IN HET OOG VAN DE STORM – Brussel in greep van angst en terreur

Brussel, 24.11.2015. Druilerig, triest en verlaten. Bruxelles la morte.

Maar toch komt het gewone leven heel aarzelend weer op gang…

foto van Serge Van Duijnhoven.

De Brusselse Gran’ Place, 24.11.15. Foto: Serge van Duijnhoven

Zo werd Molenbeek jihadgetto

Molenbeek kon de basis van islamitische terroristen worden door haar infrastructuur en door de onbestuurbaarheid en wegkijkcultuur van België.

Zaterdagmorgen stond ik in Parijs op de boulevard Voltaire bij de Bataclan naar een plas vers bloed te kijken en me af te vragen waar het met deze wereld naartoe ging. Ik hoorde geruchten over een auto met Belgische nummerplaten. ‘Waarschijnlijk Molenbeek’, dacht ik en richtte mijn camera weer op de gruwel. Ik heb negen jaar in Molenbeek gewoond, waar om de hoek de Thalysschutter bij zijn zus logeerde en enkele verdachten van het Parijse bloedbad vandaan kwamen.

Islamofascistisch addergebroed

Teun Voeten

Teun Voeten © –

Ik heb gezien hoe de jihadi dresscode in Molenbeek opmars maakte, alcohol nagenoeg verbannen werd, er steeds meer islamitische boekhandeltjes kwamen en het onmogelijk werd een fatsoenlijke krant te kopen.

Later die zaterdag werd de rol van Molenbeek bevestigd. Ik was niet verbaasd. Het was alleen maar verbazend hoe geschokt België was dat de terroristen uitgerekend Molenbeek als uitvalsbasis hadden. Hoe heeft het daar kunnen verworden tot uitvalsbasis van islamofascistisch addergebroed? Grofweg heeft het te maken met de fysieke infrastructuur van de gemeente, de onbestuurbaarheid van België en de wegkijk- en ontkencultuur die het Belgische debat beheerst.

Qua infrastructuur is Molenbeek ideaal voor ondernemende terroristen. In tegenstelling tot de kale en lege banlieue in Parijs, is Molenbeek een dynamische gemeenschap met smalle straatjes en veel bedrijvigheid. Thee- en koffiehuizen alom, en schimmige moskeetjes waar men ongestoord samen kan komen en buitenstaanders niet welkom zijn. Goedkope woonruimte in overvloed, vragen worden niet gesteld. Zoals de guerrilla onderduikt in de jungle, zo voelen jihadi’s zich als een vis in het water thuis in de rommelige kashba die Molenbeek is. En een paar minuten verderop het Gare de Midi en de snelweg. De perfecte logistieke basis.

Ontkencultuur

Totale vernietiging van de vijand en zijn gedachtengoed is niet mogelijk in dit soort oorlogen

De onbestuurbaarheid van België is nog belangrijker. België is een land met zes regeringen, Brussel een stad met negentien burgemeesters. Statistisch is het onmogelijk al deze staatsorganen te vullen met competente lieden. Verantwoordelijkheden afschuiven is tot tweede natuur van bestuurders geworden. Versnipperde veiligheidsdiensten die elkaar het licht in de ogen niet gunnen is een ander gevolg. Het ontbreken van een sterk centraal gezag is voor velen een charme van dat ‘heerlijke chaotische België’. Dat heeft niet alleen de bende van Nijvel en Dutroux opgeleverd, maar ook een vruchtbaar klimaat voor potentiële terroristen.

De belangrijkste reden is de wegkijk- en ontkencultuur die er heerst in België. Het politieke discours is gegijzeld door een zelfingenomen progressieve elite die heilig overtuigd is van de maakbaarheid van de samenleving. Observaties over minder fraaie kanten van migranten en totalitaire elementen in de islam worden onder het tapijt geschoven of als rechts-extremistische stemmingmakerij geklasseerd. En met rechts-extremisten praat je niet.

Gewelddadige radicale moslimjongeren worden uitsluitend gezien als slachtoffers van sociale uitsluiting. Natuurlijk hebben de jongeren dit betoog geïnternaliseerd, omdat dit een perfect referentiekader is waarmee ze ontslagen zijn van eigen verantwoordelijkheid. Voormalig Molenbeeks burgemeester Moureaux heeft deze ontkenpolitiek meesterlijk gecultiveerd en is een van de hoofdverantwoordelijken voor de verloedering van zijn gemeente.

‘Bataafse fascist’

Zo werd Molenbeek jihadgetto

© ANP

Twee journalisten signaleerden al vrij vroeg dat er veel extremistisch gespuis rondliep in Molenbeek. Op beiden is karaktermoord gepleegd. De dappere journaliste Hind Fraihi die in 2006 Undercover in Klein-Marokko publiceerde, werd afgedaan als een sensatiezoeker. Zowel de Marokkaanse als de linkse goegemeente zei dat ze het eigen nest bevuilde, een ‘spionne’ en zelfs een ‘meisje met persoonlijke problemen’ was.

Arthur van Amerongen schreef in 2008 Brussel Eurabia. Hij werd als botte ‘Bataafse fascist’ bestempeld en met pek en veren de stad uitgejaagd. Toen ik met Van Amerongen dit jaar in Molenbeek een vervolgreportage op zijn boek maakte en ik de wijk hekelde als ‘een etnische religieuze enclave van een gesloten en bekrompen gemeenschap’, viel ook mij de furie van weldenkend Vlaanderen ten deel.

Door de aanslagen in Parijs brokkelen de muren af van de comfortzone waarin politiek correct België zich verschanst heeft. Het is nu van het allerhoogste belang dat het debat hard, open en eerlijk wordt gevoerd en dat de dingen bij naam genoemd worden, iets dat contra-instinctief is voor een land dat zich beroemt op zijn foefel- en compromiscultuur.

Hybride oorlog

IS heeft ons en onze manier van lezen de oorlog verklaard. Het is geen klassieke oorlog – tussen staten en legers, uitgevochten op een slagveld – het is geen ‘Nieuwe Oorlog’ – waar warlords en criminelen strijden uit puur eigenbelang. Het is een hybride oorlog, uitgevochten door een soms ongrijpbare vijand met onconventionele doeleinden, met onvoorspelbare tactieken, met alle wapens die maar voorhanden zijn: kromzwaarden, tweets, kalasjnikovs, zelfmoordvesten, op reguliere legers buitgemaakte houwitsers.

Ons antwoord zal even flexibel, creatief en vooral vastberaden moeten zijn. Totale vernietiging van de vijand en zijn gedachtengoed is niet mogelijk in dit soort oorlogen. Maar we kunnen hem wel tot beheersbare proporties terugbrengen. Decennialang heeft Europa geleefd in vrede en rust. Nu zullen we moeten leren leven met een samenleving waar geweld een onlosmakelijk deel van is.

 

bron: de Volkskrant:

Shamanic session for Shamanische Reisen – Joke Metselaar about Christian Loidl

As part of my endeavourous mission  to finalise my personal foreword to Christian Loidl’s magnificent, magical stories of Shamaische Reisen, I decide to make an appointment with Dutch-born soul-reader and therapeute Joke Metselaar, who holds a simple office on the backside of a beautiful canalbuilding amidst the sumptuous Gouden Bocht, the golden corner in the Herengracht in Amsterdam. The city much loved and referred to by Christian – an ardent lover of palindromes and anagrammes – as the city of the “Mad Master”. One week before his final descent at 16th of December 2001, Christian visited the city with me, as a companion of his partner Eva Lavic, who was there to attend a congress for Latinists and teachters/lectors of the French language and literature. After Eva went back to Vienna, Christian asked me to accompany him on his quest for some exquisite magical mushrooms as well as some fresh samples of LSD. Which we were – even after ardent attempts with various dealers and wheelers familiar with the milieu at the time – not able to find.

Christian Loidl, Dec 2001 - pic taken by Eva Lavric

Christian Loidl, Dec 2001 – pic taken by Marcus Gindelhuber (copyright protected). “Marcus Gindelhuber” is a professional photographer who took the above picture at an already famous mushroom session in a tree at Kautzen (Waldviertel).

One week after his return to his “quite pleasant but also sumptuous and operetta-like home-city of Vienna” (Christian’s words), the fatal accident happened at Vereinsgasse 3, with his Fensterstuerz. As it appeared, Christian had swallowed some pieces of a highly toxic mushroom normally only to be taken by shamans in Siberia; others were adviced to take in tempered doses of this substance “closer to insects than to plants” (again the words of Christian), at the utmost by drinking the piss of these shamans. After  which they would be exposed to highly lucid visions that would guide them towards and through the intensely magical but sometimes also traumatising realms of the underground . Here is quite a literal translation of this session, that took place on Monday September 7th, from13h until 15h30. For those who will read the Shamaic Travels and/or are familiar with his later work, it is obvious that the way in which Joke was able to “read” the soul of Christian, is not mere pretentious esotheric bullshit but carries some clear and obvious relation to the wizzard he really was. For those who doubt: I can assure you that before the day of the session, Joke Metselaar was not familiar with the works and life of Christian at all. In fact, she had never heard of him. Everything she uttered during the session, all the knowledge she purveyed, came through by her well-trained technique of “voice-recognition”. One speaks the name of the soul one wants to get information from, and henceforth – on the wings of these auditive vibrations – Joke “feels” or “senses” the energy this soul radiates.

Even though at first glance, Joke was quite surprised and a bit reserved at my request to read the soul of Christian for my specific purpose, as usually  her mission is to heal patients from their own bloccades and past trauma’s, the fact that both she and me were by accident carrying the same book of Medicine Cards ( edited by Jamie Sams and David Carson, and illustrated by Angela C. Werneke; Bear & Company Santa Fe, New Mexico 1988), filled with beautifully  llustrated stories of American-Indian Totem-animals, was seen to both of us as a benign sign that my quest was not out of order, but very just and meant-to-be.  I was carrying the book because I used it as background information for the  Shamanic Travels of Christian Loidl, Joke was carrying it because that evening she meant to use it during one of her lessons to new scholars in the art of healing. Both of us had never carried the book around before… A beautifull case of chance-operation, as William Burroughs – one of the lucid lunatics Christian made me familiar with in his flat in Vereinsgasse – used to call this.

pic taken on 16th of December 2010 by Swantje Lichtenstein in Vienna

pic taken on 16th of December 2010 by Swantje Lichtenstein in Vienna

Joke: So now we enter the realm of Christian and his lucid soul… I truly feel that he still has lots to say. And wants to convey his message to us and actually the whole of humanity, with precise words and wisdom. What I feel immediately, is the transparant joy he feels. An almost childlike enthusiasm he likes to convey. What he wants to say is: I do have a message for you all out there. Please listen! I recognize this enthousiasm from the time that I was young myself. When, as a child, I flunked out from highscool during springtime. When I could not sit still. I lived along the coast of the Netherlands,  and sook refuge in the dunes. Trembling from impatience, as I felt the urge to put the first green leaves of the year into my mouth. Overwhelmed with joy for the miracles of nature. Such as: nature is alive and kicking! Life rejoyces and a new cycle begins! That is what  I feel with Christian too. An ardent feeling of joy and of impatience. Which is, I guess, very characteristic of him. I also felt, before this session began, another form of energy. A non-compromising one. A radical one. A sharp one. One off anger, fury sometimes.  An urge to rattle the world. To make it aware: see! Feel! Listen! Understand how everything is connected and how it is put together! Please! Cut the crap! Christian felt, I can sense, the world largely a dumb place to live. The world for him was like a palace, crowded by personel that was unaware of its beauty, vastness and uniqueness. He had no connection to or sensitivity towards compromise or convention. When we entered this room earlier on, I felt a certain nervousness because I had not sorted out some of my mail yet and had not delivered some of my  bills. At that moment, I could hear his tender laughter coming at me. Cheer  up, I heard him boast. Get on with it! Do what you have to do, without further  ado! Christian carried two sides in himself. On the one hand, a sharp and almost agressive side that showed no compromise. A side that is strongly connnected to the animus, the male aspect within us. Come on, world! Listen! Play your part! Wach auf! That was the man within him. Furthermore, he also reveals to me a different side in him. A less resolute one. One almost of desperation: goddammit I cannot get through these ferm walls of simplicity and brutality. He saw it as his mission to break these kind of walls. To smash them. Both aspects are very powerful and strong.

That is also, I can feel now as you mention his name to me, how he took off from his life. I see a metal suitcase. Did he have a metal suitcase? Yes! I see this metal suitcae very vividly now. He took this metal suitcase, in which he carried papers that were important to him. Notes for readings or so. Scribbles. Books.  And he tried to smash it as hard as he could. He could get no more air. The suitcase was connected to the state in which he got himself into. One of lack of air. Fresh air. And he needed air. Fresh air. To breathe. And see clearly. He smashed the case, and shred it to pieces. For need and hope of opening it up. He smashed the window with it, didn’t he? And then he took off. He dived towards the earth. And disappeared into the underground. The Unterwelt… That is what I feel. And what  I feel, is that the little suitcase was a symbol to him of the earth. Goddamit people, wake up! Listen, look and above all: feel! Pleasee feel the magnitude and meaning of it all! He considered most people to be morons. Sleepwalkers. Numbs. I sense he could also feel a sincere form of anger, directed towards his audiences.  Especially those who faked to have some understanding or to uphold some fake form of literary standing. By consequence of this anger, I feel, Christian entered into a spiral that made him more and more radical as a poet and person during his later life. He became more and more extreme. In an attempt to get his message across. And, by consequence again, his audience followed and understood him less and less in the end . People somehow enjoyed the  extremity and gravity of his performances. But failed to get the message. – Oh, by the way: I see there is a wasp flying around your body Serge. It flies around and tries to land on your face!

Serge: It does not matter. Let if fly, this wasp. I am not afraid.

Joke: Alright then. Well… what I meant to say is that there was a severe level of misunderstanding in connection to his works and performances. A failure to grasp the depth of his words and the true meaning of their potency. Most listeners and readers could not follow through. And precisely because he was not understood, his performances and work became more radical over the years. The content in due time became more and more obscure, people felt. Christian became a true mystic towards the end of his life. Correct?

Serge: I think you are right.

Joke: Then now I would like to go back to the little boy-spirit that I feel so strongly within Christian, and that I find very intrigueing. I feel this boyishness so strongly, the young passionate boy full of blissfull enthousiasm and impatience. Eager to discover the world, both the upper and the underworld… By the way, that wasp is still trying to land on your face, Serge. You could ask, or say: dear wasp, it is good you are there. But would you mind leaving me alone for a little while?

Serge: would you like to go away, dear wasp? (The wasp remains in front of my face, cirkling around and sticking itself from time to time to my shirt.) Or… would you like to send me a message?

Joke: Haha… could it be your Totem-animal? Well, anyway, let me go back by making contact with Christian. Would you please once more give me his name?

Serge: Christian Loidl.

Joke: Hello Christian Loidl. Yes…. I feel that he was born with a highly energetic soul.  And that it has been, from the start of his life, quite a troublesome thing to connect with the earth. With earthly matters, I mean.

Serge: Even though Christian was born of the 17th of September 1957. A virgo I mean. Quite an earthly sign, isn’t it?

Joke: Indeed, but I really feel the highth of his energy, when you tell me his name. I see him looking down, from high up, towards the earth. The virgo-part is represented in him by means of his analytical capacities. I feel him looking downwards towards the earth, but from a distance. Like someone who is looking through a microscope. That is what I feel. On the one hand, he was totally spectring into the earthly facets of this planet. By means of looking through a magnifying glass. On the  other hand, it appears to me that he was not really a part of that earth at all. He could as much be facinated by the vastness of the insectworld, as by the magnitude of the universe. Does that make sense? Indeed. It appears to me, Christian was not or did not want to be part of the banality  of life. Its daily routines. Strangely enough, what I also hear is the word balanced. (Uitgebalanceerd). I just say it as it comes to me. Balanced. That appears, at first glance, sharply to be in contrario to what  I just said. His radical form of distance and temper.  But I strongly feel his equivalent urge to approach life in a very balanced way by means of earthly matter, as well as philosophy, language, poetry, with everything indeed. I feel him as being some kind of discoverer, who goes further  and further in his private discoveries. And by doing so, discovering  his one and only private path in life. Am I clear in this?   Christian knew what the utter direction of his path would be. He was eager to progress, and discover. He was curious. Very curious. Like a child. This gave him zeal as much as rest, for he knew that his quest was not a desperate one. He knew where to look, in order to find what  he was curious about. He had a sharp sense of direction. This also was the ground for his non-compromising attitude towafds life. He felt it unnecessary, unjust even, to mellow things up. To pour water into his glass of wine. You know what I mean?  He knew which path he had to follow. This gave him a sense of urgency, and accuracy. Like: yes it may all be very nice over here, but this is the way I have to go. This is my thing. In this attitude, I also feel – contrary to the suitcase I just mentioned – the utter mysticism of his mission as a shamanic poet. Christian was aware of the paths he had to discover. What I feel now are broad cirkles (Joke is making flat kind of circles in the air, with her right upper hand up, whirling through space in rhytmical fashion). Does this make any sense to you? It might seem quite abstract what I am showing you now. But it is not….

Loidl-Kalligraphie von Nazar Honchar

Loidl-Kalligraphie von Nazar Honchar

Shall we tune in, now, to that very evening of his departure, Sunday 16th  of December 2001?

Serge: Please do so.

Joke:  I feel sadness and solitude, on that very evening. He was waiting for somebody to come, or somehting to happen that did not happen. He felt deserted. At the same time he felt very sharply that the end was approaching. That this was the moment of truth. It really comes to me, by forms of energy: the feeling he had that it was over and out. Sadness and sollitude. A remoteness and estrangement from the world he had been part of. A strong feeling of physical contraction, that he felt within him. A painful one, bodywise. His body contracted, his muscles and vessels cramped.  I can feel that he suffered from a lack of air…. That he needed air and clarity. And it may sound very strange what I tell you now, but I strongly feel that he consciously departed into the darkness, to bring  ultimately some light into that darkness. I really feel that he scrambled all his forces, into a moment of singular powerful energy and strength. Knowing that he knew the road. Saying to himself: I do know the way into the underworld. And also I know the way out of the underworld. I know how to get there, and know how to get out of it. I know how to pave the  way in utter darkness. That is what I feel. But with it I also feel a sense of utter gravity. He saw it, in fact, as a mission from which there was no more escape on that dark December evening.

Serge: Did he get lost, during his shamanic session of that evening? I mean, did he lose his way?

Joke: He did not lose his way. In fact,it was his way, that he was paving. His mission was to go deep into the realms of the underground. He knew that he had to do this. And that he could do this, because he also knew the  way back towards the light again. He knew that, once I pave that way  down there, others who may have been stuck  in the underground can also find – like me – their way back up again. And that is very special indeed. That is amazing. Because he did it out of compassion. A feeling he did not know how to purvey really well during his life.  Compassion for humanity was not his strongest urge during his time on earth. But in the last instances of his life, it is precisely this what drove him to do what he did. I feel a very deep and sincere emotion of compassion. This is my mission. This is what I have to do, whether I like it or not. No doubt about it. This is what I must do. To give myself up. To sacrifice my flesh, my being, my soul. Namen ist Amen. That is what I feel. That is what I hear.

Serge: His name was Christian, of course… And all this you tell me know, indeed has some christian reverb to it. Some echo of the core of the Christ myth, no?

Joke: It is something christian, very much indeed so. He went to the core of darkness, in order to bring light to this very darkness. The amazing thing about it all, is that in all of this I have no feeling of any ago-complexity intermingling with it. None at all. He just felt sure he had to do this. Step, no, dive into the darkness. From a totally nude and honest and above all: neutral perspective. A perspective that, in the final analysis, had nothing to do with his self anymore. Nothing to do with his own personality. Only with his clearcut sense of urgency. His mission. This is my mission. And if I have to drown in it, or die accomplishing it, well… so be it. I know how to swim back to the surface anyway. I shall and must pave the way. So that the way shall be known and made for others too.

Serge: somewhat like a pathfinder. (Padvinder. Pad is the  Dutch word for way as well as for Kroete)

Joke: A path-knower, I should say. A Kroete-savant.

Serge: That was precisely one of Christian’s Totem-Tiere. Der Kroete. De pad. Better a padweter, than a bedweter (better a Lux-lucent, than a Sermon-serpent). Hahaha!

Joke: A real Kroete-savant, indeed. And with this, I can also clearly see what the message his he wanted to leave for his love Eva. Suche mich nicht! I mean: do not look for me in the darkness, in which I descended. And please go straight up towards the Light, when your Time shall come. Because I shall be there too, waiting for you. I have a strong feeling that Christian wanted to lift her up. To bring her towards light. Not by means of death. But by means of life. Please enjoy, his message is. Be well. Here on earth , as much as in the afterlife. And know that I shall already be part of that light, when you shall come. I will be there. But… in the meanwhile. He is still very busy down there, for the time being, and for as much as one can speak of Time on the other side of our reality of course. I can really feel him being busy. Digging his holes, drilling his ways through the realms of darkness.  And he is not uncomfortable there. Or afraid. In fact, he is happy there. He feels like a fish in the water. He is in the right place, at the right time. He is still busy accomplishing his mission, on the back of his Kroete, in the underground floods of darkness.

Serge: This is exactly what he described in one of his Shamanic Travels.

Joke:  He resolutely did not experience any form of fear, over there where he went. One has love, and one has fear. From frear comes hatred, anger, disust, agression etcetera. From love comes compassion, wisdom, happiness, joy. Christian took off, from the center of his singular neutrality, into the abyss. He deliberately went into the darkness. Not to end up with darkness, but in order to shed light into it. This, precisely, made him in many ways I would say, untouchable. The special message he conveys to this, and now I am looking to Eva again, is that he wants to let her know: please start to feel compassion too. Because at the moment that this was revealed to him, all matters of anxiety were solved automatically. It feels to me that, just because of his non-compromising attitude towards life, Christian was not able to fully be compassionate. He leaned more towards his sharpness: hey guys, wake up! He enchanted through ways of anger. Temper. He used the hammer to shramble the closet of porcelain and glass. I feel that at the moment of his death, he descended into the underworld with the strongest possible emotions of  compassion.  The image that comes to me, is that of a flower that opens herself on that very  moment of truth. In the warming light of his own compassion.

Courtyard where the Air Poet landed harshly in 2001. Seen from the window he broke with his aluminium suitcase, gasping for air.

Courtyard where the Air Poet landed harshly in 2001. Seen from the window he broke with his aluminium suitcase, gasping for air.

Serge: So actually he did find what he was looking for?

