Eerste reacties op het nieuwe album VUURPROEF van Dichters Dansen Niet

Dichter Serge van Duijnhoven (1970), dj Fred dB (Fred de Backer, 1967) en pianist Edwin Berg (1972) treden op, in binnen- en buitenland, onder de naam Dichters Dansen Niet. Zopas verscheen het vijfde album van dit gezelschap: Vuurproef (Nieuw Amsterdam). Hieronder enige reacties, vers van de pers…

Vuurproef.standaar.DBG12.03.14.FvZ

Vuurproef, een gecombineerde uitgave van dichtbundel en muziekalbum, begint waar Klipdrift ophield in 2007. In dit finale werk zet frontman en dichter Serge van Duijnhoven zijn zoektocht voort naar bezinning in een overmatig geaccelereerde en grotendeels ontzielde wereld. Op de bodem van de chaos en tussen de scherven der ontrafeling, rijpt stilaan inzicht. Licht breekt door tussen bijeengeveegde glasscherven. Alsof er een granaat geëxplodeerd is in een balzaal.

Liedzanger Alex Roeka merkte na het beluisteren van Vuurproef op: ‘niet eerder hoorde ik zo’n geslaagde combinatie van muziek en poëzie.’

IMG_2011w.soiree.bitterzoet1

 

Reacties – vers van de pers (2014):

“Serge’s poetry progresses on the album in a kind of quest – questing for reflection in an excessively accelerated and largely lifeless world. Struggles through depression, addiction, meaninglessness and confusion, emergence into light through art, poetry, and deeper understanding. The orchestration of both music and voice in this album is fantastic – it’s seriously one of the best spoken word and music collaborations I’ve heard, in any language.”  – Lapkat (Australische radiopresentatrice) in haar radioprogramma La Danza Poetica – aflevering 019 getiteld “Northern Lights” d.d. 13.04.14

“Ik was sceptisch, maar uiteindelijk heeft het verhaal van de bundel me op eigen kracht overtuigd. De bijgeleverde cd bevat veertien nummers, slechts enkele op basis van teksten uit Vuurproef. Het blijft een moeilijk genre, die combinatie van voordracht en muzikale omlijsting, maar instrumentatie, timing, dictie en klankkleur (wat heeft Van Duijnhoven een mooie stem!) vormen hier een fraaie eenheid. Ook daar overwon ik mijn scepsis.” – Joop Leibbrand in Meander Magazine d.d. 11.04.14

“Het is goed om op gezette tijden even het oor te luisteren te leggen bij Serge van Duijnhoven, de Nederlandse dichter die ondertussen al jaren in Brussel woont. Met de gedrevenheid die hem kenmerkt, beschrijft en bezingt onze stadsdichter de honoris causa nog altijd de donkere en de verblindende kanten van stad en de wereld. » – Michaël Bellon in Brussel Deze Week, d.d. 20.03.14

“(…) deze CD laat zich beluisteren, niet vanuit bestaande ideeën maar vanuit een open staan voor nieuwe geluiden, teksten en belevenissen. Steeds als je denkt dat je dit trio doorhebt komen ze met iets volledig vreemds, zo anders dan het voorgaande en toch is het een geheel. De losse vellen geven inzicht in de mindset van de dichter, de CD geeft je een totaal beleving. Een die ik nog vele malen tot me ga laten komen, hier valt nog veel te ontdekken en te genieten!«   – Wouter van Heiningen in zijn poëzieblog  «Zichtbaar alleen », d.d. 24.02.14

 “Een losbladige dichtbundel met een cd: dat is óf volkomen gedateerd, óf zeer vooruitstrevend, maar het is in elk geval de vorm waarin het collectief Dichters Dansen Niet [5] de ‘bundel’ Vuurproef heeft uitgegeven. De teksten van Serge van Duijnhoven zijn belangrijk, maar de muziek is veel meer dan achtergrond en dat is maar goed ook. Het mengsel van jazz, dance en elektronische ambient muziek van Fred dB en Edwin Berg (met flink wat andere muzikanten) maakt van deze lastig te plaatsen ‘bundel’ een bijzonder ‘ding’ waar je – zeker met koptelefoon – wel even in kan verdwalen.” – Toef Jaeger in NRC-Handelsblad, d.d. 15.02.14

“Vuurproef aangekregen van mijn schrijfbroer Serge Van Duijnhoven, een cd van Dichters Dansen niet, een collectief mede opgericht door Serge, eindelijk de tijd gevonden om er naar te luisteren. prachtig geschenk…” – Jeroen Olyslaegers op Facebook

31e1bc8d3402ffe92dc57d07f78cafb6

ea0ef1140e2c5c5e950de1f5c7f2f9e3

e68f4a525773acdc24005af5b408a7cb

c9ee3999008bd70277af8c8c33c9460c

6232827632f94aea15feb1c522b0e9e7

957c2a69897d835ef0ef05b0773de33d

88f083d7efe1edb33cf266970f545b68

84f0f34d7b77ad1024b5db7d672b2358

67b687ab03bb16621f019123e6d86785

26b9367d962700941e301575e0269444

9e4c70227ae290f58ec9474bbaae2daf

5e84e5915188951fb64323946c52e743

Over het album BLOEDTEST van DDN (De Bezige Bij 2003)

BLOEDTEST

dichtbundel + CD

Serge van Duijnhoven - Bloedtest Toon volledige grootte
DICHTERS DANSEN NIET
Serge van Duijnhoven, Fred dB e.a.
Boek + CD “Kuesskrott!”

Dichtbundel + CD: met gedichten over begeerte, illusies, en de eeuwige zoektocht naar geborgenheid. Ontheemdheid, emigratie, liefde, vriendschap, voorspoed,  tegenslag en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie.Op de bijgesloten cd ‘Kueskrott!’ wisselen meeslepende muziek, sferische collages en klankexperimenten elkaar af, waarbij de stem van de dichter wordt begeleid door de accordeon, hoorn, doedelzak, cello, piano en contrabas van het gezelschap Dichters Dansen Niet – Fred de Backer, Gabriel Kousbroek, Bosz de Kler, Antonia Libert, Ali Haurand e.a. Ook Hugo Claus verleende aan dit album zijn medewerking en is op de cd te beluisteren met bewerkte stemfragmenten uit Het graf van Pernath.

Extra informatie

Prijs: € 19,50
ISBN:90-234-1081-5
Amsterdam 2003
lydia-lunch-poisonbloodtest

a1_poster_bloedtest_nl

.

PERSSTEMMEN:

‘Wie de vaak nogal bescheiden Nederlandse schrijvers van dit moment een beetje volgt, kan niet anders dan gelukkig zijn met iemand als Van Duijnhoven. Hij engageert zich met de wereld van jongeren van vandaag en hij durft tenminste te beweren dat er in zijn werk iets nieuws gebeurt. In dit boek met zijn cd (Küsskrott!!!) klinkt een zonder meer interessante, want naar serieuze poetische verwerking van het alleractueelste strevende, stem.’

–        Thomas Vaessens in Het Financieele Dagblad (HFD) en het Algemeen Dagblad (AD), 12 april 2003

‘Bevreemdend men indringend, dat is de term die ik voor deze dichtbundel zou willen gebruiken. Deze dichter heeft een talent waarmee hij de alledaagsheid van het hedendaagse leven timbre en passie kan geven. Het leven, de dood, de liefde… welke dichter heeft ze niet beschreven? Ook Serge van Duijnhoven doet dat maar wel op een manier waar je stil van wordt en elk gedicht enkele malen wil herlezen. Elk gedicht is een mooi verhaal dat de lezer telkens anders wil interpreteren. Deze bundel werd mij cadeau gedaan. Het is een prachtig geschenk want het betekent voor mij het begin van een zoektocht naar andere dichtbundels van hem.’

–     Andre Oyen in De Gelderlander

‘Het weerbarstige stemgeluid van Van Duijnhoven, die zich bij zijn performances bij voorkeur laat begeleiden door zijn gezelschap ‘Dichters dansen niet’, is onmiskenbaar een teken van vitaliteit. Dichten is stem geven aan het onzegbare, klank geven aan het onhoorbare, ritme geven aan het ondefinieerbare, maat geven aan het ondansbare. Meer en meer krijgt deze poëzie een soort profetisch, zelfs kosmisch-spiritueel karakter […]. In al zijn fragmentatie schrijft Van Duijnhoven een extraverte poëzie waarin onuitgesproken rebellie de middelpunt vliedende kracht is. Wie beweert dat deze poëzie een hype wil zijn of worden door er filmpjes bij te projecteren en er een techno beat bij te laten klinken, heeft het verkeerd voor. Deze gedichten gaan dieper. Er is sprake van een bindend organisch geheel. Het is geen cabaret van de te korte bocht,waarin zoveel performers blijven steken. Deze dichter is op zoek naar hedendaagse invullingen voor eeuwenoude rituelen. Deze poëzie is een ‘rite de passage’, een teder en wreed schouwtoneel, ‘theâtre de la cruauté’. Een loutering die ons niet echt reinigt, veeleer bezoedelt (wat ons dan weer aan Lucebert doet denken).’

–        Alain Delmotte in het tijdschrift Dighter

FractalsCannes.Arlette.van.Laar

 

Luister naar de titeltrack van de bijbehorende CD:

http://www.reverbnation.com/dichtersdansenniet/song/957347-kusskrottddn-2003

KUESSKROTT!!!

 

ALGEMEEN DAGBLAD

11/04/2003

Lokkende dichter

Serge van Duijnhoven is een dichter die een bijzonder breed en zelfs jong publiek naar de poezie kan lokken. Wat een intensiteit klinkt er op uit zijn nieuwe bundel Bloedtest! Van Duijnhoven (32) woont in Brussel: `(…) het ballingsoord/ waar ik mij thuisvoel als Hollandse barbaar/ tussen niet-bestaande Belgen’. In een nawoord zegt hij dat in deze poezie zoekt naar zijn identiteit, naar waar hij en anderen thuishoren: `wie vreemdeling is hier was elders kind aan huis’.
Hij draagt Bloedtest op aan de Weense dichter Christian Loidl die twee jaar geleden uit zijn raam viel. Hij dicht een ode aan de herontdekte dode Britse zanger Nick Drake, verplaatst zich in het hoofd van nazibeul Adolf Eichmann en bezingt vooral zijn vriendinnen, het leven en de liefde. Hij maakt leesbare gedichten, gebruikt soms mooie moeilijke woorden, maar steeds de taal van nu. Zijn poezie is soms net proza, dan weer is een gedicht ritmisch in steeds weer twee zinnen opgedeeld of leidt de herhaling van de woorden `ik wil’ tot
een duidelijke cadans.Bij Bloedtest zit een cd, waarop een aantal gedichten van Van Duijnhoven via het gezelschap Dichters dansen niet van geluid wordt voorzien. Fred de Backer, alias dj Fat, tekent voor de meeste composities. Zelfs Hugo Claus (74) doet mee.

Bloedtest – Serge van DuijnhovenBezige Bij, 104 blz., EUR19,50. Met cd Küsskrott!!! (Dichters dansen niet)

————————————————————————————–

beeld_bloedtest

De Groene Amsterdammer
22/04/2003

Serge van Duijnhoven, Bloedtest

Schepper, mag ik overvaren?

door Theodor Holman
Serge van Duijnhoven prikkelt in zijn nieuwe dichtbundel ‹Bloedtest› lezers en luisteraars. Een bijgevoegd essay dient als handleiding voor het werk. Theodor Holman neemt de vrijheid om zelf een sleutel te vinden, en met de gedichten te kleien. — door Theodor HolmanSommige acteurs zoeken in een toneelstuk een zin of een passage die als kapstok moet dienen om hun rol aan op te hangen. Door die zin of passage valt voor hen alles in elkaar. Pas dan weten ze hoe ze de rol moeten acteren. Ik ken twee acteurs die Richard III hebben gespeeld. De één liet zich leiden door «a horse, a horse, my kingdom for a horse» (uiteindelijk totale destructie, wanhoop), terwijl de ander de zin «zelden een vrouw zo makkelijk het hof gemaakt» had opgepikt («pure slechtheid, hij verneukt alles uiteindelijk»).

Het gevoel dat ik iets dergelijks moest vinden in de vele verzen in Serge van Duijnhovens nieuwste dichtbundel Bloedtest — een regel, een gedicht dat als sleutel zou kunnen dienen voor zijn werk — ontstond doordat Van Duijnhoven het de lezer niet gemakkelijk maakt. Niet dat hij ondoorzichtig is, of een taalgebruik heeft dat onverklaarbaar of onbegrijpelijk is. Integendeel. Hij maakt het je moeilijk doordat hij je een bepaalde richting probeert in te duwen. Bloedtest — je gaat lezen, je interpreteert, je probeert iets te formuleren, tot je aan het eind van de bundel komt. En dan lees je bijna als slot van het boek: Da capo (al fine), een essay waarin de dichter zijn eigen titel verklaart: «De titel van deze bundel is een metafoor voor de pogingen die we ondernemen om eigen of andermans identiteit vast te stellen, herkomst te traceren of lot te bepalen dan wel in de greep te krijgen.» Alles wat de dichter vervolgens schrijft is een verklaring van zijn poëtica.

Je durft er bijna geen andere mening op na te houden. Als je denkt dat je met de bundel klaar bent, volgt er nog een bijgevoegde cd die een niet te verwaarlozen onderdeel van het geheel is. Je krijgt dan een postmoderne klankvoorstelling voorgeschoteld, met verschillende citaten. Je kunt er Hugo Claus zelfs eventjes op horen. Dat klankgedicht begint met het begin van het lied: Schipper, mag ik overvaren. De «ja of nee» zijn weggefaded.Waar wil je me heen hebben, Serge, denk je. En wat wil je? En hoe wil je dat? Ik word gedwongen ergens naar te zoeken, om mijn eigen vrijheid te behouden, want Serge kan nog zoveel over bloed en bloedtesten zeggen — ik wil zelf met zijn gedichten kleien.
Uitgevers — die bang zijn dat de recensenten het belangrijkste wellicht ontgaat — doen daarom tegenwoordig bij de dichtbundel een soort brief over de bundel. De Bezige Bij schreef: «Bloedtest (…) met gedichten over begeerte, illusies, en de eeuwige zoektocht naar geborgenheid. Ontheemdheid, emigratie, de rusteloze zoektocht naar geborgenheid, en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie.» Geborgenheid in twee regels twee keer genoemd. Pff… Overrompelend is de bundel zeker, maar dat komt hoofdzakelijk door de hoeveelheid… En de kwaliteit? Die wil ik graag ook bepalen, maar dan heb ik wel eerst een sleutel nodig om het doosje te openen om te zien wat er in zit. «Schipper, mag ik overvaren…» Ik maak het lied even af. «Ja of nee? Moet ik dan een cent betalen, ja of nee? Ja… Hoe?» Wat komt er na dat hoe… daar gaat het om.

De zoektocht naar die sleutel is een deel van het genot van het lezen van Van Duijnhoven. Hij gebruikt vaak halve citaten, die de lezer zelf moet afmaken, zodat het beeld, letterlijk zonder woorden, naresoneert. Niet alleen dat «Schipper, mag ik overvaren…» maar ook bijvoorbeeld: «each man kills… het oude lied» of: «het is de toon die de muziek/ sneert zij» of: «ik zie ik zie wat zij niet/ en wat ik zie is nimmer wat zij is». Soms is het bewust woordspelerig. Ik geef weer wat voorbeelden: «we spelen luister en vink», «geen speld valt daar nog tussen». Clichés als: «lik op stuk», «wat schoon is verloedert/ wat rein is bederft», en: «En dan vallen de schellen/ van het zelf…» naast ijzersterke beelden als: «Klokken in ons: beidt u tijd», of: «wanneer wordt er binnen in jou een slagboom opgehaald?/ daalt er een valbrug neer op de rand van de andere kade?» En soms ook al deze zaken in een paar regels, zoals in het gedicht keervers: «en als het schip dan zinkt/ zeg je, omdat het is geënterd/ laat het dan met mannen// en met muizen, laat het dan/ en ook met ons in godsnaam/ naar de kelder gaan// ‹jij hebt je best gedaan,›/ zeg je, ‹voor alles wat/ mislukt is›.»Maar waar is die ene regel die in het sleutelgat past, dat gedicht dat alles verklaart: van opbouw, tot Bezige Bij-folder, tot cd?

Die opbouw bestaat eigenlijk uit vijf delen. Vier delen poëzie met als titels: «Bloedtest», «vingerafdrukken der natuur», «nergens welkom, overal thuis» en «een man die alleen ik gekend heb…» en dan het laatste deel, de verantwoording van de schrijver en zijn Da capo (al fine), alsof zijn bundel een muziekstuk is dat nog een keer gelezen moet worden alvorens de lezing kan worden gestopt.
Maar waar gaat het over, behalve over die dingen die de uitgever en de dichter zelf naar voren schuiven als trotse ouders hun kinderen?
Op pagina 42, bij de tweede lezing, vind ik het gedicht waar het, volgens mij, om draait. Het is het gedicht vingerafdrukken der natuur. Het gaat als volgt:

voor een moordenaar is ieder lijk visitekaart
zoals ook onze lichamen de kaartjes zijn
van een schepper die ons één voor één
op tafel legtals bij een spel patience
hij wint alleen maar
van zichzelf en meent dat dit
genoeg bewijs moet zijngeen twijfel speelt hem parten
geen schaamte en geen spijt
dat er door hem zoveel
verloren is gegaan. Hij weet: (…)als hij opnieuw de stapel schudt
is alles weer van voor af aan.

Een knap, vol, mooi gedicht, waarin alles op zo’n manier gerangschikt is dat ik Van Duijnhovens poëzie de bloedtest kan afnemen.
Laten we het vers eens onder de loep leggen. Veertien regels, vier, vier, vier, twee — net als een sonnet van Shakespeare. Dit oogt als een vrij vers. Geen opzichtig rijm, wel veel taal- en woordspel. Visitekaart-kaartjes; patience-stapel. De drie puntjes tussen haakjes «(…)» — kan zowel «niets» betekenen als «hier is iets weggelaten». We kijken nog scherper: «lijk—lichamen», het verschil van dood en leven. En dan gaan we naar de inhoud. Onze schepper speelt met ons patience en wint alleen maar van zichzelf. Hij heeft dus geen geweten. En steeds speelt hij weer met ons patience… Anders gezegd: steeds is alles weer hetzelfde, en we voelen geen schuld of schaamte. Die «schepper» kan zowel God zijn, als wij, de mens. Met geduld maken we ons eigen spel, waarbij we denken dat we winnen als we verliezen… Misschien zit er meer in, maar meer zie ik niet onder mijn loep dan die hopeloze strijd, van dood, leven, winnen en verlies — een proces dat eindigt als het weer begint, en begint als het eindigt. Da capo (al fine). En kijk, dan valt opeens alles in elkaar.

«Bloedtest».

Een test of er wel leven is, of dat leven goed is, of besmet. Of er dood is. Als er leven is, is dat leven dan waardevol? Of wordt er een vreemd spel mee gespeeld? De eerste regels in deze bundel worden ineens minder clichématig en taalspelerig, maar krijgen een glans: «Ik leef alleen voor de zon/ en we zijn elkaars schaduw.» En die eerste regels blijken — eveneens ineens — in harmonie met de laatste regels: «(fall out)/ (exit).»
De holle woorden van de uitgever krijgen vorm: «Ontheemdheid, emigratie, de rusteloze zoektocht naar geborgenheid, en onvermijdelijk, de dood spelen opnieuw een grote rol in deze overrompelende, grootstedelijke poëzie.»
Ontheemdheid (lijk, lichaam), emigratie (schepper, mens), rusteloze zoektocht (patience), geborgenheid (winnen van zichzelf), de dood (verloren). Dat ene gedicht maakt alles duidelijk. Eindelijk kunnen we zelf kleien met Van Duijnhovens poëzie. «had god een keuze/ bij de schepping/ of deed hij slechts alsof// zoals wij die altijd/ bluffen altijd leren/ door de leugens, (…)» Of het gedicht Berend Bot (meteen hoor je het liedje) met de regels: «begraven is verdrinken/ aan land/ cremeren is verzengen/ in lucht», en dat eindigt met: «uitvaren is de tocht maken van Berend Bot/ de zeeman die bodem zocht/ en ongezien in wat hij vond/ verdronk.»

Wéér dat patience spelen en alleen winnen van jezelf, wat misschien verlies is en steeds weer opnieuw de kaarten schudden. Schipper, mag ik overvaren… Steeds weer een test. Een bloedtest. Wie en wat ben je eigenlijk? Ben je gezond of ben je ziek? Wat is het verschil? «Each man kills…» We lezen de bundel nog eens als een cd die op repeat staat. Eerst weer de voorkant bekijken: het begin van een mens, zonder ogen, zonder neus, zonder mond, maar wel met een oor, gek genoeg. Dan alle gedichten nog eens snel.

Menno Wigman noemt, achter op de bundel, Van Duijnhoven «misschien wel de enige ware dubbelganger van deze tijd». Dubbelganger van deze tijd… Nee, dat klopt niet bij deze bundel. Hij stelt zich meer op als de dokter van deze samenleving. De patiënt kan hem niet zo veel schelen, hij wil weten wat er met hem is. Kom, we nemen een bloedtest af. Zo lees ik ook het moeizame essay aan het eind — dat wat mij betreft weggelaten had mogen worden — dat handelt over bloed. Het is de dokter die protserig zijn diploma in zijn spreekkamer heeft hangen, terwijl ik hem liever wil beoordelen op zijn anamnese.

Van Duijnhoven wil meer met zijn poëzie. Er spreekt een merkwaardig soort angst uit deze bundel. Angst niet begrepen te worden, omdat hij zelf de resultaten van zijn test niet goed kan interpreteren. Daarom dat essay, daarom die cd er ook nog bij geplakt.
Is het zo? Ja! Schipper mag ik overvaren? Ja of nee? Moet ik dan een cent betalen? Ja of nee?

Berend Botje Van Duijnhoven ging uit varen. Wat deed Berend Botje ook weer? Hij ging uit varen met zijn scheepje naar Zuid-Laren. Hij ging niet links, hij ging niet rechts, hij ging naar Amerika. De emigrant. Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, waar is Berend Botje gebleven? Dood waarschijnlijk. «(fall out)/ (exit.)» Om vervolgens, nadat het kaartenhuis is ingestort, weer het pak kaarten te schudden. Da capo (al fine).
Het is poëzie die misschien niet je hart raakt — dat wil Serge van Duijnhoven ook niet. Hij wil je bloedvaten pakken. Hij wil in je bloed gaan zitten.

Serge van Duijnhoven, Bloedtest Uitg. De Bezige Bij, 104 blz., € 19,50

© Theodor Holman / De Groene Amsterdammer, 30 april 2003

Bloedtest.kalm

Financieel Dagblad & Algemeen Dagblad

Poëzie buiten het boekje

over Bloedtest van Serge van Duijnhoven

door Thomas Vaessens

verbaasd door het verkleinwoord
(‘denk je wel aan ’t condoompje?’)
bekeek ik haar, mlle. mosquito
een muggenbeet op haar vanille vel
voor ik me met haar overgaf
aan de wisselingen van gedaante
de zinderingen van gemoed
de sidderingen van het bloed

‘in het praktisch liefdeslab’ (fragment)

Serge van Duijnhoven behoort tot een soort schrijvers waarvan er niet overdreven veel zijn in Nederland. Uit alles wat hij doet en maakt,  blijkt zijn grote verlangen als geëngageerd schrijver met de neus op de ontwikkelingen van vandaag te zitten. Dit verlangen uit zich zowel in de inhoud als in de vorm. Inhoudelijk past de term ‘geëngageerd’ op zijn schrijverschap. In 1999 verscheen zijn verzameling reportages Balkan. Wij noemen het rozen. Van Duijnhoven schreef niet alleen over het door oorlog geteisterde ‘duistere hart van Europa’, hij was er ook: als journalist voor verschillende media zocht hij de Bosnikrs, Kroaten, Albanezen en Macedonikrs ook daadwerkelijk op.Bij de verslaglegging van zijn betrokkenheid bij de actualiteit laat Van Duijnhoven zich aan de traditionele vormbeperkingen van de literatuur weinig gelegen liggen. Als multimediaal kunstenaar probeert hij de grenzen tussen genres en stijlen te laten vervagen. Zo is hij een actief pleitbezorger voor de podiumpoezie. Wie dacht dat er niets nieuws gebeurt in de poezie, kreeg een paar jaar geleden van hem te horen dat hij stekeblind was of de verkeerde kant uit keek: ‘Het nieuwe duikt niet op waar je het bekende ziet’, schreef hij. ‘Het rukt op van andere, onverwachte kanten. Voor nieuwe geluiden kun je de boeken beter terzijde leggen en de stad ingaan.’
Dat Van Duijnhoven hier in het vuur van de strijd tegen het poetisch conservatisme natuurlijk enigszins overdrijft, wordt nog maar weer eens duidelijk in zijn nieuwe bundel, die onlangs verscheen: Bloedtest. Hoezeer de poezie tegenwoordig ook buiten het boekje is gegaan, Bloedtest is toch weer een bundeltje gedrukt papier met keurig op elke bladzijde een nieuw gedicht.

Toch is het vooral de bijgeleverde cd die de aandacht trekt. Zestien gedichten, waarvan de meeste ook in de bundel staan, worden door de dichter voorgedragen. Componist Fred de Backer maakte er muziek bij.Van Duijnhoven experimenteerde eerder met voordracht-op-muziek (hij maakte, samen met verschillende anderen, de cd’s Eindhalte Fantoomstad en Orbiit in Orbit), maar de bij Bloedtest horende cd Küsskrott!!! is zonder meer de beste tot nu toe. Het is een overtuigende afrekening met het schaamteloze amateurisme dat de performances van dichters vaak aankleeft (niets zo gjnant als die dichter die op de Nacht van de Pokzie opeens meent te moeten gaan rappen). Van Duijnhoven swingt echt, hij doet niet alleen alsof. En de musici die hem begeleiden weten wat het is om een nummer in elkaar te zetten. Hier zijn vakmensen aan het werk, die de cd niet als grappig extraatje bij de bundel zien, maar als voldragen product. De nummers zijn opgenomen, gemixt en gemasterd in een professionele omgeving, ook in dat opzicht zijn geen concessies gedaan. Als je de gebaande paden van de poezie verlaten wil, zo moet Van Duijnhoven gedacht hebben, dan moet je het ook goed doen.

Een voor de hand liggende vraag is natuurlijk of de poezie die op de cd zo overtuigend tot leven wordt gebracht, het op papier ook uithoudt. Ik heb nogal met deze vraag geworsteld, omdat ik in eerste instantie geneigd ben er een kritisch antwoord op te geven. Nee, op papier overtuigt Van Duijnhoven minder dan op de cd. In de eerste plaats lijden veel van zijn gedichten aan de kwaal dat ze iets beweren willen. Dat het deze gekngageerde dichter ernst is, dat zagen we al, maar ernst hoeft natuurlijk niet altijd in geredeneer en gefilosofeer te verzanden. In pokzie zijn zulke zaken zelfs meestal dodelijk. Quasi-wijsgerige regels als ‘alleen door anderen krijgen we / idee van ons karakter’ of ‘weemoed is het braakland / tussen leedvermaak en zelfverwijt’ wekken de indruk dat zelfs deze eenentwintigste-eeuwse dichter de hoogromantische verleiding niet heeft kunnen weerstaan pokzie als een hogere vorm van Waarheid te zien.Het ziet er op papier allemaal opeens een stuk minder nieuw uit dan je zou verwachten op basis van de met zoveel elan gebrachte vernieuwingsretoriek van deze dichter. Traditionele beelden worden zeker niet geschuwd, zoals in het gedicht dat hierbij is afgedrukt – de liefdesdaad voorgesteld als zinderende, sidderende gedaanteverwisseling: het is niet de meest oorspronkelijke beeldspraak .Maar tegelijkertijd heb ik het gevoel dat het te gemakkelijk is in Bloedtest de dingen aan te wijzen die in het licht van de literaire traditie misschien minder nieuw zijn dan de hippe presence van deze dubbele uitgave ons wil doen geloven. Natuurlijk vindt ook deze dichter in sommige opzichten het wiel weer opnieuw uit. Toch is de overheersende indruk die zijn nieuwe werk maakt een andere. Wie de vaak nogal bescheiden Nederlandse schrijvers van dit moment een beetje volgt, kan niet anders dan gelukkig zijn met iemand als Van Duijnhoven. Hij engageert zich met de wereld van jongeren van vandaag en hij durft tenminste te beweren dat er in zijn werk iets nieuws gebeurt. Misschien niet in Bloedtest, maar dan toch in Küsskrott!!! klinkt een zonder meer interessante, want naar serieuze poetische verwerking van het alleractueelste strevende, stem. Een klein beetje onbeholpenheid en doorgedreven bombast op papier vergeef je zo’n prettig ambitieuze dichter met het grootste plezier.

Bloedtest – boek met cd (Küsskrott!!!) Serge van Duijnhoven, Bezige Bij, euro 17,50

Copyright (c) 2003 Het Financieel Dagblad.Auteur(s): Thomas Vaessens,  Artikelvolgorde: 90,  Paginanummer: 24,  Paginanaam: Boeken Uitgave: Het Financieele Dagblad(HFD) Descriptoren: literatuur(015),  Trefwoorden: boekbespreking, Recensie Publicatiedatum recensie: 12/4/2003

Bloedtest.impression


Alain Delmotte, in het tijdschrift Dighter voorjaar 2004:

BIJ ‘BLOEDTEST’ VAN SERGE VAN DUIJNHOVEN

Serge van Duijnhoven is geboren in Oss (Noord Brabant, Nederland) in 1970. Hij vloog vrij vroeg het huis uit richting Verenigde Staten waar
hij psychologie en dergelijke dingen studeerde. Maar zijn wegen brachten hem ook elders. Ondermeer in Bosnië. Een ervaring die hem
wellicht tekende, want in zijn gedichten refereert hij er vaak naar.

Hij debuteerde in 1988 maar de doorbraak kwam er halfweg de jaren negentig met de house-roman ‘Dichters dansen niet’ (wat meteen de naam werd van een collectief, bestaande uit enkele muzikanten, een kineast en Van Duijnhoven zelf) en de dichtbundel ‘Copycat’. Zijn recentste
werk bundelde hij in ‘Bloedtest’ en was ongetwijfeld een van de meest opvallende poëziepublicaties van het voorbije jaar (2003).

Van Duijnhoven oogt bijzonder mediatiek. Fotootjes doen ons een trendy boy vermoeden. Hij profileert zichzelf een beetje als een ongeschoren
‘schelm’, een sexy ‘enfant terrible’, een potentiële ‘poète maudit’. Op het eerste zicht zou je denken: ‘héla dat wordt gewoon maar een
ééndagsvlieg.’ Je haalt je schouders wat op bij het ‘fenomeen’ – je voelt je er te oud voor. Maar als je aandachtiger, zonder vooroordelen
en ‘forever young’, de bundel leest en ‘beluistert’ (er hoort een muziek-cd bij), ga je anders denken. Inderdaad: als Van Duijnhoven zich
laat voordoen als ‘een nieuwe Rimbaud’ dan is dat een reklametruukje en zegt in wezen niets over de ware motieven van Van Duijnhovens werk. Om Rimbaud te zijn, of liever, om een icoon als Rimbaud te zijn (tenslotte wie heeft ten gronde de dichter van ‘Une saison en enfer’ en
‘Illuminations’ gelezen en begrepen) is deze jongeman eigenlijk al te oud. Hoe het ook zij: dat mediatieke moet je er echt bijnemen en er als
lezer het jouwe over denken.

Strikt genomen is Van Duijnhoven in de kern een zwarte romanticus. Hij schrijft eeuwenoude poëzie. (En dit is geen verwijt maar een vaststelling). Alleen doet hij dat in een hedendaagse vorm (of vermomming) en met hedendaagse middelen. (In de spektakel- en entertainmentsfeer. Wint hij daar lezers mee?).Van Duijnhoven hoereert een heel klein beetje; zoals alle dichters, zoals alle poëzielezers dwepen met het woord. Hij houdt zich namelijkbezig met één van de oudste beroepen in – of is het ‘van’ – de wereld:spreken, zingen, verzinnen. Woorden vinden, absolute metaforen zoekenbezwerende formules voor het ongemak van het bestaan die hardopmoeten worden uitgesproken. Waar ligt de grens tussen spreken en zingen,bezingen en betoveren, bezeren en bezweren? Er kan veel verstilling stekenin een schreeuw. Er kan veel ‘monddood’ blijven steken in het spreken. Hij portretteert de dichter als een ontheemde, als een banneling, als een ‘vervreemdeling’, een enkeling zonder papieren – maar wel met een ongepubliceerde, onpubliceerbare dichtbundel op zak, en op zwaai in het ‘Waste land’ van een sophisticated high-postmodernistische wereld.

We zijn met z’n allen lotgenoten van die einzelganger… ‘on est tous des etrangers’zo luidt de cruciale regel in het gedicht ‘Met behoud van huis’. Ja, in de bundel ‘Bloedtest’ staan gedichten vol existentiële nausea, paronoia en moira.  In deze bundel wordt een wereld geanalyseerd die
letterlijk en figuurlijk uit de bol gaat en op springen staat. Gedichtengeschreven met de dreun van de zwartgalligheid: een harde bas, een scheur in de bast. Maar onderhuids en echt onderhuids hoor je iemand snakken naar warmte, tederheid, lieve woordjes, momenten van geluk, zaligheid, paradisium. Een broze jongen, Van Duijnhoven-tje.Echt het soort poëzie dat thuishoort in een eeuw waar vliegtuigen doorheen gigantische torens razen, live op televisie: je moet het zien, je moet het horen, je moet het je laten durven zeggen. Een wereld die dus wel wat verschilt met die van nog niet zo lang geleden. Formeel gesproken, welteverstaan, in de schijn. Inhoudelijk leven we nog volop in de negentiende eeuw. We leven in een tijdperk dat dialectiek links laat liggen. Een wereld met steeds minder verschillen. Een wereld die in potentie geen verschillen meer duldt (waar zal dat eindigen, waar gaan we naartoe, moedertje?). Misschien wordt dit het wel: een wereld
zonder verschil, zonder gezicht, zonder stem, globaal op maat gesneden van de onverbiddelijke wetten van vraag en aanbod. Als een leuk
perspectief ervaar ik dit niet (het is maar mijn bescheiden mening).

