. Ze volgde lessen op de politieacademie

maar ik had nog nooit iemand ontmoet

die er zoveel drugs doorheen kon halen als zij

ze had de pillen uit mijn keel gezogen

de coke uit mijn neus gelikt

`ben je van Mediterrane afkomst?’

`wat zeg je dat chique. Ja,

ik ben van Mediterrane afkomst

een afstammeling van Julius Caesar

ik ben een krab uit de zee

speciaal voor jou aan land gekropen

van je trip-trip knipperdeknip

kom hier met die ET-oortjes van je

dan zet ik er mijn scharen in’

`zet die buitenboord motor van je dan eens aan

Caesar! Varen, man, varen. Volle kracht

de Mediterranee af, aiwiwfowwow’

ergens was ze nog, leefde ze nog, liep ze nog

tripte ze nog. Ergens zoog ze iemand af

dat meisje, dat meisje. Ze klopte, klopte, klopte

op de binnenwand van mijn ziel

`jij wordt mijn dood

zing! dans Zumi Pop

alsof je morgen Zumi Pop

in de vroege ochtend

sterven moest

WATERPOES

Waterpoes noemt je vriendin haar schuit

`hij lekt hoegenaamd niet’, zegt ze

`een beetje maar’. Je denkt: waarom

heet zo’n schavuit toch een schavuit

bij de steiger zie je een graatmagere Indiër

met kaarsrechte rug in Lotus-zit

je klimt in de buik van de boot

met een jerrycan 2-takt smeerolie

tussen de knieën. Teveel lawaai

om te praten. Blikken die kaatsen

je vist plastic uit het water

een witroze aal drijft opengebarsten voorbij

een volgezogen fietsband blijft tegen een zijkant

hangen, duivennestjes met gebroed dobberen

onder de brug. Haar handen die in tederheid

de jonge duifjestooi bestrijken, terwijl

de zwarte koeten verderop vlotten bouwen

van takken, blikjes, natte kranten

hun klotsende fortjes beschermend als trotse

voddenkoningen. De Russische bemanning

van een verankerde vrachtboot zwaait je

in de grijze haven toe. Een groot passagiersschip

vertrekt. Water druipt in slierten

van omhooggetakelde lianen. Het IJ

is plots een oerwoud, de lucht woestenij

nog steeds de hoop dat harten worden gelijkgezet

maar zij verontschuldigt zich:

`ik draag deze dagen een getij in mij

excuses, maar ik draai wel bij’

UIT HET KROMME LEVEN (EEN RECHTE LEER)

waar, hoe laat en in wiens naam

werd zij geboren, op welke grond

werd zij gebaard, was het bij avondrood

of morgenstond dat zij ontstond

is zij van origine laf of moedig

is zij telg uit een familie der

hebzuchtigen of klopt in haar

het bloed der moederlijken

en goedmoedigen

aan wie valt de eer te beurt

de enige, rechtmatige te zijn

de erflaatster, de ravissante

gouvernante van háár:

de koppige, de knappe, zij

die geboren werd met het schuim

op de lippen, met het zweet op haar

aanschijn, zij die de lieren beroert

is dat uit een zielstekort of overschot

uit droefenis, gemis of uit plezier

was offervaardigheid haar schoot

ontstond haar passie uit compassie

heeft zij haar lijf gekregen

om te geven of te nemen

is ze gul of zuinig

verschalkt ze alles, laat ze

restjes staan, beperkt zij zich

tot wat haar goeddunkt, is wat ze

verslindt wat zij begeert, is haar lust

een list bedrog belangeloos

en dat hart waar ze zo graag

haar tand in zet, is dat umsonnst

of omdat zij het zelf ontbeert?

MIJN DOCHTER (vrij naar W. Kees)

mijn dochter hupt op haar skippy door de tuin

voedert de eendjes en de beesten in het hertenkamp

alsof zij alles in de hand

mijn dochter zegt: papa, maak je geen zorgen

spoken bestaan niet toch noch heksen niet noch tovenaars

en morgen breekt een mooie dag weer aan

mijn dochter wenst me welterusten

in het donker, kust me op mijn wangen

huivert in mijn armen

ik vraag me af wie het kind is dat wordt toegedekt

wiens droom het is die hier begint

ik denk: zal alles in het leven voortaan

omgekeerd zijn gang gaan

wat jong is ouder en wat groter klein?

dertig en al door mijn genen ingehaald

ik stop niet meer, ik breek niet meer

ik heb geen dochter

denk er ook niet aan

HERINNERINGEN AAN MAREN

variaties op Histoire de Melody Nelson

Now, the long sleep that outlasts love, that conquers

even the grimace of love, had cuckolded him.’

  • W. Faulkner

I

Het was November toen het begon

onder invloed van de maan,

beweert ze, – eb en vloed –

op haar lichaam: Maren

Vorig jaar

Ik kende haar toen niet

maar Remi wel

ik moet het doen met wat

er daarna is gebeurd

het licht boven de bar

was van een zelfde kleur

als vanavond, in de velden

trippelden fazanten

een oranje maandag

II

Ze wreef met haar servet

over zijn lege glas

spiegeltje,’ zei ze, ‘spiegeltje

steel mijn gelaat!’

capricieus

met de barman, zijn hangbuik

zijn bretels, herkende Remi

haar geste. Ze kende de

mannelijke natuur

de peilloze, permanente

vermoeidheid, het vuur

dat in het huwelijk al te

snel is opgebrand

de uitgestelde rust

III

Een jaar later. November

De kamers van het motel

zien nog steeds uit

op een mossige fontein

een wintertuin

waaruit Remi nog wat takjes

in een boek plat plakt

Maren die er

haar neus op drukt

en lacht met de grimas

van het overspel

in illusie en besef dat het

later dan vannacht

nooit meer worden zal

IV

Het was kort dag, de maandag

is oranje, en alles

is geregeld voor het weekend

de druppels calciumchloraat

twee milligram

de huivering, de kramp

de druppelende verwarming

de geluiden buiten van een

naderende winter (regen, wind)

en na zes uur eindelijk

het voorschot op het zwart –

de liefde die eindigt

in het hoofd

slaap is een te korte dood

(de moteleigenaar overhandigde

mij discreet een envelop

waarin:

  • een journaal

  • een onbetaalde rekening)

Er is nog een herinnering

aan Maren, en Remi

op bezoek bij een badplaats

hier vlakbij

deze nazomer

Er waren toen al tekenen:

V

De zee steeg met ons mee

toen we terugkeerden naar

de duinen, waar Maren sliep

de dag was

gebroken

genesteld in het zand keken we

naar de bruine branding

de vermodderde kust, het

geloosde visafval

naar kinderen en mannen

die flessen op de rotsen braken

om te zien of de zee

iets waardevols had nagelaten

zonder resultaat

VI

Maren wilde niet de vuurtoren

zien maar de molen

in de badplaats

en ze kreeg

haar zin

ze is in de wieken geklommen

heeft het canvas gespannen

haar legging gescheurd

en eindeloos dat weekend

de uitleg van de bultige

molenaar herhaald:

De molen loopt op top

De molen loopt op duikertjes

De molen loopt op blote benen.’

ABGESANG

Giacomo Girolamo Casanova, seigneur de Seingalt –

kasteel van Dux in Bohemen, 1792:

Hoop nog steeds koppig op een betere wereld

en wat meer fortuin. De stoom ontsnapt aan de ketel

en is vrij. De buren boven lachen scheef naar mij.

Vroeger was het alles anders dan vandaag.

Avonturen, schandalen, ongeluk. Ik kreeg de volle laag.

Eens was het Dag. Nu op een haar na Nacht,

Seizoenen tellen niet wanneer je stervend bent.

Verleden zaken zet ik peinzend op een rij.

Ik sluit mijn ogen en al wat ik zie is regen

en een rij gewonde monden boven tafelzilver.

Mijn kamers zijn even leeg als nu het land:

de engelen varen luisterrijk ten hemel

in zin zus of zo, maar de avond valt nog steeds

slecht gecast in een spel van niks.

Door het moordenaarsklimaat schiet overal

nieuw onkruid op. Tonen kreupele buren hun

vertrokken koppen die niemand ooit zo zag.

Dichtgetimmerd in een kist, opgesloten

in een hok of in een kamer

die je eens liefdevol omsloot

schrijf je:

…Afgelopen. Niet meer. Punt uit,’

en ondertekent beverig. Buiten huilen beesten.

De Boheemse beulen en hun knechten vegen stoepen

schoon, besmeuren muren. Naar hen is elk hoofd opgeheven.

te midden van de kuiperijen houden zij de wanden waterpas.

Stippelen zij de toekomst uit, bleek en nu al versleten.

Deze kamers schokken nog het meest van allemaal.

Kil van hart en nog killer van geest, knipperen mijn

windhond en ik in geblindeerde vertrekken

naar uitgangen die niet meer bestaan.

Vele jaren zijn aldus vergaan. Langzaam

brandt wat slijt, scheidt, snijdt, barst, rafelt of verdeelt

om mij tot dit verweerd diëet te krijgen, flakkerend

naar zijn eind. Nu, in een ouder handschrift

krabbel ik bibberend mijn naam. Eens kende ik

dit leven hier, dit kasteel zoals die lantarenlichtjes ginder

blinkend in snoeren aan de overkant van de rivier.

Deze lanen die blijvend geuren naar mijn soort. Maar nu

blaft en gromt mijn geest in deze zuurstofloze lucht.

Ben ik geen brommende gids of cerberus

maar wrakhout voor het schuthok, vol schaamte

snuffelend. Een en al koude neus op zoek naar mij.

Melanpyge I? Melampyge II? Nee!

Een panisch soort gekwebbel stijgt op in mijn lijf.

Wild van verlangen naar mijn schaduw in deze ledigheid

strompel ik jankend de ruineuze lichten tegemoet, krom

het leven in, waar kluiven, katten en bazen rondkrioelen.

En waar ergens ook Haar naam nog moet zijn.”

BLANCO

In memoriam Freddy de Vree (3.10.1939 – 3.7.2004)

I

In mijn droom schrik ik wakker

onder een brug stroomt een borrelend

kwik. Ik hijg. Koel en zilver is je hand

die me bedreigt; je zwijgt. Streep

door mijn keel. Geel mijn gezicht

je trilt rondom mij zoals de hitte

aan monumenten kleeft

stuwt je adem door mijn longen

het is nooit kil nooit donker als je lacht

de sloepen varen met op de plecht

het oog van Osiris. Avond

je slaapt. Althans je adem

lijkt op slaap, en je slapen

op sneeuw. Liefde is eeuwig

maar vluchtig en brandbaar als stro

ik hield al van je toen we niet bestonden

oorlog wisselt met vrede

zoals verkrachting met gebeden

een dun enigma van vlees

scheidt ons van weten en vergeten

er is die regen die nooit valt

drijvend ontwaken

men weet zijn leven verlaten

zijn lever verziekt, ziel verloren

zijn vlees bestorven, lijf verzwakt

zijn leden verstijfd, hart verdord

men weet de dood in zich geboren

hoelang duurt zo’n moment

waarin alles deemstert

naderend licht, wijkende maan

gewichtloos gewicht, in de fik gestoken

kraambed, krijsende moeders

een missaal met miniaturen

onder het retort, de haast

onbeweeglijke vlammen

van het overmatig vuur

wij eren het uur. Nu. Voor straks:

schenk ons die onverwachte dood

II

een gelaarsde halfontklede vrouw

die eindeloos haar papieren lippen schminkt

in een firmament van gepolijst aluminium

Venus lijkt van dessert

maar is van was als een lijk

een engel des doods die poseert

bezint aleer gij bemint’

dag brengt geen raad

nacht bergt verraad

elk ogenblik heeft zijn losprijs

de tijd gelijk toen

lijkt eens te meer

op Caesar Augustus

hoe hij geruisloos nader sluipt

tevoorschijn komt, zegt: ‘Zie!’

en overwint

de weg kwijt

waar een wil was

hartstocht of aftocht

resteert achterdocht

de Florentijnen vochten hier hun vetes uit

wij ons zwijgen. Wachten op het oordeel

bij verstek. Oceanos die zich koest houdt

en bij zomer, nu, zijn winterslaap

een wijngaard, een huis vol klanken

bij het strand. Houd de liefde

achter de hand

genot is aan geduld

geduld aan wraak verwant

de dood is zoet, zei Augustinus

als je de ordening van alles doorziet

maar eerder niet

III

jij was er niet, of wat er was, was jij niet

ga, ga niet, gij, gij niet

plots sprongen uit de bossen wolven toe

en beten de laatste gil uit mijn keel

opgeslokt in een stad van praal en mensenloze elegantie

ik kom een tweede maal ter wereld

met jou in een vreemde weelde

zo deze wereld bestond, bestond zij

in de vorm van een wreed verhaal. Wij tweeën

speelden er niet in mee, hebben ons eigen labyrint

dat wij noemden naar elk ander

maar stiekem naar elkaar

en daarin was jij dartel als een elf

je fladderde door de kerkers van het zelf

lichtte op als fosfor op een vlinder

in het zilte grijze duister

van ons daglichtloos gewelf

en ineens, langs de kant van mijn hart

zag ik de happende honden

in een wolk van stof en stank

de drijvers, jagend door een ovaal

van zonlicht. Het licht is als een angstige jurk

in de nacht waarin een meisje dwaalt

doof van angst, blind van verlangen

erogene aureool. De wereld is haar belager

haar paradijs wacht in de hel

de hel wacht ellen lager

achter glas, die spiegel zonder zilver

het schimmenspel der Ilias

blind gerucht, bloed en tumult

niet uit een vrouw

worden wij geboren

maar uit een vouw

op de blanco pagina

(…)

PSYCHOPATHIA SEXUALIS

Zo stelt hij voor dat hij

haar droom betreedt; het

huis van een bekende, een patiënte,

een klop op de deur, een kleine tik

tegen haar hoofd, een glimlach

hij zet zijn tas van kalfsleer

naast haar bed neer, ruikt

haar parfum (Bardot, of Givenchy)

de adem van de avondkoffie, maar geen

zweem nog van haar angst

zij verhaalt, hij laat haar praten

zij vraagt of zij een raam moet openen

wat licht en lucht moet binnenlaten

maar hij raadt het af. De kamer blijft,

zegt hij, te klein voor twee personen

zij vraagt beleefd of zij zich moet

ontkleden. Hij knikt discreet en neemt

haar kleren aan. Hij vouwt ze op

en legt ze op het laken; alles volgens orde

want geen passie mag ontwaken

hij druppelt vloeistof in haar licht

ontstoken ogen, sproeit nevel

in haar neus, hij reinigt

grondig alle ademwegen, legt zijn

stethos op haar schouderbladen

en stelt zich voor hoe hij haar billen

opent met zijn nagels, haar rug

vilt en de wervels streelt

(hij denkt aan forel, truite

à la meunière) en met zijn handen

graait door haar aders die krullen

als adders rond zijn vingers

hij grabbelt naar haar hart

dat hij, voor hij het menigvuldigt

en in plakken snijdt een kus geeft

een kus! Die eeuwenoude kunst

van de beheersing

MODULATIE: 1 OP 1

Een kwestie van keuren en bekijken

maar de vraag blijft wie of wat gevangen zit

zij in haar vlees of haar vlees in haar

wist zij het maar

– Je borsten voelen zo raar

– Dat is omdat ze echt zijn

Nee zegt zij mijn lichaam mag geen rivier/bedding zijn

die uitslijt met de jaren

ik wil lijnen die bemeten zijn

ik zal mijn jeugd bewaren

– Frons eens

– Kan ik niet. En ik vind het niet erg

dat ik het niet meer kan

Als een dialect dat opgaat in een taal

die vergelijking mag (zij lacht) maar liever

heeft zij het over vrij zijn

van haar voorgeslacht

– Ik sport nauwelijks meer

ik kan ook niet meer op mijn buik slapen

dan lopen mijn borsten leeg

Hij pakt een kleine hamer van zilver

een punaise van metaal

hij tikt die in de schedel

zoals je een poster ophangt

Hij brengt twee snaren aan in het onderweefsel

knikt goedkeurend als hij ziet hoe zacht

hij spant de draden aan

en strijkt het voorhoofd glad

Niets is onveranderlijk. Zij houdt vol.

neus, borsten, kin en billen. Alleen

twee ribben wil de arts niet weg

geeft niets. Zij heeft toch geen aanleg

meer om dik te worden

STROBOSCOPISCH SCHEDELLICHTEN

voor Misja Klein

na eensgezind de sociale spiralen

in het leven te hebben beklommen

is het nu tijd voor een overzicht

met een pilletje in je mik

ziet de wereld er een stuk leuker uit

toch?

een likje gammaboterzuur

een snuffje rohypnol, een snuifje ego (lelieblank)

een videomontage van vrolijke kleuren en figuren

de dood en narigheid wordt uitgegumd

cut & paste gereplaced

wij kommuniceren kommerloosheid

onze levensfilosofie: amnesie

party’s zien wij als metaforen voor het bestaan

vooral voor de vergankelijkheid ervan

eens gaat het licht weer aan,

is het feest gedaan, begrijp je wel

is alles af, dansen alleen nog

je beenderen in het graf

stroboscopisch belichten wij de cellen

van een woekerende welvaart

onze conclusie: alles speelt zich in ons hoofd af

de werkelijkheid is ouwe lul

et tout le reste is flauwe-cul

WIJ ZIJN VANDAAG LICHTVOETIG

‘zwem jij ook in de hoogzee

als een valstrik?

Of zal ik je vinden in het zand,

in de geur van het ogenblik?’

– Hugo Claus

ik leef alleen voor de zon

en wij zijn elkaars schaduw

zout op zout, lik op stuk

ik lust je rauw

twee kuiltjes onderaan je rug

het zonlicht likt en blijft likken

de hitte streelt je huid

met onzichtbare tong

volgt met een vingertop

de lijn van je billen

strooit over je benen

een fijn laagje zand

plengt een druppeltje olie

op een gloeiende plaat

rondom ons waaieren de stemmen

als sigarettenrook uiteen

zie je, alles lost vanzelf op!’

forceren kun je niets

volgens mij trekt alles zich juist vlot

omdat geliefden onbewust het lot

intimideren met hun opdringerige

quasi-kindse zaligengedrag

vandaag zijn wij lichtvoetig

jij Rossalka zeemeermin

en ik de visser zonder baard

ik knabbel aan je nagels, je haren

de vinnen van je zeemeerminnenstaart

ik proef het zand, de zee, de zweem

van zweet en ik proef meer

kristal, en jij

jij proeft het ook en zegt: ‘ik

ik doe je mond

ik doe je mond zout smaken’

wij zijn vandaag lichtvoetig

wij zweven, zwemmen

wij rekken ons uit

gestrekt op het strand

wij neuriën verliefd

de ligaturen van een

onbezonnen componist

wij gaan eten (Coquilles Saint Jacques)

wij gaan drinken (wijn uit Occitanië)

wij gaan dansen (een solea por buleria)

wij gaan wiegen (de malagueňa van Chacon)

wij gaan door tot in het holst

en verder

en ergens in die duisternis vraag jij

of ik wel eens een dier gedood heb

een slang bijvoorbeeld, of een hond

een ram of stierenkalf misschien’

eigenhandig?’ vraag je

en ik, onwetende

ik vraag me af:

waar doel je op?

maar dan terloops

met je gevooisde

en geplooide stem

die zich als vanzelfsprekend

met het omringend donker mengt

vraag je me of ik denk dat geluk

misschien toch echt bestaat

dat weet je pas als je het kwijt bent’

timing is alles

je mag niks, zo zei je vader al

aan het toeval overlaten

behalve het toeval

de nacht wordt aangelengd

de zee wordt eb, de maan wordt flets

roze als een babymond

het leven trekt zich terug

en jij, en ik wij trekken juist

dat leven in

DE VOORSPOED IS EEN JUNK

het is de toon die de muziek

sneert zij en daarbij

of ik haar even in wil smeren

zij drukt puistjes uit op mijn rug

zij gilt als ik in haar vingertop bijt

zij doet voor hoe ik wel mijn tanden

in haar zetten mag, zij die mijn rug en

bovenarmen openrijt en gromt als ze klaarkomt

zij die het liefste op mij rijdt, bovenop mij

zij zegt `dan heb ik overzicht’

zij veldheer die neerkijkt op het slagveld

zij leest een boek dat heet `de voorspoed

is een junk’ – (nee, zegt zij, je kijkt

scheel als een rund. De voorspoed

is een juk. Iets waar je je aan vertilt

zij kan het weten)

RAADSELEN

schoonheid is altijd

het hardnekkigste masker

ik zie ik zie wat zij niet

en wat ik zie is nimmer

wat zij is; een blik! en

weer: tot nader order

alles uitgewist

het marmer van haar vel

een deklaagje sneeuw

zij: `witte roet’ noemden Romeinen dat’

(mannen die teveel steden zagen branden)

witte roet op haar witte reet

zal ze bedoelen, de madam

met negermeisjes, zeetjes in het hoofd

zij murmelt in haar halfslaap

terwijl ze traag een mug wegslaat:

`zwarte seisjes in de grote nacht’

overdag is zij kwiek

maar ook een ietwat misselijk

ik wijs de liefde niet af’

(wat zij bedoelt is: zij wijst mij ermee terecht)

ik ben geen Narcissa en ook geen appel

waar jij zomaar in bijten mag

ik wil alleen met jou in ballingschap’

ik mag haar Adam zijn, die onvolgroeide

brok in haar keel, die mannenman

tussen het laken van madam

zij zegt: `Bataille noemt orgasme ergens

en klein sterven’

ik – Mars, minnaar die al honderd doden

vocht voor haar: `en het grote sterven dan?’

zij: `dat is voor later…’

waar het om gaat

dat is wat moet bewaard

IN HET PRAKTISCH LIEFDESLAB

I

verbaasd door het verkleinwoord

(‘denk je wel aan ’t condoompje?’)

bekeek ik haar, mlle. mosquito

een muggenbeet op haar vanille vel

voor ik me met haar overgaf

aan de wisselingen van gedaante

de zinderingen van gemoed

de sidderingen van het bloed

en later luisterend naar het

sissen van twee lijven in koel

en schuimloos water; damp

werd dauw, hitte ijs en

vlees stolde tot steen

beroerd, verroerd, verward

knipten we het schrikdraad

rond ons hart en beleefden

de dagen daarna als een praktikum

om te zien wat overbleef; het minimum

of wat dies meer zij

daarvan

waarvan

II

Haar blik, haar paddenlach

haar hooghartig geil negeren

haar uitstel van genot

haar minachting die duidelijk

haar kiekebiesj, haar kriekenmond

haar kin gepind op mijn behaarde kont

haar onachtzaam zijn

haar onzachtzaam zijn

haar woorden die ze in spliffkes rolt

haar raadselen die ze weghoest

`ik versloekte me’, zegt ze proestend

haar lepel die ze daarbij laat vallen

in het cornflakesbord. Er is meer

dat zo rondspattend verdwijnt

zinnen die ze smoort in rook

wegwuift met haar hand

een nonchalant gebaar

zoals alles aan haar: per ongeluk

in schuwte gratieus

wat in de ruimte blijft kringelen

blaast ze eenvoudig weg

zodat anderen er geen hinder

van kunnen ondervinden

ze vermijdt iedere agitatie

van boven is ze zwevend, rossig

haast onzichtbaar. Maar daaronder:

noest, zwart, zwaar

zo vindt ze eigenlijk heel ons leven

een grap waarvan we de pointe

beter zouden vergeten

Wanneer een vrouw haar stonden heeft, verkeert zij zeven dagen in staat van onreinheid. Wie haar aanraakt, is tot de avond onrein; alles waarop zij in die toestand gaat liggen of zitten, wordt onrein. Wie haar bed aanraakt, moet zijn kleren wassen, een bad nemen, en is tot de avond onrein; wie iets aanraakt, waarop zij heeft gezeten, moet zijn kleren wassen, een bad nemen, en is tot de avond onrein. Zelfs wie iets aanraakt, wat op het bed heeft gelegen, of iets waarop zij heeft gezeten, is tot de avond onrein. Wanneer een man gemeenschap met haar houdt en door haar wordt bezoedeld, is hij zeven dagen onrein; en elk bed, waarop hij ligt, wordt onrein. Wanneer de vrouw buiten de tijd van haar stonden langere tijd aan vloeiing lijdt, of haar stonden langer dan gewoonlijk duren, dan is zij al die tijd even onrein.’

