De grote rokade

De afgelopen dagen werd het ons van alle kanten ingepeperd: op het schaakbord van de werkelijkheid zijn links en rechts sinds mei ’68 van koning en toren gewisseld. Een grote rokade heeft er plaatsgevonden. Kritiek en non-conformisme, van oudsher eigenschappen van links, eigent rechts zich nu toe. Links was vroeger een collectief project, rechts ging over individuele vrijheid. Denk aan Ayn Rand. Nu eist rechts aandacht voor de Gemeenschap. Terwijl links zich veelal verliest in symboolpolitiek ten aanzien van de grondrechten van ieder individu. Denk aan gender neutrale toiletten en de discussies over Zwarte Piet en onze besmette helden van weleer.

Ayn Rand Fountainhead cover2.jpg

         Links had in de jaren zestig en zeventig het engagement gekaapt. Nu kan de woede op rechts gededuceerd worden tot een verlangen naar betrokkenheid. “Een democratisch geschenk verpakt in prikkeldraad”, aldus David van Reybroeck in de docu-serie Onbehagen van Bas Heijne, “want het legt het verlangen bloot om mee te mogen tellen.” Floor Rusman schrijft in een scherpe analyse in NRC-Handelsblad van 11 mei “De tegencultuur van nu is op rechts actief”: Dolle mina´s wilden baas in eigen buik zijn, nieuw rechts baas in eigen hoofd. Thierry Baudet roept net als Hans van Mierlo in de jaren zestig op tot een “mars door de instituties”. Wie vandaag de dag anti-establishment wil zijn, rekent af met de politiek correcte cultuur die links al decennia verdrinkt in een vat honing. Uit angst om racistisch of islamofoob over te komen.

Provo2.jpg

         Het protest van toen had vaak een ludieke vorm, bedoeld om te provoceren. De provocatie blijkt vijftig jaar later nog steeds een probaat middel voor escalatie: kijk naar GeenStijl, PowNed en alle uitdagende prietpraat op het Internet. Doel van alle uitdaging: het doorbreken van rolpatronen. “Wanneer verontwaardiging ontstaat, beroepen de provocateurs zich op ironie. (…) Net als Provo, dat na alle politierellen een Vereniging Vrienden van de Politie oprichtte.” Dixit Rusman. Hedendaags links meent te spreken namens burgerlijk fatsoen, rechts heeft lak aan fatsoen en claimt op te komen voor de underdog: de vermorzelden in de molens van de hedendaagse geschiedenis, de woelratten in de ondergrondse bedding van het globalisme dat ons in onze gekende identiteit bedreigt. 

         Maar er zijn ook klaarblijkelijke verschillen. De opstand van mei ´68 was er een van bevrijding, vrede en liefde die collectief werden gevierd op happenings, sit-ins en popfestivals. Collectieve gebeurtenissen, in groepen waar het spannend toeven was. De opstand van het ressentiment speelt zich af op de steeds smallere bandbreedte van de eigen internetbubbel. Al leven we in de 21ste eeuw, mensen zijn nog steeds tribale primaten, wier leven zich van oudsher afspeelt in groepen niet groter dan zo´n 150 leden. Het wij-zij denken, is inherent aan onze soort. Als we medeprimaten zien als onderdeel van onze eigen stam, dan zijn we tot de meest menslievende daden in staat. Als we diezelfde primaten als vijanden zien die ons in ons bestaan bedreigen, tot de meest barbaarse. Politici en spindoctors weten dat als geen ander. Om verkiezingen te winnen, moeten de tegenstanders zwart worden gemaakt. En die haatboodschap dient, waar of niet waar, onophoudelijk te worden herhaald. Resultaat gegarandeerd. 

Hate

Het probleem is, dat haat een sterkere motivator blijkt dan liefde. Hoe verhevener en universeler de idealen, hoe afgezaagder en abstracter ze op ons overkomen. Cliché´s die veel weg hebben van leugentjes om bestwil. Illusies waar we ons aan vastklampen, maar die de schaduwzijden van ons dierlijke wezen veronachtzamen. 

    Het punt is: er kan blijkbaar geen gemeenschapszin bestaan, zonder een gezamenlijke vijand om zich tegen af te zetten. Wie de vijand is, is arbitrair. En kan in een oogwenk veranderen. Het verlangen naar verlossing, gaat hand in hand met de behoefte aan een zondebok. In ons post-truth tijdperk, zijn niet vrede en liefde de motoren van de emancipatorische beweging. Het is ons sentiment. Het zijn onze emoties. En geen sterkere emoties dan woede en haat. Ik doe een voorspelling. Een halve eeuw geleden beleefde de westerse wereld een zinderende Summer of Love. Het wachten is nu op een even zinderende maar veel meedogenlozer Herfst van de Haat.

Serge R. van Duijnhoven

 

 

Advertenties

Over Arjen van Veelen´s “Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken”

Arjen van Veelen´s “Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken” (De Bezige Bij 2017), is een boek dat ik vele malen wil herlezen. Van Veelen is een begaafd, beschaafd en toch onscrupulleus mysticus die tot de ziel der dingen door weet te dringen. Zelden las ik zo´n haarscherpe en villeine maar bloedeerlijke analyse van vriendschap en rouwbeleving in tijden van Internet en alomtegenwoordige zelfprofilering.

Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken.jpg
Het verlies van Arjen´s hartsvriend Tomas (een verwijzing naar de Vlaamse schrijver Thomas Blondeau) weet de schrijver op meticuleuze wijze te vervlechten met zijn zoektocht naar de resten van Alexander de Grote in Alexandrië. Wat zowel zijn vriend als de Macedoniër met elkaar verbindt, is hun “pothos”. Graecus en Latinist Van Veelen omschrijft het als “hunkering naar iets wat onmogelijk is”. Hij baseert zich hierbij op de definitie van Arrianus. Alexander zocht onsterfelijkheid, en de veel te vroeg overleden vriend had er zijn missie van gemaakt de dood recht in de ogen te staren. De dood dood te staren, zoals hij schreef.
Raar genoeg zijn beiden op een bepaalde manier in hun onmogelijke missies geslaagd. Alexander is een onsterfelijke held geworden, en Tomas´ blik is er een van eeuwige staar. Hij heeft meegemaakt en gezien, wat de schrijver van dit boek bij leven nimmer weten noch kennen kan. Een betere omschrijving van de Pothos die beiden voortjoeg, is mijns inziens “het verlangen om te ver te gaan”. Niet het bereiken van het doel is het doel, maar het verlangen om te verdwalen in een gebied waar niemand ooit van wederkeerde.

Thomas Blondeau.jpg

Thomas Blondeau, copyright NRC-Handelsblad

Tegen het slot van het boek is dit eigenlijk ook de conclusie van Van Veelen zelf. Als hij het karakter tegen het licht houdt van een andere ikoon uit Alexandrië in wiens sporen de schrijver treedt, de bezeten amateurarcheoloog Stelios die op eigen houtje tot aan zijn dood putten bleef graven in de stad op zoek naar de overblijfselen van de Grote Alexander, schrijft hij: “(Stelios) ging nog verder. Hij bereikte het hoogste wat een mens bereiken kan. Want ik kan maar één goede verklaring bedenken voor het feit dat hij door bleef zoeken, ook toen de pers verdwenen was. Stelios ging zo op in zijn missie dat het zijn levenswerk werd, hij kon niet stoppen. Hij was zo goed in het begoochelen dat hij zichzelf had weten te begoochelen – hij had bereikt waar Alexander vergeefs op hoopte. Hij was allang vergeten waarom hij zocht, maar zocht door, omdat het zoeken zelf zo plezierig was, het graven, het scheppen, hij was een kind in een zandbak… Ik stel me hem voor als een gelukkig mens.”

Kavafis project.jpg
Er zijn nog twee karakters, die een sleutelrol spelen in deze literaire anatomie van de rouw en van de ziel tout court. De Griekse dichter Kavafis en de mythische hedendaagse Arabische kunstenares Halcia. De stukken over de dichter zijn lyrisch en melancholisch van aard, net als diens mediterrane poëzie. Het kortere verhaal over Halcia, is van heel ander kaliber. Halcia´s foto´s uit haar project Strandgeheugen, waarvoor ze al dan niet pikante strandkiekjes collectioneerde uit de gouden sexy tijden van voor de islamitische contrareformatie, hebben de dappere kunstenares behalve roem (via Arjen Van Veelen´s boek) ook de dood opgeleverd. “Door een verdwaalde of niet verdwaalde kogel is Halcia in januari 2013 om het leven gekomen”, schrijft de auteur zakelijk. Ook deze dame (het bezoek vormt maar een kort intermezzo in het verhaal) is op haar manier een slachtoffer van haar Pothos geworden.