Tot nader order lijkt me dit wel de zin van poëzie te zijn vandaag: een gevecht om het verschil. Een dichter droomt taal. Een dichter droomt
een bijzondere taal. Linguïstische idiosyncrasie.‘Een taal zonder grammatica’  roept Van  Duijnhoven uit. Een taal die louter expressief
zou zijn, meerduidig gelaagd, lichamelijk en cerebraal, objectief en subjectief, materieel en sentimenteel. Welke middelen hij hiervoor
gebruikt doet er eigenlijk weinig toe. Elburg: ‘Er moet niets in de poëzie. Je moet je wel steeds afvragen of de poëzie iets wil.’ Oraliteit?Varieteit? Intensiteit? Het weerbarstige stemgeluid van Van Duijnhoven, die zich bij zijn performances – net als bij deze uitgave via een cd (‘Kueskrott!’) –bij voorkeur laat begeleiden door zijn gezelschap ‘Dichters dansen niet’, is onmiskenbaar een teken van vitaliteit. Dichten is stem gevenaan het onzegbare, klank geven aan het onhoorbare, ritme gevenaan het ondefinieerbare, maat geven aan het ondansbare.Meer en meer krijgt deze poëzie een soort profetisch, zelfs kosmisch-spiritueel karakter (vandaar het o.m. het orale, het quasi sakrale – zij het dat dit aspect in zijn vorige bundel ‘Obiit in orbit’ sterker tot uiting kwam). Hier is een ‘poetas vates’ aan het woord. In het Da capo bij zijn bundel schrijft hij het zo: ‘Wij dienen ons in alle ernst, in alle gedrevenheid, zo radicaal mogelijk te onttrekken aan het ‘klassieke’ aardse leven. Dan, en alleen dan kunnen we beginnen… (blz 99)’. Het brengt hem in de omgeving van beat-dichters zoals Allen Ginsberg, die hij in een vorige bundel expliciet citeerde.In al zijn fragmentatie schrijft Van Duijnhoven een extraverte poëzie waarin onuitgesproken rebellie de middelpunt vliedende kracht is. Wie beweert dat deze poëzie een hype wil zijn of worden door er filmpjes bij te projecteren en er een techno beat bij te laten klinken, heeft het verkeerd voor. Deze gedichten gaan dieper. Er is sprake van een bindend organisch geheel. Het is geen cabaret van de te korte bocht,waarin zoveel performers blijven steken. Deze dichter is op zoek naar hedendaagse invullingen voor eeuwenoude rituelen. Deze poëzie is een ‘rite de passage’, een teder en wreed schouwtoneel, ‘theâtre de la cruauté’. Een loutering die ons niet echt reinigt, veeleer bezoedelt (wat ons dan weeraan Lucebert doet denken). Een neurotische dans om zelfbehoud. Dichters dansen niet? Charels Olson wist beter: ‘Poetry is dancing sitting down’.

a1_poster_bloedtest_nl

Bloedtest.heliotroop
Mike van Gaasbeek in gesprek met

Serge van Duijnhoven

n.a.v. het verschijnen van BLOEDTEST

KRAKATAU

tijdschrift voor breedspraak

nr.22 – sept./okt. 2003

Serge van Duijnhoven (1970) debuteerde in 1993 met de bundel ‘Paleis van de Slaap’. In de jaren daarna verschenen van zijn hand de dichtbundels ‘Copycat’ (1996), ‘Obiit in Orbit’ (1998), de verhalenbundel ‘De overkant en het geluk’ (1997) en {Balkan}Wij noemen het rozen (1999) over zijn ervaringen in het door oorlog geteisterde voormalige Joegoslavië. Tussen 1993 en 2000 was Van Duijnhoven één van de drijvende krachten achter het illustere blad MillenniuM. Zopas verscheen zijn nieuwe bundel met CD getiteld Bloedtest.

Zaterdag 21 juni 2003, 15:30 uur op het terras van Brasserie Verschueren in de Brusselse wijk Sint Gillis. Zeven uur daarvoor zat ik nog met een opplaksnor in een tietenbar in het Scheepmakerskwartier. Mon Chéri, ofzo. Omdat zijn Balkanese furie de nacht in wilde halen hebben we de buitenlucht opgezocht. Een Braziliaanse drumband met lillende billen fêteert de stralende zon. Samba op de kasseien overstemt het gesprek en vult de recorder. Op naar rustiger oorden, als de Brusselse binnenstad die al kent.Even later aan de ouzo van Restaurant Kriti op het Bethlehemplein, Klein Midden Oosten in de volksmond. Ondanks de schaduw schermt zijn zonnebril de blik af. Dat blijft zo, gedurende het hele interview; een spel van distantie en toenadering. Maar is het achterste van de tong wel zo mooi en veelzeggend als het puntje? Zeker als het puntje vlijmscherp is.

Verwatering voorkomen

Scherp is Van Duijnhovens tong zeker. En ook zijn pen is dat, getuige de schotschriften in landelijke dagbladen en tijdschriften, waarmee hij de ivoren toren waarin de kleine elitaire poëziekliek zich het vorige decennium ophield wilde laten schudden. Het pleidooi voor de omarming van de rap en de nieuwe generatie podiumdichters plaatste Van Duijnhoven in het centrum van de kritiek: “Guus Middag heeft destijds in het NRC als een giftige spin gereageerd op het essay dat Olaf Zwetsloot en ik in de Groene Amsterdammer hadden geschreven in zesennegentig. Er moest volgens ons meer ruimte komen voor jonge dichters en voor jong geluid. In zijn stuk poneerde Middag: Van Duijnhoven en de rappers mogen dan wel beweren dat het huis van de poëzie vele kamers kent, maar poëzie en muziek, beste lezers, moeten toch vooral van elkaar gescheiden te blijven om verwatering te voorkomen.Ik ben zelf met de poëzie in aanraking gekomen via de grote Franstalige zangers Leo Ferré, Brassens, Brel. Vooral Ferré heeft mij op het spoor gebracht toen ik een jaar of 16 was. Mijn leraar Geschiedenis nam een keer een platenspeler mee, zo’n ouwe waarop hij een plaat draaide om de sfeer van de jaren zestig een beetje te laten proeven. Ferré zong daarop onder andere ‘Ni dieu, ni maître’, een soort ‘anthem’ van het anarchisme zou je kunnen zeggen. En ook een nummer met tekst van Rimbaud: La chanson de la plus haute tour. Daar werd ik zo door gegrepen dat ik naar de boekhandel ben gerend om werken van Rimbaud op de kop te tikken. Toen gebeurde er iets wat mensen in België heel vaak hebben met Paul van Ostaijen(?). Dat de horizon van wat mogelijk is op taalgebied, op syntactisch gebied plotseling een heel stuk verderop geschopt wordt.De muziek heeft me op weg geholpen om Rimbaud te lezen. De drempel van de muziek is lager dan die van de poëzie, maar de muziek is voor mij ook een vanzelfsprekende manier om de poëzie over te dragen, een natuurlijk vehikel. Ik zie het helmaal niet als twee dingen die absoluut gescheiden moeten blijven om verwatering te voorkomen. Ik zie het als perfect mogelijk om het ene in dienst te laten staan van het andere en andersom.”Het huis van de poëzie met in sommige kamers een muzikaal tapijtje. Waarom niet? De laatste bundels van Van Duijnhoven worden vergezeld door de zilveren schijf met daarop een soms naar botergeilheid neigende dichter die zich croonend een weg baant door soundscapes. En achter op het podium tijdens optredens van de formatie Dichters Dansen Niet hangt ook nog een visueel behangetje. Zorgt dat niet voor wat teveel afleiding waardoor het bezoek niet verder dan de hal komt?“Dat gevaar is er. Maar tegenwoordig werken we vaak heel ingetogen en zetten we soms de beelden stop om iets gedecideerder en berekender te spelen, zodat je elkaar gaat versterken en het ene niet laat verzwelgen door het andere. Daar zijn we gaandeweg achtergekomen. We komen tegenwoordig enkele malen per jaar samen met een theaterregisseur die oog heeft voor wat wel en niet werkt, wat elkaar bijt en waarin we nog tekort schieten. Het is ook een lang traject. Daarom zet ik altijd vraagtekens bij de gemakzucht waarmee veel dichters af en toe een gelegenheidsprojectje doen met muzikanten, zoals bijvoorbeeld een Remco Campert die een keertje met een jazzmuzikant aan de slag gaat. Dat is allemaal wel heel erg gemeend en het komt uit een goed hart, maar daar kan volgens mij nooit iets beklijvends uit voort komen. Als je hiermee echt tot op de bodem, tot op het bot wil gaan, dan heb je het over een levensproject. De Cd van Bloedtest is weer een stap verder op weg en nog lang geen eindstation. Ik weet welke richting ik opga maar niet waar ik uitkom. Dat is namelijk een proces van trial and error, van zweten, van weggooien en van proberen, maar je moet wel weten waar je heen wilt gaan.”

Milder?

Een toeterende stoet Marokkaanse bruiloftsgasten onderbreekt het betoog dat als een slang uit zijn mond krult. De slang sist als de kritiek op zijn bundel Bloedtest ter sprake komt: “Pfeiffer’s exercitie om in het NRC Handelsblad te recenseren is een grote wraakoefening op al zijn concurrenten met als enige doel zichzelf een veer in de reet te steken. De man verdient het om eens een keertje tegen de vlakte geslagen te worden.” Na enkele seconden klinkt vergoelijkend “In overdrachtelijke zin dan”. Maar over het literaire klimaat in den lande is hij milder. “Er is heel veel veranderd in de Nederlandse literaire wereld, en ten goede. In die zin dat er meer mogelijk is en aandacht is voor jonge dichters en nieuwe vormen, zowel vanuit organisaties als vanuit festivals zoals bijv. Poetry International dat een slamfestival heeft tegenwoordig. Een aantal jaren geleden was dat helemaal nog niet zo. Ik moet niet de hele tijd een soort van ijsbreker proberen te zijn van een ‘mere à glace’ die niet meer bestaat.”Is de ivoren toren beklommen en heeft monsieur Van Duijnhoven goed zittend pluche tussen de coryfeeën verkozen boven de barricaden? Of heeft de tijd met haar zalvende werking ook vat gekregen op het karakter van de dichtende polemist? Allebei wel en allebei niet. De tijd tempert, maar een rat verliest zijn staart niet snel. Een tweeslachtig antwoord: “Ik aarzel een beetje om daar zo hard mee van stapel te lopen, maar wat mij tegenwoordig vooral irriteert is de poëziewereld zelf, die weinig peper in de reet lijkt te hebben. Het is een beetje gezapig. En dan kun je wel heel hard gaan roepen, maar daar bereik je verder weinig mee want het moet toch uit die mensen zelf komen. Het zou heel goed zijn als de dichters hun opvattingen over de poëzie wat Olympischer zouden opvatten. Als dichters wat hoger van de toren zouden blazen. Het is toch allemaal een beetje aan de bescheiden kant. Misschien heeft ‘de Vaderlandse poëet’ nu eenmaal vaak het karakter van de een beetje gekke huisman/vrouw. Daarom aarzel ik ook om het zo polemisch te stellen. Je kunt het namelijk niet iemand kwalijk nemen dat hij of zij zo is. En de beste kritiek is om het zelf beter te doen. Dat is maar de manier die ik nu prefereer en dat is ook de reden waarom ik hardnekkig weiger om poëziekritieken te schrijven. Moet ik anderen gaan beoordelen om te laten zien hoe goed ikzelf ben of bundels uitbrengen op de manier waarop ik vind dat het goed is. Bovendien is diversiteit in de kunsten een groot goed en dat moet je respecteren. Dat respect wens ik ook van anderen voor mijn poëzie. Aan mijn heetgebakerdheid is weinig veranderd, maar ik vraag me tegenwoordig wel af wat je ermee opschiet als je mensen gaat schofferen vanwege het feit dat zij wat burgerlijker zijn, wat huiselijker zijn, wat wereldvreemder zijn, wat mussenachtig zijn, wat grijzer zijn? Toch blijf ik ervoor pleiten dat de poëziewereld wat minder bescheten wordt. ‘Spooksprekers aan het woord. Gooi open die poort,’ zeiden we op Eindhalte Fantoomstad. Zo van ‘Laat eens een keertje wat frisse lucht binnen.’ Dat kan toch helemaal geen kwaad.”

Poststructuralistische azijnzeiker

Heeft het zin om de mus zout op de staart te leggen of moet – desnoods geforceerd – de cloaca ingepeperd worden? Daar hangt het een beetje om. En blijft het hangen. Misschien komt de dubbelheid ook voort uit de weerzin tegen de constante kritieken op zijn eigen werk en op de door hem voorgestane ‘emancipatie van de podiumdichters’. Wie het strijdtoneel van de openbare opinie betreedt moet immers incasseren. Onlangs nog hekelde publicist Jos Joosten in zijn boek ‘Onttachtiging’ met essays over eigentijdse poëzie en poëziekritiek die Van Duijnhoven met zijn vernieuwingsbeweging. Zo vernieuwend als men pretendeerde was die poëzie volgens Joosten helemaal niet. Op een of andere manier lijkt Van Duijnhoven opgelucht dat het onderwerp ter tafel komt. “Die kritiek heeft meer te maken met het billenknijperige karakter van Jos Joosten. Kijk, Jos Joosten is een soort van griezeldominee die iedereen die plezier beleeft aan poëzie bij voorbaat verdacht vindt omdat hij dat niet intellectueel genoeg vindt. Als je de schoolmeester Jos Joosten zou volgen moet je je al schuldig voelen als je van Annie MG Schmidt geniet. Dat is toch erg. Juist die mensen, die te weinig kloten hebben om creatief iets bij te dragen, worden zo ontzettend streng in hun oordelen dat ze het bijna onmogelijk maken voor mensen om ergens van te genieten. Je zult zelden of nooit een positieve recensie lezen van de hand van Jos Joosten. Ook niet van de boeken die hij goed vindt. En Nederland zit vol met dat soort mensen dat te weinig elan heeft om te strijden met dezelfde wapens als de artiesten over wiens werk een oordeel geveld wordt. In plaats daarvan verleggen ze het strijdperk en dwingen ze de kunstenaars zich te begeven op een terrein van een technisch wetenschappelijke discours. Vaak zijn het mensen die gesnoept hebben van de filosofische school van Derrida, poststructuralistische azijnzeikers die het spel te min te vinden.”Een non-argument. Ook billenknijperige schoolmeesters kunnen dingen zeggen die tegen de waarheid aanschurken. Joostens kritiek richt zich onder andere op het feit dat Van Duijnhoven cum suis het spel van de revolutionaire upcoming generation speelden, zonder radicaal nieuwe poëzie te schrijven. Dat vraagt om een reactie. Serge gaat verzitten, de recorder valt om en wordt om herhaling te voorkomen ingeklemd door de glazen ouzo. Drinken heeft geen prioriteit: “Het feit dat wij dat spel speelden was voor hem al ammunitie om mee te schieten. Daarnaast herkennen mensen het nieuwe nooit aan het nieuwe. Als je alleen maar naar de poëzie op papier wilt kijken, waar tot dan toe de poëzie zich toe beperkte, dan vind je het nieuwe al helemaal niet. De beweging die om wat meer openheid en frisse lucht smeekte was niet zozeer vernieuwend op papier. Het podium was de plek.”SchijthuisEen tweede speerpunt van de podiumdichters, de presentatie van de rap als nieuw zusje van de poëzie, kan bij Joosten op minder weestand rekenen. ‘Het is een goede zaak dat hij (Serge van Duijnhoven, MvG) bepleit de ruimte van de poëzie zo ver mogelijk uit te breiden,’ valt er te lezen in een hoofdstuk met de denigrerende titel ‘De jeugd van tegenwoordig’. Het lijkt er echter op dat het nieuwe zusje op zichzelf is gaan wonen en zich in mindere mate iets gelegen laat liggen aan de dichtkunst. De destijds nieuwe generatie podiumdichters heeft een prominente plek ingenomen op tal van literaire manifestaties, maar da hip hop? Hangt die er niet een beetje bij of wordt rap er soms zelfs niet met de haren bij gesleurd? Van Duijnhoven: “Is het hypocriet dat mensen in de poëziewereld geïnteresseerd zijn in de rap, omdat de rap op een originele manier gebruikmaakt van technieken die voortkomen uit de poëzie, van ritme, van palindromen, van spiegelingen? En in hoeverre is het hypocriet van rappers om geen interesse te tonen in alles wat maar buiten het kleinzielige hiphopwereldje gebeurt. Veel hip hoppers kijken ook niet verder dan het reclamewereldje van de juiste kleding, de juiste codes, van de juiste beweginkjes. Begrijp me goed, ik geniet gewoon als ik Def P hoor flowen, maar het tonen van interesse kan alleen maar goed zijn. Als de hip hop het medium waarvan ze gebruikmaakt in de volle breedte uit zou willen buiten, dan zouden rappers weldegelijk in poëzie geïnteresseerd zijn. Maar het is helaas niet hip om te zeggen dat je D.H. Auden op je nachtkastje hebt liggen. En in hoeverre is het niet een statement tegen dat blanke eliteraire gedoe om als hip hopper weg te lopen van een festival als de hip hop act klaar is? Van de kant van de festivals heeft het inpassen van hip hop vaak een soort effect van de ‘token nigger’, de excuus Truus. Erg opportuun. De hypocrisie komt gewoon van beide zijden.Het valt niet te ontkennen dat het toch twee verschillende werelden zijn gebleven en de conclusie die men ook kan trekken is dat mensen neiging hebben om zich op te sluiten in kleine groepen. The birds of the same feather, will always flock together. Om zich veilig te voelen, maar ook om zich verheven te voelen boven een ander. Dat geldt net zo goed voor hip hoppers die weglopen als de rest van het programma begint als voor mensen als Jos Joosten en consorten die zullen vinden dat Van Duijnhoven en andere figuren, als het huis van de poëzie dan toch zovele kamers heeft, beter naar het schijthuis van de letteren kunnen worden verwezen.”

Gekrenktheid

“Zo behoort Joosten tot het groepje van de Preciezen en de Preciezen hebben een hekel aan de Rekkelijken. De precieze opvatting van de literatuur is dat literatuur zich dient te beperken tot het geschreven woord. Alsof het orale daar geen plaats in heeft. Nu vindt ik niet dat iedereen een hot podiumdichter moet zijn, maar wel dat er naast Eva Gerlach nog zo iemand als Ingmar Heytze mág bestaan waarvan je mág genieten. Mensen als Jos Joosten willen niets weten van het feit dat er nog een lichamelijke tak aan de poëzie zit. Voor hen is het alleen maar hoofd en – om met Derrida te spreken – ‘Il n’ y a rein dehors la texte.’ Het is een gemakkelijke kritiek om te zeggen: ‘Die Van Duijnhoven wil revolutionair zijn, maar zijn teksten zijn helemaal niet zo revolutionair.’ Zelf ben ik ook niet op een manier nieuw zoals Hans Faverey nieuw is geweest voor de poëzie op papier. Dat heb ik ook nooit beweerd. En dan is het natuurlijk makkelijk om dat element eruit te pikken waarin mijn gedichten misschien romantisch, klassiek zijn of binnen de traditie passen. Maar als je niet ziet wat er anders is vergeleken met de poëzie van Gerlach of Faverey, dan weet ik het ook niet meer. Misschien heeft het meer te maken met hun verwachting. Ze zien me toch als een soort revolutionair of popster ofzo en meten daar mijn poëzie aan af.”Klinkt hierin niet een beetje een gekrenktheid door? Of in de lederen stappers lange tenen steken, wil ik weten. En is de combinatie lange tenen en scherpe tong wel het juiste arsenaal voor een dichter? Antw.: “Absoluut. Gekrenktheid is een van de sublimaties die literatuur is. Als je niet gekrenkt zou zijn, als je niet een overtrokken ego zou hebben, als je niet op een of andere manier onder iets uit zou willen komen, als je niet gemankeerd zou zijn, zou je ook niet al die uren op een kamertje achter de computer gaan zitten zwoegen om dat terug te halen wat je in de normale werkelijkheid niet kan bereiken. Die gekrenktheid is er, en bij iedereen denk ik. De drang om erkend te worden. Je wilt erkenning voor wat je doet. En dat is op zich heel kinderlijk. Vrouwen hebben dat veel minder, die gespitstheid die grootheden als Harry Mulisch en W.F. Hermans wel hebben. Ze zeggen vaak dat mannen met een opgeblazen ego net kleine kindertjes zijn die op een zeepkist gaan staan om gehoord te  worden. Als ik dat hoor dan moet ik altijd lachen, want ze hebben wel gelijk. Maar het is een voorwaarde voor kunstenaarsschap. Waarom moet je het allemaal doen in de arena waar iedereen er last van heeft. Ik denk dat je een ontzettend opgeblazen en verkrampt ego moet hebben om dit soort dingen te doen.”De recorder gaat uit.

Bloedtest.Erasmucmc

 

“Het ideaal van de veelzijdigheid” ; ‘wanted interview’ verschijnt na vijftien jaar online

          WANTED INTERVIEW EINDELIJK BOVEN WATER

          VOOYS sprak met SERGE VAN DUIJNHOVEN

door Pieter Jeroense en Jeroen Kapteijns

   i.s.m.  DBNL vignet

Vooys. Jaargang 15  Utrecht 1997 pp.47-51

 

In de reeks interviews met jonge, veelbelovende auteurs, is het woord ditmaal aan Serge van Duijnhoven. Deze Amsterdammer blinkt uit in veelzijdigheid: naast zijn dichtwerk, heeft hij een roman en een verhalenbundel gepubliceerd. Bovendien is hij een van de drijvende krachten achter het tijdboek MillenniuM, waarin het naderende einde van het tweede millennium gethematiseerd wordt. Van Duijnhoven vertelt onder andere over zijn bewondering voor Leo Ferré, de doelstellingen van MillenniuM, zijn debuutroman Dichters dansen niet, zijn fascinaties, ervaringen met recensenten en zijn vernieuwende opvattingen over poëzie.

Hotel Winston in de Warmoesstraat

Hotel Winston in de Warmoesstraat

In 1993 overleed de Franse dichter / zanger Leo Ferré. Met Brassens en Brel behoorde hij tot de ‘Grote Drie’ van het Franse chanson. In Frankrijk werd om zijn dood gerouwd alsof hij een vorst was. In het tijdschrift MillenniuM (1993) wijdde Serge van Duijnhoven (Oss, 1970) enkele pagina’s aan het heengaan van deze excentriekeling. In dat artikel noemt hij Ferré de ‘dichterlijke advocaat van de amour anarchie’. De chansonnier streefde namelijk de absolute vrijheid na: ‘De mens is vrij, en zal zelf waarde moeten geven aan zijn leven. Geen kerk, geen koning, geen politieke partij, geen leger kan hem daarbij leiden.’ Van Duijnhoven staat verder stil bij de olympische wijze waarop Ferré zijn kunstenaarschap opvatte. ‘Geen gezeik, geen valse bescheidenheid, geen verontschuldigingen wat zijn poëzie betreft.’ Ferré vond dat de kunst niet in een ivoren toren thuis hoorde. Zo nam hij gedichten van Verlaine, Rimbaud, Apollinaire en Aragon – zijn broeders van de nacht – in zijn repertoire op en bracht op deze manier hun poëzie onder het grote publiek. Belangrijk voor Van Duijnhoven – al van jongsaf een groot bewonderaar van de man – is ook dat zijn chansons gedragen werden door grote ideeën op het gebied van de politiek, de vrede en solidariteit.

Van Duijnhoven en Ferré zijn geestverwanten; hun opvattingen over kunst en het kunstenaarschap zijn nauw verwant. Ook bij Van Duijnhoven zijn poëzie en muziek onlosmakelijk met elkaar verbonden. In het kleine wereldje van de Nederlandse letteren probeert hij zijn eigen plan te trekken en vreest de autoriteit van recensenten niet. Hij mag zijn publiek graag verrassen met nieuwe en experimentele vormen. Kunst hoeft voor hem niet per definitie verheven te zijn. En uit de stukken die hij voor het tijdboek MillenniuM schreef, maar ook uit zijn eigen poëzie, blijkt de betrokkenheid bij eigentijdse culturele en maatschappelijke vraagstukken.

MillenniuM11 cover

Van Duijnhoven was een van de oprichters van MillenniuM, het tijdschrift van de Kunstgroep Lage Landen. De zeer jonge kunstenaars die zich rond dit tijdboek hadden geschaard, streefden een grondige vernieuwing van het kunstklimaat in Nederland na. Met hun eclectische belangstelling, frisse ideeën, hun eigenzinnige projecten, hun engagement, maar vooral ook hun moed wisten ze het ingesufte wereldje van de Nederlandse letteren even wakker te schudden. Hoewel Van Duijnhoven duidelijk zijn stempel op dit blad heeft weten te drukken, treedt hij liever niet op als woordvoerder van MillenniuM. ‘Ik kan wel praten over wat we gedaan hebben, maar spreek dan niet namens anderen. Daar krijg je alleen maar sores mee. Uiteindelijk zijn het allemaal individueel opererende kunstenaars die MillenniuM als platform gebruiken en incidenteel samenwerken. Maar van gemeenschappelijke doelen of idealen is nooit sprake geweest.’

Toch wil hij wel wat dieper op het karakter van MillenniuM ingaan. ‘Wat MillenniuM zeker kenmerkt is dat het dingen in kaart heeft willen brengen. Het heeft een inventarisatie van bepaalde zaken willen maken. Zo hebben we bijvoorbeeld een bloemlezing van jonge Vlaamse en Nederlandse

[p. 48]

dichters [Aan iedere spijker een regel], een zogenaamd zap-nummer en een boek over v.j.-kunst gemaakt. Dat laatste nummer is overigens niet om aan te zien, maar dat gebeurt als je dingen probeert; dan ga je af en toe flink op je bek.’

‘MillenniuM heeft ook altijd geprobeerd bepaalde thema’s, waarvan wij dachten dat ze voor deze tijd relevant waren, te behandelen. En dan niet, zoals zo vaak gebeurt, op een columnachtige manier. Nee, we hebben in ons blad de ruimte genomen om bepaalde dingen uit te werken. Dat bleek in een tijd van vluchtige meningen en snelle columns heel verfrissend.’ Mede door deze serieuze benadering van ‘grote’ thema’s kreeg MillenniuM al snel het labeltje ‘geëngageerd’ opgeplakt. Van Duijnhoven moet daar weinig van hebben: ‘MillenniuM is niet per definitie geëngageerd. We hebben verschillende stemmen laten horen, bepaalde dingen aangedragen, en zaken geïnventariseerd. Maar dat is niet voldoende om ons het oormerk “geëngageerd” op te prikken. Dat is veel te gemakkelijk.’

MillenniuM10 gezelligste cover

Bijzonder aan MillenniuM is ook het interdisciplinaire karakter: kunstenaars van voorheen streng gescheiden kunstvormen grepen de mogelijkheid aan om samen te werken. MillenniuM is dan ook zeker geen letterkundig blad. Van Duijnhoven: ‘Die eclectische en openhartige geest hoorde bij de inzet van het blad. Daar kunnen hele mooie dingen uit voortkomen. Hoewel je moet oppassen niet zomaar alles met elkaar te gaan vermengen. Het moet wel een duidelijke functie hebben. Als ik samenwerk met een d.j. dan doe ik dat omdat ik mijn teksten op een bepaalde manier wil gebruiken, om ze een nieuwe impact te geven.’

MillenniuM#12Fake cover

In het prozadebuut van Van Duijnhoven, Dichters dansen niet (1995), komen de achtergronden van MillenniuM aan bod. De oprichting van het blad vormt in dit boek een rode draad. De eerste regels luiden: ‘We waren met een man of tien, twintig. Jonge enthousiastelingen, kleine ridders van de kunst die vonden dat er dingen aan het veranderen waren en dat het tijd was voor nieuwe ideeën, een nieuwe groep, een nieuw blad. We waren allen zeer jong en hadden een grote mond en nog grotere plannen en dat was wat ons bijeenhield. We vonden dat er nog heel wat was om over te schrijven, om te proberen en om voor in te staan, en te oordelen naar alles wat er om ons heen gebeurde was dat ook zo.’ Dichters dansen niet laat zich lezen als een heuse sleutelroman. Millenaar is MillenniuM, Mark Moors is Van Duijnhoven zelf, de X-ray verbeeldt de Amsterdamse discotheek de Roxy, terwijl de lezer in Gerrit Krijt de niet-dansende dichter Gerrit Komrij kan herkennen.

Dichters dansen niet.omslag

Toch is het reilen en zeilen van MillenniuM niet meer dan een dun verhaallijntje. Van Duijnhoven: ‘Van een sleutelroman in de ware zin van het woord kan nog geen sprake zijn. Daarvoor zat ik er toen nog veel te dicht op. Pas over tien, twintig jaar kunnen we de geschiedenis van MillenniuM optekenen.’ Dichters dansen niet geeft in tien korte schetsen een indruk van het leven van hoofdpersoon Mark Moors en de Amsterdamse house-scene, die eind jaren tachtig opkwam. Het onrustige en vrij oppervlakkige bestaan van de jonge Amsterdamse kunstenaar die net als zijn kunstbroeders een sterke drang heeft tot het nachtleven en genot staat centraal. Zijn ietwat lege dagen, die vooral in beslag genomen worden door allerlei praktische beslommeringen – aangebrande groentejasjes, gestolen fiets en enveloppen plakken – eindigen meestal op de dansvloer. Daar, temidden van de kolkende en zwetende massa, laat hij de oorverdovende beat van de hallucinerende muziek zijn lichaam intrekken.

Slotfeest  MM en Doel zonder oorzaak - in Paradiso - 31 dec. 1999 / 1 jan. 2000

Slotfeest MM en Doel zonder oorzaak – in Paradiso – 31 dec. 1999 / 1 jan. 2000

De housemuziek en houseparty’s betekenen voor Mark en zijn vrienden meer dan zomaar een avondje uit. ‘De houseparty’s waren de beeldenstorm van deze tijd. De beelden moesten om, de banken aan de kant, er moest gedanst worden. Geen gemeente kon eraan ontkomen. Op een gegeven moment gingen ze allemaal voor de bijl. De angst van de burgerij was terecht. De jeugd was bezig vreselijk wraak te nemen op de ouderen, op het volwassen leven, op de grenzen die zij zichzelf gesteld had, de morele aflaten waarmee zij haar dagelijkse rust afkocht. En iel en betekenisloos stierf, in de handpalm van een reusachtige God, door wiens vinger ze als een insekt op een goede dag zouden worden doodgedrukt.’ (p. 52). Op de houseparty’s kan de jeugd zichzelf zijn. Daarbij heeft voor Mark Moors het nachtleven nog een andere functie; hij probeert zijn geliefde Lot te vergeten. Hoewel soms onbevredigend, verkiest hij de beweging, de herrie en de nacht boven de stilstand, de rust en het bed. Voortdurend is de jonge held in de weer om zijn Lot te ontlopen.

Van Duijnhoven noemt de nacht één van zijn fascinaties. ‘Ik ben geïnteresseerd in de nacht. Ik houd ervan. Dat komt, omdat ik geboeid word door juist datgene, waarin de mens zich kan verliezen. De mens heeft dat nodig, de donkerte of de nacht, om zich over te kunnen geven aan of zich te verliezen in de roes. Blijkbaar kan men op die manier een ander

[p. 49]

register in zichzelf aanslaan. De hedonistische danscultuur is een mogelijkheid waaraan men zich volledig kan overgeven.’

Maar het is niet de enige manier. Van Duijnhoven legt een direct verband tussen de roes van het nachtleven en het oorlogsgeweld zoals hij dat zelf als oorlogscorrespondent in Bosnië heeft aanschouwd. ‘Voor het feest en de oorlog wordt dezelfde poel van lusten aangeboord. Voedsel, vlees, begeerte, oorlog en vernietigingsdrang; die dingen hebben met elkaar te maken.’

Copycat.omslag

In zijn jongste dichtbundel Copycat (1996) heeft hij verbanden proberen te leggen tussen deze menselijke driften. Het motto van de Engelse dichter en zanger Peter Hammill wijst daarop: During sex we are timelocked as in war. De verbanden tussen begeerte en vernietigingsdrang komen expliciet naar voren in de gedichten over Bosnië uit de afdeling ‘De stad als kadaver’. ‘Ik heb niets, zei de vrouw, behalve honger’ luidt het schrijnende refrein van deze verzen. Van Duijnhoven over de bijzondere vorm van deze gedichten: ‘Het is prozaïsche poëzie. Ik heb gekozen voor flarden of bewust brokkelige stukken tekst zonder dat ik in eerste instantie schoonheid heb nagestreefd. Natuurlijk heb ik ze gevijld en bewerkt, maar ik heb ze zo rauw mogelijk proberen te houden. Ze moesten worden zoals de stad zelf.’ Van Duijnhoven heeft met Copycat geprobeerd bepaalde grenzen te overschrijden: ‘Wat mij betreft hoef je het geen poëzie te noemen. Net zoals Dichters dansen niet eigenlijk geen roman mag heten; het zijn tien korte scènes uit het leven van Mark Moors, geschreven op de dreun van de housemuziek.’