  • Leviticus 15:19-24

ZEETJES IN MIN KOP

`ich hej zeetjes in min kop’

even legde ze haar wang tegen zijn rug

hoorde hij haar zuchten, iets zeggen

een woord dat in de verte op zalig leek

hij wist niet zeker of dat was wat ze zei

en toch, ze was daar, ze lag daar

tegen hem aan en met haar armen

geklemd om zijn lichaam als een boot

die lag aangelijnd; vannacht

was hij haar baken

en bestonden zij alleen

maar voor elkaar

en alles voelde als vanzelfsprekend

en alles voelde als volmaakt

op hun gemak en allebei –

maar enkel voor een nacht

ze krabbelde iets omhoog, plaatste

haar elleboog naast zijn hoofd

en rolde vakkundig een joint

op het plat van zijn buik

hij mocht schijnen wat hij wou

en waar hij wou, over haar heupen

haar nek haar billen en overal –

maar enkel voor een nacht

RANJA

Ranja noemde je het

aanmaak; liefde met

de smaak van limonade

je zoog het uit haar binnenste

en besmeurde er haar borsten mee

druppels als robijnen

om haar nek, de tepels

knipperend en zwart

Je was een man

en kende geen gevaren

zij waren het immers

die de wonden stelpten

en zij was van hen één:

een vrouw

Die wist dat vlees geen gras was

die wist hoe mannen elkaar

de hand schudden, beminnen

en belagen

tot bloedens toe

Maar niemand die er nu nog durft

zijn merg om te verwedden

de controle is verloren

de rollen zijn gekeerd

en tenslotte blijkt er zelfs

een eiland

waar een man ook menstrueert

met zand het vlees schuurt

het bloed laat vloeien

in de schoot van een zee

zo blauw als inkt

uit maandverband/O.B.

-reclame

ICHOR, HET BLOED

Samen kunnen we ontkennen

wat we willen (dingen die

gedurfd zijn en verwacht)

we zijn bevreesd voor wat er

tussen ons stroomt – de complexie

van schaamte en wraak

Verwond door het onzichtbaar mes

dat door ons lichaam trekt

de mond in het geslacht verzonken

weigeren we te zien de tekens

de bloemen die niet willen groeien

het geheim van liefde blijft

tijdelijkheid, haar rafelige

randen, de druppels

onstopbaar – maar niet

onstolbaar – maar niet

TEDER GIF

Zij heeft een stem als crème

smeert woorden uit in donker

als een nachtwerker teer

over brokkelend asfalt

De onrust woekert en haar hakken

tikken weg naar het oor van een man

die haar te vroeg betrapte

een kobold met stalen handen

– het is vast daarom dat zij

als ik haar gesel met de liefde

vol verwijten rilt, gilt

en zweet

DE TEDERHEID

Bois, car après nous, la lune souvent

Passera de son déclin à son croissant et

de son croissant à son déclin.

– Omar Khayyâm

Hier is het als elders

als je geheugen

dat zich verwijdert

de dagen zijn gevuld

de muren zijn oud vlees

de stank is de stilte

een wolf in je spoor

een kameraad in de spiegel

je vraagt haar niet om

eeuwigheid te tellen

noch om te wonen in

een iglo, een casino

je wilt haar kut en anus

kussen

is dat tederheid?

De tederheid is om

te kotsen

Het is een traject, een droom

van blikkerend

metaal

de detector piept

dief! of terrorist!

maar je komt erdoor

voor in de Lockheed

en later alleen

met haar in een motel

bedrijvend de liefde

van de sterfelijken

je voelt het in je nek

een suikerstorm, haar tiende

thee, haar blaas-

ontsteking

twee seconden lijken haar ogen

te vallen, als krabben die

terugkruipen in de rots

en dan is het bekend:

dit jaar zal er geen winter zijn

Het zaakje vergaat

het verhaal heeft al

te lang gelegen

na het toedienen van pijn

en genot, een shot

een dag een week

bekruipt je het gevoel:

een overdosis

niet altijd de trut die ze is

is ze; moet je daar

nog moed uit vatten?

ze verkiest te wonen

achter hoge muren

de wapens van vernedering

gebonden om haar heupen

je spreekt haar niet

de deuren zijn gekust

het is nu om het even

de tijd te doden als de liefde

Voel met je vinger:

de nacht in de maag

van de meisjes

Proef met je tong:

sardientjes gevuld

met heroïne

Smeer uit de zalf:

de rimpels de vouwen

van accordeons

Ken de gevaren:

de korte en lange

circuits

Twijfel

aan jezelf

Overhandig wat is

verworven (alles)

Giet:

de laatste wijn

sta op

Alleen de rozen

kunnen nu nog dronken worden

HEERLIJK

ik ben heerlijk, zegt zij

als wij in de ghoede stede

van het misverstand ons overgeven

aan de laatste trends, gebakkelei

en ander onbetekenends

heerlijk (lang proef ik het woord)

we spartelen wat rond in de fuik

speuren door rekruteringsrubrieken

zien een hele toekomst voor ons

als bestekberekenaar

blijven haken aan een sjieke bar

waar witte porto wordt gedronken

als aperitief en daarna gegeten

poulet à la Kriek

we spenderen onze diploma’s

en vragen per slot van rekening

beleefd naar de faktuur

ze noemt mij doortastend

ik zeg: zo noemden ze Stalin ook

ze kijkt me aan en zegt opnieuw

dat ze niet weet of ik wel echt

een vriend ben of enkel een kompaan

of ik nu eerlijk ben of niet

ik ben eerlijk, zegt ze

en ik dacht dat ze heerlijk

maar dat zeg ik niet

ik brand mijn tong

en bouw haar na

eerlijk? ach wat heet…

BLOEDTEST

`als mannen bij mij zijn
hebben ze geen controle meer
over de dingen die gebeuren’
zegt zij die geen controle
over mij (ik evenmin), wij:

twee pluisjes in de wind

ik wil niet dat je me alleen laat

nu, de sfeer is juist zo goed’

dan laat ik je niet alleen

maar in gezelschap van

die goede sfeer’

`je weet niet wat je wegsmijt’
ik geef haar gelijk – ik weet het niet
each man kills… het oude lied
ik voel me schurk, een dief
op heterdaad. maar ik ben niet
op voorbedachte rade hier


wat wel, denk ik, wat is het
dat ik ben, een boer
die zijn oogst verwoest
in domme dronkenschap
een plunderend soldaat
die blaker wil als buit?

zij laat mij blootsvoets uit
haar kater glipt tussen mijn benen
de staart rechtop als een sidderend

serpent door anderen bezworen

een aal met afgehouwen kop

die blijft kronkelen tot op ons bord


`dit is symbolisch,’ vindt zij
ik beaam, druk mijn voorhoofd
tegen dat blonde hoofd van haar
`het spijt me,’ zeg ik, `wíj schieten niet
met de boog, het is Eros die schiet’

ik loop met zonnebril
in snelpas door de nacht
een uil die niet kan huilen
ik wacht, rook mijn Gitanes op
terwijl het langzaam ochtend wordt
de orbit blauwig paars
het uur vlak voor l’heure bleue
als het azuur wordt uitgewist

door licht

de leerlingen van de boeddha

vroegen hun meester:
`bent u een heilige?’

de boeddha zei: `nee’
na een tijdje vroegen ze:

`bent u een engel?’
hij zei: `nee’
`maar wat bent u dan wel?’

wilden de leerlingen weten
de boeddha antwoordde:

`…ik ben wakker’

het raam rol ik een handlengte omlaag
en gaandeweg vult mijn gemoed zich weer
met lucht, ik snel, versnel, vertraag
de liefde is een bloedtest
en ik blaas, ik blaas, ik zie
dat wat vervliedt, wat niet
ik ruik mijn eigen adem
anders nog? de alcohol
de roes, het schrijnende
en het lucide… ik prijs
de dag die breekt, denk:
goddank, ik ben wakker
goddank, ik ben nog altijd wakker

BLAUWHELM (CASQUE BLEUE)

een foetus voedt zich via zijn navelstreng
een patiënt overleeft dankzij zijn infuus
en ik, ik lik mijn wonden
ben met ziel en lijf gebonden

aan haar, die mijn leven kwam belegeren
uit naam van genade

de liefde is een lijfstraf

door een bloedraad opgelegd

een pleit dat bij volmacht

van de genen is beslecht

een geseling van oog om oog

en tand om tand, van borst

tot benen, kop tot tenen

hart tot hart; wat ik heb

is wat ik had, een kreet

die in de keel klemzat

zij: `een vrouw is voor de man de ideale foltermachine’
(ik: wie is die man dan?)
zij: `ik toon je alles waar je op uit bent’
(en net daarom verlies je het)

in al haar gulheid blijft zij lenig

ongenaakbaar en

net als haar woorden

smokkelwaar uit dat corrupt

en sprookjesachtig

land van haar

maar dan, tenslotte

weet zij het:

`zo zie ik het: als vulling

van leegte, een plastic want

die door een hand pas

vorm krijgt, volte, contour’

geen speld valt daar nog tussen

tenslotte is er niemand die meer

recht van spreken heeft

dan zij die vanaf het moment

dat ze geboren werd

bleek uitverkoren

om woordvoerster te zijn

van alles dat vanzelf spreekt

KEERVERS

en als het schip dan zinkt

zeg je, omdat het is geënterd

laat het dan met mannen

en met muizen, laat het dan

en ook met ons in godsnaam

naar de kelder gaan

jij hebt je best gedaan

zeg je, voor alles wat

mislukt is

we ruimen en sorteren

wat na een aantal jaren wel

en wat niet meer

we pakken in, vouwen uit

geven lucht aan wat te lang

de adem in, aan wat met ons

geheugen is verstoft en is verdikt

er zijn vast zaken zoek

er zijn vast dingen

die hier in het donker zijn gestikt

de tijd valt stil

die ons heeft toebehoord

maar zich nu tegen ons gekeerd

de balans is opgemaakt

in de as van het restant

de taal die we spraken

is de strijd die nog woedt

het woord is gebinte

ons speeksel is bloed

we heffen eenmaal nog

het keervers aan:

venite adoremus – nee!

het leven is geen koorgezang

van strofen en refrein

kop voor keizerin

lijm wat nog rijmt

de keizer is zijns weegs gegaan

hoera hoera (hij leve hoog!)

maar hoger nog de generaals

die zijn gebleven

DIT WAS TOEN MORGEN

spreken in tongen. teken in poses.

proefwerk prelude. profaan in probatum.

doorsta de beproeving. ontwar de verhalen.

verwaand en onzeker. versteld van de waarheid

vol van verwachting. in geuren en kleuren

en zoetige smaken. vrucht op zoetzuur.

roos in het laken. bloesem in bloei.

troost en calvarie. keet op koopavond.

alles voorlopig. planning in fasen.

kiespijn en groeipijn. liefde bij vlagen.

dit was toen morgen. vandaag is geweest.

de roes van het bijna. de beet van het beest.

LUISTER EN VINK

‘l’art de plaire est l’art de tromper’
– Vauvenargue
luister en vink blijven spelen

onze verlangens uitgezweet

gebeden in een ander

om onze genade

ik ben van jou gemaakt vrouw‘

maar weinigen die weten
minder doorstaan
ken ik de ziel niet
wil ik de ogen

ken ik de nek niet
wil ik de mond

wee wie ooit zinderend

van ziel versmolt

wee wie ooit zoals

de wereldzee verdroogde
schroomvallig drinken we

van het vocht

dat geen dorst lest

baden in de poel

die ons niet wast

niets is wat het lijkt

en niets blijft gelijk

de rivier niet die

voorbijtrekt noch

het vleesnat in ons lijf

en ook de hoop niet

die weer op de klippen

het water dat ons

nader tot de lippen

de tederheid is ongenegen

de zuiverheid bevlekt zichzelf

en ook rechtschapenheid

liegt niet volmaakt

wat schoon is verloedert

wat rein is bederft

wat zoet is verbittert

wat goed is verzuurt

luister en vink blijven spelen

onze verlangens uitgezweet

gebeden in een ander

om onze genade

ik ben van jou gemaakt vrouw’

de begeerte is een cocktail

in een gifbeker bereid met

mintblad, kraakijs, rattenkruit

een opkikker voor de eeuwigheid

CALECHE DU SEXE (CLUB 3201)

Vrouwen, voor zij binnentreden

kussen zij het blauwe veld

van aderen en littekens, de wang

van de portier. Met genoegen

lezen ze de tekst dat alle

vlees hier voedsel is

ze zuigen op lolly’s met giftige

mezcalwormen, kietelen katten

die slapen op de bar en verrichten

autopsie op een ongekrenkt

mannelijk lichaam dat geboeid

ligt uitgestrekt op de vloer

ze snijden in lendenen (ook hun

eigen) en werpen organen in

een teil die, nadat het bloed

wordt afgegoten, op het vuur

wordt gezet. Ze geven elkaars

sappen door via dialyse, de

draden aangesloten op hun

genitaliën. De cocaïnerauwe

plekken op hun huid worden

bestreken door penselen gedoopt

in gelei. Een deejay snijdt het

geluid met scheermesjes

uit oude discoplaten. Ze dansen

en drinken urine waarin opgelost

capsules ecstasy – bedoeld om ieders

lust te hydrateren. Het mengsel

werkt meestal averechts. Het laat

hun huid en haren koken tot een

holle korst van opgedroogde

spijs. In de ochtend, bij het

ontsteken van de lichten

voelen ze vaak spijt

en pijn – er druppelen tranen

in de wonden. De gevoeligsten

trekken hun leden omhoog

bij de wimpers. Krabben aan

hun ogen en bezwijken voor het

uitgestreken gezicht van de

nog altijd in smetteloos wit

gestoken portier

MORS STUPEBIT ET NATURA

Zumi Pop: `ik wijs de liefde niet af’

Serge: wat zij bedoelt is:

zij wijst mij ermee terecht

Zumi Pop: ik ben geen Narcissa

en ook geen appel waar jij

zomaar in bijten mag

Zumi Pop: ik wil met jou

in ballingschap

Serge: ik mag haar Adam zijn, die onvolgroeide

brok in haar keel, die mannenman

tussen het laken van madam

haar ogen groot, nog groter

dan waarzegbollen, pupillen

gezwollen, gespleten

tot ellipsen van planeten

alsof ik met haar

door de hemel schiet

in dat blauwgroen

dat bauxiet van haar, dat crimson

zwart van het niet. Ik zweef met haar

door de kosmos, de orbit die zij is

en die zij om mij strengelt en

verstrengeld houdt

zij tovert de lente en de zomer

in het lover, mijn lover

Zumi Pop: jij mag mijn minnaar blijven

Serge: ik mag – de zanger van de mis

die zingt van het gemis

ik mag – de plenger van de wijn

die zingt van het venijn

ik moet mij zo maken dat ik

van kop tot tenen in haar orbit pas

ze wil dat ik haar Heel & Al

prijs en bezing, haar verse

vrouwenlijf in verzen wring

zij wil dat ik haar prijs

maar ik zeg: van teveel complimenten

raakt een vrouw slechts

op zichzelf verliefd

zij is geen wezen van getij

van maan, stuurloos gevrij

wel van zee, het nat dat

uitgestrekt tussen ons twee

zeeziek is zij, als zij zegt:

Zumi Pop: ik heb zeetjes in m’n hoofd

Serge: het klutsen, klotsen van de liefde

migraine, angst, verliezen

als zij geneest is alles kwijt

Zumi Pop: `ik wilde een klein kusje maar’

Serge: Kat en hond blijven spelen

Zumi Pop: `ho! ho! ik heb nog geen keuze gemaakt’

Serge: `’kook niet’

Zumi Pop: `voor wie?’

Serge: zij belt vanuit mijn vertrekken

naar haar man:

Zumi Pop: `ja, ik ben bij hem.

kreeg je mijn brief niet, dan?’

Serge: zij fluistert donker

spijt en onmin

als zij ophangt is het of ik ben verplaatst

als toren en loper op een schaakbord

Zumi Pop: `laat hem maar lopen

en grommen de hond. Eindelijk,

al is het vermoedelijk al

te laat.’

(tegen Serge): `laat jij nu dan

mijn hond zijn. Mijn trouwe

kameraad’

Serge: gaat het om de trouw

het touwtrekken om `jou’?

of om het liefhebben, subtiel

inventief; inventionen

voor erotische zônen

rochade, klein of groot?

promotie in de rangen van het wrange

Zumi Pop: `het blijft natuurlijk spel’

Serge: `zeker, lief, tot in de dood!’

Serge: loper, toren, hond, geliefde, lijk

chinees gezegde: na de partij is alles

weer gelijk; koning en pion

verdwijnen na een poos

in dezelfde houten doos

Zumi Pop: `maar het moet wel spannend blijven…’

Zumi Pop (plots, nurks): `maak voort’

Serge: `maar…waarom?’

Zumi Pop: `daarom…

treinen wachten niet

treinen wachten nooit

het mooiste komt toch

altijd onverwachts

daden, woorden, alles is

onderbreking

de wereld is een beest

een roofdier, ongeduldig

en vlug, en altijd hongerig’

NYCTALOPE

Je suis la femme du Hibou

et de ces nyctalopes de la détresse

et des saisons malades…

et il fait froid

derrière mes yeux noirs!”

Léo Ferré

Je gezicht is nooit helder. Je zoekt

altijd het donker op. Een gedeelte

van je gezicht is verdwenen.

Je zegt dat je het gehad hebt

met deze wereld, Christus –

je zou kunnen sterven als een hert

hier in deze kamer

het gewei in een schors geboord

een gat in de schedel

ijs achter de ogen –

maar niemand die er om

heeft gevraagd.

Is dit weer een nieuwe ziekte

Of een symptoom van liefde

Op een ziekenkamer?

De wekker zegt het je voor:

morgen word je wakker

geboren

KING SIN

(in een coupé tussen Parijs en Brussel)

Het is een langzaam gevecht

je knippert tegen het wit

weerspiegeld in porseleinen ogen

je ziet het (moesje op haar wang)

zoals reizigers het zien:

met onverschillige verbazing

penis tussen toegeknepen borsten

coming shot, de glinstering

buiten passeren pionnen

watertorens geplant in

Noordfrans landschap

schaakspel van steen en lak

KATAPLEXIE

Achter elke deur begint de nacht

met een dalende temperatuur

een naam geprikt op de muur

een lichaam (waarin woedende wespen)

oog (waarop vlokken) dat zich niet durft

te openen. Beelden, brokken

van eten schoten in de keel

naburig geruis van tv (niet af te zetten)

lichten buiten: tekens van

afzondering. Een schietportret

zoals een schietgebed met

fatale gevolgen. Noctamid

merinox, laat het voor één nacht

genoeg zijn

DE ZIEKTE VAN VEGAS

De zon is de halogeenlamp

van de dood.”

    • Peter Verhelst

Vriendschap, liet je merken, is in deze omgeving

een wanspreuk. “Zulke dingen knip ik eruit”

alsof je een film maakt, een boek plakt

met kwalijke plaatjes, wegloopt op in nylon

gestikte benen van deze rusteloze eeuw

De zon schijnt in dit gokhol als ziekte

en slaap in het bloed van je nog altijd

vijftienjarig lichaam. Terug naar de dag

dat jouw vader ons allebei ving, en de

strengen tot aan onze navels om zijn vingers

wond. Heer dokter, in dit klimaat smelten

de plastic wanden tussen het divertissement

de kapellen met de cassettes blaasmuziek van

Elgar, Mendelssohn en Mozart. Wie trouwt er nog

in deze tijd om kinderen te krijgen?

Jij en ik we tellen terug tot nul

en verliezen wat we alleen als kennis

konden bezwaren

COCKTAILS EN CANAPES

Een mens is alles en meer of minder is hij ook een

koning en zelfs eens een dwaas.”

