DE ESTHETIEK VAN DE HORROR – over de liefdesschijnbewegingen tussen kunst- en oorlogsfotografie

kunst- en reportagefotografie op het snijvlak tussen verbeelding en verslaggeving

SERGE  VAN  DUIJNHOVEN

tekst orig. gepubliceerd in De Brakke Hond Nr. 85[, 2004 (essay)]

‘I knew that of all the gory and heart-wrenching scenes I had already photographed that morning, this dead baby was the image that would show the insane cruelty of the attack. . . . But the light sucked.’
-Greg Marinovich and João Silva*[i], The Bang-Bang Club

I

Onder het robuuste gilde der oorlogsjournalisten, vormen de conflictfotografen en cameralieden beslist de harde kern. Zij zijn het ‘piétaille’ of de hondssoldaten die zich noodzakelijkerwijs in de vuurlinie moeten wringen, daar waar hun schrijvende collega’s ook genoegen kunnen nemen met het opdissen van sappige verhalen in de hotellobby of met persbriefings in kazernes. Het credo van de Hongaarse oorlogsfotograaf (Endre Ernö Friedmann, beter bekend als) Robert Capa (‘als je foto’s niet goed genoeg zijn, sta je er niet dicht genoeg op’), is in alle gevallen het hunne. Fotografen moeten er niet alleen zijn als de gevechten plaatsvinden, ze moeten het ook vastleggen op film – ongeacht de omstandigheden, de lichtval, het tumult of het gevaar. Ze moeten hun apparaat klaar hebben voordat het moment daar is. Fotografen bevinden zich vaker dan hun collega’s in de gevarenzone, maar worden minder betaald. De toewijding waarmee ze hun werk doen, moet daarom extra groot zijn. Ze dienen een maag van ijzer te bezitten en zenuwen van staal, want anders zouden ze er niet in slagen onder de gegeven omstandigheden scherp te stellen op de horror. Waar een normaal mens zich zou omdraaien en wegrennen, daar rennen zij juist op af.

‘Als je foto’s niet goed genoeg zijn, sta je er niet dicht genoeg op.’

Een oorlog verslaan op de Capa-wijze is spitsroeden lopen. Je moet de oorlog dicht genoeg naderen om hem betrouwbaar en levendig in beeld te kunnen brengen. Tegelijkertijd moet je genoeg afstand bewaren om je onafhankelijkheid te waarborgen. Distantie en betrokkenheid zijn de richels waartussen een koord is gespannen dat de reporter voetje voor voetje over moet. Een vleug onverschrokkenheid kan in sommige gevallen van pas komen of misschien wel ‘de foto van je leven’ opleveren, maar de echte heldenmoed kan beter aan de soldaten worden overgelaten. Die zijn daar beter voor geëquipeerd. De verslaggevers zijn er om de oorlog in beeld te brengen, niet om hem te voeren. Tussen ‘er niet dicht genoeg op zitten’ en ‘er te dicht op zitten’ loopt een dunne rode lijn. Een kritische limiet die onzichtbaar is in de hitte van het moment, maar die bij overschrijden onherroepelijk kan veranderen in een diepe kloof. Wat aanvaardbare en onaanvaardbare risico’s zijn, blijkt meestal pas achteraf. Als het lijk geborgen is of de schade geleden.



* João Silva (geb. 9 augustus 1966 in Lissabon, Portugal) is een gerenommeerd fotograaf die begin jaren negentig furore maakte als een van de leden van de Bang-Bang Club – een groep conflict-fotografen die in de nadagen van het Apartheidsregime in Zuid-Afrika de grenzen van de foto-journalistieke welbewust verkenden en verlegden. Winnaar van de World Press Photo en andere grote prijzen. Op 23 oktober 2010 raakte hij ernstig gewond in het zuiden van Afghanistan (nabij Kandahar) toen hij op een mijn stapte. Dezelfde kalamiteit die de aartsvader aller conflictfotografen Robert Capa in Indochina op 25 mei 1954 fataal was geworden. Capa verloor zijn linkerbeen toen hij bij het verlaten van zijn auto op een mijn stapte. Hij bloedde dood op weg naar een veldhospitaal. Silva raakte gewond aan beide benen maar zou naar verluidt ondanks zijn verwondingen zijn doorgegaan met fotograferen tot hij op een stretcher de helicopter in werd getild.  Waar de camera hem pas na diverse morfineinjectie uit handen zou zijn geglipt. “Those of you who know Joao will not be surprised to learn that throughout this ordeal he continued to shoot pictures,” deelde Bill Keller, een van de  hoofdredacteuren van The New York Times, een half etmaal na de aanslag in een empathisch memorandum mee aan zijn personeel. In elk geval krijgt de titel van Silva’s laatste fotoboek, In The Company Of God, door het ongeluk een nogal wrange, onbedoeld dubbelzinnige betekenis. Heeft Joao Silva nu pech of geluk gehad? Was God hem even vergeten, of was zijn redding juist het een bewijs dat God op het kritieke moment de fotograaf gezelschap was komen houden? (Achteraf gezien moet Silva toen het misging de aanwezigheid van God bij wijzen van spreken hebben kunnen ruiken. Uit de hemel kwam de redding, strekte Hij zijn rotorbladen beschermend over de aan stukken gereten reporter uit. Zoals de oude hymne wilde: “Gij die in de hemelen zijt: Wees met ons. Maak ons weer heel.)”


2.

Oorlog is voor sommigen het best denkbare afrodisiacum, de meest lucide en effectieve drug om mee te ontsnappen uit een slabakkend of niet bijster spannend dagelijks bestaan. Voor de bevolking die klem komt te zitten heeft de oorlog niets opwindends of aantrekkelijks. Voor haar is het een kwestie van overleven – of sterven. In de praktijk komt dat meestal neer op het trachten door te komen van de dagen; wachten dus. En het terugvallen op de meest elementaire dingen. Het sprokkelen van voedsel. Het vinden van een blok hout voor de kachel. De buitenlandse journalisten die naar een oorlog komen om er te fungeren als ‘s werelds gebrekkige, halfblinde ogen zijn er zelden geliefd. Ondanks het gewurm van de internationale pers voelen de mensen in de straten of schuilkelders zich vaak volledig in de steek gelaten. De aandacht van de journalisten voor hun ellende komt over als iets pervers. Soldaten zijn al helemaal niet gediend van eigenzinnige pottenkijkers.
`Het is gek,’ zei mijn buurvrouw in Sarajevo, tijdens de oorlog die daar woedde midden jaren negentig. ‘Jullie journalisten willen allemaal niets liever dan de stad bezoeken. Wij willen niets liever dan haar verlaten. Jullie lopen hier opgewonden en nieuwsgierig rond, en na een tijdje verdwijnen jullie weer om elders op krachten te komen. Voor jullie blijft de oorlog spel. Als het kwartje in het gleufje is opgespeeld, als het thuisfront roept of de liefde hunkert zijn jullie ‘m allemaal zo weer gesmeerd.’

© Teun Voeten Sarajevo, Bosnia, January 1994

Voor veel conflictreporters die de oorlog als werkterrein hebben ontgonnen, is er zowel sprake van een professionele gedrevenheid als van een zekere lichamelijke/psychische behoefte. Een oorlog ontsteekt in veel reporters het onbedwingbare vuur om de wereld te berichten van verwikkelingen die het leven van grote groepen mensen direct in gevaar brengen of vernielen: ‘la remise en question des choses’. Tegelijkertijd legt diezelfde oorlog bij veel reporters een karakterologische kronkel bloot die pas aan het front weer enigszins recht kan worden gestreken; een innerlijke onrust of particuliere geplogenheid die nergens beter dan in een oorlog tot bedaren kan worden gebracht.
De vraag die resteert: is de oorlogsfotograaf bereid de oorlog te trotseren en zijn leven in de waagschaal te leggen, omdat de roeping hem daartoe dwingt? Of vormt de journalistieke loopbaan een rechtvaardiging voor een onthecht bestaan waaraan toch niet viel te ontkomen?
`We moeten getuigen. Dat is het doel van onze aanwezigheid hier’, zegt de Franse fotograaf Patrick Chauvel in Veillées d’armes; histoire du journalisme en temps de guerre (ondertitel: The trouble we have seen), de uit twee delen bestaande monumentale documentaire-film van Marcel Ophuls, die is gemaakt achter de schermen van het mediacircus dat in het heetst van de strijd in Sarajevo was neergestreken in en rond het Holiday Inn. Deze Patrick Chauvel verslaat al dertig jaar lang oorlogen, en dat is hem aan te zien. Een verslaggever is in de opvatting van Chauvel een `legionair van het nieuwsbataljon’, zijn taak is een `roeping’ waaraan niet kan worden getwijfeld; aan Chauvels rechtvaardiging die hij het camerateam van de dandy-cineast Ophuls toebijt in Veillees d’armes is geen speld tussen te krijgen: `We moeten getuigen. Opdat men later nooit zal kunnen zeggen, zoals destijds de Duitsers: we hebben het niet geweten. We hebben niet geweten wat er gaande was.’
Ophuls knikt veelbegrijpend, en brengt het gesprek vervolgens op de beelden van de oorlog die om het publiek te bereiken automatisch deel gaan uitmaken van een mediacircus of `informatiespektakel’.
`Ik ben tegen dat spektakel,’ bromt Chauvel in de documentaire.
`Natuurlijk ben je tegen’, is het antwoord van Ophuls. `We zijn allemaal tegen, en we maken er allemaal deel van uit.’
Chauvel blijft ontkennen. Hij waakt ervoor, zegt hij, dat zijn foto’s van hun oorspronkelijke karakter worden ontdaan – bijvoorbeeld door ze los van de context tentoon te stellen in gelegenheden waar bezoekers er met een glas champagne en wat zoutjes in de hand langs kunnen wandelen.

De regisseur confronteert Chauvel hierop met een uitspraak van de Engelse oorlogsfotograaf Don McCullin, die een tiental jaar geleden concludeerde: `Ik ben van nature pessimistisch en zie eigenlijk nauwelijks meer toekomst voor de fotojournalistiek.’ Hij bedoelde, legt Ophuls uit, dat na enige tijd de mensen van alle ellende die journalisten over hen uitstorten volkomen afgestompt zouden raken.
`Daar zullen we dan eens wat aan gaan doen,’ is het koel klinkende antwoord van de fotograaf. On va s’en occuper. En hij voegt er droogjes aan toe: `Voorlopig hoeven we nog niet te vrezen dat we werkeloos zullen worden.’

3.

De relatie tussen werkelijkheid en verbeelding, is in het geval van oorlogen en rampen nooit helemaal duidelijk. De reden hiervan is vooral gelegen in de breedgelaagde mediatisering van het conflict ter plaatse. Chris Keulemans, voormalig directeur van De Balie in Amsterdam waar ook de organisatie Press Now onderdak vindt, vergeleek de belegerde stad Sarajevo in zijn boek Van de zomer naar de werkelijkheid met ‘de setting van een filmdecor uit het begin van de eeuw waardoorheen zich schichtige figuranten spoedden. Schimmen uit een grofkorrelige, zwijgende spektakelfilm van W.T. Griffiths. Mensen met magere gezichten, hoeden, petjes, stokken, krukken, wapens, kruiwagens vol jerrycans, afgeragde taxi’s die langs scheurden met gewonden op de achterbank. Stoetjes die even grimmig als stil door het stadsdecor trokken, langs brokkelige gevels.’
De oorlog in voormalig Joegoslavië leende zich, net als alle oorlogen die plaatsvonden sedert Roger Fenton in 1854 op pad gestuurd werd om de Krimoorloog voor het Engelse thuisfront vast te leggen op gevoelige collodiumplaten (die onder de luifel van zijn door paarden voortgetrokken photographic van meteen moesten worden bewerkt), uitstekend voor een fotografische/filmische/dramaturgische benadering – al was het dan bij vlagen. Voor een permanent tromgeroffel duurde de oorlog te lang. Maar hoe pittoresk en fotogeniek waren de decors – de prachtige, historische steden die zienderogen verwerden tot kadavers. Hoe huiveringwekkend de graatmagere lichamen achter dat ene stukje op prikkeldraad gelijkend kippengaas. Hoe ontroerend de champagnefles die ontkurkt werd in een Sarajeefs hotel toen het akkoord van Dayton eindelijk getekend werd. De rechtvaardigheid die alsnog zegeviert!
Het laatste voorbeeld, dat van de champagnefles, toont mooi aan hoe het nieuws in de oorlog onbedoeld zijn eigen werkelijkheid kan creëren. Na vier jaar rampenverslaggeving was het, zo vond men op het CNN-hoofdkwartier in Atlanta, nu toch de beurt aan het goede nieuws. Dus filmde men hoe de eigenaar van een hotel (hetzelfde hotel waar toevallig ook de nieuwscrew bivakkeerde) een champagnefles ontkurkte. Beelden die, ook al wilde de champagne niet echt schuimen, wereldwijd dagenlang in eindeloze herhaling te zien waren. Dat in Sarajevo bijna niemand blij was met het gesloten akkoord – dat de agressors immers had beloond met een flinke hoeveelheid land en dat hun doelstelling van een etnisch opgedeeld Bosnië ook nog eens leek in te willigen – drong bijna nergens meer door. Het feit was weggedrukt door de beelden van de champagne.
Het onderscheid tussen film en realiteit, tussen media-event en werkelijke gebeurtenis is niet altijd meer expliciet duidelijk. Toen de stadsbewoners in september 1995 de Navo-vliegtuigen hun bombardementen zagen uitvoeren op Servische doelen, was de reactie van velen dat het `precies zo was als in de film’. De werkelijkheid leek op iets wat men elders al eens had gezien. Het scenario was bekend, de voorstelling leek al vaker gespeeld. Een Bosnische producer van een onafhankelijk filmcollectief stelde dat de vele Amerikaanse films en tv-series waarmee iedereen in zijn stad was opgegroeid, mede van invloed zijn geweest op de manier waarop men er veel te lang van uitging dat de goede kant het vanzelf wel zou winnen. Dat was immers wat de films hadden geleerd. De Navo-vliegtuigen kwamen, na vier jaar, te laat om nog van een overwinning te kunnen spreken. Het land en de stad waren toen al finaal kapotgemaakt.

© Teun Voeten Mostar, Bosnia, September 1992

Het uitgangspunt van de beeldende kunst en het objectief van het nieuwsbedrijf zijn elkaar de afgelopen eeuw gedeeltelijk gaan overlappen. Impact, prikkeling en vorm worden in de media op enkele uitzonderingen na steeds belangrijker geacht dan feitelijke informatie over gecompliceerde conflictsituaties ver van huis. Daarnaast is er ook de aantrekkingskracht van de gruwelen. De werkelijkheid, die door fotografen en mediamensen steeds gretiger en geraffineerder in beeld wordt gebracht.
Dat een oorlog behalve sensationele verslaggeving met dwingende nieuwsfeiten, ook esthetisch veel te bieden kan hebben, is een feit waar vooral de betere verslaggevers maar moeilijk raad mee weten. Wat niet betekent dat ze er geen oog voor (willen) hebben. Zeker niet; lees wat dit betreft de bijna extatische beschrijvingen van Anthony Lloyd (fotograaf en sinds 1993 vooral schrijvend journalist voor o.a. The Times) in zijn ‘journal brut’ Die mooie oorlog; ik mis hem zo (Arbeiderspers 2000) dat hij met afwisselende perioden bijhield gedurende zijn soms maandenlange voettochten door Bosnische bergdorpjes waar vroegere buren en klasgenoten elkaar nu de keel over sneden, de bergen in joegen of met mortiervuur bestookten: ‘Perioden van stilte werden afgewisseld door knallende geweersalvo’s; paarsrode lichtkogels zweefden en botsten heen en weer tussen de hellingen met gracieuze bogen; lichtflitsen, gevolgd door dreunende knallen, antitankgeschut dat regelmatig vurige tongen uitspuugde in een onveranderende baan in de richting van een doelwit links van hen. Het was allemaal van een ijzingwekkende schoonheid… Een perfect gechoreografeerd ballet.’
De donkere schoonheid van het gruwelijke, les fleurs du mal, de esthetiek van de horror die de betekenis van het nieuwsfeit zelf verre kan overstijgen. Schoonheid die – net als in het geval van een verontrustend kunstwerk, een messa in tempore belli of een ‘perfect gechoreografeerd ballet’ – het vermogen heeft om op zichzelf voort te bestaan, los van de maker en zijn opdrachtgevers. Los van het tijdperk waaruit de twisten en gruwelen omhoog zijn geborreld, als gasbellen uit het moeras van de Tijd waarop uiteindelijk niet alleen onze beschaving maar de ganse natuur is gefundeerd.

Aandacht voor de schoonheid van het gruwelijke, is inmiddels een beproefde formule voor respectabele kunsttentoonstellingen geworden. Zo blijkt ook uit ‘Opzij van het kijken’, tegelijkertijd titel en motto voor de 23ste editie van de jaarlijks terugkerende poëziezomer 2003 in Watou, het West-Vlaamse dorpje aan de Franse grens bij Poperinge, waar naar goed gebruik recente Nederlandstalige poëzie en actuele kunst van juli tot begin september een intieme relatie zijn aangegaan met elkaar.
Organisator en dichter Gwy Mandelinck verzamelde 39 dichters, curator Jan Hoet en gastcurator Michel Dewilde selecteerden werk van veertig beeldend kunstenaars van internationale snit.
De poster voor Watou 2003 is een hoppeveld in de winter, kaal en erbarmelijk als een concentratiekamp vol hoge palen en op prikkeldraad gelijkend touwgerei. Een groot deel van deze tentoonstelling is geconcipieerd terwijl de oorlog in Irak aan de gang was. Dat heeft beslist zijn sporen nagelaten.
Bij de ‘Red Sleeper’ van kunstenaar Kentridge, zijn de sporen van boeien en kettingen te herkennen op de polsen en benen van een onrustig slapende figuur. Een treetje hoger, in een van de opkamers van de hoeve, vinden we een getatoeëerde romp in een glazen vitrine (een kunstwerk van Edward Lipski uit 1997). Geen reminiscentie aan het sublieme verhaal ‘Glas’ van W.F. Hermans uit de bundel Paranoia, waarin de verbrande romp van Hitler na de oorlog levend wordt gehouden in een laboratorium, maar even luguber en fascinerend. Daarnaast bevindt zich de bloedende afgerukte arm (van John Isaacs, titel: A necessary change of heart), eveneens in vitrine, met op de nog altijd samengebalde knokkels de woorden ‘HATE’ getatoeëerd.
Minstens zo beklemmend is het uitvergrote fotobeeld van Andres Serrano genaamd ‘Dead by Drowning’ , waarop in bloederig detail het gezicht van een verdronken neger valt te bekijken en, ik zou zeggen, bewonderen. Opvallend zijn de vochtige, bijna smachtende lippen, alsof ze met rode lipstick zijn gestift door de kille hand van de Dood. De schoonheid van de gruwel in haar meest romantische vorm. Het gebed tot de Vernietiger. Toepasselijk daarbij is het gedicht ‘Wij hebben een rozen leeuw waarmee liefde ons ving’ van Ibn al-Khayyaat (1058-1123), een tijdgenoot van Djalalud’ddin Rumi, vertaald door Hafid Bouazza: ‘Hij heeft in zijn mond een rode malse roos/Waarmee hij lijkt te dreigen al is hij dreigingsloos / Zoals een liebaard niet lang na een tijd met een prooi / De resten van het slachtofferbloed zichtbaar op zijn mond…’
Een schrijnend-serene indruk maken de metersgrote diapositieven die zwevend aan touwtjes haaks op elkaar zijn opgehangen, en waarop de huid van de Zuid Afrikaanse kunstenaar Berni Searle (Profile 2002) te zien is. In de huid staan gestileerde foltertekens afgedrukt, als merktekens in leder. Een van de stempels die als littekens in de huid gekerfd staan, betreft het zegel van de Anti Riot Police Cape Town, het heraldiek van de oproerpolitie uit Kaapstad. De vraag die de kunstenaar oproept is duidelijk: tot hoever kan een oppressief systeem doordringen in de mensen die het onderdrukt? Dringt het door tot op, of in de huid? Of nog veel dieper, tot waar geen littekens of inkervingen meer zichtbaar zijn? Onder het oppervlak van ons blikveld, opzij van het kijken…

Vladimir Nabokov heeft ooit geschreven: ‘Beauty plus pity, that is the closest definition of art I can give, for the simple reason that all beauty must die…’ (vert.: ‘Schoonheid plus mededogen, dat is de meest rake definitie die ik kan geven van kunst, om de eenvoudige redden dat alle schoonheid moet sterven…’) Voor wat betreft een tentoonstelling als die in Watou 2003 zou deze stelling iets aangepast dienen te worden. In plaats van het woord beauty zou het woord horror kunnen worden ingevuld. De twee woorden lijken praktisch inwisselbaar. Gastcurator Michel Dewilde: ‘de titel van de expositie ‘Opzij van het kijken’ inspireerde mij de grenzen van het kijken af te tasten. Wanneer wenden mensen de blik af? Wanneer kijkt men opzij? Kunnen we de dagelijkse portie gruwelen nog aan, of kijken we gewoon opzij? Worden we lamgeslagen, immuun of murw voor angst en agressie?’
De vraag die zich naar aanleiding hiervan laat stellen, is of het niet verwerpelijk is wanneer we een artistieke uitstalling maken van menselijk lijden? Of is de esthetisering van het gruwelijke ook maar een middel, een vehikel, om een boodschap op een indringender manier onder de aandacht te brengen?

4.

Fred Ritchin van Pixelvision.org Fred Ritchin van Pixelpress.org

Professor Fred Ritchin, directeur van het experimentele nieuwe-media bedrijf Pixelpress in New York, verkondigde vorig jaar in een reportage van het VPRO-programma Bonanza (april 2002): ‘Sommige mensen beweren dat foto’s van nare dingen niet mooi kunnen zijn. Susan Meiselas maakte bv. in de jaren ’70 in Nicaragua kleurenfoto’s. Critici beweerden toen dat dat niet kon, omdat kleuren oorlog mooi maken. In zekere zin is dat een kunstmatige grens die we creëren. Als je oorlog begint te zien als enkel iets afschuwelijks, dan zul je je er ook nooit mee identificeren, en ben je geneigd je er voor af te sluiten. Want jouw leven is kleur en hun leven is in zwart-wit. Toen Sebastiao Salgado in Afrika werkte, begin en midden jaren tachtig, stierven de mensen in de gebieden die hij bezocht bij massa’s van de honger. Toch hadden de meeste uitgehongerde en uitgemergelde mensen die Salgado fotografeerde in Ethiopië, Soedan en de Sahel, altijd nog een grote waardigheid over zich weten te behouden. En het publiek dat die foto’s zag, zei: ‘dat kun je niet maken! Jouw foto’s zijn te mooi. Deze mensen zijn stervende en moeten er lelijk uit zien.’ En Salgado zei: ‘Waarom? Het zijn mooie mensen. Moeten ze er lelijk uitzien omdat ze lijden?’1
De interviewster van het tv-programma, vraagt vervolgens: ‘Maar vindt u ook niet dat sommige fotografen de werkelijkheid misbruiken om schoonheid te creëren?’

Bonanza VPRO

Professor Ritchin van Pixelpress neemt even de tijd om na te denken, en antwoordt in bedachtzame bewoordingen: ‘Er loopt altijd een dunne lijn tussen de schoonheid van een beeld (zelfs als dat verwoesting laat zien), en het besef dat iets echt afschuwelijk is.
Een klassiek voorbeeld is George Rodger aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Hij legde de invasie en opmars der Amerikanen vast op film, als fotograaf in dienst van de geallieerden, en werd de eerste chroniqueur van de gruwelen die plaats hadden gevonden in kamp Bergen-Belsen. Zijn foto’s van lijken en gevangenen brachten een schok teweeg aan het thuisfront, dat zulke verschrikkingen nooit voor mogelijk had gehouden. Na het uitvoeren van die opdracht in kamp Bergen-Belsen, wilde hij resoluut stoppen met oorlogsfotografie, omdat hij niet langer ‘mooie beelden van gruwelijkheden’ wilde maken. Maar ook Rodger kon het niet ontkennen, ondanks zijn walging: soms ziet het gruwelijke er prachtig uit. Schoonheid en horror sluiten elkaar beslist niet altijd uit.
Het probleem ontstaat als je niet verder kijkt dan de schoonheid, en je niet tot de vraag komt wat die gruwel heeft veroorzaakt. Als je slechts een oppervlakkig beeld toont, wordt het obsceen. Zoals in het geval van Leni Riefenstahl in Nazi-Duitsland, die atleten op de Olympische Spelen in Berlijn 1938 afbeeldde als mooie ariërs die het oog strelen met hun blonde lokken, gebronsde huid en edelgermaanse gelaatstrekken. De schoonheid van die atleten, die is er natuurlijk. Die bestaat. Maar je moet het nazisme erachter ook tonen. Je moet tonen dat er een racistische ideologie achter schuilt. Je kunt je niet alleen bezighouden met de schoonheid. Elke situatie kan haar schoonheid hebben, maar daar moet je ook achter kijken. Dat ben je verplicht als journalist.’
‘En als kunstenaar?’ ‘Als kunstenaar ben je niets verplicht…’

Is het kwalijk om een pakkend of mooi beeld te schieten van verdriet of van ellende? Is het kwalijk om met die esthetisch verantwoorde weergave van andermans horror en ellende je eigen boterham te verdienen?
Menig conflictreporter piekert hierover, maar vindt toch dat een krachtig plaatje veel meer vertelt dan een wazig beeld met een slechte compositie. De vraag blijft: hoe ver kun je gaan, of moet je gaan als fotograaf, in het portretteren van de oorlog. Viëtnamfotograaf Tim Page experimenteerde in Zuid-Viëtnam met een minicameraatje dat hij op de loop van een geweer van een GI monteerde, om het moment suprëme van de dood te kunnen vastleggen. Deed Page dit om de dood zelf te documenteren, of voor zijn eigen bevrediging, zijn voyeurisme? Wilde het publiek wel schokkende foto’s zien, en zo ja, moesten ze dat ook zien? Hoe waar die foto’s ook mochten zijn…
Vrijwel alle fotografen vragen zich – na momenten van levensgevaar, na maanden van vergeefse moeite of na averechtse reacties bij het publiek – van tijd tot tijd af: waarom doe ik dit eigenlijk? En dan komen er wat voors en tegens naar boven: de ethische bezwaren versus de bewustwording, de kunstzinnige of ambachtelijke of journalistieke drang versus de kiek-en-klaar-aanpak van de commercialisering, en de vraag wie nu eigenlijk wie gebruikt. Ik heb veel antwoorden gehoord van persfotografen, op de vraag naar het waarom van het willen vastleggen van flarden werkelijkheid in een of andere uithoek van de hel. Slechts zelden heb ik het antwoord gehoord van de alpinist die eens gevraagd waarom hij toch perse die Mont Blanc op wilde klauteren. ‘Waarom ik die berg op wil klimmen? Gewoon, omdat ie er is’.

5.

De uit Boxtel afkomstige en inmiddels internationaal vermaarde oorlogsfotograaf Teun Voeten (1963), weert iedere uitleg over zijn eigen drijfveren af met de ietwat geïrriteerde maar ook heel rake uitspraak: ‘Vaak krijg ik de vraag waarom ik dit werk doe. Een begrijpelijke, maar vermoeiende vraag. Te vaak gesteld. Ook de belegeraars van Sarajevo stelden me de waarom-vraag. Weliswaar met de vinger op de trekker en met een beschuldigende, intimiderende ondertoon, maar toch. Ook zij waren nieuwsgierig. Natuurlijk heb ik wel honderd motieven waarom ik dit werk doe. Motieven die, indien men ze langs een morele lat zou leggen, overal wel hun plaats zouden vinden tussen de beide uiteinden van opportunisme en onbaatzuchtigheid//egotripperij en betrokkenheid//carrièredrang en empathie. Anderen moeten maar beoordelen, hoe oprecht of dubbelhartig mijn beweegredenen zijn geweest. En hoe diep en betekenisvol of plat en vluchtig mijn werk als foto-verslaggever.’

Teun Voeten - conflict reporter, King Vulture of ontredderingsfotograaf?

Een conflictfotograaf is iets tussen een observator en een commentator in. Zoals alle verslaggevers is hij subjectief. Zijn werk is vanuit zijn positie genomen, het is zijn visie van de dingen, zijn invalshoek, zijn registratie van een situatie gemaakt met zijn toestellen en apparaten. Bovendien is ieder plaatje een selectie. Wat niet wordt geschoten, blijft uit zicht, en bestaat voor het publiek dus niet. Zo simpel is dat. Daarnaast is er het perspectief, het standpunt van waaruit je een foto neemt. Toon je de gevangene die graatmager is, of toch maar de vetzak. Toon je de vrouw tegen een achtergrond van kippengaas dat er als KL-prikkeldraad uitziet, of zittend op een stoel in de kantine. Zelfs als je ervan uitgaat dat iedere foto een facet of invalshoek toont van de waarheid of de werkelijkheid, dan nog is een eerlijk fotograaf iets wat niet bestaat. Want wat is een eerlijke fotograaf? Eerlijk kan betekenen: lui of ongetalenteerd, zoals in het geval van al die fotografen die nooit met een plan op stap gaan en dat rechtvaardigen door te zeggen dat het belangrijk is `to go with the flow’, zodat men zich ‘open kan stellen voor de situatie’, en daarom maar wat aanmodderen… Iemand die zich uitslooft kan zijn foto’s met alle ijver juist kapot maken. Het resultaat kan er gekunsteld door worden, en de foto’s zullen onherroepelijk hun doel voorbijschieten. Een ding is zeker, zoals Picasso ons met een grimas onder de neus wreef: ‘l’oeuvre parfait, c’est une erreur.’ (vert.: Het perfecte werk, is een vergissing.)

In het mission statement dat als voorwoord is afgedrukt in zijn indrukwekkende collectie zwart-wit foto’s A Ticket To, citeert Teun Voeten de Nederlandse historicus Jo Tollebeek, die ooit het voorstel zou hebben geopperd om de aanduiding ‘oorlogsfotograaf’ voortaan te vervangen door het woord ‘ontredderingsfotograaf’. “Een zeer nuchtere term die de heroïsche component van het begrip oorlogsfotograaf niet in zich draagt”, verklaart Voeten instemmend. “Want de praktijk is niet heroïsch. Vaak zijn het alleen de slachtoffers en de schade die gefotografeerd worden. Beulen en moordenaars die aan het werk zijn, laten zich niet graag registreren.” Beelden van etnische zuiveringen zijn inderdaad uiterst zeldzaam. Alleen de stapels botten laat men liggen her en der verspreid, boven of onder de grond. “Het feit dat beulen niet graag op de foto komen kan als een verkapt compliment aan fotografen worden beschouwd”, poneert Voeten. “Beulen overschatten de reporters en denken dat beelden wel degelijk invloed hebben op de inwerkingzetting van de politieke machine.”