In Trouw ontstond onlangs een discussie naar aanleiding van Van Duijnhovens Bosniëgedichten. Centraal stond de aloude vraag of poëzie wel zou kunnen en / of mogen functioneren als drager van politieke ideeën. Recensent Peter de Boer noemde het engagement uit Copycat sympathiek, maar met poëzie had het naar zijn mening weinig van doen: de dichter zou met zijn protest zichzelf overschreeuwen. Volgens Bert van Weenen – redacteur van het literaire bulletin Chroom – leent poëzie zich niet voor politiek, omdat er geen afstand met het onderwerp is en de taal vaak te kaal en afgezaagd is. Hij pleit in zijn stuk voor diepzinnige op theologie en filosofie gefundeerde poëzie. Zelf zou Van Duijnhoven zijn Bosniëgedichten niet geëngageerd noemen. ‘De mensen in deze gedichten voeren een oorlog tegen hun lichaam of tegen zichzelf. Ik vind het onzin om

illustratie

Serge van Duijnhoven foto: Roeland Fossen

dit geëngageerd te noemen. Ik neem toch nergens een stelling in? Wat er hoogstens uit naar voren komt, is de afschuw van de gruwelijkheid van de oorlog. Maar als dat tegenwoordig ook al geëngageerd is…’Van de negatieve reacties op zijn werk kan hij niet lang wakker liggen. Hij doet ze met een schouderophalen af, in de wetenschap dat hij met zijn eigengereide en rebelse optreden wel nooit in de smaak van de critici zal vallen. Cynisch: ‘Nee, dan zullen er eerst enkele recensenten moeten overlijden.’ Slechte recensies hebben zijn werkdrift nooit vergald. ‘Op een gegeven moment bepaal je gewoon waar je het voor doet. En bij mij geldt één hoofdregel: ik schrijf niet voor de recensenten. Gelukkig heb je altijd van die Don Quichottes gehad die zich nergens een fuck van aantrekken en solitair, zonder enige erkenning bezig zijn met iets te prutsen in de kunst en daar toch heilig in kunnen geloven. Een enkele keer wordt er een ontdekt en hebben we van doen met een genie à la Van Gogh. Meestal niet. Je kunt daar geen peil op trekken. Voor mij geldt dat ik m’n eigen dingen maak. Ik schrijf de boeken die ik wil schrijven, probeer mijn projecten en plannen af te maken en zie wel waar ik uitkom. Het is aan een ander om daarover te oordelen.’

‘Uit zo’n discussie in Trouw blijkt weer eens dat voor een aantal recensenten poëzie pas poëzie is als

[p. 50]

het over landschappen of eerbiedwaardige thema’s gaat. Men ziet het liefst bundels die geïllustreerd zijn of geschreven aan de hand van schilderijen. Het heeft te maken met die bibliofiele cultuur van het voorzichtige die in het poëziewereldje overheerst. Dat is rustgevend.’ Van Duijnhoven noemt de Nederlandse recensenten ‘herauten van een bastion’: ‘Het is een bolwerk van professoren, studenten en recensenten met een eigen bijna exegetische studiecultuur en een uitgesproken voorkeur voor klassieke, strenge vormen. Zij bepalen de wetten van de poëzie, waar ik tegen in ga.’

Klipdrift.cover_shade

‘In dat eliteraire wereldje zal weinig veranderen. Het is opmerkelijk hoe juist jonge recensenten alles wat modern is verwerpen. Voor mij heeft het desastreuze gevolgen gehad dat ik ben besproken door jonge recensenten als Onno Blom en Michel Maas. Zij nemen de normen van de oudere garde klakkeloos over. Zo komen zij in een goed blaadje te staan. Bovendien geeft het een gevoel van macht om af te kunnen geven op alles wat nieuw en modern is. Dat vinden ze lekker. Een goed voorbeeld hiervan is een recensie van Maas over het tijdschrift Zoetermeer. Hij vond het maar niets: het blad zou vol staan met braaksel en seks. In een van de meer traditionele tijdschriften stond een gedicht “Ode aan een landweg”, dat natuurlijk wel in de smaak viel.’ Van Duijnhoven is duidelijk geïrriteerd daarover: ‘Die pastorale poëzietraditie is een ziekte. Des te groter de behoefte er eens een flinke gabberbeat doorheen te gooien.’

De jonge dichter lapt de heersende normen van het bastion aan zijn laars. ‘Van mij kan alles poëzie zijn. Waarom zou je geen poëzie kunnen schrijven over Bosnië, over gokhallen of over Ayrton Senna die terugkeert op aarde in de gedaante van een flipperautomaat?’ Bij herhaling pleit hij voor een grotere openheid in de literaire wereld. ‘De laatste jaren is een ontwikkeling van verdergaande profanisering aanwijsbaar. Steeds meer kunstenaars ontdekken het braakliggende terrein tussen dat kleine elitaire clubje en de massacultuur.’

Van Duijnhoven experimenteert met house en discjockeys en verwerkt dit in eigen performances waarmee hij zijn poëzie presenteert. ‘Het gaat mij daarbij niet om het propageren van housemuziek. Ik ben geïnteresseerd in house en het werk van d.j.’s, omdat zij werken met moderne elektronische apparatuur. Ik vond in de manier waarop zij omgingen met geluiden, samples en stemfragmenten raakpunten met mijn eigen werk. Door die samenwerking heeft mijn werk er een nieuwe dimensie bij gekregen. Ik kan mijn gedichten in een bepaalde context plaatsen, fragmenten door elkaar presenteren en klankexperimenten uitvoeren.’

Inmiddels heeft Van Duijnhoven zijn grenzen al weer verlegd. Hij maakt nu ook gebruik van beeldmateriaal. ‘V.j. Gabriël Kousbroek – oprichter van Eyegasm [een v.j.-collectief] – heeft mijn teksten in de computer gezet en mixt er beelden doorheen. Bij mijn optredens – die momenteel Van Duijnhovens belangrijkste inkomstenbron vormen – heb je mijn teksten, de muziek van d.j. Dano en de beelden van Kousbroek; het is een totaalspektakel.’

SvD in Amsterdam 1994, fotograaf Harry Cock

SvD in Amsterdam 1994, fotograaf Harry Cock

Van Duijnhoven vraagt zich af waarom dit soort dingen toch niet mogelijk is op de traditionele poëziefestivals. ‘Is het dan geen poëzie meer? Kunnen we alleen maar van poëzie spreken als het in een boekje staat? Waarom mag het toch niet anders gebracht worden? De combinatie poëzie en muziek is trouwens niets nieuws. Wat te denken van de troubadours, de minstrelen of de Franse chansonniers. Je zou eerder kunnen zeggen dat ik in een traditie sta. Zelf ben ik via de muziek met poëzie in aanraking gekomen.’ Van Duijnhoven vertelt hoe hij via de liederen van Leo Ferré de poëzie heeft ontdekt. ‘Door hem ben ik Rimbaud, Baudelaire, Verlaine en Aragon gaan lezen en ben ik me bewust geworden van poëzie. De invloed van die man is enorm geweest.’

In de Nederlandstalige literatuur voelt hij zich vooral verwant met het werk van Hugo Claus. Superlatieven schieten tekort: ‘Claus is iemand die ik mateloos bewonder. Het is een gigant. Niet alleen zijn poëzie, ook zijn proza is meesterlijk. De geruchten, zijn laatste roman, was weer subliem. Claus is zo’n auteur die niet – zoals veel andere schrijvers – één eigen stijl heeft. Hij is een acteur; iemand die bij ieder boek dat hij schrijft een masker opzet.’ Volgens Van Duijnhoven is maskerspel onlosmakelijk verbonden met literatuur. Hij doet er zelf ijverig aan mee. Zo publiceerde hij gedichten onder de naam Remi Overman, een personage uit een van Van Duijnhovens verhalen. Hij verantwoordt die mystificatie als volgt: ‘Door te schrijven kan ik meerdere levens leiden. In Overman zit veel van mijzelf, maar ik heb het vermengd met andere levensverhalen. Het is een samenstelling. Overman is trouwens wel een geval apart. Hij ligt me zeer na aan het hart en ik hoop ooit de tijd te kunnen nemen om dat personage verder uit te werken. In welke vorm valt nog maar te bezien.’

[p. 51]

Wie het nog betrekkelijk kleine oeuvre van Van Duijnhoven overziet, zal direct opmerken dat hij net als zijn Vlaamse voorbeeld bij elk werk een andere stijl hanteert. ‘Mijn stijl verschilt per boek. Daarom zijn ze voor de recensenten ook zo moeilijk te labelen.’ De vrij experimentele en gedurfde houseroman Dichters dansen niet en de rebellerende en schreeuwerige lyriek uit Copycat lijken in niets op de meer rustige, traditionele en klassieke gedichten uit Het paleis van de slaap (1993) – Van Duijnhovens eerste dichtbundel – en de sobere korte verhalen uit De overkant en het geluk (1995). ‘Er valt in mijn werk inderdaad een soort van tweedeling te zien. Twee soorten van literatuur die deel van mij uitmaken. Het aardige is dat ik op mijn zeventiende in eigen beheer een boekje heb uitgegeven, Cascade, waarin die verschillende stijlen al aan te wijzen zijn. In dat boekje stond poëzie die de wereld ingeschreeuwd werd, maar het bevatte ook korte verhalen, een novelle, een toneeltekst en essayerende artikelen. Die novelle heette De overkant en het geluk en was de eerste aanzet tot wat later een verhalenbundel is geworden. Het is een melancholisch relaas over liefde, religie, dood en vriendschap. Ook dat is een deel van mij net als die rebellerende, niet-lyrische poëziestijl. Het paleis van de slaap is net als De overkant en het geluk een voorbeeld van de wat klassiekere literaire stijl. Terwijl Copycat en Dichters dansen niet een andere kant van mij laten zien.’

De vorm in Het paleis van de slaap mag van zijn andere werk verschillen, het onderwerp van de gedichten, de slaap, is nauw verwant met die uit Dichters dansen niet en Copycat. Van Duijnhoven werkt vanuit een aantal fascinaties. Zouden we de slaap immers niet net als oorlog, geweld en de hedonistische danscultuur kunnen beschouwen als een soort van roes, als een mogelijkheid om tijdelijk een punt te zetten achter ons aardse bestaan? ‘Ik ben altijd gefascineerd geweest door de slaap en heb me verdiept in de verschillende facetten van slaap; als metafoor, als domein, maar ook vanuit medisch oogpunt. Slaap is een dubbelleven, dat we allemaal leiden. Het is iets waar je geen invloed op kunt uitoefenen. Je moet je eraan overgeven, hoezeer je er soms ook aan zou willen ontkomen. Maar slaap is ook een metafoor voor dingen die sluimeren, of dat nu de ouderdom is, die langzaam binnensluipt of een ziekte.’ De titel van de bundel heeft hij ontleend aan de paleizen van de Ethiopische keizer Haile Selassie, in wiens leven Van Duijnhoven zich verdiept heeft. Deze keizer had twaalf paleizen waar permanent personeel aanwezig moest zijn voor de eventuele komst van het staatshoofd. ‘In sommige paleizen is hij nooit geweest. Dit waren dan ook letterlijk paleizen van slaap.’

sprooksprekers.eindhalte fantoomstad

Van Duijnhoven is een veelzijdig kunstenaar die zich op verschillende gebieden heeft laten gelden. Hij verrichtte journalistiek werk voor De groene Amsterdammer, de Volkskrant, De morgen en NRC Handelsblad, was betrokken bij de oprichting van de Kunstgroep Lage Landen en het tijdboek MillenniuM, schreef twee dichtbundels, een kleine biografie, een novelle en een prozaboek. In maart is bovendien de cd Eindhalte Fantoomstad verschenen, waarop teksten van zijn hand, maar ook van Olaf Zwetsloot en Def P. van de Osdorp Posse te vinden zijn. Dit samenwerkingsverband reikt verder dan het maken van deze cd; samen met d.j. Dano en v.j. Gabriël Kousbroek verzorgen zij performances onder de naam ‘De sprooksprekers’. Ook voor de komende jaren heeft Van Duijnhoven al plannen. In Gent werkt hij momenteel aan zijn nieuwe prozaboek, dat als werktitel Boulevard Oktoberrevolutie heeft gekregen. Hij licht een tipje van de sluier op: ‘Het wordt weer iets geheel nieuws; een personale roman. Ik kruip onder meer in de hoofden van gekken die steeds verder wegzakken in het moeras van redeloosheid dat oorlog heet. Ook wordt het een relaas over hoe verschillende generaties met oorlog omgaan.’ En ook het volgende nummer van MillenniuM is op komst. Nadat uitgeverij Prometheus zich had teruggetrokken leek het erop dat het tijdschrift het einde van het millennium niet zou halen. Inmiddels heeft echter De Bezige Bij steun toegezegd. ‘Ook de projecten van Kunstgroep Lage Landen gaan gewoon door. We bewandelen allerlei artistieke wegen: muziek, theater, exposities, videovoorstellingen en houseparty’s.’ Gevraagd naar zijn drijfveer: ‘Ik ben iemand, die denkt dat het zal helpen als je ergens een vitale impuls aan toedient.’

 

©  [tijdschrift] Vooys

JUNGSKE – DDN-clip

Jungske
http://www.youtube.com
Opening Landkunst 2011: performance Dichters dansen niet Ontmoetingsplek Elmo Vermijs http://www.landkunst.nl
tekst en voordracht / Serge van Duijnhoven
muziek en geluid / Fred dB
clip gemaakt door Peter Heijen

fotograaf: Rens van Mierlo, Eindhoven Studio 040

Recente videoclips uit het programma Gitanes & Jazz

Gitanes & Jazz

Heel mooie mixages van beelden, gemaakt door cineast Bastiaan Rombout Lips. Geluidsopname van Fred de Backer. Oprtreden: Soiree Gainsbourg, Petrol, Antwerpen 12 maart 2011. Aan de piano: Edwin Berg. Stem: Serge van Duijnhoven. Ook met beelden uit de Gainsbarre in Oostende. En met de uilen van Gainsbourg a.k.a. “l’hibou de la complaisance”.

Credits

Serge van Duijnhoven tekst/concept

Fred De Backer mixages/opnamen

Edwin Berg piano/melodika

Bastiaan Lips cinema/videomix

Helena Karsten camerawerk

Arlet van Laar vormgeving/foodperformance

Filip van Zandycke (vzw HoedGekruid) fotografie

‘T’ga za jug’ – Zuidzucht. De Muzen van Struga

* * *

Het door drugsoorlogen en kidnappings geteisterde Colombia viert iedere zomer weer zijn Coppa del America . Sarajevo kende tijdens de belegering zijn jaarlijkse filmfestival. En in ogenschijnlijk rustig Macedonie vinden jaar in jaar uit – onder wisselend gesternte – steeds weer nieuwe edities plaats van het internationaal gere nommeerde poeziefestival de ‘Struga Poetry Evenings’. Eregast en nobelprijswinnaar Seamus Heaney, die tijdens het tweede bezoek van dichter Serge van Duijnhoven de ‘Gulden Lauwerkrans’ in ontvangst mocht nemen: ‘Eerlijk gezegd voel ik me met al die soldaten en wegversperringen hier wel op mijn gemak. Het doet me denken aan mijn jaren in Belfast…’

In plechtige processie trekt de stoet internationale dichters achter twaalf in het wit gestoken Macedonische bloemenmaagden aan, die asters strooien over de balustrade. Onder ons kolkt het water van de Zwarte Drim. Nobelprijswinnaar Seamus Heaney rijdt langzaam voorbij in een gepantserde Mercedes, begeleid door patrouillewagens van de zwaarbewapende Macedonische policija. Bij het bereiken van de overzijde worden vuurpijlen afgeschoten, tegelijk barst een ongenadig onweer los. Burgers zwaaien met hun parapluies. Geroffel klinkt vanuit de bergen. Of is het een militaire helicopter? Mannen in kogelvrije vesten kijken star voor zich uit, de loop van hun Zastava 7.62 pistoolmitrailleurs gericht naar de dikke spetters regen die kaatsen op de grond.

‘Eerlijk gezegd voel ik me met al die soldaten en wegversperringen hier wel op mijn gemak,’ vertelde Seamus Heaney (door zijn knappe tolk consequent ‘Mister Himus Sjini’ genoemd) wat lakoniek in de pianobar van het immense, lege hotel. ‘Een gevoel van homecoming. Het straatbeeld herinnert me aan mijn jonge jaren in Belfast.’ Drinkend van een bescheiden Skopsko Pivo, verzekerde de dichter dat hij er geen moment over gedacht had om af te zeggen voor het festival. Natuurlijk hebben mijn naasten me afgeraden om juist nu naar Macedonië te gaan, maar mensen die om je geven zijn altijd bezorgd. Wij Ieren zijn misschien al een beetje meer vertrouwd met de situatie dan anderen. Maar we weten ook dat het geweld in het buitenland vaak erg wordt overdreven.’ Een dichteres uit Israel knikt driftig. ‘Ik voel me pas onveilig als ik geen soldaten zie op straat,’ zegt ze stoer.

Afzeggingen zijn er nauwelijks. Naast eregast Seamus Heaney, die dit jaar de ‘Gulden Lauwerkrans’ in ontvangst mag komen nemen, is nog een dertigtal bekende en minder bekende dichters uit alle windstreken naar het trogdiepe Meer van Ohrid afgezakt. Gearriveerd zijn Thomas Shapcott uit Australië, de Amerikaan Claude Freeman, Anne Marie Dinesen uit Denemarken, Jean Laugier uit Frankrijk, Jorhe Justo Padron uit Spanje, Skënder Rusi uit Albanië, Mohammed Bennis uit Marokko, Sergej Glavyuk uit Rusland. De volharding waarmee de internationale gasten temidden van wapengekletter, bomaanslagen en nerveus ‘oogstende’ Navo-soldaten, hun verzen willen laten klinken op de brug over de Zwarte Drim, wordt door de organisatoren van het festival ervaren als bemoedigend. Het Macedonische publiek kan het weinig schelen, want dat heeft heel andere zaken aan het hoofd dan de verskunst.

Kaneo Klooster Ohrid

‘s Avonds trekken gure windvlagen geribbelde sporen over het donkere water van het Meer van Ohrid. De late zomerzon verdwijnt achter de bergtoppen als een steen die over de rand van een put wordt geduwd. Achter de ramen van de verlaten eetzalen in het hotel gaapt een koele duisternis die uit de diepte van het meer omhoog lijkt te stijgen. De leren schoenzolen van de obers maken langgerekte piepgeluiden op het glanzende travertin. Hotel Bicer heeft 500 bedden en zou moeiteloos een tienvoud van alle genodigde dichters kunnen herbergen.

Dichter en songwriter Jabir Derala (35), die ik in het centrum van Skopje ontmoette voor ik de bus nam naar het festival, is deze zomer niet van plan om naar Struga te reizen. Er staan dikke wallen onder zijn ogen, zijn adem ruikt naar drank. ‘Er is werk aan de winkel. Flyers rondbrengen, posters ophangen, lobbyen bij politici, gevangenissen bezoeken, het organiseren van popconcerten voor de vrede: daar is behoefte aan. Aan verheven woorden en fijnbesnaarde avonden met collega-dichters heb ik even geen boodschap.’ Jabir heeft de daad bij het woord gevoegd, en een mensenrechtenorganisatie opgericht (Civil) die moet toezien op de rechten van politieke gevangenen en het ontplooien van multi-etnische initiatieven.

Dat het poëziefestival uitgerekend Struga als bakermat heeft uitgekozen en niet het toeristische en historische Ohrid, waar nog maar kort geleden de vredesonderhandelingen hebben plaatsgevonden, is te danken aan de negentiende eeuwse dichter Konstantin Miladinov. In zijn gedicht `T’ga zajug’ (`Zuidzucht’) bezong de Mecedonische Byron, die net als zijn Engelse tijdgenoot gedwongen was om in exil te leven (de Turkse sultan had een prijs op zijn hoofd gezet), hoe hij terugverlangde naar het vissersdorp van zijn jeugd. `Had ik maar vleugels als een arend/om naar mijn Struga terug te vliegen’, dichtte Miladinov terwijl hij in Rusland wegkwijnde aan de tuberculosis. ‘Nog steeds zie ik en voel ik/hoe zij brandt, die vurige parel die in mij geplant/als kroonjuweel zal rusten/op Macedonië, mijn vaderland.’ Het vers is verplichte leerkost op scholen in Macedonië. Miladinovs hymne aan Struga verleende een stem aan een nationaal gevoel dat eeuwenlang door het Osmaanse gezag was onderdrukt. (Allen Ginsberg, ontvangt ‘Golden Wreath’ in 1986)

Tijdens de openingsceremonie van het festival klimt een jongen in een wijde kosjula (wit hemd) achter de microfoon en begint op statige wijze, begeleid door trieste Macedonische volksmuziek, Miladinovs gedicht ‘T’ga za jug’ voor te dragen. Hier en daar rolt een traan. Een partijfunctionaris van de nationalistische regeringspartij VMRO, Bratislav Tashkovski, nodigt de dichters uit om naar voren te komen. `In whose name should I greet you, dear poets, if not in the name of the destiny of the Macedonian land and the Macedonian people!’ De toon is gezet. Met veel stemverheffing en ‘ hoera voor Macedonië!’-geroep verklaart de politicus het internationale poëziefestival voor geopend.

De voordrachten lijken bijzaak. Er wordt nauwelijks geluisterd. Voortdurend piepen en sjierpen mobiele telefoons en ruisen de walkie talkies van de aanwezige soldaten. Het dondert in de bergen. Vanuit de verte klinkt een Macedonische smartlap. De microfoon galmt en zingt rond, of de versterking waait weg in het niets. Het publiek wiegt ongeduldig heen en weer, en raakt pas geboeid als Seamus Heaney achter de microfoon gaat staan en genoeglijk vertelt van zijn ‘utterly memorable days and nights at Struga in 1978′, toen hij voor het eerst in aanraking kwam met ‘de wonderbaarlijke vitaliteit van het Macedonische leven en de Macedonische cultuur.’ De laureaat oogst fors applaus, maar de boel komt pas echt los als de Spaanse dichter Jorhe Justo Padron de Macedonische toehoorders paait met een smartelijke elegie, door hemzelf in de landstaal voorgelezen, voor het ‘heroische, in doodsnood verkerende en in de steek gelaten Macedonië’. Het publiek joelt en klapt minutenlang; en daar lijkt het Padron ook vooral om te doen. Hij maakt wel vijf stijve buigingen. Tv-camera’s zoemen beschuldigend in op wie nog niet de handen op elkaar heeft.

Anna, een journaliste van het genuanceerde dagblad Dnevnik , zegt na afloop dat ik de zin van de nationalistische peptalk moet kunnen begrijpen. `We hebben het nodig, nu. Voor jou mogen die woorden gezwollen lijken, maar voor ons is het een kwestie van voortbestaan. Zonder patriottisme zal ons land verkruimelen, en dat is heus geen retoriek!’ Ik vraag me af hoeveel Albanezen de openingsceremonie hebben bijgewoond. Als er al geweest zijn, moeten ze hun tong stuk hebben gebeten van ergernis om alle Macedonische op-de-borst-klopperij. ‘Of er Albanezen waren?’ reageert Ana geprikkeld. ‘Iedereen is welkom, nema problema . Als er geen Albanezen zijn, dan is dat omdat het festival ze blijkbaar geen zier interesseert. De Albanese cultuur is volkomen op zichzelf gericht, uit een panische afkeer voor alles wat slavisch of anders is dan het eigene.’

In het ‘park van de poëzie’ mag de Ierse laureaat met de handen als kolenschoppen, een laurierboom planten, zoals alle winnaars van de ‘ Gulden Lauwerkrans’ voor hem. Het priëel staat vol met laurierbomen die veelal door inmiddels overleden dichters zijn geplant. Voor een rillerige dunne staak is een marmeren schrijn neergezet. ‘Behalve een dichter ben ik ook een plattelandskind, dus die boom plant ik met plezier,’ verklaart Heaney met een spade in zijn hand. De dichter leest, staand naast een hoopje aarde, het gedicht ‘Digging’ voor, een geserreerd portret van zijn boerende vader en turfstekende grootvader. ‘Between my finger and my thumb/The squat pen rests; snug as a gun ‘, zo begint het gedicht. ‘Under my window, a clean rasping sound/When the spade sinks into gravely ground:/My father, digging. I look down./(…)‘

Heaney steekt de spade in het zand. De handeling geschiedt gedecideerd, eerder stram dan soepel, maar heeft toch iets sacraals. Alsof je de dichter hier in de Macedonische aarde de grondlagen van zijn stoffelijke verleden bloot zich leggen. En alsof je, vanuit het zand, drie mannen elkaar de hand ziet reiken, drie boerenzonen hier ziet graven, opeenvolgende generaties die in verticale lijn een hele eeuw omvatten. ‘ By God, the old man could handle a spade./ Just like his old man.’

De spade die begon in de handen van de turfsteker, ging over als schop in de handen van de landarbeider, en werd uiteindelijk een ‘squat pen, snug as a gun’ tussen duim en wijsvinger van de schrijver. Met in zijn knuisten nu een echte spade, bevindt Heaney zich voor even bovenaan de ladder van de tijd – zijn handen overlappen die van zijn grootvader de turfsteker.

‘ My grandfather cut more turf in a day/Than any other man on Toner’s bog./Once I carried him milk in a bottle/Corked sloppily with paper./He straightened up/To drink it, then fell to right away/Nicking and slicing neatly, heaving sods// Over his shoulder, going down and down/For the good turf. Digging.’

Plotseling krijgt de opmerking over het ‘homecoming gevoel’ dat de dichter gisteren beschreef in de pianobar, een heel andere lading. De rijzige Ier met het knoestige postuur, blijkt niks teveel te hebben gezegd. Seamus Heaney is hier, aan het andere einde van Europa, volkomen in zijn element. Hij geeft de spade door met een plechtig gebaar aan zijn Macedonische collega’ s. En de overige dichters verdwijnen moeiteloos in de hoekige schaduw van een ferme Ier met drie paar handen. .

‘ (…) The cold smell of potato mould, the squelch and slap/Of soggy peat, the curt cuts of an edge/Through living roots awaken in my head./ But I’ve no spade to follow men like them.//Between my finger and my thumb/The squat pen rests./ I ‘ll dig with it.‘

Het handjevol journalisten dat de moeite heeft genomen om via de 300 kilometer lange omweg naar Struga te rijden (de normale weg via Tetovo is afgesneden door de rebellen) is alleen geinteresseerd in politieke issues. Dagenlang blijven ze hengelen naar een verlossend inzicht van de geletterden op het festival, een bemoedigend woord, een steun in de rug voor de nationale Macedonische zaak. Maar niemand van de dichters laat zich verleiden tot het betweterige engagement waarmee Franse filosofen als Bernard-Henry Levy en Alain ‘ Finkielkroat’ in eerdere Balkanconflicten het publieke debat domineerden. ‘Veel interessanter dan het geven van een obligate opinie of analyse,’ ; spreekt Seamus Heaney overtuigd, ‘is het juist om te bepalen in hoeverre dichters verschillen van geschiedkundigen of toekomstvoorspellers.’

Toch probeert Heaney zijn Macedonische collega’s nog een beetje moed in te spreken. ‘Aan de huidige situatie kleven voor- en nadelen, moet u maar denken. Het slechte nieuws is dat Macedonië nu bekend raakt als een land waar burgeroorlog dreigt. Het goede nieuws is dat het conflict de Macedonische poezie een zekere glans zal verlenen, glamour . Het succes van de Ierse literatuur in de wereld, is deels te danken aan het geweld in Noord-Ierland. Persoonlijk sluit ik me aan bij Vaclav Havel, die zei: “ik geloof in hoop. Hoop verschilt van optimisme; hoop is ergens aan werken dat de moeite loont.” Ik denk dat u hier in Macedonië werkt aan een oplossing; daarom ziet het er naar mijn indruk toch lichtjes hoopvol uit. Meer kan ik er niet over zeggen…’

In het centrum van Struga, dat voor zestig procent uit Albanezen bestaat, heerst een gespannen rust. Avdi (24), een Albanese kappershulp, legt me uit dat zijn volk altijd heeft moeten leven met de minachting en afkeer van de slavische Macedoniërs. ‘Wij waren dat gewend en hebben ons lot altijd ondergaan. Nu, voor het eerst, is ónze haat aan de oppervlakte gekomen. Open en bloot. De Macedoniërs zijn dat niet gewend, en verkeren in paniek. Het meerendeel van mijn volk wil nog steeds met de Macedoniërs samenleven. Maar uit slavische mond komt alleen nog oorlogstaal. Erg onverstandig, want Albanezen uit alle windstreken zullen ons in geval van oorlog te hulp schieten. Zes miljoen Albanezen zullen over één miljoen slaven heen walsen. De Macedoniërs hebben geen schijn van kans.’

Visser Dimitar Ginovski (24), een stevige jongen met een donker ringbaardje, toegeknepen ogen en een zachte stem, neemt me mee het meer op in zijn houten schuit. Na een kwartier varen werpt hij zijn netten uit. De tijd heeft hier stilgestaan. De ouderdom van het bergmeer op de grens van Macedonie en Albanie blijkt uit de aanwezigheid van een vissoort (‘pastrumka’) die elders op aarde alleen nog als fossiele afdruk wordt teruggevonden. De vangst ervan is verboden voor toeristen, en zelfs voor beroepsvissers uit de dorpen gelden strikte quota. De zon komt op boven de donkere ruine van tsar Samoil. Mistflarden drijven langs de oever. De boot dobbert rustig op de kabbelende golven. ‘Macedonie is hoe dan ook een prachtig land,’ zeg ik. ‘ Wás een prachtig land,’ corrigeert Dimitar me. ‘We hebben liggen slapen, en worden wakker in een huis dat voor de helft is leeggeroofd. En wat een dief jat, geeft hij niet meer terug. De Albanezen zullen gek zijn. Met een paar strategische verrassingsaanvallen hebben ze in zes maanden bereikt, waar ze anders zestig jaar op hadden moeten wachten.’ Dimitar trekt aan zijn netten, en hijst de eerste forel en kleine ‘fossili’ -visjes aan boord. De pastrumka hebben uitpuilende ogen en lange blauwe vinnen. Ze smaken het lekkerst als ze gefrituurd zijn. De graat schijn je er met je tanden in een keer te moeten uittrekken. Vervolgens spuug je die op een bord en eet je de vis helemaal op.

Aristoteles heeft ooit geschreven dat de dichtkunst ‘verheven is boven wat de tijd zoal zal leren’. Een goede dichter is, met andere woorden, allerminst een notulist van de geschiedenis, en evenmin een ‘ziener’ of ‘verkondiger’. De muze die hij dient is Caliope, die met de schone stem. Of Erato, die met de lier. Zo niet op de Balkan, en zeker niet in Struga, waar het gros van de dichters elk jaar weer lijkt weggelopen onder de stijve hoepelrok van Polyhymnia. Op het gebied van orerende dichters die hun pastorale obsessie combineren met politieke ambities, heeft de regio een traditie hoog te houden. Nergens anders in Europa gaan de twee zo klef en desastreus hand in hand. Misschien heeft het ermee te maken dat de fase van het nationbuilding op de Balkan nog in volle bloei is. Misschien ook dat dichters zeker in de rurale gebieden nog echt op handen worden gedragen, terwijl politici bij het volk gehaat zijn en gezien worden als nepotisten en zakkenvullers. Radovan Karadzic, Nicolaj Koljevic, Vuk Draskovic, Vladimir Boskovski (de Macedonische minister van Binnenlandse Zaken), Ljupco Georgievski (de premier van Macedonië, net als Boskovski lid van de nationalistische partij VMRO)… ; allemaal beschouwden ze zich voor korte of langere tijd als uitverkoren door de muze van het ‘bloed en bodem’ – de schutsdame van de eigen ethnos die spreekt in lofzangen en hymnen. En allemaal stonden ze ooit op die vermaarde brug in Struga, tussen de bloemenmaagden die asters uitstrooien over het ijskoude water van de rivier; de plek waarover Seamus Heaney zei dat ‘ de poëzie in onze tijd nergens meer tot leven komt dan daar, aan de monding van de Zwarte Drim.’
Wat Radovan Karadzic heeft uitgespookt, is genoegzaam bekend. De vlammen die opstegen van Sarajevo stonden al beschreven in zijn versbundel voor kinderen getiteld Zwarte Sprookjes . En wie wil weten wat premier Ljupco Georgievski nog allemaal in petto heeft voor zijn land, leze zijn in broeierige seks en doem gedoopte debuut Apocalypse, of het megalomane vervolg daarop, De Stad , waarin de dichter beschrijft hoe hij het landerige plaatsje Delcevo verlaat om ‘het volk’ te redden van de chaos in de woelige hoofdstad Skopje. ‘Mijn bundels hebben één terugkerend thema,’ verklaarde Georgievski in 1994 aan Frank Westerman , destijds Balkan-correspondent voor de Volkskrant , ‘de wereld is slecht en lelijk. Er zit niets anders op dan haar te verwoesten en van de grond af aan weer op te bouwen.’

© Serge van Duijnhoven 2010

men leze in deze ook het even hilarische als verbluffende literaire verslag “Alles Zwart” in de non-fictie bundel Balkan – Wij noemen het rozen Uitgeverij Podium, ISBN 90-5759-123-5, 1999, prijs €15,90

de website van het festival

http://www.svp.org.mk/en/history.html

The Struga Poetry Evenings started in 1962 with a series of readings by a number of Macedonian poets in honor of the two brothers, Konstantin and Dimitar Miladinov, great intellectuals, teachers, and writers, born in Struga in the beginning of 19th century. Konstantin Miladinov has been considered the founder of modern Macedonian poetry and each year the festival officially opens with his memorable poem “Longing for the South” (“T’ga za jug”) written during his student days in Moscow.
As from 1963, when many poets from all Yugoslav republics also joined the festival, the “Miladinov Brothers” award was established for the best poetry book published in the Republic of Macedonia between two Struga poetry festivals. By 1966, the SPE turned into an international poetry event and, consequently, an international poetry award called “The Golden Wreath” was established, given to a world renowned living poet for his poetic oeuvre or life achievement in the field of poetry.
In 2003 the SPE and UNESCO established a close cooperation and jointly promoted a new award called “The Bridges of Struga” for the best first poetry book by young authors from all over the world.
Despite the tremendous difficulties and harsh realities that the festival has had to live with — the fall of Yugoslavia, the war in Bosnia, the Kosovo crisis, the political and ethnic clashes in Macedonia, the terrorist crisis after September 11th attacks, and the numerous political and economic embargos imposed on the region — the SPE has successfully flourished becoming one of the most important poetry festivals in the modern world. And that is a tribute to world poetry and its poets.
The Festival has offices in Struga and in Skopje (a director of office, an executive and a technical secretary) and is organized by a Festival Board, which consists of knowledgeable professionals in the field of poetry (poets, critics, translators, and professors in comparative literature and culture). The most attractive poetry events during the festival are “The Meridians” reading at the opening evening of the festival, and “The Bridges of Struga” reading at the closing of the festival. These are spectacular events that attract the citizens of Struga to come out in huge numbers and greet the poets from all over the world with their famous hospitality.
The festival also features two multimedia events (poetry, music and video) called “Nights without Punctuation”, will also be held, thus opening the festival for new, rather experimental forms of poetic presentations.
Every year, a day before its official opening, the festival also organizes a symposium on different and attractive topics. It attracts the attention of many literary experts from all over the world.
During all these years of its existence the festival has hosted about 4.000 poets, translators, essayists and literary critics from 95 countries of the world.
Every year the festival publishes a series of books in order to promote poetry by foreign authors to the Macedonian readership, as well as thematic anthologies of contemporary Macedonian poetry in English translation to readers abroad. These editions include the famous series “Pleiades”, featuring famous poets from all over the world and Macedonia. The thematic anthologies of Macedonian contemporary poetry include poets from all minorities in Macedonia published in their mother tongue, and in Macedonian and English translation. One of the most prestigiuos anthologies published every year is dedicated to a different national or regional poetry.
The Struga Poetry Evenings have also established an International Poetry Library. It contains books of all festival participants. Moreover, its International Poetic Archive contains significant materials (books, manuscripts, photographs, films etc.) available to any literary researcher or poetry lover. Therefore, all participants are asked in advance to donate copies to the Library before their arrival in Struga.