H.C. Pernath

Dames met een vernisje smoezen

over de mogelijke minnaars

van de avond

en minder relevante zaken

Het wachten blijft

op de flosjes van verleiding

die onverhoeds op het

gezelschap worden neergelaten

de beloning van een avond praten

Wat, jij die denkt dat je

er iets van snapt. Die man

die bij het dansen op je pumpjes

stapt, dát is nu Eros

de gehandicapte choreograaf

LIEFDE MINUS IETS

Het grote gevoel gaat gekleed

in intriges

je zweet in begrip

je ziet hoe het randje

van haar slip zich om

haar billen sluit

de welving van haar enkel

die beantwoordt aan de welving

van haar hals

en het is of zij het ook ziet

of zij het ook voelt

maar nee

zonder een grein van begrip

veeg je bij het ontbijt

alleen de kruimels

van je bord

BEGEERTES VOOR DE RUG VAN EEN VROUW

de vele puberteitjes in haar hoofd

blijven draaien als molens

en gebeden. Zij woelt

en voelt zich stom

haar kont doet pijn

kleine imitaties, geobserveerd

bestudeerde pasjes, gebaren

een vinger die zij langs haar

wimper streelt en meer

van dat soort bewegingen

die zij nooit meester is geworden

`Het doet er niet toe

hoe we erover wensen te denken’

Ze had het aan den lijve

ondervonden en geslikt:

aspirines voor een bloedend

en weerbarstig hart

CATWALK

Hij dwaalt op twee voeten

van het viriele

naar het aardse

naar het viriele

hij zoekt het in den vreemde

waar alle dingen zijn

zonder herinnering

hij zoekt het vlakbij

laag bij de grond

waar zich het heimelijke voltrekt

bij het vertrek

is het tastbaar

bij de terugkeer

is het er misschien

waar hij geen weet van heeft

TUTTODISCO

als het uit míjn wil voort zou komen

en als dit een feest zou zijn

van flirtende meisjes met

te strakke billen en mannen

met ruw geschoren gezichten of snorren

en als ik in hun kelen kijken kon

en de ontstekingen zien groeien

en daarmee het vuur in de darmen

waar het broeit als in de hel

als in ieder lichaam als ik

me terug kon trekken uit de

zijden lakens de dromen

voor de rijken, als ik van

genot een aanmaakdrankje

maken kon, AA of Guarana

liefde slaan uit een

dorstige dansnacht, een

gezicht geven aan het

duister als de maan aan

middernacht, dan zou ik

zeggen luister, laten we

hier ter plekke ongestoord

vrijen maar vrijen

dat vind je zeg je

een ouderwets woord

HIER IN DEZE BALZALEN

Hier in deze balzalen

met barsten in de vloeren

deze hangars van Sodom

deze tempels van kort-

stondig genot, het is hier

dat ik mijn honger bot-

vier, in de geur van bergamot

en appelbloesem

Hier in het licht dat met

lange tongen onze boezem

onze kruizen likt dans ik

mijn pik gericht als radar

op de vlammen, de hammen

van door zweet gepekeld vlees

het is hier dat ik, in sweet

and bitter panic, de tel kwijtraak

van mijn doorwaakte nachten

Hier in de nevel met mijn neus

op de feiten, aan dit opgedofte

hof van aantrekking en afkeer

volg ik, avanceer ik, bewijs eer

ik, aan die ene vrouw die

ene mythe van die ene zomer

van dat ene feest van die

ene jongen die getikt

inmiddels is gestikt

Ik bijt op de beat die aanzwelt

hoor de clap, gerinkel van geld

een gesampelde stem die vertelt

me te mengen in de massa het geweld

de lichamen die als messen snijden

tussen zich koelte toewuivende

meiden, aristokatten, anorexische

latten, panters die sluipen en

patsers die zich bezuipen

En ik bedenk: waarom doe ik dit

niet vanavond maar elke avond

niet een uur maar een nacht

waarom deze gebeden zonder end

deze jacht op dit moment deze

flagellante straf waarom breek ik

mijn weerstand af, geef mijn

slaap, mijn lichaam op aan de

herinnering – een niet bestaande

heks van de anale kring

Het antwoord danst in

onbevrediging

WREED, JIJ

af en toe zie ik je temidden van je zusters
een baby wiegend in je tienerarmen
jij die niet meer bang hier in de schemer rondhangt
– ‘witte Nachten zijn niet wit,’ zeg je beslist
‘maar beige’ – trachtend iets etherisch op te vangen
vleugjes van verlangen in zilverfolie op te warmen
jij die woont bij de oude mannen
in hun vochtige krotwoningen
jij die hurkt met het spuug in je nekhaar
en niet dan ijskoud zeggen kan:
‘dit wel, dit niet,’ op de rand van het bed
of in het hotelbuffet gintonic drinkend
met om het even welke vent, vervloekend
door wie jij bent vervloekt; jij die de drang
kent en het gevaar, jij die de huur betaalt
met liefde en ooit misschien wel met je leven
terwijl je tegen al je vrienden zegt:
‘met prostitutie heeft het niets te maken.’
de tol van jouw bestaan, en dat van je naasten
gehaast, voor even, de angst en het gevoel voorbij
jij die beeft hier onder mij; en ik die
prevel in je rugvel: ‘met prostitutie
heeft het niets te maken’

en al begin je zwaar te zweten
wrijf je met je vingertoppen over de levenslijn
die als sikkel zonder hamer in je handpalm staat
ben en blijf je de vestaalse, rotsvaste, ijzeren-

heinige, jij die al te goed beseft hoe driestheid

bij het daglicht liggen gaat en sist

tussen je tanden: ‘wreed’
een brand die woedt tot in je wezen
een koude die het hart aanvreet
jij die geluk kortstondig schitteren laat

en mompelt nogmaals met gesloten ogen

en pieus ditmaal: ‘wreed…’ en ik die kreun

en nauwelijks levend lijk

HET GEBED VAN DE OOSTENWIND

Het is allemaal als aan galgen gezegd

even bitter als zinloos

het herinnerde lichaam, de naastende geest

de godin van mijn altaar en tempel

de hondin voor mijn poort naar de hel

de schutswal voor het vooreinde

ik prak het verdriet kwijt in naamloos vlees

mijn escapisme faalt

de hoeren achter de ramen wuiven mij uit

de toeristen gapen en zien mij niet staan

ik ben als een smeltende sneeuwpop

in de regen, een kabouter in een voortuin

wat nu, nu ik hier en jij waar wij ooit

en hij naast en met jou in bed en ik zonder

samensmeden complotten tegen de tijd

het bedenken van een betere wereld

het vergeten van ongedeeld leed

en nooit meer nooit meer nooit meer

samen alleen nooit meer samen

nooit meer ah! en wee! of oh! en

amen –

ontwaken is desillusie

kennis is smart

geheugen is gemis

en nooit zal ik zijn wie ik

ben wie ik wil wie ik was

als ik ooit deze kwaal kwijt kan

spelen winnen helen als ik

die afgemat en aangepast

als bij mirakel weer genas

LOOP IK LANGSHEEN HET LEVEN

Als ik vergeet, geloof dan niet dat het is omdat ik wreed zijn wil

Als ik verwijs, geloof dan niet dat het is omdat ik wijs zijn wil

Als ik vertel, geloof dan niet dat het is omdat ik spreken wil

Als ik spreek, geloof dan niet dat het is omdat ik horen wil

Als ik zwijg, geloof dan niet dat het is omdat ik zever wil

Als ik spring, geloof dan niet dat het is omdat ik vrezen wil

Als ik val, geloof dan niet dat het is omdat ik springen wil

Als ik geniet, geloof dan niet dat het is omdat ik trouwen wil

Als ik bevroed, geloof dan niet dat het is omdat ik broeden wil

Als ik verdwaal, geloof dan niet dat het is omdat ik vinden wil

Als ik bedenk, geloof dan niet dat het is omdat ik twijfel wil

Als ik aanbel, geloof dan niet dat het is omdat ik vriendschap wil

Als ik vrees, geloof dan niet dat het is omdat ik oorlog wil

Als ik vrij, geloof dan niet dat het is omdat ik vrede wil

Als ik afdrijf, geloof dan niet dat het is omdat ik zinken wil

Als ik duik, geloof dan niet dat het is omdat ik drijven wil

Als ik buig, geloof dan niet dat het is omdat ik barsten wil

Als ik breek, geloof dan niet dat het is omdat ik schade wil

Als ik speel, geloof dan niet dat het is omdat ik drama wil

Als ik lieg, geloof dan niet dat het is omdat ik spelen wil

Als ik hoor, geloof dan niet dat het is omdat ik voelen wil

Als ik brand, geloof dan niet dat het is omdat ik doven wil

Als ik bevries, geloof dan niet dat het is omdat ik smelten wil

Als ik geeuw, geloof dan niet dat het is omdat ik neuken wil

Als ik loslaat, geloof dan niet dat het is omdat ik vrij zijn wil

Als ik vals speel, geloof dan niet dat het is omdat ik winnen wil

Als ik uitvaar, geloof dan niet dat het is omdat ik vluchten wil

Als ik zucht, geloof dan niet dat het is omdat ik lucht zijn wil

Als ik smeek, geloof dan niet dat het is omdat ik haten wil

Als ik steek, geloof dan niet dat het is omdat ik liefde wil

Als ik kniel, geloof dan niet dat het is omdat ik smeken wil

Als ik vlucht, geloof dan niet dat het is omdat ik keren wil

Als ik terugkeer, geloof dan niet dat het is omdat ik leren wil

Als ik liefheb, geloof dan niet dat het is omdat ik mens zijn wil

Als ik laf ben, geloof dan niet dat het is omdat ik week zijn wil

Als ik vermoed, geloof dan niet dat het is omdat ik slim zijn wil

Als ik verschil, geloof dan niet dat het is omdat ik min zijn wil

Als ik verstop, geloof dan niet dat het is omdat ik schuilen wil

Als ik bloed, geloof dan niet dat het is omdat ik rotzooi wil

Als ik verwelk, geloof dan niet dat het is omdat ik bloeden wil

Als ik verga, geloof dan niet dat het is omdat ik blijven wil

Als ik verzink, geloof dan niet dat het is omdat ik duiken wil

Als ik verdom, geloof dan niet dat het is omdat ik niet meer wil

Als ik verpruts, geloof dan niet dat het is omdat ik te veel wil

Als ik rust, geloof dan niet dat het is omdat ik niets meer wil

Als ik ten onder ga, geloof dan niet dat het is omdat ik jou niet wil

CORRIDOR DE PASSAGE

wij glommen in het donker

als wormen, we waren licht

en vettig, blind

we wilden wel maar wisten

niet voornaam te zijn

de baard voornamelijk

in de keel. We struikelden

over onze woorden

we dansten heel onhandig

als de hormonen in ons lijf

we verzwegen ons geheim

dat roze als een tong lag

in de mond een roofdier

klaar voor de sprong

we streken ons bloed uit

over spiegels. We wisten

niet hoe de liefde eruitzag

we wisten heel weinig

van het leven, we wisten

heel veel en met onszelf

geen blijf

TUSSEN ALLES EN NIETS

We hielden van de wreedste taferelen.

Van gevilde heiligen, de verleidelijke Salome

van Quinten Matsys. De wonderlijke allegorieën

waarin dieren musiceerden. En uiteraard hielden we

van Bruegel en Breughel en Hieronymus Bosch.

We hielden van moerassen, venen,

afvoerloze vlakten, hydromorfe bodems.

Van de dertiende-eeuwse in de kelder

opgebaarde mummies uit de kerk van Wieuwerd

door de turf beschermd tegen bederf.

We hielden van de Markies van Sade

die schreef dat stront naar olijven smaakt.

In werkelijkheid smaakt het naar niets.

Als uitgekookte vlasvezels met een bijsmaak

die zeer bitter is, vanzelfsprekend: galbitter.

We hielden van De Sade, wiens lievelingsdier

de slang was (en wel de dodelijke Anaconda)

en woonde in een vervallen kasteel te Lacoste.

Nu een kledingmerk met als symbool

een groene krokodil. (Is dit toeval?

of bijt al het saillante zich sowieso in de bil?)

We hielden van de liefde; haar vrolijk vet

maakte elke landing zacht. En kijk ons nu eens

kaal als de grond! Tussen minstens en niets

was het dak nog even een vlies

voor het begon.

CRUSTACEAE

had god een keuze

bij de schepping

of deed hij slechts alsof

zoals wij die altijd

bluffen altijd leren

door de leugens

en de bekken die we trekken

voor een spiegel of ten overstaan

van om het even welk publiek

de contouren komen vanzelf

bovendrijven aan de oppervlakte

het evenbeeld dat wij

bewaren in onszelf zoals

de voorstelling van een reptiel

of enig ander geschubd meerpotig

schaal- of salamanderachtig wezen

dat ruggelings omhoogkroop

uit de zee

zeker, zeker!

zo is het zekersteweten

geweest en nog steeds…

wij zwemmen en kruipen ruggelings

de toekomst tegemoet

als kreeften

SOLARIS SOLITARIS

er is geen reden voor illusies

en toch willen we geloven

dat het leven loont; we eisen meer

dan er op deze wereld

alleen de rust blijft ideaal

ook voor wie woont in de natuur

maar af en toe wordt ze gevonden

en steeds gaat ze verloren

in de realiteit. De plaats

van het individu blijft

eenzaamheid, solaris

solitaris

het hoofd barst uit mijn schedel

mijn brein barst uit zijn bast

het ego is weer uitgetreden

het ik is geen ander

maar een menigte

van mij

ontmantel de structuren van de tijd

externaliseer je angsten

sluit vriendschap met je dwanggedachten

zorg dat het heelal zijn waardigheid

verliest

OP EEN DAG ZAL DIT LEVEN WIJKEN

Op een dag zal dit leven wijken

zul je sterven als een hond

alleen in de sneeuw

met het donker over je heen

als een deken en de koude

zal zijn als de warmte

en je laatste gedachte

als je leven en je laatste dag

als de nacht en de nacht

als de dag die einde is

en toch geen einde kent

op een dag zal dit leven wijken

heb je geen munitie meer

om je teweer te stellen

geen kogels meer geen vinger

aan de trekker en geen spanning

op de veer de keer dat je weet

dat je keren voorbij zijn

en niet weer zullen keren – terwijl

je binnen zit en je naar buiten wilt

en je kwijnt als de oogst

die blijft rotten op het veld

op een dag zal dit leven wijken

de dag dat je weet wat het is:

geveld zijn, als je dagen geteld zijn

en je niets meer bent van wat je was

zo snel als onder het gras

je ogen gepeld zijn en je aderen

gespeld zijn door maden als naalden

van zilver je dromen van glas

zo snel als je gedachten opgaan

in gas en je loslaat – alles

wat je dierbaar was

op een dag zal dit leven wijken

HET RIF

we duiken naar koraal

en ongrijpbare kleuren

in het grote barrièrerif

we stoken het wrakhout op

verbranden een aangespoeld lijk

op het strand

verhef ons tot luitenanten van verzwelgend onheil

verhef ons tot executieven van een globaal filiaal

alles druist in tegen de aardse krachten

alles druist in tegen de wetten der natuur

sneller dan de tijd

kan men niet reizen

ook wie op tijd komt

is al te laat

CTRL ALT DELETE

de oersprong is het oor

& in den beginne was het woord

om van de eisprong maar te zwijgen

we krijgen het koud

zijn al oud in onze jongste dagen

vragen nergens om

behalve einde

of een koude start

een nieuw begin

cut the crap

stilte zal komen

avond zal vallen

er is geen weg meer heen

geen weg meer terug

het venster klapt de toekomst dicht

elke tak torst duizend bladeren

aaneen

ZO KOMT HET

Zo komt het. Waar geen woorden voor zijn

hoe je het ook wilt noemen. Het grote geheim

van Rumi Djal’alladin, het onvoorstelbare niets

van Meester Eckart. Nietzsches niets

dat alles is. De reductio ad absurdum

van Descartes. De lelijke zwarte leegte

van Sartre. Zo komt het. Hoe je het ook wenst

of verwenst, of hoe je het je voorstelt:

als gapende stilte, als vacuümzee van duisternis

als Gods zurige papadem. Zijn uitgespuugd lood

als de heerlijke stad, of de berm

vol met uitgebrand schroot

als de verschroeide oever

de verdampte rivier. Als droefenis

of lafenis, als wroeging of plezier

zo komt het en komt het en komt het

ook hier

als het einde dat komt zo komt het geheid

als het eind zonder einde, als het eind

van de tijd. Of zo komt het als het begin juist

van de eeuwigheid. Zo komt het

als as in je mond, als pis in je strot

als knikker vol stront, als een vrucht

in de rot. Met een reutel, een keutel

een rochel of een scheet. Zo komt het

als het komt ijskoud of gloeiend heet

zo komt het klaar of komt het af

in de cabine of het graf. Als laatste

of op kop. Of anders komt het op z’n kop

als acrobaat of als de zot, als vadsig vod

of dwaze operettegod. Als kip zonder kop

speedskiër of coureur, onder de doping

of op dope. Als wielrenner of coureur

zo komt het op of om de bocht

als loper of chauffeur. Zo komt het

broodnuchter of met een stuk in de kraag

zo komt het vlug. Zo komt het traag

als kop of munt. De bingo of het lot

als blackjack of als de jackpot

als de sleutel of als slot. Als

paleis of als krot. Zo komt het

als het gat in de grond of het wak

in het ijs. Zo komt het als klier

of als tocht door een kier. Als Kruis

of kut, als kus of kruisiging

zo komt het als Jezus of het Zilt

als doornenkroon of als onttroning

als bisschop in habijt of als Schot in een kilt

als pijniging of marteling zo komt het

als een speenvarken dat gilt, als het lam

dat wordt gekeeld en zo komt het

als het laatste dat je hebt gewild

als braaksel komt het of als laatste woord

dat je over de lippen komt. Als lucht

die je ontvliedt. Zo komt het als een stem

een roeping. Of als het einde van het lied

als de ping van een triangel, als roffel

of als stoot. Als het rood van het bloed

of het bruin uit de goot. Als donder

of als bliksem. Als pauze of als paukeslag

als serene rust zo komt het

of als eeuwige koopzondag

als dag van de wrake of als brandend zand

als harde nacht komt het of als de ochtend

voor het vallen van de krant

als slaap of als ontwaken. Als kanker

of gangreen. Zo komt het als Lucullus

heer der vraatzucht, of als vel over been

als Jeanne d’Arc of zuster Ursula, Bernadette

of Maria of om het even welke maagd met anorexia

zo komt het als zij of hem of haar

als gruwel met een bereklauw

als kindje met een rammelaar

zo komt het, als de hengst met de hamer

als tik van de klok, als een

striemende zweep of de zwiep met een stok

als een zwaai met de scepter

of een crash in je laptop

zo komt het als schroeiende keel

of verstokkende klank, als de geur

van lavendel of niet te harden stank

als een koude douche, een dampend bad

als zachte sofa, poef of pijnbank of het bed

der natuur, als aarde water lucht of vuur

zo komt het – en liefst nog op het gods-

onmogelijkste uur. Met een stijve pik

of met een masker. Als tepelklem

mister Piercing of Tattoo, als

krachtstroom op je schokkend hart

als een afgestroopte pels. Zo komt het

hemels zo komt het hels, zo komt het

als roos of als de spijker in het vlees

zo komt het als honing of als gif

als een pil uit een doos of een lik

uit een pot stroop. Zo komt het

als modder in een loopgraaf, als angst

na de hoop, of als de wanhoop komt het

als een lus met een knoop

en verder komt het als een assegaai

of een machete, als een schroef of een

vijs, als een hooivork of een zeis

en zelfs als balpen komt het uit een boog

als het mes op de keel dan of als een

banale bezemsteel. Zo komt het

en met of zonder gevoel, als een spies

aan de grill. Als een paal door je anus

of als een pijl in je bil. Als een visgraat

in de keel of als de scherf van een granaat

zo komt het. Als bakermat of bakerpraat

zo komt het onder de stress en overwerkt

maar soms ook glad en onbemerkt. Zo komt het

als spion of private eye, als een omgelegde

pion, als schaakmat of als patstelling

zo komt het stipt en efficiënt

zelfs al komt het te laat. Zo komt het

stroef en stram of in soepele spagaat

in goudbrokaat of vol ornaat. Als koning

of als potentaat, als weldoener of moordenaar

als een kale baron of een clochard

met rafels in het haar

zo komt het als hond die knaagt aan ieder

been, of als knokige Hein komt het

van binnenuit of om je heen. Als de zinkende bodem

of het slurpende veen. Als hoogtevrees

of overmoed, in voor- of in tegenspoed

als de val van een reling of de sprong

voor een trein, als de macabere danser

komt het of het mollige ketje. Als stijve hark

of als verkreukeld servetje. En in repen

of in moten of als slierten spaghetti

als strooisel, witte sneeuw of als kleurig

confetti. Als onzekere zekerheid komt het

als machtig mysterie of macht der ongrijpbaarheid

zo komt het en komt het en komt wat er komt

uit de hoogte der hoogten of het diepst van de grond

hoe het ook komt, het blijft een gok:

wat je wint, wat je verliest

als ons leven zich in nevel

aan ons netvlies vastvriest

MON UNIVERS EST A L’ENVERS

over GAINSBOURG – VIE HEROIQUE

feeërieke film van debutant Joann Sfar

De feeërieke speelfilm Gainsbourg (vie héroique) van de tegendraadse Franse regisseur en striptekenaar Joan Sfar (1971) begint, na een prachtige intro van fladderende stripfiguren, met een veelzeggende scène. De kleine joodse doerak Lucien Ginzburg, op 12 jarige leeftijd al kettingroker, wandelt over het strand van Deauville, en vraagt aan een mooi leeftijdgenootje of hij haar hand mag vasthouden. Waarop ze zijn voorstel bondig afwijst: “Nee, jij bent te lelijk”.

De stelling van Sfar, die door de film heen consequent is uitgewerkt, is dat de latere zanger Serge Gainsbourg zijn hele leven lang op een bepaalde manier dat jongetje is gebleven dat, ingeklemd tussen schaamte en schaamteloosheid, haakte naar de liefde van onbereikbaar mooie vrouwen.

Na de openings-scène op het strand, waarbij tonen van de wals klinken uit Gainsbourg’s absolute meesterwerk Melody Nelson, zoomt Sfar in op de donkere jaren van bezet Frankrijk, als er overal in Parijs affiches te vinden zijn met karikaturen van Le Juif en France (de Franse versie van De eeuwige Jood). Lucien Ginzburg vond dat hij, als joods jongetje van Ashkenazische afkomst met haakneus en flaporen, veel teveel op die gruwelfiguur van de nazi-propaganda leek. In zijn levendige fantasiewereld, wordt hij op straat achtervolgd door een aan het affiche ontsnapte en tot leven gewekte geest met de lelijke kop van de Franse Jood die steeds meer in volume uitgroeit tot een kolossale ballon met armpjes en priemende gele ogen. Met een gestolen cowboypistooltje schiet Lucien de kop op gegeven moment aan flarden. Maar net als bij een draak die wordt gedood, ontpopt er zich een figuur uit de nekwervel van Le Juif die misschien nog wel angstaanjagender is: dr. Flipus – een alter ego van Ginzburg met een lange vogelneus en lenige feline trekken, die als een soort Fenix uit de kruitdampen tevoorschijn kringelt. Een kruising tussen Mefisto, een atletische raaf en Behemoth de zwarte kater uit Boelgakov’s roman De meester en Margarita.