Soms gebeurt dat ook. De shots van de Servische concentratiekampen Omarska en Trnopolje brachten de wereld in opschudding. De etnische zuiveringen en bombardementen op burgerdoelen bleven echter doorgaan. Het enige concrete resultaat was dat sommige kampen gesloten werden; andere werden hermetisch afgegrendeld voor de pers. De internationale gemeenschap kwam in de Belegerde Stad Sarajevo pas in actie toen de wereld beelden zag van die ene granaat op het marktplein die in een klap een even groot aantal slachtoffers maakte als wat normaliter over enkele dagen gespreid lag. De stad was toen echter al duizenden doden en gewonden verder. Wie zich daarna nog met een camera op straat vertoonde, kon op spot en hoon van de inwoners rekenen. Hoe anders was het aan het begin van het beleg, toen fotografen als de voorhoede van het internationale bevrijdingsleger werden binnengehaald. Maar na tientallen maanden belegering werden de slachtoffers realistischer dan de beulen. Fotografen die alsnog een begrafenis wensten te fotograferen, werden bekogeld met stokken en stenen. Op een Artsen Zonder Grenzen-party in Sarajevo kreeg Teun Voeten van een local te horen dat de pers maar beter kon verdwijnen uit de stad “opdat we zonder buitenstaanders in waardigheid kunnen sterven”.
Zijn het niet de beulen of slachtoffers ter plaatse, het klimaat of de stress, dan wordt de fotograaf thuis wel belaagd door een vijfde colonne van critici die twijfel en ongenoegen in zoveel mogelijk harten probeert te zaaien door vraagtekens te plaatsen bij het nut en de relevantie van het journalistieke werk. De critici stellen vragen – vooral de ‘waarom’-vraag – waarop de ontredderingsfotografen het antwoord schuldig moeten blijven. ‘Het is vreemd’, schrijft Teun Voeten in zijn fotoboek A Ticket To, ‘dat andere fotografen, de mode- en reclamefotografen die van de schepping van leugens en illusies hun beroep hebben gemaakt, nooit publieke verantwoording hoeven af te leggen. Maar in ons vermoedt men hetzij pathologische voyeurs met een ziekelijke doodsdrift, hetzij morele uebermenschen die de angst voorbij en met gevaar voor eigen leven wantoestanden aan de kaak stellen. Of men zeurt ons aan onze kop met de vraag ‘hoe esthetisch een persfoto wel of niet mag zijn. Alleen kunsthistorici hebben een preoccupatie met esthetiek. Fotografen rommelen maar wat aan en soms ziet het er goed uit.’
Niet veel ‘Ontredderingsfotografen’ hebben de pretentie om met hun prenten de wereld te veranderen. Ze werken slechts als nijvere en geduldige klerken aan een inventarisatie van al het mogelijke wereldleed. Een ondankbaar monnikenwerk dat nooit zal afkomen: de encyclopedie der mondiale misère die voortdurend supplementen behoeft en die komende generaties hoofdschuddend zullen doorbladeren om haar vervolgens terzijde te leggen.

© Teun Voeten morgue of Sarajevo, Bosnia, July 1993

In talkshows en tijdschriften worden geregeld conflictfotografen aan het woord gelaten die de camera’s hebben neergelegd en ontredderde kindjes aansleepten naar de Artsen Zonder Grenzen compound. Voor hen die het echt niet kunnen verkroppen dat ze een stukje van hun ziel in de pesthaarden op deze aarde achter hebben moeten laten, is de Nederlandse Vereniging voor Journalisten zo attent om ze door te verwijzen naar professionele hulpverleners die zich gretig op een nieuw marktsegment hebben gestort: het redden van ontredderingsfotografen in geestelijke nood.
Maar het kan nog decadenter en gekker, zoals een van de foto’s van Teun Voeten illustreert – zie p.47 in A Ticket To: de foto die is aangeduid als ‘Kigali, Rwanda, mei 1994’ en voorzien van het onderschrift: ‘Gewonde Hutu omringd door fotografen. De man is verwond door Tutsi’s die hem ervan verdachten deel uit te maken van de zgn. Interahamwe doodseskaders.’

Teun Voeten, Gewonde Hutu, Rwanda 1994

‘In Afrika nam ik een foto van een creperende man, door fotografen omringd’, zo verklaart Voeten in zijn voorwoord. ‘De ongelukkige zit als een gebroken mens op de grond, een bebloed colbertje over zijn hoofd heen geslagen. Twee fotografen in kogelvrij vest knielen voor hem neer. Het is een ontluisterend beeld. De mensen aan wie ik de foto laat zien tonen onveranderlijk sympathie voor de gewonde burger. De afgebeelde fotografen kunnen op afkeuring rekenen. En ik krijg steevast een compliment over hoe treffend, hoe onthullend het beeld van het genante tafereel is. De foto die ik enkele seconden daarvoor nam, en het beeld waarop ik net als de andere fotografen voor de gewonde man neerkniel om hem frontaal in beeld te persen, bestaat niet.’
Voeten verwierf in Sarajevo onder collega’s de dubieuze eretitel ‘KING VULTURE’ – Koning Aasgier, vanwege diens ongegeneerde fotoseries direct uit het mortuarium van de Belegerde Stad (‘je reinste lijkenpikkerij!’ aldus vakbroeders) waarmee de Brabander bovendien een prestigieuze prijs2 in de wacht sleepte.
Je als een gier op de slachtoffers in conflictgebieden storten, is een beroepsomschrijving waar de meeste reporters met een beetje relativeringsvermogen zich wel in zouden kunnen vinden. Een zekere dosis ‘neo-vulturisme’ – of: onbeschaamdheid – is misschien wel even noodzakelijk voor een conflictreporter met ambities, als een natuurlijk, instinctmatig talent voor timing, drama en geluk. Net als het spreekwoordelijke oog van de arend of sperwer of eender welk gevleugeld roofdier… De bereidheid alle gêne te laten varen, behoort evenzeer bij de alledaagse basisuitrusting van de moderne oorlogsverslaggever, als zijn vestje met ritsen en de heuptas met schouderriem waarin de professional zijn lenzen, batterijen, fotorolletjes, flitslampen, potlood, notitieblok en overige parafernalia bij zich draagt. Een conflictreporter die wat wil bereiken, kan zich heel wat permitteren. Hij mag trekken vertonen van aasgiergedrag, hij mag zich overgeven aan de compulsieve neigingen van een conflictverslaafde of oorlogspornograaf… Dat alles zij hem vergeven, for the sake of the result… Maar er is een grens. Een lijn in het zand. Een gulden regel of ijzeren beroepscode die je als fotograaf beter niet met voeten treedt, op straffe van verstoting uit de groep. Een sacrosanct gebod dat luidt: ‘waar je als King Vulture ook je snavel in wenst te steken, je collega-lijkenpikkers laat je buiten beeld’. Het is een onomstotelijke en onverbiddelijke stelregel die zo duidelijk is dat hij niet eens hoeft te worden neergeschreven. ‘Als gier moogt ge alles en iedereen lastig vallen, maar de andere gieren laat ge met rust.’ Het is een gebod dat – zoals meestal – zijn oorsprong vindt in het taboe. Gieren die gieren fotograferen. Het is vergelijkbaar met incest, het is de zuiverste vorm van wat dienstplichtigen ‘matennaaierij’ noemen, het is verraad aan je vakbroeders. ‘De consument heeft niets te maken met de banale omstandigheden waarop een foto tot stand komt,’ zo stelt ook Teun Voeten in een merkwaardige passage waarin hij (in een mengelmoesje van cynisme, en afkeer van datzelfde cynisme) tot wraking komt van zijn eigen overtreding op de beroepscode, en zich alsnog solidair verklaart met de collega’s die door hem op die bewuste dag in mei 1994 (al dan niet per ongeluk, maar waarschijnlijk in een bui van hybris) in hun journalistieke hemd zijn gezet voor het oog van zijn fotocamera. Voeten neemt expliciet afstand van zijn ontluisterende ‘kiekje achter de schermen van de conflictjournalistiek’, en hekelt zijn verraad aan de kompanen van het gilde. De vraag blijft natuurlijk waarom Voeten die foto dan toch gepubliceerd heeft in zijn fotoboek. Het boek waarin hij per preambule berouw toont voor zijn beroepszonde, om vervolgens toch weer op saillante wijze uit de school te klappen over de excessen van lijkenpikkerij waar bepaalde collega’s zich aan over zouden hebben gegeven. Zoals in de anekdote over de omwentelingen op Haïti, midden jaren negentig, toen zich elke morgen gidsen verzamelden op de stoep van het hotel, die ingehuurd hoopten te kunnen worden als fixer, hulpje of koelie door deze of gene koning onder de aasgieren (à raison van 50 US dollars per massacre), bij hun immer onverzadigde zoektocht naar nieuwe lijken van vermoorde inboorlingen. ‘Ik hoorde een Amerikaan ruzie maken,’ zo verklapt Voeten ons terloops, ‘omdat hij een gids 200 US dollars had betaald zonder waar voor zijn geld te krijgen. “No bodies, no dollars!” tierde de Amerikaan, terwijl de gids zich in allerlei bochten wrong om de mysterieuze verdwijning van de lijken te verklaren.’3 Baas boven baas, zo lijkt Voeten te willen suggereren, is een wet die blijkbaar ook in het koninkrijk der opper-aasgieren van tel is. Aasgieren zijn we allemaal, da’s zeker waar, maar sommigen onder ons zijn toch heel wat meer gier dan anderen. Het doet een beetje denken aan de medepassagier in het vliegtuig naar Bangkok die zich geroepen voelt om op fluistertoon (enkel voor hen die het horen willen) het onderscheid uit de doeken te doen tussen ‘de massa toeristen’ aan boord en ‘het handjevol reizigers’ waartoe hijzelf en zijn buurman vanzelfsprekend behoort. Een kwestie van gradatie, snobisme, behoefte aan distinctie. En dat alles onder het mom van ‘opheldering’ die eindelijk eens diende te worden verschaft.

6.

PixelPress’ adaptation of Migrations, Sebastiao Salgado’s documentation of the status of refugees in 41 countries

Fred Ritchin van Pixelpress kwam in 1990, toen hij een expositie aan het inrichten was met werk van Sebastiao Salgado, op het idee om sommige van die indrukwekkende foto’s die Salgado in Afrika en de Sahel had gemaakt, beschikbaar te maken voor verkoop aan geïnteresseerde, kapitaalkrachtige particulieren die de werken wellicht aan de muur wilden hangen van hun huis of kantoor. Het idee kwam in hem op toen hij de foto’s van de hongersnood in de Sahel een voor een aan het bekijken was. Tot dan toe, aldus Ritchin, waren reportagefoto’s van vaklieden als Salgado voor mij eigenlijk alleen specifieke manieren om naar de wereld te kijken. Het waren beslist geen objecten om te verkopen. Maar het is met dit soort gruwelijke gebeurtenissen een beetje als met de Berlijnse Muur. Als je erheen gaat, wil je een stuk meenemen. Dat geldt ook voor die foto’s uit hongerend Afrika of andere rampgebieden. Het bezitten ervan maakt de gruwel minder angstaanjagend. Als je een oorlogsfoto in je kamer ophangt, dan heb je er controle over. Dat is een soort magisch idee…’

In dezelfde uitzending van het VPRO-kunstprogramma (Bonanza), komt ook een Engelse fotograaf voor, Tom Stoddart genaamd. Stoddart is van het type Patrick Chauvel, uit de documentaire Veillees d’armes van Marcel Ophuls. Een nieuwsfotograaf die uit een stuk is gesneden, een man met een grote verbondenheid met zijn onderwerpen, en een zeer hoge morele code die hem ook ietwat star en stroef maakt in de omgang. Iemand met heel duidelijke opvattingen over de scheidslijnen tussen reportagefotografie, kunst en vermaak. Stoddart geeft, vol afgrijzen, het voorbeeld van een kunstfotograaf die hij in Sarajevo in de jaren negentig geregeld tegen het lijf liep. Louis Jammes heette de kerel. ‘Jammes trok naar de belegerde stad enkel en alleen om er kinderen met engelachtige gezichtjes te fotograferen. Op de foto’s die hij van die angelieke cherubijnen maakte, gaf hij de kinderen vervolgens vleugeltjes. Die kleurde en tekende of monteerde hij er zelf bij op zijn werktafel in het kunstatelier bij hem thuis. Eens hij alle vleugeltjes aan de kinderlijfjes had toegevoegd, ging hij met die foto’s opnieuw naar Bosnië, en plakte ze in Sarajevo op de muren. En dat noemde hij kunst. Maar met wat voor reden werd er kunst van gemaakt? De mensen daar schoten er niets mee op. Die Louis Jammes werkte enkel aan z’n reputatie. Sarajevo en de oorlog in Bosnië kwam hem wel goed uit als opstapje voor zijn carrière. Hij ging erheen, maakte z’n foto’s, en gebruikte de mensen. En daarna had hij z’n expositie. Dat is alleen zelfpromotie en marketing, anders niets!’

Een hedendaagse kunstenaar die er de afgelopen vijftien jaar zijn strategie van gemaakt heeft om naar conflictgebieden te reizen, en aldaar inspiratie op te doen voor komende werken, is Alfredo Jaar. Een kunstenaar van Chileense origine die in de lagergelegen delen van Manhattan, in de buurt van de Bowery, zijn atelier heeft gevestigd. ‘Mijn installatie is de context,’ verklaart Jaar met lijzige tongval maar in heldere bewoordingen. ‘Een context is cruciaal voor de soort kunst die ik maak. Mijn beelden zijn verloren als de context ontbreekt. Hoe ik werk? Ik laat me meevoeren door een gebeurtenis die in toenemende mate mijn aandacht trekt. De genocide onder Tutsi’s, gepleegd door de Hutu’s in Rwanda bijvoorbeeld. Ik ga erheen om zoveel mogelijk informatie te verzamelen over het conflict. Bewijsmateriaal. Portretten. Ik leg documentatiemappen aan in de breedste zin. De fysieke ervaring van het verblijf ter plekke, in de conflicthaard, is essentieel voor het verloop van mijn verdere werk. Die ervaring ontketent de ideeën die de basis vormen voor de projecten die uiteindelijk vaak pas jaren later gerealiseerd worden. Bij terugkomst besluit ik hoe ik het aan de mensen wil laten zien. Hoe geef ik betekenis aan dit materiaal?’

Six seconds, 2000
                          Six seconds, 2000 © Alfredo Jaar

De fotografische, contextuele kunstwerken van Alfredo Jaar worden te koop aangeboden voor gemiddeld zo’n zes tot twintigduizend US dollar. ‘Walking’ is een van die werken. ‘Six seconds’ een ander. Net als ‘Floating bodies’ gaan ze telkens over de moordpartijen in Rwanda, die uitliepen op een regelrechte volkerenmoord.4 Geschat wordt dat zo’n vijfhonderdduizend tot een miljoen Tutsi’s en in mindere mate ook Hutu’s bij de slachtingen zijn omgekomen, de keel over gesneden en aan stukken gehakt met machetes – als betrof het vee dat werd omgebracht door uitzinnige slagers.
Alfredo Jaar zag het als zijn uitdaging een boodschap van schoonheid en hoop over te brengen, tegenover de gebruikelijke horror en wanhoop. Esthetiek als een bewuste manier om gruwelijke gebeurtenissen onder de aandacht te brengen. Jarenlang is dat een strategie in mijn werk geweest. Als je mensen confronteert met beelden van bloed, als de ellende ze in het gezicht spat, dan kijken ze er niet naar. Die foto’s vallen ze rauw op het dak, en wijzen ze af. Ik moet m’n publiek met andere beelden verleiden om hetzelfde te kunnen zeggen. Mijn werk Six Seconds, over een meisje in Rwanda dat ik maar zes seconden in beeld heb gehad en dat wanhopig op zoek was naar haar ouders, is een zacht beeld dat de gruwelijkheid suggestiever brengt. Dat is de strategie die ik meestal gebruik. Ik roep iets op door een rustig gesprek, niet door geschreeuw. Als ik mijn boodschap eruit schreeuw, dan zal het publiek weglopen en de boodschap dus uiteindelijk verwerpen.’
Maar wordt met de verkoop of aanschaf van een werk als ‘Six Seconds’, andermans leed niet tot een interessante aankoop of investering gereduceerd? Is het toelaatbaar om te handelen in – en speculeren met -andermans ellende, zonder dat dit de slachtoffers ten goede komt?
Alfredo Jaar laat zich niet uit het veld slaan: ‘Als je een dergelijk werk koopt en het ergens ophangt, neem je daarmee een grote verantwoordelijkheid op je. Je zult aan je vrienden moeten uitleggen waar het kunstwerk over gaat. En daarmee engageer je je in feite. Je vertelt over die persoon die met de handen in het haar uit beeld wegloopt, en over jouw rol in het geheel. Op hun beurt zullen de mensen die het werk bij jou zien met vragen komen. Zo komt er een dialoog tot stand. Het verhaal laat zich niet wegdrukken. De kunstwerken zijn zo boodschappers van de tragedie in Rwanda. Die ons wijzen op onze verantwoordelijkheid.’ 5

Let there be light , 1996
Let there be light , 1996 © Alfredo Jaar

Tom Stoddart reageert in behoedzame bewoordingen op het gegeven dat Alfredo Jaar zijn werken die hij in beginsel in Rwanda en andere conflictgebieden fotografeerde, voor zes tot twintigduizend US dollars te koop aanbiedt op de kunstmarkt. ‘Ik heb nog nooit een gruwelijke foto voor gebruik aan de muur verkocht. Want dat zou ik nooit doen. Zou jij blij zijn met een foto van jouw kind dat dood op straat ligt, hangend aan de muur van wildvreemde mensen die er een mooi kunstwerk in zien? Wil jij dat jouw ellende en die van je lotgenoten verkocht wordt om er muren mee te vullen? Daar gaat het om. Als fotograaf moet je jezelf wel in de ogen kunnen kijken. Wanneer je als fotograaf op deze manier je brood wilt verdienen, en je ligt er niet van wakker, dan moet je het vooral doen.’
Ook de foto’s van Stoddart werden vertoond op tentoonstellingen in diverse galerieën en instituties voor moderne fotografie. Zijn ze daarom ook niet een beetje kunst geworden?
Stoddart: ‘Ik ben een boodschapper, geen kunstenaar. Als mensen schoonheid in het gruwelijke willen zien, is dat hun eigen keuze. Ik zie wel schoonheid in de compositie of in het vastleggen van het beste beeld uit duizenden. Het gaat vooral om wat Bresson ‘het beslissende moment’ noemde. Alles wat er speelt tegelijk te vangen in die ene fractie van een seconde. Dat is wat een geslaagde foto zo onweerstaanbaar maakt…’
Professor Fred Ritchin, de directeur van Pixelpress, is de mening toegedaan dat kunst en fotojournalistiek idealiter sterk in elkaar moeten overlopen. ‘Vorm strijdt altijd om voorrang met Inhoud. In persfotografie heeft de inhoud een net iets belangrijkere rol dan de vorm. In de kunst gaat het primair om vorm, denk aan een abstract schilderij. Maar het is een gradueel verschil. En hoewel in persfotografie de inhoud net iets meer de overhand heeft, gebruikt men ook daar artistieke methoden en technieken. Vergelijk het met het New Journalism dat Tom Wolfe 30 jaar geleden introduceerde. Journalisten moeten romantechnieken gebruiken, vond Wolfe, om zich extra goed in hun onderwerpen te kunnen inleven. Ik roep persfotografen op zich door kunstfotografie, schilderijen en films te laten inspireren… en zo andere, betere, en complexere foto’s te maken. De persfotografie houdt helaas nog altijd vast aan het aloude vocabulaire. Er is niets veranderd sinds de 20er en 30er jaren toen de gedrukte media nieuwsfoto’s begonnen te gebruiken. Men blijft maar vasthouden aan de Robert Capa-stijl uit het interbellum, die is nog altijd het model voor alle goede reportagefotografie uit het heetst van de strijd.’

7.

Naast Veillées d’Armes van cineast Marcel Ophuls, bestaat er nóg een documentaire die op verbluffende wijze de aandacht richt op het reilen en zeilen van de hedendaagse oorlogsverslaggever. War Photographer (2001) van de Zwitserse cineast Christian Frei; een ‘case study’ die het vak van de conflictreporters op geheel andere wijze benadert: door zeer sterk in te zoomen op een enkele verslaggever; in casu de Amerikaanse oorlogsfotograaf James Nachtwey, wiens foto’s zo strak gestileerd zijn dat het wel artistieke composities lijken.

In de documentaire is te zien hoe Nachtwey de oorlog dichter nadert dan je als kijker voor wenselijk houdt. Zijn drang om als ‘getuige van de geschiedenis van de gewone mensen’ oog in oog te komen met hun gruwelen heeft iets onaangenaam voyeuristisch. In de documentaire zie je Nachtwey meerennen met ziekenbroeders die een gewonde wegdragen op een brancard. Je ziet hem foto’s schieten op een begrafenis in Kosovo, terwijl hij zijn camera in het wanhopige gezicht drukt van een vrouw die haar zoon probeert te begraven. Ook komt het geval aan de orde waarbij Nachtwey in Indonesië midden in de klopjacht belandde van een woedende meute die belust was op het bloed van vier Ambonezen. Drie van hen werden aan mootjes gesneden, de vierde wist zich los te rukken van zijn belagers. Nachtwey rende mee met de doodsbange man, maar kon niet verhinderen dat die werd gegrepen. Nachtwey ging toen door met fotograferen. Op een van de foto’s is te zien hoe een Indonesiër met een hakmes verbaasd in Nachtwey’s cameralens staart. Alsof hij betrapt is tijdens de ontlasting. Het moet een seconde zijn voor het slachtoffer de keel wordt overgesneden. Dit is de geschiedenis betrapt, in flagranti delicto. History caught in the act. Als kijker begrijp je waarom Nachtwey zoveel prijzen in de wacht sleept. Maar je begrijpt ook iets van de critici die hem verwijten geen oorlogsfotograaf maar een ‘oorlogspornograaf’ te zijn.
Moet een conflictfotograaf foto’s nemen van een slachtpartij, of proberen het leven te redden van degene die voor zijn ogen doodbloedt? De meeste journalisten zullen vinden dat het hun taak is om de nieuwsfeiten te verslaan, niet om die feiten naar hun hand te zetten. Zo luidde tenminste het beroemde antwoord van Horst Faas, toen hij met een 21mm lens voor AP vastlegde hoe Bengaalse gewapende lieden vermoedelijke verraders martelden en afmaakten. Faas en zijn collega Michel Laurent wonnen de Pullitzer Prijs. De vermoedelijke verraders stierven.

Nachtwey: zo dicht mogelijk de horror op de huid zitten

8.

Iedere fotograaf krijgt tijdens zijn werk in conflictgebieden te maken met morele ambiguïteiten die zijn vak aankleven. Een oorlogsfotograaf is een exploiteur van gruwelijkheden die gewoonlijk elders plaatsvinden, een colporteur van andermans leed. Daarnaast is hij een nogal onbeschofte regisseur. Fotografie is altijd ook esthetiek, compositie, stilering. De werkelijkheid wordt gesimplificeerd of gestileerd ten behoeve van de zeggingskracht.
Verslaggevers zijn geen leveranciers van ‘de waarheid’ of ‘de werkelijkheid’, wat ze leveren is hun specifieke versie van de feiten die vanaf hun standplaats tot stand is gekomen. Fotografie is net als het geschreven verslag of het gefilmde beeld, geen einddoel op zich. Het is een middel om het nieuws de wereld in te sturen. De beelden die ons uit de oorlog bereiken, zijn uiteindelijk altijd gefilterd door de blik van de verslaggever of zijn redactie. Ze zijn per definitie vertekend, gepolijst, geregisseerd of (wat op hetzelfde kan neerkomen) gecensureerd. Wat telt is de uitvaart, niet de overledene. Mediageniek genoeg die oorlog, daar niet van, maar het leed moet gedoseerd, hier wat meer, daar wat minder. Belangrijkste criterium: het mag niet vervelen. Tegelijkertijd mag het ook weer niet teveel shockeren. De kijkers zouden de tv wel eens kunnen uitzetten, of weg kunnen zappen naar een ander programma. De Belgische bioloog en oorlogsreporter Dirk Draulans maakt zich bijzonder kwaad over alle hypocrisie in de media. `De tv wordt overstelpt met gewelddadige fictie,’ zei hij in een debat in de Balie in Amsterdam over oorlogsverslaggeving in 1995. `Dan komen er beelden binnen van gruwelijke gebeurtenissen die zich op dat moment reëel in Europa afspelen, en dan kan het niet. Dan is het te gruwelijk.’
Zelf had hij dit meegemaakt met een foto van een neergeschoten man die in zijn plas bloed lag. Draulans werd erop aangesproken door collega’s en zelfs door politici omdat hij de foto vol over twee pagina’s bij zijn artikel had laten publiceren in het weekblad Knack. Het paste niet, vond men, deze breed uitgemeten en al te directe explicitering van het burgerleed in Bosnië. De weergave van de horror die plaatsgreep in het hart van Europa, was voor de meeste West-Europeanen anno 1992 een ongewenst en onkies nieuwsfeit. Draulans vertelde van de vrouw in Sarajevo die hij had ontmoet, die in de rij had gestaan bij de bakker op het moment dat daar, in 1993, een granaat neerkwam. Haar lichaam zat vol scherven. Zij verweet de westerse media dat ze zo weinig over de slachting hadden laten zien. Geen tien seconden maar tien minuten hadden de gruwelen op tv moeten worden getoond, volgens de dame in kwestie. Dan had men een veel juister beeld gekregen van de werkelijkheid van de oorlog.

De eerder genoemde ‘oude rot in het vak’ Patrick Chauvel, (die in Veillées d’armes tegen Ophuls bromde dat de journalisten in Sarajevo waren omdat ze moesten getuigen) publiceerde als freelancer in: Time, Life, New York Times Magazine, Newsweek, National Geographic, Stern, Geo, El Pais, L’Express, Liberation etc. etc. In navolging daarvan boden diverse galeries en zelfs musea in Europa hem de mogelijkheid om een expositie samen te stellen met een selectie uit zijn werk. En een uitgever vroeg hem een autobiografisch relaas te schrijven over zijn tijd in de belegerde stad. ‘Mijn foto’s zijn mijn verhaal,’ reageerde Chauvel daarop op de hem zo karakteristiek wrevelige wijze. ‘Ik zou niet weten hoe ik dat verhaal moet opschrijven. Fotografen moet je zo weinig mogelijk aan het woord laten en zoveel mogelijk laten fotograferen. Je vraagt aan schrijvers toch ook niet of ze hun boeken, verhalen en gedichten willen wegsodemieteren en het nu eens even allemaal willen gaan fotograferen?’

De vooral onder collega’s gehoorde kritiek dat de oorlogsfoto’s en reportages van Patrick Chauvel en James Nachtwey te sensationeel, direct en platvloers zouden zijn [‘oorlogspornografie’], wimpelen beide conflictreporters van zich af door te zeggen dat oorlog en de belegering van een stad ook niks met goede smaak te maken hebben. Het zou verkeerd zijn om de oorlog mooier voor te stellen dan hij is. ‘We moeten bereid zijn mensen te shockeren.’ James Nachtwey: ‘Het selecteren van de beelden op hun toonbaarheid is verwerpelijk. Het zou verkeerd zijn om de oorlog mooier voor te stellen dan hij is. We moeten juist degenen die dagelijks een normaal, vredig leven leiden, en zich om kleine dingen zorgen maken, wakker schudden, en hen confronteren met wat er hier gebeurt. Zij zijn er misschien zelf verantwoordelijk voor. Zij kiezen regeringen, betalen belasting. Als we het geweten van individuele mensen niet kunnen veranderen, kunnen we de wereld al helemaal niet veranderen.’
De felste kritiek op Nachtwey’s en Chauvels werk is dat ze de kijkers geen vrijheid meer laten om te interpreteren. Ze zouden morele chantage plegen, het publiek een pistool tegen de slaap drukken met de boodschap: wie om mijn foto’s niet huilt is een monster. Ze zouden helemaal niet geïnteresseerd zijn in hoe de mensen in honger en oorlog leven, enkel hoe ze sterven. Ze zouden ‘pervers’ zijn en niet anders kunnen dan genoegen scheppen in het macabere. Daarnaast zouden ze lijden aan een soort ‘valse bescheidenheid’ die veeleer een uiting zou vormen van hun zelfingenomen zijn dan van hun stringente werkopvatting, omdat ze impliciet de indruk wekken dat hun foto’s de gewone mensen elders – ja zelfs de gehele mensheid – verheffen. Ze willen dat de wereld hen prijst om hun compassie en perverse oog voor de schoonheid van het kwaad. Ze zoeken bevestiging dat ze niet alleen maar een verslaggever zijn maar een roeping te vervullen hebben. Patrick Avedon schreef in The Guardian over Nachtwey’s fotoboek Witness: ‘de gelauwerde reporter wil een kunstenaar zijn die zweet voor onze zonden, ook al zijn het vooral zijn eigen morsige motieven die door zijn foto’s heen deemsteren. En ook al is hij het niet zelf die lijdt, maar de ongelukkigen die toevallig in zijn blikveld kwamen.
De werkelijkheid is dat deze fotograaf te weinig artistiek talent heeft om een origineel kunstenaar te zijn, en te weinig ‘conscience de metier’ om een behoorlijk journalist te zijn. Zijn foto’s zijn gewoon te plat. Het is of hij de oorlog uit wil leggen aan een garnizoen soldaten of een compagnie mariniers op retraite.6

James Nachtwey - Grozny, Tsjetjenie 1994

Aan de motivatie van fotografen als Chauvel en Nachtwey kleeft volgens kunstcritici als Patrick Avedon een naar geurtje. Zouden we hem soms dankbaar moeten zijn? Zouden we de fotograaf moeten bewonderen voor zijn boodschap: dat oorlog hel is en verdoemenis en verdriet? Moeten we ons misschien medeplichtig voelen aan de getoonde horror als we niet meteen na doorbladeren van zijn werk een check overmaken naar Oxfam of Unicef? ‘Vraagt deze man zich wel eens af hoe hij het zelf zou vinden als anderen zijn penarie in close up kwamen vastleggen,’ fulmineerde Avedon in zijn krant; ‘als tijdens de begrafenis van zijn zoontje of zijn vrouw een buitenlandse journalist met groothoeklens de tranen van zíjn smoel kwam likken; als een onbekend persoon zich ongevraagd aan hem zou opdringen in zijn laatste uur, om het glorieuze ogenblik vast te leggen van zijn eigen dood? Zou James Nachtwey zich dat soort vragen stellen? Ik betwijfel het.’
De indrukwekkende apologie die Michael Frei in zijn documentaire over Nachtwey door de fotograaf zelf voor laat lezen in de vorm van een brief die de introverte sterverslaggever aan zichzelf heeft geschreven, luidt: ‘Waarom de oorlog in beeld brengen? Alsof het mogelijk is met foto’s een einde te maken aan menselijk gedrag dat gedurende heel de geschiedenis heeft bestaan… Die notie lijkt ridicuul, en toch heeft dat idee me gemotiveerd. Dat is de reden dat ik dit doe. Voor mij ligt de kracht van fotografie in haar mogelijkheid om een gevoel van menselijkheid op te roepen. Als oorlog een poging is om menselijkheid te negeren, dan kan fotografie gezien worden als het tegenovergestelde van oorlog. Als het goed gebruikt wordt kan het een krachtig ingrediënt zijn in het antidotum voor de krijg die al zo lang onze geschiedenissen domineert en verpest. Ik denk dat als iedereen een keer zelf bij een oorlog aanwezig zou kunnen zijn, men dan vanzelf zou begrijpen dat niets het waard is om dit een mens, laat staan duizenden mensen, aan te doen. Maar niet iedereen kan naar de oorlog gaan, en dat is waarom fotografen erheen gaan. Om te laten zien wat er gaande is, en om ervoor te zorgen dat iemand er een einde aan maakt. Hoe? Door foto’s te maken die krachtig genoeg zijn om het verhullen en verstrooien van de massamedia te doorbreken en mensen wakker te schudden uit hun onverschilligheid. Door te protesteren en door de kracht van dat protest, anderen te laten protesteren.’

Marcel Ophuls aan het werk in de bascarsja van Sarajevo, 1993Marcel Ophuls tijdens de opnamen van Veillees d’Armes

De rol van iedere fotograaf is uiterst ambivalent en problematisch. Hij klaagt de oorlog aan door van dichtbij in te zoomen op het geweld en de gruwelen, maar hij brengt ook de passiviteit in beeld van al wie ernaar kijkt en later overgaat tot de orde van de dag. De oorlog is zowel een dwaze roeping, als een bewustwordingsproces. Op begrip of interesse van de buitenwereld hoeft de conflictreporter maar weinig te rekenen. Hij blijft over het algemeen een soort roepende in een woestijn van bloed en ellende. Veel verslaggevers hebben, na hun zoveelste verblijf in een van de helleputten der aarde, hetzelfde gevoel als de oorlogsverslaggeefster van de 20ste eeuw, Martha Gellhorn, zo vaak had gevoeld, en dat zij, terugkijkend op haar werk in The Face of War, zo ontluisterend omschreef: ‘Het licht dat journalistiek verspreidde was niet sterker dan dat van een glimworm (…). Onze artikelen mochten nog zoveel goed doen, in feite hadden ze net zo goed met onzichtbare inkt geschreven kunnen zijn, gedrukt op bladeren, een prooi van de wind.’
Het vreemde is, dat de meeste conflictreporters hun baan ondanks alle bezwaren, voor geen goud ter wereld zouden opgeven. De horror en ellende geven aan hun werk en bestaan een dringende kracht en energie die ze nergens anders in die mate kunnen vinden. `Maar dan ontdek je de dood, en dat het leven mooi is, en dat je zelf moet strijden om het te behouden.’ Zo verwoordt Marcel Ophuls het versoberende inzicht dat de oorlog hem bracht, in zijn documentaire Veillées d’armes. Hij zegt dit, terwijl we hem over de Piazza San Marco zien lopen. In Sarajevo klinkt het schieten van scherpschutters. In Venezië is het carnaval, de mensen dragen maskers en op het plein staat een podium voor commedia dell’arte. Aan het eind van de film stapt Ophuls op dat podium. De regisseur wordt komediant. Gemaskerd als Pantalone zingt hij een triest lied; `Nobody knows the trouble I’ve seen. Nobody knows my sorrow…’ Aan de stem hoor je dat het Ophuls is die zingt. Maar je kunt hem ook herkennen aan zijn bril, het zware montuur dat rust op de groteske, naar beneden gekromde neus van het masker. Niets is wat het lijkt het te zijn, en zeker niet in de doorlopende voorstelling van de Rocky Horror Picture Show genaamd Oorlog.

