GERED UIT DE HEL VAN HET CONRAD HOTEL

(آل نهيان – Āl Nahyān)

with royal virtue


DE KONINKLIJKE ARABISCHE SLAVENDRIJVERS

VAN DE BRUSSELSE LOUIZALAAN

Bij een inval in het vijfsterrenverblijf Hotel Conrad op de Brusselse Louisalaan werden in de zomer van 2008 zeventien dienstmeisjes uit verschillende moslimlanden door het Arbeidsauditoraat meegenomen. Acht maanden lang werden ze per gemiddelde rotatie vastgehouden in het hotel door de steenrijke familie van een overleden emir uit Abu Dhabi, die hen als werkslaven behandelde. De Belgische Justitie is een onderzoek naar mensenhandel, uitbuiting en hedendaagse slavernij gestart, omdat de meisjes geronseld zijn uit verschillende landen en hun paspoort in de Verenigde Arabische Emiraten hebben moeten achterlaten.

Het parket van Brussel zal dinsdag 9 november 2010 aan de raadkamer vragen om Hamda El Nahyan, de 64-jarige weduwe van sjeik Muhammed bin Khalid El Nahyan, en haar dochters voor de correctionele rechtbank te brengen. Samen met de Pakistaanse slavendrijver die als kamenier voor de koninklijke familie steeds weer nieuwe ladingen personeel wist te ronselen uit tal van arme moslimlanden, zal het fraaie gezelschap vervolgd worden voor  opsluiting, onmenselijke en vernederende behandeling, en mensenhandel. In haar requisitoir stelt het openbaar ministerie dat de familie-El Nahyan 23 vrouwen van 8 verschillende nationaliteiten uitbuitte.

De Directie van het sjiekste Hotel van de Europese hoofdstad , die gedurende jaren miljoenen euro’s aan de Arabische royals verdiende door vanaf 2005 tot 2008 de gehele vierde verdieping (54 kamers waaronder verschillende royal suites) te verhuren aan de sheikha’s en  hun talrijke gevolg van werkslavinnen, lakeien, koks, kamermeiden en veiligheidspersoneel, blijft haar handen wassen in onschuld. Hoteldirecteur Mark de Beer: ‘Wij waren absoluut niet op de hoogte van die zogezegde wanpraktijken. Wij hebben daar op zich ook niets mee te maken. Het is niet ons personeel, maar dat van onze client.’ Bladen die over de affaire durfden te rapporteren, zoals The Bulletin dat de international gemeenschap in  Brussel wekelijks van nieuws voorziet, werden uit het media-assortiment van het hotel verwijderd.

 "Op de grond, daar was hun plaats"
Conrad Hotel © belga

De eminente hotelgasten uit de emiraten, de familie El Nahyan, huurde ook in het verleden al verschillende seizoenen lang de vierde verdieping af van het luxehotel. Een van de dochters van weduwe Hamza, die getrouwd is met de minister van Defensie van de Verenigde Arabische Emiraten, probeerde met behulp van gerenommeerde Belgische dokters zwanger te worden via een uitgebreide IVF-therapie, om zo het gigantische familiekapitaal veilig te kunnen stellen. Om de eer van de jongste dochter niet in het gedrang te brengen, besloot weduwe Hamza destijds om met de hele familie zo lang als nodig was naar Brussel te verhuizen. Schrijver Serge van Duijnhoven, die in 2005 en 2006 enige maanden in het Conrad-Hotel werkzaam was als night-auditor (nachtreceptionist en boekhouder), doet verslag van zijn ervaringen met de familie, die toen ook al merkbaar over de schreef ging met het behandelen van haar talrijke personeel.

Brussel, 30.12.05,

Geachte Heer Ivan Hiel,

sedert een goede week ben ik in dienst bij uw hotel als nachtreceptionist. Aangezien u in het sollicitatiegesprek van afgelopen najaar reeds had laten uitschijnen dat mijn haar korter moest worden geknipt, ben ik de dag voor mijn indiensttreding naar de kapper gegaan. In navolging van een volgende suggestie, vorige week donderdag, ben ik ten tweede male naar de kapper getogen. Hedennacht sommeerde u mij per email wederom mijn haar te laten knippen. Ondanks mijn getoonde goede wil, is het voor mij blijkbaar niet mogelijk aan uw strenge “standards” te voldoen. Dit spijt me ten zeerste, maar ik vermoed dat ook een derde gang naar de kapper uw scepsis t.a.v. mij niet zal kunnen wegnemen. Daarom lijkt het mij het beste dat ik per onmiddellijke ingang mijn ontslag bij u indien, zodat u niet verder nodeloos in mij hoeft te investeren en op zoek kunt gaan naar een andere, meer geschikte – of moet ik zeggen “geknipte” – kandidaat.

Met de meeste hoogachting,

S.R. van Duijnhoven

Het was geen gemakkelijke start, mijn tewerkstelling in het luxueuze Hotel Conrad. De directeur, Ivan Hiel, een man die zelf getooid ging met een ver over zijn voorhoofd hangende vette blonde kuif, wikte en beschikte over zijn personeel zoals een generaal over zijn troepen. In het hogere hotelwezen heerst, geheel anders dan enkele recente series op tv doen vermoeden, een strikte hierarchie die eerder aan het leger dan aan docusoaps a la Millennium-Hotel doen denken. In de houding, mars! Het ontslag dat ik plompverloren had ingediend na een week werken op de nachtreceptie van het hotel aan de Louisalaan, werd niet gehonoreerd. Ik moest blijven werken. Mijn haar heb ik sindsdien laten groeien, tot ik in april alsnog ontslag mocht nemen. Wat zeg ik? Ik werd de laan uitgestuurd, want ik had het vertrouwen van het management beschaamd door te klagen over de erbarmelijke werkomstandigheden van het personeel van de familie El Nahyan op de vierde verdieping.

De Vlaamse ritmeester die mij, bij wijze van kennismaking, een rondleiding verschafte door het labyrintische complex van het art nouveau hotel, voerde me in 2005 al met onverholen genoegen langs de vele ondergrondse en bovengrondse verdiepingen. De vierde verdieping konden we enkel betreden via de lift met een speciale sleutel. Daar werden we vervolgens gemonsterd door gewapende wachters van de private veiligheidsdienst van de familie El Nahyan, die op norse toon vroegen wat we in dit afgeschermde domein van het hotel te zoeken hadden. Wat me vooral opviel, tijdens die rondleiding langs de 53 afgehuurde kamers, suites en opslagruimtes op de vierde, was de geur. Koks waren aan de slag om oosterse gerechten te bereiden, er hing de geur van versgebrande koffie, van saffraan, koriander, maniok, en iets wat leek op kamelenhaar. Die laatste geur was afkomstig van kamelenharen ruwe zakken die per tientallen in de gangen opgestapeld waren, vol met kruiden en etenswaren. Tussen de zakken en het talrijke speelgoed van de kinderen van de sjeika’s, lagen onfortuinlijke vrouwelijke Oosterse of Aziatische werkkrachten met hoofddoeken om, uitgestrekt op het tapijt. Ze stonden op zodra wij de gang in kwamen, verontschuldigden zich, maakten een buiging, en verdwenen uit ons zicht. “Deze dienstmeisjes moeten 24 uur op 24 beschikbaar zijn”, verduidelijkte Yves Vandekerckhove. “Ze doen even een tukje.”

Seal of Excellence

Gedurende de nachtdiensten zou ik vaak telefoon krijgen van de vier prinsessen Shaima, Myriam, Maessa en Rawda. Telkens met de meest waanzinnige verzoeken die midden in de nacht werden geplaatst. Om vier Big Macs naar boven te brengen (05 uur ’s ochtends), Ben & Jerry’s Icecream in porceleinen potjes te bezorgen (om 04 uur), om een brief vanuit het Nederlands naar het Arabisch te vertalen, om zo snel mogelijk een of andere Arabische film op DVD te bezorgen, om de tv opnieuw af te stellen met alle Arabische kanalen op kop. Etcetera. Het meest vertederende, en ook wel hartverscheurende verzoek dat midden in de nacht tot mij werd gericht, betrof het in het diepste geheim vertalen en vervolgens per fax versturen van een in erbarmelijk Engels opgestelde liefdesbrief die de jongste sjeika aan haar stiekeme geliefde – een Engelstalige diplomaat die zojuist alweer vertrokken was op missie – wilde laten bezorgen. Terwijl mijn collega’s zich bezighielden met de File Daily Maintenance op het computerprogramma Fidelio, zette ik me aan het vertalen van zinnen als “oh honi sweat sweat savior of my hart, please come back so soon as possible. I already missed you before you levt me.”

De Pakistaans-Indische “Human Resource Manager” van de miljardairs-familie, die ik voor de goede orde maar even meneer Singh zal noemen, bezocht de receptie regelmatig om ons op de hoogte te stellen van de regels van zijn regime. Geen wens van de sjeika’s mocht onbeantwoord of onvervuld blijven, nooit en te nimmer mocht een van de prinsessen gecompromitteerd worden door hen (bijvoorbeeld wanneer we samen in de lift zouden staan) in de ogen te kijken, geen personeelslid mocht het in zijn hoofd halen om  het woord tot hen te richten. Over de rechten van het door hem aangestelde personeel was hij even stellig: op geen enkel moment zouden de werkkrachten van de sjeika’s het hotel mogen verlaten. En indien dit toch dreigde te gebeuren buiten de spiedende blik van de private bewakingsdienst om, dan zouden wij persoonlijk verantwoordelijk worden gesteld. In retributie voor onze diensten en discretie, kreeg onze receptiemanager geregeld een envelop in handen met een aanzienlijk aantal biljetten van honderd euro. Ten aanzien van zijn eigen personeel was de heer Singh beduidend minder genereus. De kokkinnen, serveersters, schoonmaaksters en overige bedienden kregen per maand 24 uur op 24 uur paraat zijn, tussen de 150 euro en 700 euro uitbetaald. Vrijheid om te bewegen of vrije tijd kenden geen van de meisjes, want hun paspoorten waren door de heer Singh in verzekerde bewaring gesteld.

Een van de Royal Suites op de vierde verdieping waar de familie El Nahyan tussen 2005 en 2008 vrijwel permanent gebruik van maakte

In maart 2006 werd het personeel van het Conrad Hotel opgeschrikt door een interne affaire, die behalve voor het personeel van de familie El Nahyan, ook voor ons rigoureuze repercussies dreigde te hebben. Een van de bewakingsagenten, die behalve op de vierde verdieping ook rondes deed door de rest van het hotel, bleek het aangelegd te hebben met een Philippijnse werkster van de nog ongetrouwde sjeika Shaima. Opzichter Singh was hier tot zijn woede achtergekomen, en om “de eer van de sjeika’s op geen enkele manier te compromitteren” werd besloten tot het ontslag van de volledige bediening. Alle meisjes uit de Philippijnen, Irak, Syrie, Soedan, Egypte, Tunesie, Marokko en Maleisie, konden onverwijld hun biezen pakken. Ook de bewaker werd ontslagen, en het liefst had meneer Singh gezien dat het voltallige personeel van het hotel per immediat zou worden vervangen. Op die manier kon tenminste nog iets van de eer van de familie terug in het reine worden gezet. De directie van Hotel Conrad weigerde aan deze laatste eis tegemoet te komen, maar ondertussen sloot ze gewillig de ogen toen het volledige personeelsbestand ondanks alle contracten en toezeggingen werd weggezonden onder begeleiding van ambassadepersoneel van de Verenigde Arabische Emiraten, en een nieuwe lading werkslaven haar intrek nam in het hotel. De heer Singh eiste voortaan inspraak in de screening van het personeel van het hotel. Of hem die gegund is, weet ik niet. Maar toen ik me bij de heer Hiel beklaagde over de erbarmelijke situtatie waarin vooral de Filippijnse meisjes op de vierde verdieping te werk werden gesteld, kreeg ook ik al gauw mijn ontslagbrief in de bus. Het personeelsbeleid van de familie die in haar eentje het faillisement van het toch al jaren pover draaiende luxehotel heeft weten af te wenden, was volgens de directeur een strikt private aangelegenheid waarvoor het reguliere personeel van het hotel de grootst mogelijke en vanzelfsprekende discretie aan de dag diende te leggen. De klant is koning, zeker in het geval van de mutanten van een koninklijke familie a la El Nahyan waarmee we hier te maken hadden.

 

Ruling Family of the Emirates

Flag of Dubai.svg
HH The Emir Sheikh HH Sheikha Hind 

Op de foto hieronder: de kroonprins van de familie – Sheikh Mohammed bin Zayed Al Nahyan – schudt handen met president Obama. De beoogde troonopvolger van de Verenigde Arabische Emiraten is de broer van Shaima, Myriam, Maessa en Rawda, die in Brussel vol overgave sheikha kwamen spelen in het Conrad Hotel aan de Avenue Louise.

Sheikh Mohamed bin Zayed Al Nahyan (AFP OUT) United States President Barack Obama welcomes Sheikh Mohamed bin Zayed Al Nahyan, Crown Prince of Abu Dhabi and Deputy Supreme Commander of the United Arab Emirates (UAE) Armed Forces to the Washington Convention Center April 12, 2010 in Washington, DC. President Obama was to hold bilateral meetings today with five leaders of the 47 nations gathering for the two-day Nuclear Security Summit.

Omdat ze geen pottenkijkers wilden, betaalden ze er al die tijd voor de hele vierde verdieping: goed voor 53 kamers. De meeste dienstmeisjes sliepen volgens rigide schema’s in korte shifts, en moesten 24 uur in principe in touw zijn. Vooral des nachts. Overdag kon je op de vierde verdieping het uitgeputte personeel opgekruld aantreffen in hoekjes van de gangen of in kamers waar ze even buiten zicht van de Pakistaans-Indische slavendrijver hoopten te kunnen blijven. Zelf sliep weduwe Hamda in de koninklijke suite. Kostprijs per nacht: 4.500 euro. Zij en haar dochters zijn het gewend de lakens uit te delen. Aan personeel geen gebrek: er waren dag en nacht tientallen dienstmeisjes en een  handvol met automatische machinepistolen gewapende lijfwachten aanwezig. Een greep uit de landen van herkomst: Filipijnen, Marokko, India, Egypte, Turkije, Irak en Syrië. Vooral de dienstmeisjes werden uitgebuit. Terwijl moeder Hamda, de prinsessen en hun kinderen in de mooiste kamers woonden, moesten de dienstmeisjes op de gang slapen. Nochtans stonden veel betaalde kamers intussen gewoon leeg. Maar dat was voor eventueel bezoek. Volgens een in juni 2008 ontsnapt Marokkaans kamermeisje was er van slapen niet veel sprake. Ze getuigde dat ze hoogstens drie uur per nacht sliep. Voor de rest van dag moest ze paraat staan voor de prinsessen. ‘Ze waren veeleisend. Hun koffieverslaving typeert hen. Ze waren verzot op hete koffie. Maar ze gruwelden van een schoteltje. Dan moest je die hete kop met je blote handen dragen. Gevolg: je raakte gemakkelijk verbrand. Maar naar de dokter kon ik niet. Daar kreeg ik geen verlof voor.’ Volgens de vrouw mocht ze ook het hotel niet uit zonder een bewaker. Ze kreeg 500 euro per maand. Andere dienstmeisjes verdienden nog minder: 150 euro. De beste verdiener kreeg 700 euro. De Marokkaanse solliciteerde in haar thuisland voor de baan. Maar ze draaiden haar daar een rad voor de ogen. Meteen na de inval in het hotel werd ze al gebeld door de rekruteringsdienst in Marokko. Ze wilden haar manipuleren. Ze kreeg schrik. Haar ouders wonen nog in Marokko. De directeur van het Conrad houdt vol dat zijn hotel noch op de hoogte was noch voor wandaden verantwoordelijk kan worden gesteld die door het eigen personeel van de koninklijke familie in het hotel werden gepleegd. Volgens de Marokkaanse wist gans het personeel van het Conrad nochtans goed dat hun islamitische collega’s op de vierde verdieping in erbarmelijke omstandigheden tewerkgesteld werden. In ruil voor medewerking aan het strafonderzoek, heeft de onderzoeksrechter besloten de aanklacht tegen het hotel in deze zaak te laten vallen.  Een ex-werknemer van het Conrad bevestigt dat het hotel een oogje dichtkneep voor hun topklanten. ‘Op hun verdieping werd het brandalarm uitgezet. Omdat de prinsessen dat lawaai vervelend vonden.’
Bron:  NIEUWS.MAROKKO (red.), “Brussel: Slaven bevrijd na tip van Marokkaanse vrouw”, internet, 02-07-2008 (http://nieuws.marokko.nl/index.php?nav=nieuws&nid=11006)

Dat nu, enkele jaren na de spectaculaire uitbraak van de werkslavinnen in juni 2008, de directie van het hotel het doet voorkomen alsof ze niets afwist van de wanpraktijken en de slavernij op haar vierde verdieping, getuigt niet alleen van cynisme maar van de grootst mogelijke hypocrisie. De familie huurt de verdieping nu al sedert 2005, en niet slechts gedurende de laatste acht maanden, zoals in de pers onterecht is gemeld en door de directie nimmer is gecorrigeerd. Iedereen die beroepshalve in het hotel zich wel eens toegang diende te verschaffen tot de vierde verdieping, heeft kunnen constateren onder wat voor een terreurregime het permanent uitgeputte personeel van de sjeika’s gebukt ging.

Het was slechts wachten op het moment van ontsnapping van een of meerdere wanhopige werkslavinnen. Iets wat gebeurde toen de Marokkaanse Jamilla twee maanden geleden in haar kokstenue de Avenue op rende, terwijl de bewakers boven aan het eten waren. De drie andere meisjes die ook probeerden te ontsnappen, werden door de via het personeel van Hotel Conrad gealarmeerde gewapende mannen, nog net op tijd in de kraag gegrepen voor ze konden passeren door de riante draaideur in de majesteuze opgang van het hotel.

Hotelmanager Mark de Beer, die in de eerste maanden van 2008 de blondgekuifde generaal Ivan Hiel heeft mogen vervangen, wast voorlopig als Pilatus zijn handen in onschuld. Hij zegt namens het ganse hotelpersoneel “diep geschokt” te zijn door de feiten, en nergens van op de hoogte te zijn geweest. Klinkklare onzin, zo weet iedereen die in de afgelopen jaren professioneel met Hotel Conrad te maken heeft gehad. En ook al zullen wij de resultaten van het juridische onderzoek naar mensenhandel en slavernij, dat nu in gang is gezet door het Arbeidsauditoraat en de Belgische politie met spanning afwachten, ook de heer De Beer zal er niet aan ontkomen om een pijnlijke keuze te moeten maken: het behoud van de noodzakelijke goede reputatie van zijn verliesgevende luxehotel. Of het behoud van zijn beste klant die hem in de afgelopen jaren voorlopig van het faillisement heeft kunnen redden.

Serge van Duijnhoven

(آل نهيان – Āl Nahyān)

without any virtue

fotograaf: Bosz de Kler. Lobby van het Conrad


NAWOORD:


Of het te maken had met het feit dat het Conrad Hotel in Brussel zijn lukratiefste klant is kwijtgeraakt sedert de familie El Nahyan geviseerd wordt door de Belgische justitie? Aan de Louisalaan doet iedereen er weer – discretie verzekerd – volgens de code van Conrad Hilton het zwijgen toe.  Feit is dat de hoteldirectie spoedig na het uitbreken van de slavendrijfsters-affaire ingrijpende maatregelen afkondigde waartoe de hoofdzetel zich helaas genoodzaakt zag. Zoals een drastische inkrimping van het personeelsbestand via gedwongen ontslagen. Een deel van het personeel is na die aankondiging in staking gegaan. Wat een unicum mag heten voor een symbolisch bastion van standing en luxe als het Hilton Conrad waar de rijken der aarden normaliter juist tegader komen om het hoogkapitalisme te vieren in ceremoniele jubelmissen.