Obelisk Austerlitz
Archetypische symbolen en bikkelharde realiteit raken tijdens de speurtochten van de schrijver op intrigerende wijze met elkaar vervlochten. Het knapst gedaan is dit in het hoofdstuk over het bezoek dat de schrijver in gezelschap van zijn later overleden vriend aflegt aan de obelisk van het plaatsje Austerlitz bij Zeist. “Met Tomas voelde elk tankstation als Parijs, maar zonder hem voelde alles als vastziten in de lift met de verkeerde mensen.” Wat het zien van die obelisk bij Austerlitz uiteindelijk bij de schrijver van dit magische boek teweegbrengt, moet u beslist zelf lezen. Eigenlijk leiden alle punten van de bezochte monumenten, huizen, gangen en uiteindelijk zelfs zowat alle punten van de gebeeldhouwde zinnen die de hyperstylist Van Veelen in schrander gemonteerd tempo op ons afvuurt, tot een verbijsterende conclusie: mijn beste vriend moest sterven, es muss sein. Maar pas nadat en misschien wel omdat hij stierf, heeft de schrijver via de beschreven speurtochten tot aan de rand van vriendschap en dood, op schuifelende weg zichzelf kunnen vinden. Et resurrexit! Etiam pro nobis.
Dat heeft niets met spijt of schuld te maken (die laffe en gratuite levenskunst, schrijft Van Veelen op p. 73), maar alles met liefde, wijsheid en het afwerpen van innerlijke kettingen. Dit boek, dat zowel een pad van doorklievende persoonlijke rouw als van historische hermeneutiek bewandelt, brengt je op plekken van inzicht en verheffing waar je als lezer eigenlijk niet meer weg wilt. Dit boek wil ik altijd in mijn nabijheid hebben.

Serge R. van Serge Van Duijnhoven
Arjen van Veelen, “Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken” (De Bezige Bij 2017
ISBN 978 90 234 4860 0

Arjen van Veelen Twitter

Arjen van Veelen on Twitter

De Tien Stellingen van Buitengewoon Ongewoon

Kandelaarsstraat graffiti terminoideologica.jpgDe Tien Stellingen van Buitengewoon Ongewoon

Lijst 14

Den Bosch

 

Ralph Posset, partijleider

Serge R. van Duijnhoven, nummertwee

 

  1. Zweer af de prietpraat
  2. Wees niet slordig met geluk
  3. Alleen de onderwereld illegaal
  4. Meer poëzie in de politiek
  5. Meer magie in het dagelijks bestaan
  6. Minder verraad aan de ziel
  7. Minder disrespect en machtsmisbruik
  8. Minder ongelijkheid en mercantilisme
  9. Den Bosch hoofdstad van Nederland
  10. Herstel van het Hertogdom Brabant

 

 

http://buitengewoon-ongewoon.nl

0611088673

Recensie: De heilige Rita – de nieuwe roman van Tommy Wieringa

Tommy Wieringa, De heilige Rita (De Bezige Bij 2017)

door Serge R. van Duijnhoven

 

Sinclair Lewis creëerde Gopher Prairie, een fictieve plek in het hart van Minnesota. James Faulkner plaatste vele verhalen in zijn verzonnen provincie Yoknapatawpha. En Tommy Wieringa schiep in zijn nagelnieuwe roman De heilige Rita (De Bezige Bij 2017) Mariënveen en de Waarmanslanden. Om alle drie de gevallen gaat het om mythische binnenlanden, even realistisch als gefabuleerd. Decors die de schrijvers baseren op de grond waar ze opgroeiden, maar die ze even soepel naar hun hand kunnen zetten als regisseurs het decor van een toneel. Mariënveen bevindt zich in het oosten van Nederland. Een grensgebied en desolate krimpregio aan het uiteinde van het koninkrijk, ver van zee. Waar iedereen die iets kan, vertrekt.

de-heilige-rita

Protagonist in deze hartverscheurende vertelling van Wieringa, is de negenenveertigjarige Paul Krüzen. Zoon van een flegmatieke leraar geschiedenis met een endemische vorm van heimwee, nazaat uit een roemloos ten onder gegaan geslacht van molenaars die toen er een sluis gebouwd werd in de Molenbeek, van lieverlee maar zijn gaan boeren. De woonst van Paul Krüzen is een verminkte boerderij waar twee van de drie gedeelten uit gesloopt zijn, en de rest nog amper overeind staat als een spookachtig staketsel op een winderige begraafplaats. “Zwaar rustte het pannendak op het huis… Schemerde het buiten, dan was het binnen al donker… Eens was het een trotse, driekappige Saksische boerenhoeve geweest, maar een voorvader die het slecht ging, had de kappen aan weerszijden laten slopen en alleen het middengedeelte laten staan… De deel had haar bestemming verloren en was geleidelijk aan vol komen te staan met in onbruik geraakte werktuigen. Vlak gesleten Bentheimer molenstenen, een hooischudder, een weidedrinkbak; het archief van mislukkingen van het geslacht Krüzen.”

 

Het Duitse plaatsje Stattau, dat een postkantoor en bordelen bezit, Kloosterzand, de Avermaten: de geografische pleisterplekken in het boek zijn volstrekt waarachtig beschreven, evenals het knauwende taaltje dat er gebezigd wordt. Geen zin teveel, galgenhumor, bitterheid en cynisme. De buren bestaan uit twee stokoude broers (Oude Wesselink), met een waterput op de deel en in de keuken een zoemende ketel op een komfoor. Wieringa:  “Ze waren zo oud als bomen, die broers, en even vriendelijk”. De andere spelers in het spel zijn twee maffiose figuren, Laurens Steggink en zijn enigmatische Russische secondant die op brute wijze rondrijdt in de Ferrari Testarossa van zijn baas. “Toen Steggink op een dag werd veroordeeld voor een wietplantage bij de ouders van zijn verloofde in de schuur en valse zaken op Marktplaats, was Paul niet verbaasd geweest. Niemand eigenlijk. Je zag het aankomen. Laurens Steggink had geen biografie maar een strafblad. Zijn ex deed het nog altijd in haar broek voor hem.”

In dit krimpgebied aan de Duitse grens heerst ledigheid en eenzaamheid. Paul Krüzen verdient zijn geld met de handel in curiosa en militaria. “Curosia”, staat er abusievelijk op het uithangbord geschilderd voor de oprit. De militaria zijn voornamelijk afkomstig uit de voormalige DDR. Uniformen, wapens, helmen, medailles, zendapparatuur, mortierhulzen. “Zelfs een Shermantank had hij gehad, maar met rijdend materieel was hij gestopt, op een Daimler Dingo na; te veel massa, te weinig marge;” In de schaduw van de bomen en zijn schuren vol ‘curosia’, houdt Paul zich onzichtbaar en bemoeit zich nergens mee. Naast het verzenden van paketten, bestaat zijn dagtaak uit het verzorgen van zijn aftakelende vader Aloïs. De mannen leven alleen, als achtergelaten strijders op een verlaten slagveld. De moeder van Paul en vrouw van Aloïs, heeft man en kind in de jaren zeventig pardoes in de steek gelaten. En alle contact verbroken. Ze is er met een Russische verstekeling vandoor gegaan, die op een avond in de zomer met zijn krakkemikkige sproeivliegtuigje in de maisvelden voor de boerderij was neergestort. Helemaal vanachter het IJzeren Gordijn was deze piloot aan komen vliegen. De scènes over deze sproeipiloot in zijn zelf opgetuigde Polikarnov die als een engel uit de lucht komt gevallen, en het huiselijk leven van de Krüzens voorgoed zal veranderen, behoren tot de  meest verbluffende in het boek. In deze passages is het of Wieringa een nieuw hoofdstuk toevoegt aan zijn succesroman Joe Speedboot. Wederom is het verhaal even mythisch als volstrekt waarachtig beschreven. Het levert schitterende stukken op van humor en tragiek, in minimaal afgebakende zinnen vol rake observaties. Wereldliteratuur, gegrondvest op gefabuleerde provinciale bodem. Wie het werk van de vroege Joseph Roth kent, of van Isaac Babel (De rode ruiterij), zal bewonderend smullen van de smartelijke scene waarin de carnavalsoptocht wordt beschreven waarin de dorpelingen een wagen bouwen met een replica van het sproeivliegtuigje waarmee de Rus uit de hemel kwam gevallen om neer te strijken tussen de noabers van Mariënveen. De Rus wordt bovenin de replica geplaatst en volgestopt met jenever en worst, tot hij bijna het leven laat. De optocht ontaardt als op een schilderij van Jeroen Bosch. Maar de Rus komt uit deze carnaveleske hellevaart tevoorschijn als een onvermoede overwinnaar: hij hinkelt weg van de boerderij, en wordt nagelopen door Paul´s moeder die haar gast huilend naloopt en om de armen vliegt. Vader en zoon blijven getraumatiseerd achter. Moeder verdwijnt uit hun leven, om nooit meer terug te keren.

