Hier en Nu bestaat niet

Over Carlo Rovelli´s “Het mysterie van de tijd”

In hoeverre valt de tijd tot zijn fysische essentie te ontrafelen? Daarover schreef de natuurkundige Carlo Rovelli een parel van een  boek waarin hij zijn vergaarde kennis over de kwantummechanica moeiteloos weet te combineren met onze oudste mythes, filosofische bronnen en gebeurtenissen in zijn eigen leven.

Leven wij in de tijd of leeft de tijd in ons? Om daar achter te komen gaan we aan de hand van deze professor theoretische natuurkunde van de universiteit van Aix-Marseille, op zoek naar zowel de bronnen van de tijd in de ruimte maar uiteindelijk toch vooral op de aarde. Rovelli schrijft helder en diepgravend, met het hoofd en met het hart. Natuurkundige abstracties weet hij naadloos te verweven met zijn eigen eruditie en persoonlijke wijsheid. Dit is een boek van een even scherpzinnige als ruimhartige geest, die er net als in zijn vorige boek Zeven korte beschouwingen over natuurkunde (Prometheus) in slaagt uiterst complexe inzichten en theorieen met ons, lezers, te delen in kraakheldere en verrassend lyrische taal. Wist mijn docent Natuurkunde op het VWO maar een fractie van deze gaven te hanteren, dan was mijn puberale afkeer van het vak destijds vast en zeker in een fascinatie omgeslagen.

We bevinden ons in de tijd, schrijft Rovelli, zoals vissen zich in het water bevinden. Ons zijn is een zijn in de tijd. Maar waarom herinneren we ons het verleden en niet de toekomst? Bestaan wij in de tijd, of bestaat de tijd in ons? De natuurkunde beschrijft niet hoe de dingen evolueren “in de tijd”, maar hoe de dingen evolueren in hun respectieve tijden en hoe “de tijden” evolueren ten opzichte van elkaar.

02-dinsdag

Rovelli probeert op micro- en macroscopisch niveau door te dringen tot de essentie van de tijd. En dat is, verrassend genoeg, niet het stromen van de rivier waarin je nooit twee keer op dezelfde wijze baadt. Ga maar na. Want wat is een rivier? Een stroom die door het landschap meandert. Maar ook het stromende water bestaat uit myriaden en myriaden aan afzonderlijke waterdruppels, die ieder weer uit ontelbare moleculen waterstof en zuurstof bestaan. Wij zien het stromen van de watermassa. Onze ogen zijn niet microscopisch genoeg om de atomaire elementen gade te slaan waaruit de moleculaiire verbindingen van water bestaan.

Als je heel gedetailleerd kijkt, zoals in de elementaire natuurkunde, blijkt de wereld korrelig en niet vloeiend. De Goede God heeft de wereld niet in continue lijnen neergezet: hij heeft haar slechts gepointilleerd, a la Seurat. Korreligheid is overal in de natuurr aanwezig: licht bestaat uit fotonen, lichtdeeltjes. Lucht bestaat uit moleculen.

De twintigste-eeuwse natuurkunde toont onweerlegbaar aan dat er geen objectief globaal “nu” bestaat. De wereld moet dus niet gezien worden als een opeenvolging van hedens. Dat betekent niet dat er niets verandert. Het betekent dat de veranderingen niet langs een enkele lijn zijn geordend. Veranderingen gebeuren, maar niet volgens een globale orde. Het is een onmetelijk, wanordelijk netwerk van kwantumgebeurtenissen. “De wereld lijkt nu eenmaal meer op Napels dan op Manhattan”. Het idee dat er in het universum een eenduidig nu bestaat, is een illusie. Inbeelding. Het is net als met het punt waar de regenboog de grond raakt: we menen dat punt te kunnen zien, maar als we gaan kijken is het er niet. Er is redelijkerwijs geen heden in het universum. Het substraat dat de duur van de tijd bepaalt is een aspect van een dynamisch veld dat fluctueert en alleen concreet wordt als het een interactie aangaat. De wereld is een web van gebeurtenissen.

Aristoteles

Aristoteles is naar we weten de eerste die zich de vraag heeft gesteld wat tijd is, en hij kwam tot de volgende conclusie: tijd is de maat van de beweging. Alles beweegt en verandert voortdurend, en het meetbare aspect van die veranderingen noemen we tijd. Daartegenover staat de opvatting van Newton, die meende dat de tijd een entiteit is die uniform en onverstoorbaar verstrijkt, ook als er niets verandert.

De dingen zijn niet, ze gebeuren. De wereld is een web van gebeurtenissen. De wereld is voorstelbaar als een netwerk van gebeurtenissen. Oorlog is een samenstel van gebeurtenissen, het is geen ding. Onweer is een samenstel van voorvallen. En de mens? Die is zeker geen ding, maar een complex proces waar, net als bij die wolk boven de berg, lucht in- en uitgaat, evenals voedsel, informatie, licht, woorden, enzovoort. Een samenstel van knopen in een netwerk van sociale betrekkingen, van chemische processen, van tussen soortgenoten uitgewisselde emoties.

Het feit dat onze grammatica is georganiseerd rond het absolute onderscheid ‘verleden-heden-toekomst’, is er de oorzaak van dat we in verwarring raken wanneer we trachten vat te krijgen op de ontdekking dat er geen objectief universeel heden bestaat. Verandering is een lokaal en complex gebeuren, dat zich niet laat beschrijven in de termen van een enkele globale orde.

Quantum Labyrinth

Rovelli voert de lezer een tijdloze wereld in, die voortborduurt op de kennis die twee mentoren van de wetenschapper al in 1967 uiteenzetten in een vergelijking voor de quantumzwaartekracht. John Wheeler en Bryce DeWitt bedreven fysica waarin de tijd als entiteit niet meer voorkomt. Hun theorie beschrijft niet hoe de dingen in de tijd evolueren. Het gaat erom hoe de dingen ten opzichte van elkaar veranderen, hoe de gebeurtenissen van de wereld in verhouding tot elkaar voorvallen. Met dit inzicht komen de visies van Aristoteles (dat tijd slechts een maat voor verandering is) en Einstein (dat tijd geen uniciteit kent maar relatief is) samen. Rovelli had hier graag met de door hem bewonderde Wheeler verder van gedachten willen wisselen, maar de tijd gaf hem hier geen kans toe. “Helaas, hij is er niet meer. Dat doet de tijd met ons. Hij brengt herinnering en weemoed. Verdriet en gemis.”