De beslist niet als arbeideristisch te betitelen werknemers van het prestige-hotel, normaliter de minzaamheid en nederigheid zelve, voelden zich geschoffeerd door hun bazen.Waarnemers uit de wereld van de hogere  hotellerie spraken van “Amerikaanse toestanden om de aandeelhouders tevreden te stellen.” Het hotelpersoneel van het restaurant, de onderhoudsploeg en de receptie bleek – tot afgrijzen van de directie – zijn actiebereidheid door te zetten. Het Conrad staakte. Er werden geen kamers meer schoongemaakt, geen klanten meer ingeboekt, telefoon opgenomen of roomservice meer bezorgd.  Het restaurant bleef dicht, en klanten bevolkten de lobby om zich te komen beklagen.

Sinds het uitbreken van de affaire El Nahyan, is het personeel trouw zijn zwijgplicht nagekomen die het van hogerhand kreeg opgelegd en is het als een blok achter het Conrad blijven staan. Er was zeker zoiets als een code van beroepseer en loyaliteit die de werknemers van het hotel hebben nageleefd. Dat zal niet altijd makkelijk zijn geweest want de sjieke naam Conrad is danig besmet geraakt door de kwestie van mensenhandel, slavernij en uitbuiting waarmee de sheikha’s het hotel hebben opgezadeld.  Op feestjes hoefde je niet meer aan te komen als de onkreukbare hotelbediende van Brussels meest glamoureuze hotel. Wat heeft het voor zin elke dag je overhemd vers te laten stomen en je tiptop te verzorgen als vijfsterrenklerk met stropdas en gelakte schoenen, als je in feite op het dek blijkt te werken van een slavengaljoen of een louche uitbuitersschuit? Waar is je trots en moraal dan gebleven, je werkethiek van onberispelijkheid die je als Hilton Conrad werknemer alle dagen welgemeend uit diende te dragen zoals een predikant het evangelie? Hoe kun je nog strak in het pak als je in naam van de kreukloze reputatie van je baas in feite de grootste smeerlapperij en schanddaden faciliteert?

Een beetje respect in ruil voor de bereidwilligheid om pal te staan voor het Conrad in de tijden van nood die waren aangebroken, was toch niet teveel gevraagd? In plaats daarvan kregen tientallen personeelsleden in het najaar van 2008 te horen dat het hotel geen behoefte meer had aan hun dienstbaarheid. Zonder evaluatiegesprek of motivering werden medewerkers gedumpt tussen het vuilnis in de containers van het executieve toprestaurant Wiltcher’s, en de zakken vol uitgeperst fruit van de prestigieuze Louis-cocktailbar.

De sfeer in het somptueuze paleis voor hoogkaraats genot, is er danig verziekt door geraakt.  Rot als de geur van de putrefactie die je tijdens de staking in het fort gewaar kon worden. Een nare lucht die vanuit het sousterrain omhoog kringelde. Tussen de afvalbergen trachtte het personeel zich syndicaal te weren en organiseren. Er werd vergaderd en gedreigd met nieuwe acties als de directie niet zou inbinden.De machtsstrijd die volgde heeft geresulteerd in kleine en grote rochades op het schaakbord van de Human Resources.  Een bataljon verse uitzendkrachten kreeg de opdracht om de werkvloer schoon te spoelen van de garde die zich al te lang aan de reputatie van het hotel bleek te hebben vastgekoekt.

Of het geplaagde luxe-hotel een nieuwe golf van anti-reclame in de internationale pers zal kunnen doorstaan, is een interessante vraag. Met het begin van het Sheikha-proces op dinsdag 9 november, mag het bolwerk van waaruit de uitbuiting jarenlang plaats kon vinden (en oogluikend is toegestaan) zich verwachten aan een nieuwe tsunami van verontwaardiging die op de frontdesk van de monumentale lobby af komt gestevend. Directie en personeel zullen genoodzaakt zijn zich gezamenlijk schrap te zetten. Om, aaneengeklonken als een blok basalt, de golven te pareren. Het is te hopen voor de directie dat het overgebleven personeel daar ook dit keer weer toe bereid zal zijn.

Misschien dat de familie El Nahyan als goedmaker voor haar wandaden en de reputatieschade die ze het Conrad in Brussel heeft berzorgd,  de frontdesk van haar voormalige uitvalsbasis wat kan versterken door een paar cargo’s vol zandzakken uit de woestijn rond Abu Dhabi af te laten leveren aan het Place Stefanie. Naar het schijnt is het zand der Emiraten – qua korrel en cohesie – van een ongeëvenaard nobele en verfijnde structuur. Bovendien is het in royale hoeveelheden voorradig. Het zou een verrijkende spirituele ervaring voor de sheikha’s kunnen worden, als de rechter in Brussel hen voor de begane wandaden een taakstraf met gemeenschapszin op zou leggen. Zoals het vullen van zandzakken voor allerhande nooddruftigen (waaronder het Conrad Hotel in Brussel) die de komende tijd met zwaar weer en wassend water krijgen af te rekenen.

Zou het tot die verwende prinsessen van het mutantengeslacht El Nahyan eigenlijk ueberhaupt nog kunnen doordringen dat ze hier in Brussel niet zomaar in de beklaagdenbank terecht zijn gekomen? Hoe kwistig en geobsedeerd hun hang naar uiterlijke voornaamheid ook is geweest gedurende hun verblijf in Brussel, als mens hebben ze zichzelf op pijnlijke wijze ontmaskerd als een stelletje verwende narcisten met een naar het sadisme overhellende misconceptie van eerzame menselijke verhoudingen. Hun inzicht in menselijke waarden en verhoudingen – kortom hun ziel – lijkt jammerlijk te zijn verschrompeld tot de vrucht van een plant die zelden water heeft gehad en nooit in de buitenlucht heeft kunnen groeien.

Wat nobel is? De adellijke dames zouden het bij Allah niet weten want ze waarom zou je je nobel moeten gedragen als je denkt dat je van nature toch al koninklijk bent? Het is bijzonder triest maar ook verbijsterend om te moeten constateren dat een zandkuil in een peutertuin te Jette, waarschijnlijk meer noblesse en in elk geval meer diepgang in zich herbergt, dan deze exploten van een hoog-adellijke stamboom die zich op zulk een aberrante wijze heeft vertakt in de dorre woestijngrond van Abu Dhabi’s kalifaat.

(آل نهيان – Āl Nahyān)

71 Avenue Louise
Brussels
Belgium

HILTON GLOBAL PRIVACY POLICY

At Hilton, we strive to deliver outstanding products, services, and experiences around the world. We value your business and, more importantly, your loyalty. We recognize that privacy is an important issue. We have developed this Global Privacy Policy (this “Policy”) to explain our practices regarding the personal information we collect when you visit this site. Some jurisdictions also require notice concerning other means of collecting personal information; for those jurisdictions, this Policy also explains our practices regarding personal information obtained from sources other than our websites, such as written or verbal communications or information collected when you visit one of our properties.

Please read this Policy carefully before submitting personal information about you to us. Also, please note that this Policy does not apply to our processing of personal information on behalf of and subject to the instructions of third parties such as airlines, car rental companies and other service providers, companies that organize or offer packaged travel arrangements, marketing partners, or customers.

ROYAL SUITE in het CONRAD HOTEL  BRUSSEL

Conrad Brussels’ Royal suite is unquestionably the hotel’s signature suite, with the large rooms combining to offer 365 square metres of regal luxury. A large entrance hall provides access to a spacious living room, dining room, private kitchen and corridor leading to the bedroom, indulgent bathroom and dressing room. Located on the fourth floor, the Royal suite offers an unobstructed view of Avenue Louise in a private and tranquil environment. Our Royal suite offers individually controlled air-conditioning, large work desks, two direct-dial phone lines with voicemail, as well as internet connectivity. Additional in-room amenities and services include a well-stocked mini-bar, coffee maker and snack basket, security safe, interactive television with more than 40 channels, hairdryer and ample storage space. The spacious bathrooms have a separate bath and shower, and are finished in a delicate marble with luxurious toiletries, indulgent bathrobes and comfortable slippers. Further connecting rooms can be added to extend the Royal suite to offer two or three bedrooms.   Amenities

Bovenkant formulier

Onderkant formulier

  • 25″ television
  • Alarm clock
  • Coffee machine and tea maker
  • Controlled Access Corridors
  • Digital interactive TV system with hundreds of on-demand movies and music
  • Dressing gown and slippers in finest cotton
  • Emergency call button on phone
  • Evening Manager’s Reception
  • Evening Room Service
  • Hairdryer
  • High-speed Internet connections
  • Mini Bar
  • On-Demand Movies
  • Safe
  • Seating Area with Sofa
  • Separate Bathtub and Shower
  • Superior bedding with 100% Egyptian cotton linen and oversized goose-down pillows
  • Two phones with dataport, speaker and voicemail

Lees ook in De Morgen van 06.11.2010:

http://www.demorgen.be/dm/nl/989/Binnenland/article/detail/1179433/2010/11/06/Vlaamse-werkte-tussen-slavinnen-van-Conrad-Hotel.dhtml

Het parket van Brussel zal nu dinsdag 9 november 2010 aan de raadkamer vragen om de weduwe van een Arabische sjeik en haar prinsessendochters voor de strafrechter te brengen wegens onmenselijke behandeling. In de zomer van 2008 bevrijdde de politie 17 van ‘hun slavinnen’ uit het Conrad Hotel. Ook de Vlaamse Caroline (nu 27) danste een half jaar naar de pijpen van de steenrijke El Nahyans. “De andere meisjes moesten zeven dagen per week, de klok rond, werken. Elk contact met de buitenwereld was verboden”, zegt Caroline. Ze deelde lief en leed met de slaven, zowel achter de dikke paleismuren in Abu Dhabi als op de vierde verdieping van het Conrad.

De dienstmeisjes mochten totaal geen contact hebben met de buitenwereld. Het was verboden om te telefoneren of om het internet te gebruiken. Ze moesten op bevelen wachten in kamers vol zachte fauteuils. Maar die mochten ze niet gebruiken

Het onderzoek werd geopend in de zomer van 2008, nadat de politie uit het Conrad Hotel in de Louizalaan in Brussel zeventien vrouwen haalde die als slavinnen zouden uitgebuit zijn.

Amper enkele maanden voor de inval werkte er nog een Vlaamse jonge vrouw voor de sjeika’s in het Conrad. Caroline uit Putte was 23, verpleegster van opleiding en ze had eerder voor de Arabische familie als au pair gewerkt in Abu Dhabi. Toen de 24-jarige prinses Maytha in september 2007 met haar zussen en moeder naar Brussel afzakte voor een ivf-behandeling, zat de prinses zonder kinderoppas. Via via werd Caroline gecontacteerd. En omdat ze toch net zonder werk zat, pakte Caroline haar koffers en trok ze in op de vierde verdieping van het luxehotel langs de Louizalaan. Ze wil vertellen wat ze er zag, net zoals ze deed aan de politie. Maar niet met haar volledige naam. Omdat ze geen problemen wil en omdat ze vindt dat ze zelf altijd correct werd behandeld.

Geen contact met buitenwereld

Toch wrong het bij Caroline, daar in het Conrad. Zelf sliep ze in een suite van 700 euro de nacht met Zayed, het 1 jaar oude zoontje van sjeika Maytha. De prinses zelf sliep in een nog duurdere kamer – een van de 53 die de steenrijke familie had gehuurd om pottenkijkers van de verdieping weg te houden. “Ik merkte snel dat de andere meisjes en vrouwen (onder andere uit de Filippijnen, Marokko, en Indonesië, bjm) er anders behandeld werden dan ik. Slechter. Zo kregen zij nooit een dag vrijaf. Dat betekende ook dat ze niet uit het hotel mochten.

Beetje per beetje gingen Carolines ogen open. Want de dienstmeisjes in het Conrad mochten wel nog meer dingen niet. “Ze mochten totaal geen contact hebben met de buitenwereld. Zo was het voor hen ook verboden om te telefoneren of om het internet te gebruiken. Dat wrong bij mij. Want ik mocht dat wel.Hoewel in die kamers lekkere zachte fauteuils stonden met kussens mochten ze daar niet in zitten. Hun plaats: dat was het tapijt op de grond.”

Dinsdag 9 november wordt de zaak behandeld voor de raadkamer in Brussel. Het parket zal er vragen de weduwe en haar zeven dochters te vervolgen voor onmenselijke behandeling, fiscale fraude en illegale tewerkstelling. (Bjorn Maeckelbergh)

Al Nahyan family

From Wikipedia, the free encyclopedia

Al Nahyan (آل نهيان Āl Nahyān) is one of the six ruling families of the United Arab Emirates, and are based in the capital Abu Dhabi, United Arab Emirates. Al Nahyan is a branch of the House of Al-Falahi (Āl Bū Falāḥ), a branch of the Bani Yas tribe, and are related to the House of Al-Falasi, from which the ruling family of Dubai, Al Maktoum, descends.

Members

Notable members of the Al Nahyan family include:

Modern

Offshoot

Het is niet de eerste keer dat de familie van slavendrijverij wordt beschuldigd en daarvoor in het buitenland voor het gerecht wordt gesleept. Getuige dit artikel uit de New York Sun anno 2007. Een kwestie van “culture” of van “nature”? Een kwestie van familietraditie, zo lijkt het. Zo geleerd, zo gedaan. Sheik Hamdan bin Rashid al-Maktoum, de neef uit Dubai van de sheikha’s die in het Conrad hun drijverij runden, blijkt er ook wat van te kunnen:

Advertenties

Interview met Gouden Palmwinnaar Apichatpong Weerasethakul over zijn bekroonde film “Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives”

De Thaise filmmaker Apichatpong Weerasethakul (1970) wordt alom geprezen als een van de centrale figuren in de hedendaagse cinema. Opgeleid als architect in Thailand en als beeldend kunstenaar in Chicago, heeft hij sedert het jaar 2000 de filmwereld met een vijftal innovatieve speelfilms vol dromerige elementen weten te verrassen – met inbegrip van bekroonde werken zoals Blissfully Yours, Tropical Malady, en Syndromes and a Century. De regisseur is ook een veelgeprezen installatiekunstenaar, wiens werk in trek is bij musea en kunstruimtes over de hele wereld. Zijn video- en installatieproject Primitive tourt momenteel langs diverse Europese steden. Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives, de meest recente film van het Thaise enfant terrible (vanaf 1 september in Belgische en Nederlandse theaters te zien), werd op de 63ste editie van het Filmfestival van Cannes bekroond met de Gouden Palm.

Charlotte Gainsbourg overhandigt de Palme d'Or aan Apichatpong Weerasethakul (23.05.10)

Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives vertelt het verhaal van een oudere man, die lijdt aan acuut nierfalen en ervoor heeft gekozen om zijn laatste dagen omringd door zijn dierbaren op het platteland door te brengen. De magische verschijningen van zijn overleden vrouw en van zijn al jaren verdwenen zoon doen Uncle Boonmee inzien dat zijn einde nabij is. Hij krijgt het bezoek van de geesten van zijn voorouders die zich tijdens de tropische nacht in alle mogelijke gedaanten en in alle vriendelijkheid manifesteren. Peinzend over de redenen van zijn ziekte, maakt Boonmee met zijn schimmige gezin een laatste tocht naar een mysterieuze grot die diep in de jungle ligt verscholen op een heuveltop – de geboorteplaats van zijn eerste leven.

In een kalm tempo en dromerige sfeer reflecteert de film over tijdloze zaken van spirituele, metafysische maar soms ook dolkomische aard die in westerse films zelden of nooit aan bod komen. Zo zien we hoe de van de aardbodem verdwenen zoon des huizes uit de vergetelheid tevoorschijn klautert in de gedaante van een harige primaat met felrode ogen, en hoe een amoureuze meerval cunnilingus bedrijft met een prinses die in het water is gestruikeld aan de rand van haar betoverde zwembad…

Op de laatste dag van het 63e festival van Cannes, een etmaal voordat Apichatpong Weerasethakul er volkomen onverwacht de Gouden Palm in ontvangst mocht nemen uit handen van Charlotte Gainsbourg, kregen Serge van Duijnhoven en Arlette van Laar gelegenheid om aan te schuiven voor een press-junket met de verfijnde en zacht sprekende multi-getalenteerde regisseur van Thaise komaf. De setting was een zonovergoten terras achter een van de witte tenten van het Pavillon Unifrance naast het Palais des Festivals, direct aan de zuidelijke kade van de haven. Ondanks een spottende opmerking aan het begin (“Stel eens een vraag die ik nog niet heb gehoord’) maakte de regisseur (in zwart gestreept shirt, met Ray Ban pilotenbril), die in eigen land voortdurend door de censor op de vingers wordt gekeken wegens zijn kritische politieke commentaren en “onzedig” geachte artistieke opvattingen, een uitermate ontspannen indruk.

Arlette van Laar filmt Joe op het terras aan de haven van Cannes

Wat bracht u ertoe om deze film te maken?

“Een paar jaar geleden, toen ik voor het eerst sinds mijn jeugd weer voor langere tijd in het noord-oosten van Thailand verbleef, heb ik Uncle Boonmee echt ontmoet. Monniken van een klooster in de buurt van mijn huis vertelden me dat er in hun tempel een oude man was gearriveerd die de kunst van het mediteren tot grote hoogte had volbracht en ook anderen daarin kon doceren. Al mediterend zou hij in staat zijn geweest zijn vorige levens te ontwaren die zich van visioen tot visioen vanachter zijn oogleden aaneen wisten te rijgen tot een soort van film. De meditatie-kunstenaar, die daadwerkelijk Boonmee heette, zag hoe zijn ziel getransformeerd was in tal van gedaanten. Varierend van een buffel en een koe tot aan een dolende verschijning zonder lichamelijk omhulsel. De abt was onder de indruk, maar niet verrast, want Boonmee was niet de eerste persoon om hem te vertellen over deze ervaringen. Jarenlang verzamelde hij al verhalen van dorpelingen die visioenen over hun vorige levens met hem hadden gedeeld. Enkele van die verhalen heeft hij gepubliceerd in een boekje dat hij had voorzien van de fascinerende titel: De man die zich zijn vorige levens kan herinneren. Het verhaal van deze abt bleef me bezig houden. Helaas bleek, tegen de tijd dat ik het boekje zelf in handen kreeg, Boonmee inmiddels overleden.”

Al uw vorige films bevatten sterk autobiografische elementen. Dat lijkt veel minder het geval met Uncle Boonmee …

“Vergeleken met het oorspronkelijke script, heb ik alsnog veel van mijn eigen leven in de film gestopt. Ik ben opgegroeid in het noordoosten van Thailand, en dit is de eerste film die ik daar laat spelen. Mijn doel was om in deze film zoveel mogelijk het landschap en de sfeer van mijn jeugd weer op te kunnen roepen. Ook het stervensproces van mijn vader, die aan nierfalen overleed, heb ik in deze film een plek kunnen geven. Het interieur van de kamer waarin Boonmee zijn laatste uren doorbrengt, is een kopie van de slaapkamer van mijn vader. Al met al zou je kunnen zeggen dat deze film misschien niet in de eerste graad autobiografisch getint is, maar toch zeker wel in de tweede graad. De film draait natuurlijk niet in de eerste plaats om mezelf. Zelfs niet om Boonmee. Waar het allemaal om draait is dat wonderlijke idee van reïncarnatie. Iedereen in Thailand is opgegroeid met de idee dat er zoiets als zielsverhuizing bestaat, en dat zielen kunnen worden overgedragen van mens op mens en van mens op dier. Thai zijn een spiritistisch volk. In de film wilde ik de zoektocht naar mijn jeugdherinneringen combineren met een door de tijd gerijpt bewustzijn ten aanzien van de dood. Op een vloeiende wijze heeft de film zich daarbij ontwikkeld tot een hommage aan de soort van cinema waarmee ik ben opgegroeid. En die inmiddels niet meer bestaat. Boonmee is een embleem voor al wat dreigt te verdwijnen en wordt uitgebannen omdat het geen plek meer kan of mag hebben in ons contemporaine landschap. Onze hedendaagse maatschappij.”