Krüzens enige vriend is er een uit noodzaak en geboorte. Een armetierige kruidenier, die zichzelf verwaarloost en even lankmoedig is als in zichzelf gekeerd. Een jongen die niemand kwaad doet, maar zelf ook verstoken is van ambitie en karakter. Hedwiges Geerdink heet deze deerniswekkende man, op wie je niet kwaad kan worden. Zelfs al kan hij alleen nog maar aan je kop zeuren over wie er nu weer zijn overleden in de verre omgeving. Hedwiges en Paul vinden elkaar tijdens gezamenlijke vakanties en bezoekjes aan cafetaria Happytaria, die gerund wordt door een dorpeling die zijn liefdesgeluk heeft gezocht bij een geimporteerde Chinese vrouw en haar familie die hij er gratis bij kreeg. Als ook tijdens uitstapjes naar een louche bordeel net over de grens, dat uitgebaat wordt door die engerd van een Steggink en zijn Russische neanderthaler. Zoals Michel Houellebecq parenclubs en seksresorts beschrijft, schildert Wieringa ons de wereld van Club Pacha. Maar dan minder cynisch en claustrofobisch. Wieringa is subtieler en suggestiever. “In Club Pacha begon het leven elke avond opnieuw. Je hoefde je niet te verontschuldigen voor wat vorige keer was misgegaan. De score van gisteren was gewist.” Paul en Hedwiges vinden er verpozing en kortstondig geluk, tussen kwebbelende lellebellen uit Azie en Oost-Europa die tangaslipjes dragen waar de witte labels met wasvoorschriften nog aanzitten. Spil in het amoureuze web is de Filipijnse Rita, een hoer op leeftijd bij wie Paul zich beter op zijn gemak voelt dan bij wie ook. Hij heeft haar een kettinkje gegeven dat hij na een vakantiereis voor haar heeft meegenomen. Van de Heilige Rita van Cascia. Sta RITA ORA PRO NOBIS, staat er op het medaillon: Heilige Rita, bid voor ons. Rita was de patrones van de hopeloze gevallen, maar ook van onvruchtbare  vrouwen en vrouwen met een slecht huwelijk, slagers en vleeshandelaren. Paul Küzen overweegt om Rita bij zich in huis te nemen, ten huwelijk te vragen. Maar een onfortuinlijk verlopen geschiedenis met een andere Aziatische schone, staat hem in de weg. Twintigduizend Euro heeft die hem gekost, en ze ging vreemd bij het leven. “Zijn vader had haar aanwezigheid geduldig verdragen, en na haar vertrek alleen gezegd: ‘Daar kon je maar beter vanaf wezen. Die loog zoals de dag lang was.’ Met Rita zou het anders zijn. Ze was katholiek, net als hij, de nestgeur van de moederkerk. Hij vertrouwde haar, maar vroeg het haar niet; de eerste hoer in zijn huis had de toegang tot de tweede versperd.”

Alle dorpelingen in de sage van Wieringa, delen met elkaar dezelfde vorm van lankmoedigheid, solitariteit en vooral: gebrek aan ruggegraat. Ook Paul, die zich overal afzijdig van wil houden, lijdt hieraan. Tot hij door het noodlot op de proef wordt gesteld. En boven zichzelf uitstijgt. Het boek is niet alleen  een vintage-Wieringa, met stijlvaste hand geschreven in drieendertig bijbels aandoende hoofdstukken. Het speelt ook in een exemplarische grensregio, waar natuur en cultuur zich tot diep in de eenzame, verkommerende harten met elkaar vervloeien. En de bewoners er ternauwernood in slagen “om de gebreken heen te leven”. Alles geschreven in even gemarmerde als tot in het merg doordringende zinnen van zowel poëtische als filosofische kwaliteit. Het boek zit vol psychologische diepgang en sociale, historische wijsheid. Over het leegschrapen van de DDR, over de natuur en het wezen van een krimpgebied, over zielen die zich tegen krachten van de teloorgang nauwelijks nog dapper teweer kunnen stellen. Over de lotgevallen van een plattelandsbevolking aan het uiteinde van het koninkrijk, die zich plotseling gesteld ziet voor de problemen van een zich tomeloos versnellende en globaliserende wereld.

Wat bovenal meesterlijk  gedaan is, in deze roman, is de impressionistische wijze waarop de verlatenheid en eenzaamheid van de personages voelbaar wordt gemaakt. Mensen die niets lijken te hebben, en toch alles op zekere dag verliezen. En die de rest van hun bestaan de omvang van hun verlies proberen te overzien. Mannen en vrouwen die “de afstand tot verdwenen sterren meten”. Het is de generatieve grammatica van de nakende ondergang, die door Wieringa in dit boek stap voor stap wordt blootgelegd. Eerst komen de Chinezen het dorp in, in de jaren zeventig. Aan het eind trekken ze weer weg, omdat de krimpregio ook  voor hen niets meer te bieden heeft. De vader van Paul kwijnt en rot letterlijk weg, met het verlies van zijn vrouw in zijn hart gegrift. Paul´s enige vriend wordt overvallen en toegetakeld door twee mannen met bivakmutsen, die Hedwiges hebben horen pochen dat hij met zijn kruidenierszaak fortuinen zou hebben verdiend. Er wordt tachtigduizend Euro buitgemaakt, Paul´s vriend wordt halfdood achtergelaten in de vervallende hoeve met het naburige magazijn vol afgeprijsde blikjes Unox smeervlees en slagroomspuiten. “Dit is mijn leven, dacht Paul, ik hou de stervenden gezelschap.”

Even is er een opflikkering van hoop, als Paul bij de apotheek geholpen wordt door een vrouw die bij hem op de lagere school heeft gezeten. Ineke Wessels, een grijsgeworden deerne met borsten als kanonslopen. Hij herkent haar aanvankelijk niet, maar zij toont interesse in hem en belt hem op voor een afspraak. “Hij leunde achterover in de bank toen ze naar de keuken verdween. Praten vergde veel van je. Een mijnenveld was het. Toch vond hij het contact met Ineke Wessels onverwacht aangenaam. Ze had een dode man en kinderen die haar verlaten hadden. Ze droeg haar eenzaamheid waardig. Alleen aan de lichte hysterie onder haar stem hoorde je hoe het er met haar voor stond.” Paul heeft het bij haar naar zijn zin, en vraagt zich af of het huwelijk er ook zo uit zou zien, comfortabel en genoeglijk. “Voor zoiets was hij ook wel te porren, dacht hij als een autohandelaar die een kansje rook.” Maar als Paul de daad bij het woord of het verlangen moet voegen, gaat het mis. De machine hapert. “Van de kinderen die ze baarde en zoogde, van een dode man en het verstrijken van de tijd sprak het lichaam van Ineke Wessels, en grijs als as was haar schaamhaar. Naaktheid had een oude vrouw onthuld. Hij stootte toe maar zijn kracht vloeide uit hem weg, zijn hardheid, hij streed een verloren strijd. Een gelukkige dag ontsnapte hem, zijn deel van het geluk loste voor zijn ogen op.”

Wieringa is meedogenloos en empathisch tegelijk. Onder de oppervlakte van de krimpregio gromt en rommelt het noodlot. De ondergang is onontkoombaar, maar Paul Krüzen overwint de angst die zijn vader zijn leven lang parten heeft gespeeld. Hij stijgt bij de nadering van die ondergang, boven zichzelf uit. Tot hallucinerende proporties. Het einde doet denken aan het slot van de serie Breaking Bad, maar dan zonder de sproeiende kogelregen. We blijven achter in het gapende, dreinende hoofd van de hoofdpersoon. Hij staat gereed in een SS-uniform dat zijn eerste aankoop behelsde van zijn serie militaria, bereid de aloude Russische vijand mores te leren. Hij richt zijn Lueger op de nacht, vanwaar Iwan hem zal belagen. En is bereid de naderende crimineel de nachtmerrie van diens grootvader, te doen herleven. Om vervolgens te verdwijnen in de peilloze donkerte van de nacht. In de stilte van zijn eenzaamheid.

Een hartverscheurend en wijze roman van internationale allure, zoals alleen Wieringa die in Nederland kan schrijven.

 

Tommy Wieringa, De heilige Rita, De Bezige Bij, 284 p., 19,99 euro.

 

 

Vishnu’s amuse gueule en Ah-Pook’s lekkernij

De Nobelprijs voor de Vrede ging vandaag helemaal terecht naar de organistie ICAN. De internationale coalitie krijgt de prijs voor de inzet voor het beperken van de verspreiding van nucleaire wapens. Hier een essay dat ik schreef over de hernieuwde angst voor een op handen zijnde nucleaire apocalyps, de kristallijnen traan van Robert “Doctor Atom” Oppenheimer, over Ah Pook de Vernietiger, de problematische betekenis van het getal nul in de Mayacultuur, over Lucy Walker’s atoomdocumentaire Countdown to Zero, het utopisme van de Global Zero Movement en de ultieme poging van de mens om zich te verlossen van het nucleaire kwaad. Is het twee voor twaalf? Een moment voor nul? Of is het al te laat? Lees het hier:

Sergevanduijnhoven's Blog

essay van Serge van Duijnhoven

over de hernieuwde angst voor een op handen zijnde nucleaire apocalyps, de kristallijnen traan van Robert “Doctor Atom” Oppenheimer, over Ah Pook de Vernietiger, de problematische betekenis van het getal nul in de Mayacultuur, over Lucy Walker’s langverwachte documentaire Countdown to Zero, het utopisme van de Global Zero Movement en de ultieme poging van de mens om zich te verlossen van het nucleaire kwaad. Is het twee voor twaalf? Een moment voor nul? Of is het al te laat?

een beschouwing n.a.v. de documentaire COUNTDOWN TO ZERO van Lucy Walker, Lawrence Bender en de Global Zero Movement, die vanaf 23 juli as. in de Verenigde Staten en Europa in de grote filmzalen te zien zal zijn.

trailer van de film Countdown to Zero:

http://www.festival-cannes.fr/en/mediaPlayer/10332.html

“It is perfectly obvious that the whole world is going to hell. The only possible chance that it might not is…

View original post 5.168 woorden meer

Pat Donnez praat met Serge van Duijnhoven over het dal waar hij uit kruipt

Blijf verwonderd!