Lucien tekent, tot vermaak van zijn zusjes en verbazing van zijn klasgenootjes, de bizarre avonturen die hij in zijn fantasie beleeft met zijn onzichtbare gezel Dr. Flipus (Dr. Jekyll?) op in een schetsboek, waarin hij met aquarel zijn schildertalenten exploreert. Buiten woedt de oorlog, en om indruk te maken op een stel dronken zwarthemden die door de Parijse straten marcheren, zien we Lucien luidkeels de Marseilleise meezingen: “Du sang partout!” Thuis in Pigalle probeert vader Ginzburg zijn zoon met strenge hand het pianospel bij te brengen. Maar het liefst van al trekt Lulu zich terug in zijn zelfgecreëerde schilderwereld, waarin behalve Dr. Flipus ook de vrouwen van Clichy beginnen te figureren. Ten overstaan van de Rubensiaanse schone van de schilderacademie die hij stiekem naakt portretteert en denkbeeldig het hof maakt, citeert hij “soms Baudelaire en soms zichzelf”, en hij bezweert dat zijn Muze niet ontdekken zal wie wanneer aan het woord is.

De oorlog kan Lulu gestolen worden, tot het moment dat hij gedwongen wordt om zich, voorzien van valse documenten, samen met zijn ouders schuil te houden op het platteland. Vlak voor zijn vlucht uit Parijs staat de jonge Ginzburg voor dag en dauw op de stoep bij de prefect van Clichy om als allereerste een jodenster in ontvangst te nemen. “Een eer”, zo zegt hij wijsneuzerig, “die hij zich beslist niet wil laten ontgaan.” Als de prefect hem vraagt of hij die ster van hem dan echt zo graag wil dragen, antwoordt hij: “Het is niet mijn ster, meneer. Het is die van u.” De hele film zit in die ene zin samengebald. De prefect voelt zich voor schut gezet, en schopt de piepjonge provocateur het gemeentehuis uit.

Of deze anekdote waar is? “Wat doet het ertoe”, zegt de regisseur hierover in een van zijn vele promotiegesprekken die hij houdt bij het uitkomen van de prent, “als Gainsbourg hem gedurende zijn leven de moeite waard heeft gevonden om te vertellen.” Wat in elk geval waar is, dat is dat de zanger na de oorlog – zoals op amusante wijze tijdens de film in beeld wordt gebracht – uit geldgebrek twee jaar lang mandoline-leraar is geweest in een weeshuis te Champfleur dat vooral plaats bood aan kinderen van ouders die in de gaskamers waren omgekomen. Die kinderen, gewonde diertjes eigenlijk, waren zijn eerste publiek. Toen hij het weeshuis binnenging, was zijn naam nog Lucien Ginzburg. Na het te hebben verlaten, noemde hij zich voortaan Serge Gainsbourg. Serge was de voornaam van de directeur van het instituut.

De film heet ‘Gainsbourg: vie héroique‘. Joann Sfar: Ja, Gainsbourg is in mijn optiek een held. Maar zoals Iedere held draagt ook Gainsbourg in zijn levensloop de tragiek als een onvermijdelijke schaduw met zich mee. Serge is geen heilige, maar hij heeft zich wel een heiligenleven verzonnen, en ik heb me geamuseerd door alle staties van de kalvarie van Sint-Gainsbourg te volgen.”

Ondanks de toevoeging ‘vie héroïque’ is de film zeker geen hagiografie. “Ik geef geen antwoorden of probeer geen mythe te doorprikken”, vertelt Joann Sfar in een gesprek dat plaatsvindt in het beroemde restaurant La Coupole in Montparnasse in Parijs. “De vraag of iets in de film perse echt gebeurd is, interesseert me niet. Mijn film moet niet op de werkelijkheid lijken, maar cinema zijn. Ik had zin in cabaret, lekker dik aangezet, waarbij je kunt wegdromen of af en toe een traan moet wegpinken. Spektakel met acteurs die zich helemaal geven. Ik gebruik alleen wat Serge Gainsbourg zelf over zijn leven verteld heeft, inclusief de verzinsels.”

De film bevat tal van stripinvloeden, maar ook verwijzingen naar films als Nosferatu van Murnau, Les Enfants du paradis van Carné, Amarcord van Fellini en Big Fish van Tim Burton. Regisseur Joan Sfar mikt duidelijk heel hoog. En hij vergooit zich niet. Décors, kleding, cinematografie, mise-en-scène: alle is tot in de puntjes uitgewerkt en van symbolische lading voorzien. De beelden van Gainsbourg: vie héroique schetsen een ultiem sensueel, fragiel en gelaagd beeld van een duivelskunstenaar, vooral in de eerste helft van de film als het gevecht met de artistieke demonen nog moet worden gestreden en de Muzen nog moeten worden verleid. Iedere scène is een tot leven gekomen schilderij dat al naar gelang de situatie sober, somptueus, realistisch of surreëel is ingekleurd. Sommige fragmenten zijn films in een film (bv. de ontmoetingen met Juliette Gréco en Boris Vian). Niet zo maniëristische en pompeus als Quintin Tarantino dat pleegt te doen in zijn produkties, maar afgewerkt met tedere penseelstreken die, je kunt niet anders zeggen, van oneindig veel smaak en jouissance getuigen.

De keuze om geen encycopedische film te maken, maar een persoonlijk portret met strip- en musical invloeden, pakt bijzonder geslaagd uit. Vooral ook omdat onder de dikke lagen schmink en de felverlichte bric-à-brac van de décors, gekozen is voor een even intelligente als subtiele vervlechting van muziek en thematiek. Daarnaast is de rolbezetting ronduit magnifiek te noemen. Eric Elmosnino speelt een Serge larger than life, echter dan echt en geloofwaardig tot in de kleinste tics, zozeer dat je er kippenvel van krijgt. Laetitia Casta, de huidige Marianne – het symbool van de Vrijheid en La Femme Eternelle dat de Fransen al decennialang tot één figuur abstraheren voor op hun postzegels en statieportretten – speelt haar voorgangster Brigitte Bardot met het grootst mogelijke sex appeal denkbaar. De scène waarin zij met laklaarzen en in panterrokje de gang van Gainsbourg’s werkflat binnen komt gelopen, is van een even erotiserende bravoure als de strandscène met de werkelijke Bardot uit Roger Vadim’s Et dieu créa la femme. Het licht gaat schijnen, de camera gaat van beneden naar boven, het hart van de kijker komt even tot stilstand. Ook de rol van Jane Birkin is trouwens perfect getypecast. De adorabele Lucy Gordon speelt alsof haar leven ervan afhangt. En in wrange zin is dat misschien ook wel zo geweest. Want kort na de laatste opnamedag heeft de Engelse actrice zichzelf verhangen. De film is dan ook aan haar opgedragen.

Het Faustiaanse duel met Gainsbourg’s dandy-achtige alter ego “Rotkop” (La Gueule), die de zanger op stel en sprong influistert wat te doen om als artiest hogerop te geraken (en uiteindelijk een vedette te worden, een ster tussen de sterren), is naar mijn mening verreweg het meest interessante aspect van Sfar’s film – die te surreëel en cabaretesk is om een gewone biopic te zijn maar tezeer de tijdslijn van Serge’s leven volgt om het ook weer niet te zijn. Het conflict tussen Gainsbourg en zijn voor anderen onzichtbare daimon, is een meestervondst. Die de film niet alleen op een hoger plan tilt, maar een aantal duistere aspecten van Gainsbourg’s complexe leven ook werkelijk begrijpelijker maakt. Met dezelfde sensuele hand en vloeibare lijnen waarmee Sfar als stripauteur zijn bizarre karakters op papier zet, portretteert de regisseur zijn hoofd- en zijpersonages op het filmdoek. Het beroemde en o zo moeilijk te bevatten fluïdum van Gainsbourg spat, druipt en druppelt aan alle kanten van het doek af, en het plezier waarmee dit alles gemaakt is evenzeer.

Sfar heeft zijn film, op aandringen van erfgenamen Jane Birkin en Charlotte Gainsbourg, uitdrukkelijk omschreven als een fantasierijke vertelling. ‘Un conte’. Een modern sprookje over een lelijk jongetje van Russische ouders die er op verbazingwekkende manier in slaagde niet alleen de mooiste vrouwen van het land, maar zelfs gans Frankrijk, aan zijn voeten te krijgen. Daarnaast gaat de film ook over het thema van het offer, de fatale prijs die een artiest moet betalen om succesvol te worden. De behoefte aan liefde van Gainsbourg is volstrekt onverzadigbaar, un besoin sans issue. Zie hier de principale drijfveer van zijn leven, die hem naar de toppen van zijn kunnen voert. Maar de zanger ook te gronde richt.

In dat opzicht is de “conte” of het donkere psychologische sprookje dat Sfar met deze rolprent vertellen wil, een variatie op de aloude mythe van Faust die zijn ziel verkoopt aan de duivel in ruil voor de onsterfelijkheid. De zanger – in het begin nog schattig, onhandig en verleidelijk jongensachtig in beeld gebracht – krijgt gaandeweg de film maniakale proporties. Zijn ego raakt even monstrueus verknipt en opgeblazen als de Jodenkop van het affiche die hem in zijn jongensjaren in het bezette Parijs achtervolgde. Zijn jongensachtige behoefte aan liefde en erotiek ontaardt in een gruwelroman van De Sade.

Het kantelmoment in het leven van Gainsbourg komt perfect overeen met een cruciale scène uit de film, die met 200 kilo aan lampen schijnt te zijn opgenomen aan de oevers van de Seine. Op het moment dat de door Brigitte Bardot gedumpte zanger op het punt staat om Jane Birkin, de liefde van zijn leven, te veroveren, blijkt hij niet meer in staat om het penseel te kunnen hanteren. De daimon van La Guele kijkt geringschattend toe hoe zijn levensgezel diens talent opoffert aan zijn geluk.

“J’aime bien ma nouvelle gueule”, zegt Gainsbourg als hij zich aan het begin van zijn huwelijk met de Engelse poppedijn eindelijk lekker in zijn vel vindt zitten. Het gaat hem voor de wind, de Muzen lonken onafgebroken naar hem, het publiek ligt aan zijn voeten, hij heeft een schat van een dochter, schrijft aan zijn symfonische meesterstuk Melody Nelson en voelt zich voor het eerst bevrijd van zijn complexen. Jane heeft hem een nieuwe look gegeven en de raad van zijn corrupte alter ego Rotkop kan hij voortaan dan ook missen als kiespijn. In de mythologie van Sfar: Gainsbourg wijst Rotkop de deur.

In de film zien we de Doug Jones, die het spichtige alter ego speelt in zijn kostuum van papier maché, hete tranen plengen op het dak van Gainsbourg’s Hôtel Particulier, en meewarig neerstaren op de scènes van huiselijk geluk die zich in en rond de slaap- en kinderkamer afspelen. Rotkop probeert zijn vroegere makker weer tot samenwerking te verleiden. “Ik dacht dat je een Pygmalion wilde zijn voor kleine Jane”, schampert La Guele. “En nu is het je Engelse meid die jou de weg wijst in dit leven!” Gainsbourg doet alsof zijn schaduw nooit bestaan heeft.

Prompt gaat er natuurlijk van alles mis in het bestaan van de zanger, die zijn kindse inborst weigert op te geven en zich nauwelijks raad weet met de verantwoordelijkheden van het volwassen leven. Het geluk van ’69/’70 blijkt minstens zo fragiel te zijn als Gainsbourg’s fysieke en karakteriële ingesteldheid. Le bonheur, zo luidt een veelgehoorde Franse definitie van geluk, cette étrange chose qui n’existe pas – et pourtant un jour n’est plus. Op het ene moment bevindt de zanger zich op de toppen van zijn kunnen. Op het andere moment tuimelt hij in volle vaart van de Olympus, beproeving na beproeving incasserend. Gainsbourg krijgt een eerste hartaanval, zijn vader sterft, net als zijn geliefde hond Nana, hij raakt onbedaarlijk aan de drank, produceert nauwelijks nog iets van waarde en verveemdt van wie hem dierbaar is.

Natuurlijk staat Rotkop klaar om de haveloze artiest er opnieuw weer bovenop te krijgen. Die strooit sloffen Gitanes uit over het ziekenhuisbed om het vertrouwen van zijn compagnon à la dérive terug te winnen. Hij belooft zijn maatje dat in zak en as zit, om de zaken in de toekomst beter dan ooit aan te pakken. Geen tijdelijke, maar eeuwige roem die in het verschiet ligt. Alle geneugten, liefde, roem die een mens maar kan bereiken. Vrouwen bij de vleet. Geld, champagne, genot. Hic et nunc et saeculi… Rotkop wrijft Serge’s haren door de war, zet hem een zonnebril op, en proost vicieus op de herwonnen samenwerking. Wat er geweest is, is nog niks vergeleken bij wat komen gaat.

In het duel tussen Gainsbourg en zijn alter ego, zo is de suggestie van de regisseur, is het de zanger van vlees en bloed die uiteindelijk het loodje legt. Uit de as van de 140 Gitanes per dag rokende Gainsbourg verrijst de nog veel gruwelijker chimaere Gainsbarre (de “standvastige”, de ruwe), een sadistisch onbehouwen monster dat vanaf eind jaren zeventig zijn veel lieflijker en onhandiger voorganger definitief van het podium vaagt. In Nederland had je de vileine zanger Jaap Fischer, meester van het messscherpe chanson, die in de loop der tijd zijn hoekige masker af liet vallen en voortaan – triest maar wijs geworden – als Joop Visser door het leven wilde gaan. Serge maakt iets soortgelijks mee, maar dan in omgekeerde zin. Zoals hij in alles tegendraads prefereerde te zijn. Un réfractaire pur sang.

”Mon univers est à l”envers”, verklaarde hij zelf ooit in een interview met Libération. Serge de rebel. Die, zoals heel mooi in beeld gebracht door Sfar’s film, een vuist maakt naar een zaal vol rechtse para’s in Straatsburg die zijn bloed wel kunnen drinken, omdat hij hun volkslied La Marseillaise met een stel rasta’s uit Jamaica verhaspelde tot reggaesong. “On est tous des Juifs, des nègres et des Français!” Op het podium van de ontploffende zaal verandert de zanger opnieuw in het joodse ketje dat de zwarthemden uitlacht door met ze mee te zingen. “Du sang, du sang, partout!” Hij blaft de para’s toe dat ook Rouget de Lisle de Marseillaise schreef als marslied van Republikeinse rebellen die af wilden van het ancien régime. Daarop zet hij acapella, met geheven vuist, het volkslied in. De para’s in verwarring achterlatend. Even later zien we Gainsbourg die het handgeschreven manuscript van La Marseillaise voor een astronomisch bedrag op de koop tikt tijdens een veiling in Parijs. “Wel duur, voor zo’n velletje papier”, merkt een journalist op. Waarop de zanger repliceert: “Man, ik zou me hiervoor hebben geruïneerd!”

De scène markeert het hoogtepunt van Gainsbourg’s heroïsche levensloop. Van joods kereltje in bezet Parijs, tot pionier-provocateur van de vrijheid en eigenzinnige maskotte van het Franse patrimonium. Als het waar is dat de dichter-zanger dubbel en dwars zijn plaats verdiend heeft op de achtenswaardige toppen van de Franse Parnassus, dan heeft hij die plek veroverd door de berg op sluikse wijze te beklimmen. En stoemelings, zoals Brusselaars zeggen. Over de rug heen van zijn eigen schaduw. Mon univers est à l’envers…

Gainsbourg’s parcours – Sfar heeft dit scherp gezien – heeft inderdaad altijd de weg gevolgd van de meeste weerstand, van het schandaal. Van Sodom ook. Zoals in het ultieme liefdeslied “Je t’aime, moi non plus”. Het beruchte hijgduet in 1967 gezongen met Brigitte Bardot, twee jaar later met Jane Birkin, waarvan er alleen al buiten Frankrijk miljoenen platen werden verkocht; zonder dat de meeste van die kopers ook maar enig benul hadden dat er de geneugten van de anale liefde in werden bezongen. “Ik vermaak de wereld met injecties van lichte perversiteit”, placht hij zelf te zeggen. Op een manier waartoe alleen Gainsbourg in staat was. Met stijl, distinctie, in miraculeus mooie maar ook infecte poëzie. “Tu es la vague, moi l’île nu./L’amour physique est sans issue.” Waarna Eros zijn giftige pijl van koele geilheid afschiet tussen de nieren van zijn geliefde.

Ik houd van je.”

Ik al niet meer…”

Zelf bleef Gainsbourg zijn vakgebied omschrijven als “un certain art mineur”, en meer dan eens liet hij weten zichzelf in de eerste plaats te beschouwen als een mislukte kunstschilder. In een twistgesprek met Guy Béart, in het praatprogramma van Bernard Pivot, sprak hij zijn collega betuttelend toe: “Ach Guy, wat zijn onze liedjes meer dan “des petits cacas” die we uitscheiden op het podium?” Dat Serge Gainsbourg daarentegen weldegelijk een grote kunstenaar genoemd mag worden, een dichter, zanger en componist van Olympische categorie, daarover laat Joann Sfar in zijn film geen misverstand bestaan. De film is, behalve als een donker sprookje, vooral ook een soort van lyrische liefdesbrief aan de onnavolgbare artiest en zijn invloedrijke oeuvre.

Natuurlijk is Sfar, hoe origineel en gelaagd zijn hommage ook mag zijn, niet de eerste om Gainsbourg’s mérites te erkennen. Al in 1972, na het beluisteren van het monumentale album ‘Un histoire de Melody Nelson’, liet de grote dichter Louis Aragon zich ontvallen dat “die Gainsbourg zich eigenlijk geheel op het sonnet toe zou moeten leggen: zijn poëtische kwaliteiten zijn weergaloos en behoren tot het meest originele wat de Franse literatuur heeft voortgebracht sinds Les Chants de Maldoror van Lautréamont.”

En inderdaad: neem de proef gerust op de som door de bonte catalogus aan liedteksten van Gainsbourg er op na te slaan, zoals Mauvaises nouvelles des étoiles (éditions Seuil). Vrijwel elk willekeurig lied van Gainsbourg getuigt van uitzonderlijke poëtische soeplesse, syntactisch meesterschap en klinkklare woordvreugde. Zoals volgens Goethe een meesterhand zich vooral kan tonen in de beperking, zo openbaart het genie van Gainsbourg zich zelfs nog in het keurslijf van zijn meest kitscherige, hijgerige of populaire nummers. Sfar zegt hierover: “Wat geweldig is bij Gainsbourg: hij noemt zichzelf een luxehoer, maar hij is nooit oprechter dan wanneer hij probeert zichzelf te verraden. Op een huppeldeuntje als “Baby Pop”, laat hij France Gall zingen “chante, danse Baby Pop, comme si demain tu devais mourir”. Hij kan het niet laten om overal de tragiek van in te zien. Bij momenten is hij even pathetisch geniaal als François Chateaubriand.”

Een lied dat mij voor altijd van Gainsbourg’s uitzonderlijke lyrische gaven overtuigd heeft, is het nummer Hôtel Particulier, op het album Melody Nelson. In prachtige, wulpse zinnen die in enkele bondige stanza’s een wufte paringsdans met elkaar aangaan, voert de zanger zijn piepjonge verovering mee naar een labyinthisch roccoco-complex met vele trappen en eindeloze gangen, waar beiden zich onder het toeziend oog van vergulde engelenbeelden, naakte ebbenhouten slavinnen, Aphrodites en Salomés, in de Cleopatra-kamer overgeven aan de praktijken van de Ars Amatoria. Lees hoe Gainsbourg zijn Melody op de tonen van orgel, bas, piano en sublieme lyriek naar de toppen voert van het genot!

(…)

Entre ces esclaves nus taillés dan l’ébène

Qui seront les témoins muets de cette scène

Tandis que là-haut un miroir nous réfléchit,

Lentement j’enlace Melody…

De parabel die Sfar in zijn film op magistrale wijze via het leven van Gainsbourg in beeld heeft gebracht, is er een van een held die ”in alles slaagt, behalve het leven.” Maar de magische rode draad waarmee de film in het eerste gedeelte op zulk een verrassende wijze aan elkaar is geregen, lijkt na anderhalf uur plotseling op te lossen in de emulsie van de pellicule. De anekdotes van Serge’s aftakeling, puntsgewijs door Sfar in beeld gebracht als een onsmakelijk spektakel waar geen einde aan lijkt te komen (sans issue), zijn zo talrijk dat ze op gegeven moment zowaar bijna gaan vervelen. Na ongemerkt te zijn opgestegen naar de hogere regionen van de filmkunst, raak je als kijker, in navolging van de robuust dirigerende regisseur, plotseling enigszins de weg kwijt in het al te drukke stratenplan van saillante anekdotes, waardoorheen Sfar zijn eindeloze stoet van kakelbonte karakters laat passeren. Sfar had er goed aan gedaan om zelf ook iets van zijn materiaal in het tweede gedeelte van de film op te offeren ten behoeve van de intensiteit en continuiteit.

Vreemd genoeg eindigt de film toch nog abrupt, op de plek waar hij begint, aan het strand van Deauville. Niet in het ochtendlicht, maar ’s nachts. In de hemel blikkeren de sterren. Opnieuw klinkt La valse de Melody. En in dronken verstilling zie je Serge peinzen of het waar is, wat hij ooit zong in dat duet met Chathérine Deneuve: Que dieu soit un fumeur de Havanes… Het ware beter en zeker mooier geweest als Sfar, in plaats van te kiezen voor een al te open einde anno 1987, rigoureuzer had gekozen voor de finale beslechting van het Faustiaanse duel tussen Gainsbourg en Rotkop op 2 maart 1991 in zijn Parijse Hôtel Particulier aan de Rue de Verneuil. Waar de krachten tussen licht en duisternis bezig zijn geweest aan hun beslissende gevecht. En waar de aan een oogvirus lijdende zanger, die zelfs in zijn geblindeerde woning nooit zijn zonnebril meer afdeed, als een dief in de nacht is weggeslopen. Moederziel alleen, geloof het of niet, gestorven aan een “natuurlijke dood”; een hartbreuk ten gevolge van een poreus geworden kransslagader.