Hoewel de titel van de film expliciet verwijst naar Uncle Boonmee’s vorige levens, heeft de kijker er het raden naar welke dat nu eigenlijk zijn geweest….

“Oorspronkelijk bevatte het script weldegelijk expliciete verwijzingen naar die vorige levens. Maar bij het maken van de film besloot ik de invulling hiervan toch liever over te laten aan de verbeelding van de kijker. Cinema is een middel om alternatieve universa te creeeren, op te gaan in andere levens dan die van jezelf. Ik houd ervan mijn films te laten ontstaan vanuit een stream of conciousness, waarbij niet alleen ikzelf maar ook de kijker zich van herinnering naar herinnering en van associatie naar associatie mee kan laten voeren. Dit aspect van dwalen en in elkaar overvloeien is erg belangrijk gezien het feit dat de hele film is opgebouwd rond het idee van zielsverhuizing en spiritisme. Ook geesten hebben de neiging te dolen, zoals u weet.”

Uncle Boonmee

Heeft u al plannen voor een volgende film?

“Ik zou dolgraag het genre van de Science Fiction willen verkennen. Ik heb al een script klaar dat ik voorlopig Utopia genoemd heb en waarin het uit Star Trek bekende Starship Enterprise door een ongeluk in een verlaten sneeuwlandschap terecht komt. Voor die film zou ik vooral een beroep willen doen op die glorieuze generatie van vrouwelijke actrices als Brigitte Bardot, die inmiddels sterk is verouderd of zelfs bejaard is geworden. Ik zie haar gerimpelde lichaam al helemaal paraderen door de spierwitte sneeuwvlakte!”

Zijn de levens waar Uncle Boonmee middels zijn visioenen op terug meent te kunnen kijken, bedoeld als een aanwijzing dat er weldegelijk een andere wereld achter onze zichtbare verscholen kan gaan? Of is alles enkel het produkt van Boonmee’s al te levendige verbeelging?

“Ik denk dat we lang niet genoeg weten over de werking van de menselijke geest om daar met zekerheid over te kunnen spreken. Wat is het precieze verschil tussen het hebben van een droom of visioen, en het ondergaan van illusoire mentale projecties? Na Einstein’s verbluffende ontdekkingen op het gebied van de kwantumfysica, denk ik dat we nu klaar zijn om ook op andere domeinen baanbrekende ontdekkingen te doen. Ik denk dat het na het uitdiepen van de gravitatieleer en het doorgronden van de geldende natuurwetten in dit heelal, nu de beurt is aan de menselijke geest om grondig te worden verkend en verklaard. Van gravitatie naar levitatie lijkt me een natuurlijke weg. Sommige van die geestesverschijningen die Uncle Boonmee aan zijn vorige levens toeschrijft, zouden in de toekomst wellicht op eenvoudige wijze verklaard kunnen worden. Vooralsnog kunnen we er alleen over speculeren en er al dan niet in geloven. Erg wetenschappelijk kun je zo’n houding niet bepaald noemen.
De mogelijkheid dat er zoiets bestaat als reïncarnatie valt vooralsnog niet helemaal uit te sluiten. Ik geloof dat er best wel zoiets zou kunnen bestaan als een transmigratie van een ziel tussen mensen, planten, dieren en geesten. Het idee dat we in principe allen voortvloeien uit dezelfde singuliere kern voordat alles explodeerde in de tijd. Uncle Boonmee’s verhaal handelt over de relatie tussen mens en dier en dan vooral over het punt waar de scheidslijn tussen beide verdwijnt. Als bepaalde gebeurtenissen in de film een concrete vorm krijgen zal er bij de crew en de acteurs al gauw sprake zijn van gedeelde herinneringen. Een nieuwe laag van gesimuleerde herinnering wordt daar nog eens aan toegevoegd via de ervaringen van het publiek. In dit opzicht is het hele vak van filmmaken verwant aan het creëeren van kunstmatig samengestelde andere levens. Voor mij is film een ongelooflijke voedingsbron voor de artistieke verbeelding die we zelden op een juiste wijze aan weten te wenden.”

Als kunstenaar en regisseur bent u in het buitenland een beroemdheid wiens werk alom wordt bejubeld en gelauwerd. In uw moederland is uw status eerder die van een dissident die mede vanwege uw openlijk beleden kritiek op het regime niet meer op enigerlei financiering of distributie van uw films mag rekenen. Hoe gaat u daarmee om?

“Mijn films hebben ogenschijnlijk vooral een persoonlijke, lyrische inslag maar onderhuids borrelt en bruist het van de sociale kritiek. Alleen al het feit dat ik enkel met lokale acteurs uit het rurale noorden heb gewerkt, die het dialect van de Nabua spreken, wordt in Thailand opgevat als een provocatief gegeven. De middenklasse uit de steden bejegent hun noordelijke landgenoten nog altijd met uitgesproken minachting. Angstvallig beschermt men de eigen privileges. Wat er in Thailand gaande is, dat is een klassenoorlog waarin rijk en arm, politici en tycoons, zakenlieden en legerofficieren op tal van manieren tegenover elkaar zijn komen te staan. Het is niet alleen maar arm tegen rijk. Iedereen vecht tegen iedereen om zijn aandeel in de macht. Wat interessant is aan de huidige situatie, is dat voor het eerst in onze geschiedenis de onderklasse van zich laat horen. In het conflict zijn meer partijen betrokken dan ooit voorheen. Ook de aard van de strijd is anders. Het Internet en media-manipulatie spelen daarbij een ongeziene rol. Pas nu zijn velen in staat om te zien hoezeer men al die jaren door het regime is gemanipuleerd en gedesinformeerd. Het zal niet lang meer duren voor de machthebbers met allerhande censuur de tegenaanval in gaan zetten. Door mijn bekommernis als een van de oprichters van de “Free Thai Cinema” heb ik de smerige machinaties en intimidaties van de macht van heel nabij kunnen meemaken en bestuderen. Het hele systeem is tot op het bot verrot. En vanwege dat systeem gaapt er zo’n grote kloof tussen rijk en arm. Ik ben blij dat de mensen voor hun rechten opkomen en van zich laten horen, ook al ontaardt het soms in geweld. Het is tijd voor verandering.”

Apichatpong Weerasethakul leeft en werkt in Chiangmai, Thailand.


FEATURE FILMS

2010 Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives (Lung Boonmee Raluek Chat)
2006 Syndromes and a Century (Sang Sattawat)
2004 Tropical Malady (Sud Pralad)
2003 The Adventure of Iron Pussy (Huajai Toranong)
2002 Blissfully Yours (Sud Sanaeha)
2000 Mysterious Object at Noon (Dokfar Nai Meu Marn)

SELECTED SHORTS
2009 A Letter to Uncle Boonmee
2008 Vampire/ Mobile Men
2007 Luminous People
2006 The Anthem
2005 Worldly Desires

SELECTED INSTALLATIONS
2009 Primitive/Phantoms of Nabua*
2007 Morakot (Emerald)/ The Palace/ Unknown Forces
2006 FAITH
2005 Ghost of Asia
2005 Waterfall

De korte film
Phantoms of Nabua (2009), Apichatpong Weerasethakul
10:40 minutes / Digital, 16:9, Dolby 5.1 / Colour
Deze korte film kan gratis worden bekeken op de website van Animate Projects: http://www.animateprojects.org

Nabua - installation in gallery


De tentoonstelling
Phantoms of Nabua, installation by Apichatpong Weerasethakul
THE BFI SOUTHBANK GALLERY LONDON
Belvedere Road, South Bank, London SE1 8XT, United Kingdom
Opening times: Tue – Sun, 11am-8pm (plus bank holidays)
http://www.bfi.org.uk/gallery


Het boek

Apichatpong Weerasethakul
Filmmuseum Synema Publikationen Vol. 12
Edited by James Quandt, Vienna 2009
256 pages, with 245 colour illustrations. In English
ISBN 978-3-901644-31-3. Price: 20,00 €

‘T’ga za jug’ – Zuidzucht. De Muzen van Struga

* * *

Het door drugsoorlogen en kidnappings geteisterde Colombia viert iedere zomer weer zijn Coppa del America . Sarajevo kende tijdens de belegering zijn jaarlijkse filmfestival. En in ogenschijnlijk rustig Macedonie vinden jaar in jaar uit – onder wisselend gesternte – steeds weer nieuwe edities plaats van het internationaal gere nommeerde poeziefestival de ‘Struga Poetry Evenings’. Eregast en nobelprijswinnaar Seamus Heaney, die tijdens het tweede bezoek van dichter Serge van Duijnhoven de ‘Gulden Lauwerkrans’ in ontvangst mocht nemen: ‘Eerlijk gezegd voel ik me met al die soldaten en wegversperringen hier wel op mijn gemak. Het doet me denken aan mijn jaren in Belfast…’

In plechtige processie trekt de stoet internationale dichters achter twaalf in het wit gestoken Macedonische bloemenmaagden aan, die asters strooien over de balustrade. Onder ons kolkt het water van de Zwarte Drim. Nobelprijswinnaar Seamus Heaney rijdt langzaam voorbij in een gepantserde Mercedes, begeleid door patrouillewagens van de zwaarbewapende Macedonische policija. Bij het bereiken van de overzijde worden vuurpijlen afgeschoten, tegelijk barst een ongenadig onweer los. Burgers zwaaien met hun parapluies. Geroffel klinkt vanuit de bergen. Of is het een militaire helicopter? Mannen in kogelvrije vesten kijken star voor zich uit, de loop van hun Zastava 7.62 pistoolmitrailleurs gericht naar de dikke spetters regen die kaatsen op de grond.

‘Eerlijk gezegd voel ik me met al die soldaten en wegversperringen hier wel op mijn gemak,’ vertelde Seamus Heaney (door zijn knappe tolk consequent ‘Mister Himus Sjini’ genoemd) wat lakoniek in de pianobar van het immense, lege hotel. ‘Een gevoel van homecoming. Het straatbeeld herinnert me aan mijn jonge jaren in Belfast.’ Drinkend van een bescheiden Skopsko Pivo, verzekerde de dichter dat hij er geen moment over gedacht had om af te zeggen voor het festival. Natuurlijk hebben mijn naasten me afgeraden om juist nu naar Macedonië te gaan, maar mensen die om je geven zijn altijd bezorgd. Wij Ieren zijn misschien al een beetje meer vertrouwd met de situatie dan anderen. Maar we weten ook dat het geweld in het buitenland vaak erg wordt overdreven.’ Een dichteres uit Israel knikt driftig. ‘Ik voel me pas onveilig als ik geen soldaten zie op straat,’ zegt ze stoer.

Afzeggingen zijn er nauwelijks. Naast eregast Seamus Heaney, die dit jaar de ‘Gulden Lauwerkrans’ in ontvangst mag komen nemen, is nog een dertigtal bekende en minder bekende dichters uit alle windstreken naar het trogdiepe Meer van Ohrid afgezakt. Gearriveerd zijn Thomas Shapcott uit Australië, de Amerikaan Claude Freeman, Anne Marie Dinesen uit Denemarken, Jean Laugier uit Frankrijk, Jorhe Justo Padron uit Spanje, Skënder Rusi uit Albanië, Mohammed Bennis uit Marokko, Sergej Glavyuk uit Rusland. De volharding waarmee de internationale gasten temidden van wapengekletter, bomaanslagen en nerveus ‘oogstende’ Navo-soldaten, hun verzen willen laten klinken op de brug over de Zwarte Drim, wordt door de organisatoren van het festival ervaren als bemoedigend. Het Macedonische publiek kan het weinig schelen, want dat heeft heel andere zaken aan het hoofd dan de verskunst.

Kaneo Klooster Ohrid

‘s Avonds trekken gure windvlagen geribbelde sporen over het donkere water van het Meer van Ohrid. De late zomerzon verdwijnt achter de bergtoppen als een steen die over de rand van een put wordt geduwd. Achter de ramen van de verlaten eetzalen in het hotel gaapt een koele duisternis die uit de diepte van het meer omhoog lijkt te stijgen. De leren schoenzolen van de obers maken langgerekte piepgeluiden op het glanzende travertin. Hotel Bicer heeft 500 bedden en zou moeiteloos een tienvoud van alle genodigde dichters kunnen herbergen.

Dichter en songwriter Jabir Derala (35), die ik in het centrum van Skopje ontmoette voor ik de bus nam naar het festival, is deze zomer niet van plan om naar Struga te reizen. Er staan dikke wallen onder zijn ogen, zijn adem ruikt naar drank. ‘Er is werk aan de winkel. Flyers rondbrengen, posters ophangen, lobbyen bij politici, gevangenissen bezoeken, het organiseren van popconcerten voor de vrede: daar is behoefte aan. Aan verheven woorden en fijnbesnaarde avonden met collega-dichters heb ik even geen boodschap.’ Jabir heeft de daad bij het woord gevoegd, en een mensenrechtenorganisatie opgericht (Civil) die moet toezien op de rechten van politieke gevangenen en het ontplooien van multi-etnische initiatieven.

Dat het poëziefestival uitgerekend Struga als bakermat heeft uitgekozen en niet het toeristische en historische Ohrid, waar nog maar kort geleden de vredesonderhandelingen hebben plaatsgevonden, is te danken aan de negentiende eeuwse dichter Konstantin Miladinov. In zijn gedicht `T’ga zajug’ (`Zuidzucht’) bezong de Mecedonische Byron, die net als zijn Engelse tijdgenoot gedwongen was om in exil te leven (de Turkse sultan had een prijs op zijn hoofd gezet), hoe hij terugverlangde naar het vissersdorp van zijn jeugd. `Had ik maar vleugels als een arend/om naar mijn Struga terug te vliegen’, dichtte Miladinov terwijl hij in Rusland wegkwijnde aan de tuberculosis. ‘Nog steeds zie ik en voel ik/hoe zij brandt, die vurige parel die in mij geplant/als kroonjuweel zal rusten/op Macedonië, mijn vaderland.’ Het vers is verplichte leerkost op scholen in Macedonië. Miladinovs hymne aan Struga verleende een stem aan een nationaal gevoel dat eeuwenlang door het Osmaanse gezag was onderdrukt. (Allen Ginsberg, ontvangt ‘Golden Wreath’ in 1986)

Tijdens de openingsceremonie van het festival klimt een jongen in een wijde kosjula (wit hemd) achter de microfoon en begint op statige wijze, begeleid door trieste Macedonische volksmuziek, Miladinovs gedicht ‘T’ga za jug’ voor te dragen. Hier en daar rolt een traan. Een partijfunctionaris van de nationalistische regeringspartij VMRO, Bratislav Tashkovski, nodigt de dichters uit om naar voren te komen. `In whose name should I greet you, dear poets, if not in the name of the destiny of the Macedonian land and the Macedonian people!’ De toon is gezet. Met veel stemverheffing en ‘ hoera voor Macedonië!’-geroep verklaart de politicus het internationale poëziefestival voor geopend.

De voordrachten lijken bijzaak. Er wordt nauwelijks geluisterd. Voortdurend piepen en sjierpen mobiele telefoons en ruisen de walkie talkies van de aanwezige soldaten. Het dondert in de bergen. Vanuit de verte klinkt een Macedonische smartlap. De microfoon galmt en zingt rond, of de versterking waait weg in het niets. Het publiek wiegt ongeduldig heen en weer, en raakt pas geboeid als Seamus Heaney achter de microfoon gaat staan en genoeglijk vertelt van zijn ‘utterly memorable days and nights at Struga in 1978′, toen hij voor het eerst in aanraking kwam met ‘de wonderbaarlijke vitaliteit van het Macedonische leven en de Macedonische cultuur.’ De laureaat oogst fors applaus, maar de boel komt pas echt los als de Spaanse dichter Jorhe Justo Padron de Macedonische toehoorders paait met een smartelijke elegie, door hemzelf in de landstaal voorgelezen, voor het ‘heroische, in doodsnood verkerende en in de steek gelaten Macedonië’. Het publiek joelt en klapt minutenlang; en daar lijkt het Padron ook vooral om te doen. Hij maakt wel vijf stijve buigingen. Tv-camera’s zoemen beschuldigend in op wie nog niet de handen op elkaar heeft.

Anna, een journaliste van het genuanceerde dagblad Dnevnik , zegt na afloop dat ik de zin van de nationalistische peptalk moet kunnen begrijpen. `We hebben het nodig, nu. Voor jou mogen die woorden gezwollen lijken, maar voor ons is het een kwestie van voortbestaan. Zonder patriottisme zal ons land verkruimelen, en dat is heus geen retoriek!’ Ik vraag me af hoeveel Albanezen de openingsceremonie hebben bijgewoond. Als er al geweest zijn, moeten ze hun tong stuk hebben gebeten van ergernis om alle Macedonische op-de-borst-klopperij. ‘Of er Albanezen waren?’ reageert Ana geprikkeld. ‘Iedereen is welkom, nema problema . Als er geen Albanezen zijn, dan is dat omdat het festival ze blijkbaar geen zier interesseert. De Albanese cultuur is volkomen op zichzelf gericht, uit een panische afkeer voor alles wat slavisch of anders is dan het eigene.’

In het ‘park van de poëzie’ mag de Ierse laureaat met de handen als kolenschoppen, een laurierboom planten, zoals alle winnaars van de ‘ Gulden Lauwerkrans’ voor hem. Het priëel staat vol met laurierbomen die veelal door inmiddels overleden dichters zijn geplant. Voor een rillerige dunne staak is een marmeren schrijn neergezet. ‘Behalve een dichter ben ik ook een plattelandskind, dus die boom plant ik met plezier,’ verklaart Heaney met een spade in zijn hand. De dichter leest, staand naast een hoopje aarde, het gedicht ‘Digging’ voor, een geserreerd portret van zijn boerende vader en turfstekende grootvader. ‘Between my finger and my thumb/The squat pen rests; snug as a gun ‘, zo begint het gedicht. ‘Under my window, a clean rasping sound/When the spade sinks into gravely ground:/My father, digging. I look down./(…)‘

Heaney steekt de spade in het zand. De handeling geschiedt gedecideerd, eerder stram dan soepel, maar heeft toch iets sacraals. Alsof je de dichter hier in de Macedonische aarde de grondlagen van zijn stoffelijke verleden bloot zich leggen. En alsof je, vanuit het zand, drie mannen elkaar de hand ziet reiken, drie boerenzonen hier ziet graven, opeenvolgende generaties die in verticale lijn een hele eeuw omvatten. ‘ By God, the old man could handle a spade./ Just like his old man.’

De spade die begon in de handen van de turfsteker, ging over als schop in de handen van de landarbeider, en werd uiteindelijk een ‘squat pen, snug as a gun’ tussen duim en wijsvinger van de schrijver. Met in zijn knuisten nu een echte spade, bevindt Heaney zich voor even bovenaan de ladder van de tijd – zijn handen overlappen die van zijn grootvader de turfsteker.

‘ My grandfather cut more turf in a day/Than any other man on Toner’s bog./Once I carried him milk in a bottle/Corked sloppily with paper./He straightened up/To drink it, then fell to right away/Nicking and slicing neatly, heaving sods// Over his shoulder, going down and down/For the good turf. Digging.’

Plotseling krijgt de opmerking over het ‘homecoming gevoel’ dat de dichter gisteren beschreef in de pianobar, een heel andere lading. De rijzige Ier met het knoestige postuur, blijkt niks teveel te hebben gezegd. Seamus Heaney is hier, aan het andere einde van Europa, volkomen in zijn element. Hij geeft de spade door met een plechtig gebaar aan zijn Macedonische collega’ s. En de overige dichters verdwijnen moeiteloos in de hoekige schaduw van een ferme Ier met drie paar handen. .