The Miladinov Brothers Award

The Miladinov Brothers Award is given for best book of poetry published between two editions of the International Struga Poetry Evenings Festival. The Miladinov brothers, Dimitar and Konstantin are renowned humanists and writers and educationists from the 19 century, born in the city of Struga. The older one, Dimitar Miladinov, was a teacher and collector of popular songs and stories, and the younger one, Konstantin, is more famous as a poet. During his studies in Moscow he wrote the most famous romantic poem in the Macedonian language, “Longing for the South”. This poem has become a symbol of the Festival, which traditionally opens with its verses read in several languages. The Miladinov brother ended their lives tragically in the Ottoman prisons, sentenced unjustly for their cultural and educational mission among their people.

The Miladinov Brothers Award was established in 1963, and the best book is selected after a publicly announced competition by the SPE Award Committee. The award is the most significant poetry prize in the Republic of Macedonia, recognized as a national poetry award.

Winners of the national poetry award the “Miladinov Brothers”

1963 Mateja Matevski
1964 Ante Popovski
1965 Radovan Pavlovski
1966 Bogomil Guzel
1967 Vlada Urosevik
1968 Petre M.Andreevski
1969 Mile Nedelkoski
1970 Petar T.Boskovski
1971 Petre M.Andreevski
1972 Bogomil Gjuzel
1973 Vlada Urosevik
1974 Blaze Koneski
1975 Gane Todorovski
1976 Aco Sopov
1977 Atanas Vangelov
1978 Milovan Stefanovski
1979 Slavko Janevski
1980 Eftim Kletnikov
1981 Mateja Matevski
1982 Mihail Rendzov
1983 Adem Gajtani
1984 Todor Chalovski
1985 Liljana Dirjan
1986 Vlada Urosevik
1987 Petko Dabeski
1988 Slavko Janevski
1989 Katica Kulafkova
1990 Rade Siljan
1991 Risto Vasilevski
1992 Jordan Danilovski
1993 Branko Cvetkosk
1994 Petre Bakevski
1995 Ante Popovski
1996 Svetlana Hristova-Jocik
1997 Gligor Stojkovski
1998 Gordana Mihajlova Bosnakovska
1999 Jovan Koteski
2000 Slave Gorgjo Dimoski
2001 Sande Stojchevski
2002 Radovan Pavlovski
2003 Eftim Kletnikov
2004 Petko Dabeski
2005 Petar T. Boskovski
2006 Bratislav Tashkovski
2007 Nikola Madzjirov
2008 Risto Lazarov
2009 Vesna Acevska

Bridges of Struga Award

As a result of the initiative rising from the communique signed in 2003 between the Ministry of Culture of the Republic of Macedonia and UNESCO, among other issues, a new award, “Bridges of Struga” was established. This award is given to a young poet from all over the world for a best first book of poetry, after a public competition issued by the Festival and the member states National Commission for UNESCO. A special selection, called “Bridges” is published, including the poetry of the award winner, and all the other competitors for the award. This selection includes poems in the mother tongue of the poets, and translations into Macedonian and into one of the major languages of the world.
Winners of the “Bridges of Struga” award for best first poetry book in the world
2004 Angelo V. Suarez (The Philippines)
2005 Andrea Cote (Colombia)
2006 Marianna Geide (Russian Federation)
2007 Manua Rime (Belgium)
2008 Antonija Novakovic (Croatia)
2009 Ousmane Sarr-Sarrouss (Senegal)
2010 Siim Kera (Estonia)

Golden wreath Award

In 1966, the Struga Poetry Evenings have grown into an international poetry manifestation. The same year the international poetry award the “Golden wreath” award was established. This prestigious award is given to a world famous live poet for his poetry and his deed. It’s an award made entirely by hand. It has the shape of a wreath with filligrans and it is made from gold.

Recepients of the Golden wreath Award

1966
Robert Rozdestvenski (Russia)

1967
Bulat
Okudzava (Russia)

1968
Laslo
Nadz
(Hungary)

1969
Mak Dizdar (Bosnia and Herzegovina)
1970
Miodrag
Pavlovic
(Yugoslavia)

1971
Wystan
Hugh Auden
(USA)

1972
Pablo
Neruda
(Chile)

1973
Eugenio
Montale
(Italy)

1974
Fazil Hisni
Daglarga
(Turkey)

1975
Leopold
Sedar Sengor
(Senegal)
1976

Eugene
Guillevic
(France)
1977
Arthur
Lundkvist
(Sweden)
1978
Rafael
Alberti
(Spain)
1979
Miroslav
Krleza
(Croatia)
1980
Hans Magnus Enzensberger (Germany)
1981
Blaze
Koneski (Macedonia)
1982
Nikita
Stanescu (Romania)
1983
Sachidanand H. Vatsjajn-Agjej (India)
1984
Andrej Voznesenski (Russia)
1985
Janis
Ritsos
(Greece)
1986
Allen
Ginsberg
(USA)
1987
Tadeus Ruzhevic (Poland)
1988
Desanka Maksimovic (Yugoslavia)
1989
Thomas Shapkott (Australia)
1990
Justo Horhe Padron
(Spain)
1991
Joseph
Brodsky
(USA)
1992
Ferenzs
Juhas (Hungary)
1993
Genadi Ajgi (Chuvash Republic, Russia)
1994
Ted
Hughes
(Great Britain)
1995
Jehuda
Amichai
(Israel)
1996
Makoto
Ooka
(Japan)
1997
Adonis
(Syria)
1998
Lu Juan
(China)
1998
Yves
Bonnfoy (France)
2000
Edoardo Sangvinetti (Italy)
2001
Seamus
Heaney
(Ireland)
2002
Slavko
Mihalic
(Croatia)
2003
Thomas Transtroemer
(Sweden)
2004
Vasço
Grassa Moura
(Portugal)
2005
William
S. Merwin
(USA)
2006
Nancy
Morejon
(Cuba)
2007
Mahmoud Darwish (Palestine)
2008
Fatos Arapi
(Albania))
2009
Tomaz Salamun
(Slovenia)
2010
Ljubomir Levcev
(Bulgaria)

“Exodus” opus 36 – compositie van Jan Walraven voor alt-mezzo en piano

desc

via Dichters Dansen Niet: “Exodus” opus 36 – compositie van Jan Walraven voor alt-mezzo en piano.

Exodus” opus 36

compositie voor alt-mezzo en piano

compositie/piano: Jan Walraven

alt-mezzo: Loes van Langerak

libretto: Serge van Duijnhoven

première vond plaats op 13 juni 2010 in de Lambertuskerk te Vught

in het kader van het project “Zinnenbeelden Viermomenten”


Kunstwerk Jolande Traa – Lambertuskerk Vught


http://www.indenwouwdfluit.nl/cms!/index.php?option=com_content&task=view&id=14&Itemid=26

E X O D U S

Wie vreemdeling is hier was elders kind aan huis.


© fotografie & grafisch ontwerp: l.j.a.d. creyghton, haaren [nl]

On est tous des étrangers.

Reizigers met retourbewijs op dooltocht door een ruimte die een
ieder zich moet eigenmaken.
Eigenwijs is wilskracht die ons drijft.
Ons leven als het nieuwe land, de grond waarin het graan
nog met de hand wordt uitgezaaid.
De haren op ons hoofd zijn als het riet op de daken.
Onze huid is als het barstig leem van onze stulp.
Ons vel schuurt over opgejaagde botten.
Onze stem roept op zijn mooist om hulp.

On est tous des étrangers.

Wat we zoeken is rust, asiel in eeuwigheid.
Wat we zijn is waar we zijn gevallen: gewervelde dieren en waaraan ten prooi als wild in het vizier. Een kudde in de muil van de natuur.
We zijn horig en futiel. Stofdeeltjes die opgedreven.
Kregen een naam toegewezen.
Ook dat wij leven was niet ónze keus.

On est tous des étrangers.

Ook dat wij leven was niet ónze keus.
Alles wat wij zijn is bruikleen toebehoren aan Tijd alleen;
die malicieuze makelaar en miljardair.
Die onze lijven willens en wetens laat verkrotten.
Over onze hoofden speculeert.
Die ons plukt en uitperst als olijven, uitspuugt als de pit.
Met avondval vertrekken we.
Sluipen ervandoor. Ons uitreisvisum is de dood.


concept en uitvoering: L.J.A.D. Creyghton

Dichters en beeldend kunstenaars uit Noord-Brabant en voorgangers van 12 kerken rondom ‘s-Hertogenbosch ontmoetten en inspireerden elkaar in 2009 en 2010 gedurende het artistieke project “Zinnenbeelden Viermomenten”.

Ze verdiepten zich samen in een vantevoren bepaald kerkelijk feest en brachten dit tot uitdrukking in hun “in elkaar gewikkelde polyfone versmelting” van poëzie en beeldend werk.

Zinnebeelden_A5_voor

L.J.A.D. Creyghton en Serge van Duijnhoven kregen de 40-dagen tijd toegewezen. Wat uiteindelijk resulteerde in hun EXODUS project, dat van 26 februari tm 11 april 2010 een meditatieve plek vond aan weerszijden van het altaar in het monumentale stokoude (tegenwoordig protestantse) kerkje van de “Samen Op Weg Gemeente” aan het Raadhuisplein te
Berlicum. Daarnaast liet L.J.A.D. op sjiek formaat een postkaart drukken met aan de ene kant een foto van een in het wad en het water weggezonken voetstap van voorbijgetrokken wadlopers. Aan de andere kant was de imprint te lezen van de tekst van Serge’s gedicht. Deze postkaart was als aandenken aan de manifestatie vrijelijk te verkrijgen in de kerk.

ZINNEBEELDEN_A5_achter

“Met avondval vertrekken we.
Sluipen ervandoor. Ons uitreisvisum is de dood…”
– uit: Exodus

OVER DE ARTIESTEN

Jan Walraven studeerde Kerkmuziek aan het Nederlands Instituut voor Kerkmuziek te Utrecht. Albert de Klerk, Herman Strategier, Wouter Paap, Bernard Bartelink en Maurice Pirenne gaven de lessen. Hij vervolgde zijn studies aan het Rotterdams conservatorium bij Arie Keijzer.
 
Ook nam hij actief deel aan de Haarlemse orgelmaand bij Ewald Kooiman.
Wegens zijn grote belangstelling voor de menselijke stem is hij een ideale begeleider voor zangers. Samen met zijn echtgenote Loes van Langerak – altzangeres – organiseert hij sinds 1978 kamermuziekconcerten in hun eigen concertzaal In den Wouwdfluit. In 1995 is zijn eerste CD verschenen met 10 eigen composities voor piano en in een transcriptie voor orgel. Deze CD is opgenomen in Schouwburg De Kring Roosendaal en in de Lambertuskerk te Wouw. Het zijn 10 muzikale gedichten, geschreven bij de gelijknamige gedichtenbundel Linguisticum van Albert Hagenaars uit Bergen op Zoom. Bij de première in 1995 danste Madeleine Benjert solo bij deze muziek in Bergen op Zoom en Luxemburg. Jan is mede initiator van de bouw van het Hollandse Verschueren orgel in de Lambertuskerk te Wouw.
 
Voor het derde Millennium schreef Jan Walraven de Kerkopera We Wouwen Licht op tekst van Sabine Keijzer. Jan Walraven componeerde ook twee kleine opera’s voor kinderkoor eveneens op tekst van Sabine Keijzer. Het Lelijke Eendje – voor 5 instrumenten, koor en piano en De Markies van Karabas voor koor en piano.
 
Jan Walraven is als Kerkmusicus bijna 40 jaar verbonden geweest aan de Lambertuskerk te Wouw.

Loes van Langerak, zangeres en beeldend kunstenaar, heeft veel Lied programma’s gezongen. Op het gebied van Oratoria, Passionen en Kerkcantates is ze als soliste werkzaam geweest. Samen met haar man Jan Walraven, gaf zij veel Kerkconcerten in binnen- en buitenland. Er is een verzamel CD gemaakt van haar live optredens.
Op deze CD staan werken van Liszt, Diepenbrock, Borodin, Monnikendam, Händel, Bach en Hans Kox. De kunstmoestuin speelt een grote rol in het dagelijks leven van de artiesten Loes van Langerak en Jan Walraven. Zij werden geïnspireerd door de “potager d’ornement” te Villandry: het schone verenigen met ons dagelijkse eten. Groentebedden worden omringd door guirlandes van buxushaagjes. Enkele kunstwerken maken deze moestuin tot een lust voor het oog en de smaakpapillen. De titel van de CD is Loes van Langerak en Jan Walraven live. Fragment-1: Lied van Borodin voor Alt, Violoncello, en piano met aftiteling.
Contact:
loesvanlangerak@gmail.com

Serge R. van Duijnhoven (1970) is schrijver, dichter en historicus. Frontman van het muziekgezelschap Dichters dansen niet. Woonachtig te Brussel, geboren in Oss (Noord-Brabant, NL). Oprichter van tijdboek MillenniuM en de Stichting Kunstgroep Lage Landen. Verbleef in Sarajevo voor De Morgen en de Volkskrant. Debuteerde in 1993 met de dichtbundel Het paleis van de slaap (Prometheus) en een kleine biografie over Haile Selassie; de laatste Ethiopische keizer (Jan Mets). Recente publicaties: De zomer die nog komen moest (Nieuw Amsterdam), Klipdrift (Nieuw Amsterdam),{Balkan}Wij noemen het rozen (Podium), Fotografen in tijden van oorlog (Ludion), Obiit in orbit; aan het andere einde van de nacht (De Bezige Bij), Bloedtest (De Bezige Bij) en Ossensia Brabantse gezangen (Jan Cunen). Serge van Duijnhoven is freelance medewerker van Vrij Nederland, De Groene Amsterdammer, alsmede van De Morgen en http://www.cobra.be. Tevens werkt hij jaarlijks in Cannes als filmverslaggever voor het International Feature Agency en de VRT.

WEBSITES/WEBLOGS:

http://www.reverbnation.com/dichtersdansenniet
– https://sergevanduijnhoven.wordpress.com
– http://sergevanduijnhoven.blogspot.com
– http://www.nieuwamsterdam.nl/sergevanduijnhoven

fotograaf: Igor Freeke

Concertzaal In den Wouwdfluit – Jan Walraven

In den Wouwdfluit
Jan en Loes Walraven van Langerak

Omgang 10 – 4724 EP – Wouw Nederland

Verscholen achter een markant woonhuis uit 1932, Amsterdamse School, ligt het theater 
In den Wouwdfluit”. Dit idee, dit concept, is van het echtpaar Walraven van Langerak. 
Loes heeft veel concerten gegeven als altzangeres en Jan Walraven treedt op als organist.
Het publiek weet de weg te vinden naar dit zeer intieme theater in Wouw.
Men is altijd verrast door de aangename sfeer die dit vestzaktheater ademt.
Op het podium staan een Pleyel vleugel en twee mechanische pijporgels (door BAG).
De akoestiek is uitstekend, mede door het gebruik van natuurlijke materialen als stuc, 
hout en travertijn.
De concertserie gaat de 36e jaargang in.
Er is veel gedaan om niet alleen het oor maar ook het oog te strelen.
In de zaal en de tuin is werk te zien van kunstenaars als Kees Keijzer en Joost Keijzer, 
Grzegorz Bienias, Dariusz Wozniak uit Kraków,  Stan Linssen en Loes van Langerak.
Loes van Langerak heeft inmiddels een grote collectie beelden vervaardigd in keramiek 
en steen. Beelden voor buiten en binnen. Bezichtiging op afspraak. 

Jan en Loes weten met hun uitgebreide scala aan artistieke mogelijkheden zeer te boeien.
Jan Walraven is bijna 40 jaar als kerkmusicus verbonden geweest aan de Lambertuskerk te Wouw. Loes van Langerak heeft daar het Kinderkoor en het Jongerenensemble bijna 15 jaar geleid. De serene sfeer, de vaalwitte Cisterciënzerkleur en de mooie akoestiek maken deze kerk tot een ideale ruimte voor religieuze ontmoetingen, sfeervolle concerten en meditaties.
De bewogen geschiedenis van deze kerk en de affiniteit van Jan Walraven en Loes van Langerak hiermee, rechtvaardigen de pagina Lambertuskerk. U vindt artikelen en foto’s van vóór 1944. Daarnaast foto’s na de glorierijke wederopstanding in 1951. Landschapfotograaf Willem Laros heeft veel foto’s in de kerk gemaakt die gebruikt worden bij concerten, Cisterciënzerlezingen, rondleidingen en schoolbezoeken.

VERANTWOORDING

Op 13 juni 2010 om 14.00 uur werden in de Lambertuskerk, Helvoirtseweg 5 te Vught, vier nieuwe werken van Brabantse componisten ten gehore gebracht. Het ging om toonzettingen van gedichten van Frans August Brocatus, Serge van Duijnhoven, Y. Né en Vrouwkje Tuinman. Hun gedichten zijn op muziek gezet door achtereenvolgens Jacques van den Dool, Jan Walraven, Danielle Sluijmers en Diederik van Essel.

De bijeenkomst was tevens de afsluiting van het kunstproject Zinnenbeelden Viermomenten, dat 31 oktober 2009 in ‘s-Hertogenbosch van start ging.

Exodus in woord en beeld

De S.O.W.-Gemeente in Berlicum deed mee aan het projekt “Zinnen Beelden Vier Momenten”: dichters en beeldend kunstenaars uit Noord-Brabant en voorgangers uit twaalf kerken in en rond ’s-Hertogenbosch, ontmoetten en inspireerden elkaar. Verdiepten zich samen in de achtergronden rond een vantevoren bepaald kerkelijk feest en brachten hun gedachten hierover tot uitdrukking in poëzie en beeldend werk.



©
L.J.A.D. CREYGHTON – (Westernieland I 03.VIII.2009 I N 53.26′ 44″ / O 6. 28′ 52″ I 43 x 227cm panorama)

In de periode rond Pasen (van zaterdag 6 maart tot zondag 11 april) was de kerk in Berlicum aan de beurt, samen met de abdij in Heeswijk en de protestantse kerk van Dinther. Al vanaf de 1e zondag van de veertigdagentijd (21 februari) hing er voorin de kerk ter linkerzijde vanaf de kerkgangers gezien, een prachtige langgerekte foto van L.J.A.D.Creyghton (Westernieland I 03.VIII.2009 I N 53.26′ 44″ / O 6. 28′ 52″ I 43 x 227cm panorama)

Daartegenover, als was het in een een-twee-spraak met de haast oud-testamentische compositie van de wadlopers die tussen lucht en horizon verwijnen in de (zie de gids met de lange houten wadden-peilstok) bedrukte ruimte, hing een gehandtekende afdruk van het gedicht van Serge van Duijnhoven waarin gesteld wordt: “vreemdelingen zijn wij allemaal, reizigers met retourbewijs…”

Beide kunstzinnige uitingen werden geexposeerd n.a.v. de 40dagentijd, daarbij in het bijzonder geïnspireerd door het verhaal van de uittocht uit Egypte. Piet Vliegenthart omschreef het op zijn weblog dominee Piet als volgt: “Wat te zien is (foto) en te lezen (gedicht) is, zal mee ademen in de tijd waarin we op weg zijn naar Pasen.”

bron: http://sites.google.com/site/domineepiet/enverder….

Exodus door de dichter zelf gelezen

Op zaterdagmiddag 6 maart 2010 las Serge van Duijnhoven zijn gedicht voor in de Samen Op Weg kerk in Berlicum. Het is hier te beluisteren:
http://sites.google.com/site/domineepiet/DVDVR-Title1_CUT.mp3?attredirects=0</

overige bronnen:

– sowberlicumrosmalen.nl

– vuur-en-vlam.nl

– indenwouwdfluit.nl

– sergevanduijnhoven.blogspot.com/2010/08/concertzaal-in-den-wouwdfluit-jan.html

– creyghton.com

– cbks-hertogenbosch.nl/index.cfm?art_id=655&chapter_id=2

Het boek bij de tentoonstelling:

Zinnen beelden – vier momenten
Prijs Euro 17.50
Bertram Westera (red.)
Ingenaaid: paperback,kaft slap, 240 pagina’s
Verschenen: november 2009
Gewicht: 740 gram
Formaat: 228 x 226 x 12 mm
SKANDALON nl
EAN 9789076564852
ISBN-13: 9789076564852

De auteur dankt Bert, Jan, Loes en Bertram, Dominee Piet en overige betrokkenen van de S.O.W. Berlicum-Rosmalen van harte voor hun verrassende samenwerking, steun en inspiratie gedurende de verschillende fasen van het project.

AudioPlayerWidget



Tot diep in t donker – Brugge 27 mrt 2010

Gedichten voorgedragen tijdens de Rock ’n Roll serie van TOT DIEP IN T DONKER – in de concertzaal van het Muziekgebouw te Brugge 27 maart 2010.

http://www.hoedgekruid.be/?Foto%27s:2010:27_maart%3A_po%26euml%3Bzienacht…_tot_diep_in_het_donker

ZELFPORTRET ZONDER IK

I

de geheimagenten van mijn bewustzijn

schaduwen mijn brein

wie bepaalt er wie de vijand is?

degene die zich in mijn naam

verbasterd heeft van tegenpartij

(`en-e-my’) tot die ene-in-mij

twee wezens uit hetzelfde nest

ontstaan; mijn lichaam blijkt

bestand. Mijn verstand

gaat kopje onder

in het gistende moeras

van het handjevol verwanten

dat ik was

II

en dan vallen de schellen

van het zelf

dak wordt bodem

droom gewelf

ik ben de magneet

zonder pool

de komeet die vlucht

voor zijn staart

er is een membraan dat ik

van mij gescheiden houdt

een impermeabele wand

die ons binnenstebuiten keert

een stemmetje dat kliert

haas kipjelekker,

haast je niet”

moet me vloeibaar maken

schoon genoeg en spoelen

dat gemoed, alleen:

mijn bloed

verdraagt mij

niet

BIJ EEN SLAPEND LICHAAM

ik wil dat je mijn bedoelingen doorgrondt

ik wil dat je de prijs leert kennen van verlangen

de schaal van de dingen, ik wil dat je begrijpt

waarom men het aardige overwaardeert

ik wil je horen zeggen:

‘alles dient slechts om te winnen

alles is taktiek; wij spelen

allemaal’

ik wil dat men ons geheim zal bewaren

dat we elkaar geruisloos achtervolgen als jagers

ik wil dat we bereid zijn onze ziel in te zetten

zoals we een munt inwerpen bij een gokautomaat

ik wil de tijd terug dat ik wijs werd uit mijn dromen

ik wil de tekens terug die ik heb nagelaten op je huid

ik wil je kunnen voelen met mijn ogen in het donker

met mijn nagels nagaan waar je bent geweest

ik wil dat jouw handen me in koele lakens wikkelen

ik wil zien of jouw zijde van de mijne verschilt

ik wil dat je sterker zal zijn naar het einde

ik wil je laten denken dat je wint

ik wil dat je je zonder mij een vondelinge voelt

een zonderlinge in de leegte, ik wil je zien bibberen

in de kou. Ik wil je zwetend, warmgewreven

ik wil je hondsdol, biddend om berouw

ik wil dat je mijn gedachten kunt lezen

ik wil dat je mijn hart kunt raken

op de fatale plek. Het interesseert me niet

wie de wonden veroorzaakt. Het interesseert me niet

hoeveel het er zijn. Ik wil alleen belang stellen

in wat me beheerst. Ik wil op een prachtige plek zijn

als ik sterf. Ik wil kunnen verdrinken in een Rode Zee

me verwonden aan een giftig koraal, aanspoelen

op een hagelwit strand, met jouw smaak nog

op mijn lippen. Ik wil je niet kapotmaken

ik zou niet weten hoe. Kon ik maar zeggen:

ik zal je vergeten. Kon ik maar zeggen:

ik laat je met rust

maar liegen kan ik niet

ik denk altijd aan je, echt waar

ik zal voor altijd aan je denken

DER DUFT DER FRAUEN IN NYLON

O zalige geur van vrouwen in nylon

O verrukkelijk leer met een slag om de arm

O dampende dij, malse heup, vaar langszij

O weegbree en wei en het ziltgroen van zomers

Ach vloed spoel het ruig met je buik in het schuim

Ach eb voel het zand met je rug en ontluik

Ach nimf en beschimp in je niks hier het puik

Ach schim ik die lik het verraderlijk zout van jouw lippen

Wee mij die verzaakt moedwillig zijn plicht en verziek(t)

Wee mij die zijn plecht wendt halsstarrig naar jouw klippen

Wee mij die meer wilt schenken dan er zit in de kruik

Mauro Pawlowski verzorgde de muzikale interludes tijdens de Rock n Roll sessie van Poezie in t donker te Brugge

VERBETEN DE CREDO’S

Verbeten de credo’s, verwaterde passies.

Verworpen de dogma’s, verzwegen de schuld.

Vermoord is de onschuld, beschaamd het vertrouwen.

Verspild is het water, profaan de confessie.

Verzaakt de communie, ons eigenste bloed.

Verhaspeld de kavels, verschrompeld het land.

Verdorven het aanschijn, ons eigenste volk.

Verkorven de welvaart, voorzie in de droogte.

Drink van mijn woorden, graaf naar de bron.

Het ooft aan de bomen, het zout van de aarde.

Het paard voor de wagen, de schamele oogst.

Schraal is de troost, bitter het aanzicht.

Niets is zo zielig, en niets is bestand.

Vergeefs is de franje, en ijdel het leven.

Vermom je verlangens, kies wie je gade.

Weer af het onheil, spot met de waan.

De mens is een dier, het monster de mensen.

De hemel is eindig, de aarde is rond.

Bid de verwoester, smeek tot de Almacht.

Kus me mijn min, vergeef me de onmin.

Verzegel je lippen, verbrand al mijn brieven.

Vergeet wie ik liefhad, vertel wie ik was.

Dans op het altaar, kniel voor het toeval.

Niets is te dol, en niets is voorhanden.

Genade is nakend, en nu nog het naakt.

SERGE EERT SERGE

B I T T E R Z O E T

Serge eert Serge

een lyrische hommage

aan Serge Gainsbourg

© Guuznord

© 2010 Serge van Duijnhoven

Soirée Gainsbourg
Bitterzoet, Spuistraat 2, Amsterdam
Woensdag 17 maart 2010
Deur: 21u entree: 10 euro

Je kunt heel goed roken op de muziek van Serge Gainsbourg. Maar ja,
dat mag niet meer. Dus moeten we erop dansen. Op 17 maart, de dag
voordat de schitterende film over zijn heldenleven in première gaat
in Nederland, wordt Serges muzikale nalatenschap gevierd in
Bitterzoet met optredens van Flora Dolores (en wat leden van The
Spinshots), Serge van Duijnhoven (dichter en schrijver) La Secte
Citron (theatre en muziek) en Paris-Maastricht (muziek) en dj’s
Guuzbourg en Natashka. Alles wat Gainsbourg zo bijzonder maakte, zijn
erotisch geladen teksten, zijn jazzy nummers, de disco, de reggae, de
psychedelica, het komt allemaal aan bod. Twintig jaar na zijn dood is
Gainsbourg een ikoon geworden voor kunstenaars, modeontwerpers,
muzikanten, schrijvers en dj’s. Je t’aime…moi aussi!

DJs:
– Guuzbourg (samensteller van o.a. Gainsnord)
– Natashka (DJ/eventplanner van Oh La La)

Live acts:
– Flora Dolores (van The Spinshots) (muziek)
– La Secte Citron (theatre en muziek)
– Paris-Maastricht (muziek)
– Serge van Duijnhoven / Dichters Dansen Niet & DJ Celtric (lyrische interpretaties van Gainsbourg op muziek)

Meer info:
http://www.oh-la-la.nl
http://www.bitterzoet.com
http://www.fillessourires.com/

Op 2 maart 2011 is het twintig jaar geleden dat de Franse zanger, componist en aartsprovocateur Serge Gainsbourg (1928 – 1991) overleed in zijn Hôtel Particulier in de Rue de Verneuil te Parijs. Voor tal van internationale muzikanten blijft Gainsbourg een voortdurende inspiratiebron. Volgens de Nederlandse journalist, fan en deejay Guuzbourg, samensteller van de prachtige tribute-cd Gainsnord – Serge’s Songs Revisited By Bands From The Lowlands (met oa. Tom Barman, West Hell 5, Eddy de Clercq, Marine Boréale, Monsieur Dubois en Benjamin Herman), is hij “een van Europa’s meest invloedrijke songschrijvers, samen met de B’s van ABBA. Een man met een schat aan schitterende liedjes vol dubbele bodems en zelfverzonnen woorden. Die hij zelf zong, maar vaker nog schonk aan de prachtigste vrouwen.”

De jaarlijks terugkerende Soirées Gainsbourg in Vlaanderen en Nederland bewijzen dat ook buiten Frankrijk de chansons van deze poète maudit nog steeds volop tot de verbeelding spreken.

Gainsnord – Serge’s Songs Revisited By Bands From The Lowlands (met oa. Tom Barman, Eddy de Clercq, Marine Boréale, Monsieur Dubois en Benjamin Herman). Samengesteld en ingeleid door Guuzbourg. Essential Music – Sonic Scenery. Son 708028, 18,- www.fillessourires.com/gainsnord

DE NACHTUIL VAN VERMAAK

‘La laideur, mon p’tit, tu le sais

est entièrement supérieure à la beauté

La beauté se meurt un jour.

La laideur d’ailleurs, c’est pour toujours.’

  1. .-.

In gefilterd licht

streelt hij de zinnen

met de ogen van

een veroordeelde

.-.

drinkt hij whisky

uit een tandenborstelbeker

smelt het ijs in zijn keel

het mannelijke fluïdum

.-.

Het mooie wanhoopt

het lelijke speelt

om het malicieuze

te bezweren, Serge

.-.

In alcohol en nicotine

als een vogel zonder veren

seint hij ons de booschap

van het vlotte toeval

Bah oui, monsieur Gainsbourg, da’s al…’

.-.

(en een vreemd gevoel

van infernale gruizigheid)

ZELFPORTRET ZONDER IK

I

de geheimagenten van mijn bewustzijn

schaduwen mijn brein

wie bepaalt er wie de vijand is?

degene die zich in mijn naam

verbasterd heeft van tegenpartij

(`en-e-my’) tot die ene-in-mij

twee wezens uit hetzelfde nest

ontstaan; mijn lichaam blijkt

bestand. Mijn verstand

gaat kopje onder

in het gistende moeras

van het handjevol verwanten

dat ik was

II

en dan vallen de schellen

van het zelf

dak wordt bodem

droom gewelf

ik ben de magneet

zonder pool

de komeet die vlucht

voor zijn staart

er is een membraan dat ik

van mij gescheiden houdt

een impermeabele wand

die ons binnenstebuiten keert

een stemmetje dat kliert

haas kipjelekker,

haast je niet”

moet me vloeibaar maken

schoon genoeg en spoelen

dat gemoed, alleen:

mijn bloed

verdraagt mij

niet

BIJ EEN SLAPEND LICHAAM

ik wil dat je mijn bedoelingen doorgrondt

ik wil dat je de prijs leert kennen van verlangen

de schaal van de dingen, ik wil dat je begrijpt

waarom men het aardige overwaardeert

ik wil je horen zeggen:

‘alles dient slechts om te winnen

alles is taktiek; wij spelen

allemaal’

ik wil dat men ons geheim zal bewaren

dat we elkaar geruisloos achtervolgen als jagers

ik wil dat we bereid zijn onze ziel in te zetten

zoals we een munt inwerpen bij een gokautomaat

ik wil de tijd terug dat ik wijs werd uit mijn dromen

ik wil de tekens terug die ik heb nagelaten op je huid

ik wil je kunnen voelen met mijn ogen in het donker

met mijn nagels nagaan waar je bent geweest

ik wil dat jouw handen me in koele lakens wikkelen

ik wil zien of jouw zijde van de mijne verschilt

ik wil dat je sterker zal zijn naar het einde

ik wil je laten denken dat je wint

ik wil dat je je zonder mij een vondelinge voelt

een zonderlinge in de leegte, ik wil je zien bibberen

in de kou. Ik wil je zwetend, warmgewreven

ik wil je hondsdol, biddend om berouw

ik wil dat je mijn gedachten kunt lezen

ik wil dat je mijn hart kunt raken

op de fatale plek. Het interesseert me niet

wie de wonden veroorzaakt. Het interesseert me niet

hoeveel het er zijn. Ik wil alleen belang stellen

in wat me beheerst. Ik wil op een prachtige plek zijn

als ik sterf. Ik wil kunnen verdrinken in een Rode Zee

me verwonden aan een giftig koraal, aanspoelen

op een hagelwit strand, met jouw smaak nog

op mijn lippen. Ik wil je niet kapotmaken

ik zou niet weten hoe. Kon ik maar zeggen:

ik zal je vergeten. Kon ik maar zeggen:

ik laat je met rust

maar liegen kan ik niet

ik denk altijd aan je, echt waar

ik zal voor altijd aan je denken

DER DUFT DER FRAUEN IN NYLON

O zalige geur van vrouwen in nylon

O verrukkelijk leer met een slag om de arm

O dampende dij, malse heup, vaar langszij

O weegbree en wei en het ziltgroen van zomers

Ach vloed spoel het ruig met je buik in het schuim

Ach eb voel het zand met je rug en ontluik

Ach nimf en beschimp in je niks hier het puik

Ach schim ik die lik het verraderlijk zout van jouw lippen

Wee mij die verzaakt moedwillig zijn plicht en verziek(t)

Wee mij die zijn plecht wendt halsstarrig naar jouw klippen

Wee mij die meer wilt schenken dan er zit in de kruik

VERBETEN DE CREDO’S

Verbeten de credo’s, verwaterde passies.