Wat zich daar in die gesloten ruimte af heeft gespeeld in die laatste momenten, Sfar had het met zijn fenomenale fantasie vast prachtig vorm kunnen geven. Het is alsof de regisseur na een majestueuze spurt, voortijdig buiten adem is geraakt. Of huiverde om de finish te bereiken. Picasso was er ook altijd bang voor: une oeuvre parfaite, c’est une erreur. De gratie van het speelse en onaffe. Dat is het register waarbinnen ook Sfar’s film zich uiteindelijk heeft willen of moeten bewegen. Geen oeuvre parfaite, maar voor een debuutfilm in elk geval een verbluffende proeve van bekwaamheid, intelligentie en originaliteit.

Gainsbourg, (vie héroïque), 2u10.

Speelfilm van regisseur Joann Sfar.

Met Laetitia Casta, Eric Elmosnino, Lucy Gordon e.a.

HISTOIRE DE MELODY NELSON

Mijn beslissende album moet wel zijn Histsoire de Melody Nelson van de Franse zanger, nachtuil, alcoholist en aartsprovocateur Serge Gainsbourg uit 1971. Het album is geconcipiëerd tijdens mijn geboortejaar, door een artiest met wie mijn moeder gedurende de jaren zestig, toen zij als mannequin werkte in Parijs, enige tijd intiem bevriend was. Die relatie is er allicht mede verantwoordelijk voor dat ik ben opgescheept met dezelfde voornaam als Monsieur Gainsbourg. Maar dat terzijde.
Histoire de Melody Nelson was de eerste conceptplaat uit de geschiedenis van het Franse chanson. De plaat laat zich het best omschrijven als een erotische raamvertelling in zeven puntige liederen, die in totaal nauwelijks dertig minuten in beslag neemt. Waarin een tedere nimfijn van “quatorze automnes et quinzes étés” zich overgeeft aan een gepassioneerd roofdier van veertig-plus. Histoire de Melody Nelson is een muzikaal meesterwek van perverse verleiding. Een liefdesbrief uit de donkere cellen van Sodom, een extatische pijnkreet uit de ondergrondse kerkers van Edgar Ellen Poe en Vladimir Nabokov. Het album is tevens het voorwendsel voor enkele van de meest gedurfde lyrische exercities in het Franse taalgebied. De beroemde dichter Louis Aragon liet zich in 1972, na het beluisteren van Melody Nelson, ontvallen dat “die Gainsbourg zich eigenlijk geheel op het sonnet toe zou moeten leggen: zijn poëtische kwaliteiten zijn onvergelijkelijk”.
Het verleidelijke creatuur dat haar popedijnen stemgeluid leent aan Serge’s verdorven brein, heet Jane Birkin: aristocratische dochter van een Engelse Lord, vroeggevallen nimfijn die zich openstelt voor het verderf, ongeschoolde en ongerijpte zangeres. Op de cover van het album houdt Birkin in de hoedanigheid van het titelpersonnage, met gekruiste armen een aangeklede pluchen aap koket tegen haar naakte bovenlichaam gedrukt. Niet alleen om uit te dagen, zo blijkt, maar ook om te verhullen dat ze op dat moment zwanger is van haar “enfant d’amour” Charlotte Gainsbourg.

De toon is meteen gezet in het eerste nummer, Melody: een sombere hypnotiserende soundscape met een overstuurde, ietwat slepende bas, rockgitaren die bezwerend huilen, violen die het sonore stemgeluid van Gainsbourg’s fluisterstem omfloersen. Een Rolls Royce Silver Ghost 1910 rijdt langzaam door een niet bij naam genoemde stad. In gedachten verzonken, verstrooid, met een half oor luisterend naar de radio, zijn blik gericht op de gevleugelde Spirit of Ecstasy op de voorkap, raakt de verteller in aanrijding met een rossig tienermeisje op een fiets.
Tu t’appelles comment ?
– Melody
– Melody comment ?
– Melody Nelson

De man achter het stuur van de Rolls vertelt ons in quasi-vrolijke balladen, opgesteld in de onvoltooid verleden tijd, zijn tragische verhaal over schoonheid en extase, liefde en dood.
Oh ! Ma Melody
Ma Melody Nelson
Aimable petite conne
Tu étais la condition
Sine qua non
De ma raison.

Gainsbourg verhaalt vervolgens hoe de liefde voor zijn Melody hem naar het hoofd stijgt. De gevoelens van gelukzaligheid en elegantie uit het begin, worden allengs duizelingwekkend. De licht-psychedelische muziek, die de wals uit haar voegen doet draaien, benadrukt dit.
L’hotel particulier geldt wat mij betreft als het pièce de resistance van het album. Gainsbourg voert zijn jongedame mee naar een labyinthisch roccoco-complex met vele trappen en eindeloze gangen, waar beiden zich onder het toeziend oog van vergulde engelenbeelden, naakte ebbenhouten slavinnen, Aphrodites en Salomés, in de Cleopatra-kamer overgeven aan de praktijken van de Ars Amatoria. Zowel poëtisch als muzikaal gezien is dit nummer een parel van perfectie. Het beste bewijs dat poëzie en muziek allerminst “beter van elkaar gescheiden kunnen blijven om verwatering te voorkomen” (zoals Guus Middag ooit opmerkte in
NRC-Handelsblad). Hoor hoe Gainsbourg zijn Melody op de tonen van orgel, bas, piano en sublieme lyriek naar de toppen voert van het genot!
Na het gerommel op het liefdesbed is er het ontwaken uit de droom. Het laatste nummer op het album, Cargo Culte, laat zich verhalen als een epiloog vanuit het schimmenrijk. De geschiedenis eindigt zoals ze begon: met een ongeluk. Melody vindt de dood als haar Boeing 707 neerstort in zee. Haar malse lichaam komt terecht tussen de koralen van Melanesië, ergens op de bodem van de Grote Oceaan. De verteller blijft alleen achter, ten prooi aan zijn herinneringen. De muziek bereikt in dit nummer haar apotheose. Het bezwerende thema van het begin, met de overstuurde basgitaar, wordt herhaald en uitgebreid tot een koortsig requiem met een koraal van maar liefst zeventig stemmen. Het gefluister van Gainsbourg mondt uit in een magische incantatie van de “Cargo Culte” zoals bedreven door de Papoea’s op Nieuw Guinea. Ook Gainsbourg hoopt biddend op een vliegtuigcrash die hem de schim van zijn minderjaardige heldin tussen de wrakstukken opnieuw tevoorschijn kan toveren.
N’ayant plus rien à perdre ni dieu en qui croire
Afin qu’il me rende mes amours dérisoires
Moi, comme eux, j’ai prié les cargos de la nuit.
Et je garde cette espérance d’un désastre
Aérien qui me ramènerait Melody
Mineure détournée de l’attraction des astres.

Wellicht dat er voor Gainsbourg nog een Johnny Cash-achtige wedergeboorte in had gezeten, gedurende de jaren negentig. We zullen het nooit weten. Gainsbourg stierf op 2 maart 1991 in volstrekte eenzaamheid in zijn geblindeerde huis aan de rue de Verneuil in het zevende arrondissement van Parijs. Een derde hartaanval maakte hem af, voor slepende leverkanker dat deed. Diezelfde dag, die ook de verjaardag van mijn moeder was, had hij vergeten zijn hartpil te nemen. Net zoals Boris Vian, 32 jaar eerder. Gainsbourg is bijgezet in een familiegraf op Cimetière Montparnasse. 60, Avenue Transversale. De pluchen aap die Jane Birkin op de cover van Histoire de Melody Nelson voor haar ontblote zwangere buik houdt, is op die dag mee verdwenen in het graf.

HISTOIRE DE MELODY NELSON

Titel: Histoire De Melody Nelson
Artiest: Serge Gainsbourg
Genre: Pop Vocal
Sub Genre: Frans
Label: Mercury
Producent: Jean-Claude Desmarty
Studio / Live: S
Stereo: Stereo
Formaat: Performer
EAN: 731453207325
Catalogusnummer: 5320732
Titels op de plaat
1.: Melody
2.: Ballade De Melody Nelson
3.: Valse De Melody
4.: Ah Melody
5.: L’hotel Particulier
6.: En Melody
7.: Cargo Culte

ALLES IS INTACT GEBLEVEN

PORTRET VAN SERGE GAINSBOURG

Op 2 maart 1991 sloop de Franse zanger Serge Gainsbourg als een dief in de nacht weg uit dit leven.

Nauwelijks had hij in zijn laatste jaren het daglicht nog kunnen verdragen. Zelfs in het getemperde licht van zijn geblindeerde hôtel particulier aan de Rue de Verneuil in Parijs droeg hij een donkere zonnebril. Het overmatige alcoholgebruik en de 140 dagelijkse Gitanes mais sigaretten hadden zijn lever vergiftigd, zijn hart op springen gezet en zijn ogen met een virus aangetast. Toch bleef hij zich van televisieshow naar televisieshow slepen, slempend en paffend, om vervolgens achter de piano de tekst van zijn liederen te vergeten en met een afsluitend scheldwoord het podium te verlaten. Het publiek kon geen genoeg van hem krijgen, al verstond het geen woord van wat hij zei, en al braakte hij zijn minachting over haar uit.

Ik zal u beledigen tot u van me houdt”, had hij aan het begin van zijn carrière, in het schimmige Parijs van de jaren vijftig, al gewaarschuwd. Zijn formule heeft gewerkt. De erotomaan stierf als Frankrijks meest verguisde, minst begrepen, maar ook meest beminde zanger.

Gainsbourg mocht met zijn 62 jaren dan opgebrand zijn, het opmerkelijke is dat hij dat dertig jaar geleden ook al leek. Correspondent en Frankrijk-kenner Jan Brusse kenschetste de zanger in die tijd reeds als een sombere uil die iedere nacht van het ene Parijse cabaret naar het andere fladderde om er zijn troosteloze chansons te fluisteren. “Zo mooi ziet hij er uit, zo door-en-door vermoeid zijn z’n bewegingen, dat je steeds vreest dat hij het volgende liedje niet meer zal halen. Zijn grote ogen, waarop zware oogleden steunen, schjinen zich alleen maar af te vragen waarom dit alles noodzakelijk is.” Ook in zijn jeugd was de nacht al zijn domein. “De nacht, de nacht”, zong hij, “die me verlost van het duister in mijn hersenen.”

Tot het einde toe is hij eigenlijk een jongen gebleven, een kwajongen die zijn lelijkheid in een voordeel wist om te zetten. “Lelijkheid is aan schoonheid verre superieur”’, placht hij daar zelf over te zeggen. “Lelijkheid blijft duren, schoonheid niet…” Wat zich uitslovende macho’s vaak niet lukt, lukte Gainsbourg met zijn aflijvige nonchalance. Met zijn hulpeloze viriliteit wist hij aan de amoureuze sentimenten van de meest adorabele vrouwen te appelleren. Achter de ongeschoren, ongewassen look van de brutale mannenman met de diepe glaciale stem, de warrige lokken en de witte schoenen, herkenden zij een kwetsbare gevoeligheid.

Dit was ook het imago dat hij als ”gigolo youpin” bewust cultiveerde. Op zoek naar het erotisch zinnebeeld voor de man, is hij er zelf ironisch genoeg uiteindelijk een geworden voor de vrouw. Over zichzelf zei hij: “Ik ben een gosertje, dat de vuile waarheid van het leven tracht te achterhalen door kleine, precieze injecties van perversiteit. Ik ben slechts op zoek naar een ding: de puurheid van mijn jeugd. Ik wil kunnen zeggen: ik ben intact gebleven. Intact. Ziedaar mijn kracht.”

Serge Gainsbourg werd als Lucien Ginzburg op 2 april 1928 in Parijs geboren. Zijn jiddische ouders, Joseph en Oletchka, zijn tijdens de Bolsjewistische revolutie Rusland uitgevlucht en in Frankrijk neergestreken, waar vader Ginzburg als nachtpianist in bars en casino’s het gezin van een inkomen voorzag. Oletchka had eigenlijk tot een abortus over willen gaan, maar was op het laatste moment voor de zware ingreep teruggeschrokken. “Al voor mijn geboorte ben ik aan de dood ontsnapt”, zou Serge later zeggen, daarbij ook verwijzend naar zijn roekeloze levensstijl. Lucien (Lulu) Ginzburg ging snel in de leer bij zijn vader die vooral voor Gershwin een zwak had. Maar zijn grote passie bleek het schilderen te zijn. Op z’n twaalfde schilderde hij al de meisjes van Clichy, die hij vier jaar later uit sexuele nieuwsgierigheid voor het eerst zou frequenteren. In de oorlog leefden de Ginzburgs met hun valse papieren onder het regime van een dubbele identiteit.

Na de oorlog probeerde Lucien als jonge schilder die van de Ecole des Beaux Arts getrapt was in leven te blijven met het inkleuren van cinemaposters. Onderwijl ging hij tekeer als Byron in Ravenna of Casanova in Venezië. Tussen 1950 en 1960 trouwde hij twee keer en had hij meer dan zestig serieuze relaties. De lijst van de hem toegedichte veroveringen is volgens biografen lang genoeg om de Gele Gids te vullen.

Zijn vader regelde in 1957 voor de schuinsmarcheerder een baantje als barpianist van café-chantant ‘Milord l’Arsouille’, waar Léo Ferre, Jacques Brel en Boris Vian hun chansons ten gehore kwamen brengen. Serge (zo noemde hij zich nu, Lucien was teveel de naam van het “knaapje van de kapper”) mocht er de stiltes voor de voorstelling wegspelen, en als pianobegleider opereren van Michèle Arnaud en de lijkbleke dandyeske surrealist en trompettist Boris Vian, auteur van een rits villeine liederen die bulken van de humor en de zelfspot. In het cabaret komt hij ook in contact met Denis Bourgeois en Jacques Canetti. Zij stellen hem in staat een aantal zelf gecomponeerde nummers op plaat uit te brengen.

Gainsbourg werd hevig gegrepen door Boris Vian, de lijkbleke dandyeske surrealist met zijn verlammende teksten, die de onzekere pianist onder zijn hoede nam en stimuleerde om solo te gaan zingen. Met moeizaam maar stijgend succes. De zelfverklaarde chanteur Gainsbourg besloot uiteindelijk de grote gok te wagen en ”le noble art de la peinture” vaarwel te zeggen ten gunste van ”le pauvre art mineur de la chanson”. “Le génie ou rien!”. In de film van Sfarr is te zien hoe, tijdens een bedwelmende drankorgie, de brand schiet in zijn olieverfdoeken en zijn atelier vlam vat. Lucien Ginsburg’s schildersezel gaat aan stukken, Serge Gainsbourg de auteur-compositeur-interprete wordt geboren. Temidden van as, flarden van schilderijen en alcoholwalmen. Gainsbourg stort zich vol ijver op de liedkunst, maar Michèle Arnaud laat al gauw merken dat ze sommige liedjes te schunnig vindt om zelf te vertolken.

Serge kruipt zelf achter de microfoon. In 1959 verschijnt Gainsbourg’s eerste 25 centimètres: Du chant a la une, met onder meer de liederen ‘Les femmes des uns sous les corps des autres’ en het na al die tijd nog even sterke als dubbelzinnige meesterwerkje ‘Le poinçonneur des Lilas’ . Boris Vian steekt in Le canard enchainé de loftrompet over het album, dat de Grand Prix de l’Academie Charles-Cros in de wacht weet te slepen, maar commercieel flopt. “Je fais une forte consommation de mentalités”, zou Boris Vian eens gezegd hebben; een aforisme dat Gainsbourg past als gegoten. Gainsbourg gaat zich kleden naar het voorbeeld van Vian, dandy-poeet en jazzman, een tikje Trenet ook, zazou maar vooral existentialistisch haveloos chic. Een bohémien gedragscode die in de late jaren vijftig door de Parijse jeunesse dorée gecultiveerd wordt op het territorium van de Rive Gauche. De Gainsbourg-variante: bewust gerafeld streepjespak, te ruim zittend wit hemd met dagzomende mouwranden – dasloos, sluik haar, drie dagen oude barbe a l’italienne.

De bohème lijkt frivool, maar is evenzeer tragisch. “Il y a de la gravité dans le frivole”, schreef Charles Baudelaire, dichter en dandy die zijn haar groen liet verven, al in de negentiende eeuw. In de romaneske biografie Les derniers jours… (1988) laat Bernard-Henry Lévy de poète maudit in een van zijn brieven verzuchten: “Ach ik droom ervan ooit de zin, ooit het woord te vinden dat de mensheid tegen me opzet.” Wat dit laatste betreft, lijkt Gainsbourg in zijn leven verschillende malen briljant te zijn geslaagd.

Boris Vian roemde ‘de man met het immer trieste gelaat’ op typisch surrealistisch-ambivalente wijze als ”een anti-zanger”. Hij bedoelde dit weldegelijk als een compliment en voorspelde dat het chanson met Serge Gainsbourg een nieuwe tijd tegemoet zou gaan. Als lied-leverancier van jonge zangeressen verwierf hij in korte tijd een reputatie als tekstschrijver en componist wier chansons gegarandeerd goud opleverden. Het publiek van Milord l’Arsouille daarentegen was een andere mening toegedaan. Het vond hem een probleemgeval, een introverte mompelende zanger met veel te grote oren en gebrek aan stemkracht. Zijn fysiek veroorzaakte onrust (Serge sprak over zichzelf als de grote leeuw met de varkenskop, Brigitte Bardot noemde hem een aandoenlijke Quasimodo en met zijn schurkenbek – zijn gueule – figureerde hij in meer dan twintig B-films) zijn bittere en pikante teksten veroorzaakten ergernis. Wat wilde deze pionier van een nieuwe phallocratie die ten strijde trok tegen het vrouwelijke ras precies, de man die zei van vrouwen te houden door ze te haten? Wat was de inzet van deze man die beweerde dat “de liefde nooit meer waard zal zijn dan de korte tijd die je nodig hebt om haar te bedrijven”, en die pochte diezelfde liefde te bedrijven “zoals anderen een inbraak plegen”? Hij wilde provoceren. Provoceren met zijn misogynie, geboren uit frustratie over zijn lelijkheid. Maar ook met die lelijkheid zelf. En natuurlijk met de liefde, de erotiek, waar hij als piepjonge naaktschilder al zoveel vanaf wist. Want de misogyne man is door zijn ultieme gefocust zijn op de vrouw, misschien ook wel haar gulste minnaar. “Ik zal u beledigen tot u van me houdt…”

Gainsbourg spreidde zijn talenten graag over vele personen en personages. Zo annexeerde hij, eenmaal beroemd, de vrouwen die eerst niets van hem wilden weten omdat hij zo monstrueus onknap was. “Voor een vrouw te schrijven is de meest elegante manier om haar te dienen en tegelijkertijd te bezitten”, aldus Gainsbourg. In zijn misogynie nam hij wraak door zijn vertolksters de allerbitterste hatelijkheden over het eigen geslacht, de liefde en het leven te laten zingen. Als hij kon liet hij zelfs hun persoonlijke tekortkomingen in zijn teksten doorklinken. “Als ze zo stom zijn om mij hun chansons te laten schrijven zullen ze dat weten ook”, clameerde hij. Hij verleidde de vrouwen door ze aan te vallen. En de meesten lieten zich gewillig door zijn tegendraadse charme verleiden. Juliette Greco, Barbara, Isabelle Adjani, Isabelle Aubret, Petula Clark, Dalida, Regine, Mireille Darc, Anne Karina, Francoise Hardy, Chatherine Deneuve, France Gall, Brigitte Bardot, Jo Lemaire, Vanessa Paradis, Viktor Lazlo, vrouw Jane Birkin, dochter Charlotte… allemaal zongen ze het liefst Gainsbourg. Met reden overigens, want als tekstschrijver-componist was Gainsbourg goud waard, en dat wisten ze. Zijn stijl was uniek; een Pindarus-achtige lyriek gekoppeld aan een in klassiek repertoire gedoopte muziek die tegelijkertijd wonderlijk licht en melancholisch aandoet. Een minimum aan noten, een minimum aan woorden, alles exact getimed en op maat gesneden voor de zangeres in kwestie.

Zo was hij tegelijkertijd de zanger van provocerende schunnigheden en lyrische hoogstandjes met referenties aan Baudelaire en overige grote dichters, als de auteur van talloze tienerliedjes, popsongs en succesvolle singles uit de Franse hitparade.

De beschuldiging dat hij zich prostitueerde en paarlen voor de zwijnen wierp bleef hij ontkennen. Serge besefte maar al te goed dat zijn genie nauw gelieerd was aan het talent van de vrouwen voor wie hij schreef. (Zonder vrouwen aan wier stem hij zijn ziel kon doorgeven, zou hij niets geweest zijn.) Zijn schildersoog was haarscherp en met grote zorg koos hij alleen die vrouwen waarvan hij zeker wist dat hij via hen naar de wortels van de passie, de noodzaak van de intimiteit kon graven. Voor wie hij ook schreef, zijn teksten bleven gekenmerkt door hun scherpe randen en diepe gelaagdheid. Hij weigerde concessies te doen aan het grote publiek, al was de zangeres nog zo jong of het genre zo uitgemolken. Zoals de vijftienjarige France Gall die met Gainsbourg’s ‘Poupée de cire, poupée de son’ in 1965 het Eurovisiesongfestival won. Aan de ene kant wist hij haar trieste inslag schitterend te bespelen, zoals in het lied Baby Bop: “Zing Dans Baby Pop, Alsof je morgen Baby Bop, In de vroege ochtend Baby Bop, sterven moest”. Aan de andere kant maakte hij schaamteloos misbruik van haar onschuld in het dubbelzinnige ‘Les sucettes à l’anis’. Toen aan dit motorisch gestoorde vestaalse maagdje eindelijk uitgelegd werd wat er in het nummer over de aan anijslolly’s zuigende Lolita eigenlijk gesuggereerd werd, en ze het onderwerp werd van alomtegenwoordige spot, weigerde ze nog langer liedjes van zijn hand te zingen. In het blad Rock & Folk gaf ze te kennen dat Gainsbourg haar nooit echt gekend heeft, al wat hem interesseerde was wat hij zelf in haar projecteerde. Het is tekenend voor de wijze waarop Gainsbourg met zijn vertolksters omsprong. Vaak gebruikte hij ze tot op het schofterige af om zelf te schitteren. Zelfs van zijn naasten verwachtte hij dat ze met gedweee toeweiding in zijn eigen muzikale/sexuele freakshows zouden figureren. Jane Birkin, zijn derde vrouw, moest naakt met hem poseren om zijn nieuwverworven imago als coole playboy hoog te houden. Charlotte, zijn dochter, moest het beeld van Serge de incestueuze erotomaan bevestigen. En Bambou, zijn laatste gezellin, moest de longen uit haar lijfje schreeuwen terwijl ze deed of ze door sado Serge met zweepjes in extase werd geranseld. (hem op tv interviewen om en plein public door ‘le mec’ uitgekafferd te worden.)