Rovelli voegt eraan toe: “Maar het is niet het gemis dat verdrietig maakt. Het zijn de genegenheid en de liefde. Als er geen genegenheid was, geen liefde, dan zou ook het verdriet om het gemis niet bestaan. Daarom is ook verdriet om een gemis in wezen goed en mooi, want het wordt gevoed door dat wat het leven zin geeft.”

De grote sleutel tot een juister natuurkundig begrip van de tijd, is te vinden in de anorganische chemie. De factor s, oftewel: entropie. Naar het Griekse woord voor verandering, transformatie. Die factor is verwant aan energie. En zorgt ervoor dat warmte altijd van warm naar koud vloeit, en niet andersom. Door vermenging, en omdat alles van nature naar een steeds grotere wanorde streeft. Een glas breekt in duizend stukjes en die duizend stukjes worden niet weer een glas. Je zou het heelal met een beetje fantasie ook als een kristallen bol kunnen zien die in steeds meer scherven katpotslaat op een voor ons onzichtbare vloer.

entropie

Carlo Rovelli legt helder uit, hoe de tijd aan een wereld ontspruit waarin er op basaal fysisch niveau geen tijd bestaat. Tijd is een gevolg van onwetendheid, van onscherpte, van sterfelijkheid. Onze kijk op de wereld is onscherp, omdat we blind zijn voor veel variabelen die een cruciale rol spelen in onze gebeurtenissen, maar die we niet kunnen zien. De entropie van de wereld hangt af van de wereld waarin wij de wereld onscherp zien, en dat hangt weer af van de vraag met welke variabelen van de wereld waartoe wij behoren, wij interacties aangaan.

De uitgangsentropie van het universum was laag ten opzichte van de dramatische onscherpte die wordt veroorzaakt door ONZE interacties met de wereld. De lage uitgangsentropie van het universum, en dus de tijdspijl, is eerder te wijten aan ONS dan aan het universum. Het stromen van de tijd is geen kenmerk van het universum, maar is net als het wentelen van het hemelgewelf, een specifiek perspectief dat inherent is aan het stuk wereld waartoe wij behoren. Waarom uitgerekend wij deel uitmaken van dat specifieke perspectief? “Om dezelfde reden dat appels uitgerekend in Noord-Europa groeien waar de mensen cider drinken en druiven in Zuid-Europa waar de mensen wijn drinken”. Of dat waar we zijn geboren de mensen uitgerekend dezelfde taal spreken als wij, of dat de zon zich uitgerekend op de juiste afstand van de aarde bevindt, niet te veraf en ook niet te dichtbij. Het is niet zo dat er appels groeien waar de mensen cider drinken, maar andersom. Waar de specifieke variabelen voor een lage uitgangsentropie zorgen, en de entropie constant toeneemt, daar doen zich de verschijnselen voor die zo typerend zijn voor het stromen van de tijd, daar is leven mogelijk, de evolutie, ons denken en ons bewustzijn van het stromen van de tijd. Daar bevinden zich de appels waar onze cider van wordt gemaakt: de tijd. “Dat zoete vocht dat ambrozijn en gal bevat, dat het leven is.”

Hildegard

In haar verlangen naar objectiviteit, mag de wetenschap niet vergeten dat we de wereld van binnenuit ervaren. Onze plaatsbepaling in de wereld is essentieel om te begrijpen hoe wij tijd ervaren. Om de tijd te begrijpen is het niet voldoende die van buitenaf te beschouwen: we dienen te begrijpen dat wij ons, op elk moment van onze beleving, in die tijd bevinden. In zijn boek noteert Rovelli: “We komen langzamerhand gevaarlijk dicht in de buurt van onszelf. Het is net of we Tiresias tegen Oedipus horen zeggen: ‘Stop! Of je komt uit bij jezelf!” Of Hildegard van Bingen die in de twaalfde eeuw het absolute zoekt en ten slotte de ‘universele mens’ in het centrum van de kosmos plaatst.”

De toename van entropie is dat wat wij ervaren als het verstrijken van de tijd.   Het is niet energie die de wereld voortstuwt, maar lage entropie. Energie wordt omgezet in warmte die op onomkeerbare wijze van warm naar koud vloeit en zich vermengt. Zonder lage entropie zou energie verwateren tot uniforme warmte en zou de wereld terugkeren naar een toestand van thermisch evenwicht, waarin er geen onderscheid is tussen verleden en toekomst, en er niets gebeurt. De toename van de entropie van het universum is de motor achter de Grote Geschiedenis van de kosmos. Die toename geschiedt met horten en stoten. Er zijn geen immense handen die het universum  schudden, het universum schudt zichzelf, door de interacties tussen zijn delen, die zich in de loop van het schudden gaandeweg ontsluiten en weer sluiten. Wat de geschiedenis van de wereld schrijft, is de onherroepelijke vermenging van alle dingen, die gaat van luttele geordende configuraties naar talloze ongeordende configuraties. “Het hele universum is als een berg die langzaam instort. Een structuur die geleidelijk aan afbrokkelt. Deze dans van toenemende entropie, die wordt gevoed door de lage uitgangsentropie van de kosmos, is de echte dans van Shiva, de vernietiger.”

De studie van de tijd voert ons – net als in de mystiek van Taoisten, kerkvaders en mystici – onherroepelijk terug naar onszelf. Naar het  perspectief van ons zelf in de kosmos. “De tijd is de vorm waarmee wij mensen, met onze herinneringen en inschattingen, interacties aangaan met de wereld. De tijd is de bron van onze identiteit.” En Rovelli voegt daar aan toe: “En van ons lijden.” Hij legt uit: “Het is lijden omdat we dat wat we hebben en waaraan we ons hechten uiteindelijk verliezen. Omdat alles wat begint uiteindelijk eindigt. We haken naar atemporaliteit, maar lijden onder de beperkingen van onze sterfelijkheid.” Om Arnon Grunberg te parafraseren: de mens leidt vooral omdat hij geen god kan zijn, al zou hij dat het liefste willen.