Joke: Most certainly, yes. And that I find very beautiful. Also to me. Because this morning I still felt; oh gee, why this lack of compassion that was revealed so strongly. I did not feel it. I did feel the young and enthousiastic little rascal, the impatient boy who wanted to tell and reveal. As well as the image of the angry man, trying to break through walls of pettyness. The person who wanted to kick us in the ass and tell us to wake up. To see. Listen. And above all: feel. Christian raged against the smallmindedness of his surrounding Austrian society. The remnants of a fascist past that was never really shed-off. His rage against authoritarianism, racism, hatred, crypto-fascism that he felt so strongly choked by. In this matter, his suitcase was a strong symbol. To him, it was a symbol of the closedness of mind of his fellow countrymen. In the case, the secret of their salvation laid. The softness, the soft powers of wisdom and tolerance and compassion.

Serge: That is why he wanted to shred the suitcase to pieces, didn’t he?

Joke: Indeed, that is why. He wanted to tear down the walls of pettyness that people had constructed around their individual souls. He wanted to open up the suitcase of compassion to the world. And yes, he managed really to finally open it up during the last instances of his life. And consequently by hammering it during that dark night in December, he was able to pour out the soft and tender and important side of that which lied hidden on the inside. The softness of humanity. But he had to die for it. He had to make that sacrifice. A longtime ago, one could buy waterflowers, orchidaes of crepe-papier in the store. That is what Christian was, at the moment of his death, a waterflower of crepe-papier. Opening up towards the light, be it moon- or sunlight. One can also see him as some sort of a Phoenix. A mythical bird, who flew up out of the ashes of darkness and death… Christian did not feel himself like such a bird during his Fensterstuerz, but he was some sort of creature on its mission towards the underground.  He wanted to pave the way for other souls stuck in the underground. Cause the people he combatted in his more ardent fragments of prose and poetry, were in fact the souls still kept in darkness by their own incapacity to feel love and compassion. So what he went to do, was to take off and work out for them precisely. To make it possible for those souls to be finally enlightened. To uncover their selves hidden in and covered by darkness. Am I a bit clear in what I say now?

Christian Loidl - Air Poet

Christian Loidl – Air Poet

Serge: May I chant a song for you, that was written by Christian? And that may well be a splendid connection to what you just evoked?  First of all, the motto to his dreamlike Shamanische Reisen are the following lines: “Ich muss vollkommen hineinschauwen ins Schwarze und Unbekannte”.

“ich muß vollkommen hineinschaun ins schwarze und unbekannte.” – Christian Loidls Reisen in Unter- und Oberwelt

Furthermore, the song I want to sing….

ICH BRING DIR AUS DER UNTERWELT

ich bring dir aus der unterwelt

 

langsame augen

langsame augen

 

mit käferzungen leck ich dich

mit käferzungen leck ich dich

 

mit eulenaugen schabe ich an dir

mit eulenaugen schabe ich an dir

 

ich bring dir aus der unterwelt

ich bring dir aus der unterwelt

 

langsame augen

langsame augen

(aus: Christian Loidl: pupille, Wien: edition selene 1998, S.54)

Joke: That is beaufiful! I have a tendency to remain silent for a long time now. But… the fact is, that Christian was not able to make these very lines clear during his life on earth as a poet and human being. No matter what he wrote or tried. He felt the urge to convey this to the people in some other way. He needed to reach out to their soft spot. Their softness. By means of compassion. Through means of the senses too. Cause then he could go further than before. Thus he could learn how to swim and progress against the current of Time. As long as people live according to the structures of the walls they built, according to the patterns of their fears and ego-related attitudes, me-me-me, everybody will look the other way  than where the light comes from. And the underworld of which we speak, is filled with countless black pieces of everybody. The covered pieces of the souls that have not been put into the light yet. The pieces and the knowledge that one is not aware of yet. Christian went into that abyss, those dark caverns under the earth, to paves ways – exits – out of the darkness.

Serge: Forgive me my question, but isn’t that a bit arrogant? Hochmutig?

Joke: No it was not Hochmutig, arrogant, because Christian really felt the urge to do what he had to do. It was natural to him. Not a deed of self-esteem or glorification. This was the pure and simple mission he had to accomplih. And it is a mission that is very necessary to fullfill. Not some kind of illusionary task him put himself to. Not at all. Precisely that is why he felt such a gravity on the  night he decided to take up his task. It was not an easy task, but it had to be done. .He could not feel other than being sad and lonely. Deserted, set apart from the others. What gave him strength was his completely self-assured feelings that he had to do it. And that it was nothing else but just and necessary. This is how things were. Christian fully listened to his inner self. And that is what told him to do what he did. (Again Joke makes those wide, cirkling moves with her right hand. As if she is turning a flat and horizontal wheel with the palms of her hand, from left to right.)

Serge: That is a generous gesture, isn’t it?

Joke: Yes, these are the cirkles he felt he had to spin around and around. The cirkles of shamanism….

Christian Loidl (1957-2001)

Serge: Could you ask him what precisely was the role of poetry on his path of life? Was it just a vehicle, or was poetry the  purpose of it all?

Joke: The answer that I get, strangely enough, is clearly that poetry was the purpose of it all. It was not just a vehicle. But in his case, vehicle and purpose, path and goal are so intertwined, that they end up being one and a whole. Christian’s path, turned out to be his work of art. That was his genius and singularity. Everything came together, both in his work as a poet as in his utterings as a human being. That is also precisely what I meant, when I said that apart from being a non-compromising soul, he was an artist and wizzard who was also very balanced and self-aware in the actions he took and the steps he made. I am tempted to say, that in his case there was no room left between action and thought. The thinking process, was left behind. And that, precisely, is the purpose of it all. That is poetry in its purest form. Form does no longer follow, but is function itself. And function is thus also form in its purest way.  Christian managed to overlap his inner self with what he uttered to the outside world.

Serge: It seems to me that the German literary world of conventional critics and readers,  was never really able – nor willing – to relate to the works Christian wrote and the often awkward but outstanding performances he gave as a performing poet. Does Christian still have a message left for those people?

Joke: I feel that this is very true. Surely, many people liked what he wrote and were amazed by the inner foce with which he evoked his own verses. But most of them could not make a connection with it to their inner selves.  And that is a tragedy, because this is precisely what he tried to purvey with his verses and performances: please go back to your inner selves. Relate to the cristal clear transparency of your own original souls.  Stay close to that originality. That genuineness of character. I feel that a large part of his audiennce, his readers and spectators, was actually looking for a connection outside themselves rather than within themselves. Christian was aware of this “malentendu”. This misunderstanding, very much so. He also carried something very clear and sober in himself. He was able to distance himself from his work and his audience in a very adult and wise manner. The critics, I sense, probably were never very fond of him. Not because they disliked him. But because they could not at all relate to him. This tribe of judges, did not have a clue of what he was about to say or utter. And I am afraid this will still remain so for a very long time to come. Most of them are controlled by a very strong urge, coming forth of ego and uncertainty, to put everything into categories, hierarchies and distinctions. Terms they – as a manner of speaking – consequently vomited out over his work.  Most critics proved themselves to be douaniers, Grenzbeambten at the borders of the Palace of Literature, demanding valid ego-documents before they would be willing to open the gates to their inner sanctum. But in the case of Christian, these Grenzbeambten stood aside with empty and bare hands. What the fuck is he talking about? What for heaven’s sake is he doing there on stage? These people did not have a clue to jugde him with.

Serge: Did this hurt his feelings as an artist?

Joke: Not really. But i t did enhance his feeling of loneliness. I sense a strong feeling of solitude, regarding Christian as a poet and person.  His question was quite a desperate one: why on earth does nobody really understand me, even though I try by all means to make myself so utterly clear? And even though  I try to choose the path  of simplicity, youngness, curiosity, open mindedness? Is it so hard to grasp the simple messages of an inner truth? Christian worked from the depth of his own passions and his own wisdom. This was very personal, and very sincere and unfurnished. But precisely because of this non-compromising attitude towards art and life, his message was not received on the other end. That is also why he felt the urge to go all the way in the end. It is only through his last act of will, his self chosen death in fact, out of a grander form of compassion, that he has finally been able to achieve his mission of enlightenment. Literally, to enlighten the path for those stuck in the dark. He could not accomplish this during his lifetime, because his approach was too sharp, too obscure, too angry also. It somehow lacked the basis of love and compassion, that he started out from while literally diving into the underground. Still, he did what he did – also as a poet who tried to confront and illuminate people in his own discerned manners – because he felt he had to. There was no other way. His way was the only way, because it was the way  of his inner truth.

Ah-Pook Maya God of Destruction

Ah-Pook Maya God of Destruction

Serge: If I understand you well, Christian is still busy performing his work underground?

Joke: Indeed he is. I can feel him work his way through the Unterwelt, a bit like a mole who is digging his corridors in order to pave ways towards the light. He is happy there. He knows where he is, and why he is there. He also very well knows the way back to the upper world. I can sense him as some sort of frog or Kroete, joyfully floating on a warmer, dark underground stream that is leading ultimately towards the light. He is happy there where he went, because he is fullfilling his task.

Serge: Christian also carried within him the mysterious trademark of a so-called “hick-up”, that could pop up from his inner depths in the most unexpected spontaneous instances. It was an auditive trademark, quite tenderly described by his nom de plume Farudin-al-Hak as “the scream of a peacock lost in Allah’s Zoo”. This scream was really characteristic of Christian, it could come bursting out of his body at the most unexpected moments… What exactly are your thoughts or feelings, concerning this hick-up? (* Dear Eva, perhaps you could help me here. I mean no disrespect, but I somehow keep forgetting how exactly this hick-up was conveyed to Christian, in which way and by whom… This is a story that in one way or other seems to remain a mystery  to me….)

Joke: Yes, I feel that this “hick-up” was a discernate part of the distance he carefully kept to the outside and earthly world he lived on. It was a trademark of his desire to disassociate or inability to  connect to earthly matters. A character-trade due to perceive the world through a microscope. He embraced it, and did not have feelings of disgust for it. It marked the person he was, on the level of his soul. It did not stem from his ego, or his desire to stand out on a personal level. He accepted it, for ninety percent. He was who he was. And this hick-up was a symbol for his standing out. It was in some ways convenient for him, because it enhanced his awareness of all the walls people had constructed in society to differ and alienate others. The hick-up made this extra clear for him. It strengthened him in his mission he had to accomplish. But it also, once again, made him a bit more solitary than he would have been otherwise.

Serge: What exactly did Love mean to Christian?

Joke: Christian’s approach towards earthly love may remain somewhat mysterious to us, indeed. Because of his uncompromising attitude in his work and his life. Earthly love implies that one personally connects and intimately bonds with other human beings. That one relates to one another on a basis of trust. What I can feel concerning Christian, is that he was living so much in greater spheres, that he found it hard to form these kind of bonds on a personnal and earthly level. The personal ties he formed and the intimate bonds he held high, had to be on the same level as where he operated on. He was a non-compromising figure. And for that reason, for example, probably choose not to have children. Can you please once more state his name, so that I can still be as precize as possible in what I say?

Serge: Christian Loid….

Joke:  Yes. What I feel is that he did not care too much about hardcore earthly matters. All things originating from earthly sources, he found quite uninteresting. He just did not care about them. What he did care about, was his vision. He wanted to be truthful to his own, inner self. His inner guidance. To that, he was unquestionably and unconditonally faithful. In matters of love, faith was quite irrelevant. A soul can contain multitudes, he found. What he sought, was to surround himself with people who could relate to his inner quest of artistic truthfulness and poetic bravery. People he could therefore truly love.

Serge: Am I right in thinking that the Kroete (Pad), was the one exquisite Totem Tier of Christian Loidl?

Joke: The Kroete, most certainly. But I also see an animal that is a lot faster than that. A Haase, I think. Yes, it also is a Haase. Because Christian had this enormous, boundless speed with which his mind could travel. The Totem-Tiere were symbolic vehicles for his mind, to travel with. And to discover things with, through all possible realms of the unknown. Be it under or above ground. In die Unter oder die Obere Welt. But just as with his poetry and the forms in which he wrote or performed it, vehicle and purpose came together in the end as one. Also, I can see a creature with wings. An eagle. Or even a mythical bird, like a Phoenix.

Serge: Or a Garuda, perhaps?

Joke:  Or Garuda. This being a symbol of his desire for overview. Clarity. Sharpness of vision over the entire hemisphere of things on and under the surface of this planet. The urge for being part of an overflow.

farnblüte_121610f_ck (6).fresh.frozen.roses.CL.memorial.dez16.17.2010

What I think is so special about Christian, is that I do not happen to feel any Ego anymore contaminating or inflicting with his inner purpose. This is also very new to me. Normally people still need parts of their ego and personality, to fullfill their earthly missions. So that, whatever it is that we feel we have to do, we can realize it in the here and now. But with Christian? No such thing whatsoever. Fuck all egotism and fuck all cults of personality, he seems to say. He simply could not refer to that. From the outside, he therefore might have seemed quite extreme and radical, while from the inside he was totally sincere and simply who he was. No Aufschmuck at all. I am actually quite happy, I must say, to have been acquainted in this manner, through this session, with his soul. I was not familiar with him before at all. I am grateful that I have been granted the opporunity to read his soul. It is quite rare to feel someone whose jacket, if I may say so, has been loosened up to such an extent already. Whose aura seems to have been departed in such a mature way, from all our regular earthly matters that usually tie us to the ground. Christian tells me from where he is now, a message full of love and compassion. In utter clarity: come on now! Come on! Do your thing! Listen to yourself. For him, there was no such thing anymore as less or more. Better or different. The one or the other. That has to be so, if one is so accomplished in embracing the oneness of it all. That is why Christian saw it as his task to tear down those eartly walls of human behavior and break that suitcase of humanity into pieces.

I think we have come round now, with our session concerning Christian Loid. This dance is over. I thank Christian and the Upper and Underworld, left and right, for all information given to us. Now our roads and energies may part once more. And while I say this, I can hear the sardonic laughter of Christian high above or beneath me. Part once more? Dear lady, in the end there is nothing to part or diverse,  really. Bullocks! Me, who usually always ends up by dividing back our energies into  individual spheres.  In order to not take something with me, that does not belong to me. Christian’s mind is much wiser than this. He does not discern into what is mine or thine. His or hers. Here or there. He knows that everything turns around and comes around, in endless cirkles of time and roundabout turbulances of space. But, at the other hand, he grins while granting me the right to do as I am used to. From his baseline of compassion. Erbarmen. Truly beautiful it is.

Serge

HEM ON WAR – Kolonel Cantwell in Sarajevo; essay over Ernest Hemingway en het verslaan van de oorlog

Kolonel Cantwell in Sarajevo

door Serge R. van Duijnhoven

Lezing door Serge R. van Duijnhoven voor Afscheid van de wapenen

Over Hemingway in WOI en schrijven in tijden van oorlog.

Dinsdag 2 december 2014 20:00
Academiegebouw, Senaatszaal
Domplein 29, Utrecht

“Na een oorlog, kom je nooit meer echt thuis. Er is altijd wel een uitweg, maar nooit meer een weg terug. De oorlog slorpt zich in je op. Na de krijg, is er de aftermath. En die blijft duren. Je raakt er hoe dan ook in verstrikt. Iedereen raakt erin verstrikt.” – Kolonel Cantwell in Ernest Hemingway’s Across the River and into the Trees (Charles Scribner’s Sons New York 1950)

Oorlogen zijn de rosse buurten van deze aarde. Ze wemelen, behalve van het viriel krijgsvolk, van de pottenkijkers; ruige of minder ruige lieden die zich op de hoogte komen stellen van het vlees in de kuip. Bovendien bezitten ze voor buitenstaanders, in al hun smerigheid, een schemerachtige aan­trek­kelijkheid.

Arthur van Amerongen, de Nederlandse journalist en Hemingway stand-in die ik in Sarajevo ontmoette, reed ’s avonds soms langs de frontlinie in de hoop dat hij wat kogelgaten kon opdoen in zijn oude Renault 25. Voor hem was de oorlog eigenlijk net als een bezoek aan de hoerenbuurt; real fucky fucky. Om te bewijzen dat hij er daadwerkelijk geweest was wilde hij met een trofee thuiskomen. Precies zoals een toerist die Amsterdam aandoet nog even een winkel in de Oude Hoogstraat bezoekt om daar een T-shirt aan te schaffen met het opschrift: I did it in the Red Light district.

Voor sommmigen is oorlog nog altijd het best denkbare afrodisiacum. Dat geldt zowel voor diegenen die verslaafd zijn aan de adrenaline-rush die een verblijf in een gevarenzone met zich meebrengt, als voor de warlords en zelfbenoemde politici die dankzij de oorlog carrière kunnen maken. Voor de bevolking die klem komt te zitten heeft de oorlog niets opwindends of aantrekkelijks. Voor haar is het een kwestie van overleven – of sterven. In de praktijk komt dat meestal neer op het trachten door te komen van de dagen; wachten dus. En het terugvallen op de meest elementaire dingen. Het sprokkelen van voedsel. Het vinden van een blok hout voor de kachel.

Overigens bedienen niet alleen journalisten, schrijvers, dichters, fotografen, mislukte wereldverbeteraars, freaks en oorlogsjunkies ter plekke zich van het afrodisiacum van de oorlog. Ook daarbuiten verlustigt men zich eraan, via de getuigenissen die via krant en tv de huiskamers bereiken. Voor diegenen die in vrede leven is de oorlog, daar, elders, weinig anders dan snuff. Butcher shop horror, splatter movie. Echter dan echt, en dus nauwelijks nog als zodanig herkenbaar. War in the Gulf! kondigde CNN begin 1991 in bloedrode letters aan op het tv-scherm, en het nieuwskanaal liet daarbij een donker tromgeroffel horen als betrof het een spannende bioscoopfilm. Een decennium later van hetzelfde laken een pak met de tot vervelens toe herhaalde nitwit-kretologie van het Shock and Awe.

Hemingway & Gellhorn

Bekijk deze film, over Hemingway en Gellhorn – met een magnifieke rol van Clive Owen maar een minder overtuigende van Nicole Kidman – gratis via de link: http://viooz.ac/movies/6459-hemingway-gellhorn-2012.html

Ernest Hemingway beschrijft in de door hem samengesteld anthologie Men at War: hoe mensen oorlogen altijd al hebben gevolgd met gevoelens die zowel bestonden uit afgrijzen als fascinatie. `Ik moet inderdaad vaststellen dat ik, eenmaal terug uit Italie en Turkije,  geobsedeerd was door de gruwelbeelden die ik voor mijn netvlies had zien afspelen. In mijn hoofd speelde bij mijn terugkeer in Oak Park voortdurend een film bestaande uit eindeloos herhaalde scenes waar ik vanuit de schaduw van mijn oogkassen verbijsterd naar bleef staren. Maar het was nooit zo eenduidig dat het alleen maar verbijstering en shock was. Ik was ook gefascineerd door de beelden van de gevechten en de gruwelen. Ik wilde weten: jezus, wat doen die mensen met elkaar. Het is heel voyeuristisch, denk ik. De oorlog is een soort magneet, je wordt ernaar toe gezogen. Het is voorbij aan termen als `vind je het dan erg?’ of `vind je het dan spannend?’

HemonWarpic1

De Sloveense filosoof Slavoj Zizek spreekt in dit verband over `jouissance’. Hij beweert dat de westerse media een soort horrorshow van de moderne oorlogen plegen te produceren. mdat het effect van al die journaalbeelden vergelijkbaar zou zijn met een gruwelfilm. Mensen vinden de beelden van het gruwelijke ook prikkelend. Van het afstotende gaat paradoxaal genoeg ook aantrekkingskracht uit. Oorlog laat de hunkering ontwaken naar ultiem drama.  Het is naar dit ultieme drama, dat Hemingway zijn hele schrijvende leven lang op zoek is geweest. Het was de biomassa waarmee hij de kachel in de kelder van zijn schrijverschap te allen tijde warm kon stoken.

`In ieder geval bezit iedere man of vrouw’, concludeerde Hemingway, `hoe beschaafd hij of zij ook is, een enorm verlangen om het barbaarse te aanschouwen, om te zien wat er nog allemaal meer kan gebeuren met dat mooie beheerste mensenlichaam dat we voortdurend maar disciplineren. Of de vernieling van dat lichaam nu gebeurt met martelwerktuigen, sluipschutterskogels of mortiergranaten die ontploffen, maakt misschien niet zo heel veel uit.’

Hemingway bekent dat hij zichzelf wantrouwde toen hij merkte dat hij, telkens als er een bestand leek te worden gesloten of er een aftocht diende te worden geblazen zoals in het hoofdstuk “The Retreat From Caporetto” in A Farewell to Arms, op een bepaalde manier teleurgesteld was dat de grote slachting dreigde op te houden. `Ik schaamde me natuurlijk. Voor het eerst dacht ik echt te begrijpen hoe mensen het gevoel konden hebben door de duivel bezeten te zijn. Want; deze gedachte kan toch niet uit mij voortkomen? Je mag toch alleen eenduidig blij zijn dat er wellicht een einde aan die afschuwelijke ellende komt? Maar ik kon er niet aan voorbij dat er iets in me was dat zei: hè, jammer. Het toneelstuk is misschien wel snel voorbij.”

Oorlog is, hoe afschuwelijk ook, tevens blijkbaar iets geils. “War is part of the intercourse of the human race”, waren de woorden van de Pruissische denker/soldaat Generaal Karl von Clausewitz, die Hemingway vaak met instemming placht aan te halen. Ik vrees dat het zo plat is. We zijn gedonditioneerd, en terecht,  om te zeggen: oorlog is fout, het mag niet, het is slecht, het is zonde. It is a crime. Maar alleen al historisch gezien moet je vaststellen dat er meer over oorlog te vertellen valt. Het is ook opwindend. Het is een vorm van human intercouse. En als zodanig: geil. Opwindend.

De oorlog in voormalig Joegoslavië, die ik in de jaren negentig – van 1993/4 tot aan de Kosovaarse secessieoorlog in 1999 en de Macedonische twisten in 2001 – van nabij heb meegemaakt en verslagen voor oa. de Volkskrant, De Morgen en RTL Televisie, heeft zich, net als die in Koeweit, Afghanistan en later Irak, uitstekend geleend voor een Hemingway-achtige benadering – al was het dan bij vlagen. Voor een permanent tromgeroffel duurden de oorlogen telkens weer te lang. Maar hoe pittoresk en fotogeniek waren de decors – de prachtige, historische steden die zienderogen verwerden tot kadavers. Hoe huiveringwekkend de graatmagere lichamen achter het  prikkeldraad van Prijedor. Hoe ontroerend de champagnefles die ontkurkt werd in een Sarajeefs hotel toen het akkoord van Dayton eindelijk getekend werd. De rechtvaardigheid die alsnog zegeviert!