Verworpen de dogma’s, verzwegen de schuld.

Vermoord is de onschuld, beschaamd het vertrouwen.

Verspild is het water, profaan de confessie.

Verzaakt de communie, ons eigenste bloed.

Verhaspeld de kavels, verschrompeld het land.

Verdorven het aanschijn, ons eigenste volk.

Verkorven de welvaart, voorzie in de droogte.

Drink van mijn woorden, graaf naar de bron.

Het ooft aan de bomen, het zout van de aarde.

Het paard voor de wagen, de schamele oogst.

Schraal is de troost, bitter het aanzicht.

Niets is zo zielig, en niets is bestand.

Vergeefs is de franje, en ijdel het leven.

Vermom je verlangens, kies wie je gade.

Weer af het onheil, spot met de waan.

De mens is een dier, het monster de mensen.

De hemel is eindig, de aarde is rond.

Bid de verwoester, smeek tot de Almacht.

Kus me mijn min, vergeef me de onmin.

Verzegel je lippen, verbrand al mijn brieven.

Vergeet wie ik liefhad, vertel wie ik was.

Dans op het altaar, kniel voor het toeval.

Niets is te dol, en niets is voorhanden.

Genade is nakend, en nu nog het naakt.

COPYCAT

« De twee sexen zullen ieder

aan hun eigen zijde sterven »

– Marcel Proust

Ik voel het vlees zich

om je botten krimpen

je huid als marmer

dat warmte vreet

en koude geeft

ik heb respect

voor de schrammen op je rug

een mug zei je die beet

zo wil ik je hebben

alleen tussen de druppels

je beeltenis maal honderd

verschrikt door het uiterlijk

dat nooit voor jou

kon zijn bedoeld

Heus niet,’ zeg je, je weet

dat het niet de leegte is

die aan zichzelf vreet

die geur,’ zeg je, ‘is het water

van de Amstel. Die schaduw

is de olm op de kant

ik vrees je eerlijkheid

hij maakt je transparant

zo rechtop in de boeg

ben je een statuur

met koudvuur in je knieën

zie je,’ roep je, ‘die spitse toren

die magere huizen, die zwermen

spreeuwen boven de stad?

die meeuwen boven het IJ?

en mij, zie je mij?’

wat wil je bewijzen

in je wijde jurkje

Luister,’ fluister je

snel.’ Met mijn oor

op je dij hoor ik de holte

en jij het gesis en geknor

van slangen en varkens

in je buik

ZUMI POP

`Jij wordt mijn dood’ had ze gefluisterd

ik zei: `zeg dat niet’

maar vond het het mooiste wat iemand mij ooit had gezegd

een tatoeage van kattenogen op haar schouder

Zumi Pop. Ze volgde lessen op de politieacademie

maar ik had nog nooit iemand ontmoet

die er zoveel drugs doorheen kon halen als zij

ze had de pillen uit mijn keel gezogen

de coke uit mijn neus gelikt

`ben je van Mediterrane afkomst?’

`wat zeg je dat chique. Ja,

ik ben van Mediterrane afkomst

een afstammeling van Julius Caesar

ik ben een krab uit de zee

speciaal voor jou aan land gekropen

van je trip-trip knipperdeknip

kom hier met die ET-oortjes van je

dan zet ik er mijn scharen in’

`zet die buitenboord motor van je dan eens aan

Caesar! Varen, man, varen. Volle kracht

de Mediterranee af, aiwiwfowwow’

ergens was ze nog, leefde ze nog, liep ze nog

tripte ze nog. Ergens zoog ze iemand af

dat meisje, dat meisje. Ze klopte, klopte, klopte

op de binnenwand van mijn ziel

`jij wordt mijn dood

zing! dans Zumi Pop

alsof je morgen Zumi Pop

in de vroege ochtend

sterven moest

WATERPOES

Waterpoes noemt je vriendin haar schuit

`hij lekt hoegenaamd niet’, zegt ze

`een beetje maar’. Je denkt: waarom

heet zo’n schavuit toch een schavuit

bij de steiger zie je een graatmagere Indiër

met kaarsrechte rug in Lotus-zit

je klimt in de buik van de boot

met een jerrycan 2-takt smeerolie

tussen de knieën. Teveel lawaai

om te praten. Blikken die kaatsen

je vist plastic uit het water

een witroze aal drijft opengebarsten voorbij

een volgezogen fietsband blijft tegen een zijkant

hangen, duivennestjes met gebroed dobberen

onder de brug. Haar handen die in tederheid

de jonge duifjestooi bestrijken, terwijl

de zwarte koeten verderop vlotten bouwen

van takken, blikjes, natte kranten

hun klotsende fortjes beschermend als trotse

voddenkoningen. De Russische bemanning

van een verankerde vrachtboot zwaait je

in de grijze haven toe. Een groot passagiersschip

vertrekt. Water druipt in slierten

van omhooggetakelde lianen. Het IJ

is plots een oerwoud, de lucht woestenij

nog steeds de hoop dat harten worden gelijkgezet

maar zij verontschuldigt zich:

`ik draag deze dagen een getij in mij

excuses, maar ik draai wel bij’

UIT HET KROMME LEVEN (EEN RECHTE LEER)

waar, hoe laat en in wiens naam

werd zij geboren, op welke grond

werd zij gebaard, was het bij avondrood

of morgenstond dat zij ontstond

is zij van origine laf of moedig

is zij telg uit een familie der

hebzuchtigen of klopt in haar

het bloed der moederlijken

en goedmoedigen

aan wie valt de eer te beurt

de enige, rechtmatige te zijn

de erflaatster, de ravissante

gouvernante van háár:

de koppige, de knappe, zij

die geboren werd met het schuim

op de lippen, met het zweet op haar

aanschijn, zij die de lieren beroert

is dat uit een zielstekort of overschot

uit droefenis, gemis of uit plezier

was offervaardigheid haar schoot

ontstond haar passie uit compassie

heeft zij haar lijf gekregen

om te geven of te nemen

is ze gul of zuinig

verschalkt ze alles, laat ze

restjes staan, beperkt zij zich

tot wat haar goeddunkt, is wat ze

verslindt wat zij begeert, is haar lust

een list bedrog belangeloos

en dat hart waar ze zo graag

haar tand in zet, is dat umsonnst

of omdat zij het zelf ontbeert?

MIJN DOCHTER (vrij naar W. Kees)

mijn dochter hupt op haar skippy door de tuin

voedert de eendjes en de beesten in het hertenkamp

alsof zij alles in de hand

mijn dochter zegt: papa, maak je geen zorgen

spoken bestaan niet toch noch heksen niet noch tovenaars

en morgen breekt een mooie dag weer aan

mijn dochter wenst me welterusten

in het donker, kust me op mijn wangen

huivert in mijn armen

ik vraag me af wie het kind is dat wordt toegedekt

wiens droom het is die hier begint

ik denk: zal alles in het leven voortaan

omgekeerd zijn gang gaan

wat jong is ouder en wat groter klein?

dertig en al door mijn genen ingehaald

ik stop niet meer, ik breek niet meer

ik heb geen dochter

denk er ook niet aan

HERINNERINGEN AAN MAREN

variaties op Histoire de Melody Nelson

Now, the long sleep that outlasts love, that conquers

even the grimace of love, had cuckolded him.’

  • W. Faulkner

I

Het was November toen het begon

onder invloed van de maan,

beweert ze, – eb en vloed –

op haar lichaam: Maren

Vorig jaar

Ik kende haar toen niet

maar Remi wel

ik moet het doen met wat

er daarna is gebeurd

het licht boven de bar

was van een zelfde kleur

als vanavond, in de velden

trippelden fazanten

een oranje maandag

II

Ze wreef met haar servet

over zijn lege glas

spiegeltje,’ zei ze, ‘spiegeltje

steel mijn gelaat!’

capricieus

met de barman, zijn hangbuik

zijn bretels, herkende Remi

haar geste. Ze kende de

mannelijke natuur

de peilloze, permanente

vermoeidheid, het vuur

dat in het huwelijk al te

snel is opgebrand

de uitgestelde rust

III

Een jaar later. November

De kamers van het motel

zien nog steeds uit

op een mossige fontein

een wintertuin

waaruit Remi nog wat takjes

in een boek plat plakt

Maren die er

haar neus op drukt

en lacht met de grimas

van het overspel

in illusie en besef dat het

later dan vannacht

nooit meer worden zal

IV

Het was kort dag, de maandag

is oranje, en alles

is geregeld voor het weekend

de druppels calciumchloraat

twee milligram

de huivering, de kramp

de druppelende verwarming

de geluiden buiten van een

naderende winter (regen, wind)

en na zes uur eindelijk

het voorschot op het zwart –

de liefde die eindigt

in het hoofd

slaap is een te korte dood

(de moteleigenaar overhandigde

mij discreet een envelop

waarin:

  • een journaal

  • een onbetaalde rekening)

Er is nog een herinnering

aan Maren, en Remi

op bezoek bij een badplaats

hier vlakbij

deze nazomer

Er waren toen al tekenen:

V

De zee steeg met ons mee

toen we terugkeerden naar

de duinen, waar Maren sliep

de dag was

gebroken

genesteld in het zand keken we

naar de bruine branding

de vermodderde kust, het

geloosde visafval

naar kinderen en mannen

die flessen op de rotsen braken

om te zien of de zee

iets waardevols had nagelaten

zonder resultaat

VI

Maren wilde niet de vuurtoren

zien maar de molen

in de badplaats

en ze kreeg

haar zin

ze is in de wieken geklommen

heeft het canvas gespannen

haar legging gescheurd

en eindeloos dat weekend

de uitleg van de bultige

molenaar herhaald:

De molen loopt op top

De molen loopt op duikertjes

De molen loopt op blote benen.’

ABGESANG

Giacomo Girolamo Casanova, seigneur de Seingalt –

kasteel van Dux in Bohemen, 1792:

Hoop nog steeds koppig op een betere wereld

en wat meer fortuin. De stoom ontsnapt aan de ketel

en is vrij. De buren boven lachen scheef naar mij.

Vroeger was het alles anders dan vandaag.

Avonturen, schandalen, ongeluk. Ik kreeg de volle laag.

Eens was het Dag. Nu op een haar na Nacht,

Seizoenen tellen niet wanneer je stervend bent.

Verleden zaken zet ik peinzend op een rij.

Ik sluit mijn ogen en al wat ik zie is regen

en een rij gewonde monden boven tafelzilver.

Mijn kamers zijn even leeg als nu het land:

de engelen varen luisterrijk ten hemel

in zin zus of zo, maar de avond valt nog steeds

slecht gecast in een spel van niks.

Door het moordenaarsklimaat schiet overal

nieuw onkruid op. Tonen kreupele buren hun

vertrokken koppen die niemand ooit zo zag.

Dichtgetimmerd in een kist, opgesloten

in een hok of in een kamer

die je eens liefdevol omsloot

schrijf je:

…Afgelopen. Niet meer. Punt uit,’

en ondertekent beverig. Buiten huilen beesten.

De Boheemse beulen en hun knechten vegen stoepen

schoon, besmeuren muren. Naar hen is elk hoofd opgeheven.

te midden van de kuiperijen houden zij de wanden waterpas.

Stippelen zij de toekomst uit, bleek en nu al versleten.

Deze kamers schokken nog het meest van allemaal.

Kil van hart en nog killer van geest, knipperen mijn

windhond en ik in geblindeerde vertrekken

naar uitgangen die niet meer bestaan.

Vele jaren zijn aldus vergaan. Langzaam

brandt wat slijt, scheidt, snijdt, barst, rafelt of verdeelt

om mij tot dit verweerd diëet te krijgen, flakkerend

naar zijn eind. Nu, in een ouder handschrift

krabbel ik bibberend mijn naam. Eens kende ik

dit leven hier, dit kasteel zoals die lantarenlichtjes ginder

blinkend in snoeren aan de overkant van de rivier.

Deze lanen die blijvend geuren naar mijn soort. Maar nu

blaft en gromt mijn geest in deze zuurstofloze lucht.

Ben ik geen brommende gids of cerberus

maar wrakhout voor het schuthok, vol schaamte

snuffelend. Een en al koude neus op zoek naar mij.

Melanpyge I? Melampyge II? Nee!

Een panisch soort gekwebbel stijgt op in mijn lijf.

Wild van verlangen naar mijn schaduw in deze ledigheid

strompel ik jankend de ruineuze lichten tegemoet, krom

het leven in, waar kluiven, katten en bazen rondkrioelen.

En waar ergens ook Haar naam nog moet zijn.”

BLANCO

In memoriam Freddy de Vree (3.10.1939 – 3.7.2004)

I

In mijn droom schrik ik wakker

onder een brug stroomt een borrelend

kwik. Ik hijg. Koel en zilver is je hand

die me bedreigt; je zwijgt. Streep

door mijn keel. Geel mijn gezicht

je trilt rondom mij zoals de hitte

aan monumenten kleeft

stuwt je adem door mijn longen

het is nooit kil nooit donker als je lacht

de sloepen varen met op de plecht

het oog van Osiris. Avond

je slaapt. Althans je adem

lijkt op slaap, en je slapen

op sneeuw. Liefde is eeuwig

maar vluchtig en brandbaar als stro

ik hield al van je toen we niet bestonden

oorlog wisselt met vrede

zoals verkrachting met gebeden

een dun enigma van vlees

scheidt ons van weten en vergeten

er is die regen die nooit valt

drijvend ontwaken

men weet zijn leven verlaten

zijn lever verziekt, ziel verloren

zijn vlees bestorven, lijf verzwakt

zijn leden verstijfd, hart verdord

men weet de dood in zich geboren

hoelang duurt zo’n moment

waarin alles deemstert

naderend licht, wijkende maan

gewichtloos gewicht, in de fik gestoken

kraambed, krijsende moeders

een missaal met miniaturen

onder het retort, de haast

onbeweeglijke vlammen

van het overmatig vuur

wij eren het uur. Nu. Voor straks:

schenk ons die onverwachte dood

II

een gelaarsde halfontklede vrouw

die eindeloos haar papieren lippen schminkt

in een firmament van gepolijst aluminium

Venus lijkt van dessert

maar is van was als een lijk

een engel des doods die poseert

bezint aleer gij bemint’

dag brengt geen raad

nacht bergt verraad

elk ogenblik heeft zijn losprijs

de tijd gelijk toen

lijkt eens te meer

op Caesar Augustus

hoe hij geruisloos nader sluipt

tevoorschijn komt, zegt: ‘Zie!’

en overwint

de weg kwijt

waar een wil was

hartstocht of aftocht

resteert achterdocht

de Florentijnen vochten hier hun vetes uit

wij ons zwijgen. Wachten op het oordeel

bij verstek. Oceanos die zich koest houdt

en bij zomer, nu, zijn winterslaap

een wijngaard, een huis vol klanken

bij het strand. Houd de liefde

achter de hand

genot is aan geduld

geduld aan wraak verwant

de dood is zoet, zei Augustinus

als je de ordening van alles doorziet

maar eerder niet

III

jij was er niet, of wat er was, was jij niet

ga, ga niet, gij, gij niet

plots sprongen uit de bossen wolven toe

en beten de laatste gil uit mijn keel

opgeslokt in een stad van praal en mensenloze elegantie

ik kom een tweede maal ter wereld

met jou in een vreemde weelde

zo deze wereld bestond, bestond zij

in de vorm van een wreed verhaal. Wij tweeën

speelden er niet in mee, hebben ons eigen labyrint

dat wij noemden naar elk ander

maar stiekem naar elkaar

en daarin was jij dartel als een elf

je fladderde door de kerkers van het zelf

lichtte op als fosfor op een vlinder

in het zilte grijze duister

van ons daglichtloos gewelf

en ineens, langs de kant van mijn hart

zag ik de happende honden

in een wolk van stof en stank

de drijvers, jagend door een ovaal

van zonlicht. Het licht is als een angstige jurk

in de nacht waarin een meisje dwaalt

doof van angst, blind van verlangen

erogene aureool. De wereld is haar belager

haar paradijs wacht in de hel

de hel wacht ellen lager

achter glas, die spiegel zonder zilver

het schimmenspel der Ilias

blind gerucht, bloed en tumult

niet uit een vrouw

worden wij geboren

maar uit een vouw

op de blanco pagina

(…)

PSYCHOPATHIA SEXUALIS

Zo stelt hij voor dat hij

haar droom betreedt; het

huis van een bekende, een patiënte,

een klop op de deur, een kleine tik

tegen haar hoofd, een glimlach

hij zet zijn tas van kalfsleer

naast haar bed neer, ruikt

haar parfum (Bardot, of Givenchy)

de adem van de avondkoffie, maar geen

zweem nog van haar angst

zij verhaalt, hij laat haar praten

zij vraagt of zij een raam moet openen

wat licht en lucht moet binnenlaten

maar hij raadt het af. De kamer blijft,

zegt hij, te klein voor twee personen

zij vraagt beleefd of zij zich moet

ontkleden. Hij knikt discreet en neemt

haar kleren aan. Hij vouwt ze op

en legt ze op het laken; alles volgens orde

want geen passie mag ontwaken

hij druppelt vloeistof in haar licht

ontstoken ogen, sproeit nevel

in haar neus, hij reinigt

grondig alle ademwegen, legt zijn

stethos op haar schouderbladen

en stelt zich voor hoe hij haar billen

opent met zijn nagels, haar rug

vilt en de wervels streelt

(hij denkt aan forel, truite

à la meunière) en met zijn handen

graait door haar aders die krullen

als adders rond zijn vingers

hij grabbelt naar haar hart

dat hij, voor hij het menigvuldigt

en in plakken snijdt een kus geeft

een kus! Die eeuwenoude kunst

van de beheersing

MODULATIE: 1 OP 1

Een kwestie van keuren en bekijken

maar de vraag blijft wie of wat gevangen zit

zij in haar vlees of haar vlees in haar

wist zij het maar

– Je borsten voelen zo raar

– Dat is omdat ze echt zijn

Nee zegt zij mijn lichaam mag geen rivier/bedding zijn

die uitslijt met de jaren

ik wil lijnen die bemeten zijn

ik zal mijn jeugd bewaren

– Frons eens

– Kan ik niet. En ik vind het niet erg

dat ik het niet meer kan

Als een dialect dat opgaat in een taal

die vergelijking mag (zij lacht) maar liever

heeft zij het over vrij zijn

van haar voorgeslacht

– Ik sport nauwelijks meer

ik kan ook niet meer op mijn buik slapen

dan lopen mijn borsten leeg

Hij pakt een kleine hamer van zilver

een punaise van metaal

hij tikt die in de schedel

zoals je een poster ophangt

Hij brengt twee snaren aan in het onderweefsel

knikt goedkeurend als hij ziet hoe zacht

hij spant de draden aan

en strijkt het voorhoofd glad

Niets is onveranderlijk. Zij houdt vol.

neus, borsten, kin en billen. Alleen

twee ribben wil de arts niet weg

geeft niets. Zij heeft toch geen aanleg

meer om dik te worden

STROBOSCOPISCH SCHEDELLICHTEN

voor Misja Klein

na eensgezind de sociale spiralen

in het leven te hebben beklommen

is het nu tijd voor een overzicht

met een pilletje in je mik

ziet de wereld er een stuk leuker uit

toch?

een likje gammaboterzuur

een snuffje rohypnol, een snuifje ego (lelieblank)

een videomontage van vrolijke kleuren en figuren

de dood en narigheid wordt uitgegumd

cut & paste gereplaced

wij kommuniceren kommerloosheid

onze levensfilosofie: amnesie

party’s zien wij als metaforen voor het bestaan

vooral voor de vergankelijkheid ervan

eens gaat het licht weer aan,

is het feest gedaan, begrijp je wel

is alles af, dansen alleen nog

je beenderen in het graf

stroboscopisch belichten wij de cellen

van een woekerende welvaart

onze conclusie: alles speelt zich in ons hoofd af

de werkelijkheid is ouwe lul

et tout le reste is flauwe-cul

WIJ ZIJN VANDAAG LICHTVOETIG

‘zwem jij ook in de hoogzee

als een valstrik?

Of zal ik je vinden in het zand,

in de geur van het ogenblik?’

– Hugo Claus

ik leef alleen voor de zon

en wij zijn elkaars schaduw

zout op zout, lik op stuk

ik lust je rauw

twee kuiltjes onderaan je rug

het zonlicht likt en blijft likken

de hitte streelt je huid

met onzichtbare tong

volgt met een vingertop

de lijn van je billen

strooit over je benen

een fijn laagje zand

plengt een druppeltje olie

op een gloeiende plaat

rondom ons waaieren de stemmen

als sigarettenrook uiteen

zie je, alles lost vanzelf op!’

forceren kun je niets

volgens mij trekt alles zich juist vlot

omdat geliefden onbewust het lot

intimideren met hun opdringerige

quasi-kindse zaligengedrag

vandaag zijn wij lichtvoetig

jij Rossalka zeemeermin

en ik de visser zonder baard

ik knabbel aan je nagels, je haren

de vinnen van je zeemeerminnenstaart

ik proef het zand, de zee, de zweem

van zweet en ik proef meer

kristal, en jij

jij proeft het ook en zegt: ‘ik

ik doe je mond

ik doe je mond zout smaken’

wij zijn vandaag lichtvoetig

wij zweven, zwemmen

wij rekken ons uit

gestrekt op het strand

wij neuriën verliefd

de ligaturen van een

onbezonnen componist

wij gaan eten (Coquilles Saint Jacques)

wij gaan drinken (wijn uit Occitanië)

wij gaan dansen (een solea por buleria)

wij gaan wiegen (de malagueňa van Chacon)

wij gaan door tot in het holst

en verder

en ergens in die duisternis vraag jij

of ik wel eens een dier gedood heb

een slang bijvoorbeeld, of een hond

een ram of stierenkalf misschien’

eigenhandig?’ vraag je

en ik, onwetende

ik vraag me af:

waar doel je op?

maar dan terloops

met je gevooisde

en geplooide stem

die zich als vanzelfsprekend

met het omringend donker mengt

vraag je me of ik denk dat geluk

misschien toch echt bestaat

dat weet je pas als je het kwijt bent’

timing is alles

je mag niks, zo zei je vader al

aan het toeval overlaten

behalve het toeval

de nacht wordt aangelengd

de zee wordt eb, de maan wordt flets

roze als een babymond

het leven trekt zich terug

en jij, en ik wij trekken juist

dat leven in

DE VOORSPOED IS EEN JUNK

het is de toon die de muziek

sneert zij en daarbij

of ik haar even in wil smeren

zij drukt puistjes uit op mijn rug

zij gilt als ik in haar vingertop bijt

zij doet voor hoe ik wel mijn tanden

in haar zetten mag, zij die mijn rug en

bovenarmen openrijt en gromt als ze klaarkomt

zij die het liefste op mij rijdt, bovenop mij

zij zegt `dan heb ik overzicht’

zij veldheer die neerkijkt op het slagveld

zij leest een boek dat heet `de voorspoed

is een junk’ – (nee, zegt zij, je kijkt

scheel als een rund. De voorspoed

is een juk. Iets waar je je aan vertilt

zij kan het weten)

RAADSELEN

schoonheid is altijd

het hardnekkigste masker

ik zie ik zie wat zij niet

en wat ik zie is nimmer

wat zij is; een blik! en

weer: tot nader order

alles uitgewist

het marmer van haar vel

een deklaagje sneeuw

zij: `witte roet’ noemden Romeinen dat’

(mannen die teveel steden zagen branden)

witte roet op haar witte reet

zal ze bedoelen, de madam

met negermeisjes, zeetjes in het hoofd

zij murmelt in haar halfslaap

terwijl ze traag een mug wegslaat:

`zwarte seisjes in de grote nacht’

overdag is zij kwiek

maar ook een ietwat misselijk

ik wijs de liefde niet af’

(wat zij bedoelt is: zij wijst mij ermee terecht)

ik ben geen Narcissa en ook geen appel

waar jij zomaar in bijten mag

ik wil alleen met jou in ballingschap’

ik mag haar Adam zijn, die onvolgroeide

brok in haar keel, die mannenman

tussen het laken van madam

zij zegt: `Bataille noemt orgasme ergens

en klein sterven’

ik – Mars, minnaar die al honderd doden

vocht voor haar: `en het grote sterven dan?’

zij: `dat is voor later…’

waar het om gaat

dat is wat moet bewaard

IN HET PRAKTISCH LIEFDESLAB

I

verbaasd door het verkleinwoord

(‘denk je wel aan ’t condoompje?’)

bekeek ik haar, mlle. mosquito

een muggenbeet op haar vanille vel

voor ik me met haar overgaf

aan de wisselingen van gedaante

de zinderingen van gemoed

de sidderingen van het bloed

en later luisterend naar het

sissen van twee lijven in koel

en schuimloos water; damp

werd dauw, hitte ijs en

vlees stolde tot steen

beroerd, verroerd, verward

knipten we het schrikdraad

rond ons hart en beleefden

de dagen daarna als een praktikum

om te zien wat overbleef; het minimum

of wat dies meer zij

daarvan

waarvan

II

Haar blik, haar paddenlach

haar hooghartig geil negeren

haar uitstel van genot

haar minachting die duidelijk

haar kiekebiesj, haar kriekenmond

haar kin gepind op mijn behaarde kont

haar onachtzaam zijn

haar onzachtzaam zijn

haar woorden die ze in spliffkes rolt

haar raadselen die ze weghoest

`ik versloekte me’, zegt ze proestend

haar lepel die ze daarbij laat vallen

in het cornflakesbord. Er is meer

dat zo rondspattend verdwijnt

zinnen die ze smoort in rook

wegwuift met haar hand

een nonchalant gebaar

zoals alles aan haar: per ongeluk

in schuwte gratieus

wat in de ruimte blijft kringelen

blaast ze eenvoudig weg

zodat anderen er geen hinder

van kunnen ondervinden

ze vermijdt iedere agitatie

van boven is ze zwevend, rossig

haast onzichtbaar. Maar daaronder:

noest, zwart, zwaar

zo vindt ze eigenlijk heel ons leven

een grap waarvan we de pointe

beter zouden vergeten

Wanneer een vrouw haar stonden heeft, verkeert zij zeven dagen in staat van onreinheid. Wie haar aanraakt, is tot de avond onrein; alles waarop zij in die toestand gaat liggen of zitten, wordt onrein. Wie haar bed aanraakt, moet zijn kleren wassen, een bad nemen, en is tot de avond onrein; wie iets aanraakt, waarop zij heeft gezeten, moet zijn kleren wassen, een bad nemen, en is tot de avond onrein. Zelfs wie iets aanraakt, wat op het bed heeft gelegen, of iets waarop zij heeft gezeten, is tot de avond onrein. Wanneer een man gemeenschap met haar houdt en door haar wordt bezoedeld, is hij zeven dagen onrein; en elk bed, waarop hij ligt, wordt onrein. Wanneer de vrouw buiten de tijd van haar stonden langere tijd aan vloeiing lijdt, of haar stonden langer dan gewoonlijk duren, dan is zij al die tijd even onrein.’

  • Leviticus 15:19-24

ZEETJES IN MIN KOP

`ich hej zeetjes in min kop’

even legde ze haar wang tegen zijn rug

hoorde hij haar zuchten, iets zeggen

een woord dat in de verte op zalig leek

hij wist niet zeker of dat was wat ze zei

en toch, ze was daar, ze lag daar

tegen hem aan en met haar armen

geklemd om zijn lichaam als een boot

die lag aangelijnd; vannacht

was hij haar baken

en bestonden zij alleen

maar voor elkaar

en alles voelde als vanzelfsprekend

en alles voelde als volmaakt

op hun gemak en allebei –

maar enkel voor een nacht

ze krabbelde iets omhoog, plaatste

haar elleboog naast zijn hoofd

en rolde vakkundig een joint

op het plat van zijn buik

hij mocht schijnen wat hij wou

en waar hij wou, over haar heupen

haar nek haar billen en overal –

maar enkel voor een nacht

RANJA

Ranja noemde je het

aanmaak; liefde met

de smaak van limonade

je zoog het uit haar binnenste

en besmeurde er haar borsten mee

druppels als robijnen

om haar nek, de tepels

knipperend en zwart

Je was een man

en kende geen gevaren

zij waren het immers

die de wonden stelpten

en zij was van hen één:

een vrouw

Die wist dat vlees geen gras was

die wist hoe mannen elkaar

de hand schudden, beminnen

en belagen

tot bloedens toe

Maar niemand die er nu nog durft

zijn merg om te verwedden

de controle is verloren

de rollen zijn gekeerd

en tenslotte blijkt er zelfs

een eiland

waar een man ook menstrueert

met zand het vlees schuurt

het bloed laat vloeien

in de schoot van een zee

zo blauw als inkt

uit maandverband/O.B.

-reclame

ICHOR, HET BLOED

Samen kunnen we ontkennen

wat we willen (dingen die

gedurfd zijn en verwacht)

we zijn bevreesd voor wat er

tussen ons stroomt – de complexie

van schaamte en wraak

Verwond door het onzichtbaar mes

dat door ons lichaam trekt

de mond in het geslacht verzonken

weigeren we te zien de tekens

de bloemen die niet willen groeien

het geheim van liefde blijft

tijdelijkheid, haar rafelige

randen, de druppels

onstopbaar – maar niet

onstolbaar – maar niet

TEDER GIF

Zij heeft een stem als crème

smeert woorden uit in donker

als een nachtwerker teer

over brokkelend asfalt

De onrust woekert en haar hakken

tikken weg naar het oor van een man

die haar te vroeg betrapte

een kobold met stalen handen

– het is vast daarom dat zij

als ik haar gesel met de liefde

vol verwijten rilt, gilt

en zweet

DE TEDERHEID

Bois, car après nous, la lune souvent

Passera de son déclin à son croissant et

de son croissant à son déclin.

– Omar Khayyâm

Hier is het als elders

als je geheugen

dat zich verwijdert

de dagen zijn gevuld

de muren zijn oud vlees

de stank is de stilte

een wolf in je spoor

een kameraad in de spiegel

je vraagt haar niet om

eeuwigheid te tellen

noch om te wonen in

een iglo, een casino

je wilt haar kut en anus

kussen

is dat tederheid?