Serge neemt afscheid van Brussel en vertelt hoe zijn immense liefde voor deze metropool, ontaardde in een rampzalige depressie met een bijna zelfmoord tot gevolg.
Foto van Serge van Duijnhoven

Serge van Duijnhoven (c) foto Bart Azare

 

Tot voor kort woonde Serge van Duijnhoven in het oude hart van de stad Brussel. Bijna twintig jaar. Hij beleefde er vele hoogte- en dieptepunten. Schreef er, trouwde er, scheidde er, werd op straat beschoten door een groep Marokkanen, werkte als nachtportier in het sjiekste hotel van de stad. Op 22 maart 2016 raakte Van Duijnhoven betrokken bij de aanslagen in de metro van Brussel. Dit was de druppel die de emmer deed overlopen.

Berg en Dal SvD Pat Donnez Klara 17 sept 2017

http://radioplus.be/#/klara/herbeluister/7e456ea7-520d-11e5-8f7e-00163edf48dd/420c44fe-9b87-11e7-81f8-02b7b76bf47f/

 

Mijn seizoen in de hel
Wie vragen heeft over zelfdoding, kan terecht op het gratis nummer 1813 en www.zelfmoord1813.be.

Van 1999 tot 2017 woonde de in Oss geboren schrijver, dichter en historicus Serge R. van Duijnhoven (1970), tevens frontman van de band Dichters Dansen Niet, in het oude hart van de stad Brussel. In deze hoofdstad van het continent beleefde de auteur vele gedenkwaardige hoogte- en dieptepunten. Hij schreef er zeven boeken en maakte er vier cd-albums, trouwde er, scheidde er, werd op straat beschoten door een groep Marokkanen, werkte als nachtportier in het sjiekste hotel van de stad waar de Koninklije familie El Nah´yan uit de Verenigde Arabische Emiraten met een gevolg van bediendes en slaven permanent de vierde verdieping bewoonde. Hij gaf er concerten en lezingen, hield een literaire talkshow in boekhandel Bolle en woonde er gedurende twee rumoerige jaren samen met auteur Arthur van Amerongen terwijl die undercover werkte aan zijn  geruchtmakende boek Brussel Eurabia. Van Duijnhoven beleefde in vele opzichten een gloedvolle tijd, maar raakte gaandeweg zijn verblijf ook steeds meer innerlijk bevlekt door de verpaupering, islamisering en verelendung die het  Brusselse Hoofdstedelijk Gewest de laatste jaren kenmerken. Op 22 maart 2016 raakte Van Duijnhoven betrokken bij de aanslagen in de metro van Brussel. Dit was de druppel die de emmer deed overlopen. In zijn prachtig geschreven dagboekaantekeningen Afscheid van Brussel hoe zijn immense liefde voor deze hybride metropool en zijn diverse bewoners, ontaardde in een rampzalige depressie met bijna fatale gevolgen.

 

Fragment:

 

“Brussel was zo´n geweldige stad dat hij nooit op zou raken. In de Kandelaarsstraat waren we totaal in harmonie. Ons leven was als een enkel, welbesteed uur. Het geheim ervan was ons gebrek aan wroeging, aan zelfmedelijden, onze creativiteit en trots die maakten dat we onze armoede en ontberingen voor lief namen. We waren bereid de prijs te betalen van een bestaan in de groezelige boezem van de Brusselse bohème. De sleutel tot ons Brusselse geluk, was onze onstilbare honger naar de bronnen van het leven zelf. Onze souplesse, om ons aan te passen aan de vereisten en coutumes van een stad die politiek even verdeeld was als cultureel gefragmenteerd. We haalden de pin uit de granaat, en wachtten nieuwsgierig op de ontploffing. Verkneukelden ons bij het schouwspel, de felle lichtflits, de knal, het tafereel van de versplinterde explosie. We bezagen en bestudeerden het resultaat van onze handeling. De uiteengeworpen fragmenten van een tot ontploffing gebrachte leven dat net als het zonlicht in de rozetta van een kerk, op de vloer neerdaalde in multispectrale scherven van lich ten schaduw. Een betoverend arsenaal aan messcherpe kleuren. Wat we met volle teugen tot ons namen, in ons opsnoven, was de opwindende geur van vers tot ontploffing gebracht kruit. Het buskruit van het ware, grootse leven in een grenzeloos Hoofdstedelijk Gewest.”

 

Afscheid van Brussel

Vandaag, 14 juli 2017, kwam de camion  voorrijden waaruit enige potige mannen stapten van het verhuisbedrijf Strang in Vught, die mijn huis aan de Kandelaarsstraat 23 in de Marollen, hartje Brussel, in no tempo leeg kwamen  ruimen. Ik heb er veertien jaar gewoond. Toen ik er introk, met mijn toenmalige echtgenote Anica Miloshevska, was het huis aan voor- en achtergevel van bodem tot dak bedekt met weelderige lagen klimop. Het huis dateert uit 1848, de straat is  veel en veel ouder, en staat al aangegeven op kaarten die dateren uit de veertiende eeuw. Het is een straat met denivele, hoogteverschil. Hij heeft een stevige helling, en het bovenste mondt uit in een stel stevige stenen traptreden. De straat is daarom niet alleen stil, hij oogt ook pittoresk en authentiek. Een beetje a la Montmartre.

Kandelaarsstraat Serge in de Kand Bart Azare1

Serge op de kasseien van de Kandelaarsstraat. Fotograaf: Bart Azare

Ik heb in dit huis veel meegemaakt. Veel beleefd. Ten faveure en ten detrimente. Ik heb er gelukkige jaren beleefd, en minder gelukkige. Ik vierde er de liefde, de vriendschap, het feest, het eten, zingen en pianospelen, de muziek en vooral  het Franse chanson.  Ik beleefde er jaren van delires en dronkenschap toen de schrijver Arthur van Amerongen in 2007 en 2008 mijn zolderverdieping huurde om er te werken aan zijn profetische boek Brussel Eurabia. Maar ik maakte er ook mijn scheiding mee, een periode van armoede en verval, van islamitische indoctrinatie, vereenzaming en uiteindelijk zelfs van een depressie die uitliep op een zelfmoordpoging. De stille kracht van deze stille straat, bleek  niet alleen maar een gunstige uitwerking op me te hebben. Ook mijn leven  kwam er stilletjes aan in tot stilstand. De optredens werden minder en minder in aantal, vrienden uit Holland kwamen steeds minder vaak langs, voor  de literaire beau monde uit  de  Grachtengordel was ik na zo´n twintig, eenentwintig jaren in Belgistan te hebben doorgebracht, op gegeven moment min of meer van de artistieke kaart verdwenen. Als er nog eens een artikel over me verscheen, werd ik steeds vaker een Vlaming of Belg genoemd. Dat ik niet uit Vlaams-Brabant maar uit Noord-Brabant (Oss) afkomstig was, scheen nergens meer opgemerkt. Ik begon honger te krijgen naar een mogelijkheid, om me weer wat meer naar het centrum van de literaire wereld toe te vechten. Terug terreinwinst te boeken. Mijn pittoreske stille straat, was wel een heel stille straat geworden.

Na de aanslagen van 22 maart 2016, waar ik  van nabij bij betrokken was toen ik  in de metro onder station Kunst/Wet op brute wijze tot stilstand werd gekatapulteerd en in het pikkedonker belandde, omdat een mohammedaanse zeloot gemeend had zich tot martelaar te  moeten maken door zoveel mogelijk burgers met zich mee de dood in te jagen, begon het me te dagen dat het wellicht niet onverstandig was om van woonst te veranderen. Hoofdstuk Brussel na achttien  jaren – met een lichte pijn in het hart – toe te doen. Een frisse start te maken, boven de open riolen die ik vroeger zo verguisde. Om als het ware Heim ins Reich te gaan dus.

Maar de verkoop van het huis liet op zich wachten. Ik leidde 150 gegadigden rond door mijn verdiepingen, die in 2011 nog op smaakvolle wijze waren ingericht door mijn toenmalige geliefde en designer Arlette van Laar. Lampen en gordijnen van Emmery & Company, een dromerige okerkleurige verf op de wanden, een bidbankje uit een protestantse kerk voor in de keuken, het hout vers gelakt, een parketvloer gelegd, het muffe jarenzeventig tapijt op de trap van de treden getrokken en de  vloeren  geboend. Het huis in de Kandelaarsstraat werd van een rommelig thuishonk voor een bohemien, een oogstrelend palazzo. Toch vond de ene gegadigde de trappen te steil, beklaagde een ander zich dat het huis geen garage had,  of geen kelder, of dat er een tuin miste. Anderen waren wel gecharmeerd van de sfeer die het huis ontegenzeggelijk bezat, maar ze waren toch ook een beetje beducht voor de leeftijd ervan. Een Italiaan die verliefd werd op mijn woning, liet zich finaal van de wijs brengen door een ingehuurde expert die het huis tot op de bodem begon af te breken. Dit en dat en zus en zo zouden hier niet deugen volgens de steeds strengere stadreglementen, er zat hier en daar wat vocht in de muren, de glazen annex van de benedenverdieping stond niet vermeld in het kadaster, dak moest node gerepareerd, en er waren wortelsporen van een berkenboom die zich in de loop der jaren in het cement van de schoorsteen had vermengd, etcetera. Weg liefde van de dolenthousiaste Italiaan, die niet de mankementen maar de ziel van het palazzo had ervaren. Magie verdwenen. Een nieuwe periode van wachten op mogelijke kopers begon. En in de tussentijd zat ik op de schopstoel, kreeg een duistere vorm van lethargie en somberte bezit over mijn ziel, en zakte ik gelijdelijk aan weg in een toestand die achteraf gezien enkel is te karakteriseren als een diepe, diepe depressie. Ik werd zelfs suicidair. Toen er eindelijk een jong koppel in de straat verscheen, dat net als de Italiaan amoureuze gevoelens voor rustieke palazzo scheen te voelen, was dat niet eens meer een mogelijkheid tot naderende verlichting of verlossing. Ik begon me in te beelden dat wat een Afscheid van Brussel moest worden, misschien ook wel meteen een Afscheid van het leven diende te betekenen. Toen ik werd geroepen bij de notaris, om er de voorlopige verkoopacte te ondertekenen in het bijzijn van het jonge Franse duo dat in mijn bibliotheek een praktijk wilde vestigen voor orthodontie,  voelde het alsof ik niets minder dan mijn eigen  doodsvonnis ondertekende.