‘ (…) The cold smell of potato mould, the squelch and slap/Of soggy peat, the curt cuts of an edge/Through living roots awaken in my head./ But I’ve no spade to follow men like them.//Between my finger and my thumb/The squat pen rests./ I ‘ll dig with it.‘

Het handjevol journalisten dat de moeite heeft genomen om via de 300 kilometer lange omweg naar Struga te rijden (de normale weg via Tetovo is afgesneden door de rebellen) is alleen geinteresseerd in politieke issues. Dagenlang blijven ze hengelen naar een verlossend inzicht van de geletterden op het festival, een bemoedigend woord, een steun in de rug voor de nationale Macedonische zaak. Maar niemand van de dichters laat zich verleiden tot het betweterige engagement waarmee Franse filosofen als Bernard-Henry Levy en Alain ‘ Finkielkroat’ in eerdere Balkanconflicten het publieke debat domineerden. ‘Veel interessanter dan het geven van een obligate opinie of analyse,’ ; spreekt Seamus Heaney overtuigd, ‘is het juist om te bepalen in hoeverre dichters verschillen van geschiedkundigen of toekomstvoorspellers.’

Toch probeert Heaney zijn Macedonische collega’s nog een beetje moed in te spreken. ‘Aan de huidige situatie kleven voor- en nadelen, moet u maar denken. Het slechte nieuws is dat Macedonië nu bekend raakt als een land waar burgeroorlog dreigt. Het goede nieuws is dat het conflict de Macedonische poezie een zekere glans zal verlenen, glamour . Het succes van de Ierse literatuur in de wereld, is deels te danken aan het geweld in Noord-Ierland. Persoonlijk sluit ik me aan bij Vaclav Havel, die zei: “ik geloof in hoop. Hoop verschilt van optimisme; hoop is ergens aan werken dat de moeite loont.” Ik denk dat u hier in Macedonië werkt aan een oplossing; daarom ziet het er naar mijn indruk toch lichtjes hoopvol uit. Meer kan ik er niet over zeggen…’

In het centrum van Struga, dat voor zestig procent uit Albanezen bestaat, heerst een gespannen rust. Avdi (24), een Albanese kappershulp, legt me uit dat zijn volk altijd heeft moeten leven met de minachting en afkeer van de slavische Macedoniërs. ‘Wij waren dat gewend en hebben ons lot altijd ondergaan. Nu, voor het eerst, is ónze haat aan de oppervlakte gekomen. Open en bloot. De Macedoniërs zijn dat niet gewend, en verkeren in paniek. Het meerendeel van mijn volk wil nog steeds met de Macedoniërs samenleven. Maar uit slavische mond komt alleen nog oorlogstaal. Erg onverstandig, want Albanezen uit alle windstreken zullen ons in geval van oorlog te hulp schieten. Zes miljoen Albanezen zullen over één miljoen slaven heen walsen. De Macedoniërs hebben geen schijn van kans.’

Visser Dimitar Ginovski (24), een stevige jongen met een donker ringbaardje, toegeknepen ogen en een zachte stem, neemt me mee het meer op in zijn houten schuit. Na een kwartier varen werpt hij zijn netten uit. De tijd heeft hier stilgestaan. De ouderdom van het bergmeer op de grens van Macedonie en Albanie blijkt uit de aanwezigheid van een vissoort (‘pastrumka’) die elders op aarde alleen nog als fossiele afdruk wordt teruggevonden. De vangst ervan is verboden voor toeristen, en zelfs voor beroepsvissers uit de dorpen gelden strikte quota. De zon komt op boven de donkere ruine van tsar Samoil. Mistflarden drijven langs de oever. De boot dobbert rustig op de kabbelende golven. ‘Macedonie is hoe dan ook een prachtig land,’ zeg ik. ‘ Wás een prachtig land,’ corrigeert Dimitar me. ‘We hebben liggen slapen, en worden wakker in een huis dat voor de helft is leeggeroofd. En wat een dief jat, geeft hij niet meer terug. De Albanezen zullen gek zijn. Met een paar strategische verrassingsaanvallen hebben ze in zes maanden bereikt, waar ze anders zestig jaar op hadden moeten wachten.’ Dimitar trekt aan zijn netten, en hijst de eerste forel en kleine ‘fossili’ -visjes aan boord. De pastrumka hebben uitpuilende ogen en lange blauwe vinnen. Ze smaken het lekkerst als ze gefrituurd zijn. De graat schijn je er met je tanden in een keer te moeten uittrekken. Vervolgens spuug je die op een bord en eet je de vis helemaal op.

Aristoteles heeft ooit geschreven dat de dichtkunst ‘verheven is boven wat de tijd zoal zal leren’. Een goede dichter is, met andere woorden, allerminst een notulist van de geschiedenis, en evenmin een ‘ziener’ of ‘verkondiger’. De muze die hij dient is Caliope, die met de schone stem. Of Erato, die met de lier. Zo niet op de Balkan, en zeker niet in Struga, waar het gros van de dichters elk jaar weer lijkt weggelopen onder de stijve hoepelrok van Polyhymnia. Op het gebied van orerende dichters die hun pastorale obsessie combineren met politieke ambities, heeft de regio een traditie hoog te houden. Nergens anders in Europa gaan de twee zo klef en desastreus hand in hand. Misschien heeft het ermee te maken dat de fase van het nationbuilding op de Balkan nog in volle bloei is. Misschien ook dat dichters zeker in de rurale gebieden nog echt op handen worden gedragen, terwijl politici bij het volk gehaat zijn en gezien worden als nepotisten en zakkenvullers. Radovan Karadzic, Nicolaj Koljevic, Vuk Draskovic, Vladimir Boskovski (de Macedonische minister van Binnenlandse Zaken), Ljupco Georgievski (de premier van Macedonië, net als Boskovski lid van de nationalistische partij VMRO)… ; allemaal beschouwden ze zich voor korte of langere tijd als uitverkoren door de muze van het ‘bloed en bodem’ – de schutsdame van de eigen ethnos die spreekt in lofzangen en hymnen. En allemaal stonden ze ooit op die vermaarde brug in Struga, tussen de bloemenmaagden die asters uitstrooien over het ijskoude water van de rivier; de plek waarover Seamus Heaney zei dat ‘ de poëzie in onze tijd nergens meer tot leven komt dan daar, aan de monding van de Zwarte Drim.’
Wat Radovan Karadzic heeft uitgespookt, is genoegzaam bekend. De vlammen die opstegen van Sarajevo stonden al beschreven in zijn versbundel voor kinderen getiteld Zwarte Sprookjes . En wie wil weten wat premier Ljupco Georgievski nog allemaal in petto heeft voor zijn land, leze zijn in broeierige seks en doem gedoopte debuut Apocalypse, of het megalomane vervolg daarop, De Stad , waarin de dichter beschrijft hoe hij het landerige plaatsje Delcevo verlaat om ‘het volk’ te redden van de chaos in de woelige hoofdstad Skopje. ‘Mijn bundels hebben één terugkerend thema,’ verklaarde Georgievski in 1994 aan Frank Westerman , destijds Balkan-correspondent voor de Volkskrant , ‘de wereld is slecht en lelijk. Er zit niets anders op dan haar te verwoesten en van de grond af aan weer op te bouwen.’

© Serge van Duijnhoven 2010

men leze in deze ook het even hilarische als verbluffende literaire verslag “Alles Zwart” in de non-fictie bundel Balkan – Wij noemen het rozen Uitgeverij Podium, ISBN 90-5759-123-5, 1999, prijs €15,90

de website van het festival

http://www.svp.org.mk/en/history.html

The Struga Poetry Evenings started in 1962 with a series of readings by a number of Macedonian poets in honor of the two brothers, Konstantin and Dimitar Miladinov, great intellectuals, teachers, and writers, born in Struga in the beginning of 19th century. Konstantin Miladinov has been considered the founder of modern Macedonian poetry and each year the festival officially opens with his memorable poem “Longing for the South” (“T’ga za jug”) written during his student days in Moscow.
As from 1963, when many poets from all Yugoslav republics also joined the festival, the “Miladinov Brothers” award was established for the best poetry book published in the Republic of Macedonia between two Struga poetry festivals. By 1966, the SPE turned into an international poetry event and, consequently, an international poetry award called “The Golden Wreath” was established, given to a world renowned living poet for his poetic oeuvre or life achievement in the field of poetry.
In 2003 the SPE and UNESCO established a close cooperation and jointly promoted a new award called “The Bridges of Struga” for the best first poetry book by young authors from all over the world.
Despite the tremendous difficulties and harsh realities that the festival has had to live with — the fall of Yugoslavia, the war in Bosnia, the Kosovo crisis, the political and ethnic clashes in Macedonia, the terrorist crisis after September 11th attacks, and the numerous political and economic embargos imposed on the region — the SPE has successfully flourished becoming one of the most important poetry festivals in the modern world. And that is a tribute to world poetry and its poets.
The Festival has offices in Struga and in Skopje (a director of office, an executive and a technical secretary) and is organized by a Festival Board, which consists of knowledgeable professionals in the field of poetry (poets, critics, translators, and professors in comparative literature and culture). The most attractive poetry events during the festival are “The Meridians” reading at the opening evening of the festival, and “The Bridges of Struga” reading at the closing of the festival. These are spectacular events that attract the citizens of Struga to come out in huge numbers and greet the poets from all over the world with their famous hospitality.
The festival also features two multimedia events (poetry, music and video) called “Nights without Punctuation”, will also be held, thus opening the festival for new, rather experimental forms of poetic presentations.
Every year, a day before its official opening, the festival also organizes a symposium on different and attractive topics. It attracts the attention of many literary experts from all over the world.
During all these years of its existence the festival has hosted about 4.000 poets, translators, essayists and literary critics from 95 countries of the world.
Every year the festival publishes a series of books in order to promote poetry by foreign authors to the Macedonian readership, as well as thematic anthologies of contemporary Macedonian poetry in English translation to readers abroad. These editions include the famous series “Pleiades”, featuring famous poets from all over the world and Macedonia. The thematic anthologies of Macedonian contemporary poetry include poets from all minorities in Macedonia published in their mother tongue, and in Macedonian and English translation. One of the most prestigiuos anthologies published every year is dedicated to a different national or regional poetry.
The Struga Poetry Evenings have also established an International Poetry Library. It contains books of all festival participants. Moreover, its International Poetic Archive contains significant materials (books, manuscripts, photographs, films etc.) available to any literary researcher or poetry lover. Therefore, all participants are asked in advance to donate copies to the Library before their arrival in Struga.

The Miladinov Brothers Award

The Miladinov Brothers Award is given for best book of poetry published between two editions of the International Struga Poetry Evenings Festival. The Miladinov brothers, Dimitar and Konstantin are renowned humanists and writers and educationists from the 19 century, born in the city of Struga. The older one, Dimitar Miladinov, was a teacher and collector of popular songs and stories, and the younger one, Konstantin, is more famous as a poet. During his studies in Moscow he wrote the most famous romantic poem in the Macedonian language, “Longing for the South”. This poem has become a symbol of the Festival, which traditionally opens with its verses read in several languages. The Miladinov brother ended their lives tragically in the Ottoman prisons, sentenced unjustly for their cultural and educational mission among their people.

The Miladinov Brothers Award was established in 1963, and the best book is selected after a publicly announced competition by the SPE Award Committee. The award is the most significant poetry prize in the Republic of Macedonia, recognized as a national poetry award.

Winners of the national poetry award the “Miladinov Brothers”

1963 Mateja Matevski
1964 Ante Popovski
1965 Radovan Pavlovski
1966 Bogomil Guzel
1967 Vlada Urosevik
1968 Petre M.Andreevski
1969 Mile Nedelkoski
1970 Petar T.Boskovski
1971 Petre M.Andreevski
1972 Bogomil Gjuzel
1973 Vlada Urosevik
1974 Blaze Koneski
1975 Gane Todorovski
1976 Aco Sopov
1977 Atanas Vangelov
1978 Milovan Stefanovski
1979 Slavko Janevski
1980 Eftim Kletnikov
1981 Mateja Matevski
1982 Mihail Rendzov
1983 Adem Gajtani
1984 Todor Chalovski
1985 Liljana Dirjan
1986 Vlada Urosevik
1987 Petko Dabeski
1988 Slavko Janevski
1989 Katica Kulafkova
1990 Rade Siljan
1991 Risto Vasilevski
1992 Jordan Danilovski
1993 Branko Cvetkosk
1994 Petre Bakevski
1995 Ante Popovski
1996 Svetlana Hristova-Jocik
1997 Gligor Stojkovski
1998 Gordana Mihajlova Bosnakovska
1999 Jovan Koteski
2000 Slave Gorgjo Dimoski
2001 Sande Stojchevski
2002 Radovan Pavlovski
2003 Eftim Kletnikov
2004 Petko Dabeski
2005 Petar T. Boskovski
2006 Bratislav Tashkovski
2007 Nikola Madzjirov
2008 Risto Lazarov
2009 Vesna Acevska

Bridges of Struga Award

As a result of the initiative rising from the communique signed in 2003 between the Ministry of Culture of the Republic of Macedonia and UNESCO, among other issues, a new award, “Bridges of Struga” was established. This award is given to a young poet from all over the world for a best first book of poetry, after a public competition issued by the Festival and the member states National Commission for UNESCO. A special selection, called “Bridges” is published, including the poetry of the award winner, and all the other competitors for the award. This selection includes poems in the mother tongue of the poets, and translations into Macedonian and into one of the major languages of the world.
Winners of the “Bridges of Struga” award for best first poetry book in the world
2004 Angelo V. Suarez (The Philippines)
2005 Andrea Cote (Colombia)
2006 Marianna Geide (Russian Federation)
2007 Manua Rime (Belgium)
2008 Antonija Novakovic (Croatia)
2009 Ousmane Sarr-Sarrouss (Senegal)
2010 Siim Kera (Estonia)

Golden wreath Award

In 1966, the Struga Poetry Evenings have grown into an international poetry manifestation. The same year the international poetry award the “Golden wreath” award was established. This prestigious award is given to a world famous live poet for his poetry and his deed. It’s an award made entirely by hand. It has the shape of a wreath with filligrans and it is made from gold.

Recepients of the Golden wreath Award

1966
Robert Rozdestvenski (Russia)

1967
Bulat
Okudzava (Russia)

1968
Laslo
Nadz
(Hungary)

1969
Mak Dizdar (Bosnia and Herzegovina)
1970
Miodrag
Pavlovic
(Yugoslavia)

1971
Wystan
Hugh Auden
(USA)

1972
Pablo
Neruda
(Chile)

1973
Eugenio
Montale
(Italy)

1974
Fazil Hisni
Daglarga
(Turkey)

1975
Leopold
Sedar Sengor
(Senegal)
1976

Eugene
Guillevic
(France)
1977
Arthur
Lundkvist
(Sweden)
1978
Rafael
Alberti
(Spain)
1979
Miroslav
Krleza
(Croatia)
1980
Hans Magnus Enzensberger (Germany)
1981
Blaze
Koneski (Macedonia)
1982
Nikita
Stanescu (Romania)
1983
Sachidanand H. Vatsjajn-Agjej (India)
1984
Andrej Voznesenski (Russia)
1985
Janis
Ritsos
(Greece)
1986
Allen
Ginsberg
(USA)
1987
Tadeus Ruzhevic (Poland)
1988
Desanka Maksimovic (Yugoslavia)
1989
Thomas Shapkott (Australia)
1990
Justo Horhe Padron
(Spain)
1991
Joseph
Brodsky
(USA)
1992
Ferenzs
Juhas (Hungary)
1993
Genadi Ajgi (Chuvash Republic, Russia)
1994
Ted
Hughes
(Great Britain)
1995
Jehuda
Amichai
(Israel)
1996
Makoto
Ooka
(Japan)
1997
Adonis
(Syria)
1998
Lu Juan
(China)
1998
Yves
Bonnfoy (France)
2000
Edoardo Sangvinetti (Italy)
2001
Seamus
Heaney
(Ireland)
2002
Slavko
Mihalic
(Croatia)
2003
Thomas Transtroemer
(Sweden)
2004
Vasço
Grassa Moura
(Portugal)
2005
William
S. Merwin
(USA)
2006
Nancy
Morejon
(Cuba)
2007
Mahmoud Darwish (Palestine)
2008
Fatos Arapi
(Albania))
2009
Tomaz Salamun
(Slovenia)
2010
Ljubomir Levcev
(Bulgaria)

OPPENHEIMER’S BABIES Hiroshima & Nagasaki – 65 jaar later

Deze zomermaand is het precies 65 jaar geleden dat Robert Oppenheimer’s eerste prille atomaire babies – Trinity (het Dingetje), Little Boy en Fat Man – uit de verzengende moederschoot der thermo-nucleaire wetenschap tevoorschijn werden geworpen. Dit pittig ingekorte artikel handelt over de hernieuwde angst voor een op handen zijnde nucleaire apocalyps, het utopisme van de Global Zero Movement en de ultieme poging van de mens om zich te verlossen van het atomaire kwaad. Is het twee voor twaalf? Eén moment voor nul? Of is het al te laat?

The Trinity explosion, 0.016 seconds after detonation. The fireball is about 600 feet (200 m) wide. Trees may be seen as black objects in the foreground for comparison. Een korte video-weergave van de Trinity Test Explosion waar Oppenheimer in zijn beroemd geworden getuigenis voor NBC expliciet naar verwijst: http://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/9/9d/Trinity_test.ogg

Deze zomermaand is het precies 65 jaar geleden dat Robert Oppenheimer’s eerste prille atomaire babies – Trinity (het Dingetje), Little Boy en Fat Man – uit de verzengende moederschoot der thermo-nucleaire wetenschap tevoorschijn werden geworpen. Mijn geschiedenisprofs op de Universiteit van Amsterdam, waar ik van 1989 tot 1995 studeerde aan de afdeling contemporaine geschiedschrijving, doceerden dat iedere generatie vroeg of laat geconfronteerd wordt met het onvermijdelijke existentiële trauma ten aanzien van de mogelijkheid van de nucleaire vernietiging. Het zwaard van Damocles dat sinds de uitvinding van de atoombom in de jaren veertig en waterstofbom in de jaren vijftig, over de nekken hangt van onze gedurende vele millennia tot stand gebrachte menselijke beschaving. 
In de jaren tachtig – de slotfase van de Koude Oorlog – liep ik samen met mijn meestal al wat oudere leeftijdsgenoten van de middelbare school, alsmede talloze ongeruste tegenstanders van de volkomen uit de hand gelopen nucleaire wapenwedloop in Amsterdam, Brussel, Bonn, London en Den Haag, massaal te hoop in door de Vredesbeweging gecoördineerde marsen tegen de bom. We droegen slogans mee op spandoeken als “Alle kernwapens de wereld uit, te beginnen uit Nederland”, “Liever een Rus in mijn bed, dan in mijn tuin een kruisraket”, “Ban de Bom”, “Vrede Nu”, en talloze slogans van dien aard die allemaal een uiting waren van een reëel gevoelde angst dat de krankzinnige militaire strategie van Mutual Assured Destruction (toepasselijk afgekort tot MAD) met tienduizenden kernwapens aan beide zijden van het IJzeren Gordijn, tot een daadwerkelijk nucleair Armageddon zou kunnen leiden.
Met het einde van de Koude Oorlog, verdampte ook het angstzweet dat ons zo lang op het voorhoofd had gepareld. Er werden verdragen gesloten tussen de grootmachten die de kernwapenarsenalen uiteindelijk halveerden. Het aantal landen dat de beschikking had over kernwapens bleef echter groeien. De technieken van centrifuge om hoogwaardig uranium te verkrijgen dat nodig is voor het produceren van een atomaire bom, zijn steeds minder exclusief en – zoals ik een wetenschapper hoorde uitleggen -, de middelen om de basis te leggen voor het maken van een kernbom zijn sedert 1945 drastisch „gedemocratiseerd“.   
            Vijfentwintig jaar heeft de nucleaire koorts zich koest gehouden. Een kwarteeuw lang. De dreiging dat er toch nog een nucleaire catastrophe op de loer ligt is daarentegen – ondanks de reductieverdragen van de grootmachten – niet af- maar toegenomen. De computergestuurde veiligheidssystemen die ons moeten behoeden voor een onverhoopte lancering van raketten, zijn steeds ingewikkelder en in elkaar gewikkelder geworden. Er zijn raketten zoekgeraakt. Er is nucleair materiaal gesmokkeld. En er zijn naast belingerente naties als India, Israël en Pakistan, inmiddels ook onberekenbare terroristische organisaties die er alles voor over hebben om zo’n Doomsday-Machine in handen te kunnen krijgen. Osama Bin Laden heeft berekend dat er – op basis van al het kwaad dat de Verenigde Satan van Amerika in de afgelopen eeuw heeft aangericht – minimaal vier tot vijf miljoen Amerikanen over de kling gejaagd dienen te worden opdat de balans in Allah’s ondermaanse zielenbazaar weer enigszins zal zijn hersteld.
            De tijden voor een nieuwe nucleaire koorts lijken ophanden. De mogelijkheid dat een volgende bom op Times Square, het Museumplein of in de metro van London, Parijs, Brussel of Berlijn wel eens van nucleaire aard zou kunnen zijn, bezorgt autoriteiten in alle grote wereldsteden steeds grotere kopzorgen. Tientallen en inmiddels honderden meer of minder vooraanstaande wetenschappers, politici, activisten, zelfs legerofficieren en sympathisanten van over de hele wereld, hebben via onderling verbonden netwerken van think-tanks, lobbygroepen en vredes-organisaties, sedert enkele jaren het startsein gegeven voor een Global Zero beweging. Een soort 21ste-eeuwse variant op de Freeze, Vrede Nu! of Ban de Bom groeperingen die in de jaren tachtig het bloed onder de nagels vandaan haalden van rationale powerbrokers en communistenvreters. Met dien verschil dat het nu vaak juist de architecten en pleitbezorgers van de toenmalige Mutual Assured Destruction strategieën zijn, die ijveren voor de nuloptie van „alle kernwapens de wereld uit“. Destijds een slogan die in Nederland was voorbehouden aan de alomtegenwoordige en immer in de plooi blijvende „geitenwollensokken redenaar in pullover en spijkerbroek“ Mient Jan Faber van het Interkerkelijk Vredesberaad IKV.
            Over precies deze problematiek heeft cineaste Lucy Walker een groots aangepakte shock-and-awe documentaire gemaakt, Countdown to Zero geheten. Een last warning genre-film, geheel in de trant van Al Gore’s An Inconvenient Truth uit 2006. Drie jaar lang heeft Lucy Walker met een uitgebreide research crew en geld uit Hollywood aan de documentaire gewerkt. In die tijd heeft ze een schat aan overtuigend, verontrustend of ronduit ijzingwekkend beeldmateriaal weten te verzamelen, met het op zichzelf even lovenswaardige als merkwaardige doel de mensheid opnieuw bewust te maken van nucleaire gevaren die sedert het einde van de Koude Oorlog weliswaar van de radar van ons bewustzijn, maar nimmer van deze aardbol zijn verdwenen.