De tederheid is om

te kotsen

Het is een traject, een droom

van blikkerend

metaal

de detector piept

dief! of terrorist!

maar je komt erdoor

voor in de Lockheed

en later alleen

met haar in een motel

bedrijvend de liefde

van de sterfelijken

je voelt het in je nek

een suikerstorm, haar tiende

thee, haar blaas-

ontsteking

twee seconden lijken haar ogen

te vallen, als krabben die

terugkruipen in de rots

en dan is het bekend:

dit jaar zal er geen winter zijn

Het zaakje vergaat

het verhaal heeft al

te lang gelegen

na het toedienen van pijn

en genot, een shot

een dag een week

bekruipt je het gevoel:

een overdosis

niet altijd de trut die ze is

is ze; moet je daar

nog moed uit vatten?

ze verkiest te wonen

achter hoge muren

de wapens van vernedering

gebonden om haar heupen

je spreekt haar niet

de deuren zijn gekust

het is nu om het even

de tijd te doden als de liefde

Voel met je vinger:

de nacht in de maag

van de meisjes

Proef met je tong:

sardientjes gevuld

met heroïne

Smeer uit de zalf:

de rimpels de vouwen

van accordeons

Ken de gevaren:

de korte en lange

circuits

Twijfel

aan jezelf

Overhandig wat is

verworven (alles)

Giet:

de laatste wijn

sta op

Alleen de rozen

kunnen nu nog dronken worden

HEERLIJK

ik ben heerlijk, zegt zij

als wij in de ghoede stede

van het misverstand ons overgeven

aan de laatste trends, gebakkelei

en ander onbetekenends

heerlijk (lang proef ik het woord)

we spartelen wat rond in de fuik

speuren door rekruteringsrubrieken

zien een hele toekomst voor ons

als bestekberekenaar

blijven haken aan een sjieke bar

waar witte porto wordt gedronken

als aperitief en daarna gegeten

poulet à la Kriek

we spenderen onze diploma’s

en vragen per slot van rekening

beleefd naar de faktuur

ze noemt mij doortastend

ik zeg: zo noemden ze Stalin ook

ze kijkt me aan en zegt opnieuw

dat ze niet weet of ik wel echt

een vriend ben of enkel een kompaan

of ik nu eerlijk ben of niet

ik ben eerlijk, zegt ze

en ik dacht dat ze heerlijk

maar dat zeg ik niet

ik brand mijn tong

en bouw haar na

eerlijk? ach wat heet…

BLOEDTEST

`als mannen bij mij zijn
hebben ze geen controle meer
over de dingen die gebeuren’
zegt zij die geen controle
over mij (ik evenmin), wij:

twee pluisjes in de wind

ik wil niet dat je me alleen laat

nu, de sfeer is juist zo goed’

dan laat ik je niet alleen

maar in gezelschap van

die goede sfeer’

`je weet niet wat je wegsmijt’
ik geef haar gelijk – ik weet het niet
each man kills… het oude lied
ik voel me schurk, een dief
op heterdaad. maar ik ben niet
op voorbedachte rade hier


wat wel, denk ik, wat is het
dat ik ben, een boer
die zijn oogst verwoest
in domme dronkenschap
een plunderend soldaat
die blaker wil als buit?

zij laat mij blootsvoets uit
haar kater glipt tussen mijn benen
de staart rechtop als een sidderend

serpent door anderen bezworen

een aal met afgehouwen kop

die blijft kronkelen tot op ons bord


`dit is symbolisch,’ vindt zij
ik beaam, druk mijn voorhoofd
tegen dat blonde hoofd van haar
`het spijt me,’ zeg ik, `wíj schieten niet
met de boog, het is Eros die schiet’

ik loop met zonnebril
in snelpas door de nacht
een uil die niet kan huilen
ik wacht, rook mijn Gitanes op
terwijl het langzaam ochtend wordt
de orbit blauwig paars
het uur vlak voor l’heure bleue
als het azuur wordt uitgewist

door licht

de leerlingen van de boeddha

vroegen hun meester:
`bent u een heilige?’

de boeddha zei: `nee’
na een tijdje vroegen ze:

`bent u een engel?’
hij zei: `nee’
`maar wat bent u dan wel?’

wilden de leerlingen weten
de boeddha antwoordde:

`…ik ben wakker’

het raam rol ik een handlengte omlaag
en gaandeweg vult mijn gemoed zich weer
met lucht, ik snel, versnel, vertraag
de liefde is een bloedtest
en ik blaas, ik blaas, ik zie
dat wat vervliedt, wat niet
ik ruik mijn eigen adem
anders nog? de alcohol
de roes, het schrijnende
en het lucide… ik prijs
de dag die breekt, denk:
goddank, ik ben wakker
goddank, ik ben nog altijd wakker

BLAUWHELM (CASQUE BLEUE)

een foetus voedt zich via zijn navelstreng
een patiënt overleeft dankzij zijn infuus
en ik, ik lik mijn wonden
ben met ziel en lijf gebonden

aan haar, die mijn leven kwam belegeren
uit naam van genade

de liefde is een lijfstraf

door een bloedraad opgelegd

een pleit dat bij volmacht

van de genen is beslecht

een geseling van oog om oog

en tand om tand, van borst

tot benen, kop tot tenen

hart tot hart; wat ik heb

is wat ik had, een kreet

die in de keel klemzat

zij: `een vrouw is voor de man de ideale foltermachine’
(ik: wie is die man dan?)
zij: `ik toon je alles waar je op uit bent’
(en net daarom verlies je het)

in al haar gulheid blijft zij lenig

ongenaakbaar en

net als haar woorden

smokkelwaar uit dat corrupt

en sprookjesachtig

land van haar

maar dan, tenslotte

weet zij het:

`zo zie ik het: als vulling

van leegte, een plastic want

die door een hand pas

vorm krijgt, volte, contour’

geen speld valt daar nog tussen

tenslotte is er niemand die meer

recht van spreken heeft

dan zij die vanaf het moment

dat ze geboren werd

bleek uitverkoren

om woordvoerster te zijn

van alles dat vanzelf spreekt

KEERVERS

en als het schip dan zinkt

zeg je, omdat het is geënterd

laat het dan met mannen

en met muizen, laat het dan

en ook met ons in godsnaam

naar de kelder gaan

jij hebt je best gedaan

zeg je, voor alles wat

mislukt is

we ruimen en sorteren

wat na een aantal jaren wel

en wat niet meer

we pakken in, vouwen uit

geven lucht aan wat te lang

de adem in, aan wat met ons

geheugen is verstoft en is verdikt

er zijn vast zaken zoek

er zijn vast dingen

die hier in het donker zijn gestikt

de tijd valt stil

die ons heeft toebehoord

maar zich nu tegen ons gekeerd

de balans is opgemaakt

in de as van het restant

de taal die we spraken

is de strijd die nog woedt

het woord is gebinte

ons speeksel is bloed

we heffen eenmaal nog

het keervers aan:

venite adoremus – nee!

het leven is geen koorgezang

van strofen en refrein

kop voor keizerin

lijm wat nog rijmt

de keizer is zijns weegs gegaan

hoera hoera (hij leve hoog!)

maar hoger nog de generaals

die zijn gebleven

DIT WAS TOEN MORGEN

spreken in tongen. teken in poses.

proefwerk prelude. profaan in probatum.

doorsta de beproeving. ontwar de verhalen.

verwaand en onzeker. versteld van de waarheid

vol van verwachting. in geuren en kleuren

en zoetige smaken. vrucht op zoetzuur.

roos in het laken. bloesem in bloei.

troost en calvarie. keet op koopavond.

alles voorlopig. planning in fasen.

kiespijn en groeipijn. liefde bij vlagen.

dit was toen morgen. vandaag is geweest.

de roes van het bijna. de beet van het beest.

LUISTER EN VINK

‘l’art de plaire est l’art de tromper’
– Vauvenargue
luister en vink blijven spelen

onze verlangens uitgezweet

gebeden in een ander

om onze genade

ik ben van jou gemaakt vrouw‘

maar weinigen die weten
minder doorstaan
ken ik de ziel niet
wil ik de ogen

ken ik de nek niet
wil ik de mond

wee wie ooit zinderend

van ziel versmolt

wee wie ooit zoals

de wereldzee verdroogde
schroomvallig drinken we

van het vocht

dat geen dorst lest

baden in de poel

die ons niet wast

niets is wat het lijkt

en niets blijft gelijk

de rivier niet die

voorbijtrekt noch

het vleesnat in ons lijf

en ook de hoop niet

die weer op de klippen

het water dat ons

nader tot de lippen

de tederheid is ongenegen

de zuiverheid bevlekt zichzelf

en ook rechtschapenheid

liegt niet volmaakt

wat schoon is verloedert

wat rein is bederft

wat zoet is verbittert

wat goed is verzuurt

luister en vink blijven spelen

onze verlangens uitgezweet

gebeden in een ander

om onze genade

ik ben van jou gemaakt vrouw’

de begeerte is een cocktail

in een gifbeker bereid met

mintblad, kraakijs, rattenkruit

een opkikker voor de eeuwigheid

CALECHE DU SEXE (CLUB 3201)

Vrouwen, voor zij binnentreden

kussen zij het blauwe veld

van aderen en littekens, de wang

van de portier. Met genoegen

lezen ze de tekst dat alle

vlees hier voedsel is

ze zuigen op lolly’s met giftige

mezcalwormen, kietelen katten

die slapen op de bar en verrichten

autopsie op een ongekrenkt

mannelijk lichaam dat geboeid

ligt uitgestrekt op de vloer

ze snijden in lendenen (ook hun

eigen) en werpen organen in

een teil die, nadat het bloed

wordt afgegoten, op het vuur

wordt gezet. Ze geven elkaars

sappen door via dialyse, de

draden aangesloten op hun

genitaliën. De cocaïnerauwe

plekken op hun huid worden

bestreken door penselen gedoopt

in gelei. Een deejay snijdt het

geluid met scheermesjes

uit oude discoplaten. Ze dansen

en drinken urine waarin opgelost

capsules ecstasy – bedoeld om ieders

lust te hydrateren. Het mengsel

werkt meestal averechts. Het laat

hun huid en haren koken tot een

holle korst van opgedroogde

spijs. In de ochtend, bij het

ontsteken van de lichten

voelen ze vaak spijt

en pijn – er druppelen tranen

in de wonden. De gevoeligsten

trekken hun leden omhoog

bij de wimpers. Krabben aan

hun ogen en bezwijken voor het

uitgestreken gezicht van de

nog altijd in smetteloos wit

gestoken portier

MORS STUPEBIT ET NATURA

Zumi Pop: `ik wijs de liefde niet af’

Serge: wat zij bedoelt is:

zij wijst mij ermee terecht

Zumi Pop: ik ben geen Narcissa

en ook geen appel waar jij

zomaar in bijten mag

Zumi Pop: ik wil met jou

in ballingschap

Serge: ik mag haar Adam zijn, die onvolgroeide

brok in haar keel, die mannenman

tussen het laken van madam

haar ogen groot, nog groter

dan waarzegbollen, pupillen

gezwollen, gespleten

tot ellipsen van planeten

alsof ik met haar

door de hemel schiet

in dat blauwgroen

dat bauxiet van haar, dat crimson

zwart van het niet. Ik zweef met haar

door de kosmos, de orbit die zij is

en die zij om mij strengelt en

verstrengeld houdt

zij tovert de lente en de zomer

in het lover, mijn lover

Zumi Pop: jij mag mijn minnaar blijven

Serge: ik mag – de zanger van de mis

die zingt van het gemis

ik mag – de plenger van de wijn

die zingt van het venijn

ik moet mij zo maken dat ik

van kop tot tenen in haar orbit pas

ze wil dat ik haar Heel & Al

prijs en bezing, haar verse

vrouwenlijf in verzen wring

zij wil dat ik haar prijs

maar ik zeg: van teveel complimenten

raakt een vrouw slechts

op zichzelf verliefd

zij is geen wezen van getij

van maan, stuurloos gevrij

wel van zee, het nat dat

uitgestrekt tussen ons twee

zeeziek is zij, als zij zegt:

Zumi Pop: ik heb zeetjes in m’n hoofd

Serge: het klutsen, klotsen van de liefde

migraine, angst, verliezen

als zij geneest is alles kwijt

Zumi Pop: `ik wilde een klein kusje maar’

Serge: Kat en hond blijven spelen

Zumi Pop: `ho! ho! ik heb nog geen keuze gemaakt’

Serge: `’kook niet’

Zumi Pop: `voor wie?’

Serge: zij belt vanuit mijn vertrekken

naar haar man:

Zumi Pop: `ja, ik ben bij hem.

kreeg je mijn brief niet, dan?’

Serge: zij fluistert donker

spijt en onmin

als zij ophangt is het of ik ben verplaatst

als toren en loper op een schaakbord

Zumi Pop: `laat hem maar lopen

en grommen de hond. Eindelijk,

al is het vermoedelijk al

te laat.’

(tegen Serge): `laat jij nu dan

mijn hond zijn. Mijn trouwe

kameraad’

Serge: gaat het om de trouw

het touwtrekken om `jou’?

of om het liefhebben, subtiel

inventief; inventionen

voor erotische zônen

rochade, klein of groot?

promotie in de rangen van het wrange

Zumi Pop: `het blijft natuurlijk spel’

Serge: `zeker, lief, tot in de dood!’

Serge: loper, toren, hond, geliefde, lijk

chinees gezegde: na de partij is alles

weer gelijk; koning en pion

verdwijnen na een poos

in dezelfde houten doos

Zumi Pop: `maar het moet wel spannend blijven…’

Zumi Pop (plots, nurks): `maak voort’

Serge: `maar…waarom?’

Zumi Pop: `daarom…

treinen wachten niet

treinen wachten nooit

het mooiste komt toch

altijd onverwachts

daden, woorden, alles is

onderbreking

de wereld is een beest

een roofdier, ongeduldig

en vlug, en altijd hongerig’

NYCTALOPE

Je suis la femme du Hibou

et de ces nyctalopes de la détresse

et des saisons malades…

et il fait froid

derrière mes yeux noirs!”

Léo Ferré

Je gezicht is nooit helder. Je zoekt

altijd het donker op. Een gedeelte

van je gezicht is verdwenen.

Je zegt dat je het gehad hebt

met deze wereld, Christus –

je zou kunnen sterven als een hert

hier in deze kamer

het gewei in een schors geboord

een gat in de schedel

ijs achter de ogen –

maar niemand die er om

heeft gevraagd.

Is dit weer een nieuwe ziekte

Of een symptoom van liefde

Op een ziekenkamer?

De wekker zegt het je voor:

morgen word je wakker

geboren

KING SIN

(in een coupé tussen Parijs en Brussel)

Het is een langzaam gevecht

je knippert tegen het wit

weerspiegeld in porseleinen ogen

je ziet het (moesje op haar wang)

zoals reizigers het zien:

met onverschillige verbazing

penis tussen toegeknepen borsten

coming shot, de glinstering

buiten passeren pionnen

watertorens geplant in

Noordfrans landschap

schaakspel van steen en lak

KATAPLEXIE

Achter elke deur begint de nacht

met een dalende temperatuur

een naam geprikt op de muur

een lichaam (waarin woedende wespen)

oog (waarop vlokken) dat zich niet durft

te openen. Beelden, brokken

van eten schoten in de keel

naburig geruis van tv (niet af te zetten)

lichten buiten: tekens van

afzondering. Een schietportret

zoals een schietgebed met

fatale gevolgen. Noctamid

merinox, laat het voor één nacht

genoeg zijn

DE ZIEKTE VAN VEGAS

De zon is de halogeenlamp

van de dood.”

    • Peter Verhelst

Vriendschap, liet je merken, is in deze omgeving

een wanspreuk. “Zulke dingen knip ik eruit”

alsof je een film maakt, een boek plakt

met kwalijke plaatjes, wegloopt op in nylon

gestikte benen van deze rusteloze eeuw

De zon schijnt in dit gokhol als ziekte

en slaap in het bloed van je nog altijd

vijftienjarig lichaam. Terug naar de dag

dat jouw vader ons allebei ving, en de

strengen tot aan onze navels om zijn vingers

wond. Heer dokter, in dit klimaat smelten

de plastic wanden tussen het divertissement

de kapellen met de cassettes blaasmuziek van

Elgar, Mendelssohn en Mozart. Wie trouwt er nog

in deze tijd om kinderen te krijgen?

Jij en ik we tellen terug tot nul

en verliezen wat we alleen als kennis

konden bezwaren

COCKTAILS EN CANAPES

Een mens is alles en meer of minder is hij ook een

koning en zelfs eens een dwaas.”

H.C. Pernath

Dames met een vernisje smoezen

over de mogelijke minnaars

van de avond

en minder relevante zaken

Het wachten blijft

op de flosjes van verleiding

die onverhoeds op het

gezelschap worden neergelaten

de beloning van een avond praten

Wat, jij die denkt dat je

er iets van snapt. Die man

die bij het dansen op je pumpjes

stapt, dát is nu Eros

de gehandicapte choreograaf

LIEFDE MINUS IETS

Het grote gevoel gaat gekleed

in intriges

je zweet in begrip

je ziet hoe het randje

van haar slip zich om

haar billen sluit

de welving van haar enkel

die beantwoordt aan de welving

van haar hals

en het is of zij het ook ziet

of zij het ook voelt

maar nee

zonder een grein van begrip

veeg je bij het ontbijt

alleen de kruimels

van je bord

BEGEERTES VOOR DE RUG VAN EEN VROUW

de vele puberteitjes in haar hoofd

blijven draaien als molens

en gebeden. Zij woelt

en voelt zich stom

haar kont doet pijn

kleine imitaties, geobserveerd

bestudeerde pasjes, gebaren

een vinger die zij langs haar

wimper streelt en meer

van dat soort bewegingen

die zij nooit meester is geworden

`Het doet er niet toe

hoe we erover wensen te denken’

Ze had het aan den lijve

ondervonden en geslikt:

aspirines voor een bloedend

en weerbarstig hart

CATWALK

Hij dwaalt op twee voeten

van het viriele

naar het aardse

naar het viriele

hij zoekt het in den vreemde

waar alle dingen zijn

zonder herinnering

hij zoekt het vlakbij

laag bij de grond

waar zich het heimelijke voltrekt

bij het vertrek

is het tastbaar

bij de terugkeer

is het er misschien

waar hij geen weet van heeft

TUTTODISCO

als het uit míjn wil voort zou komen

en als dit een feest zou zijn

van flirtende meisjes met

te strakke billen en mannen

met ruw geschoren gezichten of snorren

en als ik in hun kelen kijken kon

en de ontstekingen zien groeien

en daarmee het vuur in de darmen

waar het broeit als in de hel

als in ieder lichaam als ik

me terug kon trekken uit de

zijden lakens de dromen

voor de rijken, als ik van

genot een aanmaakdrankje

maken kon, AA of Guarana

liefde slaan uit een

dorstige dansnacht, een

gezicht geven aan het

duister als de maan aan

middernacht, dan zou ik

zeggen luister, laten we

hier ter plekke ongestoord

vrijen maar vrijen

dat vind je zeg je

een ouderwets woord

HIER IN DEZE BALZALEN

Hier in deze balzalen

met barsten in de vloeren

deze hangars van Sodom

deze tempels van kort-

stondig genot, het is hier

dat ik mijn honger bot-

vier, in de geur van bergamot

en appelbloesem

Hier in het licht dat met

lange tongen onze boezem

onze kruizen likt dans ik

mijn pik gericht als radar

op de vlammen, de hammen

van door zweet gepekeld vlees

het is hier dat ik, in sweet

and bitter panic, de tel kwijtraak

van mijn doorwaakte nachten

Hier in de nevel met mijn neus

op de feiten, aan dit opgedofte

hof van aantrekking en afkeer

volg ik, avanceer ik, bewijs eer

ik, aan die ene vrouw die

ene mythe van die ene zomer

van dat ene feest van die

ene jongen die getikt

inmiddels is gestikt

Ik bijt op de beat die aanzwelt

hoor de clap, gerinkel van geld

een gesampelde stem die vertelt

me te mengen in de massa het geweld

de lichamen die als messen snijden

tussen zich koelte toewuivende

meiden, aristokatten, anorexische

latten, panters die sluipen en

patsers die zich bezuipen

En ik bedenk: waarom doe ik dit

niet vanavond maar elke avond

niet een uur maar een nacht

waarom deze gebeden zonder end

deze jacht op dit moment deze

flagellante straf waarom breek ik

mijn weerstand af, geef mijn

slaap, mijn lichaam op aan de

herinnering – een niet bestaande

heks van de anale kring

Het antwoord danst in

onbevrediging

WREED, JIJ

af en toe zie ik je temidden van je zusters
een baby wiegend in je tienerarmen
jij die niet meer bang hier in de schemer rondhangt
– ‘witte Nachten zijn niet wit,’ zeg je beslist
‘maar beige’ – trachtend iets etherisch op te vangen
vleugjes van verlangen in zilverfolie op te warmen
jij die woont bij de oude mannen
in hun vochtige krotwoningen
jij die hurkt met het spuug in je nekhaar
en niet dan ijskoud zeggen kan:
‘dit wel, dit niet,’ op de rand van het bed
of in het hotelbuffet gintonic drinkend
met om het even welke vent, vervloekend
door wie jij bent vervloekt; jij die de drang
kent en het gevaar, jij die de huur betaalt
met liefde en ooit misschien wel met je leven
terwijl je tegen al je vrienden zegt:
‘met prostitutie heeft het niets te maken.’
de tol van jouw bestaan, en dat van je naasten
gehaast, voor even, de angst en het gevoel voorbij
jij die beeft hier onder mij; en ik die
prevel in je rugvel: ‘met prostitutie
heeft het niets te maken’

en al begin je zwaar te zweten
wrijf je met je vingertoppen over de levenslijn
die als sikkel zonder hamer in je handpalm staat
ben en blijf je de vestaalse, rotsvaste, ijzeren-

heinige, jij die al te goed beseft hoe driestheid

bij het daglicht liggen gaat en sist

tussen je tanden: ‘wreed’
een brand die woedt tot in je wezen
een koude die het hart aanvreet
jij die geluk kortstondig schitteren laat

en mompelt nogmaals met gesloten ogen

en pieus ditmaal: ‘wreed…’ en ik die kreun

en nauwelijks levend lijk

HET GEBED VAN DE OOSTENWIND

Het is allemaal als aan galgen gezegd

even bitter als zinloos

het herinnerde lichaam, de naastende geest

de godin van mijn altaar en tempel

de hondin voor mijn poort naar de hel

de schutswal voor het vooreinde

ik prak het verdriet kwijt in naamloos vlees

mijn escapisme faalt

de hoeren achter de ramen wuiven mij uit

de toeristen gapen en zien mij niet staan

ik ben als een smeltende sneeuwpop

in de regen, een kabouter in een voortuin

wat nu, nu ik hier en jij waar wij ooit

en hij naast en met jou in bed en ik zonder

samensmeden complotten tegen de tijd

het bedenken van een betere wereld

het vergeten van ongedeeld leed

en nooit meer nooit meer nooit meer

samen alleen nooit meer samen

nooit meer ah! en wee! of oh! en

amen –

ontwaken is desillusie

kennis is smart

geheugen is gemis

en nooit zal ik zijn wie ik

ben wie ik wil wie ik was

als ik ooit deze kwaal kwijt kan

spelen winnen helen als ik

die afgemat en aangepast

als bij mirakel weer genas

LOOP IK LANGSHEEN HET LEVEN

Als ik vergeet, geloof dan niet dat het is omdat ik wreed zijn wil

Als ik verwijs, geloof dan niet dat het is omdat ik wijs zijn wil

Als ik vertel, geloof dan niet dat het is omdat ik spreken wil

Als ik spreek, geloof dan niet dat het is omdat ik horen wil

Als ik zwijg, geloof dan niet dat het is omdat ik zever wil

Als ik spring, geloof dan niet dat het is omdat ik vrezen wil

Als ik val, geloof dan niet dat het is omdat ik springen wil

Als ik geniet, geloof dan niet dat het is omdat ik trouwen wil

Als ik bevroed, geloof dan niet dat het is omdat ik broeden wil

Als ik verdwaal, geloof dan niet dat het is omdat ik vinden wil

Als ik bedenk, geloof dan niet dat het is omdat ik twijfel wil

Als ik aanbel, geloof dan niet dat het is omdat ik vriendschap wil

Als ik vrees, geloof dan niet dat het is omdat ik oorlog wil

Als ik vrij, geloof dan niet dat het is omdat ik vrede wil

Als ik afdrijf, geloof dan niet dat het is omdat ik zinken wil

Als ik duik, geloof dan niet dat het is omdat ik drijven wil

Als ik buig, geloof dan niet dat het is omdat ik barsten wil

Als ik breek, geloof dan niet dat het is omdat ik schade wil

Als ik speel, geloof dan niet dat het is omdat ik drama wil

Als ik lieg, geloof dan niet dat het is omdat ik spelen wil

Als ik hoor, geloof dan niet dat het is omdat ik voelen wil

Als ik brand, geloof dan niet dat het is omdat ik doven wil

Als ik bevries, geloof dan niet dat het is omdat ik smelten wil

Als ik geeuw, geloof dan niet dat het is omdat ik neuken wil

Als ik loslaat, geloof dan niet dat het is omdat ik vrij zijn wil

Als ik vals speel, geloof dan niet dat het is omdat ik winnen wil

Als ik uitvaar, geloof dan niet dat het is omdat ik vluchten wil

Als ik zucht, geloof dan niet dat het is omdat ik lucht zijn wil

Als ik smeek, geloof dan niet dat het is omdat ik haten wil

Als ik steek, geloof dan niet dat het is omdat ik liefde wil

Als ik kniel, geloof dan niet dat het is omdat ik smeken wil

Als ik vlucht, geloof dan niet dat het is omdat ik keren wil

Als ik terugkeer, geloof dan niet dat het is omdat ik leren wil

Als ik liefheb, geloof dan niet dat het is omdat ik mens zijn wil

Als ik laf ben, geloof dan niet dat het is omdat ik week zijn wil

Als ik vermoed, geloof dan niet dat het is omdat ik slim zijn wil

Als ik verschil, geloof dan niet dat het is omdat ik min zijn wil

Als ik verstop, geloof dan niet dat het is omdat ik schuilen wil

Als ik bloed, geloof dan niet dat het is omdat ik rotzooi wil

Als ik verwelk, geloof dan niet dat het is omdat ik bloeden wil

Als ik verga, geloof dan niet dat het is omdat ik blijven wil

Als ik verzink, geloof dan niet dat het is omdat ik duiken wil

Als ik verdom, geloof dan niet dat het is omdat ik niet meer wil

Als ik verpruts, geloof dan niet dat het is omdat ik te veel wil

Als ik rust, geloof dan niet dat het is omdat ik niets meer wil

Als ik ten onder ga, geloof dan niet dat het is omdat ik jou niet wil

CORRIDOR DE PASSAGE

wij glommen in het donker

als wormen, we waren licht

en vettig, blind

we wilden wel maar wisten

niet voornaam te zijn

de baard voornamelijk

in de keel. We struikelden

over onze woorden

we dansten heel onhandig

als de hormonen in ons lijf

we verzwegen ons geheim

dat roze als een tong lag

in de mond een roofdier

klaar voor de sprong

we streken ons bloed uit

over spiegels. We wisten

niet hoe de liefde eruitzag

we wisten heel weinig

van het leven, we wisten

heel veel en met onszelf

geen blijf

TUSSEN ALLES EN NIETS

We hielden van de wreedste taferelen.

Van gevilde heiligen, de verleidelijke Salome

van Quinten Matsys. De wonderlijke allegorieën

waarin dieren musiceerden. En uiteraard hielden we

van Bruegel en Breughel en Hieronymus Bosch.

We hielden van moerassen, venen,

afvoerloze vlakten, hydromorfe bodems.

Van de dertiende-eeuwse in de kelder

opgebaarde mummies uit de kerk van Wieuwerd

door de turf beschermd tegen bederf.

We hielden van de Markies van Sade

die schreef dat stront naar olijven smaakt.

In werkelijkheid smaakt het naar niets.

Als uitgekookte vlasvezels met een bijsmaak

die zeer bitter is, vanzelfsprekend: galbitter.

We hielden van De Sade, wiens lievelingsdier

de slang was (en wel de dodelijke Anaconda)

en woonde in een vervallen kasteel te Lacoste.

Nu een kledingmerk met als symbool

een groene krokodil. (Is dit toeval?

of bijt al het saillante zich sowieso in de bil?)

We hielden van de liefde; haar vrolijk vet

maakte elke landing zacht. En kijk ons nu eens

kaal als de grond! Tussen minstens en niets

was het dak nog even een vlies

voor het begon.

CRUSTACEAE

had god een keuze

bij de schepping

of deed hij slechts alsof

zoals wij die altijd

bluffen altijd leren

door de leugens

en de bekken die we trekken

voor een spiegel of ten overstaan

van om het even welk publiek

de contouren komen vanzelf

bovendrijven aan de oppervlakte

het evenbeeld dat wij

bewaren in onszelf zoals

de voorstelling van een reptiel

of enig ander geschubd meerpotig

schaal- of salamanderachtig wezen

dat ruggelings omhoogkroop

uit de zee

zeker, zeker!

zo is het zekersteweten

geweest en nog steeds…

wij zwemmen en kruipen ruggelings

de toekomst tegemoet

als kreeften

SOLARIS SOLITARIS

er is geen reden voor illusies

en toch willen we geloven

dat het leven loont; we eisen meer

dan er op deze wereld

alleen de rust blijft ideaal

ook voor wie woont in de natuur

maar af en toe wordt ze gevonden

en steeds gaat ze verloren

in de realiteit. De plaats

van het individu blijft

eenzaamheid, solaris

solitaris

het hoofd barst uit mijn schedel

mijn brein barst uit zijn bast

het ego is weer uitgetreden

het ik is geen ander

maar een menigte

van mij

ontmantel de structuren van de tijd

externaliseer je angsten

sluit vriendschap met je dwanggedachten

zorg dat het heelal zijn waardigheid

verliest

OP EEN DAG ZAL DIT LEVEN WIJKEN

Op een dag zal dit leven wijken

zul je sterven als een hond

alleen in de sneeuw

met het donker over je heen

als een deken en de koude

zal zijn als de warmte

en je laatste gedachte

als je leven en je laatste dag

als de nacht en de nacht

als de dag die einde is

en toch geen einde kent

op een dag zal dit leven wijken

heb je geen munitie meer

om je teweer te stellen

geen kogels meer geen vinger

aan de trekker en geen spanning

op de veer de keer dat je weet

dat je keren voorbij zijn

en niet weer zullen keren – terwijl

je binnen zit en je naar buiten wilt

en je kwijnt als de oogst

die blijft rotten op het veld

op een dag zal dit leven wijken

de dag dat je weet wat het is:

geveld zijn, als je dagen geteld zijn

en je niets meer bent van wat je was

zo snel als onder het gras

je ogen gepeld zijn en je aderen

gespeld zijn door maden als naalden

van zilver je dromen van glas

zo snel als je gedachten opgaan

in gas en je loslaat – alles

wat je dierbaar was

op een dag zal dit leven wijken

HET RIF

we duiken naar koraal

en ongrijpbare kleuren

in het grote barrièrerif

we stoken het wrakhout op

verbranden een aangespoeld lijk

op het strand

verhef ons tot luitenanten van verzwelgend onheil

verhef ons tot executieven van een globaal filiaal

alles druist in tegen de aardse krachten

alles druist in tegen de wetten der natuur

sneller dan de tijd

kan men niet reizen

ook wie op tijd komt

is al te laat

CTRL ALT DELETE

de oersprong is het oor

& in den beginne was het woord

om van de eisprong maar te zwijgen

we krijgen het koud

zijn al oud in onze jongste dagen

vragen nergens om

behalve einde

of een koude start

een nieuw begin

cut the crap

stilte zal komen

avond zal vallen

er is geen weg meer heen

geen weg meer terug

het venster klapt de toekomst dicht

elke tak torst duizend bladeren

aaneen

ZO KOMT HET

Zo komt het. Waar geen woorden voor zijn

hoe je het ook wilt noemen. Het grote geheim

van Rumi Djal’alladin, het onvoorstelbare niets

van Meester Eckart. Nietzsches niets

dat alles is. De reductio ad absurdum

van Descartes. De lelijke zwarte leegte

van Sartre. Zo komt het. Hoe je het ook wenst

of verwenst, of hoe je het je voorstelt:

als gapende stilte, als vacuümzee van duisternis

als Gods zurige papadem. Zijn uitgespuugd lood

als de heerlijke stad, of de berm

vol met uitgebrand schroot

als de verschroeide oever

de verdampte rivier. Als droefenis

of lafenis, als wroeging of plezier

zo komt het en komt het en komt het

ook hier

als het einde dat komt zo komt het geheid

als het eind zonder einde, als het eind

van de tijd. Of zo komt het als het begin juist

van de eeuwigheid. Zo komt het

als as in je mond, als pis in je strot

als knikker vol stront, als een vrucht

in de rot. Met een reutel, een keutel

een rochel of een scheet. Zo komt het

als het komt ijskoud of gloeiend heet

zo komt het klaar of komt het af

in de cabine of het graf. Als laatste

of op kop. Of anders komt het op z’n kop

als acrobaat of als de zot, als vadsig vod

of dwaze operettegod. Als kip zonder kop

speedskiër of coureur, onder de doping

of op dope. Als wielrenner of coureur

zo komt het op of om de bocht

als loper of chauffeur. Zo komt het

broodnuchter of met een stuk in de kraag

zo komt het vlug. Zo komt het traag

als kop of munt. De bingo of het lot

als blackjack of als de jackpot

als de sleutel of als slot. Als

paleis of als krot. Zo komt het

als het gat in de grond of het wak

in het ijs. Zo komt het als klier

of als tocht door een kier. Als Kruis

of kut, als kus of kruisiging

zo komt het als Jezus of het Zilt

als doornenkroon of als onttroning

als bisschop in habijt of als Schot in een kilt

als pijniging of marteling zo komt het

als een speenvarken dat gilt, als het lam

dat wordt gekeeld en zo komt het

als het laatste dat je hebt gewild

als braaksel komt het of als laatste woord

dat je over de lippen komt. Als lucht

die je ontvliedt. Zo komt het als een stem

een roeping. Of als het einde van het lied

als de ping van een triangel, als roffel

of als stoot. Als het rood van het bloed

of het bruin uit de goot. Als donder

of als bliksem. Als pauze of als paukeslag

als serene rust zo komt het

of als eeuwige koopzondag

als dag van de wrake of als brandend zand

als harde nacht komt het of als de ochtend

voor het vallen van de krant

als slaap of als ontwaken. Als kanker

of gangreen. Zo komt het als Lucullus

heer der vraatzucht, of als vel over been

als Jeanne d’Arc of zuster Ursula, Bernadette

of Maria of om het even welke maagd met anorexia

zo komt het als zij of hem of haar

als gruwel met een bereklauw

als kindje met een rammelaar

zo komt het, als de hengst met de hamer

als tik van de klok, als een

striemende zweep of de zwiep met een stok

als een zwaai met de scepter

of een crash in je laptop

zo komt het als schroeiende keel

of verstokkende klank, als de geur

van lavendel of niet te harden stank

als een koude douche, een dampend bad

als zachte sofa, poef of pijnbank of het bed

der natuur, als aarde water lucht of vuur

zo komt het – en liefst nog op het gods-

onmogelijkste uur. Met een stijve pik

of met een masker. Als tepelklem

mister Piercing of Tattoo, als

krachtstroom op je schokkend hart

als een afgestroopte pels. Zo komt het

hemels zo komt het hels, zo komt het

als roos of als de spijker in het vlees

zo komt het als honing of als gif

als een pil uit een doos of een lik

uit een pot stroop. Zo komt het

als modder in een loopgraaf, als angst

na de hoop, of als de wanhoop komt het

als een lus met een knoop

en verder komt het als een assegaai

of een machete, als een schroef of een

vijs, als een hooivork of een zeis

en zelfs als balpen komt het uit een boog

als het mes op de keel dan of als een

banale bezemsteel. Zo komt het

en met of zonder gevoel, als een spies

aan de grill. Als een paal door je anus

of als een pijl in je bil. Als een visgraat

in de keel of als de scherf van een granaat

zo komt het. Als bakermat of bakerpraat

zo komt het onder de stress en overwerkt

maar soms ook glad en onbemerkt. Zo komt het

als spion of private eye, als een omgelegde

pion, als schaakmat of als patstelling

zo komt het stipt en efficiënt

zelfs al komt het te laat. Zo komt het

stroef en stram of in soepele spagaat

in goudbrokaat of vol ornaat. Als koning

of als potentaat, als weldoener of moordenaar

als een kale baron of een clochard

met rafels in het haar

zo komt het als hond die knaagt aan ieder

been, of als knokige Hein komt het

van binnenuit of om je heen. Als de zinkende bodem

of het slurpende veen. Als hoogtevrees

of overmoed, in voor- of in tegenspoed

als de val van een reling of de sprong

voor een trein, als de macabere danser

komt het of het mollige ketje. Als stijve hark

of als verkreukeld servetje. En in repen

of in moten of als slierten spaghetti

als strooisel, witte sneeuw of als kleurig

confetti. Als onzekere zekerheid komt het

als machtig mysterie of macht der ongrijpbaarheid

zo komt het en komt het en komt wat er komt

uit de hoogte der hoogten of het diepst van de grond

hoe het ook komt, het blijft een gok:

wat je wint, wat je verliest

als ons leven zich in nevel

aan ons netvlies vastvriest

MON UNIVERS EST A L’ENVERS

over GAINSBOURG – VIE HEROIQUE

feeërieke film van debutant Joann Sfar

De feeërieke speelfilm Gainsbourg (vie héroique) van de tegendraadse Franse regisseur en striptekenaar Joan Sfar (1971) begint, na een prachtige intro van fladderende stripfiguren, met een veelzeggende scène. De kleine joodse doerak Lucien Ginzburg, op 12 jarige leeftijd al kettingroker, wandelt over het strand van Deauville, en vraagt aan een mooi leeftijdgenootje of hij haar hand mag vasthouden. Waarop ze zijn voorstel bondig afwijst: “Nee, jij bent te lelijk”.