Carlo-Rovelli_6959

Kwantumgravitatie theoreticus Carlo Rovelli

Carlo Rovelli concludeert dat de tijdstructuur van de wereld complexer en gelaagder is dan het naieve beeld dat wij ervan hebben. Dat naieve of primitieve beeld is geschikt voor ons dagelijks leven, maar niet om het universum te begrijpen. “Waarschijnlijk volstaat het ook niet om onze eigen aard te begrijpen, want het  mysterie van de tijd is verweven met het mysterie van onze identiteit als mens, met het mysterie van het bewustzijn.”

De mens wordt voortgedreven door het verlangen te ontsnappen aan het gevoel van onrust dat de tijd ons bezorgt: het is om aan die onrust te ontsnappen dat we ons het bestaan van een “eeuwigheid” hebben voorgesteld, een vreemde wereld buiten de tijd die we bevolkt zouden willen zien door goden, door een god of door onsterfelijke zielen.

the-fool-on-the-hill-jonathan-morrill.jpg

De natuurkunde helpt ons om tot die diepere lagen van het mysterie van de tijd door te dringen. Ze toont dat de tijdstructuur van de wereld niet strookt met onze intuitie. En ze geeft ons de hoop dat we de aard van de tijd kunnen bestuderen als we eenmaal zijn bevrijd van de mist die door onze emoties wordt veroorzaakt. De opmerkelijke conclusie van Rovelli is, dat het al met al niet onze tijdsbeleving is die ons verhindert de objectieve aard van de tijd te zien. “Misschien is onze tijdsbeleving juist wel datgene wat wij onder ‘tijd’ verstaan.” . De ontrafeling van de tijd, is volop aan de gang. Ons begrip zal ongetwijfeld nog toenemen. Maar nu al spreekt Rovelli van een Copernicaanse vooruitgang, we zijn al in staat om voorbij de onscherpe, wazige horizonten van onze waarneming tot in de dieptestructuur van de ruimte en de tijd door te dringen. We weten net als Paul McCartneys gek op de heuvel dat het de aarde is die draait als we de zon zien ondergaan. “En we beginnen te zien dat wij mensen de tijd zijn. Dat we deze ruimte zijn, deze door de sporen van de herinnering in de synapsen van onze neuronen blootgestelde open plek. We zijn herinnering. We zijn nostalgie. Wij zijn de zucht naar een toekomst die niet zal komen. Tijd is de ruimte die wordt blootgelegd door herinnering en door anticipatie – soms benauwt hij ons wellicht, maar uiteindelijk is hij  een geschenk.” Rovelli zingt bijna een jubelzang, tegelijkertijd stelt de auteur ons gerust. Tijd is een waardevol wonder, dat ons geen angst hoeft aan te jagen. We hebben er ons leven aan te danken, alsmede onze geest. Rovelli spoort ons aan “te genieten van de intensiteit van elk vluchtig en kostbaar moment van onze korte levenscyclus.” Bang zijn voor de overgang, bang zijn voor de dood, is als bang zijn voor de werkelijkheid, bang zijn voor de zon: waarom toch?

“We zijn niet in de eerste plaats redelijke wezens. We kunnen dat wellicht, in tweede instantie, min of meer worden. In eerste instantie worden we gedreven door de wil om te leven, door honger, door de behoefte lief te hebben, door de aandrift onze plek te vinden in een menselijke samenleving… De tweede instantie bestaat niet zonder de eerste. Wat ons drijft is niet de reflectie op het leven: het is het leven zelf.”

We weten al behoorlijk veel, zonder te weten hoeveel. En zonder precies te begrijpen wat we nu dan denken te weten. Het lichaam weet, de geest probeert te verklaren. De ene is een volle functie van de natuur, de tweede een afgeleide. F accent. Ons denken is niet alleen slachtoffer van zijn eigen zwakte, maar ook van zijn eigen grammatica. De beste grammatica om de wereld mee te beschrijven is die van de verandering. Niet die van de bestendigheid. Van het gebeuren, niet van het zijn. De wereld is een samenstel van gebeurtenissen, van processen. Niet van dingen.

De manier waarop wij de werkelijkheid zien is een collectieve waan waaraan we gezamenlijk gestalte hebben gegeven, die is geevolueerd en die vervolgens tamelijk doeltreffend is gebleken om ons op zijn minst tot hier te brengen. De rede is maar een instrument om het tandrad van de collectieve waan beter te kunnen hanteren. “De rede is en blijft een instrument, dat we gebruiken om greep te krijgen op een materie die bestaat uit vuur en ijs, uit iets wat we waarnemen als intense, verzengende emoties. Die emoties, dat zijn wij. Ze drijven ons, sleuren ons mee, we omkleden ze met mooie woorden. Ze zetten ons aan tot handelen. (…) Mijns inziens is het leven, dit korte leven, niets anders dan de aanhoudende kreet van die emoties, die ons meesleurt, die we soms proberen te vatten in een naam van God, in een rite die ons verzekert dat alles uiteindelijk goedkomt, in een politiek geloof, in een grote, immense liefde, en die kreet is mooi, schitterend; soms is het lijden, soms gezang.”

En gezang is, zoals Augustinus al opmerkte, bewustzijn van tijd. Het is de tijd.

 

Het mysterie van de tijd, Carlo Rovelli (Prometheus Amsterdam 2018), 176 blz. 20 Euro.

 

 

 

 

Advertenties

De grote rokade

De afgelopen dagen werd het ons van alle kanten ingepeperd: op het schaakbord van de werkelijkheid zijn links en rechts sinds mei ’68 van koning en toren gewisseld. Een grote rokade heeft er plaatsgevonden. Kritiek en non-conformisme, van oudsher eigenschappen van links, eigent rechts zich nu toe. Links was vroeger een collectief project, rechts ging over individuele vrijheid. Denk aan Ayn Rand. Nu eist rechts aandacht voor de Gemeenschap. Terwijl links zich veelal verliest in symboolpolitiek ten aanzien van de grondrechten van ieder individu. Denk aan gender neutrale toiletten en de discussies over Zwarte Piet en onze besmette helden van weleer.