© Serge van Duijnhoven

Miguel Gil de Moreno, cameraman voor AP. Omgekomen in Sierra Leone in mei 2000

Voetnoten

1 We zijn in de fotografie heel vaak op zoek naar de iconen van in wezen zeer gecompliceerde, gelaagde gevoelen en situaties. De staties van het lijden. Christus, Maria, de Pieta’s… Aan de ene kant lijkt het vaak of fotografen op zoek zijn naar een beeld dat al bestaat, dat ze al eens hebben gezien – in hun hoofd ofop een foto of schilderij – waardoor ze het specifieke van hun situatie niet meer zo scherp in het oog hebben. Aan de andere kant valt niet te ontkennen dat veel foto’s van het lijden meestal iets zeer tijdloos uitademen. De gebaren, kleren, rituelen, de vrouwen die schreien bij het graf of lichaam van hun overleden verwanten… Een gezin dat doolt tussen de puinhopen van hun verwoeste stad… Deze beelden van smart, verdriet, ontberingen, beproevingen, menselijke tragedies zijn werkelijk van alle tijden. De bijbel staat er vol mee… jobstijdingen, rampen, plagen, vette jaren, magere jaren…

2 De Zilveren Camera

3 Voorwoord van Teun Voeten [Neo-vulturisme in contemporaine documentaire fotografie, ofwel: Do you remmber Goma?] bij zijn fotoboek annex catalogus A Ticket To [Bosnië, Soedan, Rwanda, Afghanistan, Sierra Leone] Leiden 1999; uitgeverij H. Veenman & Zonen/Centrum Beeldende Kunst Leiden, ISBN 902781547X Nugi 922

4 De hosfeltgallery vermeldt ter aankondiging van Alfredo Jaar’s tentoonstelling It is difficult van febr.-apri. 2000 [http://www.hosfeltgallery.com/Exhibits/2000/ItIsDifficult.html]: In his first U.S. exhibition after a one-year sabbatical, Chilean-born Alfredo Jaar presents an installation of new photo-based works, taking the forms of video projection, transparancies on large-scale light boxes and still photographs. Jaar’s work, which is political in nature, asks the viewer to think about how they receive information about world events, and how they respond to that information. It is difficult deals with racially-motivated violence and genocide in Africa. Let there be light / It is difficult, a two volume book set published in 1998, covers the Rwanda Project and ten years of Jaar’s work. It is available for $80.-

5. Onze gezamelijke verantwoordelijkheid voor het leed van de wereld – een verantwoordelijkheid waar deze foto’s stuk voor stul toe lijken op te roepen – heeft iedere menselijke maat verloren. Menselijke maat is dat je verantwoordelijkheid niet verder reikt dan datgene waarvoor je werkelijk ter verantwoording kan worden geroepen. Abstracte verantwoordelijkheid is een contradictio in terminis. Verantwoordelijkheid is steeds concreet.Het dagelijkse cynisme is evenredig met een gigantische, lege setimentaliteit over de wereld. Demagogie is de onvermijdelijke begeleider van die sentimentaliteit. Het appel op ons dat niet in handelen omgezet kan worden, vormt waarschijnlijk weinig meer dan een nieuwe les in onze éducation sentimentale – onze ‘leerschool in cynisme’.

6. Patrick Avedon in The Guardian: ‘In Robert Capa’s scrappy, often blurry pictures of the Spanish Civil War and World War II, you can see where he stands in the political fight. Connected to those he memorializes, he is a partizan in the best sense. He didn’t dress himself up as an artist on the battlefield or in his books. Koen Wessings photographs from Nicaragua in the ’80s are animated with that same spirit. Susan Meiselas’s encyclopedic and loving book on the Kurds shows her dogged concern for their unnewsworthy plight. James Natchwey doesn’t have causes. I doubt he knowss anything about the hundreds of bodies in his pictures except their names, if that. Natchwey needs reassurance from publishers and museums to allay his fears  that he is just guns for hire at glossy magazines. He needs lavish productions like Witness even if the result is a hideous blot on a stellar career.’

GERAADPLEEGDE BRONNEN

–          The Bang-Bang Club. Snapshots from a Hidden War.. ISBN 0434007331. Greg Marinovich, João Silva Arrow, 2001 ISBN 9780099281498 – 320 pagina’s

–          – http://lens.blogs.nytimes.com/2010/10/23/widespread-impact-from-an-afghan-mine/?hp Bericht op de website van The New York Times dat João Silva (geb. 9 augustus 1966 in Lissabon, Portugal) op 23 oktober 2010 ernstig gewond raakte in het zuiden van Afghanistan (nabij Kandahar) toen hij op een mijn stapte.

–          – http://www.teunvoeten.com

–          – http://www.war-photographer.com

–          – http://www.jamesnachtwey.com

–          – http://www.arnoldkarskens.com

Arnold Karskens, El Salvador 1984

–          – http://www.hosfeltgallery.com/Exhibits/2000/ItIsDifficult.html

–          – http://news.bbc.co.uk/2/hi/africa/765138.stm, “Journalists who paid the ultimate price”, Friday, 26 May, 2000.

–          – “To Hell and Back; Award-Winning Photographer James Nachtwey Finds the Blood and Gore in Every War”, Richard B. Woodward, The Village Voice, Tuesday, June 6th 2000

–          Chris Keulemans, Van de zomer naar de werkelijkheid Amsterdam (De Balie, 1997). ISBN 9066171812

–          Serge van Duijnhoven, red. Photographers in Wartime (2002), Ludion-Beaux Arts collection in cooperation with the Flanders Fields World War I Museum in Ieper, Belgium. Editeur(s) : Gent ; Amsterdam : Ludion Beaux arts magazine, 2002, ill. ; 30 cm. Translation: Guy Schipton. ISBN : 90-5544-402-2

–          Teun Voeten, A Ticket To [Bosnië, Soedan, Rwanda, Afghanistan, Sierra Leone] Leiden 1999; uitgeverij H. Veenman & Zonen/Centrum Beeldende Kunst Leiden, ISBN 902781547X Nugi 922

–          Veillees d’armes, Marcel Ophuls – documentaire (1994). Also Known As The Troubles We’ve Seen: A History of Journalism in Wartime Runtime: 224 min  | Canada: 226 min

–          The troubles he’s seen –  interview met Marcel Ophuls. Door Richard Porton & Lee Ellickson
Cineaste, Juli 1995

–          War Photographer (2001), documentair portret over conflictreporter James Nachtwey gemaakt door de Zwitserse cineast Christian Frei

–          VPRO Bonanza, zondag 14 april 2002 23:37 Ned 3 (tv) Afl. 16. Regie en samenstelling: Karen de Bok Camera: Sanne van der Noort Eindredactie: H.M. van den Brink en Rob Schröder Research & webredactie: Carolien Euser & Geert van de Wetering. Header: “In hoeverre zijn fotografen van het harde nieuws bewust bezig met het maken van kunst? Is de gruwelijke werkelijkheid materiaal voor kunstfoto’s?”

–          http://www.pixelpress.org/

–          http://www.nfi.nl/


De Brakke Hond Nr. 85[, 2004 (themanummer: Oorlogsliteratuur)]

Oorlogsliteratuur.

In het vijfentachtigste nummer van het literaire tijdschrift De Brakke Hond doen journalisten, dichters, schrijvers en conflictreporters (zoals Dirk Draulans, Rudi Vranckx , Frank Adam, Teun Voeten, Arnold Karskens, Johan Vandenbroucke en Serge van Duijnhoven) een stevig boekje open over hun dubbelzinnige fascinatie voor het fenomeen oorlog.

Fred Ritchin

Fred Ritchin is professor of Photography & Imaging at New York University’s Tisch School of the Arts. He is the author of After Photography (W. W. Norton, 2009), on the forthcoming revolution in digital media, including its challenges to documentary credibility and democracy as well as emerging potentials for radically new ways of rethinking the world and ourselves.

Ritchin is also director of PixelPress, an organization that creates web sites, books and exhibitions that promote human rights. He is author of In Our Own Image: The Coming Revolution in Photography (Aperture, 1990, 1999), and is co-author of An Uncertain Grace: The Photographs of Sebastião Salgado (1990), In Our Time: The World As Seen by Magnum Photographers (1989), and Mexico Through Foreign Eyes (1993). Currently he is working on a new book, Outside the Frame (2010), concerning contemporary imagery and social change.

He is the former picture editor of Horizon magazine and The New York Times Magazine, former executive editor of Camera Arts magazine and the founding director of the photojournalism and documentary photography educational program at the International Center of Photography. Ritchin was nominated for the Pulitzer Prize in public service by The New York Times for the 1996 Web site “Bosnia: Uncertain Paths to Peace,” which he co-created with photographer Gilles Peress. He also created the first multimedia version of the daily New York Times in 1994–95. Ritchin lectures and conducts workshops internationally on new media and documentary.

Contact Information:
fred@pixelpress.org

Rwanda, 1994
Rwanda, 1994  © Alfredo Jaar

“These posters, scattered around the streets and squares of Malmo, reduced the rhetoric of advertising to a cry of grief. But they also served notice on a complacent public: ‘You—in your tidy parks, on your bicycles, walking your dogs—look at this name, listen to this name, at least hear it, now: Rwanda, Rwanda, Rwanda…’ The posters were a raw gesture, produced out of frustration and anger. If all of the images of slaughter and piled corpses, and all of the reportage did so little, perhaps a simple sign, in the form of an insistent cry, would get their attention.” – Alfredo Jaar, imaginarymuseum.org

Road, 1997
Road, 1997  © Alfredo Jaar

Alfredo Jaar’s Rwanda Project: 1994–2000 is a series of photography-based installation works derived from his experiences in Rwanda. He first travelled there in the summer of 1994 while the genocide was still ongoing and overwhelmingly ignored by the international community. It is estimated that almost one million people were killed over a period of three months, from April–July 1994.

The Rwanda Project attempts to counter and transform the conventions of photojournalism, which frequently objectifies violence through unmediated images of victimization. Alternatively, Jaar reverses the lens’ eye to focus on the eyes of the witnesses and the hauntingly beautiful landscape in which this massacre was enacted as a means of eliciting an emotional response from the viewer.

Alfredo Jaar was born in 1956 in Santiago, Chile. His work has been exhibited internationally, participating in the Venice, Sao Paulo, Johannesburg, Istanbul, and Kwanju Biennials, as well as Documenta in Kassel. Recent solo exhibitions include those at the New Museum of Contemporary Art, New York; the Museum of Contemporary Art, Chicago; the Whitechapel Gallery, London; the Pergamon Museum, Berlin, and the Moderna Museet, Stockholm. The Rwanda Project 1994-1998 has been shown in Europe, Japan and the United States. Alfredo Jaar currently lives in New York, his website is at: www.alfredojaar.net

[i] João Silva (geb. 9 augustus 1966 in Lissabon, Portugal) maakte begin jaren negentig furore mals een van de leden van de Bang-Bang Club – een groep conflict-fotografen die baanbrekend werk verrichtte in Zuid-Afrika alwaar het Apartheidsregime een felle doodsstrijd leverde en zwarte groepen elkaar levend in brand staken. Winnaar van de World Press Photo en andere prijzen. Op 23 oktober jl. raakte hij ernstig gewond in het zuiden van Afghanistan (nabij Kandahar) toen hij op een mijn stapte. Hieronder een eerste bericht hierover dat zaterdagavond is verschenen op de “Lens”-weblog voor fotografen, kunstenaars en cineasten die een onderdeel vormt van The New York Times online. Silva heeft de explosie overleefd, maar of dit een kwestie van geluk is of niet zal de toekomst uit moeten wijzen. In elk geval verleent het vooruitzicht om voortaan als oorlogsverminkte door het leven te moeten gaan, aan de titel van zijn laatste fotoboek (In The Company Of God) een onvermoed wrange bijsmaak.


Widespread Impact From an Afghan Mine – “Joao suffered serious injuries to both of his legs, along with other wounds”

By MICHAEL KAMBER AND DAVID W. DUNLAP
http://lens.blogs.nytimes.com/2010/10/23/widespread-impact-from-an-afghan-mine/?hp

Friends, colleagues and competitors of the photojournalist Joao Silva — there are many people in the first two categories, very few in the third — struggled to make sense on Saturday of the news that he had been severely injured when he stepped on a mine in Afghanistan.

Joao Silva at work

Mr. Silva was embedded with a patrol in Kandahar Province, on assignment for The New York Times, together with Carlotta Gall, who was not hurt. Three American soldiers sustained concussions.

“Those of you who know Joao will not be surprised to learn that throughout this ordeal he continued to shoot pictures,” said Bill Keller, the executive editor of The Times, in a memorandum to the staff.

“Joao suffered serious injuries to both of his legs, along with other wounds,” Mr. Keller continued, “but he is extraordinarily strong and indomitable of spirit.”

Medics were able to reach Mr. Silva within seconds of the blast, Mr. Keller said. They applied tourniquets, administered morphine, moved him onto a stretcher and into a helicopter. He underwent surgery at a military hospital in Kandahar Province. He was next flown to Bagram Air Base, near Kabul, to have his wounds cleaned and examined, before being transported to Germany.

“He seems to have gotten excellent care,” Mr. Keller wrote. “Sadly, the military has become extremely proficient in handling this kind of injury.”

Mr. Keller, a onetime foreign correspondent, offered a confident personal prognosis:

He will be missed until — as I have no doubt he will — he returns to action, cameras blazing.

The two men have been colleagues since the mid-1990s, when they worked in South Africa together and Mr. Keller came to think of Mr. Silva as “an artist of conflict.”

Such artists have paid a very high price over the years. In 2009, for instance, Emilio Morenatti of The Associated Press lost his left foot after the vehicle in which he was riding in southern Afghanistan was struck by a roadside bomb. Many combat photographers have lost their lives.

“The truth is that it’s the photographers who usually end up taking the biggest risks of all,” Nicholas Kristof of The Times said in On the Ground. “A reporter can get information from a distance, but a photographer or cameraman has to be right in the middle of the action.”

Stephanie Sinclair of the VII photo agency has worked with Mr. Silva in Lebanon and Iraq. “I look at him at being the most careful and wise photographer I’ve worked with, while also being brave, as brave as any photographer I ever worked with,” she said.

Those who have worked with him know that his bravery is so low key and natural, that it is almost beside the point with him.  He works on another level from other photographers. It is very hard to describe, colleagues say, but he makes it seem as if it isn’t bravery — just a way of life and an absolute commitment to photojournalism.

Mr. Silva is known in the Baghdad bureau of The Times for his Marlboro cigarettes and Red Bull breakfasts. He is a working-class Portuguese immigrant to South Africa and a high school dropout. He accompanied a friend on a photo shoot in the 1980s and was hooked. He knew immediately he wanted to do photography — photojournalism, at that.

Mr. Keller called him “one of the finest war photographers on earth,” but he scarcely behaves like someone at a pinnacle. Those who know him keep remarking about his generosity.

“In an industry where big egos are not uncommon, Joao was the most unassuming, down-to-earth and friendly of photographers,” said Moises Saman of the Magnum Photo Agency.

Many photo agencies sought out Mr. Silva to join them, but he turned them down. He is not interested in money or fame. He mostly shuns the circuit of festivals and awards. His priorities are photographing conflict, riding motorcycles and being with his family. In fact, he has scheduled his assignment tours around the birthdays of his two young children.

Paradoxical as it might sound to an outsider, Mr. Silva is deliberate even in the most dangerous and volatile situations.

“He has incredibly good judgment and he pushes boundaries, but with great care and caution,” Ms. Sinclair said. She recalled:

We were at a Baghdad hospital in 2003, covering the aftermath of a bombing. Some of the younger photographers were very aggressive, stepping all over the place, being aggressive with the families. Joao went over and took pictures in a respectful way.  He shot only when necessary so as not to upset the relatives.  He got the picture, but he did it like a surgeon.  He is the bravest amongst us, but he is also the most gracious, the most respectful of others.

And on Saturday, the respect was being returned.

This last minute report was published on the Lens weblog of  The New York Times – October 23, 2010, 9:15 pm – Lens is the photography blog of The New York Times, presenting the finest and most interesting visual and multimedia reporting — photographs, videos and slide shows.


Published works

  • The Bang-Bang Club ~ By Greg Marinovich and João Silva
  • In The Company Of God ~ By João Silva


Advertenties

DE HEL VAN HELMAND – interview met Armadillo-regisseur Janus Metz

door Serge van Duijnhoven – IFA-Amsterdam

Armadillo werd in Cannes afgelopen voorjaar bekroond met de Grand Prix van de Semaine de La Critique. – De documentaire zal komend najaar te zien zijn in VPRO Holland Doc (tv) en is geselecteerd voor IDFA 2010

Tijdens een interview met de maker dat IFA-verslaggever Serge van Duijnhoven afgelopen mei in Cannes mocht hebben op het balkon van het Scandinavische Filmpaviljoen aan de Croisette, vertelde regisseur Janus Metz – een gedrongen Viking met een rosse baard en dikke wallenonder de ogen – dat het hem bij het maken van zijn film niet gegaan was om het vertellen van een spannend verhaal, of het verkondigen van een boodschap. De grote doelstelling die hij voor ogen had bij aanvang van het filmen was het maken van een zo diepgaand mogelijke antropologische zoektocht naar de vraag wat een oorlog nu precies voor impact heeft op de geest van jonge mensen die er- ver weg van huis en haard – “de vrede dienen af te dwingen en een democratie mogelijk te maken”. De film van Janus Metz is bij momenten niet alleen ongehoord bruut en direct, hij is ook ongezien eerlijk en ontendentieus. Wat we zien is een ‘Werdegang’ van gewone Deense jongens die gaandeweg hun diensttijd in Afghanistan – of ze nu willen of niet – de oorlog onder hun vel voelen kruipen. “There’s the seduction, there’s thebrutalization, and there’s the struggle to remain somehow a human being afterthe battles, once the silence sets back in”, zo vatte Metz in het kort de lijnen van zijn drama samen.

© Copyright Laerke Posselt

Trailer (English subtitles):

AMSTERDAM – Een van de blikvangers van de komende editie van het IDFA, het vermaarde International Documentary Festival dat ieder najaar plaatsvindt in Amsterdam, vormt de bloedstollende docufilm Armadillo van de Deense regisseur Janus Metz. Over het wel en wee van een contingent jonge Deense soldaten die gedurende hun verblijf op de ISAF-legerbasis in de Afghaanse provincie Helmand, de oorlog die geen oorlog heten mag in toenemende mate onder hun huid voelen kruipen.

De documentaire van Janus Metz vormt passende munitie voor al wie zich in het publieke debat niet langer zomaar een oor wil laten aannaaien door bewindslieden van Defensie en hun ministeriële bataljon van voorliegers en oplichters die het conflict in Afghanistan als een oorlogje of opbouwmissie voor wensen te stellen. En voor al wie binnenkort eindelijk wel weer eens veilig op een oor zou willen slapen zonder bij het Late Avond Journaal eerst nog eens te worden geconfronteerd met het ondemocratische dédain van mensen als Emmanuel Jacob (afgevaardigde van de Belgische legervakbond) die op dinsdag 12 oktober jl. in Terzake doodleuk opmerkte – de dag dat de beelden van de in een hinderlaag gelokte Belgen in Kunduz werden vertoond: “Ik zie absoluut het nut niet in van zulke beelden te tonen aan de publieke opinie.”
gewonde Deense soldaat na toediening van een shot morfine in zijn heup

De verdienste van de documentaire die in november in de hoofdcompetitie van het IDFA zal worden vertoond, en die dit najaar ook te zien zal zijn in VPRO’s tv-programma Holland Doc, bestaat eruit dat het Janus Metz gelukt is wat tot nu toe vrijwel niemand in de Lage Landen zo onverbloemd en ongecensureerd gelukt is. De oorlog in Afghanistan en werkelijkheid van een ISAF missie anno nu in alle rauwheid voor het voetlicht te krijgen. No bullshit. This is what it is.

Dat is wel even schrikken en slikken. In het Theater van het Woord, op de zevende verdieping van de Openbare Bibliotheek aan het IJ te Amsterdam waar op 17 oktober vast een IDFA-voorvertoning plaatsvond, leken alle toeschouwers te vervallen tot een volmaakt gesynchroniseerd ademhalingsritme bij de steeds bloedstollendere scènes die hoofdpersonages Mads en Daniel in en rond het Deense legerkamp Armadillo in de Afghaanse provincie Helmand krijgen te verduren. Vergelijkingen met klappers in het genre als “The Hurt Locker”, “The Thin Red Line”, “Platoon” of “Saving Private Ryan” kan dit snoeiharde eén-op-één portret (geschoten met meestal slechts één camera in echte gevechtssituaties en met reële cadetten gedurende een drieënhalf maanden durend verblijf op en rond de Afghaanse frontlinie), moeiteloos doorstaan. De kogels zijn geen losse flodders. De soldaten geen ingehuurde acteurs. De doden geen figuranten. De Taliban met weggeslagen gezicht is geen ledenpop maar een echt mens met ongetwijfeld een familie, vrienden, ouders, kinderen.

Tijdens een interview met de maker dat ik afgelopen mei in Cannes mocht hebben op het balkon van het Scandinavische Filmpaviljoen aan de Croisette, vertelde regisseur Janus Metz – een gedrongen Viking met een rosse baard en dikke wallen onder de ogen – dat het hem bij het maken van zijn film niet gegaan was om het vertellen van een spannend verhaal, of het verkondigen van een boodschap. De grote doelstelling die hij voor ogen had bij aanvang van het filmen was het maken van een zo diepgaand mogelijke antropologische zoektocht naar de vraag wat een oorlog nu precies voor impact heeft op de geest van jonge mensen die er – ver weg van huis en haard – “de vrede dienen af te dwingen en een democratie mogelijk te maken”.

In de praktijk betekent dat: het uitschakelen van zoveel mogelijk Taliban-strijders. En dus: het legitiem verworden tot mannen die schieten om te moorden. Bij sommige van die confrontaties gaat het er ongemeen gruwelijk, ruig en eng aan toe. De gevechtshandelingen die Metz minitieus en met een prachtig stabiel camerawerk van Lars Skree letterlijk tot op de huid van de hoofdpersonages weet te volgen, spelen zich af op het randje van de oorlogsdaad en -misdaad. In het Deense parlement is er pandemonium over uitgebroken, en roepen tegenstanders van de oorlog op tot een onderzoek bij Defensie naar de toedracht van de door Metz gefilmde slachtpartij – en vooral de euforische ontlading van de Deense soldaten die levend en wel van de confrontatie met de Taliban in het basiskamp terugkeren. Het zijn taferelen die Nederlanders bekend voorkomen, denkend aan de hossende en Heineken zuipende militairen van Dutchbat die in Tuzla de beest uit gingen hangen terwijl er even verderop achtduizend moslimmannen uit Srebrenica als varkens waren afgeslacht door de Servische slagers van generaal Mladic.

De film van Janus Metz is bij momenten niet alleen ongehoord bruut en direct, hij is ook ongezien eerlijk en ontendentieus. Er zijn geen ‘good guys’ of ‘bad guys’, over de motieven van de strijd wordt niet geoordeeld, er zijn geen ingelaste drama’s om de personages en hun geliefden in het thuisfront Denemarken nog wat vetter in de verf te zetten. Wat we wel zien is een ‘Werdegang’ van gewone Deense jongens die gaandeweg hun diensttijd in Afghanistan – of ze nu willen of niet – de oorlog onder hun vel voelen kruipen. “There’s the seduction, there’s the brutalization, and there’s the struggle to remain somehow a human being after the battles, once the silence sets back in”, zo vatte Metz in het kort de lijnen van zijn drama samen.

Metz: “Ik zie mezelf in de eerste plaats als een filmende anthropoloog. In Armadillo tracht ik de morele dilemma’s in beeld te brengen van de protagonisten die hun taakopdracht in de gevarenzone van de provincie Helmand tot een goed einde proberen te brengen. Ik ben me ervan bewust dat ik bij dit project gedwongen was een ambivalente positie in te nemen. Als filmmaker ben je een onderdeel van het conflict, en tegelijkertijd bewaar je afstand om het te kunnen filmen. Hoe vaker ik een uniform droeg, net als de soldaten waarmee ik op pad was, hoe meer ik me ook zelf als een soldaat begon te gedragen.”

“Ik was ook erg geinteresseerd in de interactie tussen onze soldaten en de Afghanen. Maar het was moeilijk om een helder beeld van die Afghanen te krijgen omdat we ze nooit op een normale manier konden benaderen. We kwamen altijd in zwaarbewapend konvooi hun akkers op rijden om de boel te inspecteren, wat heel intimiderend moet zijn overgekomen. Ik heb veel met onze tolken gesproken. Die hebben me zo goed als ze konden proberen duidelijk te maken hoe het is om momenteel in Afghanistan te leven. De vraag wat onze hele militaire aanwezigheid ginder eigenlijk teweeg brengt is natuurlijk heel cruciaal maar ook penibel. We proberen een soort van illusoire veiligheid te creeeren door zoveel mogelijk specimen van een grotendeels onzichtbare spookachtige vijand over de kling te jagen. Waarbij ook nogal wat burgers per ongeluk om het leven komen. De oorlog tegen het terrorisme is zo verdomd complex geworden.”

“Natuurlijk gaat er van het verschijnsel oorlog ook een bepaalde aantrekkingskracht uit. Dat mag je niet uit het oog verliezen. Mijn benadering van dit conflict in Afghanistan was een filmische, sommigen zouden zeggen een artistieke. Ik wilde proberen vast te leggen wat het betekende voor de soldaten om de dood van zo nabij te ervaren. Hoe de soldaten de werkelijkheid van de missie in Helmand ervaarden. Wat hun zelfbeeld was. Hoe ze hun positie als uitgezonden militairen precies opvatten binnen deze strijd die gaande is. Deze laatste aspecten van hyperrealiteit om met Baudrillard te spreken, en van het beeld dat de soldaten van zichzelf hadden, interesseerden me nog het meest. Kunnen we begrijpen van welk groter proces we deel uitmaken als we bezig zijn aan zo’n gewelddadige missie waarbij we de dood in de eerste graad in de ogen moeten kijken en misschien wel zelf moeten doden? En wat gebeurt er daarna? Hoe zien de soldatgen zichzelf als soldaten? Ze hebben allemaal talloze oorlogsfilms gezien, ze leven in een besloten gemeenschap waar je volgens een bepaalde viriele code geacht wordt jezelf sterk te houden en onder zware druk te presteren. Waar je geen doetje mag zijn, stand moet houden als je wordt aangevallen, en luid en duidelijk dient te communiceren. Wat doet dit met zulke jonge mensen?”

“Het is waar dat ik gedurende mijn verblijf op Armadillo, waar ik in zes maanden tijd vier keer naar toe ben gereisd en in totaal drie maanden heb doorgebracht, verplicht was om hetzelfde uniform te dragen als de soldaten van de platoon die ik volgde. En ook al is het me wel geleerd hoe ik een wapen diende te gebruiken, ik heb het gelukkig nooit in de praktijk gebruikt. De kwestie van identificatie met het subject van ons filmproject, is bijzonder gecompliceerd. Het heeft natuurlijk consequenties, maar is ook onvermijdelijk als je jezelf tot doel stelt zo dicht mogelijk op de huid te zitten van je onderwerp. Cameraman Lars Kree en ik hebben er hard voor moeten werken om door de anderen als een volwaardig onderdeel van de platoon in de groep te worden opgenomen. Er was sprake van een vertrouwensband. Maar hoe intenser je je met de soldaten inlaat, hoe moeilijker het wordt om afstand tot de oorlog te kunnen bewaren. Hoe vaker je een uniform aantrekt, hoe meer je dat uniform wordt. Ik ervaarde dat ik met een uniform aan ook echt anders ging staan, bewegen, praten, handelen. Hoe langer Lars en ik ons in de oorlogszone ophielden, hoe meer wij ook zelf verwerden tot soldaten.”

“De Deense soldaten waarmee ik verkeerde, hadden een heel sterk besef van urgentie. Ze wisten heel goed waarom ze in Afghanistan dienden. Ze waren daar – en ik gebruik nu hun eigen woorden – om de “voorwaarden te creeeren voor een veilige situatie in de provincie Hellmand”. In de praktijk betekende dat het uitschakelen van de opstandelingen. De Taliban moest worden uitgeschakeld opdat het opbouwwerk zou kunnen beginnen. Met dit soort redeneringen rechtvaardigde men de wrede praktijk van de missie. Natuurlijk is de vraag gerechtvaardigd of de aanwezigheid van zoveel westerse troepen in Afghanistan niet juist een averechts effect heeft. Of we met het proberen te creeeren van een veilige situatie niet juist de opstand aanwakkeren? Hoe intimiderender de troepenmacht is die in Afghanistan te werk gaat, hoe meer verzet er zal zijn tegen onze aanwezigheid.”

“De spelregels waaraan Lars en ik moesten voldoen, en die we vantevoren met de Krijgsmacht hadden doorgenomen, waren uitermate liberaal. Er werd ons weinig in de weg gelegd. We konden filmen wat we wilden zolang we de uitvoering van de operatie en veiligheid van de manschappen maar niet op het spel zouden zetten. Feitelijk hadden we carte blanche. Nogal opmerkelijk als je erbij stilstaat. Ook het leger was er blijkbaar mee gediend dat er een grondig en reeel beeld van de Deense ISAF-missie aan het publiek zou kunnen worden getoond. We hoefden de zaak niet vrediger of mooier voor te stellen dan die was. Ik weet niet of ons in enig ander land dan Denemarken zoveel privileges vergund zouden zijn geweest. Denemarken is vergeleken bij Nederland en de VS behoorlijk onschuldig door de recente geschiedenis heen gekomen. Wij hebben geen deel gehad aan Srebrenica of Abu Graib.”

“Er komen scenes voor in de film die erop wijzen dat ook de Denen niet helemaal schone handen kunnen houden in een oorlog. Opnamen van oorlogshandelingen die op of over het randje verkeren van een oorlogsmisdaad. Ik denk dat het publiek ook die beelden moet zien. Ik kan er niet over oordelen vanuit militair of krijgsrechtelijk perspectief. Mij gaat het om het menselijke aspect van die bewuste confrontaties. Wat ik wel kan zeggen is dat we – voor de liquidaties plaatsvonden – hevig onder vuur werden genomen door opstandelingen. De vijand was op gegeven moment minder dan vijf meter van ons verwijderd. De kogels vlogen ons om de oren. Een van onze jongens wierp een granaat in de greppel waar de Taliban zich verscholen hadden, en viel vervolgens met een ander aan. Of hierbij alles geschiedde volgens de Conventie van Geneve en de regels van het oorlogsrecht, durf ik niet te zeggen. Dat wordt opgengelaten in de film. Het is aan de kijker zelf om te oordelen. Die scenes van het gevecht vertonen we in hun geheel. Het is wat je noemt een real take. De camera liep door en we hebben er ook later niet meer in gesneden.”