Het laatste voorbeeld, dat van de champagnefles, toont mooi aan hoe het nieuws in de oorlog haar eigen werkelijkheid kan creëren. Na vier jaar rampenverslaggeving was het, zo vond men op het CNN-hoofdkwartier in Atlanta, nu toch de beurt aan het goede nieuws. Dus filmde men hoe de eigenaar van een hotel (hetzelfde hotel Bosna waar toevallig ook de nieuwscrew bivakkeerde) een champagnefles ontkurkte. Beelden die, ook al wilde de champagne niet echt schuimen, wereldwijd dagenlang in eindeloze herhaling te zien waren. Dat in Sarajevo bijna niemand blij was met het gesloten akkoord – dat de agressors immers had beloond met een flinke hoeveelheid land en dat hun doelstelling van een etnisch opgedeeld Bosnië ook nog eens leek in te willigen – drong bijna nergens meer door. Het feit was weggedrukt door de beelden van de champagne.

Het onderscheid tussen fictie en werkelijkheid, tussen media-event en werkelijke gebeurtenis is in een oorlog, waar de waarheid als eerste sneuvelt, zelden nog expliciet duidelijk. Het meest extreme geweld dat ik in Sarajevo te zien heb gekregen trof ik niet aan op Snipers Avenue, in de loopgraven op de heuvels, of bovenop Mount Igman. Ik aanschouwde het in een morsige kleine bioscoop. Natural Born Killers draaide er, van Oliver Stone. De ratelende machinegeweren van deze bloederige film mengden zich met de werkelijkheid van doffe knallen die af en toe buiten nog te horen waren.

Toen de stadsbewoners in september 1995 de Navo-vliegtuigen hun bombardementen zagen uitvoeren op Servische doelen, was de reactie van velen dat het `precies zo was als in de film’. De werkelijkheid leek op iets wat men elders al eens had gezien. Het scenario was bekend, de voorstelling leek al vaker gespeeld. Een Bosnische producer van een onafhankelijk filmcollectief stelde dat de vele Amerikaanse films en tv-series waarmee iedereen in zijn stad was opgegroeid, mede van invloed zijn geweest op de manier waarop men er veel te lang van uitging dat de goede kant het vanzelf wel zou winnen. Dat was immers wat de films hadden geleerd. De Navo-vliegtuigen kwamen, na vier jaar, te laat om nog van een overwinning te kunnen spreken. Het land en de stad waren toen al finaal kapotgemaakt.

Inmiddels is Sarajevo na de oorlog verworden tot een permanent, gestadig filmdecor. In februari 1996 werd er de speelfilm Perfect Circle opgenomen van de Bosnische regisseur Ademir Kenovic. Daarna kwam Michael Winterbottom uit Amerika overgevlogen voor opnames van zijn tearjerker Welcome Sarajevo. En een paar jaar later was er Richard Gere die Karadzic speelde in een verfilming van een bounty-head journey into the darkness, gebaseerd op ervaringen van radioverslaggever Harald Doornbos en een paar kornuiten die hoopten de jackpot van 20 miljoen dollar te kunnen winnen die er op het hoofd van de maffe psychiater gezet was door de Amerikaanse autoriteiten. Drieentwintig featurefilms over de oorlog zijn er sinds de akkoorden van Dayton in Sarajevo gedraaid. Werk is er nauwelijks, maar de Sarajevi kunnen te allen tijden geld bijverdienen als figurant-slachtoffers door hun lichamen te besmeuren met nep-bloed. Ze kunnen een rol spelen in films die tot voor kort hun dagelijkse werkelijkheid waren.

Ook tijdens de oorlog kon je je afvragen of de werkelijkheid geen slecht geregisseerde en gespeelde film was. Kijk alleen al naar het air waarmee tweederangs acteurs als een geflipte neuroloog-dichter (Karadzic) of een paranoïde berenjager (Mladic) hun sprong op het toneel waagden! Het toneel waar ze, mede dankzij het strelende oog van de camera’s, niet meer vanaf waren te slaan. Hoe kon men verwachten dat ze hun eigen leugens zouden inslikken, zolang de internationale pers hun retoriek van wereldweide klank bleef voorzien?

De Serviërs noemen retoriek ook wel `de taal van het circus’. Dat is wat de oorlog in Bosnië was; een circus. Ze moeten hebben genoten, daar in Pale, van alle kunstjes die ze konden flikken. De beren die ze konden laten dansen, en neerschieten. Tijdens een enkele dag in de piste konden Karadzic en Mladic op meer aandacht rekenen dan in alle dagen van hun carrières voor de oorlog bij elkaar.

De regisserende, sturende rol van de media raakt zelden bekend, omdat noch de media noch de hoofdrolspelers erbij gebaat zijn die te onthullen. Een enkele keer komt er iets aan het licht – zoals in het geval van de ikonische foto van de vallende Republikeinse gardist in de Spaanse Burgeroorlog. Gemaakt – in scene gezet door Hemingway’s boezemvriend Robert Capa. Of de prijswinnende foto van een haveloos uitziende Noord-Ierse vrouw die een Britse soldaat in het gezicht schreeuwt en spuugt. En daartoe nauwgezet geinstrueerd bleek door de fotograaf. Zulke foto’s vallen, vroeg of laat,  door de mand, en collega-reporters bijten hun tanden stevig op elkaar om niet te hoeven zeggen welke van hun foto’s of reportages op een soortgelijke manier tot stand zijn gekomen. Velen zullen zich er niet eens schuldig door voelen. Het lijden moet zo gepresenteerd worden dat het effectief wordt, dat mensen stil blijven staan. Wat heeft het anders voor zin om je hals te wagen voor een foto of reportage?

Berekening is een conditio sine qua non. Emotie is het doel, maar aan het front – in the line of the fire – is het taboe. Met tranen in je ogen kun je niet scherp stellen, zei Philip Jones Griffiths een eeuw geleden al. Wie in oorlogsgebied zijn emoties de vrije loop zou laten, werkt zichzelf in de nesten. Hij houdt het niet lang vol, loopt belangrijke momenten mis of brengt zichzelf en anderen  in gevaar omdat hij niet snel genoeg handelt. Een klare, koele geest is noodzakelijker dan een kogelvrij vest. Zoals Ernest Hemingway in Across the River and into the Trees zijn Amerikaanse kolonel Richard Cantwell in Venetië na de Tweede Wereldoorlog laat zeggen: ‘Het is allemaal zo ontmoedigend als de pest. Maar je wordt in dit vak niet verondersteld een hart te hebben.’

De bekende Britse oorlogsreporter Martin Bell heeft, letterlijk, een boek opengedaan over de regiewetten die zijn opdrachtgever, de BBC, hanteerde bij de verslaggeving van de oorlog in voormalig Joegoslavië. In zijn boek In Harm’s Way. Reflections of a War Zone Thug (Hamish Hamilton 1995) geeft hij aan hoe absurd streng de richtlijnen waren over wat wel vertoond mocht worden voor een bepaald tijdstip, en wat niet. Bell kreeg de indruk dat men op de redactie drukker bezig was met het handhaven van de richtlijnen dan met het verslaan van wat er werkelijk gebeurde. Zo mochten er voor negen uur bijvoorbeeld `geen lijken met bloed’ vertoond worden, iets wat in het geval van een slachting toch moeilijk kon worden voorkomen.

In Harm's Way.Bell.cover

Hoe langer de oorlog duurde, hoe banger de BBC werd om de verschrikkingen van de oorlog in beeld te brengen. `In onze angst mensen te shockeren,’ schrijft Bell, `lopen we het risico hen op zeer gevaarlijke manier te misleiden.’ Martin Bell noemde de Balkan niet voor niets `the media-manipulation capitol of the world.’

De beelden die ons uit de oorlog bereiken, zijn uiteindelijk altijd gefilterd door de blik van de verslaggever of zijn redactie. Ze zijn per definitie vertekend, gepolijst, geregisseerd of (wat op hetzelfde kan neerkomen) gecensureerd. Martin Bell betoogt dat alle richtlijnen en zelfcensuur de oorlog op tv een stuk minder afschuwelijk doen lijken dan ze werkelijk is. `Het weglaten van de verschrikkingen,’ betoogt Bell, `maakt de oorlog acceptabel en dat is onvergeeflijk. We tonen soldaten die schieten, bang bang. We tonen niet wat er aan de andere kant tegelijkertijd gebeurt. Dat maakt de oorlog mooier dan ze is. Oorlog is ook in werkelijkheid een zaak van slechte smaak, waarbij slachtoffers die doodbloeden dat niet gracieus buiten beeld doen. Wie dat niet laat zien, vervalst de wereld om ons heen.’

EH5408P

Hemingway met Joris Ivens tijdens de Spaanse Burgeroorlog in 1937

De oorlog, zoals die uiteindelijk in de huiskamers belandt, wordt geregisseerd. Wat telt is de uitvaart, die bepaalt de emotie. Niet de overledene. Mediageniek genoeg die oorlog, daar niet van, maar het leed moet gedoseerd, hier wat meer, daar wat minder. Belangrijkste criterium: het mag niet vervelen. Tegelijkertijd mag het ook weer niet teveel shockeren. De kijkers zouden de tv wel eens kunnen uitzetten, of weg kunnen zappen naar een ander programma.

De Belgische oorlogsreporter Dirk Draulans maakt zich bijzonder kwaad over alle hypocrisie in de media. `De tv wordt overstelpt met gewelddadige fictie,’ zei hij in een debat in de Balie in Amsterdam over oorlogsverslaggeving. `Dan komen er beelden binnen van gruwelijke gebeurtenissen die zich op dat moment reëel in Europa afspelen, en dan kan het niet. Dan is het te gruwelijk.’

Zelf had hij dit meegemaakt met een foto van een neergeschoten man die in zijn plas bloed lag. Draulans werd erop aangesproken door collega’s en zelfs door politici omdat hij de foto vol over twee pagina’s bij zijn artikel had laten publiceren in het weekblad Knack. Het paste niet, vond men, deze explicitering van het geweld in Bosnië. Draulans vertelde hen van de vrouw in Sarajevo die hij had ontmoet, die in de rij had gestaan bij de bakker op het moment dat daar, in 1993, een granaat neerkwam. Haar lichaam zat vol scherven. Zij verweet de westerse media dat ze zo weinig over de slachting hadden laten zien. Geen tien seconden maar tien minuten hadden de gruwelen op tv moeten worden getoond, volgens de vrouw. Dan had men een veel juister beeld gekregen van de werkelijkheid van de oorlog.

Martin Bell stuitte in Bosnië op nog een ander fundamenteel tekort van de oorlogsverslaggeving. Hij kwam erachter hoeveel de media NIET zagen, hoe dicht ze overal met hun neus ook bovenop zaten. Massaal waren ze aanwezig, samengepakt in Sarajevo in het Holiday Inn. En ook elders in Bosnië zaten de hotels vol met wereldpers. Toch konden er ongemerkt duizenden en duizenden mensen verdwijnen. Toch vonden er dingen plaats die niet gezien en verslagen werden – ook omdat men de verhalen die doorsijpelden soms niet voor mogelijk hield. Als het er werkelijk op aankwam waren ook de verslaggevers blind. Ziende blind, als de hoofdfiguur uit Sophocles’ beroemdste tragedie.

De connectie met de maniakale doorzetter Oedipous – die zichzelf de ogen uitstak – is in het geval van tv-verslaggever Martin Bell niet gratuit. De Engelse oorlogscorrespondent (`Our eye on the war’ zoals de BBC hem trots noemde) was degene die, na in zijn onderbeen te zijn geraakt door een rondvliegende granaatscherf, zijn dagelijkse reportage achter de Holiday Inn per se wilde afmaken. Niet toevallig dat juist deze man die zo bezeten was van zijn taak om de oorlog – koste wat kost – te verslaan, zo openlijk het visuele tekort van de oorlogsjournalistiek aan de kaak heeft durven stellen. Verslaggever Peter Arnett, die in Sarajevo niet langer dan tien minuten zijn hotel uit mocht van zijn (voormalige) werkgever CNN voor commentaren op beelden die anderen voor hem schoten, heeft men niet op zulke ontboezemingen kunnen betrappen.

Eens zag ik een fascinerend interview op een Engels tv-kanaal met Martin Bell, waarin presentatrice Selina Scott wilde weten of Bell zich wel realiseerde hoe het voor zijn dochters moet zijn geweest toen ze de verwonding van hun vader op het journaal – live, in real time – zagen gebeuren. Die ervaring, bekende Bell, was voor hen zo afschuwelijk dat hij voortaan bij iedere reportage de ogen van zijn naasten op hem gericht voelde. Het maakte een einde aan zijn onbevangenheid als oorlogsverslaggever. Selina Scott vroeg hierna wat voor effect de oorlog uiteindelijk op Bells privé-leven had gehad. Beleefd antwoordde de verslaggever: `Ik denk dat u dat beter aan mijn twee voormalige echtgenotes kunt vragen.’

EH 2723P

In het licht van deze voorbeelden van de onvermijdelijke sturende, verstorende of participerende rol van de media in eender welk majeur gewapend conflict, is het goed om nog eens te beseffen dat Hemingway – zowel een gevierd conflictreporter als een gelauwerd schrijver van fictie – de fictie hoger aansloeg als middel om de waarheid – de diepere waarheid die onder de feiten ligt verscholen – te beschrijven en aldus te traceren. Kleinzoon Sean Hemingway schrijft in zijn heldere introductie tot het verzamelboek Hemingway on War:

“Hemingway did not believe that being a journalist was as important as writing fiction. In fact, he believed that a writer had only so much creative “juice” and that, after a certain point early in one’s career, one should not waste one’s talent writing journalism when one could be writing fiction instead. In his own words, “A writer’s job is to tell the truth. His standard of fidelity to the truth should be so high that his invention, out of his experience, should produce a truer account than anything factual can be. For facts can be observed badly; but when a good writer is creating something, he has time and scope to make it of an absolute truth.” (Ernest Hemingway ed., Men at War (first published 1942, Bramhall House edition New York 1979) p. xiv

Hemingway wilde waarachtig schrijven over alle onderwerpen, waaronder in het bijzonder het onderwerp van de oorlog en het effect ervan op zijn tijd. Hij wijdde de bloemlezing Men at War aan zijn drie zonen, zodat ze een boek zouden bezitten “dat de waarheid zal bevatten over oorlog zo dicht als we maar bij die waarheid kunnen komen. Het zal niet de ervaring zelf kunnen vervangen. Maar het kan lezers op de waarheid voorbereiden en die waar nodig aanvullen en preciseren. Het kan dienen als een correctie op de ervaring. ”

Hetzelfde kan gezegd worden van eigen werk Hemingway’s. Het kan niet de ervaringen vervangen van mensen die in de door oorlog verscheurde eerste helft van de vorige eeuw hebben geleefd. Maar zijn werk biedt ons wel de mogelijkheid om de waarheid omtrent die oorlogen zo dicht te naderen als maar mogelijk is.

Planet Sarajevo, by Sahin Sisic

Planet Sarajevo, by Sahin Sisic

De buitenlandse journalisten die naar Sarajevo kwamen om er te fungeren als onze even gretige als ook gebrekkige, halfblinde ogen zijn in Sarajevo nooit echt populair geweest. Ook ikzelf heb kunnen ervaren hoe moeilijk het was om het vertrouwen te winnen van mensen die zich ondanks alle gewurm van de internationale pers volledig in de steek gelaten voelden. Lopend door de stad heb ik me regelmatig gevoeld als een hoerenloper – spiedend naar de bevolking die in al haar misère als het ware naakt achter de kapotgeschoten ramen zat te wachten. `Jullie journalisten willen niets liever dan deze stad bezoeken,’ zei mijn buurvrouw in Sarajevo, `en jullie lopen hier opgewekt en nieuwsgierig rond, terwijl wij niets liever willen dan de stad verlaten.’

De meeste novinari bedoelden het goed, en velen hebben de bevolking zeker vooruit geholpen. Door brieven mee te nemen, geld, voedsel, door mensen het land uit te krijgen. Een heel aantal oorlogsjournalisten is in voormalig Joegoslavië verliefd geworden of getrouwd. Hun betrokkenheid tot de oorlog groeide met de jaren, tot de oorlog hen in zich had opgeslokt en ze eigenlijk niets meer konden dan blijven (meevechten en lijden) of vertrekken. Zoals de oorlogsfotografe die in Mostar zes maanden lang met de bevolking doorbracht in de schuilkelders en daar de man van haar leven ontmoette. Toen de beschietingen ophielden heeft ze haar geliefde onder de bank van een auto van een bevriend journalist geduwd en de stad uit laten rijden. Zelf ging ze er direct achteraan. Het betekende het einde van haar beroep als verslaggever.

Fotografen in tijden van oorlog.cover

Anderen hebben zich openlijk a la de stoere Papa Hemingway opgegeild aan het gevaar. Ze reden in hun auto langs het front, zeilden met klimtouwen langs de gevels van kapotgeschoten gebouwen of jogden door straten waar sluipschutters op de loer lagen. Enkele van deze minnaars van het kwaad komen in beeld in de grandioze film die de Frans-Zwitserse cineast Marcel Ophuls in 1994 maakte over verslaggevers in Bosnië, Veillees d’armes, met als ondertitel: The Troubles We Have Seen (Histoire du journalisme en temps de guerre). Geen ander heeft zo scherp als Ophuls doorzien hoezeer de oorlog, ook voor de journalisten, het podium vormde voor een intricaat maskerspel. Een lied van schijn en wezen.

Ophuls’ expeditie bestond eruit achter de schermen te kijken bij degenen die tot taak hebben achter de schermen te kijken. Daarbij wist hij op een aantal punten op effectieve wijze het beeld te doorprikken dat de westerse media van zichzelf koesteren. Een van die punten deed hem belanden bij de ijdelheid van bekende tv-journalisten, voor wie de stand up (het zelf voor de camera verschijnen tijdens een reportage) vaak belangrijker is dan het nieuws zelf. Ophuls liet de kritiek op deze ijdeltuiterij in zijn film verwoorden door een acteur; Philippe Noiret, die vanaf de set van een film de tv-journalistiek `un syndicat d’autopromotion et d’entre promotion’ noemt. De journalisten, met hun gedrang voor de camera, moesten zich maar eens wat meer bij hun leest houden, zei hij. `Les stars, c’est nous.’

- The troubles we've seen : a history of war-time journalism = Veillées d'armes : histoire du journalisme en temps de guerre.

– The troubles we’ve seen : a history of war-time journalism = Veillées d’armes : histoire du journalisme en temps de guerre.

Patrick Chauvel, een Franse fotograaf met dertig jaar oorlogservaring, zegt tegen Ophuls: `Ons narcisme is perverser dan dat van de sterren. Wij zien onszelf door de anderen. Maar hun narcisme is totaal. Die mannen zijn al bezorgd over hun make up voordat het vliegtuig geland is.’

Ophuls brengt het gesprek op de beelden van de oorlog die om het publiek te bereiken automatisch deel gaan uitmaken van een mediacircus of `informatiespektakel’.

`Ik ben tegen dat spektakel,’ bromt Chauvel.

`Natuurlijk ben je tegen’, is het antwoord van Ophuls. `We zijn allemaal tegen, en we maken er allemaal deel van uit.’

Chauvel blijft ontkennen. Hij waakt ervoor, zegt hij, dat zijn foto’s tentoon worden gesteld op gelegenheden waar bezoekers met een glas champagne in de hand hun afschuw uitspreken over de ellende in de oorlog.

De regisseur confronteert Chauvel hierop met een uitspraak van de Amerikaanse oorlogsfotograaf Don MacCullin, die zei: `Ik ben van nature pessimistisch en zie eigenlijk nauwelijks meer toekomst voor de fotojournalistiek.’ Hij bedoelde, legt Ophuls uit, dat na enige tijd de mensen van alle ellende die journalisten over hen uitstorten volkomen afgestompt zouden raken.

`Daar zullen we dan eens wat aan gaan doen,’ is het koelklinkende antwoord van de Franse fotograaf. On va s’en occuper  En hij voegt er droogjes aan toe: `Voorlopig hoeven we nog niet te vrezen dat we werkeloos zullen worden.’

Ophuls hoeft van Chauvel niet te verwachten dat hij stopt met het schieten van gruwelijke beelden, zoals MacCullin, die zich op een gegeven moment `veroordeelde tot de vrede’ en alleen nog maar wijdde aan expressionistische landschapsfotografie. `Ik ben geen kunstfotograaf,’ zegt Chauvel. `Ik ben misschien zelfs wel geen goed fotograaf, technisch gezien. Maar ik ben wel een goede getuige. De camera is voor mij slechts een instrument. Just get it clear and sharp, dat is mijn taak. Ik maak er bewust geen kunst van.’

Morgue of Sarajevo. Photo by Teun Voeten

Morgue of Sarajevo. Photo by Teun Voeten

Misschien wel het indringendste portret in de documentaire betreft ene Paul Marchand, een Waalse radio-verslaggever en Hemingway lookalike die je aan een klimtouw door de tientallen meters hoge hotellobby van het Holiday Inn ziet zeilen. `Na een tijdje wordt ook Sarajevo saai,’ is het stoere commentaar van  de Belg voor de camera. Niet alleen de lobby, ook de twin towers van het Energoinvest-gebouw aan Snipers Avenue, ieder 23 verdiepingen hoog, werden door de onverschrokken Belg beklommen.

`Maar er zijn daar toch sluipschutters?’ vraagt de regisseur enigszins onnozel.

`C’est ça le jeu,’ antwoordt de journalist met een dikke Castro-sigaar tussen zijn lippen. `Als je met de Dood speelt, iedere dag, als je hem recht in z’n smoel kijkt en zegt: kijk me aan, ik ben er klaar voor, ik ben niet bang voor je; dan laat hij je alleen en zegt tegen zichzelf: “Ok, dat verslaggevertje daar is er klaar voor. Maar ik heb het momenteel te druk. Ik houd me eerst met wat anderen bezig.” Tot nu toe heeft die brutaliteit gewerkt. En als ik morgen geraakt word, dan hoop ik dat ik nog genoeg leven in me heb om de collega’s in het gezicht te spugen die zeggen: “deze jongen was dit, deze jongen was dat.” Nee, deze jongen was helemaal niets van wat dan ook. Hij gokte. Hij verloor. En basta cosi.’

Holiday Inn, Sarajevo 1993. Photo by Teun Voeten

Holiday Inn, Sarajevo 1993. Photo by Teun Voeten

Terwijl de woorden van de Belg nog nazinderen, zoomt Ophuls in op de manager van het Europees communicatiebureau in Sarajevo, die koel en onbewogen reageert; `Marchand,’ zegt hij, `ziet de oorlog meer als een spel dan als ellende. Het is typisch de attitude van een mannelijke reporter die meer Hemingway gelezen heeft dan goed voor hem is. Ik denk dat je nooit dezelfde uitlatingen krijgt met een vrouwelijke verslaggever.’

Martine Laroche-Joubert bestrijdt dit. `Er is niet zoiets als mannelijke oorlogsverslaggeving en vrouwelijke oorlogsverslaggeving. Er zijn enkel goede en slechte journalisten. Het is niet makkelijk de macho uit te hangen op Snipers Avenue. We zitten hier allemaal in dezelfde fuik.’