Ayn Rand Fountainhead cover2.jpg

         Links had in de jaren zestig en zeventig het engagement gekaapt. Nu kan de woede op rechts gededuceerd worden tot een verlangen naar betrokkenheid. “Een democratisch geschenk verpakt in prikkeldraad”, aldus David van Reybroeck in de docu-serie Onbehagen van Bas Heijne, “want het legt het verlangen bloot om mee te mogen tellen.” Floor Rusman schrijft in een scherpe analyse in NRC-Handelsblad van 11 mei “De tegencultuur van nu is op rechts actief”: Dolle mina´s wilden baas in eigen buik zijn, nieuw rechts baas in eigen hoofd. Thierry Baudet roept net als Hans van Mierlo in de jaren zestig op tot een “mars door de instituties”. Wie vandaag de dag anti-establishment wil zijn, rekent af met de politiek correcte cultuur die links al decennia verdrinkt in een vat honing. Uit angst om racistisch of islamofoob over te komen.

Provo2.jpg

         Het protest van toen had vaak een ludieke vorm, bedoeld om te provoceren. De provocatie blijkt vijftig jaar later nog steeds een probaat middel voor escalatie: kijk naar GeenStijl, PowNed en alle uitdagende prietpraat op het Internet. Doel van alle uitdaging: het doorbreken van rolpatronen. “Wanneer verontwaardiging ontstaat, beroepen de provocateurs zich op ironie. (…) Net als Provo, dat na alle politierellen een Vereniging Vrienden van de Politie oprichtte.” Dixit Rusman. Hedendaags links meent te spreken namens burgerlijk fatsoen, rechts heeft lak aan fatsoen en claimt op te komen voor de underdog: de vermorzelden in de molens van de hedendaagse geschiedenis, de woelratten in de ondergrondse bedding van het globalisme dat ons in onze gekende identiteit bedreigt. 

         Maar er zijn ook klaarblijkelijke verschillen. De opstand van mei ´68 was er een van bevrijding, vrede en liefde die collectief werden gevierd op happenings, sit-ins en popfestivals. Collectieve gebeurtenissen, in groepen waar het spannend toeven was. De opstand van het ressentiment speelt zich af op de steeds smallere bandbreedte van de eigen internetbubbel. Al leven we in de 21ste eeuw, mensen zijn nog steeds tribale primaten, wier leven zich van oudsher afspeelt in groepen niet groter dan zo´n 150 leden. Het wij-zij denken, is inherent aan onze soort. Als we medeprimaten zien als onderdeel van onze eigen stam, dan zijn we tot de meest menslievende daden in staat. Als we diezelfde primaten als vijanden zien die ons in ons bestaan bedreigen, tot de meest barbaarse. Politici en spindoctors weten dat als geen ander. Om verkiezingen te winnen, moeten de tegenstanders zwart worden gemaakt. En die haatboodschap dient, waar of niet waar, onophoudelijk te worden herhaald. Resultaat gegarandeerd. 

Hate

Het probleem is, dat haat een sterkere motivator blijkt dan liefde. Hoe verhevener en universeler de idealen, hoe afgezaagder en abstracter ze op ons overkomen. Cliché´s die veel weg hebben van leugentjes om bestwil. Illusies waar we ons aan vastklampen, maar die de schaduwzijden van ons dierlijke wezen veronachtzamen. 

    Het punt is: er kan blijkbaar geen gemeenschapszin bestaan, zonder een gezamenlijke vijand om zich tegen af te zetten. Wie de vijand is, is arbitrair. En kan in een oogwenk veranderen. Het verlangen naar verlossing, gaat hand in hand met de behoefte aan een zondebok. In ons post-truth tijdperk, zijn niet vrede en liefde de motoren van de emancipatorische beweging. Het is ons sentiment. Het zijn onze emoties. En geen sterkere emoties dan woede en haat. Ik doe een voorspelling. Een halve eeuw geleden beleefde de westerse wereld een zinderende Summer of Love. Het wachten is nu op een even zinderende maar veel meedogenlozer Herfst van de Haat.

Serge R. van Duijnhoven

 

 

Over Arjen van Veelen´s “Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken”

Arjen van Veelen´s “Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken” (De Bezige Bij 2017), is een boek dat ik vele malen wil herlezen. Van Veelen is een begaafd, beschaafd en toch onscrupulleus mysticus die tot de ziel der dingen door weet te dringen. Zelden las ik zo´n haarscherpe en villeine maar bloedeerlijke analyse van vriendschap en rouwbeleving in tijden van Internet en alomtegenwoordige zelfprofilering.

Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken.jpg
Het verlies van Arjen´s hartsvriend Tomas (een verwijzing naar de Vlaamse schrijver Thomas Blondeau) weet de schrijver op meticuleuze wijze te vervlechten met zijn zoektocht naar de resten van Alexander de Grote in Alexandrië. Wat zowel zijn vriend als de Macedoniër met elkaar verbindt, is hun “pothos”. Graecus en Latinist Van Veelen omschrijft het als “hunkering naar iets wat onmogelijk is”. Hij baseert zich hierbij op de definitie van Arrianus. Alexander zocht onsterfelijkheid, en de veel te vroeg overleden vriend had er zijn missie van gemaakt de dood recht in de ogen te staren. De dood dood te staren, zoals hij schreef.
Raar genoeg zijn beiden op een bepaalde manier in hun onmogelijke missies geslaagd. Alexander is een onsterfelijke held geworden, en Tomas´ blik is er een van eeuwige staar. Hij heeft meegemaakt en gezien, wat de schrijver van dit boek bij leven nimmer weten noch kennen kan. Een betere omschrijving van de Pothos die beiden voortjoeg, is mijns inziens “het verlangen om te ver te gaan”. Niet het bereiken van het doel is het doel, maar het verlangen om te verdwalen in een gebied waar niemand ooit van wederkeerde.

Thomas Blondeau.jpg

Thomas Blondeau, copyright NRC-Handelsblad

Tegen het slot van het boek is dit eigenlijk ook de conclusie van Van Veelen zelf. Als hij het karakter tegen het licht houdt van een andere ikoon uit Alexandrië in wiens sporen de schrijver treedt, de bezeten amateurarcheoloog Stelios die op eigen houtje tot aan zijn dood putten bleef graven in de stad op zoek naar de overblijfselen van de Grote Alexander, schrijft hij: “(Stelios) ging nog verder. Hij bereikte het hoogste wat een mens bereiken kan. Want ik kan maar één goede verklaring bedenken voor het feit dat hij door bleef zoeken, ook toen de pers verdwenen was. Stelios ging zo op in zijn missie dat het zijn levenswerk werd, hij kon niet stoppen. Hij was zo goed in het begoochelen dat hij zichzelf had weten te begoochelen – hij had bereikt waar Alexander vergeefs op hoopte. Hij was allang vergeten waarom hij zocht, maar zocht door, omdat het zoeken zelf zo plezierig was, het graven, het scheppen, hij was een kind in een zandbak… Ik stel me hem voor als een gelukkig mens.”