“Wat mij vooral interesseert inzake dat gevecht en de liquidaties, dat is niet of er juridisch gezien sprake is van een misdaad maar wat er allemaal heenging door de hoofden van de jongens die erbij betrokken waren. Wat beleeft de soldaat die zo hevig wordt beschoten en op gegeven moment het bevel krijgt om aan te vallen en de greppel op te bestormen wetende dat daar de vijand op je wacht die het op je leven gemunt heeft en zopas twee van je kameraden met kogels heeft verwond. Hoe beleef je die werkelijkheid als je toch al een beeld van de vijand hebt als een godsdienstwaanzinnige moslimfundamtalist die bereid is zichzelf dood te vechten tegen een westerse overmacht om als martelaar in het paradijs te komen? Hoe houd je in zo’n geval je zenuwen in bedwang en doe je wat je geacht wordt te doen terwijl je tegelijkertijd ook geacht wordt mens te blijven? Hoe bewaar je in zo’n situatie een balans tussen ratio en handeling?”

Het vuurgevecht levert de heftigste scenes op uit de documentaire. Na het gevecht is te zien hoe de Denen nieuwsgierig hun dode vijand inspecteren. Hoe ze – als vissers die hun buit aan boord hijsen – een kluitje graatmagere Afghanen met baarden uit de sloot tevoorschijn trekken. Gehavende lichamen van met modder en klei en bloed besmeurde mannen in lange gewaden. De lijken worden op rudimentaire wijze ontdaan van hun wapengerei, het dode vlees wordt met ruwe halen gescheiden van de geweren en granaatwerpers. De dode Taliban worden met interesse en bekeken. In de woorden van sommigen is zelfs een vleugje medelijden te bespeuren. De soldaten verlaten het terrein in een euforische stemming. Eindelijk is het ze gelukt om enkele krijgshaftige kerels uit de doorgaans onzichtbare gelederen van de vijand te grazen te nemen. De Denen hebben ontzag voor de opstandelingen, die aan durven te vallen zelfs al zijn ze met een factor tien in de minderheid.

Metz: “De jongens die ik gevolgd heb in de strijd zijn geen van alle monsters. Maar de kijker kan zien dat ze ook de duistere kanten van de oorlog niet uit de weg gaan. Dat ze zich daar op een bepaalde manier juist toe aangetrokken voelen. Ze zijn benieuwd hoe het voelt om te vechten, om oog in oog te staan met de dood. Ze willen de bovenste laag van de werkelijkheid afschrapen en een nog diepere realiteit ervaren. Ik denk dat het volstaat om eens een lasergevecht of paintball wedstrijd op de kermis mee te maken om te begrijpen wat ik bedoel. Sociologen spreken van “jouissance”. De kick van de ultieme ervaring.”

“Ik heb het erg moeilijk gehad met sommige beslissingen die ik in deze film heb moeten nemen. Welke scenes ik wel en niet zou vertonen. Het moge duidelijk zijn dat de release van Armadillo niet voor alle soldaten uit de documentaire een pretje is geworden. Ook ik heb me het hoofd gebroken over mogelijke gevolgen die mijn film zou kunnen hebben voor de betrokkenen. Ik betreur dat het zover is gekomen, maar het dilemma waar ik voor stond was: wat voor film durf ik uiteindelijk te vertonen zonder ofwel de soldaten ofwel de werkelijkheid te compromitteren? Wat weegt zwaarder? Wanneer wordt het kunnen vertonen van een film belangrijker dan de problemen die het veroorzaakt voor een individu? In zekere zin is dit project me boven het hoofd gegroeid.”

Mads

“Ik kan niet precies aangeven waar mijn grenzen hebben gelegen tijdens het filmen. Misschien heb ik mijn eigen limieten bij dit project wel overschreden. Het was hard werken, we hebben risico’s genomen, zijn tot de bodem gegaan van ons kunnen. Net als de troepen hebben we ons eigen leven voor deze missie in Helmand in de waagschaal gelegd. Maar het is het waard geweest. Er komt een punt dat je je af begint te vragen wat het belang is van het materiaal dat je op film vast hebben weten te leggen. Of het belang van een vertoning van dat materiaal aan de buitenwacht uiteindelijk niet groter is dan de private besognes en belangen van de soldaten die zich door de documentaire benadeeld of verraden zouden kunnen voelen. Of die te maken krijgen met onvoorziene repercussies. Dat is een pijnlijke afweging. Het belang van de film overstijgt uiteindelijk dat van de makers en de protagonisten. De film gaat niet alleen een select groepje Denen aan. De film gaat miljoenen mensen aan. Het hele project is me in dat opzicht weldegelijk boven het hoofd gegroeid.”

“Ik denk nog vaak aan Mads en Daniel en de andere soldaten met wie we op patrouille zijn geweest en bijna op intieme voet zijn geraakt gedurende al die maanden. Ik ben benieuwd hoe het alledaagse leven voor hen nu voelt, na in Afghanistan te hebben gediend. Of de stilte van het gewone leven hen niet oorverdovend overkomt. Hun ervaringen in Afghanistan zullen altijd een deel van hen blijven. De meeste mensen slagen erin hun ervaring een bepaalde zin en kadering te geven. En gaan dan weer voort met hun leven. Ik bleek daar zelf ook toe in staat na alle opnamen in Afghanistan. Ik denk dat mensen een wonderbaarlijk incasseringsvermogen hebben.”

“Sinds Armadillo in roulatie is gekomen, heb ik de soldaten niet meer gesproken. Dat komt omdat ik veel weg ben voor promotie van de film. Maar ook omdat velen van hen niet meer met me willen praten. Het is duidelijk dat sommige cadetten heel nerveus geworden zijn van de nakende release, en zich door mij verraden voelen. Zeker nadat het gevecht met die Taliban een eigen leven is gaan leiden in de media en de politiek. Tegelijkertijd zijn er ook soldaten die van mening zijn dat dit een film is die echt gemaakt moest worden. Dit is hoe het is. Ze zijn blij dat er eindelijk een film is die geen bullshit verkoopt. De jongens die je in de film kunt volgen hebben de documentaire allemaal gezien. Sommigen van hen wel drie keer. Het spectrum aan emoties dat werd aangeboord bij de vertoning was voor iedereen dan ook behoorlijk groot. Sommigen waren tevreden, anderen hebben gehuild. Sommigen waren boos op mij, anderen waren me dankbaar. Maar verder wil ik hier niet over praten. Het ligt allemaal heel gevoelig. Ook voor mij.”

© Serge van Duijnhoven / IFA-Amsterdam 2010

Armadillo werd in Cannes afgelopen voorjaar bekroond met de Grand Prix van de Semaine de La Critique. De documentaire zal komend najaar te zien zijn in VPRO Holland Doc (tv) en is geselecteerd voor IDFA 2010

FILM CREDITS

Armadillo (2010)

Janus Metz, Denemarken, Zweden, 2010, kleur, 35mm, 100 minuten, Denemarken Documentaire

regisseur: Janus Metz , camera: Lars Skree , componist: Uno Helmersson , montage: Per K. Kirkegaard , produktie: Ronnie Fridthjof voor Fridthjof Film A/S, Sara Stockmann voor Fridthjof Film A/S
Co-production Auto Images , Commissioning Editor Sune Roland voor TV 2 Denmark

TRAILER via website Armadillo:

http://www.armadillothemovie.com/armadillo/TRAILER.html

TRAILER via website IDFA:

http://www.idfa.nl/nl/tags/project.aspx?id=6bb9c901-a1a5-4b60-9145-199a9809b819

zie ook het commentaar op de film van oorlogsreporter Joeri Boom nav de IDFA-voorvertoning:

http://www.cobra.be/cm/cobra/film/101022-sa-armadillo

http://cinemaredux.wordpress.com/2010/10/22/armadillo-als-een-nacht-met-duizend-sterren-pieter-de-crem/

© sergevanduijnhoven@skynet.be

Armadillo – Als een nacht met duizend sterren – Pieter de Crem

Eén van de blikvangers van de komende editie van het IDFA, het Amsterdamse International Documentary Festival, is de bloedstollende docufilm Armadillo van de Deense regisseur Janus Metz. Die gaat over het wel en wee van een contingent jonge Deense soldaten die gedurende hun verblijf in de Afghaanse provincie Helmand “de oorlog die geen oorlog heten mag” steeds meer onder hun huid voelen kruipen.

Ik bezocht de avant-premiere in gezelschap van een robuuste oorlogsjournalist: Joeri Boom – vaste buitenlandredacteur bij het kwaliteitsweekblad De Groene Amsterdammer. Joeri is het afgelopen decennium vaak in Afghanistan geweest en heeft over zijn ervaringen zopas een ontluisterend boek gepubliceerd: “Als een nacht met duizend sterren”. Het boek bevat zowel reportages als diepgaande analyses over de tekortkomingen van de hedendaagse oorlogsjournalistiek ten aanzien van het hypergecompliceerde conflict in Afghanistan. Het leest als een donkere thriller, heeft knappe spanningsbogen, een weloverwogen toon en blinkt vanaf de eerste pagina uit in een nietsontziende eerlijkheid.
De strijd om censuur

De documentaire van Janus Metz en het boek van Boom vormen passende munitie voor al wie zich in het publieke debat niet langer zomaar een oor wil laten aannaaien door bewindslieden. In het boek van Joeri Boom komen tal van schrijnende voorbeelden voor waaruit blijkt dat Defensie in Nederland er net als in Belgie alles aan gelegen is geweest om de informatiestroom vanuit Afghanistan (waar de Nederlanders tot augustus 2010 deelnamen aan een ISAF-missie in Uruzgan) zoveel mogelijk te beperken en controleren.

Joeri’s kritiek hierop is vernietigend: “Censuur hoort niet thuis in een democratische samenleving waarvan persvrijheid een belangrijke pijler vormt. En waarin politici en ambtenaren naar behoren verantwoording dienen af te leggen over de realiteit van de oorlog die gevoerd wordt met de belastingcenten van het volk door wie ze in goed vertrouwen zijn verkozen. Het verstrekken van misinformatie of (zoals in Belgie gebeurt) geen informatie – enkel om het beeld van de oorlogsmissie waarin men verstrikt is geraakt zoveel mogelijk te verdoezelen zodat men er zelf niet politiek op afgerekend hoopt te kunnen worden – is een democratische doodzonde een westers land onwaardig.”

 

<object id=”media_1.892533″ width=”500″ height=”380″>
<param name=”movie” value=”http://www.cobra.be/html/flash/common/embeddedVideoPlayer.swf”/&gt;
<param name=”allowScriptAccess” value=”always” />
<param name=”flashvars” value=”f=http://www.cobra.be/permalink/1.892533?view=embedVars&locale=nl”/>
<param name=”wmode” value=”transparent”>
<embed type=”application/x-shockwave-flash” wmode=”transparent” name=”media” src=”http://www.cobra.be/html/flash/common/embeddedVideoPlayer.swf&#8221; quality=”high” allowscriptaccess=”always” flashvars=”f=http://www.cobra.be/permalink/1.892533?view=embedVars&locale=nl” width=”500″ height=”380″>
</embed>
</object>

 

Bloedstollend dichtbij

De grote verdienste van de documentaire is dat Janus Metz een ultra-realistisch beeld geeft van hoe een ISAF-missie er in Afghanistan anno nu echt uitziet. Dat is wel even schrikken en slikken. Alle toeschouwers vervallen tot een volmaakt gesynchroniseerd ademhalingsritme bij de steeds bloedstollendere scènes die hoofdpersonages Mads en Daniel in en rond het Deense legerkamp Armadillo te verduren krijgen.

Vergelijkingen met klappers in het genre als “The Hurt Locker”, “The Thin Red Line”, “Platoon” of “Saving Private Ryan” kan dit snoeiharde één-op-één portret (geschoten met meestal slechts één camera in echte gevechtssituaties gedurende een drieënhalf maanden durend verblijf op de Afghaanse frontlinie) moeiteloos doorstaan. De kogels zijn geen losse flodders. De soldaten geen ingehuurde acteurs. De doden geen figuranten. De Taliban met weggeslagen gezicht is geen ledenpop maar een echt mens met ongetwijfeld een familie, vrienden, ouders, kinderen.

Tijdens een interview met de maker dat ik afgelopen mei in Cannes mocht hebben, vertelde regisseur Janus Metz – een gedrongen Viking met een rosse baard en dikke wallen onder de ogen – dat het hem bij het maken van zijn film niet gegaan was om het vertellen van een spannend verhaal, of het verkondigen van een boodschap. Zijn doel was een zo diepgaand mogelijke antropologische zoektocht naar wat voor impact een oorlog heeft op de geest van jonge mensen die er – ver weg van huis en haard – “de vrede dienen af te dwingen en een democratie mogelijk te maken”.

De gevechtshandelingen die Metz minitieus en met een prachtig stabiel camerawerk van Lars Skree letterlijk tot op de huid van de hoofdpersonages weet te volgen, spelen zich af op het randje van de oorlogsdaad en -misdaad. De film is bij momenten niet alleen ongehoord bruut en direct, hij is ook ongezien eerlijk en ontendentieus. Er zijn geen ‘good guys’ of ‘bad guys’, over de motieven van de strijd wordt niet geoordeeld, er zijn geen ingelaste drama’s om de personages en hun geliefden in het thuisfront Denemarken nog wat vetter in de verf te zetten.
Misdadige oorlog

Joeri Boom is onder de indruk: “Wat ik interessant vind in deze film is dat er voor ieders ogen een duidelijke oorlogsmisdaad plaatsvindt. Gewonde vijanden worden doodgeschoten waarbij de militair die hiervoor verantwoordelijk is het woord “liquideren” gebruikt. Hij weet dus wat hij doet. Met voorbedachten rade. Ik kan me niet voorstellen dat de kameraadschap die Metz ongetwijfeld met de Deense soldaten uit zijn platoon heeft opgebouwd, na het uitkomen van de film nog is voortgezet”.

Janus Metz bevestigde deze veronderstelling in Cannes, toen hij bekende dat sommige van de soldaten niet meer tegen hem spreken. Anderen zijn dan weer heel blij dat de film er is: “There are soldiers in this film who feel this is a much needed image. This is what it is like. They’re happy that there’s a film out that doesn’t bullshit”.

[“Armadillo” – Janus Metz, 2010]

[“Als een nacht met duizend sterren” – Joeri Boom. Uitgeverij Podium, 2010]

Lees ook de uitgebreide versie van bovenstaand artikel zoals te vinden op:
http://cinemaredux.wordpress.com/2010/10/22/armadillo-als-een-nacht-met-duizend-sterren-pieter-de-crem/

A R M A D I L L O
A L S E E N N A C H T M E T D U I Z E N D S T E R R E N
P I E T E R D E C R E M

AMSTERDAM – Een van de blikvangers van de komende editie van het IDFA, het vermaarde International Documentary Festival dat ieder najaar plaatsvindt in Amsterdam, vormt de bloedstollende docufilm Armadillo van de Deense regisseur Janus Metz. Over het wel en wee van een contingent jonge Deense soldaten die gedurende hun verblijf op de ISAF-legerbasis in de Afghaanse provincie Helmand, de oorlog die geen oorlog heten mag in toenemende mate onder hun huid voelen kruipen.

Voor al wie vast een voorproefje geserveerd wenste te krijgen uit het zorgvuldig geselecteerde programma van ’s werelds grootste Documentaire Festival, presenteerde het IDFA deze week een voorvertoning van Armadillo. Plaats van projectie was de Openbare Bibliotheek aan het IJ – een van de mooiste en meest futuristische openbare bibliotheken mij bekend.

Aangezien de kwestie Afghanistan op dit moment ook in Belgie hot news is geworden sedert er videobeelden zijn opgedoken van een hevig vuurgevecht waar Belgische soldaten rondom Kunduz in terecht waren gekomen tijdens hun opbouwmissie voor de Internationale Stabilisatie Krijgsmacht (ISAF) van de NAVO, en ik op de laatste editie van het Filmfestival in Cannes al eens in de gelegenheid ben geweest de regisseur van Armadillo aan de tand te voelen, leek het me een goed idee om deze avant-première te bezoeken in gezelschap van een robuuste oorlogsjournalist met kennis van zaken: Joeri Boom – vaste buitenlandredacteur bij het kwaliteitsweekblad De Groene Amsterdammer. Joeri is het afgelopen decennium vele malen in Afghanistan geweest en heeft over zijn ervaringen zopas een ontluisterend boek gepubliceerd met de poetische titel Als een nacht met duizend sterren (uitgeverij Podium).

Het boek bevat zowel hardcore reportages als analyses over het al dan niet welslagen van de taken die de Nederlandse troepen in Kamp Holland (provincie Uruzgan) trachtten uit te voeren. Dwars door die twee eerste lagen heen, leest het ook als een indrukwekkend persoonlijk requisitoir van een hedendaagse oorlogsjournalist die zich na enkele jaren van ter plaatse spartelen (als embedded verslaggever die bij het leger was ingekwartierd) zich zijn tekortkomingen realiseert en daar vervolgens iets aan doet. Dit laatste in tegenstelling tot de meeste collega’s van Joeri die er in Afghanistan blijkbaar minder moeite mee hebben zichzelf gedurig te compromitteren.

Bij onze noorderburen is Joeri’s boek (sorry voor de beeldspraak) ingeslagen als een bom. Al na een week beleefde het een tweede druk. Weinigen is het gegeven zo keihard en principieel de balans op te maken van eigen wedervaren, zonder daarbij te vervallen in koketerie of masochisme. Of in die typische vormen van nonchalance en stoerdoenerij die het macho-vak van oorlogsreporter helaas nog te vaak kenmerken.

Als een nacht met duizend sterren bevat gelukkig wel nog altijd een onmiskenbaar gehalte aan sterke verhalen en pikante anekdotes. Het boek leest als een donkere thriller, heeft knappe spanningsbogen, een weloverwogen toon en kritische stijl die hier en daar een tikje naar het belerende overhelt. Op dit laatste punt na, blinkt het boek vanaf de eerste pagina uit in een uiterst frisse eerlijkheid. Ook al schrijft hij voor een intellectueel blad, Joeri Boom doet geen enkele poging zijn drijfveren van extra franje of dikdoenerij te voorzien. Hij geeft ruiterlijk toe dat hij een zwak heeft voor oorlogswapens en de rauwe sfeer van mannelijke kameraderie die je in alle oorlogsgebieden vindt. En dat hij waarschijnlijk ook verslaafd is aan de adrenalinerush die het werken in conflictgebieden nu eenmaal met zich meebrengt. Des te opmerkelijker dat Boom zich zeker niet als een wildebras, smokejumper of Kolonel Kurtz aan het verre front wenst te gedragen.

De documentaire van Janus Metz en het boek van Joeri Boom vormen beide op hun eigen manier passende munitie voor al wie zich in het publieke debat niet langer zomaar een oor wil laten aannaaien door bewindslieden als Pieter de Crem en zijn ministeriële bataljon van voorliegers en oplichters die het conflict in Afghanistan als een oorlogje of opbouwmissie voor wensen te stellen. En voor al wie binnenkort eindelijk wel weer eens veilig op een oor zou willen slapen zonder bij het Late Avond Journaal eerst nog eens te worden geconfronteerd met het ondemocratische dédain van pilaarbijter Pieter De Crem of zijn vazal Emmanuel Jacob (afgevaardigde van de legervakbond) die op dinsdag 12 oktober in Terzake doodleuk opmerkte – de dag dat de beelden van de in een hinderlaag gelokte Belgen in Kunduz werden vertoond: “Ik zie absoluut het nut niet in van zulke beelden te tonen aan de publieke opinie.”

Ook in het boek van Joeri Boom komen tal van schrijnende voorbeelden voor waaruit blijkt dat Defensie er in Nederland alles aan gelegen is geweest om de informatiestroom vanuit Afghanistan zoveel mogelijk te beperken en controleren. Joeri’s kritiek hierop is vernietigend: “Censuur hoort niet thuis in een democratische samenleving waarvan persvrijheid een belangrijke pijler vormt. En waarin politici en ambtenaren naar behoren verantwoording dienen af te leggen over de realiteit van de oorlog die gevoerd wordt met de belastingcenten van het volk door wie ze in goed vertrouwen zijn verkozen. Het verstrekken van misinformatie of (zoals in België gebeurt) helemaal geen informatie – enkel om het beeld van de oorlogsmissie waarin men verstrikt is geraakt zoveel mogelijk te verdoezelen zodat men er zelf niet politiek op afgerekend hoopt te kunnen worden – is een democratische doodzonde een westers land onwaardig.”

Jacobs en De Crem hebben zoveel fedusie in het Belgische volk dat het burgers blijkbaar niet eens vergund is er ueberhaupt een visie op de werkelijkheid in Afghanistan op na te houden. Hoe het er nu eigenlijk aan toe gaat, ginder in Kunduz waar de Belgische militairen Afghanen leren anderen te doden? Wat de praktijk is van de missie, wat het effect is van de inspanningen, wat de gevolgen zijn voor de Afghaanse bevolking? We weten het niet. En mogen het niet weten. Pottenkijkers zijn in Kunduz nog altijd niet gewenst. Geen wonder dat geruchten het vacuum hebben opgevuld. En het thuisfront hebben opgezadeld met een volstrekt ridicuul beeld van de Belgische ISAF-missie als een vakantie van zes maanden bij Club Med. De soldaten die de videobeelden van het vuurgevecht vorige week aan de media hebben doorgespeeld, deden dat omdat ze gefrustreerd waren over het onbegrip en de meewarigheid dat ze bij het thuisfront hadden ervaren. “Hoezo heftige tijd? Jullie hoefden toch alleen wat Afghanen op te leiden? Wat zeur je nou?”
Emmanuel Jacob van de Vlaamse legervakbond ACMP verklaarde na het vertonen van de beelden op de VRT waarop te zien was hoe Belgische militairen in een hinderlaag terecht kwamen en een felle schotenwisseling moesten ondergaan en uiteindelijk bijna door nabij kanonvuur van Amerikaanse krachten van de kaart worden geveegd: “ik zie absoluut niet het nut ervan in zulke beelden te tonen aan de publieke opinie.’ Hij stelde ook dat minister van Defensie Pieter De Crem noch het ministerie van Defensie ooit hebben gezegd dat de situatie in Afghanistan veilig is.
Joeri: “Deze beelden zijn via militairen terecht gekomen bij de VRT. Dat doen die jongens niet voor niks. Die hebben blijkbaar het gevoel dat hun ervaringen terplekke niet goed of helemaal niet worden doorgegeven aan het thuisfront. Wat nogal wiedes is als er geen verslaggevers meemogen op missie namens Defensie. Het is heel moeilijk om de intensiteit van zo’n gevecht goed duidelijk te maken in het thuisland van de militair op missie. En toch is het heel belangrijk dat we dat wel doen. Tegen de Belgische overheid zou ik dan ook willen zeggen: grijp elke kans aan die je hebt om duidelijk te maken hoe de situatie in Afghanistan werkelijk is. Met welk geweld onze manschappen daar tijdens de missie te maken hebben. Wat de praktijk is van de oorlog. Pak die kans want dat voorkomt dat je een tweedeling krijgt in de samenleving van militairen die verbolgen zijn en zich onbegrepen voelen, en het thuisfront dat niet meer kan volgen wat er in hun geliefden omgaat.”

De verdienste van de documentaire die Joeri en ik deze week vast konden bekijken, en die in november in de hoofdcompetitie van het IDFA zal worden vertoond, bestaat eruit dat het Janus Metz gelukt is wat tot nu toe niemand in België nog voor elkaar heeft gekregen. De oorlog in Afghanistan en werkelijkheid van een ISAF missie anno nu ongecensureerd voor het voetlicht te krijgen. No bullshit. This is what it is.
Dat is wel even schrikken en slikken. In het Theater van het Woord, op de zevende verdieping van de Openbare Bibliotheek aan het IJ te Amsterdam, leken alle toeschouwers te vervallen tot een volmaakt gesynchroniseerd ademhalingsritme bij de steeds bloedstollendere scènes die hoofdpersonages Mads en Daniel in en rond het Deense legerkamp Armadillo in de Afghaanse provincie Helmand krijgen te verduren. Vergelijkingen met klappers in het genre als “The Hurt Locker”, “The Thin Red Line”, “Platoon” of “Saving Private Ryan” kan dit snoeiharde eén-op-één portret (geschoten met meestal slechts één camera in echte gevechtssituaties en met reële cadetten gedurende een drieënhalf maanden durend verblijf op en rond de Afghaanse frontlinie), moeiteloos doorstaan. De kogels zijn geen losse flodders. De soldaten geen ingehuurde acteurs. De doden geen figuranten. De Taliban met weggeslagen gezicht is geen ledenpop maar een echt mens met ongetwijfeld een familie, vrienden, ouders, kinderen.

Tijdens een interview met de maker dat ik afgelopen mei in Cannes mocht hebben op het balkon van het Scandinavische Filmpaviljoen aan de Croisette, vertelde regisseur Janus Metz – een gedrongen Viking met een rosse baard en dikke wallen onder de ogen – dat het hem bij het maken van zijn film niet gegaan was om het vertellen van een spannend verhaal, of het verkondigen van een boodschap. De grote doelstelling die hij voor ogen had bij aanvang van het filmen was het maken van een zo diepgaand mogelijke antropologische zoektocht naar de vraag wat een oorlog nu precies voor impact heeft op de geest van jonge mensen die er – ver weg van huis en haard – “de vrede dienen af te dwingen en een democratie mogelijk te maken”.

In de praktijk betekent dat: het uitschakelen van zoveel mogelijk Taliban-strijders. En dus: het legitiem verworden tot mannen die schieten om te moorden. Bij sommige van die confrontaties gaat het er ongemeen gruwelijk, ruig en eng aan toe. De gevechtshandelingen die Metz minitieus en met een prachtig stabiel camerawerk van Lars Skree letterlijk tot op de huid van de hoofdpersonages weet te volgen, spelen zich af op het randje van de oorlogsdaad en -misdaad. In het Deense parlement is er pandemonium over uitgebroken, en roepen tegenstanders van de oorlog op tot een onderzoek bij Defensie naar de toedracht van de door Metz gefilmde slachtpartij – en vooral de euforische ontlading van de Deense soldaten die levend en wel van de confrontatie met de Taliban in het basiskamp terugkeren. Het zijn taferelen die Nederlanders bekend voorkomen, denkend aan de hossende en Heineken zuipende militairen van Dutchbat die in Tuzla de beest uit gingen hangen terwijl er even verderop achtduizend moslimmannen uit Srebrenica als varkens waren afgeslacht door de Servische slagers van generaal Mladic.

De film van Janus Metz is bij momenten niet alleen ongehoord bruut en direct, hij is ook ongezien eerlijk en ontendentieus. Er zijn geen ‘good guys’ of ‘bad guys’, over de motieven van de strijd wordt niet geoordeeld, er zijn geen ingelaste drama’s om de personages en hun geliefden in het thuisfront Denemarken nog wat vetter in de verf te zetten. Wat we wel zien is een ‘Werdegang’ van gewone Deense jongens die gaandeweg hun diensttijd in Afghanistan – of ze nu willen of niet – de oorlog onder hun vel voelen kruipen. “There’s the seduction, there’s the brutalization, and there’s the struggle to remain somehow a human being after the battles, once the silence sets back in”, zo vatte Metz in het kort de lijnen van zijn drama samen.

Joeri Boom is onder de indruk: “Deze film komt heel dichtbij. Omdat de filmer heel dicht op de huid zit van de Deense soldaten. Kennelijk genoot Janus Metz volledig het vertrouwen van het peloton.
Wat ik interessant vind in deze film is dat er voor ieders ogen een duidelijke oorlogsmisdaad plaatsvindt. Gewonde vijanden worden doodgeschoten waarbij de militair die hiervoor verantwoordelijk is het woord liquideren gebruikt. Dus hij weet wat hij doet. Met voorbedachten rade. Het valt niet te ontkennen dat de oorlog een corrumperende invloed heeft op al wie ermee te maken krijgt. Metz laat dat mooi zien. Ook ik heb me moeten realiseren dat ik allerminst immuun voor die corrumperende invloed ben geweest. Mijn onafhankelijkheid ging steeds verder ten onder tijdens het embedded zijn. Defensie betaalde mijn verblijf, las mijn stukken door, scande artikelen, en gedurende missies raakte ik bevriend met de militairen die ik vergezelde. Op gegeven moment vroeg een soldaat provocerend: ‘stel nou Joeri dat wij tijdens een patrouille een dorp met burgers uitmoorden. Wat doe jij dan?’ Dat was een pijnlijk moment. Na een aarzelende stilte antwoordde ik dat ik dan toch maar zou doen wat iedere jouranlist in zo’n geval zou moeten doen. Namelijk verslag optekenen van het gebeurde. Zo gedetailleerd mogelijk. Inclusief de naam en rang van de betrokkenen. Uit mijn aarzeling leidde ik af dat ik al gevaarlijk diep gevallen was. En dat ik – als ik nog verder die grens zou overtrekken – alles op het spel dreigde te zetten dat me dierbaar was. Mijn geloofwaardigheid, mijn toekomst, misschien wel mijn leven. De oorlog had me blijkbaar bij de kladden. Mijn beoordelingsvermogen bleek sterk te zijn verminderd. Ik raakte afgestompt. Mijn identificatie met de militairen was te groot geworden. Ik verkeerde op een hellend vlak. Toen ik op een gegeven moment een automatisch wapen in handen gedrukt kreeg en geacht werd mee te vechten in het geval van een aanval, was voor mij de maat vol. Ik wist: tot hier en niet verder.”

Joeri: “Ik ben benieuwd of regisseur Metz gedacht heeft, toen hij getuige was van dat vuurgevecht waarbij gewonde Taliban worden geexecuteerd: wow, dit is te gek voor mijn film. Maar die jongens die me hier zo kameraadschappelijk in hun gelederen hebben opgenomen zullen nu voor het oog van de wereld op hun gedrag worden afgerekend. Ik kan me niet voorstellen dat de kameraadschap die Metz ongetwijfeld met de Deense soldaten uit zijn platoon heeft opgebouwd, na het uitkomen van de film nog is voortgezet.”

Janus Metz bevestigde deze veronderstelling eerder al in Cannes, toen hij bekende: “Sinds de film in roulatie is, heb ik de soldaten niet meer gesproken. Dat komt omdat ik veel weg ben vanwege de promotie. Maar ook omdat velen van hen niet meer met me willen praten. Het is duidelijk dat sommige cadetten heel nerveus geworden zijn van de release van Armadillo. Maar tegelijkertijd zijn er ook soldaten die van mening zijn dat dit een film is die echt gemaakt moest worden. Dit is hoe het is. Ze zijn blij dat er eindelijk een film is die geen bullshit verkoopt. De jongens die je in de film kunt volgen hebben de documentaire allemaal gezien. Sommigen van hen wel drie keer. Het spectrum aan emoties dat wordt aangeboord terwijl je naar de film kijkt is behoorlijk groot. Maar verder wil ik hier niet over praten. Het ligt allemaal heel gevoelig. Ook voor mij.”

http://www.armadillothemovie.com/armadillo/TRAILER.html

http://www.nfdfilm.dk
Trailer Armadillo via website IDFA:
http://www.idfa.nl/nl/tags/project.aspx?id=6bb9c901-a1a5-4b60-9145-199a9809b819

Armadillo
Janus Metz, Denemarken, Zweden, 2010, kleur, 35mm, 100
What happens when politics of war meets the chaos of reality?
A close up account of alienation, paranoia and adrenaline addiction for young soldiers at the Helmand front line.
Project info
Film Credits
Regie Janus Metz
Produktie Ronnie Fridthjof voor Fridthjof Film A/S
Sara Stockmann
Sara Stockmann voor Fridthjof Film A/S
Co-production Auto Images
Commissioning Editor Sune Roland voor TV 2 Denmark
Geselecteerd voor
IDFA 2010

“Als een nacht met duizend sterren”

NA ÉÉN WEEK AL TWEEDE DRUK!
Joeri Boom = uitgeverij Podium, 2010. Als een nacht met duizend sterren. Oorlogsjournalistiek in Uruzgan
Groene Amsterdammer-redacteur Joeri Boom reisde elf keer naar Afghanistan. In Uruzgan werkte hij zowel embedded als onafhankelijk. In een meeslepend verslag van zijn eigen oorlogservaringen laat hij zien wat er werkelijk gebeurde en waar de beelden uit elkaar liepen. Wat kunnen we weten? Wat willen we weten? Waar begint de censuur en waar de zelfcensuur?
In Uruzgan wordt een zware strijd gevoerd. 600 journalisten zijn de afgelopen jaren aan de hand van het Nederlands Ministerie van Defensie naar de Afghaanse provincie gereisd. Slechts negen journalisten, onder wie één fotograaf en één cameraman, ontrokken zich aan de invloed van de defensievoorlichters en werkten onafhankelijk in de levensgevaarlijke provincie.
Door die ongelijke verhouding kreeg het publiek een beeld van de oorlog dat weinig met de werkelijkheid te maken had. Er zijn verschillende Uruzgan-missies, een op papier in Den Haag en een in Uruzgan zelf. Niet het beleid bepaalt de missie, maar het handelen van de militairen zelf.