In 1993 werd Paul Marchand door een sluipschutter geraakt. Iets wat overigens niet in de documentaire wordt vermeld. Marchand verloor de gok, maar niet zijn leven. Op het ene been dat hem resteert, hobbelt hij vrolijk verder van oorlog naar oorlog over het oppervlak van onze oorlogszuchtige planeet.

Voor veel buitenlandse journalisten moet de oorlog bijna een gevoel van adel hebben gegeven, vanwege alle privileges die het korps (altijd zichtbaar onderscheiden met tal van accreditaties en pasjes) kon genieten. Ze konden vrij rondreizen in gebieden waar de bevolking crepeerde en in de val zat. Ze konden de reddende engel uithangen, de gulle westerling die vrouwen blijmaakte met een sigaret, mannen met een slok whisky. Ze konden verblijven in luxe Hotel Florida’s waar ongeacht de hongersnood iedere dag drie warme maaltijden werden geserveerd. Ze konden met een satelliettelefoon of een laptop op de achterbank in een al dan niet gepantserde wagen langs check­points rijden waar `gewone’ burgers nooit voorbij konden komen. Een Nederlandse verslaggever hoorde ik ooit pochen over `de gouden rolstoel’ die hem wachtte als hem iets zou overkomen. Hij was immers verzekerd voor zo’n elfhonderd gulden per dag.

De man liet zich bij voorkeur in een taxi naar het front rijden, kwam keurig voor etenstijd weer teruggekeerd. Na het diner zoop hij zich zat in de lobby `om zich beter te kunnen mengen met de omgeving’. De Nederlander noemde zichzelf `een impressionist, die zijn werk goed doet. En dan moet er ook niet gezeurd worden over poen. Je moet gewoon behoorlijk betaald worden, in een goed hotel kunnen bivakkeren. Ik vind dat ik daar recht op heb.’ In de negen dagen dat hij in Sarajevo verbleef, joeg hij er tienduizend Duitse Mark doorheen.

Sommige journalisten begonnen er werkelijk in te geloven, in hun adeldom. Ze begonnen zich na verloop van tijd te gedragen als een soort Lord Byron in Missolinghi, Hemingway in de velden rond Udine, of als een kolonel Kurtz in de rimboe of Cantwell in Venetie. Ze lieten zich verleiden tot de aanschaf van wapens, maakten misbruik van hun machtspositie door de plaatselijke bevolking te chanteren of seksueel te intimideren. Ze zonken steeds verder weg in het moeras van redeloosheid dat oorlog is. Ze lieten zich bedwelmen door de roesdampen die opstegen uit de arsenalen der veroveraars. Ze deelden in zwarte handel en raakten bevriend (of veinsden dit) met de meest louche en misdadige van de hoofdrolspelers. Sommigen gingen zover, zoals de Russische dichter Victor Limonov, dat ze vanuit de heuvels juichend granaten afschoten op de bevolking in het dal.

In de film van Ophuls zien we buitenlandse journalisten in het restaurant van de Holiday Inn in Sarajevo uitleggen hoe gemakkelijk het is om te vergeten hoe de werkelijkheid daarbuiten eruit ziet. John Burnes, correspondent voor de New York Times, vertelt met mes en vork in de hand dat de belegering van Sarajevo een ervaring is die hij voor geen goud had willen missen. `Wij hebben de tijd van ons leven,’ hoor je hem enthousiast zeggen. Burnes kwam uit de oorlog tevoorschijn als een gelauwerd verslaggever. Met zijn Bosnië-reportages won hij de Pullitzer Prize. Ook voor hem was Sarajevo het circus waarin hij aan een trapeze door de nok kon zweven.

De Fransen in de documentaire noemen zich, half gekscherend, half serieus `ambassadeurs’: `We vertegenwoordigen toch uiteindelijk de Franse cultuur,’ verduidelijkt Jean Jacques le Garreau van het net France 2. Le Garreau zegt hij dat nooit naar Bosnië vertrekt zonder wat potjes mosterd en enkele flessen champagne in zijn bagage. `Pour mettre au frais,‘ zegt hij doodleuk, `il ne faut qu’ouvrir la fenêtre, et le champagne est excellent.’ Le Garreau vertelt hoe zelfs de honden van Sarajevo in de gaten kregen dat er bij de Fransen in het tv-gebouw de beste kost te halen viel. Over twee van de beesten ontfermde hij zich. Hij noemde ze Mackenzie, naar de Canadese generaal, en Carrington, naar de bemiddelaar.

Wat in de film op pijnlijke wijze duidelijk wordt, is hoezeer journalistiek in oorlogstijd van betekenis verschilt voor buitenlandse en inheemse journalisten. Terwijl in het verwarmde restaurant van de Holiday Inn internationale verslaggevers geanimeerd discussiëren over de aantrekkingskracht van de oorlog, de adrenalinekick en het `prachtige verhaal’ dat voor het oprapen ligt, werken twee verdiepingen lager, in de vrieskoude kelder, journalisten van Oslobodenje in 14-uurs ploegendiensten om ondanks een totaal gebrek aan mankracht en middelen toch hun krant te kunnen laten verschijnen.

Hoezeer de oorlog voor de buitenlanders ook een spel mocht zijn (rock ’n roll, zoals Marchand het noemde), voor de plaatselijke bevolking was het allemaal echt. `We proberen te overleven,’ zegt een redactrice van Oslobodenje in de film van Ophuls. `Ik vecht niet, maar ik maak een krant. Zo behoud ik mijn zelfrespect.’

`Wij zijn geen helden,’ zegt een andere redacteur van dezelfde krant die de regisseur rondleidt door de ruïnes van het ooit zo imposante redactiekantoor bij Ilidza. `De moed is pas gekomen met het verstrijken van de tijd.’

Voor een niet gering aantal journalisten gold het conflict in Bosnië als een waarachtige therapie tegen de  blaséheid. Anderen gebruikten de oorlog als een doeltreffende kalmeringstherapie voor innerlijke conflicten. Een Franse verslaggeefster voor TF1 bekende aan Marcel Ophuls dat ze besloot naar Sarajevo te gaan in een poging haar echtelijke problemen te vergeten. Dirk Draulans beschrijft in zijn boek Welkom in de hel, hoe hij op zijn tocht langs de Bosnische frontlinies tijdelijk verlost is van zijn pijnlijke liefdesverdriet voor een Scandinavische `Anne Brit’.

De keuze om naar de oorlog te gaan komt natuurlijk lang niet altijd voort uit morsige motieven. NRC-Handelsblad journaliste Marion van Royen vertelde tegen een collega hoe zij enorm met de oorlog in voormalig Joegoslavië in haar maag zat. `Er gebeuren de vreselijkste dingen, zo ongeveer om de hoek. Als journalist heb ik de idiote illusie dat het wat helpt om erover te schrijven. La remise en question des choses. Daar geloof ik oprecht in. Ik heb een ontzettende hekel aan dat verschrikkelijke cynisme van die zogenaamde doorgewinterde oorlogsjournalisten. Dat Kuifje-in-Tibet gedoe. Alsof het ze allemaal niets doet, alsof het toch allemaal niets uithaalt.’

De oorlog in voormalig Joegoslavië knaagde aan het geweten van velen. `We moeten getuigen. Dat is het doel van onze aanwezigheid hier’, zegt een serieuze journalist in Ophuls’ film die verslaggevers omschrijft als `legionairs’, en hun taak als een `roeping’. `We moeten getuigen. Opdat men later nooit zal kunnen zeggen, zoals destijds de Duitsers: we hebben het niet geweten wat er gaande was.’

In de zomer van 1999 vroeg ik aan de jonge Bosnische schrijver Nenad Velickovic, auteur van de boeken Sexpressionismus en Sarajevi Gastronauti, of hij zich nu, na de oorlog, niet in de steek gelaten voelde door de wereldpers aangezien de mediaspots al enkele jaren nauwelijks meer op zijn stad gericht waren. De reactie van Nenad was uiterst bitter. `De meesten van ons zagen de journalisten die Sarajevo bezochten als mensen die niet wisten wat ze er kwamen doen. Zo gedroegen ze zich. Ze wandelden rond met hun camera’s en waren er vooral op uit om spectaculaire beelden te schieten. Het waren jagers, mensen op safari. Bloed, slachtpartijen, granaataanvallen, de grote emoties, daar was het ze om te doen. Als het niet bloederig genoeg was, dan kwam het niet op tv. De journalisten toonden zich niet geinteresseerd in wat er echt aan de hand was. De oorlog werd door ons heel anders beleefd dan de grote kanalen als CNN hun kijkers wilden doen geloven. De journalisten hadden hun eigen redenen om naar de oorlog te gaan. Ik heb zelf geen enkele goede reportage over de oorlog gezien.’

De Bosnian writer Nenad Velickovic

Nenad Velickovic

`Dus als er ergens een oorlog uitbreekt, moeten we voortaan maar geen journalisten meer naar het gebied toe sturen?’

`Denk je echt dat Clinton in het Witte Huis zich iets gelegen laat liggen aan wat de tv hem die dag voorschotelt?’

Ik vroeg aan Nenad of de de journalisten de oorlog in Bosnië zijns inziens verlengd of verergerd hebben, door onbeduidende figuren als Karadzic, Koljevic en Mladic zolang de volle aandacht te geven. Ook op deze vraag antwoordde Nenad even vastbesloten als gepikeerd: `De pers kan een oorlog beginnen noch beëindigen. Evenmin kan ze hem verlengen. De media hebben geen werkelijke macht. Ze manipuleren slechts. De schrijvende pers in Bosnië heeft zeer beperkte invloed. Veertig procent van het land is geletterd en leest wel eens iets. Zestig procent niet. Van de tv kun je geen adequaat beeld verwachten. Toen we op de tv beelden zagen uit het belegerde Vukovar, konden wij in Sarajevo niet echt begrijpen wat er gebeurde. Mensen vanuit Joegoslavië kwamen naar onze stad om aan het conflict te ontsnappen. Afschuwelijk. Ik ben een verklaarde vijand van de tv, en kan uren en uren over haar nefaste invloed praten. De tv vergiftigt mensen. Sarajevo heeft dat duidelijk gemaakt. In een oorlog gaat het niet om de beelden, maar om de mensen. Ik heb huwelijken zien breken door tv’s die constant aanstonden, ik heb mensen vergiftigd zien worden, het toestel ontneemt mensen hun grip op de werkelijkheid, het zuigt mensen vol met haat of maakt ze apathisch en moedeloos. Om te weten te komen wat het weer buiten is, zetten mensen tegenwoordig de tv aan in plaats van dat ze zelf naar buiten gaan. Het is krankzinnig. Met de radiozenders is het anders. Die spelen bij ons vooral muziek, en dat vergiftigt minder…’

In 1997 las ik een ontwapenend artikel van Harald Doornbos in een Nederlandse krant, waarin hij beschreef hoe hij met tranen in de ogen Sarajevo definitief had verlaten. Aan de oorlog had hij alles te danken: zijn carrière, zijn auto, zijn vriendin, zijn mooiste herinneringen. Toch had zijn verblijf hem ook achtergelaten met een soort schuldgevoel. Terwijl hij zich al die tijd had overgegeven aan zijn verlangen naar Iets Groots, had hij geleefd in een samenleving waar de bevolking juist hunkerde naar het kleine. Een warme douche. Een kaars om de duisternis van de nachten mee te verdrijven. Een theelepel zout om de smaakloze deeggerechten van noodrantsoenen mee te verrijken. Een brief van familieleden die men drie jaar niet had gezien of gesproken.

Doornbos beschreef hoe zijn `arrogante keuze voor het grote’ en zijn `verachting van het kleine’ werd afgestraft toen een Bosniër tegen hem zei dat hij er al een jaar van droomde zijn hond gewoon te kunnen uitlaten zonder bang te zijn dat hij zou sterven. `Ik weet niet precies meer wat ik voelde,’ schreef Doornbos, `maar ik schaamde me dat ik naar Bosnië was gekomen.’

De keuze die hij vier jaar eerder had gemaakt om naar de oorlog te reizen omschreef hij nu als een `perverse’. Hij vergeleek het met een keurig getrouwd stel dat is uitgekeken op de bekende standjes en elkaar gaat vastbinden en met zwarte zweepjes gaat afranselen.

crutches-m

Vroeg of laat drukt de oorlog je met de neus op de feiten. Van toeschouwer word je tot betrokkene, van mediapersoonlijkheid tot een kronkelende huisvader, van een  idealistisch verslaggever word je tot een hoerenloper. `Maar dan ontdek je de dood, en dat het leven mooi is, en dat je zelf moet strijden om het te behouden.’ Zo citeert Marcel Ophuls onze held Ernest Hemingway (diens A Farewell to Arms) aan het einde van zijn documentaire.  “If

people bring so much courage to this world the world has to kill them to

break them, so of course it kills them. The world breaks everyone and

afterward many are strong at the broken places. But those that will not

break it kills. It kills the very good and the very gentle and the very brave

impartially. If you are none of these you can be sure it will kill you too but

there will be no special hurry.”

Ophuls spreekt deze woorden, terwijl we hem over de Piazza San Marco zien lopen in Venetië. Het is carnaval, de mensen dragen maskers en op het plein staat een podium voor commedia dell’arte. Aan het eind van de film stapt Ophuls op dat podium. De regisseur wordt commediant. Gemaskerd als Pantalone zingt hij een triest lied; `The Troubles You’ve Seen’. Aan de stem hoor je dat het Ophuls is die zingt. Maar je kunt hem ook herkennen aan zijn bril, het zware montuur dat rust op de groteske, naar beneden gekromde neus van het masker. Die dikke bril op dat masker, dat is het beeld dat ik van de oorlog in Bosnië zal behouden. Niets is wat het lijkt het te zijn, zeker in de duistere criminele wereld van de oorlog niet. Alles is theater. En alles zonde. Erfzonde, misschien wel.

Of zoals de meester zelf schreef in zijn farmhouse Finca Vigia op Cuba, in die augustusdagen in 1945 net na het droppen van de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki:  “We have waged war in the most ferocious and ruthless way that it has ever been waged. We waged it against fierce and ruthless enemies that it was necessary to destroy. Now we have destroyed one of our enemies and forced the capitulation of the other. For the moment we are the strongest power in the world. It is very important that we do not become the most hated. (…) An aggressive war is the great crime against everything good in the world. A defensive war, which must necessarily turn to aggressive at the earliest moment, is the necessary great counter-crime. But never think that war, no matter how necessary, nor how justified, is not a crime. Ask the infantry and the dead.

  • Hemingway’s foreword to a book entitled Treasury for the Free World

hemingwayquote.neverthinkthatwarisnotacrime

Lezing door Serge R. van Duijnhoven voor Afscheid van de wapenen

Over Hemingway in WOI en schrijven in tijden van oorlog.

Dinsdag 2 december 2014 20:00
Academiegebouw, Senaatszaal
Domplein 29, Utrecht

EH4369P

‘You know they say there isn’t anything funny about this war. And there isn’t’, schreef Hemingway op 18 augustus 1918 aan zijn familie. Hij lag toen al een dikke maand in een ziekenhuis in Milaan om te herstellen van de verwondingen die hij op 8 juli aan het front had opgelopen. Het voorval leek hem niet bepaald af te schrikken; de Grote Oorlog zou de eerste van in totaal drie grote oorlogen zijn waar hij met z’n neus bovenop zat.

A Farewell to Arms

http://viooz.ac/movies/25027-a-farewell-to-arms-1932.html

JASPER HENDERSON gaat in dit programma met Jan van Mersbergen, Serge van Duijnhoven en Geert Buelens in gesprek over de literaire verbeelding van de oorlog. Welk beeld geeft de schrijver Hemingway in zijn roman A farewell to arms? Hoe hebben anderen de Grote Oorlog verbeeld? Feit en fictie gingen bij Hemingway vaak hand in hand. En dat is bij de beeldvorming rond andere, meer recente oorlogen zoals in Vietnam of Irak niet anders. Journalistiek en literatuur bepalen in grote mate wat we over de oorlog te weten komen.

JAN VAN MERSBERGEN is schrijver en groot bewonderaar van Hemingways werk. Voor Morgen zijn we in Pamplona (2007), over een vluchtende bokser die bij de stierenrennen in Pamplona belandt, putte hij inspiratie uit The sun also rises.

SERGE VAN DUIJNHOVEN is dichter, schrijver en journalist. In de jaren negentig was Van Duijnhoven verslaggever in Sarajevo. Vanavond spreekt hij over het vak van oorlogscorrespondent met als leidraad Hemingway en A farewell to arms, een van zijn favoriete boeken.

Entree: €7,50 (incl. koffie/thee) / gratis (met Literatuurhuispas)
AFSCHEID VAN DE WAPENEN
Dé grote Amerikaanse roman over de Eerste Wereldoorlog

In zijn semi-autobiografische roman uit 1929 vertelt Ernest Hemingway het onvergetelijke verhaal van een Amerikaanse ambulancechauffeur aan het Italiaanse front en zijn liefde voor een Engelse verpleegster. Tegen de achtergrond van de onverbiddelijke oorlog schetst Hemingway een portret van hun onmogelijke liefde met een intensiteit die ongeëvenaard is in de moderne literatuur. Afscheid van de wapenen is een van de allermooiste anti-oorlogsromans ooit geschreven. Met deze herziene uitgave is Hemingways meesterwerk nu voor het eerst sinds 25 jaar weer verkrijgbaar in het Nederlands.

€15 | Atlas|Contact | tijdens het hele festival verkrijgbaar in de stand van boekhandel Savannah Bay

 

 

Een Junior-suite in het Plaza Athenee dankzij Charles Aznavour

Ontmoetingen met Charles Aznavour

Ontmoetingen met Charles Aznavour
Charles Aznavour is negentig jaar en hij blijft met plezier optreden: zaterdag komt hij bijvoorbeeld naar Antwerpen voor een concert. De ideale gelegenheid voor Monschau om Aznavour-anekdotes op te diepen met Patrick Riguelle en journalist Serge Van Duijnhoven.

Journalist en schrijver/dichter Serge Van Duijnhoven heeft Charles Aznavour tien jaar geleden ontmoet in Parijs. Zijn luxueuze hotelkamer werd zelfs door Aznavour persoonlijk betaald.

Serge kiest voor “Mon Ami, mon Judas”, een meerlagig nummer.

Charles Aznavour speelt op 22 november in de Lotto Arena in Antwerpen. Meer info via sportpaleis.be

foto Charles Aznavour ©: Wikipedia

Interview met Charles Aznavour – door Serge van Duijnhoven

From: Serge van Duijnhoven

To: dewerelddraaitdoor@vara.nl

Sent: Thursday, December 04, 2008 9:07 PM

Subject: Charles Aznavour

Aan Matthijs van Nieuwkerk

De Wereld Draait Door

Persoonlijk

Brussel, 04.12.08

Beste Matthijs,

vernam via via dat je een passioneel liefhebber van Charles Aznavour bent.

Enige tijd geleden had ik het grote genoegen, hem in Parijs te mogen interviewen, in het poepsjieke Hotel Plaza Athenee in de monaine Boulevard Montaigne – vlakbij de Champs Elysees. Ik had al jaren om een interview lopen zeuren, en ter gelegenheid van de nieuwe toernee die de toen al 80 jarige zanger (hij is nu 84) van plan was te maken, mocht ik hem een uur lang vragen stellen.

Ik was in die tijd helemaal down and out, rock bottom. Kocht met mijn laatste centen een Eurolines busticket naar Parijs, zette mijn hoed op, trok mijn lange leren jas aan, en hoopte maar dat de grote zanger geen duur drankje zou bestellen tijdens de high tea in het legendarische vijfsterrenhotel waar de grote vedette perse wenste af te spreken. Ik kwam er binnen met knikkende knieen, en jawel, de bedienden bij de receptie vroegen me meteen argwanend hoe ze mij konden helpen en wat ik van plan was.

“j’ai rendez-vous avec monsieur Charles Aznavour”, zei ik.

Ik zag de jongen van de receptie sceptisch kijken.

“La direction est au courant…”, probeerde ik nog.

Er werd gebeld. Gelukkig bleek Aznavour de directrice van het hotel vantevoren op de hoogte te hebben gebracht van zijn komst.

Ik mocht plaats nemen in de ontvangsthal, en nam zenuwachtig mijn vragen door.

Na een kwartier schreed de frele maar nog altijd kwieke zanger binnen samen met zijn gevolg; ik veerde op, maakte kennis, en volgde Aznavour en de directrice van het hotel naar een gerieflijke plek in de langwerpige tearoom-hallway waar een harp stond en waar mensen obers opdracht gaven om hen wagentjes op wielen met zilveren theeservies voor te rijden.

Ik had nog precies achttien euro in mijn portemonnee. Een thee kostte 34 euro. Ik had genoeg voor twee glazen water, of iets van dien aard.

Aznavour nam het voortouw, vroeg wat ik wilde drinken, en bestelde een uitgebreide high tea met four o’clock versnaperingen. “Don’t worry”, vertrouwde hij me toe, en hij legde zijn rechterhand even op mijn schouder.

Het gevolg van Aznavour keek me sceptisch aan, maar liet alles betijen. Het interview raakte meteen op dreef, toen ik hem vroeg naar de houten vaten Ararat cognac die hij in Yerevan in de Ararat fabriek permanent paraat had staan. En naar de goodwill-werken die hij in het land van zijn (ouderlijke) herkomst verricht. Ik ben enkele malen in Armenie geweest, en de betrokkenheid van Aznavour bij dit in 1988 door een zware aardbeving en overig onheil (de genocide door de Turken in de Eerste Wereldoorlog, de Sovjetoverheersing, de Turkse boycot etc.) bleek ook tussen ons een zekere sympathieke band te smeden.

Het interview, dat eigenlijk hooguit een uur had mogen duren, duurde bijna drie uur.

Tegen die tijd was het al avond, en Aznavour vroeg, toen het gesprek ten einde was, wat ik verder nog van plan was.

Ik, die nog maar een luttel aantal euro’s op zak had, antwoordde: “Ach meneer Aznavour, ik ga nog wat van de stad genieten. Ik neem aan dat het te laat is om nu nog naar Brussel terug te keren.”

Aznavour keek me een tijd doordringend aan, en vroeg me daarop of ik misschien gediend zou zijn met een kamer in het hotel waar we verbleven. Ik was duidelijk in verlegenheid gebracht.

“Eh…, ik vrees dat ik daarvoor de middelen niet kan opbrengen, meneer Aznavour.”