Kavafis project.jpg
Er zijn nog twee karakters, die een sleutelrol spelen in deze literaire anatomie van de rouw en van de ziel tout court. De Griekse dichter Kavafis en de mythische hedendaagse Arabische kunstenares Halcia. De stukken over de dichter zijn lyrisch en melancholisch van aard, net als diens mediterrane poëzie. Het kortere verhaal over Halcia, is van heel ander kaliber. Halcia´s foto´s uit haar project Strandgeheugen, waarvoor ze al dan niet pikante strandkiekjes collectioneerde uit de gouden sexy tijden van voor de islamitische contrareformatie, hebben de dappere kunstenares behalve roem (via Arjen Van Veelen´s boek) ook de dood opgeleverd. “Door een verdwaalde of niet verdwaalde kogel is Halcia in januari 2013 om het leven gekomen”, schrijft de auteur zakelijk. Ook deze dame (het bezoek vormt maar een kort intermezzo in het verhaal) is op haar manier een slachtoffer van haar Pothos geworden.

Obelisk Austerlitz
Archetypische symbolen en bikkelharde realiteit raken tijdens de speurtochten van de schrijver op intrigerende wijze met elkaar vervlochten. Het knapst gedaan is dit in het hoofdstuk over het bezoek dat de schrijver in gezelschap van zijn later overleden vriend aflegt aan de obelisk van het plaatsje Austerlitz bij Zeist. “Met Tomas voelde elk tankstation als Parijs, maar zonder hem voelde alles als vastziten in de lift met de verkeerde mensen.” Wat het zien van die obelisk bij Austerlitz uiteindelijk bij de schrijver van dit magische boek teweegbrengt, moet u beslist zelf lezen. Eigenlijk leiden alle punten van de bezochte monumenten, huizen, gangen en uiteindelijk zelfs zowat alle punten van de gebeeldhouwde zinnen die de hyperstylist Van Veelen in schrander gemonteerd tempo op ons afvuurt, tot een verbijsterende conclusie: mijn beste vriend moest sterven, es muss sein. Maar pas nadat en misschien wel omdat hij stierf, heeft de schrijver via de beschreven speurtochten tot aan de rand van vriendschap en dood, op schuifelende weg zichzelf kunnen vinden. Et resurrexit! Etiam pro nobis.
Dat heeft niets met spijt of schuld te maken (die laffe en gratuite levenskunst, schrijft Van Veelen op p. 73), maar alles met liefde, wijsheid en het afwerpen van innerlijke kettingen. Dit boek, dat zowel een pad van doorklievende persoonlijke rouw als van historische hermeneutiek bewandelt, brengt je op plekken van inzicht en verheffing waar je als lezer eigenlijk niet meer weg wilt. Dit boek wil ik altijd in mijn nabijheid hebben.

Serge R. van Serge Van Duijnhoven
Arjen van Veelen, “Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken” (De Bezige Bij 2017
ISBN 978 90 234 4860 0

Arjen van Veelen Twitter

Arjen van Veelen on Twitter

De Tien Stellingen van Buitengewoon Ongewoon

Kandelaarsstraat graffiti terminoideologica.jpgDe Tien Stellingen van Buitengewoon Ongewoon

Lijst 14

Den Bosch

 

Ralph Posset, partijleider

Serge R. van Duijnhoven, nummertwee

 

  1. Zweer af de prietpraat
  2. Wees niet slordig met geluk
  3. Alleen de onderwereld illegaal
  4. Meer poëzie in de politiek
  5. Meer magie in het dagelijks bestaan
  6. Minder verraad aan de ziel
  7. Minder disrespect en machtsmisbruik
  8. Minder ongelijkheid en mercantilisme
  9. Den Bosch hoofdstad van Nederland
  10. Herstel van het Hertogdom Brabant

 

 

http://buitengewoon-ongewoon.nl

0611088673

Recensie: De heilige Rita – de nieuwe roman van Tommy Wieringa

Tommy Wieringa, De heilige Rita (De Bezige Bij 2017)

door Serge R. van Duijnhoven

 

Sinclair Lewis creëerde Gopher Prairie, een fictieve plek in het hart van Minnesota. James Faulkner plaatste vele verhalen in zijn verzonnen provincie Yoknapatawpha. En Tommy Wieringa schiep in zijn nagelnieuwe roman De heilige Rita (De Bezige Bij 2017) Mariënveen en de Waarmanslanden. Om alle drie de gevallen gaat het om mythische binnenlanden, even realistisch als gefabuleerd. Decors die de schrijvers baseren op de grond waar ze opgroeiden, maar die ze even soepel naar hun hand kunnen zetten als regisseurs het decor van een toneel. Mariënveen bevindt zich in het oosten van Nederland. Een grensgebied en desolate krimpregio aan het uiteinde van het koninkrijk, ver van zee. Waar iedereen die iets kan, vertrekt.

de-heilige-rita

Protagonist in deze hartverscheurende vertelling van Wieringa, is de negenenveertigjarige Paul Krüzen. Zoon van een flegmatieke leraar geschiedenis met een endemische vorm van heimwee, nazaat uit een roemloos ten onder gegaan geslacht van molenaars die toen er een sluis gebouwd werd in de Molenbeek, van lieverlee maar zijn gaan boeren. De woonst van Paul Krüzen is een verminkte boerderij waar twee van de drie gedeelten uit gesloopt zijn, en de rest nog amper overeind staat als een spookachtig staketsel op een winderige begraafplaats. “Zwaar rustte het pannendak op het huis… Schemerde het buiten, dan was het binnen al donker… Eens was het een trotse, driekappige Saksische boerenhoeve geweest, maar een voorvader die het slecht ging, had de kappen aan weerszijden laten slopen en alleen het middengedeelte laten staan… De deel had haar bestemming verloren en was geleidelijk aan vol komen te staan met in onbruik geraakte werktuigen. Vlak gesleten Bentheimer molenstenen, een hooischudder, een weidedrinkbak; het archief van mislukkingen van het geslacht Krüzen.”