BERICHTEN IN DE BELGISCHE PERS OVER AFGHANISTAN:

Er zijn beelden opgedoken van Belgische soldaten die anderhalf jaar geleden in Afghanistan in een hinderlaag liepen van de taliban. Minister van Defensie Pieter De Crem (CD&V) zei toen dat de Belgische troepen zeker niet in gevechten betrokken waren. Dat meldt de VRT-nieuwsredactie dinsdag. Het ministerie van Defensie betwist het onuitgegeven karakter van de beelden.
Het incident dateert van juni vorig jaar. Het gaat om beelden die twee soldaten onafhankelijk van elkaar maakten. De fragmenten geven voor het eerst een ongefilterd beeld van de oorlog in het noorden van Afghanistan.

Het gaat onder meer om een beeldfragment waarbij de Belgische soldaten bijna in de vuurlijn komen te liggen van een Amerikaans gevechtsvliegtuig dat hen komt ontzetten. Bij dat incident kwamen drie Afghanen om, een Belgische militair raakte lichtgewond.
De soldaten die de beelden naar de VRT-nieuwsredactie hebben gestuurd zijn ‘boos omwille van de foute beeldvorming over de Belgische activiteiten in Afghanistan’ , aldus Jens Franssen in Het Journaal.
‘Goed gecoördineerde hinderlaag’
‘De beelden zijn bekend bij Defensie. Ze werden op 15 juni 2009 gedraaid door een militair, tijdens een hinderlaag waarover indertijd aan de pers werd gerapporteerd. Ze dienen ook als voorbeeld voor de opleiding van militairen die op missie naar Afghanistan vertrekken’, zei een woordvoerder van minister van Defensie Pieter De Crem.

Deze beelden ‘bewijzen dat de militairen conform de richtlijnen die ze hebben gekregen handelen en tonen aan dat onze mannen correct uitgerust zijn’, voegt de woordvoerder, commandant Didier De Weerdt, eraan toe.

Op 15 juni 2009 was een team opleiders, dat in het noorden van Afghanistan actief was aan de zijde van het Afghaanse leger, in een ‘goed gecoördineerde’ hinderlaag van opstandelingen gelopen. Die duurde vier uur. Er vielen in beide kampen doden. Bij de Belgen vielen geen gewonden.
‘Nulrisico bestaat niet’

Volgens de woordvoerder tonen de beelden ook aan dat de opleiding die aan het Afghaanse leger wordt gegeven haar vruchten afwerpt en dat de Belgen de rules of engagement respecteren. Defensie stelt ook dat de leden van het Belgische OMLT ‘zich niet in de vuurlijn bevinden, maar achteraan die vuurlijn’.

De beelden ‘tonen tot slot wat de minister steeds heeft gezegd: een nulrisico bestaat niet’, voegt de woordvoerder er aan toe. Hij zegt ook dat dit precieze incident maar ook alle andere werden gerapporteerd aan de gemengde commissie van Kamer en Senaat die achter gesloten deuren plaatsvindt.

Belgische soldaten kwamen in hinderlaag taliban terecht
12/10/10 18u36
Defensiewoordvoerder De Weerdt
DM update Er zijn beelden opgedoken van Belgische soldaten die anderhalf jaar geleden in Afghanistan in een hinderlaag liepen. Minister van Defensie Pieter De Crem (CD&V) zei toen dat de Belgische troepen zeker niet in gevechten betrokken waren. Dat meldt de VRT-nieuwsredactie vandaag. De soldaten filmden de gevechten met hun mobiele telefoons.

Het incident dateert van juni vorig jaar. Het gaat om beelden die twee soldaten onafhankelijk van elkaar maakten. De fragmenten geven voor het eerst een ongefilterd beeld van de oorlog in het noorden van Afghanistan.

Het gaat onder meer om een beeldfragment waarbij de Belgische soldaten bijna in de vuurlijn komen te liggen van een Amerikaans gevechtsvliegtuig dat hen komt ontzetten. Bij dat incident kwamen drie Afghanen om, een Belgische militair raakte lichtgewond.

“Beelden zijn bekend, ze dienen als voorbeeld”
Intussen relativeert het ministerie van Defensie het onuitgegeven karakter van de beelden. “De beelden zijn bekend bij Defensie. Ze werden op 15 juni 2009 gedraaid door een militair, tijdens een hinderlaag waarover indertijd aan de pers werd gerapporteerd. Ze dienen ook als voorbeeld voor de opleiding van militairen die op missie naar Afghanistan vertrekken”, adlus Didier De Weerdt, de woordvoerder van minister van Defensie Pieter De Crem (CD&V).

Deze beelden “bewijzen dat de militairen conform de richtlijnen die ze hebben gekregen handelen en tonen aan dat onze mannen correct uitgerust zijn”, voegt De Weerdt eraan toe.

Vier uur lang
Op 15 juni 2009 was een team opleiders, dat in het noorden van Afghanistan actief was aan de zijde van het Afghaanse leger, in een “goed gecoördineerde” hinderlaag van opstandelingen gelopen. Die duurde -vier uur. Er vielen in beide kampen doden. Bij de Belgen vielen geen gewonden.

De beelden “tonen tot slot wat de minister steeds heeft gezegd: een nulrisico bestaat niet”, aldus nog De Weerdt . Hij zegt ook dat dit precieze incident maar ook alle andere werden gerapporteerd aan de gemengde commissie van Kamer en Senaat die achter gesloten deuren plaatsvindt. (belga/mvdb)

‘Realiteit van de opdracht’
• dinsdag 12 oktober 2010, 21u45
• Bron: belga
• Auteur: llo
‘Ik zie absoluut het nut niet in van zulke beelden te tonen aan de publieke opinie’. Dat verklaarde Emmanuel Jacob van legervakbond ACMP dinsdag in Terzake in een reactie op de beelden die de VRT eerder op de dag uitzond over een hinderlaag waarin Belgische militairen in Afghanistan waren terechtgekomen.
• Amateurbeelden van Belgische soldaten die in hinderlaag lopen
Jacob zei absoluut niet te schrikken van de beelden. ‘Dit is de realiteit van de opdracht’, luidde het. ‘Dit zijn beelden van de opdracht waarvoor de Belgische militairen gezonden zijn’. Hij stelde ook dat minister van Defensie Pieter De Crem noch het ministerie van Defensie ooit hebben gezegd dat de situatie in Afghanistan veilig is.
Groen!-Kamerlid Wouter De Vriendt stelde dat minister De Crem ten aanzien van het parlement de waarheid moet vertellen over de Belgische missie in Afghanistan. De beelden tonen volgens hem aan dat de Belgische militairen betrokken raken in gevechtssituaties. Hij vindt ook dat de Belgen uit Afghanistan weg moeten, zij het niet van de ene op de andere dag, te beginnen met de F-16’s die actief zijn in Kandahar.
‘Club Med van Afghanistan’

Jacob repliceerde dat De Vriendt indertijd tijdens een parlementair debat had gezegd dat hij de opdracht in het noorden van Afghanistan absoluut zou steunen. Volgens Jacob ging de aandacht toen vooral uit naar het sturen van F-16’s naar het zuiden van het land en bestond ten onrechte de indruk dat Kunduz zowat de ‘Club Med van Afghanistan’ was.

Eerder in de uitzending zei luitenant-kolonel Stefaan Schoenmaekers dat de beelden geen dagdagelijks incident tonen. ‘Dit was het topevenement sinds het begin van de operatie’. Hij veronderstelt ook dat de gemengde parlementaire commissie over het incident is gebrieft, maar ‘een beeld zegt meer dan duizend woorden’, luidde het.

ARMADILLO – ALS EEN NACHT MET DUIZEND STERREN – PIETER DE CREM

ARMADILLO – ALS EEN NACHT MET DUIZEND STERREN – PIETER DE CREM

A R M A D I L L O

A L S E E N N A C H T M E T D U I Z E N D S T E R R E N

P I E T E R D E C R E M

zie ook het integrale interview van Cobra-man-in-Cannes SvD met regisseur Janus Metz: http://cinemaredux.wordpress.com/2010/10/20/a-r-m-a-d-i-l-l-o-interview-with-director-janus-metz/

door Serge van Duijnhoven – http://www.cobra.be

AMSTERDAM – Een van de blikvangers van de komende editie van het IDFA, het vermaarde International Documentary Festival dat ieder najaar plaatsvindt in Amsterdam, vormt de bloedstollende docufilm Armadillo van de Deense regisseur Janus Metz. Over het wel en wee van een contingent jonge Deense soldaten die gedurende hun verblijf op de ISAF-legerbasis in de Afghaanse provincie Helmand, de oorlog die geen oorlog heten mag in toenemende mate onder hun huid voelen kruipen.


Voor al wie vast een voorproefje geserveerd wenste te krijgen uit het zorgvuldig geselecteerde programma van ’s werelds grootste Documentaire Festival, presenteerde het IDFA deze week een voorvertoning van Armadillo. Plaats van projectie was de Openbare Bibliotheek aan het IJ – een van de mooiste en meest futuristische openbare bibliotheken mij bekend.

Aangezien de kwestie Afghanistan op dit moment ook in Belgie hot news is geworden sedert er videobeelden zijn opgedoken van een hevig vuurgevecht waar Belgische soldaten rondom Kunduz in terecht waren gekomen tijdens hun opbouwmissie voor de Internationale Stabilisatie Krijgsmacht (ISAF) van de NAVO, en ik op de laatste editie van het Filmfestival in Cannes al eens in de gelegenheid ben geweest de regisseur van Armadillo aan de tand te voelen, leek het me een goed idee om deze avant-première te bezoeken in gezelschap van een robuuste oorlogsjournalist met kennis van zaken: Joeri Boom – vaste buitenlandredacteur bij het kwaliteitsweekblad De Groene Amsterdammer. Joeri is het afgelopen decennium vele malen in Afghanistan geweest en heeft over zijn ervaringen zopas een ontluisterend boek gepubliceerd met de poetische titel Als een nacht met duizend sterren (uitgeverij Podium).

Serge Van Duijnhoven interviewt Joeri Boom:

 

Het boek bevat zowel hardcore reportages als analyses over het al dan niet welslagen van de taken die de Nederlandse troepen in Kamp Holland (provincie Uruzgan) trachtten uit te voeren. Dwars door die twee eerste lagen heen, leest het ook als een indrukwekkend persoonlijk requisitoir van een hedendaagse oorlogsjournalist die zich na enkele jaren van ter plaatse spartelen (als embedded verslaggever die bij het leger was ingekwartierd) zich zijn tekortkomingen realiseert en daar vervolgens iets aan doet. Dit laatste in tegenstelling tot de meeste collega’s van Joeri die er in Afghanistan blijkbaar minder moeite mee hebben zichzelf gedurig te compromitteren.

Bij onze noorderburen is Joeri’s boek (sorry voor de beeldspraak) ingeslagen als een bom. Al na een week beleefde het een tweede druk. Weinigen is het gegeven zo keihard en principieel de balans op te maken van eigen wedervaren, zonder daarbij te vervallen in koketerie of masochisme. Of in die typische vormen van nonchalance en stoerdoenerij die het macho-vak van oorlogsreporter helaas nog te vaak kenmerken.

Als een nacht met duizend sterren bevat gelukkig wel nog altijd een onmiskenbaar gehalte aan sterke verhalen en pikante anekdotes. Het boek leest als een donkere thriller, heeft knappe spanningsbogen, een weloverwogen toon en kritische stijl die hier en daar een tikje naar het belerende overhelt. Op dit laatste punt na, blinkt het boek vanaf de eerste pagina uit in een uiterst frisse eerlijkheid. Ook al schrijft hij voor een intellectueel blad, Joeri Boom doet geen enkele poging zijn drijfveren van extra franje of dikdoenerij te voorzien. Hij geeft ruiterlijk toe dat hij een zwak heeft voor oorlogswapens en de rauwe sfeer van mannelijke kameraderie die je in alle oorlogsgebieden vindt. En dat hij waarschijnlijk ook verslaafd is aan de adrenalinerush die het werken in conflictgebieden nu eenmaal met zich meebrengt. Des te opmerkelijker dat Boom zich zeker niet als een wildebras, smokejumper of Kolonel Kurtz aan het verre front wenst te gedragen.

De documentaire van Janus Metz en het boek van Joeri Boom vormen beide op hun eigen manier passende munitie voor al wie zich in het publieke debat niet langer zomaar een oor wil laten aannaaien door bewindslieden als Pieter de Crem en zijn ministeriële bataljon van voorliegers en oplichters die het conflict in Afghanistan als een oorlogje of opbouwmissie voor wensen te stellen. En voor al wie binnenkort eindelijk wel weer eens veilig op een oor zou willen slapen zonder bij het Late Avond Journaal eerst nog eens te worden geconfronteerd met het ondemocratische dédain van pilaarbijter Pieter De Crem of zijn vazal Emmanuel Jacob (afgevaardigde van de legervakbond) die op dinsdag 12 oktober in Terzake doodleuk opmerkte – de dag dat de beelden van de in een hinderlaag gelokte Belgen in Kunduz werden vertoond: “Ik zie absoluut het nut niet in van zulke beelden te tonen aan de publieke opinie.”

Ook in het boek van Joeri Boom komen tal van schrijnende voorbeelden voor waaruit blijkt dat Defensie er in Nederland alles aan gelegen is geweest om de informatiestroom vanuit Afghanistan zoveel mogelijk te beperken en controleren. Joeri’s kritiek hierop is vernietigend: “Censuur hoort niet thuis in een democratische samenleving waarvan persvrijheid een belangrijke pijler vormt. En waarin politici en ambtenaren naar behoren verantwoording dienen af te leggen over de realiteit van de oorlog die gevoerd wordt met de belastingcenten van het volk door wie ze in goed vertrouwen zijn verkozen. Het verstrekken van misinformatie of (zoals in België gebeurt) helemaal geen informatie – enkel om het beeld van de oorlogsmissie waarin men verstrikt is geraakt zoveel mogelijk te verdoezelen zodat men er zelf niet politiek op afgerekend hoopt te kunnen worden – is een democratische doodzonde een westers land onwaardig.”
Amateurbeelden van Belgische soldaten die in hinderlaag lopen

Amateurbeelden van Belgische soldaten die in hinderlaag lopen. Zie ook de video die door de militairen aan de media is doorgespeeld: `Defensie stelt dat de leden van het Belgische OMLT ‘zich niet in de vuurlijn bevinden, maar achteraan die vuurlijn’.

* Video
* bron: http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DMF20101012_097

Jacobs en De Crem hebben zoveel fedusie in het Belgische volk dat het burgers blijkbaar niet eens vergund is er ueberhaupt een visie op de werkelijkheid in Afghanistan op na te houden. Hoe het er nu eigenlijk aan toe gaat, ginder in Kunduz waar de Belgische militairen Afghanen leren anderen te doden? Wat de praktijk is van de missie, wat het effect is van de inspanningen, wat de gevolgen zijn voor de Afghaanse bevolking? We weten het niet. En mogen het niet weten. Pottenkijkers zijn in Kunduz nog altijd niet gewenst. Geen wonder dat geruchten het vacuum hebben opgevuld. En het thuisfront hebben opgezadeld met een volstrekt ridicuul beeld van de Belgische ISAF-missie als een vakantie van zes maanden bij Club Med. De soldaten die de videobeelden van het vuurgevecht vorige week aan de media hebben doorgespeeld, deden dat omdat ze gefrustreerd waren over het onbegrip en de meewarigheid dat ze bij het thuisfront hadden ervaren. “Hoezo heftige tijd? Jullie hoefden toch alleen wat Afghanen op te leiden? Wat zeur je nou?”

Emmanuel Jacob van de Vlaamse legervakbond ACMP verklaarde na het vertonen van de beelden op de VRT waarop te zien was hoe Belgische militairen in een hinderlaag terecht kwamen en een felle schotenwisseling moesten ondergaan en uiteindelijk bijna door nabij kanonvuur van Amerikaanse krachten van de kaart worden geveegd: “ik zie absoluut niet het nut ervan in zulke beelden te tonen aan de publieke opinie.’ Hij stelde ook dat minister van Defensie Pieter De Crem noch het ministerie van Defensie ooit hebben gezegd dat de situatie in Afghanistan veilig is.

Joeri: “Deze beelden zijn via militairen terecht gekomen bij de VRT. Dat doen die jongens niet voor niks. Die hebben blijkbaar het gevoel dat hun ervaringen terplekke niet goed of helemaal niet worden doorgegeven aan het thuisfront. Wat nogal wiedes is als er geen verslaggevers meemogen op missie namens Defensie. Het is heel moeilijk om de intensiteit van zo’n gevecht goed duidelijk te maken in het thuisland van de militair op missie. En toch is het heel belangrijk dat we dat wel doen. Tegen de Belgische overheid zou ik dan ook willen zeggen: grijp elke kans aan die je hebt om duidelijk te maken hoe de situatie in Afghanistan werkelijk is. Met welk geweld onze manschappen daar tijdens de missie te maken hebben. Wat de praktijk is van de oorlog. Pak die kans want dat voorkomt dat je een tweedeling krijgt in de samenleving van militairen die verbolgen zijn en zich onbegrepen voelen, en het thuisfront dat niet meer kan volgen wat er in hun geliefden omgaat.”

De verdienste van de documentaire die Joeri en ik deze week vast konden bekijken, en die in november in de hoofdcompetitie van het IDFA zal worden vertoond, bestaat eruit dat het Janus Metz gelukt is wat tot nu toe niemand in België nog voor elkaar heeft gekregen. De oorlog in Afghanistan en werkelijkheid van een ISAF missie anno nu ongecensureerd voor het voetlicht te krijgen. No bullshit. This is what it is.

Dat is wel even schrikken en slikken. In het Theater van het Woord, op de zevende verdieping van de Openbare Bibliotheek aan het IJ te Amsterdam, leken alle toeschouwers te vervallen tot een volmaakt gesynchroniseerd ademhalingsritme bij de steeds bloedstollendere scènes die hoofdpersonages Mads en Daniel in en rond het Deense legerkamp Armadillo in de Afghaanse provincie Helmand krijgen te verduren. Vergelijkingen met klappers in het genre als “The Hurt Locker”, “The Thin Red Line”, “Platoon” of “Saving Private Ryan” kan dit snoeiharde eén-op-één portret (geschoten met meestal slechts één camera in echte gevechtssituaties en met reële cadetten gedurende een drieënhalf maanden durend verblijf op en rond de Afghaanse frontlinie), moeiteloos doorstaan. De kogels zijn geen losse flodders. De soldaten geen ingehuurde acteurs. De doden geen figuranten. De Taliban met weggeslagen gezicht is geen ledenpop maar een echt mens met ongetwijfeld een familie, vrienden, ouders, kinderen.

Janus Metz

Tijdens een interview met de maker dat ik afgelopen mei in Cannes mocht hebben op het balkon van het Scandinavische Filmpaviljoen aan de Croisette, vertelde regisseur Janus Metz – een gedrongen Viking met een rosse baard en dikke wallen onder de ogen – dat het hem bij het maken van zijn film niet gegaan was om het vertellen van een spannend verhaal, of het verkondigen van een boodschap. De grote doelstelling die hij voor ogen had bij aanvang van het filmen was het maken van een zo diepgaand mogelijke antropologische zoektocht naar de vraag wat een oorlog nu precies voor impact heeft op de geest van jonge mensen die er – ver weg van huis en haard – “de vrede dienen af te dwingen en een democratie mogelijk te maken”.

In de praktijk betekent dat: het uitschakelen van zoveel mogelijk Taliban-strijders. En dus: het legitiem verworden tot mannen die schieten om te moorden. Bij sommige van die confrontaties gaat het er ongemeen gruwelijk, ruig en eng aan toe. De gevechtshandelingen die Metz minitieus en met een prachtig stabiel camerawerk van Lars Skree letterlijk tot op de huid van de hoofdpersonages weet te volgen, spelen zich af op het randje van de oorlogsdaad en -misdaad. In het Deense parlement is er pandemonium over uitgebroken, en roepen tegenstanders van de oorlog op tot een onderzoek bij Defensie naar de toedracht van de door Metz gefilmde slachtpartij – en vooral de euforische ontlading van de Deense soldaten die levend en wel van de confrontatie met de Taliban in het basiskamp terugkeren. Het zijn taferelen die Nederlanders bekend voorkomen, denkend aan de hossende en Heineken zuipende militairen van Dutchbat die in Tuzla de beest uit gingen hangen terwijl er even verderop achtduizend moslimmannen uit Srebrenica als varkens waren afgeslacht door de Servische slagers van generaal Mladic.

De film van Janus Metz is bij momenten niet alleen ongehoord bruut en direct, hij is ook ongezien eerlijk en ontendentieus. Er zijn geen ‘good guys’ of ‘bad guys’, over de motieven van de strijd wordt niet geoordeeld, er zijn geen ingelaste drama’s om de personages en hun geliefden in het thuisfront Denemarken nog wat vetter in de verf te zetten. Wat we wel zien is een ‘Werdegang’ van gewone Deense jongens die gaandeweg hun diensttijd in Afghanistan – of ze nu willen of niet – de oorlog onder hun vel voelen kruipen. “There’s the seduction, there’s the brutalization, and there’s the struggle to remain somehow a human being after the battles, once the silence sets back in”, zo vatte Metz in het kort de lijnen van zijn drama samen.

Joeri Boom is onder de indruk: “Deze film komt heel dichtbij. Omdat de filmer heel dicht op de huid zit van de Deense soldaten. Kennelijk genoot Janus Metz volledig het vertrouwen van het peloton.

Wat ik interessant vind in deze film is dat er voor ieders ogen een duidelijke oorlogsmisdaad plaatsvindt. Gewonde vijanden worden doodgeschoten waarbij de militair die hiervoor verantwoordelijk is het woord liquideren gebruikt. Dus hij weet wat hij doet. Met voorbedachten rade. Het valt niet te ontkennen dat de oorlog een corrumperende invloed heeft op al wie ermee te maken krijgt. Metz laat dat mooi zien. Ook ik heb me moeten realiseren dat ik allerminst immuun voor die corrumperende invloed ben geweest. Mijn onafhankelijkheid ging steeds verder ten onder tijdens het embedded zijn. Defensie betaalde mijn verblijf, las mijn stukken door, scande artikelen, en gedurende missies raakte ik bevriend met de militairen die ik vergezelde. Op gegeven moment vroeg een soldaat provocerend: ‘stel nou Joeri dat wij tijdens een patrouille een dorp met burgers uitmoorden. Wat doe jij dan?’ Dat was een pijnlijk moment. Na een aarzelende stilte antwoordde ik dat ik dan toch maar zou doen wat iedere jouranlist in zo’n geval zou moeten doen. Namelijk verslag optekenen van het gebeurde. Zo gedetailleerd mogelijk. Inclusief de naam en rang van de betrokkenen. Uit mijn aarzeling leidde ik af dat ik al gevaarlijk diep gevallen was. En dat ik – als ik nog verder die grens zou overtrekken – alles op het spel dreigde te zetten dat me dierbaar was. Mijn geloofwaardigheid, mijn toekomst, misschien wel mijn leven. De oorlog had me blijkbaar bij de kladden. Mijn beoordelingsvermogen bleek sterk te zijn verminderd. Ik raakte afgestompt. Mijn identificatie met de militairen was te groot geworden. Ik verkeerde op een hellend vlak. Toen ik op een gegeven moment een automatisch wapen in handen gedrukt kreeg en geacht werd mee te vechten in het geval van een aanval, was voor mij de maat vol. Ik wist: tot hier en niet verder.”

Joeri Boom in Afghanistan (febr. 2007)

Joeri: “Ik ben benieuwd of regisseur Metz gedacht heeft, toen hij getuige was van dat vuurgevecht waarbij gewonde Taliban worden geexecuteerd: wow, dit is te gek voor mijn film. Maar die jongens die me hier zo kameraadschappelijk in hun gelederen hebben opgenomen zullen nu voor het oog van de wereld op hun gedrag worden afgerekend. Ik kan me niet voorstellen dat de kameraadschap die Metz ongetwijfeld met de Deense soldaten uit zijn platoon heeft opgebouwd, na het uitkomen van de film nog is voortgezet.”

Janus Metz bevestigde deze veronderstelling eerder al in Cannes, toen hij bekende: “Sinds de film in roulatie is, heb ik de soldaten niet meer gesproken. Dat komt omdat ik veel weg ben vanwege de promotie. Maar ook omdat velen van hen niet meer met me willen praten. Het is duidelijk dat sommige cadetten heel nerveus geworden zijn van de release van Armadillo. Maar tegelijkertijd zijn er ook soldaten die van mening zijn dat dit een film is die echt gemaakt moest worden. Dit is hoe het is. Ze zijn blij dat er eindelijk een film is die geen bullshit verkoopt. De jongens die je in de film kunt volgen hebben de documentaire allemaal gezien. Sommigen van hen wel drie keer. Het spectrum aan emoties dat wordt aangeboord terwijl je naar de film kijkt is behoorlijk groot. Maar verder wil ik hier niet over praten. Het ligt allemaal heel gevoelig. Ook voor mij.”

http://www.armadillothemovie.com/armadillo/TRAILER.html

http://www.nfdfilm.dk

Trailer Armadillo via website IDFA:

http://www.idfa.nl/nl/tags/project.aspx?id=6bb9c901-a1a5-4b60-9145-199a9809b819

Armadillo

Janus Metz, Denemarken, Zweden, 2010, kleur, 35mm, 100

What happens when politics of war meets the chaos of reality?
A close up account of alienation, paranoia and adrenaline addiction for young soldiers at the Helmand front line.

Project info

Film Credits

Regie Janus Metz
Produktie Ronnie Fridthjof voor Fridthjof Film A/S
Sara Stockmann
Sara Stockmann voor Fridthjof Film A/S
Co-production Auto Images
Commissioning Editor Sune Roland voor TV 2 Denmark

Geselecteerd voor

IDFA 2010

“Als een nacht met duizend sterren”

Joeri Boom = uitgeverij Podium, 2010. Als een nacht met duizend sterren. Oorlogsjournalistiek in Uruzgan

Groene Amsterdammer-redacteur Joeri Boom reisde elf keer naar Afghanistan. In Uruzgan werkte hij zowel embedded als onafhankelijk. In een meeslepend verslag van zijn eigen oorlogservaringen laat hij zien wat er werkelijk gebeurde en waar de beelden uit elkaar liepen. Wat kunnen we weten? Wat willen we weten? Waar begint de censuur en waar de zelfcensuur?

In Uruzgan wordt een zware strijd gevoerd. 600 journalisten zijn de afgelopen jaren aan de hand van het Nederlands Ministerie van Defensie naar de Afghaanse provincie gereisd. Slechts negen journalisten, onder wie één fotograaf en één cameraman, ontrokken zich aan de invloed van de defensievoorlichters en werkten onafhankelijk in de levensgevaarlijke provincie.

Door die ongelijke verhouding kreeg het publiek een beeld van de oorlog dat weinig met de werkelijkheid te maken had. Er zijn verschillende Uruzgan-missies, een op papier in Den Haag en een in Uruzgan zelf. Niet het beleid bepaalt de missie, maar het handelen van de militairen zelf.

BERICHTEN IN DE BELGISCHE PERS OVER AFGHANISTAN:
Er zijn beelden opgedoken van Belgische soldaten die anderhalf jaar geleden in Afghanistan in een hinderlaag liepen van de taliban. Minister van Defensie Pieter De Crem (CD&V) zei toen dat de Belgische troepen zeker niet in gevechten betrokken waren. Dat meldt de VRT-nieuwsredactie dinsdag. Het ministerie van Defensie betwist het onuitgegeven karakter van de beelden.

Het incident dateert van juni vorig jaar. Het gaat om beelden die twee soldaten onafhankelijk van elkaar maakten. De fragmenten geven voor het eerst een ongefilterd beeld van de oorlog in het noorden van Afghanistan.

Het gaat onder meer om een beeldfragment waarbij de Belgische soldaten bijna in de vuurlijn komen te liggen van een Amerikaans gevechtsvliegtuig dat hen komt ontzetten. Bij dat incident kwamen drie Afghanen om, een Belgische militair raakte lichtgewond.

De soldaten die de beelden naar de VRT-nieuwsredactie hebben gestuurd zijn ‘boos omwille van de foute beeldvorming over de Belgische activiteiten in Afghanistan’ , aldus Jens Franssen in Het Journaal.

‘Goed gecoördineerde hinderlaag’

‘De beelden zijn bekend bij Defensie. Ze werden op 15 juni 2009 gedraaid door een militair, tijdens een hinderlaag waarover indertijd aan de pers werd gerapporteerd. Ze dienen ook als voorbeeld voor de opleiding van militairen die op missie naar Afghanistan vertrekken’, zei een woordvoerder van minister van Defensie Pieter De Crem.

Deze beelden ‘bewijzen dat de militairen conform de richtlijnen die ze hebben gekregen handelen en tonen aan dat onze mannen correct uitgerust zijn’, voegt de woordvoerder, commandant Didier De Weerdt, eraan toe.

Op 15 juni 2009 was een team opleiders, dat in het noorden van Afghanistan actief was aan de zijde van het Afghaanse leger, in een ‘goed gecoördineerde’ hinderlaag van opstandelingen gelopen. Die duurde vier uur. Er vielen in beide kampen doden. Bij de Belgen vielen geen gewonden.

‘Nulrisico bestaat niet’

Volgens de woordvoerder tonen de beelden ook aan dat de opleiding die aan het Afghaanse leger wordt gegeven haar vruchten afwerpt en dat de Belgen de rules of engagement respecteren. Defensie stelt ook dat de leden van het Belgische OMLT ‘zich niet in de vuurlijn bevinden, maar achteraan die vuurlijn’.

De beelden ‘tonen tot slot wat de minister steeds heeft gezegd: een nulrisico bestaat niet’, voegt de woordvoerder er aan toe. Hij zegt ook dat dit precieze incident maar ook alle andere werden gerapporteerd aan de gemengde commissie van Kamer en Senaat die achter gesloten deuren plaatsvindt.

* Video
* bron: http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DMF20101012_097

Belgische soldaten kwamen in hinderlaag taliban
terecht

12/10/10 18u36

Defensiewoordvoerder De Weerdt

DM update Er zijn beelden opgedoken van Belgische soldaten die anderhalf jaar geleden in Afghanistan in een hinderlaag liepen. Minister van Defensie Pieter De Crem (CD&V) zei toen dat de Belgische troepen zeker niet in gevechten betrokken waren. Dat meldt de VRT-nieuwsredactie vandaag. De soldaten filmden de gevechten met hun mobiele telefoons.

Het incident dateert van juni vorig jaar. Het gaat om beelden die twee soldaten onafhankelijk van elkaar maakten. De fragmenten geven voor het eerst een ongefilterd beeld van de oorlog in het noorden van Afghanistan.

Het gaat onder meer om een beeldfragment waarbij de Belgische soldaten bijna in de vuurlijn komen te liggen van een Amerikaans gevechtsvliegtuig dat hen komt ontzetten. Bij dat incident kwamen drie Afghanen om, een Belgische militair raakte lichtgewond.

“Beelden zijn bekend, ze dienen als voorbeeld”
Intussen relativeert het ministerie van Defensie het onuitgegeven karakter van de beelden. “De beelden zijn bekend bij Defensie. Ze werden op 15 juni 2009 gedraaid door een militair, tijdens een hinderlaag waarover indertijd aan de pers werd gerapporteerd. Ze dienen ook als voorbeeld voor de opleiding van militairen die op missie naar Afghanistan vertrekken”, adlus Didier De Weerdt, de woordvoerder van minister van Defensie Pieter De Crem (CD&V).

Deze beelden “bewijzen dat de militairen conform de richtlijnen die ze hebben gekregen handelen en tonen aan dat onze mannen correct uitgerust zijn”, voegt De Weerdt eraan toe.

Vier uur lang
Op 15 juni 2009 was een team opleiders, dat in het noorden van Afghanistan actief was aan de zijde van het Afghaanse leger, in een “goed gecoördineerde” hinderlaag van opstandelingen gelopen. Die duurde -vier uur. Er vielen in beide kampen doden. Bij de Belgen vielen geen gewonden.