Na een sporadische samenwerking met de Franse Demeter Brigitte Bardot (Bonnie & Clyde, Harley Davidson) nam hij in 1967 ‘Je t’aime, moi non plus’ met haar op. Tegen de achtergrond van een liturgische orgelmuziek hoorde je haar vergeefs kreunen om zijn liefde. En om zijn roede, die haar vanachter (entre les reins – tussen de nieren) moest doorboren. De werkelijkheid wilde het anders. De man van BB, Guenther Sachs, eiste dat de release onmiddellijk stop zou worden gezet. Serge gaf aan de eis gehoor, maar een jaar later nam hij wraak door zijn kersverse vrouw ‘la garçonne’ Jane Birkin het nummer opnieuw te laten inzingen. Het werd zowel een schandaal, als een commercieel monstersucces. Miljoenen exemplaren verkocht alleen al in de lange hete zomer van het jaar 1969. Philips distantieerde zich van het nummer, bigot Europa ergerde zich purperrood, het Vaticaan sprak haar banvloek uit over de plaat (zij zou natuurlijk de jeugd tot slechte en onnatuurlijke daden aanzetten), en de meeste radiostations boycotten het gehijg in e mineur. Maar de verkoop van de single stak die van elke Beatles-plaat naar de kroon.

De jaren zeventig werden jaren van decadentie, films, geen optredens maar veel studio-opnamen, zoals het monumentale ‘Un histoire de Melody Nelson’ in 1971; het eerste ultramoderne conceptalbum uit de geschiedenis van het Franse chanson. Histoire de Melody Nelson is een muzikaal meesterwek van perverse verleiding. Een liefdesbrief uit de donkere cellen van Sodom, een extatische pijnkreet uit de ondergrondse kerkers van Edgar Ellen Poe en het imaginarium van professor Vladimir Nabokov. Het album is tevens het voorwendsel voor enkele van de meest gedurfde lyrische exercities in het Franse taalgebied.


Maar gaandeweg zijn tweede carriere, werden minder zangeresjes bereid zijn steeds schunniger teksten te zingen. Wederom werd hij een outsider: Gainsbarre – de stugge en standvastige. Hij pastte niet in de wereld van het ‘nouvelle chanson’ zoals Maxime le Forestier en Alain Souchon dat brachten. Gainsbourg ging onverschrokken zelf door met zingen en epateren. De geest van Vian keerde in hem terug, getuige het surrealistische nazi-punk album ‘Rock around the Bunker’, waarin hij als jood met groteske galgenhumor de bunkerdagen van Adolf H. bezong. Frankrijk raakte opnieuw in een opstoot. Begreep het jonge publiek dit allemaal wel? Treffende vraag. Het jonge publiek begon hem steeds beter te begrijpen dan het vertrouwde publiek dat met hem meegroeide. “Het is mijn publiek dat ouder geworden is, niet ik” beet hij de pers toe.

Het meest wonderlijke aan Gainsbourg was de moeiteloosheid waarmee hij van stijl veranderde. Terwijl zijn teksten, zijn fluisterende stem niet veranderden, vernieuwde hij zijn muziek metterjaren steeds radicaler. Jazz, rock, pop, reggae, punk, rap, er is geen stijl die de zanger ongebruikt heeft gelaten. Zijn drang tot verandering verklaarde hij zelf vanuit de dood van het Franse chanson. “Er is geen chanson in onze tijd. De Afrikaanse ritmes waarmee ik mijn muziek in leven houd zijn geen concessie aan de moderne tijd. Het is een vorm die de moderne tijd weerspiegelt. Een ritme dat haar karakteriseert.” Als eerste blanke artiest ging hij naar Jamaïca om daar een reggae-album te maken. In vijf dagen rolde er een parel van een plaat uit: ‘Aux Armes Et Caetera’, met de band van Peter Tosh en de I Three van Bob Marley. Gainsbourg beweerde de meeste nummers in het vliegtuig geschreven te hebben. De Figaro noemde het een ‘smerige ragoût’, maar binnen zes maanden was het platina en had de zanger een alternatief publiek aangeboord dat hem daarvoor nauwelijks had gepruimd. De reggae-versie van de Marseillaise (“bij een revolutionaire tekst hoort een revolutionair tempo”) schoot in het verkeerde keelgat van tweehonderd Oud Parachutisten in Straatsburg. “Als die Gainsbourg hier komt, blazen we de boel op!” Ondanks de dreigementen en de bommeldingen beklom Gainsbarre – zo noemde hij zich nu; de onverzetteklijke – toch het podium. Daar zette hij acapella de originele versie van de Marseillaise in, oog in oog met de para’s die werden uitgejouwd door het publiek.

In de laatste tien jaar van zijn leven, nadat Jane Birkin hem verlaten had, werd Gainsbarre steeds erotomaner, onhandelbaarder, maar raar genoeg ook steeds produktiever. In ‘Love on the Beat’ hoorden we hoe zijn nieuwe vrouw Bambou kirrend toegetakeld werd onder het mompelen van een fabuleus wreed gedicht dat de markies De Sade waardig zou zijn, in ‘Lemon Incest’ hoe Serge en dochter Charlotte – op de tonen van een etude van Chopin – de incestueuze liefde bezingen. Met de geboorte van zijn zoontje Lulu in 1986 leek alles in zijn leven vervuld. Reden voor Serge om te zeggen: “Ik ben in alles geslaagd, behalve in het leven”. Het provoceren was een versleten mediaritueel geworden. De aanblik die de aflijvige nachtuil bood was treurig. Gainsbarre die Whitney Houston trachtte aan te randen, die zijn pik uit zijn broek liet hangen, die een bankbiljet van 200 francs op het podium in de fik stak met zijn aansteker, die een liter whiskey wegzoop tot hij de toetsen op de piano niet meer vinden kon. Bij alles werd hij toegejuicht. Tot het bittere einde bleef hij de Fransen hun schandalen verschaffen. De schandalen die iedere maatschappij zo nodig lijkt te hebben om de eigen blaséheid te rechtvaardigen.

De afscheidswoorden die Gainsbourg zijn eigen dood deed vergezellen, in het Libé interview dat hij pas na zijn dood gepubliceerd wilde hebben, waren 33 jaar eerder met ‘Le poinçonneur des Lilas’ zijn eerste woorden geweest. ‘Un p’tit trou, un p’tit trou, rien qu’un dernier petit trou’. Zo is alles toch intact gebleven.


© alle teksten: Serge van Duijnhoven

contact:

Serge van Duijnhoven

Kandelaarsstraat 23, B1000 Brussel België

vrijdag 5 maart 2010 door Kunstredactie

CS: Serge Gainsbourg

Op de cover van het vrijdagse Cultureel Supplement deze week een verhaal over Serge Gainsbourg, de Franse zanger over wiens leven volgende week een film, La vie héroique, in de Nederlandse bioscopen komt. Onder de kop ‘De legende uitvergroot’  buigt René Moerland, onze correspondent in Parijs, zich over de vraag waarom de Franse opvatting over een ‘heldenleven’ minder dan die elders door historische exactheid wordt gedicteerd. De Fransen houden hun helden liever heldhaftig, dan waar.Gainsbourg (1928-1991), auteur van een omvangrijk oeuvre aan liedjes waarvan in Nederland vooral het hijgende duet met zijn liefje Jane Birkin, Je t’aime, moi non plus is blijven hangen, was niet in de laatste plaats een geruchtmakend vrouwenheld.

Je t’aime, moi non plus was overigens geschreven voor de vorige vriendin van Gainsbourg, de actrice Brigitte Bardot. Ook met Bardot maakte Gainsbourg platen.

Op latere leeftijd ontwikkelde hij zich tot een geliefd enfant terrible in talkshows op de Franse televisie, zoals die waarin hij en public I want to fuck you zei tegen de Amerikaanse zangeres Whitney Houston.

Gainsbourg was ook een toegewijd roker, van zware Gitanes – op veel foto’s en oude tv-opnamen is hij in rook gehuld.

Het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad verschijnt elke vrijdagmiddag, en is vanaf 15.00 uur hier ook digitaal te lezen voor (web)abonnees.

Dit verhaal is geplaatst op vrijdag 5 maart 2010 om 2:21 uur. U kunt reageren of trackbacken vanaf uw eigen site. (Wat is trackbacken?)

Beste Rene, beste Raymond,

het spijt me maar dit verhaal op Cultuurblog over Gainsbourg is al met al niet meer dan een met korte tekstjes aaneengeregen patchwork van videoclips. Geen enkel kader ontstijgt het keurslijf der cliche’s. De cultzanger gereduceerd tot een wassen pop uit Madame Tussaud die met een paar afgekloven anekdotes uit de oude doos – aangevuld met enkele volstrekt voorspelbare beeldfragmenten – het gecompliceerde fenomeen van de binnen en buiten Frankrijk nog altijd immens populaire en invloedrijke zanger, allerminst verduidelijkt.

Jammer dat er geen poging gewaagd wordt om de blijvende impact van de tegendraadse, ongebreidelde, onbeschofte, maar raar genoeg ook uiterst geliefde aartsprovocateur op de Franse samenleving van de afgelopen vijftig jaar, voor Nederlandse lezers te verklaren.

Een groot deel van zijn nog immer immense populariteit, moet gelegen liggen in het feit dat Gainsbourgs leven zich al bij al de allure aan heeft kunnen meten van een modern Frans sprookje over een lelijk jongetje van Russische ouders die er op verbazingwekkende manier in slaagde niet alleen de mooiste vrouwen van het land, maar zelfs gans Frankrijk, aan zijn voeten te krijgen. Voor veel Fransen is Gainsbourg – afkomstig uit een Oekraiens vluchtelingengezin – een heroisch figuur die malgre tout, het lot naar zijn hand heeft weten te zetten. De behoefte aan liefde van de door iedereen als lelijk en vreemd ervaren Gainsbourg is volstrekt onverzadigbaar, un besoin sans issue. Zie hier de principale drijfveer van zijn leven, die hem naar de toppen van zijn kunnen voert. Maar de zanger ook te gronde richt. In dat opzicht is het sprookje van de gevierde liedjesschrijver die een heel harem aan onschuldige zangeresjes voor zijn kar spande om zijn muzikale, literaire en perfide talenten te gelde te maken, een variatie op de aloude mythe van Faust die zijn ziel verkoopt aan de duivel in ruil voor een glorieuze carriere als componist van talloze pikante of ondeugende chansons die door zo jong en onschuldig mogelijke kindvrouwtjes al zuchtend, steunend en hijgend ten uitvoer dienden te worden gebracht. Zie hier bij uitstek het prototype van een Franse held aan het eind van de twintigste eeuw: een kruising tussen Pygmalion en Blauwbaard. Charmant, beschaafd, onhandig, lelijk, hulpbehoevend, destructief, erotomaan, gevaarlijk en een beetje gemeen.

De pathologische behoefte aan liefde en erotiek als compensatie voor het jeugdige trauma van zijn lelijkheid, ontaardt metterjaren in een steeds minder plezierig sprookje. Uit de as van de 140 Gitanes per dag rokende Gainsbourg verrijst gaandeweg de nog veel gruwelijker chimaere Gainsbarre (de “standvastige”, de ruwe), een sadistisch onbehouwen monster dat vanaf eind jaren zeventig zijn nog wat schuchtere voorganger definitief van het podium vaagt. In Nederland had je de vileine zanger Jaap Fischer, meester van het messscherpe chanson, die in de loop der tijd zijn hoekige masker af liet vallen en voortaan – triest maar wijs geworden – als Joop Visser door het leven wilde gaan. Serge maakt iets soortgelijks mee, maar dan in omgekeerde zin. Zoals hij in alles tegendraads prefereerde te zijn. Un réfractaire pur sang.

”Mon univers est à l’envers”, verklaarde de zanger ooit in een interview met Libération. Serge de rebel. Die, zoals heel mooi in beeld gebracht door Joan Sfar’s film “Gainsbourg; vie heroique”, een vuist maakt naar een zaal vol rechtse para’s in Straatsburg die zijn bloed wel kunnen drinken, omdat hij hun volkslied La Marseillaise met een stel rasta’s uit Jamaica verhaspelde tot reggaesong. “On est tous des Juifs, des nègres et des Français!” Op het podium van de ontploffende zaal verandert de zanger opnieuw in het joodse ketje dat de zwarthemden uitlacht door met ze mee te zingen. “Du sang, du sang, partout!” Hij blaft de para’s toe dat ook Rouget de Lisle de Marseillaise schreef als marslied van Republikeinse rebellen die af wilden van het ancien régime. Daarop zet hij acapella, met geheven vuist, het volkslied in. De para’s in verwarring achterlatend. Even later zien we Gainsbourg die het handgeschreven manuscript van La Marseillaise voor een astronomisch bedrag op de koop tikt tijdens een veiling in Parijs. “Wel duur, voor zo’n velletje papier”, merkt een journalist op. Waarop de zanger repliceert: “Man, ik zou me hiervoor hebben geruïneerd!”

De scène markeert het hoogtepunt van Gainsbourg’s indrukwekkende (en volgens regisseur Joan Sfar zelfs zonder meer heroïsche) levensloop. Van joods kereltje in bezet Parijs, tot pionier-provocateur van de principiele individuele vrijheid en eigenzinnige maskotte van het Franse patrimonium. Als het waar is dat de dichter-zanger dubbel en dwars zijn plaats verdiend heeft op de achtenswaardige toppen van de Franse Parnassus, dan heeft hij die plek veroverd door de berg op sluikse wijze te beklimmen. En stoemelings, zoals Brusselaars zeggen. Over de rug heen van zijn eigen schaduw. Mon univers est à l’envers…

Gainsbourg’s parcours heeft inderdaad altijd de weg gevolgd van de meeste weerstand, van het schandaal. Zoals in het ultieme liefdeslied “Je t’aime, moi non plus”. Het beruchte hijgduet in 1967 gezongen met Brigitte Bardot, twee jaar later met Jane Birkin, waarvan er alleen al buiten Frankrijk miljoenen platen werden verkocht; zonder dat de meeste van die kopers ook maar enig benul hadden welke geneugten van de ars amatoria er precies in werden bezongen. “Ik vermaak de wereld met injecties van lichte perversiteit”, placht Gainsbourg te zeggen. Op een manier waartoe hij alleen in staat was. Met stijl, distinctie, in miraculeus mooie maar ook infecte poëzie. “Tu es la vague, moi l’île nu./L’amour physique est sans issue.”

Zelf bleef Gainsbourg zijn vakgebied omschrijven als “un certain art mineur”, en meer dan eens liet hij weten zichzelf in de eerste plaats te beschouwen als een mislukte kunstschilder. In een twistgesprek met Guy Béart, in het praatprogramma van Bernard Pivot, sprak hij zijn collega betuttelend toe: “Ach Guy, wat zijn onze liedjes meer dan “des petits cacas” die we uitscheiden op het podium?” Dat Serge Gainsbourg daarentegen weldegelijk een grote kunstenaar genoemd mag worden, een dichter, zanger en componist van Olympische categorie, daarover laat eigenlijk niemand nog een misverstand bestaan. Al in 1972, na het beluisteren van het monumentale album ‘Un histoire de Melody Nelson’, liet de grote dichter Louis Aragon zich ontvallen dat “die Gainsbourg zich eigenlijk geheel op het sonnet toe zou moeten leggen: zijn poëtische kwaliteiten zijn weergaloos en behoren tot het meest originele wat de Franse literatuur heeft voortgebracht.”

En inderdaad: neem de proef gerust op de som door de bonte catalogus aan liedteksten van Gainsbourg er op na te slaan, zoals Mauvaises nouvelles des étoiles (éditions Seuil). Vrijwel elk willekeurig lied van Gainsbourg getuigt van uitzonderlijke poëtische soeplesse, syntactisch meesterschap en klinkklare woordvreugde. Zoals volgens Goethe een meesterhand zich vooral kan tonen in de beperking, zo openbaart het genie van Gainsbourg zich zelfs nog in het keurslijf van zijn meest kitscherige, hijgerige of populaire nummers. Sfar zegt hierover: “Wat geweldig is bij Gainsbourg: hij noemt zichzelf een luxehoer, maar hij is nooit oprechter dan wanvneer hij probeert zichzelf te verraden. Op een huppeldeuntje als “Baby Pop”, laat hij France Gall zingen “chante, danse Baby Pop, comme si demain tu devais mourir”. Hij kan het niet laten om overal de tragiek van in te zien. Bij momenten is hij even pathetisch geniaal als François Chateaubriand.”

In de laatste tien jaar van zijn leven, nadat Jane Birkin hem verlaten had, werd Gainsbarre steeds ruwer en onhandelbaarder in de omgang. Hij begon te lijden aan een zeldzame oogziekte, en droeg ook thuis in zijn verduisterde Hotel Particulier dag en nacht een zonnenbril. Toch bleef zijn produktiviteit nagenoeg intact.

Gaandeweg zijn nadagen als het wegkwijnende, De Sade-achtige monster Gainsbarre, werden minder en minder pop- en rock-zangeresjes bereid zijn steeds schunniger teksten te zingen. Wederom werd hij een outsider: hij pastte niet in de wereld van het ‘nouvelle chanson’ zoals Maxime le Forestier, Alain Souchon en Renaud dat brachten. En evenmin kon hij zijn draai vinden in de holle extatsiche stadionrock van zangers als Jean Jacques Goldman of Francis Cabrel of van een leipe jongensgroep als Indochine of Telephone. Gainsbourg ging onverschrokken door met zingen, spelen, zuipen, beledigen en epateren. De geest van Vian keerde in hem terug, getuige het surrealistische nazi-punk album ‘Rock around the Bunker’, waarin hij als jood met groteske galgenhumor de bunkerdagen van Adolf H. bezong. Frankrijk raakte opnieuw in een opstoot. Begreep het jonge publiek dit allemaal wel? Treffende vraag. Het jonge publiek begon hem steeds beter te begrijpen dan het vertrouwde publiek dat met hem meegroeide. “Het is mijn publiek dat ouder geworden is, niet ik” beet hij de pers toe.

Het meest wonderlijke aan Gainsbourg was de moeiteloosheid waarmee hij van stijl veranderde. Terwijl zijn teksten, zijn fluisterende stem niet veranderden, vernieuwde hij zijn muziek metterjaren steeds radicaler. Jazz, rock, pop, reggae, punk, rap, er is geen stijl die de zanger ongebruikt heeft gelaten. Zijn drang tot verandering verklaarde hij zelf vanuit de dood van het Franse chanson. “Er is geen chanson in onze tijd. De Afrikaanse ritmes waarmee ik mijn muziek in leven houd zijn geen concessie aan de moderne tijd. Het is een vorm die de moderne tijd weerspiegelt. Een ritme dat haar karakteriseert.” Als eerste blanke artiest ging hij naar Jamaïca om daar een reggae-album te maken. In vijf dagen rolde er een parel van een plaat uit: ‘Aux Armes Et Caetera’, met de band van Peter Tosh en de I Three van Bob Marley. Gainsbourg beweerde de meeste nummers in het vliegtuig geschreven te hebben. De Figaro noemde het een ‘smerige ragoût’, maar binnen zes maanden was het platina en had de zanger een alternatief publiek aangeboord dat hem daarvoor nauwelijks had gepruimd.

In ‘Love on the Beat’ hoorden we hoe zijn nieuwe vrouw Bambou kirrend toegetakeld werd onder het mompelen van een fabuleus wreed gedicht dat de markies De Sade waardig zou zijn, in ‘Lemon Incest’ hoe Serge en dochter Charlotte – op de tonen van een etude van Chopin – de incestueuze liefde bezingen. Met de geboorte van zijn zoontje Lulu in 1986 leek alles in zijn leven vervuld. Reden voor Serge om te zeggen: “Ik ben in alles geslaagd, behalve in het leven”. Het provoceren was een versleten mediaritueel geworden. De aanblik die de aflijvige nachtuil bood was treurig. Gainsbarre die Whitney Houston trachtte aan te randen, die zijn pik uit zijn broek liet hangen, die een bankbiljet van 500 francs op het podium in de fik stak met zijn aansteker, die een liter whiskey wegzoop tot hij de toetsen op de piano niet meer vinden kon. Bij alles werd hij toegejuicht. Tot het bittere einde bleef hij de Fransen hun schandalen verschaffen. De schandalen die iedere maatschappij zo nodig lijkt te hebben om de eigen blaséheid te rechtvaardigen.

Gainsbourg stierf op 2 maart 1991 in volstrekte eenzaamheid in zijn geblindeerde huis aan de rue de Verneuil in het zevende arrondissement van Parijs. Een derde hartaanval maakte hem af, voor slepende leverkanker dat deed. Diezelfde dag, had hij vergeten zijn hartpillen te nemen. Net zoals Boris Vian, 32 jaar eerder. Gainsbourg is bijgezet in een familietombe op Cimetière Montparnasse. 60, Avenue Transversale. De pluchen aap die Jane Birkin op de cover van Histoire de Melody Nelson voor haar ontblote zwangere buik houdt, is op die dag mee verdwenen in het graf.

SvD

Mon univers est a l’envers – Serge Gainsbourg; vie heroique

1. Op 2 maart is het negentien jaar geleden dat de Franse zanger, componist en aartsprovocateur Serge Gainsbourg (1928 – 1991) overleed in zijn Hôtel Particulier in de Rue de Verneuil te Parijs. Voor tal van internationale muzikanten blijft Gainsbourg een voortdurende inspiratiebron. Volgens de Nederlandse journalist, fan en deejay Guuzbourg, samensteller van de prachtige tribute-cd Gainsnord – Serge’s Songs Revisited By Bands From The Lowlands (met oa. Tom Barman, West Hell 5, Eddy de Clercq, Marine Boréale, Monsieur Dubois en Benjamin Herman), is hij “een van Europa’s meest invloedrijke songschrijvers, samen met de B’s van ABBA. Een man met een schat aan schitterende liedjes vol dubbele bodems en zelfverzonnen woorden. Die hij zelf zong, maar vaker nog schonk aan de prachtigste vrouwen. Door zijn provocerende houding dreigen zijn knappe composities vol dubbele bodems weleens in de verdruking te komen. Anderzijds reikt net dat rebelse karakter de beheerders van zijn erfenis steeds verse munitie aan om een nieuw publiek aan te boren.”