 

Het Duitse plaatsje Stattau, dat een postkantoor en bordelen bezit, Kloosterzand, de Avermaten: de geografische pleisterplekken in het boek zijn volstrekt waarachtig beschreven, evenals het knauwende taaltje dat er gebezigd wordt. Geen zin teveel, galgenhumor, bitterheid en cynisme. De buren bestaan uit twee stokoude broers (Oude Wesselink), met een waterput op de deel en in de keuken een zoemende ketel op een komfoor. Wieringa:  “Ze waren zo oud als bomen, die broers, en even vriendelijk”. De andere spelers in het spel zijn twee maffiose figuren, Laurens Steggink en zijn enigmatische Russische secondant die op brute wijze rondrijdt in de Ferrari Testarossa van zijn baas. “Toen Steggink op een dag werd veroordeeld voor een wietplantage bij de ouders van zijn verloofde in de schuur en valse zaken op Marktplaats, was Paul niet verbaasd geweest. Niemand eigenlijk. Je zag het aankomen. Laurens Steggink had geen biografie maar een strafblad. Zijn ex deed het nog altijd in haar broek voor hem.”

In dit krimpgebied aan de Duitse grens heerst ledigheid en eenzaamheid. Paul Krüzen verdient zijn geld met de handel in curiosa en militaria. “Curosia”, staat er abusievelijk op het uithangbord geschilderd voor de oprit. De militaria zijn voornamelijk afkomstig uit de voormalige DDR. Uniformen, wapens, helmen, medailles, zendapparatuur, mortierhulzen. “Zelfs een Shermantank had hij gehad, maar met rijdend materieel was hij gestopt, op een Daimler Dingo na; te veel massa, te weinig marge;” In de schaduw van de bomen en zijn schuren vol ‘curosia’, houdt Paul zich onzichtbaar en bemoeit zich nergens mee. Naast het verzenden van paketten, bestaat zijn dagtaak uit het verzorgen van zijn aftakelende vader Aloïs. De mannen leven alleen, als achtergelaten strijders op een verlaten slagveld. De moeder van Paul en vrouw van Aloïs, heeft man en kind in de jaren zeventig pardoes in de steek gelaten. En alle contact verbroken. Ze is er met een Russische verstekeling vandoor gegaan, die op een avond in de zomer met zijn krakkemikkige sproeivliegtuigje in de maisvelden voor de boerderij was neergestort. Helemaal vanachter het IJzeren Gordijn was deze piloot aan komen vliegen. De scènes over deze sproeipiloot in zijn zelf opgetuigde Polikarnov die als een engel uit de lucht komt gevallen, en het huiselijk leven van de Krüzens voorgoed zal veranderen, behoren tot de  meest verbluffende in het boek. In deze passages is het of Wieringa een nieuw hoofdstuk toevoegt aan zijn succesroman Joe Speedboot. Wederom is het verhaal even mythisch als volstrekt waarachtig beschreven. Het levert schitterende stukken op van humor en tragiek, in minimaal afgebakende zinnen vol rake observaties. Wereldliteratuur, gegrondvest op gefabuleerde provinciale bodem. Wie het werk van de vroege Joseph Roth kent, of van Isaac Babel (De rode ruiterij), zal bewonderend smullen van de smartelijke scene waarin de carnavalsoptocht wordt beschreven waarin de dorpelingen een wagen bouwen met een replica van het sproeivliegtuigje waarmee de Rus uit de hemel kwam gevallen om neer te strijken tussen de noabers van Mariënveen. De Rus wordt bovenin de replica geplaatst en volgestopt met jenever en worst, tot hij bijna het leven laat. De optocht ontaardt als op een schilderij van Jeroen Bosch. Maar de Rus komt uit deze carnaveleske hellevaart tevoorschijn als een onvermoede overwinnaar: hij hinkelt weg van de boerderij, en wordt nagelopen door Paul´s moeder die haar gast huilend naloopt en om de armen vliegt. Vader en zoon blijven getraumatiseerd achter. Moeder verdwijnt uit hun leven, om nooit meer terug te keren.

Krüzens enige vriend is er een uit noodzaak en geboorte. Een armetierige kruidenier, die zichzelf verwaarloost en even lankmoedig is als in zichzelf gekeerd. Een jongen die niemand kwaad doet, maar zelf ook verstoken is van ambitie en karakter. Hedwiges Geerdink heet deze deerniswekkende man, op wie je niet kwaad kan worden. Zelfs al kan hij alleen nog maar aan je kop zeuren over wie er nu weer zijn overleden in de verre omgeving. Hedwiges en Paul vinden elkaar tijdens gezamenlijke vakanties en bezoekjes aan cafetaria Happytaria, die gerund wordt door een dorpeling die zijn liefdesgeluk heeft gezocht bij een geimporteerde Chinese vrouw en haar familie die hij er gratis bij kreeg. Als ook tijdens uitstapjes naar een louche bordeel net over de grens, dat uitgebaat wordt door die engerd van een Steggink en zijn Russische neanderthaler. Zoals Michel Houellebecq parenclubs en seksresorts beschrijft, schildert Wieringa ons de wereld van Club Pacha. Maar dan minder cynisch en claustrofobisch. Wieringa is subtieler en suggestiever. “In Club Pacha begon het leven elke avond opnieuw. Je hoefde je niet te verontschuldigen voor wat vorige keer was misgegaan. De score van gisteren was gewist.” Paul en Hedwiges vinden er verpozing en kortstondig geluk, tussen kwebbelende lellebellen uit Azie en Oost-Europa die tangaslipjes dragen waar de witte labels met wasvoorschriften nog aanzitten. Spil in het amoureuze web is de Filipijnse Rita, een hoer op leeftijd bij wie Paul zich beter op zijn gemak voelt dan bij wie ook. Hij heeft haar een kettinkje gegeven dat hij na een vakantiereis voor haar heeft meegenomen. Van de Heilige Rita van Cascia. Sta RITA ORA PRO NOBIS, staat er op het medaillon: Heilige Rita, bid voor ons. Rita was de patrones van de hopeloze gevallen, maar ook van onvruchtbare  vrouwen en vrouwen met een slecht huwelijk, slagers en vleeshandelaren. Paul Küzen overweegt om Rita bij zich in huis te nemen, ten huwelijk te vragen. Maar een onfortuinlijk verlopen geschiedenis met een andere Aziatische schone, staat hem in de weg. Twintigduizend Euro heeft die hem gekost, en ze ging vreemd bij het leven. “Zijn vader had haar aanwezigheid geduldig verdragen, en na haar vertrek alleen gezegd: ‘Daar kon je maar beter vanaf wezen. Die loog zoals de dag lang was.’ Met Rita zou het anders zijn. Ze was katholiek, net als hij, de nestgeur van de moederkerk. Hij vertrouwde haar, maar vroeg het haar niet; de eerste hoer in zijn huis had de toegang tot de tweede versperd.”