De beelden “tonen tot slot wat de minister steeds heeft gezegd: een nulrisico bestaat niet”, aldus nog De Weerdt . Hij zegt ook dat dit precieze incident maar ook alle andere werden gerapporteerd aan de gemengde commissie van Kamer en Senaat die achter gesloten deuren plaatsvindt. (belga/mvdb)

La Princesse de Montpensier – gesprek met regisseur Bertrand Tavernier

Regisseur, scenarist en auteur Bertrand Tavernier – in Frankrijk een levende legende – maakte in de afgelopen 35 jaar meer dan twintig speelfilms. In 1974 won hij met zijn film L’Horloger de Saint-Paul een zilveren Bär op het Berlijnse filmfestival. Deze eerste erkenning zou in een lange carrière gevolgd worden door vele nominaties en vier keer een César, de hoogste onderscheiding van de Franse filmindustrie.

Met La princesse de Montpensier, een meticuleuze kostuumfilm die in grove lijnen gabaseerd is op de gelijknamige novelle van Madame de Lafayette uit 1662, haakt Tavernier (69) opnieuw aan bij de talrijke films uit zijn carriere waarin hij gloriëeerde met drama’s die speelden in een historische context. Zo zijn er in zijn palmarès al eerder pareltjes te vinden die zowel cinematografisch als geschiedkundig tot de top behoren van het genre. Coup de torchon (1980), La passion Béatrice (1987), La Vie et rien d’autre (1989) Capitaine Conan (1996) en La Guerre sans nom (1991) zijn daar de beste voorbeelden van.

Kern van La princesse de Montpensier, dat zich afspeelt tegen de achtergrond van de bloederige godsdiensttwisten in het Frankrijk van de tweede helft van de zestiende eeuw, is de opmerkelijke éducation sentimentale van de beeldschone Marie de Mézières, erfgename van een puissant rijke markies, die alle mannen in haar omgeving het hart op hol doet slaan. Marie wordt in toenemende mate verscheurd door aan de ene kant haar plicht om in te stemmen met het gearrangeerde huwelijk dat haar vader op het allerhoogste niveau wist te bekokstoven met de prins van Montpensier. En aan de andere kant haar hardnekkige liefde voor de Hertog van Guise, een robuuste adelborst met wie Marie al sinds haar dertiende op vertrouwelijke voet verkeert.
De prins van Montpensier, een vertrouweling van koning Charles IX die nog stroever overkomt dan Stalen Hein in zijn ijzeren korset, heeft meer oog voor het zadel van zijn paard dan voor de bevallige getaande oogopslag van zijn Marie. Een rol die fabuleus getypecast is door de frêle, roomblanke verschijning van Mélanie Thierry.

Bertrand Tavernier en Melanie Thierry op de set van La Princesse de Montpensier


De rol van mosgroen prinsesje dat zich in alle onschuld tot de vlam van de natie weet te ontwikkelen, is Thierry op het lijf geschreven. De iele vlam van haar “esprit” wordt met hulp van haar mentor, de van de oorlog afgezwaaide humanist Chabannes ( sublieme rol van Lambert Wilson) die haar intelligentie tot volle wasdom weet te kweken met zijn private lessen in retorica, mathematica, wijsheid en wellevendheid, aangewakkerd tot een voor vrouwen in die tijd helaas nog ongehoord geachte proportie. Marie weet haar mannetje te staan, zelfs aan het Hof van Parijs. Vergeleken bij haar sprankelende persoonlijkheid, steekt die van haar stuurse man af als een holle boomstronk bij een volle linde. Tavernier portretteert de prinses uiteindelijk zelfs stiekem een beetje als een feministe avant la lettre. Zij het een feministe die voor de finale ontgrendeling van haar ketens, na een lang proces van weerstand en beteugeling, haar hoop gevestigd heeft op een man die – zo weet zij zeker – als enige is voorbestemd om op te treden als de sleutelbewaarder van haar ziel.

Net als in de novelle van Madame de Lafayette blijkt zij voor haar vrijgevochten geest een gruwelijke prijs te moeten betalen. Net wanneer zij zich eindelijk overgeeft aan haar verlangen, krijgt het noodlot zijn beloop. Terwijl een golf van terreur door Frankrijk trekt en er op commando van de koning een massaslachting plaatsvindt onder Hugenoten, offert haar beminde mentor Chabannes zich op in een laatste poging Marie voor de ondergang te behoeden. Chabannes moet zijn wanhoopsdaad met de dood bekopen, en wordt op straat door katholiek gespuis vermoord. In de rust die weerkeert na de gruwelen van wat later als de Bartholomaeusnacht bekend zou worden, begint de ellende voor Marie pas echt. Door haar echtgenoot wordt zij verstoten, door haar geliefde afgedankt, aan het hof valt zij in ongenade. Eenzaam, arm, verbitterd zoekt zij beschutting in een klooster. Waar zij na een kort maar hevig ziekbed, zoals Madame de Lafayette zo treffend schrijft in haar novelle, “nog altijd in de bloem van haar leven overlijdt. Ze was een van de adorabelste vrouwen van het land, en had een van de gelukkigste kunnen worden…”

Slotregels van het originele manuscript uit 1662 dat wordt toegeschreven aan Madame de Lafayette. Source : Bibliothèque nationale de France, département Réserve des livres rares, RES-P-Y2-2203 -Relation : http://catalogue.bnf.fr/ark:/12148/cb30713637h . Provenance : bnf.fr


Op het laatste filmfestival van Cannes, waar La princesse de Montpensier meedraaide in de hoofdcompetitie, kreeg Cobra de gelegenheid om Bertrand Tavernier te spreken op het terrace des palmes – helemaal op het dak van het Palais des Festivals. Serge van Duijnhoven, van huis uit historicus, vroeg aan de regisseur wat hem ertoe gebracht had de inmiddels bijna vergeten novelle van de mysterieuze Madame de Lafayette om te zetten in een van de grootste kostuumfilms uit de Franse filmgeschiedenis.

Bertrand Tavernier aan het werk op de set

Bertrand Tavernier: Ik zag in die prachtige kleine novelle van Lafayette de mogelijkheid om een magnifieke liefdesgeschiedenis te verbeelden in een historische context die ik nog niet eerder had geëxploreerd. Weet u, voor mij moet iedere film – wil ik er het enthousiasme voor op kunnen brengen dat ik aan het onderwerp verplicht ben – ook iets hebben van een ontdekkingstocht. Ik wil me helemaal in het onderwerp onder kunnen dompelen, onderzoek verrichten, en een poging wagen de historischecontext ook op psychologisch niveau gestalte te geven.”


De film is een historisch kostuumdrama en heeft tegelijkertijd veel weg van een thriller of een film noir. Hoe heeft u deze combinatie tot stand weten te brengen? Heeft u veel compromissen moeten sluiten wat betreft de historiciteit van de scènes?

Tavernier: “Integendeel. Ik ben heel erg streng omgesprongen met de details in deze film. De setting moest historisch correct en geloofwaardig zijn maar zeker niet te somptueus en in het oog springend. Dat zou de aandacht van het publiek enkel maar af kunnen leiden van waar het me echt om te doen is: het gevoelsleven, de belevingswereld van Marie de Montpensier en de overige protagonisten. Ik heb getracht – door terug te keren naar deze periode in de geschiedenis – , de wortels van onze moderne emoties bloot te leggen. Zaken als liefde, vrijheid, tolerantie, zelfverwezenlijking, jalouzie, opofferingsgezindheid, geloof, wanhoop… Ze komen allemaal aan bod in de film.”

Heeft u aan Marie de Montpensier gedacht in termen van het feminisme zoals we dat in later tijden hebben leren kennen?

“Zeer zeker. Marie de Montpensier is in beginsel naief maar ze is ook schrander en vooral tomeloos leergierig. Ze wil koste wat het kost leren lezen en schrijven, en droomt er vurig van haar lot in eigen hand te kunnen nemen. In beide amibties slaagt ze met glans. En dat in een tijd dat mannen van adel enkel geacht werden te vechten en jagen, en vrouwen hooguit het spinnenwiel mochten bedienen! Ik voel een diepe sympathie voor haar. Ik wilde haar perse begrijpen. Laten zien hoe wreed en kil de meeste mannen in die tijd met hun vrouwen omsprongen. Marie wordt gedreven door een natuurlijke vrijheidsdrang, die in haar geval tegelijkertijd ook een emancipatorische geldingsdrang is. Ze wil zich ontwikkelen, ze wil losbreken van de conventies die haar geketend houden in haar rol als ondergeschikte die op het huishouden mag passen en moet zorgen voor nageslacht. Ze wil liefde ervaren en liefde geven. Tegelijkertijd wordt ze door allerlei ambivalente gevoelens in haar vrijpostigheid geremd. Moet ze loyaal blijven aan haar man Philippe of alles wat ze is en bezit op het spel zetten door in te gaan op de avances van de eveneens in vuur en vlam staande charmeur Henri de Guise? Voor mij vormde dit dilemma de dramatische kern van de film. De uitkomst van het hoge spel dat Marie speelt, pakt voor haar faliekant verkeerd uit. Het einde is zo bitter en tragisch omdat wat Marie overkomt zo hartverscheurend onterecht is. Het is in deze film wat dat betreft precies zoals in het echte leven: Onze wil komt zelden overeen met onze bestemming.”

In de zalen vanaf 10 november in Frankrijk en Belgie

La Princesse de Montpensier

Engelse titel : The Princess of Montpensier
Regie: Bernard Tavernier
Première: 03 November 2010
Duur: 139 minuten
Land: Frankrijk, Duitsland (2010)
Originele taal : Frans |
Genre : Historisch, oorlogsfilm
Met Grégoire Leprince-Ringuet, Mélanie Thierry, Gaspard Ulliel
Release : 10/11/2010
Duur : 2u15
release date: FR 11/03/2010, BE 10/11/2010
screenplay: Bertrand Tavernier, Jean Cosmos, François-Olivier Rousseau
cast: Mélanie Thierry, Lambert Wilson, Gaspard Ulliel, Louis Garrel, Grégoire Leprince-Ringuet
cinematography by: Bruno de Keyzer
film editing: Sophie Brunet
art director: Guy-Claude Francois
music: Philippe Sarde
producer: Marc Silam, Eric Heuman
production: Paradis Films, StudioCanal, France 2 Cinéma, France 3 Cinéma, Pandora Filmproduktion
backing: Centre National du Cinéma et de l’image animée (CNC), MEDIA Programme
distributor: StudioCanal, United International Pictures Belgium
sales agent: StudioCanal

Trailers:

http://cineuropa.org/trailer.aspx?lang=en&documentID=145417

Website van de film:

http://www.studiocanal.com/tous-nos-films/films-historique/cid13014/la-princesse-de-montpensier.html

Titelpagina originele manuscript van Mme de Lafayette publ. 1662

Marie Madeleine Pioche de la Vergne, Comtesse de La Fayette /LaFayette /Lafayette (1634-1693)
=====================================================
=====================================================

Marie Madeleine Pioche de la Vergne was born and raised in Paris, to members of the minor nobility. Her father died when Marie was 15, and in the following year her mother married a member of the Sevigne family, which brought Marie a connection to Madame de Sevigne, who would become her closest friend. Marie Madeleine became an attendant to the queen, Anne of Austria, and began the study of classical literature and modern languages under the scholar-satirist Gilles Menage, who would remain her mentor for years. It was Menage who introduced her to the salons of Madame de Rambouillet and Madeleine de Scudery.
At 20, Marie Madeleine was married to Francois, Comte de La Fayette, of Auvergne, a widower 18 years older than she; the couple had two sons. For about five years, Madame de la Fayette lived part of the time in Auvergne and part in Paris. In Auvergne, she helped her husband deal with his family’s debts. In Paris she continued to be part of salon life — at Scudery’s, at Madame de Sable’s at Port-Royal, and at the Duchesse de Montpensier’s.
It was as part of Montpensier’s salon that La Fayette produced her first published writing, a pen-portrait of Sevigne. It was printed in the 1659 Divers portraits, a collection arranged by Jean Segrais, an established writer and Montpensier’s secretary. A longer work, La Princesse de Montpensier, would be published anonymously in 1662; it was known in salon and court circles to have been written by La Fayette, perhaps under the guidance of Menage. It contained “imaginary adventures,” but was loosely based on the life of one of Montpensier’s ancestors.
By the end of 1660, La Fayette was living permanently in Paris, while her husband remained in Auvergne. There was no formal separation; her husband visited occasionally and signed papers allowing her to control her own finances. She also began the friendship with the Duc de la Rochefoucauld, which would last until his death. All was done so discreetly that there was no gossip, even in a small society that relished gossip.
In 1661 the 17-year-old Princess Henrietta of England married Louis XIV’s brother, Philippe, and the 27-year-old La Fayette soon became part of her inner circle. In 1664, at Henrietta’s request, La Fayette began to write Histoire de Madame Henriette d’Angleterre; she would end it with Henrietta’s death in 1670.
In the mid-1660s Jean Segrais left Montpensier’s service and became part of a salon that La Fayette had established at her home in Paris. In 1669 the first part of Zayde, histoire espagnole, was published under Segrais’ name (the second would follow in 1671). In his memoirs, Segrais identified La Fayette as the work’s “principal author,” but it is difficult to know just what this means. Contemporary correspondence and memoirs suggest that collaborative “salon writing” took different forms. Sometimes an author would bring a piece to the group for comments and suggestions; in other cases, several individuals would write a section to be inserted into the work. Zayde, (or Zaide, in modern French versions) with its several interpolated tales, seems to be the one work attributed to La Fayette that would fit the latter method.
During the 1670’s La Fayette and La Rouchefoucauld, both in failing health, appear to have worked together on La Princesse de Cleves. Segrais may have helped in the early stages, but he left Paris permanently in 1676. The novel was published anonymously in 1678, and although La Fayette denied authorship for both herself and La Rouchefoucauld, their closest friends believed it to have been their collaborative effort.
In 1680 La Rouchefoucauld died, followed by La Fayette’s husband three years later. Her sons were established, her health continued to fail; but La Fayette still went to court and sent reports to Sevigne when her friend was out of town. She also began to write a historical account of this period, but all of it has been lost except for one part that covers less than two years, published after her death as Memoires de la cour de France pour les annees 1688 et 1689.
Another short work, La Comtesse de Tende, was also published posthumously, and attributed to La Fayette six years after its first anonymous printing. Some critics suggest that La Fayette wrote it during the 1650s; others believe that (if the work is indeed hers) it was a later work.
The portrait of Sevigne, the memoir of Henrietta of England, the account of 1688-89, are written solely by La Fayette; in La Princesse de Montpensier, Zayde, and La Princesse de Cleves, we hear her voice (if not alone); we don’t know about La Comtesse de Tende. Reading them all will let you hear that voice.

Excerpts from translations in print:
Portrait of Mme. Sevigne
Histoire de Madame Henriette d’Angleterre
Memoires de la cour de France pour les annees 1688 et 1689
La princesse de Cleves
La princesse de Montpensier
La comtesse de Tende
Zayde, histoire espagnole

Information about secondary sources.
========================================================================
Online

In French:
1.(a) From the Bibliotheque Nationale, four works (La Princesse de Montpensier; Zayde, histoire espagnole; La Princesse de Cleves; and La Comtesse de Tende), from a 1999 edition by Alain Niderst. (Elsewhere, the 1670 title-page of the first part of Zayde, “par Monsieur de Segrais.”)
(b) For individual works: at one site, links to the four parts of La Princesse de Cleves (with the 1678 title page); at another, La Comtesse de Tende.
(c) A link to the text of the posthumous first edition (1720) of Histoire de madame Henriette d’Angleterre: premiere femme de Philippe de France, duc d’Orleans.
(d) A link to the text of the posthumous first edition (1731) of Memoires de la cour de France pour les annees 1688 et 1689.
(e) Click on “Mme. de La Fayette” for a passage from La Fayette’s 1659 pen-portrait of Madame Sevigne (for some of the portrait in English, see below, under “In print”).
(f) Seven letters from La Fayette to Madame de Sable, written between 1663 and 1665, including two 1663 letters on Rochefoucauld’s maximes, then circulating in manuscript.
2. Link to Chapter 7, “Madame de La Fayette,” of Amelia Gere Mason’s 1891 The Women of the French Salons; the chapter discusses her life and writing, and includes Mason’s translation of excerpts from La Fayette’s letters. At Ch. 6, use your browser’s search function to go to “Fayette” for passages from LaFayette’s portrait of Madame Sevigne.
3. Essays, etc:
(a) A 2005 biographical essay, by Jan Pendergrass: it is followed by an annotated bibliography of critical studies.
(b) Paul Brians’ 1997 “Study Guide” to La Princesse de Cleves.
(c) “Snippets of Spanish Sentimental Novels: Towards La Princesse de Cleves” (2007), by Eugenia Fosalba, finds in La Fayette’s novel both influences and echoes of earlier Spanish narratives.
(d) “Epistolary Intercourse in La Comtesse de Tende” (1994), by Jaymes Anne Rohrer, discusses the significance of letters written by that novel’s characters.
(e) In the 1989 collection, Misogyny, Misandry, and Misanthropy, see Naomi Schor’s essay, “The Portrait of a Gentleman: Representing Men in (French) Women’s Writing,” in which La Princesse de Cleves is discussed as the first of three works that present scenes in which men observe a women looking at a man.
(f) A link to the text of Helen Stott’s translation, Portraits of Women, by C. A. Sainte-Beuve; there go to near the end (p. 170) for Sainte-Beuve’s 1836 essay on La Fayette, which discusses most of the works and includes passages from Histoire de Madame Henriette d’Angleterre and from letters by La Fayette.
(g) A link to the text of Lilian Rea”s 1908 The Life and Times of Marie Madeleine Countess of La Fayette; some of the information has been made outdated by later research, but Rea translates passages of Histoire de Madame Henriette d’Angleterre, quotes from La Fayette’s correspondence, and discusses all of her works in Chapter 19, “Books.”
4. Reviews (for excerpts from the translation, see “In print”; for information on the study’s treatment of La Fayette, see “Secondary sources”):
(a) Christie Sample Wilson on Nicholas D. Paige’s 2006 translation, Zayde: A Spanish Romance; elsewhere, another review, this by John D. Lyons.
(b) Katharine J. Hamerton on Faith Evelyn Beasley’s 2006 study, Salons, History, and the Creation of Seventeenth-century France: Mastering Memory (and Beasley’s response to Hamerton’s review).
5. Information at French sites:
(a) A chronology of La Fayette’s life.
(b) A Madame de La Fayette site, with a contemporary portrait and links to brief essays by Roger Duchene.
6. For historical background, in Aristocratic Experience and the Origins of Modern Culture (1993), by Jonathan Dewald, see Chapter 6, “The Meanings of Writing,” in which Dewald (although most of his examples are of male writers) discusses the reasons for and the effects of the writing — both published and merely circulated — done by members of the nobility like La Fayette.


The Princess de Montpensier

by Mme. de Lafayette

Introduction and translation
by Oliver C. Colt

This story was written by Madame de Lafayette and published
anonymously in 1662. It is set in a period almost 100 years
previously during the sanguinary wars of the counter-reformation,
when the Catholic rulers of Europe, with the encouragement of the
Papacy, were bent on extirpating the followers of the creeds of
Luther and Calvin. I am not qualified to embark on a historical
analysis, and shall do no more than say that many of the persons who
are involved in the tale actually existed, and the events referred to
actually took place. The weak and vicious King and his malign and
unscrupulous mother are real enough, as is a Duc de Montpensier, a
Prince of the Blood, who achieved some notoriety for the cruelty with
which he treated any Huguenots who fell into his hands, and for the
leadership he gave to the assassins during the atrocious massacre of
St. Bartholomew’s day.

He was married and had progeny, but the woman to whom he was married
was not the heroine of this romance, who is a fictional character, as
is the Comte de Chabannes.

The Duc de Guise of the period whose father had been killed
fighting against the Protestants, did marry the Princess de Portein,
but this was for political reasons and not to satisfy the wishes of a
Princess de Montpensier.

It will be noticed, I think, that women were traded in marriage
with little or no regard to their personal emotions, and no doubt, as
has been remarked by others, marriages without love encouraged love
outside marriage. Whatever the reality, the literary conventions of
the time seem to have dictated that we should be treated only to
ardent glances, fervent declarations, swoonings and courtly gestures;
we are not led even to the bedroom door, let alone the amorous couch.
I wonder, however, if the reader might not think that this little
tale written more than three hundred years ago contains the elements
of many of the romantic novels and soap operas which have followed
it.

At one level it is a cautionary tale about the consequences of
marital infidelity; at another it is a story of a woman betrayed,
treated as a pretty bauble for the gratification of men, and cast
aside when she has served her purpose, or a butterfly trapped in a
net woven by uncaring fate. Her end is rather too contrived for
modern taste, but, even today, characters who are about to be written
out of the plot in soap operas are sometimes smitten by mysterious
and fatal disorders of the brain.

The unfortunate Comte de Chabannes is the archetypical “decent
chap,” the faithful but rejected swain who sacrifices himself for the
welfare of his beloved without expectation of reward. In the hands of
another writer, with some modification, he could have provided a
happy ending in the “Mills and Boon” tradition.

This translation is not a schoolroom exercise, for although I have
not altered the story, I have altered the exact way in which it is
told in the original, with the aim of making it more acceptable to
the modern reader. All translation must involve paraphrase, for what
sounds well in one language may sound ridiculous if translated
literally into another, and it is for the translator to decide how
far this process may be carried. Whether I have succeeded in my task,
only the reader can say.

The Princess de Montpensier

By Madame de Lafayette

Translated by Oliver C. Colt

It was while the civil war of religion was tearing France apart
that the only daughter of the Marquis of MÇziäres, a very
considerable heiress, both because of her wealth and the illustrious
house of Anjou from which she was descended, was promised in marriage
to the Duc de Maine, the younger brother of the Duc de Guise.

The marriage was delayed because of the youth of this heiress, but
the elder of the brothers, the Duc de Guise, who saw much of her, and
who saw also the burgeoning of what was to become a great beauty,
fell in love with her and was loved in return. They concealed their
feelings with great care; the Duc de Guise, who had not yet become as
ambitious as he was to become later, wanted desperately to marry her,
but fear of angering his uncle, the Cardinal de Lorraine, who had
taken the place of his dead father, prevented him from making any
declaration.

This was how the matter stood when the ruling house of Bourbon,
who could not bear to see any benefit accruing to that of de Guise,
decided to step in and reap the profit themselves by marrying this
heiress to the Prince de Montpensier.

This project was pursued with such vigour that the parents of
Mlle. de MÇziäres, despite the promises given to the Cardinal de
Lorraine, resolved to give her in marriage to the young Prince. The
house of de Guise was much displeased at this, but the Duc himself
was overcome by grief, and regarded this as an insupportable affront.
In spite of warnings from his uncles, the Cardinal and the Duc de
Aumale – who did not wish to stand in the way of something which
they could not prevent – he expressed himself with so much violence,
even in the presence of the Prince de Montpensier, that a mutual
enmity arose between them which lasted all their lives.

Mlle. de MÇziäres, urged by her parents to marry the Prince,
realised that it was impossible for her to marry the Duc de Guise,
and that if she married his brother, the Duc de Maine, she would be
in the dangerous position of having as a brother-in-law a man whom
she wished was her husband; so she agreed finally to marry the Prince
and begged the Duc de Guise not to continue to place any obstacle in
the way.

The marriage having taken place, the Prince de Montpensier took
her off to his estate of Champigny, which was where Princes of his
family usually lived, in order to remove her from Paris, where it
seemed that an outbreak of fighting was imminent: this great city
being under threat of siege by a Huguenot army led by the Prince de
CondÇ, who had once more declared war on the King.

The Prince de Montpensier had, when a very young man, formed a
close friendship with the Comte de Chabannes, a man considerably
older than himself and of exemplary character. The Comte in turn had
been so much influenced by the esteem and friendship of the Prince
that he had broken off influential connections which he had with the
Prince de CondÇ, and had declared for the Catholics; a change of
sides which, having no other foundation, was regarded with suspicion:
so much so that the Queen Mother, Catherine de Medici, on the
declaration of war by the Huguenots, proposed to have him imprisoned.
The Prince de Montpensier prevented this and carried him away to
Champigny when he went there with his wife. The Comte being a very
pleasant, amiable man soon gained the approbation of the Princess and
before long she regarded him with as much friendship and confidence
as did her husband. Chabannes, for his part, observed with
admiration the beauty, sense and modesty of the young Princess, and
used what influence he had to instill in her thoughts and behaviour
suited to her elevated position; so that under his guidance she
became one of the most accomplished women of her time.

The Prince having gone back to the Court, where he was needed
owing to the continuation of the war, the Comte lived alone with the
Princess and continued to treat her with the respect due to her rank
and position. The Princess took him so far into her confidence as to
tell him of the feelings she had once had for the Duc de Guise, but
she intimated that there remained only enough of this emotion to
prevent her heart from straying elsewhere and that this remnant,
together with her wifely virtue made it impossible for her to
respond, except with a rebuff, to any possible suitor.

The Comte who recognised her sincerity and who saw in her a
character wholly opposed to flirtation and gallantry, did not doubt
the truth of her words; but nevertheless he was unable to resist all
the charms which he saw daily so close to him. He fell deeply in
love with the Princess, in spite of the shame he felt at allowing
himself to be overcome by this illicit passion. However although not
master of his heart, he was master of his actions; the change in his
emotions did not show at all in his behaviour, and no none suspected
him. He took, for a whole year, scrupulous care to hide his feelings
from the Princess and believed that he would always be able to do so.

Love, however, had the same effect on him as it does on everyone, he
longed to speak of it, and after all the struggles which are usually
made on such occasions, he dared to tell her of his devotion. He had
been prepared to weather the storm of reproach which this might
arouse, but he was greeted with a calm and a coolness which was a
thousand times worse than the outburst which he had expected. She
did not take the trouble to be angry. She pointed out in a few words
the difference in their rank and ages, she reminded him of what she
had previously said about her attitude to suitors and above all to the
duty he owed to the confidence and friendship of the Prince her
husband. The Comte was overwhelmed by shame and distress. She tried
to console him by assuring him that she would forget entirely what he
had just said to her and would always look on him as her best friend;
assurances which were small consolation to the Comte as one might
imagine. He felt the disdain which was implicit in all that the
Princess had said, and seeing her the next day with her customary
untroubled looks redoubled his misery.

The Princess continued to show him the same goodwill as before and

even discussed her former attachment to the Duc de Guise, saying that
she was pleased that his increasing fame showed that he was worthy of
the affection she had once had for him. These demonstrations of
confidence, which were once so dear to the Comte, he now found
insupportable, but he did not dare say as much to the Princess,
though he did sometimes remind her of what he had so rashly confessed
to her.

After an absence of two years, peace having been declared, the
Prince de Montpensier returned to his wife, his renown enhanced by
his behaviour at the siege of Paris and the battle of St. Denis. He
was surprised to find the beauty of the Princess blooming in such
perfection, and being of a naturally jealous disposition he was a
little put out of humour by the realisation that this beauty would be
evident to others beside himself. He was delighted to see once more
the Comte, for whom his affection was in no way diminished. He asked
him for confidential details about his wife’s character and
temperament, for she was almost a stranger to him because of the
little time during which they had lived together. The Comte, with the
utmost sincerity, as if he himself were not enamoured, told the
Prince everything he knew about the Princess which would encourage
her husband’s love of her, and he also suggested to Madame de
Montpensier all the measures she might take to win the heart and
respect of her spouse. The Comte’s devotion led him to think of
nothing but what would increase the happiness and wellbeing of the
Princess and to forget without difficulty the interest which
lovers usually have in stirring up trouble between the objects of
their affection and their marital partners.

The peace was only shortlived. War soon broke out again by reason
of a plot by the King to arrest the Prince de CondÇ and Admiral
Chatillon at Noyers. As a result of the military preparations the
Prince de Montpensier was forced to leave his wife and report for
duty. Chabannes, who had been restored to the Queen’s favour, went
with him. It was not without much sorrow that he left the Princess,
while she, for her part, was distressed to think of the perils to
which the war might expose her husband.

The leaders of the Huguenots retired to La Rochelle. They held

Poitou and Saintongne; the war flared up again and the King assembled
all his troops. His brother, the Duc d’Anjou, who later became Henri
III, distinguished himself by his deeds in various actions, amongst
others the battle of Jarnac, in which the Prince de CondÇ was killed.
It was during this fighting that the Duc de Guise began to play a
more important part and to display some of the great qualities which
had been expected of him. The Prince de Montpensier, who hated him,
not only as a personal enemy but as an enemy of his family, the
Bourbons, took no pleasure in his successes nor in the friendliness
shown toward him by the Duc d’Anjou.

After the two armies had tired themselves out in a series of minor
actions, by common consent they were stood down for a time. The Duc
d’Anjou stayed at Loches to restore to order all the places which had
been attacked. The Duc de Guise stayed with him and the Prince de
Montpensier, accompanied by the Comte de Chabannes, went back to
Champigny, which was not far away.

The Duc d’Anjou frequently went to inspect places where
fortifications were being constructed. One day when he was returning
to Loches by a route which his staff did not know well, the Duc de
Guise, who claimed to know the way, went to the head of the party to
act as guide, but after a time he became lost and arrived at the bank
of a small river which he did not recognise. The Duc d’Anjou had a
few words to say to him for leading them astray, but while they were
held up there they saw a little boat floating on the river, in which
– the river not being very wide – they could see the figures of three
or four women, one of whom, very pretty and sumptuously dressed, was
watching with interest the activities of two men who were fishing
nearby.

This spectacle created something of a sensation amongst the
Princes and their suite. It seemed to them like an episode from a
romance. Some declared that it was fate that had led the Duc de Guise
to bring them there to see this lovely lady, and that they should now
pay court to her. The Duc d’Anjou maintained that it was he who
should be her suitor.

To push the matter a bit further, they made one of the horsemen go
into the river as far as he could and shout to the lady that it was
the Duc d’Anjou who wished to cross to the other bank and who begged
the lady to take him in her boat. The lady, who was of course the
Princess de Montpensier, hearing that it was the Duc d’Anjou, and
having no doubt when she saw the size of his suite that it was indeed
him, took her boat over to the bank where he was. His fine figure
made him easily distinguishable from the others; she, however,
distinguished even more easily the figure of the Duc de Guise. This
sight disturbed her and caused her to blush a little which made her
seem to the Princes to have an almost supernatural beauty.

The Duc de Guise recognised her immediately in spite of the
changes which had taken place in her appearance in the three years
since he had last seen her. He told the Duc d’Anjou who she was and
the Duc was at first embarrassed at the liberty he had taken, but
then, struck by the Princess’s beauty, he decided to venture a little
further, and after a thousand excuses and a thousand compliments he
invented a serious matter which required his presence on the opposite
bank, and accepted the offer which she made of a passage in her boat.
He got in, accompanied only by the Duc de Guise, giving orders to his
suite to cross the river elsewhere and to join him at Champigny,
which Madame de Montpensier told him was not more than two leagues
from there.

As soon as they were in the boat the Duc d’Anjou asked to what
they owed this so pleasant encounter. Madame de Montpensier replied
that having left Champigny with the Prince her husband with the
intention of following the hunt, she had become tired and having
reached the river bank she had gone out in the boat to watch the
landing of a salmon which had been caught in a net. The Duc de Guise
did not take part in this conversation, but he was conscious of the
re-awakening of all the emotions which the Princess had once aroused
in him, and thought to himself that he would have difficulty in
escaping from this meeting without falling once more under her spell.

They arrived shortly at the bank where they found the Princess’s
horses and her attendants who had been waiting for her. The two
noblemen helped her onto her horse where she sat with the greatest
elegance. During their journey back to Champigny they talked
agreeably about a number of subjects and her companions were no less
charmed by her conversation than they had been by her beauty. They
offered her a number of compliments to which she replied with
becoming modesty, but a little more coolly to those from M. de Guise,
for she wished to maintain a distance which would prevent him from
founding any expectations on the feelings she had once had towards
him.