trailer van de film Countdown to Zero: http://www.festival-cannes.fr/en/mediaPlayer/10332.html
<a href="http://www.festival-cannes.fr/en/mediaPlayer/10332.html&quot;>

Als deze Very Last Warning Documentary ergens heel verhelderend over is, dan wel over de diverse keren dat de wereld al op of over het randje van de vernietiging heeft gebalanceerd. Vanwege veelal stilgehouden ongelukken, aberraties, misinterpretaties, verroeste chips in computersystemen, gezonken onderzeeërs, ontplofte bommenwerpers die tankten in de lucht, of op hol geslagen alarminstallaties. Deze ettelijke comedies of error – of beter gezegd near tragedies of horror – worden gecomplementeerd door getuigenissen van tientallen experts en wereldleiders die er op effectieve wijze de boodschap in weten te hameren dat er elk moment een tijdbom van jewelste af kan gaan als we niet snel drastische maatregelen nemen om ons van alle overgebleven nucleaire gevaren te verlossen. Tony Blair, Frank von Hippel, Ahmed Rashid, Jimmy Carter, Pervez Musharraf, Michael Gorbatjov, Robert McNamara… allemaal komen ze in de film van Walker verkondigen dat de enige manier om de tijdbom stil te zetten voor het Moment Nul is gepasseerd, gelegen is in een volledige, stapsgewijze ontmanteling van alle kernwapens en een grondig gecontroleerde opslag van alle resterende nucleaire materiaal waarmee atoomwapens gemaakt zouden kunnen worden.
Walker weet aannemelijk te maken, middels talloze getuigenissen die het apostatische karakter dragen van een religieuze bekering, dat vele haviken van vroeger heden ten dage fervente voorstanders geworden zijn van het in godsnaam zo snel en zo zorgvuldig mogelijk opbergen en vernietigen van alle nucleaire speelgoed dat nog ergens in de rommelhoeken van deze planeet mag rondslingeren.
In feite valt de essentie van hun Global Zero-overtuiging perfect te resumeren in dezelfde mantra’s die hen destijds de kast op joegen. De fundamentalistische dominee Cizik verwoordt het als volgt: “…I used to think that ‘Well, we possess nuclear weapons in order to prevent their usage.’ We now know we live in a world in which if we possess them – if anyone possesses them – they will be used….We have to change our way of thinking. And if we can’t change our way of thinking, we won’t survive.…”.
Ook verwerkt in Walker’s documentaire, zijn de beroemde beelden van atoomfysicus Robert Oppenheimer bij wie een traan in zijn linker ooghoek opwelt als hij voor een televisiecamera van NBC vertelt hoezeer zijn uitvinding van de atoombom al vanaf het begin (om precies te zijn vanaf het tenuitvoer brengen van de eerste proef in de woestijn van New Mexico (The Trinity Explosion, 16 juli 1945) een verhaal uit de Bhagavad Gita bij hem in herinnering bracht. Oppenheimer refereert aan de sage waarin de Hindu-god Krisjna probeert zijn in sombere overpeinzingen weggezonken pupil Arjuna wakker te schudden door voor het eerst voor de prins te verschijnen in zijn huiveringwekkende, veelarmige gedaante Visjnu, pochend dat vanaf dat moment de krachten van Dood en Vernietiging een heersende plek hebben gekregen in het universum. Oppenheimer: “We knew the world would not be the same after this. A few people laughed, a few people cried, most people were silent. I remembered the line from the Hindu scripture, the Bhagavad-Gita. Vishnu is trying to persuade the Prince that he should do his duty and to impress him takes on his multi-armed form and says, “Now I am become Death, the destroyer of worlds.” I suppose we all thought that, one way or another.”2

Klick hier om de scène te zien van Oppenheimer die rekenschap aflegt van de apocalyptische atomaire erfenis waarmee hij zichzelf en de wereld heeft opgezadeld:
http://www.youtube.com/watch?v=pdATuDKYlgA
Now I am become Death, the destroyer of worlds.” I suppose we all thought that, one way or another.

.
Wat we voor onze ogen zien gebeuren in deze huiveringwekkende getuigenis, is het verworden van ’s werelds meest vooraanstaande atoomfysicus tot metafysicus. Even is – via de reflectie van Oppenheimer’s blik – het wankelen van de wereld voelbaar geworden. Als Oppenheimer’s kristallijnen traan in beeld komt, bereikt de film zo’n intens niveau van wanhoop en uitzichtloosheid, dat het de zaal vol filmcritici in Cannes  voor even in een verwarrende depressie wist te storten. Gezucht. Gesteun. Onrustig gewriemel. Maar dan – hopla, hola! kaboem, kaboem! – komen de scriptdokters en producers uit Hollywood’s Droomfabriek vanuit de duisternis tevoorschijn om het licht in ons gemoed weer aan te knippen. De kans op een fataal kataclysme bestaat, is zelfs heel reëel, maar we hoeven het niet zover te laten komen! Met z’n allen kunnen we de wereld redden door gezamenlijk te roepen: The Ultimate Number is Zero!”
           Hoorden we in de documentaire niet een kernfysicus verklaren dat „alles wat denkbaar is, ook werkelijk ooit wel zal gebeuren?“ Hoorden we studenten physica niet verklaren dat ze als eindexamenopdracht allemaal de opdracht kregen om met wat elementaire middelen een eigen kernbommetje in elkaar te knutselen (en dat bijna niemand in deze opdracht faalde)? En zullen de slechtwillenden onder ons – zelfs als de huidige arsenalen tot nul zullen zijn gereduceerd – echt geen pogingen meer ondernemen om de mogelijkheden van nucleaire energie ook voor andere doeleinden te gebruiken? Punten die aan het einde van de film ineens niet meer aan de orde lijken. Het laken met de kruimels wordt uitgeschud, en fluitend in de kosmos uitgehangen. Tatatie, tatata: the ultimate number is zero – de nul die aan het begin van de film de vorm krijgt van een schematische atomaire kern die na enig duwen en trekken in tweeën wordt gekliefd.
Op de drukbezochte persconferentie in Cannes verklaarde Hollywood-producent Lawrence Bender (bekend als schutsheer van Quintin Tarantino): “De film moet ook nog verkocht en – in ieder geval – gezien worden. Door een zo groot mogelijk publiek natuurlijk. Wat heeft het voor zin om een film te maken die geen ruimte laat voor de hoop? “The world has changed, the threats have changed. And now, we all need to change our way of thinking about the nuclear issue.”
         De tijden zijn inderdaad weer eens veranderd. Zo gaat dat met de tijden. Maar of ook de mensheid van nature kan veranderen? Kan een uitvinding die reeds 65 jaar geleden is geschied, voorgoed onklaar gemaakt worden? Zelfs al zouden miljoenen, zelfs miljarden, aardbewoners opteren voor de nuloptie?
De nul-utopie van de Global Zero beweging, van veilig achter slot en grendel opgeborgen gevaren die het voortbestaan van de mensheid bedreigen, en waarin een gering aantal mensen een relatief vreedzaam of ongestoord bestaan leidt in evenwicht met het overige leven, is theoretisch wellicht uitvoerbaar – maar menselijkerwijs ondenkbaar. Als zoiets ooit tot stand komt, zal het niet dankzij de wil van de sappelende, wraakzuchtige en steeds moorddadiger uitgeruste homo sapiens sapiens zijn. Als mensen zich vastklampen aan de hoop op een kernwapenvrije wereld, is dat niet zozeer vanuit een zekerheid dat dit echt mogelijk is, als wel vanuit angst voor wat er kan komen als zij die hoop opgeven. Vrijheid, welvaart, vrede zullen altijd de voorrechten van een beperkte groep mensen blijven die moreel en economisch in staat is om de overige ongelukkigen zoveel mogelijk op afstand te houden. Er is geen hoop voor de soort. De mensheid vormt een kudde die door een paar jankende honden al te gemakkelijk naar de hel kan worden gedreven. Alle kernwapens de wereld uit, het is een nobel streven. Maar even onmogelijk als een terugkeer naar het moment van voor de oerknal. Want waarschijnlijk is het helaas zo dat om de aarde te verlossen van de Nemesis der nucleaire wapens, de aarde eerst toch echt zal moeten worden verlost van het woekerende plaagdier genaamd de mens.

Post Scriptum  (voor de optimisten): wie zich niets wenst aan te trekken van deze pessimistische gedachte, putte troost uit de opmerking van W.F. Hermans dat ‘doemvoorspellingen toch nooit uitkomen’. Om daar vervolgens meteen aan toe te voegen: ‘Andere voorspellingen ook niet.’

Plutoniumbom Nagasaki 09.08.10

Voor een uitgebreide versie van dit essay zie
http://sergevanduijnhoven.wordpress.com/2010/06/23/vishnus-amuse-geuele-en-ah-pooks-lekkernij/

Over de auteur:

Serge R. van Duijnhoven (1970) is schrijver, dichter en historicus. Woonachtig te Brussel, geboren in Oss (Noord-Brabant, NL). Recente publicaties: De zomer die nog komen moest (Nieuw Amsterdam), Klipdrift (Nieuw Amsterdam). Serge van Duijnhoven is freelance medewerker van Vrij Nederland, en werkt jaarlijks in Cannes als filmverslaggever voor het International Feature Agency en http://www.cobra.be

Dalida en Les amours imaginaires van wonderboy Xavier Dolan

Een van de plezierigste ontdekkingen op het recente Filmfestival van Cannes (2010), was de nieuwe film van wonderboy Xavier Dolan uit Montréal, Quebec. Eenentwintig lentes oud, maar toch al voor de tweede maal hier weer te gast, na het succes van zijn eersteling J’ai tué ma Mère – een film die hij schreef toen hij pas zeventien was. De film waarmee dit eigenzinnige Canadese genie ditmaal uitpakt heet Les Amours Imaginaires, naar het Engels misschien nog wel accurater vertaald als Heartbeats.

http://www.facebook.com/LesAmoursImag…

L’histoire de Francis et Marie, deux amis qui, épris de la même personne, se livrent à un duel malsain pour la conquérir. De rendez-vous en rendez-vous, la tension monte et, bientôt, chacun interprète de manière obsessionnelle les comportements ambigus et destructeurs de l’objet de leur désir.

Een somptueuze, volvette en hypergestyleerde liefdeskomedie over de driehoeksrelatie tussen een homosexuele jongeman met vele begeertes genaamd Francis (meesterlijk gespeeld door Dolan zelf), zijn immer in vintage geklede vriendin Marie (Monia Chokri), en een oogverblinde met Griekse krullen getooide Adonis (Niels Schneider) die door beide vrienden in duizelingwekkend klungelige, villeine of desperate liefdespirouettes vergeefs het hof wordt gemaakt.
De film bracht vooral het Franstalige publiek (dat in staat was de hyperactieve dialogen zonder ondertiteling direct te kunnen volgen) volledig in vervoering. Het applaus na afloop was ovationeel.
Knappe kitsch
Xavier Dolan slaagt erin zijn karakters even dik aan te zetten als de lagen make-up, lipstick en krulpruiken die ze dragen, zonder dat dat stoort. Integendeel. De sfeer die wordt opgeroepen is er één van een zinderende sensualiteit, die zelfs vanuit de zetel in de filmzaal op kwellend nabije wijze tastbaar wordt. De technieken die Dolan gebruikt zijn misschien niet helemaal nieuw: veel slow motion, hartverscheurende campy muziek, Dalida die haar Italiaanse versie zingt van Bang-Bang. Interview-achtige interludes met knotsgekke jongelieden uit Montréal die na hun stukgelopen amoureuze escapades rijp zijn voor het gesticht – en de kijker in plat Quebequois informeren over de intiemste en meest smakeloze details van hun hartenpijn en liefdeswedervaren…

Maar het geheel werkt zo verbluffend goed dat je niet anders kunt dan je mee te laten voeren op de schmierende rivier van tranen, imaginaire liefdes en gebroken dromen. Oeroude emoties als jaloezie, wanhoop en begeerte, worden door Dolan voorzien van een fris, veelkleurig vintage jasje. En het verdriet dat zich van binnen ophoopt als een ongezonde lading snot en slijm, wordt er – aan het eind van de film – op brakende wijze uitgeschreeuwd door Dolan’s karakter Francis (een lookalike van Christophe Vekeman, inclusief rockabilly kuif en nauwe witte broek met scherpgepunt schoeisel) in een oerkreet die tot lang na afloop van dit festival nog in het Palais des Festivals zal blijven resoneren.


(De 21-jarige regisseur Xavier Dolan uit Montreal. Courtesy of Ixion Communications.)

In zijn stijl van werken is Xavier Dolan ongetwijfeld schatplichtig aan Woody Allen (Husband and Wives), Almodovar en zelfs Benoît Poelvoorde (C’est arrivé près de chez vous). Toch moest ik zelf in eerste instantie vooral denken aan het heerlijk schmierende toneelwerk van Vlaanderen’s geniaalste drama-queen en meesterauteur Tom Lanoye. Het verhaaltje van deze doldraaiende liefdescarrousel mag dan zo dun zijn als een vintage poederdoosje van het Vossenplein, de dialogen zijn om van te smullen, de spanning die tussen de personages hangt is elektrificerend. En bij tal van scènes uit deze film zult ook u, waarde bezoeker van deze weblog van Cobra.be, gegarandeerd scheurbuik krijgen van het lachen.
Het knapste vind ik nog de wijze waarop Dolan erin geslaagd is de spanning die permanent tussen alle drie de personages hangt, zo tastbaar te maken dat je geregeld de neiging hebt om op te staan en het kijvende, kirrende en stuurloos rond elkaar heen tuimelende trio op zo bruut dan wel teder mogelijke wijze uit elkaar te trekken.
Jeune premier Xavier Dolan, onthoud die naam. Hij wordt, ik garandeer het u, een hele, hele grote in de wereld van de sublieme illusie. Moge uit zijn virtuoze losse vingertjes van vuur, nog vele van zulke drama’s vloeien, die de graviteit van ons bestaan voor einige momenten op heerlijke wijze relativeren!

Una version storica di Bang Bang interpretata in italinao da Dalida

Dit is Dalida’s versie van Nancy Sinatra’s zieleklapper Bang Bang, de opname dateert van een live optreden op de Italiaanse televisie ergens in de jaren zestig.

“-Personne n’a ton sourire.
-Ce n’est plus un sourire, c’est une cicatrice.”

“La mort fait partie de la vie, on ne devrait pas en avoir peur.
Je ne voudrais en aucun cas que l’on me vole ma mort.” Dalida.

© Serge van Duijnhoven

zie ook: http://www.cobra.be/cm/cobra/film/1.782518

Over DALIDA – Biografische schets

De pers in mei 1987 - de maand van Dalida's zelfverkozen dood

Dalida komt als Yolanda Gigliotti op 17 januari 1933 in Cairo ter wereld en groeit op in een van oorsprong Italiaanse familie die naar Egypte is geëmigreerd. Ze is het enige meisje tussen twee broers, Orlando en Bruno. Hun vader is eerste violist bij de opera van Cairo.
Eigenlijk is het de bedoeling dat ze secretaresse zal worden, in 1951 doet ze echter stiekem mee aan een schoonheidswedstrijd. Drie jaar later wordt ze Miss Egypte. Ondertussen heeft ze al diverse filmrolletjes gespeeld in Cairo, het Hollywood van het Midden-Oosten. Daar wordt ze opgemerkt door een Franse regisseur. Yolanda is inmiddels Dalila geworden en droomt van Parijs. Ondanks de bedenkingen van haar familie vliegt ze er 24 december 1954 naar toe.
Het worden moeilijke tijden, want in de Franse filmindustrie is geen plaats voor haar. Dus neemt ze zanglessen om in haar onderhoud te voorzien. Eerst krijgt ze een contract bij een cabaret op de Champs Élysées en later bij het betere Villa d’Este. Daar wordt ze aangekondigd als “de openbaring van het Franse chanson”.
Bruno Coquatrix heeft net Olympia, een oude bioscoop, gekocht om er een theater van te maken. Eén van de eerste programma’s heet “de nummers één van morgen”. Dalila wordt uitgenodigd en zingt “Étrangère au Paradis”. Tijdens dit optreden ontmoet ze twee heren: Lucien Morisse, artistiek directeur van Europe Radio 1 en Eddy Barclay, platenproducent. Ze zijn al een tijdje op zoek naar dé artiest die hun ondernemingen van de grond kan tillen en ze denken met Dalila deze parel gevonden te hebben. Dalila wordt nu definitief DALIDA.
Vervolgens neemt ze haar eerste singletje op bij Barclay: “Madonna”, maar met de volgende: “Bambino”, breekt ze pas echt door. Het wordt een enorm succes

1956 is voor Dalida een zeer succesvol jaar. Ze zet haar eerste stappen in Olympia in het voorprogramma van Charles Aznavour. “Bambino” is een hit en het publiek verwelkomt haar met groot enthousiasme. Men wil dat ze terugkomt en dat gebeurt in september, bij de entree van het theater ontstaat zelfs wat gedrang omdat iedereen tegelijk naar binnen wil. Dalida siert nu de covers van vrijwel alle tijdschriften.
Speciaal voor haar wordt de gouden plaat bedacht en deze wordt op 17 september 1957 aan haar uitgereikt. Lucien Morisse is ondertussen meer dan een vaderfiguur geworden voor de jonge zangeres. Er is iets moois opgebloeid tussen hen. In 1958 ontvangt ze de Oscar van Radio Monte Carlo en die krijgt ze vervolgens zeven jaar achter elkaar. Ze gaat op wereldtournee en het optreden in Bobino wordt een triomf. Onder leiding van Lucien Morisse neemt ze meerdere hits op. Zij is de favoriete zangeres van dat moment, ze staat zelfs boven vedetten als Edith Piaf en Jacques Brel. Haar huwelijk met Lucien Morisse laat echter op zich wachten. Na veel vertraging vindt de bruiloft plaats op 8 april 1961 in Parijs. Ze laat haar familie overkomen maar vertrekt meteen na de voltrekking op tournee. Geen huwelijksreis.