De zanger knipte daarop met zijn vingers, en vroeg de vrouwelijke manager van het hotel bij hem te komen. Hij fluisterde iets in haar oor, zij knikte, en daarna zei hij: “voila, c’e’st regle. Veronique s’en occupera. Je vous souhaite un tres bon weekend ici a Paris. Au revoir monsieur Van Duijnhoven, profitez-en. Il me semble que ca vous fera du bien…”

De zanger verdween met zijn gevolg door de langwerpige gang, en verliet het hotel, nagestaard door de talrijk aanwezige gasten die genoten van de kerstsfeer in het legendarische logement. Veronique de manager vroeg me haar te volgen naar de tweede verdieping, waar ze me naar een Junior Suite leidde – een immens vertrek van 190 vierkante meter met twee slaapkamers, een werkvertrek, twee badkamers en een vleugelpiano. “C’est la chambre que monsieur Aznavour vous a reserve”, meldde ze me met een uitgestreken gezicht. Om daaraan toe te voegen: “Et paye. Jusqu’a lundi matin. Je vous souhaite un tres agreable sejour, monsieur Van Duijnhoven.”

Ik was sprakeloos. De klaploper die ik op dat moment was, had het genoegen om op voorspraak van monsieur Charles Aznavour te mogen verblijven voor twee ganse nachten in een van de mooiste Junior Suites van het sjiekste hotel van Parijs – a raison de 1800 euro per nacht.

Ik voelde me op dat moment de meest bevoorrechte mens op aarde, dat kun je je wel voorstellen.

Bij terugkeer in Brussel, heb ik het interview uitgewerkt.

Het is verschenen, enkele maanden later, in De Groene Amsterdammer, alwaar de toenmalige hoofdredacteur Hubert Smeets en (de vader van) redacteur Sander Pleij ook fervente Charles Aznavour liefhebbers bleken te zijn.

Ik ben Aznavour nog enkele keren gaan beluisteren, in Brussel, Parijs en Luik. En elke keer is hij even hartelijk voor me geweest. Een hotelkamer heb ik niet meer cadeau gekregen, maar een glas champagne heb ik nog wel twee keer met hem mogen drinken. En dan te bedenken dat sommige kniesoren zoals Willem Duys Aznavour een onsympathieke vrek hebben genoemd. Als iemand weet wat de boheme betekent, en wat de prijs kan zijn van een armlastige jeugd, dan is het wel deze unieke persoonlijkheid en dit genereuze genie.

Hier encore, je caressais le temps…

Met vriendelijke groet en respect voor je onderhoudende programma,

Serge van Duijnhoven

Ils sont tombés pudiquement, sans bruit,
Par milliers, par millions, sans que le monde bouge,
Devenant un instant, minuscules fleurs rouges
Recouverts par un vent de sable et puis d’oubli.
(…)

“Ze zijn gevallen, stil, bij duizenden, miljoenen, in de bloei van hun leven
en zonder dat de wereld bewoog. Ze zijn van goed en have weggevoerd
Ze zijn, gelijk minuscule bloemzaadjes, door de woestijnwinden ontvoerd
En begraven in het zand van de vergetelheid.”
– uit: Ils sont tombés (Charles Aznavour, 1975)

De man van honderd levens en duizend liederen<

Door Serge van Duijnhoven

Terwijl mondain Parijs om hem heen wervelt, straalt de tweeentachtigjarige zanger en acteur Charles Aznavour een ontspannen sereniteit uit. Hij bestelt een thee infusion “Moroccon Ruby”, die hij gedurende het gesprek echter nauwelijks aanraakt. Zijn rechterarm hangt losjes over de lederen clubzetel van het luxueuze art-deco hotel Plaza Athenee aan de Boulevard Montaigne, alwaar het decor wordt bepaald door olieverfschilderijen van de hand van de zeventiende eeuwse meester Claude Gelee, beter bekend als “Le Lorrain”, ingebed in nissen zo diep dat mensen er werkelijk in kunnen gaan zitten. De zanger is hier merkbaar op zijn gemak, en ook het hotelpersoneel lijkt niet van zijn apropos gebracht door de aanwezigheid van de Franse vedette die door het blad Time enkele jaren geleden nog tot “entertainter van de eeuw” is verkozen.

Voor ons, in de langgerekte met somptueuze tapijten ingerichte Galerie des Gobelins, klinkt het getik van van porseleinen kopjes die voorzichtig van hun schoteltjes worden getild en teruggezet. Het beheerste geroezemoes van de clientele, vermengt zich met het sierlijke geluid van een harp.

(Zijden gordijnen temperen het middaglicht, dat in de vele kristallen kandelaars en zilveren theekannetjes weerspiegeld wordt. Een glazen wand, bestaande uit sierlijke hoge ramen met smalle kozijnen, biedt uitzicht op de tuin van het hotel.)

Aznavour gaat gekleed in een grijsgestreept pak en een purperrode bloes met oranje stropdas. Enige momenten bestudeert hij aandachtig de menukaart. Een leesbril op het puntje van zijn neus. Dan legt hij de kaart neer. De apetijt ontbreekt, zegt hij, omdat hij nogal in beslag is genomen door de opnames van een tv-film die zopas van start zijn gegaan in Puteaux, een stadje in de Hauts de Seine. Ennemi Public zal de film gaan heten, en Richard Bohringer is Anavours voornaamste tegenspeler. Het script is gebaseerd op een waar gebeurd verhaal, en gaat over de poging van een een ontsnapte delinquent om uit handen te blijven van de politie. “Maar meer kan ik u er op dit moment niet over vertellen.”

Is het acteren voor u even belangrijk als het zingen?

“Je zou het als volgt kunnen formuleren: met het chanson ben ik getrouwd, maar de film is mijn maitresse. Ik houd van allebei, maar in de eerste plaats ben ik een tekstdichter, die zijn verzen met muziek vertolkt. Pas daarna ben ik ook acteur. Toen ik klein was (de zanger grijnst) “wel, dat ben ik natuurlijk nog steeds, ik bedoel toen ik als jonge knaap lessen volgde op de Ecole du Spectacle, toen had ik maar een doel voor ogen, en dat was om acteur te worden bij een professioneel toneelgezelschap. Omdat er op het podium ook wel eens gedanst moest worden, volgde ik als bijvakken piano en solfege. Dat de bijvakken van toen uiteindelijk mijn hoofdberoep zijn geworden, zie ik als een ironische wenk van het lot. Natuurlijk maak ik als zanger tijdens mijn voordrachten gebruik van mijn ervaring als acteur. Sommige van mijn chansons zijn eigenlijk kleine toneelstukjes die het niet kunnen hebben van het zingen alleen.”

In uw memoires “Le temps des avants”, die vorig jaar zijn verschenen, haalt u prachtige herinneringen op aan uw familie, uw jarenlange oponthoud in de entourage van Edith Piaf, de moeizame weg naar de top, uw amoureuze veroveringen en gebroken huwelijken, de dood van uw aan pillen verslaafde zoon Patrick, uw banden met het Armeense volk. Maar over het ontstaan van uw talloze liedteksten en chansons komt de lezer bitter weinig te weten. Heeft u dit onderwerp bewust vermeden?

“Maar dat is toch ook nauwelijks interessant. Ik ga zitten aan mijn werktafel, neem een pen ter hand, wat papier, en begin te krabbelen. Dan probeer ik er passende muziek bij te verzinnen. Wat is daar nu poetisch of boeiend aan? Je suis un tâcheron, ik ben een schrijnwerker die met woorden hakt en melodieen in plaats van met steen. Het geheim van het vak, is gelegen in de arbeid zelf. De uren dat je aan de slag bent. Ik verbaas me altijd over diegenen die vertellen: “ik liep in die en die straat, zag een meisje lopen bij de metroingang, en plots kreeg ik toen de ingeving om dit bewuste lied te schrijven.” De muze is niet lui, maar werkt zich noodgedwongen in het zweet. Brassens sloot zich op in zijn kelder, waar zijn orgeltje voor hem klaar stond. Cocteau trok zich iedere middag na de lunch terug in zijn werkkamer. Trenet ging iedere ochtend zitten krabbelen aan zijn werktafel. Brel zei het zo: “Talent bestaat niet. Alleen luiheid bestaat…””

In uw boek komt u over als iemand die uiterst vastberaden te werk is gegaan en zo min mogelijk aan het toeval over heeft gelaten.

“Laat ik het zo zeggen: de successen die ik gekend heb, zijn me niet in de schoot geworpen. Er waren zoveel handicaps die ik moest zien te overwinnen, dat ik voor ieder stapje voorwaarts twee- of drie keer zo hard moest knokken als sommige van mijn collega’s zoals Gilbert Becaud of Yves Montand. Mijn doorbraak heeft lang op zich laten wachten. Het was vooral een kwestie van doorzettingsvermogen. Je kunt in dit vak niet gaan liggen wachten tot het lot je een juiste wind in de rug blaast.”

Wat verklaart uw gedrevenheid?”

“Ik heb altijd gedacht, vanaf het prille begin, dat ik, als immigrantenzoon, beter moest presteren dan de meesten om toch gewaardeerd te worden. En dat, als ik wilde slagen in het artiestenleven, ik ook echt een hoofdprijs in de wacht moest zien te slepen: alles of niets. Het zal ook wel te maken hebben met mijn ouders, die ook artistieke ambities koesterden maar nooit de kans hebben gekregen daar iets van te realiseren in die moeilijke jaren twintig en dertig, toen er keihard gewerkt moest worden om de mondjes van hun kinderen te voeden. Daarbij was er de handicap van de taal, die mijn ouders maar moeilijk onder de knie kregen. Hun zware accent maakte een fatsoenlijke loopbaan hoegenaamd onmpogelijk. Ik besef terdege dat ik als artiest een leven leid waar mijn ouders alleen maar van konden dromen. Mijn motivatie heeft beslist hiermee te maken. Alleen al jegens hen kan ik het me niet permitteren om het er in dit vak met de pet naar te gooien.”

Heeft u gedurende uw carriere veel hinder ondervonden van uw geringe lengte (1m61), of heeft deze beperking u wellicht gesterkt in uw ambitie?

Aznavour glimlacht, terwijl hij met een lepeltje in zijn infusion roert.

“Suggereert u nu dat ik beroemd wilde worden, vanuit de motivatie om aan mijn geringe postuur te ontstijgen? Dat lijkt me nu wel erg cru gesteld. Ik heb daar nooit zo bij stilgestaan, mijn lengte is geen bron van frustratie voor me geweest. Ik heb er wel altijd rekening mee gehouden, dat ik op allerlei gebieden een achterstand had goed te maken, en daarom ook extra kritisch door anderen zou worden beoordeeld. Vooral in het begin is het een harde leerschool geweest. Alles aan mij leek wel een sta in de weg voor wat ik wilde bereiken. Behalve dat ik klein was, bezat ik nog andere kenmerken die niet in mijn voordeel waren. Ik had een uitheemse Kaukasische kop met een kanjer van een neus, een stem die niet aan de mode van die tijd voldeed. Voorts had ik een naam die de Fransen maar moeilijk in de oren klonk en die dus ook voortdurend verkeerd werd gespeld. Allemaal zaken die het er voor een beginnend artiest die naamsbekendheid probeert te verwerven, niet makkelijker op hebben gemaakt. De twijfel, de ontmoediging, het gevoel niet begrepen te worden of niet de kans te krijgen die ik verdiende, hebben me vaker verslagen dan ik wel wilde. Zaaleigenaren verklaarden me voor gek dat ik door ben gegaan. Ik heb fluitconcerten over me heengekregen. Er zijn bierflesjes naar me gegooid, er is met geld naar me gesmeten om me te doen ophouden met zingen. Over mijn stem deden de wildste geruchten de ronde. Bruno Coquatrix, de directeur van de Olympia in Parijs, vermoedde dat ik keelkanker had. Gelukkig heb ik me nergens iets van aangetrokken. Ik ben gehard tevoorschijn gekomen uit de strijd. Men zegt wel: karakter is bestemming. In dat opzicht zijn mijn moeilijke en magere jaren (“ces premieres annees de vaches maigres”), geen vloek voor me geweest. Want ze hebben ervoor gezorgd dat ik er nu, als tachtigjarige, nog altijd sta. Je suis toujours la, en haut de l’affiche. Ik heb afgelopen jaar een nieuw album uitgebracht, en van de zomer begin ik aan een toernee door Canada en de Verenigde Staten.”

Bent u trots op wat u in uw leven hebt bereikt?

“Ja en nee. Ik ben een fier mens met een sterk gevoel voor eigenwaarde. Maar ik ben ook erg veeleisend voor mezelf. Ik ben eigenlijk nooit echt helemaal tevreden over wat ik doe. Er is altijd wel iets dat me niet bevalt, en waarin ik naar mijn eigen maatstaven tekortschiet. Ik heb het gevoel dat elk lied, elke uitvoering, elk album, altijd nog beter kan klinken. Of anders aangepakt moet worden. Ik blijf mijn liederen eindeloos arrangeren zoals u weet, en geen enkele versie is volmaakt. Ik ben misschien ijdel, maar ik zal nooit wegzinken in voldoening om wat ik gepresteerd heb. Het nadeel is dat ik wat nukkig of chagerijnig kan overkomen. Het voordeel is dat de machinerie nooit stilvalt.

In mijn geval zou ik, als ik op mijn lauweren ging rusten, al gauw creperen van verveling. Ulla (Aznavours Zweedse vrouw, Ulla Thursell – SvD) zou me beslist het huis uit jagen. Ik ben nu al niet te doen als ik een tijdje niet meer heb opgetreden.”

U zit nu ruim zestig jaar in het vak, en hebt zo’n duizend liederen op uw naam staan. Heeft u het gevoel dat uw chansons zich in de loop van de decennia in een bepaalde richting hebben geevolueerd? Tussen “Au creux de mon epaule” uit 1950 en “Mon ami, mon Judas” uit 1980 schuilt een wereld van verschil in melodische, ritmische en tekstuele complexiteit…

Charles Aznavour: “Ik denk eerlijk gezegd dat de muziek niet het cruciale element is in mijn artistieke werk. Ik gebruik de muziek als vehikel voor mijn teksten. Zoals ik ook mijn stem gebruik. Maar eigenlijk zijn het mijn verzen die moeten zingen, dat is de uitdaging waaraan ik elke keer weer opnieuw probeer te voldoen. Natuurlijk genereren gedichten of liedteksten vanuit zichzelf ook muziek, via het metrum, de herhaling, het rijm, de klank van de woorden etcetera. Het is dus logisch dat ik passende melodieen en muziek bij mijn verzen pleeg te bedenken. Een componst in de klassieke betekenis van het woord, ben ik zeker niet. Het gaat mij om het lied in de uitvoering, niet om de partituur. Irving Berlin was ook zo iemand als ik, die vooral liederen schreef. In tegenstelling tot Gershwin, die de wereld verbaasde met de complexiteit van zijn partituren, zoals bv. An American in Paris. Voor het publiek is dit alles niet van belang, want of een chanson nu vanuit de tekst of de partituur tot stand is gebracht: het resultaat is hetzelfde.”

U heeft nooit een geheim gemaakt van uw Armeense afkomst; in 1988 heeft u een stichting opgericht, Aznavour pour l’Armenie, die humanitair werk verricht in de door armoede, oorlog en aardbevingen getroffen regio. Ook heeft u zich openlijk solidair verklaard met de Armeense voorhoede die strijdt om erkenning van de genocide uit 1915 en 1916 door het Franse en Europese parlement. In Armenie wordt u daarom op handen gedragen, u geldt als een ikoon van de Armeense diaspora en vorig jaar is er in Jerevan zelfs een standbeeld voor u opgericht. Voelt u zich inmiddels meer Armenier dan Fransman?

Ik ben een Fransman van Armeense origine. En dus voel ik me zowel het een als het ander. Ik ben van top tot tenen Fransman, ik spreek en denk en eet Frans. Maar van huis uit ben ik Armeens, mijn vader was het, mijn moeder, mijn grootouders. Dat ik me inzet voor de erkenning van de genocide is logisch, want ik ben opgegroeid in de schaduw van die tragedie, waarbij de hele familie van mijn moeder is uitgemoord maar waar thuis nooit direct over werd gepraat. Ik denk dat atrapiden en hun kinderen, mensen die uit hun vaderland zijn gevlucht, altijd sterk verbonden blijven met hun land en cultuur van herkomst. We dragen een wonde met ons mee. Men heeft ons moedwillig weggerukt van onze bakermat, en wel tweemaal. Een keer tijdens de genocide in 1915, en vervolgens tijdens de Sovjetperiode. Ik vind het belangrijk om sterke banden te houden met de cultuur en taal van mijn ouders en voorouders, om dat niet verloren te laten gaan.

Turkije ontkent nog altijd dat zij voor de genocide op de Armeniers verantwoordelijk is. Vindt u dat de EU de Turken hierop zou moeten aanspreken? En hoe staat u tegenover de wens van uw president om Turkije lid te laten worden van de Europese Unie?

Ik wil geen gezworen vijand zijn van het Turkse volk, mijn droom is juist alsnog eens het geboorteland van mijn moeder te bezoeken, maar… maar… maar… voorlopig kan daar kan geen sprake van zijn. De Turken zijn duidelijk nog altijd niet met hun imperialistische en nationalistische verleden in het reine gekomen, zoals de Duitsers dat wel is gelukt na de oorlog. Militaire en politieke massa-moordenaars als Enver en Talat van de Jonge Turken (die samen met Djamal pacha deel uitmaakten van het triumviraat van 1913), die de uitroeiing van de Armeniers op hun geweten hebben, worden in Turkije nog altijd gezien als nationale helden die grootse daden heben verricht. Kunt u zich voorstellen dat er in het Duitsland van vandaag nog esplanades of scholen zouden worden vernoemd naar Adolf Eichmann of Joseph Goebbels?

En wat betreft het standpunt van uw president?

Ik heb daar inderdaad gemengde gevoelens over. Wat me niet bevalt, is dat de president iedere kritiek op Turkije als niet opportuun bestempelt. De huidige Franse president is als de dood dat de Franse kiezers het referendum in mei over de Europese grondwet, wel eens zouden kunnen misbruiken om hun afkeuring uit te spreken over de vraag of Turkije wel of niet lid mag worden van de EU. Ik weet wel dat la raison d’etat in de politiek zwaarder doorweegt dan de grieven van deze of gene bevolkingsgroep – maar niemand kan de moord op anderhalf miljoen mensen als een bagatel van tafel vegen. Als Frans burger kan ik begrip hebben voor de toenaderingen tot Turkije, maar waarom de erkenning van de genocide niet evengoed een voorwaarde voor toetreding laten zijn als bv. de erkenning door Ankara van Cyprus?

In 2002 speelde u de hoofdrol in de speelfilm Ararat van de Canadees/Armeense cineast Atom Egoyan. U vertolkte het personnage van Edouard Saroyan, een cineast die probeert een film te maken over de sporen die de Turkse genocide in het heden hebben nagelaten. Uw personnage neemt is een politieke activist die een granaatappel meeneemt overal waar hij gaat, en er iedere dag op theatrale wijze een zaadje uitpulkt ter herinnering aan de talloze volksgenoten die zijn afgeslacht of uitgehongerd. Met dit vaste ritueel schoffeert de regisseur iedere dag opzettelijk de Turkse acteur, die in de film een van de gangmakers van de genocide moet spelen. Was dit uw idee?

“Het gaat om een cinemarol. De radicale regisseur van Armeense afkomst die ik speel in de film, lijkt niet op de persoon die ik in werkelijkheid ben. Ik ben geen politieke activist, en ook niet radicaal. Veeleer gematigd. Ik reken op de dialoog en niet op de harde confrontatie of de doelbewuste provocatie, om een erkenning van de genocide door Turkije te bewerkstelligen. Turkije heeft daar alles bij te winnen. De jongere generatie kan de morele plicht om de feiten te erkennen, niet voor eeuwig voor zich uit blijven schuiven. Eens zal ze met haar verleden in het reine moeten komen. Mijn hoop is niet op de oudere generaties gericht. Maar misschien dat de jeugd de moed zal hebben om het revisionistische beeld van de Turkse geschiedenis te corrigeren. En zich te distantieren van de misdaden die de oude machthebbers op hun geweten hebben. Zoals ook veel jeugdigen in Frankrijk zich openlijk distantieren van het racisme van Le Pen en het FN en soms ook van hun eigen ouders. Het is hoopvol dat zoveel jeugdigen de moeite nemen zich zo duidelijk tegen het virus van het ressentiment en de vreemdelingenhaat teweer stellen. Het is hoopvol dat ze beseffen hoezeer het gebinte van de Franse maatschappij wordt aangetast door al die angst- en haatgevoelens waar mensen zich aan overgeven.”

Het prestige van de zanger en acteur, als bekendste uithangbord van de Armeense tragedie en diaspora, verplicht hem tot gematigdheid. Aznavour zegt dat hij ook onder zijn Armeense vrienden tot gematigder denken probeert aan te zetten, en hij veegt de vloer aan met het idee van de financiele of materiele genoegdoening die Turkije aan de slachtoffers van de genocide en haar nakomelingen, zou moeten betalen.

“Wat hebben wij nu nog te claimen, het huis van onze grootouders? Om wat te doen? Om er te gaan wonen? Ik woon goed in Frankrijk. Om het meteen weer te verkopen? Dat is toch te gek voor woorden. Moeten we daarom de Turken extra tegen ons in het harnas jagen? Erkenning van de volkerenmoord gevolgd door een welgemeend mea culpa, dat is de grootste genoegdoening die Turkije de Armeniers kan bieden. Hardvochtig jegens Turken in het algemeen ben ik niet, nee. Ik praat net zo graag met Turkse journalisten, als met iemand uit Belgie zoals u. Uw land geniet al lang een vrije pers, maar in Turkije hebben de journalisten nog een hele calvarie te beklimmen. Door in hun artikelen mijn standpunten over de genocide te vermelden, kunnen de autoriteiten vast een beetje wennen aan de smaak van de vrijheid die ze in Ankara zo hoog in het vaandel hebben staan sinds ze lid willen worden van de club van Brussel.

De rol van diplomaat voor de Armeense zaak, ligt u goed. Ziet u het zelf ook als een roeping?

Het is een rol die ik nooit specifiek heb geambieerd, maar die mij vanwege mijn bekendheid in mijn schoenen is geschoven. Bij mij thuis praatte men nooit over de genocide, we spraken alleen wel eens over de martelaren. In vage termen. Ik vernam van de genocide via de tranen van mijn moeder, die haar hele familie in de slachtingen is kwijtgeraakt. Toen ik enigszins bekend begon te raken, mij een naam verwierf als artiest en acteur, begonnen steeds meer mensen – en niet alleen Armeniers – mij artikelen toe te sturen, getuigenissen, teksten, een gedicht van Max Jacob over de genocide. En nog steeds sturen mensen van over de hele wereld mij artikelen toe die op de volkerenmoord betrekking hebben. Ik ben een soort van aanspreekpunt geworden.