De jaarlijks terugkerende Soirées Gainsbourg in Vlaanderen en Nederland (oa. 17 maart as. in Bitterzoet Amsterdam en 27 februari in Petrol Antwerpen) bewijzen dat ook buiten Frankrijk de chansons van deze poète maudit nog steeds volop tot de verbeelding spreken.

Soirée Gainsbourg, Bitterzoet, Spuistraat 2 Amsterdam.

Aanvang 22u, direct na de voorvertoning van “Serge Gainsbourg – vie heroique” in The Movies.

http://www.facebook.com/reqs.php#!/event.php?eid=271502966791&ref=mf

DJs
– Guuzbourg (Gainsnord, etc.)
– Natashka (Radio Oh la la)
Live acts
– Flora Dolores
– Les Mouettes

  1. Gainsnord – Serge’s Songs Revisited By Bands From The Lowlands (met oa. Tom Barman, Westend, Eddy de Clercq, Marine Boréale, Monsieur Dubois en Benjamin Herman). Samengesteld en ingeleid door Guuzbourg. Essential Music – Sonic Scenery. Son 708028, 18,- www.fillessourires.com/gainsnord

3. Joann Sfar, Gainsbourg (hors camp), Stripboek. Dargaud, 480p., 39,-

De tekeningen mogen dan gebruikt zijn als storyboard en opnamebijbel, toch staat het boek los van de film. Het resultaat ademt zoveel plezier en nonchalante klasse uit dat de fans van het stripgenre dit boek ongetwijfeld zullen koesteren als een heerlijk pikante rêverie die in slierten blauwe nevelen, seks en muziek is gehuld. De vele citaten brengen Serge Gainsbourg bijna nog dichterbij dan de film.

    1. Gainsbourg, (vie héroïque), 2u10. Speelfilm, Cinéart i.s.m. Studio 37. Regie: Joann Sfar. Met Laetitia Casta, Eric Elmosnino, Lucy Gordon e.a. Vanaf 17 maart in de Nederlandse cinema’s. http://www.gainsbourg-lefilm.com/

(Persfoto’s staan op www.cineart.nl

Persrubriek inlog: cineart / wachtwoord: film)

De nachtuil van vermaak

Aprenons l’art, mon coeur,

d’aimer sans espérance…

  1. Rotrou

In gefilterd licht

streelt hij de zinnen

met de ogen van

een veroordeelde

.-.

drinkt hij whisky

uit een tandenborstelbeker

smelt het ijs in zijn keel

het mannelijke fluïdum

.-.

Het mooie wanhoopt

het lelijke speelt

om het malicieuze

te bezweren, Serge

.-.

In alcohol en nicotine

als een vogel zonder veren

seint hij ons de booschap

van het vlotte toeval

Bah oui, monsieur Gainsbourg, da’s al…’

.-.

(en een vreemd gevoel

van infernale kippigheid)

Serge van Duijnhoven, uit: Het paleis van de slaap, Prometheus 1993

GAINSBOURG – VIE HEROIQUE

magnifieke en feeërieke film van debutant Joann Sfar

door Serge van Duijnhoven

De feeërieke speelfilm Serge Gainsbourg (vie héroique) van de tegendraadse Franse regisseur en striptekenaar Joan Sfar (1971) begint, na een prachtige intro van fladderende stripfiguren, met een veelzeggende scène. De kleine joodse doerak Lucien Ginzburg, op 12 jarige leeftijd al kettingroker, wandelt over het strand van Deauville, en vraagt aan een mooi leeftijdgenootje of hij haar hand mag vasthouden. Waarop ze zijn voorstel bondig afwijst: “Nee, jij bent te lelijk”.

De stelling van Sfar, die door de film heen consequent is uitgewerkt, is dat de latere zanger Serge Gainsbourg zijn hele leven lang op een bepaalde manier dat jongetje is gebleven dat, ingeklemd tussen schaamte en schaamteloosheid, haakte naar de liefde van onbereikbaar mooie vrouwen.

Na de openings-scène op het strand, waarbij tonen van de wals klinken uit Gainsbourg’s absolute meesterwerk Melody Nelson, zoomt Sfar in op de donkere jaren van bezet Frankrijk, begin jaren veertig, als er overal in Parijs affiches te vinden zijn met karikaturen van Le Juif en France (de Franse versie van De eeuwige Jood). Lucien Ginzburg vond dat hij, als joods jongetje van Ashkenazische afkomst met haakneus en flaporen, veel teveel op die gruwelfiguur van de nazi-propaganda leek. In zijn levendige fantasiewereld, wordt hij op straat achtervolgd door een aan het affiche ontsnapte en tot leven gewekte geest met de lelijke kop van de Franse Jood die steeds meer in volume uitgroeit tot een kolossale ballon met armpjes en priemende gele ogen. Met een gestolen cowboypistooltje schiet Lucien de kop op gegeven moment aan flarden. Maar net als bij een draak die wordt gedood, ontpopt er zich een figuur uit de nekwervel van Le Juif die misschien nog wel angstaanjagender is: dr. Flipus – een alter ego van Ginzburg met een lange vogelneus en lenige feline trekken, die als een soort Fenix uit de kruitdampen tevoorschijn kringelt. Een kruising tussen Mefisto, een atletische raaf en Behemoth de zwarte kater uit Boelgakov’s roman De meester en Margarita.

Lucien tekent, tot vermaak van zijn zusjes en verbazing van zijn klasgenootjes, de bizarre avonturen die hij in zijn fantasie beleeft met zijn onzichtbare gezel Dr. Flipus (Dr. Jekyll?) op in een schetsboek, waarin hij met aquarel zijn schildertalenten exploreert. Buiten woedt de oorlog, en om indruk te maken op een stel dronken zwarthemden die door de Parijse straten marcheren, zien we Lucien luidkeels de Marseilleise meezingen: “Du sang partout!” Thuis in Pigalle probeert vader Ginzburg zijn zoon met strenge hand het pianospel bij te brengen. Maar het liefst van al trekt Lulu zich terug in zijn zelfgecreëerde schilderwereld, waarin behalve Dr. Flipus ook de vrouwen van Clichy beginnen te figureren. Ten overstaan van de Rubensiaanse schone van de schilderacademie die hij stiekem naakt portretteert en denkbeeldig het hof maakt, citeert hij “soms Baudelaire en soms zichzelf”, en hij bezweert dat zijn Muze niet ontdekken zal wie wanneer aan het woord is.

De oorlog kan Lulu gestolen worden, tot het moment dat hij gedwongen wordt om zich, voorzien van valse documenten, samen met zijn ouders schuil te houden op het platteland. Vlak voor zijn vlucht uit Parijs staat de jonge Ginzburg voor dag en dauw op de stoep bij de prefect van Clichy om als allereerste een jodenster in ontvangst te nemen. “Een eer”, zo zegt hij wijsneuzerig, “die hij zich beslist niet wil laten ontgaan.” Si j’avais été en retard ce jour-là, j’en aurais eu honte toute ma vie.Als de prefect hem vraagt of hij die ster van hem dan echt zo graag wil dragen, antwoordt hij: “Het is niet mijn ster, meneer. Het is die van u.” De hele film zit in die ene zin samengebald. De prefect voelt zich voor schut gezet, en schopt de piepjonge provocateur het gemeentehuis uit.

Of deze anekdote waar is? “Wat doet het ertoe”, zegt de regisseur hierover in een van zijn vele promotiegesprekken die hij houdt bij het uitkomen van de prent in Frankrijk, “als Gainsbourg hem gedurende zijn leven de moeite waard heeft gevonden om te vertellen.” Wat in elk geval waar is, dat is dat de zanger na de oorlog – zoals op amusante wijze tijdens de film in beeld wordt gebracht – uit geldgebrek twee jaar lang mandoline-leraar is geweest in een weeshuis te Champfleur dat vooral plaats bood aan kinderen van ouders die in de gaskamers waren omgekomen. Die kinderen, gewonde diertjes eigenlijk, waren zijn eerste publiek. Toen hij het weeshuis binnenging, was zijn naam nog Lucien Ginzburg. Na het te hebben verlaten, noemde hij zich voortaan Serge Gainsbourg. Serge was de voornaam van de directeur van het instituut.

De film heet ‘Serge Gainsbourg: vie héroique‘. Joann Sfar: Ja, Gainsbourg is in mijn optiek een held. Maar zoals Iedere held draagt ook Gainsbourg in zijn levensloop de tragiek als een onvermijdelijke schaduw met zich mee. Serge is geen heilige, maar hij heeft zich wel een heiligenleven verzonnen, en ik heb me geamuseerd door alle staties van de kalvarie van Sint-Gainsbourg te volgen.”

Ondanks de toevoeging ‘vie héroïque’ is de film zeker geen hagiografie. Dat zou trouwens in het geval van een controversieel en bewust provocerend artiest als Serge Gainsbourg, levend op een zelfdestructief dieet van nicotine en pastis, nogal onnozel geweest zijn.

“Ik geef geen antwoorden of probeer geen mythe te doorprikken”, vertelt Joann Sfar in een gesprek dat plaatsvindt in het beroemde restaurant La Coupole in Montparnasse in Parijs. “Ik wil dat de kijker zich bij het verlaten van de zaal afvraagt wie Serge Gainsbourg was. Misschien verwijten sommigen me een gebrek aan kritische zin. Dat is dan maar zo. Ik wou niet op Gainsbourg spugen, ik wou iets moois, iets bijna kinderlijks. De vraag of iets in de film perse echt gebeurd is, interesseert me niet. Mijn film moet niet op de werkelijkheid lijken, maar cinema zijn. De film probeert op tal van manieren aan het realisme te ontstijgen. Ik had zin in cabaret, lekker dik aangezet, waarbij je kunt wegdromen of af en toe een traan moet wegpinken. Spektakel met acteurs die zich helemaal geven. Ik gebruik alleen wat Serge Gainsbourg zelf over zijn leven verteld heeft, inclusief de verzinsels. Ik vertel over hem zoals in sprookjes wordt verteld over de mythische ridders van de Ronde Tafel…”

De film bevat tal van stripinvloeden, maar ook verwijzingen naar films als Nosferatu van Murnau, Les Enfants du paradis van Carné, Amarcord van Fellini en Big Fish van Tim Burton. Regisseur Joan Sfar mikt duidelijk heel hoog. En hij vergooit zich niet. Décors, kleding, cinematografie, mise-en-scène: alle is tot in de puntjes uitgewerkt en van symbolische lading voorzien. De beelden van Gainsbourg: vie héroique schetsen een ultiem sensueel, fragiel en gelaagd beeld van de duivelskunstenaar Gainsbourg, vooral in de eerste helft van de film als het gevecht met de artistieke demonen nog moet worden gestreden en de Muzen nog moeten worden verleid. Iedere scène is een tot leven gekomen schilderij dat al naar gelang de situatie sober, somptueus, realistisch of surreëel is ingekleurd. Sommige fragmenten zijn films in een film (bv. de ontmoetingen met Juliette Gréco en Boris Vian). Niet zo maniëristische en pompeus als Quintin Tarantino dat pleegt te doen in zijn produkties, maar afgewerkt met tedere penseelstreken die, je kunt niet anders zeggen, van oneindig veel smaak en jouissance getuigen.

De keuze om geen encycopedische film te maken, maar een persoonlijk portret met strip- en musical invloeden, pakt bijzonder geslaagd uit. Vooral ook omdat onder de dikke lagen schmink en de felverlichte bric-à-brac van de décors, gekozen is voor een even intelligente als subtiele vervlechting van muziek en thematiek. Daarnaast is de rolbezetting ronduit magnifiek te noemen. Eric Elmosnino speelt een Serge larger than life, echter dan echt en geloofwaardig tot in de kleinste tics, zozeer dat je er kippenvel van krijgt. Laetitia Casta, de huidige Marianne – het symbool van de Vrijheid en La Femme Eternelle dat de Fransen al decennialang tot één figuur abstraheren voor op hun postzegels en statieportretten – speelt haar voorgangster Brigitte Bardot met het grootst mogelijke sex appeal denkbaar. De scène waarin zij met laklaarzen en in panterrokje de gang van Gainsbourg’s werkflat binnen komt gelopen, is van een even erotiserende bravoure als de strandscène met de werkelijke Bardot uit Roger Vadim’s Et dieu créa la femme. Het licht gaat schijnen, de camera gaat van beneden naar boven, het hart van de kijker komt even tot stilstand. Ook de rol van Jane Birkin is trouwens perfect getypecast. De adorabele Lucy Gordon speelt alsof haar leven ervan afhangt. En in wrange zin is dat misschien ook wel zo geweest. Want kort na de laatste opnamedag heeft de Engelse actrice zichzelf verhangen. De film is dan ook aan haar opgedragen.

Het Faustiaanse duel met Gainsbourg’s dandy-achtige alter ego “Rotkop” (La Gueule), die de zanger op stel en sprong influistert wat te doen om als artiest hogerop te geraken (en uiteindelijk een vedette te worden, een ster tussen de sterren), is naar mijn mening verreweg het meest interessante aspect van Sfar’s film – die te surreëel en cabaretesk is om een gewone biopic te zijn maar tezeer de tijdslijn van Serge’s leven volgt om het ook weer niet te zijn. Het conflict tussen Gainsbourg en zijn voor anderen onzichtbare daimon, is een meestervondst. Die de film niet alleen op een hoger plan tilt, maar een aantal duistere aspecten van Gainsbourg’s complexe leven ook werkelijk begrijpelijker maakt. Met dezelfde sensuele hand en vloeibare lijnen waarmee Sfar als stripauteur zijn bizarre karakters op papier zet, portretteert de regisseur zijn hoofd- en zijpersonages op het filmdoek. Het beroemde en o zo moeilijk te bevatten fluïdum van Gainsbourg spat, druipt en druppelt aan alle kanten van het doek af, en het plezier waarmee dit alles gemaakt is evenzeer.

Sfar heeft zijn film, op aandringen van erfgenamen Jane Birkin en Charlotte Gainsbourg, uitdrukkelijk omschreven als een fantasierijke vertelling. ‘Un conte’. Een modern sprookje over een lelijk jongetje van Russische ouders die er op verbazingwekkende manier in slaagde niet alleen de mooiste vrouwen van het land, maar zelfs gans Frankrijk, aan zijn voeten te krijgen. Daarnaast gaat de film ook over het thema van het offer, de fatale prijs die een artiest moet betalen om succesvol te worden. De Gainsbourg die Sfar soms op impressionistische en soms op expressionistische (maar nooit op al te realistische of documentaire) wijze in beeld brengt, offert alles en iedereen op aan zijn egomaniakele doel: door zoveel mogelijk mensen – liefst knappe vrouwen – in de armen te worden gesloten. De behoefte aan liefde van Gainsbourg is volstrekt onverzadigbaar, un besoin sans issue. Zie hier de principale drijfveer van zijn leven, die hem naar de toppen van zijn kunnen voert. Maar de zanger ook te gronde richt.

De schilderkunst, zijn talloze relaties, zijn kinderen, zijn publiek: alles moest eraan geloven opdat Serge zich ten volle over kon geven aan zijn dorst naar aandacht, liefde en roem. In dat opzicht is de “conte” of het donkere psychologische sprookje dat Sfar met deze rolprent vertellen wil, een variatie op de aloude mythe van Faust die zijn ziel verkoopt aan de duivel in ruil voor de onsterfelijkheid. De zanger – in het begin nog schattig, onhandig en verleidelijk jongensachtig in beeld gebracht – krijgt gaandeweg de film maniakale proporties. Zijn ego raakt even monstrueus verknipt en opgeblazen als de Jodenkop van het affiche die hem in zijn jongensjaren in het bezette Parijs achtervolgde. Zijn diepste drijfveren – zo fragiel en sprookjesachtig in beeld gebracht ten tijde van zijn jeugd – raken uiteindelijk verstrikt in een zompig narcistisch moeras. Zijn jongensachtige behoefte aan liefde en erotiek ontaardt in een gruwelroman van De Sade.

Het kantelmoment in het leven van Gainsbourg komt perfect overeen met een cruciale scène uit de film, die met 200 kilo aan lampen schijnt te zijn opgenomen aan de oevers van de Seine. Op het moment dat de door Brigitte Bardot gedumpte zanger op het punt staat om Jane Birkin, de liefde van zijn liefde, te veroveren, blijkt hij niet meer in staat om het penseel te kunnen hanteren. De daimon van La Guele kijkt geringschattend toe hoe zijn levensgezel diens talent opoffert aan zijn geluk.

“J’aime bien ma nouvelle gueule”, zegt Gainsbourg als hij zich aan het begin van zijn huwelijk met Jane Birkin eindelijk lekker in zijn vel vindt zitten. In de mythologie van Sfar: Gainsbourg wijst Rotkop de deur. Het gaat hem voor de wind, de Muzen lonken onafgebroken naar hem, het publiek ligt aan zijn voeten, hij heeft een schat van een dochter, schrijft aan zijn symfonische meesterstuk Melody Nelson en voelt zich voor het eerst bevrijd van zijn complexen. Jane heeft hem een nieuwe look gegeven en de raad van zijn corrupte alter ego Rotkop kan hij voortaan dan ook missen als kiespijn.

In de film zien we de Doug Jones, die de spichtige en lange daimon speelt in zijn kostuum van papier maché, hete tranen plengen op het dak van Gainsbourg’s Hôtel Particulier, en meewarig neerstaren op de scènes van huiselijk geluk die zich in en rond de slaap- en kinderkamer afspelen. Rotkop probeert zijn vroegere makker weer tot samenwerking te verleiden. “Ik dacht dat je een Pygmalion wilde zijn voor kleine Jane”, schampert La Guele. “En nu is het je Engelse meid die jou de weg wijst in dit leven!” Gainsbourg doet alsof zijn schaduw nooit bestaan heeft.

Prompt gaat er natuurlijk van alles mis in het bestaan van de zanger, die zijn kindse inborst weigert op te geven en zich nauwelijks raad weet met de verantwoordelijkheden van het volwassen leven. Het geluk van ’69/’70/’71 blijkt minstens zo fragiel te zijn als Gainsbourg’s fysieke en karakteriele ingesteldheid. Le bonheur, zo luidt een veelgehoorde Franse definitie van geluk, cette étrange chose qui n’existe pas – et pourtant un jour n’est plus. Op het ene moment bevindt de zanger zich op de toppen van zijn kunnen. Op het andere moment tuimelt hij in volle vaart van de Olympus, beproeving na beproeving incasserend. Gainsbourg krijgt een eerste hartaanval, zijn vader sterft, net als zijn geliefde hond Nana, hij raakt onbedaarlijk aan de drank, produceert nauwelijks nog iets van waarde en verveemdt van wie hem dierbaar is.

Natuurlijk staat Rotkop klaar om de haveloze artiest er opnieuw weer bovenop te krijgen. Rotkop strooit sloffen Gitanes uit over het ziekenhuisbed om het vertrouwen van zijn compagnon à la dérive terug te winnen. Hij belooft zijn jiddische maatje dat in zak en as zit, om de zaken in de toekomst beter dan ooit aan te pakken. Geen tijdelijke, maar eeuwige roem die in het verschiet ligt. Alle geneugten, liefde, roem die een mens maar kan bereiken. Vrouwen bij de vleet. Geld, champagne, genot. Hic et nunc et saeculi… Rotkop wrijft Serge’s haren door de war, zet hem een zonnebril op, en proost vicieus op de herwonnen samenwerking. Wat er geweest is, is nog niks vergeleken bij wat komen gaat.

In het duel tussen Gainsbourg en zijn alter ego, zo is de suggestie van de regisseur, is het de zanger van vlees en bloed die uiteindelijk het loodje legt. Uit de as van de 140 Gitanes per dag rokende Gainsbourg verrijst de nog veel gruwelijker chimaere Gainsbarre (de “standvastige”, de ruwe), een sadistisch onbehouwen monster dat vanaf eind jaren zeventig zijn veel lieflijker en onhandiger voorganger definitief van het podium vaagt. In Nederland had je de vileine zanger Jaap Fischer, meester van het messscherpe chanson, die in de loop der tijd zijn hoekige masker af liet vallen en voortaan – triest maar wijs geworden – als Joop Visser door het leven wilde gaan. Serge maakt iets soortgelijks mee, maar dan in omgekeerde zin. Zoals hij in alles tegendraads prefereerde te zijn. Un réfractaire pur sang.

”Mon univers est à l”envers”, verklaarde hij zelf ooit in een interview met Libération. Serge de rebel. Die, zoals heel mooi in beeld gebracht door Sfar’s film, een vuist maakt naar een zaal vol rechtse para’s in Straatsburg die zijn bloed wel kunnen drinken, omdat hij hun volkslied La Marseillaise met een stel rasta’s uit Jamaica verhaspelde tot reggaesong. “On est tous des Juifs, des nègres et des Francais!” Op het podium van de ontploffende zaal verandert de zanger opnieuw in het joodse ketje dat de zwarthemden uitlacht door met ze mee te zingen. “Du sang, du sang, partout!” Hij blaft de para’s toe dat ook Rouget de Lisle de Marseillaise schreef als marslied van Republikeinse rebellen die af wilden van het ancien régime. Daarop zet hij acapella, met geheven vuist, het volkslied in. De para’s in verwarring achterlatend. Even later zien we Gainsbourg die het handgeschreven manuscript van La Marseillaise voor een astronomisch bedrag op de koop tikt tijdens een veiling in Parijs. “Wel duur, voor zo’n velletje papier”, merkt een journalist op. Waarop de zanger repliceert: “Man, ik zou me hiervoor hebben geruïneerd!”

De scène markeert het hoogtepunt van Gainsbourg’s heroïsche levensloop. Van joods kereltje in bezet Parijs, tot pionier-provocateur van de vrijheid en eigenzinnige maskotte van het Franse patrimonium. Als het waar is dat de dichter-zanger dubbel en dwars zijn plaats verdiend heeft op de achtenswaardige toppen van de Franse Parnassus, dan heeft hij die plek veroverd door de berg op sluikse wijze te beklimmen. En stoemelings, zoals Brusselaars zeggen. Over de rug heen van zijn eigen schaduw. Mon univers est à l’envers…

Gainsbourg’s parcours – Sfar heeft dit scherp gezien – heeft inderdaad altijd de weg gevolgd van de meeste weerstand, van het schandaal. Van Sodom ook. Zoals in het schandaal-lied “Je t’aime, moi non plus”. Het beruchte hijgduet in 1967 gezongen met Brigitte Bardot, twee jaar later met Jane Birkin, waarvan er alleen al buiten Frankrijk miljoenen platen werden verkocht; zonder dat de meeste van die kopers ook maar enig benul hadden dat er de geneugten van de anale liefde in werden bezongen. “Ik vermaak de wereld met injecties van lichte perversiteit”, placht hij zelf te zeggen. Op een manier waartoe alleen Gainsbourg in staat was. Met stijl, distinctie, in miraculeus mooie maar ook infecte poëzie. “Tu es la vague, moi l’île nu./L’amour physique est sans issue.” Waarna Eros zijn giftige pijl van koele geilheid afschiet tussen de nieren van zijn geliefde.