De stelling van Sfar, die door de film heen consequent is uitgewerkt, is dat de latere zanger Serge Gainsbourg zijn hele leven lang op een bepaalde manier dat jongetje is gebleven dat, ingeklemd tussen schaamte en schaamteloosheid, haakte naar de liefde van onbereikbaar mooie vrouwen.

Na de openings-scène op het strand, waarbij tonen van de wals klinken uit Gainsbourg’s absolute meesterwerk Melody Nelson, zoomt Sfar in op de donkere jaren van bezet Frankrijk, als er overal in Parijs affiches te vinden zijn met karikaturen van Le Juif en France (de Franse versie van De eeuwige Jood). Lucien Ginzburg vond dat hij, als joods jongetje van Ashkenazische afkomst met haakneus en flaporen, veel teveel op die gruwelfiguur van de nazi-propaganda leek. In zijn levendige fantasiewereld, wordt hij op straat achtervolgd door een aan het affiche ontsnapte en tot leven gewekte geest met de lelijke kop van de Franse Jood die steeds meer in volume uitgroeit tot een kolossale ballon met armpjes en priemende gele ogen. Met een gestolen cowboypistooltje schiet Lucien de kop op gegeven moment aan flarden. Maar net als bij een draak die wordt gedood, ontpopt er zich een figuur uit de nekwervel van Le Juif die misschien nog wel angstaanjagender is: dr. Flipus – een alter ego van Ginzburg met een lange vogelneus en lenige feline trekken, die als een soort Fenix uit de kruitdampen tevoorschijn kringelt. Een kruising tussen Mefisto, een atletische raaf en Behemoth de zwarte kater uit Boelgakov’s roman De meester en Margarita.

Lucien tekent, tot vermaak van zijn zusjes en verbazing van zijn klasgenootjes, de bizarre avonturen die hij in zijn fantasie beleeft met zijn onzichtbare gezel Dr. Flipus (Dr. Jekyll?) op in een schetsboek, waarin hij met aquarel zijn schildertalenten exploreert. Buiten woedt de oorlog, en om indruk te maken op een stel dronken zwarthemden die door de Parijse straten marcheren, zien we Lucien luidkeels de Marseilleise meezingen: “Du sang partout!” Thuis in Pigalle probeert vader Ginzburg zijn zoon met strenge hand het pianospel bij te brengen. Maar het liefst van al trekt Lulu zich terug in zijn zelfgecreëerde schilderwereld, waarin behalve Dr. Flipus ook de vrouwen van Clichy beginnen te figureren. Ten overstaan van de Rubensiaanse schone van de schilderacademie die hij stiekem naakt portretteert en denkbeeldig het hof maakt, citeert hij “soms Baudelaire en soms zichzelf”, en hij bezweert dat zijn Muze niet ontdekken zal wie wanneer aan het woord is.

De oorlog kan Lulu gestolen worden, tot het moment dat hij gedwongen wordt om zich, voorzien van valse documenten, samen met zijn ouders schuil te houden op het platteland. Vlak voor zijn vlucht uit Parijs staat de jonge Ginzburg voor dag en dauw op de stoep bij de prefect van Clichy om als allereerste een jodenster in ontvangst te nemen. “Een eer”, zo zegt hij wijsneuzerig, “die hij zich beslist niet wil laten ontgaan.” Als de prefect hem vraagt of hij die ster van hem dan echt zo graag wil dragen, antwoordt hij: “Het is niet mijn ster, meneer. Het is die van u.” De hele film zit in die ene zin samengebald. De prefect voelt zich voor schut gezet, en schopt de piepjonge provocateur het gemeentehuis uit.

Of deze anekdote waar is? “Wat doet het ertoe”, zegt de regisseur hierover in een van zijn vele promotiegesprekken die hij houdt bij het uitkomen van de prent, “als Gainsbourg hem gedurende zijn leven de moeite waard heeft gevonden om te vertellen.” Wat in elk geval waar is, dat is dat de zanger na de oorlog – zoals op amusante wijze tijdens de film in beeld wordt gebracht – uit geldgebrek twee jaar lang mandoline-leraar is geweest in een weeshuis te Champfleur dat vooral plaats bood aan kinderen van ouders die in de gaskamers waren omgekomen. Die kinderen, gewonde diertjes eigenlijk, waren zijn eerste publiek. Toen hij het weeshuis binnenging, was zijn naam nog Lucien Ginzburg. Na het te hebben verlaten, noemde hij zich voortaan Serge Gainsbourg. Serge was de voornaam van de directeur van het instituut.

De film heet ‘Gainsbourg: vie héroique‘. Joann Sfar: Ja, Gainsbourg is in mijn optiek een held. Maar zoals Iedere held draagt ook Gainsbourg in zijn levensloop de tragiek als een onvermijdelijke schaduw met zich mee. Serge is geen heilige, maar hij heeft zich wel een heiligenleven verzonnen, en ik heb me geamuseerd door alle staties van de kalvarie van Sint-Gainsbourg te volgen.”

Ondanks de toevoeging ‘vie héroïque’ is de film zeker geen hagiografie. “Ik geef geen antwoorden of probeer geen mythe te doorprikken”, vertelt Joann Sfar in een gesprek dat plaatsvindt in het beroemde restaurant La Coupole in Montparnasse in Parijs. “De vraag of iets in de film perse echt gebeurd is, interesseert me niet. Mijn film moet niet op de werkelijkheid lijken, maar cinema zijn. Ik had zin in cabaret, lekker dik aangezet, waarbij je kunt wegdromen of af en toe een traan moet wegpinken. Spektakel met acteurs die zich helemaal geven. Ik gebruik alleen wat Serge Gainsbourg zelf over zijn leven verteld heeft, inclusief de verzinsels.”

De film bevat tal van stripinvloeden, maar ook verwijzingen naar films als Nosferatu van Murnau, Les Enfants du paradis van Carné, Amarcord van Fellini en Big Fish van Tim Burton. Regisseur Joan Sfar mikt duidelijk heel hoog. En hij vergooit zich niet. Décors, kleding, cinematografie, mise-en-scène: alle is tot in de puntjes uitgewerkt en van symbolische lading voorzien. De beelden van Gainsbourg: vie héroique schetsen een ultiem sensueel, fragiel en gelaagd beeld van een duivelskunstenaar, vooral in de eerste helft van de film als het gevecht met de artistieke demonen nog moet worden gestreden en de Muzen nog moeten worden verleid. Iedere scène is een tot leven gekomen schilderij dat al naar gelang de situatie sober, somptueus, realistisch of surreëel is ingekleurd. Sommige fragmenten zijn films in een film (bv. de ontmoetingen met Juliette Gréco en Boris Vian). Niet zo maniëristische en pompeus als Quintin Tarantino dat pleegt te doen in zijn produkties, maar afgewerkt met tedere penseelstreken die, je kunt niet anders zeggen, van oneindig veel smaak en jouissance getuigen.

De keuze om geen encycopedische film te maken, maar een persoonlijk portret met strip- en musical invloeden, pakt bijzonder geslaagd uit. Vooral ook omdat onder de dikke lagen schmink en de felverlichte bric-à-brac van de décors, gekozen is voor een even intelligente als subtiele vervlechting van muziek en thematiek. Daarnaast is de rolbezetting ronduit magnifiek te noemen. Eric Elmosnino speelt een Serge larger than life, echter dan echt en geloofwaardig tot in de kleinste tics, zozeer dat je er kippenvel van krijgt. Laetitia Casta, de huidige Marianne – het symbool van de Vrijheid en La Femme Eternelle dat de Fransen al decennialang tot één figuur abstraheren voor op hun postzegels en statieportretten – speelt haar voorgangster Brigitte Bardot met het grootst mogelijke sex appeal denkbaar. De scène waarin zij met laklaarzen en in panterrokje de gang van Gainsbourg’s werkflat binnen komt gelopen, is van een even erotiserende bravoure als de strandscène met de werkelijke Bardot uit Roger Vadim’s Et dieu créa la femme. Het licht gaat schijnen, de camera gaat van beneden naar boven, het hart van de kijker komt even tot stilstand. Ook de rol van Jane Birkin is trouwens perfect getypecast. De adorabele Lucy Gordon speelt alsof haar leven ervan afhangt. En in wrange zin is dat misschien ook wel zo geweest. Want kort na de laatste opnamedag heeft de Engelse actrice zichzelf verhangen. De film is dan ook aan haar opgedragen.

Het Faustiaanse duel met Gainsbourg’s dandy-achtige alter ego “Rotkop” (La Gueule), die de zanger op stel en sprong influistert wat te doen om als artiest hogerop te geraken (en uiteindelijk een vedette te worden, een ster tussen de sterren), is naar mijn mening verreweg het meest interessante aspect van Sfar’s film – die te surreëel en cabaretesk is om een gewone biopic te zijn maar tezeer de tijdslijn van Serge’s leven volgt om het ook weer niet te zijn. Het conflict tussen Gainsbourg en zijn voor anderen onzichtbare daimon, is een meestervondst. Die de film niet alleen op een hoger plan tilt, maar een aantal duistere aspecten van Gainsbourg’s complexe leven ook werkelijk begrijpelijker maakt. Met dezelfde sensuele hand en vloeibare lijnen waarmee Sfar als stripauteur zijn bizarre karakters op papier zet, portretteert de regisseur zijn hoofd- en zijpersonages op het filmdoek. Het beroemde en o zo moeilijk te bevatten fluïdum van Gainsbourg spat, druipt en druppelt aan alle kanten van het doek af, en het plezier waarmee dit alles gemaakt is evenzeer.

Sfar heeft zijn film, op aandringen van erfgenamen Jane Birkin en Charlotte Gainsbourg, uitdrukkelijk omschreven als een fantasierijke vertelling. ‘Un conte’. Een modern sprookje over een lelijk jongetje van Russische ouders die er op verbazingwekkende manier in slaagde niet alleen de mooiste vrouwen van het land, maar zelfs gans Frankrijk, aan zijn voeten te krijgen. Daarnaast gaat de film ook over het thema van het offer, de fatale prijs die een artiest moet betalen om succesvol te worden. De behoefte aan liefde van Gainsbourg is volstrekt onverzadigbaar, un besoin sans issue. Zie hier de principale drijfveer van zijn leven, die hem naar de toppen van zijn kunnen voert. Maar de zanger ook te gronde richt.

In dat opzicht is de “conte” of het donkere psychologische sprookje dat Sfar met deze rolprent vertellen wil, een variatie op de aloude mythe van Faust die zijn ziel verkoopt aan de duivel in ruil voor de onsterfelijkheid. De zanger – in het begin nog schattig, onhandig en verleidelijk jongensachtig in beeld gebracht – krijgt gaandeweg de film maniakale proporties. Zijn ego raakt even monstrueus verknipt en opgeblazen als de Jodenkop van het affiche die hem in zijn jongensjaren in het bezette Parijs achtervolgde. Zijn jongensachtige behoefte aan liefde en erotiek ontaardt in een gruwelroman van De Sade.

Het kantelmoment in het leven van Gainsbourg komt perfect overeen met een cruciale scène uit de film, die met 200 kilo aan lampen schijnt te zijn opgenomen aan de oevers van de Seine. Op het moment dat de door Brigitte Bardot gedumpte zanger op het punt staat om Jane Birkin, de liefde van zijn leven, te veroveren, blijkt hij niet meer in staat om het penseel te kunnen hanteren. De daimon van La Guele kijkt geringschattend toe hoe zijn levensgezel diens talent opoffert aan zijn geluk.

“J’aime bien ma nouvelle gueule”, zegt Gainsbourg als hij zich aan het begin van zijn huwelijk met de Engelse poppedijn eindelijk lekker in zijn vel vindt zitten. Het gaat hem voor de wind, de Muzen lonken onafgebroken naar hem, het publiek ligt aan zijn voeten, hij heeft een schat van een dochter, schrijft aan zijn symfonische meesterstuk Melody Nelson en voelt zich voor het eerst bevrijd van zijn complexen. Jane heeft hem een nieuwe look gegeven en de raad van zijn corrupte alter ego Rotkop kan hij voortaan dan ook missen als kiespijn. In de mythologie van Sfar: Gainsbourg wijst Rotkop de deur.

In de film zien we de Doug Jones, die het spichtige alter ego speelt in zijn kostuum van papier maché, hete tranen plengen op het dak van Gainsbourg’s Hôtel Particulier, en meewarig neerstaren op de scènes van huiselijk geluk die zich in en rond de slaap- en kinderkamer afspelen. Rotkop probeert zijn vroegere makker weer tot samenwerking te verleiden. “Ik dacht dat je een Pygmalion wilde zijn voor kleine Jane”, schampert La Guele. “En nu is het je Engelse meid die jou de weg wijst in dit leven!” Gainsbourg doet alsof zijn schaduw nooit bestaan heeft.

Prompt gaat er natuurlijk van alles mis in het bestaan van de zanger, die zijn kindse inborst weigert op te geven en zich nauwelijks raad weet met de verantwoordelijkheden van het volwassen leven. Het geluk van ’69/’70 blijkt minstens zo fragiel te zijn als Gainsbourg’s fysieke en karakteriële ingesteldheid. Le bonheur, zo luidt een veelgehoorde Franse definitie van geluk, cette étrange chose qui n’existe pas – et pourtant un jour n’est plus. Op het ene moment bevindt de zanger zich op de toppen van zijn kunnen. Op het andere moment tuimelt hij in volle vaart van de Olympus, beproeving na beproeving incasserend. Gainsbourg krijgt een eerste hartaanval, zijn vader sterft, net als zijn geliefde hond Nana, hij raakt onbedaarlijk aan de drank, produceert nauwelijks nog iets van waarde en verveemdt van wie hem dierbaar is.

Natuurlijk staat Rotkop klaar om de haveloze artiest er opnieuw weer bovenop te krijgen. Die strooit sloffen Gitanes uit over het ziekenhuisbed om het vertrouwen van zijn compagnon à la dérive terug te winnen. Hij belooft zijn maatje dat in zak en as zit, om de zaken in de toekomst beter dan ooit aan te pakken. Geen tijdelijke, maar eeuwige roem die in het verschiet ligt. Alle geneugten, liefde, roem die een mens maar kan bereiken. Vrouwen bij de vleet. Geld, champagne, genot. Hic et nunc et saeculi… Rotkop wrijft Serge’s haren door de war, zet hem een zonnebril op, en proost vicieus op de herwonnen samenwerking. Wat er geweest is, is nog niks vergeleken bij wat komen gaat.

In het duel tussen Gainsbourg en zijn alter ego, zo is de suggestie van de regisseur, is het de zanger van vlees en bloed die uiteindelijk het loodje legt. Uit de as van de 140 Gitanes per dag rokende Gainsbourg verrijst de nog veel gruwelijker chimaere Gainsbarre (de “standvastige”, de ruwe), een sadistisch onbehouwen monster dat vanaf eind jaren zeventig zijn veel lieflijker en onhandiger voorganger definitief van het podium vaagt. In Nederland had je de vileine zanger Jaap Fischer, meester van het messscherpe chanson, die in de loop der tijd zijn hoekige masker af liet vallen en voortaan – triest maar wijs geworden – als Joop Visser door het leven wilde gaan. Serge maakt iets soortgelijks mee, maar dan in omgekeerde zin. Zoals hij in alles tegendraads prefereerde te zijn. Un réfractaire pur sang.

”Mon univers est à l”envers”, verklaarde hij zelf ooit in een interview met Libération. Serge de rebel. Die, zoals heel mooi in beeld gebracht door Sfar’s film, een vuist maakt naar een zaal vol rechtse para’s in Straatsburg die zijn bloed wel kunnen drinken, omdat hij hun volkslied La Marseillaise met een stel rasta’s uit Jamaica verhaspelde tot reggaesong. “On est tous des Juifs, des nègres et des Français!” Op het podium van de ontploffende zaal verandert de zanger opnieuw in het joodse ketje dat de zwarthemden uitlacht door met ze mee te zingen. “Du sang, du sang, partout!” Hij blaft de para’s toe dat ook Rouget de Lisle de Marseillaise schreef als marslied van Republikeinse rebellen die af wilden van het ancien régime. Daarop zet hij acapella, met geheven vuist, het volkslied in. De para’s in verwarring achterlatend. Even later zien we Gainsbourg die het handgeschreven manuscript van La Marseillaise voor een astronomisch bedrag op de koop tikt tijdens een veiling in Parijs. “Wel duur, voor zo’n velletje papier”, merkt een journalist op. Waarop de zanger repliceert: “Man, ik zou me hiervoor hebben geruïneerd!”

De scène markeert het hoogtepunt van Gainsbourg’s heroïsche levensloop. Van joods kereltje in bezet Parijs, tot pionier-provocateur van de vrijheid en eigenzinnige maskotte van het Franse patrimonium. Als het waar is dat de dichter-zanger dubbel en dwars zijn plaats verdiend heeft op de achtenswaardige toppen van de Franse Parnassus, dan heeft hij die plek veroverd door de berg op sluikse wijze te beklimmen. En stoemelings, zoals Brusselaars zeggen. Over de rug heen van zijn eigen schaduw. Mon univers est à l’envers…

Gainsbourg’s parcours – Sfar heeft dit scherp gezien – heeft inderdaad altijd de weg gevolgd van de meeste weerstand, van het schandaal. Van Sodom ook. Zoals in het ultieme liefdeslied “Je t’aime, moi non plus”. Het beruchte hijgduet in 1967 gezongen met Brigitte Bardot, twee jaar later met Jane Birkin, waarvan er alleen al buiten Frankrijk miljoenen platen werden verkocht; zonder dat de meeste van die kopers ook maar enig benul hadden dat er de geneugten van de anale liefde in werden bezongen. “Ik vermaak de wereld met injecties van lichte perversiteit”, placht hij zelf te zeggen. Op een manier waartoe alleen Gainsbourg in staat was. Met stijl, distinctie, in miraculeus mooie maar ook infecte poëzie. “Tu es la vague, moi l’île nu./L’amour physique est sans issue.” Waarna Eros zijn giftige pijl van koele geilheid afschiet tussen de nieren van zijn geliefde.

Ik houd van je.”

Ik al niet meer…”

Zelf bleef Gainsbourg zijn vakgebied omschrijven als “un certain art mineur”, en meer dan eens liet hij weten zichzelf in de eerste plaats te beschouwen als een mislukte kunstschilder. In een twistgesprek met Guy Béart, in het praatprogramma van Bernard Pivot, sprak hij zijn collega betuttelend toe: “Ach Guy, wat zijn onze liedjes meer dan “des petits cacas” die we uitscheiden op het podium?” Dat Serge Gainsbourg daarentegen weldegelijk een grote kunstenaar genoemd mag worden, een dichter, zanger en componist van Olympische categorie, daarover laat Joann Sfar in zijn film geen misverstand bestaan. De film is, behalve als een donker sprookje, vooral ook een soort van lyrische liefdesbrief aan de onnavolgbare artiest en zijn invloedrijke oeuvre.

Natuurlijk is Sfar, hoe origineel en gelaagd zijn hommage ook mag zijn, niet de eerste om Gainsbourg’s mérites te erkennen. Al in 1972, na het beluisteren van het monumentale album ‘Un histoire de Melody Nelson’, liet de grote dichter Louis Aragon zich ontvallen dat “die Gainsbourg zich eigenlijk geheel op het sonnet toe zou moeten leggen: zijn poëtische kwaliteiten zijn weergaloos en behoren tot het meest originele wat de Franse literatuur heeft voortgebracht sinds Les Chants de Maldoror van Lautréamont.”

En inderdaad: neem de proef gerust op de som door de bonte catalogus aan liedteksten van Gainsbourg er op na te slaan, zoals Mauvaises nouvelles des étoiles (éditions Seuil). Vrijwel elk willekeurig lied van Gainsbourg getuigt van uitzonderlijke poëtische soeplesse, syntactisch meesterschap en klinkklare woordvreugde. Zoals volgens Goethe een meesterhand zich vooral kan tonen in de beperking, zo openbaart het genie van Gainsbourg zich zelfs nog in het keurslijf van zijn meest kitscherige, hijgerige of populaire nummers. Sfar zegt hierover: “Wat geweldig is bij Gainsbourg: hij noemt zichzelf een luxehoer, maar hij is nooit oprechter dan wanneer hij probeert zichzelf te verraden. Op een huppeldeuntje als “Baby Pop”, laat hij France Gall zingen “chante, danse Baby Pop, comme si demain tu devais mourir”. Hij kan het niet laten om overal de tragiek van in te zien. Bij momenten is hij even pathetisch geniaal als François Chateaubriand.”

Een lied dat mij voor altijd van Gainsbourg’s uitzonderlijke lyrische gaven overtuigd heeft, is het nummer Hôtel Particulier, op het album Melody Nelson. In prachtige, wulpse zinnen die in enkele bondige stanza’s een wufte paringsdans met elkaar aangaan, voert de zanger zijn piepjonge verovering mee naar een labyinthisch roccoco-complex met vele trappen en eindeloze gangen, waar beiden zich onder het toeziend oog van vergulde engelenbeelden, naakte ebbenhouten slavinnen, Aphrodites en Salomés, in de Cleopatra-kamer overgeven aan de praktijken van de Ars Amatoria. Lees hoe Gainsbourg zijn Melody op de tonen van orgel, bas, piano en sublieme lyriek naar de toppen voert van het genot!

(…)

Entre ces esclaves nus taillés dan l’ébène

Qui seront les témoins muets de cette scène

Tandis que là-haut un miroir nous réfléchit,

Lentement j’enlace Melody…

De parabel die Sfar in zijn film op magistrale wijze via het leven van Gainsbourg in beeld heeft gebracht, is er een van een held die ”in alles slaagt, behalve het leven.” Maar de magische rode draad waarmee de film in het eerste gedeelte op zulk een verrassende wijze aan elkaar is geregen, lijkt na anderhalf uur plotseling op te lossen in de emulsie van de pellicule. De anekdotes van Serge’s aftakeling, puntsgewijs door Sfar in beeld gebracht als een onsmakelijk spektakel waar geen einde aan lijkt te komen (sans issue), zijn zo talrijk dat ze op gegeven moment zowaar bijna gaan vervelen. Na ongemerkt te zijn opgestegen naar de hogere regionen van de filmkunst, raak je als kijker, in navolging van de robuust dirigerende regisseur, plotseling enigszins de weg kwijt in het al te drukke stratenplan van saillante anekdotes, waardoorheen Sfar zijn eindeloze stoet van kakelbonte karakters laat passeren. Sfar had er goed aan gedaan om zelf ook iets van zijn materiaal in het tweede gedeelte van de film op te offeren ten behoeve van de intensiteit en continuiteit.

Vreemd genoeg eindigt de film toch nog abrupt, op de plek waar hij begint, aan het strand van Deauville. Niet in het ochtendlicht, maar ’s nachts. In de hemel blikkeren de sterren. Opnieuw klinkt La valse de Melody. En in dronken verstilling zie je Serge peinzen of het waar is, wat hij ooit zong in dat duet met Chathérine Deneuve: Que dieu soit un fumeur de Havanes… Het ware beter en zeker mooier geweest als Sfar, in plaats van te kiezen voor een al te open einde anno 1987, rigoureuzer had gekozen voor de finale beslechting van het Faustiaanse duel tussen Gainsbourg en Rotkop op 2 maart 1991 in zijn Parijse Hôtel Particulier aan de Rue de Verneuil. Waar de krachten tussen licht en duisternis bezig zijn geweest aan hun beslissende gevecht. En waar de aan een oogvirus lijdende zanger, die zelfs in zijn geblindeerde woning nooit zijn zonnebril meer afdeed, als een dief in de nacht is weggeslopen. Moederziel alleen, geloof het of niet, gestorven aan een “natuurlijke dood”; een hartbreuk ten gevolge van een poreus geworden kransslagader.

Wat zich daar in die gesloten ruimte af heeft gespeeld in die laatste momenten, Sfar had het met zijn fenomenale fantasie vast prachtig vorm kunnen geven. Het is alsof de regisseur na een majestueuze spurt, voortijdig buiten adem is geraakt. Of huiverde om de finish te bereiken. Picasso was er ook altijd bang voor: une oeuvre parfaite, c’est une erreur. De gratie van het speelse en onaffe. Dat is het register waarbinnen ook Sfar’s film zich uiteindelijk heeft willen of moeten bewegen. Geen oeuvre parfaite, maar voor een debuutfilm in elk geval een verbluffende proeve van bekwaamheid, intelligentie en originaliteit.

Gainsbourg, (vie héroïque), 2u10.

Speelfilm van regisseur Joann Sfar.

Met Laetitia Casta, Eric Elmosnino, Lucy Gordon e.a.

HISTOIRE DE MELODY NELSON

Mijn beslissende album moet wel zijn Histsoire de Melody Nelson van de Franse zanger, nachtuil, alcoholist en aartsprovocateur Serge Gainsbourg uit 1971. Het album is geconcipiëerd tijdens mijn geboortejaar, door een artiest met wie mijn moeder gedurende de jaren zestig, toen zij als mannequin werkte in Parijs, enige tijd intiem bevriend was. Die relatie is er allicht mede verantwoordelijk voor dat ik ben opgescheept met dezelfde voornaam als Monsieur Gainsbourg. Maar dat terzijde.
Histoire de Melody Nelson was de eerste conceptplaat uit de geschiedenis van het Franse chanson. De plaat laat zich het best omschrijven als een erotische raamvertelling in zeven puntige liederen, die in totaal nauwelijks dertig minuten in beslag neemt. Waarin een tedere nimfijn van “quatorze automnes et quinzes étés” zich overgeeft aan een gepassioneerd roofdier van veertig-plus. Histoire de Melody Nelson is een muzikaal meesterwek van perverse verleiding. Een liefdesbrief uit de donkere cellen van Sodom, een extatische pijnkreet uit de ondergrondse kerkers van Edgar Ellen Poe en Vladimir Nabokov. Het album is tevens het voorwendsel voor enkele van de meest gedurfde lyrische exercities in het Franse taalgebied. De beroemde dichter Louis Aragon liet zich in 1972, na het beluisteren van Melody Nelson, ontvallen dat “die Gainsbourg zich eigenlijk geheel op het sonnet toe zou moeten leggen: zijn poëtische kwaliteiten zijn onvergelijkelijk”.
Het verleidelijke creatuur dat haar popedijnen stemgeluid leent aan Serge’s verdorven brein, heet Jane Birkin: aristocratische dochter van een Engelse Lord, vroeggevallen nimfijn die zich openstelt voor het verderf, ongeschoolde en ongerijpte zangeres. Op de cover van het album houdt Birkin in de hoedanigheid van het titelpersonnage, met gekruiste armen een aangeklede pluchen aap koket tegen haar naakte bovenlichaam gedrukt. Niet alleen om uit te dagen, zo blijkt, maar ook om te verhullen dat ze op dat moment zwanger is van haar “enfant d’amour” Charlotte Gainsbourg.

De toon is meteen gezet in het eerste nummer, Melody: een sombere hypnotiserende soundscape met een overstuurde, ietwat slepende bas, rockgitaren die bezwerend huilen, violen die het sonore stemgeluid van Gainsbourg’s fluisterstem omfloersen. Een Rolls Royce Silver Ghost 1910 rijdt langzaam door een niet bij naam genoemde stad. In gedachten verzonken, verstrooid, met een half oor luisterend naar de radio, zijn blik gericht op de gevleugelde Spirit of Ecstasy op de voorkap, raakt de verteller in aanrijding met een rossig tienermeisje op een fiets.
Tu t’appelles comment ?
– Melody
– Melody comment ?
– Melody Nelson

De man achter het stuur van de Rolls vertelt ons in quasi-vrolijke balladen, opgesteld in de onvoltooid verleden tijd, zijn tragische verhaal over schoonheid en extase, liefde en dood.
Oh ! Ma Melody
Ma Melody Nelson
Aimable petite conne
Tu étais la condition
Sine qua non
De ma raison.

Gainsbourg verhaalt vervolgens hoe de liefde voor zijn Melody hem naar het hoofd stijgt. De gevoelens van gelukzaligheid en elegantie uit het begin, worden allengs duizelingwekkend. De licht-psychedelische muziek, die de wals uit haar voegen doet draaien, benadrukt dit.
L’hotel particulier geldt wat mij betreft als het pièce de resistance van het album. Gainsbourg voert zijn jongedame mee naar een labyinthisch roccoco-complex met vele trappen en eindeloze gangen, waar beiden zich onder het toeziend oog van vergulde engelenbeelden, naakte ebbenhouten slavinnen, Aphrodites en Salomés, in de Cleopatra-kamer overgeven aan de praktijken van de Ars Amatoria. Zowel poëtisch als muzikaal gezien is dit nummer een parel van perfectie. Het beste bewijs dat poëzie en muziek allerminst “beter van elkaar gescheiden kunnen blijven om verwatering te voorkomen” (zoals Guus Middag ooit opmerkte in
NRC-Handelsblad). Hoor hoe Gainsbourg zijn Melody op de tonen van orgel, bas, piano en sublieme lyriek naar de toppen voert van het genot!
Na het gerommel op het liefdesbed is er het ontwaken uit de droom. Het laatste nummer op het album, Cargo Culte, laat zich verhalen als een epiloog vanuit het schimmenrijk. De geschiedenis eindigt zoals ze begon: met een ongeluk. Melody vindt de dood als haar Boeing 707 neerstort in zee. Haar malse lichaam komt terecht tussen de koralen van Melanesië, ergens op de bodem van de Grote Oceaan. De verteller blijft alleen achter, ten prooi aan zijn herinneringen. De muziek bereikt in dit nummer haar apotheose. Het bezwerende thema van het begin, met de overstuurde basgitaar, wordt herhaald en uitgebreid tot een koortsig requiem met een koraal van maar liefst zeventig stemmen. Het gefluister van Gainsbourg mondt uit in een magische incantatie van de “Cargo Culte” zoals bedreven door de Papoea’s op Nieuw Guinea. Ook Gainsbourg hoopt biddend op een vliegtuigcrash die hem de schim van zijn minderjaardige heldin tussen de wrakstukken opnieuw tevoorschijn kan toveren.
N’ayant plus rien à perdre ni dieu en qui croire
Afin qu’il me rende mes amours dérisoires
Moi, comme eux, j’ai prié les cargos de la nuit.
Et je garde cette espérance d’un désastre
Aérien qui me ramènerait Melody
Mineure détournée de l’attraction des astres.

Wellicht dat er voor Gainsbourg nog een Johnny Cash-achtige wedergeboorte in had gezeten, gedurende de jaren negentig. We zullen het nooit weten. Gainsbourg stierf op 2 maart 1991 in volstrekte eenzaamheid in zijn geblindeerde huis aan de rue de Verneuil in het zevende arrondissement van Parijs. Een derde hartaanval maakte hem af, voor slepende leverkanker dat deed. Diezelfde dag, die ook de verjaardag van mijn moeder was, had hij vergeten zijn hartpil te nemen. Net zoals Boris Vian, 32 jaar eerder. Gainsbourg is bijgezet in een familiegraf op Cimetière Montparnasse. 60, Avenue Transversale. De pluchen aap die Jane Birkin op de cover van Histoire de Melody Nelson voor haar ontblote zwangere buik houdt, is op die dag mee verdwenen in het graf.

HISTOIRE DE MELODY NELSON

Titel: Histoire De Melody Nelson
Artiest: Serge Gainsbourg
Genre: Pop Vocal
Sub Genre: Frans
Label: Mercury
Producent: Jean-Claude Desmarty
Studio / Live: S
Stereo: Stereo
Formaat: Performer
EAN: 731453207325
Catalogusnummer: 5320732
Titels op de plaat
1.: Melody
2.: Ballade De Melody Nelson
3.: Valse De Melody
4.: Ah Melody
5.: L’hotel Particulier
6.: En Melody
7.: Cargo Culte

ALLES IS INTACT GEBLEVEN

PORTRET VAN SERGE GAINSBOURG

Op 2 maart 1991 sloop de Franse zanger Serge Gainsbourg als een dief in de nacht weg uit dit leven.

Nauwelijks had hij in zijn laatste jaren het daglicht nog kunnen verdragen. Zelfs in het getemperde licht van zijn geblindeerde hôtel particulier aan de Rue de Verneuil in Parijs droeg hij een donkere zonnebril. Het overmatige alcoholgebruik en de 140 dagelijkse Gitanes mais sigaretten hadden zijn lever vergiftigd, zijn hart op springen gezet en zijn ogen met een virus aangetast. Toch bleef hij zich van televisieshow naar televisieshow slepen, slempend en paffend, om vervolgens achter de piano de tekst van zijn liederen te vergeten en met een afsluitend scheldwoord het podium te verlaten. Het publiek kon geen genoeg van hem krijgen, al verstond het geen woord van wat hij zei, en al braakte hij zijn minachting over haar uit.

Ik zal u beledigen tot u van me houdt”, had hij aan het begin van zijn carrière, in het schimmige Parijs van de jaren vijftig, al gewaarschuwd. Zijn formule heeft gewerkt. De erotomaan stierf als Frankrijks meest verguisde, minst begrepen, maar ook meest beminde zanger.