De Armeniers die de genocide hebben overleefd, hebben zich goed weten te integreren. Ze hoeven niet perse terug naar het land van hun herkomst. Ze hebben elders hun leven opgebouwd, vrienden gemaakt, cultuur verworven, zaken gedaan, kinderen gekregen, zonder dat ze aan hun wortels, hun afkomst, hebben verzaakt.

Armeniers zijn geliefde buren in de stad, omdat ze zo hartelijk en sociaal zijn, omdat ze de mensen uitnodigen om te komen eten, omdat ze trots zijn op hun keuken; Yves Montand, die in Marseille heeft gewoond, had daar zoveel contact met Armeniers dat hij de taal heeft leren spreken. Ik heb nog een kaart van hem bewaard, met een boodschap in het Armeens, fonetisch welteverstaan. Want het Armeense alfabet, dat was hem te cryptisch. De Armeniers zijn een van de vele volkeren die zich met succes in de Franse samenleving hebben weten te vermengen. De Franse samenleving heeft hen geaccepteerd. Dat absorptievermogen maakt van Frankrijk uiteindelijk toch een groot land.

Ik ben geen man van de haat of van op de spits gedreven tegenstellingen. Persoonlijk koester ik jegens niemand een afkeer. Zelfs niet jegens de heer Le Pen. Ik heb wel groot bezwaar tegen zijn politieke programma. Als ik hem tegen zou komen, zou ik hem niet in het gezicht spugen. Ik zou hem netjes de hand schudden, maar in het gesprek dat volgde ook mijn afkeuring kenbaar maken jegens zijn visie op migranten en hetze tegen vreemdelingen. Als Le Pen aan de macht zou zijn gekomen in de tijd dat mijn ouders vluchtelingen waren, zou ik vandaag de dag geen Fransman geweest zijn.

Mijn chansons gaan uiteindelijk altijd over wat de tijd met iemands leven doet. Hoe hij of zij zich teweer stelt of niet, en over de pogingen van mensen om ondanks alle miserie toch te profiteren van het leven. Ze gaan ook over de spijt die resteert als de dingen voorbijgaan. Vandaar die melancholie in zoveel nummers. Toch hoop ik ergens dat de tijd mij in essentie niet veranderd heeft. Dat ik ondanks alle succes, en ondanks alle jaren, toch nog voldoende trouw ben gebleven aan mezelf. Het is daarom ook dat ik geregeld oude interviews met journalisten teruglees. Ik wil weten wat ik destijds heb gezegd. Ik wil niet dat de man die ik nu ben, verzaakt aan de man die ik vroeger was.

Wat is de invloed die Edith Piaf op uw eigen professionele carriere heeft gehad?

Nou, haar invloed op mij was enorm. Voor mij heeft ze enorm veel betekend. Ik heb acht jaar lang in de entourage van Piaf doorgebracht, ben haar overal trouw mee naartoe gevolgd, en haar vriend gebleven tot het einde van haar leven.Voor een jonge zanger en tekstdichter zoals ik, was het een fantastische gelegenheid om haar iedere avond te zien optreden. Ik hielp met de instellingen van het licht, het testen van de microfoon,alles. Ik was niet echt haar prive-secretaris, maar wel een bevriende jongeling die haar hielp haar zaken waar te nemen. Edith Piaf heeft me helpen inzien dat ik op ieder podium mezelf moet proberen te blijven, dat ik tijdens het zingen niet moet pretenderen een ander te zijn dan ik in werkelijkheid ben. Dat ik gewoon mezelf moet zijn en moet blijven. Natuurlijk voer je een act op als je voor het voetlicht treedt, in een zaal met publiek. Maar door Piaf heb ik tenminste geleerd me vrij te voelen op een podium, zoals ook zij zich duidelijk vrijer en natuurlijker dan andere vakgenoten op de buehne uit kon drukken. Van haar heb ik geleerd dat ik niet moest proberen iemand anders te imiteren,maar mijn eigen persoonlijkheid zonder schroom of manierisme tot uitdrukking diende te brengen.

Is uw liefde voor het vak na al die jaren, al die albums en al die toernees, verminderd of veranderd?

“Het is en blijft een magnifiek beroep, zanger zijn, maar ook erg lastig omdat je er zo verdomd alleen voor staat. Je gaat moederziel alleen het podium op, en je komt na afloop van het concert altijd weer terecht in een kil zwart gat waarin je aan je eigen demonen bent overgeleverd. Een zanger moet een soort evenwichtskunstenaar zijn die te allen tijde zijn presence weet te bewaren, die zich nooit van zijn stuk laat brengen, nooit struikelt, en wiens stem nimmer faalt. Je staat constant onder druk, je succes wordt van dag tot dag op de hitparades gepeild en kritisch gemeten en vergeleken, en een hele equipe van belanghebbenden is voortdurend bezig om op allerlei suggestieve manieren je succes van gisteren te rekken tot morgen of overmorgen. Cinema is wat dat betreft een veel socialer beroep, je werkt een hele tijd hecht samen in een groot team dat lief en leed met je deelt.

Ik houd met heel mijn hart van de beroepen die ik uitoefen. Het tekstdichten, zingen en acteren. Als tekstdichter leef ik tussen de toetsen, de pennen en de tekstverwerkers. Ik blijf net zo lang zitten tot ik het juiste woord gevonden heb, tot het gewenste rijm zich aandient. En ook als acteur zoek ik naar de beste intonatie, naar dat ene treffende gebaar, die ene terloopse interpretatie die je spel de moeite waard kan maken. Als acteur, wil ik me elke keer weer als nieuw voelen, leeg, beschikbaar, als klei in de handen van de regisseur, met als enige zorg de wil om het beste van me te geven en om een gepaste interpretatie te geven van het woord “naturel”.

Als zanger, geniet ik ervan om honderd keer hetzelfde lied te zingen, er elke keer iets nieuws aan toe te voegen. Om het publiek en mezelf steeds weer opnieuw te verrassen. Ik hecht niet teveel waarde aan het oordeel van vakkritici of de commentaren van anderen, ik denk dat ik zelf de enige ben die werkelijk kan weten of ik naar behoren heb gepresteerd of niet.

Als tekstdichter voel ik me het best in mijn vel. Ik ben nog altijd verliefd op de Franse taal, zonder de pretentie te hebben dat ik haar tot in de perfectie beheers. Ondanks alle moeite die ik me getroost, bezit ik nog altijd tal van lacunes. Ik houd gewoonweg van woorden, van hun klank die allerlei onderhuidse betekenissen oproept, zoals het woord rond ook echt in de monholte blijft rondzingen en het woord puntig ook echt scherp en afgesneden klinkt zodra de adem aan de lippen ontsnapt. La porte qui claque et mon ame se perd… Als ik schrijf kies ik niet per definitie het meest juiste woord, maar wel het woord dat het beste resonneert. Een woord als torrrrnado bijvoorbeeld, dat beter rolt met de r’s en dus meer effect oplevert dan een woord als storm- of wervelwind of typhoon.

Het enige dat aan het eind van de dag werkelijk telt, is het gevoel dat je je werk zo goed mogelijk hebt gedaan, “le bel ouvrage” hebt afgeleverd zoals men vroeger zei. Als zanger heb ik na zestig jaar op de buehne te hebben gestaan, in ieder geval het gevoel dat ik voldaan heb aan het contract dat mij met mijn publiek – oftewel mijn baas – verbond.

Hoewel ik er vaak over zing, heb ik niet een scherp en precies gevoel van tijd die voorbijgaat. Als ik op de buehne sta, heb ik zowiezo het gevoel dat ik dertig jaar jonger ben dan ik werkelijk ben. Mijn gekerfde handen en de bril die ik moet dragen als ik wil lezen, herinneren me eraan dat ik werkelijk zo oud ben als ik ben. Als immigrantenzoon ben ik grootgebracht met het besef dat ook de dood deel uitmaakt van het leven; ik ben blij dat ik nog leef, maar de dood jaagt me op zich geen schrik meer aan. Ze is iets natuurlijks en organisch geworden, een beetje als een ver familielid die je kent van de verhalen en waarvan je weet dat ze bestaat, ook al heb jij ze nog niet ontmoet. Ik praat erover, en maak er grapjes over. Ik werp wel af en toe een blik over mijn schouder, en probeer dan het pad te zien dat ik tot heden heb afgelegd. Wonderen bestaan waarschijnlijk enkel in dit ondermaanse, maar fortuna is me in dit leven ondanks alles niet ongunstig gezind geweest. Ik wil best nog een hele tijd voort, maar ook met wat ik al gehad en bereikt heb ben ik meer dan gelukkig. Ik heb me ten volle gegeven, en het leven heeft me voor mijn inspanningen een flinke smak terugbetaald. Inspiratie, plezier, liefde, nageslacht, roem, geld. De laatste jaren heb ik geleerd om minder aan bepaalde dingen en mensen te hechten, om afstand te nemen van de zaken die me vroeger volledig in beslag namen. Ik lees minder kranten en tijdschriften, kijk minder naar de televisie. Alleen de radio blijft me echt bekoren, vooral de praatprogramma’s raar genoeg. Weet u, hoewel ik verschillende malen de wereld rond ben gereisd met mijn optredens, heb ik nog altijd het gevoel dat ik maar een fractie van deze planeet heb gezien. Ik ben nu tachtig, toch voel ik me niet oud of bejaard. Ik heb behoorlijk wat ringen verzameld rond de stam, dat is alles. De bast is uitgedijd, de boom is dezelfde. Klein maar fier, hij staat er nog. Dat is het belangrijkste. De rug recht, de kruin omhoog. De levenslust is nog dezelfde als toen ik aan de voet van de berg stond. Ik weet niet of het enkel mijn verdienste is, maar een feit is het wel: de Charles in deze kleine meneer Aznavour is intact gebleven. De man die ik nu ben, heeft aan de koppige ambitieuze artiest van toen niet verzaakt. Ik heb mijn artistieke missie naar beste vermogen volbracht, maar zonder het gevoel te hebben dat alles nu bereikt en achter de rug is. Het ligt nog steeds niet in mijn aard om tevreden te zijn over de dingen die ik doe. Ik blijf mijn liederen herschrijven, ik blijf optreden als zanger, nieuwe filmrollen accepteren, ik blijf hardnekkig proberen om bepaalde tekortkomingen te parerenen en mijn talenten te perfectioneren. Het is een even onontkoombaar als absurd gevecht, dat er niet om gaat als winnaar uit de bus te komen maar om stand te houden.

Naar de dood verlang ik niet, maar als hij komt zal ik hem hoffelijk bejegenen. Voorlopig heb ik hem met een stille grijns op afstand weten te houden. Ik sidder niet meer bij de gedachte dat ik er morgen wellicht niet meer zal zijn. The readiness is all, schrijft Shakespeare in Hamlet. Maar bedoelde hij bereid zijn of paraat zijn? Paraat ben ik wel, maar er is me nog teveel dierbaar om de handdoek zomaar in de ring te gooien. Waarom zou ik het Magere Hein zo gemakkelijk maken? Als hij me perse wil hebben, moet hij er wel wat moeite voor doen. Un homme debout ne se couche que pour mourir heeft mijn collega Leo Ferre eens gezegd. Wel, u kunt schrijven dat deze kleine oude meneer zich nog steeds niet te rusten heeft gelegd. Dat hij nog steeds weet hoe hij recht moet staan. En dat het voor hem weliswaar laat is geworden, maar nog steeds geen bedtijd is.

Charles Aznavour geeft aan dat het wat hem betreft genoeg is geweest, en steekt als afscheid zijn hand naar me uit.

interview werd gepubliceerd in de week van 2 april 2005 in De Groene Amsterdammer.

© Serge van Duijnhoven, Brussel

Bron1: https://sergevanduijnhoven.wordpress.com/2010/04/29/interview-met-charles-aznavour-door-serge-van-duijnhoven/

Bron 2: http://loorschrijft.web-log.nl/verwondering_is_het_begin/2010/06/man-van-honderd.html
Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie
Auguste Reyerslaan 52, 1043 Brussel

nv van publiek recht
BTW BE 0244.142.664
RPR Brussel
http://www.vrt.be/gebruiksvoorwaarden

1 / 2

Ontmoetingen met Charles Aznavour

IN MEMORIAM JORIS SCHIKS (1941 – 2014) Laatste woorden van een wijze tovenaar

De Nederlandse Boris Vian brengt zijn laatste album – Drei Sekunden Ewigkeit – postuum uit in het Duits.

Donderdagmiddag 9 oktober, stierf de Nederlandse zanger en cabaretier Joris Schiks aan een opengebarsten aorta in het Haagse Leyenburg ziekenhuis. Afgelopen voorjaar interviewde dichter Serge van Duijnhoven, frontman van de band Dichters Dansen Niet, deze pionier op het gebied van de gemuzikaliseerde lyriek. Op 15 maart traden beiden nog op in het pittoreske Haagse literaire theater Branoul in de Maliestraat. Met een dubbelprogramma waarin Van Duijnhoven zijn nieuwe album Vuurproef en Joris Schiks zijn postuum te verschijnen Drei Sekunden Ewigkeit presenteerde. Wat was bedoeld als een aanzet tot een Duitse tournee langs vele steden, is geeindigd in een melancholisch getoonzet testament van een oude wijze tovenaar. Die zijn einde wel accepteerde maar niet zo abrupt aan heeft zien komen.  

Helena de Groot, VRT Radio 1: “tegen zo’n stem als die van zanger Joris Schiks, ben ik weerloos.”

Wer weisst, wo die Zeit bleibt? – beluister en bekijk op Youtube:

Ik zit hier met Joris Schiks (1941) in zijn Haagse woning aan de Ammunitiehaven, dinsdagmiddag 15 april 2014. Een maand na ons gezamenlijke optreden in theater Branoul, in het pittoreske oude centrum van de Hofstad. Joris presenteerde er een avant-premiere van zijn duitstalige album Drei Sekunden Ewigkeit. Ik mocht er verschijnen met onze Dichters Dansen Niet-nieuweling Vuurproef. Een bijzonder optreden voor een volle en ontroerde zaal…

Serge: “Je staat met je muzikanten op het punt om jullie gloednieuwe album Drei Sekunden Ewigkeit, af te ronden. Waarom gaat een Nederlandse dichter-zanger een album maken in het Duits?”

Joris: “Omdat het moet. Dit album moet er zijn. Maar het is niet mijn eerste Duitse album. Het is mijn derde dat ik sinds de jaren zestig in het Duits heb uitgebracht. Naast een stuk of tien Nederlandse platen en programma’s. Mijn eerdere Duitse albums waren een beetje in de stijl van Jaap Fischer. Prikkelende woordkunst, teksten op muziek gezet. Dit album is dus zowel een voortzetting als een conclusie in logische zin. Ik eindig mijn lied in de taal waar ik eind jaren vijftig, toen ik de Ruth von Zerboni Schauspielschule in Muenchen heb doorlopen, ben begonnen te zingen en spelen.”

Serge: wat bracht jou zo kort na de oorlog naar het land van de Moffen?

Joris: “Ik werd in de oorlog geboren in Utrecht, op het Domplein. Mijn moeder woog nog maar 38 kilo vanwege de honger, en moest aan de bak zien te komen als pianolerares. Geen sinecure. Bittere armoede. Mijn vader , Albert Schiks, is in de oorlog verdwenen. Afgevoerd naar Duitsland in verband met de Arbeitseinsatz. Toen ik zestien jaar was, en mijn moeder het niet meer trok, heeft ze me op de trein gezet naar Muenchen. Waar mijn vader scheen rond te hangen. En als journalist zijn boterham probeerde te verdienen. Hij had iets te maken met de groep katholieke Nederlandstalige schrijvers, die probeerde zich vanuit het zuiden, in Belgie en Brabant, te emanciperen. Die achtergrond is hem van pas gekomen in Duitsland tijdens de oorlog, waar hij zich mocht ontfermen over het amusement van de Nederlandse tewerkgestelden. Hij schreef teksten voor orkesten, maakte programma’s en werd verliefd op een vrouw. Bij wie hij is gebleven, ook toen de oorlog ten einde was. Hij kreeg er kinderen. Ging werken voor de Amerikanen. Met mijn moeder en mij zocht hij geen contact meer. Op gegeven moment is er contact ontstaan, omdat mijn ooms een zoektocht naar hem zijn begonnen. Niemand wist waar hij precies uithing. Alleen via omwegen, kwamen we er uiteindelijk achter. Zelf heeft hij die boot altijd nadrukkelijk afgehouden. Waarschijnlijk dat hij scheiden wilde, mijn moeder heeft op dat verzoek conservatief gereageerd. Scheiden deed je niet, in haar katholieke milieu. Toen mijn moeder te ziek en zwak werd om me nog langer onder haar hoede te hebben, ben ik letterlijk op de trein gezet. Dus niet zoals Brel die zingt in dat prachtige lied Mon Enfance: “je voulais prendre un train que je n’ai jamais pris…” Die trein heb ik weldegelijk genomen. Op zoek naar mijn vader, in het zuiden van Beieren. Ik kwam midden in de nacht in Muenchen aan. Godzijdank stond m’n pa vermeld in het telefoonboek. Rond half vier belde ik bij hem aan, en meldde dat zijn zoon Joris voor hem stond. Hij was beduusd, maar nodigde me wel uit om binnen te komen. Mijn vader bleek inmiddels alweer met een nieuwe vrouw te leven. Een dame met wie hij tot zijn dood, kort geleden, samen is gebleven. En met wie ik een innige band heb kunnen ontwikkelen. We zien elkaar nog elk jaar.

Mogul Alkohol – beluister en bekijk op Youtube: http://youtu.be/aC93Xl_aN64

Serge: is de familienaam Schiks van limburgse origine?

Joris: “Dat zou zomaar kunnen. In het limburgs is “ein schikse” een (weg)splitsing. Heeft ook met de rechtspraak te maken. Mensen kunnen “schikken”. Voorts is er ook nog een joodse kant aan het verhaal. In het jiddisch betekent “een schikse” een katholieke vrouw die het met een joodse man deed. Of omgekeerd. Een gespleten gezin. Daarnaast kennen we natuurlijk het woord Schiksal. Lot. Enfin, mijn moeder was te ziek en zwak om nog naar terug te kunnen keren. Ik werd verzocht in Muenchen te blijven. En daar maar m’n strepen te verdienen. Het was mijn stiefmoeder, die me aanspoorde om het in het toneel te proberen. Al wist ik als zestienjarig knaapje hoegenaamd niets van het Duits en zijn rijke toneeltraditie. Op de toneelschool moest ik een tekst interpreteren van Goethe’s Der Zauberlehrling. Heb een week naar de tekst gestaard. En toen maar, voor de toelatingscommissies, gewoon gek gedaan. En dat werkte. Ik werd aangenomen, temidden van driehonderd gegadigden. Ik weet niet of je die serie hebt gezien, Heimat? De tweede cyclus speelt zich precies in die tijd af waar we nu over spreken. En ook die toneelschool van me, de Ruth von Zerboni Schauspielschule, speelt daar een rol in. Dus toen ik die serie zag, was het of ik mezelf weer op de buehne zag staan. Als spillebeen die zijn onvermogen maskeerde met het maken van kapriolen en strapatsen.”

Een roerige tijd. Muenchen werd de noodzakelijke culturele hoofdstad van West-Duitsland. Berlijn was in die jaren te geisoleerd geraakt. Berlijnse culturati weken massaal uit naar Muenchen, om er de theaters over te nemen of nieuwe te beginnen. Cinema’s, cabarets, keldertjes waar muziek en tekst voor het voetlicht werden geworpen van de hardwerkende Beierse burgerij. Gigantische gebouwen die in de prak lagen, midden in de stad. Maar waaronder altijd wel nog amusement te vinden was, bij kaarslicht. In sousterrains die dienst deden als culturele schuilkelders.

Joris: “In 1958 begon ik zelf mijn eerste liederen te zingen, en een pantomime-achtige act te ontwikkelen voor op de Buehne. Ik heb de toneelschool niet helemaal afgemaakt. Het eindexamen was alleen toegestaan voor oorspronkelijke of genaturaliseerde Duitsers. Op dat gebied was het, met drieduizend werkeloze acteurs in Beieren, echt nog wel van “je eigen volk eerst”. Ik ben bij mijn vader uit huis getrokken, en heb me als jonge bohemien in het Schwabinger Brettl gevestigd. Het Montmartre van Muenchen, waar er tientallen theaters te vinden waren. Karl Valentin was net dood, maar zijn volkse spitsvondige humor en dwarse geest hadden volop kruit weten te schieten in het nachtleven. Kijk maar naar de Muenchener Lach und Schiess-Gesellschaft en Die Zwiebel. Die bestaan nog steeds. Politieke cabarets waar je aan de lampen kon zwieren, en je stropdas de zaal in kon slingeren. En waar de satire zijn Hoogmis beleefde. Men had natuurlijk een hoop in te halen na de oorlog. Al zaten ze aan de foute kant, die Moffen, ze hadden ook een boel meegemaakt. De brokstukken van de stad, met hier en daar nog een raam dat boven een ruine uitstak en waar iemand achter  woonde terwijl er in de kelder een groot feest aan de gang was, bleek vruchtbare grond voor een haast surrealistisch gemoed. Alles kon. Alles mocht. Fasching, het Duitse carnaval, duurde in Muenchen zes weken. In Brabant en Limburg drie dagen. Het stikte kortom, van de rozen die bloeiden op de mestvaalt van het bruine verleden. We dansten op de kraterrand van een nog nasmeulende vulkaan. Met nachtclubs die veelal in joodse handen waren omdat de Duitsers zelf niks meer durfden. En die gefrequenteerd werden door een gemelangeerd publiek van GI’s, vrijbuiters, Beierse burgers en studenten. Een heet kosmopolitisch sfeertje, kan ik je verzekeren.”

Zo frequenteerde ik (in het Schwabing Brettl)  indertijd een bar, waar het des avonds  stervensdruk was. En er iedere avond een zangeres genaamd Gisela Jonas, van de speeltrap afdaalde. Het Oostenrijks-Hongaarse lied zingend:  “Aber der Novak laesst mich nicht verkommen…” –  Een soort huislied waar ze om de twee weken twee nieuwe coupletten aan toevoegde. Over Adenauer, de politiek, de Amerikanen, de Russen… Ik dacht: dat wil ik ook. Ik heb nog een plaatje van haar.

Beluister Gisela Novak op Youtube: http://youtu.be/kRqzgTVpq-k

Ook in Nederland ontstond rond dezelfde tijd een klein circuit, waar men in kroegen live ging optreden. De tijd van het theatre chantant. Shaffy en Job Pannekoek. Liesbeth Liszt. Ellie en Rikkert Zuiderveld. Dimitri van Toorn. Henk Elsink. Sito Hoving. Op het hoogtepunt waren er honderd plekken verrezen waar tekst en zang te horen waren. En te zien. In rokerige cafe’s en kelders. Toen ik in 1960 terugkeerde naar Nederland, omdat ik in Muenchen niet echt aan de bak kon komen als niet-genaturaliseerde Duitser, kon ik in Amsterdam meteen aan de slag op het podium van het jiddische cabaret HiHaHo.