When they arrived at the outer courtyard of Champigny they
encountered the Prince de Montpensier, who had just returned from the
hunt. He was greatly astonished to see two men in the company of his
wife, and he was even more astonished when, on coming closer, he saw
that these were the Duc d’Anjou and the Duc de Guise. The hatred
which he bore for the latter, combined with his naturally jealous
disposition made him find the sight of these two Princes with his
wife, without knowing how they came to be there or why they had come
to his house, so disagreeable that he was unable to conceal his
annoyance. He, however, adroitly put this down to a fear that he
could not receive so mighty a Prince as the King’s brother in a style
befitting his rank. The Comte de Chabannes was even more upset at
seeing the Duc de Guise and Madame de Montpensier together than
was her husband, it seemed to him a most evil chance which had
brought the two of them together again, an augury which foretold
disturbing sequels to follow this new beginning.

In the evening Madame de Montpensier acted as hostess with the
same grace with which she did everything. In fact she pleased her
guests a little too much. The Duc d’Anjou who was very handsome and
very much a ladies man, could not see a prize so much worth winning
without wishing ardently to make it his own. He had a touch of the
same sickness as the Duc de Guise, and continuing to invent important
reasons, he stayed for two days at Champigny, without being obliged
to do so by anything but the charms of Madame de Montpensier, for her
husband did not make any noticeable effort to detain him. The Duc de
Guise did not leave without making it clear to Madame de Momtpensier
that he felt towards her as he had done in the past. As nobody knew
of this former relationship he said to her several times, in front of
everybody, that his affections were in no way changed. A remark which
only she understood.

Both he and the Duc d’Anjou left Champigny with regret. For a
long time they went along in silence; but at last it occurred to the
Duc d’Anjou that the reflections which occupied his thoughts might be
echoed in the mind of the Duc de Guise, and he asked him brusquely if
he was thinking about the beauties of Madame de Montpensier. This
blunt question combined with what he had already observed of the
Prince’s behaviour made the Duc realise that he had a rival from whom
it was essential that his own love for the Princess should be
concealed. In order to allay all suspicion he answered with a laugh
that the Prince himself had seemed so preoccupied with the thoughts
which he was accused of having that he had deemed it inadvisable to
interrupt him; the beauty of Madame de Montpensier was, he said,
nothing new to him, he had been used to discounting its effect since
the days when she was destined to be his sister-in-law, but he saw
that not everyone was so little dazzled. The Duc d’Anjou admitted
that he had never seen anyone to compare with this young Princess and
that he was well aware that the vision might be dangerous if he was
exposed to it too often. He tried to get the Duc de Guise to confess
that he felt the same, but the Duc would admit to nothing.

On their return to Loches they often recalled with pleasure the
events which had led to their meeting with the Princess de
Montpensier, a subject which did not give rise to the same pleasure
at Champigny. The Prince de Montpensier was dissatisfied with all
that had happened without being able to say precisely why. He found
fault with his wife for being in the boat. He considered that she
had welcomed the Princes too readily; and what displeased him most
was that he had noticed the attention paid to her by the Duc de
Guise. This had provoked in him a furious bout of jealousy in which
he recalled the anger displayed by the Duc at the prospect of his
marriage, which caused him to suspect that even at that time the Duc
was in love with his wife. The Comte de Chabannes as usual made
every effort to act as peacemaker, hoping in this way to show the
Princess that his devotion to her was sincere and disinterested. He
could not resist asking her what effect the sight of the Duc de Guise
had produced. She replied that she had been somewhat upset and
embarrassed at the memory of the feelings she had once displayed to
him; she found him more handsome than he had been then and it had
seemed to her that he wished to persuade her that he still loved her,
but she assured the Comte that nothing would shake her determination
not to become involved in any intrigue. The Comte was happy to hear
of this resolve, but he was far from being sure about the Duc de
Guise. He earnestly warned the Princess of the danger of a return to
the previous situation should she have any change of heart, though
when he spoke of his devotion she adopted her invariable attitude of
looking on him as her closest friend but in no way a possible suitor.

The armies were once more called up; all the Princes returned to
their posts and the Prince de Montpensier decided that his wife
should come with him to Paris so as to be further from the area where
it was expected that fighting would take place. The Huguenots
besieged Poitiers. The Duc de Guise went there to organise the
defence and, while there, enhanced his reputation by his conduct.
The Duc d’Anjou suffered from some illness, and left the army either
on account of the severity of this or because he wanted to return to
the comfort and security of Paris, where the presence of the Princess
de Montpensier was not the least of the attractions. The command of
the army was taken over by the Prince de Montpensier, and shortly
after this, a peace having been arranged, the Court assembled in
Paris. Here the beauty of the Princess eclipsed that of all her
rivals. She charmed everyone by her looks and personality. The Duc
d’Anjou did not abandon the sentiments she had inspired in him at
Champigny, he took great care to make her aware of this by all sorts
of delicate considerations, being careful at the same time not to
make his attentions too obvious for fear of arousing the jealousy of
her husband. The Duc de Guise was now fervently in love with her, but
wishing, for a variety of reasons, to keep this secret, he resolved
to tell her so privately and avoid any preliminaries which, as
always, would give rise to talk and exposure. One day when he was in
the Queen’s apartments where there were very few people, the Queen
having left to discuss affairs of state with Cardinal de Lorraine,
the Princess de Montpensier arrived. He decided to take this
opportunity to speak to her, and going up to her he said, “Although
it may surprise and displease you, I want you to know that I have
always felt for you that emotion which you once knew so well, and
that its power has been so greatly increased by seeing you again that
neither your disapproval, the hatred of your husband, nor the rivalry
of the first Prince in the kingdom can in the least diminish it. It
would perhaps have been more tactful to have let you become aware of
this by my behaviour rather than by my words, but my behaviour would
have been evident to others as well as to yourself and I wanted you
alone to know of my love for you.”

The Princess was so surprised and thrown into confusion by this
speech that she could not think of an answer, then, just when she had
collected her wits and begun to reply, the Prince de Montpensier
entered the room. The Princess’s face displayed her agitation, and
her embarrassment was compounded by the sight of her husband, to such
an extent that he was left in no doubt about what the Duc de Guise
had been saying to her. Fortunately at that moment the Queen
re-entered the room and the Duc de Guise moved away to avoid the
jealous Prince.

That evening the Princess found her husband in the worst temper
imaginable. He berated her with the utmost violence and forbade her
ever to speak to the Duc de Guise again. She retired to her room
very sad and much preoccupied with the events of the day. She saw
the Duc the next day amid the company around the Queen, but he did
not come near her and left soon after she did, indicating that he had
no interest in remaining if she was not there. Not a day passed
without her receiving a thousand covert marks of the Duc’s passion
though he did not attempt to speak to her unless he was sure that
they could be seen by nobody.

Convinced of the Duc’s sincerity, the Princess, in spite of the
resolution she had made at Champigny, began to feel in the depths of
her heart something of what she had felt in the past.

The Duc d’Anjou for his part, omitted nothing which could
demonstrate his devotion in all the places where he could meet her.
In the Queen his mother’s apartments he followed her about
continually, completely ignoring his sister who was very fond of him.
It was at around this time that it became evident that this sister,
who later became the Queen of Navarre, had a liking for the Duc de
Guise, and another thing that became evident was a cooling of the
friendship between that Duc and the Duc d’Anjou. The rumour linking
the name of the Royal Princess with that of the Duc de Guise
disturbed The Princess de Montpensier to a degree which surprised
her, and made her realise that she was more interested in the Duc
than she had supposed.

Now it so happened that her father-in-law, M. de Montpensier,
married a sister of the Duc de Guise, and the princess was bound to
meet the Duc frequently in the various places where the marriage
celebrations required their presence. She was greatly offended that
a man who was widely believed to be in love with “Madame”, the King’s
sister, should dare to make advances to her; she was not only
offended but distressed at having deceived herself.

One day, when they met at his sister’s house, being a little
separated from he rest, the Duc was tempted to speak to her, but she
interrupted him sharply saying angrily “I do not understand how, on
the basis of a weakness which one had at the age of thirteen, you
have the audacity to make amorous proposals to a person like me,
particularly when, in the view of the whole Court, you are interested
in someone else.” The Duc who was intelligent as well as being much
in love, understood the emotion which underlay the Princess’s words.
He answered her most respectfully, “I confess, Madame, that it was
wrong of me not to reject the possible honour of becoming the King’s
brother-in-law, rather than allow you to suspect for a moment that I
could desire any heart but yours; but if you will be patient enough
to hear me I am sure I can fully justify my behaviour.” The Princess
made no reply, but she did not go away and the Duc, seeing that she
was prepared to listen to him, told her that although he had made no
effort to attract the attention of Madame, she had nevertheless
honoured him with her interest: as he was not enamoured of her he had
responded very coolly to this honour until she gave him to believe
that she might marry him. The realisation of the grandeur to which
such a marriage would raise him had obliged him to take a little more
trouble. This situation had aroused the suspicions of the King and
the Duc d’Anjou, but the opposition of neither of them would have any
effect on his course of action, however, if this displeased her he
would abandon all such notions and never think of them again.

This sacrifice which the Duc was prepared to make caused the
Princess to forget all the anger she had shown. She changed the
subject and began to speak of the indiscretion displayed by Madame in
making the first advances and of the considerable advantages which he
would gain if he married her. In the end, without saying anything
kind to the Duc de Guise, she made him recall a thousand things he
had found so pleasing in Mlle. de MÇziäres. Although they had not had
private conversation for a long time, they found themselves attuned
to one another, and their thoughts went along a track which they both
had travelled in the past. At the end of this agreeable meeting the
Duc was left in a state of considerable happiness, and the Princess
was not a little moved to think that he truly loved her. However, in
the privacy of her room she became ashamed of the ease with which she
had accepted the Duc’s excuses and reflected on the trouble into
which she might be plunged if she engaged in something she had always
regarded with distaste and on the frightening misery which a jealous
husband might inflict on her. These thoughts made her adopt new
resolves, but they disappeared the next day on the sight of the Duc
de Guise.

The new alliance between their families gave the Duc many
opportunities to speak to her. He gave her an exact account of all
that passed between Madame and himself. He had difficulty in
allaying the jealousy to which the beauty of Madame gave rise and any
number of promises failed to reassure her. This jealousy enabled the
Princess to defend the remains of her heart against the advances of
the Duc, who already had won the greater part of it.

The marriage of the King to the daughter of the Emperor Maximilian
filled the Court with fàtes and celebrations. The King put on a
ballet in which Madame and all the princesses were to dance; among
them only the Princess de Montpensier could rival Madame in beauty.
The Duc d’Anjou and four others were to make an appearance as Moors;
their costumes would all be identical, as was usual in this sort of
performance. On the first occasion on which the ballet was
presented, the Duc de Guise, before the dance began and before he had
donned his mask, said a few words to the Princess as he went past
her. She saw clearly that the Prince her husband had noticed this,
which made her feel uneasy. A little later, seeing the Duc d’Anjou in
his mask and Moorish costume, who was coming to speak to her, she
mistook him for the Duc de Guise and said to him “Do not have eyes
for anyone but Madame this evening: I shall not be in the least
jealous. I am ordering you. I am being watched. Do not come near me
again.” As soon as she had said this she moved away.

The Duc d’Anjou stood there thunderstruck. He saw that he had a
successful rival: the reference to Madame made it obvious that this
was the Duc de Guise, and left him in no doubt that his sister was to
play second fiddle to the Princess de Montpensier. Jealousy,
frustration and rage joining to the dislike which he already had for
the Duc roused him to a violent fury; and he would have given there
and then some bloody mark of his temper had not that dissimulation
which came naturally to him prevented him from attacking the Duc de
Guise in the present circumstances. He did not, however, refrain
from the pleasure of disclosing his knowledge of this secret affair.
He approached the Duc de Guise as they left the salon where they had
been dancing and said to him “To presume to raise your eyes towards
my sister, as well as stealing the affection of the woman I love is
altogether too much. The presence of the King prevents me from taking
any action just now, but remember that the loss of your life may be,
one day, the least thing with which I shall punish your
impertinence.”

The pride of the Duc de Guise was not accustomed to submit tamely
to such threats, but he was unable to reply because at that moment
the King called both of them to his side. He did not forget, however,
and tried all his life to exact revenge.

From that evening the Duc d’Anjou endeavoured in all sorts of ways
to turn the King against the Duc de Guise. He persuaded the King
that Madame would never agree to her proposed marriage to the King of
Navarre as long as the Duc de Guise was allowed to have any contact
with her; and that it was unacceptable that a subject, for his own
vain purposes, should place an obstacle in the way of what could
bring peace to France. The King already disliked the Duc de Guise
and this speech inflamed his dislike so much that the next day when
the Duc presented himself to join the ball at the Queen’s
apartments, he stood in the doorway and asked him brusquely where he
was going. The Duc, without showing any surprise answered that he
had come to offer his most humble services, to which the King replied
that he had no need of any services which the Duc might provide, and
turned away without any other acknowledgement. The Duc was not
deterred from entering the room, his feelings incensed both against
the King and the Duc d’Anjou. His natural pride led him, as an act
of defiance, to pay more attention to Madame than usual, and what the
Duc d’Anjou had told him prevented him from looking in the direction
of the Princess de Montpensier.

The Duc d’Anjou watched both of them with close attention. The
Princess’s expression, in spite of herself, showed some chagrin when
the Duc de Guise spoke with Madame. The Duc d’Anjou who realised
from what she had said to him, when she mistook him for the Duc de
Guise, that she was jealous, hoped to cause trouble. He drew close to
her and said, “It is in your interest and not in mine that I must
tell you that the Duc de Guise does not deserve the choice you have
made of him in preference to me, a choice which you cannot deny and
of which I am well aware. He is deceiving you, Madame, and betraying
you for my sister as he betrayed her for you. He is a man moved only
by ambition, but since he has the good fortune to please you, that is
enough; I shall not attempt to stand in the way of a felicity which
without doubt I merit more than he. It would be undignified for me to
persist in trying to gain the heart which is already possessed by
another. It is bad enough to have attracted only your indifference
and I would not like to have this replaced by dislike by wearying you
with endless protestations of unwelcome devotion.”

The Duc d’Anjou who was genuinely touched by love and sadness, was
hardly able to complete this speech, and although he had begun in a
spirit of spite and vengeance, he was so overcome when he thought of
the Princess’s beauty and of what he was losing by giving up all hope
of being her lover, that without waiting for her reply he left the
ball, saying that he felt unwell, and went home to nurse his grief.

The Princess de Montpensier stayed there, upset and worried as one
might imagine. To see her reputation and her secret in the hands of a
suitor whom she had rejected and to learn from him that she was being
deceived by her lover were not things which would put her in the
right frame of mind for a place dedicated to enjoyment; she had,
however, to remain where she was and later go to supper in the
company of the Duchess de Montpensier, her mother-in-law.

The Duc de Guise who had followed them to his sister’s house, was
dying to tell her what the Duc d’Anjou had said the day before, but
to his astonishment when he did have the opportunity to speak to her,
he was overwhelmed by reproaches which were tumbled out in such angry
profusion that all he could gather was that he was accused of
infidelity and treachery. Dismayed at finding himself in this unhappy
situation when he had hoped for consolation, and being so much in
love with the Princess that he could not bear to be unsure if he was
loved in return, he took a sudden decision. “I shall lay your doubts
at rest.” He said. “I am going to do what all the royal power could
not make me do. It will cost me my fortune but that is of little
account if it makes you happy.”

He went straight from his sister’s house to that of his uncle, the
cardinal. He convinced him that having fallen into the King’s
disfavour, it was essential that it should be made quite clear that
he would not marry Madame, so he asked for his marriage to be
arranged with the Princess de Portien, a matter which had previously
been discussed. The news of this was soon all over Paris and gave
rise to much surprise. The princess de Montpensier was both happy
and sad. Glad to see the power she had over the Duc, and sorry that
she had caused him to abandon something so advantageous as marriage
to Madame. The Duc who hoped that love would compensate him for his
material loss, pressed the Princess to give him a private audience so
that he could clear up the unjust accusations which she had made. He
obtained this when she found herself at his sister’s house at a time
when his sister was not there and she was able to speak to him alone.
The Duc took the opportunity to throw himself at her feet and
describe all that he had suffered because of her suspicions, and
though the Princess was unable to forget what the Duc d’Anjou had
said to her, the behaviour of the Duc de Guise did much to reassure
her. She told him exactly why she believed he had betrayed her which
was because the Duc d’Anjou knew what he could only have learned from
him. The Duc did not how to defend himself and was as puzzled as she
to guess what could have given away their secret: at last, while the
Princess was remonstrating with him for giving up the idea of the
advantageous marriage with Madame and rushing into that with the
Princess de Portien, she said to him that he could have been certain
that she would not be jealous since on the day of the ball she
herself had told him to have eyes only for Madame. The Duc said that
she might have intended to do so but that she certainly had not. She
maintained that she had, and in the end they reached the correct
conclusion that she herself, deceived by the resemblance of the
costumes, had told the Duc d’Anjou what she accused the Duc de Guise
of telling him. The Duc de Guise who had almost entirely returned to
favour, did so completely as a result of this conversation. The
Princess could not refuse her heart to a man who had possessed it in
the past and had just made such a sacrifice to please her. She
consented to accept his declaration and permitted him to believe that
she was not unmoved by his passion. The arrival of the Duchess, her
mother-in-law, put an end to this tàte-Ö-tàte, and prevented the Duc
from demonstrating his transports of joy.

Some time later, the Court having gone to Blois, the marriage
between the King of Navarre and Madame was celebrated. The Duc de
Guise who wanted nothing more than the love of the Princess de

Montpensier, enjoyed a ceremony which in other circumstances would
have overwhelmed him with disappointment.

The Duc was not able to conceal his love so well that the Prince
de Montpensier did not suspect that something was going on, and being
consumed by jealousy he ordered his wife to go to Champigny. This
order was a great shock to her, but she had to obey: she found a way
to say goodbye to the Duc de Guise privately but she found herself in
great difficulty when it came to a means of providing a method
whereby he could write to her. After much thought she decided to
make use of the Comte de Chabannes, whom she always looked on as a
friend without considering that he was in love with her. The Duc de
Guise, who knew of the close friendship between the Comte and the
Prince de Montpensier, was at first amazed at her choice of the Comte
as a go-between, but she assured him of the Comte’s fidelity with such
conviction that he was eventually satisfied. He parted from her with
all the unhappiness which such a separation can cause.

The Comte de Chabannes, who had been ill in Paris while the
Princess was at Blois, learning that she was going to Champigny
arranged to meet her on the road and go with her. She greeted him
with a thousand expressions of friendship and displayed an
extraordinary impatience to talk to him in private, which at first
delighted him. Judge his dismay when he found that this impatience
was only to tell him that she was loved passionately by the Duc de
Guise, a love which she returned. He was so distressed that he was
unable to reply. The Princess, who was engrossed by her infatuation,
took no notice of his silence. She began to tell him all the least
details of the events, and how she and the Duc had agreed that he
should be the means by which they could exchange letters. The thought
that the woman he loved expected him to be of assistance to his
rival, and made the proposal as if it was a thing he would find
agreeable was bitterly hurtful, but he was so much in control of
himself that he hid all his feelings from her and expressed only
surprise at the change in her attitude. He hoped that this change
which removed even the faintest hope from him would at the same time
change his feelings, but he found the Princess so charming, her
natural beauty having been enhanced by a certain grace which she had
acquired at Court that he felt that he loved her more than ever. This
remarkable devotion produced a remarkable effect. He agreed to carry
his rival’s letters to his beloved.

The Princess was very despondent at the absence of the Duc de
Guise, and could hope for solace only from his letters. She
continually tormented the Comte de Chabannes to know if he had
received any and almost blamed him for not having delivered one
sooner. At last some arrived, brought by a gentleman in the Duc’s
service, which he took to her immediately so as not to delay her
pleasure for a moment longer than necessary. The Princess was
delighted to have them and tortured the poor Comte by reading them to
him, as well as her tender and loving reply. He took this reply to
the waiting courier even more sadly than he had made the delivery.
He consoled himself a little by the reflection that the Princess
would realise what he was doing for her and would show some
recognition. Finding, however, that she daily treated him with less
consideration, owing to the anxieties which preoccupied her, he took
the liberty of begging her to think a little of the suffering she was
causing him. The Princess who had nothing in her head but the Duc de
Guise, was so irritated by this approach that she treated the Comte
much worse than she had done on the first occasion when he had
declared his love for her. Although his devotion and patience had
stood so many trials, this was too much. He left the Princess and
went to live with a friend who had a house in the neighbourhood, from
where he wrote to her with all the bitterness that her behaviour had
provoked and bid her an eternal adieu.

The Princess began to repent having dealt so harshly with a man
over whom she had so much influence, and being unwilling to lose him,
not only on account of their past friendship, but also because of his
vital role in the conduct of her affair, she sent a message to him to
say that she wished to speak to him one more time and that afterwards
she would leave him free to do as he pleased. One is very vulnerable
when one is in love. The Comte came back, and in less than an hour
the beauty of the Princess, her charm and a few kind words made him
more submissive than ever, and he even gave her some letters from the
Duc de Guise which he had just received.

At this time there was a scheme afoot in the Court to attract
there all the leaders of the Huguenots, with the secret aim of
including them in the horrible massacre of St. Bartholomew’s day. As
part of this attempt to lull them into a false sense of security, the
King dismissed from his presence all the princes of the houses of
Bourbon and de Guise. The Prince de Montpensier returned to
Champigny, to the utter dismay of his wife, the Duc de Guise went to
the home of his uncle, the Cardinal de Lorraine.

Love and idleness induced in him such a violent desire to see the
Princess de Montpensier that without considering the risks to her and
to himself he made some excuse to travel and leaving his suite in a
small town he took with him only the gentleman who had already made
several trips to Champigny, and went there by post-chaise. As he
knew no one whom he could approach but the Comte de Chabannes, he had
the gentleman write a note requesting a meeting at a certain spot.
The Comte, believing that this was solely for the purpose of
receiving letters from the Duc de Guise went there, but was most
surprised to see the Duc himself and equally dismayed. The Duc, full
of his own plans, took no more notice of the Comte’s dismay than had
the Princess of his silence when she told him of her amour. He
described his passion in florid terms and claimed that he would
infallibly die if the Princess could not be persuaded to see him.
The Comte replied coldly that he would tell the Princess all that the
Duc wanted to convey and would return with her response. He then went
back to Champigny with his own emotions in such a turmoil that he
hardly knew what he was doing. He thought of sending the Duc away
without saying anything to the Princess, but the faithfulness with
which he had promised to serve her soon put an end to that idea. He
arrived without knowing what he should do, and finding that the
Prince was out hunting, he went straight to the Princess’s
apartment. She saw that he was distressed and dismissed her women in
order to find out what troubled him. He told her, as calmly as he
could, that the Duc de Guise was a league distant and that he wanted
passionately to see her. The Princess gave a cry at this news and her
confusion was almost as great as that of the Comte. At first she was
full of joy at the thought of seeing the man she loved so tenderly,
but when she considered how much this was against her principles, and
that she could not see her lover without introducing him into her
home during the night and without her husband’s knowledge, she found
herself in the utmost difficulty. The Comte awaited her reply as if
it were a matter of life or death. Realising that her silence
indicated her uncertainty, he took the liberty of presenting to her
all the perils to which she would be exposed by such a meeting, and
wishing to make it clear that he was not doing this in his own
interest, he said that if, in spite of all that he had said she was
determined to see the Duc, rather than see her seek for aid from
helpers less faithful than himself, he would bring the Duc to
her. “Yes Madame,” he said, “I shall go and find the Duc and bring him
to your apartment, for it is too dangerous to leave him for long
where he is.”

“But how can this be done?” interrupted the Princess.

“Ha! Madame,” cried the Comte, “It is then decided, since you speak
only of the method. I shall lead him through the park; only order one
of your maids whom you can trust to lower, exactly at midnight, the
little drawbridge which leads from your antichamber to the flower
garden and leave the rest to me.” Having said this he rose and
without waiting for any further comment from the Princess, he left,
remounted his horse and went to look for the Duc de Guise, who was
waiting for him with the greatest impatience.

The Princess remained in such a state of confusion that it was
some time before she came to her senses. Her first thought was to
send someone after the Comte to tell him not to bring the Duc, but
she could not bring herself to do so. She then thought that failing
this she had only not to have the drawbridge lowered, and she
believed that she would continue with this resolve, but when the hour
of the assignation drew near she was no longer able to resist the
desire to see the lover whom she longed for, and she gave
instructions to one of her women on the method by which the Duc was
to be introduced into her apartment.

Meanwhile the Duc and the Comte were approaching Champigny, but in
very differing frames of mind. The Duc was full of joy and all the
happiness of expectation. The Comte was in a mood of despair and
anger, which tempted him at times to run his sword through his rival.
They at last reached the park, where they left their horses in the
care of the Duc’s squire, and passing through a gap in the wall they
came to the flower garden. The Comte had always retained some hope
that the Princess would come to her senses and resolve not to see the
Duc, but when he saw that the drawbridge was lowered he realised that
his hope was in vain. He was tempted to take some desperate measure,
but he was aware that any noise would be heard by the Prince de
Montpensier whose rooms looked out onto the same flower-garden, and
that all the subsequent disorder would fall on the head of the one he
loved most. He calmed himself and led the Duc to the presence of the
Princess. Although the Princess signaled that she would like him to
stay in the room during the interview, he was unwilling to do so, and
retired to a little passage which ran alongside the Princess’s
apartment, a prey to the saddest thoughts which could afflict a
disappointed lover.

Now, although they had made very little noise while crossing the
bridge, the Prince de Montpensier was awake and heard it. He made
one of his servants get up and go to see what it was. The servant
put his head out of the window and in the darkness he could make out
that the drawbridge was lowered. He told his master who then ordered
him to go into the park and find out what was going on. A moment
later he got up himself, being disturbed by what he thought he had
heard, that is, footsteps on the bridge leading to his wife’s
quarters.

As he was going towards the little passage where the Comte was
waiting, the Princess who was somewhat embarrassed at being alone
with the Duc de Guise, asked the latter several times to come into
the room. He refused to do so and as she continued to press him and
as he was furiously angry he answered her so loudly that he was heard
by the Prince de Montpensier, but so indistinctly that the Prince
heard only a man’s voice without being able to recognise it as that
of the Comte.

These events would have infuriated a character more placid and
less jealous than the Prince de Montpensier. He hurled himself
against the door, calling for it to be opened, and cruelly surprising
the Princess, the Duc de Guise and the Comte de Chabannes. This
last, hearing the Prince’s voice, saw immediately that it was
impossible to prevent him from believing that there was someone in
his wife’s room, and that he was in such a state that if he found
that it was the Duc de Guise he might kill him before the eyes of the
Princess and that even her life might be at risk. He decided, in an
act of extraordinary generosity, to sacrifice himself to save a
successful rival and an ungrateful mistress.

While the Prince was battering on the door, he went to the Duc,
who had no idea what to do, put him in the care of the woman who had
arranged his entry by the bridge and told her to show him the way
out. Scarcely had he left when the Prince having broken down the
door entered the room like a man possessed. However when he saw only
the Comte de Chabannes, motionless, leaning on a table with a look
of infinite sadness on his face, he stopped short. The astonishment
of finding his best friend alone at night in his wife’s room deprived
him of speech. The Princess had collapsed onto some cushions and
never perhaps has fate put three people in a more unhappy position.
At last the Prince made an attempt to make sense of the chaos before
his eyes. He addressed the Comte in a tone of voice which still had
some friendliness, “What is this I see?” he said, “Is it possible
that a man I love so dearly has chosen among all other women to
seduce my wife? And you, Madame,” he said, turning to his wife, “Was
it not enough to deprive me of your love and my honour without
depriving me of the one man who could have consoled me in such
circumstances? Answer me, one of you,” he said to them, “And explain
this affair, which I cannot believe is what it seems.” The Princess
was incapable of replying and the Comte opened his mouth once or
twice but was unable to speak.

“You see me as a criminal” he said at last “And unworthy of the
friendship you have shown me; but the situation is not what you may
think it is. I am more unhappy than you and more despairing. I do
not know how to tell you more than that. My death would avenge you,
and if you were to kill me now you would be doing me a favour.”
These words, spoken with an air of the deepest sorrow, and in a
manner which declared his innocence instead of enlightening the
Prince confirmed him in the view that something mysterious was going
on which he did not understand. His unhappiness was increased by this
uncertainty. “Kill me yourself,” he said. “Or give me some explanation
of your words for I can understand nothing. You owe it to my
friendship, you owe it to my restraint, for anyone but me would have
already taken your life to avenge such an affront.”

“The appearances are wholly misleading,” interrupted the Comte.

“Ah! It is too much. I must be avenged and clear things up later,”
said the Prince, advancing towards the Comte like a man carried away
by rage. The Princess, fearing bloodshed, (which was not possible as
her husband did not have a sword) placed herself between the two of
them and fell fainting at her husband’s feet. The Prince was even
more affected by this than he was by the calmness of the Comte when
he confronted him, and as if he could no longer bear the sight of
those two people who had caused him such distress, he turned away and
fell on his wife’s bed, overcome by grief. The Comte de Chabannes,
filled with remorse at having abused the friendship of which he had
had so many marks, and believing that he could never atone for what
he had done, left the room abruptly and passing through the
Princess’s apartment where he found all the doors open, he went down
to the courtyard. He had a horse brought to him and rode off into
the country led only by his feelings of hopelessness. The Prince de
Montpensier, seeing that his wife did not recover from her faint,
left her to her women and retired to his own quarters greatly
disturbed.

The Duc de Guise having got out of the park, hardly knowing what
he was doing being in such a state of turmoil, put several leagues
between himself and Champigny, but could go no further without news
of the Princess. He stopped in the forest and sent his squire to
find out from the Comte de Chabannes what had happened. The squire
found no trace of Chabannes but was told by others that the Princess
was seriously ill. The Duc’s inquietude was increased by what the
squire had told him, but as he could do nothing he was constrained to
go back to his uncle’s in order not to raise suspicions by too long
an absence.

The Duc’s squire had been correct when he said that the Princess
was seriously ill, for as soon as her women had put her to bed she
was seized by a violent fever with horrible phantasies, so that by
the second day her life was despaired of. The Prince pretended that
he himself was ill so that no one should be surprised that he did not
visit his wife’s room. The order which he received to return to the
Court, to which all the Catholic princes were being recalled in
preparation for the massacre of the Huguenots, relieved him of his
embarrassment. He went off to Paris without knowing what he had to
hope or fear about his wife’s illness. He had hardly arrived there
when the assault on the Huguenots was signalised by the attack on
admiral de Chatillon. Two days later came the disgraceful massacre,
now so well known throughout Europe.

The poor Comte de Chabannes who had gone to hide himself away in
one of the outer suburbs of Paris to abandon himself to his misery
was caught up in the ruin of the Huguenots. The people to whose house
he had retired, having recognised him, and having recalled that he
had once been suspected of being of that persuasion, murdered him on
the same night which was fatal to so many people. The next day the
Prince de Montpensier, who was in that area on duty, passed along the
street where the body of the Comte lay. He was at first shocked by
this pitiful sight and, recalling his past friendship, was grieved;
but then the memory of the offence, which he believed the Comte had
committed, made him feel pleased that he had been avenged by the hand
of chance.

The Duc de Guise who had used the opportunity of the massacre to
take ample revenge for the death of his father, gradually took less
and less interest in the condition of the Princess of Montpensier;
and having met the Marquise de Noirmoutier, a woman of wit and
beauty, and one who promised more than the Princess de Montpensier,
he attached himself to her, an attachment which lasted a lifetime.

The Princess’s illness reached a crisis and then began to remit.
She recovered her senses and was somewhat relieved by the absence of
her husband. She was expected to live, but her health recovered very
slowly because of her low spirits, which were further depressed by
the realisation that she had received no news of the Duc de Guise
during all her illness. She asked her women if they had not seen
anyone, if they had not had any letters, and finding that there had
been nothing, she saw herself as the most wretched of women, one who
had risked all for a man who had abandoned her. A fresh blow was the
news of the death of the Comte de Chabannes, which her husband made
sure she heard about as soon as possible. The ingratitude of the Duc
de Guise made her feel even more deeply the loss of a man whose
fidelity she knew so well. These disappointments weighed heavily upon
her and reduced her to a state as serious as that from which she had
recently recovered. Madame de Noirmoutier was a woman who took as
much care to publicise her affairs as others do to conceal them. Her
relations with the Duc de Guise were so open that, even though far
away and ill, the Princess heard so much about it that she was left
in no doubt. This was the final straw. She had lost the regard of
her husband, the heart of her lover, and the most loyal of her
friends. She took to her bed, and died not long after in the flower
of her youth. She was one of the loveliest of women and could have
been one of the happiest if she had not strayed so far from the path
of prudence and virtue.