Alle dorpelingen in de sage van Wieringa, delen met elkaar dezelfde vorm van lankmoedigheid, solitariteit en vooral: gebrek aan ruggegraat. Ook Paul, die zich overal afzijdig van wil houden, lijdt hieraan. Tot hij door het noodlot op de proef wordt gesteld. En boven zichzelf uitstijgt. Het boek is niet alleen  een vintage-Wieringa, met stijlvaste hand geschreven in drieendertig bijbels aandoende hoofdstukken. Het speelt ook in een exemplarische grensregio, waar natuur en cultuur zich tot diep in de eenzame, verkommerende harten met elkaar vervloeien. En de bewoners er ternauwernood in slagen “om de gebreken heen te leven”. Alles geschreven in even gemarmerde als tot in het merg doordringende zinnen van zowel poëtische als filosofische kwaliteit. Het boek zit vol psychologische diepgang en sociale, historische wijsheid. Over het leegschrapen van de DDR, over de natuur en het wezen van een krimpgebied, over zielen die zich tegen krachten van de teloorgang nauwelijks nog dapper teweer kunnen stellen. Over de lotgevallen van een plattelandsbevolking aan het uiteinde van het koninkrijk, die zich plotseling gesteld ziet voor de problemen van een zich tomeloos versnellende en globaliserende wereld.

Wat bovenal meesterlijk  gedaan is, in deze roman, is de impressionistische wijze waarop de verlatenheid en eenzaamheid van de personages voelbaar wordt gemaakt. Mensen die niets lijken te hebben, en toch alles op zekere dag verliezen. En die de rest van hun bestaan de omvang van hun verlies proberen te overzien. Mannen en vrouwen die “de afstand tot verdwenen sterren meten”. Het is de generatieve grammatica van de nakende ondergang, die door Wieringa in dit boek stap voor stap wordt blootgelegd. Eerst komen de Chinezen het dorp in, in de jaren zeventig. Aan het eind trekken ze weer weg, omdat de krimpregio ook  voor hen niets meer te bieden heeft. De vader van Paul kwijnt en rot letterlijk weg, met het verlies van zijn vrouw in zijn hart gegrift. Paul´s enige vriend wordt overvallen en toegetakeld door twee mannen met bivakmutsen, die Hedwiges hebben horen pochen dat hij met zijn kruidenierszaak fortuinen zou hebben verdiend. Er wordt tachtigduizend Euro buitgemaakt, Paul´s vriend wordt halfdood achtergelaten in de vervallende hoeve met het naburige magazijn vol afgeprijsde blikjes Unox smeervlees en slagroomspuiten. “Dit is mijn leven, dacht Paul, ik hou de stervenden gezelschap.”

Even is er een opflikkering van hoop, als Paul bij de apotheek geholpen wordt door een vrouw die bij hem op de lagere school heeft gezeten. Ineke Wessels, een grijsgeworden deerne met borsten als kanonslopen. Hij herkent haar aanvankelijk niet, maar zij toont interesse in hem en belt hem op voor een afspraak. “Hij leunde achterover in de bank toen ze naar de keuken verdween. Praten vergde veel van je. Een mijnenveld was het. Toch vond hij het contact met Ineke Wessels onverwacht aangenaam. Ze had een dode man en kinderen die haar verlaten hadden. Ze droeg haar eenzaamheid waardig. Alleen aan de lichte hysterie onder haar stem hoorde je hoe het er met haar voor stond.” Paul heeft het bij haar naar zijn zin, en vraagt zich af of het huwelijk er ook zo uit zou zien, comfortabel en genoeglijk. “Voor zoiets was hij ook wel te porren, dacht hij als een autohandelaar die een kansje rook.” Maar als Paul de daad bij het woord of het verlangen moet voegen, gaat het mis. De machine hapert. “Van de kinderen die ze baarde en zoogde, van een dode man en het verstrijken van de tijd sprak het lichaam van Ineke Wessels, en grijs als as was haar schaamhaar. Naaktheid had een oude vrouw onthuld. Hij stootte toe maar zijn kracht vloeide uit hem weg, zijn hardheid, hij streed een verloren strijd. Een gelukkige dag ontsnapte hem, zijn deel van het geluk loste voor zijn ogen op.”

Wieringa is meedogenloos en empathisch tegelijk. Onder de oppervlakte van de krimpregio gromt en rommelt het noodlot. De ondergang is onontkoombaar, maar Paul Krüzen overwint de angst die zijn vader zijn leven lang parten heeft gespeeld. Hij stijgt bij de nadering van die ondergang, boven zichzelf uit. Tot hallucinerende proporties. Het einde doet denken aan het slot van de serie Breaking Bad, maar dan zonder de sproeiende kogelregen. We blijven achter in het gapende, dreinende hoofd van de hoofdpersoon. Hij staat gereed in een SS-uniform dat zijn eerste aankoop behelsde van zijn serie militaria, bereid de aloude Russische vijand mores te leren. Hij richt zijn Lueger op de nacht, vanwaar Iwan hem zal belagen. En is bereid de naderende crimineel de nachtmerrie van diens grootvader, te doen herleven. Om vervolgens te verdwijnen in de peilloze donkerte van de nacht. In de stilte van zijn eenzaamheid.

Een hartverscheurend en wijze roman van internationale allure, zoals alleen Wieringa die in Nederland kan schrijven.

 

Tommy Wieringa, De heilige Rita, De Bezige Bij, 284 p., 19,99 euro.