Gainsbourg mocht met zijn 62 jaren dan opgebrand zijn, het opmerkelijke is dat hij dat dertig jaar geleden ook al leek. Correspondent en Frankrijk-kenner Jan Brusse kenschetste de zanger in die tijd reeds als een sombere uil die iedere nacht van het ene Parijse cabaret naar het andere fladderde om er zijn troosteloze chansons te fluisteren. “Zo mooi ziet hij er uit, zo door-en-door vermoeid zijn z’n bewegingen, dat je steeds vreest dat hij het volgende liedje niet meer zal halen. Zijn grote ogen, waarop zware oogleden steunen, schjinen zich alleen maar af te vragen waarom dit alles noodzakelijk is.” Ook in zijn jeugd was de nacht al zijn domein. “De nacht, de nacht”, zong hij, “die me verlost van het duister in mijn hersenen.”

Tot het einde toe is hij eigenlijk een jongen gebleven, een kwajongen die zijn lelijkheid in een voordeel wist om te zetten. “Lelijkheid is aan schoonheid verre superieur”’, placht hij daar zelf over te zeggen. “Lelijkheid blijft duren, schoonheid niet…” Wat zich uitslovende macho’s vaak niet lukt, lukte Gainsbourg met zijn aflijvige nonchalance. Met zijn hulpeloze viriliteit wist hij aan de amoureuze sentimenten van de meest adorabele vrouwen te appelleren. Achter de ongeschoren, ongewassen look van de brutale mannenman met de diepe glaciale stem, de warrige lokken en de witte schoenen, herkenden zij een kwetsbare gevoeligheid.

Dit was ook het imago dat hij als ”gigolo youpin” bewust cultiveerde. Op zoek naar het erotisch zinnebeeld voor de man, is hij er zelf ironisch genoeg uiteindelijk een geworden voor de vrouw. Over zichzelf zei hij: “Ik ben een gosertje, dat de vuile waarheid van het leven tracht te achterhalen door kleine, precieze injecties van perversiteit. Ik ben slechts op zoek naar een ding: de puurheid van mijn jeugd. Ik wil kunnen zeggen: ik ben intact gebleven. Intact. Ziedaar mijn kracht.”

Serge Gainsbourg werd als Lucien Ginzburg op 2 april 1928 in Parijs geboren. Zijn jiddische ouders, Joseph en Oletchka, zijn tijdens de Bolsjewistische revolutie Rusland uitgevlucht en in Frankrijk neergestreken, waar vader Ginzburg als nachtpianist in bars en casino’s het gezin van een inkomen voorzag. Oletchka had eigenlijk tot een abortus over willen gaan, maar was op het laatste moment voor de zware ingreep teruggeschrokken. “Al voor mijn geboorte ben ik aan de dood ontsnapt”, zou Serge later zeggen, daarbij ook verwijzend naar zijn roekeloze levensstijl. Lucien (Lulu) Ginzburg ging snel in de leer bij zijn vader die vooral voor Gershwin een zwak had. Maar zijn grote passie bleek het schilderen te zijn. Op z’n twaalfde schilderde hij al de meisjes van Clichy, die hij vier jaar later uit sexuele nieuwsgierigheid voor het eerst zou frequenteren. In de oorlog leefden de Ginzburgs met hun valse papieren onder het regime van een dubbele identiteit.

Na de oorlog probeerde Lucien als jonge schilder die van de Ecole des Beaux Arts getrapt was in leven te blijven met het inkleuren van cinemaposters. Onderwijl ging hij tekeer als Byron in Ravenna of Casanova in Venezië. Tussen 1950 en 1960 trouwde hij twee keer en had hij meer dan zestig serieuze relaties. De lijst van de hem toegedichte veroveringen is volgens biografen lang genoeg om de Gele Gids te vullen.

Zijn vader regelde in 1957 voor de schuinsmarcheerder een baantje als barpianist van café-chantant ‘Milord l’Arsouille’, waar Léo Ferre, Jacques Brel en Boris Vian hun chansons ten gehore kwamen brengen. Serge (zo noemde hij zich nu, Lucien was teveel de naam van het “knaapje van de kapper”) mocht er de stiltes voor de voorstelling wegspelen, en als pianobegleider opereren van Michèle Arnaud en de lijkbleke dandyeske surrealist en trompettist Boris Vian, auteur van een rits villeine liederen die bulken van de humor en de zelfspot. In het cabaret komt hij ook in contact met Denis Bourgeois en Jacques Canetti. Zij stellen hem in staat een aantal zelf gecomponeerde nummers op plaat uit te brengen.

Gainsbourg werd hevig gegrepen door Boris Vian, de lijkbleke dandyeske surrealist met zijn verlammende teksten, die de onzekere pianist onder zijn hoede nam en stimuleerde om solo te gaan zingen. Met moeizaam maar stijgend succes. De zelfverklaarde chanteur Gainsbourg besloot uiteindelijk de grote gok te wagen en ”le noble art de la peinture” vaarwel te zeggen ten gunste van ”le pauvre art mineur de la chanson”. “Le génie ou rien!”. In de film van Sfarr is te zien hoe, tijdens een bedwelmende drankorgie, de brand schiet in zijn olieverfdoeken en zijn atelier vlam vat. Lucien Ginsburg’s schildersezel gaat aan stukken, Serge Gainsbourg de auteur-compositeur-interprete wordt geboren. Temidden van as, flarden van schilderijen en alcoholwalmen. Gainsbourg stort zich vol ijver op de liedkunst, maar Michèle Arnaud laat al gauw merken dat ze sommige liedjes te schunnig vindt om zelf te vertolken.

Serge kruipt zelf achter de microfoon. In 1959 verschijnt Gainsbourg’s eerste 25 centimètres: Du chant a la une, met onder meer de liederen ‘Les femmes des uns sous les corps des autres’ en het na al die tijd nog even sterke als dubbelzinnige meesterwerkje ‘Le poinçonneur des Lilas’ . Boris Vian steekt in Le canard enchainé de loftrompet over het album, dat de Grand Prix de l’Academie Charles-Cros in de wacht weet te slepen, maar commercieel flopt. “Je fais une forte consommation de mentalités”, zou Boris Vian eens gezegd hebben; een aforisme dat Gainsbourg past als gegoten. Gainsbourg gaat zich kleden naar het voorbeeld van Vian, dandy-poeet en jazzman, een tikje Trenet ook, zazou maar vooral existentialistisch haveloos chic. Een bohémien gedragscode die in de late jaren vijftig door de Parijse jeunesse dorée gecultiveerd wordt op het territorium van de Rive Gauche. De Gainsbourg-variante: bewust gerafeld streepjespak, te ruim zittend wit hemd met dagzomende mouwranden – dasloos, sluik haar, drie dagen oude barbe a l’italienne.

De bohème lijkt frivool, maar is evenzeer tragisch. “Il y a de la gravité dans le frivole”, schreef Charles Baudelaire, dichter en dandy die zijn haar groen liet verven, al in de negentiende eeuw. In de romaneske biografie Les derniers jours… (1988) laat Bernard-Henry Lévy de poète maudit in een van zijn brieven verzuchten: “Ach ik droom ervan ooit de zin, ooit het woord te vinden dat de mensheid tegen me opzet.” Wat dit laatste betreft, lijkt Gainsbourg in zijn leven verschillende malen briljant te zijn geslaagd.

Boris Vian roemde ‘de man met het immer trieste gelaat’ op typisch surrealistisch-ambivalente wijze als ”een anti-zanger”. Hij bedoelde dit weldegelijk als een compliment en voorspelde dat het chanson met Serge Gainsbourg een nieuwe tijd tegemoet zou gaan. Als lied-leverancier van jonge zangeressen verwierf hij in korte tijd een reputatie als tekstschrijver en componist wier chansons gegarandeerd goud opleverden. Het publiek van Milord l’Arsouille daarentegen was een andere mening toegedaan. Het vond hem een probleemgeval, een introverte mompelende zanger met veel te grote oren en gebrek aan stemkracht. Zijn fysiek veroorzaakte onrust (Serge sprak over zichzelf als de grote leeuw met de varkenskop, Brigitte Bardot noemde hem een aandoenlijke Quasimodo en met zijn schurkenbek – zijn gueule – figureerde hij in meer dan twintig B-films) zijn bittere en pikante teksten veroorzaakten ergernis. Wat wilde deze pionier van een nieuwe phallocratie die ten strijde trok tegen het vrouwelijke ras precies, de man die zei van vrouwen te houden door ze te haten? Wat was de inzet van deze man die beweerde dat “de liefde nooit meer waard zal zijn dan de korte tijd die je nodig hebt om haar te bedrijven”, en die pochte diezelfde liefde te bedrijven “zoals anderen een inbraak plegen”? Hij wilde provoceren. Provoceren met zijn misogynie, geboren uit frustratie over zijn lelijkheid. Maar ook met die lelijkheid zelf. En natuurlijk met de liefde, de erotiek, waar hij als piepjonge naaktschilder al zoveel vanaf wist. Want de misogyne man is door zijn ultieme gefocust zijn op de vrouw, misschien ook wel haar gulste minnaar. “Ik zal u beledigen tot u van me houdt…”

Gainsbourg spreidde zijn talenten graag over vele personen en personages. Zo annexeerde hij, eenmaal beroemd, de vrouwen die eerst niets van hem wilden weten omdat hij zo monstrueus onknap was. “Voor een vrouw te schrijven is de meest elegante manier om haar te dienen en tegelijkertijd te bezitten”, aldus Gainsbourg. In zijn misogynie nam hij wraak door zijn vertolksters de allerbitterste hatelijkheden over het eigen geslacht, de liefde en het leven te laten zingen. Als hij kon liet hij zelfs hun persoonlijke tekortkomingen in zijn teksten doorklinken. “Als ze zo stom zijn om mij hun chansons te laten schrijven zullen ze dat weten ook”, clameerde hij. Hij verleidde de vrouwen door ze aan te vallen. En de meesten lieten zich gewillig door zijn tegendraadse charme verleiden. Juliette Greco, Barbara, Isabelle Adjani, Isabelle Aubret, Petula Clark, Dalida, Regine, Mireille Darc, Anne Karina, Francoise Hardy, Chatherine Deneuve, France Gall, Brigitte Bardot, Jo Lemaire, Vanessa Paradis, Viktor Lazlo, vrouw Jane Birkin, dochter Charlotte… allemaal zongen ze het liefst Gainsbourg. Met reden overigens, want als tekstschrijver-componist was Gainsbourg goud waard, en dat wisten ze. Zijn stijl was uniek; een Pindarus-achtige lyriek gekoppeld aan een in klassiek repertoire gedoopte muziek die tegelijkertijd wonderlijk licht en melancholisch aandoet. Een minimum aan noten, een minimum aan woorden, alles exact getimed en op maat gesneden voor de zangeres in kwestie.

Zo was hij tegelijkertijd de zanger van provocerende schunnigheden en lyrische hoogstandjes met referenties aan Baudelaire en overige grote dichters, als de auteur van talloze tienerliedjes, popsongs en succesvolle singles uit de Franse hitparade.

De beschuldiging dat hij zich prostitueerde en paarlen voor de zwijnen wierp bleef hij ontkennen. Serge besefte maar al te goed dat zijn genie nauw gelieerd was aan het talent van de vrouwen voor wie hij schreef. (Zonder vrouwen aan wier stem hij zijn ziel kon doorgeven, zou hij niets geweest zijn.) Zijn schildersoog was haarscherp en met grote zorg koos hij alleen die vrouwen waarvan hij zeker wist dat hij via hen naar de wortels van de passie, de noodzaak van de intimiteit kon graven. Voor wie hij ook schreef, zijn teksten bleven gekenmerkt door hun scherpe randen en diepe gelaagdheid. Hij weigerde concessies te doen aan het grote publiek, al was de zangeres nog zo jong of het genre zo uitgemolken. Zoals de vijftienjarige France Gall die met Gainsbourg’s ‘Poupée de cire, poupée de son’ in 1965 het Eurovisiesongfestival won. Aan de ene kant wist hij haar trieste inslag schitterend te bespelen, zoals in het lied Baby Bop: “Zing Dans Baby Pop, Alsof je morgen Baby Bop, In de vroege ochtend Baby Bop, sterven moest”. Aan de andere kant maakte hij schaamteloos misbruik van haar onschuld in het dubbelzinnige ‘Les sucettes à l’anis’. Toen aan dit motorisch gestoorde vestaalse maagdje eindelijk uitgelegd werd wat er in het nummer over de aan anijslolly’s zuigende Lolita eigenlijk gesuggereerd werd, en ze het onderwerp werd van alomtegenwoordige spot, weigerde ze nog langer liedjes van zijn hand te zingen. In het blad Rock & Folk gaf ze te kennen dat Gainsbourg haar nooit echt gekend heeft, al wat hem interesseerde was wat hij zelf in haar projecteerde. Het is tekenend voor de wijze waarop Gainsbourg met zijn vertolksters omsprong. Vaak gebruikte hij ze tot op het schofterige af om zelf te schitteren. Zelfs van zijn naasten verwachtte hij dat ze met gedweee toeweiding in zijn eigen muzikale/sexuele freakshows zouden figureren. Jane Birkin, zijn derde vrouw, moest naakt met hem poseren om zijn nieuwverworven imago als coole playboy hoog te houden. Charlotte, zijn dochter, moest het beeld van Serge de incestueuze erotomaan bevestigen. En Bambou, zijn laatste gezellin, moest de longen uit haar lijfje schreeuwen terwijl ze deed of ze door sado Serge met zweepjes in extase werd geranseld. (hem op tv interviewen om en plein public door ‘le mec’ uitgekafferd te worden.)

Na een sporadische samenwerking met de Franse Demeter Brigitte Bardot (Bonnie & Clyde, Harley Davidson) nam hij in 1967 ‘Je t’aime, moi non plus’ met haar op. Tegen de achtergrond van een liturgische orgelmuziek hoorde je haar vergeefs kreunen om zijn liefde. En om zijn roede, die haar vanachter (entre les reins – tussen de nieren) moest doorboren. De werkelijkheid wilde het anders. De man van BB, Guenther Sachs, eiste dat de release onmiddellijk stop zou worden gezet. Serge gaf aan de eis gehoor, maar een jaar later nam hij wraak door zijn kersverse vrouw ‘la garçonne’ Jane Birkin het nummer opnieuw te laten inzingen. Het werd zowel een schandaal, als een commercieel monstersucces. Miljoenen exemplaren verkocht alleen al in de lange hete zomer van het jaar 1969. Philips distantieerde zich van het nummer, bigot Europa ergerde zich purperrood, het Vaticaan sprak haar banvloek uit over de plaat (zij zou natuurlijk de jeugd tot slechte en onnatuurlijke daden aanzetten), en de meeste radiostations boycotten het gehijg in e mineur. Maar de verkoop van de single stak die van elke Beatles-plaat naar de kroon.

De jaren zeventig werden jaren van decadentie, films, geen optredens maar veel studio-opnamen, zoals het monumentale ‘Un histoire de Melody Nelson’ in 1971; het eerste ultramoderne conceptalbum uit de geschiedenis van het Franse chanson. Histoire de Melody Nelson is een muzikaal meesterwek van perverse verleiding. Een liefdesbrief uit de donkere cellen van Sodom, een extatische pijnkreet uit de ondergrondse kerkers van Edgar Ellen Poe en het imaginarium van professor Vladimir Nabokov. Het album is tevens het voorwendsel voor enkele van de meest gedurfde lyrische exercities in het Franse taalgebied.


Maar gaandeweg zijn tweede carriere, werden minder zangeresjes bereid zijn steeds schunniger teksten te zingen. Wederom werd hij een outsider: Gainsbarre – de stugge en standvastige. Hij pastte niet in de wereld van het ‘nouvelle chanson’ zoals Maxime le Forestier en Alain Souchon dat brachten. Gainsbourg ging onverschrokken zelf door met zingen en epateren. De geest van Vian keerde in hem terug, getuige het surrealistische nazi-punk album ‘Rock around the Bunker’, waarin hij als jood met groteske galgenhumor de bunkerdagen van Adolf H. bezong. Frankrijk raakte opnieuw in een opstoot. Begreep het jonge publiek dit allemaal wel? Treffende vraag. Het jonge publiek begon hem steeds beter te begrijpen dan het vertrouwde publiek dat met hem meegroeide. “Het is mijn publiek dat ouder geworden is, niet ik” beet hij de pers toe.

Het meest wonderlijke aan Gainsbourg was de moeiteloosheid waarmee hij van stijl veranderde. Terwijl zijn teksten, zijn fluisterende stem niet veranderden, vernieuwde hij zijn muziek metterjaren steeds radicaler. Jazz, rock, pop, reggae, punk, rap, er is geen stijl die de zanger ongebruikt heeft gelaten. Zijn drang tot verandering verklaarde hij zelf vanuit de dood van het Franse chanson. “Er is geen chanson in onze tijd. De Afrikaanse ritmes waarmee ik mijn muziek in leven houd zijn geen concessie aan de moderne tijd. Het is een vorm die de moderne tijd weerspiegelt. Een ritme dat haar karakteriseert.” Als eerste blanke artiest ging hij naar Jamaïca om daar een reggae-album te maken. In vijf dagen rolde er een parel van een plaat uit: ‘Aux Armes Et Caetera’, met de band van Peter Tosh en de I Three van Bob Marley. Gainsbourg beweerde de meeste nummers in het vliegtuig geschreven te hebben. De Figaro noemde het een ‘smerige ragoût’, maar binnen zes maanden was het platina en had de zanger een alternatief publiek aangeboord dat hem daarvoor nauwelijks had gepruimd. De reggae-versie van de Marseillaise (“bij een revolutionaire tekst hoort een revolutionair tempo”) schoot in het verkeerde keelgat van tweehonderd Oud Parachutisten in Straatsburg. “Als die Gainsbourg hier komt, blazen we de boel op!” Ondanks de dreigementen en de bommeldingen beklom Gainsbarre – zo noemde hij zich nu; de onverzetteklijke – toch het podium. Daar zette hij acapella de originele versie van de Marseillaise in, oog in oog met de para’s die werden uitgejouwd door het publiek.

In de laatste tien jaar van zijn leven, nadat Jane Birkin hem verlaten had, werd Gainsbarre steeds erotomaner, onhandelbaarder, maar raar genoeg ook steeds produktiever. In ‘Love on the Beat’ hoorden we hoe zijn nieuwe vrouw Bambou kirrend toegetakeld werd onder het mompelen van een fabuleus wreed gedicht dat de markies De Sade waardig zou zijn, in ‘Lemon Incest’ hoe Serge en dochter Charlotte – op de tonen van een etude van Chopin – de incestueuze liefde bezingen. Met de geboorte van zijn zoontje Lulu in 1986 leek alles in zijn leven vervuld. Reden voor Serge om te zeggen: “Ik ben in alles geslaagd, behalve in het leven”. Het provoceren was een versleten mediaritueel geworden. De aanblik die de aflijvige nachtuil bood was treurig. Gainsbarre die Whitney Houston trachtte aan te randen, die zijn pik uit zijn broek liet hangen, die een bankbiljet van 200 francs op het podium in de fik stak met zijn aansteker, die een liter whiskey wegzoop tot hij de toetsen op de piano niet meer vinden kon. Bij alles werd hij toegejuicht. Tot het bittere einde bleef hij de Fransen hun schandalen verschaffen. De schandalen die iedere maatschappij zo nodig lijkt te hebben om de eigen blaséheid te rechtvaardigen.

De afscheidswoorden die Gainsbourg zijn eigen dood deed vergezellen, in het Libé interview dat hij pas na zijn dood gepubliceerd wilde hebben, waren 33 jaar eerder met ‘Le poinçonneur des Lilas’ zijn eerste woorden geweest. ‘Un p’tit trou, un p’tit trou, rien qu’un dernier petit trou’. Zo is alles toch intact gebleven.


© alle teksten: Serge van Duijnhoven

contact:

Serge van Duijnhoven

Kandelaarsstraat 23, B1000 Brussel België

vrijdag 5 maart 2010 door Kunstredactie

CS: Serge Gainsbourg

Op de cover van het vrijdagse Cultureel Supplement deze week een verhaal over Serge Gainsbourg, de Franse zanger over wiens leven volgende week een film, La vie héroique, in de Nederlandse bioscopen komt. Onder de kop ‘De legende uitvergroot’  buigt René Moerland, onze correspondent in Parijs, zich over de vraag waarom de Franse opvatting over een ‘heldenleven’ minder dan die elders door historische exactheid wordt gedicteerd. De Fransen houden hun helden liever heldhaftig, dan waar.Gainsbourg (1928-1991), auteur van een omvangrijk oeuvre aan liedjes waarvan in Nederland vooral het hijgende duet met zijn liefje Jane Birkin, Je t’aime, moi non plus is blijven hangen, was niet in de laatste plaats een geruchtmakend vrouwenheld.

Je t’aime, moi non plus was overigens geschreven voor de vorige vriendin van Gainsbourg, de actrice Brigitte Bardot. Ook met Bardot maakte Gainsbourg platen.

Op latere leeftijd ontwikkelde hij zich tot een geliefd enfant terrible in talkshows op de Franse televisie, zoals die waarin hij en public I want to fuck you zei tegen de Amerikaanse zangeres Whitney Houston.

Gainsbourg was ook een toegewijd roker, van zware Gitanes – op veel foto’s en oude tv-opnamen is hij in rook gehuld.

Het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad verschijnt elke vrijdagmiddag, en is vanaf 15.00 uur hier ook digitaal te lezen voor (web)abonnees.

Dit verhaal is geplaatst op vrijdag 5 maart 2010 om 2:21 uur. U kunt reageren of trackbacken vanaf uw eigen site. (Wat is trackbacken?)

Beste Rene, beste Raymond,

het spijt me maar dit verhaal op Cultuurblog over Gainsbourg is al met al niet meer dan een met korte tekstjes aaneengeregen patchwork van videoclips. Geen enkel kader ontstijgt het keurslijf der cliche’s. De cultzanger gereduceerd tot een wassen pop uit Madame Tussaud die met een paar afgekloven anekdotes uit de oude doos – aangevuld met enkele volstrekt voorspelbare beeldfragmenten – het gecompliceerde fenomeen van de binnen en buiten Frankrijk nog altijd immens populaire en invloedrijke zanger, allerminst verduidelijkt.

Jammer dat er geen poging gewaagd wordt om de blijvende impact van de tegendraadse, ongebreidelde, onbeschofte, maar raar genoeg ook uiterst geliefde aartsprovocateur op de Franse samenleving van de afgelopen vijftig jaar, voor Nederlandse lezers te verklaren.

Een groot deel van zijn nog immer immense populariteit, moet gelegen liggen in het feit dat Gainsbourgs leven zich al bij al de allure aan heeft kunnen meten van een modern Frans sprookje over een lelijk jongetje van Russische ouders die er op verbazingwekkende manier in slaagde niet alleen de mooiste vrouwen van het land, maar zelfs gans Frankrijk, aan zijn voeten te krijgen. Voor veel Fransen is Gainsbourg – afkomstig uit een Oekraiens vluchtelingengezin – een heroisch figuur die malgre tout, het lot naar zijn hand heeft weten te zetten. De behoefte aan liefde van de door iedereen als lelijk en vreemd ervaren Gainsbourg is volstrekt onverzadigbaar, un besoin sans issue. Zie hier de principale drijfveer van zijn leven, die hem naar de toppen van zijn kunnen voert. Maar de zanger ook te gronde richt. In dat opzicht is het sprookje van de gevierde liedjesschrijver die een heel harem aan onschuldige zangeresjes voor zijn kar spande om zijn muzikale, literaire en perfide talenten te gelde te maken, een variatie op de aloude mythe van Faust die zijn ziel verkoopt aan de duivel in ruil voor een glorieuze carriere als componist van talloze pikante of ondeugende chansons die door zo jong en onschuldig mogelijke kindvrouwtjes al zuchtend, steunend en hijgend ten uitvoer dienden te worden gebracht. Zie hier bij uitstek het prototype van een Franse held aan het eind van de twintigste eeuw: een kruising tussen Pygmalion en Blauwbaard. Charmant, beschaafd, onhandig, lelijk, hulpbehoevend, destructief, erotomaan, gevaarlijk en een beetje gemeen.

De pathologische behoefte aan liefde en erotiek als compensatie voor het jeugdige trauma van zijn lelijkheid, ontaardt metterjaren in een steeds minder plezierig sprookje. Uit de as van de 140 Gitanes per dag rokende Gainsbourg verrijst gaandeweg de nog veel gruwelijker chimaere Gainsbarre (de “standvastige”, de ruwe), een sadistisch onbehouwen monster dat vanaf eind jaren zeventig zijn nog wat schuchtere voorganger definitief van het podium vaagt. In Nederland had je de vileine zanger Jaap Fischer, meester van het messscherpe chanson, die in de loop der tijd zijn hoekige masker af liet vallen en voortaan – triest maar wijs geworden – als Joop Visser door het leven wilde gaan. Serge maakt iets soortgelijks mee, maar dan in omgekeerde zin. Zoals hij in alles tegendraads prefereerde te zijn. Un réfractaire pur sang.

”Mon univers est à l’envers”, verklaarde de zanger ooit in een interview met Libération. Serge de rebel. Die, zoals heel mooi in beeld gebracht door Joan Sfar’s film “Gainsbourg; vie heroique”, een vuist maakt naar een zaal vol rechtse para’s in Straatsburg die zijn bloed wel kunnen drinken, omdat hij hun volkslied La Marseillaise met een stel rasta’s uit Jamaica verhaspelde tot reggaesong. “On est tous des Juifs, des nègres et des Français!” Op het podium van de ontploffende zaal verandert de zanger opnieuw in het joodse ketje dat de zwarthemden uitlacht door met ze mee te zingen. “Du sang, du sang, partout!” Hij blaft de para’s toe dat ook Rouget de Lisle de Marseillaise schreef als marslied van Republikeinse rebellen die af wilden van het ancien régime. Daarop zet hij acapella, met geheven vuist, het volkslied in. De para’s in verwarring achterlatend. Even later zien we Gainsbourg die het handgeschreven manuscript van La Marseillaise voor een astronomisch bedrag op de koop tikt tijdens een veiling in Parijs. “Wel duur, voor zo’n velletje papier”, merkt een journalist op. Waarop de zanger repliceert: “Man, ik zou me hiervoor hebben geruïneerd!”

De scène markeert het hoogtepunt van Gainsbourg’s indrukwekkende (en volgens regisseur Joan Sfar zelfs zonder meer heroïsche) levensloop. Van joods kereltje in bezet Parijs, tot pionier-provocateur van de principiele individuele vrijheid en eigenzinnige maskotte van het Franse patrimonium. Als het waar is dat de dichter-zanger dubbel en dwars zijn plaats verdiend heeft op de achtenswaardige toppen van de Franse Parnassus, dan heeft hij die plek veroverd door de berg op sluikse wijze te beklimmen. En stoemelings, zoals Brusselaars zeggen. Over de rug heen van zijn eigen schaduw. Mon univers est à l’envers…

Gainsbourg’s parcours heeft inderdaad altijd de weg gevolgd van de meeste weerstand, van het schandaal. Zoals in het ultieme liefdeslied “Je t’aime, moi non plus”. Het beruchte hijgduet in 1967 gezongen met Brigitte Bardot, twee jaar later met Jane Birkin, waarvan er alleen al buiten Frankrijk miljoenen platen werden verkocht; zonder dat de meeste van die kopers ook maar enig benul hadden welke geneugten van de ars amatoria er precies in werden bezongen. “Ik vermaak de wereld met injecties van lichte perversiteit”, placht Gainsbourg te zeggen. Op een manier waartoe hij alleen in staat was. Met stijl, distinctie, in miraculeus mooie maar ook infecte poëzie. “Tu es la vague, moi l’île nu./L’amour physique est sans issue.”

Zelf bleef Gainsbourg zijn vakgebied omschrijven als “un certain art mineur”, en meer dan eens liet hij weten zichzelf in de eerste plaats te beschouwen als een mislukte kunstschilder. In een twistgesprek met Guy Béart, in het praatprogramma van Bernard Pivot, sprak hij zijn collega betuttelend toe: “Ach Guy, wat zijn onze liedjes meer dan “des petits cacas” die we uitscheiden op het podium?” Dat Serge Gainsbourg daarentegen weldegelijk een grote kunstenaar genoemd mag worden, een dichter, zanger en componist van Olympische categorie, daarover laat eigenlijk niemand nog een misverstand bestaan. Al in 1972, na het beluisteren van het monumentale album ‘Un histoire de Melody Nelson’, liet de grote dichter Louis Aragon zich ontvallen dat “die Gainsbourg zich eigenlijk geheel op het sonnet toe zou moeten leggen: zijn poëtische kwaliteiten zijn weergaloos en behoren tot het meest originele wat de Franse literatuur heeft voortgebracht.”

En inderdaad: neem de proef gerust op de som door de bonte catalogus aan liedteksten van Gainsbourg er op na te slaan, zoals Mauvaises nouvelles des étoiles (éditions Seuil). Vrijwel elk willekeurig lied van Gainsbourg getuigt van uitzonderlijke poëtische soeplesse, syntactisch meesterschap en klinkklare woordvreugde. Zoals volgens Goethe een meesterhand zich vooral kan tonen in de beperking, zo openbaart het genie van Gainsbourg zich zelfs nog in het keurslijf van zijn meest kitscherige, hijgerige of populaire nummers. Sfar zegt hierover: “Wat geweldig is bij Gainsbourg: hij noemt zichzelf een luxehoer, maar hij is nooit oprechter dan wanvneer hij probeert zichzelf te verraden. Op een huppeldeuntje als “Baby Pop”, laat hij France Gall zingen “chante, danse Baby Pop, comme si demain tu devais mourir”. Hij kan het niet laten om overal de tragiek van in te zien. Bij momenten is hij even pathetisch geniaal als François Chateaubriand.”

In de laatste tien jaar van zijn leven, nadat Jane Birkin hem verlaten had, werd Gainsbarre steeds ruwer en onhandelbaarder in de omgang. Hij begon te lijden aan een zeldzame oogziekte, en droeg ook thuis in zijn verduisterde Hotel Particulier dag en nacht een zonnenbril. Toch bleef zijn produktiviteit nagenoeg intact.

Gaandeweg zijn nadagen als het wegkwijnende, De Sade-achtige monster Gainsbarre, werden minder en minder pop- en rock-zangeresjes bereid zijn steeds schunniger teksten te zingen. Wederom werd hij een outsider: hij pastte niet in de wereld van het ‘nouvelle chanson’ zoals Maxime le Forestier, Alain Souchon en Renaud dat brachten. En evenmin kon hij zijn draai vinden in de holle extatsiche stadionrock van zangers als Jean Jacques Goldman of Francis Cabrel of van een leipe jongensgroep als Indochine of Telephone. Gainsbourg ging onverschrokken door met zingen, spelen, zuipen, beledigen en epateren. De geest van Vian keerde in hem terug, getuige het surrealistische nazi-punk album ‘Rock around the Bunker’, waarin hij als jood met groteske galgenhumor de bunkerdagen van Adolf H. bezong. Frankrijk raakte opnieuw in een opstoot. Begreep het jonge publiek dit allemaal wel? Treffende vraag. Het jonge publiek begon hem steeds beter te begrijpen dan het vertrouwde publiek dat met hem meegroeide. “Het is mijn publiek dat ouder geworden is, niet ik” beet hij de pers toe.

Het meest wonderlijke aan Gainsbourg was de moeiteloosheid waarmee hij van stijl veranderde. Terwijl zijn teksten, zijn fluisterende stem niet veranderden, vernieuwde hij zijn muziek metterjaren steeds radicaler. Jazz, rock, pop, reggae, punk, rap, er is geen stijl die de zanger ongebruikt heeft gelaten. Zijn drang tot verandering verklaarde hij zelf vanuit de dood van het Franse chanson. “Er is geen chanson in onze tijd. De Afrikaanse ritmes waarmee ik mijn muziek in leven houd zijn geen concessie aan de moderne tijd. Het is een vorm die de moderne tijd weerspiegelt. Een ritme dat haar karakteriseert.” Als eerste blanke artiest ging hij naar Jamaïca om daar een reggae-album te maken. In vijf dagen rolde er een parel van een plaat uit: ‘Aux Armes Et Caetera’, met de band van Peter Tosh en de I Three van Bob Marley. Gainsbourg beweerde de meeste nummers in het vliegtuig geschreven te hebben. De Figaro noemde het een ‘smerige ragoût’, maar binnen zes maanden was het platina en had de zanger een alternatief publiek aangeboord dat hem daarvoor nauwelijks had gepruimd.

In ‘Love on the Beat’ hoorden we hoe zijn nieuwe vrouw Bambou kirrend toegetakeld werd onder het mompelen van een fabuleus wreed gedicht dat de markies De Sade waardig zou zijn, in ‘Lemon Incest’ hoe Serge en dochter Charlotte – op de tonen van een etude van Chopin – de incestueuze liefde bezingen. Met de geboorte van zijn zoontje Lulu in 1986 leek alles in zijn leven vervuld. Reden voor Serge om te zeggen: “Ik ben in alles geslaagd, behalve in het leven”. Het provoceren was een versleten mediaritueel geworden. De aanblik die de aflijvige nachtuil bood was treurig. Gainsbarre die Whitney Houston trachtte aan te randen, die zijn pik uit zijn broek liet hangen, die een bankbiljet van 500 francs op het podium in de fik stak met zijn aansteker, die een liter whiskey wegzoop tot hij de toetsen op de piano niet meer vinden kon. Bij alles werd hij toegejuicht. Tot het bittere einde bleef hij de Fransen hun schandalen verschaffen. De schandalen die iedere maatschappij zo nodig lijkt te hebben om de eigen blaséheid te rechtvaardigen.

Gainsbourg stierf op 2 maart 1991 in volstrekte eenzaamheid in zijn geblindeerde huis aan de rue de Verneuil in het zevende arrondissement van Parijs. Een derde hartaanval maakte hem af, voor slepende leverkanker dat deed. Diezelfde dag, had hij vergeten zijn hartpillen te nemen. Net zoals Boris Vian, 32 jaar eerder. Gainsbourg is bijgezet in een familietombe op Cimetière Montparnasse. 60, Avenue Transversale. De pluchen aap die Jane Birkin op de cover van Histoire de Melody Nelson voor haar ontblote zwangere buik houdt, is op die dag mee verdwenen in het graf.

SvD