(Het mobieltje van Joris begint te koekoeken, het is Bosz aan de telefoon. Hij wil ook even langs komen. Joris schenkt nog wat thee in).

Ik ben weer in Utrecht gaan wonen, op de Oude Gracht. Er was toen nauwelijks iets te doen. Ik heb in 1961 het kelderkabaret De Muzeval opgericht. Schuin onder het huis van schrijfster Ina Bakker. Een variatie op Die Mausenfalle, een club uit Muenchen. In een natte kelder, waar het vocht van boven op de piano druppelde. Mijn moeder leefde nog, zij componeerde hele leuke liedjes voor mij. En ze begeleidde mij live op de piano. Wij schreven ons als duo in bij het arbeidsburo, bij het loket kunstenaars en horeca. We zijn samen ook veel personeelsverenigingen afgegaan, op de beroemde schnabbeltour tussen de slangenmensen, accrobaten en accordeontrio’s. Ik probeerde fulltime artiest te zijn. Niks highbrow of pretentie. We waren jong en misten nog een zekere definitie. Ik deed ontzettend veel ervaring op tiidens die schnabbeltours. In de sanatoria, tussen de ijzeren longen. Nederland was verdeeld in twee plekken. Je had de grachtengordel, en dat wat er daar buiten gebeurde. En wat er daarbuiten gebeurde, daar wist Amsterdam niks van. Nog steeds niet, trouwens…

De Muzeval is op gegeven moment opgegaan in het Theater Schiller, vernoemd naar een Utrechtse wethouder. Het bestaat nog steeds. Omdat de kruising tussen de lyriek en het chanson me beter lag dan het ouderwetse cabaret van de kwekschool en de revu, ben ik in 1964 een nieuwe kroeg begonnen. Cafe chantant Canteclaer.  Wim Ibo kwam er geregeld kijken, met een pluk vrienden. Ramses Shaffy kwam ook wel langs, maar ik durfde hem destijds niet aan te spreken. Hij voelde een maatje te groot. Shaffy was Nederland ontstegen. Later heb ik met Shaffy menig neut genuttigd, op Ruigoord. En hebben we vriendschap gesloten. Maar tien jaar daarvoor ontsteeg Shaffy ons allemaal. We konden niet tippen aan de ruimheid van zijn geest. Ik heb me er wel aan gelaafd. En we groeiden naar elkaar toe. Shaffy viel van zijn Olympus af, wij kwamen hem juist tegemoet. En een decennium na Canteclaer kruisten onze wegen ons definitief.

Ik zocht met vallen en opstaan mijn eigen weg. Vanuit de zompige boezem en bermen van de artistieke marge.  Maakte in 1965 mijn tv- en radiodebuut, met Ischa Meijer. Won het cabaretfestival Cafe 65. Maakte een jaar later mijn eerste plaatjes, Een EP en later een langspeelplaat bij maatschappij Imperial. Opgenomen in de studio’s van Bovema Heemstede. Een eervolle plek. Ik mocht mijn opnamen maken tijdens de lunchpauzes van Toon Hermans.”

Joris laat me zijn debuutalbum zien. Een 78-toeren plaat waarop het nummer Ontoerekenbaar. En op de b-kant het nummer Een sekonde (“luister en leut, en daarna een feut”).

Joris: “Mijn moeder was de componiste en mijn begeleider. Een album a la Jaap Fischer. Gerard Cox. Daar was wel markt voor. Ik werd ook wel uit mijn bed gebeld, om samen op te treden met Heintje. Maar ik wilde mijn eigen arrangeur en stijl kunnen bepalen. En heb mezelf daardood min of meer verbannen naar de marge.”

De zanger laat me het nummer “Eeuwigheid” horen, uit 1967. Ik hoor een keurig gearticuleerd nummer op het album Goed Schiks, label Imperial. Uiterst beschaafd, luchthartig, geaffecteerd. Maar onder de manieristische, geaffecteerde oppervlakte van de voordracht, is de karakteristieke volle stem van Joris Schiks  onmiskenbaar al present… “ik reis door de zwarte stilte…” Het nummer doet sterk denken aan Boris Vian’s nummer “La Java des bombes atomiques”. Inclusief de krijtachtige stemverhogingen, de zwoele jazz-modulaties, het kekke virtuoze sfeertje van mafkezerij…

Joris roept, bij het herluisteren: “Dit is ouderwets zeg! Ik schrok me ook de kleren toen ik het voor het eerst hoorde. De producenten verpestten zo’n album volledig. Ik had geen enkele zeggenschap over het eindresultaat. Werd veel meer gegrepen door het werk van Dimitri van Toorn. Die had een zelfde soort maar eigenzinniger plaat gemaakt gebaseerd op teksten van dichter/bioloog Leo Vroman: Vrede, vrede!. Ik dacht: die arrangeur wil ik hebben. Heb dat ook gesuggereerd. Maar ‘t werd niet op prijs gesteld. Het leek wel of de platenbaas mijn nummers expres de ijzeren roeiriemen aanbindde. Maf, he! Ik was er helemaal doodziek van, van dat gekunstelde arrangement met het grote orkest, dat mijn insteek zo keurig en vakkundig wist te vernaggelen.”

In 1967 brengt Joris zijn eerste duitstalige programma “Anno Dreissig” op de planken, met teksten van Brecht, Weil, Tucholsky en Kaestner – gecombineerd met Modern Jazz en Rock ‘n Roll invloeden. Hij koppelt er, na een triomf in Nederland, een toernee door West-Duitsland aan vast. “We gaven een moderne schwung aan visionaire teksten uit het Duitsland van voor de oorlog. Dat hakte er stevig in, zowel aan deze als gene zijde van de Hollands-Duitse grens. “

Bosz de Kler, de accordeonist van Joris, komt binnen.

“Ons programma koppelde een hernieuwde blik op de Duitse cultuur, die door de oorlog bij ons in de verdomhoek was geraakt, aan een experimentele sensibiliteit. Onze eerste opdrachtgever voor dit programma, Cinecave, kwam overigens niet geheel toevallig uit de hoek van de Nouvelle Vague Cinema. Een kelder onder een grote bioscoop in Utrecht. Cinema Wolf. Joodse Jongens wier familie zwaar getroffen was door de oorlog. Die vonden het prachtig om te doen. Het zat er wekenlang bomvol. Met mensen die er aanvankelijk nog scandeerden: ik wil mijn Fahrrad zurrueck. Wel, we hebben de schreeuwers stil gekregen. Je kon een speld horen vallen tijdens die optredens. En ik kreeg daardoor aardig de smaak te pakken, om mijn programma ook in Duitsland op de Buehne te brengen. Dat heb ik tot 1970 gedaan. En daarna in gevarieerde vorm, telkens met nieuwe nummers en modernere muzikale bewerkingen, tot in de jaren tachtig. Met computers, synthesizers, de avantgardistische ballistiek van de muzikale podiumkunsten.“

Hollandspoor: beluister op Youtube: http://youtu.be/OgfsbQCRHKE

dit is de nederlandstalige versie van het lied dat Joris Schiks en Joost Schreuders schreven opgedragen aan de vele Nederlandse slachtoffers die vielen tijdens de terreurdaden uitgevoerd door de Nazi’s. Er is ook een duitstalige versie. Uitvoering : Joris Schiks, zang, Joost Schreuders, toetsen en Bosz de Kler,accordeon

In de jaren zeventig, richt Joris Schiks de Schiksal Theaterband op. Dit gezelschap brengt Brecht, Dada en Rockmuziek in opgevoerde vorm, met krachtige electronische kompenenten. Er volgt een derde Duitse tournee, anno 1980/81, Die Asphaltgaenger geheten.  Tegelijkertijd borduurt hij voort op een andere traditie die hij mede in het ziltige Nederlandse landschap weet te ijken. Die van het Lyrische cabaret Pandoer, waarmee hij vanaf 1971 door de Lage Landen trekt. En in het Amsterdamse theater Klein Bellevue een vaste stek vindt. Pionier als hij is, besluit hij hetzelfde ook elders in Nederland van de grond te tillen. In Eindhoven bijvoorbeeld, waar hij vanaf 1978 in Theater De Krabbedans een vaste plek krijgt toebedeeld.

Een laatste optreden met zijn moeder vindt, na jaren van stilte harerzijds, plaats in de kleine zaal van het Concertgebouw in 1982. Moeder en zoon nemen op het podium afscheid van elkaar. Een emotioneel concert, waarbij het publiek – nu eens schuddebuikend van het lachen en dan weer huilend van ontroering – hevig geemotioneerd achterblijft. Tien jaar later, woont de vader van Joris eindelijk ook een optreden bij van zijn eertijds verloren en later teruggevonden zoon, in Breda. Het is het enige optreden dat hij zijn zoon op de Buehne heeft zien staan. De man worden de emoties teveel, en hij vertrekt voor het slot van het programma terug naar Belgie, waar hij voor zaken rondreist als handelsman in allerhande curiosa en broccante. “Het is me helaas nooit echt gelukt gewoon een babbel met mijn vader te maken. Onze relatie is altijd stroef en gekunsteld gebleven.”

Serge: Zou je jezelf als een geengageerd zanger omschrijven?

Joris: “Nee, want ik ben niet in staat tot enig pamflettisme. Of moralisme. Heb er een broertje dood aan om anderen de les te lezen. Wat ik wel wil, is de mensen verhalen vertellen of in mijn geval zoemzingen, die met het spinrag van de ziel geweven zijn. Ik ben vooral van de emoties en de lyriek.”

Serge: De Joris Schiks zoals ik die ken, met zijn sonore en diep ingedaalde stem, is dat een zoektocht geweest? Hoe heeft de lijzige, sardonische, wendbare stem van de Schiks a la Boris Vian op het album Goed Schiks uit 1967, zich ontwikkeld tot de gebronsde bariton vol levenskennis en ingeslikt verdriet, die is te horen vanaf het album Hotel du Paradis uit 1992 via Kino Kalvados uit 1996 tot aan de albums De Zwarte uit 2008 en Drei Sekunden Ewigkeit dat nu op uitkomen staat?

Joris: “Haha, m’n hanengekraai is in de loop der decennia wat minder schel geworden. Dat komt eenvoudigweg omdat je op latere leeftijd wat meer aan het bezinnen bent. Het gaat dan om het reflecteren op – en niet om het veroveren van – de wereld waarin je leeft. Zoiets gaat vanzelf. En misschien heeft de calvados, hahaha, daar ook wel aan meegewerkt. Of ons levenselixer dat Jack Daniels heette. Maar in wezen was mijn stem vroeger dezelfde als nu. Alleen is de uitvoering veranderd. Et c’est le ton qui fait la musique.”

Serge: Zou je Drei Sekunden Ewigkeit, je laatste en meest recente album dat ook in het Duits geschreven en gezongen is, een synthesealbum kunnen noemen van je ervaring als Nederlandstalig en Duitstalige zanger?

Joris: “Dit album gaat vooral over mijn kleine grote en grote kleine emoties, die op een of andere manier toch weer met Duitsland te maken hebben. Waarbij de nummers niet door het knallen van Brecht of Kaestner maar door innerlijke draden met elkaar zijn verbonden. Maar je hebt gelijk, Drei Sekunden Ewigkeit had er nooit kunnen zijn zonder die drie Nederlandstalige albums die eraan vooraf zijn gegaan: Hotel due Paradis, Kino Calvados en De Zwarte. Het Duits zorgt voor de diepgang in de nummers op mijn laatste album.  Het Nederlands voor de relatie tot mijn luchtiger private besognes en bekommernissen. In feite komt het hier op neer, dat ik de rijpheid van mijn Nederlandstalige werk toch nog een keer ook naar mijn Duitse repertoire wilde transponeren. In een Letzte Aufgebot. Een slotakkoord waarin ook mijn speurtocht naar de uithoeken van de Nederlandse poezie, van Johnny van Dooren en Leo Vroman tot aan Fritzi van Harmsen ter Beek en Hans Favery, door heeft kunnen klinken.”

“Het echte Hotel du paradis, waar het album uit 1992 naar vernoemd is, was op het moment dat we het in Frankrijk tegenkwamen, al vijftien jaren dicht. De pannen zweefden er om het zo te zeggen, in de spinnenwebben. Ik had heel veel verdriet in die tijd. “

Joris praat er besmuikt en gereserveerd over, omdat hij zijn dochter op geen enkele manier wil stigmatiseren. “Mijn aan de heroine geraakte dochter Elise, was bezig een zelfmoordpoging te ondernemen in Gouda. Ik werd door de politie gebeld, ben over de vluchtstrook naar haar toe geracet. Ik heb haar op de spoorrails ervan moeten weerhouden zich daadwerkelijk voor de trein te werpen. Hotel du Paradis, gaat over een gevoel van wanhoop die ontstaat door een onvermijdelijk gegroeide afstand. Die we ook weer hebben weten te overbruggen. En nu zijn we heel hecht. Heeft mijn dochter een zoon. Mijn kleinzoon. Is er sprake van een happy end…”

Joris: “Het album De Zwarte, uitgekomen in 2008, gaat over het beter worden dan ziek zijn.

Serge: Pardon?

Joris: Het beter worden dan ziek zin. Ik had het aan mn hart indertijd. Maar op gegeven moment kreeg ik mn leven weer im Griff…

Serge: Hart en geest, die zichzelf moesten revitaliseren?

Joris: Nou, de geest ging helemaal goed. Toen ik op gegeven weer zuurstof in mn hart kreeg, was het allemaal weer zo voor elkaar. Sindsdien is het ook niet meer van streek geweest. Luister naar het satirische nummer Wrapped in Blue, op De Zwarte. Lekker lullen, weet je wel. Heel anders dan de satire van vroeger. Je voelt dat ik lekkerder in m’n vel zat, toen ik dat laatste nummer maakte…

Bosz: Geluk en tevredenheid, die dicht bij elkaar liggen. Nietwaar?

Serge: Dankbaarheid?

Joris: Lichtheid. Op het moment dat je weet wat het is, is het einde geluk.

Wrapped in Bluehttp://youtu.be/PZudjzcSXLY?list=UU7pf5vO3vrN1fYC39AtukNw

Dichter/performer Joris Schiks en pianist/componist Joost Schreuders,met Niko Christiansen (sax) en Dennis Wijmer(gitaar) op track 1 van de ‘schickx’ cd ‘De Zwarte”. Creatieve techniek Leo Oostenbrug

Serge: wat is de dwingende bestaansreden van Drei Sekunden Ewigkeit – een Duitstalig album gezongen door een Nederlandse lyricus uit Den Haag- anno 2014?

Joris: “Dit album moest er komen. Het kon niet anders… Als ik aan het begin van de jaren zestig in Duitsland bezig ben met Bertold Brecht, Kurt Tucholsky etcetera , dan geef ik ze hun eigen materiaal terug. En in die tijd dat wij met Brecht en Tucholsky opnieuw aan de slag gingen, zat dat daar nog altijd strak in het socialistische en strenge korset gebonden. Salonsocialisme. Netjes, avondkleding en weet ik wat. Op een stijve manier werden die liederen gezongen. Toen kwamen wij, in 1967 in Muenchen en elders, met het programma Anno Dreissig met al klassiek geworden teksten die we op een rock n roll manier voor het voetlicht brachten. Met veel ritme en vitaliteit, en allerhande moderne muzikale toevoegingen. In Duitsland heeft met Stockhausen, Kraftwerk etc. de electronische muziek een veel boeiender en diepere ontwikkeling doorgemaakt dan bij ons in Nederland. Waar we nu wel over het paard getilde deejays kennen die zich de beste van de wereld noemen, maar in feite van toeten noch blazen weten. En wel plaatjes kunnen mixen door paletten met kipsleverworst op het podium te serveren, maar niet aan de grondvesten van de muzikale eurhytmie hebben weten te rammelen. Op mijn manier heb ik altijd mijn commentaar geleverd op de rijke Duitse poetische traditie alsmede de  muzikale ontwikkelingen van de vorige eeuw die in sneltempo plaatsvonden. Terug naar het uiterst sobere, naar het minimale. En dan proberen op mijn manier over de dingen te mijmeren en te praten. Op een uiterst sobere manier.”

Serge: in poetische liederen, die heel dicht aan je ziel raken… Daarmee is er een logische stap gezet. Maar ook een cirkel volbracht.

Joris: “Die drie sekonden eeuwigheid, waar ik in mijn titel naar verwijs, betreft net dat stukje van het uur dat op welke tijdlijn dan ook, blijft doorschuiven. Dat betreft te allen tijde niet een, niet twee maar drie sekonden. Het zijn de drie sekonden die nimmer wegvallen. De onmeetbare tellen waar een mens geen controle over heeft. Wanneer je komt, wanneer je er vandoor gaat. En het moment net daarvoor. Dat je de pijp uitgaat. Dat is het onoplosbare geheim. Het zijn die sekonden waarin het echte geheim van het leven schuilgaat. Je hebt het ook niet in de hand. Anders zou je altijd de perfecte levensverzekering af kunnen sluiten, en geen weddenschap kunnen verliezen. Die drie sekonden waarover we spreken, zijn in feite onmeetbaar. On-timebaar. Daarbinnen heb je er geen vat op. Dat is het astre occlus. Het zwarte gat waarin het geheim schuilt van alle dingen die leven. Ademen. Pulseren. Het zijn de kosmische sekonden.”

Serge: de gedachte dringt zich aan me op, dat dit album bedoeld is als een soort van testament…

Joris (heel  dwingend en beslist): “Nee!”

Serge: waarom drie sekonden.  Is het een revelatie geweest?

Joris: “Ik geloof niet dat ik veel grote inzichten heb weten te sprokkelen.”

Serge: ik heb – ondanks alle verzoeken daartoe – nog altijd geen biografische schets van je mogen ontvangen.

Joris: “Momenteel loop ik een beetje temporeel uit de hand, sorry.”

Serge: je loopt drie kosmische sekonden achter op de werkelijkheid?

Joris: “Hahahahaha….Ewigkeit die man nicht messen kann…”

Serge: zou je mij die tekst kunnen sturen? (Gekscherend:) voor de eeuwigheid aanbreekt?

Joris: “Haha, voor de eeuwigheid aanbreekt. Hahaha. Een garantie kun je daar niet over geven. Hoogstens de toezegging. Als je inzoemt op iets, kom je op gegeven moment ook het maximum van je inzoemen tegen. De radar-telescopen en lenzen die het heelal aftasten komen een heel eind. Maar dat laatste stukje dat terugvoert naar de oerknal, blijft onontgonnen terrein. Tot vlak daarvoor rijken onze ogen. Ook in kosmische zin, ontbreekt bij ons de mogelijkheid om helemaal tot aan de uiterste grens door te dringen. Er blijven altijd drie sekonden zweven tussen ons heden en de eeuwigheid die zich aan de randen verscholen houdt. Op het moment dat we ook de oerknal tot aan het ultieme nulpunt gewaar kunnen worden, zal het ook werkelijk knallen. Dat denk ik. In de maat zit een natuurlijke begrenzing besloten. Die maakt dat de natuur vanuit zichzelf een natuurlijke relativering en betrekkelijkheid der dimensies doorvoert. Van elementaire deeltjes, micrometers, nanometers, picameters tot aan het allergrootste en ruimste. Het kan altijd kleiner en altijd groter. Alles is relatief. Dat is de betrekkelijkheid der dingen. Ik kan niet bedenken wanneer ik doodga. Of wanneer ik weer begin te leven. Dat weet ik allemaal niet.”

Serge: is het principe van de relativiteit op zichzelf oneindig?

Joris: “Dat denk ik wel.”

Serge: “Maar dat betekent dat er misschien geen eeuwigheid kan bestaan.”

Joris: “Dat zou zomaar kunnen. Dat er alleen maar een Nu is. Dat de eeuwigheid zichzelf in het Nu oplost. En dat zou ik ook wel erg mooi vinden, ook (peinzend). Ik heb geen interesse in een beschuit-met-muisjes-achtige Poort.”

Serge: opdat voortdurend alles muteert en zichzelf regenereert?

Joris: “Als de eeuwigheid zichzelf op kan lossen in het Nu, dan lost alles daarmee ook op. Dan lost ook ons vocabulair op. En daarmee onze poging de dingen te begrijpen. Te formuleren. In een perspectief te zien. Er zullen geen expressiemiddelen meer nodig zijn. Omdat we het dan ook eindelijk en werkelijk zullen weten.  Hahaha… Dag, I-pod en I-pad! Dag gezichtenboek! Dag lichaam! Dag taal!”

Serge: is deze gewaarwording of is dit vermoeden, ook in verband te brengen met die prachtige somambule sluimer – jouw tristesse – die als een licht doorschijnende wade over de woorden en melodieen van je teksten hangt? Is die wade een uiting van onvermogen? Dat je op zoek bent naar een zo ultiem mogelijk contact? Intimiteit? Waarbij je constateert dat de werkelijkheid evenzeer tekortschiet als ons karakter? Maar dat we er wel van dromen om het ultieme te mogen beleven en realiseren?

Joris: “Ik ben er achter gekomen dat er op gegeven moment een soort van parallel ontstaat, waarin dat contact in wezen toch volledig is. Als je altijd maar de snelweg neemt om ergens te komen, zal je een hoop in dit leven ontgaan. De weg die gezocht wordt en die je moet vinden, die vind je. Naar mijn vrouw en mijn dochter is dat contact uiteindelijk heel goed gelukt.”

Serge:  je hebt in je leven het een en ander overwonnen, zo lijkt het.

Joris: “Albsoluut.”

Serge: demonen als Mogul Alkohol, suicidale tendensen van  je dochter, ziekte, armoede, de conjuncturen van de Tijd… Is die overwinning een zegen, of ook een last? Is het leven nog leuk, zonder de demonen?

Joris: “Wat het overwinnen van je demonen leuk maakt, en daarmee dus het leven an sich, dat is de groeiende mate van onthechting die deze ontwikkeling met zich meebrengt. In het onthechten schuilt de bevrijding. En in bevrijding zit geluk. En dan krijg je eigenlijk je kadootje. Waar je niet op zit te wachten, maar stiekem wel op hoopt.”

Serge: Katje min, katje weer? Wij doden de Tijd, de Tijd doodt ons? Een kwestie van gelijk oversteken?

Joris: “Voila.”

Serge: Maar de ironie is ook, kijkt me, dat je gedurende dat proces-van-onthechting, steeds dichter en hechter bij je vrouw en je dochter bent komen te staan…

Joris: “Zeker.”

Serge: is dat wat de Boedhisten noemen: missing the point, to hit the target behind your back?

Joris: “Daar zit ‘t m wel in, voor een stuk.”

Serge: hoe kijkt je vrouw, Franciska, aan tegen jouw Duitse Fetish?

Joris: “Vindt ze okay.”