Lucien Morisse gunt haar nauwelijks tijd om adem te halen: werken, werken, werken, ten koste van hun privé-geluk. Dalida voelt zich in de steek gelaten. Enkele maanden later ontmoet ze in Cannes de schilder Jean Sobieski en het is van beide kanten liefde op het eerste gezicht. Tussen haar en Lucien Morisse begint de verwijdering op te treden. Hoewel ze beseft dat ze hem op artistiek gebied veel verschuldigd is verlangt ze ernaar haar vrijheid terug te krijgen, iets wat voor Lucien Morisse moeilijk te verkroppen is.
Ondanks haar nieuwe liefde verliest ze haar carrière niet uit het oog. De yeahyeah-golf waart over Frankrijk. In december 1961 staat ze in Olympia, alleen heeft ze nu niet meer het voordeel van de veelbelovende beginneling in de showbizz. Het wordt evenwel een triomf, wat zowel voor het publiek als voor de zangeres een opluchting is. Een maand lang staat ze in een uitverkocht huis met elke avond ruim 2000 mensen in de zaal. Daarna gaat ze op tournee, met name naar Hong Kong en Vietnam waar ze een idool is.

Dalida, 1962

In de zomer van 1962 zingt Dalida “Petit Gonzales” en scoort daarmee weer het succes dat haar al zo lang ten deel valt. Hetzelfde jaar koopt ze op Montmartre een kast van een herenhuis dat veel weg heeft van het kasteel van de Schone Slaapster.

Na de scheiding van Lucien Morisse en de verhuizing naar haar nieuwe onderkomen verbreekt Dalida ook haar relatie met Jean Sobieski. Ze neemt een beetje gas terug en besluit haar uiterlijk te veranderen. Ze wordt meer gesoigneerd en gaat als autodidacte steeds meer lezen.
4 augustus 1964 sluit ze haar metamorfose af met het blonderen van haar donkere haar.
3 september staat ze weer in Olympia; op dat moment is ze de meest geliefde zangeres van Frankrijk. Ze heeft de yeahyeah-golf overleefd en staat in het middelpunt van de Europese showbizz. In 1965 zingt ze op melodie van Théodorakis “La danse de Zorba” uit de film “Zorba de Griek”. Opnieuw een succes. Ondertussen droomt ze ervan om weer getrouwd te zijn, helaas dient zich geen kandidaat aan. Haar carrière vergt al haar tijd: optredens, gala’s, plaatopnamen. Eind 1966 wordt haar jongere broer Bruno haar rechterhand. Om carrière technische redenen gebruikt hij sinds die tijd de naam van zijn oudste broer: Orlando. Rosy, hun nichtje, wordt de secretaresse van de zangeres. Alles binnen de familie.

In oktober 1966 wordt ze via de Italiaanse platenmaatschappij RCA in contact gebracht met een talentvolle jonge schrijver/componist, Luigi Tenco. De jonge man, onstuimig en tegendraads, maakt diepe indruk op Dalida. In verband met een nieuwe Italiaanse campagne besluit de platenmaatschappij de zangeres af te vaardigen naar het Festival van San Remo. Luigi verklaart zich bereid het te vertolken lied te schrijven. Tussen de twee artiesten zullen vele ontmoetingen plaatsvinden en er ontwikkelt zich een ware passie tussen hen. Ze besluiten ieder voor zich, maar met hetzelfde nummer “Ciao amore ciao”, mee te doen aan het Festival van San Remo dat in januari 1967 wordt gehouden. De spanning is om te snijden, want Dalida is een ster in Italië en Luigi Tenco een jonge debutant. In familiekring maken zij bekend dat hun huwelijk gepland staat voor april. Helaas eindigt de avond in een vreselijke tragedie. Luigi Tenco, extreem zenuwachtig en onder invloed van kalmeringsmiddelen en alcohol, kan het niet verwerken dat de prijs hem ontgaan is. Hij beschuldigt de jury ervan een commercieel doel te dienen. Vervolgens pleegt hij vol walging en onbegrepen zelfmoord in zijn hotelkamer. Dalida is volkomen overstuur en uit het lood geslagen. Enkele maanden later probeert ze in haar uitzichtloze wanhoop eveneens de hand aan zichzelf te slaan door een grote hoeveelheid slaappillen in te nemen.

Deze ongelukkige periode is wel het begin van een nieuwe episode in de carrière van Dalida, de “periode madonna” waarbij ze gaat optreden gekleed in een lange witte jurk. De toewijding van het publiek is grenzeloos en in de pers krijgt ze de bijnaam Sint Dalida.
De tijd van “Bambino” is definitief voorbij. Ze is in de loop der jaren steeds meer gaan lezen en interesseert zich voor filosofie, de geschriften van Freud en yoga. De verheffing van de geest lijkt van nu af haar grootste levensvervulling. Haar carrière gaat echter gewoon door; ze gaat terug naar Italië om deel te nemen aan een beroemd televisieprogramma en 5 oktober 1967 staat ze weer op de planken van Olympia. Daar viert ze haar wedergeboorte en het wordt zoals altijd een triomf. In het voorjaar gaat ze in het buitenland op tournee en Italië eert haar met de grote prijs van het chanson de “Canzonissima”.
Nog steeds op zoek naar zichzelf onderneemt Dalida diverse reizen naar India om de lessen van een guru te volgen. In dezelfde tijd gaat ze in psycho-analyse. En dat allemaal naast haar zangcarrière die ze absoluut niet vergeet. In augustus 1970 scoort ze haar zoveelste succes met “Darladiladada”. In de herfst komt ze tijdens een televisieopname Léo Ferré tegen en bij terugkomst in Parijs neemt ze van hem het lied “Avec le temps” op.
Ze wil nu alleen nog teksten zingen die, in haar ogen, een diepere inhoud hebben en een poëtische inslag. Bruno Coquatrix, de directeur van Olympia, wilde haar boeken maar heeft geen vertrouwen in haar nieuwe repertoire. Geprikkeld door zijn aarzeling om een datum te plannen, besluit Dalida zelf de zaal af te huren en wel voor drie weken aan het eind van 1971. Lucien Morisse kan haar niet meer bijstaan daar hij in september 1970 zelfmoord gepleegd heeft. Dalida twijfelt enorm aan haar besluit om weer op te treden. Het succes is echter nog groter dan voorheen.

Ze komt Alain Delon weer tegen, een vriend voor het leven, met wie ze in de jaren ’60 een hartstochtelijke verhouding heeft gehad. Beiden zijn niets van deze relatie vergeten en hun onderlinge band is hechter dan ooit tevoren. In 1973 zingen ze samen “Paroles Paroles” en binnen een paar weken staat dit lied nummer 1 in de hitparades van Frankrijk, de rest van Europa en Japan.

Het begin van de jaren ’70 wordt zowel op zakelijk als op persoonlijk gebied een gelukkige periode. Ze lijkt daarbij te worden geholpen door haar nieuwe vriend, een galante ridder met een ietwat vreemd karakter, echter zeer toegewijd aan de zangeres: Richard Chanfray, hij laat zich “de Graaf van Saint Germain” noemen. Hij geeft haar haar levensvreugde terug en ze komt in de fase “hollywoodster” waarbij ze haar vrouwelijkheid benadrukt.
Aan het einde van ’73 neemt ze “Il venait d’avoir 18 ans” op, en scoort daarmee in negen landen een nummer 1 hit. In Duitsland verkoopt ze zelfs 3,5 miljoen exemplaren. Op 15 januari 1974 staat ze opnieuw op het podium van Olympia en aan het einde van haar optreden brengt ze een nieuw lied “Gigi l’Amoroso”. Dit gezongen en gesproken nummer met diverse koren dat 7½ minuut duurt wordt wereldwijd Dalida’s grootste succes: nummer 1 in 12 landen!
Aansluitend vertrekt ze voor een lange tournee door Japan en gaat eind 1974 naar Quebec. Enkele maanden later zal ze er terugkeren na een onderbreking voor concerten in Duitsland.
In februari 1975 ontvangt ze de prijs van de Académie du disque français.
Iets later duikt ze tot ieders verbazing, met alle kracht en in alle schoonheid, daar op waar niemand haar verwacht had: midden in het disco-gebeuren. Haar “J’attendrai version 75” is de eerste franse discohit en Dalida wordt de onbetwiste disco-koningin van Frankrijk.

In de jaren ’70 komt er steeds meer variété op de televisie en Dalida profiteert daar behoorlijk van, ze is een graag geziene gast in zowel binnen- als buitenlandse programma’s.
Ook in de Arabische wereld is ze zeer geliefd, niet in de laatste plaats omdat ze in Cairo geboren is. Dat versterkt ook de band die het publiek met haar heeft. Halverwege de jaren ’70 reist ze door Egypte en Libanon en dit brengt haar op het idee om eens in het Arabisch te gaan zingen. In 1977 is het zo ver, ze neemt een Egyptisch volksliedje op: “Salma Ya Salama”. Eerst wordt het alleen uitgebracht in Frankrijk en het Midden-Oosten. Het succes is echter enorm en uiteindelijk zal ze het in vijf talen op de plaat zetten.
Met “Generation 78” heeft ze zowel de eerste medley als de eerste videoclip op haar naam gezet en daarmee verslaat ze diverse artiesten op hun eigen terrein. Nu is ze de ware showdiva, gekleed in weelderige jurken met pailletten en splitten tot de heup.
Amerikanen zijn dol op dit soort artiesten: glamour en professionaliteit. Ze wordt gecontracteerd voor een show in New York en 29 november ’78 staat ze op het toneel van Carnegie Hall, de zaal gaat compleet uit zijn dak. Deze avond zingt ze voor het eerst “Lambeth Walk” een nummer met een jaren ’20 uitstraling dat meteen door het publiek wordt omarmt. Ook de pers is enthousiast en Dalida geniet van haar Amerikaanse succes.
Als ze terug is in Frankrijk neemt ze in 1979 “Monday Tuesday” op en surft met gemak mee op de disco-golf. In juni gaat ze weer naar Egypte om te zingen. Ze krijgt er een zeer warm welkom van het publiek en ze wordt zelfs persoonlijk ontvangen door president Sadat. Aansluitend gaat ze op tournee door de Arabische Emiraten.

De jaren ’80 beginnen met een waar vuurwerk. Dalida, op het toppunt van haar roem, zet van 5 tot 20 januari ’80 een echte Amerikaanse show neer op het podium van het Parijse Palais de Sport, inclusief 12 kostuumwissels, strass en veren. De ster wordt bijgestaan door 11 dansers en 30 musici. Voor dit grandioze spektakel van ruim twee uur is een choreografie à la Broadway in elkaar gezet; de zaal is laaiend enthousiast en alle 18 voorstellingen zijn tot de laatste plaats uitverkocht. Dalida is hiermee de eerste vrouwelijke ster die deze prestatie levert. Meteen daarna maakt ze tot de herfst een zeer geslaagde tournee door het land.
In 1981, na de zeer pijnlijke scheiding van Richard Chanfray, stort ze zich zoals gewoonlijk met hart en ziel op haar werk om haar chaotische privé-leven te vergeten, waarin ze uiteindelijk altijd weer alleen achterblijft. In maart ’81 herhaalt ze de show uit het Palais des Sports in Olympia. Tijdens de première krijgt ze de eerste diamanten plaat ooit uitgereikt, speciaal voor haar bedacht. Dit om te vieren dat ze meer dan 85 miljoen platen heeft verkocht en om haar te eren voor 55 gouden platen ontvangen voor vertolkingen in zeven verschillende talen, eigenlijk voor alles wat ze in haar loopbaan gepresteerd heeft.
Onvermoeibaar en professioneel gaat ze maar weer op tournee.
De twee volgende jaren worden gekenmerkt door haar stellingname voor de Franse president François Mitterand. Ze krijgt hier behoorlijk kritiek op hoewel haar betrekking meer vriendschappelijk dan politiek is; het schaadt evenwel haar carrière.
Op het album dat ze in 1983 opneemt vinden we de nummers: “Mourir sur scène” en “Lucas”. 20 juli datzelfde jaar krijgt de zangeres een nieuwe klap te verwerken die haar behoorlijk uit haar evenwicht brengt: Richard Chanfray heeft in Cannes een einde aan zijn leven gemaakt. Dalida is zeer aangedaan door de dood van haar vroegere levenspartner en dit beïnvloed ook haar professionele betrokkenheid. Haar naasten bemerken dat haar energie afneemt.
Op verzoek van haar fans gaat ze in 1984 toch weer op tournee en ze reist naar Saoedi Arabië voor een serie recitals. In 1985 moet ze twee zware oogoperaties ondergaan en deze brengen vreselijke herinneringen uit haar kindertijd naar boven.
Ondanks 37 jaar ononderbroken succes heeft ze toch nog tijd gevonden om in enkele films te spelen, ze moet echter tot 1986 wachten voor ze een echte karakterrol te vertolken krijgt. Ze aarzelt niet om zich ouder te laten schminken om de heldin te spelen in Youssef Chahine’s film “Le sixième jour”. Hiermee bewijst ze dat ze naast gelauwerd zangeres ook een zeer talentvol actrice is en ze krijgt een heel goede pers. Maar zelfs godinnen op hun voetstuk van porselein kunnen ten prooi vallen aan zielepijn en zwaarmoedigheid en Dalida vormt geen uitzondering op deze regel. Het begin van het einde van alle uitzonderlijk tragische verhalen heeft zich aangekondigd. Alle jaren van keihard werken hebben haar uitgeput, ze is aan het einde van haar Latijn. Ze voelt zich ook steeds eenzamer en komt tot de conclusie: mijn leven als artieste is dan wel zeer geslaagd, maar mijn leven als vrouw is mislukt. Ze heeft geen echtgenoot, geen kinderen en de jaren beginnen te tellen.

Eens zong ze: “Moi, je veux mourir sur scène…”. Maar overwegend dat het leven haar niets meer te bieden heeft besluit ze in de nacht van 2 op 3 mei 1987 voor eeuwig te gaan slapen.
Ze laat een laatste boodschap achter: “pardonnez moi, la vie m’est insupportable” (vergeef me, het leven is ondragelijk voor me).

Dalida Forever – Copyright © 2010

Avec le suicide on transforme les murs du destin en chemin de la liberté.

Cimetière de Montmartre le 7 mai 1987
Dalida lies in the high area of the Montmartre cimetry. The tomb overlooks Paris.

bron: http://www.dalida.com/us.htm

COUNTDOWN TO ZERO in Cannes

CANNES 17/18 mei 2010 – De golfbrekers voor de talloze strandtenten in Cannes worden nog steeds onophoudelijk versterkt met hopen zand die door bulldozers vanuit de zee tot voor de plankiers van de paviljoens worden gedeponeerd. De schrik zit er na de onverwachte tsunami van twee weken geleden nog steeds goed in bij de horeca-uitbaters. En terecht, want de zee blijft dit jaar robuust en onberekenbaar. Haar kleur is gifgroen, met witte schuimkragen zover het oog reikt. De Turner-achtige panorama’s die dit oplevert, worden nog versterkt door de onheilspellende wolkenpartijen die gedurende de eerste week van het festival – aangeblazen door een krachtige zeewaartsee valwind afkomstig uit de Alpes Maritimes – de neiging hadden om boven de Croisette samen te pakken. Visueel spektakel waarvoor je de cinemazalen niet eens hoefde te betreden.

 Maar ook op filmgebied waait er een ongekend frisse, gewaagde en geëngageerde wind of urgency door de titaniumwitte scherpgepunte tenten van het filmfestival. Hebzucht, armoede, bedrog, atoomwapens en vooral: de recente kredietcrisis, vormen een opvallende rode draad van activisme en betrokkenheid die talloze produkties aaneenrijgt. Behalve het al eerder genoemde Wallstreet: Money Never Sleeps van Oliver Stone, zijn er Robin Hood (held der armen) van Riddley Scott, Unter dir die Stadt van Christoph Hochhäusler (over een topbankier in Frankfurt die letterlijk over lijken gaat, en alles kwijtspeelt in een overspelige relatie), Inside Job van Charles Ferguson (met Matt Damon als verteller in een zoektocht naar de wortels van de grootste bankcrisis sinds de jaren twintig), Cleveland versus Wall Street van Jean Stephane Bron (een nagespeelde documentaire over 21 sputterende banken die door de failliete stad Cleveland gedagvaard worden wegens malversatie), de welbewust verwarrende rolprent Film Socialisme van de oude avantgarde-god/rot Jean-Luc Godard, de ophefmakende documentaire Draquila van de kritische Italiaanse Sabina Guzzanti (die het filmfestival een boycot van Berlusconi’s regering opleverde) en last but not least de documentaire Countdown to Zero van de jonge Engelse cineaste Lucy Walker. „A fascinating and frightening exploration into the dangers of nuclear weapons, exposing a variety of present day threats and featuring insights from a host of international experts and world leaders who advocate total global disarmament.”

Een last warning genre-film, geheel in de trant van Al Gore’s An Inconvenient Truth. Gesteund door een vijftigtal internationale organisaties en geproduceerd door Lawrence Bender, bekend van Quintin Tarantino’s Inglorious Basterds. Om de importantie van de film en de urgentie van zijn onderwerp te benadrukken, was er een uitermate indrukwekkende delegatie afgevaardigd naar de persconferentie, inclusief koningin Noor van Jordanië – voorzitster van de Global Zero beweging – en Valerie Plame Wilson – wier identiteit als CIA-agente vlak voor aanvang van de Irak-oorlog werd gelekt door wraakzuchtige Republikeinen uit het Bush kamp, die met haar wilden afrekenen omdat haar man, ambassadeur Wilson, in een krant had durven beweren dat het spindocter-verhaal van vanuit Niger naar Saddam Hussein gesmokkeld verrijkt iranium, tot het rijk der fabelen moest worden verwezen.

Over dezelfde Valerie Plame gaat trouwens dezer dagen nog een heuse feature-film in première op het festival, Fair Game geheten, een spannende Hollywood-thriller over misdaad en verraad, die meedingt naar de Gouden Palm. In een regie van Doug Liman, met Naomi Watts (als Plame) en Sean Penn in de hoofdrollen.Tijdens de persconferentie voor Countdown to Zero verklaarde Plame dit geval van simultaniteit “niet zozeer als een privilege, dan wel als een volstrekt surreël gegeven” te beschouwen, “even merkwaardig als Oppenheimer’s resultaten bij zijn poging tot het splijten der atomen.”

Mijn geschiedenisprofs op de Universiteit van Amsterdam, waar ik van 1989 tot 1995 studeerde, doceerden dat iedere generatie vroeg of laat geconfronteerd wordt met het onvermijdelijke existentiele trauma ten aanzien van de mogelijkheid van de nucleaire vernietiging. Het zwaard van Damocles dat sinds de uitvinding van Robert Oppenheimer’s atoombom in de jaren veertig, over de nekken hangt van onze ganse menselijke beschaving.  In de jaren tachtig – de slotfase van de Koude Oorlog – liep ik samen met mijn meestal al wat oudere leeftijdsgenoten van de middelbare school, alsmede talloze ongeruste tegenstanders van de volkomen uit de hand gelopen nucleaire wapenwedloop in Amsterdam, Brussel, Bonn, London en Den Haag, massaal te hoop in door de Vredesbeweging gecoördineerde marsen tegen de bom. We droegen slogans mee op spandoeken als “Alle kernwapens de wereld uit, te beginnen uit Nederland”, “Liever een Rus in mijn bed, dan in mijn tuin een kruisraket”, “Ban de Bom”, “Vrede Nu”, en talloze slogans van dien aard die allemaal een uiting waren van een reëel gevoelde angst dat de krankzinnige militaire strategie van Mutual Assured Destruction (toepasselijk afgekort tot MAD) met tienduizenden kernwapens aan beide zijden van het IJzeren Gordijn, tot een daadwerkelijk nucleair Armageddon zou kunnen leiden.