Op 10 mei jl. was de innerlijke wanhoop tot zo een dieptepunt geraakt, dat ik geen andere uitweg meer zag dan de daad bij de al maanden steeds sterker wordende obsessieve gedachte te voegen. Ik nam een  overdosis slaappillen van het merk Nozinan, dronk twee flessen wijn leeg, schreef een afscheidsmail naar mijn uitgever en bezieler Vic van de Reijt van Nijgh & Van Ditmar, en legde me kalm en uitgeblust  op  bed, waar ik  nog een plastic zak van de Lidl over mijn hoofd trok. Mijn kat Kyra kwam ongerust kopjes geven en haar pootje tegen mijn gezicht wrijven. Ik probeerde haar gerust te stellen, door haar te aaien. Ik had vrede met de gedachte aan de dood, sterker nog: ik snakte ernaar. Verlossing van besognes, gedachten, schulden en de deprimerende gedachte dat het leven dat nog komen moest, toch niet anders zou worden dan een lange aftocht richting het lichamelijke, geestelijke en artistieke verval.

Het huis is leeg. Ook de bieb is leeg1

 

Het huis is leeg. Ook de bieb is leeg2

 

Het huis is leeg.Camion

 

Het huis is leeg.lift

 

Het huis is leeg.liftlight

 

Het huis is leeg.straatpatio

 

Huis is leeg.1

 

Huis is leeg2

 

Huis is leeg3

 

Huis is leeg4

 

Het huis is leeg. Kyra is wat verdwaasd

 

Het huis is leeg. Kyra is wat verdwaasd2

Brussel is een rivier die zijn monding en zijn debiet kwijt is. Wat er aanspoelt, resulteert in verloedering. Een verloedering, die in Brussel gedijdt als schimmel in een ruine en die alles verrot, alles bederft en aantast, en daardoor zijn eigen ondergang veroorzaakt. Deze stad staat geheel op zijn kop. De rechtvaardigen boeten voor de zondaars, de armen voor de rijken, de buitenlanders voor de inheemsen. De stad is geveld door de toekomst, die hier al aangebroken is als een doodsvonnis dat is volvoerd. Het kosmopolitisme heeft het provincialisme verpletterd.

Kandelaaarsstraat straatnaambord

Zo zag het huis eruit voor de verhuizers kwamen. Dit is een foto genomen door Theo Krijgsman:

Kandelaarsstraat zo zag het eruit foto Theo Krijgsman

In 2003 was de stad ons nog niet  beu. We waren nog steeds knap en geliefd : de mensen glimlachten op straat en keken om. In onze kamers was het kil, maar ze hadden de juiste verhoudingen, en er was meer dan een verwijzing naar een ander leven, vrij van de vertrouwde remmingen, een leven van een hogere orde, in dit grote laboratorium, dit merkwaardig surrealistische lustoord dat zich alleen voor jou ontvouwde.  We sprongen als vlooien van de ene tent naar de andere.

 

Kandelaarsstraat 19e eeuw laiterie

De Kandelaarstraat op het einde van de 19de eeuw. Vormt samen met de Tempelstraat, de Samaritanenstraat en de Duivenstraat een netwerk van straatjes dat reeds voorkomt op het plan van Deventer. Deze straten verraden door hun smalle breedte en hellend reliëf nog hun middeleeuwse oorsprong.

Kandelaarsstraat 19e eeuw vanaf beneden

Kandelaarsstraat 19e eeuw

Ik voelde me aangetrokken tot de surreeele, terloopse elegantie en het air van Brussel, aspecten die je meteen opvielen, de collage van statige, vervallen, grappige en mondaine dingen, het leven in de straten en het leven dat ontreddering en dood weerstaat.

De normale gang van zaken is dat je alles eerst van veraf ziet en dan van dichtbij. Brussel kun je echter  niet zo zien. Het is een nurksige, intieme stad, en daarmee bedoel ik privacy, gevuld met details van het leven, gevoelig voor stemmingen en verheven boven aanpassingen aan het individu. De stageaire, de parlementarier, de forens, de student, de immigrant : zij die Brussel bevolken zijn er heel vaak maar tijdelijk, op doorreis. Vrienden van me zijn hier op bezoek gekomen, verbleven enige dagen en nachten, maar konden geen vat krijgen op de stad. Een enkeling concludeerde boos bij zijn vertrek dat « Brussel hem had afgewezen ».

Brussel geeft zich niet gemakkelijk gewonnen. Het pronkt niet graag . Houdt zijn kaarten verborgen. Kijkt de kat uit  de boom. Het heeft een hekel aan pretentie en een grote bek. Het is allergisch voor ieder die het beter weet.

Haar kracht is verticaal, en dat wil zeggen diep.

Een stad die zo vaak van buitenaf is geregeerd, bezet, belegerd, gemeltraiteerd, verraden, kon geen sprankje illusie meer overhebben. Overdag was het er bedrijvig, als de zon scheen  was het er soms prachtig en lommerrijk. Na donker werd het sinister. Leeg, dreigend, verraderlijk.

 

Kandelaarsstraat boek over Marollen zw wt

Kandelaarsstraat brochure cover

Kandelaarsstraat Chez Jeanine jaren vijftig

 

Brussel was zo´n geweldige stad dat hij nooit op zou raken. In de Kandelaarsstraat waren we totaal in harmonie. Ons leven was als een enkel, welbesteed uur. Het geheim ervan was ons gebrek aan wroeging, aan zelfmedelijden, onze creativiteit en trots die maakten dat we onze armoede en ontberingen voor lief namen. We waren bereid de prijs te betalen van een bestaan in de groezelige boezem van de Brusselse boheme. De sleutel tot ons Brusselse geluk, was onze onstilbare honger naar de bronnen van het leven zelf. Onze souplesse, om ons aan te passen aan de vereisten en coutumes van een stad die politiek even verdeeld was als cultureel gefragmenteerd. We haalden de pin uit de granaat, en wachtten nieuwsgierig op de ontploffing. Verkneukelden ons bij het schouwspel, de felle lichtflits, de knal, het tafereel van de versplinterde explosie. We bezagen en bestudeerden het resultaat van onze handeling. De uiteengeworpen fragmenten van een tot ontploffing gebrachte leven dat net als het zonlicht in de rozetta van een kerk, op de vloer neerdaalde in multispectrale scherven van lich ten schaduw. Een betoverend arsenaal aan messcherpe kleuren. Wat we met volle teugen tot ons namen, in ons opsnoven, was de opwindende geur van vers tot ontploffing gebracht kruit. Het buskruit van het ware, grootse leven in een grenzeloos Hoofdstedelijk Gewest.

 

Kandelaarsstraat Chez Jeanine terrasje

 

Kandelaarsstraat arsons

 

 

De exquise geuren, de wanorde die mooi was, de nachten die nooit eindigden, je dagboek vol met ontmoetingen, diners, concerten, tentoonstellingen, voorstellingen, memorabele ervaringen en cruciale inzichten, dat alles creeerde in mij de warmte van een overrompelende liefdesnacht. Brussel. Dit waren uren, dagen, nachten, seizoenen dat je het leven letterlijk indrinkt. De kalme dagen, de camaraderie, de liefde die haar sporen nog verdiende en die je beleefde als een plechtig avontuur dat beantwoordde aan de verordeningen van een alleszins nobele ziel, de zon overdag en de belevenissen na valavond, dit alles loogde alle zorg uit ons. Liet ons tevreden achter. We waren personages in een toneelstuk dat we imiteerden en bewonderden. Het leven kon niet tegenvallen, de acteurs niet van het toneel verdwijnen. Het gezelschap kwijtte zich voorbeeldig van zijn taak. De voorstelling was in alle opzichten geslaagd, het theater van ons overprikkelde bestaan was echter en effectiever dan de rauwste vertoning op straat in de verarmde wijken van de binnensteden. We hielden stand, we floreerden, we genoten en leerden spelenderwijs wat het betekende om volwassene te zijn in een kosmopolitische stad met al haar scherpe randen, bittere schaduwen en talloze verlokkingen. The readiness is all, liet Shakespeare Hamlet verkondigen. En bereid waren we. Om tot het uiterste te profiteren van dit grenzeloze hedonistische bestaan, om tot in extremis tot dit opwindende grootstadse leven in te gaan. De drinkbeker tot de bodem leeg te slurpen. Dit waren uren, dagen, nachten, seizoenen dat je het leven letterlijk indrinkt. Dat we het leven letterlijk leegdronken. We voelden ons gepurifieerd. De dagen waren uitgehakt uit een steengroeve die nooit leeg zou raken. De vrijheid waar we gedurende onze jaren in Brussel op uit waren, was er een van zelfoverwinning. Het was geen  natuurlijke gesteldheid. Ze was alleen bedoeld voor diegenen die er alles voor over hadden, die zich realiseerden dat het leven daarzonder alleen maar bestond uit trek hebben tot je geen tanden meer had.