Genius Loci: Gruûnderwald


Genius Loci:
Gruûnderwald

VERANTWOORDING

Nuvolgende teksten vormen een scherpe doch beperkte selectie uit het boek Op zoek naar de bronnen van het Groene Woud, dat ik heb geschreven in opdracht van het BKKC (Brabantse Kunst- en Kenniscentrum) in het kader van de Manifestatie Landkunt 2010. Margriet Kemper en haar collegae vroegen me een poging te wagen op literaire wijze uiting te geven aan de “Genius Loci” van Het Groene Woud. Op het moment dat dit me gevraagd werd (mei 2010), wist ik niet beter dan dat Het Groene Woud een truckersrestaurant was op de weg van Vught naar Tilburg. En dat er zich ergens in het landerige Liempde een horeca-gelegenheid van dezelfde naam bevond.

De grenzen van het Groene Woud (of Gruûnderwald)

Gedurende de voorbije zomermaanden heb ik deze schrijnende lacune uitgebreid teniet kunnen doen. Als een literair bioloog-anthropoloog ben ik, gewapend met niet meer dan een vulpen en een overdwars Moleskine aantekeningenboekje, op expeditie getogen naar de bronnen van Het Groene Woud. Heb monter en onbevooroordeeld veldwerk verricht. Gewandeld. Gespot. Geroken. Geluisterd. Gewroet. Vermoed. Geteld. Geraden. Genoteerd.
De teksten in dit boek zijn ruwweg onder te verdelen in drie afdelingen:

1. De stemmen/verhalen/sporen van de Mensen
2. De kleuren/klanken/geuren der Natuur
3. De geest/ziel/aard van de Plek

De bedoeling is dat de de lezer vanuit het breed uitgewaaierde palet aan verhalen en gedichten, teksten en verslagen, uiteindelijk toch een ietsie pietsie van de geur, de kleur, en de contouren gewaar zal kunnen worden van de schimmige gestalte (een bosnimf uit Keltische tijden?) die bij de koppige en kleurrijke bos- en heidebewoners van Het Groene Woud bekendstaat als “hun” Genius Loci Gruûnderwald.

In het Brabant van de vorige eeuw waren natuur en mens onverenigbaar. Niet alleen de projectontwikkelaars, planologen en stedelingen maar ook de boeren op het land waren in een blinde strijd met het landschap verwikkeld. Men zag wat er nog over was aan natuur als een hinderlijke, stinkende, vieze dan wel achterlijke factor die door de mens in zijn voorwaartse tred scrupulleus diende te worden bedwongen, bebouwd, bemest, bevuild, bespoten, bedolven. Brabant had geen oorlog nodig om zichzelf te verminken. Wat onze Brabantse grootouders en ouders destijds omschreven als “cultivatie en ontwikkeling van het platteland”, zal door toekomstige generaties ongetwijfeld op een dag toegevoegd worden aan het rijtje van eufemistische newspeak termen waarmee de mens in de twintigste eeuw zijn alomvattende vernietigingsdrang en bruutheid van een net jasje heeft proberen te voorzien.
Zoals er in de tijd van de grote ideologieen genociden hebben plaatsgevonden op soortgenoten die tot smet of vijand van het volk werden verklaard, zo is de moderne mens op even maniakale wijze tekeergegaan tegen alle wilde restjes flora en fauna die hem op weg naar de vooruitgang en de welvaart voor de voeten durfden te lopen of te groeien. De natuur is al te vaak de klos geweest. Tijd om haar weer met respect te bejegenen. En haar in het groene landschap – zolang het nog kan – de (adem)ruimte te geven die ze van nature verdient. De enige rol die haar op deze aarde toekomt is, zolang er leven is, die van protagoniste. Niet die van een onderknuppel of onzuiver element dat uit de weg moet worden geruimd voor het groter heil of kortzichtig gewin van de mensheid.
Mijn expeditie naar de bronnen van het Groene Woud leerde me dat het de natuur in deze contreien gegund is om die hoofdrol met verve te vervullen. Van de moerasweelde aan de oevers van het slapende rioolgemaal De Moerenburg tot aan de gevarieerde bloemenpracht in de beekdalen van de Dommel en de Voorste Stroom. Van de populier- en sterrenbossen rond de kwelders en de boerderijen bij Boxtel en Liempde tot aan de vennen en de heidegronden op het door zand verstoven land van venkraal, wilde betram, helleput en oude Kampinase donck…Dat alles en veel meer bevindt zich hier, op schootsafstand van de gekte en de drukte in de steden en het razen en het tieren van de wagens op de scheurbaan, in dit weelderige, broedende, bloeiende en boeiende wilde groenperk in het hartje van Noord-Brabant.
Dat het er is. En dat u het weet.

N.B.: De topografische namen van de genoemde locaties, wijzen op de plekken die als oriëntatie voor de desbetreffende tekst hebben gediend. Ze zijn niet op te vatten als strikte coördinaten waarbinnen het gedicht of verhaal zich afspeelt, wel als bronnen van inspiratie. Goede reis!

© Serge van Duijnhoven, uitvoerder van de schrijfopdracht van het BKKC
in het kader van de manifestatie LANDKUNST

Dommeldal bij Nemerlaer

IN AMPLEXUS

De Moerenburg, rand Groene Woud
Groot Goorven & Groot Aderven, Oisterwijkse Heide

Mannetjeskikkers kruipen op de rug van de veel grotere vrouwtjes en houden die dagenlang in een paargreep, amplexus genoemd, totdat het vrouwtje kikkerdril (eieren) afzet dat het mannetje met zijn sperma bevrucht. Paardrift in combinatie met vasthoudendheid. In amplexus lijken de mannetjes in een soort trance te verkeren. Er is geen sprake van penetratie, wel van bevruchting van eitjes via het sperma van de mannetjes.

VERZAMELAAR VAN DROMEN
bij een foto van een poel met dikkopjes
van L.J.A.D. Creyghton
Boshuis Venkraai, Boschoord

slaap maar zacht, liefmanneke
droom maar zoet, mannekegoed

en met het moeizame piepen en schuren
de echo van zijn laatste avondgroet
verschijnen weer de schimmen en figuren
uit de kinderliedjes, de griezels
uit de huiversprookjes, doemen in het donker
weer demonen op die klieren, de miezers
die loeren door de kieren van de deur

verandert dit vertrek als destijds
voor mijn slapengaan, branden de ogen
van het staren naar de vlekken
op het sepiakleurig bloemenbehang
wordt de kamer donker woud, het dakraam
put van Vrouw Holle, het bed een hut
in de bomen, het kussen een schatkist

met een roestig oud slot en een inhoud
die geheel bestaat uit spinrag, licht
en goudflagon, het weefdraad
van mijn dromen; springt de angst
opnieuw uit de diepte waar ze sluimert
tot de mist dik genoeg is
kruipt ze tussen de krassen en barsten

in de muren, ritselt tussen blaadjes
onder het laken; speelt ze kil oktober-
poppenkast in de eenzame gangen op school
of op schoot bij de man met zijn tabberd
en gestikt in de haren van diens dodemansbaard
verschijnen ze weer met de regenvlagen
muf en stiekem in de kelder en stinkend

in de perenvijver tussen dikkopjes
en kikkerdril en gulpend met het water
in je rubberlaarzen verschijnen ze weer
tussen de mazen van het schepnet
of dieper op de drassige bodem van het ven
waar een glinsterend zwaard door een
doorzichtige hand word rondgezwaaid

en voor mijn vader mij weer toevertrouwt
aan het donker dat ons omringt
som ik het lijstje op met de bedreigingen
die voor ieder welterusten moeten afgewend
‘papa komen er vannacht heksen spoken
reuzen dwergen griezels enge beesten
en pierlala en Beerend Botje?’

en je wilt dat vader zijn verlossende woorden
zal spreken voor hij de deur zal sluiten
het enige dat geruststelt en waarna
je weer veilig en vredig slapen kunt:
‘nee die griezels en die spoken
komen niet die heksen en die reuzen
komen niet en Pierlala en Beerend Botje

nee vannacht komen die niet…’
‘en morgen?’
‘morgen ook niet’

‘welterusten dan, vader’
‘slaap zacht, liefmanneke
droom zoet, mannekelief’

nu is je vader bijna af en jij niet meer
dat manneke en ben jij het
die het wiegelied geruststellend neuriet

die je hand legt op diens voorhoofd
en uitklopt dat kussen
doorweekt van zijn zweet

slaap maar zacht liefmanneke
droom maar zoet mannekegoed
er is niemand die je nog zal lastigvallen

EXIT GENIUS
(BELLUM TRANSIT)

Kromvennen & Huisvennen, Kampinase Heide
Groot Goorven & Groot Aderven, Oisterwijkse Heide

koolmees? staartmees? kuifmees?
klauwier? kwikstaart? putter? sijs?
lijster? bosvink? goudvink? pimpelmees?
groenling? geelgors? roodborst?
boomklever! waterjuffer! pimpernel!

tierelier, kwinkeleer, tsjirp tsjirp
fuut fuut, sie-sie-truulluul-truulluul
daartussen de wind die door de bomen ruist
de onbesuisd nasale ademtochten
van een in slaap gevallen reus

de kalme branding van een denkbeeldige
zee. Het gezoem van libellen
het gekwaak van bronstige padden
het gebrul van de kikkers
het geplop van zuurstofbellen

die na hun amfibische sprong
op komen wellen in het mors-
stille water. En dan – ineens
de alles uit zijn hengsels knallende
hysterie van brullende en briesende

ondieren die in getrainde formaties
met hun vlammende staarten
het purperen gordijn van de hemel
aan flarden komen scheuren
een Gargantueske versie

van een vlucht alledaagse trekvogels
ganzen die tot draak zijn gemuteerd.
hun taak: het breken van barrières
werpen van bommen, spuwen
van vuur. Het zaaien van angst

en verderf. Dood en terreur
ook hier, temidden van het tere
oog. Dit mid-Brabantse hart
van wat er nog aan Woud en
aan het oude Hertogdom resteert

het in overdadig zomerzon- en strijklicht
gebalsemd overschot van een idyllische
natuur zoals die wordt geprojecteerd
op de vloertegels van café De Tijd
in Oisterwijk. Uitvergrote zwart-wit

kiekjes van een vroeger dat alleen
in onze verbeelding heeft bestaan
geen nazi’s. Geen auto’s. Geen ploeterende luyden
enkel fietsen. Een melkkar. Paard en wagen
de gezegende vreugde van een boerenbruiloft

Elyseese bloemenweelde. Een picknick
op het landjuweel van Bos en Ven
postkaarten uit een zongebleekt Arcadië
waar nimmer vuiltjes aan de lucht
en immer vrede. Maar nu, heel plots

vlak boven onze hoofden scheurt
de hemelkoepel open, tolt en woelt
de woede van de boze buitenwereld
trillen echo’s door uit Uruzgan, klinkt het
knarsen van de Hellepoort, geweeklaag

van de schimmen uit een Bosnisch massagraf
Bliksem. Donder. Dämmerung. Het is
de werkelijkheid die hier in deze splitsing
der seconden met een daverende klap
tot stilstand komt. Het is de horror

die zich voor ons oog ontrolt. Nog opgepookt
door Doppler’s paukenslag. De vonken
der Titanenstrijd. De natuur beleeft een angst-
infarct. Het landschap zet zich schrap. De horizon
verschrompelt. Een slachtershand rijt ruecksichtlos

de aarde open. Tremor. Terror. Ingewanden
gulpen uit de buik van het karkas. De piloot
kauwt kauwgom. Keuvelt met de basis
het zonlicht schittert in zijn cockpit. Bellum
transit. Terug naar Gilze. Plicht betracht

Vincit militans. Ik knipper
met mijn ogen. Haal de hand
van mijn oren. Exit geest.
Weg sprookjeswoud. De genius
loci heeft zich in die paar seconden

als bij toverslag – hocus pocus en pilatus pas! –
terug weten te trekken in het intricate
gangenstelsel dat ergens, tussen
de gepetrifieerde wortels van
het werkelijke Woud, nog moet kronkelen

diep verscholen onder de humuslagen van
de bossen en de blubber der moerassen


EEN GOEDE LIJSTENMAKER

De Lind, Oisterwijk

SvD vraagt zich af of de Spreuk van de Dag in café De Tijd in Oisterwijk een gigantische open deur betreft dan wel een diepere waarheid bevat: “Een goede lijstenmaker is nog geen goede lijstjesmaker”. Is dit een Brabantse arts & crafts-variant op het aloude Hollandse Albert Heijn-gezegde: “wie het kleine niet eert, het grote niet weerd”? Of enkel een grap van de eigenaar van de uitspanning, die ervan houdt een dikke neus te maken naar zijn klanten? Wellicht dat het hier een exemplarisch geval betreft van quasi-simpele maar juist daardoor niet meer als zodanig te herkennen diepzinnigheid. Wie contouren ziet in deze waarzegbol van ondoorzichtig matglas, mag het zeggen…

‘’T Gruûnderwald, jungske’, sprak de bosopzichter van ’t Stokske, ‘da overlèft us, allemoal.

CROY VAN ’t STOKSKE
De Bosfazant, Stokske – De Doesen, Oisterwijkse Heide

Wat weten wij over de onzekerheden
van veroveraars? Over mannen
die met brandend hart
dorsten naar de koelte
wat weten wij van veroveraars
die niet kunnen heersen
smeden die het vuur niet
beheersen, maar het doven

Croy was zo’n man, Croyke
van ’t Stoske, hij had een vrouw
vijf kinderen, die groeiden
als gewas in lentetijd, hij
had een baan bij de bosmij
een woonst temidden van het woud
hij fietste met zijn Raleigh iedere dag
van Ter Braakloop naar De Reebok

en terug over alleen door hem
gekende kronkelpaden dwars door
het rulle, mulle heidezand
na twintig jaar, met promotie
kreeg hij een streep erbij
op zijn pet. Met die pet
fietste hij op zondagen trots door het dorp

de pet ging ’s nachts pas af
men zou niet kunnen zeggen
wat hij ontbeerde. Toch
vervloekte hij zijn vrouw
schaamde zich voor zijn familie
zij waren wat hij was
niet minder, niet meer

zijn driften konden zij
niet bevredigen. Zijn wensen
wilden zij niet willigen
in ongenoegen mokte hij
hij reed langs Bleekven, Goorven, Aderven
Baksven, Kromven, Galgeven
hij liet zich gaan; eens

bleef hij drie dagen weg
hij keerde weer. Hij werd
uit huis gezet, de rechter
had beslist. Na drie maanden
levend in een pension, een kind
verwekkend bij zijn hospita
mocht hij opnieuw beschikken

’s Avonds toen zijn kinderen sliepen
sloeg hij zijn vrouw met een hamer
op haar hoofd. Hij heeft de liefde
met haar lichaam bedreven
zich aangekleed. En is met
zijn pet op ’t Groot Goorven ingereden
die pekzwarte, immer borrelende veen-

grond waaruit meedogenloze geesten
hem zijn leven lang tena
hadden gegrijnst

hier vist men de paling die uiteindelijk op het bord belandt in cafe Mie Pieters

LIJKENFRETTERS
De boerderij op de Heukelomse Waard. Tussen Heukelom en Hondsberg
de Voorste Stroom/Kleine Aa en café Mie Pieters

Tussen Heukelom en Hondsberg hebben roofzuchtige roeken twaalf lammeren verslonden. De boeren in de omgeving zijn radeloos. De roeken vallen elk lam waar zij hun spiedende kralenblik op hebben laten vallen met grote groep tegelijk aan, pikken het de ogen uit en eten het daarna vrijwel geheel op. Er blijft niet veel meer over dan wat wol en een handvol botjes.
Boerderij op de Heukelomse Waard. Met mijn vader ben ik naar het bos met de roeken gereden, aan de rand van de polder. Het was lente. Eind mei. Verdroogde opengesprongen bloesembladeren op de straten, op het land. Er zijn zo’n vierduizend roeken neergestreken, hebben een kolonie gebouwd.
Het rauwe gekrijs is niet om uit te houden, de rillingen lopen me over het lijf. Soms wel vier, vijf nesten in de hoogste toppen van de bomen. Onder de bomen graven vier verdwaasde Shetland ponies, hun manen in slierten langs hun starende ogen. Arme beesten, hoe houden ze het uit met dat hemeltergende gekrijs boven hun hoofd.
De roeken krijsen en strijken verderop op een omgeploegd erf neer, bij de massa’s. Ze hebben een gonzo-achtige roofvogelsnavel, maar hun spanwijdte is klein.
In onze schoorsteen in het ouderlijk huis huisden ook ooit twee kauwen. We hebben voor de zekerheid de schoorsteen een hele tijd maar niet meer aangestoken.

Eten in café Mie Pieters. De paling kronkelend tot op het bord. Tapijtjes op de tafels. Biljart. Bier en omelet.
Mario en Teun: vissers van paling. Lijkenfretters genoemd in Brabant. Teun: `Wilde paling is wit van binnen. De gekweekte is roze. De Saragossa Zee op de Balkan, dat is de paaiplaats waar de paling eitjes legt. Vandaar migreren de vissen naar de zoete waters in heel Europa waar ze opgroeien.
Sluizen, stuwen, dammen maken het voor de gladjakkers steeds moeilijker tot in het hart door te dringen, de zoete aderen in te zwemmen.
Het continent, Europa is een grote koeienkop waar palingen in huizen. Een dierenschedel.
Eten van paling bij Mie Pieters, de paling nog kronkelend tot op het bord. De gevangen palingen werden door Mario en Teun gewoonlijk opgehangen aan de boom voor het café. De vissen werden zo zichtbaar mogelijk tentoon gesteld, uitgebreid gemeten met een centimeterrol. Mario moest altijd winnen. Maar het was Teun die meestal won.

WAT IK ZIE KAN IK NIET ZIJN
Hoog Heukelom, de Essche Stroom
Kasteel Nemerlaer, Haaren

zonder seizoen rechtvaardig ik de aarde
als geboren uit de weigering. Word wieg
weg naar Rome, vrouw die treurt

 – H.C. Pernath

I

beuken, berken, eiken
elzen, velden, kwelders

de kerktoren van Oisterwijk
in de verte

de hoogzwangere natuur
in de verzengende hitte

de Voorste en de Achterste Stroom
rond kasteel Nemerlaer

komen hier opnieuw bij elkaar
in een traagstromende laagland-beek

genaamd de Nemer
waar vissen in getrapte liftjes

het stuw omzeilen
waar ijsvogels naar hartelust

als geluidloze stucca’s over het water heen scheren
op het herstelde landgoed van Baron Donatus

van den Bogaerde van Terbrugge (1880)
eis in het Germaans betekende diep blauw

Nemer – waterstroom met nem als stam
net als in het Thais betekent nem (of nam):

water. De waterbodem is er grondig
gesaneerd. Van 1850 tot 1960

loosden leerlooierijen ongezuiverd
hun water op de Voorste Stroom

de bodem raakte verontreinigd met van chroom
doordrongen slib

en nu, zowaar, stroomt daar helder
water door de stroom

fladderen en scheren bos- en weide-
berkjuffers over het wateroppervlak

langs ranonkels, elzen, lissen
glijden glinsterende vissen

onder het baldakijn van wilgenloof
en moerasbomen naar de plek

waar Voorste- en Achterste
Stromen samenkomen
bevolken hoplianen, dotterbloemen
zwarte bessen, watermuntplanten

berm en boesem, beekkant
en oever, ritselen salamanders

door prachtige witte bloementoortsen
midden in het water, steunend

op fijn vertakte bladerkransen
van de waterviolier

II

boven het haardvuur in het donkere
kasteel stijgt een scharlaken roofvogel

met brede vleugels
uit de schouw omhoog

de wereld hangt in de lucht
de hemel op aarde

wat ik zie kan ik niet zijn
en vroeger evenmin

in het huis van het geheugen
hangen geen spiegels

in de stromen van het paradijs
ligt er geen vergiftigd slib

op de chromatisch zwart-
gekleurde bodem

vandaag is een bijzondere dag
ik wil dat iedereen er is

de magische kasteelvrouwe
zal de klok met een dag terugzetten

voor de rest zal de tijd
apoplectisch stilstaan

we zullen leven in een
alomtegenwoordige dementie

die ons bewustzijn vertroebelt
en ontrafelt; klanken die nooit meer

woorden worden, seconden
die nooit meer dagen

alles al getracht en op de tast
zullen we nog blijven zoeken

tot in de neteligste gewassen
de dordste oevers en de verste kragen

zullen we nog blijven zoeken
zelfs als uit de avondmist dat ene

verlossende woord zal klinken
zullen we nog blijven zoeken

ook al kunnen we niet anders
dan het beramen van dwaalsporen

het herhalen van de paradigma’s
het beamen van de kennis

die sinds eeuwen al bestaat
toch zullen we blijven zoeken

nog zullen blijven we zoeken
(—)

Serge onder het Forwards-Backwards kunstwerk van Wineke Gartz

De Jofra Hoeve, Liempde
Forwards Backwards van Wineke Gartz

Serge in actie onder het kunstwerk van Wineke Gartz: een omgekeerde mestverdeler uit de jaren vijftig, geplaatst op een vijfhoekig platform op vier palen dat als baldekijn dient voor een soort meditatiepunt zoals men die in Japan kan aantreffen in kleine open tempeltjes. Het meditatiepunt bevindt zich midden in de weide en is in rechte lijn verbonden met twee overige punten in het landschap die overlangs het begin- en eindpunt van het kunstwerk markeren.

Op de Jofrahoeve beleefde Serge een bliksemachtig “moment of truth and recognition” toen hij recht in de intelligente, levendige en nieuwsgierige ogen schouwde van enige biggen die op dat moment verkoeling zochten in de moordende hitte van die zondag in het zand en de blubber van hun ruime buitenvertrekken op de biologische varkensboerderij. Zo’n blik was van een heel andere orde dan die van honden, katten of andere huisdieren. Er ging een complex en intelligent gevoelsleven achter die levendige ogen schuil. Het was of de auteur in een spiegel keek of de blik van een familielid gewaar werd in betoverde gedaante. De herkenning bracht een schok teweeg…

Zin - klooster en centrum voor bezinning, Vught

ONTKNOPING. ONTMANTELING. ONTEIGENING
ZIN – kloostertuinen Vught

overdenking bij Forward Backward van Wineke Gartz
en de vergankelijkheids-haiku’s in de kloostertuinen van ZIN

Wrijf uit het vaak, God die niet luistert.
De mare is diep, de angst is een gotspe.
Wat je mist ben je zelf, wat je zegt tot je spijt.

Verschrompel het ego, gepekelde zonden.
Erken je tekort, sus je geweten.
Verzeker de liefde, vertraag je gedraaf.

Belazer de bazen, verpop van gedaante.
Vertaal de een-tweespraak, verzwijg al de rest.
Verkondig de dagen, verlaat wie niet waard.

Alleen is geen einde, twee net geen eenheid.
Drie is voor even, vier voor altijd.
Wantrouw de passie, betwijfel principes,

Wik je expressies, behoud wat je raakt.
Niemand weet waar, noch wat hem toekomt.
Niemand weet hoe, noch hoe het smaakt.

Vrees niet het vreemde, wel het bekende.
Wantrouw de waarheid, gis naar het raadsel.
Maal niet om heden, sluit af mettertijd.

kerkhof met de graven van overleden broeders in de kloostertuin van Zin te Vught

EEN WATERZUIVERING MET PENSIOEN (OP EXCURSIE NAAR DE BRONNEN VAN HET GROENE WOUD)

De grenzen van Het Groene Woud

.I

Een waterzuivering met pensioen
een doodlopende snelweg

een idyllisch beeklandschap
de avondsluimerkweepeer zet zich schrap

het land ligt volgestroomd met zomeravond
schemerlicht probeert een slaapplaats te vinden

op een procrustusbed dat in optrekkende mist
is opgemaakt tussen wriemelende wormen

kreupelhout en distels, bermroos, brem
de vogels zijn al neergestreken

de adem van het woud vertraagt
een trein ruist in de verte achter de heggen

dag vervlogen, vuur gedoofd
is dit vrede? De stille overgave

van het leven aan de nacht
met het landschap is het gesteld als met een oud

en eenzaam mens zonder visite
het kan zijn verhaal niet kwijt

.II

Hoor het fluitenkruid, de merels en de vinken
klaproos, klaverbladtriolen, wilde bosviolen

de mussen in de heggen
de hoornbloem

zwarte venkraaien houden jachtvluchten boven
insectenrijke hooilanden vol bloeiende

bonte weiden vol zuring (rood), pinkster- (wit)
boter- (geel) en koekoeksbloemen (roze)

overal rukt de brandnetel op
een reiger wiekt op bij het ven

we lopen over een zichtbaar
niet in gebruik zijnde autosnelweg

rechts allemaal plasjes, moerassen, rietpluimen
een prachtig en stil ommeland.

langs een slootje, wilgen met holle stammen
en halfvergane braamstruiken liggen

aan de ene kant natte weiden
aan de andere kant akkers bomen

in de verte twee mannen op een boerenkar
getrokken door een blond paardje

witte berkenstammen die afsteken
tegen het verse hout van geknotte wilgen

een kraai die over wietland wiekt
de stad is vlakbij, het is zaterdag

koopdag, jachtdag, jaagdag
en toch zie je hier (gelukkig)

helemaal geen mens

.III

op diverse plekken bouwen hele roekenkolonies
hun nesten in de bomen. Ook in de Tilburgse Lindeboom.

duizenden kauwen en roeken die komen slapen in het broekbos
wilgen die onderdak bieden aan holenduiven, ringmussen, ransuilen

en zelfs een enkele steenuil. De geknotte schietwilg
is beeldbepalend in het landschap

in de nattere delen groeien zijn grauwere
bruurkes en wat rillerige iepen

langs het oude pad achter het Grollegat (moerasbos)
groeien essen en zachte berken

op een hogere wal van aangespoeld zand
langs de beek zie ik voor cafe Zomerlust

een es die zich met stijve takken
lijkt schrap te zetten in de lucht

om zo zijn half weggevreten stam
net nog overeind te houden.

het weiland waar de es op uitkijkt
noemen oude boeren nog altijd het voetbalveld

vrueger werd daar boerenweidevoetbal gespeeld

.IV

Vlaamse gaai en ijsvogel bij Nemerlaer
Teun wijst me erop dat ijsvogels geen zanggeluid produceren

passeer de Warande: aangeplant bos of sterrebos waar
eiken en meekrap groeiden die kapitaal moesten opleveren

eiken leverden mutsaards voor het stoken van bakkersovens
kachels, wasketels etc. En via hun schors leverden eiken looizuur

aan leerlooierijen in de wijde omgeving
meekrap leverde kleurstof voor de Tilburgse textiel

en zaadjes voor de mussenkolonies
de moderne boeren lijken tegenwoordig

nauwelijks nog koeien te hebben
wel: dwerggeiten, hangbuikzwijnen, lama’s, struisvogels

en er is er zelfs een die een kameel houdt op zijn landerij
waar zijn de oude roggevelden met korenbloemen en klaprozen?

waarom zijn er vandaag geen vlasakkers meer
en wordt er geen boekweit, klaver, spurrie en meekrap meer verbouwd?

de mussen, de tortels en spreeuwen profiteren van het ingekuilde voer
als de koeien gevoerd worden vliegen die spreeuwen met hele troepen tegelijk

doodbrutaal het erf op of zelfs de stal in om vlak
voor de koeiensnuiten prompt hun buikjes vol te eten.

.V

van het Ommeland naar de Stalen Beek
naar het Grollegat naar het Helofytenfilterveld

rechts zie je de Korvelse waterloop die met zijn metalen met balken overspannen oeverwanden van de Rioolgemaal Moerenburg komt. Rioolgemaal Moerenburg is nu in gebruik als helofytenfilterveld – proef dat woord – riet en lisvelden die overtollig afvoerwater bij extreme watertoevoer moeten opvangen en zuiveren.

Ik loop langs een stalen beek, de resten van een open riool waardoor vroeger het afwalwater van de wolfabrieken van Tilburg de stad uit stroomde naar de oorspronkelijk schone en idyllische Leije, water dat destijds elke dag een andere kleur had al naar gelang de verf die werd gebruikt. Samenvloeiing van goed en kwaad. Natte moerassige zone.

Rechts in een bocht ligt oud boerencafe Mie Pieters

Grote gele kwikstaarten zie ik landen in de smerigste smurrie die een mens zich maar voor kan stellen, midden in een bezinkingsbassin voor rioolslib op het terrein van de oude waterzuiveringsinstallatie. De kwikstaarten lopen ijverig te pikken in het rioolslib en de blubber. Rioolwatar barst van de voedingsstoffen zoals muggenlarven. Mannen in grote waadpakken komen die larven oogsten als aas om mee te vissen. De Tilburgers noemden dat levende visvoer “versevaas” van het Franse “vers de vase” (worm van zand). Prima kwikstaartvoer. Lang leve het riool.

In het nabijgelegen moerasbos van de Moerenburg bloeien en groeien Gelderse rozen maar ook wilde zwarte bessen, hoplianen, dotterbloemen, gele lissen en watermuntplanten kriskras door elkaar en langs elkaar heen. Vanop het water klinkt een snotterig bububububububu – keelgeluiden van een verkouden bejaarde lijken het wel. In werkelijkheid is het de roep van baltsende watersnippen.

Maar: de kwartels, snippen, kemphanen, roerdompen, zomertalingen, zwarte sterns, die zijn er niet meer! Ook het gegil van het moerasvarken, de waterral, is hier nooit meer te horen. Evenmin als de spriet oftewel de kwartelkoning. Wie weet nog hoe ze eruit zien, hoe ze klinken? Het zijn slechts namen uit boeken geworden en uit oude kinderrijmpjes.

Echter niet getreurd. Want wat ging is gegaan en er is allerlei grut
dat ervoor in de plaats. Zoals tal van beekdieren:

ragfijne (bos- en weide)beekjuffers fladderen voorbij de samenvloeiing met de Korvelse waterloop weg over de Voorste Stroom. Ook beekloper, beekrombout, beekgrondel, beekprik zijn hier vertegenwoordigd. Die hebben allen redelijk helder stromend water nodig om er te kunnen overleven. Dus blijkbaar is het niet zo slecht met de natuur hier gesteld.

In het kwelwater en in sommige heldere slootjes zwemmen salamanders en krioelt het van de waterviolier oftewel hottonia: prachtige witte bloemtoortsen die op het water dobberen, steunend op fijn vertakte, lichtgroene bladerkransen. De waterviolier is een plant die je enkel vindt op plekken waar bronnen aan het oppervlak komen. Kwelwater.
Kikkers kruipen op de bodem van de kwelders weg om er in de modder te overwinteren.

In de diepe Trappistenplas achter Koningshoeven komt zoveel warm grondwater naar boven dat er ’s winters zelden meer dan een dun laagje ijs ligt. Veel heidevennen zijn te zuur, veel sloten overbemest, maar in deze plas en poel stikt het van het leven.

Er zwemmen voorns, karpers, baarzen, snoekbaarzen, pos, paling, grondels, zeelten en zelfs een roodwangschildpad. Achter de watergordijnen komt een hele wereld van kleine waterbeestjes tevoorschijn: waterkevers, waterwantsen, waterschorpioenen, larven van libellen, mugjes, haften, kokerjuffers.

In de Helleputten vingen vissers snoeken van wel dertig pond, soldaten vingen er vissendoor granaten te laten exploderen in de Lange Jan, de Leij, de Buunder.
Sloten en poelen. In het water dobberen futen in groepen, aalscholvers, ijsvogels, kuifeenden. Ganzen schrijven SOS signalen in de lucht.

Een grote groep sijsjes danst door de lucht en dwarrelt neer in de elzen langs de oude (of de vuile) Leij.
Ik verbaas me over het dichte bramenstruweel, de wilgenstruiken en de zingende grasmussen in het sporkehout. Grote kersenbomen herinneren aan alle wezens die hier ooit pitten hebben gedropt en uitgespuugd.
Tot slot zijn er de bodemdieren: ook onder de grond openbaart zich een wereld apart bestaande uit schimmels, sporen, torren, kevers wormen en andere bodemdieren