Het was de tijd dat Doe Maar zong “en als de bom valt…”, dat pubers zich ostentatief tooiden in het plunje van de No Future, dat de wereld werd geschokt door beelden van de film The Day After, en dat anchorman W.L. Brugsma in zijn boek Europa, Europa onze planeet vergeleek met een zinkend ruimteschip in de sterrenzee van de melkweg, waar de paar homo sapiens sapiens die de derde wereldoorlog zouden weten te overleven hun volgende oorlog zouden uitvechten met stokken en speren. Angst was een modewoord, dat in brede sociologische zin werd gebruikt voor een existentiëel onbehagen, dat de westerse mens als een loden mantel over zijn eigen schouders gedrapeerd had gekregen. Er lag, in die tijd, een mooie toekomst achter ons…

            Met het einde van de Koude Oorlog, verdampte ook het angstzweet dat ons zo lang op het voorhoofd had gepareld. Er werden verdragen gesloten tussen de grootmachten die de kernwapenarsenalen uiteindelijk halveerden. Het aantal landen dat de beschikking had over kernwapens bleef echter groeien. De technieken van centrifuge om hoogwaardig uranium te verkrijgen dat nodig is voor het produceren van een atomaire bom, zijn steeds minder exclusief en – zoals een wetenschapper het in Walkers documentaire uitlegt, de middelen om de basis te leggen voor het maken van een kernbom zijn sedert 1945 drastisch „gedemocratiseerd“.   

Vijfentwintig jaar heeft de nucleaire koorts zich koest gehouden. Een kwarteeuw lang. De dreiging dat er toch nog een nucleaire catastrophe op de loer ligt is daarentegen – ondanks de reductieverdragen van de grootmachten – niet af- maar toegenomen. De computergestuurde veiligheidssystemen die ons moeten behoeden voor een onverhoopte lancering van raketten, zijn steeds ingewikkelder geworden. Er zijn raketten zoekgeraakt. Er is nucleair materiaal gesmokkeld. En er zijn naast belingerente naties als India, Israël en Pakistan, inmiddels ook onberekenbare terroristische organisaties die er alles voor over hebben om zo’n nucleair DoomsdayMachine in handen te kunnen krijgen. Osama Bin Laden heeft berekend dat er – op basis van al het kwaad dat de Verenigde Satan van Amerika in de afgelopen eeuw heeft aangericht – minimaal vier tot vijf miljoen Amerikanen over de kling gejaagd dienen te worden opdat de balans in Allah’s ondermaanse zielenbazaar weer enigszins zal zijn hersteld.

De tijden voor een nieuwe nucleaire koorts lijken ophanden. De angst dat een volgende bom op Times Square of in de metro van London, wel eens van nucleaire aard zou kunnen zijn, bezorgt authoriteiten in alle grote wereldsteden steeds grotere kopzorgen. Honderden, en inmiddels honfderdduizenden meer of minder vooraanstaande wetenschappers, politici, activisten, zelfs legerofficieren en sympathisanten van over de hele wereld, hebben via onderling verbonden netwerken van think-tanks, lobbygroepen en vredes-organisaties, sedert enkele jaren het startsein gegeven voor een Global Zero beweging. Een soort 21ste-eeuwse variant op de Freeze, Vrede Nu! of Ban de Bom groeperingen die in de jaren tachtig het bloed onder de nagels vandaan haalden van rationale powerbrokers en communistenvreters. Met dien verschil dat het nu vaak juist de architecten en pleitbezorgers van de toenmalige Mutual Assured Destruction strategieën (Kissinger, McNamara, John McCain) zijn, die ijveren voor de nuloptie van „alle kernwapens de wereld uit“.

Over precies deze problematiek heef Lucy Walker nu een mede door Hollywood-producenten gefinancierde en gepromote shock-documentaire gemaakt, waarvoor ze een schat aan uniek beeldmateriaal op heeft weten te diepen uit de archieven. Bijvoorbeeld van Oppenheimer bij wie een traan in zijn linkeroog opwelt als hij vertelt voor een Congres-commissie in 1947, dat zijn duivelse uitvinding van de atoombom hem doet denken aan de huiveringwekkende mythe van Vishnu die verklaart dat hij – om indruk te maken op de Prins van het Al – de Dood zelve heeft gebaard vanuit het centrum van het universum. Plastische en suggestieve beelden, voorzien van dreigende muziek, die de horor van een eventuele nucleaire calamiteit oproepen. In backward slomotion teruggedraaide beelden van nucleaire ontploffingen. Bewijsmateriaal van de vele keren dat de wereld al aan een ramp zonder weerga is ontsnapt, doordat vliegtuigen met geladen atoombommen aan boord explodeerden tijdens het bijtanken in de lucht. Of doordat alarmsystemen abusievelijk op hol sloegen, verouderde computerchips zomaar het commando tot lancering gaven, nucleaire duikboten die met raketten aan boord zijn gezonken, nucleair materiaal dat door beunhazen uit de voormalige Sovjetunie de grenzen over is gesmokkeld, etc. etc..

Dit hele scala van effectieve bangmakerij – alles natuurlijk ten dienste van de bewustwording – wordt afgewisseld met straatinterviews waarin gewone mensen wordt gevraagd naar hun kennis en mening over het kernwapen-issue. Uit deze interviews blijkt ten eerste de grote ongeinteresseerdheid en onwetendheid ten aanzien van wat gepresenteerd wordt als (naast global warming en milieuvervuiling) het meest urgente en wezenlijke probleem waarmee de mensheid zichzelf op deze planeet heeft opgezadeld.

De „stirring cocktail of shivering truths about nuclear threats“ wordt gecomplementeerd door korte, kernachtige statements van tientallen mensen van aanzien, kunde of macht, die de boodschap dat we snel radicale actie moeten ondernemen voor het te laat is, er vakkundig inhameren. Tony Blair, Frank von Hippel, Ahmed Rashid, Jimmy Carter,  Pervez Musharraf, ex-CIA agente Valerie Plame Wilson, Scott Sagan van Stanford University, Joe Crincione van het Ploughshares Fund… Maar ook een Georgische undercover-agent die smokkelaar Oleg Khintsagov betrapte op het proberen te verkopen van tientallen grammen verrijkt Plutonium aan Al Quaeda. Oleg zelf komt aan het woord („ik houd nou eenmaal van mooie auto’s en had wat centen nodig…“). En Mikhail Gorbachev, die verklaart hoe groot zijn spijt is dat hij er niet in is geslaagd om destijds in Reyckjavik (1986) met Ronald Reagan tot een deal te komen die de eliminering van kernwapens mogelijk had gemaakt voordat voortschrijdende proliferatie en versimpeling van de atomaire centrifugetechnieken alsmede de opkomst van steeds agressievere terroristische groepereringen dit doel zo goed als onmogelijk hebben gemaakt. Zijn oprechte tristesse spat van het scherm af, en ook dit is een moment om nimmer te vergeten.

Als de traan en het trillende ooglid van Oppenheimer in beeld komen, bereikt de film zo’n intens niveau van wanhoop en uitzichtloosheid (wat was het visioen dat daar precies brandde, achter Oppenheimer’s netvlies? Zag hij de wereld vergaan in een poel van vuur die hij – tovenaarsleerling – per ongeluk in zjin lab had weten te ontketenen?) dat het de zaal in Cannes  voor even in een peilloze – en apathische – depressie wist te storten. Maar dan – hopla, hola! – komen de scriptdokters en producers uit Hollywood’s Droomfabriek vanuit de duisternis tevoorschijn – Brad Fuller, Brian Johnson, Matt Brown, Bruce Blair – alsmede de muzikale opkikdokter Peter Golub, die de film van een apostolisch pre-testament van de mensheid als bij toverslag veranderen in een buster voor hope and redemption. De kans op een fataal kataclysme bestaat, is zelfs heel reeel, maar we hoeven het niet zover te laten komen! Met z’n allen kunnen we de wereld redden door gezamenlijk te roepen: The Ultimate Number is One!” Een pompende rock-deun, een riedeltje dat op verkiezingsbijeenkomsten niet zou misstaan, een enthousiaste uitleg van het stappenplan om tot die Global Zero te komen, aan aansporing om je aan te sluiten bij de beweging, beelden van zon, licht, leven, enthousiaste mensen die zich inzetten voor de toekomst van henzelf en hun kinderen… Alleen het YES WE CAN!-chorus van Obamania ontbreekt er nog maar aan. Op de persconferentie verklaarde Lawrence Bender immers: “this documentary should not be seen as a partisan movie.” Er komen genoeg ijzervreters aan het woord die ook zeggen te vrezen voor de toekomst van hunk roost als er van dit issue geen werk wordt gemaakt. The world has changed, the threats have changed. Maar of ook de mensheid van nature kan veranderen?

Lucy Walker – regisseuse van de shock and awe documentaire Countdown to Zero – film over nucleaire gevaren in competitie te Cannes.

Van een zorgvuldig gecomponeerde en gedoseerde documentaire die ons opnieuw helpt herinneren aan het vernietigende zwaard van Damocles dat de gehele mensheid nog immer boven het hoofd hangt, wordt de film in het laatste kwartier een uiterst brutaal dan wel naief staaltje van goedbedoelde agitprop. Waarvan ik me afvraag of de produktie daarmee niet haar doel (het verschaffen van een sidderende wake up call in de vorm van een door merg en been gaande atoomsirene), niet alsnog haar doel voorbij zal schieten. Maar misschien is het beter om ietwat naief te zijn en speling te laten voor de hoop. Hoe onwaarschijnlijk of onterecht die dan misschien ook is.

Hoorden we in de documentaire niet een kernfysicus verklaren dat „alles wat denkbaar is, ook werkelijk ooit wel zal gebeuren?“ Hoorden we studenten physica niet verklaren dat ze als eindexamenopdracht allemaal de opdracht kregen om met wat elementaire middelen een eigen kernbommetje in elkaar te knutselen (en dat bijna niemand in deze opdracht faalde)? En zullen de slechtwillenden onder ons – zelfs als de huidige arsenalen tot nul zullen zijn gereduceerd – echt geen pogingen meer ondernemen om de mogelijkheden van nucleaire energie ook voor andere doeleinden te gebruiken? Punten die aan het einde van de film ineens niet meer aan de orde lijken. Het laken met de kruimels wordt uitgeschud, en fluitend in de kosmos uitgehangen. Tatatie, tatata: the ultimate number is zero – de nul die aan het begin van de film de vorm krijgt van een schematische atomaire kern die na enig duwen en trekken in tweeën wordt gekliefd. Alle kernwapens de wereld uit, het is een nobel streven. Maar even onmogelijk als een terugkeer naar het moment van voor de oerknal. Want waarschijnlijk is het helaas zo dat om de aarde te verlossen van de Nemesis der nucleaire wapens, de aarde eerst toch echt zal moeten worden verlost van het woekerende plaagdier genaamd de mens.

© Serge van Duijnhoven – vanuit Cannes 

 

trailer:

http://www.festival-cannes.fr/en/mediaPlayer/10332.html

Cannes 2010 – Meg Ryan, belle et engagée aux côtés de la Reine Noor de Jordanie !

 

Lucy Walker, Meg Ryan, Noor de Jordanie, Bruce Blair, Matt Brown, Valerie Plame Wilson, Lawrence Bender, Jeff Skoll et Diane Weyermann lors du photocall Countdown to Zero, le 16 mai 2010

 

cinémafestival de cannespeople USAphoto

COUNTDOWN

TO ZERO

Written and Directed by Lucy Walker

In association with

World Security Institute

Produced by Lawrence Bender

Executive Producers

Jeff Skoll, Diane Weyermann, Bruce Blair, Matt Brown

Co-produced by Lisa Remington

MUSIC BY

Peter Golub

EDITED BY

Brad Fuller

Brian Johnson

CINEMATOGRAPHY BY

Robert Chappell

Gary Clarke

Bryan Donnell

Nick Higgins

CO-PRODUCED BY

Lisa Remington

EXECUTIVE PRODUCERS

Jeff Skoll

Diane Weyermann

Bruce Blair

Matt Brown

Running time: 90 mins

Production

PARTICIPANT MEDIA – Yelena Rachitsky – 335 N Maple Dr. Suite 245 Beverly Hills, – T : +1 310 246 7716 – F : +1 310 550 5106 – yelena@participantmedia.comwww.participantmedia.com

Lucy Walker © AFP

INTERVIEW SUBJECTS

(IN ORDER OF APPEARANCE):

 

Valerie Plame Wilson

Former CIA Covert Operations Officer

“…Al Qaeda is determined to acquire nuclear weapons and to use them if they get

them. In the early 90s, they tried to buy highly enriched uranium in the Sudan. They got

scammed. Just prior to the 9/11 attacks, we do know that Osama Bin Laden and his

lieutenant, Zawahiri, sat down with two Pakistani nuclear scientists and discussed

nuclear weapons….”

 

Rolf Mowatt-Larssen

CIA Operations Officer 1983-2005

“…Robert Oppenheimer: In 1946, he appeared in a closed session of the Senate and

one of the senators asked him if nuclear terrorism is a potential threat. He said, ‘Of

course. Terrorists could bring a bomb into New York City and destroy the city.’ And

someone asked him, ‘How would you stop it?’ He said, ‘With a screwdriver. To open up

every container that comes into the city.’…”

 

Chief Nuclear Investigator

Democratic Republic of Georgia

“When we started, we discovered that this [Georgia] was a real paradise for smugglers

of all types. In the June of 2003, a smuggler was captured…180 grams of highly

enriched uranium. Final place of destination– Istanbul. August the 1st, 2006, someone

tried to smuggle nearly one kilo of so-called ‘yellow cake’…”

 

Lawrence Scott Sheets

Eight Pieces of Empire

“Georgia is located along Russia’s southern border, a natural corridor, and things like

highly enriched uranium could be smuggled through such a place on their way to

Azerbaijan, Iraq, Iran, Turkmenistan, Afghanistan, so on and so forth…”

 

Scott Sagan

Political Scientist, Stanford

“…In 1961, a B-52 broke apart in midair over Goldsboro, North Carolina, causing two

nuclear bombs to fall. One parachute functioned properly, and that bomb survived with

minor damage. The other parachute failed to open. When that bomb hit, 5 of 6 safety

devices malfunctioned. A single switch prevented a nuclear explosion….”

Countdown to Zero – production notes

Zia Mian

Physicist, Princeton

“One Prime Minister of Pakistan said that Pakistan would build a nuclear weapon even if

it meant that the people had to eat grass.”

 

Pervez Musharraf

Pakistan President 2001-2008

[After Pakistan’s first successful nuclear test] “Total jubilation in the streets of Pakistan.

The first time we’ve achieved something which places us in the ranks of very, very few

countries of the world…”

 

Mike Chinoy

Meltdown

“North Korea is scared of disappearing into what the communists used to call the ‘dust

bin of history,’ like all their other communist friends, and they see nukes as the one

thing that makes them the country that is taken seriously by the United States and the

other big players in the neighborhood…”

 

Alexander Glaser

Nuclear Physicist, Princeton

“A nuclear weapon, in a sense, is the most simple configuration of nuclear material that

you can imagine. You just bring together a certain quantity of fissile material, highly

enriched uranium or plutonium, and, if you do it right, it will explode.”

 

Matthew Bunn

Associate Professor, Harvard

“…There was a case at a Russian Naval Base in the early 1990s. One of the Naval

personnel told a relative of his where the highly enriched uranium at this base was. This

relative walks through a gaping hole in a security fence, walked up to what you and I

would consider to be a tool shed, snapped the padlock with an iron bar. He set off no

alarm. He was not detected at all. The Russian military prosecutor in that case said,

quote, ‘Potatoes were guarded better.’…”

 

Graham Allison

Nuclear Terrorism

“…The objective of Al Qaeda is to, quote, “Kill four million Americans, including two

million children.” This is, in his calculation, the- what’s required to balance the scales of

justice….You’re not going to get to kill four million people by hijacking airplanes and

crashing them into, into buildings…”

Countdown to Zero – production notes

 

Pervez Hoodbhoy

Nuclear Physicist

Quaid-e-Azam Univ., Islamabad

“Typically, an implosion bomb would have something like twenty-five kilograms of

uranium, which is about the size of a grapefruit….”

 

Tony Blair

UK Prime Minister 1997-2007

“If Iran were to acquire nuclear weapons capability, the impact is across the whole of

the region. You will get a whole set of other countries deciding they’ve got to acquire

nuclear weapons capability.”

 

Andrew Koch

Defense/National Security Analyst

“… [A. Q. Khan] was working at a company that was developing a brand new process

for enriching uranium. He stole their designs and took the list of all their suppliers and

went back to Pakistan….”

 

Ahmed Rashid

Descent into Chaos

“…Restrictions were placed, sanctions were placed, but somehow the Pakistanis got

around that and, and the formal help actually came from India’s enemy, China. China

gave a blueprint of a nuclear bomb to Pakistan….”

 

Joe Cirincione

President, Ploughshares Fund

“[A.Q. Khan] contacted Iran, North Korea, Libya. But he didn’t just give them the

technologies, he also took the bomb designs that the Pakistanis had and threw those in

as a sweetener. He gave them 24/7 technology support. Got a problem? Call 1-800-AQKHAN.

It was a full service operation…”

 

Jeffrey Lewis

Nuclear Arms Analyst

“The hard part was what we did in 1945. The hard part is doing it the first time. This is

no longer a conceptual challenge. There is no trick. There is no magic that needs to be

figured out. It’s really just an engineering challenge. It’s definitely not rocket science.

Rocket science is hard…”

 

Bruce Blair

President, World Security Institute

“…Today, the posture of the United States and Russia is exactly the same as it was

during the Cold War. So if the orders went down right now, twenty years after the fall of

the Berlin Wall, it would take about two minutes to launch all of the U.S. nuclear ballistic

missiles out of their tubes in the Midwest, about that length of time for the Russians to

do the same…”

 

Roger Molander

US National Security Council 1974-1981

“When we were working on nuclear arms control, I found myself in a meeting in the

Pentagon with a Colonel. And we got into a short exchange about this and in this

context of this exchange, he said, “But I don’t understand what would be such a big deal

if there were a nuclear exchange. Only about 500 million people would die…”

 

Jimmy Carter

US President 1977-1981

“I knew that if the Soviets did launch an attack, that it would take 26 minutes for an

ICBM to leave Russian soil and land in Washington or New York. And I had that much

time to decide how to respond.”

 

Mikhail Gorbachev

USSR General Secretary 1985-1991

“We were on guard every minute, ready to strike back. We had to make a decision

based on the timing of these missiles. Only minutes, a few minutes.”

 

Zbigniew Brzezinski

US National Security Advisor 1977-1981

“The timeline was very short. [The President] had just a few minutes to make a decision;

how to respond, at what level of intensity. Somewhere before the tenth minute, the

order to execute would be issued…And roughly by the 28th minute at the latest, those

of us not evacuated would be dead…”

 

Ira Helfand

Physicians for Social Responsibility

“On January 25th, 1995, the United States launched a rocket from Norway to study the

Northern Lights. We told the Russians that we were going to launch that rocket, but

somebody in Moscow forgot to pass the word on. When they picked up the four stages

of this rocket, they initially interpreted this as four warheads from a U.S. nuclear

submarine, which we always station off the coast of Norway, possibly directed at

Moscow…. Boris Yeltsin was basically given five minutes to decide what to do.”