 

Kandelaarsstraat graffiti Bruegel

 

Kandelaarsstraat graffiti terminoideologica.bord

 

Hoe vaak kun je in een en dezelfde tijdsspanne de liefde van je leven beleven? De romantische, mateloze ziel beziet en beleeft iedere grote liefde, als de ultieme kans op geluk. Maar ook als de ultieme beproeving. De klap waarmee mijn meest recente relatie op de klippen liep, kwam ik niet meer te boven. Ik en Medina. Ik, Medina en haar zoontje Jonathan. De vervulling die mijn leven de afgelopen jaren eindelijk weer glans had gegeven, ontviel me met een daverende klap. De ondraaglijke stilte en leegte die op die klap volgden. Het gevoel van mislukking, falen, altijd weer te eindigen aan de zijlijn van het bestaan. De implosive van mijn leven, dat ik als ledig en betekenisloos ervaarde. We waren verloofd. We hadden grootse plannen. We hielden onze toekomst in de palm van onze handen. Wanneer de verlovingsringen van de vingers worden getrokken, op de grond worden gesmeten en met de paraphernalia van de grootse liefde in de prullenbak belanden, wanneer een Koppel dat zo hecht was en geloofde in de kansen die de liefde hen nog een keer bood, uit elkaar gaat: dan is het of er een houtblok wordt gespleten met een bijl. De twee stukken zijn ongelijk. Een ervan bevat de kern. De andere het gemis. De ene vangt het licht, en slaat dat in zich op. Om de boeken vervolgens monter weer te sluiten. De ander vangt de schaduw, en ervaart hoe de splinter van het houtblok zijn ziel in stukken kerft. Voor de ene is de ervaring van die grootse liefde een verrijking, voor de ander is en blijft het vooral een open wonde. Medina is er met het heilige deel vandoor gegaan. Zij kon verder leven, gedijen, tot bloei geraken, opnieuw gelukkig zijn en een leven verderzetten vol betekenis en genoegens. Ik bleef achter op het altaar, gehavend, getekend, bloedend en gewond. Alsof een leeuwin mijn bortkas open had gescheurd, en er mijn ziel uit had opgepeuzeld. Ik moest niet zeuren. Had gekregen wat ik had gewild. Toen ik mijn geliefde voor het eerst had gezien, in een serie op TV, had ik uitgeroepen: deze soevereine dame is de panter waar ik door verslonden wil worden. Aldus geschiedde. Mijn bede is verhoord.

 

Kandelaarsstraat graffiti terminoideologica

 

Kandelaarsstraat graffiti terminoideologica.senzafranco

 

Ik was een nieuw tijdperk in gegaan. Al wat tot het oude behoorde, moest worden begraven, weggedaan. Mijn verwondingen leken me voortekens. Ze markeerden mijn eerste echte vrees voor het verdere leven, voor de kwaadaardigheid die deel was van de sappen ervan, die niet te verklaren was, niet te genezen. Ik wilde mijn huis verkopen. Er was iets gaande aan alle kanten van mijn bestaan, ik begon het te zien op straat, het was als het donker, ik was me er opeens van bewust, als het komt, dan komt het overal. Het makkelijke deel van het leven was voorbij.

Was het dan zo makkelijk?

Het leven veranderde van een bovengrondse stroom met vele vertakkingen en een gezonde doorstroming, in een ondergrondse rivier. De bovenkant wordt lager, wordt nat, het water spoelt het donker in. De lucht wordt vochtig en ijzig, de doortocht wordt nauw. Licht, geluid is hier niet meer. De stroming glijdt nu voort onder grote, onbewogen platen van steen. Het stinkt er. Het water is zwart als het graf. Ik kan alleen maar zeggen dat je daar, op die ondergrondse rivier, zelfs met moed niet veel opschiet.

 

Kandelaarsstraat Inkymouth leeg

 

Kandelaarsstraat jaren vijftig Marieke

 

Terwijl ik  op de hoek van de Kandelaarsstraat stond, met drommen toeristen die er in het weekend passeerden, langs me heen strekeen, terwijl er bussen voorbij denderden, zei ik tegen Luigi: Het is afgelopen. Waarmee ik alles bedoelde dat me had gevoed, bovenal de stad buiten wier uiterste boorden ik een toevlucht had gevonden, nog steeds gevoelig voor haar aantrekkingskracht, nog steeds onder een hemel waarvan een uiteinde gloeide van haar licht. Er zijn steeds meer stukjes van de oever weggevallen. Tegenslagen, mislukkingen, aanslagen, verelendung, verloedering, verkommering. Dat waren de kale bomen in het Brusselse bos die alleen stonden en aan de voet waarvan op gegeven moment niets meer leek te willen groeien. Je kunt het emotionele bankroet uiteindelijk net zo snel en grondig beleven als het materiele dat je al zolang met zoveel kunst en vliegwerk hebt proberen te voorkomen. Het is een misvatting te denken dat je het echec (onheil), net als de dood, altijd wel een stap voor zal weten te blijven. Ons vermogen tot gedurig welvaren is, als puntje bij paaltje komt, even gelimiteerd als ons incasseringsvermoogen. Het reservoir aan mogelijkheden waaruit we zo kwistig putten als we jong zijn, blijkt allerminst oneindig. Wie rekent op een rechtvaardige balans, een gelijkmatige spreiding van kosten en baten, van voorspoed en misfortuin, komt bedrogen uit. Plotseling blijken alle rekeningen tegelijk te moeten worden vereffend. Raken schilden beschadigd, reserves geplunderd. Kloppen er niet alleen deurwaarders, maar ook allerhande karmische crediteuren bij je aan, bonzen op de deuren van je ziel. Je ziel raakt erdoor opgejaagd, en belegerd, net zoals de stad overspoeld wordt door de bedelaars en apatriden. Je kunt langzaamaan wegzakken in een misere die van de stad op jezelf is overgeslagen. Je vrijwel letterlijk opnknopen aan een melancholie die behalve van het stille en doodlopende straatje waar je woont, ook van je inwendige bezit blijkt te hebben genomen. Wijn, verhalen, verre en overleden vrienden, mislukte kansen, het geluk dat ik in mijn handen had gehouden en dat ik had laten ontglippen: ik was een man die met al zijn kleren aan in de stroom der dagen lag.

 

Kandelaarsstraat Je taime mon petit chat

 

Kandelaarsstraat Kapellenkerk

 

Een leven gedompeld in stilte, gemarineerd in wanhoop. De hoop op een beter, die alle nieuwe dagen wordt gelogenstraft. Een nachtmerrie, waaruit niet meer valt te ontwaken. Je bent een kritiek reactiepunt voorbij, waarop je zintuigen nog op de prikkels van buiten reageren. Je reservoir aan krachten waarmee je je tegen de aanvallen kunt verdedigen, is weggesijpeld. Weggespoeld, alsof er een stop is gehaald uit de bodem van je ziel. Je bent er absoluut van overtuigd dat dit je laatste dagen zijn. Je zal ze nooit meer terugvinden.

 

Kandelaarsstraat quartier Breugel

 

Kandelaarsstraat Sablons Tower

 