Ik houd van je.”

Ik al niet meer…”

Zelf bleef Gainsbourg zijn vakgebied omschrijven als “un certain art mineur”, en meer dan eens liet hij weten zichzelf in de eerste plaats te beschouwen als een mislukte kunstschilder. In een twistgesprek met Guy Béart, in het praatprogramma van Bernard Pivot, sprak hij zijn collega betuttelend toe: “Ach Guy, wat zijn onze liedjes meer dan “des petits cacas” die we uitscheiden op het podium?” Dat Serge Gainsbourg daarentegen weldegelijk een grote kunstenaar genoemd mag worden, een dichter, zanger en componist van Olympische categorie, daarover laat Joann Sfar in zijn film geen misverstand bestaan. De film is, behalve als een donker sprookje, vooral ook een soort van lyrische liefdesbrief aan de onnavolgbare artiest en zijn invloedrijke oeuvre.

Natuurlijk is Sfar, hoe origineel en gelaagd zijn hommage ook mag zijn, niet de eerste om Gainsbourg’s mérites te erkennen. Al in 1972, na het beluisteren van het monumentale album ‘Un histoire de Melody Nelson’, liet de grote dichter Louis Aragon zich ontvallen dat “die Gainsbourg zich eigenlijk geheel op het sonnet toe zou moeten leggen: zijn poëtische kwaliteiten zijn weergaloos en behoren tot het meest originele wat de Franse literatuur heeft voortgebracht sinds Les Chants de Maldoror van Lautréamont.”

En inderdaad: neem de proef gerust op de som door de bonte catalogus aan liedteksten van Gainsbourg er op na te slaan, zoals Mauvaises nouvelles des étoiles (editions Seuil). Vrijwel elk willekeurig lied van Gainsbourg getuigt van uitzonderlijke poëtische soeplesse, syntactisch meesterschap en klinkklare woordvreugde. Zoals volgens Goethe het genie zich vooral kan tonen in de beperking, zo openbaart het genie van Gainsbourg zich zelfs nog in het keurslijf van zijn meest kitscherige, hijgerige of populaire nummers. Sfar zegt hierover: “Wat geweldig is bij Gainsbourg: hij noemt zichzelf een luxehoer, maar hij is nooit oprechter dan wanneer hij probeert zichzelf te verraden. Op een huppeldeuntje als “Baby Pop, laat hij France Gall zingen “chante, danse Baby Pop, comme si demain tu devais mourir”. Hij kan het niet laten om overal de tragiek van in te zien. Bij momenten is hij even pathetisch geniaal als François Chateaubriand.”

Een lied dat mij voor altijd van Gainsbourg’s uitzonderlijke lyrische gaven overtuigd heeft, is het nummer Hôtel Particulier, op het album Melody Nelson. In prachtige, wulpse zinnen die in enkele bondige stanza’s een wufte paringsdans met elkaar aangaan, voert de zanger zijn piepjonge verovering mee naar een labyinthisch roccoco-complex met vele trappen en eindeloze gangen, waar beiden zich onder het toeziend oog van vergulde engelenbeelden, naakte ebbenhouten slavinnen, Aphrodites en Salomés, in de Cleopatra-kamer overgeven aan de praktijken van de Ars Amatoria. Lees hoe Gainsbourg zijn Melody op de tonen van orgel, bas, piano en sublieme lyriek naar de toppen voert van het genot!

(…)

Entre ces esclaves nus taillés dan l’ébène

Qui seront les témoins muets de cette scène

Tandis que là-haut un miroir nous réfléchit,

Lentement j’enlace Melody…

De parabel die Sfar in zijn film op magistrale wijze via het leven van Gainsbourg in beeld heeft gebracht, is er een van een held die ”in alles slaagt, behalve het leven.” Maar de magische rode draad waarmee de film in het eerste gedeelte op zulk een verrassende wijze aan elkaar is geregen, lijkt na anderhalf uur plotseling op te lossen in de emulsie van de pellicule. De anekdotes van Serge’s aftakeling, puntsgewijs door Sfar in beeld gebracht als een onsmakelijk spektakel waar geen einde aan lijkt te komen (sans issue), zijn zo talrijk dat ze op gegeven moment zowaar bijna gaan vervelen. Na ongemerkt te zijn opgestegen naar de hogere regionen van de filmkunst, raak je als kijker, in navolging van de robuust dirigerende regisseur, plotseling enigszins de weg kwijt in het al te drukke stratenplan van saillante anekdotes, waardoorheen Sfar zijn eindeloze stoet van kakelbonte karakters laat passeren. Op een gegeven moment is het of je uit een roesachtige droom ontwaakt. Sfar had er goed aan gedaan om zelf ook iets van zijn materiaal in het tweede gedeelte van de film op te offeren ten behoeve van de intensiteit en continuiteit.

Vreemd genoeg eindigt de film toch nog abrupt, op de plek waar hij begint, aan het strand van Deauville. Niet in het ochtendlicht, maar ’s nachts. In de hemel blikkeren de sterren. Opnieuw klinkt La valse de Melody als muziek. En in dronken verstilling zie je Serge peinzen of het waar is, wat hij ooit zong in dat duet met Chathérine Deneuve: Que dieu soit un fumeur de Havanes… Het ware beter en zeker mooier geweest als Sfar, in plaats van te kiezen voor een al te open einde anno 1987, rigoureuzer had gekozen voor de finale beslechting van het Faustiaanse duel tussen Gainsbourg en Rotkop op 2 maart 1991 in zijn Parijse Hotel Particulier aan de Rue de Verneuil. Waar de krachten tussen licht en duisternis bezig zijn geweest aan hun beslissende gevecht. En waar de aan een oogvirus lijdende zanger, die zelfs in zijn geblindeerde woning nooit zijn zonnebril meer afdeed, als een dief in de nacht is weggeslopen. Moederziel alleen, geloof het of niet, gestorven aan een “natuurlijke dood”; een hartbreuk ten gevolge van een poreus geworden kransslagader.

Wat zich daar in die gesloten ruimte af heeft gespeeld in die laatste momenten, Sfar had het met zijn fenomenale fantasie vast prachtig vorm kunnen geven. Het is alsof de regisseur na een majestueuze spurt, voortijdig buiten adem is geraakt. Of huiverde om de finish te bereiken. Picasso was er ook altijd bang voor: une oeuvre parfaite, c’est une erreur. De gratie van het speelse en onaffe. Dat is het register waarbinnen ook Sfar’s film zich uiteindelijk heeft willen of moeten beperken. Geen oeuvre parfaite, maar voor een debuutfilm in elk geval een verbluffende proeve van bekwaamheid, intelligentie en originaliteit.

Gainsbourg, (vie héroïque), 2u10.

Speelfilm van regisseur Joann Sfar.

Met Laetitia Casta, Eric Elmosnino, Lucy Gordon e.a.

Vanaf 18 maart in de Nederlandse cinema’s.

Muziek en kunst in tijden van electromoderniteit. Interview met DJ Spooky / Paul D. Miller – that subliminal kid

Muziek en kunst in


tijden van electro-


moderniteit


DJ Spooky / Paul D.


Miller

that subliminal kid

(interview vond plaats op zondag 7 mei 2000 in Gent en werd gepubliceerd in De Groene Amsterdammer)

«There’s more to dj culture than just beats», beweert Paul D. Miller, oftewel: DJ Spooky, That Subliminal Kid. Hij heeft recht van spreken, want behalve als deejay opereert hij ook als filosoof, semioticus, essayist, beeldend kunstenaar en curator op het kruispunt tussen avant-garde en popcultuur. Het motto van zijn laaste cd, ‘DJ Spooky That Subliminal Kid vs. The Freight Elevator Quartet, ontleende hij aan het Futuristisch Manifest van Marinetti uit 1909: “Waarom zouden we terugkijken, als we de mysterieuze toegangspoorten tot het onmogelijke willen slopen? Tijd en ruimte zijn gisteren gestorven. We leven al in het absolute, omdat we erin geslaagd zijn een eeuwige, alomtegenwoordige snelheid te creëren… Geen werk zonder een agressief karakter kan ooit een meesterwerk worden.”

culturele.geheime.dienst.target

Ik wacht hem op in Gent, waar hij een optreden zal geven in het kader van het Vooruit Geluid Festival. De laatste keer dat ik hem bezig zag, twee jaar geleden tijdens het Filmfestival van Rotterdam, voorzag hij de raadselachtige animatiefilms van filmpionier en klankverzamelaar Harry Smith van een geimproviseerde soundscape. Buiten speelt een cellist de suites van Bach op het gekantelde podium voor de kathedraal – een optreden in het kader van Over the Edges, de tentoonstelling van Jan Hoet. In de lobby van het Ibis hotel schud ik handen met een rijzige jongen gekleed in een donkerblauwe legertrui, met koptelefoons om de oren. Zijn neus glimt, zijn ogen vertonen grote kringen. «Ik heb niet geslapen» – zegt hij. Zijn stem is diep, droog, kortaf. Onder zijn arm heeft hij de catalogus van het Museum Dr. Guislain, waar een expositie is te zien over Gestoorde Vorsten, Les rois perturbes. De expositie heeft hij bezocht meteen nadat hij twee uur eerder had ingechekt in het hotel. De soundcheck voor het optreden van vanavond heeft hij ervoor laten schieten.
We nemen plaats in een eetzaal waar obers messen en vorken op tafel leggen. De koptelefoons gaan af en hij doet de mindi-discrecorder uit die hij, net als ‘that subliminal kid’ uit William Burroughs» boek Nova Express, overal bij zich draagt om geluiden mee op te nemen. Het laatste dat hij heeft opgenomen, vertelt hij, is de stem van Yoko Ono. Ze werken samen aan een project.

In het essay «Dark Carnival» schrijf je: «Ik richt me tot jullie vanuit een milieu waarin creativiteit voor het meerendeel bepaald wordt door het recontextualiseren van voorgaande expressies van anderen…» Hoe belangrijk is de notie van originaliteit voor jou?
‘Een aanzienlijk gedeelte van de hedendaagse cultuur is gebaseerd op het principe van het doorgeven en repliceren, een woord dat is afgeleid van «reply», antwoorden. Veel van wat we horen, zien en denken is een afspiegeling van de geëlektroniseerde wereld om ons heen. Originaliteit is een verouderd concept. Het gaat er meer om hoe we de dingen gebruiken die nu eenmaal al bestaan. Neem bijvoorbeeld de taal. Taal is een objet trouvé, dat we kunnen gebruiken op een manier zoals we dat gewend zijn of geleerd hebben. Maar we kunnen die taal ook op een manier gebruiken die we nog niet kennen. We kunnen de code breken, het objet trouvé buiten de context plaatsen. Taal is gereedschap, meer niet. Hetzelfde geldt voor muziek, voor de moderne media of de filosofie. De vraag hoe origineel het gereedschap is, lijkt me niet zo interessant is als de vraag wat ik met dat gereedschap kan maken. Hoe cultuur en de codes in die cultuur op elkaar inspelen. Het is verbazingwekkend hoe bepaalde codes als algemene abstracties kunnen worden aanvaard. Hoezeer ze een zekere orde in de maatschappij kunnen vormen. Ik houd het meest van kunstenaars die de orde omver durven gooien, zoals William Burroughs of Joseph Beuys.’
Ben je als musicus en dj vooral bezig met het deconstrueren of het reconstrueren van muziek?
‘Zoals een schrijver zijn teksten schrijft, met zijn vingertoppen of het puntje van zijn pen, zo mixt een deejay zijn muziek, met het diamanten puntje van de naald van een platenspeler. Het ene is «écriture», het andere «soniture». De naald van de platenspeler fungeert voor de dj als een soort intermediair tussen het zelf en de externe wereld. Met die naald weeft een dj geluiden aaneen. Voor mij is het dj-en een vorm van massaculturele psycho-therapie. Met mijn ritmes en beats en samples creeer ik een psychologische omgeving die luisteraars wellicht in staat stelt om ruimer te denken dan binnen het vaste, culturele kader van het dagelijks leven.
Ik houd ervan om met impulsen en indrukken te spelen en te verwarren. Meestal wordt de psychologie maar ook de muziek gebruikt om mensen te controleren, te conditioneren. Vaak wordt mensen het gevoel gegeven dat ze ergens bij moeten horen, zodat men ze gemakkelijk geld afhandig kan maken. Ik wil de mensen juist iets bieden om de controle los te laten zodat ze hun denkpatronen en ervaringen kunnen herschikken. Ik breek de ritmes en patronen, ik probeer heel verschillende stijlen te verwerken in mijn performances, mijn geluiden zijn een soort spiegel die ik het publiek wil voorhouden, waarin men fragmenten en cut ups, bits en pieces uit het dagelijks leven kan herkennen. Het verband tussen de elementen, dat is mijn reflectie op de realiteit.
Sampelen, het gebruik van geluidsfragmenten en -citaten, zie ik als een manier om uiting te geven aan mijn identiteit. Mijn keuze van het materiaal, en de rangschikking ervan, legt al meteen mijn persoonlijke kijk bloot op de wereld rondom me heen. De techniek van het sampelen heeft volgens mij ook niks met blanke of zwarte muziek te maken, met gevestigde kaders die gescheiden van elkaar dienen te blijven. Het sampelen stelt je juist in staat om ruimte te creeeren voor dialoog. Zodat je niet steeds terug hoeft te vallen op dezelfde patronen, dezelfde loops, dezelfde rassen-retoriek. Muziek is menselijk. Sampelen is voor mij iets pan-humanistisch.
In je essay Uncanny/Unwoven schrijf je over conceptuele kunst in tijden van de electro-moderniteit. Kun je dat begrip electro-moderniteit toelichten?
‘Als je ervan uitgaat dat een kunstenaar de tekenen van zijn cultuur interpreteert en misschien wel mede ontwikkelt, dan moet je ook een soort nieuwsgierigheid aan de dag leggen voor de decentralisatie en versnippering die onze hedendaagse cultuur met zich meebrengt.
Het modernisme was een kritiek die ontsproot uit de industriele samenleving. Lees TS Elliot’s Waste Land er op na, of de poezie van Apollinaire en Rimbaud. Het post-modernisme is een produkt van het na-oorlogse Westen, waar als gevolg van de veranderingen niemand meer precies wist waar hij of zij aan toe was. De principes van democratie en vrijheid werden tot op het bot doorgelicht en gedeeltelijk als ficties ontmaskerd. De rellen van de jaren zestig hadden te maken met een soort van ontnuchtering: uit de ene droom was men net ontwaakt, om erachter te komen dat de hooggespannen idealen daarna ook niet met de realiteit in overeenstemming te brengen waren.
Electro-moderniteit is de periode waarin we nu zijn beland. Het is de realiteit van een wereld die volop gebruik maakt van de wisselspanning, van electriciteit en elektronische hulpmiddelen. Wij behoren tot de eerste generatie mensen die echt opgegroeid zijn in een electronische omgeving. Het is interessant om te zien hoe deze electronica de psychologie van mensen verandert. Een persoon van begin twintig heeft in zijn korte leven tegenwoordig al meer informatie en prikkels te verwerken gekregen dan iemand uit de zestiende, zeventiende eeuw in zijn hele leven. Dat moet effect hebben op de menselijke geest. De oude hierarchishce denkpatronen van lineariteit, van het sublieme, en van de gesublimeerde betrokkenheid bij de kunsten, zijn niet langer bruikbaar om hedendaagse ontwikkelingen op het gebied van de «stroom», van electro-moderniteit te kunnen duiden. De huidige netwerksystemen transformeren individuele creaties tot uitwisselbare lego-blokken in een wereld van voortdurende verandering, een wereld van het geatomiseerde perspectief. Mijn expositie in het Ludwig Museum in Keulen, die ik begin dit jaar organiseerde, ging daarover. Ik liet verschillende kunstenaars werk exposeren dat te maken had met de digitalisering van het dagelijks leven.’
Hoe verhouden je intellectuele en creatieve werk zich tot elkaar? Lopen de ratio en het instinct elkaar nooit voor de voeten?
‘Je spreekt over ratio en instinct alsof het compleet verschillende hierarchieën betreft. Weet je wat? Er bestaat helemaal geen rangorde van creatieve vermogens in de geest. Uiteindelijk is het altijd improvisatie – mensen maken of bedenken dingen «as they go». Door bezig te zijn. Het is als met jazz. Ik bespeel verschillende registers, instrumenten, technieken – al naar gelang mijn humeur of al naar gelang de omgeving waar ik me bevind.’
Paul Miller geeuwt ongegeneerd als een walrus.
«Ik ben totaal uitgeput – ik kom net uit Duitsland, waar ik vannacht moest draaien met Alec Empire. Ik heb nauwelijks geslapen. Kunnen we hier geen eind aan maken? Of het interview later voortzetten? Ik wil even wat slaap inhalen.»
Bij het opstaan, gooit hij de vuistdikke, geillustreerde catalogus op tafel van het Museum Dr. Guislain over Gestoorde Vorsten/Les rois perturbes. Hij reikt me zijn minidisc met de koptelefoons aan. «Here, check this out for a moment…» Ik krijg een vrouw te horen die ongedefiniëerde geluiden en woorden uitstoot, een duet tussen haar stem en de electronische muziek. «Yoko Ono!» zegt Paul Miller als hij terugkomt – om meteen daarna naar zijn hotelkamer te verdwijnen voor een kleine slaapinjectie van een uur of twee.

Ook ‘de DJ van de verontlichaming’ kan zijn lichaam niet geheel negeren. Paul verslaapt zich, en hij moet zich met grote spoed naar de Vooruit haasten om zijn apparatuur nog te kunnen checken. Het publiek, dat na een voorstelling van John Cage’s Chantecleer ongeduldig voor de glazen poort van de balzaal begint te morrelen, moet wachten tot «DJ Spooky – That Subliminal Kid» zichzelf volledig heeft wakkergeschud. Een half uur later dan gepland steekt hij van wal – met op zijn hoofd een wollen muts met oorkleppen. Spooky ontpopt zich op het podium tot een heus eenmansorkest, waarbij That Subliminal Kid moeiteloos heen en weer beweegt tussen klankmodules, draaitafels, een electrische contrabas en kalimba (Afrikaanse duimharp), maar ook nog eens tussen een Apple Macintosh-laptop die digitaal geprogrammeerde muziekscores en videoanimaties afspeelt, en een flesje rode wijn. Via een beamer worden Spooky’s handelingen op de computer naar een scherm geprojecteerd. Het publiek kijkt mee in de elektronische keuken. In beeld verschijnen roterende 3-D landschappen die Spooky oproept met de computer. Ook demonstreert hij de door hemzelf ontwikkelde techniek van «digital scratching». De pulserende lijnen en figuren die ontstaan, maken van het scherm een action painting waarvan de patronen voortdurend veranderen. Spooky schildert van afstand. Af en toe kijkt hij om, zijn hand nog op de muis, om te zien of hij het juiste knopje aan heeft geklickt.
Na anderhalf uur experimenteren neemt Spooky de microfoon, en verklaart in vloeiend Frans het eerste gedeelte van zijn optreden voor beeindigd. Met zijn hand maakt hij een gebaar of hij een stuk hout kapothakt. «Nu volgt het gedeelte om te dansen…»
Spooky begint «ouderwets» te scratchen – de naald knarst in de groeven van het vinyl. Er stijgt gejuich op in de balzaal, maar gedanst wordt er slechts door enkelen.

Na het optreden wordt het interview voortgezet in de coulissen.
Vorig jaar bracht je een album uit dat Riddim Warfare heette, en waarop ritmes, sirenes en computerbliepjes het wapentuig waren waarvan je je bediende. Wie of wat waren de vijanden waarop je je wapens toen richtte?
Mijn vijanden zijn de mensen met, wat ik noem, «one-track-minds». Ik erger me zeer aan de New Yorkse geest van de compressie, die zo verstikkend werkt. Mensen willen daar dat je je aan een stijltje houdt. Mijn vijanden zijn ook de gevestigde muziekmedia.
Er is veel racisme in de media, in de manier waarop zwarte musici worden beoordeeld. Men gaat uit van vooropgezette patronen. De media vinden het moeilijk om iemand als Spooky te plaatsen. In Amerika is mijn muziek nogal controversieel, omdat de muziekwereld geen gevestigd medium is voor conceptuele kunst. Met zwarte billen en tieten, gangster-retoriek en het ghetto-cliche van de kansloze neger hebben ze minder problemen. Er zijn maar enkele mensen die niet meedoen aan het bevestigen van de cliches. Saul Williams, Sarah Jones, Macey Grey zijn enkele voorbeelden.’
Het album The Quick and the Dead», dat je recentelijk samen met Scanner gemaakt hebt, laat zich beluisteren als een dooltocht door het moderne stadslandschap. Hebben jullie je voor dit project laten inspireren door de Situationisten – de avantgarde-beweging die «derive-achtige» experimenten lanceerde in steden als Parijs en Amsterdam?
‘Hun kritiek op de industriele spektakelmaatschappij en hun ideeen van het modern unitair urbanisme vind ik zeer interessant. De hele geschiedenis van de industriele reglementering en disciplinering in Europa interesseert me.»
Spooky verwijst nogmaals naar de expositie in het museum Guislain. «De vorsten en vorstinnen in Europa regeerden vanuit de principes van het «goddelijk recht», God die hen zijn wetten influistert. Als je geen koning bent, maar dezelfde stemmen hoort, ben je niet een roi divin, maar een waanzinnige. De monarchale dwalingen hebben een heel gedeelte van de wereld met de waanzin geinfecteerd. De krankzinnigheid die de maatschappij regeert en dicteert. Ik vind dat een fascinerend gegeven.’

DJSpooky – That Subliminal Kid – official site. Includes articles, art, mix tape information, and links.
http://
http://www.djspooky.com
Scanner en DJ Spooky
http://www.dfuse.com/scanner/