Serge: is Franciska met je mee door Duitsland gaan toeren?

Joris: “Franciska doet haar eigen dingen. Wat ook mijn zoons allebei doen. Zij hebben hun aikido-wereld. En ik heb mijn theaterwereld. Ik heb het altijd fantastisch gevonden om mijn vrouw bezig te zien. Door de lucht te zien zweven, bezig aan haar gecompliceerde maar ook soepele oefeningen. We hebben wederzijds respect voor elkaar. En bevinden ons nu in de gelukzalige leeftijd van de volstrekte vrijheid. We kunnen precies doen wat we willen, met respect naar elkaar toe. Eigenlijk kan het niet mooier. Je gunt het de ander, daarmee begint het. En het is fantastisch als die rust en dat respect de ruimte krijgen om te ontstaan. Fantastisch. Ze filosofeert en leeft erop los, op haar manier. Mijn kleinzoon gooit mijn vrouw door de ruimte. Ze is in het verleden ook wel kritisch geweest naar wat ik doe op dat podium.”

Serge: hoe ben je van plan de dunne rode lijn te belopen tussen je sobere spirituele wijsheid en innerlijke aspiraties, en het exhibistische egocirkus wat komt kijken bij het optreden op een podium. De innerlijke tovenaar en de publieke hoer….

Joris: “Onderschat de hoeren niet! Jacques Brel zei: die hoeren zijn evenzeer artiest als wij zangers, en wij zangers zijn op het podium evenzeer hoer als de hoeren. Zo zie ik het ook.”

Serge: maar ik heb kunnen constateren dat je zo bescheiden bent, dat je bandleden je moeten aanporren om vaart te zetten achter de cd. En de toernee in Duitsland, die ze met je willen plannen. De vraag dient zich aan, of Joris Schiks de tovenaar nog wel echt op dat podium wil staan om applaus in ontvangst te nemen. Of het geen loutering a contre-coeur is gaan worden?

Joris: “dat er een stukje ijdelheid bij komt kijken, om op te willen treden en concerten te geven en gehoord te willen worden, ja dat kan niet anders. Ik heb een hersenhelft die het wat minder goed doet. En dat heeft ermee te maken dat ik bij het rationele regelen van een project  en de planning die bij zoiets als een toernee komt kijken – van het opstellen van een kloppende agenda tot en met de financiering van de cd – tekortschiet. Ik blokker als het ware. Juist omdat het maken van een album in alle opzichten tijd vergt. En dan gaat het om een ander soort tijd dan het plannen van de toerdagen. Dan gaat het om de tijd die het kost om een artistiek parcours af te leggen  waarbij de nummers van nature hun rechtmatige en kwalitatieve voleinding kunnen vinden.”

Serge: in elk geval sta je niet afkerig tegen het streven naar succes als zanger in Duitsland?

Joris (beslist): “nee. Integendeel.”

Serge: en je ziet niet op tegen de zwaarte van het toeren, op jouw leeftijd? Het onderweg zijn, het sjouwen, inspelen,  de krachtinspanning van het avond en avond streven naar succes?

Joris: “Voor die krachtinspanning vindt elke artiest als het goed is wel een modus. Een werkmodus. Ik ben er helemaal niet benauwd voor en ik doe het gewoon zielsgraag. Ziels-graag. Ik heb de nadagen van Wim Kan van nabij meegemaakt, en gezien hoe je op oudere leeftijd toch intens kan spelen. Alleen: drie avonden per week, in plaats van zes avonden per week.”

Bosz interrumpeert: ik heb het gevoel dat Joris zozeer gefocust is op het behalen van een zekere kwaliteit, dat er voor de praktische uitvoering van de muziek en de teksten nauwelijks nog genoeg energie resteert.

Joris: “Energie? Nee: inzicht. En je moet niet vergeten: alle mensen die ik in Duitsland gekend heb die goed waren in het regelen, uitnodigen, uitbetalen, de culturele organisatoren en wethouders en publiciteitsmedewerkers die van de hoed en de rand wisten, inmiddels al zijn overleden. Of overgeplaatst. Of gepensioneerd. Of weggestemd bij verkiezingen. Hahaha…”

Drie dolle dwaze dagen: http://youtu.be/vMa5TCvQ-vg

Laatste woorden als een letzte Aufgebot

BIJ DE DOOD VAN EEN WIJZE TOVENAAR

© Serge van Duijnhoven, 2014 – Brussel.

“Dichters dansen niet; ze maken prachtige gedichten” ; Chretien Breukers bespreekt Vuurproef

contrabas_siteheader_1045x250

Geplaatst door Chrétien Breukers op 20 mei 2014 | Permanente link

20 mei 2014

Dichters dansen niet. Ze maken prachtige gedichten. Althans, Serge van Duijnhoven wel.

Vroeger, toen opa jong was, was Serge van Duijnhoven een heel jonge dichter. Ik vond hem een beetje een zeurkous. Hij verstoorde poëziefestivals (waarvoor hij niet was uitgenodigd), schreef romans, ach, alles aan hem was van een irritante aanwezigheid, — en dan waren die boeken nog niet eens slecht. Sterker: ze waren best goed. Om jaloers van te worden (en dat werd ik).

26b9367d962700941e301575e0269444

Een van de ‘projecten’ waaraan Van Duijnhoven werkt, is Dichters Dansen Niet, een groep muzikanten en de dichter zelf, die optreden in binnen- en buitenland. Onlangs verscheen Vuurproef, een dichtbundel van Van Duijnhoven met een cd van de Dichters, waarop frequency-wizzard Fred dB en pianist Edwin Berg het geheel van klank voorzien. Zie hieronder voor een optreden.

De teksten van Van Duijnhoven in de bundel vind ik heel bijzonder. Het begint al meteen goed:

Ik ben begonnen aan
de terugtocht
in mijn leven
en moet bekennen

dat ik die ik van mij
niet echt goed ken
begin te vermoeden
dat het om een soort

van demon gaat
of een vage schim
uit een verleden (…)

Parlando poëzie van het goede soort, Campert ontmoet Stitou, met een Brabants accent. Bovendien mijdt Van Duijnhoven de grote woorden niet, (‘de sommelier van de twijfel’), want een beetje poëzie heeft daar geen bezwaar tegen. Tegen grote woorden. Vuurproef is een bundel waarin Van Duijnhoven zichzelf genadeloos onder de loep legt.

Om de bundel na veel gedoe en getwijfel te eindigen met: ‘bereik wat je bent / het priemende licht // een dolende ziel / met asiel hier op aarde // een schip met zijn/ bestemming in zicht’. Bij Vinkenoog wordt het vervelend. Van Duijnhoven komt er gemakkelijk mee weg. Zijn zoektocht, de vuurproef die hij ondergaat, is scherp, lyrisch en bij vlagen indrukwekkend, bijvoorbeeld in gedichten als ‘Leonard leidt de dans’ en ‘Met de smaak van vroeger’ of ‘Vuurboetsduin’.

Het wordt tijd dat zijn werk eens wat meer onder de mensen komt, zodat mijn jaloezie weer kan opflakkeren.

 

Weblink:

http://www.decontrabas.com/de_contrabas/2014/05/dichters-dansen-niet-ze-maken-prachtige-gedichten.html

 

Over de recensent:

Chrétien Breukers (1965) is schrijver en redacteur van De Contrabas, de bekendste literaire weblog in het Nederlandse taalgebied. Hij publiceerde recent De Scheurkalender van de Nederlandse poëzie (2012) en Het eerste gedicht, over het lezen van poëzie (2013). Eerder verscheen van zijn hand een aantal dichtbundels. Breukers woont in Utrecht, maar groeide op in Limburg. Een zoon van Limburg is ook de titel van zijn zopas bij uitgeverij Marmer verschenen prozadebuut.

Een zoon van Limburg

 

 

 

Radiomuze Chantal Pattyn dient dichter en publiek van repliek

WAAROM JE VOOR KUNST MAG/MOET KIEZEN

Omdat verbeelding een mensenrecht is

Een overdosis kunst, het is voor Chantal Pattyn een contradictio in terminis. Ze wordt nog steeds ontroerd, extatisch en getroost door goede kunst in allerlei vormen. En ze hoopt van u hetzelfde.
Omdat verbeelding  een mensenrecht is
Jeanne Moureau in ‘Ascenseur pour l’échafaud’ uit 1957. Hoe zou het leven zijn zonder de muziek die Miles Davis schreef voor deze film? rr

Onlangs vroeg de Nederlandse dichter en schrijver Serge van Duijnhoven me of ik niet aan het syndroom van Stendhal lijd. Waarmee hij bedoelt: de fysieke collateral damage die optreedt als je je te veel en te vaak door de schoonheid van de kunst laat aangrijpen – prachtig verbeeld in een scène uit La Grande Bellezza van Paolo Sorrentino, wanneer een Japanse toerist letterlijk dood valt na het aanschouwen van de grootsheid van Rome.

‘In hoeverre hebben al die volumes aan voorstellingen, tentoonstellingen, films, concerten en andere sublieme illusies uw montere geest verrijkt, geraakt en veranderd’, vroeg Van Duijnhoven. ‘Wat heeft al die materie nu met uzelf uitgehaald, gezien u niet zomaar een spiegel of een put bent, maar een vrouw van vlees en bloed die zich blijkbaar met niet veel meer schijnt te voeden dan met kunst’.

Kortom: Serge van Duijnhoven maakt zich grote zorgen, gezien mijn overconsumptie van kunst. Waarom leeft iemand zo?

Zo’n vraag verdient een repliek…

Pompidou.ChantalPattyn&MvdACVSvD.19.03.14

Serge van Duijnhoven hier nog te gast in het radioprogramma Pompidou, gepresenteerd door Chantal Pattyn, KLARA woensdag 19 maart 2014. Vlnr: Chantal, Maarten Vandenabeele, Serge, Christophe Vekeman.

En die gaf ze, zowel in levenden lijve in de Bourla Schouwburg te Antwerpen waar op maandag 19 mei het grote IK KIES VOOR KUNST-debat plaatsvond. Als in De Standaard, waar ze in ronkende zinnen vol vuur en vlam de stellingen betrok op de Opinepagina van het voor de rest meestal toch wat gezapige Dagblad. Hier volgt de tekst:

“Geachte notabelen, theatermakers, dichters, beeldenstormers, essayisten en andere tiesten, zeer geachte hard werkende cultuurwerkers en dames en heren die hier vanavond in de Bourla, ondanks de tropische temperaturen, bijeen zijn gekomen om hun stem niet eens te verheffen, maar uit te brengen,

Boven en voorbij alle ideologieën heen,
Voor de kunst.
En benieuwd zijn naar wat de politieke machten na 25 mei met die kunst van plan zijn.

Op vraag van de organisatoren, trap ik deze avond in gang met een kleine persoonlijke notitie.

Aangezien ik nogal zuinig ben met Facebook en niemand friend die ik niet ken of waardeer, en mijn leven aldus slechts ten dele publiek is,
zal ik met u iets sharen dat me deze week overviel.

Ik had, zoals ik wel vaker doe wanneer ik enthousiast ben over iets wat ik zag, een bericht geplaatst over de Duitse fotograaf Thomas Ruff van wie vrijdagavond in het SMAK in Gent de tentoonstelling ‘Lichten’ opende.

Vorige donderdag beland ik in het museum en sluit aan bij de rondleiding die de kunstenaar geeft voor de erfgoedbewakers van het instituut.
Ik hang aan zijn lippen, want van Thomas Ruff, daar zag ik zowat alles van, dat is een hele grote meneer, die plots een man van vlees en bloed wordt en vertelt over zijn twijfels en technische en artistieke queeste in het kader van het maken van een nieuwe reeks beelden, een hommage aan de prachtige fotogrammen die begin vorige eeuw als het waren werden uitgevonden door o.m. Man Ray en Laszlo Mogoly- Nagy.
Het proces had Ruff bloed, zweet en vooral maanden tijd gekost, en alleen door de medewerking van het Forschungszentrum in München, waar, zal het u verbazen in dit rijke Beieren, de snelste computers van Europa staan, was hij staat geweest zijn beelden op één dag tijd te renderen, waar het hem anders 6 maand tot een jaar had gekost. Ruff had het technisch kunnen van een paar bollebozen op de spits gedreven, want niemand had hun computers tot nog toe met zoveel data op de proef gesteld, maar het was hen gelukt. Kortom, de kunst had de wetenschap uitgedaagd, en iedereen was opgetogen en door het dolle heen van wat ze samen hadden gerealiseerd.

En dan kijk je naar die foto’s, gigantisch groot, bijna abstract, en als je Ruff niet aan het woord had gehoord, had je die beelden bekeken, ze prachtig gevonden en op naar het volgende beeld getrokken. Naar zijn nachtbeelden, zijn interieurs, de sterrenhemels die overal ter wereld in de meest prestigieuze musea en collecties hangen.

Om de Duitse duivel-doet-al Karl Valentin te citeren: ‘Kunst is Schön aber macht viel Arbeit’.

Dat schijnen we vaak te vergeten, kunst is de moeilijkste opdracht die iemand zich kan voorstellen. Het is zoeken, twijfelen, je positie ten opzichte van de kunstgeschiedenis definiëren, bescheiden zijn en dan weer totaal fanatiek en radicaal. Het is om gek van te worden. En dan moet, wat je als kunstenaar maakt, ook nog eens gesmaakt worden. Door een kleine schare maar liefst door hordes fans. Neem het van me aan, geen kunstenaar komt ’s ochtends of desnoods na de middag zijn bed uit als hij of zij niet van plan is ten minste zijn wereld te veranderen. En met die wereld heeft hij het, ook al werd hij de jongste jaren vaker beschimpt en vernederd dan bejubeld, het beste voor.

Maar terug naar mijn nachtelijke post met aantal gedachten over mijn ontmoeting met Thomas Ruff op Facebook. ’s Anderendaags ’s ochtends krijg ik een bericht van een bezorgde Nederlandse dichter die zich ondertussen in Brussel heeft genesteld omdat hij zich hier dichter bij Jacques Brel waant dan in Amsterdam, waar de grachtengordel dan wel romantisch mag zijn voor de argeloze toerist, maar een wurgend effect heeft op al wie buiten de literaire lijntjes kleurt.

Ik parafraseer nu Serge Van Duijnhoven, die zich, zonder het zo te benoemen, publiekelijk afvroeg of ik ondertussen niet aan het syndroom van Stendhal aan het lijden was, te weten de fysieke collateral damage die optreedt als men zich te veel en te vaak door de schoonheid van de kunst laat aangrijpen, van duizeligheid tot hysterie. Ten andere prachtig verbeeld in een scène uit de film La Grande Bellezza van Paolo Sorrentino, wanneer een Japanse toerist letterlijk dood valt na het aanschouwen van de grootsheid van Rome, maar, terug naar de bekommerde vraag van Serge van Duijnhoven:

‘In hoeverre al die volumes en quantas aan voorstellingen, tentoonstellingen, films, concerten en andere sublieme illusies mijn montere geest nu hadden verrijkt, geraakt en veranderd hadden. Wat al die materie nu met mezelf had uitgehaald, gezien ik niet zomaar een spiegel of een put was maar een vrouw van vlees en bloed die zich blijkbaar met niet veel meer scheen te voeden dan met kunst’.

Kortom: Serge van Duijnhoven maakt zich grote zorgen, gezien mijn overconsumptie van kunst. En dat zulks misschien wel de luisteraar van Pompidou ten goede kwam maar mezelf ten kwade.

Zo’n vraag verdient een repliek, en die wil ik met jullie delen vanavond. Want het gaat over een keuze die men heeft gemaakt, en die wil ik best argumenteren.

Waarom leef je zo, lieve mensen?

Omdat zulk een leven betekent dat je de complexiteit van de dingen aanvaardt, zonder garantie op antwoorden.
Omdat kunst die gelaagdheid van nog wat extra onvoorziene lagen voorziet.
Omdat kunst je blik opent en je contreien laat zien waar je nooit was.
Omdat kunst zelfs op de meest eeltige plekken van je ziel trapt,
Omdat kunst je naar adem laat happen waar je dacht dat er geen zuurstof meer was.
Omdat kunst je anders naar de geschiedenis laat kijken.
Omdat kunst verbanden legt die zelf nooit had vermoed.
Omdat kunst telkens opnieuw kritisch naar zichzelf kijkt.
Omdat kunst je de ene keer wel en de andere keer niet met je hulpeloosheid kan verzoenen.
Omdat kunst je op het meest basale niveau met schoonheid en lelijkheid kan confronteren, van de Sixtijnse kapel tot de installaties van Paul McCarthy.

Omdat kunst je, drie minuten ver tijdens het 2de bedrijf van Jenufa van Leos Janacek in een waanzinnige tristesse kan onderdompelt.

Omdat je, zelfs al sprak hij nog geen woord en stak hij voorlopig alleen een sigaar op, al door het dolle heen bent alleen al door de aanwezigheid van Damiaan de Schrijver op een podium.

Omdat je, nadat je 500 mijlen reed om van Houston tot in Marfa, Texas te geraken, een bijna spirituele trance ervaart nadat je al die metalen kubussen van Donald Judd hebt aanschouwd.

Omdat Woody Allen je aan het lachen brengt, op een dag dat je auto alweer eens werd weggetakeld en een vriend je belt met de boodschap dat hij depressief is omdat niemand zijn werk begrijpt.

Omdat kunst je, een ketter geworden omdat God op je 12de je oma heeft laten sterven, zelfs al had je nog zoveel gebeden en tekeningen gemaakt, in een kapel in Saint-Paul de Vence tot een knieval beweegt voor die paar blauwe lijnen waarmee Henri Matisse een madonna vorm gaf.

Omdat je lijf zwaar als lood wordt als je de late muziek van Franz Liszt beluistert,

Omdat je troost put iedere keer als je Quatuor pour la fin de temps van Olivier Messiaen hoort en nooit zal begrijpen hoe het trauma en van Auschwitz iemand tot zoveel intense schoonheid kon brengen.

Omdat je ontroerd wordt door een klodder groene verf die een schilderij van Cy Twombly doet kantelen.

Omdat Parsifal van Wagner een andere betekenis kreeg nadat Romeo Castellucci zich ermee moeide.

Net zoals het concerto voor de linkerhand van Maurice Ravel in de installatie van Anri Sala op de Biennale van Venetië.

Omdat je stil wordt telkens je in Arezzo voor de fresco’s van Piero de la Francesca staat.

Omdat je de Marokkaanse jongen naast je had willen omhelzen nadat je samen met hem, die je niet kende, 100% Brussels van Rimini Protokoll hebt gezien op het KunstenFestivaldesArts en samen trots was in dezelfde stad te wonen.

Omdat je de burgeroorlog in Libanon iets beter begreep nadat je de films van Akram Zaatari twee keer hebt gezien.
Omdat je Albanië, dat vreemde stukje in de Balkan, misschien iets beter begreep na het via het werk van Adrian Paci in het Jeu de Paume.

Omdat onze koloniale geschiedschrijving niet meer compleet is, zonder de schilderijenreeks Mwana Kitoko van Luc Tuymans, de film Spectres van Sven Augustijnen en het boek Congo van David van Reybrouck,

Omdat het mogelijk is dat een kunstenaar als Benjamin Verdonck je helemaal tot stilstand brengt nadat hij met veel touwen een aantal driehoekige vormen laat bewegen en kantelen in een decor dat de essentie van het theater verbeeldt.

Omdat je tot tranens toe bewogen bent door het verdriet van de Ierse schapenboer in de eerste langspeelfilm van Els Dietvorst.

Omdat je nog altijd in een vijfde versnelling geraakt als je de opname van La Traviata in de Scala van Milaan met Maria Callas door de boxen jaagt.

Omdat je niet meer naar Die Schöne Müllerin van Schubert kan luisteren zonder aan de regie van Christoph Marthaler te denken.

Omdat je je niet kan voorstellen hoe het leven zou zijn zonder de muziek die Miles Davis schreef voor L’Ascenseur pour l’échafaud van Louis Malle,

Omdat je een ander leven zou hebben als je Madame Bovary niet had gelezen.

Maar kunst moet tegelijkertijd ook niets,
Kunst mag gewoon over zichzelf gaan,
Zonder zich een moer van de toeschouwer aan te trekken.
De Britse pop art kunstenaar Richard Hamilton, helaas ook al dood, richtte zijn eigen monument voor Marcel Duchamp op, wie niet vetrouwd is met diens werk The Large Glass of Le Grand Verre heeft pech, maar het staat iedereen vrij zich in te lezen in die geschiedenis zonder een boze brief te sturen aan Chris Dercon, heden baas van Tate Modern.

Nicolas Provost maakt een film in een straat dichtbij Times Square in New York omdat het licht er zo prachtig is.
Cézanne deed niet veel anders toen hij de Mont Sainte Victoire bij Aix-en-Provence keer na keer op doek zette.

Kunst heeft het recht om alles te zijn wat het wil.
Dat is nu eenmaal waar verbeelding om gaat.
Daar zijn geen grenzen, geen regels.
En om die reden is verbeelding een mensenrecht, net als eten, drinken, een dak boven je hoofd, een school die je voorbereidt op de wereld zoals hij is en de garantie dat niemand je de kop inslaat.

Tot besluit: ik kies voor kunst omdat het mij verzoent met de onmogelijkheid van de menselijke conditie.
Omdat het alle zekerheden op de helling zet,
En net die wetenschap me troost,
Want van zekerheiden word ik onzeker.
Dus heb ik kunst nodig,
Omdat het mijn hersenen aan het werk zet,
Of net helemaal verlamt.
En omdat ik graag in een constante mood van extase verkeer,
Als een Teresa van Avila, verbeeld door Gian Lorenzo Bernini in Rome,
Maar dan zonder goddelijke pijl,
En na die extase terug in de realiteit belandt,
In de wetenschap dat er niets ter wereld is dat me de werkelijkheid beter doet begrijpen dan kunst.

Liefhebbers, verslaafden, kunstenaars, politici en beleidsmakers, ik hoop uit het diepst van mijn hart dat u de kunst zal blijven ondersteunen, want zonder die kunst, is onze identiteit gedoemd om eendimensioneel te blijven. En met één dimensie ziet het leven er grijs uit. Laten we dat vooral vermijden, en de verbeelding haar werk laten doen.

En voor het overige gaat alles goed met me.

Dus maak je geen zorgen, lieve Serge.

Ik dank u.”

Chantal Pattyn

Chantal Pattyn

 

bovenstaande verklaring werd tevens gepubliceerd op 20 mei in De Standaard en op de Facebook pagina van Klara:

http://www.standaard.be/cnt/dmf20140519_01111518

https://www.facebook.com/shares/view?id=656719564408335

 

 

  • Kalender

    • september 2016
      M D W D V Z Z
      « Nov    
       1234
      567891011
      12131415161718
      19202122232425
      2627282930  
  • Zoeken