Ik was een en al romp geworden. Ik had geen kiel meer. Het roer was klein, het kompas op drift. Mijn ogen waren glazig, de vonk van levensenergie was eruit weggetrokken, het vuur was gedoofd. Zelf mijn libido liet verstek gaan. Ik was als een verslagen bokser, wachtend in zijn hoek op de genadestoot. Ik kon alleen nog plichtmatig glimlachen en praten, meepraten met anderen door hun laatste woorden te herhalen. Ik, die het leven zozeer had omhelsd en doorleefd, ik had geen puf meer. Het leven liet me in de steek met een trage, onmerkbare motoriek, als het tij waar je met je rug naartoe staat. Alle verdriet en geluk verdween, vervaagde, werd uitgewist tot niet eens meer de herinnering eraan resteerde. Ik werd van binnen uitgehold, mijn leven werd dag in dag uit bepaald en vormgegeven door een steeds pregnantere leegte en een steeds grotere alomvattende paniek. Het lukte me niet meer uit de put van de eenzaamheid omhoog te klimmen. Ik zonderde me steeds meer af. Meed gezelschap. Voelde me nimmer op mijn gemak als mijn isolement bij uitzondering eens werd doorbroken. De eerste gedachte die me bekroop bij eender welke ontmoeting was: hoe kom ik zo snel mogelijk van hem of haar af. Hoe kan ik mijn schamele wezen zo snel mogelijk weer toedekken met de mantel van de eenzaamheid. Ik probeerde vrede te hebben met de ondergang, die immanent leek. Waaraan niet meer viel te ontkomen. Ik had een puinhoop van mijn leven gemaakt, en mijn ik was onder meters puin bedolven geraakt. Ik kon me geen weg meer naar het oppervlak toe graven. De enige uitweg uit deze allerneteligste situatie, was de ontsnapping van de dood. De ultieme verlossing. Het vinden van de poort die me eindelijk naar het niets-oord terug zou voeren. De gedachte hieraan, bracht me opmerkelijk genoeg een vorm van rust. Soelaas. Er was een einde mogelijk. Al zou dat einde enkel gestalte kunnen krijgen in het schenden van een oeroud sacraal gebod. Gij zult niet doden, of het nu een ander of uzelve betreft. Het voornemen om dat poortje van de nooit-uitgang uit eigen beweging open te wrikken (de deur waarop niet voor niets een afgeragd bordje was bevestigd met de tekst Sans Issue, Verboden Toegang voor Onbevoegden), droeg ik in stilte met mee. Het voelde als het brandtouw dat ik om mijn middle had gegord, en waarmee ik ten lange leste in ieder geval uit het brandende gebouw van mijn bestaan zou weten te ontkomen. Het touw verborg ik onder mijn kleren. Anderen hoefden, mochten het in geen geval gewaar worden. De gedachte aan zelfmoord gaat met een beslist bewustzijn gepaard, dat wat je voornemens bent te doen een misdaad betreft. Een ultieme vorm van verraad, zowel aan jezelf als aan je naasten. De gedachte wordt een dwanggedachte, en de dwanggedachte wordt een gruwelijk geheim dat je in de rottende, pikdonkere stilte van je eenzaamheid hebt weggestopt, als een radioactief stuk plutonium die door criminelen is achtergelaten in een kluis.

Het is onmogelijk, ondenkbaar om dit verraderlijke geheim met wie dan ook te delen. De de zelfmoordenaar in spe is ertoe veroordeeld, zijn giftige voornemen in de donkerte van zijn kluis te laten stralen. Het is het sluitstuk van zijn eenzaamheid. De kluis bevindt zich helemaal in de kelder van zijn totalitaire isolement. Alleen jij hebt de sleutel, weet van het bestaan van die kluis.

 

Kandelaarsstraat station Kapellekerk

 

Mijn lichaam was min of meer hetzelfde gebleven, al werd ik dan wat magerder vanwege alle zorgen en verdriet, de structuur die dat lijf bijeenhield was aan het oplossen. Al de oude en onderling verbonden kennis, al mijn eruditie en mijn aanspraken op enigerlei mate van geluk, de invulling van de belofte waarin ik mijn hele creatieve leven had geloofd en waar ik op had gerekend, het begon allemaal te verdwijnen. Het voelde alsof de grote kamers van mijn binnenste het een voor een begaven. De ruimten van mijn leven vielen weg als een gebouw dat werd gesloopt. Mijn lichaam had zich tegen me gekeerd, de harmonie die daarbinnen ooit had geheerst, was verdwenen. Ik bleef achter in het huis dat al te koop stond. Als een schipbreukeling in een wrak dat bezig was te zinken. Alles in huis, leek te delen in een verlies. Ik voelde me steeds meer gescheiden van mijn bestaan. De aanwezigheid die de leegheid van de kamers en verdiepingen vulde en lichter maakte, zin gaf, die aanwezigheid was er niet meer. De simple hebberigheid waarmee je je vastklampt aan een liefde, een vriendchap, een vol leven met arbeid en betekenis, maakte me plots wanhopig. Ik raakte verdoofd. Een fatale ruimte had zich geopend, zoals die tussen een lijnschip en de kade, plotseling te breed om overheen te springen. Alles is nog aanwezig, zichtbaar, maar je kan het niet meer terugkrijgen. De tijd raakte verzuurd, stonk in zijn zakken. Ik had plannen, een beetje vaag, een paar afspraken op de lange termijn, maar niets wezenlijks meer te doen. Mijn blik bleef niet aan dingen haken, maar gleed ervan af als een stervend insect. Ik wankelde, zwaaide heen en weer tussen momenten dat ik geen enkele kracht had, geen denkvermogen, geen drang tot vechten, waarop ik het gevoel had dat, ach, kon men zijn dood maar als een fanaticus, een gelovige, tegemoet rennen, koortsig, bedwelmd, op die versnelde voeten die achter liefde aan rennen – en dan, in de kalmte van een vroege middag als ik een boek probeerde te lezen, was ik juist verzadigd van een allesoverheersende lethargie. Een berusting, dat de ondergang toch  wel zou komen en niet eens hoefde te worden bespoedigd. Op dat soort dagen wentelde ik me in een gedurige slaap die zich over vele dagdelen en nachtelijke uren uitstrekte. Als een insect dat zich verpopte, verscholen voor de gang van de wereld, in een cocon van zelfgesponnen zijde. De tijd tot stilstand gebracht, die donkere nis in de ruimte opzoekend, waar je je alvast onzichtbaar kon wanen voor het Oog van het Al.

 

Kandelaarsstraat straatnaambord Sainktmalot

 

Kandelaarsstraat straatnaambord twee talen

 

Ik arriveerde in Brussel toen ik negenentwintig was.  Mijn eerste decennium in de stad beleefde ik als dertiger. Dat gloedvolle decennium in je leven waar nooit een eind aan zou komen en waarin je alles kon wagen. In de Marollen ging ik op gegeven moment mijn middelbare leeftijd in, mijn dertiger en veertiger jaren, en die periode was er een van bloei en beloften die gelijdelijk aan transformeerden in verdieping en bestendiging. Maar op zeker moment toch ook in herhaling, verstarring, vertraging, verval. Mijn leven veranderde van een snelstromende beek, in een uitgestrekt meer, donkerder en dieper dan ik had gedroomd. Het werd van onderen gevoed door bronnen van een nog jeugdige bravoure en de bijbehorende ambities, fris en zuiver en beloftevol. Aan de oppervlakte, bij het afvoerkanaal, was het water troebel en al lang niet onbezoedeld meer .  Wie een monster nam, mat de toxische resten van een bandeloos artistiek bestaan en de sporen van een jarenlang veronachtzaamde grootstedelijke vervuiling. Was dit waar het frisse begin op uitgelopen was ? Een vergiftigd riool, gelijk de Zenne, dat omdat het nauwelijks nog gezuiverd kon worden, beter aan het oog kon worden onttrokken ?

 

Kandelaarsstraat trappen boven

 

Kandelaarsstraat vanaf halfweg

 

Alles heeft een cyclus, en ik wist dat ik het beste deel van mijn geluk al achter me had. Ik probeerde wanhopig te zinnen op manieren om me uit de neerwaartse spiraal te wringen. Ik  opperde het plan om te vertrekken. Een nieuw leven te beginnen, terug op mijn geboortegrond. De plenipotentie van een frisse start! Maar het op een finale wijze afbreken van een genesteld bestaan in een geliefde stad, is net als het afbreken van een gevecht, naar verluid, een van de moeilijkste operaties die er bestaan, en sommigen zijn er bedrevener in dan anderen. Het betekent vlak langs de afgrond gaan, de rampspoed net weten te omzeilen en op een haarbreed overleven. In Brussel heb ik mijn geluk maar ook mijn tegenslagen op mijn pad gevonden, en gezien hoe de dingen waar ik zielsveel van hield en die betekenis gaven aan mijn bestaan, een voor een in duisternis en ongenade vielen. Net als andere grote steden stinkt het in deze hoofdstad van Europa, naar de eindeloze cyclus van leven en sterven. Je komt tot het besef – niet meteen, maar pas als je je eigen sterfelijkheid kunt accepteren – dat leven en dood hetzelfde zijn.