Countdown to Zero – production notes

Frank von Hippel

Nuclear Physicist, Princeton

“You know, having missiles on hair trigger is an accident waiting to happen. As Fermi

said about physics, ‘What isn’t forbidden is compulsory.’ Will it eventually happen?

There’s nothing that makes the launch of nuclear weapons impossible. If the probability

isn’t zero, it will happen.”

 

R. Scott Kemp

Physicist, Princeton

“…The common wisdom is that they’re very complicated, technologies that take

countries decades to build…But the fact is that centrifuges are 1950’s technology. And

this is 2010. Highly enriched uranium is now within the grasp of really any country. And

once you have HEU [highly enriched uranium], it’s so simple, even a terrorist can make

a bomb.”

 

Robert McNamara

US Secretary of Defense 1961-1968

“The Cuban Missile Crisis endangered the very existence of our nation. We came that

close to nuclear war. Neither the Soviets, nor we the U.S., intended to put our nations at

that risk. And the next time, we may not be so lucky.”

 

Reverend Richard Cizik

New Evangelical Partnership

“…I used to think that ‘Well, we possess nuclear weapons in order to prevent their

usage.’ We now know we live in a world in which if we possess them – if anyone

possesses them – they will be used….We have to change our way of thinking. And if we

can’t change our way of thinking, we won’t survive.…”

 

F. W. de Klerk

President South Africa 1989-1994

“We decided to take a 180 degree turn in South Africa. When I became president, I was

informed that we had completed six devices more or less comparable to the bombs

which were actually used at Hiroshima. I indicated I would like us to stop this program

and become part of the mainstream in the world again.”

 

Thomas D’Agostino

National Nuclear Security Admin.

“When you think about nuclear security, it’s all about the material. A simple physical fact

is that if you don’t have fissile material, your highly enriched uranium or plutonium, for

example, then you cannot have a nuclear weapon…”

Ambassador Richard Burt

Chief Negotiator START 1 Treaty

“When I came into government in the early 1980’s, the idea that within about ten years

all sides would agree to a 50 percent reduction in their nuclear weapons would have

sounded absurd. But we achieved it….”

 

James Baker III

US Secretary of State 1989-1992

“The Soviet Union imploded when I was Secretary of State. And we actually got an

enforceable treaty where we got Belarus, Kazakhstan, and Ukraine to give up their

nuclear weapons. All countries in the world have to sign a legally binding intrusively

verifiable agreement to rid the world of nuclear weapons.”

EEN SUBLIEME ILLUSIE

Aankomst in Cannes. Deze inmiddels zo fameuze stad gelegen aan de Côte d’Azur bezoek ik vaker, al was het maar omdat mijn moeder er met haar huidige echtgenoot – die luistert naar de mooie en ietwat bevreemdende naam Monsieur Vendredi (Joseph voor vrienden) – in de bovenstad  een stulp heeft betrokken met uitzicht op een reepje Middellandse zee. Mijn vader leelf al geruime tijd niet meer, en zijn heengaan heeft ons allen – mijn moeder in het bijzonder – veel verdriet gedaan. Maar inmiddels behoort mijn moeder tot een van die kwieke wat oudere lieden die je – met een verwijzing naar dat ophefmakende bon mot van Johan Anthierens – zonder te verpinken kunt horen verkondigen dat ze niet zozeer “gelukkig is gescheiden” als wel “gelukkig is hertrouwd”. 

Hoewel ik me voorstel dat ook de dood beslist zijn voordelen kan hebben, is en blijft geluk een privilege van de levenden. Een beperkt maar toch niet onaanzienlijk tegenwicht dat wij als levenden in de schaal kunnen leggen, tegen de verpletterende stilte van het pax aeternam. De Fransen noemen geluk wel: cette étrange chose qui n’existe pas, et pourtant un jour n’est plus. Geluk als dat vreemde ding dat niet bestaat, en er toch op een dag niet meer is. De wat nostalgische definitie van een sublieme illusie. En dat is waar het hier in Cannes welbeschouwd toch ook allemaal om draait: een sublieme illusie, vormgegeven op celluloid als een „art majeur“ die keer op keer (voor de 63e maal dit jaar) in ere wordt gehouden in het meest gigantische filmfestival ter wereld.

Cannes is de hoogmis, de eredienst van de religie die ooit door de aartsvaders Lumière in het leven is geroepen. Het is het Concilie van Lateranen van de cinema. De hadj rondom de Kaaba van de cinefiel. Het is het nec plus ultra van de sublieme illusie. Ik hoorde een collega op de Croisette – de langgerekte strandboulevard die Cannes zijn karakter en zijn charme geeft – vorig jaar zeggen : « als je niet van Cannes houdt, houd je niet van film ». Ik beaam. Het omgekeerde echter, is niet waar. Als je van Cannes houdt, hoef je niet perse cinefiel te zijn. Je kunt van Cannes houden om tal van redenen, elegante, diepzinnige, louche of stiekeme. Wat de juiste of verkeerde zijn, is all in the eye of the beholder.

 Zeker is, dat wie in Cannes verstoken blijft van euforische rillingen, van de geestelijke en lichamelijke oprispingen die gepaard gaan met de grote verwachtingen rond een sublieme illusie – die mist een hart voor film. Waar elders kun je in tien dagen  tijd kennismaken met zoveel nagelnieuwe produkties uit alle landen van de wereld? Waar elders kun je zoveel langverwachte, schitterende of vermaledijde films om half negen ’s ochtends gaan bekijken, nog voor dat enig ander liefhebber op deze globe er ooit eerder een blik op heeft mogen werpen? Het overkwam me vorig jaar bij de perspremiere van Quintin Tarantino’s Inglorious Basterds, die ik met 2500 andere filmcritici in de majestueuze Salle Lumiere mocht aanschouwen nog voordat zelfs de crew van de film de eindmontage had mogen bekijken. En ik hoop dat het me morgenochtend weer gebeurt bij de perspremiere van Oliver Stone’s opvolger van Wall Street uit 1989: Money Never Sleeps (met een meesterlijke Michael Douglas als de onuitstaanbare junkbond crimineel Gekko).

Natuurlijk is er de gebruikelijke rimram en ruis rondom de competitie, het gekissebis en geharrewar rondom de vraag: wie wint dit jaar de Gouden Palm. Natuurlijk is er de pump and circumstance, de glitter en de show, de glamour en de kitsch rondom de ceremonie van de rode loper, het stupide ritueel der photocalls, de hijgerige jacht op de sterren, de valse noten van de idolatrie en dreunende bassen van het circusorkest dat dit vreugdevuur der ijdelheden zijn schwung en volume moet geven. Maar er is altijd ook dat brede palet van een myriade aan films uit alle windstreken, en die wonderlijke melange van jong talent en gevestigde namen, arthouse film en blockbuster, trash en experiment, short- en feature film, fictie en documentaire, die hier als een en dezelfde wonderlijke potpourri in een grote ketel op het vuur wordt bereid.

In een wandeling over de Croisette word je dit wonderlijke fenomeen meteen gewaar. Op de gevels van de verblindend sjieke hotels met uitzicht op zee, zoals het Majestic, het Carlton, het Casino, Miramar en Martinez, bieden naar oude gewoonte de filmmaatschappijen met reusachtige billboards tegen elkaar op, als kramers op de markt die elkaar proberen te overschreeuwen. In de winkels langs de arkaden beneden op de boulevard, bevinden zich de protserige uitstalkasten van de goede of in elk geval de dure smaak. Cartier, Valentino, Emporio Armani, Dolce & Gabbana, Dior, Salvatore Perragamo, Hermes, Bulgari, Louis Vuitton, Escada, Balanciaga, Vertu, Bottega Veneta, en ga zo maar door. En hoog daarboven, op grote panelen, borden en affiches die tussen en vanaf de balkons van de hotels zijn neergeplant, opgehangen of uigerold, vind je lachwekkende, spuuglelijke reclame voor veelal Amerikaanse films als The Last Airborner, Gulliver’s Travel (in 3-D0), Narnia – The Voyage of The Dawn Treader (in Digital 3-D), Spider en Black Thirst. Dat zogenaamde exclusiviteit en wansmaak zo dicht bij elkaar liggen, moet toch te denken geven. Of zoals Adraan van Dis zo mooi schreef in zijn bundel reisverhalen Casablanca: bij al het zoete, word je aan het bittere herinnerd.

Voor kwaliteitsfilms moet je je, dwars door de drukte op de Croisette, een weg weten weten te banen naar het Palais des Festivals. Waar een kleine honderdduizend lieden dagelijks doreen krioelen om films allerhande te produceren, verkopen, kopen, distribueren, promoten en bespreken. De jury van het festival dit jaar is in handen van Tim Burton – bekend als regisseur van Edward Scissorhand, Alice en tal van hallucinerende films die het midden houden tussen animatie, art-house film, populaire cinema en experiment. Met Burton als juryvoorzitter, die een fllinke stempel heeft mogen drukken op de uiteindelijke selectie voor het hele festival, mag je alles verwachten. Burton zelf verklaarde eerder in elk geval dat zijn voorkeur uit zou gaan naar „films that knock on the doors of our dreams“. Films die op de deuren kloppen van onze dromen. Prachtig gezegd, en ik kijk alvast met extra spanning uit naar de films die ik in het vuistdikke programmaboek heb aangekruist.

            Vanaf vandaag zal ik voor Cobra.be vanuit mijn standplaats hier elke dag een persoonlijk verslag proberen te schrijven, aangevuld met uitgebreidere interviews of berichten over de missie die Myriam Verschaeren en Arnoud Wils van de redactie in Brussel me vooraf hadden meegegeven: een oog open houden voor het jonge, dwarse, aankomende talent dat het waard is om door te breken. Na een intensieve en vermoeiende tocht langs de persagentschappen die zich hebben verscholen in de suites van hotels en villa’s in de stad, heb ik voor de komende tien dagen interviews geregeld met, of pressjunkets aangevraagd voor:

– regisseur Janus Metz van de film Armadillo

– regisseur Andrei Ujica van Autobiography Lui Nicolae Ceaucescu

– regisseur van Gregg Araki van Kaboom

– regisseur Christoph Hochhaussler van Unter dir die Stadt

– Boo Jungfeng van Sandcastle

– Sergei Loznitsa van My Joy

– de gezamenlijke Mexicaanse regisseurs-crew van Revolucion (tien regisseurs over de Mexicaanse revolutie)

– de knotsgekke muzikanten van de film (en band) Benda Bilili uit Kinshasa, die eind juni op het Couleur Cafe Festival in Brussel te zien zullen zijn, en daarna op het Lowlands festival in Nederland.

Daarnaast sta ik op de wachtlijst voor nog een aantal groeps-rondes met een aantal grootheden, waaronder Charlotte Gainsbourg die dit jaar op de slotdag acte de presence zal geven als actrice in de film The Tree

Ik hoop – beste bezoeker van deze website – dat ik los van mijn journalistieke opdracht als filmverslaggever, in mijn dagelijkse wederwaardigheidsverslagen, toch ook de vrijheid mag behouden om hier en daar wat lyrische, impressionistische of essayistische uitstapjes te mogen maken. Vanavond ga ik bijvoorbeeld een Russisch Bal bezoeken in het Carlton Intercontinental Hotel, waar Yaroslav Treshchev tal van artiesten van het Bolsjoi theater, operadiva’s uit Moskou en Petersburg, en tal van hyperrijke nouveaux Russes met hooggehakte aanhang heeft uitgenodigd, die ieder twee- tot drieduizend euro voor een ticket met diner uit hun broekzak zullen moeten trekken om aan te mogen schuiven bij Andris Liepa, Olga Rodionova en andere vedetten bekend van de Russische film en operawereld. Ik mag – als Yaroslav zijn afspraak nakomt – gratis binnen als verslaggever; mits gekleed volgens de dresscode van “tailcoat, dinnerjacket or full military outfit”.

            Ook heb ik me aangemeld voor een workshop voor jonge regisseurs en scriptschrijvers die hier les kunnen krijgen in het vak “How to turn a bestseller into a movie”. Mijn plan is namelijk (stiekem) om alsnog een verfilming op poten te zetten van Tommy Wieringa’s meesterwerk Joe Speedboat… En volgende week vrijdag ben ik samen met mijn vriendin de Nederlandse video- en designkunstenares Arlette van Laar uitgenodigd op Private Art Fair Cannes 2010 die wordt gesponsord door een of andere Arabische sjeik, waar grote werken geveild gaan worden ten behoeve van het Rode Kruis in Haiti.

             Genoeg te doen dus. Beste Cobra spotter: u hoort van mij! Voor nu ga ik even een luch gebruiken met mijn moeder die ik al zo lang niet meer gezien heb. In haar favoriete uitspanning aan het strand, L’Ondine genaamd. Het restaurant is – zoals vele etablissementen aan de zeekant van de Croisette – vorige week woensdag klokke half drie ’s middags tijdens de lunch bijna volledig weggevaagd door een tsunami. Geen grap. De zee voor de kust van Cannes is dit jaar bijzonder woest en grillig, en vooral onberekenend. Er zijn al verschillende slachtoffers gevallen, en ook gisternacht kolkte het schuim in wilde spetters tot aan de fundamenten van de boulevard. Dit alles is zeer uitzonderlijk voor het doorgaans lieflijk Mediterrane zon- en luxeoord van het door rotsen en zanddijken ingedamde havenstadje aan de Franse rivièra. Niet alleen de vulkanen laten dezer dagen van zich horen, ook de zee laat zich van haar meest  ongetemde zijde kennen. Of dit de voortekenen zijn van een even vurig en robuust filmfestival waar de vonken vanaf zullen vliegen? Spoedig verneemt u meer daarover. Voor nu groet u, vanuit het perscentrum van het Palais des Festivals, uw verslaggever in woeste baren,

Serge van Duijnhoven

Cannes

 

The crew from the movie La Tournee on the red carpet – director Matthieu Amalric

DE CROISETTE – EEN OMGEKEERDE KRUISWEG

Ziezo – de Cobra-kop is er voor mij vandaag dan toch nog afgehouwen. Met excuses voor de kleine vertraging maar het is hier flink rennen, regelen, zeuren en zweten geblazen voor je echt van start kan gaan met waar het mij en 4000 andere geaccrediteerde journalisten natuurlijk toch om draait: het zo oplettend mogelijk verslaan van dit magistrale ijdelheidscircus dat met alle gebruikelijke hoempapa en schalmei ook dit jaar weer zijn tenten en paleizen op heeft mogen zetten op de kop van de Croisette – die uiterst langgerekte strandboulevard zonder welke dit vermaledijde Provencaalse luxeoord nimmer zijn reputatie had weten te verwerven van het paradijs der beurzen, conferenties en parades.

De croisette kun je zien al seen moderne kruisweg die we voetje voor voetje over kunnen schuifelen in een richting die precies tegenovergesteld is aan de weg naar Golgotha – heuveltop van gruwelen en smarten. Een kruisweg die ons met kleine passen, in het zweet des aanschijns der opdringerige massa’s en het hete halogeenlicht van de mediterrane zon, naar een plek voert waar het aardse en het hemelse aan elkaar raken. En weg die ons niet voert naar de verlossing door het lijden, maar door de genietingen van roem, geld, luxe. De croisette: geen via dolorosa, maar een via exultata jubilata.

 

Het schuifelpad dat ons voetje voor voetje in de richting voert van een seculier Elysium: Consumerheaven. Het summum van de aardse roem en sterrendom. Een plek waar ijdelheid, genot- en pronkzucht niet als hoofdzonden maar deugden gelden, waar men zijn verlossing niet wenst te definieren in termen van onthechting en spiritualiteit, als wel in roem, pecunia, bling-bling. Waar men zich kan laven aan het zalvende mirakel van de roem, en een ieder die maar wil iets van de onaardse schoonheid van de sterren op zijn eigen uiterlijk over kan laten stralen.

            De croisette: geen plek op aarde waar men zo dicht kan naderen aan de wereld der athanatoi – oud Grieks voor onsterfelijken. De helden, demiurgen, godenzonen en dochters die hun vetes en liefdes met elkaar uitvochten op de hoge flange der Olympus. Het schouwspel van de Gala’s, Bals, VIP-clubs, Celebrity-parties en Hollywood glamour, en het randcircus van de Rich and Happy Few dat zich als pilootvissen aan de grote walvissen van de cinema heeft vastgezogen, verschilt mischien niet eens zo heel wezenlijk van de voorstellingen waaraan de oude Grieken zich destijds wensten te verlustigen. Een mythische wereld die natuurlijk toen nog niet door celluloid tot leven werd gewekt, maar wel al volop door  theater, spel en vooral: het allerbeste scriptwerk van voleerde verhalenvertellers.

Bij de Photocall van Russell Crow en Cate Blanchett

« Russell ! Russell ! » « Cate ! Cate ! »

Zinloos geschreeuw bij de hekken voor de trappen die leiden naar het balkon waar volgens een voor mij onbegrijpelijke, stupide traditie, dag in dag uit het ritueel volvoerd wordt van de « photocall ». Het gegeven dat de acteurs en regisseur van een film, zich op voorspraak van hun persagentschap bloot moeten laten stellen aan de hongerige, gretige, vraat- en dweepzuchtige ogen van honderden fotografen met hun voyeuristische vizier- en schietgerei. Om nog te zwijgen van hun perverse technische acccesoires zoals  telelensen, combatcam en autoshoot.

   Al die fotografen die hun eigen kiekje willen maken – samen met 300 collega’s die allemaal tegelijk vanuit exact dezelfde hoek, vanaf dezelfde afstand en meestal ook nog met min of meer hetzelfde materiaal – dezelfde foto willen nemen. Die ene foto, het ultieme shot. Om de illusie van de exclusiviteit gestand te doen. Niet alleen de fans voor de dranghekken, maar ook dit pietaille van de glamourfotografen krijgt er geen genoeg van hun modellen aan te roepen.

« Russell ! Russell ! » « Cate ! Cate ! »

Alsof ze dan – misschien, misschien – geneigd zullen zijn voor even in HUN lens te kijken. In HUN richting, in plaats van die van hun buurman of vrouw die drie rijen lager of hoger op een krukje of een ladder staat te dringen.

« Russell ! Russell ! » « Cate ! Cate ! »

Beeld het je in : voor je staat een vuurpeloton van 300 man, dat je in aanbidding liefst levend zou verslinden. Zoals aan het einde van Tom Tykwer’s verfilming van Das Parfum. Tientallen roepen, gillen, schreeuwen je naam, laten hun wapentuig flitsen, zoemen, ratelen tot de ceremoniemeester roept dat het voorbij is en de helden door hun bodyguards uptempo worden weggevoerd richting limousine of persconferentie . Hoe moet dat voelen? Het persvolk volgt gehaast de sterren die van het bordes verdwijnen.

            Ik aanschouwde de Photocall van Riddley Scott’s bombastische openingsfilm Robin Hood vanaf het dak van het Palais des Congres, zo’n twintig meter boven het gewoel van het terras dat er voor mij vanaf vandaag vooral toch uitziet als de binnenplaats van een zwaarbewaakte gevangenis. Er zijn gemiddeld vier, vijf executies per dag. De stoelen, trapjes, ladders worden na de meestal toch wat woelig verlopende ceremonie, keurig teruggezet in een rechte lijn. De tegels van het terras worden schoongeveegd, het tapijt van de rode lopers wordt schoongezogen. De sporen worden uitgewist, alsof er niets gebeurd is. Het wachten is op de volgende serie uitverkorenen (gedoemden?) die in escorte worden aangevoerd.

            Is doem de prijs van de roem?

 

© Serge van Duijnhoven, Cannes 2010

I.F.A. – www.cobra.be

Festival entry: “Wall Street: Money Never Sleeps” (Out of Competition)
Nationality: American
Born: Sept. 15, 1946
Selected filmography: “W.” (2008), “World Trade Center” (2006), “Nixon” (1995), “JFK” (1991), “Wall Street” (1987), “Platoon” (1986)
Notable awards: Best director Oscar and BAFTA nod for “Platoon”; best director Oscar noms for “JFK” and “Born on the Fourth of July” (1989); best original screenplay Oscar nom for “Nixon”