 

 

Vishnu’s amuse gueule en Ah-Pook’s lekkernij

De Nobelprijs voor de Vrede ging vandaag helemaal terecht naar de organistie ICAN. De internationale coalitie krijgt de prijs voor de inzet voor het beperken van de verspreiding van nucleaire wapens. Hier een essay dat ik schreef over de hernieuwde angst voor een op handen zijnde nucleaire apocalyps, de kristallijnen traan van Robert “Doctor Atom” Oppenheimer, over Ah Pook de Vernietiger, de problematische betekenis van het getal nul in de Mayacultuur, over Lucy Walker’s atoomdocumentaire Countdown to Zero, het utopisme van de Global Zero Movement en de ultieme poging van de mens om zich te verlossen van het nucleaire kwaad. Is het twee voor twaalf? Een moment voor nul? Of is het al te laat? Lees het hier:

Sergevanduijnhoven's Blog

essay van Serge van Duijnhoven

over de hernieuwde angst voor een op handen zijnde nucleaire apocalyps, de kristallijnen traan van Robert “Doctor Atom” Oppenheimer, over Ah Pook de Vernietiger, de problematische betekenis van het getal nul in de Mayacultuur, over Lucy Walker’s langverwachte documentaire Countdown to Zero, het utopisme van de Global Zero Movement en de ultieme poging van de mens om zich te verlossen van het nucleaire kwaad. Is het twee voor twaalf? Een moment voor nul? Of is het al te laat?

een beschouwing n.a.v. de documentaire COUNTDOWN TO ZERO van Lucy Walker, Lawrence Bender en de Global Zero Movement, die vanaf 23 juli as. in de Verenigde Staten en Europa in de grote filmzalen te zien zal zijn.

trailer van de film Countdown to Zero:

http://www.festival-cannes.fr/en/mediaPlayer/10332.html

“It is perfectly obvious that the whole world is going to hell. The only possible chance that it might not is…

View original post 5.168 woorden meer

Pat Donnez praat met Serge van Duijnhoven over het dal waar hij uit kruipt

Blijf verwonderd!

Serge neemt afscheid van Brussel en vertelt hoe zijn immense liefde voor deze metropool, ontaardde in een rampzalige depressie met een bijna zelfmoord tot gevolg.
Foto van Serge van Duijnhoven

Serge van Duijnhoven (c) foto Bart Azare

 

Tot voor kort woonde Serge van Duijnhoven in het oude hart van de stad Brussel. Bijna twintig jaar. Hij beleefde er vele hoogte- en dieptepunten. Schreef er, trouwde er, scheidde er, werd op straat beschoten door een groep Marokkanen, werkte als nachtportier in het sjiekste hotel van de stad. Op 22 maart 2016 raakte Van Duijnhoven betrokken bij de aanslagen in de metro van Brussel. Dit was de druppel die de emmer deed overlopen.

Berg en Dal SvD Pat Donnez Klara 17 sept 2017

http://radioplus.be/#/klara/herbeluister/7e456ea7-520d-11e5-8f7e-00163edf48dd/420c44fe-9b87-11e7-81f8-02b7b76bf47f/

 

Mijn seizoen in de hel
Wie vragen heeft over zelfdoding, kan terecht op het gratis nummer 1813 en www.zelfmoord1813.be.

Van 1999 tot 2017 woonde de in Oss geboren schrijver, dichter en historicus Serge R. van Duijnhoven (1970), tevens frontman van de band Dichters Dansen Niet, in het oude hart van de stad Brussel. In deze hoofdstad van het continent beleefde de auteur vele gedenkwaardige hoogte- en dieptepunten. Hij schreef er zeven boeken en maakte er vier cd-albums, trouwde er, scheidde er, werd op straat beschoten door een groep Marokkanen, werkte als nachtportier in het sjiekste hotel van de stad waar de Koninklije familie El Nah´yan uit de Verenigde Arabische Emiraten met een gevolg van bediendes en slaven permanent de vierde verdieping bewoonde. Hij gaf er concerten en lezingen, hield een literaire talkshow in boekhandel Bolle en woonde er gedurende twee rumoerige jaren samen met auteur Arthur van Amerongen terwijl die undercover werkte aan zijn  geruchtmakende boek Brussel Eurabia. Van Duijnhoven beleefde in vele opzichten een gloedvolle tijd, maar raakte gaandeweg zijn verblijf ook steeds meer innerlijk bevlekt door de verpaupering, islamisering en verelendung die het  Brusselse Hoofdstedelijk Gewest de laatste jaren kenmerken. Op 22 maart 2016 raakte Van Duijnhoven betrokken bij de aanslagen in de metro van Brussel. Dit was de druppel die de emmer deed overlopen. In zijn prachtig geschreven dagboekaantekeningen Afscheid van Brussel hoe zijn immense liefde voor deze hybride metropool en zijn diverse bewoners, ontaardde in een rampzalige depressie met bijna fatale gevolgen.

 

Fragment:

 

“Brussel was zo´n geweldige stad dat hij nooit op zou raken. In de Kandelaarsstraat waren we totaal in harmonie. Ons leven was als een enkel, welbesteed uur. Het geheim ervan was ons gebrek aan wroeging, aan zelfmedelijden, onze creativiteit en trots die maakten dat we onze armoede en ontberingen voor lief namen. We waren bereid de prijs te betalen van een bestaan in de groezelige boezem van de Brusselse bohème. De sleutel tot ons Brusselse geluk, was onze onstilbare honger naar de bronnen van het leven zelf. Onze souplesse, om ons aan te passen aan de vereisten en coutumes van een stad die politiek even verdeeld was als cultureel gefragmenteerd. We haalden de pin uit de granaat, en wachtten nieuwsgierig op de ontploffing. Verkneukelden ons bij het schouwspel, de felle lichtflits, de knal, het tafereel van de versplinterde explosie. We bezagen en bestudeerden het resultaat van onze handeling. De uiteengeworpen fragmenten van een tot ontploffing gebrachte leven dat net als het zonlicht in de rozetta van een kerk, op de vloer neerdaalde in multispectrale scherven van lich ten schaduw. Een betoverend arsenaal aan messcherpe kleuren. Wat we met volle teugen tot ons namen, in ons opsnoven, was de opwindende geur van vers tot ontploffing gebracht kruit. Het buskruit van het ware, grootse leven in een grenzeloos Hoofdstedelijk Gewest.”