 

Kandelaarsstraat.grafitti2011

 

Kandelaarsstraat.zwwit

 

Gebeurtenissen hebben hun uitnodiging nodig, desintegratie haar begin. De aanslagen van maart 2016. 32 medeburgers, die de pech hadden twee metrostellen voor de jouwe uit te reizen,  komen om. Jij overleeft. En meer dan dat : hun levens zijn in de jouwe gegraveerd. Je klautert in het pikkedonker omhoog, ruikt de geur van electriciteit en schroeiend vlees. Als je eindelijk weer boven op straat staat, niet ver van metrohalte Maelbeek, hoor je medepassagiers die abusievelijk de verkeerde schacht in zijn gekropen, om hulp roepen. Terwijl de rookslierten uit de luchtkoker dwarrelen. Met hun handpalmen proberen ze deb ijzeren roosters op te tillen. Ze zitten klem. Hun gegil achtervolgt je tot aan je huis. Tot in je slaap. Het is alsof ze in de dichtgemetselde kelder onder je woning, nog steeds nog steeds hun smeekbeden tot je richten. Je kunt ze niet helpen. Het sousterrain is al een eeuw geleden volgestort met puin. De vloeren zijn met tegels bemetseld. Waar eens het trapgat zat, is nu een duister rommelhok. Je slaapt met oordopjes in. Ook omdat de boiler van de buurman, dag en nacht lawaai maakt. Een sonore brom, die niet meer uit je buizen van eustachius verdwijnt. Die in de boeken van je bibliotheek doorresoneert. Die in de stenen fundamenten van je huis omhoog trilt. Je raakt het geluid niet kwijt. Het is er altijd, als een soort achtergrondruis van het heelal. Je creeert lagen van stilte in de stilte, ongeschonden stilte waarmee je de geschonden vorm probeert te bedekken. Alsof je een gewond lichaam wikkelt in het ene na het andere schone laken. Het gebrom blijft hoorbaar, hoezeer je het ook probeert te negeren of maskeren. De buurman ontkent dat het geluid van bij hem komt. Of ik hem en zijn huurder, niet meer wil lastigvallen. De loodgieter is langsgeweest, die kon geen brom meer detecteren. het is genoeg zo. Het geluid zit in uw hoofd, u bent gek, zegt de buurman. Soms kom ik overeind uit bed, midden in de nacht, en leg ik mijn oor te luisteren tegen de muur om te bepalen of de brom er nog is. Als het geluid me niet gek maakt, dan de buurman wel. Die huisjesmelker, die zijn woning in vier, vijf krotruimten verdeeld heeft die hij aan armoedzaaiers heeft verhuurd. Het huis laat hij  verkommeren tot een schimmige bouwval, het kan hem niets schelen. Je hebt een hele verzameling gebruikte oordopjes aangelegd, die je in slagorde gesorteerd hebt bovenop de eikenhouten kast in de keuken. In het begin speelde je kat nog met de kleine wassen bolletjes. Nu zijn het er teveel om nog interessant te zijn. Om echte stilte te verkrijgen, zul je moeten verhuizen. Dat ga je doen. Eigenlijk gun je het je buurman niet. Jij trekt aan het kortste eind. Het voelt als een nederlaag. Buurman steekt geen vinger uit, maar wint. Je broer zegt dat het hoog tijd is, om eieren te kiezen voor je geld. Trek je plan, laat je niet opnaaien. Ik knik als ik het mijn broer hoor zeggen.

 

Kandelaarsstraat1.1

 

KandelaarsstraatRue des Chandeliers.photo2

 

De schaduw van verandering en neergang, lag over alles. Mijn blik op het huis gaf een gevoel van droefheid alsof het ten dode opgeschreven was. Het leek leeg, het leek stil. Mijn geest, blootgelegd door de aanslagen en het tot stilstand komen van het stromende leven, was levend maar machteloos. Als een oester die uit zijn schelp was gesneden. Het huis was af, klaar, net als mijn leven hier. En als het huis gereed is, zeiden de Chinezen, komt de dood. School er noodzaak, school er waarde in de impasse waarin ik was aanbeland? Betrof het een onvermijdelijk parours dat moest worden afgelegd? Een levensles die node diende te worden geleerd? Heel het verleden, hield ik me voor, alles wat zo moeilijk was geweest, waarmee ik geworsteld had al seen reiziger met te veel koffers – idealisme, loyaliteit, vrijheidsdrang, prestatiedrang, ambitie, de hang naar liefde, erkenning, vriendschap, al je deugden, hebbelijk- en onhebbelijkheden – ze waren nodig om het parcours van zelfverwerkelijking te volbrengen. Ze zouden me in stand houden, in leven houden, ze zouden blijvend van belang zijn. En dan, een dag later, sloeg de ziekte weer toe. Het was , iets dat ik niet van eerdere episoden herkende, niet begreep. Opeens was ik nog nooit zo nerveus geweest, zo wanhopig, zo bang en depressief. Ik realiseerde me wat een de  zenuwinzinking was: wat een leven deed dat alle beheersing had verloren. Mijn borst deed pijn, mijn benen waren koud, mijn geslacht was verschrompeld en gevoelloos, ik moest voortdurend slikken, mijn geest draafde doldwaas door. Mijn enige contact met de buitenwereld, afgezien van de vage geluiden van voorbijgangers in de stille straat voor mijn deur, was het internet. Ik had niet de kracht, niet de lust om uit te gaan. De gedachte aan mensen maakte me panisch. Hoe vriendelijk of betrokken ze ook waren, het was of ze konden zien dat ik een patient was, iemand die levend uit een wrak was gekropen.

De verschrikkingen van de ballingschap, al was die dan vrijwillig. Van een bestaan in de coulissen. Wat in het begin nieuw was geweest, curieus, charmant, verhardt zich langwaam tot onhandelbaar leven, het lachen verflauwt, het is als een moeilijke school, een die nooit ophoudt. Ik herkende de dagen niet meer, ze waren zonder betekenis, gevreesd, alles gesloten als een boek. Ik was volkomen anders en alleen, een buitenstaander, een kreupele rekruut in de kazerne. Ik lag alleen in de lakens van het nog warme bed, de wil ontberend om op te staan en te douchen. De kou in, het leven. Alleen in deze stad, alleen op deze zee. De dagen waren uitgestrooid om me heen, ik had me eraan bedronken. Ik had niets gepresteerd. Hier leefde ik – veel waard was het niet. Niet zoals een leven dat was afgelopen maar echt iets had betekend. Als ik moed had gehad, als ik geloof had gehad, als ik toewijding had getoond in plaats van vluchtigheid en luiheid. Wij bewaren onszelf intact alsof dat van belang was, en altijd ten koste van anderen. We potten onszelf op. Wij slagen als zij mislukken, wij zijn wijs als zij dwaas zijn, en we gaan door, grijpen ons vast, totdat er niemand meer is – wij blijven achter zonder gezelfschap behalve God. In wie wij niet geloven. Van wie wij weten dat Hij niet bestaat.

De kalme stille lucht, het licht, vervulden me met een soort ontzetting, de vrees dingen te zullen zien die me te machtig waren. Ik had mezelf afgesneden van dit al, ik keek ernaar et een soort onverschilligheid, haat zelfs. Waarom moest wat ik had afgestoten zo´n pijn doen? Waarom zou ik er zelfs maar minachting voor voelen? Mijn geest raakte verdoofd. Ik probeerde nergens aan te denken, niets te zien. Alles was een bevestiging van dagen die waren voortgegaan, van onbeantwoord leven. Dat van mij was beland in een uitzichtloos bestaan, wanhoop.

 

 

KandelaarsstraatRUE_CHANDELIERS_PLAQ_660x660metlantaarn

 

KandelaarsstraatSuzanne

Mijn leven was bezig weg te spoelen, het viel uiteen, het dreef als papier op de stroom; ik had uren nodig die nuttig waren, werk, verantwoordelijkheid, een vrouw om van te houden en een kind om voor te zorgen. Ik had hoogdringend nood aan betekenis in mijn bestaan. Aan warmte, een vlot gesprek, intimiteit, lichtvaardigheid. Het brood des levens. Gedachten aan de ondergrondse rivier gingen door mijn hoofd, de tocht waaraan weinig mensen durfden beginnen, waarbij je alles op het spel zette. Tijd om het schip te verlaten. Het zinkt. Ziet niemand, dat het zinkt ? Red jezelf, nu je nog kan. Ga vlot van boord, verkoop de boel en laat je leven in Brussel waardig achter je. Kijk niet langer om, kijk vooruit. Je bent al aan de late kant. Het is bijna je ondergang geworden.

 

De verhuiswagen is net volgeladen weer weggereden. Het waren er zelfs twee. Een grote en een kleinere. Daarnaast was er nog een voertuig gehuurd, waarop  een ingenieuze lift was geconstrueerd, waarmee de piano, het grote houten bed en  de kasten via het raam naar beneden konden zoeven. Toen ik vanmiddag op straat stond en omhoog keek, zag ik de brokstukken van mijn voorbije bestaan die op het laaddek van de lift werden getakeld, schitteren in het zonlicht. Het huis werd geplunderd, in mijn eigen naam nog wel. Wat achter bleef was een leeggevreten karkas. Wow, dacht ik, de daimon van Medina was hier. En je hebt het weer zelf allemaal gewild en in werking gesteld.

 

Temidden van de verlatenheid van het  huis , waar de stilte nu voorzien is van een vreemd soort schallende echo, knipoog ik naar de Phoenix in keramiek, die is aangebracht op de achterste muur van mijn patio-terras. De rijk geornamenteerde Arabische voorstelling die is vervaardigd door ene Said uit Tunesie. De mythische vogel fladdert omhoog uit een kelk, rondom krioelt het leven, oleanders, hyacinthen, dahlia´s staan in bloei. De bloemen rijzen geopend ten hemel, de stengels krioelen tezamen rond de vogel en de kelk, en vormen de contouren van een sleutelgat-vormig schild dat met een vernuftig mozaiek vol klavertjes-vijf is omkaderd. De Phoenix blijft waken over het huis, dat ik nu verlaat. Ik kan deze kamers, deze verdiepingen en dit terras, die zoveel jaren mijn materiele fundament hebben gevormd, de grond van mijn bestaan, met een gerust hart achter me laten. Ik verlaat mijn stille straat, in het hart van de Marollen, niet horizontaal als een lijk op een draagbaar. Maar verticaal, als een mens met benen en voeten die hem verder dragen. Een andere stad en een nieuw leven tegemoet.

 

Kandelaarsstraatsvddoorbartazarebxl

Serge in de Kandelaarsstraat. Fotograaf: Bart Azare